summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39736-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '39736-0.txt')
-rw-r--r--39736-0.txt5379
1 files changed, 5379 insertions, 0 deletions
diff --git a/39736-0.txt b/39736-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4a5e201
--- /dev/null
+++ b/39736-0.txt
@@ -0,0 +1,5379 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kleurig en donker
+
+Author: Willem van Amsterdam
+
+Release Date: May 19, 2012 [EBook #39736]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+KLEURIG EN DONKER.
+
+
+
+
+ KLEURIG EN DONKER
+
+
+ DOOR
+
+
+ W. VAN AMSTERDAM,
+ _Schrijver van „Marionetten.”_
+
+
+ HAARLEM
+ H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ AAN DE VOORDEUR 1
+
+ HET STRAATORGEL 12
+
+ EDDY 25
+
+ HAAR BROOD 48
+
+ KINDERLEED 61
+
+ KAREL JAN VONK 73
+
+ DE OUDSTE 84
+
+ HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94
+
+ HAAR KEUZE 103
+
+ BLOK'S VROUW 113
+
+ GEEN „VERRAJER” 127
+
+ DE AANSPREKER 141
+
+ DERDE KLASSE 155
+
+
+
+
+Aan de voordeur.
+
+
+„Zoo, dikke zus!” zegt Evert—een jonge slagersknecht, een pracht
+van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de
+schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan
+aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend
+gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft—„zoo, dikke zus! hoe gaat 't
+met mijn?” En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand
+van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan
+de Heerengracht.
+
+„Hoe 't met je gaat,” antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande
+keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht,
+„hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te
+zien, dan gaat 't nogal met je.”
+
+„Ja, 'k zie bleek, hè?” zegt Evert, „dat komt omdat me maag niet in orde
+is, weet je!”
+
+„Niet?” vraagt Grietje, „lust je geen ete meer?”
+
+„Jawel,” antwoordt Evert, „maar 'k lust te veel.”
+
+„En krijg je niet genoeg?” vraagt Grietje.
+
+„Of 'k 't krijg,” zegt Evert, „dat zou me niet kanne schele, as 'k maar
+zooveel kon neme as 'k lust.—En daar hei je haar ook,” roept hij uit,
+als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper
+katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht
+mede aan de voordeur verschijnt.
+
+„Zoo, malle! bè je weer an de gang?” vraagt zij.
+
+„Mal-le?” vraagt Evert, „as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te
+hale, hoor!—Wat zie je 'r weer goed uit!” roept hij uit, een poging
+doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: „laat je
+staan!” en een tik op zijn arm, verhindert.
+
+„Ga je van aved 's met me uit?” vraagt Evert haar.
+
+„Ikke niet,” antwoordt Keetje, „want me parresol is in de maak, hoor!”
+
+„Ja,” zegt Evert, „nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook
+nog niet t'huis is.—Maar 'n Zondag dan?”
+
+„Jonge nee,” antwoordt Keetje,—„'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis.”
+
+„'t Bessieshuis!—daar heb ik ook nog 'n oome,” beweert Evert.—„Zà je
+'m van me groete?”
+
+„Dat zal 'k,” belooft Keetje. „As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals
+valle.”
+
+„Zeg eris!” roept de keukenmeid uit,—„da 's waar ook!—'k docht dat jij
+'n eerlijke jonge was, hè?”
+
+„Ikke niet eerlijk,” zegt Evert, „nou nog mooier! Geef me maar 's 'n
+zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom.”
+
+„Nee,” zegt Grietje, „dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan
+mag je 'm wel houwe ook.—Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n
+beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag
+luste, en dat hei je niet gedaan.”
+
+„Mijn schuld is 't niet,” verzekert Evert. „De baas zei, da' 'k 't maar
+vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene—rits...! door me
+hoofd gegaan.”
+
+„Zei-ie-dat?” vraagt Grietje. „Zei ie, dat je 't maar vergete
+most?—Hoor je dat, Kee?”
+
+„Zoo'n akelige, schriele kerel,” roept Keetje uit.
+
+„Hoort eris,” zegt Grietje, „zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou
+denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af
+en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k
+zoo'n ideetje van,” verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten
+mond, verscheidene malen met het hoofd.
+
+„En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen,” verklaart Evert.—„Alla,
+zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n
+zweezerikkie of kalfsoesters,—wat mot 'k brenge?”
+
+„'k Mot niks van je hebbe,” antwoordt Grietje. „We ete vandaag 'n
+stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong.”
+
+„Verdikke, mens, houw op!” roept Evert uit, „daar zou je 't water van
+over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is,
+hè?”
+
+„Of ie lekker is!” zegt Grietje, „nee”—en met de vingertoppen tegen de
+wang wiegt zij het hoofd—„dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege
+Kee—is 't niet waar meid—„Kee,” zeg 'k, „'k heb me eigen verhuurd voor
+de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch
+ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt.”
+Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit
+ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as
+ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie,
+maar de saus,—die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't
+aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_
+kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge,
+je boezelaar of—en 't hem om ze dikke lijf zou doen.—En as 't
+niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de
+bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!—'t Is dat 'k
+hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders....”
+
+„Dan ha' je 'm al gesmeerd?” vraagt Evert.
+
+„Al lang,” verklaart Grietje, „want an al dat putlut daar he' 'k 'n
+hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as
+ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's
+'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van
+je werk ook. „Griet,” zei meneer dikkels, „je mot niet zoo lekker koke,
+mens; 'k kan 's middags niet uitscheije.” En as mevrouw, die er zoo'n
+hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie—omdat ze nooit niks kon
+bedenke, zei ze—'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws
+verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat
+wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: „Kijk, dat hei je goed
+geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben.” Och ja,” zegt
+Grietje met een zucht, „'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is
+zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze
+best nog 's doet ook. Nee”—en ze schudt het hoofd tegen een koopman in
+bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst—„niet noodig.”
+
+„Mot je geen bwommetje?” vraagt hij.
+
+„Nee,” antwoordt Grietje, „ik mot geen blommetje hebbe.”
+
+„Koop 's 'n mooi ghoozie van me?” vraagt de koopman, „of 'n potje met
+ghesida.”
+
+„Ga nou maar gerust deur,” zegt Grietje, „want 'k koop toch niks van
+je.”
+
+„'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie,” zegt
+de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.
+
+„Och, ga nou weg, hè!” roept Evert uit.
+
+„Nà,” zegt de koopman, „la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag
+potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot.”
+
+„Ja,” zegt Evert, „'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen
+slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de
+klandisie, hoor.”
+
+„Wat zou 't,” roept de koopman uit, „as datte gebeugd, dan rentenieg 'k
+à tien jaag! En jij, juff,” vraagt hij aan Keetje, „mo' je niet 's 'n
+potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?”
+
+„Nee,” antwoordt Keetje, „ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet
+verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever,” en zij
+ginnegapt achter haar hand, „ik ruik liever gebraje spek.”
+
+„Ja,” zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, „nou je 't zeit,
+ruik ik ook liever 'n bankethammetje.”
+
+„Of 'n varkensrib,” zegt Evert, „dat mot je ook niet uitvlakke, dat
+ruikt heerlijk, hoor!”
+
+En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en
+toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk
+uitroept: „toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse
+ze stout binne.—Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't
+magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje
+mot hebbe, hè?”
+
+„Nee,” zegt Grietje, „dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik
+ben alleenig voor de pot.”
+
+„Nà,” zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, „da's
+ommes ook 'n pot.—Doe je 't niet? Jij dan?” vraagt hij aan Keetje,—„'k
+het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om.”
+
+„Dat zou 'k nou wel voor je wille doen,” zegt Keetje, „maar daar hoef 'k
+niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo
+graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me
+kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?”
+
+„Alla!” zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende,
+„'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar,” en zij reikt den
+koopman twee dubbeltjes over—want een keukenmeid heeft altijd en een
+werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee
+stuivers voor, „daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,—'n
+Zaterdag of zoo.”
+
+„Nee,” zegt Keetje, „want dan houwe we groote verschoondag, hoor!”
+
+„Schoon za' je bwijve kind,” zegt de koopman, de stoep af gaande, „'t
+zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg.”
+
+„Ze-eg!” roept Evert uit, „jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te
+bange, hoor je!”
+
+„Laat 'm maar gaan,” zegt Keetje, „want gelijk het ie.—Wil jij nou ook
+liever dat roosie hebbe?” vraagt zij aan haar kameraad, „dan geef mijn
+dat andere dingie maar.”
+
+„Wel nee meid,” antwoordt Grietje, „dit ruikt immers ook goed!”
+
+„Dat doet 't,” bevestigt Evert. „Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?”
+
+„Weet je dat niet?” vraagt Grietje, „en 'k dacht nog al, dat jij uit
+Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met „ghesida”” zegt zij, den
+koopman nadoende. „Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r
+nog geen?”
+
+„Ikke geen meissie!” roept Evert uit; „alle Zondagge 'n ander, hoor!”
+
+„Dat binne d'r een en vijftig te veel,” beweert Grietje.—„Maar jij bent
+er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?”
+
+„Nou,” zegt Evert, „'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet
+van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?” vraagt hij aan
+Keetje.
+
+„Ikke zeg niks,” antwoordt zij. „„As jij je mond houwt,” zeit me moeder,
+„dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen.” En daar gedraag 'k me
+eige na; is 't niet waar, Griet?”
+
+„Ja,” antwoordt Grietje, „van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?”
+
+„Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” zeit
+me moeder, „zoo as jij toch ook slape kan—da's gerust 'n mirakel; daar
+slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.””
+
+„Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?” vraagt Keetje.
+
+„As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor
+'k nooit meer wakker,” beweert Evert. „Zeg eris,” roept hij uit, in de
+gang kijkende, „juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of
+zoo?—daar legge wel 'n pak of tien op de bank.”
+
+„Da's voor 'n Zaterdag,” zegt Grietje, „dan hebbe we hier diné.”
+
+„Diné?” vraagt Evert. „Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?”
+
+„Alle dage lekker,” zegt Grietje, „maar as we diné hebbe, dan ete we
+fijn.”
+
+„Hoort eris,” zegt Evert, „as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om
+juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt
+hier de restoratie van Van Laar wel.”
+
+„Van Laar,” zegt Grietje, „die mag de oestertjes levere, want daar
+beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. „Dat zet de maag
+in ze fatsoen, daar wort ie graag van,” zeit meneer.”
+
+„Nou,” zegt Evert, „dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg,
+want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de
+leest geslagen is.”
+
+„Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle,” verzekert Grietje, „want
+er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan
+krijgen we twee soepies.”
+
+„Och ga weg!” roept Evert uit. „Twee keer soep!...”
+
+„Daar mag je uit kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter je, en vraag wat
+uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe.”
+
+„En onderwijl,” zegt Grietje, „schenkt de knecht je 'n glaasie serry
+in.”
+
+„Die kon wel achter me blijve staan,” meent Evert.
+
+„Wel nee,” zegt Keetje, „da' 's nerges voor noodig, want iedere keer
+krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord
+nog 'n kraf vol.”
+
+„Dat zou niet lang dure,” verzekert Evert.
+
+„Dat denk ik ook niet,” zegt Grietje, „en daar mag je dan 'n glaasie uit
+neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n
+stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar
+schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in.”
+
+„En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld,” zegt Keetje, „dan begin je
+om zoo te zegge pas.”
+
+„Ja!” roept Evert uit, „'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!”
+
+„Jawel,” zegt Keetje, „maar dan komt eigelijk pas wat ze
+„sta-in-de-maag” noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch
+met sper...”
+
+„Nee hoor, nou is 't genoeg!” roept Evert uit, naar zijn mand grijpende,
+„da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van
+te motte hoore, da's al te arremoeïig.”
+
+„En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?” vraagt
+Grietje.
+
+„Niet?” vraagt Evert. „Hei jij dan zoo'n beroerde maag?”
+
+„Gelukkig niet,” antwoordt Grietje, „maar 'k ben er vies van.”
+
+„Kom”, zegt Evert,—„vies...!”
+
+„Dat ben 'k,” bevestigt Grietje, „en Kee ook. Is 't niet waar, meid?”
+
+„Ba,” roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd
+afkeerende, „dat vieze gedoe!”
+
+„Daar wor je ziek van,” beweert Grietje. „We zegge zoo dikkels tege
+mekaar,—is 't niet Kee—as de kok in de keuke bezig is: „dat moste ze
+binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen
+mond an.”—Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met
+ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles;
+en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan
+kan ie 't met ze vinger ook wel.”
+
+„En as je dan binne bent om te diene,” zegt Keetje, „dan hoor je meneer
+tegen mevrouw van hier naast zegge: „wel mevrouw, is dat nou geen lekker
+sausie?” En dan zeit zij,—met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r
+magere, bloote hals: „ja””—en Keetje trekt een allerliefst mondje—„„dat
+mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!””
+
+„Nee hoor,” zegt Evert, „as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me
+moeders pot.”
+
+„En daar doe je wijs an,” verzekert Grietje. „Lekker ete is goed, maar
+zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste
+diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na
+buite gaan.”
+
+„Mooi zoo!” roept Evert uit, „dan zà je me baas weer effe hoore
+moppere.—Gaan jelui al gauw?”
+
+„Dat zal geen zes weke meer dure,” antwoordt Grietje.
+
+„Maar ik ga al gauwer,” zegt Keetje.
+
+„Zoo! wanneer ga jij dan?” vraagt Evert.
+
+„Van aved, hoor!—as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga
+jij?”
+
+„Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet,” antwoordt Evert; „me
+moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam”—en hij
+knipoogt tegen Keetje—„blommetjes genog.”
+
+„As dat dan waar is,” zegt Keetje, „dan ga ik met me blommetje maar gauw
+weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is.”
+
+„En ik dan!” roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. „Ik mot
+al de klanten nog of.—Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel
+daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!”
+
+„Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind,” zegt Grietje. „En daarom
+zegge ze dan ook:
+
+ As Adam in 'n appel bijt,
+ Ofschoon door Eva _niet_ verleid,
+ Dan weet ie 't toch zóó an te legge,
+ Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge.
+
+En nou atjuus hoor,” zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. „En droom
+van nacht 's van me. Zal je?”
+
+„'k Hoop er om te denke,” antwoordt Evert. „Maar 'k zal in alle geval an
+me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.—Adie...!”
+
+
+
+
+Het straatorgel.
+
+
+„'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie—zoo kom 'k an de kost,
+sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf
+been het,” zegt Bet Bos, bij de buren bekend als „orgel-Bet”. „En à
+je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op
+die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me
+man trouwde—dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de
+Keizersgracht over de Westermart—'n goed mens daarvan niet, maar zij
+en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel
+gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e
+dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en
+de kindere, zei ze—toe _ik_ me man trouwde,” herhaalt Bet, diep adem
+halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit
+haar longen gedreven, „toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie
+twaalf tot veertien gulde in de week.—Ja mens, zoo benne we begonne,
+knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en
+_ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met
+musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of
+'t zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze
+'m t'huis! Heere! heere!”—en Bet slaat haar handen in elkander—„zoo
+goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!—'k
+Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't
+zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet
+van hoore. „Nee,” zeg 'k, „daarvoor is niet getrouwd!” En zoo hieuw
+'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon
+scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de
+aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost
+zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer
+in staat. Och ja,”—en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar
+voorhoofd glad—„zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n
+orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je
+tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens
+al blij weze, zeg 'k.”
+
+En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden
+heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar
+voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te
+offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de
+voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert,
+laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het
+praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen,
+stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de
+straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot
+haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij
+haar tijd derhalve verpraat heeft.
+
+En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een
+aantal van haar vaste klantjes wonen.
+
+Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar
+beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men,
+oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien
+van het orgel te kunnen aanwenden, want „draaie en cente ophale, dat
+doen 'k zellevers,” zegt ze, „draaie om de haverderij, weet je, en
+cente ophale,—nou, dat begrijp je wel,” heeft zij een zeventien- of
+achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met
+uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd,
+zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en
+voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte
+voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten
+gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog
+heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien
+of twaalf „moppies,” als er een ziek kind opgevroolijkt—of de pret in
+een bruiloft gehouden moet worden, „'n heele karrewei.” Want zoodra
+zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit
+prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt
+haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken,
+waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, „zoo asse de gowwevies,”
+zou Mozes zeggen, „zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip.” Eerst
+draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al
+draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van
+haar bovenlijf,—door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet
+aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen
+en weer slingeren van haar rechterarm,—niet weinig verhoogt. Door
+haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen
+ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor
+telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_
+zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt,
+als de laatste tonen van het lieflijke: „Daisy, Daisy!” zijn
+weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van
+al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken,
+voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht,
+verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan
+afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet
+hooren.
+
+Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit „'r doppe,” en een haar
+toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat
+er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek,
+waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk
+gehuil—veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van
+het wiel,—wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere
+geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren
+ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het
+bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een
+cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd
+uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel
+terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken,
+„ofdraait”.
+
+Haar orgel, waarop in goud het woord: „orchestrion” prijkt, is zeker een
+van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig
+zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad
+aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen
+aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan
+weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in
+het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het
+hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en
+ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren
+staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder
+los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij
+het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op
+de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen
+elkander aanzien, en het „gut!” waarmede de vrouwen haar bewondering
+te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge
+pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den
+mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en
+_gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand
+houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat.
+Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar
+rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der
+beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te
+zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat
+hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd,
+als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen
+ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken,
+met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn
+heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie,
+ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij
+uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden
+glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de
+triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk,
+dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek
+gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige
+kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te
+hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande,
+uitriep: „je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!”
+
+De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben
+er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed
+daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen
+tegenover haar collega's laat verleiden.
+
+„A's 'k weet,” zegt ze, „dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om
+tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er
+kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn
+laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast
+deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da'
+'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie
+later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om
+'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was—zoo'n stiekemert! dat
+doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan,
+maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar
+ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee
+moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot
+ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai
+'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege
+me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is.” Door haar kolossaal
+instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de
+overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar
+collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een
+pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het
+vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat,
+dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag
+zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer
+brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar
+gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere
+orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.
+
+Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken
+strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere
+reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk
+gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden.
+„As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te
+sjanke, 'n doodschop,” verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri
+heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele
+herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door
+muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren,
+zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken,
+die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de
+eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen
+van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen
+muziek kon hooren zonder „akelig” te worden, dan zou hij natuurlijk
+onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in
+staat is. Maar dit doet hij nooit.—Integendeel! zoodra hij op zijn
+levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan
+blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen
+draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand
+verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij
+aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken
+noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen
+of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij
+smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is
+onwaarschijnlijk. „As ie sjankt, dan mot ie weg,” zegt ze, en nooit
+verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand
+te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er
+een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt
+zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar
+zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast
+haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt
+hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van
+haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop
+toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier
+met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament
+tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en
+rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar
+onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half
+dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog
+voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht,
+door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de
+wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping
+elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten
+het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.
+
+Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking
+is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men
+bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift
+der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op
+de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding
+geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent,
+met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij
+eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet
+kan vereenigen. „Smerisse,” zegt ze, „daar mot 'k niks van hebbe, en met
+'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k
+de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had—en dat zou zoo'n
+wonder niet weze—zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme
+je mee!” roept ze uit. „As je, zonder erg, de een of andere straat van
+de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde
+tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan
+schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_
+bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om.
+Sekuur!” roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt,
+„want toe Da Punt....” en dan volgt het waarachtige verhaal van een van
+haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok
+had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière
+gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten
+geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was
+gebracht. „Nee, nee,” zegt Bet, „met de pelisie affetuur 'k niks, want
+_dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst.” En zoo komt
+zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de
+hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende
+is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan
+den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden
+dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de
+hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd.
+Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het
+vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de
+meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden
+gewaardeerd.
+
+Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den
+heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt
+het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met
+andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt
+geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven
+aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het
+lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op
+het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele
+_entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door
+dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt
+geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een
+_marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen
+als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun
+is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in
+achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van
+eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar
+de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste
+bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend
+op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra
+de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin
+_nez à nez_ staan—liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat
+het ook wel—maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de
+uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de
+andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats
+waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar
+links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij,
+plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten
+dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna
+zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der
+dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of
+een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet
+gegleden is, weer aan te trekken.
+
+Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de
+verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan
+eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand
+een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een
+paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke
+bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel
+der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden,
+door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte
+uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide
+bevalligheid.
+
+Voor Bet is zulk een straatbal—want de bewoners van achterbuurten zijn
+goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul—een aardig buitenkansje, maar
+natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook
+dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis
+kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij
+nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek
+een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij
+haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er
+maar één, maar „wat 'n hartepitje is ie, hè?” En als zij hem van den
+vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis
+vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.
+
+
+
+
+Eddy.
+
+
+Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte,
+voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs
+pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een
+fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar
+een veld-mutsje of zoo iets—donkerblauw, afgezet met wit—want hij
+is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de
+geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel
+daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen,
+een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar
+wel een beetje een uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” aan zijn
+gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine
+tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk,
+dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets
+waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt
+en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.
+
+Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover
+mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het
+portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen
+geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de
+tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige,
+mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar
+ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal
+zien en zijn hand nog eens drukken zal.
+
+Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus
+eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij
+elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden
+hebben.
+
+Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe
+woonplaats zou betrekken—want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik
+het kamerleven op den duur te „onhuiselijk”—moest zooveel hersteld
+en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn;
+en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn
+nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een
+nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te
+vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo
+had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige
+benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren
+ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken,
+kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik
+de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een
+Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast
+was.
+
+De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de
+personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik,
+dat Cor—zoo heette de zuster van Eddy—als zij binnen kwam, om het
+een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek,
+alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te
+doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan
+een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder
+fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op
+een morgen—waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden
+totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken—of ik tevreden
+was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.
+
+Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever
+wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg
+ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op
+zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat
+het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd,
+al dravende, zijn overjas aantrekkende.
+
+Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er
+iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat
+van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet
+mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te
+veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans;
+maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het
+zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.
+
+Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.
+
+„Welzeker niet,” antwoord ik. „'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar
+ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even „stormachtig” was
+als hij. Gaat hij nog op school, of...?”
+
+„Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad.”
+
+„En leert hij goed?”
+
+„Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar
+gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls
+van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het
+eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn
+dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht.”
+
+„En wat moet hij worden?”
+
+„Ik hoop,” antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid
+getuigt, „dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine.” En
+aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: „Eenige jaren
+geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die
+zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in
+leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand
+te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te
+huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was
+toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig,
+'t ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik
+iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school
+doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't
+Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat
+het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We
+hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij,
+en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou
+studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk
+veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd
+opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik
+hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan
+later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij
+niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat
+hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had
+gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de
+middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat
+doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het
+beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn
+toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan
+misschien niet een zou gebeuren. En zoo,” zegt Cor, met een glimlachje,
+„ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet
+minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.”
+
+Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets
+over het hoofd had gezien.
+
+„En dat is?” vroeg zij, een beetje ongerust.
+
+„Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht,” antwoordde
+ik.
+
+„Niet om mezelf?” vroeg zij verbaasd.
+
+„Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of
+zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen.”
+
+„O,” zei zij met een glimlach, „dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk
+niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn
+leven niet geven.”
+
+Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde,
+en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden,
+maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was
+met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.
+
+„En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog
+geen berouw?” vroeg ik.
+
+„Neen,” antwoordde zij beslist. „Tot nog toe is hij ieder jaar
+overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral
+in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar
+hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't
+Gymnasium, of „'t hok,” zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen
+om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij
+over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan
+ook niet heel lang geduurd,” voegde zij er met een glimlach bij.
+
+Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik
+dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou
+opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem
+aan te moedigen zijn best te doen.
+
+Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en
+met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.
+
+Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den
+tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende
+ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich
+eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de
+leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn
+rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak
+hem aan.
+
+'t Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was
+kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had
+gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek,
+dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus,
+Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt
+van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk
+Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes
+jaren lang op een Gymnasium te gaan „heel taai,” en derhalve lang genoeg
+is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde,
+ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje
+met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk
+niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met
+zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want
+uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden
+kerel—„ajasses nee!”
+
+Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik
+glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer
+stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.
+
+„Ik geloof,” zei ik tegen Eddy, „dat je 'n beste zus hebt, hè?”
+
+„Ja, hoor!” antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er
+zoo onmiddellijk bij: „wat 'n mooi tuigie het ie op!” dat hij het
+blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water
+koud en vuur heet is.
+
+Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen,
+of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem
+al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang
+stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap,
+en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een
+logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.
+
+„Ik vind, Eddy,” zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik
+bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, „ik
+vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal
+te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde
+met boeken en schriften te doen. Deze twee—en ik wijs naar een paar
+op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers—heb ik hier een poosje
+geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche
+grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden
+binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en....”
+
+„Vieze dingen!” roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding
+aannemende.
+
+„Nu goed dan, _niet_ vies, maar—ja kijk nu maar niet zoo woedend—in
+ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt
+zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op
+de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.”
+
+„Nou ja,” zegt Eddy, „dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst
+he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was;
+toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel
+op te redderen.”
+
+„Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?”
+vraag ik.
+
+„Of ie!” beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint
+te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.
+
+„Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan
+werken,” zegt Cor, „en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op
+zijn kamertje bleef zitten.”
+
+„En daarin hebt ge volkomen gelijk,” stem ik toe. „Hoe zoudt ge
+'t vinden, majoor”—want sedert ik weet, dat hij lid is van de
+weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls
+met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een
+militairen rang toe te kennen—„hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't
+vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen,
+daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en
+Zaterdag-middag hier kwam werken?”
+
+Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is
+verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met
+opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan
+opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar
+denkende dat dit plan van haar afkomstig is.
+
+Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en
+als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk
+makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid,
+en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen
+Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft
+gewerkt.
+
+Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt
+nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil
+doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk
+bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het „dan maar doen zal.”
+
+En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander,
+hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in
+de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden
+toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde
+te „suffen”, omdat het er toch niets toe deed of „die stomme boer” het
+kreeg of niet.
+
+Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen,
+en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn
+huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge
+manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een
+kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit
+een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als
+hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige
+ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken
+gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan
+nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met
+de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan
+hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt.
+Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer,
+die het „ongeluk” heeft geen „klare” te lusten—hetgeen trouwens niet
+verhindert, dat de ware „kiezerspit” in zijn _body_ zit—dan weet ik
+wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid,
+door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het „moppie”,
+waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een
+weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige
+oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel,
+sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden
+zal zingen:
+
+ „Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,
+ 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.”
+
+En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden.
+Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen „licht”
+krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij
+naar mij, als ik hem even aankijk—iets waarvan ik natuurlijk niet de
+minste notitie neem—of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en
+blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt
+het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het
+hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene—dan het andere been, ook
+wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische
+toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt,
+om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge
+gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het
+gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt,
+uitroepende: „wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!” of: „daar
+hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel,
+zoo gaat 't!”
+
+Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint
+hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken
+heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met
+„bevallige nonchalance,” zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich
+slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen
+straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk
+een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel
+voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch
+zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen,
+maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels
+herinner:
+
+ „Maar 't was zoo heerlijk, buiten!
+ 't Was alles: zonnestraal!
+ En boven in de takken,
+ daar zong een nachtegaal;
+
+ En alle bloemen bloeiden,
+ en schitterden in 't rond;
+ en als een bloem was 't kereltje,
+ zoo frisch, en zoo gezond.
+
+ Zoo liep de jongen lustig,
+ en zong zijn vroolijk lied.
+ Maar waarom hij een liedje zong,
+ dat wist het ventje niet.”
+
+En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt
+hij wel twintigmaal:
+
+ „Maar dat viel lang niet mee.
+ Ze zei: „wel jonge, nee,
+ ik houw niet van tariteraraboumdié.””
+
+En niet minder dikwijls:
+
+ „Een jeugdig huw'lijkspaartje,
+ Pas in den echt getreen,
+ Gevoelde zich gelukkig,
+ Nu 't eind'lijk was alleen.
+ Maar daar komt plots'ling binnen
+ De schoonmama—o, hé!...”
+
+En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten
+over, om te eindigen met de verrassende woorden:
+
+ „Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,
+ Van die lieve schoonmama.”
+
+Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer
+onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner
+schoonmoeder.
+
+Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij
+zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een
+almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de
+Paaschvacantie—waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden,
+waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een
+poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;—of
+hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje—een cadeau van
+Cor—uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de
+schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk,
+het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk,
+staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke
+blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: „maar
+jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!” dan
+antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft
+geleerd.
+
+Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan
+gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier
+drinkende—want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan
+vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is—rustig blijft
+zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij
+niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt
+hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na
+dien tijd nog iets uit te voeren.
+
+Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest
+wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem
+sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij
+even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam
+hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte
+handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor
+ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk
+losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle
+mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de
+kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van
+haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield,
+liep hij de kamer op en neer, zingende:
+
+ „Eens liep een aardig meisje,
+ al in den maneschijn.
+ Zij had twee blauwe oogen,
+ en voetjes—o zoo klein...!”
+
+En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in
+huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den
+maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer
+hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo
+lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het „aardige
+jonge meisje,” niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet,
+met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den
+waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het
+nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in;
+want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten—door met
+aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te
+schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.
+
+Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij
+zegt, dat hij het „onfatsoenlijk” vindt, en biedt mij een dubbeltje aan,
+als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. „Dat zou zoo lekker
+gaan,” zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij:
+„pats...!” En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij
+het aannemelijk te maken, door te zeggen: „nou, _vijf_ keer dan maar!”
+En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite
+een verbaasd gezicht zettende: „waarom niet?”
+
+Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze
+zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd,
+waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij
+daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een
+handschoen of een zakdoek, „tegen de mot”, zooals hij zegt, en als
+ik hem laat begaan dan maakt hij „een Chineesie” van mij, zooals hij
+dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn
+uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij
+aanhitst, door naar mij te wijzen en „kiesch! kiesch!” te roepen, net
+zoolang totdat het beest begint te blaffen.
+
+En met dien hond, die den buitengewonen naam „Pak 'm” draagt, kan hij
+sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige
+laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het
+dier leeren „zingen,” hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden
+maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met
+het hoofd; en als hij zegt: „Pak 'm-snoet-vuil!” dan strijkt het beest
+herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op
+onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze
+met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij
+het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte
+voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden.
+En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten
+in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of
+anderen leeraar na. En als hij uitroept: „ik zek oe, dat zal _niet_
+kebeuren!” slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat
+het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna
+holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: „hij is
+braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja,
+hoor! hij is een goeie hond!” zijn wangedrag tracht goed te maken. En
+niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat
+hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm
+nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en
+zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in
+het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.
+
+Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede
+kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor
+ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken
+en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook
+met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu
+_asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid
+haar toe te voegen: „geef me dan een kwartje, dan laat ik je los.”
+Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij
+ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij
+zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en
+„handelsgeest” met elkander verwar.
+
+Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder
+beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den
+middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we
+hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van
+zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die
+eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig
+verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche
+lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook
+wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer
+zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet
+zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.
+
+Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd
+leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als
+er niet zooveel „verrekte” uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te
+doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche
+opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei
+vreemdsoortige gebaren te zingen: „_emploie—toujours—l'indicatif!_”
+op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een
+rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: „_pour
+toi—pour toi—mon âme aimé!_”
+
+Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval
+is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen
+vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, „misselijk.”
+Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij
+geruimen tijd heeft geweifeld tusschen „de mode,” „men moet het ijzer
+smeden als het heet is,” en „spaarzaamheid is nog geen gierigheid,”
+waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te
+zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: „nou, de mode dan
+maar!” waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en
+opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm
+ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en
+den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt
+met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken
+een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk
+een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend
+uit: „wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?” En als ik
+dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te
+dicteeren, en zeg: „kom, schrijf dan maar op, sukkel!” dan zit hij
+onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: „asjeblieft,
+collega!” en voegt er onmiddellijk bij: „maar nou niet zoo eeuwig lang!”
+En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan
+springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de
+lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een
+uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.
+
+Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij
+een uur lang samen geweest waren—want Eddy was buitensporig lastig, en
+zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd—maakte hij een stapeltje van
+zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van
+hem, ging; er in een adem bijvoegende—wel begrijpende, dat ik met dit
+voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn—dat hij toch bijna niets te
+doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar
+wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.
+
+„Ja,” zeg ik, „in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat
+zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan—nu, dat moet je bed maar liever
+niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je
+werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben
+je voor goed van „'t hok” af, als je nu nog maar een poosje je best
+doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander.
+Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je
+moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet
+waar?”
+
+„Cor doet dat graag voor me,” zegt Eddy, „en later zal ik haar alles
+teruggeven.”
+
+„In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze
+wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer
+en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen.
+En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar
+gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in
+billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.
+
+„Ik ben nog ieder jaar overgegaan,” zegt Eddy.
+
+„Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen
+voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor
+te slagen?”
+
+„Ik zal _toch_ wel door dat examen komen,” beweert hij.
+
+„Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't
+_niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel,
+dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest
+erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen
+andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het
+eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan
+moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het
+nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes
+pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu,” zei ik
+opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid
+weer aan het werk te gaan, „ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof
+je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte
+handen terugkomen.”
+
+Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de
+schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd
+voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden,
+waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had
+voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die,
+door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen
+naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik
+tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken
+lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen
+op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig
+op, ging zitten en begon weer aan zijn werk———
+
+„En nu moet u eens zien,” zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij,
+met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.
+
+'t Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder
+geschreven, dat hij tevreden was.
+
+„En wat zegt Eddy er wel van?” vroeg ik.
+
+„Dat het hem niet verwondert,” antwoordde Cor lachende, „omdat hij,
+zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan
+vroeger.”
+
+„Jawel,” zei ik, „logisch redeneeren—dat kan hij best.”
+
+„Ik ben _heel_ blij,” zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede
+kind mij aan.
+
+„'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben,” verzekerde
+ik, „en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem
+ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de
+duinen en naar de zee.”
+
+En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den
+volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een
+gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen
+waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden
+daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé
+had moeten worden.
+
+Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee
+vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den
+tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een
+briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was.
+Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus
+was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan
+die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan
+tafel.
+
+Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw,
+niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden,
+en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje
+noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist
+zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap
+weldra volkomen tusschen ons hersteld.
+
+„En wat zijn nu je plannen?” vraag ik hem, als wij na het eten in den
+tuin een sigaar rooken; „denk je lid van het corps te worden, of niet?”
+
+Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik
+weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en
+karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik
+begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het
+zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij
+het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig,
+dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft
+ingezien, dat hij het niet doen moest.
+
+Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat
+hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier
+te drinken en een sigaar te rooken.
+
+En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van
+voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport
+hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden
+kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het
+Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust
+en ontwakende mannelijke kracht.
+
+En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.
+
+
+
+
+Haar brood.
+
+
+Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen,
+schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij
+schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam
+altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich
+aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette
+zij, had aangescheld. Als ik vroeg: „Frits, jongen, moet je nog niet
+naar school?” of: „Karel, ventje, is het je tijd nog niet?” dan was het
+antwoord: „nee, pa, want Ant is er nog niet;” maar zoodra een van de
+kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: „daar is
+Ant; Ant is er, hoor!” en dan grepen allen naar boeken en tasschen en
+stormden de deur uit.
+
+Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten,
+kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk
+bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had
+aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was
+gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare
+handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met
+bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar
+gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze
+mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een
+bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op
+schillen wachtte, en de kinderen haar met een: „goeje morge, Ant; dag
+Ant!” voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun
+groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al
+het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden
+verbitterd.
+
+Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was
+oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten
+vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk
+gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit,
+voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield
+veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was,
+maar ook om hemzelf, „want,” zei zij, „'t was 'n best ezeltje, nooit
+eigenzinnig en altijd gezond.”
+
+Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst
+in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou
+lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop
+Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop
+boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het
+tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want
+doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek
+in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou
+zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn „smaak” te vallen.
+
+Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg,
+dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest
+stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden
+geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging
+eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en
+bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de
+schillen waren opgeladen, en Antje „vort Hans!” riep, waarop hij
+terstond aantrok en het karretje wegrolde.
+
+Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar
+ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en,
+naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles
+medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar
+hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den
+hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het
+bijzonder wilde vestigen.
+
+Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg.
+Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar
+ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst
+geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden
+was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten
+aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man,
+een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar
+kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de
+moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar
+jongen—frisch en gezond. „Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie,
+dat harteboertje!” had Antje haar ezeltje toegeduwd. „Maar z'n vader,
+hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank,
+die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe.
+En zij ook; „want als werkman is er geen beter,” zeit z'n baas. En nou
+zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat,
+Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel
+schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht
+doet, nooit...”
+
+Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren
+opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door
+de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar
+de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een
+agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel
+vasthoudende, tot Antje zei: „da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't
+zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na
+'t berô.”
+
+Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek
+den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en
+kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te
+houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest
+van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige
+poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet,
+zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.
+
+„Ho, Hans, ho!” riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en
+zich tot den agent keerende, vroeg zij: „wat zeg je, mot 'k mee na 't
+berô?”
+
+„Wel wis,” antwoordde de agent met een straffen blik, „ik zeg je ommers,
+dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!”
+
+„De derde keer, wat derde keer?” vroeg Antje, den man met groote oogen
+aanziende.
+
+„Maar mens!—dat je schille ophaalt!” antwoordde de agent, met een
+hoofdbeweging naar het karretje.
+
+„Nou ja,” zei Antje, „dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?”
+
+„Maar dat mag je niet doen!” riep de agent uit. „Wist je dat dan niet?”
+
+„Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of
+hoe hè' 'k 't nou met je?” vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.
+
+„Droome,” antwoordde de agent, „dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me
+het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar
+doen vóór 's morgens acht uur.”
+
+„Kom”, zei Antje, „nou nog mooier! wie zou dat verbieje?”
+
+„Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,”
+antwoordde de agent, „maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô,
+dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore.”
+
+Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar
+begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er
+waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning
+ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een
+zucht: „Vort, Hans, vort jonge!”
+
+'t Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij
+dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk
+gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen
+ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone
+verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent
+er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet
+verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het
+politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en
+kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens
+verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief,
+tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige
+opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in
+verband met de komst van den agent.
+
+„Wel Kloek,” vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem
+stonden, „wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?”
+
+„Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge,” antwoordde de
+agent, de hand aan het hoofd brengende, „al drie dage achter mekaar.”
+
+„Maar dat mag je niet doen vrouwtje!” zei de commissaris. „Na 's morgens
+acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je
+moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de
+straat bent.”
+
+„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „as 'k 's morges vóór acht uur me
+schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k
+bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me
+klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge.”
+
+„Ja,” antwoordde de Commissaris schouderophalend, „daarmee heb 'k niet
+te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd;
+en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal
+'t nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze
+nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen
+haar opmaken.”
+
+„'t Zal gebeure, U-gestrenge,” antwoordde de agent, andermaal de hand
+aan het hoofd brengende.
+
+„Maar meneer,” zei Antje, „'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k
+geen schilletjes meer mag ophale?”
+
+„Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,”
+antwoordde de Commissaris. „Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders
+bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!” En terwijl hij zich weer
+verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje
+heen, mompelend: „zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe
+'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar”—en langzaam de trap
+af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd—„ik laat 't er niet bij,
+dat doen 'k niet!”
+
+Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop
+van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen
+zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende,
+Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: „ik heb 't
+Hans, ik heb 't!”
+
+Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige
+voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig
+geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te
+hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien
+haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.———
+
+Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als
+zij wou wachten....
+
+„Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd,” antwoordde Antje. En zoo
+stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij
+de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en
+planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om
+zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen
+gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het
+armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling
+opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek,
+ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de
+gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën.
+
+„Wel, vrouwtje,” zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn
+hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf
+gevouwen en het eene been over het andere geslagen, „wat kan ik voor u
+doen?”
+
+En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die
+er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en
+vroeg wat er aan te doen zou zijn.
+
+„'t Is juist wat ik heb voorspeld,” zei Mr. Verdoorn, met een
+zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, „juist wat
+ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval
+van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor
+een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit
+bezwaar, dit zeer groote bezwaar,” herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig
+gezicht, „het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven
+hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede
+voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles
+wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van
+afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die
+vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen.”
+
+„Ik kan dus een vergunning krijgen?” vroeg Antje, die, van al hetgeen
+zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.
+
+„Onmogelijk is 't niet,” antwoordde Mr. Verdoorn, „maar”—en hij zette
+een bedenkelijk gezicht—„zeker is 't evenmin.”
+
+„Och meneer, doe uw best voor me,” vroeg Antje, „doe uw best, want 't is
+me brood!” en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te
+voorschijn.
+
+„Ik beloof u te zullen doen wat ik kan,” antwoordde Mr. Verdoorn, „en
+zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten.”
+
+„Dank u, dank u!” zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende,
+nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van
+Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.
+
+Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende,
+dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor
+geen geld wilde ontvangen.
+
+Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een
+koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr.
+Verdoorn.
+
+Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging
+zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om
+niet door anderen „onderkropen” te worden, of zij, gedurende den tijd,
+waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen,
+de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen,
+wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden,
+ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde
+zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje
+zich bijzonder goed schikte.
+
+Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en
+reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen
+krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen,
+vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel
+uitriep: „Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken
+en buiginkjes te maken.”
+
+En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig
+gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de
+voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat
+zij haar broodwinning had mogen behouden.
+
+En dankbaar was zij! „Lieve harte,” zei ze, „wat in de wereld ha'k toch
+motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was
+'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef
+te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n
+kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil.” En
+zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: „Vort, Hans, vort
+jonge!” En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan
+uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.
+
+Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van
+politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij
+haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een
+vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid
+van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep
+zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem
+toeliet: „schille, schille, wie het schille!”
+
+Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond
+om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei
+knorrig: „ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet
+late.”
+
+„Dat kan 'k niet, me goeje man,” zei Antje hoofdschuddend; „'t is me
+brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen—vandaag, morge en altijd.”
+
+„'t Is goed,” antwoordde Kloek, „maar je weet wat de Commissaris het
+gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor
+je, 't zal spanne, dat zeg ik je!”
+
+„'t Zal zoo'n vaart niet loope,” meende Antje, 't zal nog wel schikke.”
+
+„Wor nou maar niet bertaal,” waarschuwde Kloek, „want dan maak je 't nog
+erger!”
+
+„Menslief,” zei Antje, „daar denk 'k niet an.” En Hans tegen den hals
+duwende, riep zij uit: „Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de
+Commesaris.”
+
+Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_
+een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen,
+en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.
+
+En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het
+verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij
+hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en
+woonplaats had opgegeven, vroeg zij: „Meneer, toe u me laast het gezeid,
+da' 'k geen schilletjes mocht ophale—dat was toch niet de volle
+waarheid, was 't wel?”
+
+„Mensch,” stoof de Commissaris op, „wou je me in m'n gezicht zeggen, dat
+'k lieg!”
+
+„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „dat wil 'k in 't geheel niet zegge;
+ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel
+schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?”
+
+„Die vergunning,” zei de Commissaris boos, „wordt nooit verleend, en 't
+was dus geheel onnoodig daarover te spreken.”
+
+„Ja,” zei Antje, „zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k
+het er toch eentje.” En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer
+dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld,
+haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den
+Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen
+hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in
+_optima forma_ was.
+
+Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een
+toon alsof hij verongelijkt was: „'t is in orde, en we zullen er
+aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt,”
+vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing
+aanziende, „dat mag de hemel weten!”
+
+„Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?” vroeg Antje, die het
+onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de
+vergunning gekregen had.
+
+„Ja, mensch, ja!” antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor
+het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem
+verloren ging.
+
+Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den
+rug kloppende, zei zij: „hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware
+benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en
+voor goed ook; vort, jonge, vort.”
+
+
+
+
+Kinderleed.
+
+
+Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen,
+eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig
+op zijde had geschoven, zei mijn vader: „Meneer Nelissen is zoo even bij
+mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie
+zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in
+het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere
+school moet, ventje.”
+
+„Och heden, dat is jammer!” zei mijn moeder; „dat zal je spijten, hè,
+Willem?”
+
+„Hè ja!” riep ik uit, „zoo'n prettige school.”
+
+„Ja,” zei mijn vader, „het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een
+verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed
+onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu
+informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet
+een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed.”—En
+hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen
+broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest,
+en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen „een ietsje
+flauwer”—de Metallieken „een tikje beter” waren, en verder verslag
+gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws,
+dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan,
+dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik
+mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen:
+„Heere—zegen—deze—spijs—en—drank—amen,” waarna het mijn beurt was,
+en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half
+bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij
+paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet
+alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het
+ernstige gelaat van mijn vader.
+
+Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en
+mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en
+een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij
+opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en
+konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers,
+van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen
+kwam spoken.
+
+Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer
+Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij.
+Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een
+zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de
+genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem,
+als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren,
+dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane
+wijze handhaafde hij orde en tucht.
+
+Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school
+bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een
+klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken.
+Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing,
+voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen,
+stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende
+venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige
+inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.
+
+„Je mag zoo maar niet opstaan!” zei Henri, die naast mij zat.
+
+„Dat zal hij langzamerhand wel leeren,” zei meneer Nelissen, mij op den
+schouder kloppende. „Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar
+zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest,
+en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En
+wat hij deed,” vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende,
+„is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te
+onthoofden, niet waar Henri?”
+
+„Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,” mompelde Henri. En toen meneer vroeg
+wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.
+
+Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog
+al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik
+in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens
+van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn
+gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.———
+
+„En waar gaat hij nu heen?” vroeg meneer Nelissen, toen hij een
+afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem
+vaarwel te zeggen.
+
+Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer
+Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg
+mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school
+kende?
+
+„Zeker mevrouw,” antwoordde hij. „Kreggers is een knap man, geloof ik,
+een _heel_ knap man.—Hm.!” En dit zeggende stond hij op, nam afscheid
+van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.
+
+Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij
+niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij
+naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.—Arme meneer Nelissen! gij
+waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand
+kunnen brengen———
+
+Meneer Kreggers—groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos
+gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder
+zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke
+handen ter hoogte van het gezicht houdt—meneer Kreggers zegt: dat ik
+brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat
+ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik
+kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook
+voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel
+eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch
+niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat
+hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij
+voor de klas staat en les geeft.
+
+Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet
+volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk
+waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En
+eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. „Je verstand is goed,”
+zegt hij, „maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;” en
+mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit
+zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij
+gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij
+heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van
+het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een
+liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept:
+„_Messieurs, la prière!_” totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen
+gaan.
+
+Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle
+jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij
+ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar
+in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand
+op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal
+de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die
+te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik
+hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn
+eigenzinnigheid versterk.
+
+Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik
+brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met
+den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb,
+zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar
+o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze,
+waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent,
+zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en
+die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij
+trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers
+zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.
+
+En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij
+toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het
+niet en geloof ook niet, dat ik „zoo'n akelige jonge” ben. Ik weet, dat
+men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo „slecht”
+was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en
+waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan
+denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was,
+terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een
+pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de
+mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de
+jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk,
+lammert, en zoo vele andere toe, en—ben ik rampzalig.
+
+Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet
+geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin
+zooveel vooruit zijn—Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet,
+dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra
+hij dan ook zegt: „_et maintenant, Messieurs, la lecture française_,”
+word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb
+om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij
+iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een
+andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken
+woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt
+het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te
+maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste.
+Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is,
+en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel
+tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook
+wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op
+hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het
+einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt
+zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik
+vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik
+voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen
+heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van
+een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept:
+„_Assez, maintenant l'arithmétique_,” een werkzaamheid waaraan ik
+evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op
+een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en
+gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei
+schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_.
+
+Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was
+eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest
+wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke
+letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les
+chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. „Lees dat nu
+eens hardop voor,” zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij
+er bij: „en nu niet geagiteerd, asjeblieft!”
+
+Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen
+van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe
+tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen
+en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de
+zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den
+uitgang „ion” moet verbinden met de „g”, of de „s” of een andere
+medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders
+uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_.
+
+Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast
+mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te
+gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche
+et un imbécile_.
+
+Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half
+wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik
+zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van
+minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met
+ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en
+nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem
+komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat
+mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en
+zegt, schijnbaar kalm: „we zullen het nu nog eens probeeren, maar
+nu”—en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon—„nu pas je op,
+versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_.”
+
+In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide
+woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij
+zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den
+gek te houden?
+
+Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik
+zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.
+
+„Krijg ik ook antwoord?” vraagt hij.
+
+„Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!” roep ik uit.
+
+Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover
+verder niet wil spreken en herhaalt: „_des ... i ... eux_.”
+
+Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te
+doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het
+gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: „_des sjeux_.”
+
+Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is
+duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar
+hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend:
+„nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.”
+
+Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze
+omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend,
+terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.
+
+Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op,
+en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: „marsch, in den
+hoek..!”
+
+Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij.
+Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat
+hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen
+schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef
+ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek,
+maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de
+zakken en kijk rechts en links naar het plafond.
+
+Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt
+meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis
+brengen—en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat
+zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te
+moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en
+met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen
+in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende,
+naar huis.
+
+Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een
+allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen
+als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord:
+dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal
+inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij
+zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te
+openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij,
+reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien,
+dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in
+die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren
+nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren
+_instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en
+onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij
+dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den
+hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk
+van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit
+wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat
+ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn
+onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille
+van zijn prestige stellen moet.
+
+Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien
+betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen
+hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij
+keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: „en wat zegt m'n jongen
+nu?”
+
+O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik
+wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was
+als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en
+altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet
+geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het
+eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.
+
+„Maar 't kind is zenuwachtig,” zei meneer Kreggers glimlachend.
+
+„Ik geloof het ook,” antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er
+bij: „misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen”—en nu
+klonk zijn stem weer krachtig—„zal mijn zoon uw school niet langer
+bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en
+tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_
+zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad,” vervolgde mijn vader, meneer
+Kreggers vast aanziende, „betuig ik u mijn dank.”
+
+Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last,
+waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg
+ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij
+streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was———
+
+Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner
+ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden,
+die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet.
+
+
+
+
+Karel Jan Vonk.
+
+
+„K..arel, J..an Vonk,” zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met
+den rug naar het venster mijner griffie staat „zoo spreekt hij precies,
+en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en
+onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor
+mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. „Neem het copyboek,” zeg ik
+tegen hem, „zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee
+Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je
+natuurlijk het woord „heer” in „mevrouw” veranderen.” En Vonk deed
+precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond
+er boven: „WelEerwaarde Mevrouw.” WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de
+burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je
+honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij
+zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register
+waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles
+maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen
+zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd.”
+
+„Mijn waarde,” zeg ik, „daarover behoef je je niet ongerust te maken.
+Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet
+gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou
+worden opgeleid?”
+
+„Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen,
+dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest
+eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch
+en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te
+zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een
+kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in
+den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een
+baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of
+van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk
+niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool
+te Diepenburg geweest.”
+
+„Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?” vraag ik.
+
+„Als een rots,” bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik,
+„en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om
+schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak
+was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar
+geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen
+hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier
+gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een
+gemakkelijk heer—en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag
+genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij
+zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog
+met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele
+onheil had overzien, den jongen onder handen genomen—en zulke venijnige
+dingen gezegd heeft—want Venninga is nog al scherp, zooals je weet—dat
+Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.”
+
+„Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?”
+vraag ik.
+
+„Dat weet ik niet,” antwoordt de burgemeester. „Venninga is natuurlijk
+dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij
+komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls
+doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij,
+om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij
+zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.
+
+„Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het
+op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een
+te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer.
+Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het
+andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk
+mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn
+kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem
+standjes gegeven, standjes...”
+
+„Ja,” zeg ik, „dat zal wel.”
+
+„Hè!” roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende,
+„waarom denk je dat?”
+
+„Omdat ik geloof,” antwoord ik, „dat je wel een beetje heftig bent, weet
+je.”
+
+„Ik geloof 't ook,” erkent de burgemeester, „maar 't schijnt geen
+slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: „dat
+mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;” 't geen
+hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog
+al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te
+steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem
+weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en
+aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben
+om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat.”
+
+„Is hij gewillig?” vraag ik.
+
+„Zeer gewillig.”
+
+„En ijverig?”
+
+„Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben
+als—als een heimachine,” zegt de burgemeester, die met deze even
+krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.
+
+„Nu,” zeg ik, „dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan
+hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?”
+
+„Graag,” antwoordt de burgemeester. „Ik ben blij om hem en om zijn
+ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_.”
+
+En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der
+griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien
+jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen,
+gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar
+netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals,
+waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.
+
+Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco
+van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het
+_imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje
+bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.
+
+En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de
+beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar
+stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig
+gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er
+alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in
+te vullen—wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_
+is—heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor
+den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik
+mij volstrekt niet vereenigen kan.
+
+Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich
+kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen,
+terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt,
+en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.
+
+En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en
+telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.
+
+En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen
+nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan
+zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag
+beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken
+moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat
+alle vonnissen de woorden: „in naam der Koningin,” aan het hoofd moeten
+voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud
+imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: „in naam des
+Konings.” En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan
+geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel
+uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan
+trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of
+hij het begrepen heeft.
+
+En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een
+eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls
+betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar
+telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te
+hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die
+langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en
+omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem
+handelen moet.
+
+Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor
+hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan
+vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn
+moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls
+pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is.
+Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje
+is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn
+oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en
+moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje,
+die allen nog klein zijn en op school gaan.
+
+Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben,
+wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend
+hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor
+handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls
+gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden,
+waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde
+toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de
+normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter,
+twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet
+geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en
+graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat
+hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar
+op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van
+zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand
+voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden,
+maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd
+gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags,
+omdat vader dat verboden had.
+
+Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.
+
+„Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.”
+
+Hoe bracht hij den Zondag verder door?
+
+„Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot
+Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan
+las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.”
+
+Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?
+
+„Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor
+hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond.”
+
+Las hij veel?
+
+„Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was
+hier geen bibliotheek.”
+
+Had hij geen konijnen, geen duiven?
+
+„Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel
+aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de
+menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze
+moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze
+Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen
+lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht.”
+
+Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het
+strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?
+
+Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets
+in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen,
+maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij,
+dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.
+
+En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn
+ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn
+schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets
+voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een
+schamel kleed.———
+
+Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een
+maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even
+later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging
+kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar
+boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon
+komen, omdat hij ziek was.
+
+Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in
+den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.
+
+„Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. „Vonk,” zei ie van morge, toe
+'k 'm uitliet, „dat lampie”—en de stem van den ouden man beeft—„dat
+lampie brandt nog maar heel eve.””
+
+„Arme jongen...!”
+
+„En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet,
+da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n
+dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm
+wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te
+jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg
+'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en
+'m alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En
+daarom—beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag
+nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal
+zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar
+Hij doodt.”
+
+Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer
+zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij;
+hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig
+veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven
+om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen
+neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet
+van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt.
+Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van
+dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.
+
+Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal
+stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem
+dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.
+
+Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde.
+En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de
+bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas,
+even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert
+het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak
+voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar
+huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een
+rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:
+
+ Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek:
+ „Schijn, zonnetje, ook op mij!”
+ Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet,
+ Haar stralen gingen voorbij.
+ Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag,
+ En tuurde naar 't morgenrood,
+ Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat,
+ Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.
+
+En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!——
+
+Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer
+op de trap en zijn vader kwam binnen.
+
+„Hoe is 't?” vraag ik.
+
+Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.
+
+„Geen hoop meer?”
+
+„Nee;... hij is dood.”
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij
+gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het
+kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die
+naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het
+weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong
+leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag:
+kleurloos, mistig en koud.
+
+O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des
+levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel
+onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.
+
+
+
+
+De oudste.
+
+
+Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van
+ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid
+voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden
+herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een
+gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken,
+dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen
+van onzen levensweg, den blik terug wenden.
+
+Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn
+vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede
+visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben,
+prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten,
+herdenk ik wat achter mij ligt.
+
+Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd
+portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn
+schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek
+wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede
+zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde
+zij er bij, God te danken dat het zoo was.
+
+Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar
+waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop
+wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren,
+genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen
+sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.
+
+Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart,
+bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te
+hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen,
+toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb
+ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij
+altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.
+
+Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw
+haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij
+de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden,
+dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die
+blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine,
+onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang,
+altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar
+zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik
+was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn
+ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.
+
+En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende
+kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien
+lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes
+weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke
+gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking
+van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze
+eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.
+
+„Ons kind, onze zoon!” Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en
+hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende,
+herhaalde: „onze zoon.”
+
+„Dien wij willen liefhebben,” zei ik, „_ook_ met geheel ons verstand,
+tot zijn eigen geluk en tot het onze.”——
+
+Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk
+opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste
+broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren,
+donkere oogen, blozende wangen en het—aan de mondhoeken naar beneden
+getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet
+hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn
+mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het
+strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem „de jonker”
+noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij
+vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen
+legt.
+
+Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange
+wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende
+het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En
+daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk
+een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten
+wil.
+
+Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der
+sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te
+midden der stilte klinkt: „hoe kom dat?” en als de opkomende maan zijn
+aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt:
+„het de maan ook beene?”
+
+Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met
+hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat „goote
+mense doen.” Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit,
+het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille
+uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om
+ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem
+uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.
+
+Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen
+te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:
+
+„Daar kom 'n man an, hè?”
+
+„Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt.”
+
+„Goeje man, hè?”
+
+„Zeker wel, vent.”
+
+„Niks bang, hoor?”
+
+„Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als
+jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?”
+
+„Pa zou mijn wel hejjepe, hè?”
+
+„Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't
+Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein
+meisje heeft.”
+
+Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen
+het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van
+haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij
+zich tegen mij aan.
+
+Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn
+ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning
+is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging,
+Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt
+hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij,
+met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: „goeje man, hoor!”
+
+Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar
+door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet
+hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren,
+een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft
+gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en
+door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren
+geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet,
+dat de zee „o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes.” En sedert ik
+hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver,
+van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij
+in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp
+ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere,
+dan roept hij uit: „o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes
+goed zien, hè? die goe...je visserjes!” En die gedachte laat hij niet
+weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi „jiggie”
+hebben, dat zij nu zeker wel „bjij” zijn, en als wij t'huis zijn gekomen
+en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje
+binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens,
+terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes
+houdt: „nou kanne de visserjes mooi zien, hè?”
+
+„Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen
+zien.”
+
+Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt
+hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch
+gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: „o jou goeje,
+ouwe bj...inde Pjins!” dan spreekt het grootste medelijden uit zijn
+stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond
+gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een
+bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw
+werpt, „voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben,” en die dan
+ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig
+verzadigen, dan zegt hij: „dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!”
+en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat
+'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.
+
+Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge
+mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen,
+waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund.
+Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het
+alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van
+Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker
+zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen
+zijn, dan antwoordt ons ventje:
+
+„Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!”
+
+En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een
+hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt
+verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder
+wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den
+laatsten regel zegt:
+
+ „O, 't sjaapie is vedjonke,
+ Och, 't ajme dier is dood!”
+
+dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt
+o, zoo bedroefd!
+
+Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan
+wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan
+staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar
+op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn
+engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.
+
+Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk,
+tot die avond kwam—en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde
+gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend
+onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel—toen Agnes, met een
+benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest
+gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou
+zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was!
+Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans
+zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze
+fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe
+ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij,
+klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om
+het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen
+hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien
+worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt
+te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets,
+dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende
+overtuiging, dat onze teedere bloem—ach, met hoeveel zorg
+gekweekt!—onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.
+
+Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en
+af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje
+drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek,
+vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange
+wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die
+vermagerde handjes en die langzame bewegingen—o, wat zou ik dan niet
+willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach
+te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat
+baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen
+als het beekje, dat zich rept naar de rivier.
+
+Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden
+voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er
+hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes
+overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij
+hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en
+brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn
+drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.
+
+„Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!”
+
+Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle
+aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het
+leven bindt.
+
+Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen
+naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij
+zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij
+zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles
+voorbij...
+
+„Voorbij...!” Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar
+beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen,
+dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik
+met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe
+vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder
+leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein
+heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine
+licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat
+het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de
+witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.
+
+Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het
+strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed
+opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden,
+maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten,
+sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart
+toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren
+dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was
+schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat
+hielden.
+
+En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is,
+als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de
+geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt.
+Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl
+mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het
+altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!——————
+
+Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn
+bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg.
+Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van
+de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen
+op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en
+worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar
+wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee
+des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het
+zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de
+duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind,
+dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend
+zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!
+
+
+
+
+Het klooster der Witte Vrouwe.
+
+(Een indruk.)
+
+
+Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen,
+voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles
+meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan,
+bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn
+vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen
+hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de
+zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top
+van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en
+rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen
+hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in
+zonneschijn en rust.
+
+Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was
+toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op
+deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een
+baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind
+vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet
+veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals
+het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen,
+die het als wachters omringen.
+
+En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het
+leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen—en velen zijn
+het—die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij,
+die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe—wier in steen
+gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een
+nis boven den ingang staat—haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger,
+in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van
+den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen
+des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang
+naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door
+het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en
+misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die
+er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij
+er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de
+wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij
+afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde
+en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen
+Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel
+overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen.
+Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten
+stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich
+gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig
+heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om
+lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te
+oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf
+weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet,
+noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin.
+Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles
+wat de ziel niet behoeft.
+
+Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan
+den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd
+voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk
+gebed in de kapel.
+
+Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich
+een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen
+glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken
+van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit
+en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte
+afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het
+getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister
+brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op
+het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het
+crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van
+dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen,
+en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren
+en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen
+bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan,
+als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek
+ruischt.
+
+Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door
+de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het
+hoofd—bedekt met een wijd-uitstaande witte kap—eerbiedig gebogen, de
+handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil,
+als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is
+bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente
+rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het
+gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.
+
+Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen,
+zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed
+gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer
+menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden.
+Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken
+getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de
+gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.
+
+Immers het leven daarbuiten heet „zorg.” Daar is de zorg voor het heden
+en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de
+zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En
+dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien,
+houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking
+van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt.
+Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des
+levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn
+als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven,
+losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder
+emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart,
+waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur,
+die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of
+langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op
+den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden
+naar deze toevlucht gekomen zijn.
+
+Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die,
+uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht
+en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen,
+in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk
+verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de
+bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den
+dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid
+werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de
+wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden,
+die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden
+dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst.
+
+Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige
+gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den
+schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins
+achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in
+innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles
+vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren
+zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de
+herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd.
+Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem
+en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat?
+Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een
+naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen
+zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner
+vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer
+ziel bezoedelen.
+
+Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond,
+een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over
+haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn
+vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten,
+wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer
+ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk
+oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel,
+den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat,
+waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn
+lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.
+
+Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere
+gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van
+het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk
+haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar
+omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar
+zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen
+ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had
+alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de
+overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij
+gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten
+van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering.
+Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen
+gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het
+hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de
+armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het
+kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de
+pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig.
+En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar
+heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn
+moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen,
+een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en
+bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm,
+die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven.
+En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen
+zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw
+bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht
+naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in
+hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten
+des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen
+den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen
+in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en
+hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van
+haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe
+wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel
+kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt,
+vluchtende ver buiten zijn bereik.
+
+En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen
+morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld,
+haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen
+van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar
+liefde—waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het
+roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?
+
+Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar
+met nadruk had gesproken: „kom tot mij,” en telkens als haar hopeloos
+„waarom” onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer
+gehoord: „kom tot mij,” met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die
+haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan
+het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en
+vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de
+smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert
+naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend,
+zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was
+neergeknield, zeggende: „hier ben ik, Heer!”
+
+En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar
+was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem,
+die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die
+herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.———
+
+Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal,
+die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op
+haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die,
+afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.
+
+Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd
+inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de
+duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt,
+bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem.
+
+
+
+
+Haar keuze.
+
+
+.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar
+haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en
+als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt
+pruilend: „hij het ook zoo'n haast!”
+
+Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij
+begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest,
+toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden.
+En „kermis houwe, met Allerheilige trouwe,” zegge ze in 't dorp.
+
+Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden
+om ontevreden te zijn over een ander. „'t Was,” denkt ze—en starende op
+de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan—„'t was, toe ie me aankeek en
+z'n hand toestak, of iemes me zei: „toe dan, meisie, toe dan!” en 't is
+of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur
+'t kermis is. En dan...”
+
+En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van „de Wykamp”, de grootste
+hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke
+weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even
+heeft gedaan. En „boerin van de Wykamp te worde,” denkt Geerte, „da' 's
+veul!”
+
+Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles
+wat ze zag. „'t Was haast te veul veur een alleenig mens,” had haar
+moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half
+genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het
+goud van zijn moeder bewaarde. „Doe ze 's in, Geerte,” had hij gezegd,
+toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend
+bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud
+weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd
+gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.
+
+„Zou 't waar weze, moeder,” had zij peinzend gevraagd, toen zij naar
+huis liepen, „zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?” En haar
+moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en
+afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel
+mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en
+schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel,
+dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_
+gezicht niets verborg.
+
+Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de
+blankgeschuurde emmers te halen,—want het is tijd om te melken,—en zij
+weet niet wat zij doen zal. „'t Is moeilijk,” meent zij, „moeielijk!”—
+
+Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van „de
+Zonnebloem” gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de
+kastelein van „de Roode Leeuw,” er geweest is en gevraagd heeft waarom
+hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen
+was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.
+
+Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den
+laatsten tijd verzuimd heeft te doen.
+
+„Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,” denkt hij, kwaad
+op zich zichzelf. „Zet de wage voor de schuur, Dirk,” roept hij zijn
+knecht toe, „en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't
+aved weerum.”
+
+Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is
+vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij
+niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat
+zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet
+gebruiken—Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.
+
+'t Is ruim een half uur stappen naar „de Roode Leeuw,” en reeds laat in
+den namiddag, als hij er aan komt.
+
+„Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?” vraagt Harmsen, die, met zijn
+knecht, in 't zolderluik van den stal staat.
+
+„Dat he' 'k,” antwoordt Aart opkijkende; „'t was me deur 't heufd
+gegaan, heur!”
+
+„Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?”
+
+„Of wil ze niet meer van je wete?” vraagt de knecht van Harmsen, met een
+knipoogje naar zijn baas.
+
+„Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!” roept Harmsen uit. „En nou, as
+de weerga de zolder vol.”
+
+En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten
+in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie-
+viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt,
+als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan
+telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het
+luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en
+den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer
+kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd
+in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als
+eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen
+staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het
+zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: „hard werke, da's 't
+beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.” En met een vluggen
+zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen
+geholpen, spant hij zijn paard weer in.
+
+„'n Mooie zwart,” zegt de kastelein, naar borst en „beenen” van het
+fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den
+hals kloppende, herhaalt hij: „'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!”
+
+„'n Beste,” verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen.
+„Stil, zwart! ho jong!”
+
+„Hij 's dartel,” zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te
+laten.
+
+„Hij 's jong, en 't is veurjaar,” antwoordt Aart. „Da-ag!” En de teugels
+vierend, rijdt hij het erf af.
+
+„'k Zal 'm toch 's minder straf voere,” denkt hij, als hij uit het
+mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar
+den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, „hij wordt te veel
+mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!” En met sterke vuist beheerscht hij
+het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en
+knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over
+den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den
+langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.
+
+En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei:
+„veur haar 'n aar.” „'k Mocht lijje,” denkt hij, „dat 't zoo gemakkelijk
+ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette
+kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet,
+maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,—of dat scheelt!
+En as 'k sikuur wist,” denkt hij, op het schoft van het tuig starende,
+„heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,—alla! 't zou dragelijk weze,
+maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r....”
+
+Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels,
+want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en
+door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en
+als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel
+van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert,
+slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....
+
+Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de
+kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen,
+spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende
+dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende
+neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den
+nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig
+schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet,
+peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den
+slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder
+oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort
+jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het
+ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens
+opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij
+zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar
+zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.
+
+„Wie is 't?”
+
+„Aart.”
+
+„Aart? Aart van de Zonnebloem?”
+
+„Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!”
+
+En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg,
+zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht
+treffen, of op den wagen kletteren—voort, naar den tol.
+
+De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het
+doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij
+het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan
+staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan
+open is...!
+
+Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft,
+schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit
+den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.
+
+En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend
+geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de
+rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken,
+door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten,
+uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van
+de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.
+
+„Staat de brug op?”
+
+„Net gestreken.”
+
+„Goddank...!”
+
+Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die
+glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier
+storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de
+gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug
+rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het
+weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van
+ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een
+boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het
+breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om
+van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in
+evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog
+van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem
+ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl
+het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend,
+neersmakt.......
+
+Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel,
+en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst
+gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: „O, Aart! arme, lieve Aart!”
+
+Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief
+gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen
+geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te
+zeggen; want als hij haar nog kan hooren—en ja, dat zal immers!—dan
+zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw
+wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer
+beter wordt!
+
+Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en
+spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug
+af, starende in de verte.
+
+De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij
+aan eenige boeren hoe het gegaan is.
+
+„Net was de „Culemborg” de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie
+kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie
+tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is
+ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het!
+Watte! Effies later viel ie op de ploeg...
+
+„Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en
+toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde....”
+
+„Dood?”
+
+„Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was...
+slim.”
+
+En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen,
+dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.
+
+Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg,
+waaraan „de Wykamp” is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus
+voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen
+tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar
+in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later
+herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis
+zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande,
+schreit zij.
+
+Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt
+zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.
+
+Nog enkele minuten en zij heeft „de Zonnebloem” bereikt, en over het
+erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen
+gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning
+binnen.
+
+'t Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de
+deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat
+zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd
+licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen
+in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de
+borst gebogen, zijn hand in de hare.
+
+Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij
+eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij
+zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op,
+en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde
+en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der
+eeuwigheid op....
+
+Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen
+over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het
+strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de
+wasbleeke wangen.
+
+Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even
+geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem
+in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad—o,
+altijd...!
+
+
+
+
+Blok's Vrouw.
+
+
+„Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?” vraagt Gijsen, een
+kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde
+portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien
+hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.
+
+„Ja,” antwoordt Blok, „'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed
+van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei
+me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. „Blok,” zei ie, „verleje
+Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je
+trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.””
+
+„Da's nog gauw gegaan,” zegt Gijsen, „gauwer as 'k docht.”
+
+„Dat komt,” antwoordt Blok, „doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an
+gelege het late legge. „As ze d'r tege in had gelege,” zeit me avekaat,
+„dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen
+asem het gegeve, nou gong 't hard.” En 't is maar goed ook!” roept hij
+uit, „want zóó.... zoo kon 't niet langer.”
+
+„Dat hoor 'k,” zegt Gijsen. „Ze mot, zooas deze en gene me wist te
+vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn.”
+
+„O man, slim hoor!” erkent Blok, met een zucht. „In de eerste jare van
+ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar
+toe ze daarmee begon”—en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan
+den mond en licht den pink op—„toe was 't mis.”
+
+„J—a!” roept Gijsen uit, „as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je
+het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze
+'m luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an
+verslaafd weze as 'n man.”
+
+„Te minste niet minder,” bevestigt Blok. „En hoe dat 'n vrouw verlaagt!”
+roept hij uit, „dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het
+gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels
+meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies....
+nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht.”
+
+„Dat geloof 'k graag,” zegt Gijsen, „want as 'k me eige goed herinner,
+dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde.”
+
+„Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon,” stemt Blok toe. „En netjes en
+vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” docht 'k, toe 'k met 'r na 't
+stadhuis reej!—Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k
+Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over
+de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze:
+dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die
+tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te
+trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je
+ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht,
+dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze
+_dit_ nou juistement ook niet voorzien.”
+
+„En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?”
+vraagt Gijsen.
+
+„Nee, heel niet,” antwoordt Blok. „'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n
+verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie
+kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid
+zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank
+'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo
+weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in
+de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis
+kwam, gedocht: „maar mens, wat doe je toch raar!” maar dat dat van de
+drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da'
+'k weer docht: „wat hei je toch?” en dat ze opsting om 't eene of 't
+andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze
+d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam,
+rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,—ik 'r effe onder hande genome,
+dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij—dronke! zei
+ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe
+hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente
+bedaarwater bij de aptheker gehaald.—Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En
+dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte,
+da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. „Nou,” denk
+'k, „nou wordt 't mooi. Ik—altijd van huis, en me vrouw met de fles in
+d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes
+jare was... nou, gaat 't goed!” En die eigenste nacht, dat me vrouw
+sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe
+de dag kwalijk an de hemel sting, ik—na me moeder. „Toe moeder,” zeg
+'k, „doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op.” Niet op me vrouw, meende
+'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me
+moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar—op de
+kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As
+d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog.
+Zie je,” roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel
+opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven
+dan omdat de haren hem hinderen, „toe 'k weer op straat sting, en na 't
+ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag
+kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe
+gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord...”
+
+„Dan voel je,” zegt Gijsen, „dat je 'r ten minste niet heel alleenig
+voor staat.”
+
+„Zoo is 't,” bevestigt Blok. „En van die tijd af was me moeder, as ze
+effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet
+weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte,
+en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis
+kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of
+ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet
+te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in—afijn—beroerd! Me
+weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes
+an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk
+in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook.
+Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege
+liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En
+doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze
+af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de
+straat op! 'k Heb 't toch wel gehad,” roept Blok uit, met diepe rimpels
+tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, „'k heb 't toch wel
+gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al
+zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end
+van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had
+'m de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke
+of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik—'m
+opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache
+en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op
+me schouwer leit, valt ie in slaap ook. „'k Breng 'm niet na huis,” denk
+'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en „as me vrouw me nou
+onder de ooge komt,” denk 'k, „dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in
+staat ben.” En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook,
+want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou
+hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De
+vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat
+Antoon is. „Wel nou,” zeg 'k, „jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak
+jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt.” En toe ze d'r achter was
+gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't
+gaande! „Ja nou,” denk 'k, „speel maar op, maar hier komt ie niet meer
+weerom.””
+
+„Opspele?” zegt Gijsen,—„ze had d'r eige motte schame, dat was beter
+geweest.”
+
+„D'r schame!” roept Blok uit, „nee hoor, dat kunsie had ze al lang
+verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst
+maakte ze, dat we moste verhuize.—Dat de bure 't in de gate hadde,
+dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe
+de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze
+de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie,
+net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de
+Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal
+vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en
+niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie
+iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't
+perceel,—dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik—in me vrije tijd 'n
+andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de
+buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end
+loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze
+me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond
+'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe
+we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge.
+Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze
+nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn
+had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat
+we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze
+kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd
+en 't geld na de kroeg.
+
+„Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat
+handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: „'k mot toch 's met 'r prate,”
+en 'k zeg: „Bet, Bet,” zeg 'k, „waar gane we toch na toe!” 'k Had 't
+kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge,
+en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer
+gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig
+maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.
+
+„Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's
+gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: „Zie
+je,” zeg 'k, „as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers
+weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe
+gehad. Want zoo as 't nou is,” zeg 'k, „is 't niks; da' 's arremoed voor
+ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet
+te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad,” zeg 'k, „en ik heb ze
+nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme.
+En as je wil,” zeg 'k, „dat de kindere later zalle oppasse, dan motte
+ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, zei ze, ze
+had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat
+beloofde ze me.
+
+„'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half
+tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel
+om. „Waar ga je nou na toe?” zeg ik. „Na de kerk,” zei ze. 'k Had
+'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de
+Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was.
+
+„'t Was me wel wat heel mooi, maar „je kan 't niet wete,” denk 'k.
+„'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de
+eerste niet weze, die er van teruggekomme is.” En zoo lie' 'k 'r gaan.
+'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't
+armezakkie, en zij—de deur uit.
+
+„'k Had die dag—'t was Zondag—maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam
+om te ete, zeg 'k tege Jan—da' 's me ouwste—„Jan,” zeg 'k, „waar is je
+moeder?” „Moeder,” zeit ie, „moeder is nog niet weerom.” „Niet?” zeg 'k,
+en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na
+kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze
+'t _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld.
+Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf;
+'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk
+gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor
+d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge...”
+
+„N—ou,” roept Gijsen uit, „'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!”
+
+„J—a,” zegt Blok met een zucht, „'t was erg...! Wat er die dag bij 'r
+is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En
+woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da'
+'s nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen
+eens.”
+
+„N—ou,” zegt Gijsen, „maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!”
+
+„As je mijn vóór me trouwe had gezeid,” antwoordt Blok, „dat _ik_ die
+dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me
+heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel,
+da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete,
+dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt.
+'t Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond
+ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo
+weg.”
+
+„Dat laat 'm wel hoore,” erkent Gijsen, „maar je mot 't maar drage; en
+as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar.”
+
+„Of 't zwaar wordt!” roept Blok uit. „Geloof mijn maar, dat er heel wat
+wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me
+eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k
+niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n
+goed klantje van de tapper heet „verdriet.” Maar 'k zag an me vrouw wat
+er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as
+'k 'r in die toestand zag: „zóó ziene de kindere me noot!”—En onderwijl
+gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis,
+en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest.
+'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende
+toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter
+over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien.
+'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de
+dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me
+moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw
+ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die
+omstandighede noodig het,—die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges
+met looje schoene na 't ketoor. Want kindere,” roept Blok uit,—„as ze
+motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil
+je ze niet weer kwijt.”
+
+„Zoo is 't,” stemt Gijsen toe. „Toe wij in 't begin van ons trouwe geen
+kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: „mens,” zeg
+'k, „wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het.” Maar toe we 'r
+eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan,
+'t in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor
+'m te zorrege, toe zeg 'k: „'t is heel vrindelijk angepreseteerd,
+daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins
+om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as
+afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in.”—En me vrouw
+had me wel om me hals wille valle, geloof 'k.”
+
+„Ja,” zegt Blok, „'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou _ik_
+me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie
+koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter,
+dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting
+ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon
+doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen
+van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove.
+'t Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan
+om ze werk, hè?
+
+„'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was
+overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag,
+da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,—ik effe me
+woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte
+kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en
+hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had,
+en ik—na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want
+voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje
+an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze
+met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster
+vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me
+ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet
+bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was.
+„Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of 'k dat goedvin?” zeg 'k, „ja hoor,
+ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan.”
+„Ja, ja,” zei ze, „dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter
+gaan.” „Dat denk 'k ook,” zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al
+gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge
+door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't
+beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al
+was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou
+doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne
+was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze
+stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. „En de goeje mense,” zei
+ze—„je hoort ze niet.” Zie je,” roept Blok uit, „'k kreeg toe 'n gevoel
+asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw
+al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of
+de kleine draait, maar de groote staat stil...”
+
+„Nee,” zegt Gijsen, „daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r
+plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de
+andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze....”
+
+„Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze,” verklaart Blok. „'t
+Zal dan bij mijn an huis ook weer gaan,” docht 'k;—„wel niet zoo heel
+precies, maar toch 'n boel beter;” en, zoo voelde 'k me wel honderd pond
+lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me jas an te trekke. 'k Doe
+de deur ope, en daar staat, bij de stoel daar 'k me spulle op gelege
+had, me vrouw, en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe
+achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt ze aldoor
+achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug tege de muur sting. „Ben je
+nou bang voor me?” denk 'k, „waar is dat voor? want me hande na je
+uitgestoke he' 'k nog noot.” Maar 'k zag, dat ze gedronke had, en zoo
+gaf 'k er niet om, hè? Maar net, da' 'k me tas en me geldzak zal opneme,
+gaat 't me door me hoofd, dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan,
+en misschien al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest.
+„Verd...!” denk 'k, „ze is zoo van me geschrokke, ze zal toch niet...”
+En voor 'k recht wist wa' 'k deej, draaide 'k de deur of, dat ze niet
+kon wegloope, en ik—me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee
+bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke, d'r hoofd
+voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd ope.—De specie was er:
+zooveel an rijksdaalders, zooveel an guldes, zooveel an klein geld...
+dat kwam uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van honderd
+gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker. 'k Had er drie ontvange,
+hier een en daar een, maar da' 'k er drie most verantwoorde,—daar ging
+niks van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde gebeefd, hè?
+maar 't was weg en 't bleef weg, en me vrouw most 't hebbe. „Bet,” zeg
+'k, en 'k gong na 'r toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r
+achter sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... „Bet,” zeg 'k. „geef
+me dat briefie weerom.” Maar me vrouw keek me an, aldoor strak an, maar
+ze gaf geen asem. „As 'k an 't ketoor kom,” zeg 'k, „en 'k heb geld
+tekort, dan jage ze me weg; en waar motte we dan na toe?” Maar wat
+scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r hoofd, maar ze hieuw d'r mond.
+„Maar mens,” zeg 'k, „hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?”
+En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou gaan opspele.
+„Stil,” zeg 'k, „in Gods naam, wees stil! Je weet ommers, dat Jan ziek
+is? Welnou, nou slaapt ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou
+doorslaapt. Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook jouw jonge. Jij
+het 'm onder 't hart gedrage, en je weet ommers nog wel hoe blij dat je
+was, toe ie komme most?” En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke
+trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van honderd gulde, dat ze me
+over gaf.——————
+
+„Dat dat gebeurde,” zegt Blok, zijn pet naar achteren duwende en met
+de vlakke hand een paar malen over het voorhoofd strijkende, „dat dat
+gebeurde, is nou alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he'
+'k 'r nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat ze zit,—ik
+weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis leit in 'n slaapstee in de
+St. Jacobsdwarsstraat, en de ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met
+negosie, in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt, of
+wat er verders met 'r gebeure zal,—van mijn is 't of. _Ik_ heb geduld
+genoeg met 'r gehad, en 'n best leve had ze kanne hebben, maar ze het
+niet gewild.”
+
+„En dan zit er ook al niet veel anders op,” zegt Gijsen, „as dat ze
+daarvan dan ook de gevolge mot ondervinde.”
+
+„Ja,” stemt Blok toe, „dat kan al niet anders. Maar as je me nou vraagt
+of 'k daar heel geen weet van heb,—dat niet.—D'r is 'n tijd geweest,
+da' 'k veel van 'r gehouwe heb, hè? En de moeder van me kindere,—dat
+blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben, en dat zou 'k
+niet anders wille, maar as 'k 't goed bekijk, dan he' 'k toch meer
+mejelijje met 'r as wat anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had,
+dat ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat kamertje
+had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat voelde, hè?—En daar benne we
+alweer an 't ketoor. Jij gaat zeker voor in?”
+
+„Ja,” antwoordt Gijsen, „ik mot brieve anteekene.”
+
+„En ik,” zegt Blok, „ga hier bezijje of. Dag, hoor.”
+
+
+
+
+Geen „Verrajer”.
+
+
+In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks den tijd waarop de
+werklieden naar karwei gaan en de melkboeren met hun wagens de stad
+inrijden, komen twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien
+of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten
+en meer vodden dan kleeren aan het lijf, de Korte Amstelstraat uit
+en loopen, linksom gaande, langs den Amstel in de richting naar de
+Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar niet zwaar is en
+kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk bewegende, met een loerenden blik
+om zich heen. De jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen
+beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de Hoogesluis
+verwijderd, de jongste plotseling blijft staan en uitroept:
+
+„Verdikke Koo, twee leenmichels!”[1]
+
+[Footnote 1: Rechercheurs.]
+
+„Dat lieg ie. Waar?” vraagt de oudste.
+
+„Op de Hoogesluis,” antwoordt de jongste, en kijkt met groote oogen
+naar twee personen, loopende in de richting naar het Weesperplein.
+
+„Niet bunsig[2] worre, Pietje,” waarschuwt Koo. „Ga wat meer voor me
+loope, dat ze 't zakkie niet zien. Kijke ze?”
+
+[Footnote 2: Bang.]
+
+„Nee.”
+
+„Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?”
+
+„Omdat ze laast bij ons ware,” antwoordt Pietje, „en de langste, die kan
+'k toch al,—da' 's van Dam.”
+
+„'t _Benne_ leenmichels,” bevestigt Kootje, als hij, even om den jongste
+heen ziende, de beide personen in het oog heeft gekregen, wier
+verschijning het ventje, dat heden voor het eerst met hem „gewerkt”
+heeft, zoo grooten schrik op het lijf jaagt.
+
+„Domme, nou kijke ze!” roept Pietje uit. En in een ommezien trekt hij
+zijn klompen uit, neemt die in de linkerhand, en rent weg, al loopende
+zijn broek, die veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand
+ophoudende.
+
+„Bunsigert!” roept Koo hem achterna, den zak op een stoep smijtende,
+„beroerde spatzetter! As ze me snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!”
+
+Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling wegloopen van Pietje
+den argwaan der rechercheurs zal hebben opgewekt, staat hij in beraad
+den zak in den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot zijn
+verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in plaats van den Amstel
+op te gaan, zooals hij verwachtte, schijnbaar zonder kwaad vermoeden
+doorloopen, de Sarphatistraat in.
+
+Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt voort, mompelend dat
+hij „vertikt” zal zijn, als hij ooit weer iets doet met „zukke snotneuze
+van jonges, die geen lef[3] hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n
+loer zouwe draaije.” Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt hij voorzichtig
+om het hoekhuis heen, maar niets van de rechercheurs bespeurende,
+vermoedt hij, dat zij een zijstraat of een woning zijn ingegaan, en
+vervolgt hij zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende, om
+niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het West-Einde, loopt die
+straat door, en juist als hij rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op
+zijn schouder en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide
+rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft.
+
+[Footnote 3: Moed.]
+
+„Dat dacht je niet, hè Kootje, da' 'k zoo in eene uit de lucht zou komme
+valle?” vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing
+waarmede de jongen hem aanziet. „Maar zie je, maatje, dat komt omdat je
+niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis
+keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. „Nou
+jij dat aardige, kleine jongetje achterna,” zeg 'k tege me kameraad, „en
+ik Kootje opgepikt.” En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer,
+die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, hè?
+En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie
+je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan
+doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou
+'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al hà' je
+mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan
+prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.—Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's
+met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep
+stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, hè? Alla, neem
+'t zakkie dan maar op.”
+
+„Draag 't zellevers,” antwoordt Kootje, nijdig.
+
+„Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege
+morge, tege 'n goed vrind van je.”
+
+„Stik!” roept Kootje uit.
+
+„'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus,” vraagt van
+Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt.
+
+„Och malle!” roept het meisje uit, „laat mijn maar loope. 'k Zal 't an
+je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat.”
+
+„Jij doe maar,” antwoordt de rechercheur, „dan zal 'k 'r zegge, da' 'k
+je voor me schoonmoeder hieuw.—Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage?
+Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k
+zou me eige wel kanne begrijpe, dat je „adie” zegge en 'm smere zou, as
+'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.—Koman dan
+maar!” En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien
+hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van
+Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan.
+
+„Nou,” zegt van Dam, zorg dragende zóó te gaan staan, dat Kootje niet
+kan wegloope, „late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies?
+Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente.
+Jonges Kootje”—en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig
+van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak—„je bent van
+morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed
+besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de
+uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie
+niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je
+gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij
+je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?”
+
+„Wie?” herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den
+rechercheur, die durft te denken, dat hij zal „klappe”—„wie? Kees
+Gappe, hè!”
+
+„Ja!” roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd
+is, „was die 't? Da' 's nog famielje van je, hè? Maar dat nou 's daar
+gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat hè' 'k; 'n
+heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil
+je wete wat 't is?” vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van
+den jongen leggende.
+
+Maar Kootje, nijdig omdat hij „zuur” is, trekt wrevelig zijn schouder
+terug en zwijgt.
+
+„Hoor 's jongetje,” zegt van Dam, nu in vollen ernst, „nou he' 'k je
+maar één ding te zegge: òf je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb
+en asem geve as 'k je wat vraag, òf, as je dat niet van zins bent, dan
+blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die
+neme je mee, dà' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent
+dus gewaarschouwd, Kootje!” roept de rechercheur uit, den jongen met
+zijn signaalfluit dreigende. „Nou nog 's”—en al sprekende, brengt hij
+bedoeld instrument langzaam naar den mond—„wil je nou hoore, of mot 'k
+muziek make?”
+
+„Wat mot 'k dan,” vraagt Kootje nurks.
+
+„Zie je wel, daar draai je al bij!” zegt van Dam, „en da' 's dan ook
+verstandig van je.—Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt
+'t.—Die pijpies”—en van Dam kijkt den jongen scherp aan—„wou je zeker
+bij Krido brenge, hè? Want je ging die kant uit!” voegt hij er, met
+eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.—Kootje denkt
+even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van
+den rechercheur.
+
+„Zie je wel, dat dacht 'k wel!” verzekert van Dam. „Nou zeg 'k altijd,
+Kootje,” vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, „dat 't de ergste niet
+altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of
+daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je
+'r gemeenlijk bij, dat spreekt, hè!—maar opkoopers, as Krido, as
+Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door
+al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r
+niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel
+cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as
+'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet
+zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam—dat zou heelemaal niet
+mal weze.—Nou mot je wete, jongie”—en de rechercheur gaat met één been
+op de stoepleuning zitten—„dat me kameraas, 'n maand of zes geleje,
+Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd
+van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of
+_ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.—Wat
+zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat
+„oome maffie,” zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou”—en de
+rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak—„voor 'n jaar of
+wat zakkies most plakke.—Moppig, hè?”
+
+'t Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw
+glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen,
+maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij
+antwoordt: „ja, dat zal je ook glad zitte...!”
+
+„Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate,”
+zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. „Kijk nou 's! As jij nou
+'s”—en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der
+rechterhand op en neer—„die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido
+bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,—dan zou
+ie 't toch koope, denk 'k?”
+
+„Ja, daar zal ie ook wat om male!” roept Kootje uit.
+
+„Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete
+het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele,
+hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel
+op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed
+verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve
+hebbe. Dus,” zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende,
+„alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n
+handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat
+je—versta me nou goed—nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt
+benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank
+getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me
+dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor
+dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,—je
+weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin.”
+
+„En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?” vraagt Kootje,
+den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, „want die pijpies
+heb _ik_ niet gegapt, hoor!”
+
+„Och kom!” roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach
+aanziende.
+
+„Wel neen 'k!” zegt Kootje, verontwaardigd. „Je het ommers die andere
+jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't
+voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam,
+de cente of te drage.”
+
+„Och kom,” herhaalt de rechercheur.
+
+„Wel ja,” grauwt Kootje, „da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat
+zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga
+zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's
+late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur hè?”
+
+„Ei..!” en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, „da's heelemaal niet
+mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje;
+maar”—en de rechercheur denkt een oogenblik na—„'k beloof je, da' 'k
+je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat,” beweert hij, een
+bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals
+strijkende, „as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben
+'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!” roept
+hij uit. „Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?”
+
+Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop
+gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het
+handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap
+evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de
+rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de
+politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als „de mottige”
+bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu,
+dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit
+zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar
+hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam
+hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht,
+begeven zij zich met hun driëen op weg, om den niets vermoedenden
+opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen
+afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de
+zaak haar beslag heeft gekregen.
+
+„'k Heb 'n lief kansie,” denkt de rechercheur, „'n heel lief kansie, en
+as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste
+daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't
+Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vóór
+het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te
+make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb
+gezet, nou is 't je geraje, maatje,”—en de rechercheur kijkt met een
+dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den
+mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt—„nou is 't je geraje,
+dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je
+in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!”
+
+Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido
+gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten,
+gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en
+'t is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis,
+een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en
+ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper,
+lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen,
+van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken
+de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen,
+ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van
+de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van
+dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot
+Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: „daar, weeg maar
+op.”
+
+De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl
+Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule
+staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: „is dat awwes? 'n
+enke' stukhie zinkhe pijp!”
+
+„Alles!” roept Kootje uit, „ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n
+verhuiswage met goed achteran komme, hè...!”
+
+„'k Zà 'm zien komhe,” antwoordt Krido en, met een blik naar den
+mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht,
+bij: „'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook.”
+
+Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt
+Kootje, Krido brutaal aanziende: „as je maar niet in de gate het, dat 't
+gegapt is, hè?”
+
+„Gaphe!” herhaalt Krido, verontwaardigd. „Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe
+zou gestowe goed koophe...!”
+
+Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den
+mottige.
+
+„As 'k ooit ies heef gekoch,” vervolgt de opkooper, „dat achte-af gezien
+geen zuive-è koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in
+de hande' niet voo-komhe, dà' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe
+is? Mà as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-è, heef 'k
+dan niet a-tijd gezeid: „gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij
+Kgido, da' mo' je niet weze?””
+
+„Dan koop dit ook niet,” raadt Kootje hem aan, „want die pijpies binne
+gegapt, hoor!”
+
+„As dat waagh is,” zegt Krido rustig, „ove' wat zou jij dat dan zeghe?”
+
+„Dat vraag die leenmichel, die buite staat,” antwoordt Kootje.
+
+Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende,
+dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op.
+
+„Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!” roept Kootje uit, „en as je me
+niet gelooft—'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!”
+
+De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar
+hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in
+de oogen ziende, vraagt hij: „voo' wat zou die buite sthaan?”
+
+„Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies
+koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne,” antwoordt Kootje.
+
+Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur,
+draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de
+stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet,
+vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: „wie sthaat è
+buite; hoe hiet ie?”
+
+„Wie!” herhaalt Kootje, „van Dam, hè! die van morrege, toe 'k die
+pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het
+angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...!
+Ik zuur, hè! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k
+de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om
+jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. „Da' 's moppig,” zei
+ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel
+moppiger, hè!”
+
+„Zoo'n vervloekte judas,” zegt de knecht van Krido binnensmonds.
+
+„'n Hond!” roept de opkooper uit. „Heef 'k niet à-tijd de resersie in de
+hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage,
+of 'k ditte of datte had gekoch: „kijk mà' na, en zoek mà' uit!” En
+asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet à-tijd gezeid van wie 'k had
+gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen?
+Ha' 'k niet kanne zeghe: „ikhe weet van niks, en me goed—dà kom je
+niet an?” En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n
+stukhie zinkhe pijp! Mà' 'k zà ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe,
+en ze zà-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam”—en
+Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de
+jongen terstond met den mottige deelt—voegt hij er bij: „en zeg 'm ook
+dat 't 'm zà heuge, dat ie Kgido heef gezoch.” En dan, naar de voordeur
+gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden:
+„zoo'n hond!”———
+
+„Wel donders!” denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje
+met den gevulden zak ziet terug komen, „'t is mis! Hoe duivel is dat
+mogelijk?”
+
+„Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?—Loop maar 'n endje mee; hier, de
+dwarsstraat in.—Nou, wat zei ie?”
+
+„Da' 'k 't maar weer mee most neme,” antwoordt Kootje, „toe 'k zei, dat
+'t gegapt was.”
+
+„Wel verbazend!” roept van Dam uit.
+
+„Kan ik 't hellepe?” vraagt Kootje.
+
+„Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!—Wel, wel! Wou ie er niks
+mee te make hebbe, mottige.—Zei ie dat?”
+
+„Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig,” antwoordt de
+mottige, „maar bij hem—daar ware we niet te recht.”
+
+„'t Is sikuur 'n mirakel!” roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de
+zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den
+andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe
+tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen
+verbergen.
+
+„'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe,”
+verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: „waarom zou
+ie 't niet gedaan hebbe, denk je?”
+
+„Weet ik 't?” antwoordt de jongen.
+
+„Hoort eris, maatje,” zegt de rechercheur, „je bent machtig kort van
+asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido
+was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve
+doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k
+dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier.”
+
+„En krijg 'k nou geen koekie?” vraagt Kootje, den zak latende vallen en
+den rechercheur brutaal aanziende.
+
+„Nee,” antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, „'n
+koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar
+'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet,
+jongie”—en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den
+wijsvinger op den schouder—„as je wijs doet, dan maak je, dat je
+vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!” En den zak
+opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. „'t Is zoo klaar as
+de dag,” denkt hij, „Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie,
+dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_
+moppiger gevonde—zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe
+te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.—Maar 'n mens mot
+leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val
+te lokke—nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!”
+
+
+
+
+De aanspreker.
+
+
+„Nog 'n hallefie, Pieterse,” zegt van Soelen—een dikke aanspreker, die
+de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood,
+gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen—„nog 'n hallefie,” en
+dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een:
+„meneer asjeblieft,” welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in
+plaats van: „asjeblieft meneer” te zeggen, het glas opneemt en het,
+enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld—want om de concurrentie
+met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat—voor
+zijn gast op tafel zet.
+
+„As 't zuk nat weer is as nou,” zegt van Soelen, het glas tegen het
+licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den
+mond brengt, „as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da'
+'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in
+ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en:
+
+ „as 'n boom, in de herfst, ze blare,
+ verliest 'n mens met de jare ze hare;”
+
+las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k
+buitedien ook al,” verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van
+zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een
+kommetje.
+
+„Ze magge zegge wat ze wille!” roept hij uit, een zakje met vijf sigaren
+uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende—„de jenever is dit
+en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't
+zooveel as de volkskanker was—ook al, en dat je mirakel wijs deej as
+je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...!
+_Ik_ zeg maar: „'n iegelijk mot wete, wat 'm past.” Ik drink ze al lang,
+dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar—van de gezondheid
+gesproke—hoe maakt 't je dochter?”
+
+„Och!” antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te
+kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, „dat blijft
+aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n
+Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar
+voor d'r eige heen te zitte suffe—daar krijg je op 't laast de duvel
+over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze
+heelemaal van de kook.—En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou
+eigelijk het. 't Is zóó met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient
+zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make,
+dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief
+in zit—ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't
+wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. „'t Is
+niettes,” zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's
+over de vloer komt, „ze is slap. Geloof me nou toch 's,” zeit ze, „'t is
+niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn.” Maar de zuster
+van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't
+kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze
+zoo bleek ziet en zoo papperig is.”
+
+„Je mot 'r 's late onderzoeke,” geeft van Soelen in bedenking.
+
+„Ook al gebeurd,” antwoordt Pietersen; „de dokter is 'r bij geweest, en
+'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die
+konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou,
+daar ha' 'k nou ook wat an! „Spatare,” zeg 'k, „die zalle d'r niet na
+d'r hoofd vliege.” En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an
+en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar
+verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en
+dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan
+mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd
+iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.—Ja, toe maar! 't
+Is gauw gezeid, hè? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij
+de heele dag me hande vol, en me vrouw—met 'r huishouwe en d'r zes
+andere kindere—kan 'r tijd ook wel an.”
+
+„Ja,” zegt van Soelen, „verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne
+ze nog beter, maar 'n kwaal kereere—da's nog wel effe wat anders.—En
+daar hei je de cyperse ook,” roept hij uit, als de deur opengaat en een
+van zijn confraters binnen komt, „ik docht al: waar blijft ie. Gaat
+zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte.”
+
+De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder
+de aansprekers als „de cyperse” bekend staat, zet zijn parapluie in een
+hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn
+wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover
+van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat
+het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog
+terugloopt.
+
+„'t Zal mijn 'n zorg weze,” verklaart van Soelen. „As we dit karreweitje
+van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't
+niet opklaart, dan blijf ik d'r in.”
+
+„'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik,” zegt Hinsen, met een zucht,
+„kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans
+dood is.”
+
+„Die van de Keizersgracht?” vraagt van Soelen, „da' 's 'n toggie na
+Muijerberg, hè?”
+
+„Na Muijerberg!” roept Hinsen uit—„en ze hebbe me gezeid, dat ie op
+Zorgvliet....”
+
+„Gelijk hei je,” stemt van Soelen toe, „'t is Zorgvliet, maar 't is ook
+al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van
+'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe.”
+
+„Ja,” zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende
+en zitten gaande, „dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare
+geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de
+eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer
+as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo,
+hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat
+veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.—Neem jij je eige nou maar 's,
+van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had
+overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en
+as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n
+boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor.”
+
+„Of dat beter stong!” roept van Soelen, in zijn zwak getast, uit; „wel
+man, dat scheelt ommers dag en nacht! Wat zeit me vrouw laast, toe ze
+met de schoonmaak me ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek
+voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de mot in zat:
+„dikke,” zeit ze, „'t is toch zonde van je kuite, hè? Vroeger ha' je 'r
+nog wat an, as je voor de stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe
+of je 'n paar goeje beene het? Nee,” zeit ze, „as je mijn nou vraagt,
+dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in je ouwe goed.” En gelijk
+het ze. As je ouwers er voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de
+wereld was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je, 't sting
+degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je maakte, dat je kouse en
+je korte broek glad over je beene zatte; as je schoene met de zillevere
+gespies—daar 'k nou brossies voor me vrouw en me dochter van heb late
+make, omdat ze mijn toch niet meer te pas komme—glomme as 'n spiegel;
+as je jas, van vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in
+de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde, dat je boord,
+je hallefehempie en je beffie helder wit gestreke ware, en je zette je
+driekante steek met de lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan
+mochte ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je elleboge
+buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan voelde je zellevers ook wel,
+da' je 'r weze mocht.—Nou drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n
+lange broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige wat we vroeger
+droege, dan is 't mijn goed, maar _ik_ kan er 't moois niet in zien.”
+
+„En ik niet,” zegt Pietersen. „'t Mocht ouwerwes weze: 'n steek en 'n
+korte broek, maar 't sting goed, hoor! en 't hoorde er hij.”
+
+„Dat deej 't,” stemt van Soelen toe.
+
+„'k Zei laast nog tege me vrouw,” zegt Pietersen, „toe hier 'n
+begraffenis voorbij gong en we nog weer 's ophaalde hoe die er vroeger
+uitzag: „nee,” zeg ik, „ze magge prate wat ze wille, maar as _dat_ nou
+'n lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel veel stasie
+meer an is.””
+
+„Wat zou 't!” roept van Soelen uit. „As 'n vroegere begraffenis 'm
+over de strate bewoog, dan zag je ies daar je eerbied voor kreeg as
+'t voorbijgong, hè? en 't zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied
+was as 't nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die hebbe
+gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel, van bove tot
+beneje, met dikke kwaste en franje, hier en daar effetjes met koorde
+opgenome,—sting dat niet goed? en sting dat niet beter as 't ope
+kassie, dat ze 'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de pêrde
+over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke honge, sting dat
+ook niet beter as 't smalle lappie lake, dat nou, an weerskante van 't
+schoffie, na beneje hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die
+vroeger in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links van de wage
+liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse, d'r achter late loope,
+want nou leutere ze en lache ze, dat 't 'n schandaal is voor de mense,
+die er voorbij loope. 'k Bin zóó niet,” roept van Soelen uit—van wege
+zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over het andere
+slaande—„'k bin zóó niet, da' 'k ieuwers 'n hekel an heb alleenig
+maar omdat 't nieuw is, en 'k zal niet zegge, dat 't nou niet beter
+is as vroeger, dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug
+komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke en met d'r
+beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar genome, 'n tegeswoordige
+begraffenis er bij gewonne het bij 't genige dat ie vroeger is
+geweest—nee, hoor! dat maakt niemand me wijs.—En 't beroerste is—alla
+Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie...”
+
+„Koman,” zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd, „geef mijn
+dat ook maar 's.”
+
+„'t Beroerste is,” herhaalt van Soelen, „dat je er vroeger 'n goed stuk
+brood mee verdiende en dat je 't nou voor 'n schijntje mot doen. _Ik_
+heb begraffenisse gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende,
+behalve je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om! As je
+vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan was je binne, hoor!
+en kon je d'r van renteniere, net zoo goed as 'n makelaar van de
+spekelasie, maar lap 'm dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand,
+die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met je tiene, zal 'k
+maar zegge, daar je nou met je honderde voor staat. Want nou draagt
+alles. Of je bakker, of krante-ombrenger, of kruijeniersknecht
+bent—zoodra 'r wat te drage valt—pak an maar—'t is alweer mee genome,
+en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar in vroeger jare zat 't in
+vaste hande; je was er koster, of barbier, of tafelknecht bij, en je
+bediende in Artis, Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost
+kwam—dat vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie tafeldiende,
+geen kouwe soupee's meer annam. „'k Wil nog wel 's diene,” zei ie,
+„maar dan luuks; as 't de moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om
+'t hallefie.”—Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon, die voor dominé
+leert en, met ze vrouw en ze kindere, leeft ie royaal van de huur.”
+
+„En zoo kan 'k er wel meer,” verklaart Pietersen, de weer gevulde
+glaasjes op tafel zettende. „Daar hei je Tielemans van hierover,
+Grondert uit de Westerstraat, bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan
+nou weer in Weesp woont, waar ie vandaan komt—allemaal ouwe ansprekers,
+die van d'r cente leve, en goed ook.”
+
+„Maar nou nog 's wat,” zegt Hinsen, „hoe komt 't toch, dat van Vliet,
+van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed schijnt bij te kanne? 'n Poosie
+geleje sta 'k met Smulders te prate, en die wist me te vertelle, dat ie
+passies 'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is dat doojefons
+zoo goed, daar ie bode bij is?”
+
+„Wat 'n wonder!” roept van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog maar zoo
+kort bij bent, maar anders zou je wete, dat „Zorg voor de Toekomst”,
+daar hij dan bode bij is, almee tot de grooste hier in de stad hoort. En
+as je _dat_ het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde
+bij verassereerd binne—ja nou, dan is er nog wel wat te verdiene, want
+alle weke komt ie de dubbeltjes ophale, en zoo komt ie bij de mense an
+huis, hè?”
+
+„Waardoor ie,” zegt Hinsen, „nog 's eer as 'n ander weet wanneer er
+iemand begrave mot worre.—Verdikke, ja!” roept hij uit, „dat mot je
+niet uitvlakke.”
+
+„Om de weerga niet!” bevestigt van Soelen. „As ie merkt, dat er een
+ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk op de begraffenis, en zoodra dat ie
+hoort, dat ie dood is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons.
+„Asjeblieft juffrouw,” zeit ie dan met 'n mooi praatje, „daar was 'k al
+met de duite. U most vijf en negetig gulde uit 't doojefons trekke, as
+uws man kwam te valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar
+legge ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, één van vijf en twintig en
+twee rijksdaalders,—hier is uws geld. En as je nou wil, dat je je eige
+met niks het te bemoeie, en dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal
+hebbe, zooas ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en
+dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet eens te koste,
+want, as ik 't zal doen, dan houw je nog over, let maar op.—Hoeveel
+jonges het u? Drie, zeit u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's één
+koes. En hoeveel mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd
+motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier van uws mans kant,
+zeit u? Heel goed—da' 's acht, da' 's dus nog twee—da' 's drie koesse.
+Drie volgkoesse, met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de
+stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,—da' 's zóóveel. En hoeveel
+dragers motte d'r weze? Zalle we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's
+heel netjes en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi zoo.
+Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist natuurlijk, van echt
+greine hout, met uws mans naam, en de dag en 't jaar van ze geboorte en
+sterreve d'r op in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal
+'k 's zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook niet? Bestig.
+'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies, dat komt, met de dragers
+mee, op zooveel. Dan hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi
+graffie onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat zal wel, en
+de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat maakt, alles met mekaar,
+as ik d'r ook nog 'n paar cente an verdiene zal, en dat mag wel,
+tachetig gulde.—Kijk u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan wil 'k
+voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan is ook alles en alles d'r
+onder begrepe, behalleve natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag
+van de begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan maar zoo
+afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u vijftien gulde,—daar legge
+ze,—ziet u wel? en dan neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor
+alles. En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor.”
+
+„An die tachetig gulde,” zegt van Soelen—zijn sigaar, die onder het
+verhaal uit is gegaan, weer aanstekende—„verdient ie er dertig; en dat
+ie drie van die begraffenisse achter de rug het, as je 'm om de klok van
+ellefe tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons.”
+
+„Drie?” vraagt de cyperse. „Hoe kan ie voor ellefe drie keer begrave?”
+
+„Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet weet!” roept van Soelen
+uit. „Hei je dan nog nooit 's gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie
+an de gang binne?”
+
+„Wat zeg je nou?” vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,—„poest ie
+'m?”
+
+„Wel ja, mens, hij poest 'm.—Dat je dat nou toch nooit 's gezien het,
+en je het toch ook al 's met 'm begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo
+haalt ie de drie begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.—Late we nou maar
+'s zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien en om tien uur;
+dan maakt ie, dat de eerste percies op tijd begint. Klokslag negene
+rijje ze weg, en dan zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage
+loopt. Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie 'm het
+angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet in ze kraam te pas komt,
+want as ze nou 'n endje gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de
+gracht de straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat 'n
+sigarewinkeltje of ieuwers anders in—wat ze uit de volgkoesse niet zien
+kanne, omdat eerst al de dragers komme, voordat de eerste koes de hoek
+om slaat—en dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram,
+na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net eender; en zoo kan
+ie om tien uur voor de derde keer antreje, en het ie d'r al twee achter
+de rug.”
+
+„Verdikke,” roept Hinsen uit, „die is gogem!”
+
+„Glad genoeg,” verklaart van Soelen. „En as 't ongeluk wil, dat deze
+of gene van de famielje, door de eene of andere omstandigheid, d'r
+achter is gekomme, dat ie d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje
+natuurlijk klaar. „Ziet u juffrouw,” zeit ie, „as ik 'n begraffenis heb
+angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk weze. Eerst zorreg ik
+d'r voor, dat de stasie an de gang is, en as ze onder weg binne, dan'
+kan 'k wel 'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de korste weg
+na 't kerkhof, om te kijke of daar alles klaar is as uws man komt. Het
+uws neef me daar niet gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot
+'k toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de touwe en de
+dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet, zeit u, toe ze effetief an
+'t begrave gonge? Ja, dan ben 'k toe zeker alweer an de wachtkamer
+geweest, om te kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws
+famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan ik me gang, ziet u,
+want ik heb meer te doen.”
+
+„Zoo doet ie net wat ie wil!” roept van Soelen uit, „en verdient ie dik
+cente.
+
+„Maar—van geld gesproke—nou mo' 'k je toch 's wat vrage. We hebbe 'n
+afspraakie, hè, dat as ik 'n begraffenis heb, dan draag jij mee, en hei
+jij er een, dan ik. Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn
+gedrage, maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks meer
+gehad, hoop 'k?”
+
+„Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de hak wou neme?” vraagt
+Hinsen verontwaardigd.
+
+„Nou,” antwoordt van Soelen, „dat zou de eerste keer niet weze, dat me
+dat overkwam. Maar alla, je bint er nog maar kort bij, en we zalle dan
+maar hope, dat 't jou ook nog 's voor de wind zal gaan.”
+
+„'k Help 't je wensche,” zegt Hinsen, door een zucht te kennen gevende,
+dat de wind in dat geval uit een tegenovergestelden hoek zal moeten
+waaien. „'k Heb dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman, da'
+'s de heilige waarheid,” verzekert hij, „en daar ben je bij geweest.
+Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht, dan hè' 'k er weer een; en da' 's
+'n goeje.”
+
+„En wie is dat?” vraagt van Soelen.
+
+„Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat,” antwoordt Hinsen; „'t
+mens is zes en tachetig, en...”
+
+„Nou, da' 's nou ook wat!” roept van Soelen uit, Hinsen met een leuk
+gezicht aanziende.
+
+„Nou ook wat?” herhaalt Hinsen verbaasd, „wat meen je daarmee?”
+
+„Och man,” zegt van Soelen met een korten lach, „zoo kan je me de
+begraffenis van me eige vader wel belove, hè! Wel ja,” roept hij uit, in
+antwoord op een vragenden blik van zijn confrater, „Juffrouw Willemse
+da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal 'k maar zegge! 't
+Mens woont zeker al vijftig jaar bove me ouwers, en aldoor omgang met
+d'r gehouwe, hoor. 'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n
+aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme, omdat ze van d'r
+eige geen kindere had, en dan was 't aldoor: „och, wat 'n aardig
+joggie!” en: „och, wat 'n lief bellefleurtje!” en al die viere en vijfe
+meer. Van me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij over de
+hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze begon te krukke, het ze me
+gezeid, dat, as 't ongeluk wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r
+begraffenis most zorrege en niemand anders.”
+
+„Maar van mijn is 't famielje!” roept Hinsen uit, die door de
+mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen tusschen de van
+Soelens en de Willemsens bijzonder onaangenaam is verrast. „Mijns vrouws
+moeders moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak
+gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan voor 'n
+vreemd.”
+
+„Ja, daar zal ze wat om male!” zegt van Soelen. „'k Zal niet zegge, as
+je d'r zoon of d'r broer nog was, maar as je verder in de parmetasie
+komt, en dan nog wel van je vrouws kant—dat het niks meer te beduije,
+hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en as zoo'n oud mens
+dat het gedaan, dan verandert ze 't ook niet meer. 'n Draagplaas man,
+da' 's alles wat ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee
+motte weze.”
+
+„Maar daar bin 'k _niet_ tevrede mee,” verklaart Hinsen; „as d'r
+famielje sta 'k er 't naaste toe; en da' 'k met al me kindere 'n
+voordeeltje best gebruike kan—dat zou toch wel wat heel erg weze, as
+ze dat over 't hoofd zou zien.”
+
+„Afijn, we zalle zien!” roept van Soelen uit, „'t mens is nog niet dood
+en we kanne d'r nog wel eerder onder legge as zij. 't Zou de eerste keer
+niet weze, dat iemand gezond na bed ging....”
+
+„En dood opsting,” zegt Pietersen met een lakoniek gezicht.
+
+„Nou,” roept van Soelen uit, „nou mot hij ook nog 's wat zegge,
+hè!—Spot niet, Pieterse, 'n mens kan nooit 's wete wat 'm nog bove ze
+hoofd hangt.—Maar 't wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te
+doen en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r zake en wille op
+z'n tijd gehollepe weze.—Zalle we dan gaan? Koman dan maar.—Hei, daar
+hei je mijn hoed! Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van
+mijn is, daar blijf je of.” En dit zeggende, neemt hij zijn hoed uit
+de hand van Hinsen, die, nog geheel onder den indruk der pasgehoorde
+Jobstijding, het hoofddeksel van zijn confrater gegrepen heeft. „Dag
+Pieterse,” zegt van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie
+opnemende, „tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn; dan benne we
+allebei gehollepe.”
+
+„'k Mag 't lijje,” antwoordt de kastelein, de beide ledige glaasjes van
+de tafel nemende. „Dat je hier komt om 'n borrel te hale, da' 's me
+lief; maar dat je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog 'n
+hekel an.”
+
+
+
+
+Derde Klasse.
+
+
+„Nà, geef je vade' 'n zoen,” zegt Mozes, met één voet op de treeplank
+van den waggon staande, tot zijn zoontje, dat, op den arm der moeder
+zittende, „vade'” naar den trein heeft gebracht.
+
+„Pas op toch, pas op ze mussie!” roept de vrouw van Mozes uit, nog juist
+bijtijds het hoofddeksel grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing,
+het kind van het hoofd glijdt.
+
+„O—ch,” zegt Mozes—en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt,
+doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,—„wat zou 't! wat zou
+ze mussie, is 't bweekba-è waag?”
+
+Dan geeft hij zijn zoon een „zabbe-zoen” en stapt in, het portier achter
+zich sluitende. „Zeg an Fwank,” roept hij, met het bovenlijf uit den
+waggon hangende, zijn vrouw toe, „da' 'k de puwwe zà khoope, asse ze
+gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de
+dokte' mot hebbe.” Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op
+gedempten toon: „g'dag zame!”
+
+Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de
+hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den
+mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes,
+met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen
+oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal
+zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het
+armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet
+minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in
+het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en
+bouw.
+
+In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig—want het
+is nog heel warm—niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren,
+met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche
+pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes
+van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het
+rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en
+de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens
+diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs
+mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even
+talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos
+verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind
+van hem af, een stukadoor, met een grootendeels „gewit” gezicht, de
+handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet,
+welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig
+zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn
+vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen
+staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een
+aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een
+lucht, die mij levendig aan „de groote schoonmaak” doet denken. Een
+weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een
+meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche,
+gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht,
+en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak
+en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op
+het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een
+polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas „aangenomen”, want
+de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van
+allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den
+hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar
+handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist
+verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte,
+nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op
+een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok
+stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn
+haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het
+daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand
+gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals
+een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot
+tijd stijf tegen haar gezicht drukt, zóó, dat het puntje van haar neus
+er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld
+doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop
+dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van
+eau-de-Cologne gegoten moeten zijn.
+
+„We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?” vraagt de vrouw van
+den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart
+voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene
+zegt: „dat doe je,” en de andere: „dat zitje,” deelt zij ons mede wel
+gevraagd—maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om
+haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij
+voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten,
+omdat zij nog verder moet, „weet u!” waarop de boeren eenstemmig
+verklaren: „dat kan je,” en de stukadoor vraagt: „waar na toe?”
+
+„Na tante Kees,” zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de
+boeren ontsteld opkijken—en Mozes mompelen doet: „da' 's raag,” zoodat
+het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien
+der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de
+vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt,
+dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap,
+nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren,
+kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding
+geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom
+hij haar zoo noemt.
+
+Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo
+vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje,
+zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang
+is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn
+spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder
+doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben.
+
+Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar
+wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op
+haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen.
+
+„Wel wel, wat skreeuwt 't jong!” zegt de oudere boer, het kind met
+verbazing aanziende.
+
+„'k Weet niet wat ze het!” verklaart de moeder, „ze het aldoor zoo lief
+geslape. Wat is er dan toch, loeressie?”
+
+„Is 't 'n zij-tje?” vraagt de stukadoor.
+
+„Wel, dat raaj je goed,” antwoordt de vrouw, „'t kind heet Zijdje.”
+
+„As 'k toch wis,” zegt Mozes, „dat 't 'n meisie was.”
+
+„Sakkerloot,” roept de stukadoor uit, „dan mot jij toch goeje ooge
+hebbe, hoor!”
+
+„Na, wat zou 't!” antwoordt Mozes grinnekend, „as 'k toch heef gezien,
+dat ze tege me heef gewagge.”
+
+„Het ze?” vraagt de stukadoor. „Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg
+van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage.”
+
+„Kan ze ook honger hebbe?” vraagt de jongere boer, die, als iemand niet
+tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt.
+
+„Nee,” antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, „ze komt er
+pas of.”
+
+„En dan za' ze d'g possie ook _wè'_ gehad hebbe,” verklaart Mozes, een
+vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle
+instemming betuigen.
+
+„Je eerste en je laaste?” vraagt de stukadoor, met een blik naar de
+beide kinderen.
+
+„Wel nee,” antwoordt de vrouw—druk bezig tusschen de kleertjes van het
+kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt—„wel
+nee! bove haar”—en met het hoofd wijst zij naar het kind in het
+blauw—„he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit
+kleintje me laaste zal weze—dat zou 'k wel denken.”
+
+„Na,” zegt Mozes, „pas mà' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t.”
+
+„Dat mag ie wel hoore,” beweert de vrouw. „We hebben 'r tien, en da' 's
+net wat 'n burgermens toekomt hè, want 't versie zeit:
+
+ Een edelman die krijgt er twee,
+ Een rijke man krijgt vier;
+ —Zoo'n twee- of viertal is niet erg,
+ Die hei je voor plezier.
+ Maar bè je 'n kale ambtenaar,
+ Of ben je dominé,
+ Dan vare d'r wel zes of acht,
+ In 't huwlijksbootje mee.
+
+ Een tiental krijgt,—'t is haast te gek,
+ Een burger zonder goed;
+ En 't vol dozijn,—da' 's gekker nog,
+ Is voor de arremoed.
+
+„Wel kijk,” roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind
+ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, „da' 's vast 'n beest,
+dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie.”
+
+„'n Hoog-springertje,” oppert de oudere boer.
+
+„Wel nee,” zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, „die het ze noot.”
+
+„Ja nou,” roept de oudere boer uit, „'n mens mag zoo zindelijk weze as
+ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!”
+
+„'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn,” beweert de stukadoor.
+
+„Wel ja,” zegt de vrouw van den polderwerker, „dat zal 't zeker wel
+weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast.” En terwijl zij het kind
+op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast
+haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje
+met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't „misegabè'
+is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne,” en deelt de oudere boer ons
+mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat,
+omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van „dat goed” in den
+polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker
+aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont
+dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het
+een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de
+vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als „erg goed”
+aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter
+achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op
+het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen
+verreweg het beste te zijn.
+
+„Zie zoo,” zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt
+lapje om het armpje van het kind bevestigend, „nou zal ze wel gauw weer
+bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want
+toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an
+kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm
+daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had
+'t gevaarlijk kanne worde.”
+
+„Ja,” zegt de oudere boer, „met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's
+menigeen z'n dood geweest.”
+
+„En mijn vade za-egè,” zegt Mozes, „heef 't è ook mee bekoch.”
+
+„Het ie?” vraagt de oudere boer.
+
+„Dat heef ie,” antwoordt Mozes.—„Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag,
+dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze
+hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.—„Na, wat zou
+'t!” zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, „maak toch
+geen matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, dat ie na ze bed zà gaan,
+zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.—„Gaat na de dokte',” zeit me
+moede, „gaat na de dokte'.”
+
+„Och,” zeit me vade',—„de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!” en ie
+gong niet. Mà 's ande-è daags had me vade' 'n agm as è kagepijp, en toe
+'t ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade-è vehzamed.—Mà'
+as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan
+had die 'm gehouwe, zeit ie,—„met ze agm of zonde' ze agm, mà' gehouwe
+had 'k 'm,” zeit ie. „Ma' nou,” zeit ie, „nou 't vehgif in ze hagt is
+gegaan, nou mos ie dood.””
+
+„En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde,” zegt de oudere boer, „as de
+smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste
+azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de
+dokters opgegeve waren—dat geloof je niet.”
+
+„Is 't toch waar?” vraagt de stukadoor.
+
+„Honderde en honderde,” verzekert ons boertje. „En alles met 'n
+zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn
+geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van
+vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig
+benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw
+vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n
+zieke arm of 'n zeer been—hij leit hier 'n pleister en daar een, en as
+ze d'r af valle—want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe—dan
+ben je geneze, hoor je!”
+
+„Wat zeit u?” roept de vrouw van den polderwerker uit.
+
+„Glad geneze,” verzekert het boertje. „En da' 's geen praatje, maar de
+zuivere waarheid, want toe me zeun hier”—en met het hoofd wijst hij
+naar den jongeren boer—„'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de
+linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien,
+dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of
+snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r
+an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r
+af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog
+minder.”
+
+„Dat kan 'k me begrijpe,” zegt de vrouw van den polderwerker, „want wat
+wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond.”
+
+„Dat zeg je goed,” bevestigt de oudere boer, „want dat we 'r over
+prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de
+Bullewijksbrug, en ik—met me vrouw en me zeun' d'r na toe. „Ofzette,”
+zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, „ofzette,—'t mocht wat; _ik_ zal
+'m geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs
+de weg.” En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de
+klompe weer aan, en na die tijd—zeg 't nou zelfs, Kees!”
+
+„Nooit nerges meer niks van gewete,” verklaart zijn zoon.
+
+„Daar beur je 't,” zegt zijn vader, „nooit iewers meer ies van gewete.
+En à je nou ze voet ziet,—net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank
+en zoo zuiver,” herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, „de
+eene as de andere.”
+
+„M—enslief,” roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar
+hoofd wiegend, „wat 'n zege, wat 'n zege!”
+
+„Ja,” zegt de stukadoor, „want as je nou was heengegaan en je hadt na
+die perfester geluisterd....”
+
+„Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel,” verklaart de
+oudere boer met een krachtigen hoofdknik.
+
+„En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve,” zegt de vrouw van den
+polderwerker. „Is 't niet waar meisie?” vraagt zij met den voorsten
+vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes
+tikkende. „Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar.”
+En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer
+en neuriet:
+
+ „Doe die blauwe oogies toe,
+ Zoete, lieve poes!
+ Vaders vreugd en moeders lust,
+ Slaap, me kleine snoes!”
+
+En dan begint zij weer van voren af aan: „doe die blauwe oogies toe,”
+net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan.
+
+Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het
+perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen,
+een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het
+geweer.
+
+„Inkwartiering,” zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder
+aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als
+aan een zieke koe.
+
+„Schijfschiete,” beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen
+flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt:
+„maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug.”
+
+„Zou 't?” vraagt de oudere boer, die „afmarcheeren” het ideaal van alle
+militaire verrichtingen vindt.
+
+„As 'k 't toch weet,” roept Mozes uit, „as 'k eiges toch ook heef
+gediend!”
+
+„Bij de marine?” vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons.
+
+„Nà,” zegt Mozes, „wate' is nat, hè? Ovè' wat zà je zwabbe-è op de
+pwanke, as je kan sthaan op de ghond?”
+
+„Ze motte naar Amersfoort,” zegt de jongere boer, ziende dat de
+militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein.
+
+„Dat motte ze,” bevestigt Mozes, „weegom, na d'g gagnizoen.”
+
+„Ja, ja,” zegt de oudere boer, met een zucht—terwijl de trein, waarin
+wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt—„al dat soldaatje-spele
+is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld—'n bult; en ik en 'n ander
+kanne 't an belasting maar opbrenge.”
+
+„O,” roept de stukadoor uit, „da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je
+tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan
+late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.—Vijf, zes
+maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die
+risserseurs van de belasting binne.—'n Mooi stelletje! Half-sleet
+heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de
+kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of
+geen weer, door de stad doen.—En mager, dat ze ware! dat ze wel met de
+konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.—
+
+„„Offe ze terecht ware bij Bruins,” vroege ze. „Nou,” zeg 'k, „dat is er
+na, hè! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en
+dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette—zoek jij
+nou maar uit waar je weze mot.”
+
+„„Bij Jan Bruins,” zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de
+andere—'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met
+'t eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je
+schoene keek—„bij Jan Bruins, de stikkadoor.”—„O,” zeg 'k, „tel dan je
+geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam.”
+„Nee,” zei ie, „brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er
+bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting.” „Belasting,”
+zeg 'k, „asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee,
+drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k
+denke.”
+
+„„'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt,” zeit me vrouw.
+Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de
+mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele.
+
+„Dat kon wel, zei toe die andere kerel—die zoo zuur keek, asof ie 'n
+karnemelksche moeder had gehad—dat kon wel, maar as ze 't alleenig van
+de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet.
+
+„„Ja nou,” zeg 'k, „waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan
+me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht.”
+
+„Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje.
+
+„„'n Knap boeltje,” zeg 'k, „mag dat dan niet voor de belasting, dat je
+'n knap boeltje het?”
+
+„Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening
+mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting.
+
+„„Inkomste-belasting,” zeg 'k, „maar man 't is ommers al mooi, da' 'k
+met me inkomme uitkom.”
+
+„'k Begreep er niks van, zei ie.
+
+„„Nou,” zeg 'k, „'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me
+cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe,
+voordat je weggaat.”—Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste
+ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou
+'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was,
+dan kon 'k altoos nog rikkelameere. „Maar dat doen 'k al,” zeg 'k, „daar
+he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan.”
+Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe.
+
+„'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel
+'s 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk
+voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo
+beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat
+later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van
+woorde—dit gezien en dat gezien—dit zus en dat zoo,—w..eet ik 't! maar
+de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k
+betale. „Nou,” zeg 'k tege me vrouw, „as dat nou niet is iemand 'n stuk
+van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot.””
+
+„Ja,” zegt de oudere boer, „'t is erg. En ze store d'r eige nerges an.
+Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig
+bent met je vee of er 'n tegeslag mee het—je kan maar make, dat je de
+cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting
+d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale
+ook.—Maar daar benne we al te Amsterdam.—Koman jong, nou as de weerga
+na de avekaat.”
+
+„En ikhe na de vekoopening,” zegt Mozes,—„g'dag zame.”
+
+„En ik na huis,” zegt de stukadoor,—„ook g'dag.”
+
+„En wij na Sloterdijk,” zegt de vrouw van den polderwerker,—„gedag
+allemaal, en wel t'huis, mense.”
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) - Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: antwoordt Keetje—'n Zondag |
+ | C: antwoordt Keetje,—„'n Zondag |
+ | B: potje met „ghesida” zegt zij, |
+ | C: potje met „ghesida”” zegt zij, |
+ | B: zegt Evert, 't zou ook al heel |
+ | C: zegt Evert, „'t zou ook al heel |
+ | B: zij. „As jij je mond houwt, zeit |
+ | C: zij. „„As jij je mond houwt,” zeit |
+ | B: dan kan 'n ander de zijne |
+ | C: „dan kan 'n ander de zijne |
+ | B: hoor!” verzekert Evert.—„Nee, |
+ | C: hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” |
+ | B: me moeder, zoo as jij |
+ | C: me moeder, „zoo as jij |
+ | B: zoo te zegge 't beddegoed van.” |
+ | C: zoo te zegge 't beddegoed van.”” |
+ | B: kieze,” zegt Keetje. Ik kom achter |
+ | C: kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter |
+ | B: nog 'n kraf vol. |
+ | C: nog 'n kraf vol.” |
+ | B: niet,” zegt Grietje, en daar mag |
+ | C: niet,” zegt Grietje, „en daar mag |
+ | B: nou is 't genoeg! roept Evert uit, |
+ | C: nou is 't genoeg!” roept Evert uit, |
+ | B: bloote hals: „ja”—en Keetje |
+ | C: bloote hals: „ja””—en Keetje |
+ | B: een allerliefst mondje—„dat |
+ | C: een allerliefst mondje—„„dat |
+ | B: verzekert Grietje. Lekker ete is |
+ | C: verzekert Grietje. „Lekker ete is |
+ | B: op zijn schouder zettende. Ik mot |
+ | C: op zijn schouder zettende. „Ik mot |
+ | B: uitdrukking van „ik-mag-er ook-wel-wezen” |
+ | C: uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” |
+ | B: Eddy uit, onmiddelijk een krijgshaftige |
+ | C: Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige |
+ | B: iederen avond, iederen Woensdag- en en |
+ | C: iederen avond, iederen Woensdag- en |
+ | B: kom ik onmiddelijk tusschen beide |
+ | C: kom ik onmiddellijk tusschen beide |
+ | B: antwoordde de agent, dat doe 'k in |
+ | C: antwoordde de agent, „dat doe 'k in |
+ | B: nadat zij eenigen tijd, misschen iets |
+ | C: nadat zij eenigen tijd, misschien iets |
+ | B: nu ook voor het laatst: „_des...i...eux_.” |
+ | C: nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.” |
+ | B: zei meneer Kreggens glimlachend. |
+ | C: zei meneer Kreggers glimlachend. |
+ | B: „Meneer Kreggers stond op, |
+ | C: Meneer Kreggers stond op, |
+ | B: Dan denk maar jong, veur |
+ | C: „Dan denk maar jong, veur |
+ | B: waaraan „de Wijkamp” is gelegen, |
+ | C: waaraan „de Wykamp” is gelegen, |
+ | B: kinderen.... die blijve bij jou.” |
+ | C: kinderen.... die blijve bij jou.”” |
+ | B: vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf,” |
+ | C: vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” |
+ | B: wegloope, bij de kindere, Maar alla, |
+ | C: wegloope, bij de kindere. Maar alla, |
+ | B: huur wier opgezeid, 'k Woonde toe |
+ | C: huur wier opgezeid. 'k Woonde toe |
+ | B: hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, |
+ | C: hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, |
+ | B: eens. |
+ | C: eens.” |
+ | B: daar kom 'k niet in.—En me vrouw |
+ | C: daar kom 'k niet in.”—En me vrouw |
+ | B: hals wille valle, geloof 'k. |
+ | C: hals wille valle, geloof 'k.” |
+ | B: „Of 'k dat goedvond, vroeg ze. „Of |
+ | C: „Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of |
+ | B: hoort ze niet.” „Zie je,” |
+ | C: hoort ze niet.” Zie je,” |
+ | B: ie.—Moppig roept Kootje uit,—„_hem_ |
+ | C: ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ |
+ | B: bleek ziet en zoo papperig is. |
+ | C: bleek ziet en zoo papperig is.” |
+ | B: nou an je lijf het, hoor. |
+ | C: nou an je lijf het, hoor.” |
+ | B: meer an is.” |
+ | C: meer an is.”” |
+ | B: cente leve, en goed ook. |
+ | C: cente leve, en goed ook.” |
+ | B: van Soelen uit. 't Is dat je 'r nog |
+ | C: van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog |
+ | B: bevestigt van Soelen. As ie merkt, |
+ | C: bevestigt van Soelen. „As ie merkt, |
+ | B: de cyperse. Hoe kan ie |
+ | C: de cyperse. „Hoe kan ie |
+ | B: roept van Soelen uit „en verdient |
+ | C: roept van Soelen uit, „en verdient |
+ | B: matschudding ove' niks.”—„Mà 's awes, |
+ | C: matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, |
+ | B: gegaan, nou mos ie dood.” |
+ | C: gegaan, nou mos ie dood.”” |
+ | B: tikkende. Is 't nou weer |
+ | C: tikkende. „Is 't nou weer |
+ | B: zegt Mozes,” „wate' is nat, |
+ | C: zegt Mozes, „wate' is nat, |
+ | B: voordat je weggaat.—Afijn... |
+ | C: voordat je weggaat.”—Afijn... |
+ | B: hoe 'k dat noeme mot.” |
+ | C: hoe 'k dat noeme mot.”” |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+***** This file should be named 39736-0.txt or 39736-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/3/39736/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.