diff options
Diffstat (limited to '39736-0.txt')
| -rw-r--r-- | 39736-0.txt | 5379 |
1 files changed, 5379 insertions, 0 deletions
diff --git a/39736-0.txt b/39736-0.txt new file mode 100644 index 0000000..4a5e201 --- /dev/null +++ b/39736-0.txt @@ -0,0 +1,5379 @@ +The Project Gutenberg EBook of Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Kleurig en donker + +Author: Willem van Amsterdam + +Release Date: May 19, 2012 [EBook #39736] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | + | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + +KLEURIG EN DONKER. + + + + + KLEURIG EN DONKER + + + DOOR + + + W. VAN AMSTERDAM, + _Schrijver van „Marionetten.”_ + + + HAARLEM + H. D. TJEENK WILLINK & ZOON + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + AAN DE VOORDEUR 1 + + HET STRAATORGEL 12 + + EDDY 25 + + HAAR BROOD 48 + + KINDERLEED 61 + + KAREL JAN VONK 73 + + DE OUDSTE 84 + + HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94 + + HAAR KEUZE 103 + + BLOK'S VROUW 113 + + GEEN „VERRAJER” 127 + + DE AANSPREKER 141 + + DERDE KLASSE 155 + + + + +Aan de voordeur. + + +„Zoo, dikke zus!” zegt Evert—een jonge slagersknecht, een pracht +van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de +schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan +aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend +gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft—„zoo, dikke zus! hoe gaat 't +met mijn?” En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand +van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan +de Heerengracht. + +„Hoe 't met je gaat,” antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande +keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht, +„hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te +zien, dan gaat 't nogal met je.” + +„Ja, 'k zie bleek, hè?” zegt Evert, „dat komt omdat me maag niet in orde +is, weet je!” + +„Niet?” vraagt Grietje, „lust je geen ete meer?” + +„Jawel,” antwoordt Evert, „maar 'k lust te veel.” + +„En krijg je niet genoeg?” vraagt Grietje. + +„Of 'k 't krijg,” zegt Evert, „dat zou me niet kanne schele, as 'k maar +zooveel kon neme as 'k lust.—En daar hei je haar ook,” roept hij uit, +als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper +katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht +mede aan de voordeur verschijnt. + +„Zoo, malle! bè je weer an de gang?” vraagt zij. + +„Mal-le?” vraagt Evert, „as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te +hale, hoor!—Wat zie je 'r weer goed uit!” roept hij uit, een poging +doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: „laat je +staan!” en een tik op zijn arm, verhindert. + +„Ga je van aved 's met me uit?” vraagt Evert haar. + +„Ikke niet,” antwoordt Keetje, „want me parresol is in de maak, hoor!” + +„Ja,” zegt Evert, „nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook +nog niet t'huis is.—Maar 'n Zondag dan?” + +„Jonge nee,” antwoordt Keetje,—„'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis.” + +„'t Bessieshuis!—daar heb ik ook nog 'n oome,” beweert Evert.—„Zà je +'m van me groete?” + +„Dat zal 'k,” belooft Keetje. „As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals +valle.” + +„Zeg eris!” roept de keukenmeid uit,—„da 's waar ook!—'k docht dat jij +'n eerlijke jonge was, hè?” + +„Ikke niet eerlijk,” zegt Evert, „nou nog mooier! Geef me maar 's 'n +zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom.” + +„Nee,” zegt Grietje, „dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan +mag je 'm wel houwe ook.—Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n +beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag +luste, en dat hei je niet gedaan.” + +„Mijn schuld is 't niet,” verzekert Evert. „De baas zei, da' 'k 't maar +vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene—rits...! door me +hoofd gegaan.” + +„Zei-ie-dat?” vraagt Grietje. „Zei ie, dat je 't maar vergete +most?—Hoor je dat, Kee?” + +„Zoo'n akelige, schriele kerel,” roept Keetje uit. + +„Hoort eris,” zegt Grietje, „zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou +denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af +en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k +zoo'n ideetje van,” verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten +mond, verscheidene malen met het hoofd. + +„En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen,” verklaart Evert.—„Alla, +zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n +zweezerikkie of kalfsoesters,—wat mot 'k brenge?” + +„'k Mot niks van je hebbe,” antwoordt Grietje. „We ete vandaag 'n +stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong.” + +„Verdikke, mens, houw op!” roept Evert uit, „daar zou je 't water van +over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is, +hè?” + +„Of ie lekker is!” zegt Grietje, „nee”—en met de vingertoppen tegen de +wang wiegt zij het hoofd—„dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege +Kee—is 't niet waar meid—„Kee,” zeg 'k, „'k heb me eigen verhuurd voor +de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch +ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt.” +Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit +ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as +ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie, +maar de saus,—die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't +aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_ +kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge, +je boezelaar of—en 't hem om ze dikke lijf zou doen.—En as 't +niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de +bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!—'t Is dat 'k +hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders....” + +„Dan ha' je 'm al gesmeerd?” vraagt Evert. + +„Al lang,” verklaart Grietje, „want an al dat putlut daar he' 'k 'n +hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as +ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's +'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van +je werk ook. „Griet,” zei meneer dikkels, „je mot niet zoo lekker koke, +mens; 'k kan 's middags niet uitscheije.” En as mevrouw, die er zoo'n +hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie—omdat ze nooit niks kon +bedenke, zei ze—'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws +verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat +wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: „Kijk, dat hei je goed +geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben.” Och ja,” zegt +Grietje met een zucht, „'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is +zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze +best nog 's doet ook. Nee”—en ze schudt het hoofd tegen een koopman in +bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst—„niet noodig.” + +„Mot je geen bwommetje?” vraagt hij. + +„Nee,” antwoordt Grietje, „ik mot geen blommetje hebbe.” + +„Koop 's 'n mooi ghoozie van me?” vraagt de koopman, „of 'n potje met +ghesida.” + +„Ga nou maar gerust deur,” zegt Grietje, „want 'k koop toch niks van +je.” + +„'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie,” zegt +de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende. + +„Och, ga nou weg, hè!” roept Evert uit. + +„Nà,” zegt de koopman, „la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag +potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot.” + +„Ja,” zegt Evert, „'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen +slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de +klandisie, hoor.” + +„Wat zou 't,” roept de koopman uit, „as datte gebeugd, dan rentenieg 'k +à tien jaag! En jij, juff,” vraagt hij aan Keetje, „mo' je niet 's 'n +potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?” + +„Nee,” antwoordt Keetje, „ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet +verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever,” en zij +ginnegapt achter haar hand, „ik ruik liever gebraje spek.” + +„Ja,” zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, „nou je 't zeit, +ruik ik ook liever 'n bankethammetje.” + +„Of 'n varkensrib,” zegt Evert, „dat mot je ook niet uitvlakke, dat +ruikt heerlijk, hoor!” + +En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en +toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk +uitroept: „toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse +ze stout binne.—Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't +magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje +mot hebbe, hè?” + +„Nee,” zegt Grietje, „dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik +ben alleenig voor de pot.” + +„Nà,” zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, „da's +ommes ook 'n pot.—Doe je 't niet? Jij dan?” vraagt hij aan Keetje,—„'k +het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om.” + +„Dat zou 'k nou wel voor je wille doen,” zegt Keetje, „maar daar hoef 'k +niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo +graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me +kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?” + +„Alla!” zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende, +„'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar,” en zij reikt den +koopman twee dubbeltjes over—want een keukenmeid heeft altijd en een +werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee +stuivers voor, „daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,—'n +Zaterdag of zoo.” + +„Nee,” zegt Keetje, „want dan houwe we groote verschoondag, hoor!” + +„Schoon za' je bwijve kind,” zegt de koopman, de stoep af gaande, „'t +zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg.” + +„Ze-eg!” roept Evert uit, „jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te +bange, hoor je!” + +„Laat 'm maar gaan,” zegt Keetje, „want gelijk het ie.—Wil jij nou ook +liever dat roosie hebbe?” vraagt zij aan haar kameraad, „dan geef mijn +dat andere dingie maar.” + +„Wel nee meid,” antwoordt Grietje, „dit ruikt immers ook goed!” + +„Dat doet 't,” bevestigt Evert. „Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?” + +„Weet je dat niet?” vraagt Grietje, „en 'k dacht nog al, dat jij uit +Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met „ghesida”” zegt zij, den +koopman nadoende. „Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r +nog geen?” + +„Ikke geen meissie!” roept Evert uit; „alle Zondagge 'n ander, hoor!” + +„Dat binne d'r een en vijftig te veel,” beweert Grietje.—„Maar jij bent +er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?” + +„Nou,” zegt Evert, „'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet +van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?” vraagt hij aan +Keetje. + +„Ikke zeg niks,” antwoordt zij. „„As jij je mond houwt,” zeit me moeder, +„dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen.” En daar gedraag 'k me +eige na; is 't niet waar, Griet?” + +„Ja,” antwoordt Grietje, „van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?” + +„Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” zeit +me moeder, „zoo as jij toch ook slape kan—da's gerust 'n mirakel; daar +slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.”” + +„Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?” vraagt Keetje. + +„As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor +'k nooit meer wakker,” beweert Evert. „Zeg eris,” roept hij uit, in de +gang kijkende, „juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of +zoo?—daar legge wel 'n pak of tien op de bank.” + +„Da's voor 'n Zaterdag,” zegt Grietje, „dan hebbe we hier diné.” + +„Diné?” vraagt Evert. „Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?” + +„Alle dage lekker,” zegt Grietje, „maar as we diné hebbe, dan ete we +fijn.” + +„Hoort eris,” zegt Evert, „as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om +juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt +hier de restoratie van Van Laar wel.” + +„Van Laar,” zegt Grietje, „die mag de oestertjes levere, want daar +beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. „Dat zet de maag +in ze fatsoen, daar wort ie graag van,” zeit meneer.” + +„Nou,” zegt Evert, „dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg, +want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de +leest geslagen is.” + +„Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle,” verzekert Grietje, „want +er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan +krijgen we twee soepies.” + +„Och ga weg!” roept Evert uit. „Twee keer soep!...” + +„Daar mag je uit kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter je, en vraag wat +uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe.” + +„En onderwijl,” zegt Grietje, „schenkt de knecht je 'n glaasie serry +in.” + +„Die kon wel achter me blijve staan,” meent Evert. + +„Wel nee,” zegt Keetje, „da' 's nerges voor noodig, want iedere keer +krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord +nog 'n kraf vol.” + +„Dat zou niet lang dure,” verzekert Evert. + +„Dat denk ik ook niet,” zegt Grietje, „en daar mag je dan 'n glaasie uit +neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n +stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar +schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in.” + +„En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld,” zegt Keetje, „dan begin je +om zoo te zegge pas.” + +„Ja!” roept Evert uit, „'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!” + +„Jawel,” zegt Keetje, „maar dan komt eigelijk pas wat ze +„sta-in-de-maag” noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch +met sper...” + +„Nee hoor, nou is 't genoeg!” roept Evert uit, naar zijn mand grijpende, +„da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van +te motte hoore, da's al te arremoeïig.” + +„En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?” vraagt +Grietje. + +„Niet?” vraagt Evert. „Hei jij dan zoo'n beroerde maag?” + +„Gelukkig niet,” antwoordt Grietje, „maar 'k ben er vies van.” + +„Kom”, zegt Evert,—„vies...!” + +„Dat ben 'k,” bevestigt Grietje, „en Kee ook. Is 't niet waar, meid?” + +„Ba,” roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd +afkeerende, „dat vieze gedoe!” + +„Daar wor je ziek van,” beweert Grietje. „We zegge zoo dikkels tege +mekaar,—is 't niet Kee—as de kok in de keuke bezig is: „dat moste ze +binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen +mond an.”—Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met +ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles; +en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan +kan ie 't met ze vinger ook wel.” + +„En as je dan binne bent om te diene,” zegt Keetje, „dan hoor je meneer +tegen mevrouw van hier naast zegge: „wel mevrouw, is dat nou geen lekker +sausie?” En dan zeit zij,—met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r +magere, bloote hals: „ja””—en Keetje trekt een allerliefst mondje—„„dat +mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!”” + +„Nee hoor,” zegt Evert, „as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me +moeders pot.” + +„En daar doe je wijs an,” verzekert Grietje. „Lekker ete is goed, maar +zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste +diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na +buite gaan.” + +„Mooi zoo!” roept Evert uit, „dan zà je me baas weer effe hoore +moppere.—Gaan jelui al gauw?” + +„Dat zal geen zes weke meer dure,” antwoordt Grietje. + +„Maar ik ga al gauwer,” zegt Keetje. + +„Zoo! wanneer ga jij dan?” vraagt Evert. + +„Van aved, hoor!—as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga +jij?” + +„Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet,” antwoordt Evert; „me +moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam”—en hij +knipoogt tegen Keetje—„blommetjes genog.” + +„As dat dan waar is,” zegt Keetje, „dan ga ik met me blommetje maar gauw +weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is.” + +„En ik dan!” roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. „Ik mot +al de klanten nog of.—Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel +daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!” + +„Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind,” zegt Grietje. „En daarom +zegge ze dan ook: + + As Adam in 'n appel bijt, + Ofschoon door Eva _niet_ verleid, + Dan weet ie 't toch zóó an te legge, + Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge. + +En nou atjuus hoor,” zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. „En droom +van nacht 's van me. Zal je?” + +„'k Hoop er om te denke,” antwoordt Evert. „Maar 'k zal in alle geval an +me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.—Adie...!” + + + + +Het straatorgel. + + +„'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie—zoo kom 'k an de kost, +sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf +been het,” zegt Bet Bos, bij de buren bekend als „orgel-Bet”. „En à +je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op +die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me +man trouwde—dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de +Keizersgracht over de Westermart—'n goed mens daarvan niet, maar zij +en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel +gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e +dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en +de kindere, zei ze—toe _ik_ me man trouwde,” herhaalt Bet, diep adem +halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit +haar longen gedreven, „toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie +twaalf tot veertien gulde in de week.—Ja mens, zoo benne we begonne, +knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en +_ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met +musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of +'t zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze +'m t'huis! Heere! heere!”—en Bet slaat haar handen in elkander—„zoo +goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!—'k +Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't +zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet +van hoore. „Nee,” zeg 'k, „daarvoor is niet getrouwd!” En zoo hieuw +'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon +scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de +aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost +zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer +in staat. Och ja,”—en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar +voorhoofd glad—„zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n +orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je +tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens +al blij weze, zeg 'k.” + +En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden +heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar +voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te +offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de +voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert, +laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het +praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen, +stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de +straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot +haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij +haar tijd derhalve verpraat heeft. + +En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een +aantal van haar vaste klantjes wonen. + +Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar +beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men, +oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien +van het orgel te kunnen aanwenden, want „draaie en cente ophale, dat +doen 'k zellevers,” zegt ze, „draaie om de haverderij, weet je, en +cente ophale,—nou, dat begrijp je wel,” heeft zij een zeventien- of +achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met +uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd, +zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en +voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte +voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten +gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog +heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien +of twaalf „moppies,” als er een ziek kind opgevroolijkt—of de pret in +een bruiloft gehouden moet worden, „'n heele karrewei.” Want zoodra +zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit +prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt +haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken, +waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, „zoo asse de gowwevies,” +zou Mozes zeggen, „zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip.” Eerst +draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al +draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van +haar bovenlijf,—door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet +aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen +en weer slingeren van haar rechterarm,—niet weinig verhoogt. Door +haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen +ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor +telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_ +zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt, +als de laatste tonen van het lieflijke: „Daisy, Daisy!” zijn +weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van +al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken, +voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht, +verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan +afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet +hooren. + +Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit „'r doppe,” en een haar +toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat +er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek, +waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk +gehuil—veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van +het wiel,—wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere +geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren +ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het +bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een +cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd +uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel +terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken, +„ofdraait”. + +Haar orgel, waarop in goud het woord: „orchestrion” prijkt, is zeker een +van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig +zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad +aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen +aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan +weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in +het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het +hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en +ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren +staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder +los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij +het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op +de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen +elkander aanzien, en het „gut!” waarmede de vrouwen haar bewondering +te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge +pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den +mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en +_gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand +houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat. +Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar +rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der +beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te +zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat +hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd, +als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen +ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken, +met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn +heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie, +ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij +uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden +glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de +triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk, +dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek +gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige +kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te +hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande, +uitriep: „je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!” + +De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben +er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed +daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen +tegenover haar collega's laat verleiden. + +„A's 'k weet,” zegt ze, „dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om +tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er +kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn +laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast +deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da' +'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie +later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om +'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was—zoo'n stiekemert! dat +doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan, +maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar +ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee +moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot +ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai +'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege +me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is.” Door haar kolossaal +instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de +overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar +collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een +pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het +vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat, +dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag +zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer +brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar +gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere +orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren. + +Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken +strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere +reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk +gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden. +„As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te +sjanke, 'n doodschop,” verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri +heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele +herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door +muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren, +zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken, +die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de +eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen +van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen +muziek kon hooren zonder „akelig” te worden, dan zou hij natuurlijk +onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in +staat is. Maar dit doet hij nooit.—Integendeel! zoodra hij op zijn +levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan +blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen +draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand +verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij +aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken +noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen +of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij +smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is +onwaarschijnlijk. „As ie sjankt, dan mot ie weg,” zegt ze, en nooit +verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand +te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er +een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt +zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar +zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast +haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt +hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van +haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop +toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier +met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament +tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en +rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar +onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half +dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog +voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht, +door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de +wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping +elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten +het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen. + +Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking +is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men +bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift +der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op +de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding +geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent, +met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij +eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet +kan vereenigen. „Smerisse,” zegt ze, „daar mot 'k niks van hebbe, en met +'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k +de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had—en dat zou zoo'n +wonder niet weze—zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme +je mee!” roept ze uit. „As je, zonder erg, de een of andere straat van +de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde +tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan +schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_ +bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om. +Sekuur!” roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt, +„want toe Da Punt....” en dan volgt het waarachtige verhaal van een van +haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok +had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière +gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten +geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was +gebracht. „Nee, nee,” zegt Bet, „met de pelisie affetuur 'k niks, want +_dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst.” En zoo komt +zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de +hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende +is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan +den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden +dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de +hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd. +Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het +vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de +meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden +gewaardeerd. + +Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den +heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt +het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met +andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt +geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven +aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het +lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op +het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele +_entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door +dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt +geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een +_marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen +als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun +is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in +achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van +eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar +de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste +bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend +op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra +de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin +_nez à nez_ staan—liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat +het ook wel—maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de +uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de +andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats +waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar +links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij, +plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten +dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna +zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der +dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of +een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet +gegleden is, weer aan te trekken. + +Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de +verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan +eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand +een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een +paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke +bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel +der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden, +door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte +uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide +bevalligheid. + +Voor Bet is zulk een straatbal—want de bewoners van achterbuurten zijn +goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul—een aardig buitenkansje, maar +natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook +dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis +kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij +nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek +een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij +haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er +maar één, maar „wat 'n hartepitje is ie, hè?” En als zij hem van den +vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis +vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden. + + + + +Eddy. + + +Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte, +voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs +pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een +fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar +een veld-mutsje of zoo iets—donkerblauw, afgezet met wit—want hij +is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de +geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel +daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen, +een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar +wel een beetje een uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” aan zijn +gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine +tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk, +dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets +waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt +en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk. + +Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover +mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het +portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen +geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de +tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige, +mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar +ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal +zien en zijn hand nog eens drukken zal. + +Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus +eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij +elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden +hebben. + +Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe +woonplaats zou betrekken—want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik +het kamerleven op den duur te „onhuiselijk”—moest zooveel hersteld +en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn; +en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn +nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een +nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te +vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo +had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige +benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren +ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken, +kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik +de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een +Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast +was. + +De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de +personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik, +dat Cor—zoo heette de zuster van Eddy—als zij binnen kwam, om het +een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek, +alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te +doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan +een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder +fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op +een morgen—waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden +totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken—of ik tevreden +was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben. + +Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever +wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg +ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op +zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat +het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd, +al dravende, zijn overjas aantrekkende. + +Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er +iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat +van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet +mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te +veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans; +maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het +zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem. + +Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb. + +„Welzeker niet,” antwoord ik. „'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar +ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even „stormachtig” was +als hij. Gaat hij nog op school, of...?” + +„Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad.” + +„En leert hij goed?” + +„Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar +gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls +van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het +eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn +dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht.” + +„En wat moet hij worden?” + +„Ik hoop,” antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid +getuigt, „dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine.” En +aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: „Eenige jaren +geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die +zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in +leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand +te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te +huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was +toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig, +'t ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik +iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school +doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't +Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat +het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We +hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij, +en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou +studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk +veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd +opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik +hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan +later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij +niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat +hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had +gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de +middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat +doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het +beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn +toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan +misschien niet een zou gebeuren. En zoo,” zegt Cor, met een glimlachje, +„ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet +minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.” + +Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets +over het hoofd had gezien. + +„En dat is?” vroeg zij, een beetje ongerust. + +„Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht,” antwoordde +ik. + +„Niet om mezelf?” vroeg zij verbaasd. + +„Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of +zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen.” + +„O,” zei zij met een glimlach, „dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk +niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn +leven niet geven.” + +Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde, +en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden, +maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was +met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen. + +„En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog +geen berouw?” vroeg ik. + +„Neen,” antwoordde zij beslist. „Tot nog toe is hij ieder jaar +overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral +in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar +hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't +Gymnasium, of „'t hok,” zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen +om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij +over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan +ook niet heel lang geduurd,” voegde zij er met een glimlach bij. + +Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik +dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou +opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem +aan te moedigen zijn best te doen. + +Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en +met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit. + +Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den +tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende +ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich +eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de +leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn +rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak +hem aan. + +'t Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was +kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had +gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek, +dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus, +Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt +van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk +Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes +jaren lang op een Gymnasium te gaan „heel taai,” en derhalve lang genoeg +is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde, +ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje +met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk +niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met +zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want +uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden +kerel—„ajasses nee!” + +Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik +glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer +stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte. + +„Ik geloof,” zei ik tegen Eddy, „dat je 'n beste zus hebt, hè?” + +„Ja, hoor!” antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er +zoo onmiddellijk bij: „wat 'n mooi tuigie het ie op!” dat hij het +blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water +koud en vuur heet is. + +Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen, +of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem +al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang +stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap, +en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een +logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was. + +„Ik vind, Eddy,” zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik +bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, „ik +vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal +te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde +met boeken en schriften te doen. Deze twee—en ik wijs naar een paar +op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers—heb ik hier een poosje +geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche +grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden +binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en....” + +„Vieze dingen!” roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding +aannemende. + +„Nu goed dan, _niet_ vies, maar—ja kijk nu maar niet zoo woedend—in +ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt +zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op +de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.” + +„Nou ja,” zegt Eddy, „dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst +he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was; +toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel +op te redderen.” + +„Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?” +vraag ik. + +„Of ie!” beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint +te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen. + +„Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan +werken,” zegt Cor, „en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op +zijn kamertje bleef zitten.” + +„En daarin hebt ge volkomen gelijk,” stem ik toe. „Hoe zoudt ge +'t vinden, majoor”—want sedert ik weet, dat hij lid is van de +weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls +met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een +militairen rang toe te kennen—„hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't +vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen, +daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en +Zaterdag-middag hier kwam werken?” + +Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is +verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met +opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan +opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar +denkende dat dit plan van haar afkomstig is. + +Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en +als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk +makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid, +en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen +Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft +gewerkt. + +Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt +nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil +doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk +bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het „dan maar doen zal.” + +En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander, +hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in +de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden +toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde +te „suffen”, omdat het er toch niets toe deed of „die stomme boer” het +kreeg of niet. + +Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen, +en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn +huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge +manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een +kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit +een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als +hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige +ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken +gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan +nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met +de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan +hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt. +Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer, +die het „ongeluk” heeft geen „klare” te lusten—hetgeen trouwens niet +verhindert, dat de ware „kiezerspit” in zijn _body_ zit—dan weet ik +wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid, +door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het „moppie”, +waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een +weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige +oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel, +sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden +zal zingen: + + „Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht, + 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.” + +En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden. +Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen „licht” +krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij +naar mij, als ik hem even aankijk—iets waarvan ik natuurlijk niet de +minste notitie neem—of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en +blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt +het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het +hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene—dan het andere been, ook +wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische +toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt, +om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge +gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het +gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt, +uitroepende: „wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!” of: „daar +hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel, +zoo gaat 't!” + +Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint +hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken +heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met +„bevallige nonchalance,” zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich +slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen +straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk +een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel +voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch +zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen, +maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels +herinner: + + „Maar 't was zoo heerlijk, buiten! + 't Was alles: zonnestraal! + En boven in de takken, + daar zong een nachtegaal; + + En alle bloemen bloeiden, + en schitterden in 't rond; + en als een bloem was 't kereltje, + zoo frisch, en zoo gezond. + + Zoo liep de jongen lustig, + en zong zijn vroolijk lied. + Maar waarom hij een liedje zong, + dat wist het ventje niet.” + +En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt +hij wel twintigmaal: + + „Maar dat viel lang niet mee. + Ze zei: „wel jonge, nee, + ik houw niet van tariteraraboumdié.”” + +En niet minder dikwijls: + + „Een jeugdig huw'lijkspaartje, + Pas in den echt getreen, + Gevoelde zich gelukkig, + Nu 't eind'lijk was alleen. + Maar daar komt plots'ling binnen + De schoonmama—o, hé!...” + +En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten +over, om te eindigen met de verrassende woorden: + + „Vroolijk sprong hij de lijkkoets na, + Van die lieve schoonmama.” + +Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer +onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner +schoonmoeder. + +Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij +zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een +almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de +Paaschvacantie—waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden, +waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een +poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;—of +hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje—een cadeau van +Cor—uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de +schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk, +het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk, +staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke +blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: „maar +jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!” dan +antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft +geleerd. + +Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan +gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier +drinkende—want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan +vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is—rustig blijft +zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij +niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt +hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na +dien tijd nog iets uit te voeren. + +Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest +wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem +sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij +even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam +hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte +handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor +ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk +losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle +mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de +kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van +haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield, +liep hij de kamer op en neer, zingende: + + „Eens liep een aardig meisje, + al in den maneschijn. + Zij had twee blauwe oogen, + en voetjes—o zoo klein...!” + +En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in +huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den +maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer +hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo +lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het „aardige +jonge meisje,” niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet, +met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den +waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het +nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in; +want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten—door met +aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te +schuiven, is hij in een ommezien weer binnen. + +Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij +zegt, dat hij het „onfatsoenlijk” vindt, en biedt mij een dubbeltje aan, +als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. „Dat zou zoo lekker +gaan,” zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij: +„pats...!” En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij +het aannemelijk te maken, door te zeggen: „nou, _vijf_ keer dan maar!” +En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite +een verbaasd gezicht zettende: „waarom niet?” + +Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze +zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd, +waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij +daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een +handschoen of een zakdoek, „tegen de mot”, zooals hij zegt, en als +ik hem laat begaan dan maakt hij „een Chineesie” van mij, zooals hij +dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn +uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij +aanhitst, door naar mij te wijzen en „kiesch! kiesch!” te roepen, net +zoolang totdat het beest begint te blaffen. + +En met dien hond, die den buitengewonen naam „Pak 'm” draagt, kan hij +sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige +laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het +dier leeren „zingen,” hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden +maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met +het hoofd; en als hij zegt: „Pak 'm-snoet-vuil!” dan strijkt het beest +herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op +onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze +met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij +het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte +voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden. +En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten +in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of +anderen leeraar na. En als hij uitroept: „ik zek oe, dat zal _niet_ +kebeuren!” slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat +het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna +holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: „hij is +braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja, +hoor! hij is een goeie hond!” zijn wangedrag tracht goed te maken. En +niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat +hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm +nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en +zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in +het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen. + +Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede +kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor +ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken +en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook +met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu +_asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid +haar toe te voegen: „geef me dan een kwartje, dan laat ik je los.” +Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij +ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij +zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en +„handelsgeest” met elkander verwar. + +Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder +beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den +middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we +hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van +zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die +eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig +verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche +lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook +wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer +zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet +zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is. + +Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd +leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als +er niet zooveel „verrekte” uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te +doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche +opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei +vreemdsoortige gebaren te zingen: „_emploie—toujours—l'indicatif!_” +op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een +rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: „_pour +toi—pour toi—mon âme aimé!_” + +Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval +is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen +vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, „misselijk.” +Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij +geruimen tijd heeft geweifeld tusschen „de mode,” „men moet het ijzer +smeden als het heet is,” en „spaarzaamheid is nog geen gierigheid,” +waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te +zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: „nou, de mode dan +maar!” waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en +opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm +ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en +den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt +met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken +een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk +een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend +uit: „wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?” En als ik +dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te +dicteeren, en zeg: „kom, schrijf dan maar op, sukkel!” dan zit hij +onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: „asjeblieft, +collega!” en voegt er onmiddellijk bij: „maar nou niet zoo eeuwig lang!” +En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan +springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de +lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een +uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen. + +Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij +een uur lang samen geweest waren—want Eddy was buitensporig lastig, en +zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd—maakte hij een stapeltje van +zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van +hem, ging; er in een adem bijvoegende—wel begrijpende, dat ik met dit +voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn—dat hij toch bijna niets te +doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar +wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken. + +„Ja,” zeg ik, „in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat +zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan—nu, dat moet je bed maar liever +niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je +werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben +je voor goed van „'t hok” af, als je nu nog maar een poosje je best +doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander. +Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je +moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet +waar?” + +„Cor doet dat graag voor me,” zegt Eddy, „en later zal ik haar alles +teruggeven.” + +„In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze +wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer +en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen. +En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar +gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in +billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken. + +„Ik ben nog ieder jaar overgegaan,” zegt Eddy. + +„Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen +voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor +te slagen?” + +„Ik zal _toch_ wel door dat examen komen,” beweert hij. + +„Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't +_niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel, +dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest +erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen +andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het +eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan +moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het +nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes +pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu,” zei ik +opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid +weer aan het werk te gaan, „ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof +je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte +handen terugkomen.” + +Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de +schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd +voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden, +waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had +voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die, +door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen +naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik +tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken +lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen +op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig +op, ging zitten en begon weer aan zijn werk——— + +„En nu moet u eens zien,” zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij, +met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport. + +'t Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder +geschreven, dat hij tevreden was. + +„En wat zegt Eddy er wel van?” vroeg ik. + +„Dat het hem niet verwondert,” antwoordde Cor lachende, „omdat hij, +zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan +vroeger.” + +„Jawel,” zei ik, „logisch redeneeren—dat kan hij best.” + +„Ik ben _heel_ blij,” zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede +kind mij aan. + +„'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben,” verzekerde +ik, „en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem +ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de +duinen en naar de zee.” + +En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den +volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een +gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen +waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden +daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé +had moeten worden. + +Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee +vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den +tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een +briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was. +Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus +was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan +die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan +tafel. + +Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw, +niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden, +en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje +noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist +zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap +weldra volkomen tusschen ons hersteld. + +„En wat zijn nu je plannen?” vraag ik hem, als wij na het eten in den +tuin een sigaar rooken; „denk je lid van het corps te worden, of niet?” + +Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik +weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en +karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik +begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het +zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij +het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, +dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft +ingezien, dat hij het niet doen moest. + +Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat +hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier +te drinken en een sigaar te rooken. + +En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van +voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport +hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden +kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het +Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust +en ontwakende mannelijke kracht. + +En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt. + + + + +Haar brood. + + +Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen, +schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij +schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam +altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich +aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette +zij, had aangescheld. Als ik vroeg: „Frits, jongen, moet je nog niet +naar school?” of: „Karel, ventje, is het je tijd nog niet?” dan was het +antwoord: „nee, pa, want Ant is er nog niet;” maar zoodra een van de +kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: „daar is +Ant; Ant is er, hoor!” en dan grepen allen naar boeken en tasschen en +stormden de deur uit. + +Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten, +kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk +bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had +aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was +gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare +handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met +bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar +gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze +mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een +bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op +schillen wachtte, en de kinderen haar met een: „goeje morge, Ant; dag +Ant!” voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun +groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al +het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden +verbitterd. + +Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was +oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten +vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk +gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit, +voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield +veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was, +maar ook om hemzelf, „want,” zei zij, „'t was 'n best ezeltje, nooit +eigenzinnig en altijd gezond.” + +Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst +in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou +lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop +Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop +boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het +tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want +doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek +in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou +zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn „smaak” te vallen. + +Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg, +dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest +stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden +geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging +eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en +bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de +schillen waren opgeladen, en Antje „vort Hans!” riep, waarop hij +terstond aantrok en het karretje wegrolde. + +Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar +ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en, +naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles +medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar +hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den +hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het +bijzonder wilde vestigen. + +Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg. +Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar +ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst +geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden +was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten +aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man, +een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar +kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de +moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar +jongen—frisch en gezond. „Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie, +dat harteboertje!” had Antje haar ezeltje toegeduwd. „Maar z'n vader, +hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank, +die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe. +En zij ook; „want als werkman is er geen beter,” zeit z'n baas. En nou +zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat, +Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel +schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht +doet, nooit...” + +Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren +opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door +de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar +de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een +agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel +vasthoudende, tot Antje zei: „da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't +zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na +'t berô.” + +Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek +den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en +kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te +houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest +van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige +poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet, +zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken. + +„Ho, Hans, ho!” riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en +zich tot den agent keerende, vroeg zij: „wat zeg je, mot 'k mee na 't +berô?” + +„Wel wis,” antwoordde de agent met een straffen blik, „ik zeg je ommers, +dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!” + +„De derde keer, wat derde keer?” vroeg Antje, den man met groote oogen +aanziende. + +„Maar mens!—dat je schille ophaalt!” antwoordde de agent, met een +hoofdbeweging naar het karretje. + +„Nou ja,” zei Antje, „dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?” + +„Maar dat mag je niet doen!” riep de agent uit. „Wist je dat dan niet?” + +„Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of +hoe hè' 'k 't nou met je?” vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende. + +„Droome,” antwoordde de agent, „dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me +het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar +doen vóór 's morgens acht uur.” + +„Kom”, zei Antje, „nou nog mooier! wie zou dat verbieje?” + +„Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,” +antwoordde de agent, „maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô, +dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore.” + +Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar +begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er +waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning +ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een +zucht: „Vort, Hans, vort jonge!” + +'t Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij +dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk +gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen +ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone +verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent +er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet +verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het +politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en +kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens +verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief, +tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige +opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in +verband met de komst van den agent. + +„Wel Kloek,” vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem +stonden, „wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?” + +„Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge,” antwoordde de +agent, de hand aan het hoofd brengende, „al drie dage achter mekaar.” + +„Maar dat mag je niet doen vrouwtje!” zei de commissaris. „Na 's morgens +acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je +moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de +straat bent.” + +„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „as 'k 's morges vóór acht uur me +schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k +bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me +klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge.” + +„Ja,” antwoordde de Commissaris schouderophalend, „daarmee heb 'k niet +te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd; +en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal +'t nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze +nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen +haar opmaken.” + +„'t Zal gebeure, U-gestrenge,” antwoordde de agent, andermaal de hand +aan het hoofd brengende. + +„Maar meneer,” zei Antje, „'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k +geen schilletjes meer mag ophale?” + +„Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,” +antwoordde de Commissaris. „Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders +bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!” En terwijl hij zich weer +verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje +heen, mompelend: „zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe +'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar”—en langzaam de trap +af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd—„ik laat 't er niet bij, +dat doen 'k niet!” + +Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop +van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen +zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende, +Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: „ik heb 't +Hans, ik heb 't!” + +Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige +voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig +geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te +hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien +haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.——— + +Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als +zij wou wachten.... + +„Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd,” antwoordde Antje. En zoo +stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij +de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en +planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om +zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen +gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het +armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling +opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek, +ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de +gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën. + +„Wel, vrouwtje,” zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn +hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf +gevouwen en het eene been over het andere geslagen, „wat kan ik voor u +doen?” + +En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die +er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en +vroeg wat er aan te doen zou zijn. + +„'t Is juist wat ik heb voorspeld,” zei Mr. Verdoorn, met een +zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, „juist wat +ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval +van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor +een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit +bezwaar, dit zeer groote bezwaar,” herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig +gezicht, „het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven +hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede +voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles +wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van +afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die +vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen.” + +„Ik kan dus een vergunning krijgen?” vroeg Antje, die, van al hetgeen +zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen. + +„Onmogelijk is 't niet,” antwoordde Mr. Verdoorn, „maar”—en hij zette +een bedenkelijk gezicht—„zeker is 't evenmin.” + +„Och meneer, doe uw best voor me,” vroeg Antje, „doe uw best, want 't is +me brood!” en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te +voorschijn. + +„Ik beloof u te zullen doen wat ik kan,” antwoordde Mr. Verdoorn, „en +zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten.” + +„Dank u, dank u!” zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende, +nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van +Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen. + +Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende, +dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor +geen geld wilde ontvangen. + +Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een +koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr. +Verdoorn. + +Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging +zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om +niet door anderen „onderkropen” te worden, of zij, gedurende den tijd, +waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen, +de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen, +wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden, +ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde +zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje +zich bijzonder goed schikte. + +Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en +reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen +krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen, +vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel +uitriep: „Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken +en buiginkjes te maken.” + +En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig +gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de +voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat +zij haar broodwinning had mogen behouden. + +En dankbaar was zij! „Lieve harte,” zei ze, „wat in de wereld ha'k toch +motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was +'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef +te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n +kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil.” En +zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: „Vort, Hans, vort +jonge!” En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan +uitzag, trok aan en weg rolde het karretje. + +Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van +politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij +haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een +vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid +van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep +zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem +toeliet: „schille, schille, wie het schille!” + +Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond +om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei +knorrig: „ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet +late.” + +„Dat kan 'k niet, me goeje man,” zei Antje hoofdschuddend; „'t is me +brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen—vandaag, morge en altijd.” + +„'t Is goed,” antwoordde Kloek, „maar je weet wat de Commissaris het +gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor +je, 't zal spanne, dat zeg ik je!” + +„'t Zal zoo'n vaart niet loope,” meende Antje, 't zal nog wel schikke.” + +„Wor nou maar niet bertaal,” waarschuwde Kloek, „want dan maak je 't nog +erger!” + +„Menslief,” zei Antje, „daar denk 'k niet an.” En Hans tegen den hals +duwende, riep zij uit: „Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de +Commesaris.” + +Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_ +een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen, +en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris. + +En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het +verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij +hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en +woonplaats had opgegeven, vroeg zij: „Meneer, toe u me laast het gezeid, +da' 'k geen schilletjes mocht ophale—dat was toch niet de volle +waarheid, was 't wel?” + +„Mensch,” stoof de Commissaris op, „wou je me in m'n gezicht zeggen, dat +'k lieg!” + +„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „dat wil 'k in 't geheel niet zegge; +ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel +schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?” + +„Die vergunning,” zei de Commissaris boos, „wordt nooit verleend, en 't +was dus geheel onnoodig daarover te spreken.” + +„Ja,” zei Antje, „zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k +het er toch eentje.” En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer +dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld, +haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den +Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen +hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in +_optima forma_ was. + +Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een +toon alsof hij verongelijkt was: „'t is in orde, en we zullen er +aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt,” +vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing +aanziende, „dat mag de hemel weten!” + +„Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?” vroeg Antje, die het +onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de +vergunning gekregen had. + +„Ja, mensch, ja!” antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor +het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem +verloren ging. + +Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den +rug kloppende, zei zij: „hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware +benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en +voor goed ook; vort, jonge, vort.” + + + + +Kinderleed. + + +Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen, +eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig +op zijde had geschoven, zei mijn vader: „Meneer Nelissen is zoo even bij +mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie +zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in +het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere +school moet, ventje.” + +„Och heden, dat is jammer!” zei mijn moeder; „dat zal je spijten, hè, +Willem?” + +„Hè ja!” riep ik uit, „zoo'n prettige school.” + +„Ja,” zei mijn vader, „het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een +verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed +onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu +informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet +een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed.”—En +hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen +broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest, +en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen „een ietsje +flauwer”—de Metallieken „een tikje beter” waren, en verder verslag +gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws, +dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan, +dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik +mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen: +„Heere—zegen—deze—spijs—en—drank—amen,” waarna het mijn beurt was, +en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half +bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij +paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet +alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het +ernstige gelaat van mijn vader. + +Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en +mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en +een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij +opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en +konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, +van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen +kwam spoken. + +Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer +Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij. +Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een +zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de +genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem, +als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren, +dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane +wijze handhaafde hij orde en tucht. + +Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school +bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een +klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. +Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing, +voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen, +stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende +venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige +inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt. + +„Je mag zoo maar niet opstaan!” zei Henri, die naast mij zat. + +„Dat zal hij langzamerhand wel leeren,” zei meneer Nelissen, mij op den +schouder kloppende. „Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar +zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest, +en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En +wat hij deed,” vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, +„is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te +onthoofden, niet waar Henri?” + +„Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,” mompelde Henri. En toen meneer vroeg +wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen. + +Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog +al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik +in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens +van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn +gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.——— + +„En waar gaat hij nu heen?” vroeg meneer Nelissen, toen hij een +afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem +vaarwel te zeggen. + +Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer +Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg +mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school +kende? + +„Zeker mevrouw,” antwoordde hij. „Kreggers is een knap man, geloof ik, +een _heel_ knap man.—Hm.!” En dit zeggende stond hij op, nam afscheid +van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok. + +Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij +niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij +naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.—Arme meneer Nelissen! gij +waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand +kunnen brengen——— + +Meneer Kreggers—groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos +gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder +zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke +handen ter hoogte van het gezicht houdt—meneer Kreggers zegt: dat ik +brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat +ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik +kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook +voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel +eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch +niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat +hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij +voor de klas staat en les geeft. + +Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet +volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk +waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En +eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. „Je verstand is goed,” +zegt hij, „maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;” en +mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit +zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij +gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij +heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van +het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een +liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept: +„_Messieurs, la prière!_” totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen +gaan. + +Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle +jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij +ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar +in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand +op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal +de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die +te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik +hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn +eigenzinnigheid versterk. + +Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik +brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met +den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb, +zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar +o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze, +waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent, +zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en +die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij +trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers +zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen. + +En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij +toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het +niet en geloof ook niet, dat ik „zoo'n akelige jonge” ben. Ik weet, dat +men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo „slecht” +was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en +waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan +denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was, +terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een +pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de +mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de +jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk, +lammert, en zoo vele andere toe, en—ben ik rampzalig. + +Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet +geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin +zooveel vooruit zijn—Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, +dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra +hij dan ook zegt: „_et maintenant, Messieurs, la lecture française_,” +word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb +om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij +iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een +andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken +woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt +het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te +maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste. +Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is, +en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel +tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook +wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op +hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het +einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt +zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik +vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik +voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen +heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van +een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept: +„_Assez, maintenant l'arithmétique_,” een werkzaamheid waaraan ik +evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op +een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en +gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei +schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_. + +Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was +eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest +wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke +letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les +chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. „Lees dat nu +eens hardop voor,” zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij +er bij: „en nu niet geagiteerd, asjeblieft!” + +Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen +van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe +tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen +en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de +zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den +uitgang „ion” moet verbinden met de „g”, of de „s” of een andere +medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders +uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_. + +Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast +mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te +gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche +et un imbécile_. + +Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half +wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik +zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van +minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met +ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en +nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem +komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat +mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en +zegt, schijnbaar kalm: „we zullen het nu nog eens probeeren, maar +nu”—en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon—„nu pas je op, +versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_.” + +In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide +woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij +zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den +gek te houden? + +Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik +zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk. + +„Krijg ik ook antwoord?” vraagt hij. + +„Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!” roep ik uit. + +Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover +verder niet wil spreken en herhaalt: „_des ... i ... eux_.” + +Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te +doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het +gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: „_des sjeux_.” + +Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is +duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar +hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: +„nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.” + +Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze +omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend, +terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd. + +Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op, +en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: „marsch, in den +hoek..!” + +Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij. +Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat +hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen +schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef +ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek, +maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de +zakken en kijk rechts en links naar het plafond. + +Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt +meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis +brengen—en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat +zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te +moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en +met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen +in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende, +naar huis. + +Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een +allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen +als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord: +dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal +inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij +zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te +openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij, +reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien, +dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in +die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren +nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren +_instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en +onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij +dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den +hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk +van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit +wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat +ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn +onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille +van zijn prestige stellen moet. + +Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien +betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen +hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij +keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: „en wat zegt m'n jongen +nu?” + +O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik +wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was +als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en +altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet +geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het +eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen. + +„Maar 't kind is zenuwachtig,” zei meneer Kreggers glimlachend. + +„Ik geloof het ook,” antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er +bij: „misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen”—en nu +klonk zijn stem weer krachtig—„zal mijn zoon uw school niet langer +bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en +tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_ +zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad,” vervolgde mijn vader, meneer +Kreggers vast aanziende, „betuig ik u mijn dank.” + +Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last, +waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg +ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij +streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was——— + +Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner +ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden, +die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet. + + + + +Karel Jan Vonk. + + +„K..arel, J..an Vonk,” zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met +den rug naar het venster mijner griffie staat „zoo spreekt hij precies, +en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en +onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor +mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. „Neem het copyboek,” zeg ik +tegen hem, „zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee +Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je +natuurlijk het woord „heer” in „mevrouw” veranderen.” En Vonk deed +precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond +er boven: „WelEerwaarde Mevrouw.” WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de +burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je +honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij +zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register +waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles +maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen +zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd.” + +„Mijn waarde,” zeg ik, „daarover behoef je je niet ongerust te maken. +Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet +gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou +worden opgeleid?” + +„Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen, +dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest +eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch +en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te +zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een +kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in +den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een +baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of +van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk +niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool +te Diepenburg geweest.” + +„Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?” vraag ik. + +„Als een rots,” bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik, +„en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om +schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak +was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar +geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen +hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier +gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een +gemakkelijk heer—en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag +genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij +zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog +met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele +onheil had overzien, den jongen onder handen genomen—en zulke venijnige +dingen gezegd heeft—want Venninga is nog al scherp, zooals je weet—dat +Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.” + +„Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?” +vraag ik. + +„Dat weet ik niet,” antwoordt de burgemeester. „Venninga is natuurlijk +dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij +komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls +doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij, +om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij +zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte. + +„Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het +op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een +te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer. +Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het +andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk +mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn +kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem +standjes gegeven, standjes...” + +„Ja,” zeg ik, „dat zal wel.” + +„Hè!” roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende, +„waarom denk je dat?” + +„Omdat ik geloof,” antwoord ik, „dat je wel een beetje heftig bent, weet +je.” + +„Ik geloof 't ook,” erkent de burgemeester, „maar 't schijnt geen +slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: „dat +mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;” 't geen +hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog +al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te +steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem +weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en +aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben +om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat.” + +„Is hij gewillig?” vraag ik. + +„Zeer gewillig.” + +„En ijverig?” + +„Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben +als—als een heimachine,” zegt de burgemeester, die met deze even +krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen. + +„Nu,” zeg ik, „dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan +hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?” + +„Graag,” antwoordt de burgemeester. „Ik ben blij om hem en om zijn +ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_.” + +En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der +griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien +jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen, +gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar +netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals, +waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren. + +Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco +van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het +_imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje +bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft. + +En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de +beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar +stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig +gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er +alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in +te vullen—wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_ +is—heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor +den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik +mij volstrekt niet vereenigen kan. + +Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich +kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen, +terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, +en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren. + +En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en +telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon. + +En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen +nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan +zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag +beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken +moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat +alle vonnissen de woorden: „in naam der Koningin,” aan het hoofd moeten +voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud +imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: „in naam des +Konings.” En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan +geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel +uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan +trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of +hij het begrepen heeft. + +En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een +eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls +betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar +telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te +hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die +langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en +omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem +handelen moet. + +Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor +hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan +vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn +moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls +pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is. +Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje +is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn +oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en +moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje, +die allen nog klein zijn en op school gaan. + +Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben, +wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend +hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor +handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls +gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden, +waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde +toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de +normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter, +twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet +geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en +graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat +hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar +op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van +zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand +voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden, +maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd +gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags, +omdat vader dat verboden had. + +Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging. + +„Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.” + +Hoe bracht hij den Zondag verder door? + +„Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot +Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan +las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.” + +Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd? + +„Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor +hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond.” + +Las hij veel? + +„Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was +hier geen bibliotheek.” + +Had hij geen konijnen, geen duiven? + +„Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel +aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de +menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze +moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze +Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen +lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht.” + +Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het +strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen? + +Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets +in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen, +maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij, +dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg. + +En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn +ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn +schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets +voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een +schamel kleed.——— + +Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een +maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even +later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging +kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar +boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon +komen, omdat hij ziek was. + +Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in +den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei. + +„Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. „Vonk,” zei ie van morge, toe +'k 'm uitliet, „dat lampie”—en de stem van den ouden man beeft—„dat +lampie brandt nog maar heel eve.”” + +„Arme jongen...!” + +„En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet, +da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n +dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm +wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te +jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg +'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en +'m alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En +daarom—beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag +nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal +zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar +Hij doodt.” + +Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer +zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; +hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig +veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven +om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen +neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet +van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt. +Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van +dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat. + +Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal +stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem +dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan. + +Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde. +En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de +bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, +even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert +het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak +voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar +huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een +rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt: + + Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek: + „Schijn, zonnetje, ook op mij!” + Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet, + Haar stralen gingen voorbij. + Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag, + En tuurde naar 't morgenrood, + Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat, + Toen treurde 't, kwijnde en ging dood. + +En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!—— + +Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer +op de trap en zijn vader kwam binnen. + +„Hoe is 't?” vraag ik. + +Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd. + +„Geen hoop meer?” + +„Nee;... hij is dood.” + + * * * * * + +Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij +gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het +kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die +naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het +weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong +leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: +kleurloos, mistig en koud. + +O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des +levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel +onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel. + + + + +De oudste. + + +Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van +ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid +voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden +herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een +gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken, +dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen +van onzen levensweg, den blik terug wenden. + +Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn +vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede +visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben, +prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten, +herdenk ik wat achter mij ligt. + +Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd +portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn +schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek +wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede +zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde +zij er bij, God te danken dat het zoo was. + +Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar +waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop +wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren, +genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen +sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee. + +Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart, +bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te +hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen, +toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb +ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij +altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood. + +Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw +haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij +de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden, +dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die +blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine, +onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang, +altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar +zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik +was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn +ziel zich meer en meer naar de uwe stemt. + +En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende +kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien +lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes +weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke +gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking +van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze +eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen. + +„Ons kind, onze zoon!” Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en +hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende, +herhaalde: „onze zoon.” + +„Dien wij willen liefhebben,” zei ik, „_ook_ met geheel ons verstand, +tot zijn eigen geluk en tot het onze.”—— + +Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk +opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste +broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren, +donkere oogen, blozende wangen en het—aan de mondhoeken naar beneden +getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet +hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn +mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het +strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem „de jonker” +noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij +vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen +legt. + +Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange +wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende +het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En +daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk +een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten +wil. + +Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der +sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te +midden der stilte klinkt: „hoe kom dat?” en als de opkomende maan zijn +aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt: +„het de maan ook beene?” + +Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met +hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat „goote +mense doen.” Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit, +het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille +uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om +ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem +uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet. + +Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen +te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij: + +„Daar kom 'n man an, hè?” + +„Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt.” + +„Goeje man, hè?” + +„Zeker wel, vent.” + +„Niks bang, hoor?” + +„Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als +jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?” + +„Pa zou mijn wel hejjepe, hè?” + +„Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't +Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein +meisje heeft.” + +Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen +het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van +haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij +zich tegen mij aan. + +Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn +ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning +is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging, +Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt +hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij, +met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: „goeje man, hoor!” + +Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar +door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet +hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren, +een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft +gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en +door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren +geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet, +dat de zee „o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes.” En sedert ik +hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver, +van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij +in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp +ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere, +dan roept hij uit: „o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes +goed zien, hè? die goe...je visserjes!” En die gedachte laat hij niet +weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi „jiggie” +hebben, dat zij nu zeker wel „bjij” zijn, en als wij t'huis zijn gekomen +en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje +binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens, +terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes +houdt: „nou kanne de visserjes mooi zien, hè?” + +„Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen +zien.” + +Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt +hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch +gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: „o jou goeje, +ouwe bj...inde Pjins!” dan spreekt het grootste medelijden uit zijn +stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond +gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een +bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw +werpt, „voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben,” en die dan +ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig +verzadigen, dan zegt hij: „dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!” +en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat +'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen. + +Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge +mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen, +waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund. +Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het +alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van +Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker +zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen +zijn, dan antwoordt ons ventje: + +„Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!” + +En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een +hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt +verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder +wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den +laatsten regel zegt: + + „O, 't sjaapie is vedjonke, + Och, 't ajme dier is dood!” + +dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt +o, zoo bedroefd! + +Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan +wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan +staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar +op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn +engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld. + +Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk, +tot die avond kwam—en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde +gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend +onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel—toen Agnes, met een +benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest +gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou +zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was! +Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans +zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze +fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe +ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij, +klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om +het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen +hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien +worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt +te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets, +dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende +overtuiging, dat onze teedere bloem—ach, met hoeveel zorg +gekweekt!—onder de zeis des grooten maaiers vallen zal. + +Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en +af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje +drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek, +vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange +wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die +vermagerde handjes en die langzame bewegingen—o, wat zou ik dan niet +willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach +te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat +baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen +als het beekje, dat zich rept naar de rivier. + +Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden +voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er +hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes +overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij +hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en +brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn +drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer. + +„Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!” + +Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle +aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het +leven bindt. + +Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen +naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij +zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij +zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles +voorbij... + +„Voorbij...!” Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar +beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen, +dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik +met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe +vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder +leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein +heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine +licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat +het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de +witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten. + +Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het +strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed +opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden, +maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten, +sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart +toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren +dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was +schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat +hielden. + +En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is, +als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de +geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt. +Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl +mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het +altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!—————— + +Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn +bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg. +Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van +de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen +op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en +worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar +wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee +des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het +zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de +duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind, +dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend +zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend! + + + + +Het klooster der Witte Vrouwe. + +(Een indruk.) + + +Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen, +voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles +meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan, +bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn +vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen +hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de +zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top +van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en +rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen +hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in +zonneschijn en rust. + +Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was +toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op +deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een +baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind +vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet +veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals +het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen, +die het als wachters omringen. + +En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het +leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen—en velen zijn +het—die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij, +die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe—wier in steen +gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een +nis boven den ingang staat—haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger, +in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van +den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen +des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang +naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door +het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en +misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die +er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij +er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de +wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij +afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde +en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen +Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel +overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen. +Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten +stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich +gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig +heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om +lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te +oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf +weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, +noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin. +Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles +wat de ziel niet behoeft. + +Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan +den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd +voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk +gebed in de kapel. + +Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich +een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen +glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken +van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit +en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte +afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het +getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister +brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op +het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het +crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van +dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen, +en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren +en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen +bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan, +als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek +ruischt. + +Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door +de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het +hoofd—bedekt met een wijd-uitstaande witte kap—eerbiedig gebogen, de +handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, +als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is +bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente +rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het +gemeenschappelijk gebed rijst omhoog. + +Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen, +zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed +gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer +menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden. +Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken +getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de +gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt. + +Immers het leven daarbuiten heet „zorg.” Daar is de zorg voor het heden +en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de +zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En +dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien, +houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking +van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt. +Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des +levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn +als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven, +losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder +emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart, +waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur, +die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of +langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op +den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden +naar deze toevlucht gekomen zijn. + +Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die, +uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht +en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen, +in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk +verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de +bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den +dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid +werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de +wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, +die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden +dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst. + +Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige +gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den +schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins +achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in +innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles +vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren +zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de +herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd. +Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem +en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat? +Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een +naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen +zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner +vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer +ziel bezoedelen. + +Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond, +een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over +haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn +vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten, +wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer +ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk +oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel, +den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat, +waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn +lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd. + +Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere +gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van +het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk +haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar +omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar +zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen +ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had +alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de +overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij +gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten +van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering. +Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen +gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het +hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de +armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het +kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de +pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. +En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar +heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn +moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen, +een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en +bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm, +die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven. +En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen +zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw +bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht +naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in +hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten +des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen +den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen +in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en +hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van +haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe +wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel +kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt, +vluchtende ver buiten zijn bereik. + +En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen +morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, +haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen +van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar +liefde—waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het +roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen? + +Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar +met nadruk had gesproken: „kom tot mij,” en telkens als haar hopeloos +„waarom” onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer +gehoord: „kom tot mij,” met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die +haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan +het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en +vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de +smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert +naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend, +zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was +neergeknield, zeggende: „hier ben ik, Heer!” + +En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar +was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem, +die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die +herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.——— + +Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal, +die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op +haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, +afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is. + +Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd +inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de +duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt, +bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem. + + + + +Haar keuze. + + +.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar +haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en +als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt +pruilend: „hij het ook zoo'n haast!” + +Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij +begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest, +toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. +En „kermis houwe, met Allerheilige trouwe,” zegge ze in 't dorp. + +Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden +om ontevreden te zijn over een ander. „'t Was,” denkt ze—en starende op +de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan—„'t was, toe ie me aankeek en +z'n hand toestak, of iemes me zei: „toe dan, meisie, toe dan!” en 't is +of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur +'t kermis is. En dan...” + +En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van „de Wykamp”, de grootste +hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke +weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even +heeft gedaan. En „boerin van de Wykamp te worde,” denkt Geerte, „da' 's +veul!” + +Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles +wat ze zag. „'t Was haast te veul veur een alleenig mens,” had haar +moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half +genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het +goud van zijn moeder bewaarde. „Doe ze 's in, Geerte,” had hij gezegd, +toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend +bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud +weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd +gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt. + +„Zou 't waar weze, moeder,” had zij peinzend gevraagd, toen zij naar +huis liepen, „zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?” En haar +moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en +afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel +mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en +schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, +dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_ +gezicht niets verborg. + +Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de +blankgeschuurde emmers te halen,—want het is tijd om te melken,—en zij +weet niet wat zij doen zal. „'t Is moeilijk,” meent zij, „moeielijk!”— + +Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van „de +Zonnebloem” gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de +kastelein van „de Roode Leeuw,” er geweest is en gevraagd heeft waarom +hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen +was, en hij zijn stal vol paarden kreeg. + +Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den +laatsten tijd verzuimd heeft te doen. + +„Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,” denkt hij, kwaad +op zich zichzelf. „Zet de wage voor de schuur, Dirk,” roept hij zijn +knecht toe, „en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't +aved weerum.” + +Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is +vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij +niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat +zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet +gebruiken—Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis. + +'t Is ruim een half uur stappen naar „de Roode Leeuw,” en reeds laat in +den namiddag, als hij er aan komt. + +„Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?” vraagt Harmsen, die, met zijn +knecht, in 't zolderluik van den stal staat. + +„Dat he' 'k,” antwoordt Aart opkijkende; „'t was me deur 't heufd +gegaan, heur!” + +„Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?” + +„Of wil ze niet meer van je wete?” vraagt de knecht van Harmsen, met een +knipoogje naar zijn baas. + +„Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!” roept Harmsen uit. „En nou, as +de weerga de zolder vol.” + +En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten +in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie- +viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, +als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan +telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het +luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en +den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer +kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd +in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als +eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen +staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het +zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: „hard werke, da's 't +beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.” En met een vluggen +zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen +geholpen, spant hij zijn paard weer in. + +„'n Mooie zwart,” zegt de kastelein, naar borst en „beenen” van het +fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den +hals kloppende, herhaalt hij: „'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!” + +„'n Beste,” verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen. +„Stil, zwart! ho jong!” + +„Hij 's dartel,” zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te +laten. + +„Hij 's jong, en 't is veurjaar,” antwoordt Aart. „Da-ag!” En de teugels +vierend, rijdt hij het erf af. + +„'k Zal 'm toch 's minder straf voere,” denkt hij, als hij uit het +mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar +den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, „hij wordt te veel +mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!” En met sterke vuist beheerscht hij +het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en +knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over +den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den +langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt. + +En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei: +„veur haar 'n aar.” „'k Mocht lijje,” denkt hij, „dat 't zoo gemakkelijk +ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette +kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet, +maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,—of dat scheelt! +En as 'k sikuur wist,” denkt hij, op het schoft van het tuig starende, +„heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,—alla! 't zou dragelijk weze, +maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r....” + +Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels, +want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en +door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en +als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel +van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert, +slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol.... + +Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de +kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen, +spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende +dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende +neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den +nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig +schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet, +peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den +slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder +oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort +jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het +ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens +opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij +zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar +zij, de handen boven de oogen, hem nastaren. + +„Wie is 't?” + +„Aart.” + +„Aart? Aart van de Zonnebloem?” + +„Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!” + +En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg, +zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht +treffen, of op den wagen kletteren—voort, naar den tol. + +De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het +doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij +het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan +staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan +open is...! + +Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft, +schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit +den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is. + +En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend +geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de +rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken, +door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten, +uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van +de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien. + +„Staat de brug op?” + +„Net gestreken.” + +„Goddank...!” + +Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die +glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier +storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de +gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug +rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het +weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van +ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een +boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het +breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om +van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in +evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog +van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem +ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl +het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend, +neersmakt....... + +Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel, +en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst +gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: „O, Aart! arme, lieve Aart!” + +Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief +gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen +geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te +zeggen; want als hij haar nog kan hooren—en ja, dat zal immers!—dan +zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw +wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer +beter wordt! + +Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en +spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug +af, starende in de verte. + +De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij +aan eenige boeren hoe het gegaan is. + +„Net was de „Culemborg” de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie +kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie +tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is +ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het! +Watte! Effies later viel ie op de ploeg... + +„Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en +toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde....” + +„Dood?” + +„Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was... +slim.” + +En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen, +dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest. + +Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg, +waaraan „de Wykamp” is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus +voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen +tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar +in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later +herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis +zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande, +schreit zij. + +Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt +zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af. + +Nog enkele minuten en zij heeft „de Zonnebloem” bereikt, en over het +erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen +gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning +binnen. + +'t Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de +deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat +zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd +licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen +in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de +borst gebogen, zijn hand in de hare. + +Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij +eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij +zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op, +en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde +en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der +eeuwigheid op.... + +Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen +over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het +strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de +wasbleeke wangen. + +Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even +geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem +in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad—o, +altijd...! + + + + +Blok's Vrouw. + + +„Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?” vraagt Gijsen, een +kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde +portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien +hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt. + +„Ja,” antwoordt Blok, „'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed +van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei +me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. „Blok,” zei ie, „verleje +Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je +trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.”” + +„Da's nog gauw gegaan,” zegt Gijsen, „gauwer as 'k docht.” + +„Dat komt,” antwoordt Blok, „doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an +gelege het late legge. „As ze d'r tege in had gelege,” zeit me avekaat, +„dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen +asem het gegeve, nou gong 't hard.” En 't is maar goed ook!” roept hij +uit, „want zóó.... zoo kon 't niet langer.” + +„Dat hoor 'k,” zegt Gijsen. „Ze mot, zooas deze en gene me wist te +vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn.” + +„O man, slim hoor!” erkent Blok, met een zucht. „In de eerste jare van +ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar +toe ze daarmee begon”—en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan +den mond en licht den pink op—„toe was 't mis.” + +„J—a!” roept Gijsen uit, „as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je +het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze +'m luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an +verslaafd weze as 'n man.” + +„Te minste niet minder,” bevestigt Blok. „En hoe dat 'n vrouw verlaagt!” +roept hij uit, „dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het +gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels +meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies.... +nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht.” + +„Dat geloof 'k graag,” zegt Gijsen, „want as 'k me eige goed herinner, +dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde.” + +„Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon,” stemt Blok toe. „En netjes en +vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” docht 'k, toe 'k met 'r na 't +stadhuis reej!—Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k +Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over +de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze: +dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die +tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te +trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je +ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht, +dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze +_dit_ nou juistement ook niet voorzien.” + +„En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?” +vraagt Gijsen. + +„Nee, heel niet,” antwoordt Blok. „'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n +verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie +kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid +zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank +'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo +weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in +de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis +kwam, gedocht: „maar mens, wat doe je toch raar!” maar dat dat van de +drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da' +'k weer docht: „wat hei je toch?” en dat ze opsting om 't eene of 't +andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze +d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam, +rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,—ik 'r effe onder hande genome, +dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij—dronke! zei +ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe +hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente +bedaarwater bij de aptheker gehaald.—Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En +dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte, +da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. „Nou,” denk +'k, „nou wordt 't mooi. Ik—altijd van huis, en me vrouw met de fles in +d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes +jare was... nou, gaat 't goed!” En die eigenste nacht, dat me vrouw +sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe +de dag kwalijk an de hemel sting, ik—na me moeder. „Toe moeder,” zeg +'k, „doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op.” Niet op me vrouw, meende +'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me +moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar—op de +kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As +d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog. +Zie je,” roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel +opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven +dan omdat de haren hem hinderen, „toe 'k weer op straat sting, en na 't +ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag +kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe +gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord...” + +„Dan voel je,” zegt Gijsen, „dat je 'r ten minste niet heel alleenig +voor staat.” + +„Zoo is 't,” bevestigt Blok. „En van die tijd af was me moeder, as ze +effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet +weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte, +en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis +kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of +ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet +te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in—afijn—beroerd! Me +weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes +an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk +in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook. +Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege +liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En +doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze +af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de +straat op! 'k Heb 't toch wel gehad,” roept Blok uit, met diepe rimpels +tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, „'k heb 't toch wel +gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al +zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end +van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had +'m de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke +of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik—'m +opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache +en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op +me schouwer leit, valt ie in slaap ook. „'k Breng 'm niet na huis,” denk +'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en „as me vrouw me nou +onder de ooge komt,” denk 'k, „dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in +staat ben.” En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook, +want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou +hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De +vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat +Antoon is. „Wel nou,” zeg 'k, „jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak +jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt.” En toe ze d'r achter was +gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't +gaande! „Ja nou,” denk 'k, „speel maar op, maar hier komt ie niet meer +weerom.”” + +„Opspele?” zegt Gijsen,—„ze had d'r eige motte schame, dat was beter +geweest.” + +„D'r schame!” roept Blok uit, „nee hoor, dat kunsie had ze al lang +verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst +maakte ze, dat we moste verhuize.—Dat de bure 't in de gate hadde, +dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe +de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze +de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie, +net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de +Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal +vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en +niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie +iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't +perceel,—dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik—in me vrije tijd 'n +andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de +buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end +loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze +me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond +'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe +we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge. +Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze +nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn +had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat +we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze +kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd +en 't geld na de kroeg. + +„Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat +handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: „'k mot toch 's met 'r prate,” +en 'k zeg: „Bet, Bet,” zeg 'k, „waar gane we toch na toe!” 'k Had 't +kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge, +en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer +gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig +maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit. + +„Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's +gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: „Zie +je,” zeg 'k, „as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers +weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe +gehad. Want zoo as 't nou is,” zeg 'k, „is 't niks; da' 's arremoed voor +ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet +te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad,” zeg 'k, „en ik heb ze +nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme. +En as je wil,” zeg 'k, „dat de kindere later zalle oppasse, dan motte +ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, zei ze, ze +had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat +beloofde ze me. + +„'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half +tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel +om. „Waar ga je nou na toe?” zeg ik. „Na de kerk,” zei ze. 'k Had +'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de +Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was. + +„'t Was me wel wat heel mooi, maar „je kan 't niet wete,” denk 'k. +„'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de +eerste niet weze, die er van teruggekomme is.” En zoo lie' 'k 'r gaan. +'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't +armezakkie, en zij—de deur uit. + +„'k Had die dag—'t was Zondag—maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam +om te ete, zeg 'k tege Jan—da' 's me ouwste—„Jan,” zeg 'k, „waar is je +moeder?” „Moeder,” zeit ie, „moeder is nog niet weerom.” „Niet?” zeg 'k, +en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na +kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze +'t _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld. +Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf; +'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk +gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor +d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge...” + +„N—ou,” roept Gijsen uit, „'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!” + +„J—a,” zegt Blok met een zucht, „'t was erg...! Wat er die dag bij 'r +is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En +woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da' +'s nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen +eens.” + +„N—ou,” zegt Gijsen, „maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!” + +„As je mijn vóór me trouwe had gezeid,” antwoordt Blok, „dat _ik_ die +dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me +heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel, +da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete, +dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt. +'t Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond +ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo +weg.” + +„Dat laat 'm wel hoore,” erkent Gijsen, „maar je mot 't maar drage; en +as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar.” + +„Of 't zwaar wordt!” roept Blok uit. „Geloof mijn maar, dat er heel wat +wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me +eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k +niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n +goed klantje van de tapper heet „verdriet.” Maar 'k zag an me vrouw wat +er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as +'k 'r in die toestand zag: „zóó ziene de kindere me noot!”—En onderwijl +gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis, +en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest. +'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende +toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter +over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien. +'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de +dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me +moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw +ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die +omstandighede noodig het,—die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges +met looje schoene na 't ketoor. Want kindere,” roept Blok uit,—„as ze +motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil +je ze niet weer kwijt.” + +„Zoo is 't,” stemt Gijsen toe. „Toe wij in 't begin van ons trouwe geen +kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: „mens,” zeg +'k, „wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het.” Maar toe we 'r +eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan, +'t in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor +'m te zorrege, toe zeg 'k: „'t is heel vrindelijk angepreseteerd, +daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins +om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as +afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in.”—En me vrouw +had me wel om me hals wille valle, geloof 'k.” + +„Ja,” zegt Blok, „'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou _ik_ +me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie +koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter, +dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting +ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon +doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen +van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove. +'t Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan +om ze werk, hè? + +„'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was +overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag, +da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,—ik effe me +woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte +kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en +hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had, +en ik—na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want +voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje +an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze +met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster +vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me +ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet +bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was. +„Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of 'k dat goedvin?” zeg 'k, „ja hoor, +ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan.” +„Ja, ja,” zei ze, „dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter +gaan.” „Dat denk 'k ook,” zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al +gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge +door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't +beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al +was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou +doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne +was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze +stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. „En de goeje mense,” zei +ze—„je hoort ze niet.” Zie je,” roept Blok uit, „'k kreeg toe 'n gevoel +asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw +al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of +de kleine draait, maar de groote staat stil...” + +„Nee,” zegt Gijsen, „daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r +plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de +andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze....” + +„Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze,” verklaart Blok. „'t +Zal dan bij mijn an huis ook weer gaan,” docht 'k;—„wel niet zoo heel +precies, maar toch 'n boel beter;” en, zoo voelde 'k me wel honderd pond +lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me jas an te trekke. 'k Doe +de deur ope, en daar staat, bij de stoel daar 'k me spulle op gelege +had, me vrouw, en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe +achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt ze aldoor +achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug tege de muur sting. „Ben je +nou bang voor me?” denk 'k, „waar is dat voor? want me hande na je +uitgestoke he' 'k nog noot.” Maar 'k zag, dat ze gedronke had, en zoo +gaf 'k er niet om, hè? Maar net, da' 'k me tas en me geldzak zal opneme, +gaat 't me door me hoofd, dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan, +en misschien al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest. +„Verd...!” denk 'k, „ze is zoo van me geschrokke, ze zal toch niet...” +En voor 'k recht wist wa' 'k deej, draaide 'k de deur of, dat ze niet +kon wegloope, en ik—me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee +bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke, d'r hoofd +voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd ope.—De specie was er: +zooveel an rijksdaalders, zooveel an guldes, zooveel an klein geld... +dat kwam uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van honderd +gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker. 'k Had er drie ontvange, +hier een en daar een, maar da' 'k er drie most verantwoorde,—daar ging +niks van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde gebeefd, hè? +maar 't was weg en 't bleef weg, en me vrouw most 't hebbe. „Bet,” zeg +'k, en 'k gong na 'r toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r +achter sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... „Bet,” zeg 'k. „geef +me dat briefie weerom.” Maar me vrouw keek me an, aldoor strak an, maar +ze gaf geen asem. „As 'k an 't ketoor kom,” zeg 'k, „en 'k heb geld +tekort, dan jage ze me weg; en waar motte we dan na toe?” Maar wat +scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r hoofd, maar ze hieuw d'r mond. +„Maar mens,” zeg 'k, „hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?” +En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou gaan opspele. +„Stil,” zeg 'k, „in Gods naam, wees stil! Je weet ommers, dat Jan ziek +is? Welnou, nou slaapt ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou +doorslaapt. Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook jouw jonge. Jij +het 'm onder 't hart gedrage, en je weet ommers nog wel hoe blij dat je +was, toe ie komme most?” En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke +trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van honderd gulde, dat ze me +over gaf.—————— + +„Dat dat gebeurde,” zegt Blok, zijn pet naar achteren duwende en met +de vlakke hand een paar malen over het voorhoofd strijkende, „dat dat +gebeurde, is nou alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he' +'k 'r nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat ze zit,—ik +weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis leit in 'n slaapstee in de +St. Jacobsdwarsstraat, en de ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met +negosie, in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt, of +wat er verders met 'r gebeure zal,—van mijn is 't of. _Ik_ heb geduld +genoeg met 'r gehad, en 'n best leve had ze kanne hebben, maar ze het +niet gewild.” + +„En dan zit er ook al niet veel anders op,” zegt Gijsen, „as dat ze +daarvan dan ook de gevolge mot ondervinde.” + +„Ja,” stemt Blok toe, „dat kan al niet anders. Maar as je me nou vraagt +of 'k daar heel geen weet van heb,—dat niet.—D'r is 'n tijd geweest, +da' 'k veel van 'r gehouwe heb, hè? En de moeder van me kindere,—dat +blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben, en dat zou 'k +niet anders wille, maar as 'k 't goed bekijk, dan he' 'k toch meer +mejelijje met 'r as wat anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had, +dat ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat kamertje +had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat voelde, hè?—En daar benne we +alweer an 't ketoor. Jij gaat zeker voor in?” + +„Ja,” antwoordt Gijsen, „ik mot brieve anteekene.” + +„En ik,” zegt Blok, „ga hier bezijje of. Dag, hoor.” + + + + +Geen „Verrajer”. + + +In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks den tijd waarop de +werklieden naar karwei gaan en de melkboeren met hun wagens de stad +inrijden, komen twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien +of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten +en meer vodden dan kleeren aan het lijf, de Korte Amstelstraat uit +en loopen, linksom gaande, langs den Amstel in de richting naar de +Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar niet zwaar is en +kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk bewegende, met een loerenden blik +om zich heen. De jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen +beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de Hoogesluis +verwijderd, de jongste plotseling blijft staan en uitroept: + +„Verdikke Koo, twee leenmichels!”[1] + +[Footnote 1: Rechercheurs.] + +„Dat lieg ie. Waar?” vraagt de oudste. + +„Op de Hoogesluis,” antwoordt de jongste, en kijkt met groote oogen +naar twee personen, loopende in de richting naar het Weesperplein. + +„Niet bunsig[2] worre, Pietje,” waarschuwt Koo. „Ga wat meer voor me +loope, dat ze 't zakkie niet zien. Kijke ze?” + +[Footnote 2: Bang.] + +„Nee.” + +„Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?” + +„Omdat ze laast bij ons ware,” antwoordt Pietje, „en de langste, die kan +'k toch al,—da' 's van Dam.” + +„'t _Benne_ leenmichels,” bevestigt Kootje, als hij, even om den jongste +heen ziende, de beide personen in het oog heeft gekregen, wier +verschijning het ventje, dat heden voor het eerst met hem „gewerkt” +heeft, zoo grooten schrik op het lijf jaagt. + +„Domme, nou kijke ze!” roept Pietje uit. En in een ommezien trekt hij +zijn klompen uit, neemt die in de linkerhand, en rent weg, al loopende +zijn broek, die veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand +ophoudende. + +„Bunsigert!” roept Koo hem achterna, den zak op een stoep smijtende, +„beroerde spatzetter! As ze me snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!” + +Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling wegloopen van Pietje +den argwaan der rechercheurs zal hebben opgewekt, staat hij in beraad +den zak in den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot zijn +verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in plaats van den Amstel +op te gaan, zooals hij verwachtte, schijnbaar zonder kwaad vermoeden +doorloopen, de Sarphatistraat in. + +Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt voort, mompelend dat +hij „vertikt” zal zijn, als hij ooit weer iets doet met „zukke snotneuze +van jonges, die geen lef[3] hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n +loer zouwe draaije.” Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt hij voorzichtig +om het hoekhuis heen, maar niets van de rechercheurs bespeurende, +vermoedt hij, dat zij een zijstraat of een woning zijn ingegaan, en +vervolgt hij zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende, om +niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het West-Einde, loopt die +straat door, en juist als hij rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op +zijn schouder en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide +rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft. + +[Footnote 3: Moed.] + +„Dat dacht je niet, hè Kootje, da' 'k zoo in eene uit de lucht zou komme +valle?” vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing +waarmede de jongen hem aanziet. „Maar zie je, maatje, dat komt omdat je +niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis +keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. „Nou +jij dat aardige, kleine jongetje achterna,” zeg 'k tege me kameraad, „en +ik Kootje opgepikt.” En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer, +die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, hè? +En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie +je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan +doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou +'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al hà' je +mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan +prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.—Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's +met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep +stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, hè? Alla, neem +'t zakkie dan maar op.” + +„Draag 't zellevers,” antwoordt Kootje, nijdig. + +„Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege +morge, tege 'n goed vrind van je.” + +„Stik!” roept Kootje uit. + +„'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus,” vraagt van +Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt. + +„Och malle!” roept het meisje uit, „laat mijn maar loope. 'k Zal 't an +je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat.” + +„Jij doe maar,” antwoordt de rechercheur, „dan zal 'k 'r zegge, da' 'k +je voor me schoonmoeder hieuw.—Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage? +Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k +zou me eige wel kanne begrijpe, dat je „adie” zegge en 'm smere zou, as +'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.—Koman dan +maar!” En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien +hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van +Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan. + +„Nou,” zegt van Dam, zorg dragende zóó te gaan staan, dat Kootje niet +kan wegloope, „late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies? +Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente. +Jonges Kootje”—en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig +van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak—„je bent van +morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed +besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de +uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie +niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je +gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij +je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?” + +„Wie?” herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den +rechercheur, die durft te denken, dat hij zal „klappe”—„wie? Kees +Gappe, hè!” + +„Ja!” roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd +is, „was die 't? Da' 's nog famielje van je, hè? Maar dat nou 's daar +gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat hè' 'k; 'n +heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil +je wete wat 't is?” vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van +den jongen leggende. + +Maar Kootje, nijdig omdat hij „zuur” is, trekt wrevelig zijn schouder +terug en zwijgt. + +„Hoor 's jongetje,” zegt van Dam, nu in vollen ernst, „nou he' 'k je +maar één ding te zegge: òf je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb +en asem geve as 'k je wat vraag, òf, as je dat niet van zins bent, dan +blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die +neme je mee, dà' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent +dus gewaarschouwd, Kootje!” roept de rechercheur uit, den jongen met +zijn signaalfluit dreigende. „Nou nog 's”—en al sprekende, brengt hij +bedoeld instrument langzaam naar den mond—„wil je nou hoore, of mot 'k +muziek make?” + +„Wat mot 'k dan,” vraagt Kootje nurks. + +„Zie je wel, daar draai je al bij!” zegt van Dam, „en da' 's dan ook +verstandig van je.—Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt +'t.—Die pijpies”—en van Dam kijkt den jongen scherp aan—„wou je zeker +bij Krido brenge, hè? Want je ging die kant uit!” voegt hij er, met +eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.—Kootje denkt +even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van +den rechercheur. + +„Zie je wel, dat dacht 'k wel!” verzekert van Dam. „Nou zeg 'k altijd, +Kootje,” vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, „dat 't de ergste niet +altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of +daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je +'r gemeenlijk bij, dat spreekt, hè!—maar opkoopers, as Krido, as +Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door +al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r +niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel +cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as +'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet +zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam—dat zou heelemaal niet +mal weze.—Nou mot je wete, jongie”—en de rechercheur gaat met één been +op de stoepleuning zitten—„dat me kameraas, 'n maand of zes geleje, +Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd +van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of +_ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.—Wat +zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat +„oome maffie,” zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou”—en de +rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak—„voor 'n jaar of +wat zakkies most plakke.—Moppig, hè?” + +'t Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw +glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen, +maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij +antwoordt: „ja, dat zal je ook glad zitte...!” + +„Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate,” +zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. „Kijk nou 's! As jij nou +'s”—en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der +rechterhand op en neer—„die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido +bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,—dan zou +ie 't toch koope, denk 'k?” + +„Ja, daar zal ie ook wat om male!” roept Kootje uit. + +„Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete +het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele, +hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel +op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed +verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve +hebbe. Dus,” zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende, +„alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n +handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat +je—versta me nou goed—nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt +benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank +getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me +dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor +dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,—je +weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin.” + +„En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?” vraagt Kootje, +den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, „want die pijpies +heb _ik_ niet gegapt, hoor!” + +„Och kom!” roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach +aanziende. + +„Wel neen 'k!” zegt Kootje, verontwaardigd. „Je het ommers die andere +jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't +voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam, +de cente of te drage.” + +„Och kom,” herhaalt de rechercheur. + +„Wel ja,” grauwt Kootje, „da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat +zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga +zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's +late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur hè?” + +„Ei..!” en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, „da's heelemaal niet +mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje; +maar”—en de rechercheur denkt een oogenblik na—„'k beloof je, da' 'k +je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat,” beweert hij, een +bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals +strijkende, „as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben +'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!” roept +hij uit. „Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?” + +Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop +gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het +handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap +evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de +rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de +politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als „de mottige” +bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu, +dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit +zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar +hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam +hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht, +begeven zij zich met hun driëen op weg, om den niets vermoedenden +opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen +afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de +zaak haar beslag heeft gekregen. + +„'k Heb 'n lief kansie,” denkt de rechercheur, „'n heel lief kansie, en +as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste +daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't +Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vóór +het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te +make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb +gezet, nou is 't je geraje, maatje,”—en de rechercheur kijkt met een +dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den +mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt—„nou is 't je geraje, +dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je +in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!” + +Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido +gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten, +gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en +'t is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis, +een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en +ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper, +lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen, +van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken +de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen, +ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van +de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van +dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot +Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: „daar, weeg maar +op.” + +De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl +Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule +staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: „is dat awwes? 'n +enke' stukhie zinkhe pijp!” + +„Alles!” roept Kootje uit, „ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n +verhuiswage met goed achteran komme, hè...!” + +„'k Zà 'm zien komhe,” antwoordt Krido en, met een blik naar den +mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht, +bij: „'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook.” + +Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt +Kootje, Krido brutaal aanziende: „as je maar niet in de gate het, dat 't +gegapt is, hè?” + +„Gaphe!” herhaalt Krido, verontwaardigd. „Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe +zou gestowe goed koophe...!” + +Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den +mottige. + +„As 'k ooit ies heef gekoch,” vervolgt de opkooper, „dat achte-af gezien +geen zuive-è koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in +de hande' niet voo-komhe, dà' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe +is? Mà as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-è, heef 'k +dan niet a-tijd gezeid: „gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij +Kgido, da' mo' je niet weze?”” + +„Dan koop dit ook niet,” raadt Kootje hem aan, „want die pijpies binne +gegapt, hoor!” + +„As dat waagh is,” zegt Krido rustig, „ove' wat zou jij dat dan zeghe?” + +„Dat vraag die leenmichel, die buite staat,” antwoordt Kootje. + +Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende, +dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op. + +„Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!” roept Kootje uit, „en as je me +niet gelooft—'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!” + +De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar +hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in +de oogen ziende, vraagt hij: „voo' wat zou die buite sthaan?” + +„Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies +koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne,” antwoordt Kootje. + +Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur, +draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de +stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet, +vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: „wie sthaat è +buite; hoe hiet ie?” + +„Wie!” herhaalt Kootje, „van Dam, hè! die van morrege, toe 'k die +pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het +angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...! +Ik zuur, hè! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k +de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om +jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. „Da' 's moppig,” zei +ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel +moppiger, hè!” + +„Zoo'n vervloekte judas,” zegt de knecht van Krido binnensmonds. + +„'n Hond!” roept de opkooper uit. „Heef 'k niet à-tijd de resersie in de +hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage, +of 'k ditte of datte had gekoch: „kijk mà' na, en zoek mà' uit!” En +asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet à-tijd gezeid van wie 'k had +gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen? +Ha' 'k niet kanne zeghe: „ikhe weet van niks, en me goed—dà kom je +niet an?” En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n +stukhie zinkhe pijp! Mà' 'k zà ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe, +en ze zà-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam”—en +Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de +jongen terstond met den mottige deelt—voegt hij er bij: „en zeg 'm ook +dat 't 'm zà heuge, dat ie Kgido heef gezoch.” En dan, naar de voordeur +gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden: +„zoo'n hond!”——— + +„Wel donders!” denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje +met den gevulden zak ziet terug komen, „'t is mis! Hoe duivel is dat +mogelijk?” + +„Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?—Loop maar 'n endje mee; hier, de +dwarsstraat in.—Nou, wat zei ie?” + +„Da' 'k 't maar weer mee most neme,” antwoordt Kootje, „toe 'k zei, dat +'t gegapt was.” + +„Wel verbazend!” roept van Dam uit. + +„Kan ik 't hellepe?” vraagt Kootje. + +„Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!—Wel, wel! Wou ie er niks +mee te make hebbe, mottige.—Zei ie dat?” + +„Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig,” antwoordt de +mottige, „maar bij hem—daar ware we niet te recht.” + +„'t Is sikuur 'n mirakel!” roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de +zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den +andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe +tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen +verbergen. + +„'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe,” +verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: „waarom zou +ie 't niet gedaan hebbe, denk je?” + +„Weet ik 't?” antwoordt de jongen. + +„Hoort eris, maatje,” zegt de rechercheur, „je bent machtig kort van +asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido +was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve +doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k +dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier.” + +„En krijg 'k nou geen koekie?” vraagt Kootje, den zak latende vallen en +den rechercheur brutaal aanziende. + +„Nee,” antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, „'n +koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar +'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet, +jongie”—en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den +wijsvinger op den schouder—„as je wijs doet, dan maak je, dat je +vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!” En den zak +opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. „'t Is zoo klaar as +de dag,” denkt hij, „Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie, +dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_ +moppiger gevonde—zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe +te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.—Maar 'n mens mot +leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val +te lokke—nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!” + + + + +De aanspreker. + + +„Nog 'n hallefie, Pieterse,” zegt van Soelen—een dikke aanspreker, die +de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood, +gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen—„nog 'n hallefie,” en +dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een: +„meneer asjeblieft,” welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in +plaats van: „asjeblieft meneer” te zeggen, het glas opneemt en het, +enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld—want om de concurrentie +met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat—voor +zijn gast op tafel zet. + +„As 't zuk nat weer is as nou,” zegt van Soelen, het glas tegen het +licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den +mond brengt, „as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da' +'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in +ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en: + + „as 'n boom, in de herfst, ze blare, + verliest 'n mens met de jare ze hare;” + +las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k +buitedien ook al,” verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van +zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een +kommetje. + +„Ze magge zegge wat ze wille!” roept hij uit, een zakje met vijf sigaren +uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende—„de jenever is dit +en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't +zooveel as de volkskanker was—ook al, en dat je mirakel wijs deej as +je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...! +_Ik_ zeg maar: „'n iegelijk mot wete, wat 'm past.” Ik drink ze al lang, +dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar—van de gezondheid +gesproke—hoe maakt 't je dochter?” + +„Och!” antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te +kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, „dat blijft +aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n +Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar +voor d'r eige heen te zitte suffe—daar krijg je op 't laast de duvel +over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze +heelemaal van de kook.—En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou +eigelijk het. 't Is zóó met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient +zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make, +dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief +in zit—ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't +wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. „'t Is +niettes,” zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's +over de vloer komt, „ze is slap. Geloof me nou toch 's,” zeit ze, „'t is +niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn.” Maar de zuster +van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't +kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze +zoo bleek ziet en zoo papperig is.” + +„Je mot 'r 's late onderzoeke,” geeft van Soelen in bedenking. + +„Ook al gebeurd,” antwoordt Pietersen; „de dokter is 'r bij geweest, en +'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die +konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou, +daar ha' 'k nou ook wat an! „Spatare,” zeg 'k, „die zalle d'r niet na +d'r hoofd vliege.” En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an +en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar +verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en +dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan +mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd +iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.—Ja, toe maar! 't +Is gauw gezeid, hè? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij +de heele dag me hande vol, en me vrouw—met 'r huishouwe en d'r zes +andere kindere—kan 'r tijd ook wel an.” + +„Ja,” zegt van Soelen, „verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne +ze nog beter, maar 'n kwaal kereere—da's nog wel effe wat anders.—En +daar hei je de cyperse ook,” roept hij uit, als de deur opengaat en een +van zijn confraters binnen komt, „ik docht al: waar blijft ie. Gaat +zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte.” + +De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder +de aansprekers als „de cyperse” bekend staat, zet zijn parapluie in een +hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn +wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover +van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat +het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog +terugloopt. + +„'t Zal mijn 'n zorg weze,” verklaart van Soelen. „As we dit karreweitje +van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't +niet opklaart, dan blijf ik d'r in.” + +„'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik,” zegt Hinsen, met een zucht, +„kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans +dood is.” + +„Die van de Keizersgracht?” vraagt van Soelen, „da' 's 'n toggie na +Muijerberg, hè?” + +„Na Muijerberg!” roept Hinsen uit—„en ze hebbe me gezeid, dat ie op +Zorgvliet....” + +„Gelijk hei je,” stemt van Soelen toe, „'t is Zorgvliet, maar 't is ook +al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van +'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe.” + +„Ja,” zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende +en zitten gaande, „dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare +geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de +eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer +as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo, +hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat +veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.—Neem jij je eige nou maar 's, +van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had +overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en +as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n +boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor.” + +„Of dat beter stong!” roept van Soelen, in zijn zwak getast, uit; „wel +man, dat scheelt ommers dag en nacht! Wat zeit me vrouw laast, toe ze +met de schoonmaak me ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek +voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de mot in zat: +„dikke,” zeit ze, „'t is toch zonde van je kuite, hè? Vroeger ha' je 'r +nog wat an, as je voor de stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe +of je 'n paar goeje beene het? Nee,” zeit ze, „as je mijn nou vraagt, +dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in je ouwe goed.” En gelijk +het ze. As je ouwers er voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de +wereld was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je, 't sting +degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je maakte, dat je kouse en +je korte broek glad over je beene zatte; as je schoene met de zillevere +gespies—daar 'k nou brossies voor me vrouw en me dochter van heb late +make, omdat ze mijn toch niet meer te pas komme—glomme as 'n spiegel; +as je jas, van vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in +de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde, dat je boord, +je hallefehempie en je beffie helder wit gestreke ware, en je zette je +driekante steek met de lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan +mochte ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je elleboge +buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan voelde je zellevers ook wel, +da' je 'r weze mocht.—Nou drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n +lange broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige wat we vroeger +droege, dan is 't mijn goed, maar _ik_ kan er 't moois niet in zien.” + +„En ik niet,” zegt Pietersen. „'t Mocht ouwerwes weze: 'n steek en 'n +korte broek, maar 't sting goed, hoor! en 't hoorde er hij.” + +„Dat deej 't,” stemt van Soelen toe. + +„'k Zei laast nog tege me vrouw,” zegt Pietersen, „toe hier 'n +begraffenis voorbij gong en we nog weer 's ophaalde hoe die er vroeger +uitzag: „nee,” zeg ik, „ze magge prate wat ze wille, maar as _dat_ nou +'n lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel veel stasie +meer an is.”” + +„Wat zou 't!” roept van Soelen uit. „As 'n vroegere begraffenis 'm +over de strate bewoog, dan zag je ies daar je eerbied voor kreeg as +'t voorbijgong, hè? en 't zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied +was as 't nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die hebbe +gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel, van bove tot +beneje, met dikke kwaste en franje, hier en daar effetjes met koorde +opgenome,—sting dat niet goed? en sting dat niet beter as 't ope +kassie, dat ze 'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de pêrde +over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke honge, sting dat +ook niet beter as 't smalle lappie lake, dat nou, an weerskante van 't +schoffie, na beneje hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die +vroeger in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links van de wage +liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse, d'r achter late loope, +want nou leutere ze en lache ze, dat 't 'n schandaal is voor de mense, +die er voorbij loope. 'k Bin zóó niet,” roept van Soelen uit—van wege +zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over het andere +slaande—„'k bin zóó niet, da' 'k ieuwers 'n hekel an heb alleenig +maar omdat 't nieuw is, en 'k zal niet zegge, dat 't nou niet beter +is as vroeger, dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug +komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke en met d'r +beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar genome, 'n tegeswoordige +begraffenis er bij gewonne het bij 't genige dat ie vroeger is +geweest—nee, hoor! dat maakt niemand me wijs.—En 't beroerste is—alla +Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie...” + +„Koman,” zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd, „geef mijn +dat ook maar 's.” + +„'t Beroerste is,” herhaalt van Soelen, „dat je er vroeger 'n goed stuk +brood mee verdiende en dat je 't nou voor 'n schijntje mot doen. _Ik_ +heb begraffenisse gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende, +behalve je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om! As je +vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan was je binne, hoor! +en kon je d'r van renteniere, net zoo goed as 'n makelaar van de +spekelasie, maar lap 'm dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand, +die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met je tiene, zal 'k +maar zegge, daar je nou met je honderde voor staat. Want nou draagt +alles. Of je bakker, of krante-ombrenger, of kruijeniersknecht +bent—zoodra 'r wat te drage valt—pak an maar—'t is alweer mee genome, +en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar in vroeger jare zat 't in +vaste hande; je was er koster, of barbier, of tafelknecht bij, en je +bediende in Artis, Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost +kwam—dat vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie tafeldiende, +geen kouwe soupee's meer annam. „'k Wil nog wel 's diene,” zei ie, +„maar dan luuks; as 't de moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om +'t hallefie.”—Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon, die voor dominé +leert en, met ze vrouw en ze kindere, leeft ie royaal van de huur.” + +„En zoo kan 'k er wel meer,” verklaart Pietersen, de weer gevulde +glaasjes op tafel zettende. „Daar hei je Tielemans van hierover, +Grondert uit de Westerstraat, bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan +nou weer in Weesp woont, waar ie vandaan komt—allemaal ouwe ansprekers, +die van d'r cente leve, en goed ook.” + +„Maar nou nog 's wat,” zegt Hinsen, „hoe komt 't toch, dat van Vliet, +van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed schijnt bij te kanne? 'n Poosie +geleje sta 'k met Smulders te prate, en die wist me te vertelle, dat ie +passies 'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is dat doojefons +zoo goed, daar ie bode bij is?” + +„Wat 'n wonder!” roept van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog maar zoo +kort bij bent, maar anders zou je wete, dat „Zorg voor de Toekomst”, +daar hij dan bode bij is, almee tot de grooste hier in de stad hoort. En +as je _dat_ het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde +bij verassereerd binne—ja nou, dan is er nog wel wat te verdiene, want +alle weke komt ie de dubbeltjes ophale, en zoo komt ie bij de mense an +huis, hè?” + +„Waardoor ie,” zegt Hinsen, „nog 's eer as 'n ander weet wanneer er +iemand begrave mot worre.—Verdikke, ja!” roept hij uit, „dat mot je +niet uitvlakke.” + +„Om de weerga niet!” bevestigt van Soelen. „As ie merkt, dat er een +ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk op de begraffenis, en zoodra dat ie +hoort, dat ie dood is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons. +„Asjeblieft juffrouw,” zeit ie dan met 'n mooi praatje, „daar was 'k al +met de duite. U most vijf en negetig gulde uit 't doojefons trekke, as +uws man kwam te valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar +legge ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, één van vijf en twintig en +twee rijksdaalders,—hier is uws geld. En as je nou wil, dat je je eige +met niks het te bemoeie, en dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal +hebbe, zooas ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en +dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet eens te koste, +want, as ik 't zal doen, dan houw je nog over, let maar op.—Hoeveel +jonges het u? Drie, zeit u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's één +koes. En hoeveel mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd +motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier van uws mans kant, +zeit u? Heel goed—da' 's acht, da' 's dus nog twee—da' 's drie koesse. +Drie volgkoesse, met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de +stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,—da' 's zóóveel. En hoeveel +dragers motte d'r weze? Zalle we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's +heel netjes en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi zoo. +Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist natuurlijk, van echt +greine hout, met uws mans naam, en de dag en 't jaar van ze geboorte en +sterreve d'r op in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal +'k 's zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook niet? Bestig. +'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies, dat komt, met de dragers +mee, op zooveel. Dan hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi +graffie onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat zal wel, en +de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat maakt, alles met mekaar, +as ik d'r ook nog 'n paar cente an verdiene zal, en dat mag wel, +tachetig gulde.—Kijk u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan wil 'k +voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan is ook alles en alles d'r +onder begrepe, behalleve natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag +van de begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan maar zoo +afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u vijftien gulde,—daar legge +ze,—ziet u wel? en dan neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor +alles. En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor.” + +„An die tachetig gulde,” zegt van Soelen—zijn sigaar, die onder het +verhaal uit is gegaan, weer aanstekende—„verdient ie er dertig; en dat +ie drie van die begraffenisse achter de rug het, as je 'm om de klok van +ellefe tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons.” + +„Drie?” vraagt de cyperse. „Hoe kan ie voor ellefe drie keer begrave?” + +„Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet weet!” roept van Soelen +uit. „Hei je dan nog nooit 's gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie +an de gang binne?” + +„Wat zeg je nou?” vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,—„poest ie +'m?” + +„Wel ja, mens, hij poest 'm.—Dat je dat nou toch nooit 's gezien het, +en je het toch ook al 's met 'm begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo +haalt ie de drie begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.—Late we nou maar +'s zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien en om tien uur; +dan maakt ie, dat de eerste percies op tijd begint. Klokslag negene +rijje ze weg, en dan zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage +loopt. Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie 'm het +angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet in ze kraam te pas komt, +want as ze nou 'n endje gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de +gracht de straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat 'n +sigarewinkeltje of ieuwers anders in—wat ze uit de volgkoesse niet zien +kanne, omdat eerst al de dragers komme, voordat de eerste koes de hoek +om slaat—en dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram, +na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net eender; en zoo kan +ie om tien uur voor de derde keer antreje, en het ie d'r al twee achter +de rug.” + +„Verdikke,” roept Hinsen uit, „die is gogem!” + +„Glad genoeg,” verklaart van Soelen. „En as 't ongeluk wil, dat deze +of gene van de famielje, door de eene of andere omstandigheid, d'r +achter is gekomme, dat ie d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje +natuurlijk klaar. „Ziet u juffrouw,” zeit ie, „as ik 'n begraffenis heb +angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk weze. Eerst zorreg ik +d'r voor, dat de stasie an de gang is, en as ze onder weg binne, dan' +kan 'k wel 'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de korste weg +na 't kerkhof, om te kijke of daar alles klaar is as uws man komt. Het +uws neef me daar niet gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot +'k toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de touwe en de +dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet, zeit u, toe ze effetief an +'t begrave gonge? Ja, dan ben 'k toe zeker alweer an de wachtkamer +geweest, om te kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws +famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan ik me gang, ziet u, +want ik heb meer te doen.” + +„Zoo doet ie net wat ie wil!” roept van Soelen uit, „en verdient ie dik +cente. + +„Maar—van geld gesproke—nou mo' 'k je toch 's wat vrage. We hebbe 'n +afspraakie, hè, dat as ik 'n begraffenis heb, dan draag jij mee, en hei +jij er een, dan ik. Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn +gedrage, maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks meer +gehad, hoop 'k?” + +„Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de hak wou neme?” vraagt +Hinsen verontwaardigd. + +„Nou,” antwoordt van Soelen, „dat zou de eerste keer niet weze, dat me +dat overkwam. Maar alla, je bint er nog maar kort bij, en we zalle dan +maar hope, dat 't jou ook nog 's voor de wind zal gaan.” + +„'k Help 't je wensche,” zegt Hinsen, door een zucht te kennen gevende, +dat de wind in dat geval uit een tegenovergestelden hoek zal moeten +waaien. „'k Heb dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman, da' +'s de heilige waarheid,” verzekert hij, „en daar ben je bij geweest. +Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht, dan hè' 'k er weer een; en da' 's +'n goeje.” + +„En wie is dat?” vraagt van Soelen. + +„Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat,” antwoordt Hinsen; „'t +mens is zes en tachetig, en...” + +„Nou, da' 's nou ook wat!” roept van Soelen uit, Hinsen met een leuk +gezicht aanziende. + +„Nou ook wat?” herhaalt Hinsen verbaasd, „wat meen je daarmee?” + +„Och man,” zegt van Soelen met een korten lach, „zoo kan je me de +begraffenis van me eige vader wel belove, hè! Wel ja,” roept hij uit, in +antwoord op een vragenden blik van zijn confrater, „Juffrouw Willemse +da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal 'k maar zegge! 't +Mens woont zeker al vijftig jaar bove me ouwers, en aldoor omgang met +d'r gehouwe, hoor. 'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n +aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme, omdat ze van d'r +eige geen kindere had, en dan was 't aldoor: „och, wat 'n aardig +joggie!” en: „och, wat 'n lief bellefleurtje!” en al die viere en vijfe +meer. Van me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij over de +hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze begon te krukke, het ze me +gezeid, dat, as 't ongeluk wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r +begraffenis most zorrege en niemand anders.” + +„Maar van mijn is 't famielje!” roept Hinsen uit, die door de +mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen tusschen de van +Soelens en de Willemsens bijzonder onaangenaam is verrast. „Mijns vrouws +moeders moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak +gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan voor 'n +vreemd.” + +„Ja, daar zal ze wat om male!” zegt van Soelen. „'k Zal niet zegge, as +je d'r zoon of d'r broer nog was, maar as je verder in de parmetasie +komt, en dan nog wel van je vrouws kant—dat het niks meer te beduije, +hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en as zoo'n oud mens +dat het gedaan, dan verandert ze 't ook niet meer. 'n Draagplaas man, +da' 's alles wat ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee +motte weze.” + +„Maar daar bin 'k _niet_ tevrede mee,” verklaart Hinsen; „as d'r +famielje sta 'k er 't naaste toe; en da' 'k met al me kindere 'n +voordeeltje best gebruike kan—dat zou toch wel wat heel erg weze, as +ze dat over 't hoofd zou zien.” + +„Afijn, we zalle zien!” roept van Soelen uit, „'t mens is nog niet dood +en we kanne d'r nog wel eerder onder legge as zij. 't Zou de eerste keer +niet weze, dat iemand gezond na bed ging....” + +„En dood opsting,” zegt Pietersen met een lakoniek gezicht. + +„Nou,” roept van Soelen uit, „nou mot hij ook nog 's wat zegge, +hè!—Spot niet, Pieterse, 'n mens kan nooit 's wete wat 'm nog bove ze +hoofd hangt.—Maar 't wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te +doen en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r zake en wille op +z'n tijd gehollepe weze.—Zalle we dan gaan? Koman dan maar.—Hei, daar +hei je mijn hoed! Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van +mijn is, daar blijf je of.” En dit zeggende, neemt hij zijn hoed uit +de hand van Hinsen, die, nog geheel onder den indruk der pasgehoorde +Jobstijding, het hoofddeksel van zijn confrater gegrepen heeft. „Dag +Pieterse,” zegt van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie +opnemende, „tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn; dan benne we +allebei gehollepe.” + +„'k Mag 't lijje,” antwoordt de kastelein, de beide ledige glaasjes van +de tafel nemende. „Dat je hier komt om 'n borrel te hale, da' 's me +lief; maar dat je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog 'n +hekel an.” + + + + +Derde Klasse. + + +„Nà, geef je vade' 'n zoen,” zegt Mozes, met één voet op de treeplank +van den waggon staande, tot zijn zoontje, dat, op den arm der moeder +zittende, „vade'” naar den trein heeft gebracht. + +„Pas op toch, pas op ze mussie!” roept de vrouw van Mozes uit, nog juist +bijtijds het hoofddeksel grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing, +het kind van het hoofd glijdt. + +„O—ch,” zegt Mozes—en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt, +doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,—„wat zou 't! wat zou +ze mussie, is 't bweekba-è waag?” + +Dan geeft hij zijn zoon een „zabbe-zoen” en stapt in, het portier achter +zich sluitende. „Zeg an Fwank,” roept hij, met het bovenlijf uit den +waggon hangende, zijn vrouw toe, „da' 'k de puwwe zà khoope, asse ze +gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de +dokte' mot hebbe.” Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op +gedempten toon: „g'dag zame!” + +Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de +hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den +mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes, +met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen +oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal +zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het +armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet +minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in +het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en +bouw. + +In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig—want het +is nog heel warm—niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren, +met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche +pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes +van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het +rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en +de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens +diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs +mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even +talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos +verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind +van hem af, een stukadoor, met een grootendeels „gewit” gezicht, de +handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet, +welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig +zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn +vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen +staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een +aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een +lucht, die mij levendig aan „de groote schoonmaak” doet denken. Een +weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een +meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche, +gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht, +en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak +en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op +het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een +polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas „aangenomen”, want +de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van +allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den +hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar +handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist +verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte, +nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op +een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok +stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn +haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het +daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand +gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals +een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot +tijd stijf tegen haar gezicht drukt, zóó, dat het puntje van haar neus +er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld +doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop +dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van +eau-de-Cologne gegoten moeten zijn. + +„We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?” vraagt de vrouw van +den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart +voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene +zegt: „dat doe je,” en de andere: „dat zitje,” deelt zij ons mede wel +gevraagd—maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om +haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij +voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten, +omdat zij nog verder moet, „weet u!” waarop de boeren eenstemmig +verklaren: „dat kan je,” en de stukadoor vraagt: „waar na toe?” + +„Na tante Kees,” zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de +boeren ontsteld opkijken—en Mozes mompelen doet: „da' 's raag,” zoodat +het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien +der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de +vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt, +dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap, +nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren, +kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding +geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom +hij haar zoo noemt. + +Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo +vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje, +zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang +is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn +spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder +doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben. + +Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar +wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op +haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen. + +„Wel wel, wat skreeuwt 't jong!” zegt de oudere boer, het kind met +verbazing aanziende. + +„'k Weet niet wat ze het!” verklaart de moeder, „ze het aldoor zoo lief +geslape. Wat is er dan toch, loeressie?” + +„Is 't 'n zij-tje?” vraagt de stukadoor. + +„Wel, dat raaj je goed,” antwoordt de vrouw, „'t kind heet Zijdje.” + +„As 'k toch wis,” zegt Mozes, „dat 't 'n meisie was.” + +„Sakkerloot,” roept de stukadoor uit, „dan mot jij toch goeje ooge +hebbe, hoor!” + +„Na, wat zou 't!” antwoordt Mozes grinnekend, „as 'k toch heef gezien, +dat ze tege me heef gewagge.” + +„Het ze?” vraagt de stukadoor. „Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg +van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage.” + +„Kan ze ook honger hebbe?” vraagt de jongere boer, die, als iemand niet +tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt. + +„Nee,” antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, „ze komt er +pas of.” + +„En dan za' ze d'g possie ook _wè'_ gehad hebbe,” verklaart Mozes, een +vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle +instemming betuigen. + +„Je eerste en je laaste?” vraagt de stukadoor, met een blik naar de +beide kinderen. + +„Wel nee,” antwoordt de vrouw—druk bezig tusschen de kleertjes van het +kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt—„wel +nee! bove haar”—en met het hoofd wijst zij naar het kind in het +blauw—„he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit +kleintje me laaste zal weze—dat zou 'k wel denken.” + +„Na,” zegt Mozes, „pas mà' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t.” + +„Dat mag ie wel hoore,” beweert de vrouw. „We hebben 'r tien, en da' 's +net wat 'n burgermens toekomt hè, want 't versie zeit: + + Een edelman die krijgt er twee, + Een rijke man krijgt vier; + —Zoo'n twee- of viertal is niet erg, + Die hei je voor plezier. + Maar bè je 'n kale ambtenaar, + Of ben je dominé, + Dan vare d'r wel zes of acht, + In 't huwlijksbootje mee. + + Een tiental krijgt,—'t is haast te gek, + Een burger zonder goed; + En 't vol dozijn,—da' 's gekker nog, + Is voor de arremoed. + +„Wel kijk,” roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind +ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, „da' 's vast 'n beest, +dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie.” + +„'n Hoog-springertje,” oppert de oudere boer. + +„Wel nee,” zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, „die het ze noot.” + +„Ja nou,” roept de oudere boer uit, „'n mens mag zoo zindelijk weze as +ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!” + +„'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn,” beweert de stukadoor. + +„Wel ja,” zegt de vrouw van den polderwerker, „dat zal 't zeker wel +weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast.” En terwijl zij het kind +op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast +haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje +met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't „misegabè' +is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne,” en deelt de oudere boer ons +mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat, +omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van „dat goed” in den +polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker +aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont +dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het +een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de +vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als „erg goed” +aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter +achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op +het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen +verreweg het beste te zijn. + +„Zie zoo,” zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt +lapje om het armpje van het kind bevestigend, „nou zal ze wel gauw weer +bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want +toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an +kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm +daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had +'t gevaarlijk kanne worde.” + +„Ja,” zegt de oudere boer, „met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's +menigeen z'n dood geweest.” + +„En mijn vade za-egè,” zegt Mozes, „heef 't è ook mee bekoch.” + +„Het ie?” vraagt de oudere boer. + +„Dat heef ie,” antwoordt Mozes.—„Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag, +dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze +hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.—„Na, wat zou +'t!” zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, „maak toch +geen matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, dat ie na ze bed zà gaan, +zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.—„Gaat na de dokte',” zeit me +moede, „gaat na de dokte'.” + +„Och,” zeit me vade',—„de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!” en ie +gong niet. Mà 's ande-è daags had me vade' 'n agm as è kagepijp, en toe +'t ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade-è vehzamed.—Mà' +as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan +had die 'm gehouwe, zeit ie,—„met ze agm of zonde' ze agm, mà' gehouwe +had 'k 'm,” zeit ie. „Ma' nou,” zeit ie, „nou 't vehgif in ze hagt is +gegaan, nou mos ie dood.”” + +„En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde,” zegt de oudere boer, „as de +smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste +azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de +dokters opgegeve waren—dat geloof je niet.” + +„Is 't toch waar?” vraagt de stukadoor. + +„Honderde en honderde,” verzekert ons boertje. „En alles met 'n +zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn +geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van +vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig +benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw +vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n +zieke arm of 'n zeer been—hij leit hier 'n pleister en daar een, en as +ze d'r af valle—want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe—dan +ben je geneze, hoor je!” + +„Wat zeit u?” roept de vrouw van den polderwerker uit. + +„Glad geneze,” verzekert het boertje. „En da' 's geen praatje, maar de +zuivere waarheid, want toe me zeun hier”—en met het hoofd wijst hij +naar den jongeren boer—„'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de +linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien, +dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of +snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r +an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r +af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog +minder.” + +„Dat kan 'k me begrijpe,” zegt de vrouw van den polderwerker, „want wat +wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond.” + +„Dat zeg je goed,” bevestigt de oudere boer, „want dat we 'r over +prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de +Bullewijksbrug, en ik—met me vrouw en me zeun' d'r na toe. „Ofzette,” +zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, „ofzette,—'t mocht wat; _ik_ zal +'m geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs +de weg.” En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de +klompe weer aan, en na die tijd—zeg 't nou zelfs, Kees!” + +„Nooit nerges meer niks van gewete,” verklaart zijn zoon. + +„Daar beur je 't,” zegt zijn vader, „nooit iewers meer ies van gewete. +En à je nou ze voet ziet,—net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank +en zoo zuiver,” herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, „de +eene as de andere.” + +„M—enslief,” roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar +hoofd wiegend, „wat 'n zege, wat 'n zege!” + +„Ja,” zegt de stukadoor, „want as je nou was heengegaan en je hadt na +die perfester geluisterd....” + +„Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel,” verklaart de +oudere boer met een krachtigen hoofdknik. + +„En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve,” zegt de vrouw van den +polderwerker. „Is 't niet waar meisie?” vraagt zij met den voorsten +vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes +tikkende. „Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar.” +En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer +en neuriet: + + „Doe die blauwe oogies toe, + Zoete, lieve poes! + Vaders vreugd en moeders lust, + Slaap, me kleine snoes!” + +En dan begint zij weer van voren af aan: „doe die blauwe oogies toe,” +net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan. + +Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het +perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen, +een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het +geweer. + +„Inkwartiering,” zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder +aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als +aan een zieke koe. + +„Schijfschiete,” beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen +flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt: +„maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug.” + +„Zou 't?” vraagt de oudere boer, die „afmarcheeren” het ideaal van alle +militaire verrichtingen vindt. + +„As 'k 't toch weet,” roept Mozes uit, „as 'k eiges toch ook heef +gediend!” + +„Bij de marine?” vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons. + +„Nà,” zegt Mozes, „wate' is nat, hè? Ovè' wat zà je zwabbe-è op de +pwanke, as je kan sthaan op de ghond?” + +„Ze motte naar Amersfoort,” zegt de jongere boer, ziende dat de +militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein. + +„Dat motte ze,” bevestigt Mozes, „weegom, na d'g gagnizoen.” + +„Ja, ja,” zegt de oudere boer, met een zucht—terwijl de trein, waarin +wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt—„al dat soldaatje-spele +is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld—'n bult; en ik en 'n ander +kanne 't an belasting maar opbrenge.” + +„O,” roept de stukadoor uit, „da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je +tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan +late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.—Vijf, zes +maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die +risserseurs van de belasting binne.—'n Mooi stelletje! Half-sleet +heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de +kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of +geen weer, door de stad doen.—En mager, dat ze ware! dat ze wel met de +konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.— + +„„Offe ze terecht ware bij Bruins,” vroege ze. „Nou,” zeg 'k, „dat is er +na, hè! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en +dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette—zoek jij +nou maar uit waar je weze mot.” + +„„Bij Jan Bruins,” zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de +andere—'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met +'t eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je +schoene keek—„bij Jan Bruins, de stikkadoor.”—„O,” zeg 'k, „tel dan je +geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam.” +„Nee,” zei ie, „brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er +bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting.” „Belasting,” +zeg 'k, „asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee, +drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k +denke.” + +„„'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt,” zeit me vrouw. +Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de +mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele. + +„Dat kon wel, zei toe die andere kerel—die zoo zuur keek, asof ie 'n +karnemelksche moeder had gehad—dat kon wel, maar as ze 't alleenig van +de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet. + +„„Ja nou,” zeg 'k, „waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan +me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht.” + +„Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje. + +„„'n Knap boeltje,” zeg 'k, „mag dat dan niet voor de belasting, dat je +'n knap boeltje het?” + +„Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening +mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting. + +„„Inkomste-belasting,” zeg 'k, „maar man 't is ommers al mooi, da' 'k +met me inkomme uitkom.” + +„'k Begreep er niks van, zei ie. + +„„Nou,” zeg 'k, „'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me +cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe, +voordat je weggaat.”—Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste +ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou +'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was, +dan kon 'k altoos nog rikkelameere. „Maar dat doen 'k al,” zeg 'k, „daar +he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan.” +Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe. + +„'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel +'s 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk +voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo +beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat +later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van +woorde—dit gezien en dat gezien—dit zus en dat zoo,—w..eet ik 't! maar +de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k +betale. „Nou,” zeg 'k tege me vrouw, „as dat nou niet is iemand 'n stuk +van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot.”” + +„Ja,” zegt de oudere boer, „'t is erg. En ze store d'r eige nerges an. +Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig +bent met je vee of er 'n tegeslag mee het—je kan maar make, dat je de +cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting +d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale +ook.—Maar daar benne we al te Amsterdam.—Koman jong, nou as de weerga +na de avekaat.” + +„En ikhe na de vekoopening,” zegt Mozes,—„g'dag zame.” + +„En ik na huis,” zegt de stukadoor,—„ook g'dag.” + +„En wij na Sloterdijk,” zegt de vrouw van den polderwerker,—„gedag +allemaal, en wel t'huis, mense.” + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) - Correctie (C:) | + | | + | B: antwoordt Keetje—'n Zondag | + | C: antwoordt Keetje,—„'n Zondag | + | B: potje met „ghesida” zegt zij, | + | C: potje met „ghesida”” zegt zij, | + | B: zegt Evert, 't zou ook al heel | + | C: zegt Evert, „'t zou ook al heel | + | B: zij. „As jij je mond houwt, zeit | + | C: zij. „„As jij je mond houwt,” zeit | + | B: dan kan 'n ander de zijne | + | C: „dan kan 'n ander de zijne | + | B: hoor!” verzekert Evert.—„Nee, | + | C: hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” | + | B: me moeder, zoo as jij | + | C: me moeder, „zoo as jij | + | B: zoo te zegge 't beddegoed van.” | + | C: zoo te zegge 't beddegoed van.”” | + | B: kieze,” zegt Keetje. Ik kom achter | + | C: kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter | + | B: nog 'n kraf vol. | + | C: nog 'n kraf vol.” | + | B: niet,” zegt Grietje, en daar mag | + | C: niet,” zegt Grietje, „en daar mag | + | B: nou is 't genoeg! roept Evert uit, | + | C: nou is 't genoeg!” roept Evert uit, | + | B: bloote hals: „ja”—en Keetje | + | C: bloote hals: „ja””—en Keetje | + | B: een allerliefst mondje—„dat | + | C: een allerliefst mondje—„„dat | + | B: verzekert Grietje. Lekker ete is | + | C: verzekert Grietje. „Lekker ete is | + | B: op zijn schouder zettende. Ik mot | + | C: op zijn schouder zettende. „Ik mot | + | B: uitdrukking van „ik-mag-er ook-wel-wezen” | + | C: uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” | + | B: Eddy uit, onmiddelijk een krijgshaftige | + | C: Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige | + | B: iederen avond, iederen Woensdag- en en | + | C: iederen avond, iederen Woensdag- en | + | B: kom ik onmiddelijk tusschen beide | + | C: kom ik onmiddellijk tusschen beide | + | B: antwoordde de agent, dat doe 'k in | + | C: antwoordde de agent, „dat doe 'k in | + | B: nadat zij eenigen tijd, misschen iets | + | C: nadat zij eenigen tijd, misschien iets | + | B: nu ook voor het laatst: „_des...i...eux_.” | + | C: nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.” | + | B: zei meneer Kreggens glimlachend. | + | C: zei meneer Kreggers glimlachend. | + | B: „Meneer Kreggers stond op, | + | C: Meneer Kreggers stond op, | + | B: Dan denk maar jong, veur | + | C: „Dan denk maar jong, veur | + | B: waaraan „de Wijkamp” is gelegen, | + | C: waaraan „de Wykamp” is gelegen, | + | B: kinderen.... die blijve bij jou.” | + | C: kinderen.... die blijve bij jou.”” | + | B: vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf,” | + | C: vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” | + | B: wegloope, bij de kindere, Maar alla, | + | C: wegloope, bij de kindere. Maar alla, | + | B: huur wier opgezeid, 'k Woonde toe | + | C: huur wier opgezeid. 'k Woonde toe | + | B: hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, | + | C: hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, | + | B: eens. | + | C: eens.” | + | B: daar kom 'k niet in.—En me vrouw | + | C: daar kom 'k niet in.”—En me vrouw | + | B: hals wille valle, geloof 'k. | + | C: hals wille valle, geloof 'k.” | + | B: „Of 'k dat goedvond, vroeg ze. „Of | + | C: „Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of | + | B: hoort ze niet.” „Zie je,” | + | C: hoort ze niet.” Zie je,” | + | B: ie.—Moppig roept Kootje uit,—„_hem_ | + | C: ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ | + | B: bleek ziet en zoo papperig is. | + | C: bleek ziet en zoo papperig is.” | + | B: nou an je lijf het, hoor. | + | C: nou an je lijf het, hoor.” | + | B: meer an is.” | + | C: meer an is.”” | + | B: cente leve, en goed ook. | + | C: cente leve, en goed ook.” | + | B: van Soelen uit. 't Is dat je 'r nog | + | C: van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog | + | B: bevestigt van Soelen. As ie merkt, | + | C: bevestigt van Soelen. „As ie merkt, | + | B: de cyperse. Hoe kan ie | + | C: de cyperse. „Hoe kan ie | + | B: roept van Soelen uit „en verdient | + | C: roept van Soelen uit, „en verdient | + | B: matschudding ove' niks.”—„Mà 's awes, | + | C: matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, | + | B: gegaan, nou mos ie dood.” | + | C: gegaan, nou mos ie dood.”” | + | B: tikkende. Is 't nou weer | + | C: tikkende. „Is 't nou weer | + | B: zegt Mozes,” „wate' is nat, | + | C: zegt Mozes, „wate' is nat, | + | B: voordat je weggaat.—Afijn... | + | C: voordat je weggaat.”—Afijn... | + | B: hoe 'k dat noeme mot.” | + | C: hoe 'k dat noeme mot.”” | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER *** + +***** This file should be named 39736-0.txt or 39736-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/9/7/3/39736/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License available with this file or online at + www.gutenberg.org/license. + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation information page at www.gutenberg.org + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at 809 +North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email +contact links and up to date contact information can be found at the +Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For forty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
