summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:13:30 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:13:30 -0700
commit807a98316a864764fdeb19fa01356b0feca67af6 (patch)
treeb0089cc20c11afd71c52b80ebb8fbfdfb171df75
initial commit of ebook 39736HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--39736-0.txt5379
-rw-r--r--39736-0.zipbin0 -> 111153 bytes
-rw-r--r--39736-8.txt5379
-rw-r--r--39736-8.zipbin0 -> 110499 bytes
-rw-r--r--39736-h.zipbin0 -> 184292 bytes
-rw-r--r--39736-h/39736-h.htm6800
-rw-r--r--39736-h/images/cover.jpgbin0 -> 65904 bytes
-rw-r--r--39736-h/images/extern.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
11 files changed, 17574 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/39736-0.txt b/39736-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..4a5e201
--- /dev/null
+++ b/39736-0.txt
@@ -0,0 +1,5379 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kleurig en donker
+
+Author: Willem van Amsterdam
+
+Release Date: May 19, 2012 [EBook #39736]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+KLEURIG EN DONKER.
+
+
+
+
+ KLEURIG EN DONKER
+
+
+ DOOR
+
+
+ W. VAN AMSTERDAM,
+ _Schrijver van „Marionetten.”_
+
+
+ HAARLEM
+ H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ AAN DE VOORDEUR 1
+
+ HET STRAATORGEL 12
+
+ EDDY 25
+
+ HAAR BROOD 48
+
+ KINDERLEED 61
+
+ KAREL JAN VONK 73
+
+ DE OUDSTE 84
+
+ HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94
+
+ HAAR KEUZE 103
+
+ BLOK'S VROUW 113
+
+ GEEN „VERRAJER” 127
+
+ DE AANSPREKER 141
+
+ DERDE KLASSE 155
+
+
+
+
+Aan de voordeur.
+
+
+„Zoo, dikke zus!” zegt Evert—een jonge slagersknecht, een pracht
+van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de
+schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan
+aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend
+gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft—„zoo, dikke zus! hoe gaat 't
+met mijn?” En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand
+van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan
+de Heerengracht.
+
+„Hoe 't met je gaat,” antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande
+keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht,
+„hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te
+zien, dan gaat 't nogal met je.”
+
+„Ja, 'k zie bleek, hè?” zegt Evert, „dat komt omdat me maag niet in orde
+is, weet je!”
+
+„Niet?” vraagt Grietje, „lust je geen ete meer?”
+
+„Jawel,” antwoordt Evert, „maar 'k lust te veel.”
+
+„En krijg je niet genoeg?” vraagt Grietje.
+
+„Of 'k 't krijg,” zegt Evert, „dat zou me niet kanne schele, as 'k maar
+zooveel kon neme as 'k lust.—En daar hei je haar ook,” roept hij uit,
+als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper
+katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht
+mede aan de voordeur verschijnt.
+
+„Zoo, malle! bè je weer an de gang?” vraagt zij.
+
+„Mal-le?” vraagt Evert, „as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te
+hale, hoor!—Wat zie je 'r weer goed uit!” roept hij uit, een poging
+doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: „laat je
+staan!” en een tik op zijn arm, verhindert.
+
+„Ga je van aved 's met me uit?” vraagt Evert haar.
+
+„Ikke niet,” antwoordt Keetje, „want me parresol is in de maak, hoor!”
+
+„Ja,” zegt Evert, „nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook
+nog niet t'huis is.—Maar 'n Zondag dan?”
+
+„Jonge nee,” antwoordt Keetje,—„'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis.”
+
+„'t Bessieshuis!—daar heb ik ook nog 'n oome,” beweert Evert.—„Zà je
+'m van me groete?”
+
+„Dat zal 'k,” belooft Keetje. „As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals
+valle.”
+
+„Zeg eris!” roept de keukenmeid uit,—„da 's waar ook!—'k docht dat jij
+'n eerlijke jonge was, hè?”
+
+„Ikke niet eerlijk,” zegt Evert, „nou nog mooier! Geef me maar 's 'n
+zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom.”
+
+„Nee,” zegt Grietje, „dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan
+mag je 'm wel houwe ook.—Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n
+beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag
+luste, en dat hei je niet gedaan.”
+
+„Mijn schuld is 't niet,” verzekert Evert. „De baas zei, da' 'k 't maar
+vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene—rits...! door me
+hoofd gegaan.”
+
+„Zei-ie-dat?” vraagt Grietje. „Zei ie, dat je 't maar vergete
+most?—Hoor je dat, Kee?”
+
+„Zoo'n akelige, schriele kerel,” roept Keetje uit.
+
+„Hoort eris,” zegt Grietje, „zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou
+denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af
+en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k
+zoo'n ideetje van,” verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten
+mond, verscheidene malen met het hoofd.
+
+„En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen,” verklaart Evert.—„Alla,
+zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n
+zweezerikkie of kalfsoesters,—wat mot 'k brenge?”
+
+„'k Mot niks van je hebbe,” antwoordt Grietje. „We ete vandaag 'n
+stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong.”
+
+„Verdikke, mens, houw op!” roept Evert uit, „daar zou je 't water van
+over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is,
+hè?”
+
+„Of ie lekker is!” zegt Grietje, „nee”—en met de vingertoppen tegen de
+wang wiegt zij het hoofd—„dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege
+Kee—is 't niet waar meid—„Kee,” zeg 'k, „'k heb me eigen verhuurd voor
+de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch
+ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt.”
+Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit
+ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as
+ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie,
+maar de saus,—die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't
+aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_
+kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge,
+je boezelaar of—en 't hem om ze dikke lijf zou doen.—En as 't
+niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de
+bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!—'t Is dat 'k
+hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders....”
+
+„Dan ha' je 'm al gesmeerd?” vraagt Evert.
+
+„Al lang,” verklaart Grietje, „want an al dat putlut daar he' 'k 'n
+hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as
+ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's
+'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van
+je werk ook. „Griet,” zei meneer dikkels, „je mot niet zoo lekker koke,
+mens; 'k kan 's middags niet uitscheije.” En as mevrouw, die er zoo'n
+hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie—omdat ze nooit niks kon
+bedenke, zei ze—'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws
+verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat
+wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: „Kijk, dat hei je goed
+geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben.” Och ja,” zegt
+Grietje met een zucht, „'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is
+zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze
+best nog 's doet ook. Nee”—en ze schudt het hoofd tegen een koopman in
+bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst—„niet noodig.”
+
+„Mot je geen bwommetje?” vraagt hij.
+
+„Nee,” antwoordt Grietje, „ik mot geen blommetje hebbe.”
+
+„Koop 's 'n mooi ghoozie van me?” vraagt de koopman, „of 'n potje met
+ghesida.”
+
+„Ga nou maar gerust deur,” zegt Grietje, „want 'k koop toch niks van
+je.”
+
+„'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie,” zegt
+de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.
+
+„Och, ga nou weg, hè!” roept Evert uit.
+
+„Nà,” zegt de koopman, „la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag
+potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot.”
+
+„Ja,” zegt Evert, „'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen
+slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de
+klandisie, hoor.”
+
+„Wat zou 't,” roept de koopman uit, „as datte gebeugd, dan rentenieg 'k
+à tien jaag! En jij, juff,” vraagt hij aan Keetje, „mo' je niet 's 'n
+potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?”
+
+„Nee,” antwoordt Keetje, „ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet
+verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever,” en zij
+ginnegapt achter haar hand, „ik ruik liever gebraje spek.”
+
+„Ja,” zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, „nou je 't zeit,
+ruik ik ook liever 'n bankethammetje.”
+
+„Of 'n varkensrib,” zegt Evert, „dat mot je ook niet uitvlakke, dat
+ruikt heerlijk, hoor!”
+
+En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en
+toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk
+uitroept: „toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse
+ze stout binne.—Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't
+magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje
+mot hebbe, hè?”
+
+„Nee,” zegt Grietje, „dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik
+ben alleenig voor de pot.”
+
+„Nà,” zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, „da's
+ommes ook 'n pot.—Doe je 't niet? Jij dan?” vraagt hij aan Keetje,—„'k
+het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om.”
+
+„Dat zou 'k nou wel voor je wille doen,” zegt Keetje, „maar daar hoef 'k
+niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo
+graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me
+kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?”
+
+„Alla!” zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende,
+„'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar,” en zij reikt den
+koopman twee dubbeltjes over—want een keukenmeid heeft altijd en een
+werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee
+stuivers voor, „daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,—'n
+Zaterdag of zoo.”
+
+„Nee,” zegt Keetje, „want dan houwe we groote verschoondag, hoor!”
+
+„Schoon za' je bwijve kind,” zegt de koopman, de stoep af gaande, „'t
+zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg.”
+
+„Ze-eg!” roept Evert uit, „jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te
+bange, hoor je!”
+
+„Laat 'm maar gaan,” zegt Keetje, „want gelijk het ie.—Wil jij nou ook
+liever dat roosie hebbe?” vraagt zij aan haar kameraad, „dan geef mijn
+dat andere dingie maar.”
+
+„Wel nee meid,” antwoordt Grietje, „dit ruikt immers ook goed!”
+
+„Dat doet 't,” bevestigt Evert. „Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?”
+
+„Weet je dat niet?” vraagt Grietje, „en 'k dacht nog al, dat jij uit
+Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met „ghesida”” zegt zij, den
+koopman nadoende. „Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r
+nog geen?”
+
+„Ikke geen meissie!” roept Evert uit; „alle Zondagge 'n ander, hoor!”
+
+„Dat binne d'r een en vijftig te veel,” beweert Grietje.—„Maar jij bent
+er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?”
+
+„Nou,” zegt Evert, „'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet
+van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?” vraagt hij aan
+Keetje.
+
+„Ikke zeg niks,” antwoordt zij. „„As jij je mond houwt,” zeit me moeder,
+„dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen.” En daar gedraag 'k me
+eige na; is 't niet waar, Griet?”
+
+„Ja,” antwoordt Grietje, „van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?”
+
+„Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” zeit
+me moeder, „zoo as jij toch ook slape kan—da's gerust 'n mirakel; daar
+slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.””
+
+„Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?” vraagt Keetje.
+
+„As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor
+'k nooit meer wakker,” beweert Evert. „Zeg eris,” roept hij uit, in de
+gang kijkende, „juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of
+zoo?—daar legge wel 'n pak of tien op de bank.”
+
+„Da's voor 'n Zaterdag,” zegt Grietje, „dan hebbe we hier diné.”
+
+„Diné?” vraagt Evert. „Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?”
+
+„Alle dage lekker,” zegt Grietje, „maar as we diné hebbe, dan ete we
+fijn.”
+
+„Hoort eris,” zegt Evert, „as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om
+juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt
+hier de restoratie van Van Laar wel.”
+
+„Van Laar,” zegt Grietje, „die mag de oestertjes levere, want daar
+beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. „Dat zet de maag
+in ze fatsoen, daar wort ie graag van,” zeit meneer.”
+
+„Nou,” zegt Evert, „dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg,
+want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de
+leest geslagen is.”
+
+„Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle,” verzekert Grietje, „want
+er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan
+krijgen we twee soepies.”
+
+„Och ga weg!” roept Evert uit. „Twee keer soep!...”
+
+„Daar mag je uit kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter je, en vraag wat
+uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe.”
+
+„En onderwijl,” zegt Grietje, „schenkt de knecht je 'n glaasie serry
+in.”
+
+„Die kon wel achter me blijve staan,” meent Evert.
+
+„Wel nee,” zegt Keetje, „da' 's nerges voor noodig, want iedere keer
+krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord
+nog 'n kraf vol.”
+
+„Dat zou niet lang dure,” verzekert Evert.
+
+„Dat denk ik ook niet,” zegt Grietje, „en daar mag je dan 'n glaasie uit
+neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n
+stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar
+schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in.”
+
+„En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld,” zegt Keetje, „dan begin je
+om zoo te zegge pas.”
+
+„Ja!” roept Evert uit, „'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!”
+
+„Jawel,” zegt Keetje, „maar dan komt eigelijk pas wat ze
+„sta-in-de-maag” noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch
+met sper...”
+
+„Nee hoor, nou is 't genoeg!” roept Evert uit, naar zijn mand grijpende,
+„da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van
+te motte hoore, da's al te arremoeïig.”
+
+„En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?” vraagt
+Grietje.
+
+„Niet?” vraagt Evert. „Hei jij dan zoo'n beroerde maag?”
+
+„Gelukkig niet,” antwoordt Grietje, „maar 'k ben er vies van.”
+
+„Kom”, zegt Evert,—„vies...!”
+
+„Dat ben 'k,” bevestigt Grietje, „en Kee ook. Is 't niet waar, meid?”
+
+„Ba,” roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd
+afkeerende, „dat vieze gedoe!”
+
+„Daar wor je ziek van,” beweert Grietje. „We zegge zoo dikkels tege
+mekaar,—is 't niet Kee—as de kok in de keuke bezig is: „dat moste ze
+binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen
+mond an.”—Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met
+ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles;
+en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan
+kan ie 't met ze vinger ook wel.”
+
+„En as je dan binne bent om te diene,” zegt Keetje, „dan hoor je meneer
+tegen mevrouw van hier naast zegge: „wel mevrouw, is dat nou geen lekker
+sausie?” En dan zeit zij,—met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r
+magere, bloote hals: „ja””—en Keetje trekt een allerliefst mondje—„„dat
+mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!””
+
+„Nee hoor,” zegt Evert, „as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me
+moeders pot.”
+
+„En daar doe je wijs an,” verzekert Grietje. „Lekker ete is goed, maar
+zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste
+diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na
+buite gaan.”
+
+„Mooi zoo!” roept Evert uit, „dan zà je me baas weer effe hoore
+moppere.—Gaan jelui al gauw?”
+
+„Dat zal geen zes weke meer dure,” antwoordt Grietje.
+
+„Maar ik ga al gauwer,” zegt Keetje.
+
+„Zoo! wanneer ga jij dan?” vraagt Evert.
+
+„Van aved, hoor!—as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga
+jij?”
+
+„Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet,” antwoordt Evert; „me
+moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam”—en hij
+knipoogt tegen Keetje—„blommetjes genog.”
+
+„As dat dan waar is,” zegt Keetje, „dan ga ik met me blommetje maar gauw
+weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is.”
+
+„En ik dan!” roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. „Ik mot
+al de klanten nog of.—Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel
+daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!”
+
+„Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind,” zegt Grietje. „En daarom
+zegge ze dan ook:
+
+ As Adam in 'n appel bijt,
+ Ofschoon door Eva _niet_ verleid,
+ Dan weet ie 't toch zóó an te legge,
+ Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge.
+
+En nou atjuus hoor,” zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. „En droom
+van nacht 's van me. Zal je?”
+
+„'k Hoop er om te denke,” antwoordt Evert. „Maar 'k zal in alle geval an
+me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.—Adie...!”
+
+
+
+
+Het straatorgel.
+
+
+„'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie—zoo kom 'k an de kost,
+sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf
+been het,” zegt Bet Bos, bij de buren bekend als „orgel-Bet”. „En à
+je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op
+die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me
+man trouwde—dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de
+Keizersgracht over de Westermart—'n goed mens daarvan niet, maar zij
+en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel
+gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e
+dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en
+de kindere, zei ze—toe _ik_ me man trouwde,” herhaalt Bet, diep adem
+halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit
+haar longen gedreven, „toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie
+twaalf tot veertien gulde in de week.—Ja mens, zoo benne we begonne,
+knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en
+_ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met
+musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of
+'t zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze
+'m t'huis! Heere! heere!”—en Bet slaat haar handen in elkander—„zoo
+goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!—'k
+Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't
+zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet
+van hoore. „Nee,” zeg 'k, „daarvoor is niet getrouwd!” En zoo hieuw
+'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon
+scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de
+aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost
+zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer
+in staat. Och ja,”—en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar
+voorhoofd glad—„zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n
+orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je
+tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens
+al blij weze, zeg 'k.”
+
+En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden
+heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar
+voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te
+offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de
+voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert,
+laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het
+praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen,
+stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de
+straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot
+haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij
+haar tijd derhalve verpraat heeft.
+
+En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een
+aantal van haar vaste klantjes wonen.
+
+Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar
+beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men,
+oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien
+van het orgel te kunnen aanwenden, want „draaie en cente ophale, dat
+doen 'k zellevers,” zegt ze, „draaie om de haverderij, weet je, en
+cente ophale,—nou, dat begrijp je wel,” heeft zij een zeventien- of
+achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met
+uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd,
+zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en
+voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte
+voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten
+gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog
+heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien
+of twaalf „moppies,” als er een ziek kind opgevroolijkt—of de pret in
+een bruiloft gehouden moet worden, „'n heele karrewei.” Want zoodra
+zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit
+prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt
+haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken,
+waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, „zoo asse de gowwevies,”
+zou Mozes zeggen, „zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip.” Eerst
+draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al
+draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van
+haar bovenlijf,—door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet
+aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen
+en weer slingeren van haar rechterarm,—niet weinig verhoogt. Door
+haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen
+ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor
+telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_
+zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt,
+als de laatste tonen van het lieflijke: „Daisy, Daisy!” zijn
+weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van
+al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken,
+voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht,
+verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan
+afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet
+hooren.
+
+Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit „'r doppe,” en een haar
+toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat
+er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek,
+waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk
+gehuil—veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van
+het wiel,—wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere
+geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren
+ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het
+bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een
+cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd
+uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel
+terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken,
+„ofdraait”.
+
+Haar orgel, waarop in goud het woord: „orchestrion” prijkt, is zeker een
+van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig
+zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad
+aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen
+aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan
+weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in
+het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het
+hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en
+ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren
+staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder
+los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij
+het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op
+de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen
+elkander aanzien, en het „gut!” waarmede de vrouwen haar bewondering
+te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge
+pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den
+mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en
+_gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand
+houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat.
+Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar
+rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der
+beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te
+zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat
+hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd,
+als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen
+ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken,
+met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn
+heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie,
+ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij
+uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden
+glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de
+triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk,
+dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek
+gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige
+kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te
+hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande,
+uitriep: „je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!”
+
+De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben
+er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed
+daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen
+tegenover haar collega's laat verleiden.
+
+„A's 'k weet,” zegt ze, „dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om
+tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er
+kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn
+laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast
+deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da'
+'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie
+later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om
+'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was—zoo'n stiekemert! dat
+doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan,
+maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar
+ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee
+moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot
+ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai
+'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege
+me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is.” Door haar kolossaal
+instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de
+overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar
+collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een
+pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het
+vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat,
+dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag
+zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer
+brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar
+gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere
+orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.
+
+Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken
+strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere
+reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk
+gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden.
+„As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te
+sjanke, 'n doodschop,” verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri
+heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele
+herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door
+muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren,
+zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken,
+die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de
+eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen
+van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen
+muziek kon hooren zonder „akelig” te worden, dan zou hij natuurlijk
+onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in
+staat is. Maar dit doet hij nooit.—Integendeel! zoodra hij op zijn
+levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan
+blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen
+draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand
+verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij
+aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken
+noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen
+of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij
+smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is
+onwaarschijnlijk. „As ie sjankt, dan mot ie weg,” zegt ze, en nooit
+verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand
+te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er
+een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt
+zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar
+zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast
+haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt
+hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van
+haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop
+toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier
+met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament
+tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en
+rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar
+onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half
+dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog
+voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht,
+door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de
+wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping
+elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten
+het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.
+
+Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking
+is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men
+bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift
+der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op
+de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding
+geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent,
+met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij
+eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet
+kan vereenigen. „Smerisse,” zegt ze, „daar mot 'k niks van hebbe, en met
+'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k
+de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had—en dat zou zoo'n
+wonder niet weze—zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme
+je mee!” roept ze uit. „As je, zonder erg, de een of andere straat van
+de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde
+tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan
+schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_
+bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om.
+Sekuur!” roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt,
+„want toe Da Punt....” en dan volgt het waarachtige verhaal van een van
+haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok
+had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière
+gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten
+geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was
+gebracht. „Nee, nee,” zegt Bet, „met de pelisie affetuur 'k niks, want
+_dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst.” En zoo komt
+zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de
+hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende
+is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan
+den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden
+dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de
+hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd.
+Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het
+vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de
+meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden
+gewaardeerd.
+
+Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den
+heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt
+het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met
+andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt
+geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven
+aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het
+lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op
+het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele
+_entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door
+dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt
+geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een
+_marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen
+als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun
+is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in
+achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van
+eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar
+de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste
+bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend
+op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra
+de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin
+_nez à nez_ staan—liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat
+het ook wel—maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de
+uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de
+andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats
+waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar
+links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij,
+plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten
+dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna
+zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der
+dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of
+een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet
+gegleden is, weer aan te trekken.
+
+Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de
+verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan
+eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand
+een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een
+paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke
+bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel
+der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden,
+door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte
+uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide
+bevalligheid.
+
+Voor Bet is zulk een straatbal—want de bewoners van achterbuurten zijn
+goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul—een aardig buitenkansje, maar
+natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook
+dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis
+kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij
+nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek
+een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij
+haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er
+maar één, maar „wat 'n hartepitje is ie, hè?” En als zij hem van den
+vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis
+vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.
+
+
+
+
+Eddy.
+
+
+Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte,
+voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs
+pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een
+fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar
+een veld-mutsje of zoo iets—donkerblauw, afgezet met wit—want hij
+is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de
+geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel
+daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen,
+een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar
+wel een beetje een uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” aan zijn
+gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine
+tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk,
+dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets
+waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt
+en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.
+
+Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover
+mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het
+portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen
+geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de
+tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige,
+mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar
+ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal
+zien en zijn hand nog eens drukken zal.
+
+Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus
+eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij
+elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden
+hebben.
+
+Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe
+woonplaats zou betrekken—want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik
+het kamerleven op den duur te „onhuiselijk”—moest zooveel hersteld
+en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn;
+en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn
+nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een
+nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te
+vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo
+had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige
+benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren
+ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken,
+kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik
+de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een
+Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast
+was.
+
+De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de
+personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik,
+dat Cor—zoo heette de zuster van Eddy—als zij binnen kwam, om het
+een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek,
+alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te
+doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan
+een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder
+fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op
+een morgen—waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden
+totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken—of ik tevreden
+was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.
+
+Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever
+wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg
+ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op
+zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat
+het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd,
+al dravende, zijn overjas aantrekkende.
+
+Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er
+iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat
+van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet
+mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te
+veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans;
+maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het
+zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.
+
+Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.
+
+„Welzeker niet,” antwoord ik. „'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar
+ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even „stormachtig” was
+als hij. Gaat hij nog op school, of...?”
+
+„Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad.”
+
+„En leert hij goed?”
+
+„Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar
+gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls
+van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het
+eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn
+dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht.”
+
+„En wat moet hij worden?”
+
+„Ik hoop,” antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid
+getuigt, „dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine.” En
+aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: „Eenige jaren
+geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die
+zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in
+leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand
+te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te
+huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was
+toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig,
+'t ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik
+iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school
+doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't
+Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat
+het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We
+hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij,
+en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou
+studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk
+veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd
+opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik
+hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan
+later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij
+niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat
+hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had
+gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de
+middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat
+doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het
+beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn
+toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan
+misschien niet een zou gebeuren. En zoo,” zegt Cor, met een glimlachje,
+„ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet
+minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.”
+
+Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets
+over het hoofd had gezien.
+
+„En dat is?” vroeg zij, een beetje ongerust.
+
+„Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht,” antwoordde
+ik.
+
+„Niet om mezelf?” vroeg zij verbaasd.
+
+„Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of
+zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen.”
+
+„O,” zei zij met een glimlach, „dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk
+niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn
+leven niet geven.”
+
+Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde,
+en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden,
+maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was
+met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.
+
+„En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog
+geen berouw?” vroeg ik.
+
+„Neen,” antwoordde zij beslist. „Tot nog toe is hij ieder jaar
+overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral
+in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar
+hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't
+Gymnasium, of „'t hok,” zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen
+om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij
+over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan
+ook niet heel lang geduurd,” voegde zij er met een glimlach bij.
+
+Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik
+dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou
+opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem
+aan te moedigen zijn best te doen.
+
+Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en
+met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.
+
+Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den
+tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende
+ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich
+eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de
+leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn
+rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak
+hem aan.
+
+'t Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was
+kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had
+gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek,
+dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus,
+Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt
+van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk
+Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes
+jaren lang op een Gymnasium te gaan „heel taai,” en derhalve lang genoeg
+is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde,
+ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje
+met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk
+niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met
+zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want
+uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden
+kerel—„ajasses nee!”
+
+Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik
+glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer
+stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.
+
+„Ik geloof,” zei ik tegen Eddy, „dat je 'n beste zus hebt, hè?”
+
+„Ja, hoor!” antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er
+zoo onmiddellijk bij: „wat 'n mooi tuigie het ie op!” dat hij het
+blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water
+koud en vuur heet is.
+
+Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen,
+of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem
+al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang
+stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap,
+en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een
+logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.
+
+„Ik vind, Eddy,” zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik
+bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, „ik
+vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal
+te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde
+met boeken en schriften te doen. Deze twee—en ik wijs naar een paar
+op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers—heb ik hier een poosje
+geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche
+grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden
+binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en....”
+
+„Vieze dingen!” roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding
+aannemende.
+
+„Nu goed dan, _niet_ vies, maar—ja kijk nu maar niet zoo woedend—in
+ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt
+zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op
+de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.”
+
+„Nou ja,” zegt Eddy, „dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst
+he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was;
+toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel
+op te redderen.”
+
+„Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?”
+vraag ik.
+
+„Of ie!” beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint
+te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.
+
+„Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan
+werken,” zegt Cor, „en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op
+zijn kamertje bleef zitten.”
+
+„En daarin hebt ge volkomen gelijk,” stem ik toe. „Hoe zoudt ge
+'t vinden, majoor”—want sedert ik weet, dat hij lid is van de
+weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls
+met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een
+militairen rang toe te kennen—„hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't
+vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen,
+daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en
+Zaterdag-middag hier kwam werken?”
+
+Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is
+verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met
+opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan
+opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar
+denkende dat dit plan van haar afkomstig is.
+
+Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en
+als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk
+makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid,
+en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen
+Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft
+gewerkt.
+
+Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt
+nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil
+doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk
+bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het „dan maar doen zal.”
+
+En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander,
+hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in
+de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden
+toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde
+te „suffen”, omdat het er toch niets toe deed of „die stomme boer” het
+kreeg of niet.
+
+Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen,
+en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn
+huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge
+manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een
+kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit
+een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als
+hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige
+ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken
+gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan
+nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met
+de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan
+hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt.
+Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer,
+die het „ongeluk” heeft geen „klare” te lusten—hetgeen trouwens niet
+verhindert, dat de ware „kiezerspit” in zijn _body_ zit—dan weet ik
+wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid,
+door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het „moppie”,
+waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een
+weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige
+oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel,
+sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden
+zal zingen:
+
+ „Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,
+ 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.”
+
+En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden.
+Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen „licht”
+krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij
+naar mij, als ik hem even aankijk—iets waarvan ik natuurlijk niet de
+minste notitie neem—of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en
+blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt
+het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het
+hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene—dan het andere been, ook
+wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische
+toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt,
+om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge
+gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het
+gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt,
+uitroepende: „wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!” of: „daar
+hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel,
+zoo gaat 't!”
+
+Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint
+hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken
+heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met
+„bevallige nonchalance,” zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich
+slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen
+straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk
+een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel
+voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch
+zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen,
+maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels
+herinner:
+
+ „Maar 't was zoo heerlijk, buiten!
+ 't Was alles: zonnestraal!
+ En boven in de takken,
+ daar zong een nachtegaal;
+
+ En alle bloemen bloeiden,
+ en schitterden in 't rond;
+ en als een bloem was 't kereltje,
+ zoo frisch, en zoo gezond.
+
+ Zoo liep de jongen lustig,
+ en zong zijn vroolijk lied.
+ Maar waarom hij een liedje zong,
+ dat wist het ventje niet.”
+
+En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt
+hij wel twintigmaal:
+
+ „Maar dat viel lang niet mee.
+ Ze zei: „wel jonge, nee,
+ ik houw niet van tariteraraboumdié.””
+
+En niet minder dikwijls:
+
+ „Een jeugdig huw'lijkspaartje,
+ Pas in den echt getreen,
+ Gevoelde zich gelukkig,
+ Nu 't eind'lijk was alleen.
+ Maar daar komt plots'ling binnen
+ De schoonmama—o, hé!...”
+
+En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten
+over, om te eindigen met de verrassende woorden:
+
+ „Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,
+ Van die lieve schoonmama.”
+
+Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer
+onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner
+schoonmoeder.
+
+Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij
+zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een
+almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de
+Paaschvacantie—waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden,
+waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een
+poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;—of
+hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje—een cadeau van
+Cor—uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de
+schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk,
+het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk,
+staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke
+blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: „maar
+jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!” dan
+antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft
+geleerd.
+
+Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan
+gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier
+drinkende—want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan
+vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is—rustig blijft
+zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij
+niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt
+hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na
+dien tijd nog iets uit te voeren.
+
+Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest
+wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem
+sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij
+even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam
+hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte
+handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor
+ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk
+losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle
+mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de
+kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van
+haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield,
+liep hij de kamer op en neer, zingende:
+
+ „Eens liep een aardig meisje,
+ al in den maneschijn.
+ Zij had twee blauwe oogen,
+ en voetjes—o zoo klein...!”
+
+En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in
+huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den
+maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer
+hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo
+lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het „aardige
+jonge meisje,” niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet,
+met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den
+waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het
+nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in;
+want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten—door met
+aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te
+schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.
+
+Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij
+zegt, dat hij het „onfatsoenlijk” vindt, en biedt mij een dubbeltje aan,
+als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. „Dat zou zoo lekker
+gaan,” zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij:
+„pats...!” En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij
+het aannemelijk te maken, door te zeggen: „nou, _vijf_ keer dan maar!”
+En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite
+een verbaasd gezicht zettende: „waarom niet?”
+
+Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze
+zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd,
+waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij
+daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een
+handschoen of een zakdoek, „tegen de mot”, zooals hij zegt, en als
+ik hem laat begaan dan maakt hij „een Chineesie” van mij, zooals hij
+dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn
+uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij
+aanhitst, door naar mij te wijzen en „kiesch! kiesch!” te roepen, net
+zoolang totdat het beest begint te blaffen.
+
+En met dien hond, die den buitengewonen naam „Pak 'm” draagt, kan hij
+sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige
+laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het
+dier leeren „zingen,” hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden
+maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met
+het hoofd; en als hij zegt: „Pak 'm-snoet-vuil!” dan strijkt het beest
+herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op
+onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze
+met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij
+het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte
+voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden.
+En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten
+in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of
+anderen leeraar na. En als hij uitroept: „ik zek oe, dat zal _niet_
+kebeuren!” slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat
+het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna
+holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: „hij is
+braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja,
+hoor! hij is een goeie hond!” zijn wangedrag tracht goed te maken. En
+niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat
+hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm
+nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en
+zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in
+het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.
+
+Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede
+kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor
+ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken
+en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook
+met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu
+_asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid
+haar toe te voegen: „geef me dan een kwartje, dan laat ik je los.”
+Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij
+ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij
+zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en
+„handelsgeest” met elkander verwar.
+
+Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder
+beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den
+middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we
+hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van
+zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die
+eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig
+verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche
+lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook
+wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer
+zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet
+zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.
+
+Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd
+leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als
+er niet zooveel „verrekte” uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te
+doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche
+opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei
+vreemdsoortige gebaren te zingen: „_emploie—toujours—l'indicatif!_”
+op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een
+rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: „_pour
+toi—pour toi—mon âme aimé!_”
+
+Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval
+is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen
+vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, „misselijk.”
+Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij
+geruimen tijd heeft geweifeld tusschen „de mode,” „men moet het ijzer
+smeden als het heet is,” en „spaarzaamheid is nog geen gierigheid,”
+waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te
+zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: „nou, de mode dan
+maar!” waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en
+opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm
+ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en
+den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt
+met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken
+een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk
+een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend
+uit: „wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?” En als ik
+dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te
+dicteeren, en zeg: „kom, schrijf dan maar op, sukkel!” dan zit hij
+onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: „asjeblieft,
+collega!” en voegt er onmiddellijk bij: „maar nou niet zoo eeuwig lang!”
+En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan
+springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de
+lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een
+uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.
+
+Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij
+een uur lang samen geweest waren—want Eddy was buitensporig lastig, en
+zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd—maakte hij een stapeltje van
+zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van
+hem, ging; er in een adem bijvoegende—wel begrijpende, dat ik met dit
+voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn—dat hij toch bijna niets te
+doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar
+wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.
+
+„Ja,” zeg ik, „in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat
+zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan—nu, dat moet je bed maar liever
+niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je
+werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben
+je voor goed van „'t hok” af, als je nu nog maar een poosje je best
+doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander.
+Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je
+moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet
+waar?”
+
+„Cor doet dat graag voor me,” zegt Eddy, „en later zal ik haar alles
+teruggeven.”
+
+„In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze
+wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer
+en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen.
+En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar
+gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in
+billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.
+
+„Ik ben nog ieder jaar overgegaan,” zegt Eddy.
+
+„Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen
+voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor
+te slagen?”
+
+„Ik zal _toch_ wel door dat examen komen,” beweert hij.
+
+„Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't
+_niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel,
+dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest
+erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen
+andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het
+eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan
+moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het
+nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes
+pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu,” zei ik
+opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid
+weer aan het werk te gaan, „ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof
+je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte
+handen terugkomen.”
+
+Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de
+schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd
+voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden,
+waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had
+voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die,
+door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen
+naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik
+tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken
+lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen
+op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig
+op, ging zitten en begon weer aan zijn werk———
+
+„En nu moet u eens zien,” zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij,
+met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.
+
+'t Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder
+geschreven, dat hij tevreden was.
+
+„En wat zegt Eddy er wel van?” vroeg ik.
+
+„Dat het hem niet verwondert,” antwoordde Cor lachende, „omdat hij,
+zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan
+vroeger.”
+
+„Jawel,” zei ik, „logisch redeneeren—dat kan hij best.”
+
+„Ik ben _heel_ blij,” zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede
+kind mij aan.
+
+„'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben,” verzekerde
+ik, „en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem
+ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de
+duinen en naar de zee.”
+
+En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den
+volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een
+gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen
+waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden
+daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé
+had moeten worden.
+
+Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee
+vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den
+tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een
+briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was.
+Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus
+was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan
+die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan
+tafel.
+
+Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw,
+niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden,
+en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje
+noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist
+zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap
+weldra volkomen tusschen ons hersteld.
+
+„En wat zijn nu je plannen?” vraag ik hem, als wij na het eten in den
+tuin een sigaar rooken; „denk je lid van het corps te worden, of niet?”
+
+Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik
+weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en
+karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik
+begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het
+zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij
+het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig,
+dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft
+ingezien, dat hij het niet doen moest.
+
+Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat
+hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier
+te drinken en een sigaar te rooken.
+
+En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van
+voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport
+hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden
+kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het
+Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust
+en ontwakende mannelijke kracht.
+
+En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.
+
+
+
+
+Haar brood.
+
+
+Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen,
+schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij
+schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam
+altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich
+aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette
+zij, had aangescheld. Als ik vroeg: „Frits, jongen, moet je nog niet
+naar school?” of: „Karel, ventje, is het je tijd nog niet?” dan was het
+antwoord: „nee, pa, want Ant is er nog niet;” maar zoodra een van de
+kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: „daar is
+Ant; Ant is er, hoor!” en dan grepen allen naar boeken en tasschen en
+stormden de deur uit.
+
+Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten,
+kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk
+bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had
+aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was
+gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare
+handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met
+bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar
+gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze
+mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een
+bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op
+schillen wachtte, en de kinderen haar met een: „goeje morge, Ant; dag
+Ant!” voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun
+groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al
+het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden
+verbitterd.
+
+Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was
+oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten
+vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk
+gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit,
+voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield
+veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was,
+maar ook om hemzelf, „want,” zei zij, „'t was 'n best ezeltje, nooit
+eigenzinnig en altijd gezond.”
+
+Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst
+in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou
+lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop
+Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop
+boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het
+tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want
+doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek
+in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou
+zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn „smaak” te vallen.
+
+Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg,
+dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest
+stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden
+geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging
+eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en
+bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de
+schillen waren opgeladen, en Antje „vort Hans!” riep, waarop hij
+terstond aantrok en het karretje wegrolde.
+
+Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar
+ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en,
+naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles
+medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar
+hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den
+hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het
+bijzonder wilde vestigen.
+
+Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg.
+Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar
+ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst
+geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden
+was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten
+aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man,
+een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar
+kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de
+moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar
+jongen—frisch en gezond. „Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie,
+dat harteboertje!” had Antje haar ezeltje toegeduwd. „Maar z'n vader,
+hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank,
+die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe.
+En zij ook; „want als werkman is er geen beter,” zeit z'n baas. En nou
+zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat,
+Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel
+schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht
+doet, nooit...”
+
+Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren
+opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door
+de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar
+de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een
+agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel
+vasthoudende, tot Antje zei: „da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't
+zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na
+'t berô.”
+
+Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek
+den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en
+kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te
+houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest
+van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige
+poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet,
+zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.
+
+„Ho, Hans, ho!” riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en
+zich tot den agent keerende, vroeg zij: „wat zeg je, mot 'k mee na 't
+berô?”
+
+„Wel wis,” antwoordde de agent met een straffen blik, „ik zeg je ommers,
+dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!”
+
+„De derde keer, wat derde keer?” vroeg Antje, den man met groote oogen
+aanziende.
+
+„Maar mens!—dat je schille ophaalt!” antwoordde de agent, met een
+hoofdbeweging naar het karretje.
+
+„Nou ja,” zei Antje, „dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?”
+
+„Maar dat mag je niet doen!” riep de agent uit. „Wist je dat dan niet?”
+
+„Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of
+hoe hè' 'k 't nou met je?” vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.
+
+„Droome,” antwoordde de agent, „dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me
+het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar
+doen vóór 's morgens acht uur.”
+
+„Kom”, zei Antje, „nou nog mooier! wie zou dat verbieje?”
+
+„Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,”
+antwoordde de agent, „maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô,
+dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore.”
+
+Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar
+begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er
+waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning
+ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een
+zucht: „Vort, Hans, vort jonge!”
+
+'t Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij
+dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk
+gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen
+ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone
+verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent
+er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet
+verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het
+politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en
+kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens
+verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief,
+tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige
+opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in
+verband met de komst van den agent.
+
+„Wel Kloek,” vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem
+stonden, „wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?”
+
+„Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge,” antwoordde de
+agent, de hand aan het hoofd brengende, „al drie dage achter mekaar.”
+
+„Maar dat mag je niet doen vrouwtje!” zei de commissaris. „Na 's morgens
+acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je
+moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de
+straat bent.”
+
+„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „as 'k 's morges vóór acht uur me
+schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k
+bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me
+klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge.”
+
+„Ja,” antwoordde de Commissaris schouderophalend, „daarmee heb 'k niet
+te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd;
+en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal
+'t nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze
+nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen
+haar opmaken.”
+
+„'t Zal gebeure, U-gestrenge,” antwoordde de agent, andermaal de hand
+aan het hoofd brengende.
+
+„Maar meneer,” zei Antje, „'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k
+geen schilletjes meer mag ophale?”
+
+„Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,”
+antwoordde de Commissaris. „Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders
+bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!” En terwijl hij zich weer
+verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje
+heen, mompelend: „zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe
+'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar”—en langzaam de trap
+af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd—„ik laat 't er niet bij,
+dat doen 'k niet!”
+
+Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop
+van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen
+zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende,
+Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: „ik heb 't
+Hans, ik heb 't!”
+
+Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige
+voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig
+geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te
+hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien
+haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.———
+
+Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als
+zij wou wachten....
+
+„Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd,” antwoordde Antje. En zoo
+stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij
+de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en
+planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om
+zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen
+gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het
+armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling
+opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek,
+ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de
+gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën.
+
+„Wel, vrouwtje,” zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn
+hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf
+gevouwen en het eene been over het andere geslagen, „wat kan ik voor u
+doen?”
+
+En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die
+er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en
+vroeg wat er aan te doen zou zijn.
+
+„'t Is juist wat ik heb voorspeld,” zei Mr. Verdoorn, met een
+zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, „juist wat
+ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval
+van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor
+een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit
+bezwaar, dit zeer groote bezwaar,” herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig
+gezicht, „het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven
+hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede
+voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles
+wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van
+afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die
+vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen.”
+
+„Ik kan dus een vergunning krijgen?” vroeg Antje, die, van al hetgeen
+zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.
+
+„Onmogelijk is 't niet,” antwoordde Mr. Verdoorn, „maar”—en hij zette
+een bedenkelijk gezicht—„zeker is 't evenmin.”
+
+„Och meneer, doe uw best voor me,” vroeg Antje, „doe uw best, want 't is
+me brood!” en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te
+voorschijn.
+
+„Ik beloof u te zullen doen wat ik kan,” antwoordde Mr. Verdoorn, „en
+zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten.”
+
+„Dank u, dank u!” zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende,
+nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van
+Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.
+
+Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende,
+dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor
+geen geld wilde ontvangen.
+
+Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een
+koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr.
+Verdoorn.
+
+Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging
+zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om
+niet door anderen „onderkropen” te worden, of zij, gedurende den tijd,
+waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen,
+de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen,
+wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden,
+ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde
+zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje
+zich bijzonder goed schikte.
+
+Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en
+reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen
+krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen,
+vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel
+uitriep: „Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken
+en buiginkjes te maken.”
+
+En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig
+gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de
+voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat
+zij haar broodwinning had mogen behouden.
+
+En dankbaar was zij! „Lieve harte,” zei ze, „wat in de wereld ha'k toch
+motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was
+'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef
+te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n
+kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil.” En
+zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: „Vort, Hans, vort
+jonge!” En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan
+uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.
+
+Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van
+politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij
+haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een
+vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid
+van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep
+zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem
+toeliet: „schille, schille, wie het schille!”
+
+Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond
+om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei
+knorrig: „ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet
+late.”
+
+„Dat kan 'k niet, me goeje man,” zei Antje hoofdschuddend; „'t is me
+brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen—vandaag, morge en altijd.”
+
+„'t Is goed,” antwoordde Kloek, „maar je weet wat de Commissaris het
+gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor
+je, 't zal spanne, dat zeg ik je!”
+
+„'t Zal zoo'n vaart niet loope,” meende Antje, 't zal nog wel schikke.”
+
+„Wor nou maar niet bertaal,” waarschuwde Kloek, „want dan maak je 't nog
+erger!”
+
+„Menslief,” zei Antje, „daar denk 'k niet an.” En Hans tegen den hals
+duwende, riep zij uit: „Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de
+Commesaris.”
+
+Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_
+een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen,
+en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.
+
+En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het
+verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij
+hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en
+woonplaats had opgegeven, vroeg zij: „Meneer, toe u me laast het gezeid,
+da' 'k geen schilletjes mocht ophale—dat was toch niet de volle
+waarheid, was 't wel?”
+
+„Mensch,” stoof de Commissaris op, „wou je me in m'n gezicht zeggen, dat
+'k lieg!”
+
+„Maar me lieve meneer,” zei Antje, „dat wil 'k in 't geheel niet zegge;
+ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel
+schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?”
+
+„Die vergunning,” zei de Commissaris boos, „wordt nooit verleend, en 't
+was dus geheel onnoodig daarover te spreken.”
+
+„Ja,” zei Antje, „zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k
+het er toch eentje.” En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer
+dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld,
+haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den
+Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen
+hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in
+_optima forma_ was.
+
+Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een
+toon alsof hij verongelijkt was: „'t is in orde, en we zullen er
+aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt,”
+vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing
+aanziende, „dat mag de hemel weten!”
+
+„Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?” vroeg Antje, die het
+onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de
+vergunning gekregen had.
+
+„Ja, mensch, ja!” antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor
+het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem
+verloren ging.
+
+Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den
+rug kloppende, zei zij: „hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware
+benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en
+voor goed ook; vort, jonge, vort.”
+
+
+
+
+Kinderleed.
+
+
+Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen,
+eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig
+op zijde had geschoven, zei mijn vader: „Meneer Nelissen is zoo even bij
+mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie
+zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in
+het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere
+school moet, ventje.”
+
+„Och heden, dat is jammer!” zei mijn moeder; „dat zal je spijten, hè,
+Willem?”
+
+„Hè ja!” riep ik uit, „zoo'n prettige school.”
+
+„Ja,” zei mijn vader, „het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een
+verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed
+onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu
+informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet
+een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed.”—En
+hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen
+broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest,
+en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen „een ietsje
+flauwer”—de Metallieken „een tikje beter” waren, en verder verslag
+gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws,
+dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan,
+dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik
+mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen:
+„Heere—zegen—deze—spijs—en—drank—amen,” waarna het mijn beurt was,
+en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half
+bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij
+paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet
+alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het
+ernstige gelaat van mijn vader.
+
+Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en
+mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en
+een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij
+opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en
+konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers,
+van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen
+kwam spoken.
+
+Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer
+Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij.
+Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een
+zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de
+genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem,
+als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren,
+dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane
+wijze handhaafde hij orde en tucht.
+
+Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school
+bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een
+klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken.
+Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing,
+voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen,
+stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende
+venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige
+inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.
+
+„Je mag zoo maar niet opstaan!” zei Henri, die naast mij zat.
+
+„Dat zal hij langzamerhand wel leeren,” zei meneer Nelissen, mij op den
+schouder kloppende. „Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar
+zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest,
+en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En
+wat hij deed,” vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende,
+„is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te
+onthoofden, niet waar Henri?”
+
+„Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,” mompelde Henri. En toen meneer vroeg
+wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.
+
+Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog
+al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik
+in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens
+van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn
+gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.———
+
+„En waar gaat hij nu heen?” vroeg meneer Nelissen, toen hij een
+afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem
+vaarwel te zeggen.
+
+Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer
+Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg
+mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school
+kende?
+
+„Zeker mevrouw,” antwoordde hij. „Kreggers is een knap man, geloof ik,
+een _heel_ knap man.—Hm.!” En dit zeggende stond hij op, nam afscheid
+van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.
+
+Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij
+niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij
+naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.—Arme meneer Nelissen! gij
+waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand
+kunnen brengen———
+
+Meneer Kreggers—groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos
+gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder
+zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke
+handen ter hoogte van het gezicht houdt—meneer Kreggers zegt: dat ik
+brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat
+ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik
+kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook
+voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel
+eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch
+niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat
+hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij
+voor de klas staat en les geeft.
+
+Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet
+volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk
+waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En
+eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. „Je verstand is goed,”
+zegt hij, „maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;” en
+mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit
+zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij
+gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij
+heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van
+het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een
+liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept:
+„_Messieurs, la prière!_” totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen
+gaan.
+
+Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle
+jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij
+ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar
+in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand
+op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal
+de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die
+te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik
+hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn
+eigenzinnigheid versterk.
+
+Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik
+brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met
+den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb,
+zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar
+o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze,
+waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent,
+zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en
+die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij
+trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers
+zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.
+
+En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij
+toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het
+niet en geloof ook niet, dat ik „zoo'n akelige jonge” ben. Ik weet, dat
+men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo „slecht”
+was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en
+waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan
+denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was,
+terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een
+pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de
+mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de
+jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk,
+lammert, en zoo vele andere toe, en—ben ik rampzalig.
+
+Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet
+geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin
+zooveel vooruit zijn—Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet,
+dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra
+hij dan ook zegt: „_et maintenant, Messieurs, la lecture française_,”
+word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb
+om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij
+iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een
+andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken
+woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt
+het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te
+maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste.
+Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is,
+en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel
+tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook
+wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op
+hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het
+einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt
+zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik
+vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik
+voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen
+heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van
+een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept:
+„_Assez, maintenant l'arithmétique_,” een werkzaamheid waaraan ik
+evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op
+een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en
+gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei
+schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_.
+
+Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was
+eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest
+wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke
+letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les
+chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. „Lees dat nu
+eens hardop voor,” zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij
+er bij: „en nu niet geagiteerd, asjeblieft!”
+
+Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen
+van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe
+tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen
+en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de
+zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den
+uitgang „ion” moet verbinden met de „g”, of de „s” of een andere
+medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders
+uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_.
+
+Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast
+mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te
+gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche
+et un imbécile_.
+
+Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half
+wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik
+zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van
+minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met
+ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en
+nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem
+komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat
+mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en
+zegt, schijnbaar kalm: „we zullen het nu nog eens probeeren, maar
+nu”—en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon—„nu pas je op,
+versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_.”
+
+In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide
+woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij
+zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den
+gek te houden?
+
+Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik
+zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.
+
+„Krijg ik ook antwoord?” vraagt hij.
+
+„Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!” roep ik uit.
+
+Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover
+verder niet wil spreken en herhaalt: „_des ... i ... eux_.”
+
+Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te
+doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het
+gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: „_des sjeux_.”
+
+Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is
+duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar
+hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend:
+„nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.”
+
+Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze
+omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend,
+terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.
+
+Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op,
+en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: „marsch, in den
+hoek..!”
+
+Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij.
+Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat
+hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen
+schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef
+ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek,
+maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de
+zakken en kijk rechts en links naar het plafond.
+
+Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt
+meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis
+brengen—en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat
+zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te
+moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en
+met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen
+in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende,
+naar huis.
+
+Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een
+allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen
+als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord:
+dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal
+inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij
+zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te
+openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij,
+reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien,
+dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in
+die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren
+nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren
+_instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en
+onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij
+dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den
+hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk
+van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit
+wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat
+ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn
+onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille
+van zijn prestige stellen moet.
+
+Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien
+betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen
+hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij
+keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: „en wat zegt m'n jongen
+nu?”
+
+O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik
+wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was
+als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en
+altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet
+geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het
+eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.
+
+„Maar 't kind is zenuwachtig,” zei meneer Kreggers glimlachend.
+
+„Ik geloof het ook,” antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er
+bij: „misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen”—en nu
+klonk zijn stem weer krachtig—„zal mijn zoon uw school niet langer
+bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en
+tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_
+zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad,” vervolgde mijn vader, meneer
+Kreggers vast aanziende, „betuig ik u mijn dank.”
+
+Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last,
+waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg
+ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij
+streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was———
+
+Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner
+ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden,
+die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet.
+
+
+
+
+Karel Jan Vonk.
+
+
+„K..arel, J..an Vonk,” zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met
+den rug naar het venster mijner griffie staat „zoo spreekt hij precies,
+en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en
+onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor
+mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. „Neem het copyboek,” zeg ik
+tegen hem, „zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee
+Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je
+natuurlijk het woord „heer” in „mevrouw” veranderen.” En Vonk deed
+precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond
+er boven: „WelEerwaarde Mevrouw.” WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de
+burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je
+honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij
+zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register
+waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles
+maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen
+zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd.”
+
+„Mijn waarde,” zeg ik, „daarover behoef je je niet ongerust te maken.
+Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet
+gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou
+worden opgeleid?”
+
+„Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen,
+dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest
+eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch
+en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te
+zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een
+kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in
+den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een
+baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of
+van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk
+niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool
+te Diepenburg geweest.”
+
+„Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?” vraag ik.
+
+„Als een rots,” bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik,
+„en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om
+schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak
+was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar
+geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen
+hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier
+gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een
+gemakkelijk heer—en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag
+genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij
+zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog
+met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele
+onheil had overzien, den jongen onder handen genomen—en zulke venijnige
+dingen gezegd heeft—want Venninga is nog al scherp, zooals je weet—dat
+Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.”
+
+„Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?”
+vraag ik.
+
+„Dat weet ik niet,” antwoordt de burgemeester. „Venninga is natuurlijk
+dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij
+komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls
+doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij,
+om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij
+zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.
+
+„Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het
+op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een
+te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer.
+Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het
+andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk
+mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn
+kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem
+standjes gegeven, standjes...”
+
+„Ja,” zeg ik, „dat zal wel.”
+
+„Hè!” roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende,
+„waarom denk je dat?”
+
+„Omdat ik geloof,” antwoord ik, „dat je wel een beetje heftig bent, weet
+je.”
+
+„Ik geloof 't ook,” erkent de burgemeester, „maar 't schijnt geen
+slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: „dat
+mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;” 't geen
+hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog
+al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te
+steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem
+weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en
+aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben
+om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat.”
+
+„Is hij gewillig?” vraag ik.
+
+„Zeer gewillig.”
+
+„En ijverig?”
+
+„Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben
+als—als een heimachine,” zegt de burgemeester, die met deze even
+krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.
+
+„Nu,” zeg ik, „dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan
+hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?”
+
+„Graag,” antwoordt de burgemeester. „Ik ben blij om hem en om zijn
+ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_.”
+
+En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der
+griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien
+jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen,
+gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar
+netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals,
+waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.
+
+Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco
+van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het
+_imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje
+bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.
+
+En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de
+beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar
+stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig
+gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er
+alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in
+te vullen—wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_
+is—heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor
+den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik
+mij volstrekt niet vereenigen kan.
+
+Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich
+kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen,
+terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt,
+en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.
+
+En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en
+telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.
+
+En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen
+nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan
+zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag
+beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken
+moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat
+alle vonnissen de woorden: „in naam der Koningin,” aan het hoofd moeten
+voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud
+imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: „in naam des
+Konings.” En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan
+geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel
+uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan
+trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of
+hij het begrepen heeft.
+
+En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een
+eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls
+betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar
+telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te
+hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die
+langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en
+omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem
+handelen moet.
+
+Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor
+hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan
+vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn
+moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls
+pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is.
+Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje
+is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn
+oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en
+moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje,
+die allen nog klein zijn en op school gaan.
+
+Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben,
+wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend
+hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor
+handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls
+gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden,
+waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde
+toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de
+normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter,
+twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet
+geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en
+graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat
+hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar
+op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van
+zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand
+voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden,
+maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd
+gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags,
+omdat vader dat verboden had.
+
+Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.
+
+„Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.”
+
+Hoe bracht hij den Zondag verder door?
+
+„Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot
+Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan
+las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.”
+
+Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?
+
+„Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor
+hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond.”
+
+Las hij veel?
+
+„Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was
+hier geen bibliotheek.”
+
+Had hij geen konijnen, geen duiven?
+
+„Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel
+aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de
+menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze
+moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze
+Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen
+lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht.”
+
+Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het
+strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?
+
+Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets
+in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen,
+maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij,
+dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.
+
+En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn
+ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn
+schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets
+voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een
+schamel kleed.———
+
+Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een
+maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even
+later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging
+kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar
+boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon
+komen, omdat hij ziek was.
+
+Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in
+den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.
+
+„Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. „Vonk,” zei ie van morge, toe
+'k 'm uitliet, „dat lampie”—en de stem van den ouden man beeft—„dat
+lampie brandt nog maar heel eve.””
+
+„Arme jongen...!”
+
+„En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet,
+da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n
+dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm
+wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te
+jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg
+'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en
+'m alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En
+daarom—beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag
+nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal
+zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar
+Hij doodt.”
+
+Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer
+zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij;
+hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig
+veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven
+om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen
+neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet
+van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt.
+Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van
+dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.
+
+Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal
+stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem
+dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.
+
+Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde.
+En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de
+bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas,
+even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert
+het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak
+voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar
+huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een
+rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:
+
+ Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek:
+ „Schijn, zonnetje, ook op mij!”
+ Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet,
+ Haar stralen gingen voorbij.
+ Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag,
+ En tuurde naar 't morgenrood,
+ Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat,
+ Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.
+
+En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!——
+
+Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer
+op de trap en zijn vader kwam binnen.
+
+„Hoe is 't?” vraag ik.
+
+Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.
+
+„Geen hoop meer?”
+
+„Nee;... hij is dood.”
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij
+gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het
+kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die
+naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het
+weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong
+leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag:
+kleurloos, mistig en koud.
+
+O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des
+levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel
+onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.
+
+
+
+
+De oudste.
+
+
+Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van
+ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid
+voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden
+herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een
+gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken,
+dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen
+van onzen levensweg, den blik terug wenden.
+
+Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn
+vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede
+visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben,
+prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten,
+herdenk ik wat achter mij ligt.
+
+Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd
+portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn
+schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek
+wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede
+zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde
+zij er bij, God te danken dat het zoo was.
+
+Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar
+waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop
+wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren,
+genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen
+sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.
+
+Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart,
+bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te
+hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen,
+toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb
+ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij
+altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.
+
+Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw
+haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij
+de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden,
+dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die
+blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine,
+onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang,
+altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar
+zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik
+was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn
+ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.
+
+En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende
+kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien
+lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes
+weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke
+gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking
+van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze
+eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.
+
+„Ons kind, onze zoon!” Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en
+hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende,
+herhaalde: „onze zoon.”
+
+„Dien wij willen liefhebben,” zei ik, „_ook_ met geheel ons verstand,
+tot zijn eigen geluk en tot het onze.”——
+
+Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk
+opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste
+broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren,
+donkere oogen, blozende wangen en het—aan de mondhoeken naar beneden
+getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet
+hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn
+mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het
+strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem „de jonker”
+noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij
+vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen
+legt.
+
+Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange
+wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende
+het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En
+daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk
+een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten
+wil.
+
+Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der
+sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te
+midden der stilte klinkt: „hoe kom dat?” en als de opkomende maan zijn
+aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt:
+„het de maan ook beene?”
+
+Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met
+hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat „goote
+mense doen.” Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit,
+het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille
+uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om
+ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem
+uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.
+
+Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen
+te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:
+
+„Daar kom 'n man an, hè?”
+
+„Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt.”
+
+„Goeje man, hè?”
+
+„Zeker wel, vent.”
+
+„Niks bang, hoor?”
+
+„Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als
+jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?”
+
+„Pa zou mijn wel hejjepe, hè?”
+
+„Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't
+Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein
+meisje heeft.”
+
+Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen
+het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van
+haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij
+zich tegen mij aan.
+
+Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn
+ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning
+is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging,
+Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt
+hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij,
+met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: „goeje man, hoor!”
+
+Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar
+door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet
+hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren,
+een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft
+gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en
+door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren
+geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet,
+dat de zee „o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes.” En sedert ik
+hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver,
+van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij
+in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp
+ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere,
+dan roept hij uit: „o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes
+goed zien, hè? die goe...je visserjes!” En die gedachte laat hij niet
+weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi „jiggie”
+hebben, dat zij nu zeker wel „bjij” zijn, en als wij t'huis zijn gekomen
+en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje
+binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens,
+terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes
+houdt: „nou kanne de visserjes mooi zien, hè?”
+
+„Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen
+zien.”
+
+Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt
+hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch
+gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: „o jou goeje,
+ouwe bj...inde Pjins!” dan spreekt het grootste medelijden uit zijn
+stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond
+gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een
+bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw
+werpt, „voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben,” en die dan
+ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig
+verzadigen, dan zegt hij: „dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!”
+en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat
+'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.
+
+Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge
+mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen,
+waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund.
+Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het
+alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van
+Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker
+zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen
+zijn, dan antwoordt ons ventje:
+
+„Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!”
+
+En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een
+hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt
+verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder
+wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den
+laatsten regel zegt:
+
+ „O, 't sjaapie is vedjonke,
+ Och, 't ajme dier is dood!”
+
+dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt
+o, zoo bedroefd!
+
+Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan
+wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan
+staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar
+op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn
+engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.
+
+Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk,
+tot die avond kwam—en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde
+gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend
+onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel—toen Agnes, met een
+benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest
+gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou
+zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was!
+Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans
+zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze
+fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe
+ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij,
+klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om
+het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen
+hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien
+worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt
+te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets,
+dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende
+overtuiging, dat onze teedere bloem—ach, met hoeveel zorg
+gekweekt!—onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.
+
+Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en
+af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje
+drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek,
+vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange
+wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die
+vermagerde handjes en die langzame bewegingen—o, wat zou ik dan niet
+willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach
+te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat
+baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen
+als het beekje, dat zich rept naar de rivier.
+
+Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden
+voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er
+hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes
+overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij
+hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en
+brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn
+drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.
+
+„Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!”
+
+Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle
+aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het
+leven bindt.
+
+Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen
+naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij
+zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij
+zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles
+voorbij...
+
+„Voorbij...!” Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar
+beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen,
+dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik
+met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe
+vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder
+leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein
+heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine
+licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat
+het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de
+witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.
+
+Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het
+strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed
+opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden,
+maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten,
+sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart
+toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren
+dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was
+schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat
+hielden.
+
+En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is,
+als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de
+geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt.
+Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl
+mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het
+altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!——————
+
+Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn
+bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg.
+Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van
+de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen
+op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en
+worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar
+wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee
+des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het
+zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de
+duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind,
+dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend
+zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!
+
+
+
+
+Het klooster der Witte Vrouwe.
+
+(Een indruk.)
+
+
+Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen,
+voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles
+meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan,
+bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn
+vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen
+hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de
+zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top
+van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en
+rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen
+hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in
+zonneschijn en rust.
+
+Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was
+toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op
+deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een
+baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind
+vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet
+veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals
+het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen,
+die het als wachters omringen.
+
+En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het
+leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen—en velen zijn
+het—die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij,
+die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe—wier in steen
+gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een
+nis boven den ingang staat—haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger,
+in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van
+den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen
+des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang
+naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door
+het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en
+misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die
+er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij
+er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de
+wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij
+afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde
+en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen
+Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel
+overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen.
+Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten
+stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich
+gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig
+heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om
+lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te
+oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf
+weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet,
+noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin.
+Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles
+wat de ziel niet behoeft.
+
+Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan
+den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd
+voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk
+gebed in de kapel.
+
+Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich
+een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen
+glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken
+van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit
+en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte
+afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het
+getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister
+brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op
+het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het
+crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van
+dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen,
+en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren
+en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen
+bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan,
+als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek
+ruischt.
+
+Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door
+de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het
+hoofd—bedekt met een wijd-uitstaande witte kap—eerbiedig gebogen, de
+handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil,
+als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is
+bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente
+rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het
+gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.
+
+Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen,
+zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed
+gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer
+menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden.
+Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken
+getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de
+gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.
+
+Immers het leven daarbuiten heet „zorg.” Daar is de zorg voor het heden
+en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de
+zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En
+dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien,
+houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking
+van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt.
+Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des
+levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn
+als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven,
+losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder
+emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart,
+waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur,
+die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of
+langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op
+den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden
+naar deze toevlucht gekomen zijn.
+
+Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die,
+uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht
+en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen,
+in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk
+verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de
+bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den
+dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid
+werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de
+wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden,
+die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden
+dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst.
+
+Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige
+gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den
+schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins
+achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in
+innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles
+vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren
+zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de
+herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd.
+Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem
+en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat?
+Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een
+naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen
+zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner
+vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer
+ziel bezoedelen.
+
+Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond,
+een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over
+haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn
+vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten,
+wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer
+ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk
+oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel,
+den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat,
+waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn
+lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.
+
+Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere
+gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van
+het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk
+haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar
+omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar
+zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen
+ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had
+alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de
+overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij
+gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten
+van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering.
+Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen
+gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het
+hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de
+armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het
+kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de
+pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig.
+En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar
+heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn
+moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen,
+een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en
+bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm,
+die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven.
+En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen
+zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw
+bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht
+naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in
+hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten
+des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen
+den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen
+in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en
+hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van
+haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe
+wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel
+kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt,
+vluchtende ver buiten zijn bereik.
+
+En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen
+morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld,
+haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen
+van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar
+liefde—waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het
+roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?
+
+Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar
+met nadruk had gesproken: „kom tot mij,” en telkens als haar hopeloos
+„waarom” onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer
+gehoord: „kom tot mij,” met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die
+haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan
+het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en
+vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de
+smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert
+naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend,
+zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was
+neergeknield, zeggende: „hier ben ik, Heer!”
+
+En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar
+was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem,
+die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die
+herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.———
+
+Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal,
+die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op
+haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die,
+afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.
+
+Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd
+inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de
+duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt,
+bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem.
+
+
+
+
+Haar keuze.
+
+
+.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar
+haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en
+als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt
+pruilend: „hij het ook zoo'n haast!”
+
+Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij
+begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest,
+toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden.
+En „kermis houwe, met Allerheilige trouwe,” zegge ze in 't dorp.
+
+Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden
+om ontevreden te zijn over een ander. „'t Was,” denkt ze—en starende op
+de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan—„'t was, toe ie me aankeek en
+z'n hand toestak, of iemes me zei: „toe dan, meisie, toe dan!” en 't is
+of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur
+'t kermis is. En dan...”
+
+En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van „de Wykamp”, de grootste
+hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke
+weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even
+heeft gedaan. En „boerin van de Wykamp te worde,” denkt Geerte, „da' 's
+veul!”
+
+Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles
+wat ze zag. „'t Was haast te veul veur een alleenig mens,” had haar
+moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half
+genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het
+goud van zijn moeder bewaarde. „Doe ze 's in, Geerte,” had hij gezegd,
+toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend
+bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud
+weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd
+gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.
+
+„Zou 't waar weze, moeder,” had zij peinzend gevraagd, toen zij naar
+huis liepen, „zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?” En haar
+moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en
+afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel
+mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en
+schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel,
+dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_
+gezicht niets verborg.
+
+Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de
+blankgeschuurde emmers te halen,—want het is tijd om te melken,—en zij
+weet niet wat zij doen zal. „'t Is moeilijk,” meent zij, „moeielijk!”—
+
+Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van „de
+Zonnebloem” gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de
+kastelein van „de Roode Leeuw,” er geweest is en gevraagd heeft waarom
+hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen
+was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.
+
+Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den
+laatsten tijd verzuimd heeft te doen.
+
+„Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,” denkt hij, kwaad
+op zich zichzelf. „Zet de wage voor de schuur, Dirk,” roept hij zijn
+knecht toe, „en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't
+aved weerum.”
+
+Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is
+vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij
+niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat
+zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet
+gebruiken—Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.
+
+'t Is ruim een half uur stappen naar „de Roode Leeuw,” en reeds laat in
+den namiddag, als hij er aan komt.
+
+„Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?” vraagt Harmsen, die, met zijn
+knecht, in 't zolderluik van den stal staat.
+
+„Dat he' 'k,” antwoordt Aart opkijkende; „'t was me deur 't heufd
+gegaan, heur!”
+
+„Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?”
+
+„Of wil ze niet meer van je wete?” vraagt de knecht van Harmsen, met een
+knipoogje naar zijn baas.
+
+„Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!” roept Harmsen uit. „En nou, as
+de weerga de zolder vol.”
+
+En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten
+in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie-
+viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt,
+als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan
+telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het
+luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en
+den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer
+kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd
+in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als
+eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen
+staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het
+zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: „hard werke, da's 't
+beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.” En met een vluggen
+zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen
+geholpen, spant hij zijn paard weer in.
+
+„'n Mooie zwart,” zegt de kastelein, naar borst en „beenen” van het
+fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den
+hals kloppende, herhaalt hij: „'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!”
+
+„'n Beste,” verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen.
+„Stil, zwart! ho jong!”
+
+„Hij 's dartel,” zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te
+laten.
+
+„Hij 's jong, en 't is veurjaar,” antwoordt Aart. „Da-ag!” En de teugels
+vierend, rijdt hij het erf af.
+
+„'k Zal 'm toch 's minder straf voere,” denkt hij, als hij uit het
+mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar
+den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, „hij wordt te veel
+mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!” En met sterke vuist beheerscht hij
+het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en
+knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over
+den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den
+langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.
+
+En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei:
+„veur haar 'n aar.” „'k Mocht lijje,” denkt hij, „dat 't zoo gemakkelijk
+ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette
+kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet,
+maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,—of dat scheelt!
+En as 'k sikuur wist,” denkt hij, op het schoft van het tuig starende,
+„heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,—alla! 't zou dragelijk weze,
+maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r....”
+
+Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels,
+want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en
+door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en
+als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel
+van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert,
+slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....
+
+Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de
+kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen,
+spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende
+dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende
+neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den
+nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig
+schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet,
+peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den
+slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder
+oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort
+jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het
+ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens
+opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij
+zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar
+zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.
+
+„Wie is 't?”
+
+„Aart.”
+
+„Aart? Aart van de Zonnebloem?”
+
+„Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!”
+
+En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg,
+zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht
+treffen, of op den wagen kletteren—voort, naar den tol.
+
+De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het
+doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij
+het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan
+staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan
+open is...!
+
+Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft,
+schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit
+den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.
+
+En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend
+geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de
+rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken,
+door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten,
+uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van
+de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.
+
+„Staat de brug op?”
+
+„Net gestreken.”
+
+„Goddank...!”
+
+Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die
+glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier
+storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de
+gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug
+rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het
+weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van
+ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een
+boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het
+breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om
+van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in
+evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog
+van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem
+ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl
+het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend,
+neersmakt.......
+
+Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel,
+en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst
+gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: „O, Aart! arme, lieve Aart!”
+
+Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief
+gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen
+geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te
+zeggen; want als hij haar nog kan hooren—en ja, dat zal immers!—dan
+zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw
+wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer
+beter wordt!
+
+Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en
+spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug
+af, starende in de verte.
+
+De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij
+aan eenige boeren hoe het gegaan is.
+
+„Net was de „Culemborg” de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie
+kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie
+tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is
+ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het!
+Watte! Effies later viel ie op de ploeg...
+
+„Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en
+toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde....”
+
+„Dood?”
+
+„Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was...
+slim.”
+
+En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen,
+dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.
+
+Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg,
+waaraan „de Wykamp” is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus
+voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen
+tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar
+in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later
+herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis
+zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande,
+schreit zij.
+
+Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt
+zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.
+
+Nog enkele minuten en zij heeft „de Zonnebloem” bereikt, en over het
+erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen
+gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning
+binnen.
+
+'t Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de
+deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat
+zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd
+licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen
+in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de
+borst gebogen, zijn hand in de hare.
+
+Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij
+eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij
+zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op,
+en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde
+en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der
+eeuwigheid op....
+
+Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen
+over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het
+strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de
+wasbleeke wangen.
+
+Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even
+geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem
+in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad—o,
+altijd...!
+
+
+
+
+Blok's Vrouw.
+
+
+„Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?” vraagt Gijsen, een
+kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde
+portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien
+hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.
+
+„Ja,” antwoordt Blok, „'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed
+van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei
+me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. „Blok,” zei ie, „verleje
+Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je
+trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.””
+
+„Da's nog gauw gegaan,” zegt Gijsen, „gauwer as 'k docht.”
+
+„Dat komt,” antwoordt Blok, „doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an
+gelege het late legge. „As ze d'r tege in had gelege,” zeit me avekaat,
+„dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen
+asem het gegeve, nou gong 't hard.” En 't is maar goed ook!” roept hij
+uit, „want zóó.... zoo kon 't niet langer.”
+
+„Dat hoor 'k,” zegt Gijsen. „Ze mot, zooas deze en gene me wist te
+vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn.”
+
+„O man, slim hoor!” erkent Blok, met een zucht. „In de eerste jare van
+ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar
+toe ze daarmee begon”—en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan
+den mond en licht den pink op—„toe was 't mis.”
+
+„J—a!” roept Gijsen uit, „as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je
+het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze
+'m luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an
+verslaafd weze as 'n man.”
+
+„Te minste niet minder,” bevestigt Blok. „En hoe dat 'n vrouw verlaagt!”
+roept hij uit, „dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het
+gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels
+meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies....
+nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht.”
+
+„Dat geloof 'k graag,” zegt Gijsen, „want as 'k me eige goed herinner,
+dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde.”
+
+„Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon,” stemt Blok toe. „En netjes en
+vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” docht 'k, toe 'k met 'r na 't
+stadhuis reej!—Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k
+Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over
+de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze:
+dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die
+tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te
+trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je
+ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht,
+dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze
+_dit_ nou juistement ook niet voorzien.”
+
+„En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?”
+vraagt Gijsen.
+
+„Nee, heel niet,” antwoordt Blok. „'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n
+verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie
+kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid
+zooveel, hè? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank
+'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo
+weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in
+de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis
+kwam, gedocht: „maar mens, wat doe je toch raar!” maar dat dat van de
+drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da'
+'k weer docht: „wat hei je toch?” en dat ze opsting om 't eene of 't
+andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze
+d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam,
+rook 'k, dat ze gedronke had. Nou hè,—ik 'r effe onder hande genome,
+dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij—dronke! zei
+ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe
+hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente
+bedaarwater bij de aptheker gehaald.—Afijn...! Ik had 't gezien, hè? En
+dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte,
+da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. „Nou,” denk
+'k, „nou wordt 't mooi. Ik—altijd van huis, en me vrouw met de fles in
+d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes
+jare was... nou, gaat 't goed!” En die eigenste nacht, dat me vrouw
+sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe
+de dag kwalijk an de hemel sting, ik—na me moeder. „Toe moeder,” zeg
+'k, „doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op.” Niet op me vrouw, meende
+'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me
+moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar—op de
+kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As
+d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog.
+Zie je,” roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel
+opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven
+dan omdat de haren hem hinderen, „toe 'k weer op straat sting, en na 't
+ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag
+kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe
+gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord...”
+
+„Dan voel je,” zegt Gijsen, „dat je 'r ten minste niet heel alleenig
+voor staat.”
+
+„Zoo is 't,” bevestigt Blok. „En van die tijd af was me moeder, as ze
+effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet
+weze, hè? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte,
+en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis
+kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of
+ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet
+te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in—afijn—beroerd! Me
+weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes
+an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk
+in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook.
+Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege
+liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En
+doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze
+af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de
+straat op! 'k Heb 't toch wel gehad,” roept Blok uit, met diepe rimpels
+tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, „'k heb 't toch wel
+gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al
+zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end
+van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had
+'m de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke
+of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik—'m
+opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache
+en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, hè? En dat ie ze hoofie op
+me schouwer leit, valt ie in slaap ook. „'k Breng 'm niet na huis,” denk
+'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en „as me vrouw me nou
+onder de ooge komt,” denk 'k, „dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in
+staat ben.” En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook,
+want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou
+hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De
+vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat
+Antoon is. „Wel nou,” zeg 'k, „jij het 'm de straat opgestuurd, hè? maak
+jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt.” En toe ze d'r achter was
+gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't
+gaande! „Ja nou,” denk 'k, „speel maar op, maar hier komt ie niet meer
+weerom.””
+
+„Opspele?” zegt Gijsen,—„ze had d'r eige motte schame, dat was beter
+geweest.”
+
+„D'r schame!” roept Blok uit, „nee hoor, dat kunsie had ze al lang
+verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst
+maakte ze, dat we moste verhuize.—Dat de bure 't in de gate hadde,
+dat spreekt, hè? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe
+de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze
+de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie,
+net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de
+Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal
+vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en
+niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie
+iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't
+perceel,—dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik—in me vrije tijd 'n
+andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de
+buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end
+loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze
+me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla hè! eindelijk vond
+'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe
+we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge.
+Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze
+nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn
+had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat
+we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze
+kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd
+en 't geld na de kroeg.
+
+„Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat
+handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: „'k mot toch 's met 'r prate,”
+en 'k zeg: „Bet, Bet,” zeg 'k, „waar gane we toch na toe!” 'k Had 't
+kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge,
+en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer
+gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig
+maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.
+
+„Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's
+gauw wat, hè? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: „Zie
+je,” zeg 'k, „as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers
+weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe
+gehad. Want zoo as 't nou is,” zeg 'k, „is 't niks; da' 's arremoed voor
+ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet
+te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad,” zeg 'k, „en ik heb ze
+nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme.
+En as je wil,” zeg 'k, „dat de kindere later zalle oppasse, dan motte
+ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, zei ze, ze
+had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat
+beloofde ze me.
+
+„'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half
+tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel
+om. „Waar ga je nou na toe?” zeg ik. „Na de kerk,” zei ze. 'k Had
+'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de
+Noorderkerk, waar de dominé preekte, daar ze bij angenome was.
+
+„'t Was me wel wat heel mooi, maar „je kan 't niet wete,” denk 'k.
+„'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de
+eerste niet weze, die er van teruggekomme is.” En zoo lie' 'k 'r gaan.
+'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't
+armezakkie, en zij—de deur uit.
+
+„'k Had die dag—'t was Zondag—maar één rondte, en toe 'k t'huis kwam
+om te ete, zeg 'k tege Jan—da' 's me ouwste—„Jan,” zeg 'k, „waar is je
+moeder?” „Moeder,” zeit ie, „moeder is nog niet weerom.” „Niet?” zeg 'k,
+en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na
+kerktijd bij die dominé an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze
+'t _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld.
+Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf;
+'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk
+gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor
+d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge...”
+
+„N—ou,” roept Gijsen uit, „'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!”
+
+„J—a,” zegt Blok met een zucht, „'t was erg...! Wat er die dag bij 'r
+is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En
+woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da'
+'s nou effetief waar, maar zóó,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen
+eens.”
+
+„N—ou,” zegt Gijsen, „maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!”
+
+„As je mijn vóór me trouwe had gezeid,” antwoordt Blok, „dat _ik_ die
+dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me
+heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel,
+da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete,
+dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt.
+'t Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, hè: eerst het ie an vijftig pond
+ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo
+weg.”
+
+„Dat laat 'm wel hoore,” erkent Gijsen, „maar je mot 't maar drage; en
+as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar.”
+
+„Of 't zwaar wordt!” roept Blok uit. „Geloof mijn maar, dat er heel wat
+wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me
+eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k
+niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, hè: 'n
+goed klantje van de tapper heet „verdriet.” Maar 'k zag an me vrouw wat
+er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as
+'k 'r in die toestand zag: „zóó ziene de kindere me noot!”—En onderwijl
+gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis,
+en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest.
+'k Moest van d'r of; zóó kon 't niet langer, en 'k was er mee doende
+toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter
+over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien.
+'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de
+dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me
+moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw
+ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die
+omstandighede noodig het,—die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges
+met looje schoene na 't ketoor. Want kindere,” roept Blok uit,—„as ze
+motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil
+je ze niet weer kwijt.”
+
+„Zoo is 't,” stemt Gijsen toe. „Toe wij in 't begin van ons trouwe geen
+kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: „mens,” zeg
+'k, „wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het.” Maar toe we 'r
+eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan,
+'t in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor
+'m te zorrege, toe zeg 'k: „'t is heel vrindelijk angepreseteerd,
+daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins
+om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as
+afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in.”—En me vrouw
+had me wel om me hals wille valle, geloof 'k.”
+
+„Ja,” zegt Blok, „'t is 'n mens ze vlees en bloed, hè! En zoo wou _ik_
+me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie
+koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter,
+dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting
+ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon
+doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen
+van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove.
+'t Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan
+om ze werk, hè?
+
+„'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was
+overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag,
+da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,—ik effe me
+woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte
+kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en
+hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had,
+en ik—na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want
+voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje
+an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze
+met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster
+vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me
+ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet
+bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was.
+„Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of 'k dat goedvin?” zeg 'k, „ja hoor,
+ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan.”
+„Ja, ja,” zei ze, „dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter
+gaan.” „Dat denk 'k ook,” zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al
+gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge
+door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't
+beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al
+was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou
+doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne
+was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze
+stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. „En de goeje mense,” zei
+ze—„je hoort ze niet.” Zie je,” roept Blok uit, „'k kreeg toe 'n gevoel
+asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw
+al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of
+de kleine draait, maar de groote staat stil...”
+
+„Nee,” zegt Gijsen, „daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r
+plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de
+andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze....”
+
+„Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze,” verklaart Blok. „'t
+Zal dan bij mijn an huis ook weer gaan,” docht 'k;—„wel niet zoo heel
+precies, maar toch 'n boel beter;” en, zoo voelde 'k me wel honderd pond
+lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me jas an te trekke. 'k Doe
+de deur ope, en daar staat, bij de stoel daar 'k me spulle op gelege
+had, me vrouw, en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe
+achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt ze aldoor
+achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug tege de muur sting. „Ben je
+nou bang voor me?” denk 'k, „waar is dat voor? want me hande na je
+uitgestoke he' 'k nog noot.” Maar 'k zag, dat ze gedronke had, en zoo
+gaf 'k er niet om, hè? Maar net, da' 'k me tas en me geldzak zal opneme,
+gaat 't me door me hoofd, dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan,
+en misschien al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest.
+„Verd...!” denk 'k, „ze is zoo van me geschrokke, ze zal toch niet...”
+En voor 'k recht wist wa' 'k deej, draaide 'k de deur of, dat ze niet
+kon wegloope, en ik—me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee
+bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke, d'r hoofd
+voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd ope.—De specie was er:
+zooveel an rijksdaalders, zooveel an guldes, zooveel an klein geld...
+dat kwam uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van honderd
+gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker. 'k Had er drie ontvange,
+hier een en daar een, maar da' 'k er drie most verantwoorde,—daar ging
+niks van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde gebeefd, hè?
+maar 't was weg en 't bleef weg, en me vrouw most 't hebbe. „Bet,” zeg
+'k, en 'k gong na 'r toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r
+achter sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... „Bet,” zeg 'k. „geef
+me dat briefie weerom.” Maar me vrouw keek me an, aldoor strak an, maar
+ze gaf geen asem. „As 'k an 't ketoor kom,” zeg 'k, „en 'k heb geld
+tekort, dan jage ze me weg; en waar motte we dan na toe?” Maar wat
+scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r hoofd, maar ze hieuw d'r mond.
+„Maar mens,” zeg 'k, „hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?”
+En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou gaan opspele.
+„Stil,” zeg 'k, „in Gods naam, wees stil! Je weet ommers, dat Jan ziek
+is? Welnou, nou slaapt ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou
+doorslaapt. Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook jouw jonge. Jij
+het 'm onder 't hart gedrage, en je weet ommers nog wel hoe blij dat je
+was, toe ie komme most?” En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke
+trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van honderd gulde, dat ze me
+over gaf.——————
+
+„Dat dat gebeurde,” zegt Blok, zijn pet naar achteren duwende en met
+de vlakke hand een paar malen over het voorhoofd strijkende, „dat dat
+gebeurde, is nou alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he'
+'k 'r nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat ze zit,—ik
+weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis leit in 'n slaapstee in de
+St. Jacobsdwarsstraat, en de ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met
+negosie, in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt, of
+wat er verders met 'r gebeure zal,—van mijn is 't of. _Ik_ heb geduld
+genoeg met 'r gehad, en 'n best leve had ze kanne hebben, maar ze het
+niet gewild.”
+
+„En dan zit er ook al niet veel anders op,” zegt Gijsen, „as dat ze
+daarvan dan ook de gevolge mot ondervinde.”
+
+„Ja,” stemt Blok toe, „dat kan al niet anders. Maar as je me nou vraagt
+of 'k daar heel geen weet van heb,—dat niet.—D'r is 'n tijd geweest,
+da' 'k veel van 'r gehouwe heb, hè? En de moeder van me kindere,—dat
+blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben, en dat zou 'k
+niet anders wille, maar as 'k 't goed bekijk, dan he' 'k toch meer
+mejelijje met 'r as wat anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had,
+dat ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat kamertje
+had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat voelde, hè?—En daar benne we
+alweer an 't ketoor. Jij gaat zeker voor in?”
+
+„Ja,” antwoordt Gijsen, „ik mot brieve anteekene.”
+
+„En ik,” zegt Blok, „ga hier bezijje of. Dag, hoor.”
+
+
+
+
+Geen „Verrajer”.
+
+
+In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks den tijd waarop de
+werklieden naar karwei gaan en de melkboeren met hun wagens de stad
+inrijden, komen twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien
+of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten
+en meer vodden dan kleeren aan het lijf, de Korte Amstelstraat uit
+en loopen, linksom gaande, langs den Amstel in de richting naar de
+Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar niet zwaar is en
+kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk bewegende, met een loerenden blik
+om zich heen. De jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen
+beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de Hoogesluis
+verwijderd, de jongste plotseling blijft staan en uitroept:
+
+„Verdikke Koo, twee leenmichels!”[1]
+
+[Footnote 1: Rechercheurs.]
+
+„Dat lieg ie. Waar?” vraagt de oudste.
+
+„Op de Hoogesluis,” antwoordt de jongste, en kijkt met groote oogen
+naar twee personen, loopende in de richting naar het Weesperplein.
+
+„Niet bunsig[2] worre, Pietje,” waarschuwt Koo. „Ga wat meer voor me
+loope, dat ze 't zakkie niet zien. Kijke ze?”
+
+[Footnote 2: Bang.]
+
+„Nee.”
+
+„Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?”
+
+„Omdat ze laast bij ons ware,” antwoordt Pietje, „en de langste, die kan
+'k toch al,—da' 's van Dam.”
+
+„'t _Benne_ leenmichels,” bevestigt Kootje, als hij, even om den jongste
+heen ziende, de beide personen in het oog heeft gekregen, wier
+verschijning het ventje, dat heden voor het eerst met hem „gewerkt”
+heeft, zoo grooten schrik op het lijf jaagt.
+
+„Domme, nou kijke ze!” roept Pietje uit. En in een ommezien trekt hij
+zijn klompen uit, neemt die in de linkerhand, en rent weg, al loopende
+zijn broek, die veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand
+ophoudende.
+
+„Bunsigert!” roept Koo hem achterna, den zak op een stoep smijtende,
+„beroerde spatzetter! As ze me snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!”
+
+Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling wegloopen van Pietje
+den argwaan der rechercheurs zal hebben opgewekt, staat hij in beraad
+den zak in den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot zijn
+verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in plaats van den Amstel
+op te gaan, zooals hij verwachtte, schijnbaar zonder kwaad vermoeden
+doorloopen, de Sarphatistraat in.
+
+Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt voort, mompelend dat
+hij „vertikt” zal zijn, als hij ooit weer iets doet met „zukke snotneuze
+van jonges, die geen lef[3] hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n
+loer zouwe draaije.” Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt hij voorzichtig
+om het hoekhuis heen, maar niets van de rechercheurs bespeurende,
+vermoedt hij, dat zij een zijstraat of een woning zijn ingegaan, en
+vervolgt hij zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende, om
+niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het West-Einde, loopt die
+straat door, en juist als hij rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op
+zijn schouder en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide
+rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft.
+
+[Footnote 3: Moed.]
+
+„Dat dacht je niet, hè Kootje, da' 'k zoo in eene uit de lucht zou komme
+valle?” vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing
+waarmede de jongen hem aanziet. „Maar zie je, maatje, dat komt omdat je
+niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis
+keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. „Nou
+jij dat aardige, kleine jongetje achterna,” zeg 'k tege me kameraad, „en
+ik Kootje opgepikt.” En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer,
+die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, hè?
+En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie
+je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan
+doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou
+'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al hà' je
+mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan
+prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.—Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's
+met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep
+stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, hè? Alla, neem
+'t zakkie dan maar op.”
+
+„Draag 't zellevers,” antwoordt Kootje, nijdig.
+
+„Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege
+morge, tege 'n goed vrind van je.”
+
+„Stik!” roept Kootje uit.
+
+„'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus,” vraagt van
+Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt.
+
+„Och malle!” roept het meisje uit, „laat mijn maar loope. 'k Zal 't an
+je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat.”
+
+„Jij doe maar,” antwoordt de rechercheur, „dan zal 'k 'r zegge, da' 'k
+je voor me schoonmoeder hieuw.—Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage?
+Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k
+zou me eige wel kanne begrijpe, dat je „adie” zegge en 'm smere zou, as
+'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.—Koman dan
+maar!” En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien
+hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van
+Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan.
+
+„Nou,” zegt van Dam, zorg dragende zóó te gaan staan, dat Kootje niet
+kan wegloope, „late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies?
+Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente.
+Jonges Kootje”—en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig
+van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak—„je bent van
+morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed
+besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de
+uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie
+niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je
+gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij
+je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?”
+
+„Wie?” herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den
+rechercheur, die durft te denken, dat hij zal „klappe”—„wie? Kees
+Gappe, hè!”
+
+„Ja!” roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd
+is, „was die 't? Da' 's nog famielje van je, hè? Maar dat nou 's daar
+gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat hè' 'k; 'n
+heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil
+je wete wat 't is?” vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van
+den jongen leggende.
+
+Maar Kootje, nijdig omdat hij „zuur” is, trekt wrevelig zijn schouder
+terug en zwijgt.
+
+„Hoor 's jongetje,” zegt van Dam, nu in vollen ernst, „nou he' 'k je
+maar één ding te zegge: òf je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb
+en asem geve as 'k je wat vraag, òf, as je dat niet van zins bent, dan
+blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die
+neme je mee, dà' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent
+dus gewaarschouwd, Kootje!” roept de rechercheur uit, den jongen met
+zijn signaalfluit dreigende. „Nou nog 's”—en al sprekende, brengt hij
+bedoeld instrument langzaam naar den mond—„wil je nou hoore, of mot 'k
+muziek make?”
+
+„Wat mot 'k dan,” vraagt Kootje nurks.
+
+„Zie je wel, daar draai je al bij!” zegt van Dam, „en da' 's dan ook
+verstandig van je.—Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt
+'t.—Die pijpies”—en van Dam kijkt den jongen scherp aan—„wou je zeker
+bij Krido brenge, hè? Want je ging die kant uit!” voegt hij er, met
+eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.—Kootje denkt
+even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van
+den rechercheur.
+
+„Zie je wel, dat dacht 'k wel!” verzekert van Dam. „Nou zeg 'k altijd,
+Kootje,” vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, „dat 't de ergste niet
+altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of
+daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je
+'r gemeenlijk bij, dat spreekt, hè!—maar opkoopers, as Krido, as
+Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door
+al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r
+niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel
+cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as
+'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet
+zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam—dat zou heelemaal niet
+mal weze.—Nou mot je wete, jongie”—en de rechercheur gaat met één been
+op de stoepleuning zitten—„dat me kameraas, 'n maand of zes geleje,
+Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd
+van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of
+_ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.—Wat
+zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat
+„oome maffie,” zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou”—en de
+rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak—„voor 'n jaar of
+wat zakkies most plakke.—Moppig, hè?”
+
+'t Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw
+glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen,
+maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij
+antwoordt: „ja, dat zal je ook glad zitte...!”
+
+„Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate,”
+zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. „Kijk nou 's! As jij nou
+'s”—en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der
+rechterhand op en neer—„die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido
+bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,—dan zou
+ie 't toch koope, denk 'k?”
+
+„Ja, daar zal ie ook wat om male!” roept Kootje uit.
+
+„Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete
+het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele,
+hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel
+op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed
+verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve
+hebbe. Dus,” zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende,
+„alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n
+handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat
+je—versta me nou goed—nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt
+benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank
+getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me
+dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor
+dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,—je
+weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin.”
+
+„En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?” vraagt Kootje,
+den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, „want die pijpies
+heb _ik_ niet gegapt, hoor!”
+
+„Och kom!” roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach
+aanziende.
+
+„Wel neen 'k!” zegt Kootje, verontwaardigd. „Je het ommers die andere
+jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't
+voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam,
+de cente of te drage.”
+
+„Och kom,” herhaalt de rechercheur.
+
+„Wel ja,” grauwt Kootje, „da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat
+zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga
+zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's
+late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur hè?”
+
+„Ei..!” en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, „da's heelemaal niet
+mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje;
+maar”—en de rechercheur denkt een oogenblik na—„'k beloof je, da' 'k
+je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat,” beweert hij, een
+bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals
+strijkende, „as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben
+'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!” roept
+hij uit. „Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?”
+
+Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop
+gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het
+handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap
+evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de
+rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de
+politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als „de mottige”
+bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu,
+dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit
+zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar
+hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam
+hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht,
+begeven zij zich met hun driëen op weg, om den niets vermoedenden
+opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen
+afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de
+zaak haar beslag heeft gekregen.
+
+„'k Heb 'n lief kansie,” denkt de rechercheur, „'n heel lief kansie, en
+as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste
+daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't
+Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vóór
+het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te
+make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb
+gezet, nou is 't je geraje, maatje,”—en de rechercheur kijkt met een
+dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den
+mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt—„nou is 't je geraje,
+dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je
+in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!”
+
+Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido
+gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten,
+gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en
+'t is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis,
+een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en
+ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper,
+lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen,
+van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken
+de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen,
+ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van
+de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van
+dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot
+Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: „daar, weeg maar
+op.”
+
+De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl
+Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule
+staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: „is dat awwes? 'n
+enke' stukhie zinkhe pijp!”
+
+„Alles!” roept Kootje uit, „ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n
+verhuiswage met goed achteran komme, hè...!”
+
+„'k Zà 'm zien komhe,” antwoordt Krido en, met een blik naar den
+mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht,
+bij: „'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook.”
+
+Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt
+Kootje, Krido brutaal aanziende: „as je maar niet in de gate het, dat 't
+gegapt is, hè?”
+
+„Gaphe!” herhaalt Krido, verontwaardigd. „Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe
+zou gestowe goed koophe...!”
+
+Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den
+mottige.
+
+„As 'k ooit ies heef gekoch,” vervolgt de opkooper, „dat achte-af gezien
+geen zuive-è koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in
+de hande' niet voo-komhe, dà' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe
+is? Mà as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-è, heef 'k
+dan niet a-tijd gezeid: „gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij
+Kgido, da' mo' je niet weze?””
+
+„Dan koop dit ook niet,” raadt Kootje hem aan, „want die pijpies binne
+gegapt, hoor!”
+
+„As dat waagh is,” zegt Krido rustig, „ove' wat zou jij dat dan zeghe?”
+
+„Dat vraag die leenmichel, die buite staat,” antwoordt Kootje.
+
+Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende,
+dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op.
+
+„Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!” roept Kootje uit, „en as je me
+niet gelooft—'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!”
+
+De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar
+hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in
+de oogen ziende, vraagt hij: „voo' wat zou die buite sthaan?”
+
+„Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies
+koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne,” antwoordt Kootje.
+
+Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur,
+draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de
+stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet,
+vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: „wie sthaat è
+buite; hoe hiet ie?”
+
+„Wie!” herhaalt Kootje, „van Dam, hè! die van morrege, toe 'k die
+pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het
+angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...!
+Ik zuur, hè! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k
+de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om
+jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. „Da' 's moppig,” zei
+ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel
+moppiger, hè!”
+
+„Zoo'n vervloekte judas,” zegt de knecht van Krido binnensmonds.
+
+„'n Hond!” roept de opkooper uit. „Heef 'k niet à-tijd de resersie in de
+hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage,
+of 'k ditte of datte had gekoch: „kijk mà' na, en zoek mà' uit!” En
+asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet à-tijd gezeid van wie 'k had
+gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen?
+Ha' 'k niet kanne zeghe: „ikhe weet van niks, en me goed—dà kom je
+niet an?” En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n
+stukhie zinkhe pijp! Mà' 'k zà ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe,
+en ze zà-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam”—en
+Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de
+jongen terstond met den mottige deelt—voegt hij er bij: „en zeg 'm ook
+dat 't 'm zà heuge, dat ie Kgido heef gezoch.” En dan, naar de voordeur
+gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden:
+„zoo'n hond!”———
+
+„Wel donders!” denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje
+met den gevulden zak ziet terug komen, „'t is mis! Hoe duivel is dat
+mogelijk?”
+
+„Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?—Loop maar 'n endje mee; hier, de
+dwarsstraat in.—Nou, wat zei ie?”
+
+„Da' 'k 't maar weer mee most neme,” antwoordt Kootje, „toe 'k zei, dat
+'t gegapt was.”
+
+„Wel verbazend!” roept van Dam uit.
+
+„Kan ik 't hellepe?” vraagt Kootje.
+
+„Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!—Wel, wel! Wou ie er niks
+mee te make hebbe, mottige.—Zei ie dat?”
+
+„Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig,” antwoordt de
+mottige, „maar bij hem—daar ware we niet te recht.”
+
+„'t Is sikuur 'n mirakel!” roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de
+zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den
+andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe
+tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen
+verbergen.
+
+„'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe,”
+verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: „waarom zou
+ie 't niet gedaan hebbe, denk je?”
+
+„Weet ik 't?” antwoordt de jongen.
+
+„Hoort eris, maatje,” zegt de rechercheur, „je bent machtig kort van
+asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido
+was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve
+doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k
+dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier.”
+
+„En krijg 'k nou geen koekie?” vraagt Kootje, den zak latende vallen en
+den rechercheur brutaal aanziende.
+
+„Nee,” antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, „'n
+koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar
+'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet,
+jongie”—en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den
+wijsvinger op den schouder—„as je wijs doet, dan maak je, dat je
+vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!” En den zak
+opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. „'t Is zoo klaar as
+de dag,” denkt hij, „Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie,
+dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_
+moppiger gevonde—zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe
+te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.—Maar 'n mens mot
+leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val
+te lokke—nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!”
+
+
+
+
+De aanspreker.
+
+
+„Nog 'n hallefie, Pieterse,” zegt van Soelen—een dikke aanspreker, die
+de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood,
+gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen—„nog 'n hallefie,” en
+dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een:
+„meneer asjeblieft,” welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in
+plaats van: „asjeblieft meneer” te zeggen, het glas opneemt en het,
+enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld—want om de concurrentie
+met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat—voor
+zijn gast op tafel zet.
+
+„As 't zuk nat weer is as nou,” zegt van Soelen, het glas tegen het
+licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den
+mond brengt, „as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da'
+'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in
+ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en:
+
+ „as 'n boom, in de herfst, ze blare,
+ verliest 'n mens met de jare ze hare;”
+
+las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k
+buitedien ook al,” verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van
+zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een
+kommetje.
+
+„Ze magge zegge wat ze wille!” roept hij uit, een zakje met vijf sigaren
+uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende—„de jenever is dit
+en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't
+zooveel as de volkskanker was—ook al, en dat je mirakel wijs deej as
+je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...!
+_Ik_ zeg maar: „'n iegelijk mot wete, wat 'm past.” Ik drink ze al lang,
+dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar—van de gezondheid
+gesproke—hoe maakt 't je dochter?”
+
+„Och!” antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te
+kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, „dat blijft
+aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n
+Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar
+voor d'r eige heen te zitte suffe—daar krijg je op 't laast de duvel
+over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze
+heelemaal van de kook.—En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou
+eigelijk het. 't Is zóó met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient
+zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make,
+dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief
+in zit—ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't
+wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. „'t Is
+niettes,” zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's
+over de vloer komt, „ze is slap. Geloof me nou toch 's,” zeit ze, „'t is
+niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn.” Maar de zuster
+van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't
+kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze
+zoo bleek ziet en zoo papperig is.”
+
+„Je mot 'r 's late onderzoeke,” geeft van Soelen in bedenking.
+
+„Ook al gebeurd,” antwoordt Pietersen; „de dokter is 'r bij geweest, en
+'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die
+konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou,
+daar ha' 'k nou ook wat an! „Spatare,” zeg 'k, „die zalle d'r niet na
+d'r hoofd vliege.” En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an
+en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar
+verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en
+dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan
+mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd
+iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.—Ja, toe maar! 't
+Is gauw gezeid, hè? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij
+de heele dag me hande vol, en me vrouw—met 'r huishouwe en d'r zes
+andere kindere—kan 'r tijd ook wel an.”
+
+„Ja,” zegt van Soelen, „verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne
+ze nog beter, maar 'n kwaal kereere—da's nog wel effe wat anders.—En
+daar hei je de cyperse ook,” roept hij uit, als de deur opengaat en een
+van zijn confraters binnen komt, „ik docht al: waar blijft ie. Gaat
+zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte.”
+
+De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder
+de aansprekers als „de cyperse” bekend staat, zet zijn parapluie in een
+hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn
+wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover
+van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat
+het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog
+terugloopt.
+
+„'t Zal mijn 'n zorg weze,” verklaart van Soelen. „As we dit karreweitje
+van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't
+niet opklaart, dan blijf ik d'r in.”
+
+„'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik,” zegt Hinsen, met een zucht,
+„kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans
+dood is.”
+
+„Die van de Keizersgracht?” vraagt van Soelen, „da' 's 'n toggie na
+Muijerberg, hè?”
+
+„Na Muijerberg!” roept Hinsen uit—„en ze hebbe me gezeid, dat ie op
+Zorgvliet....”
+
+„Gelijk hei je,” stemt van Soelen toe, „'t is Zorgvliet, maar 't is ook
+al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van
+'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe.”
+
+„Ja,” zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende
+en zitten gaande, „dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare
+geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de
+eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer
+as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo,
+hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat
+veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.—Neem jij je eige nou maar 's,
+van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had
+overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en
+as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n
+boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor.”
+
+„Of dat beter stong!” roept van Soelen, in zijn zwak getast, uit; „wel
+man, dat scheelt ommers dag en nacht! Wat zeit me vrouw laast, toe ze
+met de schoonmaak me ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek
+voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de mot in zat:
+„dikke,” zeit ze, „'t is toch zonde van je kuite, hè? Vroeger ha' je 'r
+nog wat an, as je voor de stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe
+of je 'n paar goeje beene het? Nee,” zeit ze, „as je mijn nou vraagt,
+dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in je ouwe goed.” En gelijk
+het ze. As je ouwers er voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de
+wereld was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je, 't sting
+degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je maakte, dat je kouse en
+je korte broek glad over je beene zatte; as je schoene met de zillevere
+gespies—daar 'k nou brossies voor me vrouw en me dochter van heb late
+make, omdat ze mijn toch niet meer te pas komme—glomme as 'n spiegel;
+as je jas, van vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in
+de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde, dat je boord,
+je hallefehempie en je beffie helder wit gestreke ware, en je zette je
+driekante steek met de lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan
+mochte ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je elleboge
+buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan voelde je zellevers ook wel,
+da' je 'r weze mocht.—Nou drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n
+lange broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige wat we vroeger
+droege, dan is 't mijn goed, maar _ik_ kan er 't moois niet in zien.”
+
+„En ik niet,” zegt Pietersen. „'t Mocht ouwerwes weze: 'n steek en 'n
+korte broek, maar 't sting goed, hoor! en 't hoorde er hij.”
+
+„Dat deej 't,” stemt van Soelen toe.
+
+„'k Zei laast nog tege me vrouw,” zegt Pietersen, „toe hier 'n
+begraffenis voorbij gong en we nog weer 's ophaalde hoe die er vroeger
+uitzag: „nee,” zeg ik, „ze magge prate wat ze wille, maar as _dat_ nou
+'n lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel veel stasie
+meer an is.””
+
+„Wat zou 't!” roept van Soelen uit. „As 'n vroegere begraffenis 'm
+over de strate bewoog, dan zag je ies daar je eerbied voor kreeg as
+'t voorbijgong, hè? en 't zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied
+was as 't nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die hebbe
+gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel, van bove tot
+beneje, met dikke kwaste en franje, hier en daar effetjes met koorde
+opgenome,—sting dat niet goed? en sting dat niet beter as 't ope
+kassie, dat ze 'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de pêrde
+over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke honge, sting dat
+ook niet beter as 't smalle lappie lake, dat nou, an weerskante van 't
+schoffie, na beneje hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die
+vroeger in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links van de wage
+liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse, d'r achter late loope,
+want nou leutere ze en lache ze, dat 't 'n schandaal is voor de mense,
+die er voorbij loope. 'k Bin zóó niet,” roept van Soelen uit—van wege
+zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over het andere
+slaande—„'k bin zóó niet, da' 'k ieuwers 'n hekel an heb alleenig
+maar omdat 't nieuw is, en 'k zal niet zegge, dat 't nou niet beter
+is as vroeger, dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug
+komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke en met d'r
+beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar genome, 'n tegeswoordige
+begraffenis er bij gewonne het bij 't genige dat ie vroeger is
+geweest—nee, hoor! dat maakt niemand me wijs.—En 't beroerste is—alla
+Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie...”
+
+„Koman,” zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd, „geef mijn
+dat ook maar 's.”
+
+„'t Beroerste is,” herhaalt van Soelen, „dat je er vroeger 'n goed stuk
+brood mee verdiende en dat je 't nou voor 'n schijntje mot doen. _Ik_
+heb begraffenisse gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende,
+behalve je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om! As je
+vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan was je binne, hoor!
+en kon je d'r van renteniere, net zoo goed as 'n makelaar van de
+spekelasie, maar lap 'm dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand,
+die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met je tiene, zal 'k
+maar zegge, daar je nou met je honderde voor staat. Want nou draagt
+alles. Of je bakker, of krante-ombrenger, of kruijeniersknecht
+bent—zoodra 'r wat te drage valt—pak an maar—'t is alweer mee genome,
+en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar in vroeger jare zat 't in
+vaste hande; je was er koster, of barbier, of tafelknecht bij, en je
+bediende in Artis, Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost
+kwam—dat vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie tafeldiende,
+geen kouwe soupee's meer annam. „'k Wil nog wel 's diene,” zei ie,
+„maar dan luuks; as 't de moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om
+'t hallefie.”—Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon, die voor dominé
+leert en, met ze vrouw en ze kindere, leeft ie royaal van de huur.”
+
+„En zoo kan 'k er wel meer,” verklaart Pietersen, de weer gevulde
+glaasjes op tafel zettende. „Daar hei je Tielemans van hierover,
+Grondert uit de Westerstraat, bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan
+nou weer in Weesp woont, waar ie vandaan komt—allemaal ouwe ansprekers,
+die van d'r cente leve, en goed ook.”
+
+„Maar nou nog 's wat,” zegt Hinsen, „hoe komt 't toch, dat van Vliet,
+van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed schijnt bij te kanne? 'n Poosie
+geleje sta 'k met Smulders te prate, en die wist me te vertelle, dat ie
+passies 'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is dat doojefons
+zoo goed, daar ie bode bij is?”
+
+„Wat 'n wonder!” roept van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog maar zoo
+kort bij bent, maar anders zou je wete, dat „Zorg voor de Toekomst”,
+daar hij dan bode bij is, almee tot de grooste hier in de stad hoort. En
+as je _dat_ het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde
+bij verassereerd binne—ja nou, dan is er nog wel wat te verdiene, want
+alle weke komt ie de dubbeltjes ophale, en zoo komt ie bij de mense an
+huis, hè?”
+
+„Waardoor ie,” zegt Hinsen, „nog 's eer as 'n ander weet wanneer er
+iemand begrave mot worre.—Verdikke, ja!” roept hij uit, „dat mot je
+niet uitvlakke.”
+
+„Om de weerga niet!” bevestigt van Soelen. „As ie merkt, dat er een
+ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk op de begraffenis, en zoodra dat ie
+hoort, dat ie dood is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons.
+„Asjeblieft juffrouw,” zeit ie dan met 'n mooi praatje, „daar was 'k al
+met de duite. U most vijf en negetig gulde uit 't doojefons trekke, as
+uws man kwam te valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar
+legge ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, één van vijf en twintig en
+twee rijksdaalders,—hier is uws geld. En as je nou wil, dat je je eige
+met niks het te bemoeie, en dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal
+hebbe, zooas ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en
+dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet eens te koste,
+want, as ik 't zal doen, dan houw je nog over, let maar op.—Hoeveel
+jonges het u? Drie, zeit u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's één
+koes. En hoeveel mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd
+motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier van uws mans kant,
+zeit u? Heel goed—da' 's acht, da' 's dus nog twee—da' 's drie koesse.
+Drie volgkoesse, met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de
+stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,—da' 's zóóveel. En hoeveel
+dragers motte d'r weze? Zalle we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's
+heel netjes en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi zoo.
+Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist natuurlijk, van echt
+greine hout, met uws mans naam, en de dag en 't jaar van ze geboorte en
+sterreve d'r op in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal
+'k 's zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook niet? Bestig.
+'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies, dat komt, met de dragers
+mee, op zooveel. Dan hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi
+graffie onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat zal wel, en
+de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat maakt, alles met mekaar,
+as ik d'r ook nog 'n paar cente an verdiene zal, en dat mag wel,
+tachetig gulde.—Kijk u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan wil 'k
+voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan is ook alles en alles d'r
+onder begrepe, behalleve natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag
+van de begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan maar zoo
+afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u vijftien gulde,—daar legge
+ze,—ziet u wel? en dan neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor
+alles. En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor.”
+
+„An die tachetig gulde,” zegt van Soelen—zijn sigaar, die onder het
+verhaal uit is gegaan, weer aanstekende—„verdient ie er dertig; en dat
+ie drie van die begraffenisse achter de rug het, as je 'm om de klok van
+ellefe tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons.”
+
+„Drie?” vraagt de cyperse. „Hoe kan ie voor ellefe drie keer begrave?”
+
+„Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet weet!” roept van Soelen
+uit. „Hei je dan nog nooit 's gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie
+an de gang binne?”
+
+„Wat zeg je nou?” vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,—„poest ie
+'m?”
+
+„Wel ja, mens, hij poest 'm.—Dat je dat nou toch nooit 's gezien het,
+en je het toch ook al 's met 'm begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo
+haalt ie de drie begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.—Late we nou maar
+'s zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien en om tien uur;
+dan maakt ie, dat de eerste percies op tijd begint. Klokslag negene
+rijje ze weg, en dan zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage
+loopt. Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie 'm het
+angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet in ze kraam te pas komt,
+want as ze nou 'n endje gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de
+gracht de straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat 'n
+sigarewinkeltje of ieuwers anders in—wat ze uit de volgkoesse niet zien
+kanne, omdat eerst al de dragers komme, voordat de eerste koes de hoek
+om slaat—en dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram,
+na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net eender; en zoo kan
+ie om tien uur voor de derde keer antreje, en het ie d'r al twee achter
+de rug.”
+
+„Verdikke,” roept Hinsen uit, „die is gogem!”
+
+„Glad genoeg,” verklaart van Soelen. „En as 't ongeluk wil, dat deze
+of gene van de famielje, door de eene of andere omstandigheid, d'r
+achter is gekomme, dat ie d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje
+natuurlijk klaar. „Ziet u juffrouw,” zeit ie, „as ik 'n begraffenis heb
+angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk weze. Eerst zorreg ik
+d'r voor, dat de stasie an de gang is, en as ze onder weg binne, dan'
+kan 'k wel 'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de korste weg
+na 't kerkhof, om te kijke of daar alles klaar is as uws man komt. Het
+uws neef me daar niet gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot
+'k toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de touwe en de
+dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet, zeit u, toe ze effetief an
+'t begrave gonge? Ja, dan ben 'k toe zeker alweer an de wachtkamer
+geweest, om te kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws
+famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan ik me gang, ziet u,
+want ik heb meer te doen.”
+
+„Zoo doet ie net wat ie wil!” roept van Soelen uit, „en verdient ie dik
+cente.
+
+„Maar—van geld gesproke—nou mo' 'k je toch 's wat vrage. We hebbe 'n
+afspraakie, hè, dat as ik 'n begraffenis heb, dan draag jij mee, en hei
+jij er een, dan ik. Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn
+gedrage, maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks meer
+gehad, hoop 'k?”
+
+„Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de hak wou neme?” vraagt
+Hinsen verontwaardigd.
+
+„Nou,” antwoordt van Soelen, „dat zou de eerste keer niet weze, dat me
+dat overkwam. Maar alla, je bint er nog maar kort bij, en we zalle dan
+maar hope, dat 't jou ook nog 's voor de wind zal gaan.”
+
+„'k Help 't je wensche,” zegt Hinsen, door een zucht te kennen gevende,
+dat de wind in dat geval uit een tegenovergestelden hoek zal moeten
+waaien. „'k Heb dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman, da'
+'s de heilige waarheid,” verzekert hij, „en daar ben je bij geweest.
+Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht, dan hè' 'k er weer een; en da' 's
+'n goeje.”
+
+„En wie is dat?” vraagt van Soelen.
+
+„Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat,” antwoordt Hinsen; „'t
+mens is zes en tachetig, en...”
+
+„Nou, da' 's nou ook wat!” roept van Soelen uit, Hinsen met een leuk
+gezicht aanziende.
+
+„Nou ook wat?” herhaalt Hinsen verbaasd, „wat meen je daarmee?”
+
+„Och man,” zegt van Soelen met een korten lach, „zoo kan je me de
+begraffenis van me eige vader wel belove, hè! Wel ja,” roept hij uit, in
+antwoord op een vragenden blik van zijn confrater, „Juffrouw Willemse
+da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal 'k maar zegge! 't
+Mens woont zeker al vijftig jaar bove me ouwers, en aldoor omgang met
+d'r gehouwe, hoor. 'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n
+aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme, omdat ze van d'r
+eige geen kindere had, en dan was 't aldoor: „och, wat 'n aardig
+joggie!” en: „och, wat 'n lief bellefleurtje!” en al die viere en vijfe
+meer. Van me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij over de
+hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze begon te krukke, het ze me
+gezeid, dat, as 't ongeluk wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r
+begraffenis most zorrege en niemand anders.”
+
+„Maar van mijn is 't famielje!” roept Hinsen uit, die door de
+mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen tusschen de van
+Soelens en de Willemsens bijzonder onaangenaam is verrast. „Mijns vrouws
+moeders moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak
+gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan voor 'n
+vreemd.”
+
+„Ja, daar zal ze wat om male!” zegt van Soelen. „'k Zal niet zegge, as
+je d'r zoon of d'r broer nog was, maar as je verder in de parmetasie
+komt, en dan nog wel van je vrouws kant—dat het niks meer te beduije,
+hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en as zoo'n oud mens
+dat het gedaan, dan verandert ze 't ook niet meer. 'n Draagplaas man,
+da' 's alles wat ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee
+motte weze.”
+
+„Maar daar bin 'k _niet_ tevrede mee,” verklaart Hinsen; „as d'r
+famielje sta 'k er 't naaste toe; en da' 'k met al me kindere 'n
+voordeeltje best gebruike kan—dat zou toch wel wat heel erg weze, as
+ze dat over 't hoofd zou zien.”
+
+„Afijn, we zalle zien!” roept van Soelen uit, „'t mens is nog niet dood
+en we kanne d'r nog wel eerder onder legge as zij. 't Zou de eerste keer
+niet weze, dat iemand gezond na bed ging....”
+
+„En dood opsting,” zegt Pietersen met een lakoniek gezicht.
+
+„Nou,” roept van Soelen uit, „nou mot hij ook nog 's wat zegge,
+hè!—Spot niet, Pieterse, 'n mens kan nooit 's wete wat 'm nog bove ze
+hoofd hangt.—Maar 't wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te
+doen en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r zake en wille op
+z'n tijd gehollepe weze.—Zalle we dan gaan? Koman dan maar.—Hei, daar
+hei je mijn hoed! Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van
+mijn is, daar blijf je of.” En dit zeggende, neemt hij zijn hoed uit
+de hand van Hinsen, die, nog geheel onder den indruk der pasgehoorde
+Jobstijding, het hoofddeksel van zijn confrater gegrepen heeft. „Dag
+Pieterse,” zegt van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie
+opnemende, „tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn; dan benne we
+allebei gehollepe.”
+
+„'k Mag 't lijje,” antwoordt de kastelein, de beide ledige glaasjes van
+de tafel nemende. „Dat je hier komt om 'n borrel te hale, da' 's me
+lief; maar dat je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog 'n
+hekel an.”
+
+
+
+
+Derde Klasse.
+
+
+„Nà, geef je vade' 'n zoen,” zegt Mozes, met één voet op de treeplank
+van den waggon staande, tot zijn zoontje, dat, op den arm der moeder
+zittende, „vade'” naar den trein heeft gebracht.
+
+„Pas op toch, pas op ze mussie!” roept de vrouw van Mozes uit, nog juist
+bijtijds het hoofddeksel grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing,
+het kind van het hoofd glijdt.
+
+„O—ch,” zegt Mozes—en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt,
+doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,—„wat zou 't! wat zou
+ze mussie, is 't bweekba-è waag?”
+
+Dan geeft hij zijn zoon een „zabbe-zoen” en stapt in, het portier achter
+zich sluitende. „Zeg an Fwank,” roept hij, met het bovenlijf uit den
+waggon hangende, zijn vrouw toe, „da' 'k de puwwe zà khoope, asse ze
+gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de
+dokte' mot hebbe.” Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op
+gedempten toon: „g'dag zame!”
+
+Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de
+hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den
+mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes,
+met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen
+oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal
+zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het
+armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet
+minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in
+het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en
+bouw.
+
+In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig—want het
+is nog heel warm—niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren,
+met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche
+pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes
+van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het
+rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en
+de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens
+diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs
+mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even
+talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos
+verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind
+van hem af, een stukadoor, met een grootendeels „gewit” gezicht, de
+handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet,
+welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig
+zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn
+vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen
+staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een
+aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een
+lucht, die mij levendig aan „de groote schoonmaak” doet denken. Een
+weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een
+meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche,
+gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht,
+en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak
+en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op
+het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een
+polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas „aangenomen”, want
+de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van
+allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den
+hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar
+handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist
+verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte,
+nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op
+een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok
+stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn
+haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het
+daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand
+gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals
+een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot
+tijd stijf tegen haar gezicht drukt, zóó, dat het puntje van haar neus
+er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld
+doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop
+dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van
+eau-de-Cologne gegoten moeten zijn.
+
+„We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?” vraagt de vrouw van
+den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart
+voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene
+zegt: „dat doe je,” en de andere: „dat zitje,” deelt zij ons mede wel
+gevraagd—maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om
+haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij
+voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten,
+omdat zij nog verder moet, „weet u!” waarop de boeren eenstemmig
+verklaren: „dat kan je,” en de stukadoor vraagt: „waar na toe?”
+
+„Na tante Kees,” zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de
+boeren ontsteld opkijken—en Mozes mompelen doet: „da' 's raag,” zoodat
+het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien
+der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de
+vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt,
+dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap,
+nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren,
+kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding
+geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom
+hij haar zoo noemt.
+
+Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo
+vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje,
+zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang
+is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn
+spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder
+doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben.
+
+Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar
+wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op
+haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen.
+
+„Wel wel, wat skreeuwt 't jong!” zegt de oudere boer, het kind met
+verbazing aanziende.
+
+„'k Weet niet wat ze het!” verklaart de moeder, „ze het aldoor zoo lief
+geslape. Wat is er dan toch, loeressie?”
+
+„Is 't 'n zij-tje?” vraagt de stukadoor.
+
+„Wel, dat raaj je goed,” antwoordt de vrouw, „'t kind heet Zijdje.”
+
+„As 'k toch wis,” zegt Mozes, „dat 't 'n meisie was.”
+
+„Sakkerloot,” roept de stukadoor uit, „dan mot jij toch goeje ooge
+hebbe, hoor!”
+
+„Na, wat zou 't!” antwoordt Mozes grinnekend, „as 'k toch heef gezien,
+dat ze tege me heef gewagge.”
+
+„Het ze?” vraagt de stukadoor. „Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg
+van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage.”
+
+„Kan ze ook honger hebbe?” vraagt de jongere boer, die, als iemand niet
+tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt.
+
+„Nee,” antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, „ze komt er
+pas of.”
+
+„En dan za' ze d'g possie ook _wè'_ gehad hebbe,” verklaart Mozes, een
+vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle
+instemming betuigen.
+
+„Je eerste en je laaste?” vraagt de stukadoor, met een blik naar de
+beide kinderen.
+
+„Wel nee,” antwoordt de vrouw—druk bezig tusschen de kleertjes van het
+kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt—„wel
+nee! bove haar”—en met het hoofd wijst zij naar het kind in het
+blauw—„he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit
+kleintje me laaste zal weze—dat zou 'k wel denken.”
+
+„Na,” zegt Mozes, „pas mà' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t.”
+
+„Dat mag ie wel hoore,” beweert de vrouw. „We hebben 'r tien, en da' 's
+net wat 'n burgermens toekomt hè, want 't versie zeit:
+
+ Een edelman die krijgt er twee,
+ Een rijke man krijgt vier;
+ —Zoo'n twee- of viertal is niet erg,
+ Die hei je voor plezier.
+ Maar bè je 'n kale ambtenaar,
+ Of ben je dominé,
+ Dan vare d'r wel zes of acht,
+ In 't huwlijksbootje mee.
+
+ Een tiental krijgt,—'t is haast te gek,
+ Een burger zonder goed;
+ En 't vol dozijn,—da' 's gekker nog,
+ Is voor de arremoed.
+
+„Wel kijk,” roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind
+ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, „da' 's vast 'n beest,
+dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie.”
+
+„'n Hoog-springertje,” oppert de oudere boer.
+
+„Wel nee,” zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, „die het ze noot.”
+
+„Ja nou,” roept de oudere boer uit, „'n mens mag zoo zindelijk weze as
+ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!”
+
+„'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn,” beweert de stukadoor.
+
+„Wel ja,” zegt de vrouw van den polderwerker, „dat zal 't zeker wel
+weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast.” En terwijl zij het kind
+op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast
+haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje
+met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't „misegabè'
+is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne,” en deelt de oudere boer ons
+mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat,
+omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van „dat goed” in den
+polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker
+aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont
+dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het
+een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de
+vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als „erg goed”
+aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter
+achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op
+het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen
+verreweg het beste te zijn.
+
+„Zie zoo,” zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt
+lapje om het armpje van het kind bevestigend, „nou zal ze wel gauw weer
+bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want
+toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an
+kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm
+daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had
+'t gevaarlijk kanne worde.”
+
+„Ja,” zegt de oudere boer, „met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's
+menigeen z'n dood geweest.”
+
+„En mijn vade za-egè,” zegt Mozes, „heef 't è ook mee bekoch.”
+
+„Het ie?” vraagt de oudere boer.
+
+„Dat heef ie,” antwoordt Mozes.—„Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag,
+dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze
+hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.—„Na, wat zou
+'t!” zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, „maak toch
+geen matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, dat ie na ze bed zà gaan,
+zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.—„Gaat na de dokte',” zeit me
+moede, „gaat na de dokte'.”
+
+„Och,” zeit me vade',—„de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!” en ie
+gong niet. Mà 's ande-è daags had me vade' 'n agm as è kagepijp, en toe
+'t ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade-è vehzamed.—Mà'
+as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan
+had die 'm gehouwe, zeit ie,—„met ze agm of zonde' ze agm, mà' gehouwe
+had 'k 'm,” zeit ie. „Ma' nou,” zeit ie, „nou 't vehgif in ze hagt is
+gegaan, nou mos ie dood.””
+
+„En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde,” zegt de oudere boer, „as de
+smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste
+azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de
+dokters opgegeve waren—dat geloof je niet.”
+
+„Is 't toch waar?” vraagt de stukadoor.
+
+„Honderde en honderde,” verzekert ons boertje. „En alles met 'n
+zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn
+geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van
+vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig
+benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw
+vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n
+zieke arm of 'n zeer been—hij leit hier 'n pleister en daar een, en as
+ze d'r af valle—want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe—dan
+ben je geneze, hoor je!”
+
+„Wat zeit u?” roept de vrouw van den polderwerker uit.
+
+„Glad geneze,” verzekert het boertje. „En da' 's geen praatje, maar de
+zuivere waarheid, want toe me zeun hier”—en met het hoofd wijst hij
+naar den jongeren boer—„'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de
+linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien,
+dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of
+snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r
+an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r
+af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog
+minder.”
+
+„Dat kan 'k me begrijpe,” zegt de vrouw van den polderwerker, „want wat
+wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond.”
+
+„Dat zeg je goed,” bevestigt de oudere boer, „want dat we 'r over
+prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de
+Bullewijksbrug, en ik—met me vrouw en me zeun' d'r na toe. „Ofzette,”
+zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, „ofzette,—'t mocht wat; _ik_ zal
+'m geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs
+de weg.” En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de
+klompe weer aan, en na die tijd—zeg 't nou zelfs, Kees!”
+
+„Nooit nerges meer niks van gewete,” verklaart zijn zoon.
+
+„Daar beur je 't,” zegt zijn vader, „nooit iewers meer ies van gewete.
+En à je nou ze voet ziet,—net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank
+en zoo zuiver,” herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, „de
+eene as de andere.”
+
+„M—enslief,” roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar
+hoofd wiegend, „wat 'n zege, wat 'n zege!”
+
+„Ja,” zegt de stukadoor, „want as je nou was heengegaan en je hadt na
+die perfester geluisterd....”
+
+„Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel,” verklaart de
+oudere boer met een krachtigen hoofdknik.
+
+„En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve,” zegt de vrouw van den
+polderwerker. „Is 't niet waar meisie?” vraagt zij met den voorsten
+vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes
+tikkende. „Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar.”
+En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer
+en neuriet:
+
+ „Doe die blauwe oogies toe,
+ Zoete, lieve poes!
+ Vaders vreugd en moeders lust,
+ Slaap, me kleine snoes!”
+
+En dan begint zij weer van voren af aan: „doe die blauwe oogies toe,”
+net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan.
+
+Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het
+perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen,
+een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het
+geweer.
+
+„Inkwartiering,” zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder
+aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als
+aan een zieke koe.
+
+„Schijfschiete,” beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen
+flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt:
+„maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug.”
+
+„Zou 't?” vraagt de oudere boer, die „afmarcheeren” het ideaal van alle
+militaire verrichtingen vindt.
+
+„As 'k 't toch weet,” roept Mozes uit, „as 'k eiges toch ook heef
+gediend!”
+
+„Bij de marine?” vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons.
+
+„Nà,” zegt Mozes, „wate' is nat, hè? Ovè' wat zà je zwabbe-è op de
+pwanke, as je kan sthaan op de ghond?”
+
+„Ze motte naar Amersfoort,” zegt de jongere boer, ziende dat de
+militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein.
+
+„Dat motte ze,” bevestigt Mozes, „weegom, na d'g gagnizoen.”
+
+„Ja, ja,” zegt de oudere boer, met een zucht—terwijl de trein, waarin
+wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt—„al dat soldaatje-spele
+is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld—'n bult; en ik en 'n ander
+kanne 't an belasting maar opbrenge.”
+
+„O,” roept de stukadoor uit, „da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je
+tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan
+late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.—Vijf, zes
+maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die
+risserseurs van de belasting binne.—'n Mooi stelletje! Half-sleet
+heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de
+kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of
+geen weer, door de stad doen.—En mager, dat ze ware! dat ze wel met de
+konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.—
+
+„„Offe ze terecht ware bij Bruins,” vroege ze. „Nou,” zeg 'k, „dat is er
+na, hè! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en
+dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette—zoek jij
+nou maar uit waar je weze mot.”
+
+„„Bij Jan Bruins,” zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de
+andere—'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met
+'t eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je
+schoene keek—„bij Jan Bruins, de stikkadoor.”—„O,” zeg 'k, „tel dan je
+geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam.”
+„Nee,” zei ie, „brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er
+bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting.” „Belasting,”
+zeg 'k, „asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee,
+drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k
+denke.”
+
+„„'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt,” zeit me vrouw.
+Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de
+mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele.
+
+„Dat kon wel, zei toe die andere kerel—die zoo zuur keek, asof ie 'n
+karnemelksche moeder had gehad—dat kon wel, maar as ze 't alleenig van
+de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet.
+
+„„Ja nou,” zeg 'k, „waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan
+me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht.”
+
+„Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje.
+
+„„'n Knap boeltje,” zeg 'k, „mag dat dan niet voor de belasting, dat je
+'n knap boeltje het?”
+
+„Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening
+mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting.
+
+„„Inkomste-belasting,” zeg 'k, „maar man 't is ommers al mooi, da' 'k
+met me inkomme uitkom.”
+
+„'k Begreep er niks van, zei ie.
+
+„„Nou,” zeg 'k, „'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me
+cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe,
+voordat je weggaat.”—Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste
+ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou
+'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was,
+dan kon 'k altoos nog rikkelameere. „Maar dat doen 'k al,” zeg 'k, „daar
+he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan.”
+Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe.
+
+„'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel
+'s 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk
+voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo
+beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat
+later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van
+woorde—dit gezien en dat gezien—dit zus en dat zoo,—w..eet ik 't! maar
+de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k
+betale. „Nou,” zeg 'k tege me vrouw, „as dat nou niet is iemand 'n stuk
+van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot.””
+
+„Ja,” zegt de oudere boer, „'t is erg. En ze store d'r eige nerges an.
+Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig
+bent met je vee of er 'n tegeslag mee het—je kan maar make, dat je de
+cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting
+d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale
+ook.—Maar daar benne we al te Amsterdam.—Koman jong, nou as de weerga
+na de avekaat.”
+
+„En ikhe na de vekoopening,” zegt Mozes,—„g'dag zame.”
+
+„En ik na huis,” zegt de stukadoor,—„ook g'dag.”
+
+„En wij na Sloterdijk,” zegt de vrouw van den polderwerker,—„gedag
+allemaal, en wel t'huis, mense.”
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) - Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: antwoordt Keetje—'n Zondag |
+ | C: antwoordt Keetje,—„'n Zondag |
+ | B: potje met „ghesida” zegt zij, |
+ | C: potje met „ghesida”” zegt zij, |
+ | B: zegt Evert, 't zou ook al heel |
+ | C: zegt Evert, „'t zou ook al heel |
+ | B: zij. „As jij je mond houwt, zeit |
+ | C: zij. „„As jij je mond houwt,” zeit |
+ | B: dan kan 'n ander de zijne |
+ | C: „dan kan 'n ander de zijne |
+ | B: hoor!” verzekert Evert.—„Nee, |
+ | C: hoor!” verzekert Evert.—„„Nee,” |
+ | B: me moeder, zoo as jij |
+ | C: me moeder, „zoo as jij |
+ | B: zoo te zegge 't beddegoed van.” |
+ | C: zoo te zegge 't beddegoed van.”” |
+ | B: kieze,” zegt Keetje. Ik kom achter |
+ | C: kieze,” zegt Keetje. „Ik kom achter |
+ | B: nog 'n kraf vol. |
+ | C: nog 'n kraf vol.” |
+ | B: niet,” zegt Grietje, en daar mag |
+ | C: niet,” zegt Grietje, „en daar mag |
+ | B: nou is 't genoeg! roept Evert uit, |
+ | C: nou is 't genoeg!” roept Evert uit, |
+ | B: bloote hals: „ja”—en Keetje |
+ | C: bloote hals: „ja””—en Keetje |
+ | B: een allerliefst mondje—„dat |
+ | C: een allerliefst mondje—„„dat |
+ | B: verzekert Grietje. Lekker ete is |
+ | C: verzekert Grietje. „Lekker ete is |
+ | B: op zijn schouder zettende. Ik mot |
+ | C: op zijn schouder zettende. „Ik mot |
+ | B: uitdrukking van „ik-mag-er ook-wel-wezen” |
+ | C: uitdrukking van „ik-mag-er-ook-wel-wezen” |
+ | B: Eddy uit, onmiddelijk een krijgshaftige |
+ | C: Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige |
+ | B: iederen avond, iederen Woensdag- en en |
+ | C: iederen avond, iederen Woensdag- en |
+ | B: kom ik onmiddelijk tusschen beide |
+ | C: kom ik onmiddellijk tusschen beide |
+ | B: antwoordde de agent, dat doe 'k in |
+ | C: antwoordde de agent, „dat doe 'k in |
+ | B: nadat zij eenigen tijd, misschen iets |
+ | C: nadat zij eenigen tijd, misschien iets |
+ | B: nu ook voor het laatst: „_des...i...eux_.” |
+ | C: nu ook voor het laatst: _des...i...eux_.” |
+ | B: zei meneer Kreggens glimlachend. |
+ | C: zei meneer Kreggers glimlachend. |
+ | B: „Meneer Kreggers stond op, |
+ | C: Meneer Kreggers stond op, |
+ | B: Dan denk maar jong, veur |
+ | C: „Dan denk maar jong, veur |
+ | B: waaraan „de Wijkamp” is gelegen, |
+ | C: waaraan „de Wykamp” is gelegen, |
+ | B: kinderen.... die blijve bij jou.” |
+ | C: kinderen.... die blijve bij jou.”” |
+ | B: vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf,” |
+ | C: vroolijk...! „'k Krijg 'n best wijf,” |
+ | B: wegloope, bij de kindere, Maar alla, |
+ | C: wegloope, bij de kindere. Maar alla, |
+ | B: huur wier opgezeid, 'k Woonde toe |
+ | C: huur wier opgezeid. 'k Woonde toe |
+ | B: hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, |
+ | C: hebbe, dat spreekt.” 'k Had gelijk, |
+ | B: eens. |
+ | C: eens.” |
+ | B: daar kom 'k niet in.—En me vrouw |
+ | C: daar kom 'k niet in.”—En me vrouw |
+ | B: hals wille valle, geloof 'k. |
+ | C: hals wille valle, geloof 'k.” |
+ | B: „Of 'k dat goedvond, vroeg ze. „Of |
+ | C: „Of 'k dat goedvond,” vroeg ze. „Of |
+ | B: hoort ze niet.” „Zie je,” |
+ | C: hoort ze niet.” Zie je,” |
+ | B: ie.—Moppig roept Kootje uit,—„_hem_ |
+ | C: ie.—Moppig,” roept Kootje uit,—„_hem_ |
+ | B: bleek ziet en zoo papperig is. |
+ | C: bleek ziet en zoo papperig is.” |
+ | B: nou an je lijf het, hoor. |
+ | C: nou an je lijf het, hoor.” |
+ | B: meer an is.” |
+ | C: meer an is.”” |
+ | B: cente leve, en goed ook. |
+ | C: cente leve, en goed ook.” |
+ | B: van Soelen uit. 't Is dat je 'r nog |
+ | C: van Soelen uit. „'t Is dat je 'r nog |
+ | B: bevestigt van Soelen. As ie merkt, |
+ | C: bevestigt van Soelen. „As ie merkt, |
+ | B: de cyperse. Hoe kan ie |
+ | C: de cyperse. „Hoe kan ie |
+ | B: roept van Soelen uit „en verdient |
+ | C: roept van Soelen uit, „en verdient |
+ | B: matschudding ove' niks.”—„Mà 's awes, |
+ | C: matschudding ove' niks.”—Mà 's awes, |
+ | B: gegaan, nou mos ie dood.” |
+ | C: gegaan, nou mos ie dood.”” |
+ | B: tikkende. Is 't nou weer |
+ | C: tikkende. „Is 't nou weer |
+ | B: zegt Mozes,” „wate' is nat, |
+ | C: zegt Mozes, „wate' is nat, |
+ | B: voordat je weggaat.—Afijn... |
+ | C: voordat je weggaat.”—Afijn... |
+ | B: hoe 'k dat noeme mot.” |
+ | C: hoe 'k dat noeme mot.”” |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+***** This file should be named 39736-0.txt or 39736-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/3/39736/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/39736-0.zip b/39736-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..26c3c85
--- /dev/null
+++ b/39736-0.zip
Binary files differ
diff --git a/39736-8.txt b/39736-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..114aa0a
--- /dev/null
+++ b/39736-8.txt
@@ -0,0 +1,5379 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kleurig en donker
+
+Author: Willem van Amsterdam
+
+Release Date: May 19, 2012 [EBook #39736]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+KLEURIG EN DONKER.
+
+
+
+
+ KLEURIG EN DONKER
+
+
+ DOOR
+
+
+ W. VAN AMSTERDAM,
+ _Schrijver van "Marionetten."_
+
+
+ HAARLEM
+ H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ AAN DE VOORDEUR 1
+
+ HET STRAATORGEL 12
+
+ EDDY 25
+
+ HAAR BROOD 48
+
+ KINDERLEED 61
+
+ KAREL JAN VONK 73
+
+ DE OUDSTE 84
+
+ HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94
+
+ HAAR KEUZE 103
+
+ BLOK'S VROUW 113
+
+ GEEN "VERRAJER" 127
+
+ DE AANSPREKER 141
+
+ DERDE KLASSE 155
+
+
+
+
+Aan de voordeur.
+
+
+"Zoo, dikke zus!" zegt Evert--een jonge slagersknecht, een pracht
+van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de
+schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan
+aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend
+gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft--"zoo, dikke zus! hoe gaat 't
+met mijn?" En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand
+van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan
+de Heerengracht.
+
+"Hoe 't met je gaat," antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande
+keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht,
+"hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te
+zien, dan gaat 't nogal met je."
+
+"Ja, 'k zie bleek, h?" zegt Evert, "dat komt omdat me maag niet in orde
+is, weet je!"
+
+"Niet?" vraagt Grietje, "lust je geen ete meer?"
+
+"Jawel," antwoordt Evert, "maar 'k lust te veel."
+
+"En krijg je niet genoeg?" vraagt Grietje.
+
+"Of 'k 't krijg," zegt Evert, "dat zou me niet kanne schele, as 'k maar
+zooveel kon neme as 'k lust.--En daar hei je haar ook," roept hij uit,
+als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper
+katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht
+mede aan de voordeur verschijnt.
+
+"Zoo, malle! b je weer an de gang?" vraagt zij.
+
+"Mal-le?" vraagt Evert, "as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te
+hale, hoor!--Wat zie je 'r weer goed uit!" roept hij uit, een poging
+doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: "laat je
+staan!" en een tik op zijn arm, verhindert.
+
+"Ga je van aved 's met me uit?" vraagt Evert haar.
+
+"Ikke niet," antwoordt Keetje, "want me parresol is in de maak, hoor!"
+
+"Ja," zegt Evert, "nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook
+nog niet t'huis is.--Maar 'n Zondag dan?"
+
+"Jonge nee," antwoordt Keetje,--"'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis."
+
+"'t Bessieshuis!--daar heb ik ook nog 'n oome," beweert Evert.--"Z je
+'m van me groete?"
+
+"Dat zal 'k," belooft Keetje. "As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals
+valle."
+
+"Zeg eris!" roept de keukenmeid uit,--"da 's waar ook!--'k docht dat jij
+'n eerlijke jonge was, h?"
+
+"Ikke niet eerlijk," zegt Evert, "nou nog mooier! Geef me maar 's 'n
+zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom."
+
+"Nee," zegt Grietje, "dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan
+mag je 'm wel houwe ook.--Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n
+beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag
+luste, en dat hei je niet gedaan."
+
+"Mijn schuld is 't niet," verzekert Evert. "De baas zei, da' 'k 't maar
+vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene--rits...! door me
+hoofd gegaan."
+
+"Zei-ie-dat?" vraagt Grietje. "Zei ie, dat je 't maar vergete
+most?--Hoor je dat, Kee?"
+
+"Zoo'n akelige, schriele kerel," roept Keetje uit.
+
+"Hoort eris," zegt Grietje, "zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou
+denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af
+en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k
+zoo'n ideetje van," verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten
+mond, verscheidene malen met het hoofd.
+
+"En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen," verklaart Evert.--"Alla,
+zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n
+zweezerikkie of kalfsoesters,--wat mot 'k brenge?"
+
+"'k Mot niks van je hebbe," antwoordt Grietje. "We ete vandaag 'n
+stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong."
+
+"Verdikke, mens, houw op!" roept Evert uit, "daar zou je 't water van
+over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is,
+h?"
+
+"Of ie lekker is!" zegt Grietje, "nee"--en met de vingertoppen tegen de
+wang wiegt zij het hoofd--"dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege
+Kee--is 't niet waar meid--"Kee," zeg 'k, "'k heb me eigen verhuurd voor
+de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch
+ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt."
+Want aldoor het ie wat. Dn binne de kwartels wel goed geweest, zeit
+ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as
+ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie,
+maar de saus,--die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't
+aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_
+kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge,
+je boezelaar of--en 't hem om ze dikke lijf zou doen.--En as 't
+niet percies z is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de
+bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!--'t Is dat 'k
+hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders...."
+
+"Dan ha' je 'm al gesmeerd?" vraagt Evert.
+
+"Al lang," verklaart Grietje, "want an al dat putlut daar he' 'k 'n
+hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as
+ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's
+'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van
+je werk ook. "Griet," zei meneer dikkels, "je mot niet zoo lekker koke,
+mens; 'k kan 's middags niet uitscheije." En as mevrouw, die er zoo'n
+hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie--omdat ze nooit niks kon
+bedenke, zei ze--'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws
+verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat
+wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: "Kijk, dat hei je goed
+geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben." Och ja," zegt
+Grietje met een zucht, "'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is
+z zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze
+best nog 's doet ook. Nee"--en ze schudt het hoofd tegen een koopman in
+bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst--"niet noodig."
+
+"Mot je geen bwommetje?" vraagt hij.
+
+"Nee," antwoordt Grietje, "ik mot geen blommetje hebbe."
+
+"Koop 's 'n mooi ghoozie van me?" vraagt de koopman, "of 'n potje met
+ghesida."
+
+"Ga nou maar gerust deur," zegt Grietje, "want 'k koop toch niks van
+je."
+
+"'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie," zegt
+de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.
+
+"Och, ga nou weg, h!" roept Evert uit.
+
+"N," zegt de koopman, "la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag
+potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot."
+
+"Ja," zegt Evert, "'t zit er bij mijn nogal an, h! Zoodra 'k geen
+slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de
+klandisie, hoor."
+
+"Wat zou 't," roept de koopman uit, "as datte gebeugd, dan rentenieg 'k
+ tien jaag! En jij, juff," vraagt hij aan Keetje, "mo' je niet 's 'n
+potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?"
+
+"Nee," antwoordt Keetje, "ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet
+verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever," en zij
+ginnegapt achter haar hand, "ik ruik liever gebraje spek."
+
+"Ja," zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, "nou je 't zeit,
+ruik ik ook liever 'n bankethammetje."
+
+"Of 'n varkensrib," zegt Evert, "dat mot je ook niet uitvlakke, dat
+ruikt heerlijk, hoor!"
+
+En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en
+toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk
+uitroept: "toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse
+ze stout binne.--M voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't
+magge ete ook. En ga nou 's v' me vwage of je mevwouw geen bwommetje
+mot hebbe, h?"
+
+"Nee," zegt Grietje, "dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik
+ben alleenig voor de pot."
+
+"N," zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, "da's
+ommes ook 'n pot.--Doe je 't niet? Jij dan?" vraagt hij aan Keetje,--"'k
+het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om."
+
+"Dat zou 'k nou wel voor je wille doen," zegt Keetje, "maar daar hoef 'k
+niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo
+graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me
+kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?"
+
+"Alla!" zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende,
+"'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar," en zij reikt den
+koopman twee dubbeltjes over--want een keukenmeid heeft altijd en een
+werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee
+stuivers voor, "daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,--'n
+Zaterdag of zoo."
+
+"Nee," zegt Keetje, "want dan houwe we groote verschoondag, hoor!"
+
+"Schoon za' je bwijve kind," zegt de koopman, de stoep af gaande, "'t
+zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg."
+
+"Ze-eg!" roept Evert uit, "jij hoeft hier niet de blikke domin uit te
+bange, hoor je!"
+
+"Laat 'm maar gaan," zegt Keetje, "want gelijk het ie.--Wil jij nou ook
+liever dat roosie hebbe?" vraagt zij aan haar kameraad, "dan geef mijn
+dat andere dingie maar."
+
+"Wel nee meid," antwoordt Grietje, "dit ruikt immers ook goed!"
+
+"Dat doet 't," bevestigt Evert. "Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?"
+
+"Weet je dat niet?" vraagt Grietje, "en 'k dacht nog al, dat jij uit
+Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met "ghesida"" zegt zij, den
+koopman nadoende. "Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r
+nog geen?"
+
+"Ikke geen meissie!" roept Evert uit; "alle Zondagge 'n ander, hoor!"
+
+"Dat binne d'r een en vijftig te veel," beweert Grietje.--"Maar jij bent
+er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, h?"
+
+"Nou," zegt Evert, "'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet
+van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?" vraagt hij aan
+Keetje.
+
+"Ikke zeg niks," antwoordt zij. ""As jij je mond houwt," zeit me moeder,
+"dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen." En daar gedraag 'k me
+eige na; is 't niet waar, Griet?"
+
+"Ja," antwoordt Grietje, "van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, h?"
+
+"Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!" verzekert Evert.--""Nee," zeit
+me moeder, "zoo as jij toch ook slape kan--da's gerust 'n mirakel; daar
+slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.""
+
+"Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, h?" vraagt Keetje.
+
+"As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor
+'k nooit meer wakker," beweert Evert. "Zeg eris," roept hij uit, in de
+gang kijkende, "juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of
+zoo?--daar legge wel 'n pak of tien op de bank."
+
+"Da's voor 'n Zaterdag," zegt Grietje, "dan hebbe we hier din."
+
+"Din?" vraagt Evert. "Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?"
+
+"Alle dage lekker," zegt Grietje, "maar as we din hebbe, dan ete we
+fijn."
+
+"Hoort eris," zegt Evert, "as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om
+juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt
+hier de restoratie van Van Laar wel."
+
+"Van Laar," zegt Grietje, "die mag de oestertjes levere, want daar
+beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. "Dat zet de maag
+in ze fatsoen, daar wort ie graag van," zeit meneer."
+
+"Nou," zegt Evert, "dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg,
+want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de
+leest geslagen is."
+
+"Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle," verzekert Grietje, "want
+er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan
+krijgen we twee soepies."
+
+"Och ga weg!" roept Evert uit. "Twee keer soep!..."
+
+"Daar mag je uit kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter je, en vraag wat
+uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe."
+
+"En onderwijl," zegt Grietje, "schenkt de knecht je 'n glaasie serry
+in."
+
+"Die kon wel achter me blijve staan," meent Evert.
+
+"Wel nee," zegt Keetje, "da' 's nerges voor noodig, want iedere keer
+krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord
+nog 'n kraf vol."
+
+"Dat zou niet lang dure," verzekert Evert.
+
+"Dat denk ik ook niet," zegt Grietje, "en daar mag je dan 'n glaasie uit
+neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n
+stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar
+schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in."
+
+"En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld," zegt Keetje, "dan begin je
+om zoo te zegge pas."
+
+"Ja!" roept Evert uit, "'k docht, dat we al aardig an de gang ware, h!"
+
+"Jawel," zegt Keetje, "maar dan komt eigelijk pas wat ze
+"sta-in-de-maag" noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch
+met sper..."
+
+"Nee hoor, nou is 't genoeg!" roept Evert uit, naar zijn mand grijpende,
+"da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van
+te motte hoore, da's al te arremoeig."
+
+"En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?" vraagt
+Grietje.
+
+"Niet?" vraagt Evert. "Hei jij dan zoo'n beroerde maag?"
+
+"Gelukkig niet," antwoordt Grietje, "maar 'k ben er vies van."
+
+"Kom", zegt Evert,--"vies...!"
+
+"Dat ben 'k," bevestigt Grietje, "en Kee ook. Is 't niet waar, meid?"
+
+"Ba," roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd
+afkeerende, "dat vieze gedoe!"
+
+"Daar wor je ziek van," beweert Grietje. "We zegge zoo dikkels tege
+mekaar,--is 't niet Kee--as de kok in de keuke bezig is: "dat moste ze
+binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen
+mond an."--Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met
+ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles;
+en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan
+kan ie 't met ze vinger ook wel."
+
+"En as je dan binne bent om te diene," zegt Keetje, "dan hoor je meneer
+tegen mevrouw van hier naast zegge: "wel mevrouw, is dat nou geen lekker
+sausie?" En dan zeit zij,--met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r
+magere, bloote hals: "ja""--en Keetje trekt een allerliefst mondje--""dat
+mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!""
+
+"Nee hoor," zegt Evert, "as 't z is, dan lust ik toch ook liever me
+moeders pot."
+
+"En daar doe je wijs an," verzekert Grietje. "Lekker ete is goed, maar
+zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste
+din, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na
+buite gaan."
+
+"Mooi zoo!" roept Evert uit, "dan z je me baas weer effe hoore
+moppere.--Gaan jelui al gauw?"
+
+"Dat zal geen zes weke meer dure," antwoordt Grietje.
+
+"Maar ik ga al gauwer," zegt Keetje.
+
+"Zoo! wanneer ga jij dan?" vraagt Evert.
+
+"Van aved, hoor!--as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga
+jij?"
+
+"Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet," antwoordt Evert; "me
+moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam"--en hij
+knipoogt tegen Keetje--"blommetjes genog."
+
+"As dat dan waar is," zegt Keetje, "dan ga ik met me blommetje maar gauw
+weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is."
+
+"En ik dan!" roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. "Ik mot
+al de klanten nog of.--Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel
+daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!"
+
+"Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind," zegt Grietje. "En daarom
+zegge ze dan ook:
+
+ As Adam in 'n appel bijt,
+ Ofschoon door Eva _niet_ verleid,
+ Dan weet ie 't toch z an te legge,
+ Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge.
+
+En nou atjuus hoor," zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. "En droom
+van nacht 's van me. Zal je?"
+
+"'k Hoop er om te denke," antwoordt Evert. "Maar 'k zal in alle geval an
+me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.--Adie...!"
+
+
+
+
+Het straatorgel.
+
+
+"'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie--zoo kom 'k an de kost,
+sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf
+been het," zegt Bet Bos, bij de buren bekend als "orgel-Bet". "En
+je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op
+die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me
+man trouwde--dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de
+Keizersgracht over de Westermart--'n goed mens daarvan niet, maar zij
+en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel
+gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e
+dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en
+de kindere, zei ze--toe _ik_ me man trouwde," herhaalt Bet, diep adem
+halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit
+haar longen gedreven, "toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie
+twaalf tot veertien gulde in de week.--Ja mens, zoo benne we begonne,
+knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en
+_ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met
+musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of
+'t zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze
+'m t'huis! Heere! heere!"--en Bet slaat haar handen in elkander--"zoo
+goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!--'k
+Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't
+zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet
+van hoore. "Nee," zeg 'k, "daarvoor is niet getrouwd!" En zoo hieuw
+'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon
+scharrele, h' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de
+aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost
+zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer
+in staat. Och ja,"--en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar
+voorhoofd glad--"zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n
+orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je
+tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens
+al blij weze, zeg 'k."
+
+En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden
+heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar
+voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te
+offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de
+voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert,
+laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het
+praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen,
+stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de
+straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot
+haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij
+haar tijd derhalve verpraat heeft.
+
+En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een
+aantal van haar vaste klantjes wonen.
+
+Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar
+beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men,
+oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien
+van het orgel te kunnen aanwenden, want "draaie en cente ophale, dat
+doen 'k zellevers," zegt ze, "draaie om de haverderij, weet je, en
+cente ophale,--nou, dat begrijp je wel," heeft zij een zeventien- of
+achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met
+uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd,
+zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en
+voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte
+voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten
+gehoore brengen der verschillende nummers van het _rpertoire_ Bet nog
+heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien
+of twaalf "moppies," als er een ziek kind opgevroolijkt--of de pret in
+een bruiloft gehouden moet worden, "'n heele karrewei." Want zoodra
+zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit
+prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt
+haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken,
+waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, "zoo asse de gowwevies,"
+zou Mozes zeggen, "zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip." Eerst
+draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al
+draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van
+haar bovenlijf,--door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet
+aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen
+en weer slingeren van haar rechterarm,--niet weinig verhoogt. Door
+haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen
+ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor
+telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _ jour_
+zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt,
+als de laatste tonen van het lieflijke: "Daisy, Daisy!" zijn
+weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van
+al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken,
+voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht,
+verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan
+afwisseling is, het tweede nummer: _la dernire pense_ van Weber, doet
+hooren.
+
+Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit "'r doppe," en een haar
+toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat
+er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek,
+waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk
+gehuil--veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van
+het wiel,--wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere
+geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren
+ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het
+bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een
+cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd
+uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel
+terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken,
+"ofdraait".
+
+Haar orgel, waarop in goud het woord: "orchestrion" prijkt, is zeker een
+van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig
+zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad
+aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen
+aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan
+weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in
+het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het
+hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en
+ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren
+staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder
+los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij
+het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op
+de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen
+elkander aanzien, en het "gut!" waarmede de vrouwen haar bewondering
+te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge
+pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den
+mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en
+_gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand
+houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat.
+Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar
+rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der
+beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te
+zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat
+hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd,
+als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen
+ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken,
+met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn
+heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie,
+ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij
+uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden
+glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de
+triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk,
+dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek
+gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige
+kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te
+hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande,
+uitriep: "je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!"
+
+De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben
+er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed
+daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen
+tegenover haar collega's laat verleiden.
+
+"A's 'k weet," zegt ze, "dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om
+tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er
+kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn
+laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast
+deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da'
+'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie
+later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om
+'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was--zoo'n stiekemert! dat
+doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan,
+maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar
+ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee
+moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot
+ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai
+'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie z hard tege
+me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is." Door haar kolossaal
+instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de
+overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar
+collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een
+pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het
+vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat,
+dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag
+zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer
+brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar
+gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere
+orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.
+
+Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken
+strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere
+reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk
+gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden.
+"As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te
+sjanke, 'n doodschop," verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chri
+heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele
+herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door
+muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren,
+zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken,
+die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de
+eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen
+van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen
+muziek kon hooren zonder "akelig" te worden, dan zou hij natuurlijk
+onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in
+staat is. Maar dit doet hij nooit.--Integendeel! zoodra hij op zijn
+levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan
+blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen
+draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand
+verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij
+aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken
+noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen
+of mee te neurin, althans als een openbaring van het genot, dat hij
+smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is
+onwaarschijnlijk. "As ie sjankt, dan mot ie weg," zegt ze, en nooit
+verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand
+te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er
+een onbezonnen genoeg even vr haar orgel te gaan zitten, dan schopt
+zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar
+zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast
+haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt
+hem in het oog, en als hij, al mee-neurind, zijn kop een weinig van
+haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop
+toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier
+met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament
+tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en
+rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar
+onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half
+dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog
+voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht,
+door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de
+wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping
+elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten
+het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.
+
+Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking
+is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men
+bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift
+der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op
+de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding
+geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent,
+met wiens verklaarbare voorliefde voor geffende wegen Bet, die bij
+eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet
+kan vereenigen. "Smerisse," zegt ze, "daar mot 'k niks van hebbe, en met
+'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k
+de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had--en dat zou zoo'n
+wonder niet weze--zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme
+je mee!" roept ze uit. "As je, zonder erg, de een of andere straat van
+de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde
+tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan
+schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_
+bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om.
+Sekuur!" roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt,
+"want toe Da Punt...." en dan volgt het waarachtige verhaal van een van
+haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok
+had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrire
+gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten
+geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Danil-Meijerplein was
+gebracht. "Nee, nee," zegt Bet, "met de pelisie affetuur 'k niks, want
+_dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst." En zoo komt
+zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de
+hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende
+is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan
+den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden
+dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de
+hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd.
+Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het
+vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de
+meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden
+gewaardeerd.
+
+Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den
+heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt
+het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met
+andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt
+geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven
+aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het
+lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op
+het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele
+_entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door
+dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt
+geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een
+_marche-funbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen
+als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun
+is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in
+achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van
+eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar
+de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste
+bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend
+op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra
+de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin
+_nez nez_ staan--liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat
+het ook wel--maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de
+uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de
+andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats
+waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar
+links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij,
+plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten
+dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna
+zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der
+dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of
+een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet
+gegleden is, weer aan te trekken.
+
+Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de
+verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan
+eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand
+een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een
+paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke
+bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel
+der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden,
+door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte
+uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide
+bevalligheid.
+
+Voor Bet is zulk een straatbal--want de bewoners van achterbuurten zijn
+goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul--een aardig buitenkansje, maar
+natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook
+dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis
+kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij
+nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek
+een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij
+haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er
+maar n, maar "wat 'n hartepitje is ie, h?" En als zij hem van den
+vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis
+vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.
+
+
+
+
+Eddy.
+
+
+Ik wou, dat ik een portretje van hem had z als ik hem nu, in gedachte,
+voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs
+pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een
+fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar
+een veld-mutsje of zoo iets--donkerblauw, afgezet met wit--want hij
+is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de
+geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel
+daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen,
+een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar
+wel een beetje een uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" aan zijn
+gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine
+tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk,
+dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets
+waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt
+en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.
+
+Z als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover
+mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het
+portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen
+geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de
+tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige,
+mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar
+ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal
+zien en zijn hand nog eens drukken zal.
+
+Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus
+eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij
+elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden
+hebben.
+
+Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe
+woonplaats zou betrekken--want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik
+het kamerleven op den duur te "onhuiselijk"--moest zooveel hersteld
+en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn;
+en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn
+nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een
+nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te
+vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo
+had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige
+benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren
+ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken,
+kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik
+de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een
+Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast
+was.
+
+De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de
+personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik,
+dat Cor--zoo heette de zuster van Eddy--als zij binnen kwam, om het
+een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek,
+alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te
+doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg z als dit aan
+een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder
+fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op
+een morgen--waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden
+totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken--of ik tevreden
+was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.
+
+Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever
+wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg
+ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op
+zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande z, dat
+het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd,
+al dravende, zijn overjas aantrekkende.
+
+Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er
+iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat
+van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet
+mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te
+veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans;
+maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het
+zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.
+
+Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.
+
+"Welzeker niet," antwoord ik. "'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar
+ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even "stormachtig" was
+als hij. Gaat hij nog op school, of...?"
+
+"Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad."
+
+"En leert hij goed?"
+
+"Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar
+gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls
+van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het
+eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn
+dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht."
+
+"En wat moet hij worden?"
+
+"Ik hoop," antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid
+getuigt, "dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine." En
+aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: "Eenige jaren
+geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die
+zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in
+leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand
+te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te
+huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was
+toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig,
+'t ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik
+iederen zomer het huis vol log's. Intusschen, had Eddy de lagere school
+doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't
+Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat
+het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We
+hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij,
+en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou
+studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk
+veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd
+opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik
+hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan
+later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij
+niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat
+hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had
+gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de
+middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat
+doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het
+beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn
+toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan
+misschien niet een zou gebeuren. En zoo," zegt Cor, met een glimlachje,
+"ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet
+minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken."
+
+Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets
+over het hoofd had gezien.
+
+"En dat is?" vroeg zij, een beetje ongerust.
+
+"Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht," antwoordde
+ik.
+
+"Niet om mezelf?" vroeg zij verbaasd.
+
+"Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of
+zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen."
+
+"O," zei zij met een glimlach, "dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk
+niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn
+leven niet geven."
+
+Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde,
+en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden,
+maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was
+met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.
+
+"En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog
+geen berouw?" vroeg ik.
+
+"Neen," antwoordde zij beslist. "Tot nog toe is hij ieder jaar
+overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral
+in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar
+hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't
+Gymnasium, of "'t hok," zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen
+om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij
+over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan
+ook niet heel lang geduurd," voegde zij er met een glimlach bij.
+
+Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik
+dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou
+opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem
+aan te moedigen zijn best te doen.
+
+Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en
+met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.
+
+Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den
+tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende
+ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich
+eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de
+leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn
+rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak
+hem aan.
+
+'t Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was
+kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had
+gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek,
+dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus,
+Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt
+van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk
+Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes
+jaren lang op een Gymnasium te gaan "heel taai," en derhalve lang genoeg
+is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde,
+ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje
+met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk
+niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met
+zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want
+uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden
+kerel--"ajasses nee!"
+
+Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik
+glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer
+stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.
+
+"Ik geloof," zei ik tegen Eddy, "dat je 'n beste zus hebt, h?"
+
+"Ja, hoor!" antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er
+zoo onmiddellijk bij: "wat 'n mooi tuigie het ie op!" dat hij het
+blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water
+koud en vuur heet is.
+
+Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen,
+of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem
+al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang
+stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap,
+en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een
+log van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.
+
+"Ik vind, Eddy," zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik
+bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, "ik
+vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal
+te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde
+met boeken en schriften te doen. Deze twee--en ik wijs naar een paar
+op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers--heb ik hier een poosje
+geleden op de canap gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche
+grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden
+binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en...."
+
+"Vieze dingen!" roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding
+aannemende.
+
+"Nu goed dan, _niet_ vies, maar--ja kijk nu maar niet zoo woedend--in
+ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt
+zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op
+de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets."
+
+"Nou ja," zegt Eddy, "dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst
+he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was;
+toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel
+op te redderen."
+
+"Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?"
+vraag ik.
+
+"Of ie!" beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint
+te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.
+
+"Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan
+werken," zegt Cor, "en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op
+zijn kamertje bleef zitten."
+
+"En daarin hebt ge volkomen gelijk," stem ik toe. "Hoe zoudt ge
+'t vinden, majoor"--want sedert ik weet, dat hij lid is van de
+weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls
+met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een
+militairen rang toe te kennen--"hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't
+vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen,
+daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en
+Zaterdag-middag hier kwam werken?"
+
+Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is
+verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met
+opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan
+opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar
+denkende dat dit plan van haar afkomstig is.
+
+Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en
+als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk
+makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid,
+en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen
+Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft
+gewerkt.
+
+Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt
+nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil
+doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk
+bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het "dan maar doen zal."
+
+En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander,
+hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in
+de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden
+toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde
+te "suffen", omdat het er toch niets toe deed of "die stomme boer" het
+kreeg of niet.
+
+Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen,
+en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn
+huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge
+manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een
+kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit
+een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als
+hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige
+ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken
+gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan
+nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met
+de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan
+hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt.
+Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer,
+die het "ongeluk" heeft geen "klare" te lusten--hetgeen trouwens niet
+verhindert, dat de ware "kiezerspit" in zijn _body_ zit--dan weet ik
+wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid,
+door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het "moppie",
+waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een
+weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige
+oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel,
+sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden
+zal zingen:
+
+ "Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,
+ 't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht."
+
+En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden.
+Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen "licht"
+krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij
+naar mij, als ik hem even aankijk--iets waarvan ik natuurlijk niet de
+minste notitie neem--of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en
+blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt
+het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het
+hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene--dan het andere been, ook
+wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische
+toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt,
+om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge
+gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het
+gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt,
+uitroepende: "wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!" of: "daar
+h' 'k 't! x + y, dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel,
+zoo gaat 't!"
+
+Als de vertaling af- of het algebrasch voorstel opgelost is, dan begint
+hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken
+heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met
+"bevallige nonchalance," zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich
+slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen
+straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk
+een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel
+voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch
+zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen,
+maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels
+herinner:
+
+ "Maar 't was zoo heerlijk, buiten!
+ 't Was alles: zonnestraal!
+ En boven in de takken,
+ daar zong een nachtegaal;
+
+ En alle bloemen bloeiden,
+ en schitterden in 't rond;
+ en als een bloem was 't kereltje,
+ zoo frisch, en zoo gezond.
+
+ Zoo liep de jongen lustig,
+ en zong zijn vroolijk lied.
+ Maar waarom hij een liedje zong,
+ dat wist het ventje niet."
+
+En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt
+hij wel twintigmaal:
+
+ "Maar dat viel lang niet mee.
+ Ze zei: "wel jonge, nee,
+ ik houw niet van tariteraraboumdi.""
+
+En niet minder dikwijls:
+
+ "Een jeugdig huw'lijkspaartje,
+ Pas in den echt getreen,
+ Gevoelde zich gelukkig,
+ Nu 't eind'lijk was alleen.
+ Maar daar komt plots'ling binnen
+ De schoonmama--o, h!..."
+
+En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten
+over, om te eindigen met de verrassende woorden:
+
+ "Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,
+ Van die lieve schoonmama."
+
+Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer
+onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner
+schoonmoeder.
+
+Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij
+zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een
+almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de
+Paaschvacantie--waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden,
+waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een
+poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;--of
+hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje--een cadeau van
+Cor--uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de
+schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk,
+het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk,
+staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke
+blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: "maar
+jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!" dan
+antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft
+geleerd.
+
+Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan
+gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier
+drinkende--want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan
+vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is--rustig blijft
+zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij
+niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt
+hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na
+dien tijd nog iets uit te voeren.
+
+Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest
+wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem
+sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij
+even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam
+hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte
+handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor
+ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk
+losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle
+mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de
+kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van
+haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield,
+liep hij de kamer op en neer, zingende:
+
+ "Eens liep een aardig meisje,
+ al in den maneschijn.
+ Zij had twee blauwe oogen,
+ en voetjes--o zoo klein...!"
+
+En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in
+huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den
+maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer
+hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo
+lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het "aardige
+jonge meisje," niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet,
+met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den
+waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het
+nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in;
+want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten--door met
+aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te
+schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.
+
+Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij
+zegt, dat hij het "onfatsoenlijk" vindt, en biedt mij een dubbeltje aan,
+als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. "Dat zou zoo lekker
+gaan," zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij:
+"pats...!" En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij
+het aannemelijk te maken, door te zeggen: "nou, _vijf_ keer dan maar!"
+En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite
+een verbaasd gezicht zettende: "waarom niet?"
+
+Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze
+zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd,
+waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij
+daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een
+handschoen of een zakdoek, "tegen de mot", zooals hij zegt, en als
+ik hem laat begaan dan maakt hij "een Chineesie" van mij, zooals hij
+dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn
+uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij
+aanhitst, door naar mij te wijzen en "kiesch! kiesch!" te roepen, net
+zoolang totdat het beest begint te blaffen.
+
+En met dien hond, die den buitengewonen naam "Pak 'm" draagt, kan hij
+sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige
+laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het
+dier leeren "zingen," hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden
+maakt, als Eddy, al neurind, eenige rhythmische bewegingen maakt met
+het hoofd; en als hij zegt: "Pak 'm-snoet-vuil!" dan strijkt het beest
+herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op
+onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze
+met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij
+het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte
+voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden.
+En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knien, neemt de voorpooten
+in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of
+anderen leeraar na. En als hij uitroept: "ik zek oe, dat zal _niet_
+kebeuren!" slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat
+het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna
+holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: "hij is
+braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, h? ja,
+hoor! hij is een goeie hond!" zijn wangedrag tracht goed te maken. En
+niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat
+hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm
+nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en
+zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in
+het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.
+
+Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede
+kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor
+ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken
+en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook
+met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu
+_asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid
+haar toe te voegen: "geef me dan een kwartje, dan laat ik je los."
+Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij
+ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij
+zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en
+"handelsgeest" met elkander verwar.
+
+Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder
+beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den
+middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we
+hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van
+zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die
+eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig
+verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche
+lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook
+wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer
+zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet
+zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.
+
+Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd
+leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als
+er niet zooveel "verrekte" uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te
+doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche
+opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei
+vreemdsoortige gebaren te zingen: "_emploie--toujours--l'indicatif!_"
+op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scne, op het tooneel, een
+rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: "_pour
+toi--pour toi--mon me aim!_"
+
+Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval
+is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen
+vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, "misselijk."
+Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij
+geruimen tijd heeft geweifeld tusschen "de mode," "men moet het ijzer
+smeden als het heet is," en "spaarzaamheid is nog geen gierigheid,"
+waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te
+zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: "nou, de mode dan
+maar!" waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en
+opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm
+ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en
+den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt
+met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken
+een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk
+een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend
+uit: "wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?" En als ik
+dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te
+dicteeren, en zeg: "kom, schrijf dan maar op, sukkel!" dan zit hij
+onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: "asjeblieft,
+collega!" en voegt er onmiddellijk bij: "maar nou niet zoo eeuwig lang!"
+En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan
+springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de
+lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een
+uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.
+
+Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij
+een uur lang samen geweest waren--want Eddy was buitensporig lastig, en
+zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd--maakte hij een stapeltje van
+zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van
+hem, ging; er in een adem bijvoegende--wel begrijpende, dat ik met dit
+voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn--dat hij toch bijna niets te
+doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar
+wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.
+
+"Ja," zeg ik, "in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat
+zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan--nu, dat moet je bed maar liever
+niet hooren, h? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je
+werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben
+je voor goed van "'t hok" af, als je nu nog maar een poosje je best
+doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander.
+Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je
+moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet
+waar?"
+
+"Cor doet dat graag voor me," zegt Eddy, "en later zal ik haar alles
+teruggeven."
+
+"In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze
+wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer
+en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen.
+En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar
+gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in
+billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.
+
+"Ik ben nog ieder jaar overgegaan," zegt Eddy.
+
+"Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen
+voor de deur, h? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor
+te slagen?"
+
+"Ik zal _toch_ wel door dat examen komen," beweert hij.
+
+"Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't
+_niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel,
+dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest
+erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen
+andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, h? Want als het
+eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan
+moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het
+nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes
+pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu," zei ik
+opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid
+weer aan het werk te gaan, "ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof
+je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte
+handen terugkomen."
+
+Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de
+schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd
+voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden,
+waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had
+voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die,
+door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen
+naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik
+tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken
+lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen
+op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig
+op, ging zitten en begon weer aan zijn werk------
+
+"En nu moet u eens zien," zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij,
+met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.
+
+'t Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder
+geschreven, dat hij tevreden was.
+
+"En wat zegt Eddy er wel van?" vroeg ik.
+
+"Dat het hem niet verwondert," antwoordde Cor lachende, "omdat hij,
+zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan
+vroeger."
+
+"Jawel," zei ik, "logisch redeneeren--dat kan hij best."
+
+"Ik ben _heel_ blij," zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede
+kind mij aan.
+
+"'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben," verzekerde
+ik, "en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem
+ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de
+duinen en naar de zee."
+
+En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den
+volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een
+gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen
+waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden
+daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik domin
+had moeten worden.
+
+Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee
+vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den
+tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een
+briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was.
+Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus
+was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan
+die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan
+tafel.
+
+Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw,
+niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden,
+en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje
+noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist
+zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap
+weldra volkomen tusschen ons hersteld.
+
+"En wat zijn nu je plannen?" vraag ik hem, als wij na het eten in den
+tuin een sigaar rooken; "denk je lid van het corps te worden, of niet?"
+
+Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik
+weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en
+karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik
+begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het
+zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij
+het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig,
+dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft
+ingezien, dat hij het niet doen moest.
+
+Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat
+hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier
+te drinken en een sigaar te rooken.
+
+En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van
+voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport
+hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden
+kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het
+Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust
+en ontwakende mannelijke kracht.
+
+En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.
+
+
+
+
+Haar brood.
+
+
+Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens, kwart voor negenen,
+schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij
+schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam
+altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich
+aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette
+zij, had aangescheld. Als ik vroeg: "Frits, jongen, moet je nog niet
+naar school?" of: "Karel, ventje, is het je tijd nog niet?" dan was het
+antwoord: "nee, pa, want Ant is er nog niet;" maar zoodra een van de
+kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: "daar is
+Ant; Ant is er, hoor!" en dan grepen allen naar boeken en tasschen en
+stormden de deur uit.
+
+Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten,
+kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk
+bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had
+aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was
+gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare
+handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met
+bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar
+gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze
+mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een
+bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op
+schillen wachtte, en de kinderen haar met een: "goeje morge, Ant; dag
+Ant!" voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun
+groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al
+het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden
+verbitterd.
+
+Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was
+oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten
+vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk
+gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit,
+voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield
+veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was,
+maar ook om hemzelf, "want," zei zij, "'t was 'n best ezeltje, nooit
+eigenzinnig en altijd gezond."
+
+Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst
+in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou
+lusten, dan vergat zij nooit het vr hem op straat te werpen, waarop
+Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop
+boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het
+tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want
+doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek
+in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou
+zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn "smaak" te vallen.
+
+Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg,
+dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest
+stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden
+geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging
+eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en
+bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de
+schillen waren opgeladen, en Antje "vort Hans!" riep, waarop hij
+terstond aantrok en het karretje wegrolde.
+
+Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar
+ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en,
+naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles
+medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar
+hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den
+hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het
+bijzonder wilde vestigen.
+
+Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg.
+Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar
+ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst
+geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden
+was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten
+aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man,
+een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar
+kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de
+moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar
+jongen--frisch en gezond. "Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie,
+dat harteboertje!" had Antje haar ezeltje toegeduwd. "Maar z'n vader,
+h! Och Heere, ja! Alweer de drank, h? Ja, jonge, dat is 't, de drank,
+die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe.
+En zij ook; "want als werkman is er geen beter," zeit z'n baas. En nou
+zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat,
+Goddank, h! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel
+schikke, h! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht
+doet, nooit..."
+
+Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren
+opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door
+de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar
+de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een
+agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel
+vasthoudende, tot Antje zei: "da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't
+zie; twee keere h 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na
+'t ber."
+
+Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek
+den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en
+kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te
+houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest
+van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige
+poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet,
+zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.
+
+"Ho, Hans, ho!" riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en
+zich tot den agent keerende, vroeg zij: "wat zeg je, mot 'k mee na 't
+ber?"
+
+"Wel wis," antwoordde de agent met een straffen blik, "ik zeg je ommers,
+dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!"
+
+"De derde keer, wat derde keer?" vroeg Antje, den man met groote oogen
+aanziende.
+
+"Maar mens!--dat je schille ophaalt!" antwoordde de agent, met een
+hoofdbeweging naar het karretje.
+
+"Nou ja," zei Antje, "dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?"
+
+"Maar dat mag je niet doen!" riep de agent uit. "Wist je dat dan niet?"
+
+"Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of
+hoe h' 'k 't nou met je?" vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.
+
+"Droome," antwoordde de agent, "dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me
+het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar
+doen vr 's morgens acht uur."
+
+"Kom", zei Antje, "nou nog mooier! wie zou dat verbieje?"
+
+"Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,"
+antwoordde de agent, "maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't ber,
+dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore."
+
+Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar
+begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er
+waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning
+ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een
+zucht: "Vort, Hans, vort jonge!"
+
+'t Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij
+dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk
+gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen
+ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone
+verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent
+er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet
+verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het
+politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en
+kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens
+verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief,
+tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige
+opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in
+verband met de komst van den agent.
+
+"Wel Kloek," vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem
+stonden, "wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?"
+
+"Afval van eetware vervoerd n bezette tijd, U-gestrenge," antwoordde de
+agent, de hand aan het hoofd brengende, "al drie dage achter mekaar."
+
+"Maar dat mag je niet doen vrouwtje!" zei de commissaris. "Na 's morgens
+acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je
+moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de
+straat bent."
+
+"Maar me lieve meneer," zei Antje, "as 'k 's morges vr acht uur me
+schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vr half acht hoef 'k
+bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me
+klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge."
+
+"Ja," antwoordde de Commissaris schouderophalend, "daarmee heb 'k niet
+te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd;
+en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal
+'t nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze
+nu weer n acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen
+haar opmaken."
+
+"'t Zal gebeure, U-gestrenge," antwoordde de agent, andermaal de hand
+aan het hoofd brengende.
+
+"Maar meneer," zei Antje, "'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k
+geen schilletjes meer mag ophale?"
+
+"Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,"
+antwoordde de Commissaris. "Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders
+bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!" En terwijl hij zich weer
+verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje
+heen, mompelend: "z verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe
+'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar"--en langzaam de trap
+af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd--"ik laat 't er niet bij,
+dat doen 'k niet!"
+
+Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop
+van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen
+zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende,
+Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: "ik heb 't
+Hans, ik heb 't!"
+
+Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige
+voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig
+geld daarin uit haar chiffonnire genomen en bij zich gestoken te
+hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien
+haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.------
+
+Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als
+zij wou wachten....
+
+"Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd," antwoordde Antje. En zoo
+stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij
+de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en
+planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om
+zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen
+gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het
+armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling
+opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek,
+ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de
+gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperien.
+
+"Wel, vrouwtje," zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn
+hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf
+gevouwen en het eene been over het andere geslagen, "wat kan ik voor u
+doen?"
+
+En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die
+er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en
+vroeg wat er aan te doen zou zijn.
+
+"'t Is juist wat ik heb voorspeld," zei Mr. Verdoorn, met een
+zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, "juist wat
+ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval
+van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor
+een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit
+bezwaar, dit zeer groote bezwaar," herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig
+gezicht, "het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven
+hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede
+voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles
+wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van
+afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die
+vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen."
+
+"Ik kan dus een vergunning krijgen?" vroeg Antje, die, van al hetgeen
+zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.
+
+"Onmogelijk is 't niet," antwoordde Mr. Verdoorn, "maar"--en hij zette
+een bedenkelijk gezicht--"zeker is 't evenmin."
+
+"Och meneer, doe uw best voor me," vroeg Antje, "doe uw best, want 't is
+me brood!" en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te
+voorschijn.
+
+"Ik beloof u te zullen doen wat ik kan," antwoordde Mr. Verdoorn, "en
+zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten."
+
+"Dank u, dank u!" zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende,
+nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van
+Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.
+
+Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende,
+dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor
+geen geld wilde ontvangen.
+
+Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een
+koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr.
+Verdoorn.
+
+Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging
+zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om
+niet door anderen "onderkropen" te worden, of zij, gedurende den tijd,
+waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen,
+de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen,
+wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden,
+ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde
+zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje
+zich bijzonder goed schikte.
+
+Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en
+reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen
+krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen,
+vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel
+uitriep: "Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken
+en buiginkjes te maken."
+
+En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig
+gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de
+voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat
+zij haar broodwinning had mogen behouden.
+
+En dankbaar was zij! "Lieve harte," zei ze, "wat in de wereld ha'k toch
+motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was
+'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef
+te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n
+kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil." En
+zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: "Vort, Hans, vort
+jonge!" En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan
+uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.
+
+Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van
+politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij
+haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een
+vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid
+van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep
+zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem
+toeliet: "schille, schille, wie het schille!"
+
+Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond
+om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei
+knorrig: "ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet
+late."
+
+"Dat kan 'k niet, me goeje man," zei Antje hoofdschuddend; "'t is me
+brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen--vandaag, morge en altijd."
+
+"'t Is goed," antwoordde Kloek, "maar je weet wat de Commissaris het
+gezeid, en je mot dus weer mee na 't ber. Maar 't zal er spanne, hoor
+je, 't zal spanne, dat zeg ik je!"
+
+"'t Zal zoo'n vaart niet loope," meende Antje, 't zal nog wel schikke."
+
+"Wor nou maar niet bertaal," waarschuwde Kloek, "want dan maak je 't nog
+erger!"
+
+"Menslief," zei Antje, "daar denk 'k niet an." En Hans tegen den hals
+duwende, riep zij uit: "Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de
+Commesaris."
+
+Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_
+een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen,
+en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.
+
+En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het
+verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij
+hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en
+woonplaats had opgegeven, vroeg zij: "Meneer, toe u me laast het gezeid,
+da' 'k geen schilletjes mocht ophale--dat was toch niet de volle
+waarheid, was 't wel?"
+
+"Mensch," stoof de Commissaris op, "wou je me in m'n gezicht zeggen, dat
+'k lieg!"
+
+"Maar me lieve meneer," zei Antje, "dat wil 'k in 't geheel niet zegge;
+ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel
+schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?"
+
+"Die vergunning," zei de Commissaris boos, "wordt nooit verleend, en 't
+was dus geheel onnoodig daarover te spreken."
+
+"Ja," zei Antje, "zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k
+het er toch eentje." En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer
+dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld,
+haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den
+Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen
+hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in
+_optima forma_ was.
+
+Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een
+toon alsof hij verongelijkt was: "'t is in orde, en we zullen er
+aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt,"
+vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing
+aanziende, "dat mag de hemel weten!"
+
+"Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?" vroeg Antje, die het
+onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de
+vergunning gekregen had.
+
+"Ja, mensch, ja!" antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor
+het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem
+verloren ging.
+
+Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den
+rug kloppende, zei zij: "h Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware
+benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en
+voor goed ook; vort, jonge, vort."
+
+
+
+
+Kinderleed.
+
+
+Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen,
+eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig
+op zijde had geschoven, zei mijn vader: "Meneer Nelissen is zoo even bij
+mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie
+zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indi gekregen, en in
+het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere
+school moet, ventje."
+
+"Och heden, dat is jammer!" zei mijn moeder; "dat zal je spijten, h,
+Willem?"
+
+"H ja!" riep ik uit, "zoo'n prettige school."
+
+"Ja," zei mijn vader, "het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een
+verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed
+onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu
+informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet
+een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed."--En
+hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen
+broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest,
+en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen "een ietsje
+flauwer"--de Metallieken "een tikje beter" waren, en verder verslag
+gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws,
+dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan,
+dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik
+mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen:
+"Heere--zegen--deze--spijs--en--drank--amen," waarna het mijn beurt was,
+en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half
+bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij
+paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet
+alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het
+ernstige gelaat van mijn vader.
+
+Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en
+mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en
+een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij
+opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en
+konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers,
+van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen
+kwam spoken.
+
+Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer
+Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij.
+Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een
+zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de
+genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem,
+als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren,
+dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane
+wijze handhaafde hij orde en tucht.
+
+Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school
+bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een
+klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken.
+Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing,
+voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen,
+stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende
+venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige
+inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.
+
+"Je mag zoo maar niet opstaan!" zei Henri, die naast mij zat.
+
+"Dat zal hij langzamerhand wel leeren," zei meneer Nelissen, mij op den
+schouder kloppende. "Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar
+zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest,
+en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En
+wat hij deed," vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende,
+"is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te
+onthoofden, niet waar Henri?"
+
+"Maar dan doen ze zoo eeuwig mal," mompelde Henri. En toen meneer vroeg
+wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.
+
+Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog
+al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik
+in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens
+van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn
+gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.------
+
+"En waar gaat hij nu heen?" vroeg meneer Nelissen, toen hij een
+afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem
+vaarwel te zeggen.
+
+Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer
+Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg
+mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school
+kende?
+
+"Zeker mevrouw," antwoordde hij. "Kreggers is een knap man, geloof ik,
+een _heel_ knap man.--Hm.!" En dit zeggende stond hij op, nam afscheid
+van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.
+
+Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indi aangekomen, bleek hij
+niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij
+naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.--Arme meneer Nelissen! gij
+waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand
+kunnen brengen------
+
+Meneer Kreggers--groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos
+gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder
+zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke
+handen ter hoogte van het gezicht houdt--meneer Kreggers zegt: dat ik
+brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat
+ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik
+kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook
+voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel
+eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch
+niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat
+hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij
+voor de klas staat en les geeft.
+
+Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet
+volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk
+waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En
+eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. "Je verstand is goed,"
+zegt hij, "maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;" en
+mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit
+zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij
+gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij
+heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van
+het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een
+liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept:
+"_Messieurs, la prire!_" totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen
+gaan.
+
+Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle
+jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij
+ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar
+in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand
+op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal
+de zijne toesteekt, dan is die hand z slap, dat ik het niet waag die
+te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik
+hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn
+eigenzinnigheid versterk.
+
+Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik
+brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met
+den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb,
+zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar
+o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze,
+waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent,
+zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en
+die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij
+trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers
+zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.
+
+En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij
+toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het
+niet en geloof ook niet, dat ik "zoo'n akelige jonge" ben. Ik weet, dat
+men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo "slecht"
+was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en
+waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan
+denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was,
+terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een
+pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de
+mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de
+jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk,
+lammert, en zoo vele andere toe, en--ben ik rampzalig.
+
+Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet
+geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin
+zooveel vooruit zijn--Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet,
+dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra
+hij dan ook zegt: "_et maintenant, Messieurs, la lecture franaise_,"
+word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb
+om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij
+iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een
+andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken
+woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt
+het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te
+maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste.
+Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is,
+en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel
+tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook
+wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op
+hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het
+einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt
+zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik
+vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik
+voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen
+heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van
+een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept:
+"_Assez, maintenant l'arithmtique_," een werkzaamheid waaraan ik
+evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op
+een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en
+gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei
+schrijven: _je suis un enfant revche, hautain et indocile_.
+
+Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was
+eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest
+wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke
+letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les
+chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. "Lees dat nu
+eens hardop voor," zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij
+er bij: "en nu niet geagiteerd, asjeblieft!"
+
+Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen
+van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe
+tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen
+en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de
+zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den
+uitgang "ion" moet verbinden met de "g", of de "s" of een andere
+medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders
+uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_.
+
+Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast
+mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te
+gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revche
+et un imbcile_.
+
+Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half
+wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik
+zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van
+minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met
+ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en
+nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem
+komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat
+mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en
+zegt, schijnbaar kalm: "we zullen het nu nog eens probeeren, maar
+nu"--en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon--"nu pas je op,
+versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_."
+
+In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide
+woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij
+zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den
+gek te houden?
+
+Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik
+zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.
+
+"Krijg ik ook antwoord?" vraagt hij.
+
+"Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!" roep ik uit.
+
+Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover
+verder niet wil spreken en herhaalt: "_des ... i ... eux_."
+
+Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te
+doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het
+gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: "_des sjeux_."
+
+Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is
+duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar
+hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend:
+"nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_."
+
+Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze
+omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend,
+terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.
+
+Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op,
+en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: "marsch, in den
+hoek..!"
+
+Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij.
+Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat
+hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen
+schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef
+ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek,
+maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de
+zakken en kijk rechts en links naar het plafond.
+
+Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt
+meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis
+brengen--en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat
+zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te
+moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en
+met mijn pet op n oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen
+in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende,
+naar huis.
+
+Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een
+allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen
+als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord:
+dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal
+inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij
+zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te
+openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij,
+reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien,
+dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in
+die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren
+nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren
+_instituteur_ is, een kind te hebben gezien, z brutaal, trotsch en
+onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij
+dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den
+hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk
+van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit
+wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat
+ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn
+onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille
+van zijn prestige stellen moet.
+
+Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien
+betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen
+hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij
+keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: "en wat zegt m'n jongen
+nu?"
+
+O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik
+wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was
+als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en
+altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet
+geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het
+eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.
+
+"Maar 't kind is zenuwachtig," zei meneer Kreggers glimlachend.
+
+"Ik geloof het ook," antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er
+bij: "misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen"--en nu
+klonk zijn stem weer krachtig--"zal mijn zoon uw school niet langer
+bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en
+tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_
+zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad," vervolgde mijn vader, meneer
+Kreggers vast aanziende, "betuig ik u mijn dank."
+
+Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last,
+waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg
+ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij
+streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was------
+
+Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner
+ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden,
+die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet.
+
+
+
+
+Karel Jan Vonk.
+
+
+"K..arel, J..an Vonk," zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met
+den rug naar het venster mijner griffie staat "zoo spreekt hij precies,
+en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en
+onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor
+mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. "Neem het copyboek," zeg ik
+tegen hem, "zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee
+Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je
+natuurlijk het woord "heer" in "mevrouw" veranderen." En Vonk deed
+precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond
+er boven: "WelEerwaarde Mevrouw." WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de
+burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je
+honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij
+zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register
+waarin hij niet krabt, in n woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles
+maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen
+zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd."
+
+"Mijn waarde," zeg ik, "daarover behoef je je niet ongerust te maken.
+Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet
+gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou
+worden opgeleid?"
+
+"Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen,
+dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest
+eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch
+en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te
+zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een
+kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in
+den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een
+baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of
+van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk
+niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool
+te Diepenburg geweest."
+
+"Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?" vraag ik.
+
+"Als een rots," bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik,
+"en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om
+schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak
+was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar
+geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen
+hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier
+gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een
+gemakkelijk heer--en nogal op nummer n gesteld is, hem bij zijn kraag
+genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij
+zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog
+met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele
+onheil had overzien, den jongen onder handen genomen--en zulke venijnige
+dingen gezegd heeft--want Venninga is nog al scherp, zooals je weet--dat
+Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen."
+
+"Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?"
+vraag ik.
+
+"Dat weet ik niet," antwoordt de burgemeester. "Venninga is natuurlijk
+dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij
+komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls
+doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij,
+om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij
+zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.
+
+"Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het
+op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een
+te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer.
+Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het
+andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk
+mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn
+kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem
+standjes gegeven, standjes..."
+
+"Ja," zeg ik, "dat zal wel."
+
+"H!" roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende,
+"waarom denk je dat?"
+
+"Omdat ik geloof," antwoord ik, "dat je wel een beetje heftig bent, weet
+je."
+
+"Ik geloof 't ook," erkent de burgemeester, "maar 't schijnt geen
+slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: "dat
+mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;" 't geen
+hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog
+al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te
+steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem
+weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en
+aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben
+om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat."
+
+"Is hij gewillig?" vraag ik.
+
+"Zeer gewillig."
+
+"En ijverig?"
+
+"Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben
+als--als een heimachine," zegt de burgemeester, die met deze even
+krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.
+
+"Nu," zeg ik, "dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan
+hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?"
+
+"Graag," antwoordt de burgemeester. "Ik ben blij om hem en om zijn
+ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_."
+
+En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der
+griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien
+jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen,
+gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar
+netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals,
+waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.
+
+Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprim_ in blanco
+van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het
+_imprim_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje
+bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.
+
+En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de
+beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar
+stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig
+gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er
+alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in
+te vullen--wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_
+is--heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor
+den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik
+mij volstrekt niet vereenigen kan.
+
+Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich
+kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen,
+terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt,
+en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.
+
+En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en
+telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.
+
+En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen
+nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan
+zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag
+beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken
+moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat
+alle vonnissen de woorden: "in naam der Koningin," aan het hoofd moeten
+voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud
+imprim voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: "in naam des
+Konings." En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan
+geef ik hem die, maar doe dat z omslachtig, en verdiep mij in zooveel
+uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan
+trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of
+hij het begrepen heeft.
+
+En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een
+eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls
+betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar
+telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te
+hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die
+langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en
+omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem
+handelen moet.
+
+Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor
+hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan
+vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn
+moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls
+pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is.
+Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje
+is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn
+oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en
+moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje,
+die allen nog klein zijn en op school gaan.
+
+Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben,
+wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend
+hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor
+handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls
+gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden,
+waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde
+toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de
+normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter,
+twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet
+geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en
+graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat
+hij het nog n jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar
+op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van
+zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand
+voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden,
+maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd
+gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags,
+omdat vader dat verboden had.
+
+Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.
+
+"Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld."
+
+Hoe bracht hij den Zondag verder door?
+
+"Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot
+Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan
+las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek."
+
+Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?
+
+"Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor
+hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond."
+
+Las hij veel?
+
+"Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was
+hier geen bibliotheek."
+
+Had hij geen konijnen, geen duiven?
+
+"Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad, mooie dieren, die geheel
+aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de
+menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze
+moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze
+Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen
+lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht."
+
+Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het
+strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?
+
+Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets
+in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen,
+maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij,
+dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.
+
+En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn
+ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn
+schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets
+voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een
+schamel kleed.------
+
+Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een
+maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even
+later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging
+kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar
+boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon
+komen, omdat hij ziek was.
+
+Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in
+den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.
+
+"Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. "Vonk," zei ie van morge, toe
+'k 'm uitliet, "dat lampie"--en de stem van den ouden man beeft--"dat
+lampie brandt nog maar heel eve.""
+
+"Arme jongen...!"
+
+"En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet,
+da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n
+dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm
+wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te
+jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg
+'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en
+'m alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En
+daarom--beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag
+nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal
+zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar
+Hij doodt."
+
+Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer
+zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij;
+hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig
+veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven
+om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen
+neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet
+van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt.
+Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van
+dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.
+
+Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal
+stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem
+dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.
+
+Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde.
+En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, n voor n, de
+bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas,
+even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert
+het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak
+voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar
+huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een
+rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:
+
+ Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek:
+ "Schijn, zonnetje, ook op mij!"
+ Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet,
+ Haar stralen gingen voorbij.
+ Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag,
+ En tuurde naar 't morgenrood,
+ Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat,
+ Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.
+
+En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!----
+
+Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer
+op de trap en zijn vader kwam binnen.
+
+"Hoe is 't?" vraag ik.
+
+Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.
+
+"Geen hoop meer?"
+
+"Nee;... hij is dood."
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij
+gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het
+kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die
+naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het
+weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong
+leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag:
+kleurloos, mistig en koud.
+
+O, 't is beter... z! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des
+levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel
+onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.
+
+
+
+
+De oudste.
+
+
+Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van
+ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid
+voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden
+herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een
+gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Hazer_ schreven, een teeken,
+dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen
+van onzen levensweg, den blik terug wenden.
+
+Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn
+vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede
+visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben,
+prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten,
+herdenk ik wat achter mij ligt.
+
+Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd
+portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn
+schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek
+wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede
+zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde
+zij er bij, God te danken dat het zoo was.
+
+Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar
+waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop
+wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren,
+genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen
+sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.
+
+Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart,
+bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te
+hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen,
+toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb
+ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij
+altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.
+
+Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw
+haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij
+de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden,
+dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die
+blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine,
+onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang,
+altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar
+zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik
+was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn
+ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.
+
+En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende
+kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien
+lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes
+weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke
+gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking
+van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze
+eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.
+
+"Ons kind, onze zoon!" Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en
+hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende,
+herhaalde: "onze zoon."
+
+"Dien wij willen liefhebben," zei ik, "_ook_ met geheel ons verstand,
+tot zijn eigen geluk en tot het onze."----
+
+Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk
+opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste
+broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren,
+donkere oogen, blozende wangen en het--aan de mondhoeken naar beneden
+getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet
+hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn
+mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het
+strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem "de jonker"
+noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij
+vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen
+legt.
+
+Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange
+wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende
+het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En
+daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk
+een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten
+wil.
+
+Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der
+sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te
+midden der stilte klinkt: "hoe kom dat?" en als de opkomende maan zijn
+aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt:
+"het de maan ook beene?"
+
+Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met
+hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat "goote
+mense doen." Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit,
+het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille
+uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om
+ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem
+uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.
+
+Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen
+te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:
+
+"Daar kom 'n man an, h?"
+
+"Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt."
+
+"Goeje man, h?"
+
+"Zeker wel, vent."
+
+"Niks bang, hoor?"
+
+"Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als
+jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?"
+
+"Pa zou mijn wel hejjepe, h?"
+
+"Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't
+Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein
+meisje heeft."
+
+Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen
+het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van
+haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij
+zich tegen mij aan.
+
+Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn
+ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning
+is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging,
+Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt
+hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij,
+met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: "goeje man, hoor!"
+
+Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar
+door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet
+hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren,
+een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft
+gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en
+door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren
+geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet,
+dat de zee "o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes." En sedert ik
+hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver,
+van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij
+in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp
+ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere,
+dan roept hij uit: "o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes
+goed zien, h? die goe...je visserjes!" En die gedachte laat hij niet
+weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi "jiggie"
+hebben, dat zij nu zeker wel "bjij" zijn, en als wij t'huis zijn gekomen
+en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje
+binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens,
+terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes
+houdt: "nou kanne de visserjes mooi zien, h?"
+
+"Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen
+zien."
+
+Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt
+hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch
+gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: "o jou goeje,
+ouwe bj...inde Pjins!" dan spreekt het grootste medelijden uit zijn
+stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond
+gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een
+bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw
+werpt, "voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben," en die dan
+ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig
+verzadigen, dan zegt hij: "dat vinne ze jekker, h? nou smujje ze hoor!"
+en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat
+'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.
+
+Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge
+mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen,
+waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knien geleund.
+Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het
+alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van
+Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker
+zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen
+zijn, dan antwoordt ons ventje:
+
+"Nou zie je, meneerje, da vaj je nie me!"
+
+En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een
+hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt
+verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder
+wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den
+laatsten regel zegt:
+
+ "O, 't sjaapie is vedjonke,
+ Och, 't ajme dier is dood!"
+
+dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt
+o, zoo bedroefd!
+
+Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan
+wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodien speelt. Dan
+staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar
+op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphal in zijn
+engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.
+
+Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk,
+tot die avond kwam--en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde
+gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend
+onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel--toen Agnes, met een
+benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest
+gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou
+zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was!
+Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans
+zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij z zwak, dat hij onze
+fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe
+ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij,
+klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om
+het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen
+hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien
+worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt
+te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets,
+dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende
+overtuiging, dat onze teedere bloem--ach, met hoeveel zorg
+gekweekt!--onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.
+
+Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en
+af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje
+drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek,
+vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange
+wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die
+vermagerde handjes en die langzame bewegingen--o, wat zou ik dan niet
+willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach
+te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat
+baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen
+als het beekje, dat zich rept naar de rivier.
+
+Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden
+voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er
+hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes
+overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij
+hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en
+brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn
+drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.
+
+"Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!"
+
+Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle
+aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het
+leven bindt.
+
+Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen
+naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij
+zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij
+zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles
+voorbij...
+
+"Voorbij...!" Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar
+beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen,
+dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik
+met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe
+vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder
+leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein
+heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine
+licht. En in dien aanblik is iets z plechtigs, iets z verhevens, dat
+het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de
+witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.
+
+Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het
+strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed
+opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden,
+maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten,
+sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart
+toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren
+dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was
+schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat
+hielden.
+
+En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is,
+als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de
+geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt.
+Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl
+mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het
+altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!------------
+
+Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn
+bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg.
+Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van
+de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen
+op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en
+worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar
+wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee
+des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het
+zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de
+duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind,
+dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend
+zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!
+
+
+
+
+Het klooster der Witte Vrouwe.
+
+(Een indruk.)
+
+
+Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen,
+voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles
+meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan,
+bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn
+vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen
+hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de
+zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top
+van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en
+rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen
+hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in
+zonneschijn en rust.
+
+Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was
+toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op
+deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een
+baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind
+vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet
+veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals
+het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen,
+die het als wachters omringen.
+
+En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het
+leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen--en velen zijn
+het--die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij,
+die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe--wier in steen
+gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een
+nis boven den ingang staat--haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger,
+in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van
+den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen
+des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang
+naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door
+het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en
+misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die
+er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij
+er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de
+wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij
+afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde
+en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen
+Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel
+overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen.
+Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten
+stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich
+gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig
+heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om
+lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te
+oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf
+weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet,
+noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin.
+Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles
+wat de ziel niet behoeft.
+
+Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan
+den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd
+voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk
+gebed in de kapel.
+
+Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich
+een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen
+glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken
+van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit
+en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte
+afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het
+getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister
+brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op
+het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het
+crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van
+dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen,
+en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren
+en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen
+bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan,
+als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek
+ruischt.
+
+Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door
+de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het
+hoofd--bedekt met een wijd-uitstaande witte kap--eerbiedig gebogen, de
+handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil,
+als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is
+bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente
+rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het
+gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.
+
+Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen,
+zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed
+gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer
+menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden.
+Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken
+getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de
+gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.
+
+Immers het leven daarbuiten heet "zorg." Daar is de zorg voor het heden
+en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de
+zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En
+dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien,
+houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking
+van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt.
+Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des
+levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn
+als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven,
+losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder
+emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart,
+waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur,
+die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of
+langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op
+den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden
+naar deze toevlucht gekomen zijn.
+
+Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die,
+uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht
+en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen,
+in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk
+verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de
+bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den
+dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid
+werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de
+wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden,
+die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden
+dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst.
+
+Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige
+gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den
+schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins
+achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in
+innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles
+vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren
+zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de
+herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd.
+Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem
+en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat?
+Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een
+naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen
+zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner
+vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer
+ziel bezoedelen.
+
+Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond,
+een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over
+haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn
+vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten,
+wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer
+ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk
+oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel,
+den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat,
+waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn
+lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.
+
+Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere
+gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van
+het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk
+haar toelachte, toen zij werd geerd en benijd door allen, die haar
+omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar
+zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen
+ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had
+alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de
+overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij
+gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten
+van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering.
+Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen
+gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het
+hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de
+armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het
+kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de
+pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig.
+En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar
+heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn
+moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen,
+een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en
+bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm,
+die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven.
+En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen
+zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw
+bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht
+naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in
+hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten
+des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen
+den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen
+in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en
+hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van
+haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe
+wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel
+kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt,
+vluchtende ver buiten zijn bereik.
+
+En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen
+morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld,
+haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen
+van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar
+liefde--waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het
+roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?
+
+Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar
+met nadruk had gesproken: "kom tot mij," en telkens als haar hopeloos
+"waarom" onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer
+gehoord: "kom tot mij," met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die
+haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan
+het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en
+vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de
+smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert
+naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend,
+zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was
+neergeknield, zeggende: "hier ben ik, Heer!"
+
+En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar
+was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem,
+die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die
+herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.------
+
+Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal,
+die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op
+haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die,
+afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.
+
+Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd
+inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de
+duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt,
+bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem.
+
+
+
+
+Haar keuze.
+
+
+.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar
+haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en
+als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt
+pruilend: "hij het ook zoo'n haast!"
+
+Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij
+begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest,
+toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden.
+En "kermis houwe, met Allerheilige trouwe," zegge ze in 't dorp.
+
+Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden
+om ontevreden te zijn over een ander. "'t Was," denkt ze--en starende op
+de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan--"'t was, toe ie me aankeek en
+z'n hand toestak, of iemes me zei: "toe dan, meisie, toe dan!" en 't is
+of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur
+'t kermis is. En dan..."
+
+En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van "de Wykamp", de grootste
+hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke
+weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even
+heeft gedaan. En "boerin van de Wykamp te worde," denkt Geerte, "da' 's
+veul!"
+
+Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles
+wat ze zag. "'t Was haast te veul veur een alleenig mens," had haar
+moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half
+genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het
+goud van zijn moeder bewaarde. "Doe ze 's in, Geerte," had hij gezegd,
+toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend
+bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud
+weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd
+gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.
+
+"Zou 't waar weze, moeder," had zij peinzend gevraagd, toen zij naar
+huis liepen, "zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?" En haar
+moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en
+afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel
+mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en
+schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel,
+dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_
+gezicht niets verborg.
+
+Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de
+blankgeschuurde emmers te halen,--want het is tijd om te melken,--en zij
+weet niet wat zij doen zal. "'t Is moeilijk," meent zij, "moeielijk!"--
+
+Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van "de
+Zonnebloem" gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de
+kastelein van "de Roode Leeuw," er geweest is en gevraagd heeft waarom
+hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen
+was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.
+
+Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den
+laatsten tijd verzuimd heeft te doen.
+
+"Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere," denkt hij, kwaad
+op zich zichzelf. "Zet de wage voor de schuur, Dirk," roept hij zijn
+knecht toe, "en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't
+aved weerum."
+
+Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is
+vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij
+niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat
+zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet
+gebruiken--Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.
+
+'t Is ruim een half uur stappen naar "de Roode Leeuw," en reeds laat in
+den namiddag, als hij er aan komt.
+
+"Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?" vraagt Harmsen, die, met zijn
+knecht, in 't zolderluik van den stal staat.
+
+"Dat he' 'k," antwoordt Aart opkijkende; "'t was me deur 't heufd
+gegaan, heur!"
+
+"Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?"
+
+"Of wil ze niet meer van je wete?" vraagt de knecht van Harmsen, met een
+knipoogje naar zijn baas.
+
+"Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!" roept Harmsen uit. "En nou, as
+de weerga de zolder vol."
+
+En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten
+in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie-
+viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt,
+als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan
+telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het
+luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en
+den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer
+kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd
+in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als
+eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen
+staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het
+zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: "hard werke, da's 't
+beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks." En met een vluggen
+zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen
+geholpen, spant hij zijn paard weer in.
+
+"'n Mooie zwart," zegt de kastelein, naar borst en "beenen" van het
+fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den
+hals kloppende, herhaalt hij: "'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!"
+
+"'n Beste," verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen.
+"Stil, zwart! ho jong!"
+
+"Hij 's dartel," zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te
+laten.
+
+"Hij 's jong, en 't is veurjaar," antwoordt Aart. "Da-ag!" En de teugels
+vierend, rijdt hij het erf af.
+
+"'k Zal 'm toch 's minder straf voere," denkt hij, als hij uit het
+mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar
+den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, "hij wordt te veel
+mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!" En met sterke vuist beheerscht hij
+het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en
+knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over
+den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den
+langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.
+
+En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei:
+"veur haar 'n aar." "'k Mocht lijje," denkt hij, "dat 't zoo gemakkelijk
+ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette
+kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet,
+maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,--of dat scheelt!
+En as 'k sikuur wist," denkt hij, op het schoft van het tuig starende,
+"heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,--alla! 't zou dragelijk weze,
+maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r...."
+
+Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels,
+want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en
+door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en
+als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel
+van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert,
+slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....
+
+Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de
+kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen,
+spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende
+dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende
+neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den
+nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig
+schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet,
+peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den
+slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder
+oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort
+jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het
+ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens
+opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij
+zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar
+zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.
+
+"Wie is 't?"
+
+"Aart."
+
+"Aart? Aart van de Zonnebloem?"
+
+"Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!"
+
+En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg,
+zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht
+treffen, of op den wagen kletteren--voort, naar den tol.
+
+De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het
+doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij
+het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan
+staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan
+open is...!
+
+Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft,
+schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit
+den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.
+
+En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend
+geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de
+rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken,
+door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten,
+uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van
+de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.
+
+"Staat de brug op?"
+
+"Net gestreken."
+
+"Goddank...!"
+
+Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die
+glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier
+storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de
+gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug
+rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het
+weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van
+ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een
+boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het
+breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om
+van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in
+evenwicht te komen. De boer vr hem heeft zijn paard aangezet, om nog
+van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem
+ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl
+het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend,
+neersmakt.......
+
+Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel,
+en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst
+gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: "O, Aart! arme, lieve Aart!"
+
+Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief
+gehad, en dat er geen rijkdom is z groot, dien zij niet zou willen
+geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te
+zeggen; want als hij haar nog kan hooren--en ja, dat zal immers!--dan
+zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw
+wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer
+beter wordt!
+
+Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en
+spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug
+af, starende in de verte.
+
+De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij
+aan eenige boeren hoe het gegaan is.
+
+"Net was de "Culemborg" de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie
+kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie
+tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is
+ijzer, maar as glas afgeknapt, h? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het!
+Watte! Effies later viel ie op de ploeg...
+
+"Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en
+toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde...."
+
+"Dood?"
+
+"Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was...
+slim."
+
+En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen,
+dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.
+
+Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg,
+waaraan "de Wykamp" is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus
+voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen
+tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar
+in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later
+herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis
+zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande,
+schreit zij.
+
+Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt
+zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.
+
+Nog enkele minuten en zij heeft "de Zonnebloem" bereikt, en over het
+erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen
+gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning
+binnen.
+
+'t Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de
+deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat
+zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd
+licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen
+in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de
+borst gebogen, zijn hand in de hare.
+
+Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij
+eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij
+zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op,
+en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde
+en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der
+eeuwigheid op....
+
+Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen
+over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het
+strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de
+wasbleeke wangen.
+
+Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even
+geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem
+in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad--o,
+altijd...!
+
+
+
+
+Blok's Vrouw.
+
+
+"Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?" vraagt Gijsen, een
+kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde
+portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien
+hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.
+
+"Ja," antwoordt Blok, "'t is nou z ver, dat we effetief en voor goed
+van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei
+me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. "Blok," zei ie, "verleje
+Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je
+trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.""
+
+"Da's nog gauw gegaan," zegt Gijsen, "gauwer as 'k docht."
+
+"Dat komt," antwoordt Blok, "doordat me vrouw d'r eige d'r heel niet an
+gelege het late legge. "As ze d'r tege in had gelege," zeit me avekaat,
+"dan had 't nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo te zegge, geen
+asem het gegeve, nou gong 't hard." En 't is maar goed ook!" roept hij
+uit, "want z.... zoo kon 't niet langer."
+
+"Dat hoor 'k," zegt Gijsen. "Ze mot, zooas deze en gene me wist te
+vertelle, in de laaste tijd al heel verkeerd geweest zijn."
+
+"O man, slim hoor!" erkent Blok, met een zucht. "In de eerste jare van
+ons trouwe hebbe we 'n goed leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar
+toe ze daarmee begon"--en Gijsen even aanziende, brengt hij de hand aan
+den mond en licht den pink op--"toe was 't mis."
+
+"J--a!" roept Gijsen uit, "as 'n vrouw daarmee begint, dan is 't erg. Je
+het er niet zoo heel veel, die d'r eige d'ran te buite gaan, maar as ze
+'m luste, dan, he' 'k wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an
+verslaafd weze as 'n man."
+
+"Te minste niet minder," bevestigt Blok. "En hoe dat 'n vrouw verlaagt!"
+roept hij uit, "dat geloof je niet, as je 't niet voor je ooge het
+gezien. As ze in die toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels
+meer as 'k kon begrijpe, dat dat nou _mijn_ vrouw was, want zoo ies....
+nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r gezocht."
+
+"Dat geloof 'k graag," zegt Gijsen, "want as 'k me eige goed herinner,
+dan was ze 'n knap en fesoenlijk meisie toe je 'r mee verkeerde."
+
+"Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon," stemt Blok toe. "En netjes en
+vroolijk...! "'k Krijg 'n best wijf," docht 'k, toe 'k met 'r na 't
+stadhuis reej!--Maar me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad. 'k
+Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat ze 'r liever niet over
+de vloer had as wel. En as 'k 'r vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze:
+dat wist ze niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in die
+tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al, he? As je denkt te
+trouwe, en je houwt van je aanstaande vrouw, dan hei je graag, dat je
+ouwers 't ook doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht,
+dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had as ik, al had ze
+_dit_ nou juistement ook niet voorzien."
+
+"En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je misschien niet wete?"
+vraagt Gijsen.
+
+"Nee, heel niet," antwoordt Blok. "'k Heb wel 's gezien, dat ze op 'n
+verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie nam met wat suiker, of 'n glaasie
+kurasouw of zoo ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid
+zooveel, h? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat de lust tot de drank
+'r te machtig is geworde, da' 's meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo
+weinig an, dat deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder in
+de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer as eens, as 'k t'huis
+kwam, gedocht: "maar mens, wat doe je toch raar!" maar dat dat van de
+drank kwam, dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved, da'
+'k weer docht: "wat hei je toch?" en dat ze opsting om 't eene of 't
+andere uit de keuke te hale, toe gong me 'n licht op. Ze liep, dat ze
+d'r eige kwalijk op de been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam,
+rook 'k, dat ze gedronke had. Nou h,--ik 'r effe onder hande genome,
+dat spreekt, maar ze hiete 't me liege, natuurlijk. Zij--dronke! zei
+ze. As 'k dat docht dan was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe
+hadde 'r te pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar cente
+bedaarwater bij de aptheker gehaald.--Afijn...! Ik had 't gezien, h? En
+dat opgeteld bij al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte,
+da' 'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was. "Nou," denk
+'k, "nou wordt 't mooi. Ik--altijd van huis, en me vrouw met de fles in
+d'r zak, en drie kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes
+jare was... nou, gaat 't goed!" En die eigenste nacht, dat me vrouw
+sliep as 'n os, lag ik te draaie en me eige ongelukkig te make. En toe
+de dag kwalijk an de hemel sting, ik--na me moeder. "Toe moeder," zeg
+'k, "doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op." Niet op me vrouw, meende
+'k, want wat ze voor mijn en de kindere niet liet, dat zou ze voor me
+moeder, daar ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar--op de
+kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder. De schape! As
+d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde ze altijd d'r grootouwers nog.
+Zie je," roept Blok uit, met den rug van de hand zijn blonden knevel
+opstrijkende, misschien meer om een trekking om den mond te verdrijven
+dan omdat de haren hem hinderen, "toe 'k weer op straat sting, en na 't
+ketoor ging, voelde 'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie mag
+kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog leve, en je kan er na toe
+gaan, as je in de war zit, en je krijgt 'n vrindelijk woord..."
+
+"Dan voel je," zegt Gijsen, "dat je 'r ten minste niet heel alleenig
+voor staat."
+
+"Zoo is 't," bevestigt Blok. "En van die tijd af was me moeder, as ze
+effe kon wegloope, bij de kindere. Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet
+weze, h? want ze had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte,
+en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse boel. As 'k t'huis
+kwam om te ete, dan gebeurde 't wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of
+ze had niet gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels niet
+te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in--afijn--beroerd! Me
+weekloon, daar ze vroeger geregeld mee had toe gekonne, raakte zoetjes
+an al op in 't voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk
+in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig en smerig ook.
+Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet meer an de kindere gelege
+liet legge. Ze liet ze maar rondscharrele en keek niet na ze om. En
+doordat 'r humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en snauwde ze ze
+af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet beviel... alla, vort maar, de
+straat op! 'k Heb 't toch wel gehad," roept Blok uit, met diepe rimpels
+tusschen de oogen naar de straatsteenen kijkende, "'k heb 't toch wel
+gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig gezeggelijk knaapie, al
+zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat in de kou en in de rege, 'n heel end
+van me woning sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder had
+'m de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n kommetje had gebroke
+of zoo ies. En 't schaap had bekant geen kleere an 't lijf! Ik--'m
+opgenome, en toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te lache
+en aaide ie me wang, want nou was ie gerust, h? En dat ie ze hoofie op
+me schouwer leit, valt ie in slaap ook. "'k Breng 'm niet na huis," denk
+'k, want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en "as me vrouw me nou
+onder de ooge komt," denk 'k, "dan weet 'k al niet waartoe da' 'k in
+staat ben." En zoo brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook,
+want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat ie 't daar beter zou
+hebbe as bij mijn... ongelukkig was 't, maar wat kon 'k er an doen! De
+vollegende dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar dat
+Antoon is. "Wel nou," zeg 'k, "jij het 'm de straat opgestuurd, h? maak
+jij dan nou ook maar weer, dat ie t'huis komt." En toe ze d'r achter was
+gekomme, dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had je 't
+gaande! "Ja nou," denk 'k, "speel maar op, maar hier komt ie niet meer
+weerom.""
+
+"Opspele?" zegt Gijsen,--"ze had d'r eige motte schame, dat was beter
+geweest."
+
+"D'r schame!" roept Blok uit, "nee hoor, dat kunsie had ze al lang
+verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't van kwaad tot erger gong. Eerst
+maakte ze, dat we moste verhuize.--Dat de bure 't in de gate hadde,
+dat spreekt, h? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de een en toe
+de ander, en op 't lange lest keek niemand d'r meer an. Daar had ze
+de duvel over in, dat begrijp je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie,
+net zoo lang totdat ons de huur wier opgezeid. 'k Woonde toe in de
+Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw 'n tweede zal
+vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim alkoof, 'n lief keuketje, en
+niet duur ook. Maar 't kon niet langer, zei de opzichter; niet dat ie
+iet of wat tege mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders van 't
+perceel,--dat gong niet. En zoo moste we weg. Ik--in me vrije tijd 'n
+andere woning gezocht natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de
+buurt most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet 'n heel end
+loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg al zoo bekend gemaakt, dat ze
+me overal wegstuurde as 'k zei wie 'k was. Maar, alla h! eindelijk vond
+'k er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee door, en toe
+we 'r goed en wel in ware, begon ze of en toe 'n stukkie weg te brenge.
+Eerst d'r eige spulle: 'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze
+nog diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat ze van mijn
+had gekrege, en later plukte ze an 't huishouwe: 'n stukkie koper, dat
+we hadde, 'n paar ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze
+kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep, gong na de lommerd
+en 't geld na de kroeg.
+
+"Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en dat ze me wat
+handzamer leek as gewoonlijk, docht 'k: "'k mot toch 's met 'r prate,"
+en 'k zeg: "Bet, Bet," zeg 'k, "waar gane we toch na toe!" 'k Had 't
+kwalijk gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel legge,
+en huile... huile van geweld! 't Was gedaan, zei ze, 't zou niet weer
+gebeure. Ze zag 't nou in as dat 't mijn en de kindere ongelukkig
+maakte, en d'r eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.
+
+"Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar 'n mens hoopt al 's
+gauw wat, h? En om 't 'r wat nader an d'r hart te legge, zeg 'k: "Zie
+je," zeg 'k, "as je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we ommers
+weer 'n best leve hebbe, zooas we in de eerste jare van ons trouwe hebbe
+gehad. Want zoo as 't nou is," zeg 'k, "is 't niks; da' 's arremoed voor
+ons allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed as dat je niet
+te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers gehad," zeg 'k, "en ik heb ze
+nog, en nou motte wij ook make, dat _wij_ fesoenlijk door de tijd komme.
+En as je wil," zeg 'k, "dat de kindere later zalle oppasse, dan motte
+ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt." 'k Had gelijk, zei ze, ze
+had 't d'r eige ook al voor gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat
+beloofde ze me.
+
+"'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw, en tege half
+tien sting ze op en kleedde d'r eige an: 'n hoed op en 'n mantel
+om. "Waar ga je nou na toe?" zeg ik. "Na de kerk," zei ze. 'k Had
+'r hemelsche gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de
+Noorderkerk, waar de domin preekte, daar ze bij angenome was.
+
+"'t Was me wel wat heel mooi, maar "je kan 't niet wete," denk 'k.
+"'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast het voorgenome, en ze zou de
+eerste niet weze, die er van teruggekomme is." En zoo lie' 'k 'r gaan.
+'k Gaf 'r 'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor 't
+armezakkie, en zij--de deur uit.
+
+"'k Had die dag--'t was Zondag--maar n rondte, en toe 'k t'huis kwam
+om te ete, zeg 'k tege Jan--da' 's me ouwste--"Jan," zeg 'k, "waar is je
+moeder?" "Moeder," zeit ie, "moeder is nog niet weerom." "Niet?" zeg 'k,
+en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch nog effe, dat ze na
+kerktijd bij die domin an huis was gegaan om 's met 'm te prate. As ze
+'t _goed_ meende, dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld.
+Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en 't wier vijf;
+'k stak de lamp an, en tege half zes, dat de mense weer na de avedkerk
+gonge,... daar kwam ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor
+d'r gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge..."
+
+"N--ou," roept Gijsen uit, "'t is mooi; en dat voor 'n vrouw...!"
+
+"J--a," zegt Blok met een zucht, "'t was erg...! Wat er die dag bij 'r
+is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar zoo as ze toe te keer ging...! En
+woorde, dat ze in d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da'
+'s nou effetief waar, maar z,... zoo hoor je 't onder dienst nog geen
+eens."
+
+"N--ou," zegt Gijsen, "maar da' 's meer as ik had verdrage, hoor!"
+
+"As je mijn vr me trouwe had gezeid," antwoordt Blok, "dat _ik_ die
+dinge zou anhoore en me eige zou bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me
+heel niet kon. En as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k wel,
+da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve. Maar je mot niet vergete,
+dat je zoetjes an tot zukke dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt.
+'t Gaat er al mee as met 'n sjouwerman, h: eerst het ie an vijftig pond
+ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is, dan loopt ie met vijftig kilo
+weg."
+
+"Dat laat 'm wel hoore," erkent Gijsen, "maar je mot 't maar drage; en
+as 't 'n poos het geduurd, dan wordt 't zwaar."
+
+"Of 't zwaar wordt!" roept Blok uit. "Geloof mijn maar, dat er heel wat
+wilskracht noodig is om zelfs niet door de wind te gaan. En as 'k me
+eige niet vast had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet 'k
+niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze zegge met recht, h: 'n
+goed klantje van de tapper heet "verdriet." Maar 'k zag an me vrouw wat
+er van 'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd gedocht, as
+'k 'r in die toestand zag: "z ziene de kindere me noot!"--En onderwijl
+gong 't aldoor met 'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis,
+en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze speelde de beest.
+'k Moest van d'r of; z kon 't niet langer, en 'k was er mee doende
+toe Jan ziek wier, en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter
+over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat kon 'k wel zien.
+'k Had 'm graag na 't gasthuis late gaan, maar dat kon niet, zei de
+dokter, en zoo kwam de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me
+moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek 'n buurvrouw
+ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde verzorging, die 'n kind in die
+omstandighede noodig het,--die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges
+met looje schoene na 't ketoor. Want kindere," roept Blok uit,--"as ze
+motte komme dan kijk je 'r tege an, maar as je ze eenmaal het, dan wil
+je ze niet weer kwijt."
+
+"Zoo is 't," stemt Gijsen toe. "Toe wij in 't begin van ons trouwe geen
+kindere krege, en me vrouw d'r over murremureerde, zeg 'k: "mens," zeg
+'k, "wees blij, dat je 'r niet voor te zorrege het." Maar toe we 'r
+eindelijk 'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk bij kan,
+'t in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te neme, en dan verders voor
+'m te zorrege, toe zeg 'k: "'t is heel vrindelijk angepreseteerd,
+daarvan niet, en 't is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins
+om an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal hebbe, zooveel as
+afstand van te doen,... nee hoor!.. daar kom 'k niet in."--En me vrouw
+had me wel om me hals wille valle, geloof 'k."
+
+"Ja," zegt Blok, "'t is 'n mens ze vlees en bloed, h! En zoo wou _ik_
+me jonge ook graag houwe, maar 't wier met de dag slimmer: aldoor had ie
+koors, en aldoor was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter,
+dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in _die_ hoek bleef, dan sting
+ie er kwaad voor. Maar wat was er an te doen? 't Beetje dat _ik_ kon
+doen, dat deej 'k: 's nachts tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen
+van me rondte in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na bove.
+'t Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch eerst om ze kindere en dan
+om ze werk, h?
+
+"'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van me, die was
+overgeplaast, de postkwitanties ophaalde, en op 'n Woensdag 'n middag,
+da' 'k pal naast me deur 'n rijksdaalder had weze ontvange,--ik effe me
+woning in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in me natte
+kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't voorkamertje me jas uit, en
+hong 'm over de stoel daar 'k me brievetas en me geldzak op gelege had,
+en ik--na achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke, want
+voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n blauw ketoene japonnetje
+an en 'n wit boezelaar voor, en naast 'r sting me dochtertje, dat ze
+met 'n prente-boekie bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster
+vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst effe bij me
+ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van me moeder wist wanneer die niet
+bij mijn over de vloer kon weze, zou _zij_ zorrege, dat zij er dan was.
+"Of 'k dat goedvond," vroeg ze. "Of 'k dat goedvin?" zeg 'k, "ja hoor,
+ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al niet voor staan."
+"Ja, ja," zei ze, "dat weet ik wel, maar 't zal nou alles wel beter
+gaan." "Dat denk 'k ook," zeg 'k, want in de gauwigheid ha' 'k al
+gezien, dat ze me dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge
+door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd ook. Maar 't
+beste van alles was, dat me jonge lag te slape, en... dood gerust. En al
+was dat niet door haar gekomme, _zij_ had er voor gezorgd, dat ie zou
+doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze, dat er veel gewonne
+was as dat 'n poos anhieuw, en daarom had ze an de bure gevraagd of ze
+stil wou-e weze, zoo stil as 't maar kon. "En de goeje mense," zei
+ze--"je hoort ze niet." Zie je," roept Blok uit, "'k kreeg toe 'n gevoel
+asof de klok weer gemaakt was, want in 'n huishouwe benne man en vrouw
+al net as de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet, of
+de kleine draait, maar de groote staat stil..."
+
+"Nee," zegt Gijsen, "daar het 'n mens niet an. Ze motte allebei d'r
+plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat grootere kring bewege as de
+andere, maar as ze de juiste tijd zal anwijze...."
+
+"Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze," verklaart Blok. "'t
+Zal dan bij mijn an huis ook weer gaan," docht 'k;--"wel niet zoo heel
+precies, maar toch 'n boel beter;" en, zoo voelde 'k me wel honderd pond
+lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me jas an te trekke. 'k Doe
+de deur ope, en daar staat, bij de stoel daar 'k me spulle op gelege
+had, me vrouw, en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe
+achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt ze aldoor
+achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug tege de muur sting. "Ben je
+nou bang voor me?" denk 'k, "waar is dat voor? want me hande na je
+uitgestoke he' 'k nog noot." Maar 'k zag, dat ze gedronke had, en zoo
+gaf 'k er niet om, h? Maar net, da' 'k me tas en me geldzak zal opneme,
+gaat 't me door me hoofd, dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan,
+en misschien al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest.
+"Verd...!" denk 'k, "ze is zoo van me geschrokke, ze zal toch niet..."
+En voor 'k recht wist wa' 'k deej, draaide 'k de deur of, dat ze niet
+kon wegloope, en ik--me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee
+bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke, d'r hoofd
+voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd ope.--De specie was er:
+zooveel an rijksdaalders, zooveel an guldes, zooveel an klein geld...
+dat kwam uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van honderd
+gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker. 'k Had er drie ontvange,
+hier een en daar een, maar da' 'k er drie most verantwoorde,--daar ging
+niks van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde gebeefd, h?
+maar 't was weg en 't bleef weg, en me vrouw most 't hebbe. "Bet," zeg
+'k, en 'k gong na 'r toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r
+achter sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... "Bet," zeg 'k. "geef
+me dat briefie weerom." Maar me vrouw keek me an, aldoor strak an, maar
+ze gaf geen asem. "As 'k an 't ketoor kom," zeg 'k, "en 'k heb geld
+tekort, dan jage ze me weg; en waar motte we dan na toe?" Maar wat
+scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r hoofd, maar ze hieuw d'r mond.
+"Maar mens," zeg 'k, "hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?"
+En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou gaan opspele.
+"Stil," zeg 'k, "in Gods naam, wees stil! Je weet ommers, dat Jan ziek
+is? Welnou, nou slaapt ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou
+doorslaapt. Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook jouw jonge. Jij
+het 'm onder 't hart gedrage, en je weet ommers nog wel hoe blij dat je
+was, toe ie komme most?" En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke
+trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van honderd gulde, dat ze me
+over gaf.------------
+
+"Dat dat gebeurde," zegt Blok, zijn pet naar achteren duwende en met
+de vlakke hand een paar malen over het voorhoofd strijkende, "dat dat
+gebeurde, is nou alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he'
+'k 'r nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat ze zit,--ik
+weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis leit in 'n slaapstee in de
+St. Jacobsdwarsstraat, en de ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met
+negosie, in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt, of
+wat er verders met 'r gebeure zal,--van mijn is 't of. _Ik_ heb geduld
+genoeg met 'r gehad, en 'n best leve had ze kanne hebben, maar ze het
+niet gewild."
+
+"En dan zit er ook al niet veel anders op," zegt Gijsen, "as dat ze
+daarvan dan ook de gevolge mot ondervinde."
+
+"Ja," stemt Blok toe, "dat kan al niet anders. Maar as je me nou vraagt
+of 'k daar heel geen weet van heb,--dat niet.--D'r is 'n tijd geweest,
+da' 'k veel van 'r gehouwe heb, h? En de moeder van me kindere,--dat
+blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben, en dat zou 'k
+niet anders wille, maar as 'k 't goed bekijk, dan he' 'k toch meer
+mejelijje met 'r as wat anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had,
+dat ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat kamertje
+had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat voelde, h?--En daar benne we
+alweer an 't ketoor. Jij gaat zeker voor in?"
+
+"Ja," antwoordt Gijsen, "ik mot brieve anteekene."
+
+"En ik," zegt Blok, "ga hier bezijje of. Dag, hoor."
+
+
+
+
+Geen "Verrajer".
+
+
+In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks den tijd waarop de
+werklieden naar karwei gaan en de melkboeren met hun wagens de stad
+inrijden, komen twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien
+of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten
+en meer vodden dan kleeren aan het lijf, de Korte Amstelstraat uit
+en loopen, linksom gaande, langs den Amstel in de richting naar de
+Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar niet zwaar is en
+kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk bewegende, met een loerenden blik
+om zich heen. De jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen
+beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de Hoogesluis
+verwijderd, de jongste plotseling blijft staan en uitroept:
+
+"Verdikke Koo, twee leenmichels!"[1]
+
+[Footnote 1: Rechercheurs.]
+
+"Dat lieg ie. Waar?" vraagt de oudste.
+
+"Op de Hoogesluis," antwoordt de jongste, en kijkt met groote oogen
+naar twee personen, loopende in de richting naar het Weesperplein.
+
+"Niet bunsig[2] worre, Pietje," waarschuwt Koo. "Ga wat meer voor me
+loope, dat ze 't zakkie niet zien. Kijke ze?"
+
+[Footnote 2: Bang.]
+
+"Nee."
+
+"Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?"
+
+"Omdat ze laast bij ons ware," antwoordt Pietje, "en de langste, die kan
+'k toch al,--da' 's van Dam."
+
+"'t _Benne_ leenmichels," bevestigt Kootje, als hij, even om den jongste
+heen ziende, de beide personen in het oog heeft gekregen, wier
+verschijning het ventje, dat heden voor het eerst met hem "gewerkt"
+heeft, zoo grooten schrik op het lijf jaagt.
+
+"Domme, nou kijke ze!" roept Pietje uit. En in een ommezien trekt hij
+zijn klompen uit, neemt die in de linkerhand, en rent weg, al loopende
+zijn broek, die veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand
+ophoudende.
+
+"Bunsigert!" roept Koo hem achterna, den zak op een stoep smijtende,
+"beroerde spatzetter! As ze me snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!"
+
+Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling wegloopen van Pietje
+den argwaan der rechercheurs zal hebben opgewekt, staat hij in beraad
+den zak in den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot zijn
+verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in plaats van den Amstel
+op te gaan, zooals hij verwachtte, schijnbaar zonder kwaad vermoeden
+doorloopen, de Sarphatistraat in.
+
+Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt voort, mompelend dat
+hij "vertikt" zal zijn, als hij ooit weer iets doet met "zukke snotneuze
+van jonges, die geen lef[3] hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n
+loer zouwe draaije." Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt hij voorzichtig
+om het hoekhuis heen, maar niets van de rechercheurs bespeurende,
+vermoedt hij, dat zij een zijstraat of een woning zijn ingegaan, en
+vervolgt hij zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende, om
+niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het West-Einde, loopt die
+straat door, en juist als hij rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op
+zijn schouder en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide
+rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft.
+
+[Footnote 3: Moed.]
+
+"Dat dacht je niet, h Kootje, da' 'k zoo in eene uit de lucht zou komme
+valle?" vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing
+waarmede de jongen hem aanziet. "Maar zie je, maatje, dat komt omdat je
+niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis
+keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. "Nou
+jij dat aardige, kleine jongetje achterna," zeg 'k tege me kameraad, "en
+ik Kootje opgepikt." En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer,
+die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, h?
+En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie
+je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan
+doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou
+'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al h' je
+mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan
+prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.--Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's
+met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep
+stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, h? Alla, neem
+'t zakkie dan maar op."
+
+"Draag 't zellevers," antwoordt Kootje, nijdig.
+
+"Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege
+morge, tege 'n goed vrind van je."
+
+"Stik!" roept Kootje uit.
+
+"'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus," vraagt van
+Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt.
+
+"Och malle!" roept het meisje uit, "laat mijn maar loope. 'k Zal 't an
+je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat."
+
+"Jij doe maar," antwoordt de rechercheur, "dan zal 'k 'r zegge, da' 'k
+je voor me schoonmoeder hieuw.--Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage?
+Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k
+zou me eige wel kanne begrijpe, dat je "adie" zegge en 'm smere zou, as
+'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.--Koman dan
+maar!" En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien
+hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van
+Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan.
+
+"Nou," zegt van Dam, zorg dragende z te gaan staan, dat Kootje niet
+kan wegloope, "late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies?
+Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente.
+Jonges Kootje"--en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig
+van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak--"je bent van
+morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed
+besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de
+uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie
+niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je
+gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij
+je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?"
+
+"Wie?" herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den
+rechercheur, die durft te denken, dat hij zal "klappe"--"wie? Kees
+Gappe, h!"
+
+"Ja!" roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd
+is, "was die 't? Da' 's nog famielje van je, h? Maar dat nou 's daar
+gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat h' 'k; 'n
+heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil
+je wete wat 't is?" vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van
+den jongen leggende.
+
+Maar Kootje, nijdig omdat hij "zuur" is, trekt wrevelig zijn schouder
+terug en zwijgt.
+
+"Hoor 's jongetje," zegt van Dam, nu in vollen ernst, "nou he' 'k je
+maar n ding te zegge: f je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb
+en asem geve as 'k je wat vraag, f, as je dat niet van zins bent, dan
+blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die
+neme je mee, d' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent
+dus gewaarschouwd, Kootje!" roept de rechercheur uit, den jongen met
+zijn signaalfluit dreigende. "Nou nog 's"--en al sprekende, brengt hij
+bedoeld instrument langzaam naar den mond--"wil je nou hoore, of mot 'k
+muziek make?"
+
+"Wat mot 'k dan," vraagt Kootje nurks.
+
+"Zie je wel, daar draai je al bij!" zegt van Dam, "en da' 's dan ook
+verstandig van je.--Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt
+'t.--Die pijpies"--en van Dam kijkt den jongen scherp aan--"wou je zeker
+bij Krido brenge, h? Want je ging die kant uit!" voegt hij er, met
+eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.--Kootje denkt
+even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van
+den rechercheur.
+
+"Zie je wel, dat dacht 'k wel!" verzekert van Dam. "Nou zeg 'k altijd,
+Kootje," vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, "dat 't de ergste niet
+altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of
+daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je
+'r gemeenlijk bij, dat spreekt, h!--maar opkoopers, as Krido, as
+Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door
+al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r
+niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel
+cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as
+'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet
+zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam--dat zou heelemaal niet
+mal weze.--Nou mot je wete, jongie"--en de rechercheur gaat met n been
+op de stoepleuning zitten--"dat me kameraas, 'n maand of zes geleje,
+Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd
+van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of
+_ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.--Wat
+zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat
+"oome maffie," zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou"--en de
+rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak--"voor 'n jaar of
+wat zakkies most plakke.--Moppig, h?"
+
+'t Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw
+glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen,
+maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij
+antwoordt: "ja, dat zal je ook glad zitte...!"
+
+"Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate,"
+zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. "Kijk nou 's! As jij nou
+'s"--en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der
+rechterhand op en neer--"die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido
+bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,--dan zou
+ie 't toch koope, denk 'k?"
+
+"Ja, daar zal ie ook wat om male!" roept Kootje uit.
+
+"Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete
+het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele,
+hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel
+op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed
+verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve
+hebbe. Dus," zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende,
+"alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n
+handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat
+je--versta me nou goed--nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt
+benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank
+getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me
+dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor
+dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,--je
+weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin."
+
+"En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?" vraagt Kootje,
+den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, "want die pijpies
+heb _ik_ niet gegapt, hoor!"
+
+"Och kom!" roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach
+aanziende.
+
+"Wel neen 'k!" zegt Kootje, verontwaardigd. "Je het ommers die andere
+jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't
+voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam,
+de cente of te drage."
+
+"Och kom," herhaalt de rechercheur.
+
+"Wel ja," grauwt Kootje, "da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat
+zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga
+zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's
+late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur h?"
+
+"Ei..!" en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, "da's heelemaal niet
+mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje;
+maar"--en de rechercheur denkt een oogenblik na--"'k beloof je, da' 'k
+je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat," beweert hij, een
+bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals
+strijkende, "as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben
+'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!" roept
+hij uit. "Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?"
+
+Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop
+gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het
+handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap
+evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de
+rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de
+politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als "de mottige"
+bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu,
+dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit
+zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar
+hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam
+hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht,
+begeven zij zich met hun drien op weg, om den niets vermoedenden
+opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen
+afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de
+zaak haar beslag heeft gekregen.
+
+"'k Heb 'n lief kansie," denkt de rechercheur, "'n heel lief kansie, en
+as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste
+daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't
+Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vr
+het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te
+make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb
+gezet, nou is 't je geraje, maatje,"--en de rechercheur kijkt met een
+dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den
+mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt--"nou is 't je geraje,
+dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je
+in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!"
+
+Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido
+gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten,
+gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en
+'t is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis,
+een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en
+ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper,
+lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen,
+van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken
+de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen,
+ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van
+de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van
+dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot
+Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: "daar, weeg maar
+op."
+
+De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl
+Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule
+staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: "is dat awwes? 'n
+enke' stukhie zinkhe pijp!"
+
+"Alles!" roept Kootje uit, "ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n
+verhuiswage met goed achteran komme, h...!"
+
+"'k Z 'm zien komhe," antwoordt Krido en, met een blik naar den
+mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht,
+bij: "'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook."
+
+Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt
+Kootje, Krido brutaal aanziende: "as je maar niet in de gate het, dat 't
+gegapt is, h?"
+
+"Gaphe!" herhaalt Krido, verontwaardigd. "Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe
+zou gestowe goed koophe...!"
+
+Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den
+mottige.
+
+"As 'k ooit ies heef gekoch," vervolgt de opkooper, "dat achte-af gezien
+geen zuive- koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in
+de hande' niet voo-komhe, d' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe
+is? M as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-, heef 'k
+dan niet a-tijd gezeid: "gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij
+Kgido, da' mo' je niet weze?""
+
+"Dan koop dit ook niet," raadt Kootje hem aan, "want die pijpies binne
+gegapt, hoor!"
+
+"As dat waagh is," zegt Krido rustig, "ove' wat zou jij dat dan zeghe?"
+
+"Dat vraag die leenmichel, die buite staat," antwoordt Kootje.
+
+Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende,
+dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op.
+
+"Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!" roept Kootje uit, "en as je me
+niet gelooft--'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!"
+
+De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar
+hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in
+de oogen ziende, vraagt hij: "voo' wat zou die buite sthaan?"
+
+"Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies
+koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne," antwoordt Kootje.
+
+Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur,
+draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de
+stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet,
+vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: "wie sthaat
+buite; hoe hiet ie?"
+
+"Wie!" herhaalt Kootje, "van Dam, h! die van morrege, toe 'k die
+pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het
+angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...!
+Ik zuur, h! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k
+de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om
+jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. "Da' 's moppig," zei
+ie.--Moppig," roept Kootje uit,--"_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel
+moppiger, h!"
+
+"Zoo'n vervloekte judas," zegt de knecht van Krido binnensmonds.
+
+"'n Hond!" roept de opkooper uit. "Heef 'k niet -tijd de resersie in de
+hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage,
+of 'k ditte of datte had gekoch: "kijk m' na, en zoek m' uit!" En
+asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet -tijd gezeid van wie 'k had
+gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen?
+Ha' 'k niet kanne zeghe: "ikhe weet van niks, en me goed--d kom je
+niet an?" En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n
+stukhie zinkhe pijp! M' 'k z ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe,
+en ze z-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam"--en
+Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de
+jongen terstond met den mottige deelt--voegt hij er bij: "en zeg 'm ook
+dat 't 'm z heuge, dat ie Kgido heef gezoch." En dan, naar de voordeur
+gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden:
+"zoo'n hond!"------
+
+"Wel donders!" denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje
+met den gevulden zak ziet terug komen, "'t is mis! Hoe duivel is dat
+mogelijk?"
+
+"Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?--Loop maar 'n endje mee; hier, de
+dwarsstraat in.--Nou, wat zei ie?"
+
+"Da' 'k 't maar weer mee most neme," antwoordt Kootje, "toe 'k zei, dat
+'t gegapt was."
+
+"Wel verbazend!" roept van Dam uit.
+
+"Kan ik 't hellepe?" vraagt Kootje.
+
+"Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!--Wel, wel! Wou ie er niks
+mee te make hebbe, mottige.--Zei ie dat?"
+
+"Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig," antwoordt de
+mottige, "maar bij hem--daar ware we niet te recht."
+
+"'t Is sikuur 'n mirakel!" roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de
+zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den
+andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe
+tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen
+verbergen.
+
+"'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe,"
+verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: "waarom zou
+ie 't niet gedaan hebbe, denk je?"
+
+"Weet ik 't?" antwoordt de jongen.
+
+"Hoort eris, maatje," zegt de rechercheur, "je bent machtig kort van
+asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido
+was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve
+doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k
+dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier."
+
+"En krijg 'k nou geen koekie?" vraagt Kootje, den zak latende vallen en
+den rechercheur brutaal aanziende.
+
+"Nee," antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, "'n
+koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar
+'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet,
+jongie"--en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den
+wijsvinger op den schouder--"as je wijs doet, dan maak je, dat je
+vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!" En den zak
+opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. "'t Is zoo klaar as
+de dag," denkt hij, "Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie,
+dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_
+moppiger gevonde--zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe
+te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.--Maar 'n mens mot
+leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val
+te lokke--nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!"
+
+
+
+
+De aanspreker.
+
+
+"Nog 'n hallefie, Pieterse," zegt van Soelen--een dikke aanspreker, die
+de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood,
+gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen--"nog 'n hallefie," en
+dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een:
+"meneer asjeblieft," welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in
+plaats van: "asjeblieft meneer" te zeggen, het glas opneemt en het,
+enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld--want om de concurrentie
+met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat--voor
+zijn gast op tafel zet.
+
+"As 't zuk nat weer is as nou," zegt van Soelen, het glas tegen het
+licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den
+mond brengt, "as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da'
+'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in
+ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en:
+
+ "as 'n boom, in de herfst, ze blare,
+ verliest 'n mens met de jare ze hare;"
+
+las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k
+buitedien ook al," verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van
+zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een
+kommetje.
+
+"Ze magge zegge wat ze wille!" roept hij uit, een zakje met vijf sigaren
+uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende--"de jenever is dit
+en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't
+zooveel as de volkskanker was--ook al, en dat je mirakel wijs deej as
+je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...!
+_Ik_ zeg maar: "'n iegelijk mot wete, wat 'm past." Ik drink ze al lang,
+dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar--van de gezondheid
+gesproke--hoe maakt 't je dochter?"
+
+"Och!" antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te
+kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, "dat blijft
+aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n
+Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar
+voor d'r eige heen te zitte suffe--daar krijg je op 't laast de duvel
+over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze
+heelemaal van de kook.--En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou
+eigelijk het. 't Is z met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient
+zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make,
+dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief
+in zit--ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't
+wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. "'t Is
+niettes," zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's
+over de vloer komt, "ze is slap. Geloof me nou toch 's," zeit ze, "'t is
+niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn." Maar de zuster
+van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't
+kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze
+zoo bleek ziet en zoo papperig is."
+
+"Je mot 'r 's late onderzoeke," geeft van Soelen in bedenking.
+
+"Ook al gebeurd," antwoordt Pietersen; "de dokter is 'r bij geweest, en
+'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die
+konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou,
+daar ha' 'k nou ook wat an! "Spatare," zeg 'k, "die zalle d'r niet na
+d'r hoofd vliege." En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an
+en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar
+verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en
+dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan
+mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd
+iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.--Ja, toe maar! 't
+Is gauw gezeid, h? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij
+de heele dag me hande vol, en me vrouw--met 'r huishouwe en d'r zes
+andere kindere--kan 'r tijd ook wel an."
+
+"Ja," zegt van Soelen, "verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne
+ze nog beter, maar 'n kwaal kereere--da's nog wel effe wat anders.--En
+daar hei je de cyperse ook," roept hij uit, als de deur opengaat en een
+van zijn confraters binnen komt, "ik docht al: waar blijft ie. Gaat
+zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte."
+
+De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder
+de aansprekers als "de cyperse" bekend staat, zet zijn parapluie in een
+hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn
+wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover
+van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat
+het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog
+terugloopt.
+
+"'t Zal mijn 'n zorg weze," verklaart van Soelen. "As we dit karreweitje
+van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't
+niet opklaart, dan blijf ik d'r in."
+
+"'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik," zegt Hinsen, met een zucht,
+"kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans
+dood is."
+
+"Die van de Keizersgracht?" vraagt van Soelen, "da' 's 'n toggie na
+Muijerberg, h?"
+
+"Na Muijerberg!" roept Hinsen uit--"en ze hebbe me gezeid, dat ie op
+Zorgvliet...."
+
+"Gelijk hei je," stemt van Soelen toe, "'t is Zorgvliet, maar 't is ook
+al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van
+'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe."
+
+"Ja," zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende
+en zitten gaande, "dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare
+geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de
+eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer
+as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo,
+hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat
+veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.--Neem jij je eige nou maar 's,
+van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had
+overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en
+as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n
+boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor."
+
+"Of dat beter stong!" roept van Soelen, in zijn zwak getast, uit; "wel
+man, dat scheelt ommers dag en nacht! Wat zeit me vrouw laast, toe ze
+met de schoonmaak me ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek
+voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de mot in zat:
+"dikke," zeit ze, "'t is toch zonde van je kuite, h? Vroeger ha' je 'r
+nog wat an, as je voor de stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe
+of je 'n paar goeje beene het? Nee," zeit ze, "as je mijn nou vraagt,
+dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in je ouwe goed." En gelijk
+het ze. As je ouwers er voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de
+wereld was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je, 't sting
+degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je maakte, dat je kouse en
+je korte broek glad over je beene zatte; as je schoene met de zillevere
+gespies--daar 'k nou brossies voor me vrouw en me dochter van heb late
+make, omdat ze mijn toch niet meer te pas komme--glomme as 'n spiegel;
+as je jas, van vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in
+de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde, dat je boord,
+je hallefehempie en je beffie helder wit gestreke ware, en je zette je
+driekante steek met de lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan
+mochte ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je elleboge
+buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan voelde je zellevers ook wel,
+da' je 'r weze mocht.--Nou drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n
+lange broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige wat we vroeger
+droege, dan is 't mijn goed, maar _ik_ kan er 't moois niet in zien."
+
+"En ik niet," zegt Pietersen. "'t Mocht ouwerwes weze: 'n steek en 'n
+korte broek, maar 't sting goed, hoor! en 't hoorde er hij."
+
+"Dat deej 't," stemt van Soelen toe.
+
+"'k Zei laast nog tege me vrouw," zegt Pietersen, "toe hier 'n
+begraffenis voorbij gong en we nog weer 's ophaalde hoe die er vroeger
+uitzag: "nee," zeg ik, "ze magge prate wat ze wille, maar as _dat_ nou
+'n lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel veel stasie
+meer an is.""
+
+"Wat zou 't!" roept van Soelen uit. "As 'n vroegere begraffenis 'm
+over de strate bewoog, dan zag je ies daar je eerbied voor kreeg as
+'t voorbijgong, h? en 't zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied
+was as 't nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die hebbe
+gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel, van bove tot
+beneje, met dikke kwaste en franje, hier en daar effetjes met koorde
+opgenome,--sting dat niet goed? en sting dat niet beter as 't ope
+kassie, dat ze 'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de prde
+over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke honge, sting dat
+ook niet beter as 't smalle lappie lake, dat nou, an weerskante van 't
+schoffie, na beneje hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die
+vroeger in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links van de wage
+liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse, d'r achter late loope,
+want nou leutere ze en lache ze, dat 't 'n schandaal is voor de mense,
+die er voorbij loope. 'k Bin z niet," roept van Soelen uit--van wege
+zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over het andere
+slaande--"'k bin z niet, da' 'k ieuwers 'n hekel an heb alleenig
+maar omdat 't nieuw is, en 'k zal niet zegge, dat 't nou niet beter
+is as vroeger, dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug
+komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke en met d'r
+beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar genome, 'n tegeswoordige
+begraffenis er bij gewonne het bij 't genige dat ie vroeger is
+geweest--nee, hoor! dat maakt niemand me wijs.--En 't beroerste is--alla
+Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie..."
+
+"Koman," zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd, "geef mijn
+dat ook maar 's."
+
+"'t Beroerste is," herhaalt van Soelen, "dat je er vroeger 'n goed stuk
+brood mee verdiende en dat je 't nou voor 'n schijntje mot doen. _Ik_
+heb begraffenisse gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende,
+behalve je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om! As je
+vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan was je binne, hoor!
+en kon je d'r van renteniere, net zoo goed as 'n makelaar van de
+spekelasie, maar lap 'm dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand,
+die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met je tiene, zal 'k
+maar zegge, daar je nou met je honderde voor staat. Want nou draagt
+alles. Of je bakker, of krante-ombrenger, of kruijeniersknecht
+bent--zoodra 'r wat te drage valt--pak an maar--'t is alweer mee genome,
+en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar in vroeger jare zat 't in
+vaste hande; je was er koster, of barbier, of tafelknecht bij, en je
+bediende in Artis, Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost
+kwam--dat vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie tafeldiende,
+geen kouwe soupee's meer annam. "'k Wil nog wel 's diene," zei ie,
+"maar dan luuks; as 't de moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om
+'t hallefie."--Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon, die voor domin
+leert en, met ze vrouw en ze kindere, leeft ie royaal van de huur."
+
+"En zoo kan 'k er wel meer," verklaart Pietersen, de weer gevulde
+glaasjes op tafel zettende. "Daar hei je Tielemans van hierover,
+Grondert uit de Westerstraat, bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan
+nou weer in Weesp woont, waar ie vandaan komt--allemaal ouwe ansprekers,
+die van d'r cente leve, en goed ook."
+
+"Maar nou nog 's wat," zegt Hinsen, "hoe komt 't toch, dat van Vliet,
+van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed schijnt bij te kanne? 'n Poosie
+geleje sta 'k met Smulders te prate, en die wist me te vertelle, dat ie
+passies 'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is dat doojefons
+zoo goed, daar ie bode bij is?"
+
+"Wat 'n wonder!" roept van Soelen uit. "'t Is dat je 'r nog maar zoo
+kort bij bent, maar anders zou je wete, dat "Zorg voor de Toekomst",
+daar hij dan bode bij is, almee tot de grooste hier in de stad hoort. En
+as je _dat_ het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde
+bij verassereerd binne--ja nou, dan is er nog wel wat te verdiene, want
+alle weke komt ie de dubbeltjes ophale, en zoo komt ie bij de mense an
+huis, h?"
+
+"Waardoor ie," zegt Hinsen, "nog 's eer as 'n ander weet wanneer er
+iemand begrave mot worre.--Verdikke, ja!" roept hij uit, "dat mot je
+niet uitvlakke."
+
+"Om de weerga niet!" bevestigt van Soelen. "As ie merkt, dat er een
+ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk op de begraffenis, en zoodra dat ie
+hoort, dat ie dood is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons.
+"Asjeblieft juffrouw," zeit ie dan met 'n mooi praatje, "daar was 'k al
+met de duite. U most vijf en negetig gulde uit 't doojefons trekke, as
+uws man kwam te valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar
+legge ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, n van vijf en twintig en
+twee rijksdaalders,--hier is uws geld. En as je nou wil, dat je je eige
+met niks het te bemoeie, en dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal
+hebbe, zooas ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en
+dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet eens te koste,
+want, as ik 't zal doen, dan houw je nog over, let maar op.--Hoeveel
+jonges het u? Drie, zeit u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's n
+koes. En hoeveel mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd
+motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier van uws mans kant,
+zeit u? Heel goed--da' 's acht, da' 's dus nog twee--da' 's drie koesse.
+Drie volgkoesse, met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de
+stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,--da' 's zveel. En hoeveel
+dragers motte d'r weze? Zalle we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's
+heel netjes en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi zoo.
+Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist natuurlijk, van echt
+greine hout, met uws mans naam, en de dag en 't jaar van ze geboorte en
+sterreve d'r op in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal
+'k 's zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook niet? Bestig.
+'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies, dat komt, met de dragers
+mee, op zooveel. Dan hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi
+graffie onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat zal wel, en
+de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat maakt, alles met mekaar,
+as ik d'r ook nog 'n paar cente an verdiene zal, en dat mag wel,
+tachetig gulde.--Kijk u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan wil 'k
+voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan is ook alles en alles d'r
+onder begrepe, behalleve natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag
+van de begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan maar zoo
+afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u vijftien gulde,--daar legge
+ze,--ziet u wel? en dan neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor
+alles. En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor."
+
+"An die tachetig gulde," zegt van Soelen--zijn sigaar, die onder het
+verhaal uit is gegaan, weer aanstekende--"verdient ie er dertig; en dat
+ie drie van die begraffenisse achter de rug het, as je 'm om de klok van
+ellefe tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons."
+
+"Drie?" vraagt de cyperse. "Hoe kan ie voor ellefe drie keer begrave?"
+
+"Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet weet!" roept van Soelen
+uit. "Hei je dan nog nooit 's gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie
+an de gang binne?"
+
+"Wat zeg je nou?" vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,--"poest ie
+'m?"
+
+"Wel ja, mens, hij poest 'm.--Dat je dat nou toch nooit 's gezien het,
+en je het toch ook al 's met 'm begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo
+haalt ie de drie begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.--Late we nou maar
+'s zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien en om tien uur;
+dan maakt ie, dat de eerste percies op tijd begint. Klokslag negene
+rijje ze weg, en dan zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage
+loopt. Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie 'm het
+angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet in ze kraam te pas komt,
+want as ze nou 'n endje gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de
+gracht de straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat 'n
+sigarewinkeltje of ieuwers anders in--wat ze uit de volgkoesse niet zien
+kanne, omdat eerst al de dragers komme, voordat de eerste koes de hoek
+om slaat--en dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram,
+na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net eender; en zoo kan
+ie om tien uur voor de derde keer antreje, en het ie d'r al twee achter
+de rug."
+
+"Verdikke," roept Hinsen uit, "die is gogem!"
+
+"Glad genoeg," verklaart van Soelen. "En as 't ongeluk wil, dat deze
+of gene van de famielje, door de eene of andere omstandigheid, d'r
+achter is gekomme, dat ie d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje
+natuurlijk klaar. "Ziet u juffrouw," zeit ie, "as ik 'n begraffenis heb
+angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk weze. Eerst zorreg ik
+d'r voor, dat de stasie an de gang is, en as ze onder weg binne, dan'
+kan 'k wel 'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de korste weg
+na 't kerkhof, om te kijke of daar alles klaar is as uws man komt. Het
+uws neef me daar niet gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot
+'k toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de touwe en de
+dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet, zeit u, toe ze effetief an
+'t begrave gonge? Ja, dan ben 'k toe zeker alweer an de wachtkamer
+geweest, om te kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws
+famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan ik me gang, ziet u,
+want ik heb meer te doen."
+
+"Zoo doet ie net wat ie wil!" roept van Soelen uit, "en verdient ie dik
+cente.
+
+"Maar--van geld gesproke--nou mo' 'k je toch 's wat vrage. We hebbe 'n
+afspraakie, h, dat as ik 'n begraffenis heb, dan draag jij mee, en hei
+jij er een, dan ik. Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn
+gedrage, maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks meer
+gehad, hoop 'k?"
+
+"Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de hak wou neme?" vraagt
+Hinsen verontwaardigd.
+
+"Nou," antwoordt van Soelen, "dat zou de eerste keer niet weze, dat me
+dat overkwam. Maar alla, je bint er nog maar kort bij, en we zalle dan
+maar hope, dat 't jou ook nog 's voor de wind zal gaan."
+
+"'k Help 't je wensche," zegt Hinsen, door een zucht te kennen gevende,
+dat de wind in dat geval uit een tegenovergestelden hoek zal moeten
+waaien. "'k Heb dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman, da'
+'s de heilige waarheid," verzekert hij, "en daar ben je bij geweest.
+Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht, dan h' 'k er weer een; en da' 's
+'n goeje."
+
+"En wie is dat?" vraagt van Soelen.
+
+"Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat," antwoordt Hinsen; "'t
+mens is zes en tachetig, en..."
+
+"Nou, da' 's nou ook wat!" roept van Soelen uit, Hinsen met een leuk
+gezicht aanziende.
+
+"Nou ook wat?" herhaalt Hinsen verbaasd, "wat meen je daarmee?"
+
+"Och man," zegt van Soelen met een korten lach, "zoo kan je me de
+begraffenis van me eige vader wel belove, h! Wel ja," roept hij uit, in
+antwoord op een vragenden blik van zijn confrater, "Juffrouw Willemse
+da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal 'k maar zegge! 't
+Mens woont zeker al vijftig jaar bove me ouwers, en aldoor omgang met
+d'r gehouwe, hoor. 'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n
+aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme, omdat ze van d'r
+eige geen kindere had, en dan was 't aldoor: "och, wat 'n aardig
+joggie!" en: "och, wat 'n lief bellefleurtje!" en al die viere en vijfe
+meer. Van me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij over de
+hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze begon te krukke, het ze me
+gezeid, dat, as 't ongeluk wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r
+begraffenis most zorrege en niemand anders."
+
+"Maar van mijn is 't famielje!" roept Hinsen uit, die door de
+mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen tusschen de van
+Soelens en de Willemsens bijzonder onaangenaam is verrast. "Mijns vrouws
+moeders moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak
+gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan voor 'n
+vreemd."
+
+"Ja, daar zal ze wat om male!" zegt van Soelen. "'k Zal niet zegge, as
+je d'r zoon of d'r broer nog was, maar as je verder in de parmetasie
+komt, en dan nog wel van je vrouws kant--dat het niks meer te beduije,
+hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en as zoo'n oud mens
+dat het gedaan, dan verandert ze 't ook niet meer. 'n Draagplaas man,
+da' 's alles wat ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee
+motte weze."
+
+"Maar daar bin 'k _niet_ tevrede mee," verklaart Hinsen; "as d'r
+famielje sta 'k er 't naaste toe; en da' 'k met al me kindere 'n
+voordeeltje best gebruike kan--dat zou toch wel wat heel erg weze, as
+ze dat over 't hoofd zou zien."
+
+"Afijn, we zalle zien!" roept van Soelen uit, "'t mens is nog niet dood
+en we kanne d'r nog wel eerder onder legge as zij. 't Zou de eerste keer
+niet weze, dat iemand gezond na bed ging...."
+
+"En dood opsting," zegt Pietersen met een lakoniek gezicht.
+
+"Nou," roept van Soelen uit, "nou mot hij ook nog 's wat zegge,
+h!--Spot niet, Pieterse, 'n mens kan nooit 's wete wat 'm nog bove ze
+hoofd hangt.--Maar 't wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te
+doen en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r zake en wille op
+z'n tijd gehollepe weze.--Zalle we dan gaan? Koman dan maar.--Hei, daar
+hei je mijn hoed! Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van
+mijn is, daar blijf je of." En dit zeggende, neemt hij zijn hoed uit
+de hand van Hinsen, die, nog geheel onder den indruk der pasgehoorde
+Jobstijding, het hoofddeksel van zijn confrater gegrepen heeft. "Dag
+Pieterse," zegt van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie
+opnemende, "tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn; dan benne we
+allebei gehollepe."
+
+"'k Mag 't lijje," antwoordt de kastelein, de beide ledige glaasjes van
+de tafel nemende. "Dat je hier komt om 'n borrel te hale, da' 's me
+lief; maar dat je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog 'n
+hekel an."
+
+
+
+
+Derde Klasse.
+
+
+"N, geef je vade' 'n zoen," zegt Mozes, met n voet op de treeplank
+van den waggon staande, tot zijn zoontje, dat, op den arm der moeder
+zittende, "vade'" naar den trein heeft gebracht.
+
+"Pas op toch, pas op ze mussie!" roept de vrouw van Mozes uit, nog juist
+bijtijds het hoofddeksel grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing,
+het kind van het hoofd glijdt.
+
+"O--ch," zegt Mozes--en in de wijze waarop hij dit woord uitspreekt,
+doorloopt hij een aantal noten van de toonladder,--"wat zou 't! wat zou
+ze mussie, is 't bweekba- waag?"
+
+Dan geeft hij zijn zoon een "zabbe-zoen" en stapt in, het portier achter
+zich sluitende. "Zeg an Fwank," roept hij, met het bovenlijf uit den
+waggon hangende, zijn vrouw toe, "da' 'k de puwwe z khoope, asse ze
+gaaf binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het, zooasse de
+dokte' mot hebbe." Daarna gaat hij zitten, kijkt even rond, en zegt op
+gedempten toon: "g'dag zame!"
+
+Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen, de
+hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand en met het fluitje in den
+mond, langs den trein dravende het sein tot vertrek, en terwijl Mozes,
+met een breeden glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen
+oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn zoontje een aantal
+zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het kind laat teruggroeten, door het
+armpje van den jongen heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet
+minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt, rijden wij weg, in
+het stille licht van den heerlijken zomeravond, wazende over bosch en
+bouw.
+
+In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het gelukkig--want het
+is nog heel warm--niet vol. Met mij zitten op dezelfde bank twee boeren,
+met gezichten als frambozen, elk met een kort buis aan en een lakensche
+pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep, waarop een paar eikeltjes
+van zwarte zijde heen en weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het
+rechteroor overschaduwt. Beide trekken, de een aan een lekke sigaar en
+de ander aan een snorkende pijp, met zooveel kracht, dat zich telkens
+diepe kuilen in hun wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam langs
+mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje, waar zij even
+talmen en dan op eens, met vaart het luchtruim invliegende, spoorloos
+verdwijnen. Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een eind
+van hem af, een stukadoor, met een grootendeels "gewit" gezicht, de
+handen vol kalk en ontelbare spatten op zijn jas, schoenen en pet,
+welke spatten waarschijnlijk ook op zijn broek en zijn vest aanwezig
+zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een witte stof zijn
+vervaardigd, niet noemenswaard in het oog loopen. Tusschen zijn beenen
+staat een niet gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een
+aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich heen verspreidt hij een
+lucht, die mij levendig aan "de groote schoonmaak" doet denken. Een
+weinig van hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den schoot en een
+meisje van omstreeks twaalf jaren naast haar. Die vrouw, een frissche,
+gezellige dikzak, met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht,
+en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken haren, gekleed in jak
+en rok, met lange gouden bellen in de ooren, een helder witte muts op
+het hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de vrouw van een
+polderwerker, en het kind naast haar is stellig pas "aangenomen", want
+de blauwe jurk, die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van
+allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het zelfde metaal om den
+hals bevestigd, geven dienaangaande stellige aanwijzingen. In haar
+handen houdt het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek, en juist
+verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande de drukkende hitte,
+nog niet heeft gebruikt, als zij haar moeder iets toefluistert en, op
+een toestemmenden hoofdknik, haar hand diep in den zak van moeders rok
+stekende, daaruit een kolossalen lap linnen of katoen te voorschijn
+haalt. Met dit familiestuk wischt zij haar gezicht af en stopt het
+daarna weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar in de hand
+gehouden voorwerp slechts als sieraad bij haar toilet behoort, zooals
+een bouquet bij een baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot
+tijd stijf tegen haar gezicht drukt, z, dat het puntje van haar neus
+er spierwit bovenuit komt, is het niet minder duidelijk, dat bedoeld
+doekje uitsluitend moet voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop
+dus, nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes grog van
+eau-de-Cologne gegoten moeten zijn.
+
+"We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?" vraagt de vrouw van
+den polderwerker, wel wat laat, want de trein snelt met volle vaart
+voort, maar gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie de eene
+zegt: "dat doe je," en de andere: "dat zitje," deelt zij ons mede wel
+gevraagd--maar het antwoord van den conducteur, die het te druk had, om
+haar behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben, en geeft zij
+voorts te kennen, dat zij niet graag in een verkeerden trein zou zitten,
+omdat zij nog verder moet, "weet u!" waarop de boeren eenstemmig
+verklaren: "dat kan je," en de stukadoor vraagt: "waar na toe?"
+
+"Na tante Kees," zegt het kind in het blauw, een mededeeling, die de
+boeren ontsteld opkijken--en Mozes mompelen doet: "da' 's raag," zoodat
+het kind verlegen wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm door dien
+der moeder steekt, en het hoofd tegen haar schouder drukt, waarop de
+vrouw van den polderwerker haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt,
+dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar man, voor de grap,
+nooit anders dan Kees wordt genoemd, een opheldering, die de boeren,
+kennelijk gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding
+geeft te verklaren, dat de man van tante Kees _ook_ wel zal weten waarom
+hij haar zoo noemt.
+
+Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en begint zoo
+vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor, als dit een poosje,
+zonder naspeurlijke reden, heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang
+is om naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het kind zijn
+spoorwegkaartje ook verloren kan hebben, welke aardigheden de moeder
+doen glimlachen, maar op de boeren niet de minste uitwerking hebben.
+
+Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker het kind te sussen, maar
+wat zij ook doet: of zij het tusschen de handen op en neer wipt of op
+haar armen dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen.
+
+"Wel wel, wat skreeuwt 't jong!" zegt de oudere boer, het kind met
+verbazing aanziende.
+
+"'k Weet niet wat ze het!" verklaart de moeder, "ze het aldoor zoo lief
+geslape. Wat is er dan toch, loeressie?"
+
+"Is 't 'n zij-tje?" vraagt de stukadoor.
+
+"Wel, dat raaj je goed," antwoordt de vrouw, "'t kind heet Zijdje."
+
+"As 'k toch wis," zegt Mozes, "dat 't 'n meisie was."
+
+"Sakkerloot," roept de stukadoor uit, "dan mot jij toch goeje ooge
+hebbe, hoor!"
+
+"Na, wat zou 't!" antwoordt Mozes grinnekend, "as 'k toch heef gezien,
+dat ze tege me heef gewagge."
+
+"Het ze?" vraagt de stukadoor. "Alla, dan het ze'r nou berouw genoeg
+van; 't kind schreeuwt as 'n ongesmeerde kruiwage."
+
+"Kan ze ook honger hebbe?" vraagt de jongere boer, die, als iemand niet
+tevreden is, in de eerste plaats aan een leege maag denkt.
+
+"Nee," antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd schuddend, "ze komt er
+pas of."
+
+"En dan za' ze d'g possie ook _w'_ gehad hebbe," verklaart Mozes, een
+vermoeden waarmede de boeren, door herhaaldelijk te knikken, hun volle
+instemming betuigen.
+
+"Je eerste en je laaste?" vraagt de stukadoor, met een blik naar de
+beide kinderen.
+
+"Wel nee," antwoordt de vrouw--druk bezig tusschen de kleertjes van het
+kind te zoeken, om de reden te vinden waarom het zoo schreeuwt--"wel
+nee! bove haar"--en met het hoofd wijst zij naar het kind in het
+blauw--"he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier. Maar dat dit
+kleintje me laaste zal weze--dat zou 'k wel denken."
+
+"Na," zegt Mozes, "pas m' op, dat 't de ojevaag niet hoo-t."
+
+"Dat mag ie wel hoore," beweert de vrouw. "We hebben 'r tien, en da' 's
+net wat 'n burgermens toekomt h, want 't versie zeit:
+
+ Een edelman die krijgt er twee,
+ Een rijke man krijgt vier;
+ --Zoo'n twee- of viertal is niet erg,
+ Die hei je voor plezier.
+ Maar b je 'n kale ambtenaar,
+ Of ben je domin,
+ Dan vare d'r wel zes of acht,
+ In 't huwlijksbootje mee.
+
+ Een tiental krijgt,--'t is haast te gek,
+ Een burger zonder goed;
+ En 't vol dozijn,--da' 's gekker nog,
+ Is voor de arremoed.
+
+"Wel kijk," roept zij uit, als zij, het linkerarmpje van het kind
+ontblootende, daarop een rood vlekje ontdekt, "da' 's vast 'n beest,
+dat 'r gestoken het, want ze het noot nergens niks op d'r lijfie."
+
+"'n Hoog-springertje," oppert de oudere boer.
+
+"Wel nee," zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende, "die het ze noot."
+
+"Ja nou," roept de oudere boer uit, "'n mens mag zoo zindelijk weze as
+ie wil, maar _daar_ kan je niks an doen!"
+
+"'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn," beweert de stukadoor.
+
+"Wel ja," zegt de vrouw van den polderwerker, "dat zal 't zeker wel
+weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe vast." En terwijl zij het kind
+op den schoot van haar oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast
+haar staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een apothekersfleschje
+met water gevuld te voorschijn haalt, beweert Mozes, dat 't "misegab'
+is, zoo'n mach mugge as 'r dit jaag binne," en deelt de oudere boer ons
+mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met den wind in verband staat,
+omdat, als de wind oostelijk is, er veel meer van "dat goed" in den
+polder komt, dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker
+aanmerkt, dat men er meer last van heeft, als men bij het water woont
+dan in droge streken, en de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het
+een last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan, waartegen de
+vrouw van den polderwerker een paar droppels nagel-olie als "erg goed"
+aanbeveelt, wat de stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog beter
+achtende 's avonds de vensters gesloten te houden, omdat de dieren op
+het licht af komen, welk laatste middel allen gereedelijk toestemmen
+verreweg het beste te zijn.
+
+"Zie zoo," zegt de vrouw van den polderwerker, het in water gedrenkt
+lapje om het armpje van het kind bevestigend, "nou zal ze wel gauw weer
+bedare; 'k heb er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge, want
+toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder te wete hoe ie er an
+kwam, 'n dikke voet. En 't was maar goed, zei de dokter, dat we 'm
+daalijk hadde late hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had
+'t gevaarlijk kanne worde."
+
+"Ja," zegt de oudere boer, "met zukke dinge mot je niet zuime, da' 's
+menigeen z'n dood geweest."
+
+"En mijn vade za-eg," zegt Mozes, "heef 't ook mee bekoch."
+
+"Het ie?" vraagt de oudere boer.
+
+"Dat heef ie," antwoordt Mozes.--"Zes, zeve dage voo' ghoote vehzoendag,
+dat ie in ze winke' met 'n buugman sthaat te pgate, sthaat ie met ze
+hande te zwaaie, en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.--"Na, wat zou
+'t!" zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit, "maak toch
+geen matschudding ove' niks."--M 's awes, dat ie na ze bed z gaan,
+zeit ie, dat 't 'm pijn doet, zeit ie.--"Gaat na de dokte'," zeit me
+moede, "gaat na de dokte'."
+
+"Och," zeit me vade',--"de dokte', de dokte', wat zou de dokte'!" en ie
+gong niet. M 's ande- daags had me vade' 'n agm as kagepijp, en toe
+'t ghoote vehzoendag was, was mijn vade' bij zijn vade- vehzamed.--M'
+as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte' was gegaan, dan
+had die 'm gehouwe, zeit ie,--"met ze agm of zonde' ze agm, m' gehouwe
+had 'k 'm," zeit ie. "Ma' nou," zeit ie, "nou 't vehgif in ze hagt is
+gegaan, nou mos ie dood.""
+
+"En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde," zegt de oudere boer, "as de
+smid van de Bullewijksbrug d'r bij was geweest, voordat ie de laatste
+azem had uitgeblaze, want zooveel as die d'r het geneze, die door de
+dokters opgegeve waren--dat geloof je niet."
+
+"Is 't toch waar?" vraagt de stukadoor.
+
+"Honderde en honderde," verzekert ons boertje. "En alles met 'n
+zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. _Hoe_ ie dat doet, da' 's zijn
+geheim, zeit ie, maar zooveel is zeker, dat 't al 'n macht van jare van
+vader op zoon moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe noodig
+benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest! Jong en oud, man en vrouw
+vindt er baat bij. En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n
+zieke arm of 'n zeer been--hij leit hier 'n pleister en daar een, en as
+ze d'r af valle--want je mot ze late zitte tot ze uitgewerkt hebbe--dan
+ben je geneze, hoor je!"
+
+"Wat zeit u?" roept de vrouw van den polderwerker uit.
+
+"Glad geneze," verzekert het boertje. "En da' 's geen praatje, maar de
+zuivere waarheid, want toe me zeun hier"--en met het hoofd wijst hij
+naar den jongeren boer--"'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de
+linkervoet: zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou zien,
+dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde of mierde: pappe of
+snijje, niks hielp. En onderwijl wier 't zoo erg, dat de perfester d'r
+an te pas most komme, en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r
+af kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite en me vrouw nog
+minder."
+
+"Dat kan 'k me begrijpe," zegt de vrouw van den polderwerker, "want wat
+wij mense hebbe gekrege, dat motte we houwe, ziek of gezond."
+
+"Dat zeg je goed," bevestigt de oudere boer, "want dat we 'r over
+prakkiseerde, wat ons te doen stind, heur 'k van de smid an de
+Bullewijksbrug, en ik--met me vrouw en me zeun' d'r na toe. "Ofzette,"
+zeit ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, "ofzette,--'t mocht wat; _ik_ zal
+'m geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele met de jonges langs
+de weg." En ze woord het ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de
+klompe weer aan, en na die tijd--zeg 't nou zelfs, Kees!"
+
+"Nooit nerges meer niks van gewete," verklaart zijn zoon.
+
+"Daar beur je 't," zegt zijn vader, "nooit iewers meer ies van gewete.
+En je nou ze voet ziet,--net zoo blank en zoo zuiver, _net_ zoo blank
+en zoo zuiver," herhaalt hij, beide handen over elkander schuivende, "de
+eene as de andere."
+
+"M--enslief," roept de vrouw van den polderwerker uit, langzaam haar
+hoofd wiegend, "wat 'n zege, wat 'n zege!"
+
+"Ja," zegt de stukadoor, "want as je nou was heengegaan en je hadt na
+die perfester geluisterd...."
+
+"Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel," verklaart de
+oudere boer met een krachtigen hoofdknik.
+
+"En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve," zegt de vrouw van den
+polderwerker. "Is 't niet waar meisie?" vraagt zij met den voorsten
+vinger het zuigelengetje, dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes
+tikkende. "Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape? Toe dan maar."
+En het kind in een omslag gewikkeld hebbende, wiegt zij het heen en weer
+en neuriet:
+
+ "Doe die blauwe oogies toe,
+ Zoete, lieve poes!
+ Vaders vreugd en moeders lust,
+ Slaap, me kleine snoes!"
+
+En dan begint zij weer van voren af aan: "doe die blauwe oogies toe,"
+net zoolang totdat het kind aan de herhaalde uitnoodiging heeft voldaan.
+
+Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal militairen op het
+perron staan, gepakt en gezakt, hun lange jassen van voren opgeslagen,
+een groen takje op de schako of een heideplantje in den loop van het
+geweer.
+
+"Inkwartiering," zegt de oudere boer, die geen soldaat kan zien zonder
+aan gedwongen logeergasten te denken, waaraan hij een hekel heeft als
+aan een zieke koe.
+
+"Schijfschiete," beweert de stukadoor, die van militaire dingen geen
+flauw begrip heeft, maar Mozes, den spijker op den kop slaande, zegt:
+"maneuvels. Ze wasse in 't kamp en ze gane tegug."
+
+"Zou 't?" vraagt de oudere boer, die "afmarcheeren" het ideaal van alle
+militaire verrichtingen vindt.
+
+"As 'k 't toch weet," roept Mozes uit, "as 'k eiges toch ook heef
+gediend!"
+
+"Bij de marine?" vraagt de stukadoor, met een knipoogje tegen ons.
+
+"N," zegt Mozes, "wate' is nat, h? Ov' wat z je zwabbe- op de
+pwanke, as je kan sthaan op de ghond?"
+
+"Ze motte naar Amersfoort," zegt de jongere boer, ziende dat de
+militairen plaats nemen in den naar die stad bestemden trein.
+
+"Dat motte ze," bevestigt Mozes, "weegom, na d'g gagnizoen."
+
+"Ja, ja," zegt de oudere boer, met een zucht--terwijl de trein, waarin
+wij zijn gezeten, zich weer in beweging stelt--"al dat soldaatje-spele
+is mooi en goed, maar 't kost 'n bult geld--'n bult; en ik en 'n ander
+kanne 't an belasting maar opbrenge."
+
+"O," roept de stukadoor uit, "da' 's 'n ongeluk, zoo as ze je
+tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal te pakke hebbe, dan
+late ze je niet los, net zoo min as 'n spin 'n vlieg.--Vijf, zes
+maande terug, net da' 'k t'huis ben om te ete, komme er twee van die
+risserseurs van de belasting binne.--'n Mooi stelletje! Half-sleet
+heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en moderspatte tot op de
+kraag van d'r jasse, van 't vigeleere, dat ze, dag in dag uit, weer of
+geen weer, door de stad doen.--En mager, dat ze ware! dat ze wel met de
+konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.--
+
+""Offe ze terecht ware bij Bruins," vroege ze. "Nou," zeg 'k, "dat is er
+na, h! Me vader hiet Bruins, drie broers van me hiete ook Bruins, en
+dan he' 'k nog 'n macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette--zoek jij
+nou maar uit waar je weze mot."
+
+""Bij Jan Bruins," zei diegenige, die 'n paar jaar ouwer was as de
+andere--'n dwarskijker van belang, want hij had 'n paar ooge, dat ie met
+'t eene na de neus van je gezicht en met 't andere na de neus van je
+schoene keek--"bij Jan Bruins, de stikkadoor."--"O," zeg 'k, "tel dan je
+geld maar uit, want van dat soort is er maar een in heel Amsterdam."
+"Nee," zei ie, "brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't er
+bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de belasting." "Belasting,"
+zeg 'k, "asjeblieft, daar zitte ze, allemaal om de tafel: een, twee,
+drie, vier, vijf, zes, zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k
+denke."
+
+""'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt," zeit me vrouw.
+Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze, maar dat je er de
+mindere man mee an kwam, dat had ze nog noot op de viool hoore spele.
+
+"Dat kon wel, zei toe die andere kerel--die zoo zuur keek, asof ie 'n
+karnemelksche moeder had gehad--dat kon wel, maar as ze 't alleenig van
+de rijkdom moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet.
+
+""Ja nou," zeg 'k, "waar jelui weze motte, dat weet 'k niet en dat kan
+me niet schele ook, maar hier ben je niet terecht."
+
+"Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje.
+
+""'n Knap boeltje," zeg 'k, "mag dat dan niet voor de belasting, dat je
+'n knap boeltje het?"
+
+"Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap daar rekening
+mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting.
+
+""Inkomste-belasting," zeg 'k, "maar man 't is ommers al mooi, da' 'k
+met me inkomme uitkom."
+
+"'k Begreep er niks van, zei ie.
+
+""Nou," zeg 'k, "'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't niet om me
+cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei 'n borrel van me hebbe,
+voordat je weggaat."--Afijn... wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste
+ze dit en van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze, dan zou
+'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar dan niet mee tevreje was,
+dan kon 'k altoos nog rikkelameere. "Maar dat doen 'k al," zeg 'k, "daar
+he' 'k geen pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k kan."
+Ja nou, maar dat gong niet, _eerst_ most 'k dat pampier hebbe.
+
+"'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van me, die nog wel
+'s 'n goeje raad voor 'n arm mens over het, en die dan ook 'n stuk
+voor me het opgesteld, da' 'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo
+beroerd an toe was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat
+later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele omhaal van
+woorde--dit gezien en dat gezien--dit zus en dat zoo,--w..eet ik 't! maar
+de rijksdaalder, daar die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k
+betale. "Nou," zeg 'k tege me vrouw, "as dat nou niet is iemand 'n stuk
+van ze hemd knippe, zeg jij dan 's hoe 'k dat noeme mot.""
+
+"Ja," zegt de oudere boer, "'t is erg. En ze store d'r eige nerges an.
+Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart hoog is of laag, of je gelukkig
+bent met je vee of er 'n tegeslag mee het--je kan maar make, dat je de
+cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig alle belasting
+d'rekt is, want je het je anslag kwalijk in huis, of je kan 't al betale
+ook.--Maar daar benne we al te Amsterdam.--Koman jong, nou as de weerga
+na de avekaat."
+
+"En ikhe na de vekoopening," zegt Mozes,--"g'dag zame."
+
+"En ik na huis," zegt de stukadoor,--"ook g'dag."
+
+"En wij na Sloterdijk," zegt de vrouw van den polderwerker,--"gedag
+allemaal, en wel t'huis, mense."
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) - Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: antwoordt Keetje--'n Zondag |
+ | C: antwoordt Keetje,--"'n Zondag |
+ | B: potje met "ghesida" zegt zij, |
+ | C: potje met "ghesida"" zegt zij, |
+ | B: zegt Evert, 't zou ook al heel |
+ | C: zegt Evert, "'t zou ook al heel |
+ | B: zij. "As jij je mond houwt, zeit |
+ | C: zij. ""As jij je mond houwt," zeit |
+ | B: dan kan 'n ander de zijne |
+ | C: "dan kan 'n ander de zijne |
+ | B: hoor!" verzekert Evert.--"Nee, |
+ | C: hoor!" verzekert Evert.--""Nee," |
+ | B: me moeder, zoo as jij |
+ | C: me moeder, "zoo as jij |
+ | B: zoo te zegge 't beddegoed van." |
+ | C: zoo te zegge 't beddegoed van."" |
+ | B: kieze," zegt Keetje. Ik kom achter |
+ | C: kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter |
+ | B: nog 'n kraf vol. |
+ | C: nog 'n kraf vol." |
+ | B: niet," zegt Grietje, en daar mag |
+ | C: niet," zegt Grietje, "en daar mag |
+ | B: nou is 't genoeg! roept Evert uit, |
+ | C: nou is 't genoeg!" roept Evert uit, |
+ | B: bloote hals: "ja"--en Keetje |
+ | C: bloote hals: "ja""--en Keetje |
+ | B: een allerliefst mondje--"dat |
+ | C: een allerliefst mondje--""dat |
+ | B: verzekert Grietje. Lekker ete is |
+ | C: verzekert Grietje. "Lekker ete is |
+ | B: op zijn schouder zettende. Ik mot |
+ | C: op zijn schouder zettende. "Ik mot |
+ | B: uitdrukking van "ik-mag-er ook-wel-wezen" |
+ | C: uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" |
+ | B: Eddy uit, onmiddelijk een krijgshaftige |
+ | C: Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige |
+ | B: iederen avond, iederen Woensdag- en en |
+ | C: iederen avond, iederen Woensdag- en |
+ | B: kom ik onmiddelijk tusschen beide |
+ | C: kom ik onmiddellijk tusschen beide |
+ | B: antwoordde de agent, dat doe 'k in |
+ | C: antwoordde de agent, "dat doe 'k in |
+ | B: nadat zij eenigen tijd, misschen iets |
+ | C: nadat zij eenigen tijd, misschien iets |
+ | B: nu ook voor het laatst: "_des...i...eux_." |
+ | C: nu ook voor het laatst: _des...i...eux_." |
+ | B: zei meneer Kreggens glimlachend. |
+ | C: zei meneer Kreggers glimlachend. |
+ | B: "Meneer Kreggers stond op, |
+ | C: Meneer Kreggers stond op, |
+ | B: Dan denk maar jong, veur |
+ | C: "Dan denk maar jong, veur |
+ | B: waaraan "de Wijkamp" is gelegen, |
+ | C: waaraan "de Wykamp" is gelegen, |
+ | B: kinderen.... die blijve bij jou." |
+ | C: kinderen.... die blijve bij jou."" |
+ | B: vroolijk...! 'k Krijg 'n best wijf," |
+ | C: vroolijk...! "'k Krijg 'n best wijf," |
+ | B: wegloope, bij de kindere, Maar alla, |
+ | C: wegloope, bij de kindere. Maar alla, |
+ | B: huur wier opgezeid, 'k Woonde toe |
+ | C: huur wier opgezeid. 'k Woonde toe |
+ | B: hebbe, dat spreekt. 'k Had gelijk, |
+ | C: hebbe, dat spreekt." 'k Had gelijk, |
+ | B: eens. |
+ | C: eens." |
+ | B: daar kom 'k niet in.--En me vrouw |
+ | C: daar kom 'k niet in."--En me vrouw |
+ | B: hals wille valle, geloof 'k. |
+ | C: hals wille valle, geloof 'k." |
+ | B: "Of 'k dat goedvond, vroeg ze. "Of |
+ | C: "Of 'k dat goedvond," vroeg ze. "Of |
+ | B: hoort ze niet." "Zie je," |
+ | C: hoort ze niet." Zie je," |
+ | B: ie.--Moppig roept Kootje uit,--"_hem_ |
+ | C: ie.--Moppig," roept Kootje uit,--"_hem_ |
+ | B: bleek ziet en zoo papperig is. |
+ | C: bleek ziet en zoo papperig is." |
+ | B: nou an je lijf het, hoor. |
+ | C: nou an je lijf het, hoor." |
+ | B: meer an is." |
+ | C: meer an is."" |
+ | B: cente leve, en goed ook. |
+ | C: cente leve, en goed ook." |
+ | B: van Soelen uit. 't Is dat je 'r nog |
+ | C: van Soelen uit. "'t Is dat je 'r nog |
+ | B: bevestigt van Soelen. As ie merkt, |
+ | C: bevestigt van Soelen. "As ie merkt, |
+ | B: de cyperse. Hoe kan ie |
+ | C: de cyperse. "Hoe kan ie |
+ | B: roept van Soelen uit "en verdient |
+ | C: roept van Soelen uit, "en verdient |
+ | B: matschudding ove' niks."--"M 's awes, |
+ | C: matschudding ove' niks."--M 's awes, |
+ | B: gegaan, nou mos ie dood." |
+ | C: gegaan, nou mos ie dood."" |
+ | B: tikkende. Is 't nou weer |
+ | C: tikkende. "Is 't nou weer |
+ | B: zegt Mozes," "wate' is nat, |
+ | C: zegt Mozes, "wate' is nat, |
+ | B: voordat je weggaat.--Afijn... |
+ | C: voordat je weggaat."--Afijn... |
+ | B: hoe 'k dat noeme mot." |
+ | C: hoe 'k dat noeme mot."" |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+***** This file should be named 39736-8.txt or 39736-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/3/39736/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/39736-8.zip b/39736-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..ecea2f0
--- /dev/null
+++ b/39736-8.zip
Binary files differ
diff --git a/39736-h.zip b/39736-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3212256
--- /dev/null
+++ b/39736-h.zip
Binary files differ
diff --git a/39736-h/39736-h.htm b/39736-h/39736-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..58a21a8
--- /dev/null
+++ b/39736-h/39736-h.htm
@@ -0,0 +1,6800 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl">
+
+<head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <meta name="description" content="13 Amsterdamse schetsen: inkijkjes in het dagelijks leven eind 19e eeuw. (1e druk 1903)" />
+ <meta name="author" content="Willem van Amsterdam" />
+ <meta name="keywords" content="Amsterdam, schetsen, 19e, eeuw, dagelijks, leven, jeugd, gewone, man, inkijkjes" />
+
+ <title>
+ Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam&mdash;A Project Gutenberg eBook.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;
+ font-size: 185%;}
+h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 1em;
+ font-size: 133%; font-weight: normal;}
+h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 140%;}
+
+p {text-align: justify; text-indent: 1em;}
+p.tp {margin-top: 4em; margin-bottom: 4em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+p.subh2 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em;
+ font-weight: normal; font-size: 75%;}
+p.noi {text-indent: 0em;}
+
+div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center;}
+div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 133%;}
+div.inhoud {margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; font-size: 100%;}
+
+/* TB */
+hr {width: 15%; clear: both; border: 1px solid black;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+hr.fnsep {width: 20%; margin-top: 0.5em; margin-bottom: 1em;
+ margin-left: 0; margin-right: 0; text-align: left;}
+hr.chend {width: 20%; margin-top: 2.5em; margin-bottom: 2.5em;}
+hr.chbegin {width: 10%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;}
+hr.hrdash {width: 100%; border: 1px dashed black;}
+
+.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right;
+ font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal;
+ letter-spacing: normal; color: #888888;}
+span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";}
+
+/* TABLES */
+table {margin-left: auto; margin-right: auto;
+ padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;}
+.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em;}
+td.tdl {text-align: left; font-variant: small-caps; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+
+/* ALIGN */
+.mixcap {font-variant: small-caps;}
+.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+
+/* IMAGES */
+img {border: 0;}
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+/* FOOTNOTES */
+.footnote {margin-left: 0; margin-right: 0; font-size: 75%; text-align: justify; }
+.footnote .label {padding-right: 1.5em; text-decoration: none;}
+.fnanchor {text-decoration: none; margin-left: 0.05em;}
+
+/* POETRY */
+.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left; font-size: 75%;}
+.poem br {display: none;}
+.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+.poem div.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;}
+.poem div.i2 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;}
+.poem div.i12 {display: block; margin-left: 6em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;}
+
+.size67 {font-size: 67%;}
+.size75 {font-size: 75%;}
+.size85 {font-size: 85%;}
+.size133 {font-size: 133%;}
+
+/* Transcriber Note */
+.TNbox {border: 1px solid; padding: 1em; font-family: sans-serif; font-size: 90%;}
+.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;}
+.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;}
+.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;}
+.TNbox th {text-align: left;}
+.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;}
+td.td2 {width: 20%;}
+td.td4 {width: 40%;}
+
+@media screen
+{ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;}
+ p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em;}
+ .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; background-color: #dddddd;}
+ ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+}
+
+@media print
+{ p {margin: 0;}
+ .pagenum {display: none;}
+ ins {border: none;}
+ ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+}
+
+@media handheld
+{ body {margin-left: 2%; margin-right: 2%;}
+ p {margin-top: .2em; margin-bottom: .2em;}
+ .pagenum {display: none;}
+ ins.corr2 {border: none; text-decoration: none;}
+}
+
+ </style>
+</head>
+
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kleurig en donker
+
+Author: Willem van Amsterdam
+
+Release Date: May 19, 2012 [EBook #39736]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="TNbox">
+
+ <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2>
+
+ <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.
+ Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p>
+
+ <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.
+ Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.</p>
+
+ <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
+ <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>,
+ waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br />
+ Variaties in spelling zijn behouden.</p>
+
+ <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p>
+
+ <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn
+ dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+</div>
+
+<div class="figcenter" style="width: 512px;">
+ <img src="images/cover.jpg" width="512" height="744" alt="" />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="i">&nbsp;</span><a id="p_i"></a></p>
+
+<div class="voorblad">
+ KLEURIG EN DONKER.
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="ii">&nbsp;</span><a id="p_ii"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="iii"><br />&nbsp;</span><a id="p_iii"></a></p>
+
+<div class="title">
+
+ <h1>KLEURIG EN DONKER</h1>
+
+ <p class="tp size67">DOOR</p>
+
+ <p class="tp"><span class="size133">W. VAN AMSTERDAM,</span><br />
+ <i>Schrijver van &bdquo;Marionetten.&rdquo;</i></p>
+
+ <hr />
+
+ <p class="tp size85"><span class="mixcap">Haarlem</span><br />
+ <span class="ls2">H. D. TJEENK WILLINK &amp; ZOON</span></p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="iv">&nbsp;</span><a id="p_iv"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="v"><br />&nbsp;</span><a id="p_v"></a></p>
+
+<div class="inhoud">
+
+ <h2 class="h2inh"><a id="INHOUD">INHOUD.</a></h2>
+
+ <hr class="chbegin" />
+
+ <table class="toc" summary="inhoudsopgave">
+ <tbody>
+ <tr>
+ <td class="tdl"></td>
+ <td class="tdr size75">Blz.</td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Aan de voordeur</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Het straatorgel</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_12">12</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Eddy</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_25">25</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Haar brood</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_48">48</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Kinderleed</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_61">61</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Karel Jan Vonk</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_73">73</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">De oudste</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_84">84</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Het klooster der Witte Vrouwe</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_94">94</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Haar keuze</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_103">103</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Blok's Vrouw</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_113">113</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Geen &bdquo;Verrajer&rdquo;</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_127">127</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">De aanspreker</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_141">141</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl">Derde Klasse</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_155">155</a></td>
+ </tr>
+ </tbody>
+ </table>
+
+ <hr class="chend" />
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="vi">&nbsp;</span><a id="p_vi"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="1"><br />&nbsp;</span><a id="p_1"></a></p>
+
+<h2><a id="Aan_de_voordeur">Aan de voordeur.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;Zoo, dikke zus!&rdquo; zegt Evert&mdash;een jonge slagersknecht,
+een pracht van een kerel, zooals de meeste
+van zijn soort, groot en breed in de schouders, met
+gespierde armen en een paar handen, die iemand niet
+kan aanzien zonder het een geruststelling te vinden
+dat zijn rond en blozend gezicht een zeer goedige
+uitdrukking heeft&mdash;&bdquo;zoo, dikke zus! hoe gaat 't met
+mijn?&rdquo; En dit zeggende, neemt hij, met een rappe
+beweging, de mand van zijn schouder en zet die
+op de stoep van een mooi en groot huis aan de
+Heerengracht.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe 't met je gaat,&rdquo; antwoordt Grietje, de aan de
+voordeur staande keukenmeid, een dikke, frissche
+schommel, met een opgeruimd gezicht, &bdquo;hoe 't met je
+gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht
+te zien, dan gaat 't nogal met je.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, 'k zie bleek, h?&rdquo; zegt Evert, &bdquo;dat komt omdat
+me maag niet in orde is, weet je!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Niet?&rdquo; vraagt Grietje, &bdquo;lust je geen ete meer?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel,&rdquo; antwoordt Evert, &bdquo;maar 'k lust te veel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En krijg je niet genoeg?&rdquo; vraagt Grietje.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="2">&nbsp;</span><a id="p_2"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Of 'k 't krijg,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;dat zou me niet kanne
+schele, as 'k maar zooveel kon neme as 'k lust.&mdash;En
+daar hei je haar ook,&rdquo; roept hij uit, als Keetje, de
+werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper
+katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met
+een lachend gezicht mede aan de voordeur verschijnt.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo, malle! b je weer an de gang?&rdquo; vraagt zij.</p>
+
+<p>&bdquo;Mal-le?&rdquo; vraagt Evert, &bdquo;as 'k na 't stadhuis ga, om
+'n trouwbriefie te hale, hoor!&mdash;Wat zie je 'r weer
+goed uit!&rdquo; roept hij uit, een poging doende om Keetje
+in de wangen te knijpen, wat zij met een: &bdquo;laat je
+staan!&rdquo; en een tik op zijn arm, verhindert.</p>
+
+<p>&bdquo;Ga je van aved 's met me uit?&rdquo; vraagt Evert haar.</p>
+
+<p>&bdquo;Ikke niet,&rdquo; antwoordt Keetje, &bdquo;want me parresol is
+in de maak, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat
+mijn hooge hoed ook nog niet t'huis is.&mdash;Maar 'n
+Zondag dan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jonge nee,&rdquo; antwoordt Keetje<ins class="corr" id="corr1" title="Niet in Bron.">,</ins>&mdash;<ins class="corr" id="corr2" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>'n Zondag dan ga
+'k na 't bessieshuis.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Bessieshuis!&mdash;daar heb ik ook nog 'n oome,&rdquo;
+beweert Evert.&mdash;&bdquo;Z je 'm van me groete?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zal 'k,&rdquo; belooft Keetje. &bdquo;As 'k 'm zie, dan zal
+'k 'm om ze hals valle.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeg eris!&rdquo; roept de keukenmeid uit,&mdash;&bdquo;da 's waar
+ook!&mdash;'k docht dat jij 'n eerlijke jonge was, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ikke niet eerlijk,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;nou nog mooier!
+Geef me maar 's 'n zoen van je, dan krijg je 'm daalijk
+weerom.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;dat hoeft niet. As je 'r een van
+me krijgt, dan mag je 'm wel houwe ook.&mdash;Maar 'n
+Maandag hei je beloofd, dat je 'n beetje gehakt zou
+<span class="pagenum" title="3">&nbsp;</span><a id="p_3"></a>meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo
+graag luste, en dat hei je niet gedaan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn schuld is 't niet,&rdquo; verzekert Evert. &bdquo;De baas
+zei, da' 'k 't maar vergete most, en toe, dat begrijp je,
+is 't in eene&mdash;rits...! door me hoofd gegaan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zei-ie-dat?&rdquo; vraagt Grietje. &bdquo;Zei ie, dat je 't maar
+vergete most?&mdash;Hoor je dat, Kee?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo'n akelige, schriele kerel,&rdquo; roept Keetje uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoort eris,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;zeg <i>jij</i> an je baas, da' 'k
+haast wel zou denke, dat me volk binne kort ze vleesch
+niet meer zal luste, as er af en toe niet 'n kleinigheid
+voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k zoo'n ideetje
+van,&rdquo; verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten
+mond, verscheidene malen met het hoofd.</p>
+
+<p>&bdquo;En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen,&rdquo; verklaart
+Evert.&mdash;&bdquo;Alla, zegge zal 'k 't. En wat ete we
+nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n zweezerikkie of kalfsoesters,&mdash;wat
+mot 'k brenge?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Mot niks van je hebbe,&rdquo; antwoordt Grietje. &bdquo;We
+ete vandaag 'n stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n
+gebakke tong.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Verdikke, mens, houw op!&rdquo; roept Evert uit, &bdquo;daar
+zou je 't water van over je tanden loope. 'k Geloof,
+dat die meneer van je nog al lekker is, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Of ie lekker is!&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;nee&rdquo;&mdash;en met de
+vingertoppen tegen de wang wiegt zij het hoofd&mdash;&bdquo;dat
+geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege Kee&mdash;is 't niet waar
+meid&mdash;&bdquo;Kee,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;'k heb me eigen verhuurd voor
+de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar
+hier mot je toch ook kokkerelle kanne of je ziel en
+zaligheid van 'n sausie afhangt.&rdquo; Want aldoor het ie wat.
+Dn binne de kwartels wel goed geweest, zeit ie, maar
+<span class="pagenum" title="4">&nbsp;</span><a id="p_4"></a>'t geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of,
+as ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks
+zegge, zeit ie, maar de saus,&mdash;die kon nog wel 'n tik-kie
+meer gebonde. En zoo gaat 't aldoor. Dan mot 'k <i>hier</i>
+nog 's 'n eitje meer in perbeere, of <i>daar</i> kan wel 'n
+grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge, je
+boezelaar of&mdash;en 't hem om ze dikke lijf zou doen.&mdash;En
+as 't niet percies z is, as ie 't graag lust, dan
+het mevrouw ook al de bokkepruik op, want die mot
+er van hoore, dat begrijp je!&mdash;'t Is dat 'k hier zoo'n
+hoog loon verdien, maar anders....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan ha' je 'm al gesmeerd?&rdquo; vraagt Evert.</p>
+
+<p>&bdquo;Al lang,&rdquo; verklaart Grietje, &bdquo;want an al dat putlut
+daar he' 'k 'n hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige
+dienst 'n boel meer schik, en as ze niet buite ware
+gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog
+'s 'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en
+ha' je nog 's eer van je werk ook. &bdquo;Griet,&rdquo; zei meneer
+dikkels, &bdquo;je mot niet zoo lekker koke, mens; 'k kan
+'s middags niet uitscheije.&rdquo; En as mevrouw, die er
+zoo'n hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie&mdash;omdat
+ze nooit niks kon bedenke, zei ze&mdash;'t ete an mijn
+had overgelate, en 'k had 's ies nieuws verzonne: 'n
+schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat
+wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: &bdquo;Kijk,
+dat hei je goed geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot
+'k nou juist hebben.&rdquo; Och ja,&rdquo; zegt Grietje met een
+zucht, &bdquo;'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is
+z zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe
+meer dat ie ze best nog 's doet ook. Nee&rdquo;&mdash;en ze
+schudt het hoofd tegen een koopman in bloemen, die met
+de hand naar de waar op zijn kar wijst&mdash;&bdquo;niet noodig.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="5">&nbsp;</span><a id="p_5"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Mot je geen bwommetje?&rdquo; vraagt hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; antwoordt Grietje, &bdquo;ik mot geen blommetje
+hebbe.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Koop 's 'n mooi ghoozie van me?&rdquo; vraagt de koopman,
+&bdquo;of 'n potje met ghesida.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga nou maar gerust deur,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;want
+'k koop toch niks van je.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo'
+je zussie,&rdquo; zegt de koopman, met een paar potten in
+de handen de stoep op komende.</p>
+
+<p>&bdquo;Och, ga nou weg, h!&rdquo; roept Evert uit.</p>
+
+<p>&bdquo;N,&rdquo; zegt de koopman, &bdquo;la me dan 's wat verdiene.
+Koop 's 'n paag potjes voo' de meissies: tien cente
+'n pot.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;'t zit er bij mijn nogal an, h!
+Zoodra 'k geen slagersknecht meer ben, maar me koetjes
+op 't droge heb, dan krijg je de klandisie, hoor.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zou 't,&rdquo; roept de koopman uit, &bdquo;as datte gebeugd,
+dan rentenieg 'k tien jaag! En jij, juff,&rdquo; vraagt hij
+aan Keetje, &bdquo;mo' je niet 's 'n potje in 't keukeghaam
+zette, of op 't kassie in je kametje?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; antwoordt Keetje, &bdquo;ik heb zoo'n rare neus! ik
+kan de lucht niet verdrage, hoor! net zoo min as van
+uie. Ik ruik liever,&rdquo; en zij ginnegapt achter haar hand,
+&bdquo;ik ruik liever gebraje spek.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende,
+&bdquo;nou je 't zeit, ruik ik ook liever 'n bankethammetje.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Of 'n varkensrib,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;dat mot je ook niet
+uitvlakke, dat ruikt heerlijk, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander,
+en zien af en toe den koopman aan, die van den een
+naar den ander kijkt, en eindelijk uitroept: &bdquo;toe maag,
+<span class="pagenum" title="6">&nbsp;</span><a id="p_6"></a>hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse ze
+stout binne.&mdash;M voo' mijn pagt za je 't niet ghuike,
+of je za 't magge ete ook. En ga nou 's v' me
+vwage of je mevwouw geen bwommetje mot hebbe, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;dat kan 'k niet doen, da' 's
+mijn werk niet; ik ben alleenig voor de pot.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;N,&rdquo; zegt de koopman, den rozenstruik voor zich
+uithoudende, &bdquo;da's ommes ook 'n pot.&mdash;Doe je 't niet?
+Jij dan?&rdquo; vraagt hij aan Keetje,&mdash;&bdquo;'k het 'n ghoot
+huishouwe, denk 'e om.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zou 'k nou wel voor je wille doen,&rdquo; zegt Keetje,
+&bdquo;maar daar hoef 'k niet mee an te komme, want an
+de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo graag wat
+verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan
+neemt me kameraad dat andere potje wel. Doe je 't
+Griet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Alla!&rdquo; zegt Grietje, met de hand in den zak naar
+haar knip zoekende, &bdquo;'n mens mot ook 's wat voor 'n
+ander doen. Ziedaar,&rdquo; en zij reikt den koopman twee
+dubbeltjes over&mdash;want een keukenmeid heeft altijd
+en een werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet
+zij haar kameraad de twee stuivers voor, &bdquo;daar is je
+geld. Maar nou niet terugkomme hoor,&mdash;'n Zaterdag
+of zoo.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zegt Keetje, &bdquo;want dan houwe we groote
+verschoondag, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Schoon za' je bwijve kind,&rdquo; zegt de koopman, de
+stoep af gaande, &bdquo;'t zou jamme' weze as je 'n vwakkie
+kreeg.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze-eg!&rdquo; roept Evert uit, &bdquo;jij hoeft hier niet de blikke
+domin uit te bange, hoor je!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Laat 'm maar gaan,&rdquo; zegt Keetje, &bdquo;want gelijk het
+<span class="pagenum" title="7">&nbsp;</span><a id="p_7"></a>ie.&mdash;Wil jij nou ook liever dat roosie hebbe?&rdquo; vraagt
+zij aan haar kameraad, &bdquo;dan geef mijn dat andere
+dingie maar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee meid,&rdquo; antwoordt Grietje, &bdquo;dit ruikt immers
+ook goed!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat doet 't,&rdquo; bevestigt Evert. &bdquo;Hoe zei ie ook weer,
+dat 't hiet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Weet je dat niet?&rdquo; vraagt Grietje, &bdquo;en 'k dacht nog
+al, dat jij uit Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje
+met &bdquo;ghesida&rdquo;<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> zegt zij, den koopman nadoende. &bdquo;Wou
+je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r nog
+geen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ikke geen meissie!&rdquo; roept Evert uit; &bdquo;alle Zondagge
+'n ander, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat binne d'r een en vijftig te veel,&rdquo; beweert
+Grietje.&mdash;&bdquo;Maar jij bent er ook net zoo een, om 'n echte
+vrouwegek te weze, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou,&rdquo; zegt Evert, <ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>'t zou ook al heel beroerd met
+me zijn, as 'k niet van 'n aardig snoetje hieuw. Wat
+zeg jij nou, zus?&rdquo; vraagt hij aan Keetje.</p>
+
+<p>&bdquo;Ikke zeg niks,&rdquo; antwoordt zij. <ins class="corr" id="corr5" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>&bdquo;As jij je mond
+houwt,<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> zeit me moeder, <ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>dan kan 'n ander de zijne niet
+over je ope doen.&rdquo; En daar gedraag 'k me eige na; is
+'t niet waar, Griet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordt Grietje, &bdquo;van 's aves ellefe tot
+'smorreges zevene, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!&rdquo; verzekert
+Evert.&mdash;<ins class="corr" id="corr8" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>&bdquo;Nee,<ins class="corr" id="corr9" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> zeit me moeder,
+<ins class="corr" id="corr10" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>zoo as jij toch ook
+slape kan&mdash;da's gerust 'n mirakel; daar slijt om zoo
+te zegge 't beddegoed van.&rdquo;<ins class="corr" id="corr11" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche,
+h?&rdquo; vraagt Keetje.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="8">&nbsp;</span><a id="p_8"></a></p>
+
+<p>&bdquo;As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk
+doet, dan wor 'k nooit meer wakker,&rdquo; beweert Evert.
+&bdquo;Zeg eris,&rdquo; roept hij uit, in de gang kijkende, &bdquo;juilie
+gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of zoo?&mdash;daar
+legge wel 'n pak of tien op de bank.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Da's voor 'n Zaterdag,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;dan hebbe we
+hier din.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Din?&rdquo; vraagt Evert. &bdquo;Ete jullie dan alle dage
+nog niet lekker genoeg?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Alle dage lekker,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;maar as we din
+hebbe, dan ete we fijn.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoort eris,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;as 'k ooit 'n kosthuis
+zoek, dan zal 'k om juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat
+'t me hier best zou bevalle. 't Lijkt hier de restoratie
+van Van Laar wel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Van Laar,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;die mag de oestertjes
+levere, want daar beginne we mee: 'n oestertje met 'n
+glaasie sampagne. &bdquo;Dat zet de maag in ze fatsoen, daar
+wort ie graag van,&rdquo; zeit meneer.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;dan is 't maar goed, dat ik 't
+alle dage niet krijg, want mijn maag het toch al zoo'n
+fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de leest geslagen is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle,&rdquo; verzekert
+Grietje, &bdquo;want er valt heel wat te smikkele.
+Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan krijgen we
+twee soepies.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och ga weg!&rdquo; roept Evert uit. &bdquo;Twee keer soep!...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Daar mag je uit kieze,&rdquo; zegt Keetje. <ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Ik kom achter
+je, en vraag wat uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep
+of 'n bordje witte ragoe.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En onderwijl,&rdquo; zegt Grietje, &bdquo;schenkt de knecht je
+'n glaasie serry in.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="9">&nbsp;</span><a id="p_9"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Die kon wel achter me blijve staan,&rdquo; meent Evert.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee,&rdquo; zegt Keetje, &bdquo;da' 's nerges voor noodig,
+want iedere keer krijg je weer 'n andere soort wijn;
+en bovendien staat er naast je bord nog 'n kraf vol.<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Dat zou niet lang dure,&rdquo; verzekert Evert.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat denk ik ook niet,&rdquo; zegt Grietje, <ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>en daar mag
+je dan 'n glaasie uit neme, as je na de soep 'n pasteitje
+krijgt, want daarna krijg je 'n stukkie versche zalm,
+met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar schenkt
+de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld,&rdquo; zegt Keetje,
+&bdquo;dan begin je om zoo te zegge pas.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; roept Evert uit, &bdquo;'k docht, dat we al aardig
+an de gang ware, h!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel,&rdquo; zegt Keetje, &bdquo;maar dan komt eigelijk pas
+wat ze &bdquo;sta-in-de-maag&rdquo; noeme: ossehaas met groente
+d'r om heen, kalfsvleesch met sper...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee hoor, nou is 't genoeg!<ins class="corr" id="corr15" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> roept Evert uit, naar zijn
+mand grijpende, &bdquo;da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe,
+maar om er nou alleenig van te motte hoore, da's al
+te arremoeig.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet
+eens lust?&rdquo; vraagt Grietje.</p>
+
+<p>&bdquo;Niet?&rdquo; vraagt Evert. &bdquo;Hei jij dan zoo'n beroerde
+maag?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gelukkig niet,&rdquo; antwoordt Grietje, &bdquo;maar 'k ben er
+vies van.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kom&rdquo;, zegt Evert,&mdash;&bdquo;vies...!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat ben 'k,&rdquo; bevestigt Grietje, &bdquo;en Kee ook. Is 't
+niet waar, meid?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ba,&rdquo; roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en
+haar hoofd afkeerende, &bdquo;dat vieze gedoe!&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="10">&nbsp;</span><a id="p_10"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Daar wor je ziek van,&rdquo; beweert Grietje. &bdquo;We zegge
+zoo dikkels tege mekaar,&mdash;is 't niet Kee&mdash;as de kok in
+de keuke bezig is: &bdquo;dat moste ze binne nou 's zien,
+hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen
+mond an.&rdquo;&mdash;Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt
+of ie is 'r met ze hande an geweest, maar met 't
+eigeste lepeltje proeft ie van alles; en as ie zoo gauw
+niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan
+kan ie 't met ze vinger ook wel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En as je dan binne bent om te diene,&rdquo; zegt Keetje,
+&bdquo;dan hoor je meneer tegen mevrouw van hier naast
+zegge: &bdquo;wel mevrouw, is dat nou geen lekker sausie?&rdquo;
+En dan zeit zij,&mdash;met 'n pracht van 'n diamante koljee
+om d'r magere, bloote hals: &bdquo;ja&rdquo;<ins class="corr" id="corr16" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins>&mdash;en Keetje trekt een
+allerliefst mondje&mdash;<ins class="corr" id="corr17" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>&bdquo;dat mo' 'k zegge, da' 's heusch
+delicieus!&rdquo;&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee hoor,&rdquo; zegt Evert, &bdquo;as 't z is, dan lust ik toch
+ook liever me moeders pot.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En daar doe je wijs an,&rdquo; verzekert Grietje. <ins class="corr" id="corr18" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Lekker
+ete is goed, maar zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor
+dit jaar is 't alweer 't laatste din, het mevrouw gezeid;
+want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na buite
+gaan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mooi zoo!&rdquo; roept Evert uit, &bdquo;dan z je me baas weer
+effe hoore moppere.&mdash;Gaan jelui al gauw?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zal geen zes weke meer dure,&rdquo; antwoordt Grietje.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar ik ga al gauwer,&rdquo; zegt Keetje.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo! wanneer ga jij dan?&rdquo; vraagt Evert.</p>
+
+<p>&bdquo;Van aved, hoor!&mdash;as 'k de voordeur achter me toe
+trek. En wanneer ga jij?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet,&rdquo; antwoordt
+Evert; &bdquo;me moeder wil de Blomstraat niet uit,
+<span class="pagenum" title="11">&nbsp;</span><a id="p_11"></a>en ik zie hier in Amsterdam&rdquo;&mdash;en hij knipoogt tegen
+Keetje&mdash;&bdquo;blommetjes genog.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;As dat dan waar is,&rdquo; zegt Keetje, &bdquo;dan ga ik met
+me blommetje maar gauw weg. 'k Sta hier maar te
+prate, asof 't vandaag geen kamerdag is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ik dan!&rdquo; roept Evert uit, de mand op zijn
+schouder zettende. <ins class="corr" id="corr19" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Ik mot al de klanten nog of.&mdash;Maar
+'t is juilie schuld; je hadt toch ommers wel daalijk
+kanne zegge, dat er niks te zegge was!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind,&rdquo; zegt
+Grietje. &bdquo;En daarom zegge ze dan ook:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">As Adam in 'n appel bijt,<br /></div>
+ <div class="i0">Ofschoon door Eva <i>niet</i> verleid,<br /></div>
+ <div class="i0">Dan weet ie 't toch z an te legge,<br /></div>
+ <div class="i0">Dat <i>zij</i> er 't loodje bij mot legge.<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En nou atjuus hoor,&rdquo; zegt zij, met een hoofdknik
+naar Evert. &bdquo;En droom van nacht 's van me. Zal je?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Hoop er om te denke,&rdquo; antwoordt Evert. &bdquo;Maar
+'k zal in alle geval an me moeder zegge, dat ze me
+mot wakker make as 'k 't vergeet.&mdash;Adie...!&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="12">&nbsp;</span><a id="p_12"></a></p>
+
+<h2><a id="Het_straatorgel">Het straatorgel.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie&mdash;zoo
+kom 'k an de kost, sedert me man van de steiger is
+gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf been het,&rdquo; zegt Bet
+Bos, bij de buren bekend als &bdquo;orgel-Bet&rdquo;. &bdquo;En je me
+nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da'
+'k op die manier door de tijd zou komme, dan is 't
+nee; want toe 'k me man trouwde&mdash;dat was toe 'k
+keukemeid was bij mevrouw Govers, op de Keizersgracht
+over de Westermart&mdash;'n goed mens daarvan
+niet, maar zij en d'r man konne niet overweg, en zoo
+was er dikkels ruzie, da' 'k wel gezien heb, dat de
+bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e
+dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet,
+om 't schandaal en de kindere, zei ze&mdash;toe <i>ik</i> me
+man trouwde,&rdquo; herhaalt Bet, diep adem halende, want
+de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht
+uit haar longen gedreven, &bdquo;toe was ie 'n boom van 'n
+kerel, en verdiende ie twaalf tot veertien gulde in de
+week.&mdash;Ja mens, zoo benne we begonne, knappies
+in de meubeltjes, want <i>hij</i> had 'n paar cente overgehouwe
+en <i>ik</i> had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies
+<span class="pagenum" title="13">&nbsp;</span><a id="p_13"></a>in de verdienste, want met musse-make verdiende 'k
+er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of 't zou
+wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag...
+daar brochte ze 'm t'huis! Heere! heere!&rdquo;&mdash;en Bet
+slaat haar handen in elkander&mdash;&bdquo;zoo goed als in stukke
+en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!&mdash;'k Zou
+wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de
+dokter; 't zou lang dure, en as 'k dat allemaal most
+betale...! Maar 'k wou er niet van hoore. &bdquo;Nee,&rdquo; zeg
+'k, &bdquo;daarvoor is niet getrouwd!&rdquo; En zoo hieuw 'k 'm in
+huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer
+kon scharrele, h' 'k menig stukkie motte wegbrenge
+om de dokter en de aptheker te betale, en begreep 'k
+wel, dat <i>ik</i> in 't vervolg de kost zou motte verdiene
+in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer
+in staat. Och ja,&rdquo;&mdash;en met beide handen strijkt Bet het
+haar aan haar voorhoofd glad&mdash;&bdquo;zoo is 't gegaan; en zoo
+is 't gekomme, da' 'k met 'n orgel loop. Maar 't het zoo
+motte weze, zalle we maar denke; en as je tegeswoordig
+op de een of andere manier an de kost komt, dan mag
+'n mens al blij weze, zeg 'k.&rdquo;</p>
+
+<p>En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze
+wederwaardigheden heeft medegedeeld aan een jufvrouw,
+in een achterbuurt wonende, en naar voren
+gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor
+de muziek te offeren, een praatje te maken, dan klotst
+zij het houten trapje van de voordeur naar de straat
+af, en als zij zich met haar orgel verwijdert, laat
+bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij
+onder het praten tusschen den band om haar lijf heeft
+gestoken, weer vallen, stroopt langzaam haar mouwen
+weer op, waarbij zij nu rechts dan links de straat op
+<span class="pagenum" title="14">&nbsp;</span><a id="p_14"></a>kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in,
+om tot haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud
+is geworden, en zij haar tijd derhalve verpraat heeft.</p>
+
+<p>En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht
+op, waar een aantal van haar vaste klantjes
+wonen.</p>
+
+<p>Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje,
+goed berekend voor haar beroep, dat een sterk gestel
+en meer spierkracht eischt, dan men, oppervlakkig
+beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het
+draaien van het orgel te kunnen aanwenden, want
+&bdquo;draaie en cente ophale, dat doen 'k zellevers,&rdquo; zegt
+ze, &bdquo;draaie om de haverderij, weet je, en cente ophale,&mdash;nou,
+dat begrijp je wel,&rdquo; heeft zij een zeventien- of
+achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder
+groot hoofd, met uitzondering van enkele lange, witblonde
+haren aan het achterhoofd, zoo kaal is als een
+spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en
+voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende,
+het gevaarte voortduwt. Maar niettegenstaande deze
+stuwende kracht, kost het ten gehoore brengen der
+verschillende nummers van het <i xml:lang="fr">rpertoire</i> Bet nog heel
+wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het
+draaien van tien of twaalf &bdquo;moppies,&rdquo; als er een
+ziek kind opgevroolijkt&mdash;of de pret in een bruiloft
+gehouden moet worden, &bdquo;'n heele karrewei.&rdquo; Want
+zoodra zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het
+wiel, waardoor aan dit prachtstuk van een instrument
+de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt haar geheele
+lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken,
+waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, &bdquo;zoo
+asse de gowwevies,&rdquo; zou Mozes zeggen, &bdquo;zoo asse de
+<span class="pagenum" title="15">&nbsp;</span><a id="p_15"></a>gowwevies kabbewe om 'n schip.&rdquo; Eerst draait zij een
+poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al
+draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links
+draaien de actie van haar bovenlijf,&mdash;door de ongemakkelijke
+houding die zij daarbij moet aannemen, eenigszins
+van het orgel af, en door het voortdurend heen en
+weer slingeren van haar rechterarm,&mdash;niet weinig
+verhoogt. Door haar kleine gestalte moet zij bovendien,
+om het wiel geheel te kunnen ronddraaien, zich onophoudelijk
+op haar teenen verheffen, waardoor telkens
+zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen
+<i xml:lang="fr"> jour</i> zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat
+een zucht haar ontsnapt, als de laatste tonen van het
+lieflijke: &bdquo;Daisy, Daisy!&rdquo; zijn weggestorven, en dat zij
+eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van al die
+bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren
+moet trekken, voordat zij de koperen lip, aan den
+zijkant van het orgel aangebracht, verschuift en vastzet,
+en van haar programma, dat bijzonder rijk aan afwisseling
+is, het tweede nummer: <i xml:lang="fr">la dernire pense</i> van
+Weber, doet hooren.</p>
+
+<p>Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit &bdquo;'r doppe,&rdquo; en
+een haar toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra
+zij dan ook bemerkt, dat er een venster wordt opengeschoven,
+laat zij haar orgel in den steek, waardoor
+de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk
+gehuil&mdash;veroorzaakt door het nog even en langzaam
+doorloopen van het wiel,&mdash;wordt onderbroken, en
+terwijl zij, om de een of andere geheimzinnige reden,
+haar rokken niet van voren maar van achteren ophoudt,
+draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met
+het bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping
+<span class="pagenum" title="16">&nbsp;</span><a id="p_16"></a>hangende, haar een cent, in een papiertje gewikkeld,
+toewerpt, die door Bet in haar wijd uitgehouden boezelaar
+wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel
+terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke
+wijze onderbroken, &bdquo;ofdraait&rdquo;.</p>
+
+<p>Haar orgel, waarop in goud het woord: &bdquo;orchestrion&rdquo;
+prijkt, is zeker een van de mooiste, die in Amsterdam
+worden aangetroffen, wat niet weinig zegt, als men het
+groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad aanwezig,
+in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan
+zijn drie poppen aangebracht: een in het midden en een
+aan iederen kant. Die aan weerszijden zijn gekleed als
+pages, de eene in het rood en de andere in het groen,
+terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud.
+Op het hoofd dragen beiden een baret, versierd met
+groene en gele veeren, en ieder houdt in de linkerhand
+een triangel, waarop zij, met een ijzeren staafje in de
+andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder
+los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk,
+vooral als zij het te gelijk doen, een verrassend effect
+maakt, en zijn uitwerking op de omstanders dan ook
+nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen
+elkander aanzien, en het &bdquo;gut!&rdquo; waarmede de vrouwen
+haar bewondering te kennen geven. De pop in het
+midden, blootshoofds, met een hooge pikzwarte kuif,
+een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den
+mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest,
+witte das en <i xml:lang="fr">gris-perle</i> handschoenen, en slaat, een
+dirigeerstok in de hand houdende, en zijn beide armen
+bevallig op en neer bewegende, de maat. Bovendien
+bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn
+hoofd naar rechts en naar links te kunnen bewegen,
+<span class="pagenum" title="17">&nbsp;</span><a id="p_17"></a>en als hij, dit doende, een der beide andere poppen
+aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent
+te zien, die zich naar een deel der executanten richt,
+op het oogenblik dat hunne instrumenten moeten
+invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd, als hij zich,
+met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen
+ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige
+oogenblikken, met ongelooflijke snelheid, blijft schudden,
+waardoor het den schijn heeft alsof hij, ook weer als
+een orchest-dirigent op een repetitie, ontevreden is,
+in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij
+uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening
+getuigenden glimlach op 's mans gelaat, en de
+zeldzame nauwkeurigheid waarmede de triangels op
+het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk,
+dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker
+der mechaniek gewilde beweging, maar dat de dirigent
+lijdende is aan een inwendige kwaal, waarvan een
+straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te
+hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen
+hij, heengaande, uitriep: &bdquo;je bent slap in je kop, knul,
+slap in je kop!&rdquo;</p>
+
+<p>De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs
+orgeldraaiers hebben er onder te lijden, maar waar is,
+dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed daggeldje t'huis
+brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen
+tegenover haar collega's laat verleiden.</p>
+
+<p>&bdquo;A's 'k weet,&rdquo; zegt ze, &bdquo;dat Manus van Zeggere,
+Woensdag en Zaterdag, om tien uur, op de Lauriergracht
+komt draaie, dan maak <i>ik</i> niet, da' 'k er kwart voor
+tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet
+Dons mijn laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te
+<span class="pagenum" title="18">&nbsp;</span><a id="p_18"></a>doen, zooas Dirk Muis laast deej, me zegge, toe 'k de
+Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da' 'k daar
+die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en
+'n poosie later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist,
+dat 't zand 'r niet lag om 'n zieke, maar omdat de
+straat pas gemaakt was&mdash;zoo'n stiekemert! dat doen
+<i>ik</i> niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat
+gaan, maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te
+draaie in 'n straat, waar ik ook mot weze, dan laat 'k
+'m stil ze gang gaan, maar as ie twee moppies het
+gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan
+mot ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet
+doet, dan draai 'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies
+zien, dat ie z hard tege me op draait, dat er nog wat
+van 'm te hoore is.&rdquo; Door haar kolossaal instrument
+behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad
+de overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den
+gang is, geven haar collega's het gewoonlijk niet zoo
+spoedig op, en zoo valt wel eens een pianissimo van
+het orgel van Bet samen met een fortissimo van het
+vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende
+potpourri ontstaat, dat Bet, als zij ook maar eenigszins
+muzikaal ontwikkeld was, de vlag zou strijken, en aan
+haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer brengen.
+Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje
+in haar gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch
+uit Saul en het andere orgel het lied van den
+toreador uit Carmen doet hooren.</p>
+
+<p>Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet
+een onafgebroken strijd tegen de honden, niet omdat
+deze dieren het om de een of andere reden op haar
+persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk
+<span class="pagenum" title="19">&nbsp;</span><a id="p_19"></a>gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar
+orgel begeleiden. &bdquo;As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n
+lamme hond, die bij me orgel staat te sjanke, 'n doodschop,&rdquo;
+verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chri
+heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven
+lang een miserabele herinnering bewaard. En dat nog
+wel terwijl een hond een door en door muzikaal dier
+is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan
+hooren, zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd
+worden door de klanken, die onze ooren streelen, maar
+deze meening is volstrekt onjuist, om de eenvoudige
+reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de
+tonen van het een of ander muziek-instrument tot hem
+doordringen. Als hij geen muziek kon hooren zonder
+&bdquo;akelig&rdquo; te worden, dan zou hij natuurlijk onmiddellijk
+de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid
+in staat is. Maar dit doet hij nooit.&mdash;Integendeel!
+zoodra hij op zijn levenspad een muziek-instrument,
+bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan blijft hij, zoodra
+de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen
+draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen
+afstand verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat
+de geluiden, die hij aanheft, en die wij, de taal
+der honden niet kennende, huilen of janken noemen,
+moeten worden verklaard als een soort poging om mee
+te zingen of mee te neurin, althans als een openbaring
+van het genot, dat hij smaakt. Dat Bet ooit over het
+huilen der honden heeft nagedacht, is onwaarschijnlijk.
+&bdquo;As ie sjankt, dan mot ie weg,&rdquo; zegt ze, en nooit
+verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren
+aan het verstand te brengen, waartoe zij hun allerlei
+lagen legt en listen verzint. Is er een onbezonnen
+<span class="pagenum" title="20">&nbsp;</span><a id="p_20"></a>genoeg even vr haar orgel te gaan zitten, dan schopt
+zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door,
+haar slof naar zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid
+zich een oogenblik naast haar orgel neer te
+zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt hem
+in het oog, en als hij, al mee-neurind, zijn kop een
+weinig van haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en
+tracht hem haar doodschop toe te brengen. Een enkele
+maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier met een gil
+op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament
+tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de
+beenen, en rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij
+haar doel, dan heeft haar onverhoedsche uitval toch
+altijd dit resultaat, dat het beest zich half dood schrikt
+en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog
+voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop
+gekomen acht, door een natuurgenoot in zijn muzikale
+genoegens gestoord, en de wederzijdsche plichtplegingen
+vervullende, die deze dieren der schepping elkander
+bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af
+om buiten het bereik der orgeltonen en van de harde
+slof van Bet te komen.</p>
+
+<p>Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de
+politie in aanraking is geweest, zooals dat heet, wat
+inderdaad lofwaardig is, als men bedenkt hoe gemakkelijk
+zij in haar beroep het een of andere voorschrift
+der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het
+verbod van op de kleine steentjes te rijden, een bepaling,
+die telkens aanleiding geeft tot onaangenaamheden
+tusschen haar en haar kogel-kalen assistent, met wiens
+verklaarbare voorliefde voor geffende wegen Bet, die
+bij eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen,
+<span class="pagenum" title="21">&nbsp;</span><a id="p_21"></a>zich volstrekt niet kan vereenigen. &bdquo;Smerisse,&rdquo; zegt ze,
+&bdquo;daar mot 'k niks van hebbe, en met 'n bout an me
+arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k
+de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage
+had&mdash;en dat zou zoo'n wonder niet weze&mdash;zoo'n
+doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme je
+mee!&rdquo; roept ze uit. &bdquo;As je, zonder erg, de een of andere
+straat van de verkeerde kant bent ingereje, en je het
+'t ongeluk 'n paar woorde tege te pruttele, as ze je
+bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan schrijve ze
+je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je <i>erg</i>
+bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n
+graggie met je om. Sekuur!&rdquo; roept zij uit, als haar
+toehoorder haar ongeloovig aankijkt, &bdquo;want toe Da
+Punt....&rdquo; en dan volgt het waarachtige verhaal van
+een van haar vriendinnen, die het om een kleinigheid
+met de politie aan den stok had gekregen, en in plaats
+van naar den politie-post aan de Raambarrire gebracht
+te worden, zooals volgens recht en billijkheid had
+moeten geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Danil-Meijerplein
+was gebracht. &bdquo;Nee, nee,&rdquo; zegt Bet,
+&bdquo;met de pelisie affetuur 'k niks, want <i>dat</i> wil 'k wel
+wete: ik het me tong <i>ook</i> tot me dienst.&rdquo; En zoo komt
+zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van
+straatmuziek in de hoofdstad verordend zijn, van welke
+voor haar zeker de meest bezwarende is, dat zij geen
+muziek mag maken voordat de zon een half uur lang
+aan den hemel heeft gestaan, en niet <i>meer</i>, als het een
+half uur is geleden dat hoogstdezelve zich verwijderd
+heeft, want daardoor heeft zij in de hondsdagen, in
+plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd.
+Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige
+<span class="pagenum" title="22">&nbsp;</span><a id="p_22"></a>wijken, en tegen het vallen van den avond treft men
+haar aan in de achterbuurten, waar de meesterstukken,
+die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden gewaardeerd.</p>
+
+<p>Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun
+woningen van den heerlijken zomeravond en van de
+orgeltonen genieten, dan gebeurt het nog wel eens dat
+Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met andere
+woorden, dat er in een ommezientje een straatbal
+wordt geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk
+worden toegeschreven aan een halfbeschonken kerel,
+die in zijn eentje, de armen wijd van het lijf, het
+hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het
+eene been op het andere springt, en al springende
+ronddraait. En na deze miserabele <i xml:lang="fr">entrechat</i> begint het
+bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door
+dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het
+volstrekt geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek
+worde uitgevoerd. Een <i xml:lang="fr">marche-funbre</i> van Beethoven
+of Chopin kan even goed dienst doen als een wals van
+Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun is
+voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die
+men in achterbuurten dansen noemt, en die bestaan
+in het uitvoeren van eenige passen, nu eens wat sneller
+dan weer wat langzamer, al naar de maat der muziek,
+en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste
+bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk
+nooit zoo treffend op den voorgrond treden, uit het
+oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra de danslustige
+dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken
+zin <i xml:lang="fr">nez nez</i> staan&mdash;liefst op de kleine steentjes,
+maar op de keien gaat het ook wel&mdash;maken zij,
+<span class="pagenum" title="23">&nbsp;</span><a id="p_23"></a>onder het voortdurend op en neer bewegen van de
+uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen
+de linker van de andere) eenige afgemeten, schuivende
+voetbewegingen, eerst op de plaats waar zij beginnen,
+dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar
+links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien
+zij, plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande
+heeft moeten dienen om dit doel te bereiken, eenige
+malen om elkander heen, waarna zij onmiddellijk weer
+van voren af beginnen en volhouden, totdat een der
+dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren
+weer op te steken, of een van haar schoenen, die wat
+wijd en daardoor half van den voet gegleden is, weer
+aan te trekken.</p>
+
+<p>Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of
+polonaise, de verschillende bewegingen voorgeschreven,
+maar alles is overgelaten aan eigen fantasie, en zoo
+gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand een
+wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en
+vriendinnen om een paar danseressen, die door verrassende
+wendingen en bijzonder sierlijke bewegingen
+de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den
+prikkel der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat
+bedoelde familieleden, door met de hand aan de wang
+langzaam het hoofd te wiegen, of door korte uitroepen,
+haar verrukking te kennen geven over de ten toon
+gespreide bevalligheid.</p>
+
+<p>Voor Bet is zulk een straatbal&mdash;want de bewoners
+van achterbuurten zijn goedhartig en dus, zoo mogelijk,
+gul&mdash;een aardig buitenkansje, maar natuurlijk ook een
+vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook
+dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft
+<span class="pagenum" title="24">&nbsp;</span><a id="p_24"></a>en zij naar huis kan gaan. Maar als zij zulk een goeden
+dag gehad heeft, vergeet zij nooit, voordat zij haar
+woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek een
+pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen,
+waarmede zij, bij haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen
+jongen gelukkig maakt. Ze heeft er maar n, maar
+&bdquo;wat 'n hartepitje is ie, h?&rdquo; En als zij hem van den
+vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle
+vermoeienis vergeten en er in heel Amsterdam geen
+gelukkiger moeder te vinden.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="25">&nbsp;</span><a id="p_25"></a></p>
+
+<h2><a id="Eddy">Eddy.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>Ik wou, dat ik een portretje van hem had z als ik
+hem nu, in gedachte, voor mij zie: een jongen van
+zestien jaren, gekleed in een licht-grijs pak, met een
+viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met
+een fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende,
+kastanjebruine haar een veld-mutsje of zoo iets&mdash;donkerblauw,
+afgezet met wit&mdash;want hij is het een
+of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd
+de geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten
+minste het hoofddeksel daarvan. Hij heeft een open,
+prettig gezicht, met groote donkere oogen, een scherphoekigen
+neus, die hem in het geheel niet misstaat,
+maar wel een beetje een uitdrukking van
+&bdquo;<ins class="corr" id="corr20" title="Bron: ik-mag-er ook-wel-wezen">ik-mag-er-ook-wel-wezen</ins>&rdquo;
+aan zijn gezicht geeft, en de volle
+lippen sluiten zich over regelmatige, kleine tanden,
+die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk,
+dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding
+om te stoeien, iets waartoe ik mij slechts zelden laat
+verleiden, omdat het hem maar ophoudt en opwindt,
+waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.</p>
+
+<p>Z als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke
+<span class="pagenum" title="26">&nbsp;</span><a id="p_26"></a>malen tegenover mij gezeten, thans een zevental jaren
+geleden, en als ik dan naar het portret kijk, dat op
+mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen geleden
+door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen,
+dat de tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld
+tot de krachtige, mannelijke gestalte, waarvan dat
+portret een afbeeldsel is, en waarnaar ik kijk, niet
+zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit
+weer zal zien en zijn hand nog eens drukken zal.</p>
+
+<p>Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen
+wil, en dus eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen
+en hoe het kwam, dat wij elkander op onzen levensweg
+eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden hebben.</p>
+
+<p>Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik
+in mijn nieuwe woonplaats zou betrekken&mdash;want
+ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik het kamerleven
+op den duur te &bdquo;onhuiselijk&rdquo;&mdash;moest zooveel hersteld
+en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden
+gemoeid zouden zijn; en daar ik slechts eens, nu en
+dan tweemaal in de week in mijn nieuwe standplaats
+<i>moest</i> wezen, besloot ik kamers te huren in een nabijgelegen
+dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken
+en daar te vertoeven totdat mijn woning in orde zou
+zijn. 't Was winter, en zoo had ik de keus tusschen
+een aantal pensions, maar toen ik de gezellige benedensuite
+had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental
+jaren ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met
+haar had gesproken, kwam het mij voor, dat ik niet
+gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik de kamers
+huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op
+een Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar
+ik toen de eenige gast was.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="27">&nbsp;</span><a id="p_27"></a></p>
+
+<p>De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie
+nam van de personen bij wie ik inwoonde, noch zij
+van mij. Nu en dan bemerkte ik, dat Cor&mdash;zoo heette
+de zuster van Eddy&mdash;als zij binnen kwam, om het
+een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks
+naar mij keek, alsof zij zich wilde overtuigen met welk
+mensch zij nu eigenlijk te doen had, maar toen zij
+bemerkte, dat ik mij gedroeg z als dit aan een
+fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat
+niet minder fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen,
+en vroeg zij mij op een morgen&mdash;waarschijnlijk
+omdat zij mij nu wel wenschte te houden totdat ik
+naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken&mdash;of ik
+tevreden was, of dat ik in het vervolg het een of
+ander veranderd wilde hebben.</p>
+
+<p>Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had,
+en niets liever wenschte dan rustig te blijven waar ik
+was; en met haar pratende, vroeg ik wie die jongen
+was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of
+op zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich
+dicht slaande z, dat het huis er van dreunde en, met
+de klep van zijn pet op het achterhoofd, al dravende,
+zijn overjas aantrekkende.</p>
+
+<p>Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit
+zeggende, lichtte er iets in haar oogen, en kwam er
+een uitdrukking op haar gezicht, die dat van schoonheid
+misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is
+niet mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote
+donkere oogen staan te veel naar voren, en het zwarte,
+kroezende haar is grof en zonder glans; maar nu zij
+over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het
+zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="28">&nbsp;</span><a id="p_28"></a></p>
+
+<p>Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.</p>
+
+<p>&bdquo;Welzeker niet,&rdquo; antwoord ik. &bdquo;'t Is, helaas! al heel
+lang geleden, maar ik herinner mij nog best, dat ik op
+zijn leeftijd even &bdquo;stormachtig&rdquo; was als hij. Gaat hij
+nog op school, of...?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en
+weer naar stad.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En leert hij goed?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan
+ook ieder jaar gelukkig nog over gegaan, maar hij is
+speelziek en loopt nog al dikwijls van zijn werk af.
+Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het
+eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar
+zijn rapporten zijn dit jaar niet mooi, en het laatste
+was slecht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En wat moet hij worden?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik hoop,&rdquo; antwoordt Cor, met een blosje, dat van
+haar bescheidenheid getuigt, &bdquo;dat hij dokter zal worden,
+dokter bij de marine.&rdquo; En aangemoedigd door mijn
+belangstelling vertelt zij nu: &bdquo;Eenige jaren geleden
+stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes
+kinderen, die zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste
+en ik, de oudste, alleen in leven gebleven; en toen we
+nu samen in de wereld stonden, zonder iemand te
+hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot
+ik dit huis te huren, en er een pension in te openen.
+'t Was een waagstuk, want ik was toen nog wel wat
+jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig,
+'t ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en
+zoo had ik iederen zomer het huis vol log's. Intusschen,
+had Eddy de lagere school doorloopen, en moesten we
+beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't Ontbrak me
+<span class="pagenum" title="29">&nbsp;</span><a id="p_29"></a>natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor
+dat het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld
+te laten verdienen. We hadden geen fortuin, zei men,
+er kwamen hier telkens meer pensions bij, en als ik
+eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar
+Eddy wou studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde
+zijn toekomst natuurlijk veel meer dan wanneer hij
+voor de eene of andere mindere betrekking werd opgeleid,
+of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld
+betrof, kon ik hem zonder eenig bezwaar op het
+Gymnasium laten gaan; en als hij dan later spoorstudent
+werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als
+het mij niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om
+dokter te worden, wat hij wenschte. Zoo kon het; en
+toen ik Eddy ernstig onder het oog had gebracht, dat
+ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem
+niet de middelen kon verschaffen om pret te maken,
+zooals andere studenten dat doen, en hij gezegd had
+dat ook niet te verlangen, toen vond ik het beter te
+vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn
+toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden,
+waarvan misschien niet een zou gebeuren. En
+zoo,&rdquo; zegt Cor, met een glimlachje, &bdquo;ben ik overgegaan
+tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet minder
+hartelijk hoop dat het mij zal gelukken.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij
+daarbij toch iets over het hoofd had gezien.</p>
+
+<p>&bdquo;En dat is?&rdquo; vroeg zij, een beetje ongerust.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt
+gedacht,&rdquo; antwoordde ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Niet om mezelf?&rdquo; vroeg zij verbaasd.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij
+<span class="pagenum" title="30">&nbsp;</span><a id="p_30"></a>zeker nog zes of zeven jaren studeeren, en moet ge
+dus ook al dien tijd voor hem zorgen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O,&rdquo; zei zij met een glimlach, &bdquo;dat is geen bezwaar!
+Ik wil natuurlijk niets liever dan zijn toekomst verzekeren.
+Beter doel kan ik aan mijn leven niet geven.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van
+het leven verlangde, en of zij nog niet wat jong was
+om dat geheel aan haar broer te wijden, maar zij
+antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen
+tevreden was met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche
+bezigheden te doen.</p>
+
+<p>&bdquo;En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan,
+daarvan hebt ge nog geen berouw?&rdquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde zij beslist. &bdquo;Tot nog toe is hij
+ieder jaar overgegaan, en meer kan ik niet verlangen.
+Wel vind ik, dat hij, vooral in den laatsten tijd, erg
+onstuimig is en te veel pret maakt, maar hij is ook
+nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van
+'t Gymnasium, of &bdquo;'t hok,&rdquo; zooals hij zegt, af te komen,
+hem zal aansporen om deze laatste maanden nog eens
+flink te werken. En gelukkig was hij over zijn laatste
+rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan
+ook niet heel lang geduurd,&rdquo; voegde zij er met een
+glimlach bij.</p>
+
+<p>Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had
+gemaakt, maar dat ik dit eens zou doen, en dat ik,
+als het een beetje tusschen ons wou opschieten, wel
+eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten
+en hem aan te moedigen zijn best te doen.</p>
+
+<p>Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier
+doen, zei ze; en met een vriendelijk knikje ging zij
+de kamer uit.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="31">&nbsp;</span><a id="p_31"></a></p>
+
+<p>Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl
+ik achter in den tuin was, stormde Eddy, gevolgd
+door zijn hond, de keukendeur uit, rende ettelijke
+malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich
+eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen
+langs de leuning, het hoofd achterover, en de zijkant
+van zijn linkervoet op zijn rechter knie, ging ik,
+eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak
+hem aan.</p>
+
+<p>'t Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet
+op gesteld was kennis met mij te maken, maar toen
+ik een paar vriendelijke dingen had gezegd over zijn
+hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek,
+dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten
+van Homerus, Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend
+beschouwd van het standpunt van iemand, die hunne
+onvergankelijke geschriften in behoorlijk Nederlandsch
+moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was,
+dat zes jaren lang op een Gymnasium te gaan &bdquo;heel
+taai,&rdquo; en derhalve lang genoeg is; toen hij bemerkte,
+dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde, ontdooide
+hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging,
+over een uurtje met mij te gaan rijden, gereedelijk aan,
+iets wat hij waarschijnlijk niet gedaan zou hebben,
+geloof ik, als ik niet, rekening houdende met zijn jongens-schuwheid,
+hem eerst een beetje voor mij gewonnen
+had. Want uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig,
+maar met een vervelenden kerel&mdash;&bdquo;ajasses nee!&rdquo;</p>
+
+<p>Een poos later zaten we samen op de dogcart, en
+wegrijdende, keek ik glimlachend nog even om naar
+Cor, die voor het raam van mijn zitkamer stond, en
+die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="32">&nbsp;</span><a id="p_32"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof,&rdquo; zei ik tegen Eddy, &bdquo;dat je 'n beste zus
+hebt, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, hoor!&rdquo; antwoordde hij, met de oogen naar het
+paard, en voegde er zoo onmiddellijk bij: &bdquo;wat 'n mooi
+tuigie het ie op!&rdquo; dat hij het blijkbaar even natuurlijk
+vond een beste zus te hebben, als dat water koud en
+vuur heet is.</p>
+
+<p>Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet
+dit stormenderhand doen, of het zal hem nooit gelukken;
+en door met Eddy om te gaan alsof ik hem al jaren
+had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat
+ik belang stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij
+al heel spoedig vriendschap, en liep hij weldra even
+vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een log van
+zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vind, Eddy,&rdquo; zei ik op een avond, toen hij binnen
+kwam terwijl ik bezig was mijn wekelijksche rekening
+met zijn zuster te vereffenen, &bdquo;ik vind, dat het zijn
+nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal te
+strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient
+datzelfde met boeken en schriften te doen. Deze twee&mdash;en
+ik wijs naar een paar op tafel liggende, zeer beduimelde
+cahiers&mdash;heb ik hier een poosje geleden op
+de canap gevonden; dien Franschen lexicon en die
+Latijnsche grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald
+en een half uurtje geleden binnen gebracht, denkende
+dat die vieze dingen van mij waren, en....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Vieze dingen!&rdquo; roept Eddy uit, <ins class="corr" id="corr21" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins> een
+krijgshaftige houding aannemende.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu goed dan, <i>niet</i> vies, maar&mdash;ja kijk nu maar
+niet zoo woedend&mdash;in ieder geval behooren ze daar
+niet te liggen, en als je zoo goed wilt zijn even in de
+<span class="pagenum" title="33">&nbsp;</span><a id="p_33"></a>gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op
+de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ja,&rdquo; zegt Eddy, &bdquo;dat komt, omdat 'k dan hier,
+dan daar werk. Eerst he' 'k van middag op de trap
+gezeten; toe hier, omdat u toch uit was; toe in de
+stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten
+de boel op te redderen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden
+afdoende te zijn?&rdquo; vraag ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Of ie!&rdquo; beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige
+manier, begint te knipoogen en stilletjes voor
+zich heen te lachen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die
+manier nooit goed kan werken,&rdquo; zegt Cor, &bdquo;en dat hij
+veel beter zou doen als hij rustig op zijn kamertje
+bleef zitten.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En daarin hebt ge volkomen gelijk,&rdquo; stem ik toe.
+&bdquo;Hoe zoudt ge 't vinden, majoor&rdquo;&mdash;want sedert ik
+weet, dat hij lid is van de weerbaarheid, een instelling,
+die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls met de pupillenschool
+verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem
+een militairen rang toe te kennen&mdash;&bdquo;hoe zoudt ge 't
+vinden, als je in 't vervolg hier bij mij kwam zitten;
+als je boeken een vaste plaats kregen, daar op dat
+tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag-
+<ins class="corr" id="corr22" title="Bron: en en">en</ins> Zaterdag-middag hier kwam werken?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht,
+maar zij is verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt
+naar Eddy, die, met opgetrokken wenkbrauwen, een
+poosje naar mijn inktkoker staart, en dan opeens naar
+Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar
+denkende dat dit plan van haar afkomstig is.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="34">&nbsp;</span><a id="p_34"></a></p>
+
+<p>Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van
+gezegd te hebben, en als ik dit heb bevestigd, herhaal
+ik mijn voorstel, het aannemelijk makende door de
+belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid,
+en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje,
+iederen Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot
+vier uur behoorlijk heeft gewerkt.</p>
+
+<p>Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat
+ontfutselen, kijkt nog even voor zich, doet mij dan de
+zotte vraag: of ik er een eed op wil doen, dat ik mijn
+beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk
+bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het &bdquo;dan
+maar doen zal.&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst
+tegenover elkander, hij bezig een wiskundig vraagstuk
+op te lossen, en ik mij verdiepende in de vraag, of aan
+zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden
+toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er
+niet over behoefde te &bdquo;suffen&rdquo;, omdat het er toch niets
+toe deed of &bdquo;die stomme boer&rdquo; het kreeg of niet.</p>
+
+<p>Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte
+behoorlijk is nagekomen, en dat hij, van dien avond af,
+geregeld bij mij gezeten en al zijn huiswerk gemaakt
+heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge
+manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien
+wel eens een kwartier lang achter elkander gearbeid
+heeft, maar dat hij dit nooit een half uur lang heeft
+volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als hij
+zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het,
+dat hij eenige ontspanning absoluut noodig heeft; en
+zelfs als hij over zijn boeken gebogen zit en ik zie
+dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan nog
+<span class="pagenum" title="35">&nbsp;</span><a id="p_35"></a>maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden,
+trommelt met de vingers op de tafel, of hij neuriet de
+wijs van een liedje, waarvan hij dikwijls de laatste
+regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt. Als
+hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van
+een kiezer, die het &bdquo;ongeluk&rdquo; heeft geen &bdquo;klare&rdquo; te
+lusten&mdash;hetgeen trouwens niet verhindert, dat de
+ware &bdquo;kiezerspit&rdquo; in zijn <i xml:lang="en">body</i> zit&mdash;dan weet ik wel,
+dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het
+fijnste lid, door de kamer zullen daveren; en als ik
+de wijs herken van het &bdquo;moppie&rdquo;, waarin een doodelijk
+verliefd jongeling de hand vraagt van een weerbarstige
+juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige
+oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een
+miserabel, sopraanachtig geluid, de voor bedoelden
+jongeling hartbrekende woorden zal zingen:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,<br /></div>
+ <div class="i0">'t Zal nimmer zijn voor Amor's schicht.&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei
+buitensporigheden. Eerst kijkt hij in de vlam van de
+lamp, en als hij daardoor geen &bdquo;licht&rdquo; krijgt, gaat hij
+soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij
+naar mij, als ik hem even aankijk&mdash;iets waarvan ik
+natuurlijk niet de minste notitie neem&mdash;of hij trekt
+het tafelkleed over zijn hoofd, en blijft in deze egyptische
+duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt het
+wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de
+handen achter het hoofd, de oogen naar het plafond,
+nu het eene&mdash;dan het andere been, ook wel beide te
+gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische
+toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den
+<span class="pagenum" title="36">&nbsp;</span><a id="p_36"></a>vloer ligt, om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt
+wel, dat deze zonderlinge gedragingen de werking
+zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het gebeurt
+herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt,
+uitroepende: &bdquo;wacht 's effe, da' 's <i xml:lang="la">ablativus
+absolutus</i>!&rdquo; of: &bdquo;daar h' 'k 't! x&nbsp;+&nbsp;y, dat kan je
+immers ontbinden? Jawel. Zie je wel, zoo gaat 't!&rdquo;</p>
+
+<p>Als de vertaling af- of het algebrasch voorstel opgelost
+is, dan begint hij natuurlijk niet aan iets anders
+voordat hij zich eenige oogenblikken heeft verpoosd.
+De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met
+&bdquo;bevallige nonchalance,&rdquo; zooals hij zegt, op het tafeltje
+achter zich slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk
+van den eenen of anderen straatdeun aan. En waarom
+hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk een zielloos
+en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost
+raadsel voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent.
+Een enkele maal toch zingt hij een aardig liedje van
+een jongen, die buiten loopt te zingen, maar niet weet
+waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels
+herinner:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Maar 't was zoo heerlijk, buiten!<br /></div>
+ <div class="i0">'t Was alles: zonnestraal!<br /></div>
+ <div class="i0">En boven in de takken,<br /></div>
+ <div class="i0">daar zong een nachtegaal;<br /></div>
+ </div>
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">En alle bloemen bloeiden,<br /></div>
+ <div class="i0">en schitterden in 't rond;<br /></div>
+ <div class="i0">en als een bloem was 't kereltje,<br /></div>
+ <div class="i0">zoo frisch, en zoo gezond.<br /></div>
+ </div>
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">Zoo liep de jongen lustig,<br /></div>
+ <div class="i0">en zong zijn vroolijk lied.<br /></div>
+ <div class="i0">Maar waarom hij een liedje zong,<br /></div>
+ <div class="i0">dat wist het ventje niet.&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="37">&nbsp;</span><a id="p_37"></a></p>
+
+<p>En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal
+zulk een lied zingt hij wel twintigmaal:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Maar dat viel lang niet mee.<br /></div>
+ <div class="i0">Ze zei: &bdquo;wel jonge, nee,<br /></div>
+ <div class="i0">ik houw niet van tariteraraboumdi.&rdquo;&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En niet minder dikwijls:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Een jeugdig huw'lijkspaartje,<br /></div>
+ <div class="i0">Pas in den echt getreen,<br /></div>
+ <div class="i0">Gevoelde zich gelukkig,<br /></div>
+ <div class="i0">Nu 't eind'lijk was alleen.<br /></div>
+ <div class="i0">Maar daar komt plots'ling binnen<br /></div>
+ <div class="i0">De schoonmama&mdash;o, h!...&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk
+ook wel coupletten over, om te eindigen met de verrassende
+woorden:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,<br /></div>
+ <div class="i0">Van die lieve schoonmama.&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling
+geeft van het zeer onbehoorlijk gedrag van bedoelden
+schoonzoon bij de uitvaart zijner schoonmoeder.</p>
+
+<p>Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan
+vermaakt hij zich, tusschen de eene en de andere
+werkzaamheid, door in een almanakje na te kijken
+hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de
+Paaschvacantie&mdash;waarbij hij de meest onwaarschijnlijke
+mogelijkheden, waarom die eenige dagen vroeger dan
+gewoonlijk zal beginnen of een poosje langer dan anders
+zal duren, alleszins aannemelijk acht;&mdash;of hij haalt een
+doosje, waarin een naamstempeltje&mdash;een cadeau van
+Cor&mdash;uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke
+malen de kaften of de schutbladen van zijn boeken, of
+<span class="pagenum" title="38">&nbsp;</span><a id="p_38"></a>hij drukt, zonder dat ik het bemerk, het stempel op
+zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk,
+staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn
+naam, met dikke blauwe letters, midden op zijn voorhoofd
+staan. En als ik zeg: &bdquo;maar jongen, in 's hemels
+naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!&rdquo; dan
+antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die
+van mij heeft geleerd.</p>
+
+<p>Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn
+werk af, en dan gebeurt het bij hooge uitzondering,
+dat hij, rookende en bier drinkende&mdash;want als hij het
+laatst gebruikte boek dicht slaat, dan vraagt hij al
+waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is&mdash;rustig
+blijft zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar
+stemmen dat het mij niet in het hoofd is gekomen
+leeraar te worden; maar gewoonlijk springt hij
+uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk
+maakt, na dien tijd nog iets uit te voeren.</p>
+
+<p>Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn
+handen moest wasschen, en nadat ik dit voornemen
+uitbundig had toegejuicht, hem sarkastisch verzoekende
+de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij even
+later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op
+hem lette, nam hij, achter mij staande, op eens mijn
+hoofd tusschen zijn ingezeepte handen, vragende: of er
+nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor ik
+hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem
+eindelijk losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat <i>ik</i> toch
+in allen gevalle mijn neus en mond vol zeep had
+gehad. Een andere maal kwam hij, na de kamer uitgegaan
+te zijn, terug met een hoed van Cor op en een
+mantel van haar om. En terwijl hij een opgestoken
+<span class="pagenum" title="39">&nbsp;</span><a id="p_39"></a>parasol boven het hoofd hield, liep hij de kamer op en
+neer, zingende:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Eens liep een aardig meisje,<br /></div>
+ <div class="i0">al in den maneschijn.<br /></div>
+ <div class="i0">Zij had twee blauwe oogen,<br /></div>
+ <div class="i0">en voetjes&mdash;o zoo klein...!&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet,
+die ik ook wel eens in huis draag, van mijn hoofd,
+opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den maneschijn
+zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de
+kamer hield hij de parasol zorgvuldig in de richting
+van mijn hoofd, net zoo lang totdat ik aan de vertooning
+een eind maakte, door het &bdquo;aardige jonge meisje,&rdquo;
+niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet,
+met parasol en al de voordeur uit te gooien, met
+verzoek in den waarachtigen maneschijn te gaan wandelen,
+waarna ik de voordeur op het nachtslot deed.
+Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer
+in; want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk
+gesloten&mdash;door met aapachtige vlugheid bovenop de
+veranda te klimmen en een venster open te schuiven,
+is hij in een ommezien weer binnen.</p>
+
+<p>Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn
+aardigheden. Hij zegt, dat hij het &bdquo;onfatsoenlijk&rdquo; vindt,
+en biedt mij een dubbeltje aan, als hij er tien keer
+met een erwt op mag schieten. &bdquo;Dat zou zoo lekker
+gaan,&rdquo; zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande,
+voegt hij er bij: &bdquo;pats...!&rdquo; En als ik voor dit aanbod
+beleefdelijk bedank, dan tracht hij het aannemelijk te
+maken, door te zeggen: &bdquo;nou, <i>vijf</i> keer dan maar!&rdquo; En
+als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij,
+niet zonder moeite een verbaasd gezicht zettende:
+&bdquo;waarom niet?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="40">&nbsp;</span><a id="p_40"></a></p>
+
+<p>Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat
+ding van grijze zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in
+afwachting van den leeftijd, waarin ik met fatsoen een
+kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij daaronder allerlei
+voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een
+handschoen of een zakdoek, &bdquo;tegen de mot&rdquo;, zooals hij
+zegt, en als ik hem laat begaan dan maakt hij &bdquo;een
+Chineesie&rdquo; van mij, zooals hij dat noemt, door de weinige
+haren boven mijn voorhoofd in een fijn uitloopende
+punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij
+aanhitst, door naar mij te wijzen en &bdquo;kiesch! kiesch!&rdquo;
+te roepen, net zoolang totdat het beest begint te blaffen.</p>
+
+<p>En met dien hond, die den buitengewonen naam
+&bdquo;Pak 'm&rdquo; draagt, kan hij sollen, dat een mensch er
+zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige laat
+hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel
+weet hoe, het dier leeren &bdquo;zingen,&rdquo; hierin bestaande,
+dat het zacht jankende geluiden maakt, als Eddy, al
+neurind, eenige rhythmische bewegingen maakt met
+het hoofd; en als hij zegt: &bdquo;Pak 'm-snoet-vuil!&rdquo; dan
+strijkt het beest herhaaldelijk, eerst met den eenen-
+dan met den anderen voorpoot, op onbeholpen wijze
+langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze
+met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk
+is, dat hij het goede dier rook in de keel blaast als
+het gaapt, onder het zotte voorwendsel, dat Pak 'm
+moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden. En
+soms ook zet hij het beest tusschen zijn knien, neemt
+de voorpooten in zijn handen, en daarmede gesticuleerende,
+doet hij den eenen of anderen leeraar na. En
+als hij uitroept: &bdquo;ik zek oe, dat zal <i>niet</i> kebeuren!&rdquo;
+slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel,
+<span class="pagenum" title="41">&nbsp;</span><a id="p_41"></a>dat het beest zich losrukt en al jankende wegrent,
+waarop Eddy hem achterna holt, en door allerlei liefkoozingen,
+waarbij hij uitroept: &bdquo;hij is braaf, hoor! hij
+is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, h? ja, hoor!
+hij is een goeie hond!&rdquo; zijn wangedrag tracht goed te
+maken. En niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen,
+is het dier, dat hij soms ook met overdreven
+teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm nog
+grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af
+te slaan, en zou het stellig bewijzen zijn naam met
+eere te dragen, als het iemand in het hoofd mocht
+komen zijn baas aan te randen.</p>
+
+<p>Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij
+ons, en als het goede kind, blij om Eddy, dat hij met
+zijn werk klaar is, zich haast bier voor ons te halen,
+dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken
+en met haar te ravotten. En als zij met verwarde
+haren, dikwijls ook met Eddy's naam op haar beide
+wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu <i>asjeblieft</i>
+los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid
+haar toe te voegen: &bdquo;geef me dan een
+kwartje, dan laat ik je los.&rdquo; Natuurlijk kom ik
+<ins class="corr" id="corr23" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</ins>
+tusschen beide en ontzet Cor, waarbij ik Eddy
+zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen
+hij zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat
+ik afzetterij en &bdquo;handelsgeest&rdquo; met elkander verwar.</p>
+
+<p>Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te
+blijven, zwaarder beproeving is het voor hem Woensdags
+en Zaterdags eenige uren na den middag te
+arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar,
+en we hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig,
+vol heerlijke beloften van zomerweelde: bloemen,
+<span class="pagenum" title="42">&nbsp;</span><a id="p_42"></a>warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die eerste
+glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed
+onstuimig verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging,
+vrijheid en frissche lucht. Maar hij moet t'huis
+blijven en werken. En hij doet dit dan ook wel, maar
+met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn
+eer zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem
+allerlei afleiding doet zoeken, die voor zijn werk nu
+juist niet bijzonder dienstig is.</p>
+
+<p>Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst
+uit het hoofd leeren, waarvan hij beweert, dat
+die nog wel te leeren zouden zijn, als er niet zooveel
+&bdquo;verrekte&rdquo; uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te
+doen door den inhoud der <i xml:lang="fr">grammaire</i> als den tekst van
+een fransche opera te behandelen; en zoo staat hij
+midden in de kamer, met allerlei vreemdsoortige
+gebaren te zingen: &bdquo;<i xml:lang="fr">emploie&mdash;toujours&mdash;l'indicatif!</i>&rdquo;
+op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scne, op het
+tooneel, een rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven
+armen zou aanheffen: &bdquo;<i xml:lang="fr">pour toi&mdash;pour toi&mdash;mon
+me aim!</i>&rdquo;</p>
+
+<p>Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken,
+en als dat het geval is, dan is hij ongelukkig, want
+fantasie heeft hij weinig, en stellen vindt hij, om een
+uitdrukking van hem zelf te gebruiken, &bdquo;misselijk.&rdquo;
+Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen,
+en nadat hij geruimen tijd heeft geweifeld tusschen
+&bdquo;de mode,&rdquo; &bdquo;men moet het ijzer smeden als het heet
+is,&rdquo; en &bdquo;spaarzaamheid is nog geen gierigheid,&rdquo; waarbij
+hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen
+te zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit
+en zegt: &bdquo;nou, de mode dan maar!&rdquo; waarna hij een
+<span class="pagenum" title="43">&nbsp;</span><a id="p_43"></a>nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en opent.
+Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den
+rechterarm ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn
+linker bovenarm rusten, en den onderarm om het
+hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt met de
+vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na
+lang zoeken een enkel haartje gevonden heeft, mij
+mededeelt, dat hij waarschijnlijk een kolossaal zwaren
+baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend uit:
+&bdquo;wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?&rdquo;
+En als ik dan een enkele maal, medelijden met hem
+hebbende, besluit hem te dicteeren, en zeg: &bdquo;kom,
+schrijf dan maar op, sukkel!&rdquo; dan zit hij onmiddellijk
+recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: &bdquo;asjeblieft,
+collega!&rdquo; en voegt er onmiddellijk bij: &bdquo;maar nou niet
+zoo eeuwig lang!&rdquo; En als hij op die wijze eerder klaar
+is dan hij had durven hopen, dan springt hij op, en
+een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de lucht,
+weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij
+over een uurtje op de <span xml:lang="en">dogcart</span> zal zitten en misschien
+wel mag mennen.</p>
+
+<p>Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden,
+of liever: toen wij een uur lang samen geweest waren&mdash;want
+Eddy was buitensporig lastig, en zoo hadden wij
+eigenlijk niets uitgevoerd&mdash;maakte hij een stapeltje
+van zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen,
+een vriend van hem, ging; er in een adem
+bijvoegende&mdash;wel begrijpende, dat ik met dit voornemen
+niet bijzonder ingenomen zou zijn&mdash;dat hij toch bijna
+niets te doen had en dat beetje morgenochtend wel zou
+doen. Dan stond hij maar wat vroeger op, zei hij, en
+in den trein kon hij ook nog werken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="44">&nbsp;</span><a id="p_44"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zeg ik, &bdquo;in gezelschap van tien of twaalf andere
+jongens zal dat zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan&mdash;nu,
+dat moet je bed maar liever niet hooren, h?
+'t Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je werk
+maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele
+maanden en dan ben je voor goed van &bdquo;'t hok&rdquo; af, als
+je nu nog maar een poosje je best doet. En dat, jongen,
+is je plicht; van jou nog meer dan van een ander.
+Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet
+je vader of je moeder, maar je zuster. En Cor <i>hoeft</i>
+dat toch niet te doen, niet waar?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Cor doet dat graag voor me,&rdquo; zegt Eddy, &bdquo;en later
+zal ik haar alles teruggeven.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je
+verlangt. Wat ze wenscht, dat is je een positie in de
+wereld te verschaffen, veel ruimer en veel beter dan je,
+zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen. En
+als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt,
+dan kan je haar gelukkig maken door haar telkens te
+doen zien, dat je doet wat men in billijkheid van je
+kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben nog ieder jaar overgegaan,&rdquo; zegt Eddy.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu
+staat het eind-examen voor de deur, h? En moet je
+nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor te slagen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zal <i>toch</i> wel door dat examen komen,&rdquo; beweert hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten
+zult hebben als 't <i>niet</i> lukt, des te beter zal het zijn.
+En geloof je nu niet, kerel, dat je het niet voor jezelf
+zoudt kunnen verantwoorden, als je moest erkennen,
+dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten,
+om geen andere reden dan.... dat je er geen zin in
+<span class="pagenum" title="45">&nbsp;</span><a id="p_45"></a>hadt? Ja, h? Want als het eene vogeltje rondvliegt en
+zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan moet het
+andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat
+het nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje
+koesteren, zijn veertjes pluizen en.... en 'n beetje
+piepen, dat mag hij niet. En nu,&rdquo; zei ik opstaande, om
+Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid
+weer aan het werk te gaan, &bdquo;ga ik even mijn
+handen wasschen; ik beloof je, dat ik de zeep niet zal
+sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte handen
+terugkomen.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een
+kier van de schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam
+heen en weer loopen, het hoofd voorover, de handen
+in de zakken, sissende tusschen de tanden, waarschijnlijk
+wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had voorgefloten.
+Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan,
+duwde die, door er herhaaldelijk met de knie tegen te
+stooten, op zijde, keek toen naar het stapeltje boeken,
+dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik tegen, zoodat
+er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken
+lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog
+een paar malen op en neer, maar opeens schudde hij
+even het hoofd, raapte alles haastig op, ging zitten en
+begon weer aan zijn werk&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>&bdquo;En nu moet u eens zien,&rdquo; zei Cor eenigen tijd later,
+en vertoonde mij, met een gelukkig gezicht, Eddy's
+rapport.</p>
+
+<p>'t Was goed; <i>veel</i> beter dan het vorige, en de rector
+had er zelf onder geschreven, dat hij tevreden was.</p>
+
+<p>&bdquo;En wat zegt Eddy er wel van?&rdquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat het hem niet verwondert,&rdquo; antwoordde Cor
+<span class="pagenum" title="46">&nbsp;</span><a id="p_46"></a>lachende, &bdquo;omdat hij, zooals hij zegt, in de laatste
+maanden veel beter gewerkt heeft dan vroeger.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel,&rdquo; zei ik, &bdquo;logisch redeneeren&mdash;dat kan hij best.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben <i>heel</i> blij,&rdquo; zei Cor, en met een dankbaren
+blik keek het goede kind mij aan.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te
+hebben,&rdquo; verzekerde ik, &bdquo;en ik verheug mij van harte
+over dit succes. Maar nu moeten wij hem ook beloonen,
+en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem
+naar de duinen en naar de zee.&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag,
+en toen wij den volgenden avond weer tegenover elkander
+zaten, en ik hem vroeg of een gelukkig gezicht van Cor
+en een dag aan het strand geen betere dingen waren
+dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de
+narigheden daaraan verbonden, knipoogde hij even,
+glimlachte en zei, dat ik domin had moeten worden.</p>
+
+<p>Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige
+overtuiging twee vrienden meer in de wereld te hebben,
+en op een avond, toen ik in den tuin mijner woning
+van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een
+briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn
+examen was. Spoedig daarop ging ik op reis, en toen
+ik in het laatst van Augustus was teruggekeerd, vroeg
+ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan die
+uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover
+mij aan tafel.</p>
+
+<p>Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een
+beetje schuw, niet erg, maar nu wij elkander eenige
+maanden lang niet gezien hadden, en hij daarenboven
+niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje
+noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te
+<span class="pagenum" title="47">&nbsp;</span><a id="p_47"></a>behandelen juist zooals vroeger, look hij spoedig weer
+op, en was de oude vriendschap weldra volkomen
+tusschen ons hersteld.</p>
+
+<p>&bdquo;En wat zijn nu je plannen?&rdquo; vraag ik hem, als wij
+na het eten in den tuin een sigaar rooken; &bdquo;denk je
+lid van het corps te worden, of niet?&rdquo;</p>
+
+<p>Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd,
+maar ik weifelde die te doen, want met het
+oog op zijn omstandigheden en karakter geloof ik, dat
+het beter is als hij het niet doet. Maar ik begrijp
+natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij
+het zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet
+onmogelijk, dat Cor, zij het dan ook noode, haar toestemming
+zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig, dat hij
+het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft,
+maar heeft ingezien, dat hij het niet doen moest.</p>
+
+<p>Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan
+laat ik hem beloven, dat hij na ieder welgeslaagd
+examen bij mij zal komen om.... een glas bier te
+drinken en een sigaar te rooken.</p>
+
+<p>En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke
+tijd van voorbereiding verstreken was, kwam hij mij
+vertellen, dat hij een sport hooger was geklommen op
+de academische ladder, en eenige dagen geleden kwam
+hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid
+bij het Indisch leger, bloeiend van jeugd en
+gezondheid, vol blijden levenslust en ontwakende mannelijke
+kracht.</p>
+
+<p>En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk
+gelukt.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="48">&nbsp;</span><a id="p_48"></a></p>
+
+<h2><a id="Haar_brood">Haar brood.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>Zij was een dagelijksche verschijning. 's Morgens,
+kwart voor negenen, schelde zij aan en hield het ezeltje,
+dat het karretje trok, waarop zij schillen en anderen
+afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam altijd
+op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen
+zich aangewend niet eerder naar school te gaan, dan
+nadat Antje, zoo heette zij, had aangescheld. Als ik
+vroeg: &bdquo;Frits, jongen, moet je nog niet naar school?&rdquo;
+of: &bdquo;Karel, ventje, is het je tijd nog niet?&rdquo; dan was
+het antwoord: &bdquo;nee, pa, want Ant is er nog niet;&rdquo;
+maar zoodra een van de kinderen haar of haar ezeltje
+in het oog kreeg, dan riep hij: &bdquo;daar is Ant; Ant is
+er, hoor!&rdquo; en dan grepen allen naar boeken en tasschen
+en stormden de deur uit.</p>
+
+<p>Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een
+langen, zwarten, kaal-gedragen mantel droeg zij een
+japon, die vroeger waarschijnlijk bruin was geweest,
+maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had
+aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is.
+Haar hoofd was gehuld in een zwart wollen muts, onder
+de kin vastgestrikt, en hare handen waren gestoken in
+<span class="pagenum" title="49">&nbsp;</span><a id="p_49"></a>grijze wanten, die veel te wijd en daarom met bandjes
+om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was
+gebogen, haar gelaat, gebruind door weer en wind, was
+gerimpeld, en haar tandelooze mond was ingevallen,
+maar haar oude en vermoeide oogen hadden een bijzonder
+zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande,
+op schillen wachtte, en de kinderen haar met een:
+&bdquo;goeje morge, Ant; dag Ant!&rdquo; voorbij gingen, dan bewees
+de vriendelijkheid, waarmede zij hun groet beantwoordde,
+en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al
+het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar
+hart niet hadden verbitterd.</p>
+
+<p>Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het
+karretje trok, was oud. Reeds menig jaar had hij Antje
+op haar dagelijksche tochten vergezeld, maar altijd goed
+door haar verzorgd, was hij gezond en sterk gebleven,
+en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en
+kranig uit, voor zoover men dit tenminste van een
+ezeltje zeggen kan. Antje hield veel van hem, niet
+alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was,
+maar ook om hemzelf, &bdquo;want,&rdquo; zei zij, &bdquo;'t was 'n best
+ezeltje, nooit eigenzinnig en altijd gezond.&rdquo;</p>
+
+<p>Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als
+Antje een broodkorst in den afval vond, of iets anders,
+waarvan zij vermoedde dat hij het zou lusten, dan vergat
+zij nooit het vr hem op straat te werpen, waarop
+Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken
+te hebben, zijn kop boog, het van alle kanten besnuffelende,
+en eindelijk ophapte, als het tenminste van
+zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want
+doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger,
+maar slechts trek in wat lekkers, en wat Antje dacht
+<span class="pagenum" title="50">&nbsp;</span><a id="p_50"></a>dat een delicatesse voor hem zou zijn, bleek nog wel
+eens volstrekt niet in zijn &bdquo;smaak&rdquo; te vallen.</p>
+
+<p>Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk
+precies den weg, dien hij dagelijks moest afleggen en
+de woningen, waarvoor hij moest stilstaan. En als
+Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden
+geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans
+uit eigen beweging eenige stappen voort, maakte een
+wel wat overdreven grooten draai, en bleef daarna
+geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de
+schillen waren opgeladen, en Antje &bdquo;vort Hans!&rdquo; riep,
+waarop hij terstond aantrok en het karretje wegrolde.</p>
+
+<p>Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd,
+had Antje haar ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden
+vertrouwde gemaakt en, naast zijn kop
+gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles
+medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel,
+en hem al haar hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij
+zij hem van tijd tot tijd in den hals duwde, vooral
+als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het
+bijzonder wilde vestigen.</p>
+
+<p>Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat
+Hans te hooren kreeg. Toen de man van Antje ziek
+en bedlegerig was geworden, had zij haar ezeltje al
+haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst
+geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige
+jaren overleden was, had Hans al spoedig daarop de
+ongelukkige geschiedenis moeten aanhooren van de
+dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man,
+een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk
+haar en haar kind had verlaten, die daarop hun intrek
+bij Antje genomen hadden: de moeder ziek en ellendig
+<span class="pagenum" title="51">&nbsp;</span><a id="p_51"></a>van het leven, dat zij geleden had, maar haar jongen&mdash;frisch
+en gezond. &bdquo;Niet waar, Hans? frisch en gezond,
+dat is ie, dat harteboertje!&rdquo; had Antje haar ezeltje
+toegeduwd. &bdquo;Maar z'n vader, h! Och Heere, ja!
+Alweer de drank, h? Ja, jonge, dat is 't, de drank, die
+er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve
+had kanne hebbe. En zij ook; &bdquo;want als werkman is
+er geen beter,&rdquo; zeit z'n baas. En nou zwerft ie rond, en
+motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat,
+Goddank, h! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij!
+maar dat zal wel schikke, h! want heelemaal verlate,
+dat wordt 'n mens, die z'n plicht doet, nooit...&rdquo;</p>
+
+<p>Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van
+alle klanten waren opgehaald, kwamen Antje en Hans,
+die veel moeite had het karretje door de hoog liggende
+sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad,
+waar de schillen gebracht moesten worden, over den
+Brink, toen zij door een agent van politie werden
+aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel vasthoudende,
+tot Antje zei: &bdquo;da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't
+zie; twee keere h 'k 't door de vingers gezien, maar
+nou mot je mee na 't ber.&rdquo;</p>
+
+<p>Antje, die deze woorden met de grootste verbazing
+had aangehoord, keek den agent aan, alsof zij dacht,
+dat hij niet wel bij het hoofd was, en kwam eerst tot
+zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats
+op te houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk
+afdoende, om de rest van den dag genoegelijk in zijn
+stalletje te slijten, een zoo krachtige poging aanwendde
+om het karretje voort te trekken, dat de man der wet,
+zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.</p>
+
+<p>&bdquo;Ho, Hans, ho!&rdquo; riep Antje uit, het ezeltje op den
+<span class="pagenum" title="52">&nbsp;</span><a id="p_52"></a>hals kloppende; en zich tot den agent keerende, vroeg
+zij: &bdquo;wat zeg je, mot 'k mee na 't ber?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel wis,&rdquo; antwoordde de agent met een straffen
+blik, &bdquo;ik zeg je ommers, dat 't nou al de derde keer
+is, en da's genoeg zou 'k denke!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;De derde keer, wat derde keer?&rdquo; vroeg Antje, den
+man met groote oogen aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar mens!&mdash;dat je schille ophaalt!&rdquo; antwoordde
+de agent, met een hoofdbeweging naar het karretje.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ja,&rdquo; zei Antje, &bdquo;dat doe 'k alle dage, hoor! Wat
+zou dat?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar dat mag je niet doen!&rdquo; riep de agent uit.
+&bdquo;Wist je dat dan niet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale?
+Menslief, droom je, of hoe h' 'k 't nou met je?&rdquo; vroeg
+Antje, den agent ongeloovig aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;Droome,&rdquo; antwoordde de agent, <ins class="corr" id="corr24" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>dat doe 'k in bed,
+en hoe je 't met me het, dat weet 'k niet, maar schille
+vervoere, dat mag je alleen maar doen vr 's morgens
+acht uur.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kom&rdquo;, zei Antje, &bdquo;nou nog mooier! wie zou dat
+verbieje?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over
+te zegge het,&rdquo; antwoordde de agent, &bdquo;maar 't <i>mag</i> niet.
+En ga nou maar mee na 't ber, dan kan je 't van de
+commissaris zelfs hoore.&rdquo;</p>
+
+<p>Antje keek even naar den grond, schudde langzaam
+het hoofd, maar begrijpende, dat er niets aan te doen
+was, en wenschende te weten wat er waar was van
+hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning
+ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den
+teugel, en riep met een zucht: &bdquo;Vort, Hans, vort jonge!&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="53">&nbsp;</span><a id="p_53"></a></p>
+
+<p>'t Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand
+te brengen, dat hij dien morgen een anderen weg
+moest volgen dan anders, en herhaaldelijk gaf hij, door
+opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen
+ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de
+buitengewone verlenging zijner morgenwandeling, maar
+eindelijk, vooral toen de agent er zich niet meer mee
+bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet verdragen
+wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte
+voor het politie-bureau gekomen waren, gingen Antje
+en de agent naar boven en kwam er, om op Hans te
+passen, een andere agent buiten, bij wiens verschijning
+het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief,
+tot groote pret van eenige straatjongens, die een
+aantal geestige opmerkingen maakten over de krassende
+geluiden, die Hans maakte, in verband met de komst
+van den agent.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel Kloek,&rdquo; vroeg de commissaris, toen Antje en
+haar geleider voor hem stonden, &bdquo;wat is er, wat heeft
+dat vrouwtje gedaan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Afval van eetware vervoerd n bezette tijd,
+U-gestrenge,&rdquo; antwoordde de agent, de hand aan
+het hoofd brengende, &bdquo;al drie dage achter mekaar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar dat mag je niet doen vrouwtje!&rdquo; zei de commissaris.
+&bdquo;Na 's morgens acht uur is dat verboden, en
+mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je moet
+dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je
+karretje van de straat bent.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar me lieve meneer,&rdquo; zei Antje, &bdquo;as 'k 's morges
+vr acht uur me schilletjes mot hale, dan krijg 'k er
+geen een. Vr half acht hoef 'k bij de rijkdom niet
+an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers
+<span class="pagenum" title="54">&nbsp;</span><a id="p_54"></a>me klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de Commissaris schouderophalend,
+&bdquo;daarmee heb 'k niet te maken. Ik moet alleen zorgen,
+dat de verordeningen worden nageleefd; en als je nu
+niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren.
+Ik zal 't nu nog <i>eens</i> door de vingers zien, maar Kloek,
+je hoort 't, als ze nu weer n acht uur schillen vervoert,
+dan moet je proces-verbaal tegen haar opmaken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Zal gebeure, U-gestrenge,&rdquo; antwoordde de agent,
+andermaal de hand aan het hoofd brengende.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar meneer,&rdquo; zei Antje, &bdquo;'t is me brood! wat mot
+'k beginne, as 'k geen schilletjes meer mag ophale?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee
+te maken heb,&rdquo; antwoordde de Commissaris. &bdquo;Wees nu
+verstandig en zie, dat je wat anders bij de hand neemt.
+En nu, goeden dag, hoor!&rdquo; En terwijl hij zich weer
+verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel
+lagen, ging Antje heen, mompelend: &bdquo;z verstandig
+zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe 'k op 'n andere
+menier an de kost mot komme. Maar&rdquo;&mdash;en langzaam
+de trap af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd&mdash;&bdquo;ik
+laat 't er niet bij, dat doen 'k niet!&rdquo;</p>
+
+<p>Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins,
+naast den kop van Hans, die zich haastte zijn
+gewonen weg weer op te zoeken, maar toen zij buiten
+de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende,
+Hans een paar krachtige duwen in den hals
+en riep zij uit: &bdquo;ik heb 't Hans, ik heb 't!&rdquo;</p>
+
+<p>Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht
+en van het noodige voorzien was, knapte Antje zich
+wat op en, na een linnen zakje met eenig geld daarin
+uit haar chiffonnire genomen en bij zich gestoken te
+<span class="pagenum" title="55">&nbsp;</span><a id="p_55"></a>hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een
+advocaat, bij wien haar dochter voor haar ongelukkig,
+huwelijk had gediend.&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de
+huisknecht, maar als zij wou wachten....</p>
+
+<p>&bdquo;Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd,&rdquo; antwoordde
+Antje. En zoo stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te
+wachten op de vloermat bij de voordeur, in de breede,
+marmeren gang, met haar beelden, vazen en planten,
+en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest
+wezen, om zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij
+eindelijk werd binnen gelaten in de ruime kamer,
+waarin de advocaat zich bevond, en zij, het armoedige
+vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling
+opleverde met de weelderige inrichting van het
+hooge vertrek, ouderwetsch en deftig door het geschilderde
+behangsel en de gebeeldhouwde meubelen, het
+dikke tapijt en de zware draperien.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel, vrouwtje,&rdquo; zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid
+in zijn hoog-gerugden stoel achterover leunende,
+de handen over het lijf gevouwen en het eene been
+over het andere geslagen, &bdquo;wat kan ik voor u doen?&rdquo;</p>
+
+<p>En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de
+moeder was van Jans, die er vijf jaren eerlijk had
+gediend, vertelde wat haar overkomen was en vroeg
+wat er aan te doen zou zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is juist wat ik heb voorspeld,&rdquo; zei Mr. Verdoorn,
+met een zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om
+elkander draaiende, &bdquo;juist wat ik heb voorspeld. Toen
+in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval van
+gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat
+men daardoor een aantal personen broodeloos zou maken.
+<span class="pagenum" title="56">&nbsp;</span><a id="p_56"></a>En toen, niettegenstaande dit bezwaar, dit zeer groote
+bezwaar,&rdquo; herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig
+gezicht, &bdquo;het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in
+overweging gegeven hun, die sedert eenige jaren afval
+ophaalden, te vergunnen daarmede voort te gaan. Maar
+ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles
+wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat
+het ophalen van afval, bij uitzondering, ook aan particulieren
+kan worden vergund. Die vergunning voor u
+aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik kan dus een vergunning krijgen?&rdquo; vroeg Antje,
+die, van al hetgeen zij had gehoord, niet veel meer dan
+het laatste had begrepen.</p>
+
+<p>&bdquo;Onmogelijk is 't niet,&rdquo; antwoordde Mr. Verdoorn,
+&bdquo;maar&rdquo;&mdash;en hij zette een bedenkelijk gezicht&mdash;&bdquo;zeker
+is 't evenmin.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och meneer, doe uw best voor me,&rdquo; vroeg Antje,
+&bdquo;doe uw best, want 't is me brood!&rdquo; en een paar dikke
+tranen kwamen in haar oude oogen te voorschijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik beloof u te zullen doen wat ik kan,&rdquo; antwoordde
+Mr. Verdoorn, &bdquo;en zoodra ik de beslissing heb, zal ik
+het u doen weten.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dank u, dank u!&rdquo; zei Antje; en het linnen zakje
+voor den dag halende, nam zij daaruit een aantal
+dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van Mr. Verdoorn
+begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te
+betalen.</p>
+
+<p>Maar de advocaat streek met een glimlach het geld
+van zich af, zeggende, dat hij gaarne zou doen, wat
+hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor geen geld
+wilde ontvangen.</p>
+
+<p>Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer
+<span class="pagenum" title="57">&nbsp;</span><a id="p_57"></a>weg, en met een koddig buiginkje verliet zij de kamer
+en weldra ook het huis van Mr. Verdoorn.</p>
+
+<p>Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die
+zij gevonden had, ging zij haar klanten rond, vertelde
+wat er gebeurd was, en vroeg hun, om niet door
+anderen &bdquo;onderkropen&rdquo; te worden, of zij, gedurende
+den tijd, waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar
+broodwinning uit te oefenen, de schillen slechts aan
+personen, die van stadswege daarom kwamen, wilden
+meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd
+hadden, ging zij naar huis, en afwachtende de dingen,
+die komen zouden, legde zij zichzelve en Hans een
+gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje zich
+bijzonder goed schikte.</p>
+
+<p>Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat
+Antje kwam opdagen, en reeds maakten wij ons ongerust,
+dat zij de vergunning niet had kunnen krijgen,
+toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en
+de kinderen, vroolijk en gezond, zich gereed maakten
+om naar school te gaan, Karel uitriep: &bdquo;Kijk's, kijk's,
+daar is Antje weer! daar staat ze te knikken en
+buiginkjes te maken.&rdquo;</p>
+
+<p>En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met
+zulk een gelukkig gezicht en zooveel zonneschijn in
+haar oogen, dat wij allen naar de voordeur gingen, haar
+gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat zij
+haar broodwinning had mogen behouden.</p>
+
+<p>En dankbaar was zij! &bdquo;Lieve harte,&rdquo; zei ze, &bdquo;wat in
+de wereld ha'k toch motte beginne as 'k geen schilletjes
+meer had magge ophalen? Dan was 'k natuurlijk an de
+diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef te
+trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik
+<span class="pagenum" title="58">&nbsp;</span><a id="p_58"></a>zoo blij as 'n kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo
+lang as onze Lieve Heer wil.&rdquo; En zij knikte ons toe,
+en wij haar, en opgewekt riep zij: &bdquo;Vort, Hans, vort
+jonge!&rdquo; En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder
+welgedaan uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.</p>
+
+<p>Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen,
+den agent van politie ziende, die haar zulke
+bange dagen had bezorgd, besloot zij haar rekening
+met de politie, die toch eens moest weten dat zij een
+vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en
+om de opmerkzaamheid van den agent te trekken, die
+met zijn rug naar haar toe stond, riep zij, iets wat zij
+anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem toeliet:
+&bdquo;schille, schille, wie het schille!&rdquo;</p>
+
+<p>Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek
+keerde zich terstond om, en Antje met haar karretje
+ziende, ging hij naar haar toe, en zei knorrig: &bdquo;ik
+merk 't al, je bent net as de rest, en je <i>wil</i> 't niet late.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan 'k niet, me goeje man,&rdquo; zei Antje hoofdschuddend;
+&bdquo;'t is me brood, zie je, en daarom mot 'k
+'t wel doen&mdash;vandaag, morge en altijd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is goed,&rdquo; antwoordde Kloek, &bdquo;maar je weet wat
+de Commissaris het gezeid, en je mot dus weer mee
+na 't ber. Maar 't zal er spanne, hoor je, 't zal spanne,
+dat zeg ik je!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Zal zoo'n vaart niet loope,&rdquo; meende Antje, 't zal
+nog wel schikke.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wor nou maar niet bertaal,&rdquo; waarschuwde Kloek,
+&bdquo;want dan maak je 't nog erger!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Menslief,&rdquo; zei Antje, &bdquo;daar denk 'k niet an.&rdquo; En
+Hans tegen den hals duwende, riep zij uit: &bdquo;Vort Hans,
+vort jonge, we gaan nog <i>eens</i> na de Commesaris.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="59">&nbsp;</span><a id="p_59"></a></p>
+
+<p>Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn
+gewone <i xml:lang="fr">route</i> een beetje had vergeten, stribbelde deze
+maal in het geheel niet tegen, en weldra stonden
+Antje en de agent weer voor den Commissaris.</p>
+
+<p>En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht
+toen Antje in het verhoor werd genomen. Maar, met
+gebogen hoofd voor hem staande, liet zij hem kalm
+uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom
+en woonplaats had opgegeven, vroeg zij: &bdquo;Meneer,
+toe u me laast het gezeid, da' 'k geen schilletjes mocht ophale&mdash;dat
+was toch niet de volle waarheid, was 't wel?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mensch,&rdquo; stoof de Commissaris op, &bdquo;wou je me in
+m'n gezicht zeggen, dat 'k lieg!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar me lieve meneer,&rdquo; zei Antje, &bdquo;dat wil 'k in
+'t geheel niet zegge; ik meen maar, dat 't niet de <i>heele</i>
+waarheid was; want 'k mag wel schilletjes ophale, as
+'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Die vergunning,&rdquo; zei de Commissaris boos, &bdquo;wordt
+nooit verleend, en 't was dus geheel onnoodig daarover
+te spreken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Antje, &bdquo;zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet
+krijge, maar 'k het er toch eentje.&rdquo; En nadat zij eenigen
+tijd, <ins class="corr" id="corr25" title="Bron: misschen">misschien</ins> iets langer dan bepaald noodzakelijk was,
+in de diepte van haar zak had rondgewoeld, haalde zij
+daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den
+Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen
+kon gelooven, toen hij het stuk doorgelezen en gezien
+had, dat het een vergunning in <i xml:lang="la">optima forma</i> was.</p>
+
+<p>Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug,
+en zei, op een toon alsof hij verongelijkt was: &bdquo;'t is in
+orde, en we zullen er aanteekening van houden. Maar
+hoe <i>jij</i> die vergunning gekregen hebt,&rdquo; vervolgde hij,
+<span class="pagenum" title="60">&nbsp;</span><a id="p_60"></a>het schamel menschje met ongeveinsde verbazing aanziende,
+&bdquo;dat mag de hemel weten!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?&rdquo;
+vroeg Antje, die het onnoodig vond den Commissaris te
+vertellen op welke wijze zij de vergunning gekregen had.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, mensch, ja!&rdquo; antwoordde de Commissaris, zich
+omkeerende, waardoor het dankbaar buiginkje, dat Antje
+voor hem maakte, geheel voor hem verloren ging.</p>
+
+<p>Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans
+vriendelijk op den rug kloppende, zei zij: &bdquo;h Hans,
+da' 's achter de rug, hoor! 't Ware benauwde dage,
+maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor
+en voor goed ook; vort, jonge, vort.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="61">&nbsp;</span><a id="p_61"></a></p>
+
+<h2><a id="Kinderleed">Kinderleed.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals
+hij placht te doen, eerst zijn mes, lepel en vork, en
+daarna wijnflesch en glas een weinig op zijde had
+geschoven, zei mijn vader: &bdquo;Meneer Nelissen is zoo
+even bij mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd,
+dat hij met de groote vacantie zijn school opheft. Hij
+heeft een betrekking in Indi gekregen, en in het
+begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar
+een andere school moet, ventje.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och heden, dat is jammer!&rdquo; zei mijn moeder; &bdquo;dat
+zal je spijten, h, Willem?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;H ja!&rdquo; riep ik uit, &bdquo;zoo'n prettige school.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei mijn vader, &bdquo;het spijt mij ook. Meneer Nelissen
+is een verstandig man, die veel van kinderen houdt
+en daarbij een goed onderwijzer. Maar er is natuurlijk
+niets aan te doen. Ik zal nu informeeren of er plaats
+voor je is bij meneer Kreggers; dat moet een uitmuntende
+school zijn, wel wat duur, maar heel goed.&rdquo;&mdash;En
+hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij
+aan mijn ouderen broeder, die deelgenoot in zijn zaken
+was: hoe de Beurs was geweest, en terwijl Gerard
+<span class="pagenum" title="62">&nbsp;</span><a id="p_62"></a>hem mededeelde, dat de Portugeezen &bdquo;een ietsje flauwer&rdquo;&mdash;de
+Metallieken &bdquo;een tikje beter&rdquo; waren, en
+verder verslag gaf over den stand der fondsen, dacht
+ik na over het akelige nieuws, dat ik had gehoord, en
+was zoo geheel onder den indruk daarvan, dat ik,
+om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen
+ik mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje
+hoorde zeggen: &bdquo;Heere&mdash;zegen&mdash;deze&mdash;spijs&mdash;en&mdash;drank&mdash;amen,&rdquo;
+waarna het mijn beurt was, en ik
+dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half
+boos, half bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien
+eerbiedigen toon, die mij paste, want toen ik mijn
+oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet alleen
+op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs
+op het ernstige gelaat van mijn vader.</p>
+
+<p>Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst
+toen ik in bed lag en mijn moeder, zooals zij altijd
+deed, boven kwam, om mij toe te dekken en een nachtkus
+te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken
+en mij opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in,
+droomende van mijn duiven en konijnen, mijn zeer
+dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers, van
+wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte,
+daar tusschen kwam spoken.</p>
+
+<p>Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek
+van meneer Nelissen aantrok, want niemand kon beter
+met kinderen omgaan dan hij. Opgewekt, nooit onbillijk,
+altijd zichzelf meester en daarenboven een zeer kundig
+onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen
+en de genegenheid van iederen nieuwen leerling; en
+zoo hielden wij van hem, als soldaten van een welwillend
+en kranig officier. Wij moesten leeren, dat sprak
+<span class="pagenum" title="63">&nbsp;</span><a id="p_63"></a>van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op
+humane wijze handhaafde hij orde en tucht.</p>
+
+<p>Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop
+ik zijn school bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn
+schrijfwerk corrigeerde, een klein spinnetje zag, dat
+zich van de hanglamp naar beneden liet zakken. Zoodra
+het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan
+het hing, voorzichtig aan mijn vinger, en zonder
+daartoe vergunning te vragen, stond ik op, bracht het
+spinnetje naar een plant, die voor het geopende venster
+stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan
+eenige inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig
+gemaakt.</p>
+
+<p>&bdquo;Je mag zoo maar niet opstaan!&rdquo; zei Henri, die
+naast mij zat.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zal hij langzamerhand wel leeren,&rdquo; zei meneer
+Nelissen, mij op den schouder kloppende. &bdquo;Hij is verstandig
+genoeg om te begrijpen, dat, waar zooveel
+jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij
+verkiest, en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet
+vragen of hij dit doen mag. En wat hij deed,&rdquo; vervolgde
+meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende, &bdquo;is in
+allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes
+te onthoofden, niet waar Henri?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar dan doen ze zoo eeuwig mal,&rdquo; mompelde
+Henri. En toen meneer vroeg wat hij zei, antwoordde
+hij: dat hij het niet weer zou doen.</p>
+
+<p>Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen
+was, en dat ik nog al dikwijls terecht gewezen moest
+worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik in de oogen
+van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere
+jongens van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen
+<span class="pagenum" title="64">&nbsp;</span><a id="p_64"></a>gevoelen, dat mijn gebreken ernstiger waren dan die
+van mijn kameraden.&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>&bdquo;En waar gaat hij nu heen?&rdquo; vroeg meneer Nelissen,
+toen hij een afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht,
+en ik binnen was geroepen om hem vaarwel te zeggen.</p>
+
+<p>Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar
+de school van meneer Kreggers zou gaan, en toen
+meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg mijn moeder,
+over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die
+school kende?</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker mevrouw,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Kreggers is een
+knap man, geloof ik, een <i>heel</i> knap man.&mdash;Hm.!&rdquo; En
+dit zeggende stond hij op, nam afscheid van mijn
+ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.</p>
+
+<p>Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indi
+aangekomen, bleek hij niet bestand te zijn tegen het
+klimaat, en op het schip, waarmede hij naar het vaderland
+terugkeerde, overleed hij.&mdash;Arme meneer Nelissen!
+gij waart een goed en verstandig man, en nog veel
+goeds hadt gij tot stand kunnen brengen&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Meneer Kreggers&mdash;groot, sterk-gebouwd, met een
+bleek, rond en baardeloos gezicht, volstrekt kleurlooze
+oogen en een zachte stem, die bijzonder zalvend is als
+hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke
+handen ter hoogte van het gezicht houdt&mdash;meneer
+Kreggers zegt: dat ik brutaal, ergerlijk brutaal ben, en
+onophoudelijk voegt hij mij toe, dat ik mijn onbeschaamde
+oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik
+kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het
+boek, of wat ook voor mij ligt, te kijken, maar een
+enkele maal sla ik mijn oogen wel eens op en dan
+bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch
+<span class="pagenum" title="65">&nbsp;</span><a id="p_65"></a>niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet,
+maar zeker is, dat hij het niet hebben wil, zoodat alle
+jongens voor zich zien, als hij voor de klas staat en
+les geeft.</p>
+
+<p>Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch
+ben. Ik weet volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar
+hij doet het en herhaaldelijk waarschuwt hij mij, dat
+hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En eindelijk
+beweert hij nog, dat ik onwillig ben. &bdquo;Je verstand is
+goed,&rdquo; zegt hij, &bdquo;maar je <i>wilt</i> niet opletten, je <i>wilt</i> niet
+begrijpen;&rdquo; en mij met den vinger dreigende, roept hij
+mij toe, dat hij het er wel uit zal krijgen. Misschien
+zijn er nog andere redenen waarom hij op mij gebeten
+is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel
+aan mij heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig
+en ik lijd er onder van het oogenblik af, dat hij 's morgens
+haastig binnen komt, met een liniaal eenige vinnige
+slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept:
+&bdquo;<i xml:lang="fr">Messieurs, la prire!</i>&rdquo; totdat het vier uur is en wij
+naar huis kunnen gaan.</p>
+
+<p>Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar,
+en gaan alle jongens langs hem heen om hem
+een hand te geven, maar zij, op wie hij ontevreden is,
+blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar
+in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen,
+zijn hand op, als ik beschroomd de mijne uitsteek,
+en als hij mij een enkele maal de zijne toesteekt, dan is
+die hand z slap, dat ik het niet waag die te drukken,
+maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor
+ik hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn
+overtuiging omtrent mijn eigenzinnigheid versterk.</p>
+
+<p>Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden,
+<span class="pagenum" title="66">&nbsp;</span><a id="p_66"></a>als ik brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet
+dan op de bank gaan staan, met den rug naar hem
+toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb,
+zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog
+verheven, maar o! zoo diep vernederd, tot spot van
+mijn kameraden, op wie de wijze, waarop meneer
+Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent,
+zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder
+hen beschouwen, en die, van mijn tepronkstelling
+genietende, leelijke gezichten tegen mij trekken, de tong
+tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers
+zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen
+naar mij werpen.</p>
+
+<p>En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte,
+waarom hij toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig
+ben. Maar ik begrijp het niet en geloof ook niet, dat
+ik &bdquo;zoo'n akelige jonge&rdquo; ben. Ik weet, dat men mij dit
+alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo &bdquo;slecht&rdquo;
+was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit
+gezegd hebben, en waarom zou men mij thuis daarover
+nooit eens onderhouden hebben? En dan denk ik
+aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik
+daar was, terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft
+mij een prop of raakt mij een pijl, en dan komen ze,
+mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de
+mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch,
+dan fluisteren de jongens, die het dichtst bij mij zitten,
+mij de woorden: huilebalk, lammert, en zoo vele andere
+toe, en&mdash;ben ik rampzalig.</p>
+
+<p>Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch
+en ofschoon ik niet geloof, dat de jongens, met wie ik in
+dezelfde klas zit, mij daarin zooveel vooruit zijn&mdash;Meneer
+<span class="pagenum" title="67">&nbsp;</span><a id="p_67"></a>Kreggers heeft zich in het hoofd gezet, dat mijn
+onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart.
+Zoodra hij dan ook zegt: &bdquo;<i xml:lang="fr">et maintenant, Messieurs, la
+lecture franaise</i>,&rdquo; word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor
+ik de geringe kans, die ik heb om mij er door te
+slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij
+iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij
+slaat hij over; een andere maal verbetert hij het eerste
+verkeerd door mij uitgesproken woord, en laat mij dit tot
+in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt het, dat hij
+mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te
+maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is
+het pijnlijkste. Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn
+uitspraak nog zeer gebrekkig is, en als ik, al hakkelend,
+voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel tracht ik die
+telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat
+ook wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder
+te letten op hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen
+af. Ik hoop toch, aan het einde van iederen zin, dat
+meneer Kreggers een anderen jongen een beurt zal
+geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om
+mij heen en ik vrees, dat hij mij weer op de bank zal
+laten staan. En zoo haspel ik voort, met een prop in
+mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen heen,
+voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in
+het midden van een zin, met de liniaal op de bank
+slaat en met verbeten woede uitroept: &bdquo;<i xml:lang="fr">Assez, maintenant
+l'arithmtique</i>,&rdquo; een werkzaamheid waaraan ik
+evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn
+plaats opstaan, op een ledige bank, aan het eind van
+het schoollokaal gaan zitten, en gedurende de overige
+uren van den middag eenige honderde malen op de lei
+<span class="pagenum" title="68">&nbsp;</span><a id="p_68"></a>schrijven: <i xml:lang="fr">je suis un enfant revche, hautain et indocile</i>.</p>
+
+<p>Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten,
+en het mijn beurt was eenige volzinnen voor te lezen,
+zei meneer Kreggers, dat ik even moest wachten, en,
+naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke
+letters de woorden: <i xml:lang="fr">les yeux, les jeux, les cieux; les gens,
+les chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion</i>. &bdquo;Lees
+dat nu eens hardop voor,&rdquo; zei hij, en zijn rechterhand
+opheffende, voegde hij er bij: &bdquo;en nu niet geagiteerd,
+asjeblieft!&rdquo;</p>
+
+<p>Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens
+reeds hoor giggelen van plezier over hetgeen er zal
+volgen, en ik de schande van een nieuwe tepronkstelling
+niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de
+spelen en de hemelen vind ik slechts een klank: <i xml:lang="fr">les
+sjeux</i>; voor de lieden, de zangen en de velden slechts
+een woord: <i xml:lang="fr">les sjans</i>, en waar ik den uitgang &bdquo;ion&rdquo;
+moet verbinden met de &bdquo;g&rdquo;, of de &bdquo;s&rdquo; of een andere
+medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat
+iets anders uit te brengen dan een afschuwelijk: <i xml:lang="fr">sjion</i>.</p>
+
+<p>Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft
+de jongen, die naast mij zit, mij den welgemeenden
+raad: uit eigen beweging op de bank te gaan staan,
+en hoor ik achter mij fluisteren: <i xml:lang="fr">je suis un enfant
+revche et un imbcile</i>.</p>
+
+<p>Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als
+ik eindelijk, half wanhopig, waag mijn oogen even naar
+hem op te slaan, dan ontmoet ik zijn kouden, glansloozen
+blik, waarmede hij, met een uitdrukking van
+minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk
+zegt hij, met ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op
+mijn lei moet schrijven, en nadat hij de jongens aan
+<span class="pagenum" title="69">&nbsp;</span><a id="p_69"></a>eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem komen
+aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven,
+en laat mij een poos wachten, maar eindelijk keert
+hij zich naar mij toe en zegt, schijnbaar kalm:
+&bdquo;we zullen het nu nog eens probeeren, maar nu&rdquo;&mdash;en
+hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon&mdash;&bdquo;nu
+pas je op, versta je? Zeg me nu na: <i xml:lang="fr">des...i...eux</i>.&rdquo;</p>
+
+<p>In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen,
+zeg ik hem de beide woorden zoo precies na, met zoo
+volkomen dezelfde intonatie, dat hij zich driftig naar
+mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den
+gek te houden?</p>
+
+<p>Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar
+ik weet niet wat ik zal zeggen, en zwijg, terwijl ik
+voor mij kijk.</p>
+
+<p>&bdquo;Krijg ik ook antwoord?&rdquo; vraagt hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet
+aan!&rdquo; roep ik uit.</p>
+
+<p>Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken,
+dat hij daarover verder niet wil spreken en herhaalt:
+&bdquo;<i xml:lang="fr">des ... i ... eux</i>.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken
+hem na te doen, dan dat ik het moeilijke woord
+niet goed zal uitspreken, en het gevolg is, dat ik stotterend
+uitbreng: &bdquo;<i xml:lang="fr">des sjeux</i>.&rdquo;</p>
+
+<p>Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt
+zwaar adem; het is duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld
+op de zwaarste proef stelt, maar hij bedwingt zich en
+na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend: &bdquo;nu
+nog eens, maar nu ook voor het laatst: <ins class="corr2" id="corr26" title="Bron: &bdquo;"></ins><i xml:lang="fr">des...i...eux</i>.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik
+onder deze omstandigheden niet <i>kan</i> doen wat hij van
+<span class="pagenum" title="70">&nbsp;</span><a id="p_70"></a>mij vordert, en zwijgend, terwijl de tranen langs mijn
+wangen loopen, schud ik even het hoofd.</p>
+
+<p>Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood.
+Hij staat haastig op, en mij een duw tegen den schouder
+gevende, zegt hij: &bdquo;marsch, in den hoek..!&rdquo;</p>
+
+<p>Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid
+over mij. Ik weet, dat ik <i>niet</i> onwillig ben
+en dit <i>nooit</i> ben geweest, maar dat hij dit niet gelooft
+en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen schuld
+heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die
+overtuiging hef ik het hoofd op, ga met een flinken
+stap naar den mij aangewezen hoek, maar op eenigen
+afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in
+de zakken en kijk rechts en links naar het plafond.</p>
+
+<p>Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken
+zijn, zegt meneer Kreggers, dat ik mij moet
+aankleeden, dat hij zelf mij t'huis brengen&mdash;en met
+mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen,
+dat zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap
+van mijn daden te moeten geven, niet in staat is mij
+mijn trotschen kop te doen buigen, en met mijn pet
+op n oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn
+handen in de zakken, loop ik, een paar passen achter
+meneer Kreggers blijvende, naar huis.</p>
+
+<p>Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt
+meneer Kreggers, met een allervriendelijksten glimlach:
+of het misschien niet beter zal wezen als hij mijn
+vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord:
+dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging
+tegen mij zal inbrengen, en het dus billijk
+is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij zich genoodzaakt
+zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te
+<span class="pagenum" title="71">&nbsp;</span><a id="p_71"></a>openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt
+hij, dat hij, reeds op den eersten dag waarop ik
+zijn school bezocht, heeft ingezien, dat hij met een
+stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in
+die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk
+kan verklaren nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer
+dan vijf-en-twintig jaren <i xml:lang="fr">instituteur</i> is, een kind te
+hebben gezien, z brutaal, trotsch en onwillig, als ik
+ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij
+dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij
+te straffen, in den hoek had laten staan, en eindigt
+met te zeggen, dat hij mij eigenlijk van zijn school
+moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader
+dit wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op
+voorwaarde evenwel, dat ik den volgenden morgen
+openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn onwil zal
+erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij
+ter wille van zijn prestige stellen moet.</p>
+
+<p>Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader
+meer en meer zien betrekken, en reeds vreesde ik, dat
+hij ernstig boos op mij was, toen hij zich op eens, met
+iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij keerde en,
+mij naar zich toe trekkende, zeide: &bdquo;en wat zegt m'n
+jongen nu?&rdquo;</p>
+
+<p>O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad
+en beschermde! Ik wierp mij snikkend in zijn armen
+en zei, dat ik niet zoo slecht was als meneer Kreggers
+beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en altijd
+had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat
+hij dit niet geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik
+ongelukkig was geweest van het eerste oogenblik af,
+waarop ik op zijn school was gekomen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="72">&nbsp;</span><a id="p_72"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Maar 't kind is zenuwachtig,&rdquo; zei meneer <ins class="corr" id="corr27" title="Bron: Kreggens">Kreggers</ins>
+glimlachend.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof het ook,&rdquo; antwoordde mijn vader, en zachter
+voegde hij er bij: &bdquo;misschien wel meer dan ik
+verantwoorden kan. Intusschen&rdquo;&mdash;en nu klonk zijn
+stem weer krachtig&mdash;&bdquo;zal mijn zoon uw school niet
+langer bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den
+cursus van dr. Van Eeken, en tot dien tijd zal ik hem
+privaat-onderwijs laten geven. Voor de <i>goede</i> zorgen,
+die u voor mijn kind hebt gehad,&rdquo; vervolgde mijn
+vader, meneer Kreggers vast aanziende, &bdquo;betuig ik u
+mijn dank.&rdquo;</p>
+
+<p><ins class="corr2" id="corr28" title="Bron: &bdquo;"></ins>Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd
+van een last, waarvan ik nu eerst recht begreep
+hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg ik de armen om
+den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok,
+mij streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste
+jongen was&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe
+levendig herinner ik het mij nog! En hoe kan het
+anders! Want wie het heeft ondervonden, die zal het
+toestemmen: kinderleed is <i>groot</i> verdriet.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="73">&nbsp;</span><a id="p_73"></a></p>
+
+<h2><a id="Karel_Jan_Vonk">Karel Jan Vonk.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;K..arel, J..an Vonk,&rdquo; zegt op lijzigen toon de
+burgemeester, die met den rug naar het venster mijner
+griffie staat &bdquo;zoo spreekt hij precies, en zoo <i>is</i> hij ook,
+saai en droog als een stokvisch. En dom en onnadenkend,
+daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een
+brief voor mij schrijven aan de oude mevrouw Winter.
+&bdquo;Neem het copyboek,&rdquo; zeg ik tegen hem, &bdquo;zoek daarin
+den brief, dien je verleden week aan dominee Hulst
+hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen
+moet je natuurlijk het woord &bdquo;heer&rdquo; in &bdquo;mevrouw&rdquo;
+veranderen.&rdquo; En Vonk deed precies wat ik hem gezegd
+had; want toen hij mij den brief bracht, stond er boven:
+&bdquo;WelEerwaarde Mevrouw.&rdquo; WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt
+de burgemeester met een schamper lachje, zoo'n
+eend! En zoo zou ik je honderd stupiditeiten van hem
+kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij zich telkens
+vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register
+waarin hij niet krabt, in n woord: beroerd werk. Ik
+zeg je dit alles maar, zie je, opdat, als je hem toch
+neemt, je later niet zult kunnen zeggen, dat ik je
+daartoe heb geanimeerd.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="74">&nbsp;</span><a id="p_74"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Mijn waarde,&rdquo; zeg ik, &bdquo;daarover behoef je je niet
+ongerust te maken. Zoo noodig, ben ik bereid onder
+eede te verklaren, dat je dat niet gedaan hebt. Maar
+heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou
+worden opgeleid?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo is 't. En hoe ze ooit op <i>die</i> belachelijke gedachte
+zijn gekomen, dat is meer dan een mensch begrijpen
+kan. Verbeel je, <i>die</i> jongen moest eerst zijn akte lager
+onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch en
+Fransch. En dat <i>nota bene</i>, in een tijd, waarin je, om
+zoo te zeggen, een dansmeester in het rekenen moet
+wezen; dat je, om maar een kleinigheid te noemen,
+moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in den tijd
+van de <i xml:lang="en">prehistoric peeps</i> uit
+<a href="http://www.gutenberg.org/wiki/Punch_%28Bookshelf%29#Volume_104.2C_Jan_-_Jun_1893" title="Zie de verschillende e-boek-uitgaven via http://www.gutenberg.org/."><i xml:lang="en">Punch</i></a><img class="extern" src="images/extern.png" width="12" height="12" alt="externe link" />,
+en dat je zakt als
+een baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen
+van een kerk of van een schip kunt noemen,
+dingen, die een verstandig mensch natuurlijk niet eens
+in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool
+te Diepenburg geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?&rdquo;
+vraag ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Als een rots,&rdquo; bevestigt de burgemeester met een
+krachtigen hoofdknik, &bdquo;en toen ze dan eindelijk begrepen,
+dat hij weinig aanleg had om schoolmeester te worden,
+hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak was,
+een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer
+een jaar geleden, bij den notaris. Daar is hij drie
+maanden geweest, maar toen hij in een paar dagen zes
+zegels, en dus voor een waarde van vier gulden vijftig
+verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een
+gemakkelijk heer&mdash;en nogal op nummer n gesteld is,
+hem bij zijn kraag genomen en de deur uitgezet. Toen
+<span class="pagenum" title="75">&nbsp;</span><a id="p_75"></a>kwam hij bij den ontvanger, waar hij zulk een vuurwerk
+van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog
+met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen
+hij het geheele onheil had overzien, den jongen onder
+handen genomen&mdash;en zulke venijnige dingen gezegd
+heeft&mdash;want Venninga is nog al scherp, zooals je
+weet&mdash;dat Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de
+vingers kunnen zien?&rdquo; vraag ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat weet ik niet,&rdquo; antwoordt de burgemeester. &bdquo;Venninga
+is natuurlijk dikwijls uit, want dan heeft hij
+hier, dan daar zitting, en daarbij komt, dat Vonk,
+zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls
+doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de
+war was, dat hij, om maar geen standje te krijgen, de
+cijfers <i>liet</i> kloppen, totdat hij zelf er niet meer wijs
+uit kon worden en de bom barstte.</p>
+
+<p>&bdquo;Eindelijk kwam hij bij mij. Ik <i>moest</i> een jongen
+hebben, en omdat het op een klein plaatsje als dit
+moeilijk is er, voor een kleinigheid, een te krijgen, heb
+ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer.
+Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog
+ellendiger dan het andere. Ik heb gedaan wat ik kon;
+eerst heb ik hem, zoo vriendelijk mogelijk, onder het
+oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn kantoor
+niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb
+ik hem standjes gegeven, standjes...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zeg ik, &bdquo;dat zal wel.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;H!&rdquo; roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd
+aanziende, &bdquo;waarom denk je dat?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Omdat ik geloof,&rdquo; antwoord ik, &bdquo;dat je wel een
+beetje heftig bent, weet je.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="76">&nbsp;</span><a id="p_76"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof 't ook,&rdquo; erkent de burgemeester, &bdquo;maar
+'t schijnt geen slechte eigenschap te wezen. Mijn vader,
+ten minste, zei altijd: &bdquo;dat mag ik wel in een jongen,
+want 't bewijst, dat er wat inzit;&rdquo; 't geen hem trouwens
+nooit verhinderde me een pak ransel te geven,
+als ik nog al dacht hem een plezier te doen met mijn
+hoofd door zijn ruiten te steken. Maar om op Vonk
+terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem weggestuurd.
+Als <i>jij</i> hem nu neemt, dan doe je een weldaad
+aan hem en aan zijn ouders, want het is een
+fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben om rond te
+komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten
+staat.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Is hij gewillig?&rdquo; vraag ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeer gewillig.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ijverig?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool
+geblokt hebben als&mdash;als een heimachine,&rdquo; zegt de
+burgemeester, die met deze even krachtige als kenschetsende
+uitdrukking kennelijk is ingenomen.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zeg ik, &bdquo;dan wil ik 't ook nog wel eens met
+hem probeeren, en kan hij Maandagmorgen om tien
+uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Graag,&rdquo; antwoordt de burgemeester. &bdquo;Ik ben blij
+om hem en om zijn ouders, maar.... <i xml:lang="fr">enfin, tu m'en
+diras des nouvelles</i>.&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien
+uur, aan de deur der griffie geklopt, en binnen kwam
+Karel Jan Vonk, een jongen van achttien jaren, met
+een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige
+oogen, gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker
+niet meer nieuw, maar netjes onderhouden was, en
+<span class="pagenum" title="77">&nbsp;</span><a id="p_77"></a>met een helder wit boordje om zijn hals, waarvan de
+rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.</p>
+
+<p>Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een
+<i xml:lang="fr">imprim</i> in blanco van een vonnis, om dat in te vullen,
+zooals ik dat heb gedaan in het <i xml:lang="fr">imprim</i>, dat ik hem
+daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje bezig
+is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.</p>
+
+<p>En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift
+nu luidt, is de beklaagde niet ter terechtzitting verschenen,
+maar heeft hij toch aldaar stokstijf ontkend
+zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig
+gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar
+verklaren toch er alles van gezien te hebben, en doordat
+hij heeft vergeten de straf in te vullen&mdash;wat bij een
+veroordeeling wel eenigszins <i xml:lang="de">des Pudels Kern</i> is&mdash;heeft
+hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt,
+die voor den veroordeelde geen onaangename verrassing
+zou zijn, maar waarmede ik mij volstrekt niet
+vereenigen kan.</p>
+
+<p>Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog,
+en voor zich kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje
+tusschen de oogen, terwijl hij met de rechterhand
+de vingers zijner linkerhand bijeendrukt, en dan
+zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.</p>
+
+<p>En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het
+nog vele dagen, en telkens erkent hij, met een bedrukt
+gezicht, dat het veel beter kon.</p>
+
+<p>En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester
+mijn sporen nog verdienen moet. Heeft Karel Jan
+zich in een afschrift vergist, dan zeg ik, dat wij moeten
+denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag
+<span class="pagenum" title="78">&nbsp;</span><a id="p_78"></a>beweer ik, dat wij bij <i>zulk</i> werk eigenlijk in het geheel
+niet denken moeten, omdat wij daardoor maar in de
+war geraken. Ik deel hem mede, dat alle vonnissen de
+woorden: &bdquo;in naam der Koningin,&rdquo; aan het hoofd
+moeten voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te
+denken, hem een oud imprim voor, waarboven met
+vette letters staat gedrukt: &bdquo;in naam des Konings.&rdquo;
+En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt,
+dan geef ik hem die, maar doe dat z omslachtig, en
+verdiep mij in zooveel uitzonderingen, dat het mij zelf
+begint te duizelen, wat Karel Jan trouwens niet verhindert
+toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag:
+of hij het begrepen heeft.</p>
+
+<p>En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten,
+den wagen een eindje, een heel klein eindje, de helling
+van den weg op. Dikwijls betwijfel ik of wij ooit zullen
+komen waar wij wezen moeten, maar telkens, als de
+moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld
+te hebben tot het uiterste, want onder het weinige,
+dat Karel Jan, die langzamerhand iets spraakzamer
+wordt, mij vertelt van zijn leven en omstandigheden, is
+veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem
+handelen moet.</p>
+
+<p>Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek
+dat ongeluk, waardoor hij op krukken loopt; hij werkt
+daar nog, maar verdient veel minder dan vroeger,
+omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna
+begon zijn moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig
+is. Zij heeft dikwijls pijn, spreekt heel weinig en
+heeft graag, dat het stil om haar heen is. Maar
+die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen,
+want hun huisje is klein en de kinderen zijn druk.
+<span class="pagenum" title="79">&nbsp;</span><a id="p_79"></a>Ze zijn met hun zessen; eerst zijn oudere zuster, die
+t'huis moet blijven om het huishouden te doen en
+moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes
+en een zusje, die allen nog klein zijn en op
+school gaan.</p>
+
+<p>Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht
+geleerd hebben, wat hij altijd had gewild, en
+dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend hebben, dat
+zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar
+voor handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel
+nooit, maar dikwijls gevoelde hij zich moe en lusteloos.
+Misschien was <i>dat</i> wel de reden, waarom zijn werk
+minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde
+toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij
+ook gedaan op de normaalschool te Diepenburg, waar
+hij, op kosten van mevrouw Winter, twee jaren lang,
+driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was
+niet geschikt voor studie; dat had hij na het eerste
+jaar reeds begrepen, en graag had hij het toen al opgegeven,
+maar mevrouw Winter had gewild, dat hij
+het nog n jaar lang zou volhouden, en dat had hij
+ook gedaan. Maar op het laatst had hij de plagerijen
+zijner kameraden en den spot van zijn leermeesters
+niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand
+voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had
+dat niet goedgevonden, maar als zij eens wist wat
+hij had uitgestaan! En toch had hij altijd gewerkt, dikwijls
+tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags,
+omdat vader dat verboden had.</p>
+
+<p>Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld.&rdquo;</p>
+
+<p>Hoe bracht hij den Zondag verder door?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="80">&nbsp;</span><a id="p_80"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Als het goed weer was, liep hij met de kinderen
+langs den dijk tot Stormwijk, of den anderen kant uit
+tot Lingedam, en als het regende, dan las vader voor
+uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek.&rdquo;</p>
+
+<p>Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn
+leeftijd?</p>
+
+<p>&bdquo;Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet
+toeschietelijk voor hem, en ook zaten zij dikwijls in de
+herberg, wat vader niet goedvond.&rdquo;</p>
+
+<p>Las hij veel?</p>
+
+<p>&bdquo;Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken
+waren duur, en er was hier geen bibliotheek.&rdquo;</p>
+
+<p>Had hij geen konijnen, geen duiven?</p>
+
+<p>&bdquo;Niet meer. Vroeger had hij twee duiven gehad,
+mooie dieren, die geheel aan hem gewend waren, maar
+ze zaten Zondags in het kerkraam, en de menschen in
+de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat
+hij ze moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij
+had gezegd, dat hij ze Zondags moest opsluiten, en dat
+had hij dan ook gedaan, maar de kinderen lieten ze
+los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze
+verkocht.&rdquo;</p>
+
+<p>Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit
+gestaan aan het strand van de heerlijke zee, en nooit
+gedwaald in de geurende bosschen?</p>
+
+<p>Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een
+oogenblik is er iets in zijn oogen, dat mij doet denken
+aan een groot, onbestemd verlangen, maar het is aanstonds
+weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij,
+dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.</p>
+
+<p>En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij
+over mijn ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den
+<span class="pagenum" title="81">&nbsp;</span><a id="p_81"></a>overvloed des levens, zijn schatten aan bloemen en
+zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets voor
+hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk
+brood en een schamel kleed.&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen
+hij op een maandagmorgen, nadat het tien uur had
+geslagen, niet verscheen. Even later hoorde ik een
+ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging kijken
+wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met
+moeite naar boven kwam en mij, toen hij bij mij zat,
+zeide, dat zijn zoon niet kon komen, omdat hij
+ziek was.</p>
+
+<p>Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde,
+omdat hij er in den laatsten tijd zoo slecht
+had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.</p>
+
+<p>&bdquo;Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. &bdquo;Vonk,&rdquo;
+zei ie van morge, toe 'k 'm uitliet, &bdquo;dat lampie&rdquo;&mdash;en
+de stem van den ouden man beeft&mdash;&bdquo;dat lampie
+brandt nog maar heel eve.&rdquo;&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Arme jongen...!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder
+nooit! O, 't is niet, da' 'k murmureer, want wie ben ik
+om God rekeschap te vrage van z'n dade, maar de
+gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k
+'m wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd
+had hoeve voort te jage, as ie wat meer had kanne
+geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg 'k, dat 't niet
+is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest
+en 'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an
+'m beleefd zou hebbe. En daarom&mdash;beruste, altijd weer
+beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag nog hoorde:
+onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie
+<span class="pagenum" title="82">&nbsp;</span><a id="p_82"></a>zal zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die
+levend maakt waar Hij doodt.&rdquo;</p>
+
+<p>Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien,
+zoelen lentedag, en weer zit hij tegenover mij zooals
+vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij; hij was veel
+beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig
+veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en
+die diepe groeven om neus en mond! En zwak is hij..!
+Telkens legt zijn bevende hand de pen neer, omdat hij
+even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet
+van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze
+naar mij kijkt. Maar ik doe of ik niets bemerk, en
+bedenk hoe ik hem zal verlossen van dat schrijfwerk,
+dat zijn krachten verre te boven gaat.</p>
+
+<p>Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten
+nazien of een aantal stukken allen voorkomen op een
+daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem dat werk heb
+voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.</p>
+
+<p>Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en
+legt het op zijde. En terwijl hij daarmede bezig is, is
+het alsof hij, n voor n, de bladen omslaat van zijn
+eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas, even dor
+is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg
+vermindert het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts
+enkele, en dan is zijn taak voltooid, maar dan zal het
+ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar huis gaat.
+En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt
+mij een rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord,
+en dat luidt:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek:<br /></div>
+ <div class="i12">&bdquo;Schijn, zonnetje, ook op mij!&rdquo;<br /></div>
+ <div class="i0">Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet,<br /></div>
+ <div class="i12">Haar stralen gingen voorbij.<br /></div>
+<p><span class="pagenum" title="83">&nbsp;</span><a id="p_83"></a></p>
+
+ <div class="i0">Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag,<br /></div>
+ <div class="i12">En tuurde naar 't morgenrood,<br /></div>
+ <div class="i0">Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat,<br /></div>
+ <div class="i12">Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de
+krukken stommelden weer op de trap en zijn vader
+kwam binnen.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe is 't?&rdquo; vraag ik.</p>
+
+<p>Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.</p>
+
+<p>&bdquo;Geen hoop meer?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee;... hij is dood.&rdquo;</p>
+
+<hr class="hrdash" />
+
+<p>Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem
+neergelegd waar hij gewenscht had te rusten: onder
+het groen der sparreboomen op het kerkhof. Een steen
+dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die
+naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor
+hem, die het weet, gewaagt hij van een korte maar
+sombere geschiedenis, van een jong leven, licht- en
+vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag: kleurloos,
+mistig en koud.</p>
+
+<p>O, 't is beter... z! Want wat zou hij uit den
+moeielijken strijd des levens meer nog hebben weggedragen
+dan het bestaan, en wie weet hoeveel
+onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor
+zijn ziel.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="84">&nbsp;</span><a id="p_84"></a></p>
+
+<h2><a id="De_oudste">De oudste.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest
+gevierd, het feest van ons vijf-en-twintigjarig huwelijk.
+Het hart vervuld van dankbaarheid voor de zegeningen
+die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden herdenkend,
+een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een
+gedenkteeken opgericht, waarop wij <i>Eben Hazer</i> schreven,
+een teeken, dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen
+zal, als wij, bij het vervolgen van onzen levensweg,
+den blik terug wenden.</p>
+
+<p>Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd.
+Onze gasten zijn vertrokken; de kleine zilveren botter
+ons geschonken door mijn goede visschers, wier burgervader
+ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben, prijkt op
+een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten,
+herdenk ik wat achter mij ligt.</p>
+
+<p>Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar
+het geschilderd portret van Agnes, mijn vrouw, dat
+sedert onzen feestdag boven mijn schrijftafel hangt.
+Toen ik het van haar ontving, en zij den doek wegnam,
+die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was,
+waarmede zij mij meer genoegen kon doen, en met
+<span class="pagenum" title="85">&nbsp;</span><a id="p_85"></a>een gelukkigen glimlach voegde zij er bij, God te danken
+dat het zoo was.</p>
+
+<p>Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij
+mij niet dierbaar waart boven alles! Nu vijf-en-twintig
+jaren geleden, op den dag waarop wij voor het eerst als
+man en vrouw deze woning binnengetreden waren,
+genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin.
+Millioenen sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens
+ruischte de stille zee.</p>
+
+<p>Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende
+liefde in het hart, bereid tot ons werk, bereid ook tot
+den strijd. En toen ik zeide te hopen, dat onze toekomst
+mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen,
+toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en
+mijn hand gedrukt, en heb ik begrepen, dat gij bovenal
+voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij altijd nabij,
+mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.</p>
+
+<p>Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder
+u te deren. Uw haren zijn vergrijsd, en de lijnen om
+neus en mond bewijzen, dat gij de zorgen des levens
+geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden, dat
+is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want
+het is die blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de
+openbaring van dat reine, onbaatzuchtige hart, zich
+zelf gelijk gebleven al die jaren lang, altijd. O, als
+jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar
+zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter
+mensch te zijn dan ik was, toen gij uw leven aan het
+mijne verbondt, dan is het omdat mijn ziel zich meer
+en meer naar de uwe stemt.</p>
+
+<p>En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat
+blonde, blozende kindergezichtje, met die groote, bruine,
+<span class="pagenum" title="86">&nbsp;</span><a id="p_86"></a>onschuldige oogen en dien lieven mond; en in gedachte
+jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes weer voor
+me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het
+bleeke gezichtje rustende op de los gevouwen handen,
+met een uitdrukking van innig geluk starende naar
+het wiegje, waarin ons kind lag, onze eersteling, teeder
+als een rozeblad en rein als de morgen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ons kind, onze zoon!&rdquo; Met hoeveel trots sprak ik
+die woorden uit, en hoeveel weelde lag er in de stem
+waarmede Agnes, naar mij opziende, herhaalde: &bdquo;onze
+zoon.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dien wij willen liefhebben,&rdquo; zei ik, &bdquo;<i>ook</i> met geheel
+ons verstand, tot zijn eigen geluk en tot het onze.&rdquo;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer,
+als hij, heerlijk opgroeiende en een toonbeeld van
+levenslust en gezondheid, zijn eerste broek draagt,
+waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren,
+donkere oogen, blozende wangen en het&mdash;aan de
+mondhoeken naar beneden getrokken bovenlipje, dat
+zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet hij er allerliefst
+uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in
+zijn mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen,
+dribbelt hij over het strand, vriendschap sluitende met
+de visschers, die hem &bdquo;de jonker&rdquo; noemen, en wier
+verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als
+hij vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote,
+vereelte handen legt.</p>
+
+<p>Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt,
+en op de lange wandelingen, die wij te zamen
+maken, staat zijn mond niet stil, vragende het hoe en
+waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen
+geest. En daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid,
+<span class="pagenum" title="87">&nbsp;</span><a id="p_87"></a>want het is moeielijk een voor hem begrijpelijke
+verklaring te geven van hetgeen hij weten wil.</p>
+
+<p>Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs
+op het vonkelen der sterren, dan vraagt hij, met dat
+zilveren stemmetje, dat zoo helder te midden der stilte
+klinkt: &bdquo;hoe kom dat?&rdquo; en als de opkomende maan
+zijn aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar
+boven en vraagt: &bdquo;het de maan ook beene?&rdquo;</p>
+
+<p>Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar
+zijn bedje gaat, met hem langs het strand, wat voor
+hem de bekoring heeft van iets dat &bdquo;goote mense
+doen.&rdquo; Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor
+hem uit, het ruischen der zee, het rijzen en dalen der
+golven, en het stille uitvloeien van het schuim over
+het strand, te midden der duisternis om ons heen, dat
+alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem
+uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de
+mijne sluiten doet.</p>
+
+<p>Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van
+achter een der vaartuigen te voorschijn kwam en ons
+naderde, zei hij:</p>
+
+<p>&bdquo;Daar kom 'n man an, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink
+komt.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Goeje man, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker wel, vent.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Niks bang, hoor?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet
+zoo'n klein kereltje als jij bent kwaad, en Pa is immers
+bij je?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Pa zou mijn wel hejjepe, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k
+<span class="pagenum" title="88">&nbsp;</span><a id="p_88"></a>geloof, dat 't Teunissen is, die daar aankomt; je weet
+wel, die zoo'n aardig klein meisje heeft.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog
+afstekende tegen het vlakke strand naar ons toe komt,
+en de reusachtige afmetingen van haar schaduw,
+boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt
+hij zich tegen mij aan.</p>
+
+<p>Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem
+even aan, om mijn ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk
+die geduchte verschijning is, en na eenige
+oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging,
+Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich
+verwijdert, kijkt hij nog een paar malen om naar de
+verdwijnende gestalte, en zegt hij, met iets in zijn
+stem, dat van verlichting getuigt: &bdquo;goeje man, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den
+gebaanden weg, maar door over het duin te klimmen,
+en als wij dit dien avond doen, dan ziet hij, dat men
+in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren,
+een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst,
+dan daarin vroeger heeft gestaan. Hij weet, door den
+storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en door hetgeen
+wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren
+geleden, een half uur gaans van onze woning op het
+strand werd gezet, dat de zee &bdquo;o, zoo gevaajik is voo'
+die ajjeme visserjes.&rdquo; En sedert ik hem heb verteld, dat
+zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver, van
+heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden
+naar huis, stelt hij in het ouden baken het grootste
+belang. En als hij nu die nieuwe lamp ziet branden
+en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere,
+dan roept hij uit: &bdquo;o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou
+<span class="pagenum" title="89">&nbsp;</span><a id="p_89"></a>kanne de visserjes goed zien, h? die goe...je visserjes!&rdquo;
+En die gedachte laat hij niet weer los. Hij zegt dat
+het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi &bdquo;jiggie&rdquo; hebben,
+dat zij nu zeker wel &bdquo;bjij&rdquo; zijn, en als wij t'huis zijn
+gekomen en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder
+wit nachtjaponnetje binnen komt, om ons een nachtkus
+te brengen, dan zegt hij nog eens, terwijl hij op mijn
+knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes
+houdt: &bdquo;nou kanne de visserjes mooi zien, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de
+visschertjes kunnen zien.&rdquo;</p>
+
+<p>Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo
+teeder streelt hij onzen grooten hond, die oud en blind
+is, en als hij zijn frisch gezichtje tegen den ruigen kop
+van het dier drukt en zegt: &bdquo;o jou goeje, ouwe bj...inde
+Pjins!&rdquo; dan spreekt het grootste medelijden uit zijn
+stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik,
+op den grond gehurkt, mijn arm om hem geslagen
+houd, en zijn kleine vuist, in een bord vol kruimels
+grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw
+werpt, &bdquo;voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben,&rdquo;
+en die dan ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen
+aanvliegen en zich gulzig verzadigen, dan zegt hij:
+&bdquo;dat vinne ze jekker, h? nou smujje ze hoor!&rdquo; en
+dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen
+oogjes, dat 'k niet kan laten hem tegen mij aan te
+drukken en te kussen.</p>
+
+<p>Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking,
+en in hooge mate bezit hij de gave der
+mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen, waarbij
+hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knien
+geleund. Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden
+<span class="pagenum" title="90">&nbsp;</span><a id="p_90"></a>regel, en dan is het alleraardigst onzen kleinen
+acteur te bespieden. Als, door de stem van Agnes, de
+verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker
+zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch
+zoo zwaar niet kunnen zijn, dan antwoordt ons ventje:</p>
+
+<p>&bdquo;Nou zie je, meneerje, da vaj je nie me!&rdquo;</p>
+
+<p>En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje
+en zet een hoogst bedenkelijk gezichtje. En als
+hij van het versje, waarin wordt verhaald van een
+schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder
+wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en
+verdrinkt, den laatsten regel zegt:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;O, 't sjaapie is vedjonke,<br /></div>
+ <div class="i0">Och, 't ajme dier is dood!&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p class="noi">dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar
+boven, en kijkt o, zoo bedroefd!</p>
+
+<p>Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender,
+dan wanneer Agnes op haar orgel eenige
+eenvoudige melodien speelt. Dan staat hij dicht tegen
+haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar op,
+zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphal
+in zijn engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren,
+is afgebeeld.</p>
+
+<p>Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos
+was ons geluk, tot die avond kwam&mdash;en nu ik
+daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde gewaarwording,
+die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend
+onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel&mdash;toen
+Agnes, met een benepen gezichtje, beneden kwam en
+zei, dat ik eens naar Frits moest gaan zien, omdat hij
+zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou zijn.
+Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren
+<span class="pagenum" title="91">&nbsp;</span><a id="p_91"></a>was! Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen
+verdwenen, de glans zijner oogen verdoofd, en na enkele
+dagen was hij z zwak, dat hij onze fluisterende
+stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht,
+hoe ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen
+velen kon. Daar ligt hij, klein en teer in zijn bedje, en
+strijdt den zwaren strijd: den strijd om het leven. Wij
+verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en
+omringen hem met alles wat onze liefde kan uitdenken.
+O, het is wreed hem te zien worstelen, en van tijd tot
+tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt te vragen,
+of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen,
+niets, dan hem te liefkoozen en met teedere namen te
+noemen, met de folterende overtuiging, dat onze teedere
+bloem&mdash;ach, met hoeveel zorg gekweekt!&mdash;onder de
+zeis des grooten maaiers vallen zal.</p>
+
+<p>Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die
+hem zachtjes wiegt en af en toe haar diep bedroefd
+gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje drukt. En als
+hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek,
+vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de
+oogen en die lange wimpers, die hij nu bijna in het
+geheel niet meer opslaat, op die vermagerde handjes
+en die langzame bewegingen&mdash;o, wat zou ik dan niet
+willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien
+vroolijken lach te hooren en dien frisschen blos weer
+op zijn wangen te zien! Maar wat baat het! Ik weet
+het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen
+als het beekje, dat zich rept naar de rivier.</p>
+
+<p>Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in
+hetgeen wij hielden voor een vleugje van herstel, maar
+dat onzen dokter, toen wij er hem op wezen, geen
+<span class="pagenum" title="92">&nbsp;</span><a id="p_92"></a>bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes
+overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in
+mijn armen. Wij hoopten, dat hij in slaap zou vallen,
+maar de uren verstreken en brachten geen rust voor
+ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn drankje
+ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.</p>
+
+<p>&bdquo;Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!&rdquo;</p>
+
+<p>Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten
+bereik van alle aardsche hulp, en ragfijn is de draad
+die zijn jonge ziel nog aan het leven bindt.</p>
+
+<p>Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de
+toegeschoven gordijnen naar binnen dringen, dan is zijn
+tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij zich op, nog even
+ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij
+zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht,
+is alles voorbij...</p>
+
+<p>&bdquo;Voorbij...!&rdquo; Met die gedachte buig ik mij over hem
+heen en tracht haar beteekenis te beseffen, maar ik
+kan die niet omvatten, en weet alleen, dat zij een gevoel
+van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik
+met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling,
+hoe rustig, hoe vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes
+met haar hoofd op mijn schouder leunt, nemen wij
+afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein heiligje,
+in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat
+reine licht. En in dien aanblik is iets z plechtigs,
+iets z verhevens, dat het onze lippen verzegelt en
+onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de witte
+gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.</p>
+
+<p>Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar
+golfjes naar het strand. O, nog dikwijls zal zij ebben,
+en nog menigmaal zal de vloed opkomen, voordat de
+<span class="pagenum" title="93">&nbsp;</span><a id="p_93"></a>wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden,
+maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander
+zaten, sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in
+de diepte van ons hart toch iets, ons toefluisterend,
+dat wij onze groote smart zouden leeren dragen, omdat
+wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk
+was schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was,
+omdat wij elkander omvat hielden.</p>
+
+<p>En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd.
+Het is, als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht,
+dat door de geschilderde vensters, in breede kleurbanen,
+naar binnen valt. Harpakkoorden en zachte
+orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl mijn oog
+is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige
+op het altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied
+der hope aan!&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den
+duur met mijn bescheiden betrekking tevreden was, en
+nooit naar iets beters vroeg. Maar de eerzucht, die, den
+mensch geen rust latende, hem voortdrijft van de
+eene plaats naar de andere, om daardoor een sport
+hooger te stijgen op de maatschappelijke ladder, is ons
+vreemd. Hier hebben wij lief en worden wij bemind,
+en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar
+wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook
+onze hulk op de zee des levens aan den gezichteinder
+verdwijnt, dat is, al hebben wij het zelfs elkander nooit
+bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de duinen,
+waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar
+kind, dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen
+hebben verbeid, met duizend zegeningen ontvingen,
+maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="94">&nbsp;</span><a id="p_94"></a></p>
+
+<h2><a id="Het_klooster_der_Witte_Vrouwe">Het klooster der Witte Vrouwe.</a></h2>
+
+<p class="subh2">(Een indruk.)</p>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten
+tusschen de bergen, voortspoedend in wilde haast
+over de steenen der ondiepe bedding, alles meevoerend
+wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand
+bieden kan, bruist de machtige bergstroom naar
+beneden; en daar, waar hij in zijn vaart wordt gestuit
+door een vooruitspringenden rotswand, waartegen hij
+hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen
+door de zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden,
+daar ligt, op den top van den berg, boven het donkergroen
+der wuivende denneboomen, wit en rechtlijnig,
+het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen
+hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven,
+baadt het in zonneschijn en rust.</p>
+
+<p>Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is
+het, zooals het was toen het, na jaren van arbeid en
+eindelooze inspanning, was verrezen op deze plaats,
+waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als
+een baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt,
+door weer en wind vernield en door het vuur verwoest,
+<span class="pagenum" title="95">&nbsp;</span><a id="p_95"></a>dat alles is hersteld, maar niet veranderd, en zoo is
+het nog zooals het was, en zal het blijven zooals het is,
+zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige
+dennen, die het als wachters omringen.</p>
+
+<p>En evenals het klooster zelf geen verandering onderging,
+zoo is ook het leven van haar, die er wonen,
+hetzelfde als van die allen&mdash;en velen zijn het&mdash;die
+er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust.
+Want zij, die een toevlucht vonden in het huis der
+Witte Vrouwe&mdash;wier in steen gehouwen beeld,
+dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een
+nis boven den ingang staat&mdash;haar leven gaat voorbij,
+nu evenals vroeger, in aanbidding en boete. In de
+afzondering der cel glijden de kralen van den rozenkrans
+tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel
+rijzen des morgens en des avonds het gemeenschappelijk
+gebed en de lofzang naar omhoog; door vasten en waken
+kruisigen zij het vleesch, en door het versieren van
+het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en misgewaden
+trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat
+deden zij, die er waren, dat doen zij, die er zijn, al de
+dagen, al de jaren, die zij er doorbrengen, onafgebroken,
+zonder verdere afwisseling. Want met de wereld hebben
+zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij
+afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de
+banden van liefde en vriendschap hebben zij ontknoopt,
+ter wille van haar hemelschen Bruidegom, en zelfs haar
+naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel overschreden
+van dit gebouw, om een ander, een nieuw
+leven te beginnen. Niets wat van de wereld is heeft
+voor haar meer belang, niets van buiten stoort den
+vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware
+<span class="pagenum" title="96">&nbsp;</span><a id="p_96"></a>poort zich gemakkelijk opent voor den reiziger, die
+vermoeid is en rust noodig heeft, en voor den arme,
+wiens weg hem over dezen berg voert, en die om lafenis
+vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid
+te oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich
+verkwikken, totdat hij den staf weer opneemt en verder
+trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet, noch
+van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de
+wereld evenmin. Want de ziel heeft dit alles niet van
+noode, en ijdel is immers alles wat de ziel niet behoeft.</p>
+
+<p>Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal
+drie slagen: aan den Vader, den Zoon en den Heiligen
+Geest, en dan galmt zij eenigen tijd voort, vol en diep,
+de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk
+gebed in de kapel.</p>
+
+<p>Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster,
+verheft zich een groot verguld kruis, dat in
+den zonneschijn schittert met hellen glans, en daar
+omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de
+balken van het bedehuis gebouwd hebben en die, door
+een opening in den muur uit en in vliegende, van tijd
+tot tijd door haar vleugelruischen de stilte afbreken,
+die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met
+het getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In
+dat wazig halfduister brandt zwak de vlam der kaarsen,
+die op hooge zilveren kandelaars op het altaar staan,
+en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het
+crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter
+weerszijden van dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt
+een overvloed van witte rozen, en achter het altaar
+staat hoogopgaand groen van palmen, sparren en varens.
+Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen
+<span class="pagenum" title="97">&nbsp;</span><a id="p_97"></a>bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het
+orgel, waarvan, als de laatste galm der luidende klok
+is weggestorven, een zachte muziek ruischt.</p>
+
+<p>Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend,
+welluidend door de ruimte stroomen, komt
+een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het hoofd&mdash;bedekt
+met een wijd-uitstaande witte kap&mdash;eerbiedig
+gebogen, de handen tegen de borst en de
+vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil, als elven,
+verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de
+kapel is bevloerd, en dan knielen zij neer op die
+steenen, waaronder het gebeente rust harer zusteren,
+die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het
+gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.</p>
+
+<p>Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch
+in die vrouwenrijen, zooals zij, in dat geheimzinnige
+licht, allen in een zelfde kleed gehuld, in het heilige
+der heiligen geknield ter neder liggen. Meer menschen<i>beelden</i>
+zijn het dan menschen, meer herrezenen dan
+levenden. Want niet van deze wereld schijnt de rust,
+waarvan al die gelaatstrekken getuigen, en de kalmte,
+die uit den opslag dier oogen en de gelijkmatigheid
+dier bewegingen spreekt.</p>
+
+<p>Immers het leven daarbuiten heet &bdquo;zorg.&rdquo; Daar is
+de zorg voor het heden en die voor de toekomst, de
+zorg voor zichzelf en die voor anderen, de zorg om te
+verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei
+aard. En dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd
+bereid zijn en uitzien, houdt den mensch wakend en
+in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking van zijn
+gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en
+strijdt. Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd,
+<span class="pagenum" title="98">&nbsp;</span><a id="p_98"></a>tot den eindpaal des levens is gebaand, waar
+vandaag is als gisteren en morgen zal zijn als heden,
+waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het
+leven, losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat
+zonder indrukken, zonder emoties, zonder wenschen
+en verlangen, zonder genot en zonder smart, waar de
+ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den
+wierookgeur, die van het altaar opstijgt, hier worden
+zij verkregen, na korter of langer tijd, die kleurlooze
+kalmte en die effen rust, door allen, die op den tocht
+des levens, van verre of van nabij, langs verschillende
+paden naar deze toevlucht gekomen zijn.</p>
+
+<p>Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen
+kwamen en die, uitgeput van vermoeienis en bloedig
+verwond, hier een wijkplaats gezocht en gevonden
+hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg
+liepen, in koele schaduw, langs helder stroomend water,
+met een lieflijk verschiet voor oogen. En als ook zij
+zich hebben afgekeerd van de bekoorlijkheden van het
+dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den dienst
+der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat
+zij geleid werden door den drang der ziel, de verzadiging
+zoekende, die in de wereld niet voor haar te
+vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden, die
+zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel
+vruchten konden dragen daarboven, maar niet <i>ook</i>
+konden rijpen tot aardschen oogst.</p>
+
+<p>Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde,
+regelmatige gelaat, zooals zij daar ligt
+neergeknield, de handen rustende in den schoot, de
+vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins
+achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar
+<span class="pagenum" title="99">&nbsp;</span><a id="p_99"></a>boven gericht, in innige devotie. Hier is in jeugd en
+schoonheid, naam en rijkdom alles vereenigd wat het
+leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren
+zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het
+genot der rust door de herinnering aan het welbesteed
+en zegenvol verleden zou worden gewijd. Maar zij heeft
+alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende
+bloesem en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij
+naar de wereld bezat? Zouden jeugd en schoonheid
+niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een naam iets
+meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De
+menschen zouden komen en voor dat alles knielen, en
+door den wierookwalm hunner vereering, den adem
+hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer ziel
+bezoedelen.</p>
+
+<p>Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht
+van Zijn mond, een sprank van Zijn geest, die
+zou leven als de doodsklok luidde over haar en al het
+hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar
+zijn vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk
+geluk mocht heeten, wees de evenaar niet naar aardsche
+genietingen, maar naar het heil harer ziel. Haar wijden
+aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk
+oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid,
+ver van het gewoel, den glans, de verleiding der wereld,
+dat was het eenig noodige, dat, waardoor zij haar ziel
+door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn lied.
+En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.</p>
+
+<p>Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond,
+is die andere gestalte naar hier gekomen, wier edel
+gelaat de sporen draagt van het leed, dat achter haar
+ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk haar toelachte,
+<span class="pagenum" title="100">&nbsp;</span><a id="p_100"></a>toen zij werd geerd en benijd door allen, die haar
+omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen
+verre van haar zouden blijven, en dat haar leven, rijk
+aan zegen, zou zijn ten zegen ook. Maar dat alles was
+veranderd, ineens. Een enkele windstoot had alles
+vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring,
+dat de overgroote menigte den mensch waardeert naar
+zijn kleed. Toen had zij gewerkt voor haar brood, dagen
+en nachten, en geleerd, dat de vruchten van den arbeid
+vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering.
+Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel
+vaster om de lendenen gesnoerd en voorwaarts ging
+zij met fieren moed, al brak haar bijna het hart onder
+den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want
+de armoede haat de armoede, die niet uit haar is
+geboren, zij hoont het kind der weelde, dat gebrek lijdt,
+en kwetst zijn fijngevoeligheid op de pijnlijkste wijze.
+Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig. En
+toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de
+duisternis om haar heen, en weer had zij zich gekeerd
+naar het leven als het kind naar zijn moeder, want
+zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen,
+een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet,
+haar vertroost en bemoedigd, en een sterke arm had
+zich om haar heen geslagen, een arm, die haar zou
+leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven.
+En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O,
+niet meer alleen zijn, te midden dier tallooze, onverschillige
+menigte, die haar ruw bejegende, haar wegstiet
+en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht
+naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan
+zij en hand in hand door het leven gaan. Te zamen
+<span class="pagenum" title="101">&nbsp;</span><a id="p_101"></a>werken des daags, te zamen rusten des avonds, te
+zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen
+den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander
+steunen en bemoedigen in iederen strijd, elkander
+leiden en dienen, elkander waardeeren en hooghouden,
+elkander liefhebben tot het einde. <i>Dat</i> had zij gehoopt
+van haar toekomstig geluk, en het was een droom
+geweest waaruit zij op ruwe wijze was wakker geschud.
+Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel kende geen
+idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt,
+vluchtende ver buiten zijn bereik.</p>
+
+<p>En toen, toen was het geweest of de nacht was
+gekomen, waarna geen morgen meer zou dagen, alsof
+de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld, haar joeg in
+de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen
+van aardsch geluk, gebogen door de ellende,
+bedrogen in haar liefde&mdash;waaruit zou haar verzwakte
+hand nu nog de kracht putten om het roer van haar
+ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?</p>
+
+<p>Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord,
+die zacht, maar met nadruk had gesproken: &bdquo;kom tot
+mij,&rdquo; en telkens als haar hopeloos &bdquo;waarom&rdquo; onbeantwoord
+bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij
+weer gehoord: &bdquo;kom tot mij,&rdquo; met de troostvolle belofte
+van rust. En Hij, die haar riep, Hij had in zijn gebed
+geen andere aardsche gave gevraagd dan het dagelijksch
+brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en
+vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden.
+En langzaam als de smachtende bloem, zich verzadigend
+aan den dauwdroppel, haar kroon keert naar de zon,
+zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend,
+zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis
+<span class="pagenum" title="102">&nbsp;</span><a id="p_102"></a>zij was neergeknield, zeggende: &bdquo;hier ben ik, Heer!&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de
+rust gevonden, die haar was toegezegd. Zij weet nu,
+dat alle dingen medewerken ten goede hem, die gelooft,
+en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die
+herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar
+een zonnestraal, die in zijn lichtbanen het crucifix op
+het outer omvat en dan valt op haar kleed. En in dat
+licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die, afstralend
+van den Heiland, tot haar gekomen is.</p>
+
+<p>Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal
+zij altijd meer, altijd inniger, om eens, als de weg is
+afgelegd, die haar voert, niet naar de duisternis des
+doods, maar naar het licht <i>des</i> levens, en zij neerligt,
+bleeke roze in witte wade, te zijn <i>in</i> Hem.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="103">&nbsp;</span><a id="p_103"></a></p>
+
+<h2><a id="Haar_keuze">Haar keuze.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt,
+dat hij nog even naar haar zal omzien... daar...
+bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en als hij
+achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even
+en denkt pruilend: &bdquo;hij het ook zoo'n haast!&rdquo;</p>
+
+<p>Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang
+geleden heeft zij begrepen wat Aart bedoelde, en verrast
+is zij dan ook niet geweest, toen hij haar zoo even
+vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden. En
+&bdquo;kermis houwe, met Allerheilige trouwe,&rdquo; zegge ze in
+'t dorp.</p>
+
+<p>Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom
+zoekt zij een reden om ontevreden te zijn over een
+ander. &bdquo;'t Was,&rdquo; denkt ze&mdash;en starende op de heg
+plukt zij aan de blaadjes daarvan&mdash;&bdquo;'t was, toe ie
+me aankeek en z'n hand toestak, of iemes me zei:
+&bdquo;toe dan, meisie, toe dan!&rdquo; en 't is of 't dwaas van me
+is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur 't
+kermis is. En dan...&rdquo;</p>
+
+<p>En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van &bdquo;de
+Wykamp&rdquo;, de grootste hofstee in den omtrek, met haar
+<span class="pagenum" title="104">&nbsp;</span><a id="p_104"></a>uitgestrekte bouwvelden en heerlijke weiden, en hoort
+zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even
+heeft gedaan. En &bdquo;boerin van de Wykamp te worde,&rdquo;
+denkt Geerte, &bdquo;da' 's veul!&rdquo;</p>
+
+<p>Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd
+was ze over alles wat ze zag. &bdquo;'t Was haast te veul veur
+een alleenig mens,&rdquo; had haar moeder gezegd, maar
+Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half genoeg
+vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin
+hij het goud van zijn moeder bewaarde. &bdquo;Doe ze 's in,
+Geerte,&rdquo; had hij gezegd, toen zij voorzichtig een paar
+lange oorhangers opgenomen en zwijgend bewonderd
+had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't
+goud weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn
+oogen op haar gevestigd gezien met een uitdrukking,
+die haar had verschrikt.</p>
+
+<p>&bdquo;Zou 't waar weze, moeder,&rdquo; had zij peinzend gevraagd,
+toen zij naar huis liepen, &bdquo;zou 't waar weze, alles wat
+ze van 'm vertelle?&rdquo; En haar moeder had geantwoord,
+dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en afgunstige
+menschen daarom misschien kwaad van hem spraken.
+Dat was wel mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn
+oogen waren toch gluiperig en schuw, vond zij. En
+toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel, dat
+een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen,
+dat <i>zijn</i> gezicht niets verborg.</p>
+
+<p>Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam
+naar de deel gaat om de blankgeschuurde emmers te
+halen,&mdash;want het is tijd om te melken,&mdash;en zij weet niet
+wat zij doen zal. &bdquo;'t Is moeilijk,&rdquo; meent zij, &bdquo;moeielijk!&rdquo;&mdash;</p>
+
+<p>Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het
+erf van &bdquo;de Zonnebloem&rdquo; gekomen is, dan roept zijn
+<span class="pagenum" title="105">&nbsp;</span><a id="p_105"></a>knecht hem toe, dat Harmsen, de kastelein van &bdquo;de
+Roode Leeuw,&rdquo; er geweest is en gevraagd heeft waarom
+hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen
+markt te Elsdingen was, en hij zijn stal vol paarden
+kreeg.</p>
+
+<p>Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat
+hij in den laatsten tijd verzuimd heeft te doen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere,&rdquo;
+denkt hij, kwaad op zich zichzelf. &bdquo;Zet de wage voor
+de schuur, Dirk,&rdquo; roept hij zijn knecht toe, &bdquo;en laat
+Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't
+aved weerum.&rdquo;</p>
+
+<p>Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen,
+en als de vracht is vastgesjord, haalt Aart het paard
+van stal. 't Is de zwarte, dien hij niet graag gebruikt,
+want het dier is nog te jong en te vurig voor dat zware
+werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet
+gebruiken&mdash;Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.</p>
+
+<p>'t Is ruim een half uur stappen naar &bdquo;de Roode Leeuw,&rdquo;
+en reeds laat in den namiddag, als hij er aan komt.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?&rdquo; vraagt
+Harmsen, die, met zijn knecht, in 't zolderluik van
+den stal staat.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat he' 'k,&rdquo; antwoordt Aart opkijkende; &bdquo;'t was me
+deur 't heufd gegaan, heur!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in
+'t heufd, jong?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Of wil ze niet meer van je wete?&rdquo; vraagt de knecht
+van Harmsen, met een knipoogje naar zijn baas.</p>
+
+<p><ins class="corr" id="corr29" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!&rdquo; roept Harmsen
+uit. &bdquo;En nou, as de weerga de zolder vol.&rdquo;</p>
+
+<p>En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep
+<span class="pagenum" title="106">&nbsp;</span><a id="p_106"></a>zinken zijn voeten in het voer, telkens als hij, heen
+en weer stappende, de vork drie- viermalen in het hooi
+steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt, als
+hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande
+massa, waarvan telkens vlokken loslaten, die op zijn
+hoofd en schouders vallen, in het luik werpt. Naarmate
+de vracht mindert, wordt de afstand tusschen
+hem en den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger
+opsteken en dus ook meer kracht aanwenden moet,
+en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd in te
+halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk,
+maar als eindelijk alles is geborgen en Aart, op den
+bodem van den leegen wagen staande, zijn pet afneemt
+en met de mouw van zijn boezeroen zich het zweet
+van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: &bdquo;hard werke,
+da's 't beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks.&rdquo;
+En met een vluggen zwaai springt hij van den wagen,
+en door den knecht van Harmsen geholpen, spant hij
+zijn paard weer in.</p>
+
+<p>&bdquo;'n Mooie zwart,&rdquo; zegt de kastelein, naar borst en
+&bdquo;beenen&rdquo; van het fiere en trappelende dier kijkende,
+en het dan onder de manen, op den hals kloppende,
+herhaalt hij: &bdquo;'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'n Beste,&rdquo; verzekert Aart, met den voet op de trede
+van den wagen. &bdquo;Stil, zwart! ho jong!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hij 's dartel,&rdquo; zegt Harmsen, op zijde gaande om
+den wagen voorbij te laten.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij 's jong, en 't is veurjaar,&rdquo; antwoordt Aart.
+&bdquo;Da-ag!&rdquo; En de teugels vierend, rijdt hij het erf af.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Zal 'm toch 's minder straf voere,&rdquo; denkt hij, als
+hij uit het mulle zand op den straatweg gekomen is,
+en zijn vurig paard, dat naar den stal verlangt, slechts
+<span class="pagenum" title="107">&nbsp;</span><a id="p_107"></a>met moeite in toom houdt, &bdquo;hij wordt te veel mans.
+Zacht, zwart! zaggies, nou!&rdquo; En met sterke vuist
+beheerscht hij het edele dier, zoodat het, den glanzenden
+nek sierlijk gebogen en knabbelend op het bit,
+eenigen tijd, half stappend half dravend, over den weg
+gaat, door het schudden van den kop en het vinnig
+slaan met den langen staart bewijzende hoe noode het
+gehoorzaamt.</p>
+
+<p>En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich
+wat Harmsen zei: &bdquo;veur haar 'n aar.&rdquo; &bdquo;'k Mocht lijje,&rdquo;
+denkt hij, &bdquo;dat 't zoo gemakkelijk ging, maar 't kruipt
+en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette kan. 'n
+Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan
+'k niet, maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa'
+'k kan,&mdash;of dat scheelt! En as 'k sikuur wist,&rdquo; denkt
+hij, op het schoft van het tuig starende, &bdquo;heel sikuur,
+dat ze me niet lijje mag,&mdash;alla! 't zou dragelijk weze,
+maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt
+uit 'r....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met
+kracht in de teugels, want zijn paard schrikt voor eenig
+wit goed, dat op een haag hangt en door den wind
+wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug,
+en als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner
+pooten met een wiel van den wagen in aanraking komt,
+dan wordt het schuw. Het steigert, slaat, en dan opeens
+trekt het woest aan en slaat op hol....</p>
+
+<p>Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd
+geopend, de kleurlooze lippen op elkander geklemd, het
+bovenlijf achterover gebogen, spant Aart de teugels
+met levenverdedigende kracht, maar het woedende dier
+stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en
+<span class="pagenum" title="108">&nbsp;</span><a id="p_108"></a>trillende neusgaten, de wild-staande oogen met bloed
+beloopen, de ooren in den nek en den kop tegen de
+borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig schuim
+om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van
+zweet, peezen en zenuwen op het uiterste gespannen,
+telkens gespoord door den slingerenden wagen, die
+hotsend en stootend over den weg giert en ieder oogenblik
+dreigt te kantelen, rent het razende dier voort...
+Voort jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog
+arbeiden, die door het ratelend gerucht van den wagen,
+waarvan de losse zijstukken telkens opvliegen en weer
+neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij
+zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den
+weg spoeden, waar zij, de handen boven de oogen, hem
+nastaren.</p>
+
+<p>&bdquo;Wie is 't?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Aart.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Aart? Aart van de Zonnebloem?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat
+holt ie...!&rdquo;</p>
+
+<p>En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint
+gedeelte van den weg, zoodat de kiezelsteenen, hoog
+opvliegende, Aart in het aangezicht treffen, of op den
+wagen kletteren&mdash;voort, naar den tol.</p>
+
+<p>De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht
+gooien? Als hij het doet, dan stort alles neer in een
+verschrikkelijken val, maar als hij het niet doet,
+het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg
+kan staan, en verder op ligt de brug over de rivier,
+en als de klap daarvan open is...!</p>
+
+<p>Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit
+genomen heeft, schiet de wagen hem voorbij, en scheuren
+<span class="pagenum" title="109">&nbsp;</span><a id="p_109"></a>de wielnaven stukken hout uit den balk, waaraan de
+sluitboom bevestigd is.</p>
+
+<p>En voort holt het kolderende dier naar het dorp.
+Eerst, met donderend geraas, over het houten brugje,
+dat over een smallen zijarm van de rivier is geslagen,
+en dan over de keien, die onder de hoeven vonken,
+door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes
+staan te praten, uit den weg vliegen en, als de wagen
+voorbij is, zich op het midden van de straat vereenigen,
+waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.</p>
+
+<p>&bdquo;Staat de brug op?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Net gestreken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Goddank...!&rdquo;</p>
+
+<p>Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de
+losplaats, die glooiend naar het water loopt, daar moeten
+paard en wagen in de rivier storten, of, als zij op de
+lange en smalle brug komen, dan slingert de gierende
+wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak
+bij de brug rukt het dier even naar links, naar de
+losplaats, maar dan wringt het weer naar rechts en is
+op de brug. En nu komt er een uitdrukking van ontzetting
+op het gelaat van Aart, want voor hem uit
+rijdt een boerenwagen, en daarachter slingert een
+ploeg, met de punt van het breede ijzer dreigend naar
+boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om van den
+wagen te springen, maar het gelukt hem niet een
+oogenblik in evenwicht te komen. De boer vr hem
+heeft zijn paard aangezet, om nog van de brug af te
+komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier
+hem ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard,
+dan Aart, terwijl het achtergedeelte van den wagen
+hoog opvliegt en dan, omkantelend, neersmakt.......</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="110">&nbsp;</span><a id="p_110"></a></p>
+
+<p>Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar
+emmers op de deel, en dan loopt zij daar eenigen
+tijd rond, de handen tegen de borst gedrukt, kreunend,
+alsof zij pijn lijdt: &bdquo;O, Aart! arme, lieve Aart!&rdquo;</p>
+
+<p>Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft
+en altijd heeft lief gehad, en dat er geen rijkdom is
+z groot, dien zij niet zou willen geven om hem weer
+beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te
+zeggen; want als hij haar nog kan hooren&mdash;en ja,
+dat zal immers!&mdash;dan zal dat hem troosten, en dan
+zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw wil worden,
+wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt...
+weer beter wordt!</p>
+
+<p>Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd,
+snelt het erf af, en spoedt zich voort, langs den donkeren
+dijk, op de lichten van de brug af, starende in
+de verte.</p>
+
+<p>De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende,
+vertelt hij aan eenige boeren hoe het gegaan is.</p>
+
+<p>&bdquo;Net was de &bdquo;Culemborg&rdquo; de brug onder deur en de
+klap gestreke, toe ie kwam aanrenne. 'k Had net effies
+de tijd om op zij te springe, toe ie tege de borstwering
+slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is ijzer,
+maar as glas afgeknapt, h? Wat zoo'n dier toch 'n
+kracht het! Watte! Effies later viel ie op de ploeg...</p>
+
+<p>&bdquo;Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar
+geen leve d'r in, en toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as
+toe ze 'm gebracht hadde....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dood?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim
+met 'm was... slim.&rdquo;</p>
+
+<p>En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij
+<span class="pagenum" title="111">&nbsp;</span><a id="p_111"></a>hem moet missen, dan niet, dat geve de hemel! voordat
+zij bij hem is geweest.</p>
+
+<p>Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij
+den straatweg, waaraan &bdquo;de <ins class="corr" id="corr30" title="Bron: Wijkamp">Wykamp</ins>&rdquo; is gelegen,
+en als zij de hofstee van Tinus voorbijgaat, dan begrijpt
+zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen tusschen hem
+en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij
+haar in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich
+een oogenblik later herinnert hoe Aart naar haar
+opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis zouden houden,
+dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande,
+schreit zij.</p>
+
+<p>Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar
+verdriet, en dan loopt zij weer voort en wischt met
+haar voorschoot haar oogen af.</p>
+
+<p>Nog enkele minuten en zij heeft &bdquo;de Zonnebloem&rdquo;
+bereikt, en over het erf, waar de vruchtboomen bloeien,
+de meidoorns geuren, de pioenen gloeien, en alles een
+lied der toekomst zingt, treedt zij de woning binnen.</p>
+
+<p>'t Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek,
+waarvan de deur openstaat, straalt het schijnsel van
+een zwak licht. Daarop gaat zij af, en als zij op den
+drempel staat, ziet zij, bij het getemperd licht der
+hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op
+het kussen in de bedstede, en naast hem zit zijn arme,
+oude moeder, het hoofd op de borst gebogen, zijn hand
+in de hare.</p>
+
+<p>Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de
+bedstede, grijpt zij eerst de gerimpelde hand van zijn
+moeder en kust die, en dan neemt zij zijn breede
+hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd
+er op, en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de
+<span class="pagenum" title="112">&nbsp;</span><a id="p_112"></a>teederheid van haar liefde en houdt zijn scheidende
+ziel nog een oogenblik op den drempel der eeuwigheid
+op....</p>
+
+<p>Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode
+handen gevouwen over het crucifix op de borst. Donker
+golft het glinsterend haar om het strakke voorhoofd,
+en donker ook steken de lange wimpers af tegen de
+wasbleeke wangen.</p>
+
+<p>Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede.
+Want om den even geopenden mond rust een glimlach,
+en die is daar gekomen, toen zij hem in tranen
+bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad&mdash;o,
+altijd...!</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="113">&nbsp;</span><a id="p_113"></a></p>
+
+<h2><a id="Bloks_Vrouw">Blok's Vrouw.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?&rdquo;
+vraagt Gijsen, een kantoorlooper, die een met een koperen
+ketting om zijn hals bevestigde portefeuille onder den
+arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien hij
+op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het
+postkantoor loopt.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordt Blok, &bdquo;'t is nou z ver, dat we effetief
+en voor goed van mekaar of benne. Gistere wier 'k
+bij me avekaat ontboje, en die zei me, dat 't nou
+eerdaags in de krant zou komme. &bdquo;Blok,&rdquo; zei ie,
+&bdquo;verleje Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel
+as 'n streep door je trouwbriefje gehaald, en de
+kinderen.... die blijve bij jou.&rdquo;<ins class="corr" id="corr31" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Da's nog gauw gegaan,&rdquo; zegt Gijsen, &bdquo;gauwer as 'k
+docht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat komt,&rdquo; antwoordt Blok, &bdquo;doordat me vrouw
+d'r eige d'r heel niet an gelege het late legge. &bdquo;As ze
+d'r tege in had gelege,&rdquo; zeit me avekaat, &bdquo;dan had
+'t nog 'n poos kanne dure, maar nou ze, om zoo
+te zegge, geen asem het gegeve, nou gong 't hard.&rdquo; En
+'t is maar goed ook!&rdquo; roept hij uit, &bdquo;want z.... zoo
+kon 't niet langer.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="114">&nbsp;</span><a id="p_114"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Dat hoor 'k,&rdquo; zegt Gijsen. &bdquo;Ze mot, zooas deze en
+gene me wist te vertelle, in de laaste tijd al heel
+verkeerd geweest zijn.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O man, slim hoor!&rdquo; erkent Blok, met een zucht.
+&bdquo;In de eerste jare van ons trouwe hebbe we 'n goed
+leve gehad, daar zal 'k niks van zegge, maar toe ze
+daarmee begon&rdquo;&mdash;en Gijsen even aanziende, brengt
+hij de hand aan den mond en licht den pink op&mdash;&bdquo;toe
+was 't mis.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;J&mdash;a!&rdquo; roept Gijsen uit, &bdquo;as 'n vrouw daarmee begint,
+dan is 't erg. Je het er niet zoo heel veel, die d'r eige
+d'ran te buite gaan, maar as ze 'm luste, dan, he' 'k
+wel hoore zegge, motte ze d'r nog erger an verslaafd
+weze as 'n man.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Te minste niet minder,&rdquo; bevestigt Blok. &bdquo;En hoe
+dat 'n vrouw verlaagt!&rdquo; roept hij uit, &bdquo;dat geloof je
+niet, as je 't niet voor je ooge het gezien. As ze in die
+toestand was en te keer ging, dan was 't dikkels meer
+as 'k kon begrijpe, dat dat nou <i>mijn</i> vrouw was, want
+zoo ies.... nee hoor! dat ha' 'k nou noot achter 'r
+gezocht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat geloof 'k graag,&rdquo; zegt Gijsen, &bdquo;want as 'k me
+eige goed herinner, dan was ze 'n knap en fesoenlijk
+meisie toe je 'r mee verkeerde.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo knap en fesoenlijk as 't maar kon,&rdquo; stemt Blok
+toe. &bdquo;En netjes en vroolijk...! <ins class="corr" id="corr32" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>'k Krijg 'n best wijf,&rdquo;
+docht 'k, toe 'k met 'r na 't stadhuis reej!&mdash;Maar
+me moeder het 't toch noot op 'r begrepe gehad.
+'k Had 't al gauw in de gate toe we verkeerde, dat
+ze 'r liever niet over de vloer had as wel. En as 'k 'r
+vroeg wat ze tegen d'r had, dan zei ze: dat wist ze
+niet, zei ze, maar ze sting 'r niet an. Daar he' 'k in
+<span class="pagenum" title="115">&nbsp;</span><a id="p_115"></a>die tijd weet genoeg van gehad. Want hoe gaat 't al,
+he? As je denkt te trouwe, en je houwt van je aanstaande
+vrouw, dan hei je graag, dat je ouwers 't ook
+doen. Maar in later jaren he' 'k er dikkels an gedocht,
+dat me moeder toch 'n beter kijkie op 'r gehad had
+as ik, al had ze <i>dit</i> nou juistement ook niet voorzien.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En hoe ze zoo an de drank gekomme is, dat zal je
+misschien niet wete?&rdquo; vraagt Gijsen.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, heel niet,&rdquo; antwoordt Blok. &bdquo;'k Heb wel 's
+gezien, dat ze op 'n verjaarpartijtje of zoo 'n kejakkie
+nam met wat suiker, of 'n glaasie kurasouw of zoo
+ies, maar da' 's ies dat doen er bij zoo'n gelegeheid
+zooveel, h? Maar hoe ze zoo wijd gekomme is, dat
+de lust tot de drank 'r te machtig is geworde, da' 's
+meer as 'k weet. En 'k docht daar zoo weinig an, dat
+deze en gene, zooas 'k van achtere hoor, 't al eerder
+in de gate gehad mot hebbe as ik. Wel ha' 'k meer
+as eens, as 'k t'huis kwam, gedocht: &bdquo;maar mens, wat
+doe je toch raar!&rdquo; maar dat dat van de drank kwam,
+dat was niet in me harses opgekomme. Maar op 'n aved,
+da' 'k weer docht: &bdquo;wat hei je toch?&rdquo; en dat ze opsting
+om 't eene of 't andere uit de keuke te hale, toe gong
+me 'n licht op. Ze liep, dat ze d'r eige kwalijk op de
+been kon houwe, en toe 'k onder d'r asem kwam, rook
+'k, dat ze gedronke had. Nou h,&mdash;ik 'r effe onder
+hande genome, dat spreekt, maar ze hiete 't me liege,
+natuurlijk. Zij&mdash;dronke! zei ze. As 'k dat docht dan
+was 'k zellevers.... Jawel...! D'r zenuwe hadde 'r te
+pakke gehad, zei ze, en daarom had ze voor 'n paar
+cente bedaarwater bij de aptheker gehaald.&mdash;Afijn...!
+Ik had 't gezien, h? En dat opgeteld bij
+<span class="pagenum" title="116">&nbsp;</span><a id="p_116"></a>al 't genige, da' 'k vroeger al gemerkt had, maakte, da'
+'k begreep, da' 'k 'n vrouw had, die an de drank was.
+&bdquo;Nou,&rdquo; denk 'k, &bdquo;nou wordt 't mooi. Ik&mdash;altijd van
+huis, en me vrouw met de fles in d'r zak, en drie
+kinders over de vloer, waarvan de ouwste toe pas zes
+jare was... nou, gaat 't goed!&rdquo; En die eigenste nacht,
+dat me vrouw sliep as 'n os, lag ik te draaie en me
+eige ongelukkig te make. En toe de dag kwalijk an
+de hemel sting, ik&mdash;na me moeder. &bdquo;Toe moeder,&rdquo;
+zeg 'k, &bdquo;doe me 'n plezier en houw er 'n oogie op.&rdquo;
+Niet op me vrouw, meende 'k, want wat ze voor mijn
+en de kindere niet liet, dat zou ze voor me moeder, daar
+ze bovedien 'n hekel an had, ook niet late, maar&mdash;op de
+kindere bedoelde 'k. Dat zou ze doen, zei me moeder.
+De schape! As d'r moeder niet wou oppasse, dan hadde
+ze altijd d'r grootouwers nog. Zie je,&rdquo; roept Blok uit,
+met den rug van de hand zijn blonden knevel opstrijkende,
+misschien meer om een trekking om den
+mond te verdrijven dan omdat de haren hem hinderen,
+&bdquo;toe 'k weer op straat sting, en na 't ketoor ging, voelde
+'k me opgelucht. 'n Mens mag getrouwd weze en ie
+mag kindere hebbe, maar zoo lang dat je ouwers nog
+leve, en je kan er na toe gaan, as je in de war zit, en
+je krijgt 'n vrindelijk woord...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan voel je,&rdquo; zegt Gijsen, &bdquo;dat je 'r ten minste niet
+heel alleenig voor staat.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo is 't,&rdquo; bevestigt Blok. &bdquo;En van die tijd af was
+me moeder, as ze effe kon wegloope, bij de kindere<ins class="corr" id="corr33" title="Bron: ,">.</ins>
+Maar alla, altijd kon ze 'r ook niet weze, h? want ze
+had ook voor me vader te zorrege, die toe al krukte,
+en zoo wier 't gaandeweg bij mijn an huis 'n misse
+boel. As 'k t'huis kwam om te ete, dan gebeurde 't
+<span class="pagenum" title="117">&nbsp;</span><a id="p_117"></a>wel, dat me vrouw d'r heel niet was, of ze had niet
+gekookt, en had ze 't klaar gemaakt, dan was 't dikkels
+niet te ete ook: niet gaar, of angebrand, of roet er in&mdash;afijn&mdash;beroerd!
+Me weekloon, daar ze vroeger geregeld
+mee had toe gekonne, raakte zoetjes an al op in 't
+voorst van de week, en was 't vroeger netjes en zindelijk
+in me woning geweest, 't wier er langzamerhand slordig
+en smerig ook. Maar 't ergste was, dat ze d'r eige ook niet
+meer an de kindere gelege liet legge. Ze liet ze maar
+rondscharrele en keek niet na ze om. En doordat 'r
+humeur er ook al niet beter op wier, grauwde en
+snauwde ze ze af, en as ze iet of wat deje, dat 'r niet
+beviel... alla, vort maar, de straat op! 'k Heb 't toch
+wel gehad,&rdquo; roept Blok uit, met diepe rimpels tusschen
+de oogen naar de straatsteenen kijkende, &bdquo;'k heb 't
+toch wel gehad, dat Antoon, da's me jongste, en 'n aardig
+gezeggelijk knaapie, al zeg 'k 't zelfs, me 's aves laat
+in de kou en in de rege, 'n heel end van me woning
+sting op te wachte, toe 'k van 't ketoor kwam. Moeder
+had 'm de straat opgestuurd, vertelde ie, omdat ie 'n
+kommetje had gebroke of zoo ies. En 't schaap had
+bekant geen kleere an 't lijf! Ik&mdash;'m opgenome, en
+toe ie op me arm zat, begon ie door ze trane heen te
+lache en aaide ie me wang, want nou was ie gerust,
+h? En dat ie ze hoofie op me schouwer leit, valt ie
+in slaap ook. &bdquo;'k Breng 'm niet na huis,&rdquo; denk 'k,
+want 'k voelde, da' 'k me eige geen baas was; en &bdquo;as
+me vrouw me nou onder de ooge komt,&rdquo; denk 'k, &bdquo;dan
+weet 'k al niet waartoe da' 'k in staat ben.&rdquo; En zoo
+brocht 'k 'm na me ouwers, waar 'k 'm gelate heb ook,
+want me moeder wou 'm graag houwe, zei ze, en dat
+ie 't daar beter zou hebbe as bij mijn... ongelukkig
+<span class="pagenum" title="118">&nbsp;</span><a id="p_118"></a>was 't, maar wat kon 'k er an doen! De vollegende
+dag, da' 'k na 't ketoor zal gaan, vraagt me vrouw waar
+dat Antoon is. &bdquo;Wel nou,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;jij het 'm de straat
+opgestuurd, h? maak jij dan nou ook maar weer, dat
+ie t'huis komt.&rdquo; En toe ze d'r achter was gekomme,
+dat ie bij me ouwers was en daar blijve zou, toe had
+je 't gaande! &bdquo;Ja nou,&rdquo; denk 'k, &bdquo;speel maar op, maar
+hier komt ie niet meer weerom.&rdquo;&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Opspele?&rdquo; zegt Gijsen,&mdash;&bdquo;ze had d'r eige motte
+schame, dat was beter geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;D'r schame!&rdquo; roept Blok uit, &bdquo;nee hoor, dat kunsie
+had ze al lang verleerd; en 't droeg er toe bij, dat 't
+van kwaad tot erger gong. Eerst maakte ze, dat we
+moste verhuize.&mdash;Dat de bure 't in de gate hadde, dat
+spreekt, h? en zoetjes an liete ze d'r loope: eerst de
+een en toe de ander, en op 't lange lest keek niemand
+d'r meer an. Daar had ze de duvel over in, dat begrijp
+je, en zoo zocht ze met iedereen ruzie, net zoo lang
+totdat ons de huur wier opgezeid<ins class="corr" id="corr34" title="Bron: ,">.</ins> 'k Woonde toe in de
+Blomstraat, en 'k had er 'n woning zoo as 'k niet gauw
+'n tweede zal vinde: 'n groote voorkamer met 'n ruim
+alkoof, 'n lief keuketje, en niet duur ook. Maar 't kon
+niet langer, zei de opzichter; niet dat ie iet of wat tege
+mijn had, maar me vrouw en de andere bewoonders
+van 't perceel,&mdash;dat gong niet. En zoo moste we weg.
+Ik&mdash;in me vrije tijd 'n andere woning gezocht
+natuurlijk, maar dat zat me niet glad, want in de buurt
+most 'k blijve, wou 'k 's aves, as 'k gedaan had, niet
+'n heel end loope, en me vrouw had d'r eige gaandeweg
+al zoo bekend gemaakt, dat ze me overal wegstuurde
+as 'k zei wie 'k was. Maar, alla h! eindelijk vond 'k
+er toch een, wel niet veel bezonders maar 't kon er mee
+<span class="pagenum" title="119">&nbsp;</span><a id="p_119"></a>door, en toe we 'r goed en wel in ware, begon ze of
+en toe 'n stukkie weg te brenge. Eerst d'r eige spulle:
+'n horlosie, daar ze voor had opgespaard toe ze nog
+diende, 'n kerkboek met 'n klampie en 'n ringetje, dat
+ze van mijn had gekrege, en later plukte ze an 't
+huishouwe: 'n stukkie koper, dat we hadde, 'n paar
+ornementjes op de schoorsteen,... afijn, alles wat ze
+kon pakke, zonder dat 't als te veel in de gate liep,
+gong na de lommerd en 't geld na de kroeg.</p>
+
+<p>&bdquo;Op 'n Zondag 'n morrege, da' 'k weer wat miste, en
+dat ze me wat handzamer leek as gewoonlijk, docht
+'k: &bdquo;'k mot toch 's met 'r prate,&rdquo; en 'k zeg: &bdquo;Bet, Bet,&rdquo;
+zeg 'k, &bdquo;waar gane we toch na toe!&rdquo; 'k Had 't kwalijk
+gezeid, of ze gong met d'r hoofd op d'r arm op de tafel
+legge, en huile... huile van geweld! 't Was gedaan,
+zei ze, 't zou niet weer gebeure. Ze zag 't nou in as
+dat 't mijn en de kindere ongelukkig maakte, en d'r
+eige ook. 'k Kon er op an, 't was uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Da' 'k dat zoo grif annam, zal 'k niet zegge, maar
+'n mens hoopt al 's gauw wat, h? En om 't 'r wat
+nader an d'r hart te legge, zeg 'k: &bdquo;Zie je,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;as
+je dit nou 's te bove kon komme, dan konne we
+ommers weer 'n best leve hebbe, zooas we in de
+eerste jare van ons trouwe hebbe gehad. Want zoo as 't
+nou is,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;is 't niks; da' 's arremoed voor ons
+allebei en voor de kindere ook, en grooter arremoed
+as dat je niet te ete het. Jij het fesoenlijke ouwers
+gehad,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;en ik heb ze nog, en nou motte wij
+ook make, dat <i>wij</i> fesoenlijk door de tijd komme. En
+as je wil,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;dat de kindere later zalle oppasse,
+dan motte ze an ons 'n voorbeeld hebbe, dat spreekt.<ins class="corr" id="corr35" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins>
+'k Had gelijk, zei ze, ze had 't d'r eige ook al voor
+<span class="pagenum" title="120">&nbsp;</span><a id="p_120"></a>gehouwe, en 't zou nou anders worde, dat beloofde
+ze me.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Was om de klok van negene, da' 'k 'r dat voorhieuw,
+en tege half tien sting ze op en kleedde d'r
+eige an: 'n hoed op en 'n mantel om. &bdquo;Waar ga je nou
+na toe?&rdquo; zeg ik. &bdquo;Na de kerk,&rdquo; zei ze. 'k Had 'r hemelsche
+gedachte in d'r hoofd gebrocht, en nou wou ze na de
+Noorderkerk, waar de domin preekte, daar ze bij
+angenome was.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Was me wel wat heel mooi, maar &bdquo;je kan 't niet
+wete,&rdquo; denk 'k. &bdquo;'t Is mogelijk, dat ze 't d'r eige vast
+het voorgenome, en ze zou de eerste niet weze, die er
+van teruggekomme is.&rdquo; En zoo lie' 'k 'r gaan. 'k Gaf 'r
+'n dubbeltje voor de stovezetster en 'n paar cente voor
+'t armezakkie, en zij&mdash;de deur uit.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Had die dag&mdash;'t was Zondag&mdash;maar n rondte,
+en toe 'k t'huis kwam om te ete, zeg 'k tege Jan&mdash;da' 's
+me ouwste&mdash;&bdquo;Jan,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;waar is je moeder?&rdquo;
+&bdquo;Moeder,&rdquo; zeit ie, &bdquo;moeder is nog niet weerom.&rdquo; &bdquo;Niet?&rdquo;
+zeg 'k, en 'k docht er 't mijne van. Maar 'k hoopte toch
+nog effe, dat ze na kerktijd bij die domin an huis was
+gegaan om 's met 'm te prate. As ze 't <i>goed</i> meende,
+dan was dat niet onmogelijk. En zoo ha' 'k geduld.
+Maar 'k wachtte, en ze kwam niet. 't Wier vier uur en
+'t wier vijf; 'k stak de lamp an, en tege half zes, dat
+de mense weer na de avedkerk gonge,... daar kwam
+ze an: d'r hoed dwars op d'r hoofd, d'r hare voor d'r
+gezicht, d'r mantel onder d'r arm, en 'n paar ooge...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;N&mdash;ou,&rdquo; roept Gijsen uit, &bdquo;'t is mooi; en dat voor 'n
+vrouw...!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;J&mdash;a,&rdquo; zegt Blok met een zucht, &bdquo;'t was erg...! Wat
+er die dag bij 'r is omgegaan,... ik weet 't niet! Maar
+<span class="pagenum" title="121">&nbsp;</span><a id="p_121"></a>zoo as ze toe te keer ging...! En woorde, dat ze in
+d'r mond nam...! En dinge, dat ze zei..! Nee,... da' 's
+nou effetief waar, maar z,... zoo hoor je 't onder
+dienst nog geen eens.<ins class="corr" id="corr36" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;N&mdash;ou,&rdquo; zegt Gijsen, &bdquo;maar da' 's meer as ik had
+verdrage, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;As je mijn vr me trouwe had gezeid,&rdquo; antwoordt
+Blok, &bdquo;dat <i>ik</i> die dinge zou anhoore en me eige zou
+bezitte, dan ha' 'k gezeid, dat je me heel niet kon. En
+as me dat zoo in eene overkomme was, dan weet 'k
+wel, da' 'k me eige ook geen baas zou zijn gebleve.
+Maar je mot niet vergete, dat je zoetjes an tot zukke
+dinge komt, net of dat je 'n ladder opklimt. 't Gaat er
+al mee as met 'n sjouwerman, h: eerst het ie an
+vijftig pond ze bekomst, maar as ie er 'n tijd bij is,
+dan loopt ie met vijftig kilo weg.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat laat 'm wel hoore,&rdquo; erkent Gijsen, &bdquo;maar je mot
+'t maar drage; en as 't 'n poos het geduurd, dan wordt
+'t zwaar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Of 't zwaar wordt!&rdquo; roept Blok uit. &bdquo;Geloof mijn
+maar, dat er heel wat wilskracht noodig is om zelfs
+niet door de wind te gaan. En as 'k me eige niet vast
+had voorgenome, dat me dat niet zou gebeure, dan weet
+'k niet wat er met mijn gebeurd zou zijn, want ze
+zegge met recht, h: 'n goed klantje van de tapper
+heet &bdquo;verdriet.&rdquo; Maar 'k zag an me vrouw wat er van
+'n mens wort, die ze eige laat gaan, en 'k heb altijd
+gedocht, as 'k 'r in die toestand zag: &bdquo;z ziene de
+kindere me noot!&rdquo;&mdash;En onderwijl gong 't aldoor met
+'r achteruit. Soms kwam ze in geen dage meer t'huis,
+en was ze 'r, dan lag ze as 'n blok op d'r bed, of ze
+speelde de beest. 'k Moest van d'r of; z kon 't niet
+<span class="pagenum" title="122">&nbsp;</span><a id="p_122"></a>langer, en 'k was er mee doende toe Jan ziek wier,
+en hard ziek ook. 'k Had twee keer daags de dokter
+over de vloer, en dat ie 'r 'n zwaar hoofd in had, dat
+kon 'k wel zien. 'k Had 'm graag na 't gasthuis late
+gaan, maar dat kon niet, zei de dokter, en zoo kwam
+de jonge an oppassing veels te kort. Wel was me
+moeder gedurig bij 'm, as ze effe kon, en af en toe keek
+'n buurvrouw ook nog wel 's na 'm, maar de geregelde
+verzorging, die 'n kind in die omstandighede noodig
+het,&mdash;die had ie niet. En zoo gong 'k 's morreges
+met looje schoene na 't ketoor. Want kindere,&rdquo; roept
+Blok uit,&mdash;&bdquo;as ze motte komme dan kijk je 'r tege an,
+maar as je ze eenmaal het, dan wil je ze niet weer kwijt.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo is 't,&rdquo; stemt Gijsen toe. &bdquo;Toe wij in 't begin van
+ons trouwe geen kindere krege, en me vrouw d'r over
+murremureerde, zeg 'k: &bdquo;mens,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;wees blij, dat
+je 'r niet voor te zorrege het.&rdquo; Maar toe we 'r eindelijk
+'n paar hadde, en me vrouws tante, die er behoorlijk
+bij kan, 't in d'r hoofd haalde om de ouwste na 'r te
+neme, en dan verders voor 'm te zorrege, toe zeg 'k:
+&bdquo;'t is heel vrindelijk angepreseteerd, daarvan niet, en 't
+is wel mogelijk, dat de jonge me d'r later schuins om
+an zal kijke, maar om 'r nou, nou we 'm eenmaal
+hebbe, zooveel as afstand van te doen,... nee hoor!..
+daar kom 'k niet in.<ins class="corr" id="corr37" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins>&mdash;En me vrouw had me wel om me
+hals wille valle, geloof 'k.<ins class="corr" id="corr38" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt Blok, &bdquo;'t is 'n mens ze vlees en bloed, h!
+En zoo wou <i>ik</i> me jonge ook graag houwe, maar 't wier
+met de dag slimmer: aldoor had ie koors, en aldoor
+was ie in de war,... 't wier hoog tijd, zei de dokter,
+dat de wind om liep; as ie nog 'n poosie in <i>die</i> hoek
+bleef, dan sting ie er kwaad voor. Maar wat was er an
+<span class="pagenum" title="123">&nbsp;</span><a id="p_123"></a>te doen? 't Beetje dat <i>ik</i> kon doen, dat deej 'k: 's nachts
+tobde 'k met 'm om, en as 'k bij 't doen van me rondte
+in de buurt van me woning kwam, dan liep 'k effe na
+bove. 't Mocht wel niet, maar... 'n mens denkt toch
+eerst om ze kindere en dan om ze werk, h?</p>
+
+<p>&bdquo;'t Was toe net in de tijd da' 'k voor 'n kameraad van
+me, die was overgeplaast, de postkwitanties ophaalde,
+en op 'n Woensdag 'n middag, da' 'k pal naast me deur
+'n rijksdaalder had weze ontvange,&mdash;ik effe me woning
+in, dat begrijp je. 't Had hard gereged, en om niet in
+me natte kleere bij me jonge te komme, trok 'k in 't
+voorkamertje me jas uit, en hong 'm over de stoel daar
+'k me brievetas en me geldzak op gelege had, en ik&mdash;na
+achtere. En toe 'k daar kwam, sting 'k toch te kijke,
+want voor me jonge ze bed zat 'n juffertje, met 'n
+blauw ketoene japonnetje an en 'n wit boezelaar voor,
+en naast 'r sting me dochtertje, dat ze met 'n prente-boekie
+bezig hieuw. Ze was zooveel as wijkverpleegster
+vertelde ze, en de dokter had 'r gestuurd. Ze was eerst
+effe bij me ouwers angeloope, zei ze, en nou ze van
+me moeder wist wanneer die niet bij mijn over de vloer
+kon weze, zou <i>zij</i> zorrege, dat zij er dan was. &bdquo;Of 'k dat
+goedvond,<ins class="corr" id="corr39" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> vroeg ze. &bdquo;Of 'k dat goedvin?&rdquo; zeg 'k, &bdquo;ja hoor,
+ikke wel, want hulpeloozer as ik, kan 'n mens er al
+niet voor staan.&rdquo; &bdquo;Ja, ja,&rdquo; zei ze, &bdquo;dat weet ik wel, maar
+'t zal nou alles wel beter gaan.&rdquo; &bdquo;Dat denk 'k ook,&rdquo; zeg
+'k, want in de gauwigheid ha' 'k al gezien, dat ze me
+dochtertje had gewasse en gekamd, en toe 'k me ooge
+door de kamer liet gaan, zag 'k, dat ze die had opgeredderd
+ook. Maar 't beste van alles was, dat me jonge
+lag te slape, en... dood gerust. En al was dat niet
+door haar gekomme, <i>zij</i> had er voor gezorgd, dat ie
+<span class="pagenum" title="124">&nbsp;</span><a id="p_124"></a>zou doorslape, want de dokter had gezeid, vertelde ze,
+dat er veel gewonne was as dat 'n poos anhieuw, en
+daarom had ze an de bure gevraagd of ze stil wou-e
+weze, zoo stil as 't maar kon. &bdquo;En de goeje mense,&rdquo; zei
+ze&mdash;&bdquo;je hoort ze niet.&rdquo; <ins class="corr2" id="corr40" title="Bron: &bdquo;"></ins>Zie je,&rdquo; roept Blok uit, &bdquo;'k
+kreeg toe 'n gevoel asof de klok weer gemaakt was,
+want in 'n huishouwe benne man en vrouw al net as
+de beide wijzers. As de groote gaat, maar de kleine niet,
+of de kleine draait, maar de groote staat stil...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; zegt Gijsen, &bdquo;daar het 'n mens niet an. Ze motte
+allebei d'r plicht doen. De eene mag 'm in 'n wat
+grootere kring bewege as de andere, maar as ze de
+juiste tijd zal anwijze....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan mot 't van binne bij allebei in orde weze,&rdquo;
+verklaart Blok. &bdquo;'t Zal dan bij mijn an huis ook weer
+gaan,&rdquo; docht 'k;&mdash;&bdquo;wel niet zoo heel precies, maar
+toch 'n boel beter;&rdquo; en, zoo voelde 'k me wel honderd
+pond lichter toe 'k weer na 't kamertje gong, om me
+jas an te trekke. 'k Doe de deur ope, en daar staat, bij
+de stoel daar 'k me spulle op gelege had, me vrouw,
+en dat ze me ziet, schrikt ze en doet 'n paar stappe
+achteruit. Jij hier, denk 'k, en da' 'k 'r ankijk, loopt
+ze aldoor achteruit, net zoo lang tot ze met d'r rug
+tege de muur sting. &bdquo;Ben je nou bang voor me?&rdquo; denk
+'k, &bdquo;waar is dat voor? want me hande na je uitgestoke
+he' 'k nog noot.&rdquo; Maar 'k zag, dat ze gedronke had,
+en zoo gaf 'k er niet om, h? Maar net, da' 'k me tas
+en me geldzak zal opneme, gaat 't me door me hoofd,
+dat ze zoo vlak bij die stoel had gestaan, en misschien
+al 'n heele tijd alleenig in dat kamertje was geweest.
+&bdquo;Verd...!&rdquo; denk 'k, &bdquo;ze is zoo van me geschrokke, ze
+zal toch niet...&rdquo; En voor 'k recht wist wa' 'k deej,
+<span class="pagenum" title="125">&nbsp;</span><a id="p_125"></a>draaide 'k de deur of, dat ze niet kon wegloope, en
+ik&mdash;me cente nageteld. En onderwijl, da' 'k er mee
+bezig was, sting ze met 'r rug tege de muur na me te kijke,
+d'r hoofd voorover, d'r waterige ooge en d'r mond wijd
+ope.&mdash;De specie was er: zooveel an rijksdaalders,
+zooveel an guldes, zooveel an klein geld... dat kwam
+uit. Maar an 't pampiere geld ontbrak 'n briefie van
+honderd gulde; en da' 'k 't gehad had, wist 'k zeker.
+'k Had er drie ontvange, hier een en daar een, maar
+da' 'k er drie most verantwoorde,&mdash;daar ging niks
+van of. 'k Telde nog 's, want alla, me hande hadde
+gebeefd, h? maar 't was weg en 't bleef weg, en me
+vrouw most 't hebbe. &bdquo;Bet,&rdquo; zeg 'k, en 'k gong na 'r
+toe, maar 'k sprak zaggies, want in de kamer d'r achter
+sliep me jonge, en as ie nou wakker wier... &bdquo;Bet,&rdquo;
+zeg 'k. &bdquo;geef me dat briefie weerom.&rdquo; Maar me vrouw
+keek me an, aldoor strak an, maar ze gaf geen asem.
+&bdquo;As 'k an 't ketoor kom,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;en 'k heb geld tekort,
+dan jage ze me weg; en waar motte we dan na
+toe?&rdquo; Maar wat scheelde 't haar! Ze schudde effe d'r
+hoofd, maar ze hieuw d'r mond. &bdquo;Maar mens,&rdquo; zeg 'k,
+&bdquo;hei je me dan nog niet ongelukkig genoeg gemaakt?&rdquo;
+En toe 'k dat zei, zag 'k an d'r gezicht, dat ze wou
+gaan opspele. &bdquo;Stil,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;in Gods naam, wees stil!
+Je weet ommers, dat Jan ziek is? Welnou, nou slaapt
+ie. Ze zegge, dat ie beter kan worde as ie nou doorslaapt.
+Laat 'm dan ook slape. 't Is toch ommers ook
+jouw jonge. Jij het 'm onder 't hart gedrage, en je
+weet ommers nog wel hoe blij dat je was, toe ie komme
+most?&rdquo; En me vrouw sloeg d'r ooge neer, d'r mondhoeke
+trokke, en uit 'r zak haalde ze 't briefie van
+honderd gulde, dat ze me over gaf.&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="126">&nbsp;</span><a id="p_126"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Dat dat gebeurde,&rdquo; zegt Blok, zijn pet naar achteren
+duwende en met de vlakke hand een paar malen over
+het voorhoofd strijkende, &bdquo;dat dat gebeurde, is nou
+alweer 'n knap poosie geleje, en na die tijd he' 'k 'r
+nog niet weerom gezien. Wat ze uitvoert, of waar dat
+ze zit,&mdash;ik weet 't niet. De een zeit, dat ze t'huis
+leit in 'n slaapstee in de St. Jacobsdwarsstraat, en de
+ander wil 'r gezien hebbe, met 'n mand met negosie,
+in de buurt van d'Uithoorn. Maar hoe dat ze rondscharrelt,
+of wat er verders met 'r gebeure zal,&mdash;van mijn
+is 't of. <i>Ik</i> heb geduld genoeg met 'r gehad, en 'n best
+leve had ze kanne hebben, maar ze het niet gewild.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En dan zit er ook al niet veel anders op,&rdquo; zegt
+Gijsen, &bdquo;as dat ze daarvan dan ook de gevolge mot
+ondervinde.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; stemt Blok toe, &bdquo;dat kan al niet anders. Maar
+as je me nou vraagt of 'k daar heel geen weet van heb,&mdash;dat
+niet.&mdash;D'r is 'n tijd geweest, da' 'k veel van 'r
+gehouwe heb, h? En de moeder van me kindere,&mdash;dat
+blijft ze altoos. 't Is 'n geluk, da' 'k van 'r of ben,
+en dat zou 'k niet anders wille, maar as 'k 't goed
+bekijk, dan he' 'k toch meer mejelijje met 'r as wat
+anders. Want dat ze 'r zelfs geen vrede mee had, dat
+ze zoo was, da' 's vast; en toe 'k 'r daar alleenig in dat
+kamertje had, het ze beweze, dat ze ook nog wel wat
+voelde, h?&mdash;En daar benne we alweer an 't ketoor.
+Jij gaat zeker voor in?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordt Gijsen, &bdquo;ik mot brieve anteekene.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ik,&rdquo; zegt Blok, &bdquo;ga hier bezijje of. Dag, hoor.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="127">&nbsp;</span><a id="p_127"></a></p>
+
+<h2><a id="Geen_Verrajer">Geen &bdquo;Verrajer&rdquo;.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>In den vroegen morgen van een lentedag, omstreeks
+den tijd waarop de werklieden naar karwei gaan en de
+melkboeren met hun wagens de stad inrijden, komen
+twee jongens, de eene even zestien- en de andere dertien
+of veertien jaren oud, beiden met ziekelijke oude-mannetjes-gezichten
+en meer vodden dan kleeren aan
+het lijf, de Korte Amstelstraat uit en loopen, linksom
+gaande, langs den Amstel in de richting naar de
+Hoogesluis. De oudste draagt een zak, die gevuld maar
+niet zwaar is en kijkt, het hoofd zoo weinig mogelijk
+bewegende, met een loerenden blik om zich heen. De
+jongste loopt een weinig vooruit, en zwijgend vervolgen
+beiden hun weg, totdat, een vijftiental huizen van de
+Hoogesluis verwijderd, de jongste plotseling blijft staan
+en uitroept:</p>
+
+<p>&bdquo;Verdikke Koo, twee leenmichels!&rdquo;<a id="FNa_1" href="#FN_1" class="fnanchor"><sup>1</sup>)</a></p>
+
+<p>&bdquo;Dat lieg ie. Waar?&rdquo; vraagt de oudste.</p>
+
+<p>&bdquo;Op de Hoogesluis,&rdquo; antwoordt de jongste, en kijkt
+<span class="pagenum" title="128">&nbsp;</span><a id="p_128"></a>met groote oogen naar twee personen, loopende in de
+richting naar het Weesperplein.</p>
+
+<p>&bdquo;Niet bunsig<a id="FNa_2" href="#FN_2" class="fnanchor"><sup>2</sup>)</a> worre, Pietje,&rdquo; waarschuwt Koo.
+&bdquo;Ga wat meer voor me loope, dat ze 't zakkie niet
+zien. Kijke ze?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe weet je, dat 't leenmichels benne?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Omdat ze laast bij ons ware,&rdquo; antwoordt Pietje, &bdquo;en
+de langste, die kan 'k toch al,&mdash;da' 's van Dam.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t <i>Benne</i> leenmichels,&rdquo; bevestigt Kootje, als hij, even
+om den jongste heen ziende, de beide personen in het
+oog heeft gekregen, wier verschijning het ventje, dat
+heden voor het eerst met hem &bdquo;gewerkt&rdquo; heeft, zoo
+grooten schrik op het lijf jaagt.</p>
+
+<p>&bdquo;Domme, nou kijke ze!&rdquo; roept Pietje uit. En in een
+ommezien trekt hij zijn klompen uit, neemt die in de
+linkerhand, en rent weg, al loopende zijn broek, die
+veel te lang en veel te wijd is, met zijn rechterhand
+ophoudende.</p>
+
+<p>&bdquo;Bunsigert!&rdquo; roept Koo hem achterna, den zak op
+een stoep smijtende, &bdquo;beroerde spatzetter! As ze me
+snappe, dan verraaj 'k je, hoor je!&rdquo;</p>
+
+<p>Niet zonder reden vermoedende, dat het plotseling
+wegloopen van Pietje den argwaan der rechercheurs
+zal hebben opgewekt, staat hij in beraad den zak in
+den steek te laten en zelf weg te loopen, als hij tot
+zijn verwondering ziet, dat de beide rechercheurs, in
+plaats van den Amstel op te gaan, zooals hij verwachtte,
+schijnbaar zonder kwaad vermoeden doorloopen, de
+Sarphatistraat in.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="129">&nbsp;</span><a id="p_129"></a></p>
+
+<p>Gerustgesteld, neemt hij den zak weer op en loopt
+voort, mompelend dat hij &bdquo;vertikt&rdquo; zal zijn, als hij ooit
+weer iets doet met &bdquo;zukke snotneuze van jonges, die
+geen lef<a id="FNa_3" href="#FN_3" class="fnanchor"><sup>3</sup>)</a> hebbe, en door d'r bunsigheid 'n ander 'n
+loer zouwe draaije.&rdquo; Bij de Hoogesluis gekomen, gluurt
+hij voorzichtig om het hoekhuis heen, maar niets van
+de rechercheurs bespeurende, vermoedt hij, dat zij een
+zijstraat of een woning zijn ingegaan, en vervolgt hij
+zijn weg, zoo dicht mogelijk langs de huizen loopende,
+om niet in het oog te vallen. Zoo komt hij aan het
+West-Einde, loopt die straat door, en juist als hij
+rechtsom wil gaan, voelt hij een hand op zijn schouder
+en, verschrikt opziende, herkent hij een der beide
+rechercheurs, die hij zoo even gezien heeft.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat dacht je niet, h Kootje, da' 'k zoo in eene uit
+de lucht zou komme valle?&rdquo; vraagt de rechercheur van
+Dam, glimlachende om de verbazing waarmede de jongen
+hem aanziet. &bdquo;Maar zie je, maatje, dat komt omdat je
+niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om
+'t hoekhuis keek, want daar zatte ik en me kameraad
+nou juistement op de loer. &bdquo;Nou jij dat aardige, kleine
+jongetje achterna,&rdquo; zeg 'k tege me kameraad, &bdquo;en ik
+Kootje opgepikt.&rdquo; En toe he' 'k 'n endje meegereje met
+die melkboer, die daar met ze wage wegrijdt, en zoo
+ben ik dan nou bij je. Gogem, h? En mal van me da'
+'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie je,
+Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes
+te vangen; dan doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar
+altijd weer heel anders; en al zou 'k je nou morge,
+om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al h' je
+<span class="pagenum" title="130">&nbsp;</span><a id="p_130"></a>mijn dan <i>ook</i> weer in de gate, dan was je 'r toch weer
+bij, want dan prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.&mdash;Maar
+hoor 's, Kootje, ik wou 's met je prate; ja, dat
+wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep
+stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig,
+h? Alla, neem 't zakkie dan maar op.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Draag 't zellevers,&rdquo; antwoordt Kootje, nijdig.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog
+al op de vroege morge, tege 'n goed vrind van je.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Stik!&rdquo; roept Kootje uit.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En
+jij, zus,&rdquo; vraagt van Dam aan een aardig dienstmeisje,
+dat voorbijloopt.</p>
+
+<p>&bdquo;Och malle!&rdquo; roept het meisje uit, &bdquo;laat mijn maar
+loope. 'k Zal 't an je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies
+niet met rust laat.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Jij doe maar,&rdquo; antwoordt de rechercheur, &bdquo;dan zal
+'k 'r zegge, da' 'k je voor me schoonmoeder hieuw.&mdash;Nou
+Kootje, wil je 't zakkie niet drage? Ook al goed;
+dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want
+'k zou me eige wel kanne begrijpe, dat je &bdquo;adie&rdquo; zegge
+en 'm smere zou, as 'k er niet voor zorgde, dat je nog
+'n poosie bij me bleef.&mdash;Koman dan maar!&rdquo; En den zak
+op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien hij
+bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen
+in de van Woustraat, bij een woning met een ingebouwde
+stoep, die beide opgaan.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou,&rdquo; zegt van Dam, zorg dragende z te gaan
+staan, dat Kootje niet kan wegloope, &bdquo;late we nou 's
+kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies? Jawel! Een, twee,
+drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente. Jonges
+Kootje&rdquo;&mdash;en de rechercheur bergt de vier stukken
+<span class="pagenum" title="131">&nbsp;</span><a id="p_131"></a>zink, afkomstig van aan gevels bevestigde afvoerbuizen,
+weer in den zak&mdash;&bdquo;je bent van morge vroeg uit de
+veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed besteed
+ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r
+een op de uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger
+doorwerke, doordat ie niet tellekes hoeft te kijke of 'r
+ook 'n smeris ankomt. Daar hei je gelijk an. Maar 'k
+vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij je had,
+wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wie?&rdquo; herhaalt Kootje, met een blik vol minachting
+naar den rechercheur, die durft te denken, dat hij
+zal &bdquo;klappe&rdquo;&mdash;&bdquo;wie? Kees Gappe, h!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten
+hoogste verwonderd is, &bdquo;was die 't? Da' 's nog famielje
+van je, h? Maar dat nou 's daar gelate. Je mot wete,
+Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat h' 'k; 'n heel
+lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete
+jonge. Wil je wete wat 't is?&rdquo; vraagt de rechercheur,
+zijn hand op den schouder van den jongen leggende.</p>
+
+<p>Maar Kootje, nijdig omdat hij &bdquo;zuur&rdquo; is, trekt wrevelig
+zijn schouder terug en zwijgt.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoor 's jongetje,&rdquo; zegt van Dam, nu in vollen ernst,
+&bdquo;nou he' 'k je maar n ding te zegge: f je mot
+hoore na 't geen ik je te zegge heb en asem geve as 'k
+je wat vraag, f, as je dat niet van zins bent,
+dan blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse,
+zooas jij zeit, en die neme je mee, d' je voor schandaal
+over de opebare weg loopt. Je bent dus gewaarschouwd,
+Kootje!&rdquo; roept de rechercheur uit, den jongen
+met zijn signaalfluit dreigende. &bdquo;Nou nog 's&rdquo;&mdash;en al
+sprekende, brengt hij bedoeld instrument langzaam naar
+den mond&mdash;&bdquo;wil je nou hoore, of mot 'k muziek make?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="132">&nbsp;</span><a id="p_132"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Wat mot 'k dan,&rdquo; vraagt Kootje nurks.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je wel, daar draai je al bij!&rdquo; zegt van Dam, &bdquo;en
+da' 's dan ook verstandig van je.&mdash;Nou, Kootje, doe je
+oore nou goed ope, want nou komt 't.&mdash;Die pijpies&rdquo;&mdash;en
+van Dam kijkt den jongen scherp aan&mdash;&bdquo;wou je
+zeker bij Krido brenge, h? Want je ging die kant uit!&rdquo;
+voegt hij er, met eenige verheffing van stem en uitgestoken
+wijsvinger, bij.&mdash;Kootje denkt even na en
+bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden
+van den rechercheur.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je wel, dat dacht 'k wel!&rdquo; verzekert van Dam.
+&bdquo;Nou zeg 'k altijd, Kootje,&rdquo; vervolgt hij, zijn bakkebaard
+streelend, &bdquo;dat 't de ergste niet altoos benne, die op 't
+rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of daar 'n
+stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben
+je 'r gemeenlijk bij, dat spreekt, h!&mdash;maar opkoopers,
+as Krido, as Mosselman, Luchthof en andere, die veel
+gemeender benne, omdat ze, door al dat gestole goed
+te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r niet
+alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene
+ze zooveel cente, dat ze huisies koope en as groote
+meneere voor de dag komme, as 'r dat in d'r hoofd
+komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet zoo
+as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam&mdash;dat zou
+heelemaal niet mal weze.&mdash;Nou mot je wete, jongie&rdquo;&mdash;en
+de rechercheur gaat met n been op de stoepleuning
+zitten&mdash;&bdquo;dat me kameraas, 'n maand of zes geleje,
+Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad
+is, voor de tijd van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd,
+en nou wou ik 's kijke, of <i>ik</i> er Krido niet bij
+kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.&mdash;Wat zou
+je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte,
+<span class="pagenum" title="133">&nbsp;</span><a id="p_133"></a>dat &bdquo;oome maffie,&rdquo; zooas juilie 'm noeme, door dit
+zaakie van jou&rdquo;&mdash;en de rechercheur wijst met een
+hoofdbeweging naar den zak&mdash;&bdquo;voor 'n jaar of wat
+zakkies most plakke.&mdash;Moppig, h?&rdquo;</p>
+
+<p>'t Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan,
+want een flauw glimlachje vertoont zich om
+zijn bleeken neus en bloedelooze lippen, maar het plan
+van den rechercheur acht hij geen duit waard, want
+hij antwoordt: &bdquo;ja, dat zal je ook glad zitte...!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement
+'s met je beprate,&rdquo; zegt van Dam, van de stoepleuning
+af komende. &bdquo;Kijk nou 's! As jij nou 's&rdquo;&mdash;en onder
+het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger
+der rechterhand op en neer&mdash;&bdquo;die pijpies, hier in dit
+zakkie, na Krido bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht
+zei, dat ze gegapt benne,&mdash;dan zou ie 't toch koope,
+denk 'k?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, daar zal ie ook wat om male!&rdquo; roept
+Kootje uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze
+kan, dat ie gewete het, dat 't gegapt was, dan is ie er
+bij; want da' 's effetief hele, hoor je! En as ie daarmee
+voor de heere mot komme, die toch al zoo fel op die
+opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van
+me arremoed verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt,
+die ze Ponto gegeve hebbe. Dus,&rdquo; zegt van Dam, met
+den wijsvinger langs den neus strijkende, &bdquo;alles wat 'k
+nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n handlangertje
+van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt,
+nadat je&mdash;versta me nou goed&mdash;nadat je 'm
+eerst het gezeit, dat ze gegapt benne. Je mot dan naderhand,
+as Krido terechtstaat, voor de rechtbank getuige,
+<span class="pagenum" title="134">&nbsp;</span><a id="p_134"></a>dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje
+van me dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan
+beloof 'k je, da' 'k je voor dit zaakie zal late loope; en
+dan krijg je nog 'n koekie van me,&mdash;je weet wel, zoo'n
+mooi zillever portretje van de Koningin.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?&rdquo;
+vraagt Kootje, den rechercheur met een argwanenden
+blik aankijkende, &bdquo;want die pijpies heb <i>ik</i> niet gegapt,
+hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och kom!&rdquo; roept van Dam uit, den jongen met een
+vriendelijken glimlach aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel neen 'k!&rdquo; zegt Kootje, verontwaardigd. &bdquo;Je het
+ommers die andere jonge bij me gezien? Wel nou, van
+zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't voor twee vierduisstukke
+bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam,
+de cente of te drage.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och kom,&rdquo; herhaalt de rechercheur.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja,&rdquo; grauwt Kootje, &bdquo;da' 's de waarheid. Wist
+ik nou wat 'r in dat zakkie zat! Daar heb ik geen
+kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga zegge, da' 'k
+die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand
+wel 's late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was
+'k zuur h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ei..!&rdquo; en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend,
+&bdquo;da's heelemaal niet mal van je geprakkiseerd, hoor!
+Je bent gogemer as 'k docht, Kootje; maar&rdquo;&mdash;en de
+rechercheur denkt een oogenblik na&mdash;&bdquo;'k beloof je,
+da' 'k je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel
+wat,&rdquo; beweert hij, een bedenkelijk gezicht zettende en
+zich met de vlakke hand langs den hals strijkende, &bdquo;as
+me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben
+'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens
+<span class="pagenum" title="135">&nbsp;</span><a id="p_135"></a>mot wat wage!&rdquo; roept hij uit. &bdquo;Wil je dan nou 't booschappie
+doen, Kootje?&rdquo;</p>
+
+<p>Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een
+hoofdknik toe, en daarop gaat hij met den rechercheur
+naar het bureau, waar hij de komst van het handlangertje
+afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden.
+Dit heerschap evenwel ziek zijnde en in het gasthuis
+verpleegd wordende, laat de rechercheur een ander
+jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de
+politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als
+&bdquo;de mottige&rdquo; bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam
+wel niet in dit individu, dat een half uurtje later aan
+het bureau verschijnt, maar voor dit zaakje, waarin hij
+niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar
+hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal
+worden, meent van Dam hem wel te kunnen gebruiken,
+en als de mottige voldoende is ingelicht, begeven zij
+zich met hun drien op weg, om den niets vermoedenden
+opkooper in de val te lokken. De jongens loopen
+vooruit, en op eenigen afstand volgt van Dam, die
+Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de zaak haar
+beslag heeft gekregen.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Heb 'n lief kansie,&rdquo; denkt de rechercheur, &bdquo;'n heel
+lief kansie, en as 't me gelukt, dan zal 't me geen
+windeiere legge; da' 's 't minste daar 'k over prakkiseer.
+As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't Is
+zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete
+wat ie vr het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel
+moppig om Krido zuur te make. Afijn! we zalle zien
+wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb gezet,
+nou is 't je geraje, maatje,&rdquo;&mdash;en de rechercheur
+kijkt met een dreigenden blik naar Kootje, die druk
+<span class="pagenum" title="136">&nbsp;</span><a id="p_136"></a>pratende en ginnegappende met den mottige, van tijd
+tot tijd naar van Dam omkijkt&mdash;&bdquo;nou is 't je geraje,
+dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie,
+jongie...! dan zou je in 't vervolg zoo'n kwaje an me
+hebbe, hoor...!&rdquo;</p>
+
+<p>Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn
+van Krido gekomen, en terwijl van Dam op
+eenigen afstand daarvan blijft wachten, gaan de beide
+jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel,
+en 't is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in
+het achterhuis, een paar gaspitten branden. Ontzaglijke
+hoeveelheden gesorteerde en ongesorteerde lompen zijn
+tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper, lood en
+zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte
+voorwerpen, van allerlei aard: gedeukt, beschadigd,
+gehavend of verroest, bedekken de lange toonbank,
+links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen,
+ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar
+die, verstandig van de hand gedaan, een verbazende
+winst zullen opleveren, en te midden van dat alles
+staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende
+tot Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt:
+&bdquo;daar, weeg maar op.&rdquo;</p>
+
+<p>De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit
+den zak, en terwijl Krido aan den eenen- en de jongens
+aan den anderen kant der bascule staan, zegt de opkooper,
+een zuur gezicht zettende: &bdquo;is dat awwes? 'n enke'
+stukhie zinkhe pijp!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Alles!&rdquo; roept Kootje uit, &bdquo;ja, d'r zal daar zoo meteen
+nog 'n verhuiswage met goed achteran komme, h...!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Z 'm zien komhe,&rdquo; antwoordt Krido en, met een
+blik naar den mottige, dien hij nog niet kent, voegt
+<span class="pagenum" title="137">&nbsp;</span><a id="p_137"></a>hij er, tot diens onderricht, bij: &bdquo;'k koop awwes, en 'k
+geef meegh as wie ook.&rdquo;</p>
+
+<p>Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens
+tegen elkander en zegt Kootje, Krido brutaal aanziende:
+&bdquo;as je maar niet in de gate het, dat 't gegapt
+is, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gaphe!&rdquo; herhaalt Krido, verontwaardigd. &bdquo;Wat wou
+jij zeghe! Ikhe, ikhe zou gestowe goed koophe...!&rdquo;</p>
+
+<p>Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt
+tegen den mottige.</p>
+
+<p>&bdquo;As 'k ooit ies heef gekoch,&rdquo; vervolgt de opkooper,
+&bdquo;dat achte-af gezien geen zuive- koffie was, heef 'k
+dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in de hande'
+niet voo-komhe, d' je ies koop, nie' te wete dat 't
+gestowe is? M as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me
+anpgesentee-, heef 'k dan niet a-tijd gezeid: &bdquo;gaat na
+Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij Kgido, da' mo'
+je niet weze?&rdquo;&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan koop dit ook niet,&rdquo; raadt Kootje hem aan, &bdquo;want
+die pijpies binne gegapt, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;As dat waagh is,&rdquo; zegt Krido rustig, &bdquo;ove' wat zou
+jij dat dan zeghe?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat vraag die leenmichel, die buite staat,&rdquo; antwoordt
+Kootje.</p>
+
+<p>Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend
+aan, maar denkende, dat Kootje hem voor den gek
+houdt, haalt hij even de schouders op.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!&rdquo; roept Kootje
+uit, &bdquo;en as je me niet gelooft&mdash;'t zal mijn 'n zorreg
+weze, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik,
+waarmede hij naar hem opkijkt, maken den opkooper
+<span class="pagenum" title="138">&nbsp;</span><a id="p_138"></a>nu toch ongerust, en Kootje scherp in de oogen ziende,
+vraagt hij: &bdquo;voo' wat zou die buite sthaan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as
+je de pijpies koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne,&rdquo;
+antwoordt Kootje.</p>
+
+<p>Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig
+naar de voordeur, draait den sleutel om, en terwijl de
+knecht, uit eigen beweging, de stukken zink weer in
+den zak doet en den zak tegen de toonbank zet, vraagt
+Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: &bdquo;wie
+sthaat buite; hoe hiet ie?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wie!&rdquo; herhaalt Kootje, &bdquo;van Dam, h! die van morrege,
+toe 'k die pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over
+de straat gong, me het angehouwe. En met ze lamme
+moppe me sarre, die verrekte stiekemert...! Ik zuur, h!
+Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k
+de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt
+ware, om jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse
+uit. &bdquo;Da' 's moppig,&rdquo; zei ie.&mdash;Moppig<ins class="corr" id="corr41" title="Niet in Bron.">,&rdquo;</ins> roept Kootje
+uit,&mdash;&bdquo;<i>hem</i> 'n loer te draaije, da' 's veel moppiger,
+h!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo'n vervloekte judas,&rdquo; zegt de knecht van Krido
+binnensmonds.</p>
+
+<p>&bdquo;'n Hond!&rdquo; roept de opkooper uit. &bdquo;Heef 'k niet -tijd
+de resersie in de hand geweght? Heef 'k niet a-tijd
+gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage, of 'k ditte of
+datte had gekoch: &bdquo;kijk m' na, en zoek m' uit!&rdquo; En
+asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet -tijd gezeid
+van wie 'k had gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme
+ook? En ha' 'k dat hoeve doen? Ha' 'k niet
+kanne zeghe: &bdquo;ikhe weet van niks, en me goed&mdash;d
+kom je niet an?&rdquo; En nou zou-e ze me, op me ouwe
+<span class="pagenum" title="139">&nbsp;</span><a id="p_139"></a>dagh, geschogte make voo' 'n stukhie zinkhe pijp! M'
+'k z ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe, en ze
+z-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van
+Dam&rdquo;&mdash;en Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes
+in de hand duwende, die de jongen terstond met den
+mottige deelt&mdash;voegt hij er bij: &bdquo;en zeg 'm ook dat
+'t 'm z heuge, dat ie Kgido heef gezoch.&rdquo; En dan, naar
+de voordeur gaande en de jongens uitlatende, zegt hij
+nog eens tusschen de tanden: &bdquo;zoo'n hond!&rdquo;&mdash;&mdash;&mdash;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel donders!&rdquo; denkt van Dam, groote oogen opzettende,
+als hij Kootje met den gevulden zak ziet terug
+komen, &bdquo;'t is mis! Hoe duivel is dat mogelijk?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?&mdash;Loop maar 'n
+endje mee; hier, de dwarsstraat in.&mdash;Nou, wat zei ie?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Da' 'k 't maar weer mee most neme,&rdquo; antwoordt
+Kootje, &bdquo;toe 'k zei, dat 't gegapt was.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel verbazend!&rdquo; roept van Dam uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Kan ik 't hellepe?&rdquo; vraagt Kootje.</p>
+
+<p>&bdquo;Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!&mdash;Wel,
+wel! Wou ie er niks mee te make hebbe, mottige.&mdash;Zei
+ie dat?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na
+Nibbig,&rdquo; antwoordt de mottige, &bdquo;maar bij hem&mdash;daar
+ware we niet te recht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is sikuur 'n mirakel!&rdquo; roept van Dam uit, die,
+nadenkende hoe de zaak zich kan hebben toegedragen,
+en van den eenen jongen naar den andere kijkende,
+bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe
+tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite,
+hun lachen verbergen.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't
+gekocht zou hebbe,&rdquo; verzekert van Dam en, met een
+<span class="pagenum" title="140">&nbsp;</span><a id="p_140"></a>blik naar Kootje, vraagt hij: &bdquo;waarom zou ie 't niet
+gedaan hebbe, denk je?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Weet ik 't?&rdquo; antwoordt de jongen.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoort eris, maatje,&rdquo; zegt de rechercheur, &bdquo;je bent
+machtig kort van asem nou, en daarom zou 'k haast
+wel denke, dat je, toe je bij Krido was, veel meer woorde
+het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve doen.
+Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat
+zal 'k dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En krijg 'k nou geen koekie?&rdquo; vraagt Kootje, den
+zak latende vallen en den rechercheur brutaal aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even
+bedenkt, &bdquo;'n koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n
+zaakie in orde komt; maar 'n goeje raad, Kootje, die
+kan je van me krijge: as je wijs doet, jongie&rdquo;&mdash;en al
+sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den wijsvinger
+op den schouder&mdash;&bdquo;as je wijs doet, dan maak
+je, dat je vooreerst niet meer in me vaarwater komt.
+Dag, hoor!&rdquo; En den zak opnemende, keert hij zich om
+en verwijdert hij zich. &bdquo;'t Is zoo klaar as de dag,&rdquo;
+denkt hij, &bdquo;Kootje het me verraje en begrepe, dat ie
+'t koekie, dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon
+krijge. En dat het ie <i>nog</i> moppiger gevonde&mdash;zoo'n
+gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe te smoese
+en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.&mdash;Maar 'n mens
+mot leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike,
+om opkoopers in de val te lokke&mdash;nee hoor, da' 's
+eens, maar dat nooit weer!&rdquo;</p>
+
+<hr class="fnsep" />
+
+<div class="footnote"><p><a id="FN_1" href="#FNa_1" class="label">1</a> Rechercheurs.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a id="FN_2" href="#FNa_2" class="label">2</a> Bang.</p></div>
+
+<div class="footnote"><p><a id="FN_3" href="#FNa_3" class="label">3</a> Moed.</p></div>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="141">&nbsp;</span><a id="p_141"></a></p>
+
+<h2><a id="De_aanspreker">De aanspreker.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;Nog 'n hallefie, Pieterse,&rdquo; zegt van Soelen&mdash;een
+dikke aanspreker, die de vijftig even voorbij is, een
+man met grijzend haar, een rood, gezwollen gezicht
+en uitpuilende, vochtige oogen&mdash;&bdquo;nog 'n hallefie,&rdquo; en
+dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die
+met een: &bdquo;meneer asjeblieft,&rdquo; welke uitdrukking hij
+zich heeft aangewend in plaats van: &bdquo;asjeblieft meneer&rdquo;
+te zeggen, het glas opneemt en het, enkele oogenblikken
+later, bijna geheel gevuld&mdash;want om de concurrentie
+met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan
+volle maat&mdash;voor zijn gast op tafel zet.</p>
+
+<p>&bdquo;As 't zuk nat weer is as nou,&rdquo; zegt van Soelen,
+het glas tegen het licht houdende en den inhoud even
+schuddende, voordat hij dien aan den mond brengt,
+&bdquo;as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor,
+da' 'k me eige van binne warm houw. Wij mense
+motte, weer of geen weer, in ons bloote hoofd op
+'t kerkhof staan, en:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;as 'n boom, in de herfst, ze blare,<br /></div>
+ <div class="i0">verliest 'n mens met de jare ze hare;&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p class="noi">las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor,
+en wist 'k buitedien ook al,&rdquo; verzekert hij, met de
+<span class="pagenum" title="142">&nbsp;</span><a id="p_142"></a>vlakke hand over de kruin van zijn hoofd strijkende,
+die inderdaad zoo glad is als de bodem van een kommetje.</p>
+
+<p>&bdquo;Ze magge zegge wat ze wille!&rdquo; roept hij uit, een
+zakje met vijf sigaren uit zijn borstzak halende en een
+daarvan opstekende&mdash;&bdquo;de jenever is dit en de jenever
+is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't
+zooveel as de volkskanker was&mdash;ook al, en dat je
+mirakel wijs deej as je, in plaas van 'n proppie te koope,
+'n glas warreme melk.... N-ou...! <i>Ik</i> zeg maar: &bdquo;'n
+iegelijk mot wete, wat 'm past.&rdquo; Ik drink ze al lang,
+dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar&mdash;van
+de gezondheid gesproke&mdash;hoe maakt 't je dochter?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och!&rdquo; antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn
+hoofd schijnt te kennen te geven, dat dit onderwerp
+hem minder aangenaam is, &bdquo;dat blijft aldoor maar 't
+zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n
+Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere,
+maar aldoor maar voor d'r eige heen te zitte suffe&mdash;daar
+krijg je op 't laast de duvel over in! Maar hardhans
+anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze heelemaal
+van de kook.&mdash;En 't beroerste is, dat niemand weet
+wat ze nou eigelijk het. 't Is z met 'r, dat as d'r
+moeder grient, dan grient zij ook, en om de kleinste
+kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make, dat ze in
+geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou
+effetief in zit&mdash;ja nou, dat raaj maar! De juffrouw
+van hierbove zeit, dat 't wurreme binne, en die wil,
+dat ze wurremekoekies zal slikke. &bdquo;'t Is niettes,&rdquo; zeit
+de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal
+'s over de vloer komt, &bdquo;ze is slap. Geloof me nou toch
+'s,&rdquo; zeit ze, &bdquo;'t is niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke,
+staalwijn.&rdquo; Maar de zuster van me vrouws tante, die
+<span class="pagenum" title="143">&nbsp;</span><a id="p_143"></a>'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't kliere binne.
+En <i>dat</i> vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze
+zoo bleek ziet en zoo papperig is.<ins class="corr" id="corr42" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Je mot 'r 's late onderzoeke,&rdquo; geeft van Soelen in
+bedenking.</p>
+
+<p>&bdquo;Ook al gebeurd,&rdquo; antwoordt Pietersen; &bdquo;de dokter
+is 'r bij geweest, en 'n poos later de perfester. Maar
+dat ha' 'k wel kanne late, want die konne niks anders
+bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou, daar
+ha' 'k nou ook wat an! &bdquo;Spatare,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;die zalle d'r
+niet na d'r hoofd vliege.&rdquo; En toe 'k dat zei, keke ze me
+over d'r bril heen an en zeije ze, met 'n strak gezicht,
+dat ze dat ook niet dochte. Maar verder kwam 'k niet.
+'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en dat ze
+zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp,
+dan mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind
+behandeld worre en altijd iemand om 'r hene hebbe
+die ze eige met d'r bemoeit.&mdash;Ja, toe maar! 't Is gauw
+gezeid, h? maar begin 'r maar 's an. <i>Ik</i> heb met de
+tapperij de heele dag me hande vol, en me vrouw&mdash;met
+'r huishouwe en d'r zes andere kindere&mdash;kan
+'r tijd ook wel an.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt van Soelen, &bdquo;verordineere dat kenne ze,
+en rekene, dat kenne ze nog beter, maar 'n kwaal
+kereere&mdash;da's nog wel effe wat anders.&mdash;En daar hei
+je de cyperse ook,&rdquo; roept hij uit, als de deur opengaat
+en een van zijn confraters binnen komt, &bdquo;ik docht
+al: waar blijft ie. Gaat zitte, man en koopt er eentje,
+as je niet op 'n droogie wil zitte.&rdquo;</p>
+
+<p>De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die
+Hinsen heet, maar onder de aansprekers als &bdquo;de cyperse&rdquo;
+bekend staat, zet zijn parapluie in een hoek en zijn
+<span class="pagenum" title="144">&nbsp;</span><a id="p_144"></a>hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn
+wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende,
+gaat hij tegenover van Soelen zitten, de opmerking
+makende, dat 't nat weertje is, en dat het weerglas, zoo
+als de barbier hem verteld heeft, altijd nog terugloopt.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Zal mijn 'n zorg weze,&rdquo; verklaart van Soelen.
+&bdquo;As we dit karreweitje van ellefe achter de rug hebbe,
+dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't niet opklaart,
+dan blijf ik d'r in.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik,&rdquo;
+zegt Hinsen, met een zucht, &bdquo;kan de heele middag
+deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans
+dood is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Die van de Keizersgracht?&rdquo; vraagt van Soelen, &bdquo;da'
+'s 'n toggie na Muijerberg, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Na Muijerberg!&rdquo; roept Hinsen uit&mdash;&bdquo;en ze hebbe
+me gezeid, dat ie op Zorgvliet....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gelijk hei je,&rdquo; stemt van Soelen toe, &bdquo;'t is Zorgvliet,
+maar 't is ook al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we
+ze vrouw, die in de kraam van 'r jongste kind stierf,
+d'r na toe gebrocht hebbe.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide
+aansprekers zettende en zitten gaande, &bdquo;dat is verleje
+Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare geleje geweest
+want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op
+de eigeste dag, dat <i>wij</i> trouwde, wier <i>zij</i> begrave. 't Is
+dikkels meer as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer
+op zit, maar 't is zoo, hoor! En waar is, dat er sedert
+me trouwe hier in Amsterdam al heel wat veranderd
+is, dat mot 'k ook 's zegge.&mdash;Neem jij je eige nou maar 's,
+van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k
+dit zaakie had overgenome, toe zag je 'r heel anders
+<span class="pagenum" title="145">&nbsp;</span><a id="p_145"></a>uit as dat je nou doet, man, en as 'k zal zegge zooas
+'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n boel
+beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor.<ins class="corr" id="corr43" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Of dat beter stong!&rdquo; roept van Soelen, in zijn zwak
+getast, uit; &bdquo;wel man, dat scheelt ommers dag en nacht!
+Wat zeit me vrouw laast, toe ze met de schoonmaak me
+ouwe spulle voor de dag haalde, en me korte broek
+voor d'r lijf hieuw, om te kijke of er ook altemet de
+mot in zat: &bdquo;dikke,&rdquo; zeit ze, &bdquo;'t is toch zonde van je
+kuite, h? Vroeger ha' je 'r nog wat an, as je voor de
+stasie uit gong, maar wat doet 't er nou toe of je 'n
+paar goeje beene het? Nee,&rdquo; zeit ze, &bdquo;as je mijn nou
+vraagt, dan mocht 'k je toch heel wat liever zien in
+je ouwe goed.&rdquo; En gelijk het ze. As je ouwers er
+voor gezorgd hadde, dat je welgeschape in de wereld
+was gekomme, dan sting zoo'n pakkie goed, zie je,
+'t sting degelijk, effetief degelijk, dat sting 't. As je
+maakte, dat je kouse en je korte broek glad over je
+beene zatte; as je schoene met de zillevere gespies&mdash;daar
+'k nou brossies voor me vrouw en me dochter
+van heb late make, omdat ze mijn toch niet meer te
+pas komme&mdash;glomme as 'n spiegel; as je jas, van
+vore ope, van achtere wat krappies zat, dat ie goed in
+de holte van de rug viel; as je 'r dan nog voor zorregde,
+dat je boord, je hallefehempie en je beffie helder wit
+gestreke ware, en je zette je driekante steek met de
+lange lamfer 'n ziertje schuins op je hoofd, dan mochte
+ze na je kijke, hoor! as je, met 'n militaire stap en je
+elleboge buitewaars, voor de stasie uit gong. En dan
+voelde je zellevers ook wel, da' je 'r weze mocht.&mdash;Nou
+drage we 'n hooge hoed, 'n sluitjas en 'n lange
+broek. En as dat nou mooijer mot weze as 't genige
+<span class="pagenum" title="146">&nbsp;</span><a id="p_146"></a>wat we vroeger droege, dan is 't mijn goed, maar <i>ik</i>
+kan er 't moois niet in zien.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ik niet,&rdquo; zegt Pietersen. &bdquo;'t Mocht ouwerwes
+weze: 'n steek en 'n korte broek, maar 't sting goed,
+hoor! en 't hoorde er hij.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat deej 't,&rdquo; stemt van Soelen toe.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Zei laast nog tege me vrouw,&rdquo; zegt Pietersen,
+&bdquo;toe hier 'n begraffenis voorbij gong en we nog weer
+'s ophaalde hoe die er vroeger uitzag: &bdquo;nee,&rdquo; zeg ik,
+&bdquo;ze magge prate wat ze wille, maar as <i>dat</i> nou 'n
+lijkstasie mot heete, dan kan ik niet zegge, dat er heel
+veel stasie meer an is.&rdquo;<ins class="corr" id="corr44" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Wat zou 't!&rdquo; roept van Soelen uit. &bdquo;As 'n vroegere
+begraffenis 'm over de strate bewoog, dan zag je ies
+daar je eerbied voor kreeg as 't voorbijgong, h? en
+'t zat 'm daarin dat alles zooveel meer solied was as
+'t nou is. Neem de lijkkoes nou maar 's, zooas wij die
+hebbe gekonne, 'n goeije twintig jaar terug: alles fluweel,
+van bove tot beneje, met dikke kwaste en franje, hier
+en daar effetjes met koorde opgenome,&mdash;sting dat niet
+goed? en sting dat niet beter as 't ope kassie, dat ze
+'r nou voor gebruike? En dan de dekkleeje, die de
+prde over d'r hals en over d'r heele lijf tot op d'r hakke
+honge, sting dat ook niet beter as 't smalle lappie
+lake, dat nou, an weerskante van 't schoffie, na beneje
+hangt? Maar 't ergste is, dat ze de dragers, die vroeger
+in d'r lange mantels, achter mekaar, rechs en links
+van de wage liepe, nou twee an twee, in d'r sluike jasse,
+d'r achter late loope, want nou leutere ze en lache ze,
+dat 't 'n schandaal is voor de mense, die er voorbij loope.
+'k Bin z niet,&rdquo; roept van Soelen uit&mdash;van wege
+zijn corpulentie niet zonder moeite het eene been over
+<span class="pagenum" title="147">&nbsp;</span><a id="p_147"></a>het andere slaande&mdash;&bdquo;'k bin z niet, da' 'k ieuwers
+'n hekel an heb alleenig maar omdat 't nieuw is, en 'k
+zal niet zegge, dat 't nou niet beter is as vroeger,
+dat de wage niet meer door de stad holt as ie terug
+komt, en dat de dragers er niet meer in zitte te rooke
+en met d'r beene te slingere; maar dat, alles bij mekaar
+genome, 'n tegeswoordige begraffenis er bij gewonne het
+bij 't genige dat ie vroeger is geweest&mdash;nee, hoor!
+dat maakt niemand me wijs.&mdash;En 't beroerste is&mdash;alla
+Pieterse, geef mijn nog 's 'n hallefie...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Koman,&rdquo; zegt Hinsen, door het goede voorbeeld aangemoedigd,
+&bdquo;geef mijn dat ook maar 's.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Beroerste is,&rdquo; herhaalt van Soelen, &bdquo;dat je er
+vroeger 'n goed stuk brood mee verdiende en dat je 't
+nou voor 'n schijntje mot doen. <i>Ik</i> heb begraffenisse
+gekonne, daar je 18 tot 20 gulde mee verdiende, behalve
+je lamfer en je hanschoene, en vraag daar nou 's om!
+As je vroeger 'n goeje dertig jaar had meegeloope, dan
+was je binne, hoor! en kon je d'r van renteniere, net
+zoo goed as 'n makelaar van de spekelasie, maar lap
+'m dat nou 's! Maar in die jare was er ook niemand,
+die an begraffenismaatschappije docht, en je deej met
+je tiene, zal 'k maar zegge, daar je nou met je honderde
+voor staat. Want nou draagt alles. Of je bakker, of
+krante-ombrenger, of kruijeniersknecht bent&mdash;zoodra 'r
+wat te drage valt&mdash;pak an maar&mdash;'t is alweer mee
+genome, en 'n uurtje uitbreke, dat kan 'n ieder. Maar
+in vroeger jare zat 't in vaste hande; je was er koster,
+of barbier, of tafelknecht bij, en je bediende in Artis,
+Felix of 't Park. En dat je zoo doende an de kost kwam&mdash;dat
+vraag 's an van Meerse, die de laaste jare dat ie
+tafeldiende, geen kouwe soupee's meer annam. &bdquo;'k Wil
+<span class="pagenum" title="148">&nbsp;</span><a id="p_148"></a>nog wel 's diene,&rdquo; zei ie, &bdquo;maar dan luuks; as 't de
+moeite niet waard is, dan stuur 'k 'n ander om 't
+hallefie.&rdquo;&mdash;Nou het ie zes huize in de stad; 'n zoon,
+die voor domin leert en, met ze vrouw en ze kindere,
+leeft ie royaal van de huur.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En zoo kan 'k er wel meer,&rdquo; verklaart Pietersen, de
+weer gevulde glaasjes op tafel zettende. &bdquo;Daar hei je
+Tielemans van hierover, Grondert uit de Westerstraat,
+bove de fruitwinkel, en Beverse, die dan nou weer in
+Weesp woont, waar ie vandaan komt&mdash;allemaal ouwe
+ansprekers, die van d'r cente leve, en goed ook.<ins class="corr" id="corr45" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Maar nou nog 's wat,&rdquo; zegt Hinsen, &bdquo;hoe komt 't
+toch, dat van Vliet, van de Lijnbaangracht, d'r zoo goed
+schijnt bij te kanne? 'n Poosie geleje sta 'k met Smulders
+te prate, en die wist me te vertelle, dat ie passies
+'n huis in de Gousblomstraat gekocht mot hebbe. Is
+dat doojefons zoo goed, daar ie bode bij is?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat 'n wonder!&rdquo; roept van Soelen uit. <ins class="corr" id="corr46" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>'t Is dat je
+'r nog maar zoo kort bij bent, maar anders zou je wete,
+dat &bdquo;Zorg voor de Toekomst&rdquo;, daar hij dan bode bij is,
+almee tot de grooste hier in de stad hoort. En as je <i>dat</i>
+het, as je bij 'n doojefons bent daar honderde en honderde
+bij verassereerd binne&mdash;ja nou, dan is er nog wel wat
+te verdiene, want alle weke komt ie de dubbeltjes
+ophale, en zoo komt ie bij de mense an huis, h?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waardoor ie,&rdquo; zegt Hinsen, &bdquo;nog 's eer as 'n ander
+weet wanneer er iemand begrave mot worre.&mdash;Verdikke,
+ja!&rdquo; roept hij uit, &bdquo;dat mot je niet uitvlakke.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Om de weerga niet!&rdquo; bevestigt van Soelen. <ins class="corr" id="corr47" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>As ie
+merkt, dat er een ziek is, dan vigeleert ie natuurlijk
+op de begraffenis, en zoodra dat ie hoort, dat ie dood
+is, dan gaat ie d'r na toe met de cente van 't fons.
+<span class="pagenum" title="149">&nbsp;</span><a id="p_149"></a>&bdquo;Asjeblieft juffrouw,&rdquo; zeit ie dan met 'n mooi praatje,
+&bdquo;daar was 'k al met de duite. U most vijf en negetig
+gulde uit 't doojefons trekke, as uws man kwam te
+valle, daar bin je eerlijk voor verassereerd, en daar legge
+ze dan nou ook: 'n briefie van zestig, n van vijf en
+twintig en twee rijksdaalders,&mdash;hier is uws geld. En as
+je nou wil, dat je je eige met niks het te bemoeie, en
+dat uws man 'n fesoenlijke begraffenis zal hebbe, zooas
+ie het geleefd, dan hei je 't maar voor 't kommandeere en
+dan zorreg ik voor alles. Negetig gulde hoeft 't niet
+eens te koste, want, as ik 't zal doen, dan houw je nog
+over, let maar op.&mdash;Hoeveel jonges het u? Drie, zeit
+u, drie en een schoonzoon? Goed; da' 's n koes. En hoeveel
+mans-leje van uws famielje binne d'r, die gevraagd
+motte worre? Door mekaar vier van uws kant en vier
+van uws mans kant, zeit u? Heel goed&mdash;da' 's acht,
+da' 's dus nog twee&mdash;da' 's drie koesse. Drie volgkoesse,
+met koesier en pallefrenier in groote rouwleverei en de
+stasiewage voor uws man, met zwarte pluime,&mdash;da'
+'s zveel. En hoeveel dragers motte d'r weze? Zalle
+we 's twaalf zegge? Twaalf dragers, da' 's heel netjes
+en heel fesoennelijk. Vin u dat goed, zeit u? mooi
+zoo. Twaalf dragers dus. Dan krijge we 'n zwarte kist
+natuurlijk, van echt greine hout, met uws mans naam,
+en de dag en 't jaar van ze geboorte en sterreve d'r op
+in vertinde spijkertjes. Dat staat nog 's fijnder, zal 'k
+'s zegge, as die witgeschilderde letters. Vin u dat ook
+niet? Bestig. 'n Zwarte kist dus met vertinde spijkerkoppies,
+dat komt, met de dragers mee, op zooveel. Dan
+hebbe we nog de koste op 't kerkhof voor 'n mooi graffie
+onder de treurboome, as 'k dat krijge kan, maar dat
+zal wel, en de kleinere onkosten voor fooije en zoo, dat
+<span class="pagenum" title="150">&nbsp;</span><a id="p_150"></a>maakt, alles met mekaar, as ik d'r ook nog 'n paar
+cente an verdiene zal, en dat mag wel, tachetig gulde.&mdash;Kijk
+u nou 's hier. As u dat nou goedvindt, dan
+wil 'k voor dat geld 't heele zaakie anneme, maar dan
+is ook alles en alles d'r onder begrepe, behalleve
+natuurlijk de koffie en de broodjes op de dag van de
+begraffenis, die voor uws koste blijve. Zalle we dat dan
+maar zoo afgesproke houwe? Heel goed; dan houwt u
+vijftien gulde,&mdash;daar legge ze,&mdash;ziet u wel? en dan
+neem ik de rest maar weer mee en zorreg voor alles.
+En tevreje zal je weze, daar hei je geen nood voor.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;An die tachetig gulde,&rdquo; zegt van Soelen&mdash;zijn sigaar,
+die onder het verhaal uit is gegaan, weer aanstekende&mdash;&bdquo;verdient
+ie er dertig; en dat ie drie van die begraffenisse
+achter de rug het, as je 'm om de klok van ellefe
+tegekomt, da' 's voor hem doen niks ongewoons.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Drie?&rdquo; vraagt de cyperse. <ins class="corr" id="corr48" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Hoe kan ie voor ellefe
+drie keer begrave?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar waar kom je vandaan man, dat je dat niet
+weet!&rdquo; roept van Soelen uit. &bdquo;Hei je dan nog nooit 's
+gezien, dat ie 'm poest, as ze 'n poosie an de gang
+binne?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zeg je nou?&rdquo; vraagt Hinsen, groote oogen opzettende,&mdash;&bdquo;poest
+ie 'm?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja, mens, hij poest 'm.&mdash;Dat je dat nou toch
+nooit 's gezien het, en je het toch ook al 's met 'm
+begrave! Afijn, maar ie doet 't; en zoo haalt ie de drie
+begraffenisse voor ellefe. Kijk maar.&mdash;Late we nou maar
+'s zegge, dat ie mot begrave om nege uur, om half tien
+en om tien uur; dan maakt ie, dat de eerste percies
+op tijd begint. Klokslag negene rijje ze weg, en dan
+zorregt ie d'r voor, dat ie pal achter de wage loopt.
+<span class="pagenum" title="151">&nbsp;</span><a id="p_151"></a>Eigelijk mot ie wel voor de stasie uit loope, omdat ie
+'m het angenome, maar dat doet ie niet, omdat 't niet
+in ze kraam te pas komt, want as ze nou 'n endje
+gereje hebbe, en ze slaan 'n hoek om, van de gracht de
+straat in of omgekeerd, dan trekt ie d'r tusse uit, gaat
+'n sigarewinkeltje of ieuwers anders in&mdash;wat ze uit
+de volgkoesse niet zien kanne, omdat eerst al de dragers
+komme, voordat de eerste koes de hoek om slaat&mdash;en
+dan loopt ie op 'n draffie of, as ie kan, pakt ie de tram,
+na ze tweede begraffenis. Daar doet ie natuurlijk net
+eender; en zoo kan ie om tien uur voor de derde keer
+antreje, en het ie d'r al twee achter de rug.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Verdikke,&rdquo; roept Hinsen uit, &bdquo;die is gogem!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Glad genoeg,&rdquo; verklaart van Soelen. &bdquo;En as 't ongeluk
+wil, dat deze of gene van de famielje, door de eene of
+andere omstandigheid, d'r achter is gekomme, dat ie
+d'r van door is gegaan, dan het ie ze praatje natuurlijk
+klaar. &bdquo;Ziet u juffrouw,&rdquo; zeit ie, &bdquo;as ik 'n begraffenis
+heb angenome, dan mot 'k zooveel as overal te gelijk
+weze. Eerst zorreg ik d'r voor, dat de stasie an de
+gang is, en as ze onder weg binne, dan' kan 'k wel
+'n oogeblikkie gemist worre, en loop 'k langes de
+korste weg na 't kerkhof, om te kijke of daar alles
+klaar is as uws man komt. Het uws neef me daar niet
+gezien, toe ze daar kwamme, zeit u? Nou, dan mot 'k
+toe zeker bij 't graf geweest zijn, om te kijke of de
+touwe en de dwarsleggers klaar lagge. En daar ook niet,
+zeit u, toe ze effetief an 't begrave gonge? Ja, dan ben
+'k toe zeker alweer an de wachtkamer geweest, om te
+kijke of de pallefreniers bij de koesse stinge, as uws
+famielje terugkwam. En as dat in orde is, dan gaan
+ik me gang, ziet u, want ik heb meer te doen.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="152">&nbsp;</span><a id="p_152"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Zoo doet ie net wat ie wil!&rdquo; roept van Soelen uit<ins class="corr" id="corr49" title="Niet in Bron.">,</ins> &bdquo;en
+verdient ie dik cente.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar&mdash;van geld gesproke&mdash;nou mo' 'k je toch 's wat
+vrage. We hebbe 'n afspraakie, h, dat as ik 'n begraffenis
+heb, dan draag jij mee, en hei jij er een, dan ik.
+Nou hei je dit jaar vast al zes keer met mijn gedrage,
+maar ik nog maar eene keer met jou. Je het toch niks
+meer gehad, hoop 'k?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zou je nou toch waarachtig denke, da' 'k je op de
+hak wou neme?&rdquo; vraagt Hinsen verontwaardigd.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou,&rdquo; antwoordt van Soelen, &bdquo;dat zou de eerste keer
+niet weze, dat me dat overkwam. Maar alla, je bint er
+nog maar kort bij, en we zalle dan maar hope, dat
+'t jou ook nog 's voor de wind zal gaan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Help 't je wensche,&rdquo; zegt Hinsen, door een zucht
+te kennen gevende, dat de wind in dat geval uit een
+tegenovergestelden hoek zal moeten waaien. &bdquo;'k Heb
+dit jaar nog niks anders gehad as juffrouw Trapman,
+da' 's de heilige waarheid,&rdquo; verzekert hij, &bdquo;en daar ben
+je bij geweest. Maar as je nou nog 's 'n poosie wacht,
+dan h' 'k er weer een; en da' 's 'n goeje.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En wie is dat?&rdquo; vraagt van Soelen.</p>
+
+<p>&bdquo;Da' 's juffrouw Willemse, uit de Westerstraat,&rdquo; antwoordt
+Hinsen; &bdquo;'t mens is zes en tachetig, en...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nou, da' 's nou ook wat!&rdquo; roept van Soelen uit,
+Hinsen met een leuk gezicht aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou ook wat?&rdquo; herhaalt Hinsen verbaasd, &bdquo;wat
+meen je daarmee?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och man,&rdquo; zegt van Soelen met een korten lach,
+&bdquo;zoo kan je me de begraffenis van me eige vader wel
+belove, h! Wel ja,&rdquo; roept hij uit, in antwoord op een
+vragenden blik van zijn confrater, &bdquo;Juffrouw Willemse
+<span class="pagenum" title="153">&nbsp;</span><a id="p_153"></a>da' 's net zoo goed as me bloed-eige grootmoeder, zal
+'k maar zegge! 't Mens woont zeker al vijftig jaar bove
+me ouwers, en aldoor omgang met d'r gehouwe, hoor.
+'k Kan me eige nog best herinnere, da' 'k, als zoo'n
+aap van 'n jonge, alle dage bij d'r bove most komme,
+omdat ze van d'r eige geen kindere had, en dan was
+'t aldoor: &bdquo;och, wat 'n aardig joggie!&rdquo; en: &bdquo;och, wat
+'n lief bellefleurtje!&rdquo; en al die viere en vijfe meer. Van
+me trouwe af komt ze bij mijn over de vloer en wij
+over de hare, en nog geen zes weke geleje, toen ze
+begon te krukke, het ze me gezeid, dat, as 't ongeluk
+wou, dat ze kwam te valle, ikke voor d'r begraffenis
+most zorrege en niemand anders.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar van mijn is 't famielje!&rdquo; roept Hinsen uit, die
+door de mededeeling van de intieme vriendschapsbetrekkingen
+tusschen de van Soelens en de Willemsens bijzonder
+onaangenaam is verrast. &bdquo;Mijns vrouws moeders
+moeder is d'r bloed-eige zuster, en nou ik ook bij 't vak
+gekomme bin, zal ze d'r eige famielje toch niet voorbijgaan
+voor 'n vreemd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, daar zal ze wat om male!&rdquo; zegt van Soelen.
+&bdquo;'k Zal niet zegge, as je d'r zoon of d'r broer nog was,
+maar as je verder in de parmetasie komt, en dan nog
+wel van je vrouws kant&mdash;dat het niks meer te beduije,
+hoor. Mijn het ze gezeid, dat ze 't beschreve had; en
+as zoo'n oud mens dat het gedaan, dan verandert ze
+'t ook niet meer. 'n Draagplaas man, da' 's alles wat
+ervoor je op zal zitte, en daar zal je tevreje mee motte
+weze.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar daar bin 'k <i>niet</i> tevrede mee,&rdquo; verklaart
+Hinsen; &bdquo;as d'r famielje sta 'k er 't naaste toe; en da'
+'k met al me kindere 'n voordeeltje best gebruike
+<span class="pagenum" title="154">&nbsp;</span><a id="p_154"></a>kan&mdash;dat zou toch wel wat heel erg weze, as ze dat
+over 't hoofd zou zien.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Afijn, we zalle zien!&rdquo; roept van Soelen uit, &bdquo;'t mens
+is nog niet dood en we kanne d'r nog wel eerder
+onder legge as zij. 't Zou de eerste keer niet weze,
+dat iemand gezond na bed ging....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En dood opsting,&rdquo; zegt Pietersen met een lakoniek
+gezicht.</p>
+
+<p>&bdquo;Nou,&rdquo; roept van Soelen uit, &bdquo;nou mot hij ook nog
+'s wat zegge, h!&mdash;Spot niet, Pieterse, 'n mens kan
+nooit 's wete wat 'm nog bove ze hoofd hangt.&mdash;Maar
+'t wordt onze tijd, cyperse. De dooje hebbe niks te doen
+en kanne wel wachte, maar de levendige hebbe d'r
+zake en wille op z'n tijd gehollepe weze.&mdash;Zalle we dan
+gaan? Koman dan maar.&mdash;Hei, daar hei je mijn hoed!
+Wat van jou is, is van mijn, zie je, maar wat van mijn
+is, daar blijf je of.&rdquo; En dit zeggende, neemt hij zijn
+hoed uit de hand van Hinsen, die, nog geheel onder
+den indruk der pasgehoorde Jobstijding, het hoofddeksel
+van zijn confrater gegrepen heeft. &bdquo;Dag Pieterse,&rdquo; zegt
+van Soelen, zijn jas dichtknoopende en zijn parapluie
+opnemende, &bdquo;tap ze nog lang, man, en tap ze an mijn;
+dan benne we allebei gehollepe.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Mag 't lijje,&rdquo; antwoordt de kastelein, de beide
+ledige glaasjes van de tafel nemende. &bdquo;Dat je hier
+komt om 'n borrel te hale, da' 's me lief; maar dat
+je hier zou komme om mijn te hale, daar he' 'k nog
+'n hekel an.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="155">&nbsp;</span><a id="p_155"></a></p>
+
+<h2><a id="Derde_Klasse">Derde Klasse.</a></h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<p>&bdquo;N, geef je vade' 'n zoen,&rdquo; zegt Mozes, met n
+voet op de treeplank van den waggon staande, tot zijn
+zoontje, dat, op den arm der moeder zittende, &bdquo;vade'&rdquo;
+naar den trein heeft gebracht.</p>
+
+<p>&bdquo;Pas op toch, pas op ze mussie!&rdquo; roept de vrouw
+van Mozes uit, nog juist bijtijds het hoofddeksel
+grijpende, dat, onder de vaderlijke omhelzing, het
+kind van het hoofd glijdt.</p>
+
+<p>&bdquo;O&mdash;ch,&rdquo; zegt Mozes&mdash;en in de wijze waarop hij
+dit woord uitspreekt, doorloopt hij een aantal noten
+van de toonladder,&mdash;&bdquo;wat zou 't! wat zou ze mussie,
+is 't bweekba- waag?&rdquo;</p>
+
+<p>Dan geeft hij zijn zoon een &bdquo;zabbe-zoen&rdquo; en stapt in,
+het portier achter zich sluitende. &bdquo;Zeg an Fwank,&rdquo; roept
+hij, met het bovenlijf uit den waggon hangende, zijn
+vrouw toe, &bdquo;da' 'k de puwwe z khoope, asse ze gaaf
+binne, en da' 'k an Lewie za' vwage, of ie gwaze het,
+zooasse de dokte' mot hebbe.&rdquo; Daarna gaat hij zitten,
+kijkt even rond, en zegt op gedempten toon: &bdquo;g'dag
+zame!&rdquo;</p>
+
+<p>Eenige oogenblikken later weerklinken de drie klokslagen,
+<span class="pagenum" title="156">&nbsp;</span><a id="p_156"></a>de hoofdconducteur geeft, met opgestoken hand
+en met het fluitje in den mond, langs den trein dravende
+het sein tot vertrek, en terwijl Mozes, met een breeden
+glimlach om zijn ruig-omhaarden mond en met toegeknepen
+oogen, herhaaldelijk knikkende, zijn vrouw en zijn
+zoontje een aantal zoenhandjes toewerpt, en zijn vrouw het
+kind laat teruggroeten, door het armpje van den jongen
+heen en weer te bewegen, waarbij zij zelve, niet
+minder dikwijls dan haar man, met het hoofd knikt,
+rijden wij weg, in het stille licht van den heerlijken
+zomeravond, wazende over bosch en bouw.</p>
+
+<p>In het compartiment, waarin wij zijn gezeten, is het
+gelukkig&mdash;want het is nog heel warm&mdash;niet vol. Met
+mij zitten op dezelfde bank twee boeren, met gezichten
+als frambozen, elk met een kort buis aan en een
+lakensche pet op het hoofd, waarvan de verlakte klep,
+waarop een paar eikeltjes van zwarte zijde heen en
+weer bungelen, niet het voorhoofd, maar het rechteroor
+overschaduwt. Beide trekken, de een aan een
+lekke sigaar en de ander aan een snorkende pijp, met
+zooveel kracht, dat zich telkens diepe kuilen in hun
+wangen vertoonen, en dikke rookwolken langzaam
+langs mij heen trekken naar het neergelaten portierraampje,
+waar zij even talmen en dan op eens, met
+vaart het luchtruim invliegende, spoorloos verdwijnen.
+Op de andere bank zit Mozes in het hoekje en, een
+eind van hem af, een stukadoor, met een grootendeels
+&bdquo;gewit&rdquo; gezicht, de handen vol kalk en ontelbare spatten
+op zijn jas, schoenen en pet, welke spatten waarschijnlijk
+ook op zijn broek en zijn vest aanwezig
+zullen zijn, maar die, nu die kleedingstukken van een
+witte stof zijn vervaardigd, niet noemenswaard in het
+<span class="pagenum" title="157">&nbsp;</span><a id="p_157"></a>oog loopen. Tusschen zijn beenen staat een niet
+gesloten reiszak van gebloemd trijp, gevuld met een
+aantal kwasten en ander gereedschap, en om zich
+heen verspreidt hij een lucht, die mij levendig aan &bdquo;de
+groote schoonmaak&rdquo; doet denken. Een weinig van
+hem af zit een vrouw, met een zuigeling op den
+schoot en een meisje van omstreeks twaalf jaren
+naast haar. Die vrouw, een frissche, gezellige dikzak,
+met een rond, prettig en vooral moederlijk gezicht,
+en glimmend-zwarte, langs de slapen gladgestreken
+haren, gekleed in jak en rok, met lange gouden
+bellen in de ooren, een helder witte muts op het
+hoofd en een lichtkleurige sjaal om, is kennelijk de
+vrouw van een polderwerker, en het kind naast haar
+is stellig pas &bdquo;aangenomen&rdquo;, want de blauwe jurk,
+die veel te lang is, de witte hoed en het kruisje van
+allerdunst goud, aan een even dun kettinkje van het
+zelfde metaal om den hals bevestigd, geven dienaangaande
+stellige aanwijzingen. In haar handen houdt
+het kind een netjes-opgevouwen, witten zakdoek,
+en juist verwonder ik mij, dat zij dien, niettegenstaande
+de drukkende hitte, nog niet heeft gebruikt,
+als zij haar moeder iets toefluistert en, op een toestemmenden
+hoofdknik, haar hand diep in den zak van
+moeders rok stekende, daaruit een kolossalen lap
+linnen of katoen te voorschijn haalt. Met dit familiestuk
+wischt zij haar gezicht af en stopt het daarna
+weer weg, waaruit voldoende blijkt, dat het door haar
+in de hand gehouden voorwerp slechts als sieraad
+bij haar toilet behoort, zooals een bouquet bij een
+baljapon; en daar zij dat zakdoekje van tijd tot tijd
+stijf tegen haar gezicht drukt, z, dat het puntje van
+<span class="pagenum" title="158">&nbsp;</span><a id="p_158"></a>haar neus er spierwit bovenuit komt, is het niet
+minder duidelijk, dat bedoeld doekje uitsluitend moet
+voldoen aan zijn hoogere bestemming, en daarop dus,
+nog niet zoo heel lang geleden, een paar droppeltjes
+grog van eau-de-Cologne gegoten moeten zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;We zitte hier toch ommers goed voor Amsterdam?&rdquo;
+vraagt de vrouw van den polderwerker, wel wat laat,
+want de trein snelt met volle vaart voort, maar
+gerustgesteld door het antwoord der boeren, van wie
+de eene zegt: &bdquo;dat doe je,&rdquo; en de andere: &bdquo;dat zitje,&rdquo;
+deelt zij ons mede wel gevraagd&mdash;maar het antwoord
+van den conducteur, die het te druk had, om haar
+behoorlijk te woord te staan, niet gehoord te hebben,
+en geeft zij voorts te kennen, dat zij niet graag in
+een verkeerden trein zou zitten, omdat zij nog verder
+moet, &bdquo;weet u!&rdquo; waarop de boeren eenstemmig verklaren:
+&bdquo;dat kan je,&rdquo; en de stukadoor vraagt: &bdquo;waar
+na toe?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Na tante Kees,&rdquo; zegt het kind in het blauw, een
+mededeeling, die de boeren ontsteld opkijken&mdash;en Mozes
+mompelen doet: &bdquo;da' 's raag,&rdquo; zoodat het kind verlegen
+wordt, dicht bij haar moeder kruipt, den arm
+door dien der moeder steekt, en het hoofd tegen haar
+schouder drukt, waarop de vrouw van den polderwerker
+haar dochtertje goedig toeknikt en ons zegt,
+dat bedoelde tante eigenlijk Kee heet, maar door haar
+man, voor de grap, nooit anders dan Kees wordt
+genoemd, een opheldering, die de boeren, kennelijk
+gerustgesteld, doet herademen en den stukadoor aanleiding
+geeft te verklaren, dat de man van tante Kees
+<i>ook</i> wel zal weten waarom hij haar zoo noemt.</p>
+
+<p>Intusschen is het zuigelingetje wakker geworden en
+<span class="pagenum" title="159">&nbsp;</span><a id="p_159"></a>begint zoo vervaarlijk te schreeuwen, dat de stukadoor,
+als dit een poosje, zonder naspeurlijke reden,
+heeft geduurd, beweert, dat de jongen bang is om
+naar tante Kees te gaan, en Mozes vraagt: of het
+kind zijn spoorwegkaartje ook verloren kan hebben,
+welke aardigheden de moeder doen glimlachen, maar
+op de boeren niet de minste uitwerking hebben.</p>
+
+<p>Onderwijl tracht de vrouw van den polderwerker
+het kind te sussen, maar wat zij ook doet: of zij het
+tusschen de handen op en neer wipt of op haar armen
+dodijnt, de kleine is niet tot bedaren te brengen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel wel, wat skreeuwt 't jong!&rdquo; zegt de oudere
+boer, het kind met verbazing aanziende.</p>
+
+<p>&bdquo;'k Weet niet wat ze het!&rdquo; verklaart de moeder, &bdquo;ze
+het aldoor zoo lief geslape. Wat is er dan toch, loeressie?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Is 't 'n zij-tje?&rdquo; vraagt de stukadoor.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel, dat raaj je goed,&rdquo; antwoordt de vrouw, &bdquo;'t kind
+heet Zijdje.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;As 'k toch wis,&rdquo; zegt Mozes, &bdquo;dat 't 'n meisie was.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Sakkerloot,&rdquo; roept de stukadoor uit, &bdquo;dan mot jij
+toch goeje ooge hebbe, hoor!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Na, wat zou 't!&rdquo; antwoordt Mozes grinnekend, &bdquo;as
+'k toch heef gezien, dat ze tege me heef gewagge.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Het ze?&rdquo; vraagt de stukadoor. &bdquo;Alla, dan het ze'r
+nou berouw genoeg van; 't kind schreeuwt as 'n
+ongesmeerde kruiwage.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kan ze ook honger hebbe?&rdquo; vraagt de jongere
+boer, die, als iemand niet tevreden is, in de eerste
+plaats aan een leege maag denkt.</p>
+
+<p>&bdquo;Nee,&rdquo; antwoordt de vrouw, nadrukkelijk het hoofd
+schuddend, &bdquo;ze komt er pas of.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En dan za' ze d'g possie ook <i>w'</i> gehad hebbe,&rdquo;
+<span class="pagenum" title="160">&nbsp;</span><a id="p_160"></a>verklaart Mozes, een vermoeden waarmede de boeren,
+door herhaaldelijk te knikken, hun volle instemming
+betuigen.</p>
+
+<p>&bdquo;Je eerste en je laaste?&rdquo; vraagt de stukadoor, met
+een blik naar de beide kinderen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee,&rdquo; antwoordt de vrouw&mdash;druk bezig tusschen
+de kleertjes van het kind te zoeken, om de reden te
+vinden waarom het zoo schreeuwt&mdash;&bdquo;wel nee! bove
+haar&rdquo;&mdash;en met het hoofd wijst zij naar het kind in het
+blauw&mdash;&bdquo;he' 'k er nog vijf, en onder haar nog vier.
+Maar dat dit kleintje me laaste zal weze&mdash;dat zou
+'k wel denken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Na,&rdquo; zegt Mozes, &bdquo;pas m' op, dat 't de ojevaag
+niet hoo-t.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat mag ie wel hoore,&rdquo; beweert de vrouw. &bdquo;We
+hebben 'r tien, en da' 's net wat 'n burgermens toekomt
+h, want 't versie zeit:</p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">Een edelman die krijgt er twee,<br /></div>
+ <div class="i2">Een rijke man krijgt vier;<br /></div>
+ <div class="i0">&mdash;Zoo'n twee- of viertal is niet erg,<br /></div>
+ <div class="i2">Die hei je voor plezier.<br /></div>
+ <div class="i0">Maar b je 'n kale ambtenaar,<br /></div>
+ <div class="i2">Of ben je domin,<br /></div>
+ <div class="i0">Dan vare d'r wel zes of acht,<br /></div>
+ <div class="i2">In 't huwlijksbootje mee.<br /></div>
+ </div>
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">Een tiental krijgt,&mdash;'t is haast te gek,<br /></div>
+ <div class="i2">Een burger zonder goed;<br /></div>
+ <div class="i0">En 't vol dozijn,&mdash;da' 's gekker nog,<br /></div>
+ <div class="i2">Is voor de arremoed.<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>&bdquo;Wel kijk,&rdquo; roept zij uit, als zij, het linkerarmpje
+van het kind ontblootende, daarop een rood vlekje
+ontdekt, &bdquo;da' 's vast 'n beest, dat 'r gestoken het,
+want ze het noot nergens niks op d'r lijfie.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'n Hoog-springertje,&rdquo; oppert de oudere boer.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="161">&nbsp;</span><a id="p_161"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee,&rdquo; zegt de vrouw, haar hoofd afkeerende,
+&bdquo;die het ze noot.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja nou,&rdquo; roept de oudere boer uit, &bdquo;'n mens mag
+zoo zindelijk weze as ie wil, maar <i>daar</i> kan je niks
+an doen!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'t Kan ook wel 'n muggebeet zijn,&rdquo; beweert de
+stukadoor.</p>
+
+<p>&bdquo;Wel ja,&rdquo; zegt de vrouw van den polderwerker, &bdquo;dat
+zal 't zeker wel weze. Hier meisie, houw jij d'r 's effe
+vast.&rdquo; En terwijl zij het kind op den schoot van haar
+oudste dochtertje legt en daarna, uit een naast haar
+staand spoorwegmandje, een lapje linnen en een
+apothekersfleschje met water gevuld te voorschijn
+haalt, beweert Mozes, dat 't &bdquo;misegab' is, zoo'n mach
+mugge as 'r dit jaag binne,&rdquo; en deelt de oudere boer
+ons mede al eens opgemerkt te hebbe, dat dit met
+den wind in verband staat, omdat, als de wind oostelijk
+is, er veel meer van &bdquo;dat goed&rdquo; in den polder komt,
+dan bij westenwind, waarop de vrouw van den polderwerker
+aanmerkt, dat men er meer last van heeft,
+als men bij het water woont dan in droge streken, en
+de stukadoor verklaart alleen te weten, dat het een
+last is, omdat men er 's nachts niet van slapen kan,
+waartegen de vrouw van den polderwerker een paar
+droppels nagel-olie als &bdquo;erg goed&rdquo; aanbeveelt, wat de
+stukadoor ook niet kwaad vindt, het evenwel nog
+beter achtende 's avonds de vensters gesloten te houden,
+omdat de dieren op het licht af komen, welk laatste
+middel allen gereedelijk toestemmen verreweg het
+beste te zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie zoo,&rdquo; zegt de vrouw van den polderwerker, het
+in water gedrenkt lapje om het armpje van het kind
+<span class="pagenum" title="162">&nbsp;</span><a id="p_162"></a>bevestigend, &bdquo;nou zal ze wel gauw weer bedare; 'k heb
+er altijd 'n hekel an as ze zoo in eene wat krijge,
+want toe we pas getrouwd ware, kreeg me man, zonder
+te wete hoe ie er an kwam, 'n dikke voet. En 't was
+maar goed, zei de dokter, dat we 'm daalijk hadde late
+hale, want as ie d'r mee was blijve loope, dan had 't
+gevaarlijk kanne worde.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt de oudere boer, &bdquo;met zukke dinge mot je
+niet zuime, da' 's menigeen z'n dood geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En mijn vade za-eg,&rdquo; zegt Mozes, &bdquo;heef 't ook mee
+bekoch.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Het ie?&rdquo; vraagt de oudere boer.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat heef ie,&rdquo; antwoordt Mozes.&mdash;&bdquo;Zes, zeve dage voo'
+ghoote vehzoendag, dat ie in ze winke' met 'n buugman
+sthaat te pgate, sthaat ie met ze hande te zwaaie,
+en slhaat ie in 'n spijke' van 'n kis.&mdash;&bdquo;Na, wat zou 't!&rdquo;
+zeit ie tege me moede', as ze schgikt, dat ie bloeit,
+&bdquo;maak toch geen matschudding ove' niks.&rdquo;&mdash;<ins class="corr2" id="corr50" title="Bron: &bdquo;"></ins>M 's awes,
+dat ie na ze bed z gaan, zeit ie, dat 't 'm pijn doet,
+zeit ie.&mdash;&bdquo;Gaat na de dokte',&rdquo; zeit me moede, &bdquo;gaat na
+de dokte'.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och,&rdquo; zeit me vade',&mdash;&bdquo;de dokte', de dokte', wat zou
+de dokte'!&rdquo; en ie gong niet. M 's ande- daags had me
+vade' 'n agm as kagepijp, en toe 't ghoote vehzoendag
+was, was mijn vade' bij zijn vade- vehzamed.&mdash;M'
+as ie gedaan had wat me moede' wou, as ie na de dokte'
+was gegaan, dan had die 'm gehouwe, zeit ie,&mdash;&bdquo;met ze
+agm of zonde' ze agm, m' gehouwe had 'k 'm,&rdquo; zeit ie.
+&bdquo;Ma' nou,&rdquo; zeit ie, &bdquo;nou 't vehgif in ze hagt is gegaan,
+nou mos ie dood.&rdquo;<ins class="corr" id="corr51" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;En 'k houw 't ervoor, dat ie nog leefde,&rdquo; zegt de
+oudere boer, &bdquo;as de smid van de Bullewijksbrug d'r bij
+<span class="pagenum" title="163">&nbsp;</span><a id="p_163"></a>was geweest, voordat ie de laatste azem had uitgeblaze,
+want zooveel as die d'r het geneze, die door de dokters
+opgegeve waren&mdash;dat geloof je niet.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Is 't toch waar?&rdquo; vraagt de stukadoor.</p>
+
+<p>&bdquo;Honderde en honderde,&rdquo; verzekert ons boertje. &bdquo;En
+alles met 'n zallevie, dat ie zelfs klaar maakt. <i>Hoe</i> ie
+dat doet, da' 's zijn geheim, zeit ie, maar zooveel is
+zeker, dat 't al 'n macht van jare van vader op zoon
+moet zijn overgegaan, wat voor dingsighede daartoe
+noodig benne. En 't helpt, hoor! bovest en bovest!
+Jong en oud, man en vrouw vindt er baat bij.
+En wat je het: galle of spatte, zal 'k maar zegge, 'n
+zieke arm of 'n zeer been&mdash;hij leit hier 'n pleister
+en daar een, en as ze d'r af valle&mdash;want je mot ze
+late zitte tot ze uitgewerkt hebbe&mdash;dan ben je geneze,
+hoor je!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zeit u?&rdquo; roept de vrouw van den polderwerker
+uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Glad geneze,&rdquo; verzekert het boertje. &bdquo;En da' 's geen
+praatje, maar de zuivere waarheid, want toe me zeun
+hier&rdquo;&mdash;en met het hoofd wijst hij naar den jongeren
+boer&mdash;&bdquo;'n kind was, kreeg ie 'n ziektestof in de linkervoet:
+zooveel as 'n beeneter, zei de dokter, en die zou
+zien, dat ie 'm weer opknapte; maar wat ie prakkizeerde
+of mierde: pappe of snijje, niks hielp. En onderwijl wier
+'t zoo erg, dat de perfester d'r an te pas most komme,
+en die zei, dat 't hoog tijd wier, dat de voet d'r af
+kwam. Maar daar kon 'k zoo in eene niet toe besluite
+en me vrouw nog minder.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan 'k me begrijpe,&rdquo; zegt de vrouw van den
+polderwerker, &bdquo;want wat wij mense hebbe gekrege, dat
+motte we houwe, ziek of gezond.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="164">&nbsp;</span><a id="p_164"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Dat zeg je goed,&rdquo; bevestigt de oudere boer, &bdquo;want
+dat we 'r over prakkiseerde, wat ons te doen stind,
+heur 'k van de smid an de Bullewijksbrug, en ik&mdash;met
+me vrouw en me zeun' d'r na toe. &bdquo;Ofzette,&rdquo; zeit
+ie, toe 'k 'm 't geval vertelde, &bdquo;ofzette,&mdash;'t mocht wat;
+<i>ik</i> zal 'm geneze, en over vier weke loopt ie paardjespele
+met de jonges langs de weg.&rdquo; En ze woord het
+ie gehouwe, want amper 'n maand later had ie de
+klompe weer aan, en na die tijd&mdash;zeg 't nou zelfs,
+Kees!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nooit nerges meer niks van gewete,&rdquo; verklaart zijn
+zoon.</p>
+
+<p>&bdquo;Daar beur je 't,&rdquo; zegt zijn vader, &bdquo;nooit iewers meer
+ies van gewete. En je nou ze voet ziet,&mdash;net zoo blank
+en zoo zuiver, <i>net</i> zoo blank en zoo zuiver,&rdquo; herhaalt
+hij, beide handen over elkander schuivende, &bdquo;de eene
+as de andere.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;M&mdash;enslief,&rdquo; roept de vrouw van den polderwerker
+uit, langzaam haar hoofd wiegend, &bdquo;wat 'n zege, wat
+'n zege!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt de stukadoor, &bdquo;want as je nou was heengegaan
+en je hadt na die perfester geluisterd....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan was ie 'n kruppel geweest, ze leve lang 'n kruppel,&rdquo;
+verklaart de oudere boer met een krachtigen
+hoofdknik.</p>
+
+<p>&bdquo;En daarvoor is ie gelukkig gespaard gebleve,&rdquo; zegt
+de vrouw van den polderwerker. &bdquo;Is 't niet waar
+meisie?&rdquo; vraagt zij met den voorsten vinger het zuigelengetje,
+dat nu weer tevreden kijkt, tegen de wangetjes
+tikkende. <ins class="corr" id="corr52" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>Is 't nou weer goed? En ga je nou weer slape?
+Toe dan maar.&rdquo; En het kind in een omslag gewikkeld
+hebbende, wiegt zij het heen en weer en neuriet:</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="165">&nbsp;</span><a id="p_165"></a></p>
+
+<div class="poem">
+ <div class="stanza">
+ <div class="i0">&bdquo;Doe die blauwe oogies toe,<br /></div>
+ <div class="i0">Zoete, lieve poes!<br /></div>
+ <div class="i0">Vaders vreugd en moeders lust,<br /></div>
+ <div class="i0">Slaap, me kleine snoes!&rdquo;<br /></div>
+ </div>
+</div>
+
+<p>En dan begint zij weer van voren af aan: &bdquo;doe die
+blauwe oogies toe,&rdquo; net zoolang totdat het kind aan de
+herhaalde uitnoodiging heeft voldaan.</p>
+
+<p>Onderwijl stopt de trein te Bussum, waar een aantal
+militairen op het perron staan, gepakt en gezakt, hun
+lange jassen van voren opgeslagen, een groen takje op
+de schako of een heideplantje in den loop van het
+geweer.</p>
+
+<p>&bdquo;Inkwartiering,&rdquo; zegt de oudere boer, die geen
+soldaat kan zien zonder aan gedwongen logeergasten
+te denken, waaraan hij een hekel heeft als aan een
+zieke koe.</p>
+
+<p>&bdquo;Schijfschiete,&rdquo; beweert de stukadoor, die van militaire
+dingen geen flauw begrip heeft, maar Mozes, den
+spijker op den kop slaande, zegt: &bdquo;maneuvels. Ze wasse
+in 't kamp en ze gane tegug.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zou 't?&rdquo; vraagt de oudere boer, die &bdquo;afmarcheeren&rdquo;
+het ideaal van alle militaire verrichtingen vindt.</p>
+
+<p>&bdquo;As 'k 't toch weet,&rdquo; roept Mozes uit, &bdquo;as 'k eiges
+toch ook heef gediend!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Bij de marine?&rdquo; vraagt de stukadoor, met een knipoogje
+tegen ons.</p>
+
+<p>&bdquo;N,&rdquo; zegt Mozes,<ins class="corr2" id="corr53" title="Bron: &rdquo;"></ins> &bdquo;wate' is nat, h? Ov' wat z je
+zwabbe- op de pwanke, as je kan sthaan op de ghond?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze motte naar Amersfoort,&rdquo; zegt de jongere boer,
+ziende dat de militairen plaats nemen in den naar die
+stad bestemden trein.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat motte ze,&rdquo; bevestigt Mozes, &bdquo;weegom, na d'g
+gagnizoen.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="166">&nbsp;</span><a id="p_166"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ja,&rdquo; zegt de oudere boer, met een zucht&mdash;terwijl
+de trein, waarin wij zijn gezeten, zich weer in beweging
+stelt&mdash;&bdquo;al dat soldaatje-spele is mooi en goed, maar
+'t kost 'n bult geld&mdash;'n bult; en ik en 'n ander
+kanne 't an belasting maar opbrenge.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O,&rdquo; roept de stukadoor uit, &bdquo;da' 's 'n ongeluk, zoo
+as ze je tegeswoordig d'r bij lappe! En as ze je eenmaal
+te pakke hebbe, dan late ze je niet los, net zoo min
+as 'n spin 'n vlieg.&mdash;Vijf, zes maande terug, net da' 'k
+t'huis ben om te ete, komme er twee van die risserseurs
+van de belasting binne.&mdash;'n Mooi stelletje! Half-sleet
+heere, met hongerige gezichte, gerafelde broeke en
+moderspatte tot op de kraag van d'r jasse, van 't vigeleere,
+dat ze, dag in dag uit, weer of geen weer, door
+de stad doen.&mdash;En mager, dat ze ware! dat ze wel met
+de konijne tusse de tralies door hadde kanne ete.&mdash;</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Offe ze terecht ware bij Bruins,&rdquo; vroege ze. &bdquo;Nou,&rdquo;
+zeg 'k, &bdquo;dat is er na, h! Me vader hiet Bruins, drie
+broers van me hiete ook Bruins, en dan he' 'k nog 'n
+macht oomes en neefs, die ook Bruins hiette&mdash;zoek
+jij nou maar uit waar je weze mot.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Bij Jan Bruins,&rdquo; zei diegenige, die 'n paar jaar
+ouwer was as de andere&mdash;'n dwarskijker van belang,
+want hij had 'n paar ooge, dat ie met 't eene na de
+neus van je gezicht en met 't andere na de neus van
+je schoene keek&mdash;&bdquo;bij Jan Bruins, de stikkadoor.&rdquo;&mdash;&bdquo;O,&rdquo;
+zeg 'k, &bdquo;tel dan je geld maar uit, want van dat
+soort is er maar een in heel Amsterdam.&rdquo; &bdquo;Nee,&rdquo; zei ie,
+&bdquo;brenge kwamme ze zoozeer niks, as wel 's kijke hoe 't
+er bij me an zat, want ze ware, zoo gezeid, van de
+belasting.&rdquo; &bdquo;Belasting,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;asjeblieft, daar zitte ze,
+allemaal om de tafel: een, twee, drie, vier, vijf, zes,
+<span class="pagenum" title="167">&nbsp;</span><a id="p_167"></a>zeve kindere; en da' 's belasting genoeg zou 'k denke.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;'k Weet niet hoe jelui 't in je hoofd haalt,&rdquo; zeit me
+vrouw. Belasting, dat was goed voor de rijkdom, zei ze,
+maar dat je er de mindere man mee an kwam, dat
+had ze nog noot op de viool hoore spele.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kon wel, zei toe die andere kerel&mdash;die zoo zuur
+keek, asof ie 'n karnemelksche moeder had gehad&mdash;dat
+kon wel, maar as ze 't alleenig van de rijkdom
+moste hebbe, dan kwamme ze d'r niet.</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Ja nou,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;waar jelui weze motte, dat weet
+'k niet en dat kan me niet schele ook, maar hier ben
+je niet terecht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat zat nog, zei ie, 'k had al vast 'n knap boeltje.</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;'n Knap boeltje,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;mag dat dan niet voor de
+belasting, dat je 'n knap boeltje het?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja wel, dat mocht wel, zei ie, maar 't was 'n eigeschap
+daar rekening mee gehouwe wier voor de inkomste-belasting.</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Inkomste-belasting,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;maar man 't is ommers
+al mooi, da' 'k met me inkomme uitkom.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;'k Begreep er niks van, zei ie.</p>
+
+<p>&bdquo;&bdquo;Nou,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;'k mag lijje, dat je gelijk het, maar as 't
+niet om me cente te doen is, dan zalle jelui toch allebei
+'n borrel van me hebbe, voordat je weggaat.<ins class="corr" id="corr54" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins>&mdash;Afijn...
+wa' 'k zei of zweeg... van me baas wiste ze dit en
+van die dat... 'k most nou maar ofwachte, zei-e ze,
+dan zou 'k wel 'n pampier t'huis krijge, en as 'k daar
+dan niet mee tevreje was, dan kon 'k altoos nog rikkelameere.
+&bdquo;Maar dat doen 'k al,&rdquo; zeg 'k, &bdquo;daar he' 'k geen
+pampier voor noodig; 'k rikkelameer al zoo hard as 'k
+kan.&rdquo; Ja nou, maar dat gong niet, <i>eerst</i> most 'k dat
+pampier hebbe.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="168">&nbsp;</span><a id="p_168"></a></p>
+
+<p>&bdquo;'n Poos later kwam 't, en ik er mee na 'n kennis van
+me, die nog wel 's 'n goeje raad voor 'n arm mens over
+het, en die dan ook 'n stuk voor me het opgesteld, da'
+'k zellevers kwalijk wist, da' 'k er zoo beroerd an toe
+was. Maar uitgehaald het 't niks, want 'n week of wat
+later kreeg 'k weer 'n pampier, en daarin sting 'n heele
+omhaal van woorde&mdash;dit gezien en dat gezien&mdash;dit
+zus en dat zoo,&mdash;w..eet ik 't! maar de rijksdaalder, daar
+die kerels me voor opgeschreve hadde, die most 'k
+betale. &bdquo;Nou,&rdquo; zeg 'k tege me vrouw, &bdquo;as dat nou niet
+is iemand 'n stuk van ze hemd knippe, zeg jij dan 's
+hoe 'k dat noeme mot.&rdquo;<ins class="corr" id="corr55" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zegt de oudere boer, &bdquo;'t is erg. En ze store d'r
+eige nerges an. Of de oogst mee- of tegevalt, of de mart
+hoog is of laag, of je gelukkig bent met je vee of er
+'n tegeslag mee het&mdash;je kan maar make, dat je de
+cente bij mekaar het. En 't lijkt wel of tegeswoordig
+alle belasting d'rekt is, want je het je anslag kwalijk
+in huis, of je kan 't al betale ook.&mdash;Maar daar benne we
+al te Amsterdam.&mdash;Koman jong, nou as de weerga na
+de avekaat.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ikhe na de vekoopening,&rdquo; zegt Mozes,&mdash;&bdquo;g'dag
+zame.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En ik na huis,&rdquo; zegt de stukadoor,&mdash;&bdquo;ook g'dag.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En wij na Sloterdijk,&rdquo; zegt de vrouw van den polderwerker,&mdash;&bdquo;gedag
+allemaal, en wel t'huis, mense.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<div class="TNbox">
+<a id="correctie"></a>
+
+<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2>
+
+<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table summary="correcties in tekst">
+ <thead>
+ <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr>
+ </thead>
+ <tbody>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 2</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 2</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 7</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 8</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 9</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 9</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 9</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 10</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 10</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 10</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 11</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 25</a></td><td class="td4">ik-mag-er ook-wel-wezen</td><td class="td4">ik-mag-er-ook-wel-wezen</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 32</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 33</a></td><td class="td4">en en</td><td class="td4">en</td></tr>
+
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 41</a></td><td class="td4">onmiddelijk</td><td class="td4">onmiddellijk</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 52</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 59</a></td><td class="td4">misschen</td><td class="td4">misschien</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 69</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 72</a></td><td class="td4">Kreggens</td><td class="td4">Kreggers</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 72</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 105</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 111</a></td><td class="td4">Wijkamp</td><td class="td4">Wykamp</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 113</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 114</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr33">Blz. 116</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr34">Blz. 118</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr35">Blz. 119</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr36">Blz. 121</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr37">Blz. 122</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr38">Blz. 122</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr39">Blz. 123</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr40">Blz. 124</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr41">Blz. 138</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr42">Blz. 143</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr43">Blz. 145</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr44">Blz. 146</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr45">Blz. 148</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr46">Blz. 148</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr47">Blz. 148</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr48">Blz. 150</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr49">Blz. 152</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr50">Blz. 162</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr51">Blz. 162</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr52">Blz. 164</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr53">Blz. 165</a></td><td class="td4">&rdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr54">Blz. 167</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr55">Blz. 168</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ </tbody>
+</table>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Kleurig en donker, by Willem van Amsterdam
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KLEURIG EN DONKER ***
+
+***** This file should be named 39736-h.htm or 39736-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/7/3/39736/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/39736-h/images/cover.jpg b/39736-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2031135
--- /dev/null
+++ b/39736-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/39736-h/images/extern.png b/39736-h/images/extern.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/39736-h/images/extern.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..86e0f0e
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #39736 (https://www.gutenberg.org/ebooks/39736)