summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39146-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '39146-0.txt')
-rw-r--r--39146-0.txt15063
1 files changed, 15063 insertions, 0 deletions
diff --git a/39146-0.txt b/39146-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..78133f2
--- /dev/null
+++ b/39146-0.txt
@@ -0,0 +1,15063 @@
+The Project Gutenberg EBook of Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643
+naar het Noorden en Oosten van Japan, by C. J. Coen and P. F. von Siebold
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan
+ volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum
+
+Author: C. J. Coen
+ P. F. von Siebold
+
+Release Date: March 14, 2012 [EBook #39146]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE VAN MAARTEN GERRITSZ. ***
+
+
+
+
+Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
+book was produced from scanned images of public domain
+material from the Google Print project.)
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | Transcriptie gebruikt voor deze e-tekst: |
+ | * Schuingedrukte tekst in het origineel wordt hier weergegeven |
+ | tussen liggende streepjes, als in _tekst_; vetgedrukt tekst in |
+ | het origineel als =tekst=; gespatiëerde tekst als ~tekst~. |
+ | * Tekst in klein-kapitaal is hier weergegeven als kapitaal. |
+ | * Superscript tekst is getranscribeerd als ^{tekst}, subscript |
+ | tekst als _{tekst}. |
+ | * Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea of tabel |
+ | waarop ze betrekking hebben. Voetnoten zijn gemarkeerd [1], [2], |
+ | enz.; aantekeningen zijn gemarkeerd [A1], [A2], enz.; deze zijn |
+ | te vinden in het hoofdstuk “Aanteekeningen”. |
+ | * Het VOC monogram is getranscribeerd als [VOC]. |
+ | * De “Verbeteringen” zijn al in de tekst doorgevoerd. |
+ | * Afhankelijk van de gebruikte software en instellingen kan het |
+ | voorkomen dat niet alle gebruikte tekens en symbolen correct |
+ | worden weergegeven. |
+ | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze |
+ | tekst. |
+ +--------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ ~REIZE~
+ VAN
+ ~MAARTEN GERRITSZ. VRIES~
+ IN 1643
+ NAAR
+ ~JAPAN~.
+
+ UITGEGEVEN
+ DOOR
+ ~P. A. LEUPE~,
+ KAPITEIN DER MARINIERS.
+
+ MET KAART EN FAC-SIMILÉS,
+ EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
+ VAN
+ Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.
+
+ UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
+ VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
+
+ AMSTERDAM,
+ ~FREDERIK MULLER~.
+ 1858.
+
+
+
+
+ ~REIZE~
+ VAN
+ MAARTEN GERRITSZ. VRIES
+ IN 1643
+ NAAR HET NOORDEN EN OOSTEN VAN
+ ~JAPAN~,
+ VOLGENS HET JOURNAAL GEHOUDEN DOOR C. J. COEN,
+ OP HET SCHIP _~CASTRICUM~_.
+
+ NAAR HET HANDSCHRIFT UITGEGEVEN EN MET BELANGRIJKE
+ BIJLAGEN VERMEERDERD
+ DOOR
+ ~P. A. LEUPE~,
+ KAPITEIN DER MARINIERS.
+
+ =MET DE DAARBIJ BEHOORENDE KAART EN EENIGE FAC-SIMILÉS,=
+ EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN,
+ TEVENS DIENENDE TOT EEN ZEEMANSGIDS NAAR
+ ~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE ~KURILEN~,
+ EN STUKKEN OVER DE TAAL EN VOORTBRENGSELEN DER
+ ~AINO-LANDEN~,
+ VAN
+ Jonkheer P. F. VON SIEBOLD.
+
+ UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN
+ VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË.
+
+ AMSTERDAM,
+ ~FREDERIK MULLER~.
+ 1858.
+
+
+
+
+ La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui
+ ait pu être faite, dans un temps, où les méthodes d’observation
+ étaient très grossières.
+
+ LA PEROUSE,
+
+ _Voyage autour du monde_, T. III. p. 153.
+
+
+
+
+Bij de vele nasporingen in de Archieven der Oost-Indische Compagnie door
+mij in het werk gesteld, ten einde daaruit belangrijke en in het stof
+begravene reisverhalen onzer Voorvaderen aan het licht te brengen, had
+ik menigmaal gehoopt de hoogst belangrijke reize door VRIES in 1643 naar
+Japan gedaan, te vinden, doch steeds vergeefs. Wie schetst nu mijne
+verbazing, toen ik dit Reisverhaal ontdekken mogt in een Handschrift,
+mij ter nader onderzoek aangeboden door den Heer F. MULLER, Uitgever
+dezes, aan wien de Eigenaar, de Hoog Wel-Geb. Heer J. HUYDECOPER VAN
+MAARSEVEEN, het op zijn verzoek welwillend ter leen verstrekt had.
+ZEd.Geb. heeft, na mededeeling van den belangrijken inhoud, de uitgave
+ter liefde der wetenschap willen vergunnen, en daardoor allen, die
+belang stellen in de ontdekkingen der Hollandsche zeevarenden en in de
+geographische wetenschap, ten zeerste aan zich verpligt. Van heeler
+harte brengen wij ZEd.Geb. daarvoor onzen warmen dank. Het _Koninklijk
+Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië_ heeft
+het zich voorts eene aangename taak geacht dit Reisverhaal onder hare
+Werken op te nemen, terwijl de _Bijlagen_, ter nadere toelichting
+hieraan toegevoegd, het belang dezer uitgave verhoogen.
+
+Tevens brenge ik mijn’ dank toe aan Z. Excell. den Minister van
+Koloniën, die ons in de gelegenheid stelde, om in het Oud-Koloniaal
+Archief te dezer stede over deze reis van de Vries eenige nasporingen te
+doen, en den Heer Mr. L. M. C. van Dijk, die ons daarin met
+bereidvaardigheid te hulp kwam.
+
+Moge dit werk strekken ter meerdere bevestiging van den roem onzer
+Zeevarenden en ter uitbreiding der kennis van het Rijk van Japan, vooral
+in onze dagen van zoo bijzonder aanbelang.
+
+P. A. LEUPE.
+
+
+
+
+VERBETERINGEN.
+
+
+ Bl. 45 reg. 6 v. b. _staat_: Geuerael _lees_: Generael
+ „ 55 „ 10 v. b. „ middaeh „ middach
+ „ 73 „ 13 v. b. „ 2 min. „ 28 min.
+ „ 76 „ 21 v. b. „ 6¼ myl „ 6½ myl
+ „ 88 „ 14 v. b. „ somtyst „ somtyds
+ „ 105 „ 7 v. o. „ 16 min. „ 26 min.
+ „ 139 „ 7 v. o. „ 49 „ 40
+ „ 164 „ 4 v. b. „ 45 gr. „ 43 gr.
+ „ 182 „ 9 v. o. „ 12 min. „ 52 min.
+ „ 188 „ 3 v. b. Zie noot 34 op bl. 196.
+ „ 207 „ 1 v. b. _staat_: Novemer _lees_: November
+ „ 352 „ 14 v. b. „ 41 gr. „ 47 gr.
+
+ * * * * *
+
+Verschil tusschen het JOURNAAL en het VERKORT JOURNAAL.
+
+ Journaal. Verkort Journaal.
+ Bl. 53 27 April gegiste breedte bevonden breedte.
+ „ 99 20 Junij 46 gr. 6 min. 46 gr. 7 min.
+ „ 183 4 Sept. 41 gr. 3 min. 41 gr. 5½ min.
+ „ 201 28 Oct. 160 gr. 5 min. 160 gr. 25 min.
+ „ 207 7 Nov. 31 gr. 22½ min. 38 gr. 53 min.
+
+De verschillen, die minder dan eene minuut bedragen, zijn door ons niet
+opgegeven.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Inleiding. 3
+
+ Instructie voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries,
+ en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens,
+ gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van
+ Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America,
+ mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan. 11
+
+ Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt,
+ ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende
+ Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van
+ 37½ graden, benoorden de Linie Equinoctiael. 35
+
+ Ordre tot de Zeylaegie voor den Schipper-Commandeur Maerten
+ Gerritsen Vries en de verdere overigheyd van de fluyt Castricum
+ ende ’t jacht Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs
+ d’Oostcuste van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel
+ Maleye sullen hebben te reguleren. 41
+
+ Journael ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den
+ Opperstierman Cornelis Jansz. Coen. 45
+
+ Bijlagen. 233
+
+ Extracten uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-
+ Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de
+ schepen Castricum en Breskens. 235
+
+ Aanteekeningen. 261
+
+ Aardrijks- en Volkenkundige Toelichtingen tot de Ontdekkingen
+ van Maerten Gerritsz. Vries door Jhr. Ph. F. von Siebold. 263
+
+ De Ontdekking van het Eiland Breskens en van de Quast’s
+ Eilanden. 267
+
+ De Ontdekking van de Tasman’s Eilanden. 270
+
+ De Ontdekking van de Oostkust van Japan van de Kaap Sirofama
+ van Nippon (Hoek Bosho) tot den Noordhoek. 276
+
+ De Ontdekking van het Land van Jezo. 295
+
+ De Stam der Aino’s. 354
+
+ De Taal der Aino’s. 381
+
+ Aino-Gesprekken. 387
+
+ Verzameling van Aino-Woorden. 388
+
+ Voortbrengselen der Aino-Landen. 401
+
+ Het Dierenrijk. 402
+
+ Het Plantenrijk. 414
+
+ Delfstoffen. 430
+
+ Tafel van Vergelijking van de Breedte- en Lengtebepalingen van
+ de Voornaamste Punten en Plaatsen van Jezo, de Zuidelijke
+ Kurilen en van Krafto. 436
+
+ Fac-similés
+
+ Kaart
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Eene der belangrijkste ontdekkingsreizen, die er onder het bestuur van
+den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen hebben plaats gehad, is die
+onder het beleid van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries in
+het jaar 1643, met de schepen _Castricum_ en _Breskens_ naar het
+Noord-Ooster-deel van _Azië_.
+
+De aanleiding tot het doen dezer reize was vooral deze. In 1635 was er
+door eenen Willem Verstegen, in dienst der Oost-Ind. Comp. in _Japan_
+werkzaam geweest zijnde, »Eene Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge,
+omme een grooten schadt ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen,
+op het ryck ende Goudt ende Silver Eylant, gelegen in de Zuit-zee, ter
+hoochte van 37½ graden benoorden de Linie Equinoctiael, gedirigeert aen
+d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael enz.” Deze Gouverneur
+vertrok spoedig na het ontvangen dezer Remonstrantie naar het Vaderland,
+en liet het aan zijnen opvolger over, om die zaak in overweging te
+nemen.
+
+Hoe gaarne nu ook van Diemen, dadelijk na het aanvaarden van zijn
+bestuur, schepen ter opsporing van die Eilanden had willen afzenden,
+werd hij daarin door verschillende omstandigheden verhinderd, en niet
+voor het jaar 1639 kon hij daaraan gevolg geven. Zoo schreef hij, onder
+dagteekening van den 18 December 1639, aan de Bewindhebbers in het
+Vaderland: »maer op enckel onvermogen ende dat doorgaens trachten de
+negotie voor eenige saecken, exploicten ende ontdeckingen van vreemde
+landen te prefereren, is d’opsoecking van goudt ende silverrycke
+Eilanden ten Oosten _Japan_ gelegen, _wel tegen ons gemoet t’sedert anno
+1636 uytgestelt ende suspens gebleven_; maer aengemerckt wesende, UEd.
+tot derselver ontdeckingh, mitsgaders _Corea_ ende _Tartarise_ cust
+inclineren, daertoe order geven, met hope van vruchtbaer succes; hebben
+in conformité van onse resolutie dato 24 May bevooren, Comp^{s}.
+presente als uyt _Nederlant_ te comen navale macht, tegen de voorhantse
+ende ordinarie besendingh wel geexamineert ende overleyt, synde
+goetgevonden ende vastgestelt, tot gemelte ontdecking te gebruycken de
+fluytschepen _Engel_ ende de _Graff_, als de bequaemste op soo crappen
+vaerwater. Ingevolge syn deselve yder met 45 coppen cloeck volck voor 12
+maenden geprovideert, den 2 Juny passato onder ’t beleyt van den
+Commandeur Matthys Quast uyt dese reede verseylt, met order by Oosten
+_Banca_ den cours nae _Manilhae’s_ baye te doen, om ’t canael van
+_Spirito Sancto_ te passeren ende alsoo om de Noort aen _Japans_
+Oostsyde in de Noort-Weste winden te comen, de Eylanden 100, 150 ende
+200 mylen tusschen de 30 en 36, mitsgaders ’t doelwith op 37½ graden
+Noorderbreete, 400 mylen by Oosten _Japan_ gelegen, op te soecken ende
+aentetreffen, als wanneer by nonopdoeningh gelast hebben, andere 200
+mylen om de Oost te seylen ter selver hoochte, ende geen voordeel
+bejegenende, dat van daer sullen trachten nae _Tartarien_ ende _Corea_,
+ingevalle de winden (daer aen twyffelen) sulcx gedoogen, te comen.
+Wyders soo wanneer keerende geen Noort connen winnen, andere 200 mylen
+om de Oost aff te loopen, al waer’t op de custe van _West-Indien_, omme
+t’onderstaen wat voordeel daer te bejagen sy, ende dan door den
+Suyt-Oosten passaet te keeren nae _Tayouan_ off _Batavia_, nae sich den
+tyt, weder ende wint voegen sal; mits dat in passant _Islas de
+Ladrones_ verkenne en visiteere, gelyck dit ende sulcx meer ten dienste
+van de Comp. gesegden Quast gerecommandeert hebben, by desselfs
+instructie can worden beoogt, die UEd. gelieven te resumeren in ons
+brieffbouck, onder dato primo Juny laest. Den Almogende bestiere alles
+tot dienst van de Generale Comp., ende geve dat UEd. ter syner tyt
+gewenst succes van dese expeditie mogen aencondigen.”
+
+De reis van Quast leverde echter dat resultaat niet op, dat men er zich
+van had voorgesteld. Bij brief van den 8 Januarij 1640 berigt van Diemen
+den afloop dezer reize aan de Bewindhebbers aldus: »Met _Breda_ is
+herwaerts onverrichter saecke van d’ontdeckingh der landen by Oosten
+_Japan_ gelegen gekeert, den Commandeur Mathys Quast, hebbende ruym 600
+mylen by Oosten _Japan_ op de geordonneerde hoochte affgeseylt, sonder
+lant op te doen, als wanneer den windt sich sulcx presenteerde, dat
+resolveerde nae de West te keeren, by Noorden _Japan_ de cust van
+_Tartarien_, _Corea_ ende _China_ aen te doen, sulcx dat sy deselve
+lenghte weder teruggekomen, tusschen de 42 en 38 graden Noorderbreete,
+mede in ’t keeren geen landt vernomen, maer door sieckte overvallen
+wesende, moesten d’ontdeckinge om de Noord staecken, ende syn by Oosten
+_Japan_ seer miserabel ende swack van volck in _Tayouan_ den 24 November
+aengelandt, hebbende op beyde de fluyten 38 man verloren, dat is byna de
+helft van ’t ophebbende, van hier affgevaren volck.”[1]
+
+ [1] Zie Aanteekening.
+
+Niettegenstaande dezen min gunstigen afloop der reize van Quast, werd er
+besloten om andermaal een’ togt derwaarts te laten doen, maar ook nu
+verloopt er door de belegering van _Malakka_, de zaken op _Ceylon_, de
+reis van Tasman naar het Zuytland enz. weder een geruime tijd, alvorens
+men schepen kan missen, om deze onderneming te bewerkstelligen. In 1643
+evenwel heeft de reis voortgang, en werden de schepen _Castricum_ en
+_Breskens_ onder de bevelen gesteld van den ervaren Schipper-Commandeur
+Maerten Gerritsz. Vries of de Vries, zoo als wij hem ook wel in
+officieele bescheiden genoemd vinden. In een gedeeltelijk in cijfer
+geschreven missive aan de Bewindh. in dato 23 Januarij 1643, wordt hen
+hiervan op deze wijze kennis gegeven: »Tot ontdeckingh van de Noordcuste
+M. r. k. M. r. k. c. b. d. ende van daer omme andermael optesoecken, de
+XXI ende IV rycke 24, 39, 17, 30, 16, 5, 50, 20, by tt. h. m. b. d. c.
+r. f. r. d. syn geprojecteert de fluyt _Castricum_ ende ’t jacht
+_Breskens_, sullen ultimo deser de reyse aenvangen, onder ’t bestier van
+den _ervaren Schipper_ Maerten Gerritsen Vries, de cours is van hier by
+Noorden _Celebes_ nae _Ternaten_ ende van daer by Oosten 11, 9, 16, 10,
+2, om de 2, 25, 20, 72, 22, custe van M. r. k. M. r. k. c. b. d.
+aentesoecken, ’t welck gesustineert wordt in den somertyt sal connen
+geeffectueert worden, ende dan voorts om de Oost, daer men meent
+d’aengetogen Eylanden op te doen[2]. ’T succes van d’een ende d’ander
+wordt UEd. nae desen gecundicht.”
+
+ [2] Zie Aanteekening.
+
+Aan den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen te _Ternaten_ werd van het doel
+hunner reize en om hun daarin op alle mogelijke wijze bevorderlijk te
+zijn, bij missive van den 31 Januarij kennis gegeven. »Dese gaet per ’t
+fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht _Breskens_, onder commando van den
+Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, over _Ternate_, tot
+ontdeckingh van de Oostkuste van _Tartarien_ ende om op te soecken
+d’onbekende Eylanden Oostwaerts gelegen. UEd. sal deselve costy omme
+geene redenen ophouden, veel min veranderingh in ’t ophebbende volck als
+officieren, soldaten off varentvolck doen, ten waere eenige siecken
+tegen cloecke gesonde wisselden; de gemelte schepen ende volck
+geduyrende haer verblyff (dat cort sal wesen) soo veel mogelyck
+verversende, _daeromme geen costen noch coebeesten sparende, sult hun
+van alles tot de reyse soo veel te becomen sy versorgen_, vooral
+_beestiael_, dat costy niet ontbreekt. Hiertoe ons verlatende sullen met
+d’eerste gelegentheyt per brieven van de overhoofden deser schepen
+gaerne vernemen, hun desen aengaende contentement gedaen sy, dit ons
+desseyn soo veel mogelyck secreet houdende, voorgevende dat omtrent
+_Manilha_ om buyt ende advantagie te becomen, gedestineert syn te
+cruysen.”
+
+Ook aan de Vries gelukte het niet die rijke Goud- en Zilver-Eilanden te
+vinden, maar daarentegen is zijne reis hoogstbelangrijk geweest voor de
+uitbreiding der aardrijkskunde, want behalve dat men beter bekend werd
+met de kusten van _Japan_, werden door hem eilanden en straten ontdekt
+en benoemd, waarvan men tot dus verre slechts weinig of geen kennis had.
+
+De mededeelingen, die men van de reis van de _Castricum_ en de
+_Breskens_ heeft, zijn zeer onvolkomen en bestaan voornamelijk in eenige
+opgaven, voorkomende bij Nicolaas Witsen in zijn werk over _Noord-_ en
+_Oost-Tartarije_[3], en daaruit bij Buache[4] overgenomen, zoo ook in de
+»Koorte Beschryvinghe van het Eylandt _Eso_, soo als het eerst in den
+jare 1643 van ’t schip _Castricum_ beseylt ende ondervonden is”[5].
+Eerst 144 jaren daarna is het den verdienstelijken, doch ongelukkigen
+Franschen zeereiziger la Pérouse[6], die ons met de belangrijkheid van
+de reis van de Vries bekend maakt. Het is dan ook vooral na dezen
+reiziger, dat de Hoogleeraar Moll in zijne Verhandeling[7] ons het een
+en ander over de Vries en zijne verrigtingen bekend maakt.
+
+ [3, 4, 5, 6, 7] Zie Aanteekeningen.
+
+Het mogt den Hoogleeraar von Siebold in het jaar 1842 met behulp van den
+Heer P. L. de Munnick, gelukken, in het Oud-Koloniaal Archief alhier, de
+Instructie voor de reis van de Vries vastgesteld te vinden. Ze werd
+gedeeltelijk geplaatst en toegelicht door den Heer P. B^{r}. Melvill van
+Carnbée in de Moniteur des Indes[8]. Deze geachte hydrograaf beklaagt
+zich ten hoogste, dat de journalen van de Vries niet uitgegeven zijn.
+Hij zegt[9]: »Il est fort à regretter que les journaux de de Vries
+n’aient jamais été publiés; nous n’avons de son voyage que peu de
+détails, qui se trouvent dans l’ouvrage de Mr. Nicolaas Witsen, et qui
+ont servi au recit qu’en donna plus tard Mr. Philippe Buache. Il parait
+que nos ancêtres firent peu de cas de ces voyages, qui n’eurent, il est
+vrai, peu ou moins de resultats immédiats pour le commerce, mais qui
+furent pourtant très importants pour la géographie. C’est à cela
+apparement qu’on doit attribuer que dans les ouvrages de ce temps-là il
+n’est fait mention des voyages de Quast, Vries et de plusieurs autres
+encore, qu’en passant et que ce n’est qu’un et deux siècles après qu’on
+s’aperçut que ces mêmes voyages furent et _sont encore aujourd’hui du
+plus haut intérêt pour les sciences géographiques_.”
+
+ [8, 9] Zie Aanteekeningen.
+
+Ook in het nog niet lang geleden (1852) voor de kennis van _Japan_ zoo
+hoogst belangrijk uitgekomen werk van den Hoogleeraar von Siebold lezen
+wij[10], nadat de geachte Hoogleeraar alvorens een overzigt der reis van
+de _Castricum_ heeft gegeven: »Die volständigen Reiseberichte der beiden
+Schiffe _Castricum_ und _Breskens_, wovon wir nur die obenerwähnten
+Auszüge kennen, scheinen verloren gegangen oder noch in irgend einem
+Archive in _Holland_ oder zu _Batavia_ verborgen zu liegen.”
+
+ [10] Zie Aanteekeningen.
+
+Het oorspronkelijke volledige Journaal van de _Castricum_, dat wij het
+genoegen hebben onzen lezers aan te bieden, is gehouden door zijnen
+verdienstelijken Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen[11]. Het werd aan de
+Bewindhebbers in het Vaderland opgezonden en bevat eenen schat van
+opmerkingen en waarnemingen, zoodat het de behartiging overwaardig is.
+
+ [11] Zie Aanteekeningen.
+
+Dat de waarnemingen op deze reis gehouden naauwkeurig waren, hiervoor
+staat ons een la Pérouse borg, die met zoo veel betere instrumenten
+uitgerust, gevoegd bij den hoogeren stand, waarop de kennis der zeevaart
+te zijnen tijde stond, gaarne de getuigenis aflegde: »que la navigation
+du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être
+faite dans un temps, où les methodes d’observation étaient très
+grossières”[12].
+
+ [12] Zie Aanteekeningen.
+
+Wij hebben het Journaal doen voorafgaan door de Instructie aan de Vries
+voor dien togt medegegeven, en de Remonstrantie van Willem Verstegen aan
+den Gouverneur-Generaal Henrick Brouwer ingezonden; terwijl wij
+eindelijk eenige uittreksels uit de brieven van den Gouverneur-Generaal
+Antonio van Diemen en Raden van _Indië_, over den afloop van de reis van
+de Vries, zoo mede eenige aanteekeningen over dezen Commandeur, als
+Bijlagen laten volgen.
+
+ * * * * *
+
+Het Journaal van den Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen, dat ons
+aanleiding verschafte om op het Oud-Koloniaal Archief eenige nasporingen
+te bewerkstelligen omtrent de reis van de Vries in 1643, behoort in
+eigendom aan den Hoog-Welgeboren Heer, Jonkheer J. Huydecoper van
+Maarseveen, die, ter liefde der wetenschap, de uitgave wel heeft
+gelieven te vergunnen, waardoor Z.H.W.G. allen, die de gedane
+ontdekkingen der _Hollanders_ in de 17^{e} eeuw op prijs stellen, ten
+hoogste aan zich verpligt heeft; want na alle daartoe aangewende
+pogingen, was men tot dus verre niet geslaagd, om de Journalen van de
+_Castricum_ en de _Breskens_ terug te vinden; men mag zich derhalve
+verheugen, dat ten minste een derzelve voor de vergetelheid bewaard is
+gebleven, en wel dat, dat naar ons inzien door den Gouverneur-Generaal
+Antonio van Diemen en de Raden van Indië, bij hunne missive van den 4
+Januarij 1644, naar het Vaderland werd gezonden.
+
+
+
+
+INSTRUCTIE
+
+ _voor den Schipper-Commandeur_ Maerten Gerritsen Vries, _en den
+ Raed van ’t Fluytschip_ Castricum _en ’t Jacht_ Breskens,
+ _gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van_
+ Tartariën, _’t coninckryck_ Cathaija _en de Westcust van_
+ America, _mitsgaders de_ goud- _en_ silver-_rycke eylanden by
+ Oosten_ Japan.
+
+
+Bij de geloofwaerdighste geographen ofte wereldbeschrijvers werd onder
+de groote landen van _Asia_, _Tartariën_ ofte _Tartaria_ (als ’t
+grootste land) gesteld, dat in ’t Noorden van de _Yszee_, in ’t Westen
+van _Rusland_ en _Polen_, in ’t Zuyden van de _Zwarte zee_, ’t
+_Caspische-meer_, de landen van _Bactriana_ en _India_, ende in ’t
+Oosten van _China_ en den onbekenden _Tartarischen Oceaan_ bepaeld is;
+hebbende in de lenghte van ’t Oosten nae ’t Westen niet min dan
+negenhondert en in de breedte van ’t Zuyden nae ’t Noorden wel 450
+duytsche mijlen, in welck ruym begryp (sijnde grooter als geheel
+_Europa_) veel groote landen, provintien, meeren en woestijnen gelegen
+sijn. Onder anderen werd voor ’t aldertreffelyckste deel ’t vermaerde
+coninckryck van _Cathaya_, onder ’t getemperde climaet van omtrent de
+vyftigh graden by Noorden den Aequator, gestelt, wesende d’eerste
+provintie van ’t keyser-ryck des grooten _Chams_, welcken prince den
+stoel syner Monarchia in de groote Hooftstad _Cambalú_ houd, dat een
+plaetse van wonderlycke commercien werd befaemd, daer seer grooten
+handel van allerley binnenlandse oft _Tartarische_ en buytenlandse
+_Chineese_ waren en coopmanschappen gedreven werd. De Oostcust van dit
+land is bovenmate schip-ryck befaemd, mits de groote trafficquen, die
+van dit ryck op d’omtrent gelegen landen en custen gedreven werd, doch
+vermits in eenen hoeck van den aerdcloot gelegen, werd tot noch van geen
+_Europeanen_, noch eenig _Orientaelse_ natien, selfs oock niet van de
+aenpalende _Chynesen_ gefrequenteerd, maer als verborgen, te verre
+affgelegen, en schier als buyten de wereld geacht.
+
+De seeckerheyt van dese gementioneerde gelegentheyd des vermaerden
+lantschaps _Cathaya_, heeft aen veel geleerde cosmographen en piloten
+oorsaeck gegeven, op d’ontdeckinge deses conincx-rycx ernstelyck te
+schryven en diverse wegen, soo door ’t Orientaelse _India_ en de straete
+_Magelanus_, als door ’t Noorder _America_ by de _Enghte Davids_, mede
+omtrent _Nova Sembla_ en recht onder ofte over den _Noorderpool_ eene
+passagie derwaerts aan te wysen, daer op oock door de drie laetste wegen
+diversche preuven van _d’Engelse_ en _Nederlandse_ natien ondernomen
+sijn, maer alle te vergeefs, gelyck mede de twee voyagies door den
+vermaerden Jan Huyghen van Linschoten, uyt bevel van de Ho. Mo. Heeren
+Staten Generael der Vereenighde _Nederlanden_, ten selven eynde in den
+jare 1594 met 2 schepen, en An^{o} 1595 met seven schepen, onvruchtelyck
+is gedaen. En alhoewel in d’eerste reyse een passagie by ’t eyland
+_Waygats_, door de strate ofte enghte van _Nassauw_ tusschen _Moscovia_
+en _Nova Sembla_ tot in de _Tartarische Noordzee_ wierd ontdeckt, soo is
+nochtans de tweede reyse desen ontdeckten wegh door menighte van ys
+onbruyckelyck gevonden en de vlote sonder verhoopt effect in _Nederland_
+gekeert. Sedert dien tyd hebben alle natien van de _Tartarische_
+ontdeckinghe in ’t Noorden, als van een ondoenelycke saecke
+gedissisteert, en door ’t _Orientaelse_ ofte _Occidentaelse India_ is,
+’t door onvermogentheyd ofte cleyne curieusheyt van de Gouverneurs des
+conincx van _Hispania_ (onaengesien de beter gelegentheyd als in
+_Europa_), niet onderleyd; immers van dien mogende Prince (als wesende
+noch ontydigh) niet gemandeert, gelyck mede by geen andere aldaer
+traffiqueerende _Europeanen_ is onderstaen, tot dat in den jare 1639
+(staende ons Gouverno) twee fluytscheepen onder den Comm. Mathys Quast,
+tot ontdeckinge van de _Tartarische_ Oostcust, insonderheyd de befaemde
+_Goud-_ en _Silver-_rycke eylanden by Oosten _Japan_, derrewaerts syn
+gesonden, die almede door ongeluckige toevallen, sonder yets nuttelycx
+te verrichten, wedergekeerd syn.
+
+Maer dewyle uyt de gewenschte ontdeckinge van _Cathaya_ en de
+daeromtrent gelegene landen groote nuttigheden, soo door commercien als
+conquesten, insonderheyd de voortplantinge van de ware christelycke
+religie, met goede redenen te hopen syn, en presentelycken geen christen
+prins, noch republique, daertoe beter gelegentheyd, als den vryen
+_Nederlandschen_ staet ofte derselver Orientaelse Comp. heeft, welcx
+hooftstad _Batavia_ daertoe bequaem gelegen is, en door de nadere
+gelegentheid van desselfs conquesten in _Molucco_ en _Formosa_ nae
+wensch geaccomodeert can worden, soo is dese dienstige ontdeckinge
+andermael by der hand te nemen, van de Heeren onse meesters de Novo
+gansch ernstigh gerecommandeert. En dewyle wy sulcx mede een nodige
+saecke achten, en de Comp. tegenwoordigh van schepen soo is versien, dat
+gevoughelyck sonder vercorting van de ordinarie commercien en
+oorloghs-besendingen wel twee bequaeme schepen connen affgesteecken
+werden, soo is in Raden van _India_ gearresteert, dese pryselycke
+ontdeckinge niet langer te retarderen, maer ’t fluytschip _Castricum_
+met ’t jacht _Breskens_ (van alle nootwendigheden wel versien)
+derrewaerts uyt te setten en UE. als bequaem en tot dese reyse wel
+genegen, ’t beleyd van dien te vertrouwen en bevelen, op seeckere hope
+dese importante voyagie met de nodige couragie, goed beleyd, en
+vereyschte pascientie, wel en met wackere voorsichtigheyd bestieren
+sult, soo als voor ons, t’uwer wedercomste, ten contentemente sult menen
+te verantwoorden. By den ervaren Piloot-Major Franchoys Jacobsen
+Visscher, UE. en andere curieuse personen, syn ons verscheyden wegen
+tot d’ontdeckinge van _Tartaria_ en d’eylanden by Oosten _Japan_ in
+schriftelycke vertoogen voorgesteld, die UE., om in desen daervan geen
+ontleding te doen, alle in copyen ter hand gesteld worden, opdat t’syner
+tyd daervan gediend cond syn. Alleen raken met een woord, wy Visschers
+en Verstegens opinie, van den cours tusschen _Japan_ en _Corea_ te
+nemen, mits d’onseeckerheyd van bequaemen doorgangh, en d’aparentie van
+veel droogten en clippen, al te periculeus en ongeraden achten, maer ons
+met uwe meyninge van den wegh by Oosten buyten _Japan_, door ruyme zee
+te nemen, als den seeckersten, confirmeren; te meer geensints connen
+opinieren, de Westelycke passaetwind in dat geweste by den somertyd soo
+crachtigh en gedurigh doorblaest, dat niet bequamelyck van de _Oost_ nae
+de _West_ geseyld can worden, gelyck sulcx op de reyse van den
+Commandeur Quast, onaengesien den laten herfsttyd, selfs 2 à 300 mylen
+buyten alle landen contrarie bevonden is, en over sulcx buyten twyffel
+in de maenden van Juny en July de _Tartarise_ custen, van by Oosten
+_Japan_, bequaemelyck te beseylen syn, met groote aparentie, dat door de
+naegelegentheyd der landen, van de 40 graden Noordelyck op, in de
+_Tartarischen_ oceaen, geen contra passaet, maer variable winden (als
+omtrent _Europa_) gevonden sullen worden. UE. sullen dan de ontdeckinge
+van _Tartaria_, by Oosten buyten om _Japan_, als door den bequaemsten en
+min periculeusten wegh, voorsichtelycken doen, en ’t naervolgende u
+daerinne tot een regel van Instructie laten dienen, nochtans met dien
+verstande, sulcx nae eysch van tyd, plaetsen en voorcomende
+gelegentheden, met advys van rade, soo te mogen corrigeren als den
+dienst van de Comp. tot erlangen van ons desseyn soude mogen
+vereysschen, ’t welck uwe goede experientie en vertrouwd beleyd bevolen
+laten.
+
+Aanvanckelycken sullen UE. op morgen vrough, nae gedaene monsteringh,
+gesaementlyck onder seyl gaen, en uwen cours soodanigh nae _Molucca_
+stellen, als by aparte instructie is geordonneerd, waernaer u op de
+derrewaertse reyse in alles te reguleeren hebt.
+
+Met lieff in _Tarnata_ voor ’t casteel _Maleya_ aengecomen wesende, sult
+onse neffensgaende brieven aen den vice-gouverneur Wouter Seroyen
+behandigen en desselfs ordre ten dienste van de Comp. obedieren,
+mitsgaders uwe schepen van water, brandhout en ’t gunt meer nodigh wesen
+mocht, ruymelycken versien, ’t scheepsvolcq, gedurende ’t aenwesen
+aldaer, met versche spyse wel ververschen en daervan op ’t vertreck
+behoorlyck provideren, waertoe aen den Heer Seroyen de nodige ordre
+gegeven werd, die u dienvolgens nae eysch en vermogen behulpigh wesen
+sal, waermede wy begeeren geenen tyd onnuttelyck sal doorgebracht
+worden, maar alles op ’t vlytighste soo cort beschicken, dat vóór ofte
+ten langhste in ’t begin van April, uwe importante reyse van daer
+beginnen moght. Doch sult alvorens met advys des Raeds een goeden
+seinbrieff formeren, waerin mede dient gedacht, soo de schepen door
+storm, ofte ander incident (dat God verhoede) van den anderen quaemen te
+versteecken, door wat middel weder bequaemelycxst byeen geraecken
+mochten, waaraen tot volvoeren van ons concept ten hooghsten gelegen is.
+
+Nae becomen geryff van alle nootwendigheden sult (als geseght) op primo
+April ofte vroeger, de voyagie in den name Godes aenvangen, stellende
+den cours, als buyten _Gilolo_ gecomen syt, Noord-Oostwaerts om, met de
+soele en variable winden, die er dit saysoen des jaers ordinairie in dat
+gewest waeyen, welcke hun op de Noorderbreedte van 10 à 15 graden
+omtrent ’t Zuid-Oosten vaststellen sullen, waermede dan allenxkens wat
+Noordelycker en recht door zee, nae de Oostcust van _Japan_ seylen en ’t
+land op omtrent de 37 graden in ’t gesichte loopen sult. ’t Is seer
+aparent in dese passagie wel eenige onbekende ofte dependerende eylanden
+van de archipelago de _St. Lasaro_ ofte _Islas de las Veslas_, anders
+genaemt de _Ladrones_, bejegenen sult, om welcken aen te doen geen tyd
+sal dienen gespilt, maer nae onbekende drooghten en clippen wel
+naerstigh uytgesien.
+
+Wy verhopen gylieden omtrent 20 à 25 May de Oostcust van _Japan_ aen
+boord sult hebben, van waer uwen wegh, langhs en in ’t gesichte van ’t
+land, soo lange Noord- en Noord-Westwaerts nemen sult, tot dat de cust
+haer Westelycker ontvalt, opdat in passant ervaren werde, hoe verre ’t
+uytterste van _Japan_ om de Noord gelegen is, en off het land, dat by de
+_Japanezen_ _Jeso_ werd genaemt, op sulcken cours bejegenen en vernemen
+cond, ’t selve ’t vaste land van _China_ off _Tartaria_ sy, ofte wel een
+bysonder en tusschenbeyde gelegen land ofte een eyland te wesen,
+waermede wy verstaen oock geenen sonderlingen tyd consumeren sult, maar
+uwen cours soo langh Noord-Westwaert vervolgen, tot dat de cust van
+_Tartaria_ ofte _Cathaya_ ontdeckt, pogende sulcx soo Zuydelyck te doen,
+als den wind gedogen en ’t aengetogen land van _Jeso_ toelaeten sal, ’t
+welck verhopen tusschen de 40 à 45 graden sal connen geschieden, als
+wanneer langhs de cust Noordwaerts, ofte soo die strecken mach, sult
+dienen te seylen, tot dat de rivieren _Polisangi_, de _Cathayse_
+zee-steden _Jangio_, _Brema_ off soodanigen baeye, haeven ofte rivieren
+ontdeckt, daer de schepen bequaemelyck geberght connen worden, en waer
+steden, vlecken, ofte bevolckingh is, ten eynde ’s lands gelegentheyd in
+corten tyd soodanigh ondersocht en vernomen mach worden, als hier onder
+op syn plaetse omstandigh aangewesen werd.
+
+’t Is grootelycx te vermoeden, UE. aen en omtrent de _Cathayse_ cust wel
+eenige schepen, joncquen ofte vaertuyghen bejegenen sult; dewyle die
+meest den aerdkloot beschryven, niet alleen de _Tartarische_ custen,
+maer den aengelegen oceaen seer scheep-ryck achten, affirmerende daer
+grooten coophandel van de omgelegen landen en eylanden met den anderen
+gedreven werd. Sulcx soo bevindende, dient gedurigh voorsichtigh op
+hoede te wesen en by bejegeningh van vaertuygh, daer tegen geen trots
+noch force te oeffenen, maer met beleefde bejegeninge en vriendelyck
+tractement, des volcx gunste trachten te winnen en scherpelyck de
+gelegentheyt hunner reysen te vernemen, oock waer de voornaemste havens
+en coopsteden, insonderheyt de riviere _Polisangi_ en _Jangio_ gelegen
+syn, door welcke en de bovengeschreven middelen wy niet willen twyfelen,
+off sult d’een off d’ander bequaeme rede en gepopuleerde plaetse in
+_Tartaria_ ofte _Cathaya_ omtrent 15 à 20 Juny connen aendoen, synde
+aldaer den soetsten somertyt en langhste dagen, dat d’ontdecking
+grootelycx accomoderen en de daeraen gelegene peryckelen seer
+verminderen sal.
+
+Alle landen, eylanden, hoecken, bochten, inwycken, baeyen, rivieren,
+drooghten, bancken, sanden, reven, clippen en rutsen, die in dese
+ontdeckinge, soowel in den Oceaen, als op de custen van _Japan_, _Jeso_,
+_Cathaya_ off _Tartaria_ bejegenen en passeren sult, moeten UEd. perfect
+carteren en beschryven, alsmede de opdoeninge en gedaente wel
+affteyckenen, tot welcken eynde u een teykenaer mede gegeven werd, mede
+wel sorghvuldigh noterende op wat hooghte ofte breedte, hoedanige
+streckinge en distantie de custen, eylanden, capen, hooffden ofte
+hoecken, baeyen en rivieren van den anderen gelegen syn, wat kennelycke
+mercken, als bergen, heuvelen, boomen off gebouwen (waeraen men die mogt
+kennen) daer op te sien syn. Mede wat diepten en ondiepten van gronden,
+blinde clippen, affschietende reven aen de hoecken sullen gelegen wesen,
+hoe en op wat mercken die bequaemelyck te schuwen syn, item off de
+gronden hard, scherp, weeck, vlack opgaende ofte steyl syn, off men die
+op ’t lood magh aendoen ofte niet, op wat mercken men de beste
+anckerplaetsen in reden en baeyen vind, hoe de gaten en rivieren
+instrecken en te beseylen syn, wat winden in die gewesten waeyen, hoe de
+stroomen loopen, off ebbe en vloed hun nae de maen off winden reguleren,
+wat veranderingh van moessons, regen en drooghte bevind, voorders
+naerstelyck opserverende en noterende, daer ervaren stierlieden op te
+letten staet, en in ’t toecomende tot ’t bevaren van de ontdeckte landen
+dienstigh wesen can. Den bequaemen tyd des jaers, als ’t somerweder,
+lange dagen en corte nachten, sullen, als boven aengewesen is, tot de
+voorgenomen ontdeckingh en waernemingh van alle d’aengetogen saecken
+seer dienstigh syn, weshalven nergens tyd versuymen noch onnoodigh
+consumeren sult, maer als meermael geseyd, het beste van den somer en
+goed weder gebruycken, wanneer soowel by nacht als dagh sult connen
+voortseylen, ’t welck in ’t corten der dagen en by donckeremanen, om
+alles in ’t sicht te crygen, soo niet geschieden can, oversulcx daeraen,
+om spoedigh en in corten tyd veel t’ ontdecken, ten hooghsten gelegen
+is.
+
+Echter om de _Tartarise_ en _Cathayse_ custen naer eysch wel t’
+ontdecken, sal ’t nodigh wesen, nu en dan, ter gelegener tyd en
+bequaemer plaetsen, ten ancker te comen, altyd soeckende en kiesende
+soodanige baeyen ofte reden, daer met de minste peryckelen inlopen,
+leggen, vertrecken, en by toevallende winden ofte andersints
+bequaemelyck ruymen condt. Vooral sal in ’t landen met u cleyn vaertuygh
+groote sorgvuldigheyd en circumspecte voorsichtigheyd dienen gebruyckt,
+alsoo onseecker is wat soort van menschen dit onbekende deel van
+_Tartarie_ besitten, ’t welcke soowel met rouwe, wilde, woeste barbaren
+als van geciviliseerde en gepoliceerde lieden can bevolckt wesen,
+waeromme altyd wel gewapend en op hoede wesen moet; want by experientie
+in alle gewesten des aerdcloots bevonden is, geene barbare-natien te
+vertrouwen syn, vermits gemeenlyck opinieren, dat het volcq, ’t welck
+hun soo onverwacht en vreemd verschynt, alleen comen om hare landen in
+te nemen; dat in ’t ondecken van _America_ en d’Orientaelse landen, aen
+’t verassen en doodslaen van veel sorghloose en lichtvertrouwende
+ontdeckers, menighmael tot ruyne hunner voyagies gebleecken is. Om
+welcke respecten de barbaren, die rencontreren en ter spraecke comen
+mocht, stadigh wel en minnelyck bejegenen sult, en cleyne afronten van
+dieverye ofte andersints, die aen d’onse mochten plegen, ongemerckt
+laten henengaen, om door ’t revengeren geen afkeer van ons te causeren,
+maer by alle doenelycke middelen pogen, hunlieden t’uwaerts te trecken,
+opdat te beter en spoediger de gelegentheden van haer en hare landen
+vernemen moght, insonderheyd off daer iets nuttelycx voor ons te
+verrighten is.
+
+Van de gelegentheyd der landen, wat vruchten en bestiael daer sy,
+hoedanige timmeragie van huysen, ’t fatsoen en wesen der inwoonderen,
+haer cledingh, waepenen, seden, manieren, spyse, erneringh, religie,
+regering, oorloge, en andere merckwaerdige saecken meer, insonderheyd
+offse goed ofte boosaerdigh syn, sult nae toelatingh des tyds wel pogen
+te vernemen, hun vertonende diversche monsters van de goederen ten dien
+eynde medegegeven, om te onderstaen wat waren en materialen sy hebben,
+en hoedanige van de onse weder begeren, alle ’t welck scherpelyck
+aenmercken, wel affteyckenen en correct beschryven sult, houdende ten
+dien eynde een breed en wel geextendeert Journael, daer alle uwe
+resconteren perfectelyck in aengeteyckend worden, om daermede op u
+wederkeeren, behoorlyck raport aen ons te connen doen.
+
+Dewyle ’t landschap _Cathaya_ aparent met civiele menschen is
+gepopuleert, sullen UE., daer gecomen synde, den Assistent David Cassu,
+_Tartaer_, den bosschieter Jurriaen Scholte, ofte een van de 4 soldaten,
+die de _Moscovise_ ofte _Poolse_ tale can, aen land senden, om by de
+daer synde overigheyd te versoecken, vryelyck aen land te mogen comen,
+wanneer, met volcomen licentie, een van d’Onder cooplieden ofte
+Assistenten, neffens een taelman met eene cleyne vereeringh aan land
+schicken en de regeerders doen begroeten sult; hunlieden van wegen den
+Staet onser Republicque, specialycken den Gouverneur-Generael en Raden
+van _India_, alle vrundschap en onderlinge commercien aenbieden,
+openende de conditien van dien, als namentlyck, dat wy _Nederlanders_
+ter zee met alle Conincrycken en natien van de geheele wereld vrundelyck
+trafficqueren en negotieren, hebbende daertoe allerley coopmanschappen,
+en beter commoditeyten als alle andere natien des werelds, ende dat
+gemelte uwe gebiedende overheyd seeckerlyck vernomen hebbende, hoe in
+dat selve land oprechte handelingh en trafficque gedreven werd,
+goedgevonden hebben, dese twee schepen onder goede regeringe derwaerts
+te schicken, met al sulcke waren, coopmanschappen, rariteyten, als by
+vrye toelatingh van negotie vertonen cond, en sulcx ten dien fyne als
+vrunden versoeckt.
+
+Nae becomen antwoord sullen UE. hen tot voordere conferentie off de
+vergunde commercien, nae tyd en plaets gelegentheyd, doch doorgaens met
+wackere voorsichtigheyd, moeten schicken; vertonende ordentelyck de
+coopmanschappen en monsters van de waren ten dien eynde medegegeven en
+in yder schip de helft verdeelt, waervan ’t eene voor _Cathaya_, en ’t
+ander voor de eylanden by Oosten _Japan_ gelegen, mede gegeven word.
+Welcken volgende versorgen moet, dat van yder soorte der goederen een
+gedeelte tot monsters voor die eylanden bewaert werde, gelyck sulcx mede
+perfectelyck by factura aangewesen word, monterende gesaementlyck ter
+somme van Gl. 13740,8,4, waervan door den Ondercoopman Willem Byleveld
+negotie boecxkens in behoorlycke forme, tot reeckeninge, bewys en
+reliqua doen houden sult.
+
+In ’t vertonen van de gemelte goederen en monsters sullen UE. met de
+Ondercooplieden wel en scherpelyck letten, waervan dese natie attentie
+maecken en tot wat goederen meest genegen syn, insgelycx bespeuren wat
+coopmanschappen en waeren sylieden daer hebben, insonderheyd nae goud en
+silver ende of dat metael by hun in waerdige achtingh is; UE. gelatende
+daernae niet graegh te wesen, om hunlieden van desselfs precieuse
+waerdye oncundigh te houden, en soo ’t selve in mangelingh van uwe
+goederen mochten presenteren, moet u houden off die specy niet
+estimeerde, maer vertonen coper, spiaulter, thin en lood, even off die
+mineralen by ons van meerder waerdye waren. En soo gy hun tot handelen
+genegen vindt, sult onse coopmanschappen, insonderheyd daer gretighst
+nae syn en ’t welcke wy meynen de laeckenen sullen wesen, in soodanige
+estime houden, dat niet als met groot proffyt vercocht off vermangeldt
+werden, noch niet anders aennemende, als ’t geene seeckerlyck weet voor
+de Comp. proffytabel te syn, ’t welcke hem selfs in ’t handelen wel
+wysen sal; sullende in ’t bysonder nodigh wesen, van de daer synde waren
+monsters, en van alle andere perfecte notitie herwaerts brenght, om te
+sien wat retouren van daer getrocken connen werden en in toecomende
+daervan gediend te syn.
+
+Mits de onseeckere cundschap van de waere gelegentheyd des _Cathaysen_
+Conincrycx, sal ’t nodigh wesen nae de volgende particulariteyten wel
+scherpelycken te vernemen:
+
+De grootheyd des lands en desselfs hoedaenigheyd, wat steden, vlecken,
+vermaerde rivieren, bergen en woestynen ’t selve heeft, hoe en waer
+gelegen, ende wat landen dese provintie tot gebueren heeft.
+
+In wat plaetse de hooftstad _Cambalu_ leyd; desselfs groote,
+gelegentheyt, hoedanigheyd etc., wat zee- off coopstad daer heeft ofte
+naest aengelegen is, en hoe daer bequaemelycxt gereyst can werden.
+
+Wat zeeplaetsen, coopsteden, baeyen, haevenen en schipvaerd daer is, en
+wat commercien door dat ryck en in desselfs naburige landen gedreven
+werd, specialycken in hoedanige waren die bestaen.
+
+Wat vruchten, bestiael en minerael daer syn, en wat der inwoonderen
+principale neringh en hanteringh is.
+
+Wat Godsdienst sy hebben, en off van eene ofte differente religie syn,
+specialycken off het Christen en Mahometse gelove daer mede gevonden
+werd, en d’hoedanigheid van dien.
+
+Insonderheyd off des lands regeringh en hooghste overheyd by een
+Coninck, den adel off ’t gemeyne volcq bestaet, en tot wat plaetse
+desselfs opperste residentie is. Ende soo ’t een Coninck wesen mocht,
+off dien Prince den groten Cham, Monargh off Keyser der _Tartaren_ sy,
+waerinne desselfs crygsmaght en ryckdom bestaet, en wat authoriteyt en
+hulpe hy in de regeringh en justitie heeft; met wat landen, natien en
+Princen hy in oorlogh en vrede is, hoe die gevoerd en onderhouden werd,
+en specialycken off desen Prince tot vremde natien en ongemene dingen
+genegen is.
+
+Mitsgaders sulcx meer, als de Heeren onse meesters op ’t stellen der
+raporten by memorie ordonneren en UE. selfs nae tydsgelegenheyd nodigh
+en doenelyck vinden sult.
+
+Indien gylieden de _Cathayse_ natie affabel en t’ uwaerts vrundelyck,
+mitsgaders het land van soodanigen gelegentheyd vind, dat aldaer voor de
+generale Comp. seeckerlyck een importante en proffytabele negotie
+gefondeert can werden, sullen UE. aen ’s lands overheyd versoecken, een
+contract ofte verbond van een gestadige, oprechte handelinge, traffycque
+en navigatie tot gemene welvaert van dat ryck en onse republique, met
+d’ingesetene van dien, mach getroffen werden, en soo hierinne werd
+geconsenteert, een gesant (soo hun sulcx mocht gevallen) met den eersten
+derwaerts comen sal. Ten selven eynde sal UE., indien de overheyd sulcx
+ernstich begeren mochten, wel 2 à 3 personen om de tale en coustuyme te
+leren, alsmede ’s lands gelegentheyd etc. perfectelyck te vernemen,
+daer, met resolutie des Raeds, wel mogen laten, en hunlieden daertoe met
+nodige instructie en eenige coopmanschappen, tot preuve van negotie en
+onderhoud versien, versorgende geen andere daertoe als gauwe, wellevende
+en minnelycke jonge borsten worden gebruyckt; gelyck mede in dien
+gevalle t’ hunnen versoecke mogen consenteren, gelyck getal van de
+haere, om onse gelegentheyd te comen besichtigen, herwaerts te brengen,
+en hun vastelyck toeseggen, ’t naeste jaer met haer volcq en veel
+dienstige coopmanschappen, daer weder verschynen sult.
+
+Mede, soo bevind, dat land van soo mogenden Coninck werd beheerscht, als
+in ’t begin van dese Instructie eenighsints aengeroerd en van diversche
+autheuren beschreven werd, sal UE. met goedvinden des Raeds en advys van
+de regenten van de plaets uwes aenwesens, de daer blyvende residenten
+wel mogen gelasten, een reyse nae ’s rycx hooftstad te doen, om de
+Conincklycke Maij^{t}., met een presentje van de medenemende rariteyten,
+uyt onsen name te congratuleren en soodanige aenbiedinge van vrundschap
+en verbond te doen, als hierboven aengewesen is, daer noch byvoegende ’t
+gunt ten meesten dienste van de Comp. sult bevinden te vereysschen.
+
+Alle insolentie en moetwil van ’t scheepsvolcq tegen d’ontdeckte natien,
+sult voorsichtelyck prevenieren en versorgen hun geen overlast in haere
+huysen, thuynen, vaertuygh, middelen ofte vrouwen etc. werd aengedaen,
+insgelycx geen inwoonders tegen hunnen wille uyt haer land vervoeren,
+maer soo eenige weynige vrywilligh daertoe genegen syn, mocht die alsdan
+wel herwaerts brengen.
+
+’T gunt voorders in _Cathaya_ sal dienen gedaen, sullen hun, als synde
+ongeboorne dingen, niet instrueren, maer sulcx UE. en des Raeds
+vertrouwt beleyd bevolen laten, alleen recommanderen serieuselyck in
+alles soodanige voorsichtigheyd te gebruycken, dat ’s Comp^{s}.
+costelycke schepen en volcq, buyten alle vermoedelycke peryckelen soo
+veel doenelyck gehouden werden; om ’t welcke te beter te versorgen wy
+geensints begeren den Commandeur hem lichtvaerdigh van boord begeven,
+maer altyd in de schepen blyven sal, tot dat Comp^{s}. dienst, nae ’t
+goedvinden des Raeds, ’t contrary mocht vereysschen, opdat door
+onbedenckelycke quaede toevallen de vordere desseynen van dese
+importante reyse niet schaedelyck verhindert werden.
+
+Nae dat dan alle (immers de nodighste) bevolen saecken in _Tartaria_ syn
+verricht, ’t volcq wel ververscht en de schepen van versch water en
+brandhout behoorlyck versien, sullen UE. in ’t laetste van July ofte ten
+langhste ’t begin van Augusty, met vrundelycken oorloff van ’s lands
+regenten en inwoonderen, wederom t’ seyl gaen, stellende uwen cours
+dwars over den Tartarisen Oceaen Z.O.waert aen, tot op de longitude van
+’t Oost eynde van _Japan_, ofte dat de Westcuste van ’t onbekende
+_America_ Oostwaert de _Cabos de Fortuna_, _Corientes_ ofte _Mendocina
+falsi_ gemoet, welck land in sulcken gevalle, soo ’t weder en wind
+bequaemelyck gedooght, sult dienen te verkennen en van daer, ofte
+voorgestelde punt, uwen wegh recht Zuydwaerts nae den Oosthoeck van
+_Japan_ vervolgen, lopende ’t land op de 37½ graden in ’t gesicht,
+alwaer wy vertrouwen omtrent 20 à 25 Augusty met de Goddelycken hulpe
+wesen sult.
+
+Van hier sal UE. d’ontdeckinge van ’t goud- en silverrycke eyland
+hernemen, die by den Commandeur Mathys Quast in den jare 1639 te
+vergeefs is onderleyd, welcx medegegeven Instructie en gehouden
+Journalen u tot beter verstand van ons _scopus_, in ’t vermyden van de
+aldaer begaene misslagen ter hand stellen, alsmede de schriftelycke
+vertogen ons van den Coopman Verstegen, op de gelegentheyd ende ’t
+ontdecken van dat eyland voorgesteld. Meldende in substantie, dat in de
+Zuyd-zee op 37½ graden Noorderbreedte, ongeveer 400 Spaense ofte 343
+Nederlandse mylen by Oosten _Japan_, een heel groot en hoogh eylandt
+soude gelegen syn, wesende van blancq, schoon, vrundelyck en
+geciviliseert volcq bewoont, en boven maten silver- en goudryck, gelyck
+by seecker _Spaens_ schip, over veel jaren varende van _Manilha_ nae
+_Nova Hispania_, ervaren soude wesen; sulcx op die raporten in den jare
+1610 ofte 11, den Coninck van _Spanje_ een schip om ’t selve nader t’
+ontdecken en in besit te nemen uyt _Aquapulco_ nae _Japan_ gesonden
+heeft, om van daer (als bovenwinds) d’ontdeckingh te doen, dat door
+quaed beleyd en ongeluckige toevallen verhindert is, en sedert heeft
+gemelten Coningk door onvermogen en nalatigheyd geen nader vervolgh op
+die apparente nuttelycke discourse gedaen, gelyck mede des Commandeurs
+Quast’s besendinge derwaerts, als meermalen aengetogen, geheel
+onvruchtelyck uitgevallen is.
+
+Ende dewyle wy door gemelte en andere informatien seecker achten, ’t
+voorschreven eyland omtrent de aengetogen distantie by Oosten _Japan_
+gelegen is, hebben goedgevonden by dese gelegentheyd der _Tartarische_
+reyse, UE. oock dese ontdeckinge ter bequaemer tyd hernemen sult,
+doende uwen cours van d’Oosthoeck van _Japan_, op den paralel van 37½
+graden, 350 mylen recht Oost aen, des daeghs met goeden voortgangh, maer
+des nachts met cleyne seylen, om niet voorby te lopen, en soo ’t gemelte
+eyland in die distantie niet ontmoet, noch honderd mylen Oostelycker,
+opdat (soo ’t niet bejegent) verseckert wesen mocht ’t selve niet op
+geseyde latitude, maer aparent bet Noord ofte Zuydwaerts gelegen is.
+
+Van dit aengeseylde punt, daeromtrent 20 September wesen cond, sullen
+UE. nae tydsgelegentheyd, gestalte van uwe schepen en volcq, een van de
+twee naervolgende wegen tot de voordere ontdeckinge, met goeden overlegh
+des Raeds by der hand nemen, namentlyck:
+
+Den eenen cours is, van ’t geseylde punt (den tyd en wind sulcx
+gedogende) weder om de West (al cruysende van de 37 tot de 35 graden)
+nae _Japan_ te seylen, om alsoo seeckerlyck te vernemen off ’t
+gewenschte eyland in dien wegh gelegen is ofte wel de eylanden, die men
+seyd tusschen de 30 en 36 graden, 100 à 150 en 200 mylen by Oosten
+_Japan_ te leggen; daer voor seecker gehouden werd, eenige _Japanse_
+vaertuygen aengeweest en silver van daer in _Japan_ gebracht hebben. ’T
+een noch ’t ander gemoetende, moet den wegh bet Zuyd-Westwaerts nae
+_Formosa_ genomen werden.
+
+D’anderen wegh is, soo de Westelycke passaetwind ’t weder keeren nae
+_Japan_, op de voorgestelde breedte by cruysende wyse (als aparent) niet
+gedooght, van ’t aengeseylde punt met een Noorden cours de Zuyd-Westcust
+van _America_, boven _Cabo de Percelis_ ofte _Mendocina_, omtrent _Cabo
+del Aqua_ aen _Costa Trista_ in ’t gesicht te lopen, en soo ’t
+bequaemelyck geschieden can, in d’een of d’ander baey rede te nemen;
+waeromtrent Thomas Candisch, Engels Ridder, anno 1517, op 38 graden, in
+een bequaeme baey geweest is, daer seer goed volcq gevonden en dat land
+_Nova Albion_ genaemd heeft, noterende men hier quaelyck eenige aerde
+opnemen can, offse geeft eenige aparentie van silver ofte goud. Dit land
+conde alsdan in passant werden aengedaen, om iets van desselfs
+gelegentheyt te ervaren, u volcq met ’t gunt daer vinden mocht wat te
+ververschen en de schepen van ’t nodige water en brandhout te versien,
+om van daer met de Noord-Westelycke passaet, die nae alle aparentien op
+dien laten tyd des jaers in dat geweste vehement door blaesen sal, ten
+naesten by Zuyd-Westwaerts over te lopen, en alsoo op een rechten cours
+’t begeerde goudrycke eyland, off een van de silverrycke eylanden,
+tusschen de 30 à 36 graden, 100 à 200 mylen by Oosten _Japan_, te
+ontdecken. Ende soo niet bejegend, den cours (even als in ’t eerste
+voorstel) nae ’t eyland _Formosa_ tot eynde deser reyse te doen.
+
+Maer dewyle ernstigh meynen ’t goudryck eyland met den Ooster cours,
+immers een van de andere silverrycke eylanden, door een van de twee
+wederkerende wegen ontdecken sult, soo sullen mede instrueren hoe u in
+dien gevalle ten dienst van de Comp. te schicken hebt, ’t welcke ten
+principalen soo wesen moet, als op de gelegentheyd van _Cathaya_
+voorgeschreven is, waerby noch ’t volgende cortelyck sullen voegen.
+
+Dat wy meynen dese eylanden met de minste peryckelen bequaemelycxt aen
+de Zuyd-Oostsyde (wesende benedenswinds) connen aengedaen werden, aen
+welcken cust het goudryck eyland, in de Japanse Beobys(?) caerten, met
+een revier ofte haven affgeteyckend werd, als by ’t nevensgaende
+caertjen sult connen sien.
+
+Soo dit groote eyland ofte de mindere eylanden en d’inhabitanten van
+dien, in effecte soodanigh bevind, als ons daer van gecundight is,
+namentlyck de landen seer goud- en silver ryck, en desselfs inwoonders
+wel geproportioneerde, blancke, vrundelycke, beleeffde en geciviliseerde
+lieden, sal daervan meer staet als van wilde barbare menschen dienen
+gemaeckt, minnelyck bejegent en derselver overigheyd aengediend, hoe uyt
+verre landen, om proffytelycken handel te soecken, daer gecomen syt, en
+haer met onse coopmanschappen en waeren voor de commoditeyten huns
+lands soeckt te gerieven, vertonende de goederen UE. ten dien eynde
+medegegeven, die nae de eyschende bevindinge in estime houden moet, u
+bepalende, soo ’t goud en silver daer in groote abondantie is, die specy
+by ons in geringe estime, en niet beter als coper, spiaulter, thin off
+lood gehouden werd; echter sonderlinge letten, wat estime sylieden van
+alle metaelen maecken, en off ’t goud en silver by hun in grote waerdye
+is, wat mynen daervan hebben, en door wat middelen sy ’t selve uyt
+d’aerde graven en suyveren, neffens sulcx meer als tot goede cuntschap
+van des lands gelegentheyd noodigh achten en doenelyck vinden sult.
+
+Ende soo ’t ontdeckte land van sulcken merckelycken ryckdom bevind, dat
+de generale Comp. daervan considerable nuttigheden trecken can, sal UE.
+’t verblyven daer cort maken, en nae becomen informatie van de
+merckelyckste dingen, haestigh vertrecken en over _Formosa_ op ’t
+spoedighste herwaerts comen, opdat des te tydelycker de vereyschte
+besendingen derwaerts connen doen, doch sal UE. voor ’t vertreck dienen
+te delibereren off nodigh sy, daer 2 à 3 bequaeme personen te laten,
+sulcx niet resolverende, dan met believen van ’s lands overheyd, op
+welcx begeren mede gelyck getal van de haere wel herwaerts brengen
+mocht, sonder iemant dier vremde natien tegen danck uyt hun land te
+voeren, maer raeckende dit point in alles te doen als boven van
+_Cathaya_ aengewesen is. Ende dewyle wy onse intentie wegen uwe te doene
+voyagie in desen ten principalen hebben gededuceert, en op alle voor te
+vallen saecken geen precise ordre can gegeven worden, soo sullen ’t
+geene resteren mach en voorcomen sal, aen uwen yver, vigilantie en goed
+beleyd, neffens des Raeds voorsichtighe dispositie bevolen laten, met
+een hopent vertrouwen, gylieden in dese expeditie soodanigh vigileren
+sult, dat deselve tot nut van de generale Comp. succederen sal, als
+wanneer wy in’t recompenceren uwer gedaene debvoiren niet ondanckbaer
+sullen wesen, want byaldien op uwe reyse eenige rycke en voor de Comp.
+proffytelycke landen ofte eylanden werden ontdeckt, soo beloven mits
+desen, de beleyders en alle ’t weldragende scheepsvolcq, met soo danige
+promotien te vereeren, als bevinden sullen haere gedaene goede diensten
+te meriteren, sulcx ons deshalven bedancken sullen, waerop u al ’t samen
+te verlaeten hebt; gelyck UE. mede een redelycke premie sult stellen
+voor desulcke, die eerst eenige onbekende landen, eylanden, ondiepten,
+sanden, clippen ofte schaedelycke vuylen vernemen sullen, ten eynde alle
+ongelucken soo veel doenlyck voorgecomen werde.
+
+Alle ’t vaste land en eylanden die ontdecken, aendoen en betreden sult,
+moeten UE. voor de doorluchtige Ho. Mo. Heeren Staten Generael, als
+Souverayne van de Republicque der Vrye geunieerde _Nederlantse_
+Provintien, in possessie nemen, ’t welcke in onbewoonde landen ofte die
+geen Heeren hebben, door ’t oprichten van een steen ter gedenckenisse,
+’t planten van ’s lands wapen, ofte onse prince vlagge tot waren
+eigendom geschieden can, want sulcke landen den vinder en innemer met
+recht behoren, maer in gepopuleerde landen ofte die ontwyfelyck Heeren
+hebben, sal in ’t nemen van den eygendom, ’t consent des volcqs ofte
+Conincx nodigh wesen, dat door minnelycke bewegen met ’t presenteren van
+een boomken, geplant in weynigh aerde, ’t gemeyn oprechten van een
+steen, wapen, ofte stellen van de prince vlagge, ter memorie hunner
+vrywillige submissie ofte onderwerpinge, dient te geschieden. Doch
+dewyle vermoedelyck is, UE. soo wel in _Tartaria_, als de onbekende
+eylanden meest gepoliceerde natien en diensvolgens oock wettelycke
+overheden vinden sult, sulcx met recht geen possessie van derselver
+landen can genomen werden, en van hare souveranité geen vrywillige
+afstand sullen willen doen, soo sal ’t nodigh wesen, met soodaenige
+natien ofte hare princen, verbond van vrundschap maeckt, waertoe ’t
+oprechten van de voorgemelte dingen, als gedenckteyckenen, dienen
+cunnen; alle welcke handelinge UE. perfectelycken in u Journael
+aenteyckenen sult, met nominatie van de personen, die present sullen
+wesen, om in toecomende tyden onse Republicque te connen dienen.
+
+En opdat de voyagie volgens dese Instructie en onse goede intentie wel
+magh gereguleert en voltrocken werden, goede ordre onder ’t volcq
+onderhouden, recht en justitie conform den generalen artyckelbrieff
+geadministreert, en vorders ten meesten dienst van de Comp. gedaen en
+verricht magh werden, ’t gunt op soo peryculeuse en langhdurige reyse
+voorvallen en vereysschen mocht, soo hebben den E. Maerten Gerritsen
+Vries tot Commandeur van beyde de schepen gestelt, denselven by desen
+authoriserende, om de vlagge op _Castricum_ van de groote stenge te
+voeren, den Raed te beroepen en continueel daerin te presideren.
+Oversulcx gelasten en gebieden aen alle officieren en matrosen, niemant
+uytgesondert, die op de schepen _Castricum_ en _Breskens_ bescheyden
+syn, den gemelten Maerten de Vries voor haer Commandeur en Opperhooft t’
+erkennen, respecteren en gehoorsaemen, mitsgaders in alle voorvallende
+gelegentheden met goeden raed en vlytige dienst, tot vorderingh der
+voyagie en ontdeckinge der onbekende landen, te assisteren, als
+vigilante en getrouwe dienaren betaemt en gelyck yder voor ons in ’t
+wederkeren meend te verantwoorden.
+
+Den Raed van dese twee schepen sal bestaen uyt de volgende personen,
+namentlyck:
+
+ Den Commandeur Maerten Gerritsen Vries, Continueel Preses.
+ Schipper Hendrick Cornelisz. Schaep, op _Breskens_.
+ Ondercoopman Willem Byleveld, » »
+ Schipper Pieter Willemsz. Knechtjes, » _Castricum_.
+ Opperstuerman Cornelis Jansz., (Coen) » »
+ Opperstuerman Jeuriaen Bruyn, » _Breskens_.
+ Provisioneelen Ondercoopman Abraham Pittavin op _Castricum_, die mede
+ als Secretaris en by vereysch als Fiscus wesen sal.
+
+By desen Raed sullen alle voorvallende saecken, tot bevorderingh deser
+voyagie en uytvoeringh onser ordre, beleyd en afgehandelt werden,
+sullende den Commandeur by steeckingh twee stemmen hebben, doch in
+saecke van justitie sullen d’hooghbootslieden mede geroepen werden, als
+d’ordre onser principalen dicteert. Maer in saecken die de zeevaert, als
+coursen en ’t ontdecken van de landen etc., aengaen, sullen
+d’onderstierlieden mede compareren en adviserende stemmen hebben, die
+den Commandeur coligeren en met de meeste concluderende stemmen sluyten
+sal, versorgende alle resolutien terstont dobbel geregistreert,
+geteykend en ten dienste van de Comp. wel uytgevoert werden.
+
+Soo den Commandeur Vries (dat God verhoede) quaeme te overlyden, sal de
+Schipper Hendrick Schaep in desselfs plaetse succederen en in alle
+deelen conform den inhoud deser Instructie, even als syn voorsaedt,
+gebieden en gehoorsaemt werden, soo dat betaemt.
+
+De schepen gaen gemant met 110 cloecke coppen, daeronder 10 soldaten,
+synde op ieder schip even veel, mitsgaders van alle nodige amunitie,
+gereetschap en provisien wel versien en voor twaelf maenden ruymelyck
+gevictualieert. Laet alles wel en behoorlyck mesnageren, en ’t ordinarie
+rantsoen van twee vleesch- en een speckdagh, een mutsken asyn en ½
+mutsken oly ter weecke, en 1½ mutsken arack des daeghs, onder ’t volcq
+uitdeelen. Stercken arack gaet in yder schip twee leggers, om in de
+coude tot des volcx gesondheyd soberlyck uyt te deelen, maer
+insonderheyd diend ’t versch water en brandhout seer gemesnageert, synde
+daer omme van watervaeten ryckelyck versien, opdat daervan in geen
+noodwendige behoeften vervalt, en om ’t selve te soecken in uwer reyse
+niet verachterd ofte onverrichter saecken te keren genoodsaeckt werd,
+dat tot groote schaede van de Comp., die in ’t equiperen van dese
+schepen groote costen heeft gedaen, en u aller schande gedyen soude, dat
+daeromme met naerstige voorsichtigheyd voorgecomen diend.
+
+Tot besluyt van dese Instructie willen UE. des Albestierders segen
+toewenschen, welcx Divine Maij^{t}. bidden uwe personen, tot volvoeringh
+van dese voorgenomen ontdeckinge, met mannelycke couragie te
+begenaedigen en verrichter saecken, behouden te laten keren, tot
+verbreydinge syner eeuwige glorie, reputatie onses Vaderlands, des Comp.
+sonderlingen dienst, ons contentement, en U aller onsterffelycke eere.
+
+ In ’t Casteel _Batavia_,
+ desen 2 February, Anno 1643.
+
+ (Get.) Anthonio van Diemen.
+ Cornelis van der Lyn.
+ Joan Maetsuycker.
+ Justus Schouten.
+ Salomon Sweers.
+
+
+Memorie van de boecken en pampieren, die by d’Instructie van de
+Tartarise besendingh gevoucht moeten worden.
+
+ N^{o}. 1. Tooneel des Aertrycx ofte nieuwe atlas, synde een
+ den Comm. beschryvinge met Caerten van alle landen des
+ alleen. aerdcloots, door Wilhelm en Joannes Blauw.
+
+ d^{o}. eygen 2. Itinerarium ofte Schipvaert van Jan Huyghen van
+ Linschoten.
+
+ d^{o}. alleen. 3. Nieuwe Wereld ofte beschryvinge van _West-Indien_,
+ door Johannes de Laet.
+
+ 4. Extract uyt ’t Vertoogh van den Coopman Willem
+ Verstegen, nopende ’t ontdecken van de onbekende
+ Custen van _Corea_, _Jeso_ en _Japan_, mitsgaders
+ d’eylanden daer by Oosten gelegen.
+
+ 5. Remonstrantie van ditto Verstegen, op ’t ontdecken
+ van ’t Goudrycke eyland by Oosten _Japan_.
+
+ 6. Instructie voor den Comm. Mathys Quast, tot
+ ontdeckinge van d’onbekende eylanden by Oosten
+ _Japan_.
+
+ d^{o}. alleen { 7. Een Journael van Commandeur } nopende hunne
+ { Quast. } gedaene reyse in
+ { 8. Een d^{o}. van Schipper Tasman } de _Zuyd-zee_.
+
+ 9. Extract uyt ’t Journael van India, vervattende
+ ’t succes van des Comm. Quasts voyagie by Oosten
+ _Japan_.
+
+ 10. Extract uyt de memoriale aenteyckeninge en
+ bedenckinge van Maerten Gerritsen Vries op
+ d’ontdeckinge van ’t _Zuydland_, de Oostcust van
+ _Tartaria_ en d’eylanden by Oosten _Japan_.
+
+ 11. d^{o}. uyt ’t Cort verhael van Maerten Gerritsen
+ Vries, nopende de nuttigheden van ’t ontdecken
+ van ’t _Zuydland_ en _Tartaria_.
+
+ 12. d^{o}. uyt ’t Vertoogh van Franchois Jacobsen
+ Visscher, nopende ’t ontdecken der onbekende
+ Custen van _Japan_, _Corea_, _China_, _Tartarien_
+ en d’eylanden by Oosten gelegen.
+
+ N^{o}. 13. Cort begrijp van ’t ontdecken van _Cathaya_ en
+ d’eylanden by Oosten _Japan_, door Maerten
+ Gerritsen Vries.
+
+ 14. Memorie op ’t stellen van de raporten, voor de
+ dienaers van de geoctroyeerde Oost-Ind. Comp.
+
+ 15. Ordre voor den Schipper-Comm. Maerten Gerritsen
+ Vries en vorder overicheyd van ’t fluytschip
+ _Castricum_ en ’t jacht _Breskens_, op hunne
+ reyse van _Batavia_ nae _Molucco_.
+
+ 16. Factura van de Coopmanschappen en monsters van
+ allerley waren, gescheept in _Castricum_ en
+ _Breskens_.
+
+ {17. Inventarissen van de voornoemde schepen.
+ {
+ {18. Originele resolutien, getrocken op de gemelte
+ { reyse van den Comm. Quast.
+ den Commandeur {
+ alleen. {19. Seynbrieff op ditto voyagie beraemt.
+ {
+ {20. Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast,
+ { tot ontdeckingh van ’t Goudrycke eyland.
+
+ 21. Twee Caertges van ’t Goudrycke eyland, soo ’t
+ selve in de _Japanse_ Beobys staet.
+
+ d^{o}. alleen. 22. Gedruckte pryscouranten off Cours van negotie in
+ _Amsterdam_, dato 30 September en 4 November anno
+ 1641.
+
+Alle welcke voorstaende Schriften ende Caerten by den Gouvern.-Generael
+en Raden van _India_ syn overhandight aen den Schipper-Comm. Maerten
+Gerritsen Vries op _Castricum_ en den Schipper Hendrik Cornelisz.
+Schaep op _Breskens_, gedestineert tot de _Tartarische_ ende voordere
+ontdeckingh; met last, sy alle deselve, in conformité van dese memorie,
+op hun keeren aen ons weder sullen hebben over te leveren, om ons in
+tyden en wylen daervan naeder te mogen dienen.
+
+ In ’t Casteel _Batavia_,
+ desen 2 February, Anno 1643.
+
+
+
+
+REMONSTRANTIE
+
+_ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt, ofte wel nieuwen
+aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Gout- ende
+Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van 37½ graden,
+benoorden de Linie Equinoctiael._
+
+Gederigeert
+
+Aen d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael, en de presente
+Raden over den Nederlantse Staet in d’_India_, residerende ter Casteel
+_Batavia_.
+
+
+Veele ende genouchsaem (is een) yder kennelyck alle het aertryck, soo
+wel ’t vast als d’eylanden, in den beginne van Godt Almachtich vast
+gefondeerd ende oock meest onveranderlyck in weesen gebleven is; dan
+noch tot op den huydighen dach niet alles by ons cunt waer, hoe veel van
+verstroyde volckeren ofte vluchtelingen dese wel bewoont en vervult is.
+Soo is ’t dat seer ruymen tyt geleden, seecker vaertuych van _Manilha_
+vertrocken weesende, voornemens ter traffique syne voyagie naer
+_Nova-Hispania_, in een deser plaetsen te doen, beoosten _Japan_ in de
+Zuydtzee, op de hoochte van 37½ graden, omtrent 380 à 390 mylen van wal,
+een groot ende seer geweldich swaer weer ontmoetende, ja sulcx dat syn
+mast verloren ende genouchsaem te keeren ofte ’t eerste land aen te
+doen, genoodsaeckt was. ’t Weer wat handiger ende affgenomen wesende,
+met ’t claer jachten des luchts, saegen juyst t’haerer gelucke, een
+groot ende hooch verheven eylant, ’t welck haer niet weynich in haer
+gemoet deed blyden, daer den cours recht naer toe stellende, aenlanden,
+bevonden ’t vreempt ende niemant cundich; ’t volcq van schoonder
+gedaente, blanck ende wel geproportioneert, seer min ende vriendelyck,
+als men niet soude connen nochte willen, omme mede omme te gaen,
+gewunschen. Alwaer nae een weynich tyts gelegen, het soodanich bevonden,
+dat naer een becomen mast, hunne reys te vorderen weder aennaemen, ende
+alle soo wel gecontenteert, dat haer docht tot onderhout van ’t leven
+als groote Sr. ofte banderheeren noyt iets te sullen meer ontbreecken;
+continueelyck soodanich daervan opgevende, niet anders alsof men ’t gout
+ende silver, by maniere van spreecken, bynaer maer by de strant
+opraepte; ja, hunder ketelen ende ander cocx-gereetschappen daervan
+gesmeden waeren. O! wat een te wunschene saecke soude ’t sijn, ende hoe
+nodich voor de Comp., daer sy in soo cort aenwesen haer beursen met te
+negotieeren als andersints soo swaer .... gelyck voormelt, gesmeden
+hebben.
+
+Nu het is soo het wil ende sy soo ’t mach, men conde seggen, indien
+mette waerheyt accordeerde, men ’t selvige daerby niet soude gestaeckt
+noch achterweege laeten blyven hebben, dan nie(mant) en kent yders
+gelegentheyt niet, want particuliere coopluyden, ten sy met
+bewilligingh, geheel onvermogent, werwaerts hun gelieft t’equiperen, is
+’t echter in’t jaer 10 à 11, ofte ’t jaer nae ’t nemen van den Heere
+Wittert[13], gebeurt; waeruyt claerlyck de waerheyt te speuren is, dat
+den Coninck van _Hispania_ ’t selvige aengecundicht ende wel op beraden
+wesende, synen Vice-Rey van _Nova-Hispania_, residerende in de hoofdstad
+_Mexica_, (nu 2 à 3 jaeren verleden, meest ingesoncken....,) ten halve
+oft midts wegh van ’t lant, tusschen de _Noord-_ en d’ _Zuydzee_
+gelegen, derwaert te equiperen last gegeven heeft; die tot voldoeningen
+der Mr. ordre, een jacht, genaempt _St. Francisco_, in een baye in
+_Aquapulco_, synde ongevaer 80 mylen van _Mexica_ (een moeylyck te
+reysen lantwegh, oversulcx 14 à 15 dagen ordinary te passeeren), heeft
+laeten vaerdigen, ende ter vertreck gereet maecken, met sulcken
+intentie, eerst in _Japan_ gearriveert wesende, van ’t provenu der
+coopmanschappen ofte oock wel om der goede gelegentheyt van schepen,
+noch een tweede jacht tot _Oringua_, soo als derrewaerts ’t bequaemste
+oordeelen soude, te laeten timmeren; ende wert ’t volcq tot gemelte
+exploict aengenomen, ende daer over geordineert was als Generael, Jan
+Bastiaen Busqaine, een out, grys, bedaert persoon, niet min dan 70
+jaeren, wien nevens alle andere ende mindere persoonen, ter bestemder
+tyt op de geordonneerde plaetsen in _Mexica_ ende voor den Vice-Rey hun
+lieten vinden, alwaer een Conincklyck placcaet openlyck voor alle
+volckeren gepubliceert ende afgecundicht wert, waerinne verhaelt wert,
+Syne May^{t}. op de aencundiging goet gevonden hadde, twee jachten te
+equiperen, omme ’t Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuydzee ter
+hoochte van 37½ graeden, naer opdaeginge te conquesteren ende onder syn
+gebiet te brengen, beloovende yder soo wel van de meeste tot de minste,
+naer merite een part oft uytdeylinge desselfs te doen ende meer; hun ten
+dien eynde den eedt van getrouwicheyt afvorderende, waerop gevolcht,
+gesaementlyck naer _Aquapulco_ (de luyden te paert ende de goederen met
+muylen, volgens gewoonte) t’inbarqueeren haer begaven ende nevens noch
+drie andere jachten, genaempt _St. Anna_, _St. Bastiaen_ ende het jacht
+welck Meester Adam, wiens soon Angiel present te _Jedo_ noch residerende
+is, selfs laeten maecken hadde, sy naer _Japan_ en d’andere naer
+_Manilha_ gedestineert, vertrocken sijn. Daer aengecomen wesende, heeft
+den gemelten Generael, hoewel out ende bedaecht, buyten postuer met
+bouracheren, vrouweeren, dobbelen als spelen aengegaen, sulcx dat naer
+verheys nieuwers noch, noch op hemselfs acht namp. Den tyt hunner
+vertreck genaeckende, syn gesaementlyck soo wel het nieuwe
+daergemaeckte, als ’t ouwe metgenomene jacht, onder seyl gegaen, doch
+door onvoorsichticheyt is ’t gemelte nieuwe tegen een eyland, met
+lichten daege, liggende voor ofte niet verde van G.... t’eenemael
+verseylt, ende ’t ander, ’t welck naer behooren niet gerepareert was,
+bevonden soodanich gestelt, dat daer van daen quaemen, weder
+genootsaeckt waeren te retourneren ende ’t jacht te sloopen. Alsdoen
+voorders ’t geen noch resteerde ten naestenby t’souck brengende, want
+het scheen eer deech noch rust voor alles op hadde geweest, waerdoor
+oock onmogelyck wiert, een vaertuygh ter eygen selfs vertreck te laeten
+maecken ende noch naer een jaer overblyvens genootsaeckt wierden, op een
+gallioen, dat _Massammad_, een groot lantsheer, (in wiens [haven?]
+geanckert geweest waeren,) op synen naem maecken en eygen risico naer
+_Aquapulco_ trecken liet, met degene die ’t aenstond, te inbarqueren.
+Want eenige sustineerden uyt des Conincx dienst ende alsdan vry waeren.
+Welck gallioen, dat meer is, selfs ’t gemelte eyland in ’t gesicht gehad
+heeft, veel drift vernaemen ende van tortelduyven schier als vervult
+wiert, dan, omme de _Japanders_ meesters waeren, mosten naer hun pypen
+dansen. Dat dit waerachtich ende geloove seecker is, want Sr. Vincent
+Romeyn, ter stede _Nangasaecke_ woonachtigh, een geloofwaerdigh persoon,
+doenmaels in _Mexica_ weesende, de publicatie selfs met eygen ooren
+gehoort en een persoon met de galioten verscheenen ende geretourneert,
+gesproocken, die met ’t gemelte galioen teruggekeert en dit eyland
+verclaert met waerheyt gesien heeft. Op gemelte _St. Francisco_, dat
+meer is, was een Nederlants schieman, genaempt Marcus Symonsen, in syn
+leven een goede bekende van d’E. Heer Specx, welcke nevens eenige andere
+daer te lande verbleef ende in _Nangasaecke_ lange geresideert; alwaer
+noch twee dochters in leven heeft. Soo dat genoechsaem al ’t geene waer
+ende niet aen te twyfelen is; oock laet het sich niet onbillyck aensien,
+door misnougenheyt ofte wel cleyn vermogen ende nauw omcomen van qualyck
+te equiperen, het vorderlyck by der hand tenemen, tot beter ockagie
+gestaeckt ende naergelaten wert. Wie weet off de Heere onse Godt, der
+Spanjaerden, om ’t quaed ende boose hunner voornemen, oock d’aenslagh
+niet confuys gemaeckt heeft; als niet willende gehengen, d’arme luyden
+hun noyt hebbende misdaen, maer integendeel wel bejegent ende
+vriendelyck geweest, van haer goet ofte erfdom, welcke als een proye
+buyten wilde, souden werden ontrooft.
+
+ [13] De zeevoogd Francois Wittert werd in het jaar 1609 bij _Manilha_
+ door de Spanjaarden genomen.
+
+Gemelte dan, UEd. Heeren, verstaen hebbende, dacht my verplicht te
+weesen, ten dienste van de Comp. ende welvaeren onses gemeynen
+Vaderlants, UEd. ’t selve de weet van te doen, opdat der vyanden
+voordeel mach affgesien ende door ons becomen werden. Want menichmael
+leyt het vier bedolven onder de assche, waervan eyndelyck een geheelen
+brant ontsteecken can. Het is een licht te beginnen ende oncostelyck
+werck, misschien de Comp. daer soo veel proffyt als uyt _Japan_ te mogen
+haelen; twee cleyne ofte handige stercke zeejachten uyt _Japan_
+derwaerts gesonden, soude ter aenvangh genouch syn, omme, ofte ’t eene
+te missen quamp, het andere mocht te recht geraecken; was, porseleyn,
+stoffen enz. sulcke ende diergelycke waeren soude tot een monster ofte
+preuve een weynich connen medegenomen worden; die t’allen tyde ende
+schoon onvruchtelyck keerende, haer gelt daer weder wel haelen sullen.
+’t Is een groot hooch lant, dan niet weetende watter van sy, oversulcx
+d’ondervindingh de beste leermeester syn sal; het leyt als gesecht maer
+380 à 90 mylen ofte op het hoochste 400 mylen van _Japan_, op de hoochte
+qualyck van 37½ graden, is oock meermaelen gesien van d’andere
+vaertuygen, uit _Nova-Hispania_ naer de _Manilha_ ofte wel _Manilha_
+naer _Nova-Hispania_ willende; dan schynt, al even in ’t gesicht
+crygende, haer ordre, als daertoe geen last hebbende, niet te buyten
+gaen mogen, en sulcx ende diergelyck vast d’oorsaecke van onbekentheyt
+is blyvende.
+
+Gemelte Sr. Vincent Romeyn, soo UEd. daervan een preuve sints te doen
+syt, heeft gepresenteert selfs persoonlyck, op de goede hoope die door
+eygen cuntschap van alle ’t gene is hebbende, mede te willen laeten
+gaen. De jachten souden mede cunnen geemployeert worden omme een te
+doene tocht, ter opspeuringe wat vorder om de Noort in ’t ryck van
+_China_ ofte wel _Corea_ te doen soude mogen wesen, gemerckt van
+d’inlanderen selfs een grooten handel derwaerts uyt, over ende weder
+gedaen worde; jae ’s Keysers passen soo wel naer _Tonquyn_ en
+_Cochin-China_, als over ’t lantschap _China_ en _Corea_, plegen
+verleent te worden.
+
+Dit dan dus cortelyck gestelt ende by den anderen versaemelt wesende,
+gelieven UEd. als uyt een tuygende genegentheyt, volgens als voormelt
+van de Comp. ende Vaderlants welvaeren te geschieden, aen te nemen van
+
+ UEdlens onderdaenigen, altyd
+ verplichtenden dienaer
+ (get.) Willem Verstegen.
+
+ Actum in ’t schip _Amsterdam_,
+ voor de straete _Balimboan_,
+ desen 7 December, anno 1635.
+
+
+
+
+ORDRE TOT DE ZEYLAEGIE
+
+ _voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries en de
+ verdere overigheyd van de fluyt Castricum ende ’t jacht
+ Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs d’Oostcuste
+ van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel Maleye
+ sullen hebben te reguleren._
+
+
+Om wat redenen ende motiven wy in Rade van _India_ goed gevonden hebben,
+UE. tot begin ende aenvangh van de geordonneerde voyagie nae de Noord,
+over de _Moluccos_ te laten navigeren, sullen hier niet verhaelen, maer
+gedraegen tot onse aen UE. verleende generaele Instructie, op die
+gelegentheyd wyd ende breed gextendeert, ende in desen niet verder gaen,
+als tot vertoogh van d’ordinarie courswysing langhs _Celebes_ Oostcust
+tot in _Ternaten_, gelyck daertoe gerefereerd werd.
+
+Naerdat dan morgen vroegh gemonsterd ende uwe anckers aen boord hebt,
+sullen UE. in Godes naeme van dese rheede scheydende, haren cours doen
+om _Pulo Rakit_ ende _Boomkens_ Eyland by Noorden te laeten en de
+Javaense cust in ’t gesicht houden, mits omtrent twee mylen daer buyten
+blyvende, op de diepte van 10 à 12 vaedem, alsoo den Vlacken ende
+Schaedelycken hoeck (seylende van hier Oostelyck) wel te loden syn,
+voorts uytsiende nae den steen, die in ’t Noorden van _Kandanghauwer_
+leyd, omtrent drie mylen in zee.
+
+Het rechte vaerwater van _Batavia_ naer de Enghte tusschen _Celebes_
+ende _Salayer_ is te houden op de ses graden Zuyderbreedte, om in ’t
+gesichte van ’t hooge _Javase_ land by Zuyden _Carimon-Java_ en
+_Lumbocq_ te seylen, naer de Brede-Banck, ruym derthien mylen by Westen
+den hoeck van _Tanakeka_ gelegen, daer die passeren moet op 8, 10 à 14
+vaedem, wanneer wel diend uyt te sien naer de Twee-Stenen, daer anno
+1633 een onser burgers-joncken op gebleven, ende den Gouverneur-Generael
+anno 1638 (vaerende nae _Amboyna_) met de vloote omtrent geweest is;
+niet alleen naer dese, maer nae alle andere clippen, rudsen en
+drooghten, sult doorgaens naerstigh uytkycken, ende een man aen de
+stenge houden, om alle ongemack soo veel mogelyck voor te comen.
+
+De gemelte banck gepasseert wesende, sult in der yl den hoeck van
+_Tanakeka_ voornoemd, aen boord maecken te crygen, ende die soo nae
+loopen, als sonder peryckel ende tydversuym geschieden can, opdat van ’t
+land gesien mocht worden; seylende dan voorts digt langs de _Celebese_
+Zuydcust, naer en door voorschreven enghte, item wyders tot de straete
+van _Bouton_, die op het alderspoedighste sult trachten te passeren,
+ende is ’t doenlyck, sonder ten ancker te comen. Doch ’t selve
+genootsaeckt wordende, ende iemant van de _Boutonders_ aen boord
+verschynende, voorsichtelyck hooren wat te seggen hebben, ende hun
+voorts aendienen, om met haer te handelen, geen last hebt, maer dat cito
+voort moet, doch eerstdaeghs daer noch eenige schepen, met soldaten nae
+_Amboyna_ gedestineerd, staen te passeren, die hun beter te spraeck
+sullen connen staen.
+
+Ondertusschen moeten UE. niemand aen land vertrouwen, tegen die
+moordadige diefachtige natie wel op hoede, ende in posture van defentie
+maecken te wesen, ten eynde de voordesen gepleeghde gruwelycke actien
+niet mede subject werd; buyten dat sult hun in ’t passeren der
+aengetogen straete niet beschaedigen.
+
+De gemelte straet doorgeseyld ende van waeter wel versien synde, sult
+dan by Oosten de custe van _Celebes_ trachten op te stoppen, tot de
+hooghte van omtrent een graed by Noorden de linie, wel verstaende, soo
+UE. de wind daertoe wil dienen, soo niet, meught wel om d’Oost
+oversteecken, wanneer de linie genadert syt; alsoo dan ongetwyffelt
+_Macquian_ wel beseylen sult, te meer de stormen omtrent de
+_Guriches_--dat syn clippen ende cleyne eylanden in ’t Zuyden van
+_Macquian_ gelegen--stilstant nemen, soo d’ervarendheyd geleerd heeft.
+
+Op de gemelte Oost-custe van _Celebes_ bevint men veele droogten, moet
+derhalven voorsichtigh seylen, ende des nachts letten als het doncker
+is, maer het water rolt er soo slecht ende de custwinden syn daer soo
+dienstigh, dattet een goed vaerwater sy, ende tot meerder claerheyd
+behandigen u nevens desen, elck een caertjen van de gelegentheyd
+derselver Oost-custe, streckende van _Celebes_, tusschen den hoeck daer
+’t Eyland _Waeroway_ byleyd, tot omtrent 1½ graed by Noorden de Linie,
+in ’t welcke, met de aenteeckening der diepten, werd aengewesen den
+cours die men heeft te nemen, dat meest _Celebes_ naest geschieden moet,
+alsoo men daer vind de meeste openingh, mitsgaders de minste drooghten
+ende bancken, die t’zeewaerts soo menighvuldigh syn, datter geen
+doorcomen gesien werd.
+
+Wy houden ’t soo geraeden, dat van _Celebes_ oversteeckt om _Macquian_
+te beseylen als _Ternate_, aengesien van _Macquian_ binnen door, langs
+de West-cust van _Batachina_ ofte _Hala Machera_, mede goed opcomen is.
+
+Omtrent de _Moluccos_ verschynende, sult u wel slaghvaerdigh houden,
+insonderheyd verdacht wesen op het aencomen der _Spaense_ galeyen by
+stilte ofte andersints, oock sorge draegen dat by den anderen blyft,
+ende gelyckelyck voor ’t Casteel _Maleyen_ verschynd, om te minder
+peryckel van d’aengetogen galeyen subject te syn; wyders _’t volck
+onderwege met de waepenen oeffenen, opdat daerin t’ervaerener werden_,
+tegen alle voorvalligheden van offentie en defentie.
+
+Behalven de _Portugesen_, met wien onse Souveraine in _Nederland_ voor
+thien jaeren trefúes gemaeckt ende hierover doen publiceren hebben,
+sullen UE. gesaementlyck vyandelyck aentasten alle die by Oosten den
+_Bouqueron_ sonder onse passen comt te gemoeten, niemant uytgesonderd
+als die van _Bouton_, wanneer u niet selfs eerst offenceren; doende alle
+mogelyck debvoir om desulcke voorsichtelyck te vermeesteren ende in u
+gewelt te becomen, nemende haer personen in goede versekeringh, ende hun
+goederen onder inventaris over, om die naer _Molucco_ te brengen, ende
+daerover gedisponeert te worden als naer behoren.
+
+Met lieff op _Tarnaten_ g’arriveerd wesende, sult de nevens gaende
+brieven aen den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen overleveren, ende u
+voorts reguleren naer onse hier voor geciteerde generale Instructie, aen
+dewelcke wy ons, als geseyd wyders blyven gedraegen.
+
+Wenschende UE. tot het voltrecken van d’een ende d’ander voyagie, den
+Heyligen zegen ende protextie des Alderhoogsten.
+
+ In ’t Casteel _Batavia_,
+ den 2 February, anno 1643.
+
+ (Get.) Anthonio van Diemen.
+ Cornelis van der Lyn.
+ Joan Maetsuycker.
+ Justus Schouten.
+ Salomon Sweers.
+
+
+
+
+JOURNAEL
+
+ _ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den
+ Opperstierman Cornelis Jansz. Coen, vaerende op ’t fluytschip
+ Castricum, beneffens ons het jacht Breskens; synde geordonneert
+ van den E. Heere Gouverneur-Generael Antonio van Diemen ende de
+ Raden van India, tot ondeckingh van Tartaria, ’t Coninckryck
+ van Cathaya ende West-custe van Ameryca ende de Gout- ende
+ Silverrycke Eylanden, die soude gelegen wesen by Oosten Japan,
+ op omtrent de Noorderbreeten van 37½ graden, onder het Commando
+ van de Ed. Commandeur Maerten Gerritsz. Vries._
+
+ _Beginnende van Ternaten alwaer van daen wy op den 4 April anno
+ 1643 t’seyl syn gegaen. Godt verleen ons geluck ende voorspoet,
+ dat onse reys mach gedien tot welstant onser Ed. Heeren Meesters
+ ende voortplanting synder gemeynte, Amen._
+
+
+April.
+
+c 4.
+
+’s Middachts heeft den E. Heer Commandeur met syn byhebbende
+raetspersoonen, een eerlyck afscheyt genomen van den E. Heer Gouverneur
+Seroyen, ende syn ’s avonts met een Suydelyck coeltie, in den naem Godts
+t’seyl gegaen van _Tarnatens_ ree; de goede genadige Godt verleen ons
+goet succes ende behouden reys, Amen. ’s Nachts hadden wy moy weder,
+deden ons best om de cust van _Gillola_ aen boort te crygen.
+
+d 5.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, de wint variabel, alsdoen lach het
+eylant _Hiery_ W.S.W. 2 mylen van ons, doe passeerden ons eenige
+corra-corras ende galalys, die van _Gillola_ quamen en wilde naer
+_Ternaten_ toe. De wint loopende in ’t Noorden, deden ons best met
+laveren om Noort te winnen. ’s Middachts waeren wy omtrent 1½ myl buyten
+de cust van _Gillola_. Naer de middach liep de wint Noordwest, ’s nachts
+variabel Oost ende dan weder Noorden, somtyts met slappe koelte.
+
+e 6.
+
+’s Morgens was het regenachtich doncker weder, waeren omtrent 4 mylen
+buyten de cust van _Gillola_, de wint variabel. ’s Middachts waeren wy
+op de Noorder breeten van 1 graed 22 minuten, alsdoen lach de banck van
+_Ternaten_ S. omtrent 7 mylen van ons, waeren 2 mylen buyten de cust van
+_Gillola_, deden alle devoir om Noort te winnen, maer bevonden hier
+harde stroom om de S. te gaen. ’s Avonts saegen wy de eylanden van
+_Tongy-Songy_ in ’t N. vyf mylen van ons, waeren 1½ myl buyten de cust
+van _Gillola_, saegen de berch van _Ternaten_ in ’t S. van ons, de wint
+alsdoen N.N.W. ’s nachts Oostelyck met veel stilte.
+
+f 7.
+
+’s Morgens met den dach cregen wy een styve regen met een variable
+coelte, doch meest Noordelyck. ’s Middachts lach de berch van _Ternaten_
+S. ten O. ½ O. ende de eylanden _Tongy-Songy_ in het N.O.t.N. 5 mylen,
+synde buyten de cust van _Gillola_, de wint alsdoen N.N.W. Wenden het
+alsdoen om de N.O., alsdoen is door den ordinaris seyn van den E.
+Commandeur den raet beroepen; van beyde scheepen is geresolveert om soo
+veel als mogelyck was ons devoir te doen, om de N. hoeck van _Moratay_
+aen boort te crygen ende van daer alsdan onse coers om de N.O. aen te
+stellen, soo veel weder en wint soude mogen toelaeten. ’s Avonts in ’t
+opsetten van de wacht schoot de wint in ’t O.t.N., maar cort weder
+Noordelyck, variabel.
+
+g 8.
+
+’s Morgens moy weder, het luchien Oostelyck. ’s Middachts hadden wy de
+N. breete van 1 gr. 44 min., alsdoen lach de berch van _Ternaten_ S. ½
+O., de eylanden _Tongy-Songy_ O. ½ N. 4 mylen van ons, de wint doen
+Noordelyck. ’s Avonts door een peyling bevonden 4 gr. 7 min. N.O.
+tering. ’s Nachts moy weder met veel stilte.
+
+a 9.
+
+’s Morgens moy weder, met een variabel luchien uyt een N.O. ende N.N.W.
+met veel stilte. ’s Middachts lach het eylant van _Ternaten_ S. ¼ O.
+ende de eylanden van _Tongy-Songy_ O. ¼ N. 4 mylen van ons, hadden
+alsdoen de N. breete van 1 gr. 48 min. Cregen doen een cleyn Noordelyck
+luchien, maer corts weder stil, in ’t ondergaen van de son cregen wy een
+cleyn coeltie uyt een Noorden, hetwelck nae het O.N.O. trock, wenden het
+doen om de Noort. Omtrent de middernacht cregen wy weder de wint
+variabel Noordelyck.
+
+b 10.
+
+’s Morgens moy weder, met een variabel luchien met veel stilte. ’s
+Middachts waeren wy op de gegiste breete van 1 gr. 50 min., doen lagen
+de eylanden van _Tongy-Songy_ O.t.S. 3 mylen van ons, de Westhoeck van
+d^{o}. eylanden ende hoeck van _Gamma_ .... liggen S. ½ W. en N. ½ O.
+over malcanderen in strecking; wenden het N.waert over. ’s Avonts lach
+het eylant _Salangary_ N.N.O. ½ O. 5 mylen, en het eylant _Tongy-Songy_
+S. ½ W. van ons. ’s Nachts in de eerste wacht hadden wy regen met een
+variabel coeltie, in ’t 4^{de} glas van de wacht cregen wy de wint
+O.N.O., wenden het N.waert over, de wint corts met stilte naer het N.O.
+treckende, cregen een moy coeltie, lieten het N.N.W.waert overstaen.
+
+c 11.
+
+’s Morgens moy weder, cregen omtrent 2 ure naer sons opganck een cleyn
+reegen caeckien[14] met een N.N.O.coelte, wenden het om de O., corts
+daernaer dreven wy in stilte, wat voor de middach cregen wy een moy
+luchien uyt een N.O., wenden het om de N.N.W. ’s Middachts waeren wy op
+de bevonden breete van 2 gr. 7 min. ende op de lengte beoosten de
+meridiaen van _Teneriffa_ 145 gr. 42½ min., de wint alsdoen N.N.O.,
+conden alsdoen de berch van _Ternaten_ noch pas sien in het S. ⅓ W. van
+ons. Het eylant _Doy_, het N. eynt N.O. ½ N., het midden van ’t eylant
+_Tuancara_ N.O.t.O., het S. eynt van ’t eylant _Pou_ O.t.N. ½ N. van ons
+5 mylen; naer de middach cregen wy een moye coelte uyt een N.W., wenden
+het N.N.O. waert over, dreven ’s nachts in stilte.
+
+ [14] Opkomende harde wind. Witsen.
+
+d 12.
+
+’s Morgens moy weder, dreven in stilte tot 2 ure voor de middach, waeren
+met de stroom wel 1½ myl om de S.S.W. gedreven, cregen doen een moy
+coeltie uyt een N.O. ende trock naer het O.N.O. Seylden met d^{o} coelte
+soo veer om de N., tot ’s middachts op de breete van 2 gr. 7 min., ende
+hadden de bovengemelte eylanden op een peyling van ons als boven. Naer
+de middach dreven wy in stilte, somtyts een cleyn variabel coeltie
+N.N.O. N.O. en N.W., dreven ’s nachts in stilte.
+
+e 13.
+
+’s Morgens moy weder, dreven meest in stilte. ’s Middachts bevonden wy
+de N. breete te hebben van 2 gr. 12 min., op de lengte te syn van 145
+gr. 33 min.; alsdoen lach het eylant _Doy_ N.O.t.O. 6 mylen van ons, te
+weten het Noorteynt, dreven die naemiddach in stilte. ’s Avonts conden
+wy de berch van _Tarnaten_ noch pas sien in ’t S. van ons. ’s Nachts een
+cleyn luchien uit den Suyden.
+
+f 14.
+
+’s Morgens moy weder, dreven in stilte, somtyts een cleyn variabel
+luchien uyt een W. ende S.S.W. ende S. Waeren doen op de gegiste breete
+van 2 gr. 23 min., op de lengte van 145 gr. 50 min., ende bevonden
+breete 2 gr. 22 min., vertiert 5 mylen; alsdoen lagen de eyl. van _Doy_,
+het middenlant O.t.S., ¼ S. 3 mylen van ons, saegen oock het eylant
+_Behoa_ O. ½ W. van ons. Naer de middach cregen wij een cleyn variabel
+luchien. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt een Oosten, lieten het al
+N.waert over staen.
+
+g 15.
+
+’s Morgens was de wint N.O. met moy weder, lieten het al N.N.W. over
+staen, peylden alsdoen het middenlant van _Doy_ S.O.t.S., omtrent 6 à 7
+mylen van ons ende _Behoa_ O.t.S.; giste ’s middachts geseyld te hebben,
+N.t.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 2 gr. 49
+min., ende op de lengte van 145 gr. 44 min., ende bevonden breete van 2
+gr. 49 min. Saegen doen het hooge lant van _Morotay_ in ’t Oosten van
+ons, leyden alsdoen onse compassen op 4 gr. N.Oostering. Cregen naer de
+middach de wint N.O., in de eerste wacht ’s nachts O.N.O., in de tweede
+wacht N.O.t.O., in de dachwacht N.O.t.N., al met een cleyn topseyls
+coelte, lieten het al N.waert over staen, de see begon styf uyt een N.
+aen te schieten met heel holle deyninge.
+
+a 16.
+
+’s Morgens de wint N.O. met topseyls coelte, lieten het al N.N.W.waert
+over staen, saegen met sons reysen het eylant _Talao_ in ’t W., omtrent
+8 mylen van ons, ende is gemeen hooch lant ende gelyckt daer benoorden
+van, vol cleyne eylanties ende clippen te liggen. Tegen den middach
+cregen wy de wint N.N.W., wenden het N.O.waert over, somtyts regen;
+giste ’s middachts behouden cours geseylt te hebben, N.W.t.N. 14 mylen,
+waeren volgens dien, op de gegiste breete van 3 gr. 36 min., op de
+lengte van 145 gr. 13 min. ende op de bevonden breete van 4 gr. 6 min.;
+alsdoen lach het Suydelycxste lant van _Talao_, W.S.W. ½ S. 8 mylen van
+ons, ende het Noordelycxste lant N.W. 10 mylen. Ick bevont dat ons de
+stroom hier wel 7 mylen veerder om de Noort geset had, als onse gissing
+uyt wees. Naer de middach liep de wint in ’t N.N.O., lieten het
+Oostwaert over staen. ’s Avonts met sons-ondergang, lach het
+Noordelycxste van de eylanden _Talao_ W. 10 mylen van ons, naer dat ick
+met goede opmercking sien can, waeren wy in de tyt van 6 ueren 4
+streecken recht in de wint opgedreven, om de N.N.O. ’s Nachts 3 glasen
+in de eerste wacht, liep de wint in ’t N.O., wenden het N.N.W. waert
+over, in ’t uytgaen van d^{o}. wacht, cregen wy de wint Noorden, met
+caeckich weder ende regen, wenden het om de Oost.
+
+b 17.
+
+’s Morgens hadden wy doncker weder, de see groff uyt een N.O.
+aenschietende, de wint N.N.O., N.O.t.N. ende N.O., N.O.t.O., saegen veel
+raveling van stroom. Naer gissing geseylt in dit etmael N.N.O. ½ O. 10
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 4 gr. 41 min., ende
+op de lengte van 145 gr. 31½ min., ende op de bevonden br. van 5 gr. 13
+min.; bevonden als vooren dat ons de stroom, 8 mylen veerder om de Noort
+geleyt had, als onse gissing was. Dese stroomen tegen de wint
+oploopende, veroorsaecken alhier het hol water ende de hooch rysende
+sees. Naer de middach de wint variabel, tusschen het N.N.O. ende S.O.,
+als oock ’s nachts met travadich[15] weder, somtyts regen.
+
+ [15] Stormachtig. Witsen.
+
+c 18.
+
+’s Morgens was de wint variabel, tusschen het S.O. ende N.N.O., ’s
+ochtens cregen wy een styve regen caeck, ende ’s middachts de wint N.O.,
+met moy helder weder; giste geseylt te hebben, Noorden 12 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 6 gr. 1 min., ende op de lengte als
+vooren; waeren doen met ons besteck op de cust van _Araya_, maer saegen
+geen lant, soodat ick vast vertrou, ons de stroom om de N.O. geset
+hadde. Op dato hebben wy een swaer ancker ende 6 stucken in ’t ruym
+geset, tot verlichting van ’t schip; hebben oock getalyt ende gestaecht.
+’s Nachts moy weder.
+
+d 19.
+
+’s Morgens de wint meest N.O.t.N., somtyts O.N.O., met topseyls coelte;
+giste ’s middachts geseylt te hebben, Oost 16 mylen, waeren volgens
+dien, op de breete van 6 gr. 30 min., ende op de lengte van 146 gr.
+35½ min.; soodat wy in dese 2 etmaelen, omtrent 7 mylen veerder om de
+Noort gedreven waeren, als het gegiste punt. Het weder met een swarte
+donckere lucht, naemen onse marsseyls in, om niet van ’t jacht
+_Breskens_ te versteecken; seylden met schoverseylen N.waert over, de
+wint O.N.O. met styve topseyls coelte.
+
+e 20.
+
+’s Morgens noch al ongestadigh weder, met styve topseyls coelte, somtyts
+regen, hadden al hol water met veel raveling van stroom, de wint meest
+O.N.O. ende N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.O. ½ O. 14
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 7 gr. 23½ min.,
+ende op de lengte van 146 gr. 51½ min., ende op de bevonden breete van 7
+gr. 40 min. Bevonden dat de stroom ons omtrent 4 mylen veerder om de
+Noort geset hadde, als het gegiste punt, dan bevondt deselve al langsaem
+te verslappen. ’s Nachts hadden wy caeckich weder van regen, ende de
+wint uyt een O.N.O. en Oosten.
+
+f 21.
+
+’s Morgens ongestadich weder van regen, ende de wint als vooren, giste
+’s middachts geseylt te hebben, Noorden 15 mylen, waeren volgens dien,
+op de breete van 8 gr. 40 min., lengte als vooren; hebben wat naer de
+middach de boot ingeset, saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts al
+ongestadich weder, met regen ende met styve O. ende O.N.O. winden.
+
+g 22.
+
+’s Morgens weder ende wint als vooren, saegen eenige steencroos dryven,
+ende een snip rontom het schip vliegen. Myn besteck stondt alsdoen 10
+mylen buyten het eylant _St. Jan_, maer saegen geen lant. Tegen den
+middach werdt het heel moy weder, met een opclaerende lucht, de wint
+O.t.N.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. 16 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 9 gr. 43 min., ende op de lengte van 146
+gr. 38½ min., ende op de bevonden breete van 9 gr. 40 min. Bevonden
+alsnu seer weynich of geen stroom, met slecht water. ’s Nachts moy
+weder.
+
+a 23.
+
+’s Morgens moy weder, met een grauwe lucht, de wint O. en O.N.O., met
+topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, Noorden 18 mylen,
+waeren volgens dien, op de N. breete van 10 gr. 52 min.; bevonden door
+een peyling 4 gr. 20 min. N.Oostering.
+
+b 24.
+
+’s Morgens moy helder weder, met een O.t.N. wint met topseyls coelte;
+giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 18 mylen, waeren volgens dien,
+op de N. breete van 12 gr. 4 min., ende op de lengte als vooren, op de
+bevonden breete van 12 gr. 8 min.
+
+c 25.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, met een claere sonneschyn, de wint als
+vooren, met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 17
+mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 13 gr. 16 min., hadden
+’s nachts moy stil weder.
+
+d 26.
+
+’s Morgens begon de wint naer het N.O. te trecken, ende voorts naer het
+N.N.O. Twee ueren naer sons reysen wenden het om de Oost, de wint N.t.O.
+met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ O. 12½
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 14 gr. 6 min., ende op de
+lengte van 146 gr. 43½ min., ende op de bevonden breete van 14 gr. 12
+min., alsdoen giste ick caep _Spiritus Santa_ 38 à 40 mylen, S.W.t.W.
+van ons. Naer den middach ten 4 ueren, quam de wint S.O., wenden het
+ende lieten het om de N.O. aengaen. ’s Nachts continueerde de S.O.
+coelte, met moy weder.
+
+e 27.
+
+’s Morgens weder ende wint als vooren, met topseyls-coelte. ’s Middachts
+de wint S.O.t.S.; giste geseylt te hebben, N.O.t.O. 22 mylen, waeren
+volgens dien, op de gegiste breete van 15 gr. 9 min. ’s Avonts bevonden
+4 gr. 43 min. N.Oostering des naelts.
+
+f 28.
+
+’s Morgens moy weder, met een heldere lucht, de wint als vooren, met
+topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 22 mylen,
+waeren volgens dien, op de breete van 16 gr. 11 min., ende op de lengte
+van 149 gr. 3½ min., ende op de bevonden breete van 16 gr. 16 min. ’s
+Nachts cregen wy de wint variabel, S.S.W. ende W.S.W., somtyts met
+stilte.
+
+g 29.
+
+’s Morgens moy weder, de wint variabel S.S.W., S.W.t.S., S.W., W.S.W.
+somtyts stilleckens. Alsdoen heeft de E. Commandeur door de gemeene seyn
+den raet beroepen van ’t fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht
+_Breskens_; ende is geresolveert om onse cours N.O. te vervolgen, soo
+veel weder ende wint sou mogen toelaeten, tot op de N. breete van 24
+gr., ende op de lengte van de Oostcust van _Japan_. Het selve bevonden
+hebbende, alsdan onse coers N. aen te stellen, tot op de N. breete van
+37½ gr., ende aldaer de cust aen te doen; giste ’s middachts geseylt te
+hebben, N.O. 12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 16
+gr. 50 min., ende op de lengte van 149 gr. 38½ min., op de bevonden
+breete van 16 gr. 50 min. Naer den middach cregen wy een moye coelte,
+doch variabel N.W., N.N.W., N., N.N.O., saegen een swaluw rontom het
+schip vliegen, vongen dien avont 2 groote bonyten. ’s Nachts de wint
+meest O.N.O., met doorgaens topseyls-coelte.
+
+a 30.
+
+’s Morgens weder ende wint als vooren. Sloegen 2 nieuwe marsseylen aen,
+cregen in ’t cort verandering van weder, wert heel doncker met styve
+regenbuyen, de wint variabel, wenden het verscheyden reysen over ende
+weer; giste ’s middachts door malcanderen geseylt te hebben, N.O. 7
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 17 gr. 10 min.,
+ende op de lengte van 149 gr. 59½ min., ende op de bevonden breete van
+17 gr. 23 min.; saegen veel raveling van stroom, hadden hol water uyt
+een N.O. ’s Nachts hadden wy ongestadich weder, van regen ende wint, met
+harde buyen uyt een O.N.O.
+
+
+Mayus.
+
+b 1.
+
+’s Morgens ongestadich regenachtich weder, de wint O.t.N., treckende
+temet naer het O.N.O., ende voorts naer het Oosten ende O.N.O.; giste ’s
+middachts geseylt te hebben; N.t.W. ½ W. 18 mylen, waeren volgens dien,
+op de gegiste breete van 18 gr. 31 min., ende op de lengte van 149 gr.
+37½ min. Naer den middach styve regen, met een harde S.wint, saegen
+eenige swarte ende grauwe meeuwen vliegen; vernamen veel raveling van
+stroom, cregen tegen den avont de wint variabel.
+
+c 2.
+
+’s Morgens een grauwe lucht met motregen, doch claerde tegen den middach
+op, cregen helder sonneschyn weder met stilte, met holle deyning uyt
+een N.O.; giste geseylt te hebben N.N.O. 9 mylen, waeren volgens dien op
+de gegiste breete van 19 gr. 4 min., ende op de lengte van 149 gr. 51½
+min., ende op de bevonden breete van 18 gr. 57 min.; saegen ’s avonts
+een swaluw om ’t schip vliegen. Twee glaesen in de eerste wacht, cregen
+wy een cleyn luchien uyt den Oosten, dan corts daernae weder stil,
+somtyts een cleyn dwarrelcoeltie, voorts stil.
+
+d 3.
+
+’s Morgens stil, wat op den middach cregen een cleyn coeltie uyt den
+Oosten, met holle deyninge uyt een N.O.; giste ’s middachts geseylt te
+hebben, N. ½ O. 5 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van
+19 gr. 17 min., ende op de lengte van 149 gr. 54½ min., ende op de
+bevonden breete van 19 gr. 17 min. Cregen naer de middach veel motregen,
+saegen ’s avonts eenige meeuwen vliegen. ’s Nachts moy weder, de wint
+Oost ende O.t.N. met topseyls-coelte.
+
+e 4.
+
+’s Morgens de wint Oost, somtyts O.N.O., met topseyls coelte; giste ’s
+middachts geseylt te hebben, N. ½ W. 20 mylen, waeren volgens dien, op
+de gegiste breete van 20 gr. 37 min., ende op de lengte van 149 gr. 46½
+min., ende op de bevonden breete van 20 gr. 39 min., met holle deyninge
+uyt een N.O. en O.
+
+f 5.
+
+’s Morgens moy helder weder, de wint O.t.N., met hol water uyt een N.O.,
+giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ W. 20 mylen, waeren volgens
+dien, op de gegiste breete van 21 gr. 59 min., ende op de lengte van 149
+gr. 38½ min., ende op de bevonden breete van 22 gr. Naer de middach
+begon de see styf uyt een S.O. aen te schieten. ’s Nachts de wint O.t.S.
+
+g 6.
+
+’s Morgens moy weder, de deyninge uyt een S.O., hebben voor de middach
+getalyt ende gestaecht, saegen een cleyn grau lantvogeltie om het schip
+vliegen. ’s Middachts de wint S.O., giste alsdoen geseylt te hebben
+N.t.O. ¼ O. 18 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 23
+gr. 10 min., ende op de lengte van 149 gr. 57½ min., ende op de bevonden
+breete van 23 gr. 10 min. Naer de middach omtrent ten 4 ueren saegen wy
+een groote trop cleyne meeuwen N.O. opvliegen; vingen dien avont een
+grooten bonyt.
+
+a 7.
+
+’s Morgens deysich, corts daernae helder weder, de wint meest O.S.O.
+ende S.S.O., met slecht water, saegen verscheyde cleyne clipmeeuwen
+vliegen; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 19 mylen, waeren
+volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 4 min., ende op de lengte
+van 150 gr. 56½ min., ende op de bevonden breete van 24 gr. 6 min.;
+saegen, wat naer de middach, een groote streeck schuym, vermengt met een
+raveling van stroom, waarin veel besaens qualities ende steencroos, ende
+ronde qualities ende een stuck hout saegen dryven: ’t welck seeckere
+teeckens van lant behoorde te wesen; dan conden geen lant sien.
+
+b 8.
+
+’s Morgens was het deysich weder, saegen, wat naer sons reysen, een
+cleyn eylantien, dat niet heel hooch was, ende was naer het scheen
+omtrent 1½ myl lanck, ende lach W.t.N. ⅓ N. 4 mylen van ons; soo ick con
+bemercken soo dreven wy styf om de Noort, de wint Suydelyck met een
+sleyckende coelte[16]; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 15
+mylen, doen lach d^{o}. eylant West 6 mylen van ons, waeren doen op de
+gegiste breete van 24 gr. 29 min., ende op de lengte van 151 gr. 57½
+min., ende op de breete van 24 gr. 43 min., soodat ons de stroom
+omtrent 3½ myl veerder om de Noort geset had, als ick gegist had.
+
+ [16] Afnemende wind. Witsen.
+
+Soodat dit eyland ligt op de bevonden breete van 24 gr. 43 min., ende op
+de lengte van 151 gr. 31½ min.; ende alsoo wy hier geen eylant in de
+Compagny’s Caert bevinde te liggen, gaeven wy het den naem van
+_Breskens_ eylant, omdat het van daer eerst gesien was. Het eylant
+_Malabrygo_ lach naer gissing W.t.W. ½ W. 21 mylen van ons. Naer de
+middach saegen veel cleyne ronde ende besaens qualities dryven, met
+menigte meeuwen ende veel swaluwen vliegen. Omtrent 3 ueren naer
+middach, cregen wy de wint N.t.O. ende trock temet naer het N.O.t.N.
+
+c 9.
+
+’s Morgens moy weder, de wint N.O., treckende naer het N.N.O., met
+redelyck slecht water ende slappe coelte, saegen veel swarte meeuwen met
+scherpe staerten; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.t.S. 13½ myl,
+waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 32½ min., ende op de
+lengte van 152 gr. 55½ m., ende op de bevonden breete van 24 gr. 36 min.
+Saegen veel grauwe ende swarte meeuwen vliegen.
+
+d 10.
+
+’s Morgens goet weder, met holle deyninge uyt een O. saegen vele meeuwen
+vliegen, de wint als vooren; giste geseylt te hebben, O.S.O. ½ S. 15
+mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 8 min., ende
+op de lengte van 153 gr. 53½ min. Met sons onderganck cregen wy de wint
+O.N.O., wenden het doen N.waert over.
+
+e 11.
+
+’s Morgens een donckere betoge lucht, met een Oostelycke coelte, de
+deyninge uyt een N.O., saegen veel meeuwen; giste ’s middachts geseylt
+te hebben, N. 14 mylen, waeren volgens dien op de breete van 25 gr. 1
+min., ende op de lengte van 153 gr. 53½ min.
+
+f 12.
+
+’s Morgens moy weder, de wint O.N.O., somtyts variabel, de deyninge uyt
+een O.S.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 12 mylen, waeren
+volgens dien op de gegiste breete van 25 gr. 35 min., ende op de lengte
+van 154 gr. 31½ min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 13 min. ’s
+Nachts in de eerste wacht cregen wy de wint S.O., trock met een
+doorgaende coelte naer het S. ende hadden veel meeuwen sien vliegen.
+
+g 13.
+
+’s Morgens liep de wint S.W., met een doorgaende coelte ende een grauwe
+lucht, met regen; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 30 mylen,
+waeren volgens dien, op de N. breete van 25 gr. 59 min., ende op de
+lengte van 156 gr. 34½ min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 58
+min.; hebben doen onse compassen op 7 gr. N.Oostering geleyt. Wat naer
+den middach hebben wy onse coers N.N.O. aengestelt, maer een weynich
+naer sons onderganck cregen wy de wint uyt een N.N.O., lieten het
+Oostwaert over staen. ’s Avonts hadden wy een swaluw rontom het schip
+sien vliegen.
+
+a 14.
+
+’s Morgens saegen wy een cleyn grau lantvogeltie, de wint N.O. met een
+betoge lucht, lieten het al Oostwaert over staen; giste ’s middachts
+geseylt te hebben, O.t.N. 15 mylen, waeren volgens dien op de gegiste
+breete van 26 gr. 10 min., ende op de lengte van 157 gr. 41½ min.;
+hebben het doen om de N. gewent, met een N.O. topseyls coelte ende
+slecht water, saegen veel meeuwen vliegen. Tegen den avont de wint
+O.N.O., in de eerste wacht O., voorts S.O., met regen.
+
+b 15.
+
+’s Morgens de wint S.O., met een donckere lucht met regen, saegen
+verscheyden reysen steencroos dryven, ende veel meeuwen vliegen. ’s
+Middachts de wint S.S.O., giste alsdoen geseylt te hebben N. 20 mylen,
+waeren volgens dien op de gegiste breete van 27 gr. 30 min., ende op de
+lengte van 157 gr. 41½ min. Naer de middach wert het stil, de deyninge
+begonnen styf uyt een N.O. te schieten, waerop de wint tegen den avont
+naer het N. ende voorts naer het N.O. liep, met een styve doorgaende
+wint. Hielden voor wint om ende in het toesetten van de groote hals, is
+het groot seyl uyt het lyck geslaegen; naemen onse marsseyls in ende
+brochten weder een ander schover seyl aen de ree (ra), het seyl
+aensynde, lieten het met schover seylen N.W.waert over staen. Met het
+vallen van den doncker cregen wy harde regen, in de eerste wacht beterde
+het weder, hebben doen ons groot marsseyl weder bygeset; de wint N.O.,
+mochten N.N.W. seylen.
+
+c 16.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.O.t.N. met cleyn topseyls coelte,
+holle deyninge uyt een O.N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben,
+N.W. ½ W. 14 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 28 gr.
+5½ min., ende op de lengte van 156 gr. 52½ min., ende op de bevonden
+breete van 28 gr. 2 min.; bevonden 6 gr. 45 min. N. Oostering.
+
+d 17.
+
+’s Morgens moy weder met slecht water, wat op den dach de wint O., met
+een moy topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.W. 16
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 29 gr. 1 min., ende
+op de lengte van 156 gr. 24½ min., ende op de breete van 29 gr. 3 min.;
+seylende N.N.O.waert over, saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert
+vliegen. Cort naer de middach, is ons staende lyck van ons groot
+marsseyl gebroocken, soodat d^{o}. marsseyl dwars door is gescheurt;
+hebben stracx weder een ander aengeslaegen. ’s Nachts de wint O.S.O.
+
+e 18.
+
+’s Morgens de wint als vooren, met topseyls coelte met slecht water;
+giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.O. 28 mylen, waeren volgens
+dien op de gegiste breete van 30 gr. 46 min., ende op de lengte van 157
+gr. 13½ min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 54 min. Tegen den
+avont saegen wy een groot bos steencroos dryven, het weer veranderde
+subyt, ende wert doncker, motrich weder. ’s Nachts liep de wint naer het
+S.O., met regen.
+
+f 19.
+
+’s Morgens een donckere betogen lucht, met motrich weder, met een Oosten
+styve doorgaende wint; giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. 30
+mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 32 gr. 45 min., ende
+op de lengte van 158 gr. 7½ min. ’s Middachts liep de wint weer S.O.
+alwaer van daen de see oock hol begon aen te schieten; is goetgevonden
+onsen cours N.O. aen te stellen, alsoo wy vrees hadden, door de
+dagelycxe Oostewinden ende de _Japansche_ cust hart genaeckte, de
+stroomen aldaer mochte styf om de Oost loopen, door de aenpersing der
+winden, ende dat wy dan met geen N.N.O. cours boven de hoeck _Bosho_
+mochte comen te vervallen. Wat naer de middach liep de wint S.S.W., met
+een styve doorgaende coelte, met doncker, regenachtich weder. ’s Avonts
+1½ uer naer sons onderganck saegen wy heel hooch lant, omtrent ⅔ myl van
+ons in ’t N.O.; worpen het loot, hadden 80 vadem swarte santgront,
+meenden het overstaegh te smyten, maer wert dootstil, soodat wy met de
+holle deyninge al naer de wal toegeset werden; schooten een schoot tot
+waerschouwing van het jacht _Breskens_, ’t welck een moy stuck achter
+ons was. Wy lieten het schip om de West omdraeyen, naemen onse seylen
+in, ende quaemen op 36 vadem ten ancker, swarte santgront; geset
+liggende, wert het slecht water, de stroom met een styve corent om de
+N.W. loopende; saegen met een blinck noch een hooch ront eylant, omtrent
+1½ myl W.t.N. van ons. Wy hielden moy stil weder omtrent een uer, doen
+begon hem de wint allengskens te verheffen, loopende ongestaedich uyt
+verscheyden streecken, meest N.W. ende N.N.O.. De eerste wacht uyt liep
+de wint uyt een S.W. ende W.S.W., met harde caecken ende overvallende
+buyen, soodat ons daegelycx ancker doorginck, ende alree op 26 vadem
+gedreven waeren; hebben ons tuyancker daerby laeten vallen, quaemen doen
+voor de beyde anckers op, doch corts daernae is ons daegelycx tou
+gebroocken, bleven voor het tuyancker liggen. Maer alsoo het weder hem
+noch meer verhefte, lieten alsdoen ons plechtancker toegaen; doen waeren
+daer 3 glaesen in de tweede wacht uyt, saegen doen ons jachts vuer noch,
+maer verlooren het cort uyt het gesicht. Laegen nu op 24 vadem vile
+(vuile) gront, verwachtende de dach met patientie; een uer voor dach is
+ons tuytou oock gebroocken, quaemen voor ons plechttou op, als wanneer
+het 18 vadem diep was, vile, clippige gront. Lagen een pistoolschoot van
+de branding ende clippen van lant, soodat voor menschen oogen hier geen
+uitcomst scheen, dan setten ons betrouwen op Godt almachtich.
+
+g 20.
+
+’s Morgens was de wint N.W., ende alsoo wy met den dach doende waeren om
+de loos van het tuytou in te winden, doch was vergeefs, want het eynt
+ergens om een clip achter het schip vast gestroompt was, soodat wy
+d^{o}. tou met groot leetwesen moesten cappen. Saegen oock dat ons
+plechtancker doorginck ende dat al een streng van het plechttou stucken
+was, ende alree op de diepte lagen van 14 vadem; ende indien ons de
+stroom niet van de clippen afgehouden hadde, souden ongetwyfelt al tegen
+den wal aengelegen hebben, dan de goede genaedige Godt heeft ons
+bewaert, ende de N.W. wint continueren laeten. Is sante pee (staende
+voet?) geresolveert, het plechttou oock te cappen, ende soecken het met
+schoverseylen van de wal af te leggen, ’t welck wy stracx in ’t werck
+hebben gestelt, als welck de uiterste middel was. Leyden het met de
+steven om de Suyt, meteen styve buyige N.W. wint, liggende boven stroom,
+quaemen corts wat van de wal, maar wat van de wal synde, is onse groote
+smyt[17] door een harde caeck stucken geborsten. Liepen doen op nieu
+groot peryckel, om noch tegen de wal aen te dryven, want hadden geen
+anckers meer claer, om toe te laten gaen, maer cregen metter haest het
+seyl weder schrap, leyden het met Godes hulpe boven lant. Saegen rontsom
+naer onse medemaet, maer conden hem nergens vernemen, waer over wy weder
+op nieu bedroeft waeren, wisten niet wat wy dencken souden, of hy
+gebleven was ofte niet.
+
+ [17] Een touw om de zeilen toe te halen. Witsen. Een gording.
+
+Doen het begon te daegen, hadden wy 2 vueren op het hooge ronde eylant
+gesien, maer waren cort weder uyt, soodat ick vertrou dat d^{o}. eylant
+bewoont is. Dit groote eilant daer wy onder geset gelegen hebben, was
+een heel hooch eylant, van gedaente als uytgeteyckent staet, leyt
+gestreckt op syn langste 2½ myl S.O.t.S. ende N.W.t.N. In ’t verbyseylen
+van het eylant, saegen wy in een valey veel beesten loopen ende eenige
+huysen staen, saegen oock verscheyden plantagies ende geboomte in d^{o}.
+valey. Van het S.O. eynt van dit eilant, leyt een groot rif van clippen,
+omtrent 1 myl van lant, alwaer de see vreeselyck op storte; saegen in ’t
+Suyden noch een hooch eylant. Dit voornoemde rif gepasseert synde, deden
+onse coers temet om de Oost ende temet om de Noort, de wint liep naer
+het W. en W.S.W., met harde caecken ende regenbuyen, conden weynich van
+ons sien. Meenden onse medemaet in ly van d^{o}. eylant te vinden, dan
+vernaemen hem niet, met groot leedwesen; ende alsoo wy geen anckers
+claer en hadden, was ’t geen tyt om lang hier by te houden, lieten het
+voort staen naer de S.O.cust van _Japan_ toe, om ondertusschen weder
+eenige anckers claer te maecken. ’s Middachts hadden wy de bevonden
+breete van 33 gr. 34 min., als doen lach het eylant, daer wy onder geset
+gelegen hadden S.W.t.W. 5 mylen van ons; gaven d^{o}. eylant den naem
+van ’t _Ongeluckich_ eylant. Wy vervolchden onse cours N. aen. ’s Avonts
+met sons onderganck, lach het _Ongeluckich_ eylant S.W. ½ W. 10 myl van
+ons, saegen in het W.t.N. 11 à 12 mylen van ons, noch 2 hooge eylanden.
+Wat naer sons onderganck wert het moy weder, de wint S.W., worpen gront
+op 120 vadem, het water was groen ende dick, gelyck in de N.see. Sette
+onse beyde marsseyl daerby, onse cours Noorden, de wint W.S.W. ende
+S.W., met topseyls-coelte, diep 84, 82, 81, 80 vadem, conden geen gront
+aen het loot crygen.
+
+_Nota._
+
+Het _Ongeluckich_ eylant was heel hooch lant, hem vertonende met 2 hooge
+ronde bergen, waer tusschen een groote valey was; in ’t aensien met
+hooge boomen op sommige plaetsen bewassen, alwaer oock eenige huysen
+stonden ende beesten liepen. Saegen een cleyn riviertjen om de West in
+see loopen, waervoor een cleyn baytie was, recht over de huysies, maer
+was daer clippich. Het S.O. eynt van d^{o}. eylant is een steyle hoeck,
+alsof hy afgebickt was, alwaer een rif van clippen, wel een myl veer in
+see afstreckte, waer de see seer opstorte. Dito eyl. leyt gestreckt op
+syn langste, 2 à 2½ myl N.W.t.W. ende S.O.t.S. Aen de Oostsy van d^{o}.
+eylant scheen een moye bocht te syn, maer men can daer niet ten ancker
+comen, dat men voor de Oostelycke winden beschut light. Wy hadden geset
+gelegen onder dit eylant, aen de N.W. hoeck, omtrent een musquet schoot
+van lant; waeren doen, op de gegiste breete van 33 gr. 22 min., ende op
+de lengte van 158 gr. 51½ min. Van ’t N.W.eynt 1 à 1½ myl, lach noch een
+hooch ront eylant, sonder laech lant; synde een berch vry hooch, doch
+wat laeger als een van de 2 bergen van ’t _Ongeluckich_ eylant, ende
+leyt W. van de N.W.hoeck. Hier tusschen door liep de stroom met een
+styve corent om de N.W., sonder stille, soo lange wy hier geset gelegen
+hadden. Van d^{o}. eylant strecken een party clippen, doch liggende
+boven water van ’t N. ende S. eyndt; d^{o}. eylant is omtrent 1 myl
+lang. Op d^{o}. eylant hebben wy 2 vueren gesien in ’t hangen van den
+berch, soodat het oock aparent bewoont is. Van het _Ongeluckich_ eylant,
+omtrent 7 à 8 mylen S. ½ W. daerof, leyt een ander eylant, hetwelck hem
+vertoont met eenige verscheyde bergen, dan conden van syn groote geen
+bescheyt sien, door den donckere, deysige lucht ende mot regen. Doen wy
+het _Ongeluckich_ eylant S.W.t.W. 6 mylen van ons hadden, waeren doen op
+de gegiste breete van 33 gr. 35 min., ende op de lengte van 159 gr. 15
+min., ende op de bevonden breete van 33 gr. 34 min.
+
+Doen wy het _Ongeluckich_ eylant S.W. ½ S. 10 mylen van ons hadden,
+worpen wy gront op 120 vadem, saegen in ’t ondergaen van de son doen 2
+eylanden, ende schenen dicht by malcanderen te liggen, ende waeren heel
+hooch, maer conden door de veert geen recht bescheyt sien; sy laegen
+W.t.N., omtrent 11 à 12 mylen van ons. Wy waeren nu op de gegiste breete
+van 33 gr. 52 min., ende op de lengte van 159 gr. 22 min. volgens onse
+cours van ’s middachts, 4⅔ myl N.t.O. ½ O. aen, saegen veel steencroos
+dryven. De 2 eylanden souden op de gegiste breete liggen van 34 gr. 1
+min., ende op de lengte van 158 gr. 28 min.
+
+a 21.
+
+’s Morgens helder weder, de wint S.W. met topseyls-coelte, wierpen gront
+op 80 vadem. Omtrent 3 ueren voor den middach, cregen wy het lant van
+_Japan_ in ’t gesicht, ende lach in ’t N.N.W. ende in ’t W.N.W. van ons,
+waeren omtrent 8 mylen buyten de wal. Wierpen doen gront op 50 vadem,
+wasige[18] gront, lieten het met cleyn seyl daer naertoe staen, cregen
+een betoge lucht. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ O. 20
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 34 gr. 33 min.,
+ende op de lengte van 159 gr. 24½ min.; de variatie des compas 6 gr. 54
+min. N.Oostering. Waeren doen omtrent 5 mylen buyten de _Japansche_
+cust, hadden een steylen hoeck met 5 witte plecken, gelyck _Bevesier_ op
+de _Engelse_ cust, N. van ons. Het lant is hier vlack lant, met weynich
+geberchte ende niet heel hooch; hadden de diepte van 40 vadem,
+craelgront. Het Westelyckste lant lach W.S.W. van ons, soo veer wy sien
+conden, ende was al eenparich vlack lant, op het water steyl neer, met
+veel witte plecken sonder weynich voetstrant, saegen veel bossen
+steencroos dryven; doen het opgedroocht was tot op 38 vadem, smeten het
+bij. ’s Avonts peilden wy het Oostelycxste lant dat wy saegen, in het
+N.W.t.N. ende ’t Westelyckste, W.S.W. ½ W. van ons, waeren naer gissing
+5 mylen buyten de S.O.cust van _Japan_, op de diepte van 50 vadem,
+singel gront met sant vermengt; dreven met de stroom om de N.O. ’s
+Nachts de wint variabel, hielden het al by met cleyn seyl, op de diepte
+van 36, 34, 30, 25, 18, 16, 13, 12, 10 vadem; somtyts craelgront,
+somtyts singel, somtyds sant; hadden moy stil weder met slecht water.
+
+ [18] Kegel- en steenachtige grond. Witsen.
+
+b 22.
+
+’s Morgens met den dach waeren wy, op de diepte van 24 vadem santgront,
+3 mylen van lant, waeren door de stroom om de N.N.O. gedreven; de
+Suydelycxste hoeck die wy saegen lach S.W.t.W. ½ W. ende de steyle
+gepleckte witte hoeck W.t.N. ½ N. Seylden wat bet onder de wal, cregen
+de diepte van 22, 20 vadem santgront; doen wy op de diepte waeren van 19
+vadem, gront als vooren, waeren wy omtrent 2 mylen van lant. Doen lach
+de 5 witte gepleckte hoeck N.W. ½ W. van ons, ende de hoeck _Bosho_
+W.S.W. ½ S. van ons; seylden voorts tot op 10 vadem. Besuyden de 5 witte
+gepleckte hoeck, scheen een fraeye bay te syn, dan, doen wy daer dicht
+voor quaemen saegen dat het maer een bay scheen door het leege voorlant,
+alwaer een rivier scheen in te loopen; daer en was inderdaet geen bay.
+’s Middachts giste geseylt te hebben, N.t.O. 9½ myl, waeren volgens
+dien, op de breete van 35 gr. 30 min., ende op de lengte van 159 gr. 33½
+min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 30 min.; de variatie des
+compas was 7 gr. N. Oostering; was doen 10 vadem diep, swarte gront.
+Doen lach de hoeck _Bosho_ S.W. ½ S. van ons, omtrent 5 mylen, ende 5
+witte gepleckte hoeck W. ½ S. omtrent 2 mylen; soodat de hoeck _Bosho_
+leyt volgens dien, op de breete van 35 gr. 14½ min., ende op de lengte
+van 159 gr. 18 min. Van de hoeck _Bosho_ ontfalt hem de cust om de S.W.
+ende 2 à 3 mylen S.W.t.W. Voorts van hoeck tot hoeck ..... Westelycker,
+naer de bocht van _Jedo_, alwaer de Keyser van _Japan_ syn hoff houdt.
+Het lant is hier op veel plaetsen 2, 3dubbelt, maer steyl op ’t water
+neer, met veel witte plecken, sonder gehackelt geberchte; het lant om de
+Suyt, van de hoeck _Bosho_, is hooger als om de Noort, men can de wal
+bequaemelyck aenlooden. Wat voor de middagh is dicht onder de wal, ons
+een _Japanse_ berck gepasseert, quam uyt de Noort ende seylde om de S.;
+wat naer de middach quam een _Japanse_ wrickberk ons aen boort, want wy
+in stilte laegen en dreven op de diepte van 10 vadem; d^{o}. berck was
+gemant met 7 wrickers ende 5 leegsittende _Japanders_; brachten ons 4
+schoone roode steenbraesems aen boort, alwaer voor haer wat ryst gegeven
+is. Dito _Japanders_ syn overgecomen, wesen ons dat die hoeck van ons ’s
+middachts in ’t S.W. ½ S. gepeylt, de hoeck _Bosho_ was, ende dat om die
+hoeck, de bocht van _Jedo_ lach, ende quaemen met ons vermoeden overeen.
+Corts nae de berck quam noch een berck aen boort, dewelcke was gemant
+met 6 _Japanders_, waeronder 4 wrickers waeren; die gaeven ons een
+sootie verse serdienen oover, waervoor sy oock wat ryst cregen. Dese
+ende vorige _Japanders_ wesen ende seyden _Nangesacque_ lach om de W.,
+dat wy dat heen mosten, want om de Noort het voor ons niet en docht; syn
+met vrientschap weder van ons gescheyden ende naer lant geroeyt. Omtrent
+2 ueren naer de middach, cregen wy een moye coelte uyt de Oostelycke
+handt, wenden het om de N.N.O.; want van de S.O. hoeck van _Japan_,
+genaemt _Bosho_, streckt de cust N.N.O. tot de 5 witte gepleckte hoeck,
+dan heeft men een laech landige inbocht, streckende om de Noort, omtrent
+4 mylen, ende de hooge santduyn, gelyckende _Kyckduyn_ op _Huysduynen_.
+Desen hoeck gaeven wy den naem van de _Santduynige hoeck_, ende leyt
+van de witte gepleckte hoeck, N.O.t.N. omtrent 9 mylen. Onse cours
+vervolgende met slecht water, passeerden de cust op de diepte van 11,
+12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20 vadem, swarte santgront, bleven al 4
+mylen van lant. Voor desen voornoemde bocht saegen wy veel steencroos
+dryven, ende veel lammen ofte duyckers swemmen, het water was hier heel
+dick ende groen, ende voorts was het diep 20 vadem, swarte santgront;
+doen lach de _Santduynige hoeck_ N.O.t.N. 4 à 5 mylen van ons. ’s Nachts
+de wint S.S.O. ende S.O. ende O.S.O., in de tweede wacht dreven wy in
+stilte, de stroom scheen om de N.O. te loopen, diep ’s nachts als
+volcht, in de eerste wacht 22, 20 vadem, de tweede wacht 23, 24, 26, 27
+vadem, al santgront als vooren, tegen den dach diep 30 vadem.
+
+c 23.
+
+’s Morgens dreven wy in stilte, hadden een deysige lucht, waeren doen op
+de diepte van 70 vadem, gront als vooren; doen lach de _Santduynige
+hoeck_ W.N.W. 3 mylen van ons, het was die heele voor middach stil ende
+mistich, de stroom hier loopende langs de wal om de N.N.O., diep 32, 35,
+38 vadem. ’s Middachts waeren doen Oost van de _Santduynige hoeck_, 4
+mylen op de diepte van 42 vadem; giste geseylt te hebben, N.O. 10 mylen,
+waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 58 min., ende op de lengte
+van 160 gr. 8 min., ende bevonden breete van 36 gr. Corts naer
+cocxschaften quaemen 2 _Japanse_ visschersbercken aen boort, in ider
+synde 8 man, gaeven ons soo veel visch over, als wy met het geheele
+scheepsvolck pas conden opeten, waer voor haer wat ryst ende wat arack
+geschoncken wert. De visch was roch, scharren, waer onder heele groote
+waeren; swaertvisschen, spierhayties, met een visch by ons onbekent; de
+visschers, volgens visscherswys eens lustich arack omgedroncken
+hebbende, syn van boort gevaeren om weder te visschen. Wat naer de
+middach quam een van d^{o}. visschers aen boort ende bracht weder een
+moye soo visch, beneffens hem noch een ander visschersberck, maar die
+hadden geen visch; naer dat sy wat getracteert waeren syn van boort
+gevaeren ende scheyden met groot vruntschap, ende roeyden naer lant toe.
+Van de _Santduynige hoeck_ leyt een cleyn eylandecken Oost daer af,
+omtrent een myl, gelyck het _Menscheters eilant_ in de straet _Sunda_.
+Omtrent een myl benoorden d^{o}. eylant, leyt noch een cleyn eylant,
+maar wat vlacker, gelyck het eylant _Haerlem_[19], maar leyt dicht onder
+de wal. Van de _Santduynige hoeck_ ontfalt hem het lant om de N.N.W.,
+ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech lant. Cregen
+naer de middach een moy coeltie uyt een S.O. stelden onse cours N.N.W.
+aen, saegen by menichte bruynvisschen, tolven? ende veel walvisschen,
+ende menichte duyckers ofte lammen swemmen, oock veel drift van wier,
+groente ende loose veeren dryven. Alsoo wy bemerckten, dat wy noch veer
+van de wal stonden, stelden onse cours N.W. aen, van de diepte van 40
+vadem tot op de diepte van 26 vadem, wasige gront. Saegen doen tegen den
+avont, een hoogen gehackelde berch recht vooruyt, ende lach op het laege
+lant in het diepste van de bocht. Stelden doen onse cours N.t.O. aen, de
+N. hoeck van dese bocht lach doen N.t.W. 3 mylen van ons, ende de
+_Santduynige hoeck_ lach doen S.t.W. wel 6 mylen van ons; de N. hoeck is
+een laege vlacke hoeck. ’s Nachts seylden wy met cleyn seyl, op de
+diepte van 40, 42, 44 vadem, tegen den dach 50 vadem.
+
+ [19] Mede een eiland op de Noordkust van Java.
+
+d 24.
+
+’s Morgens de wint S.S.W. waeren 3 mylen van lant, op de diepte van 40
+vadem, santgront, neffens hooch berchachtich lant; conden om de Suyt van
+de steng noch de laege hoeck sien, waer benoorden dit hooge lant begint,
+ende lach S.W. van ons, omtrent 6 mylen. Stelden onse cours om de N.N.W.
+naer de wal, tot op de diepte van 30 vadem, langsaem opdrogende gront,
+synde al sant. Saegen een steylen hoeck, gelyckende een eylant,
+alwaer wy uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden
+visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter by d^{o}.
+hoeck comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart
+santgront geweest hebbende. Waeren een myl van d^{o}. hoeck, saegen doen
+dat daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch
+binnen lant op sommige plaetsen 2, 3, 4dubbelt, ende op veel plaetsen
+compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Hier cregen wy menichte
+visschers aen boort, daervan wy voor ryst omtrent in de 30 groote rochen
+ruylden ende 2 cabbeliauwen, met veel groote scharren, waeronder eenige
+waeren 2 voet lanck ende 1 voet breet ende drie vingers dick, cregen
+oock veel roode seehaen ende eenige andere visch van haer. Sy noemden
+die rivier, dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort opstreckte,
+_Gissima_, ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen dat daer in
+’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende wesen dat het om de Noort niet
+en docht. Op de steylen hoeck van _Gissima_, staet wat in ’t lant een
+dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de
+andere uytsteeckt in hoochte, hebbende een ronde croon. ’s Middachts
+giste geseylt te hebben, N.t.W. ⅙ N. 16½ myl, waeren volgens dien, op de
+gegiste breete van 37 gr. 5 min., ende op de lengte van 159 gr. 55
+min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 5 min. Doen lach de steylen
+hoeck van _Gissima_ W. ½ S. van ons omtrent 3 mylen, ende een hoeck daer
+benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was, dewelcke
+wy noemden de _Gecartelde_ hoeck; dese hoeck lach N. ½ W. 3 mylen van
+ons, ende een hoeck die benoorden de vlacke hoeck leyt, lach S.W. van
+ons. Omtrent 6 mylen van d^{o}. hoeck, begint het hoochlant te strecken
+om de Noort, hadden doen de diepte van 40, 36 vadem, swarte santgront;
+stelden doen onsen cours N.t.O. aen, met een Suydelycke topseyls coelte,
+om op de N. breete te comen van 37½ gr.; om onse medemaet aldaer te
+verwachten, volgens de getrocken resolutie. Naer de middach quaemen ons
+noch 2 visschers aen boort, waervan wy een moye soo visch cregen, waeren
+doen buyten de _Gehackelde_ hoeck ofte anders genaempt _Caep de Kennis_.
+’S Avonts lach _C. de Kennis_ S.t.W. van ons, waeren omtrent 2 mylen van
+lant, ende doen lach noch een hoeck benoorden ons dat hooch lant was,
+maer laech op ’t water neerliep, die lach S.W. ½ W. van ons. Het
+Noordelycxste lant soo veer wy sien conden, lach N.t.W. ½ W. van ons, en
+was al hooch lant, saegen op een hoogen vlacken berch veel huysen staen,
+waer after heel hooch lant; wy hadden de diepte gehadt in ’t seylen van
+37, 36, 32, 30, 28, 25 vadem, wasige swarte santgront. Met het vallen
+van den doncker quam ons een _Japanse_ berck verbyseylen, ende riep
+_Toy, Toy_, ende wees om de Noort; indien wy wilden, hy wou ons in een
+haven brengen om de Noort, contrary de andere _Japanders_, die altyt
+gewesen hadden, dat het om de Noort niet en docht. Sy siende dat wy onse
+marsseylen innaemen, ende onse seyl ende fock opgeyden, ende het met de
+besaen om de Oost lieten stevenen ende dryven, sette syn seyl schrap
+ende riep dat om de Oost ofte t’seewaert in, niet goet en was, hy sette
+syn cours om de Noort; in dese berck waeren 4 _Japanders_. ’s Nachts de
+wint S.S.W., S. en S.O., diepte temet af, 26, 28, 30, 35, 36, 40, 45,
+50, 55, 60, 65, 70 vadem, wasige gront, conden geen gront aen ’t loot
+opcrygen. ’s Nachts regen.
+
+e 25.
+
+’s Morgens metten dach begon ’t styf uyt een S.S.O. te waeyen, waerdoor
+de see hem cort seer vreeslyck hol hem verhefte, door oorsaeck, dat de
+stroom tegen de wint liep, ende de see tegen de gronden quam opschieten;
+ende viel oock een swaere mist, dien duerde tot omtrent 2 ueren voor de
+middach, claerde doen op ende wert ’t haestich stil, maer bleef heel hol
+water. Hebben nieuwe onderseylen aengeslagen. Giste ’s middachts soo
+geseylt als gedreven, behouden te hebben, N.N.O. 9 mylen, waeren volgens
+dien, op de gegiste breete van 37 gr. 39 min., ende op de lengte van 160
+gr. 12 min., waeren 4 mylen van lant. Doen lach de _Gecartelde_ hoeck
+S.W.t.S. ende het Noordelycxste lant dat wy sien conden N.W.t.N. van
+ons, ende was diep 72 vadem, conden geen gront aen ’t loot opcrygen; het
+is hier al hooch lant, gelyck volgens uytteyckening te sien is. Wat naer
+de middach was het heel claer weder, saegen gau uyt naer onse maet, maer
+vernaemen hem niet. Omtrent 3 ueren naer den middach, cregen wy een
+topseyls coelte uyt een W.N.W. maer allenskens naer het N.W. ende
+seylden met cleyn seyl wat om de S. tot ’s avonts, lieten het doen met
+een seyl byleggen Noortwaert over, de wint naer het West treckende;
+peylden doen de _Gecartelde_ hoeck in ’t S.W. ½ W. van ons, ende het
+Noordelycxste lant in ’t N.W. ⅓ W., waeren 5 mylen van lant diep 95
+vadem, doch conden geen gront opcrygen. ’s Nachts moy stil weder, de
+wint Westelyck, hadden met donckere maen gestadich 2 vueren op, ende
+schooten somtyts een schoot, of onse medemacker omtrent mocht wesen, dat
+hy het mocht hooren ende soo op het schieten naer ons toecomen.
+
+f 26.
+
+’s Morgens was ’t moy helder sonneschyn weder, dreven in stilte met
+opgegeyde seylen ende slecht water. ’s Middachts lach de _C. de Kennis_,
+anders de _Gecartelde_ hoeck genaempt, W. ½ S. omtrent 7 mylen van ons,
+giste vertiert te hebben, S.O.t.S. 5½ myl, waeren volgens dien, op de
+gegiste breete van 37 gr. 20 min., ende op de lengte van 160 gr. 28
+min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 20 min.; conden geen gront
+aen het loot opcrygen; doen wy het Suydelycxste lant S.W., ende het
+Noordelycxste lant N.W. van ons hadden, waeren wy gront af, synde
+omtrent 7 à 8 mylen van lant. Omtrent 4 ueren naer middach, cregen wy
+een moy coeltie uyt een S.O., ende trock al treckende naer het S. ende
+S.W. ende voorts naer het W. toe; wenden het met cleyn seyl om de N.W.,
+om het lant weder wat te naederen. ’s Nachts diep 70, 65 vadem, gront
+als vooren.
+
+g 27.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, met een heldere claere lucht, waeren 4
+mylen buyten de wal, de wint variabel, Westelyck met slecht water,
+hadden doen de diepte van 50 vadem, wasige gront; alsdoen quaemen ons 2
+visschersbarcken aen boort, brachten ons een lustige soo visch aen
+boort, die wy om ryst van haer ruylden, ende elck visscher creech een
+dronck arack, waernaer sy seer begeerich waeren; syn weder van boort
+gevaeren ende gingen liggen visschen. Corts daernaer is ons een leege
+custberck verby geseylt, quam uyt de Noort ende seylde om de Suyt, sy
+riepen op syn _Japans_, dat het niet goet en was om de Noort, dat daer
+_Toy_ lach, ende is voorts geseylt. Giste Suyt vertiert te wesen
+N.W.t.N. 9 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 50 m.,
+ende op de lengte van 160 gr. 3 min., ende op de bevonden breete van 37
+gr. 50 min. Waeren hier by wit gepleckt lant met eenige santboschies,
+omtrent 2 mylen van lant hadden de diepte van 19 à 20 vadem, singel ende
+grove santgront, hier was de gront ongelycke diepte cort op ende af. Het
+voorlant is duynich lant, maer anders hooch lant, op sommige plaetsen
+dubbelt, gelyck per uytwerpsel (afteekening) blyckt, het lant om de
+Noort scheen een bocht beginnen te maecken, het Noordelycxste lant lach
+N.N.W., ende het Suydelycxste S.S.W. van ons, de cust streckte hier S.
+ende N. Wy vernaemen dat de stroom hier heen ende weer langs de wal
+liep. Op dato is ons noch een gelaeden custbarck bejegent, comende uyt
+de Noort, syn lading was ryst in balen, is dicht aen ons schip gecomen.
+Wy vraechden hem waer hy van daen quam, hetwelck hy niet wilde seggen,
+maer een van haer sprack wat _Portugies_; sey op d^{o}. spraeck, dat sy
+naer _Meaco_ wilde, ende hy sey dat benoorden ons een groote bocht lach,
+ende dat daer een eylant voor lach, dat _Toy_ hiete, ende dat men met
+het schip wel tusschen de cust ende _Toy_ door mochte of conde seylen,
+ende dat benoorden _Japan_ _Eso_ lach, maer dat het daer niet en docht
+ende seer cout was, ende dat het oock in de bocht after _Toy_ niet en
+docht. Souden aparent noch wat meer van hun verstaen hebben, hadden wy
+iemant gehadt die _Japans_ had connen spreecken ende verstaen; hem is 2
+realen voor een bael ryst geboden, maer hy sey, dat hy geen ryst dorst
+vercoopen, ende dat syn coopluyden die hem bevracht hadden, in _Meaco_
+woonden. Wy leyden het t’see ende lieten het dryven, ende d^{o}. berck
+voorderde syne reys om de S. ’s Nachts de wint variabel, dreven in de
+diepte van 24, 26, 29, 32, 33, 40, 50, 50, 70, 72 vadem.
+
+a 28.
+
+’s Morgens was het doncker mistich weder, conden boven een scheepslengte
+niet van hem sien, somtyts een variabel luchien, dan meest stilte,
+lieten het al dryven in de diepte van 60 à 70 vadem; ’s middachts giste
+meest op een plaets te wesen, als op den 27 d^{o}. in breete, maer wel 7
+mylen van lant, hadden doen de diepte van omtrent 70 vadem, conden geen
+gront opcrygen. Tegen den avont saegen wy een seyl in ’t N.W. van ons,
+met een weynich opclaeren van de vreeslycke donckere mist, maeckten
+seyl, deden onse best om daerby te comen, alsoo verhoopte dat hetselfde
+het jacht _Breskens_ was, maer hem wat naeckende, saegen dat het een
+groote _Japanse_ custberck met een groot viercant seyl was, ende van ons
+afliep om de Suyt. Wy lieten het weder dryven. ’s Nachts diep 40, 38,
+33, 28 vadem ende was motrich weder.
+
+b 29.
+
+’s Morgens hadden wy sulcken vreeselycke donckere mist als noch nooyt
+bevonden hadden, ende het was doot stil, dreven met de stroom om de
+West, geraeckten schielyck van de diepte van 28 vadem op 20 ende 19,
+singel gront, lieten ons werpancker vallen, verbeydende de tyt dat het
+mochte opclaeren ofte coelte comen, om weder wat t’see te loopen. Tegen
+den middach cregen wy een styve Suydelycke coelte, lichte ons ancker,
+maer eer ons ancker op was, waeren op de diepte van 15 vadem, singel
+gront, wy leyden het met schoverseylen t’seewaert in; dese styve coelte
+dee de mist ten deele wat verdwynen. ’s Middachts waeren naer gissing
+op de breete van 38 gr., omtrent 4 mylen van lant. Door de styve wint
+verhefte hem de see, seer afgryselyck ende hol tegen de gronden, ende
+quaemen de swaerste sees uyt een S.S.O. ende S.O., doch de wint liep in
+’t S.S.W. met heel styve wint, naemen onse bonets af, ende lieten het
+S.O. ende O.S.O.waert over staen te seewaert in, wy cregen soo veel worp
+sees over, als wy van boven, onse presenning over de luycken gespyckert
+synde, conde loosen. ’s Middernachts wert het stil, maer de see noch
+heel verbolgen, met motrich weder.
+
+c 30.
+
+’s Morgens hadden wy moy sonneschyn weder, ende de see slechte al
+langsaem, de wint meest N.W.t.N. met moye topseyls coelte, sette onse
+beyde marsseyls by, deden ons best om de cust weder aen boort te crygen,
+conden in ’t N.N.W. een ront berchien sien, omtrent 9 à 10 mylen van
+ons, ende geleeck een eylant, vermoeden dat _Toy_ te wesen, daer de
+_Japanders_ ons verscheyden reysen van geseyt hadden. Gisten sedert den
+27 d^{o}. door malcanderen vertiert te syn, O.N.O. 6½ myl, waeren
+volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. ende op de lengte van 160
+gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 40 min.; soodat ons
+de stroom om de Suyt geset hadde 20 min. meer als onse gissing was,
+waeren 7 à 8 mylen van lant, ende het was over de 100 vadem diep,
+singelgront. Naer de middach liep de wint Westelyck, leyden het om de
+Noort. ’s Avonts wert het claer weder, naemen onse marsseyls in, ende
+geyden onse seylen op, ende lieten het soo N.waert over leggen dryven.
+’s Avonts conden wy het lant pas sien in ’t S.W., ende in ’t N.N.W. lach
+een ront berchien, synde naer myn vermoeden _Toy_; soo ick can
+bemercken, hadden wy harde stroom om de Suyt, saegen veel raveling van
+stroom.
+
+d 31.
+
+’s Morgens was het heel moy weder met stilte, de deyninge uyt een
+Suydelycken hant, giste ’s middachts vertiert te wesen N. 5½ myl, waeren
+volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 2 min., ende op de lengte
+van 160 gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. Doen lach
+_Toy_ N.N.W. 7 à 8 mylen van ons, ende de laege santpunt besuyden _Toy_
+lach in ’t W. 7 à 8 mylen van ons, ende het was 70 à 75 vadem diep,
+conden in de bocht in ’t N.W. geen lant sien, vermoedende dat de groote
+bocht te syn, daer de _Japanders_ ons af geseyt hadden. Desen
+uytsteeckende hoeck van _Toy_ is heel kenbaer, als men uyt de Suyt compt
+vertoont hem als een hooch eylant, ende een weynich daer bewesten, met
+een rey van gehackelt geberchte, met een corte spaetsy laech lant, condt
+voorts by het uytteyckenen desselfs verder beoogen. Cregen naer de
+middach een moy luchie uyt een S.O., stelden onse cours N. aen, om by O.
+het eylant _Toy_ om te loopen, want het eylant _Toy_ leyt boven een myl
+niet van de uytsteeckende hoeck; benoorden de uytsteeckende hoeck liggen
+onder de cust veel cleyne gebroocken eylanties. Des aftermiddachts is by
+den E. Commandeur, den raet beroepen ende geresolveert, alsoo volgens
+onse laetstgetrocken resolutie, onse tyt geexpireert was, ende onse
+medemaet niet vernaemen, onse reys soecken te vervorderen, volgens onse
+instructie, van den E. Heer Generael ende Raden van _India_,
+medegegeven. Oock dat wy noch 2 stucken uyt onse boech, tot ontlichting
+van het schip, in ’t ruym souden leggen; ende dat met regenich weder,
+tot onderhouding des scheepsvolcks gesontheyt, soude ’s ochtents bier en
+broot gecoockt worden. Tegen den avont bemerckten wy dat ’t lant,
+hiervoor van ons voor een hoeck aengesien, al gebroocken eylanden
+waeren, ende soo veer wy om de N. sien conden, geleecken al gebroocken
+eylanden te wesen; hadden met sons onderganck een eylant, dat de cleyne
+_Taefel_ in de _Piscadores_ wel geleeck, omtrent W. 3 mylen van ons. Het
+hooge eylant, by ons eerst voor een hoeck aengesien, lach N.W. ½ W. van
+ons, dit vermoede ick _Toy_ te syn, het was 80 vadem diep, saegen in ’t
+N. wel soo Oostelyck, een heel hoogen _Taefelberch_, waervan om de O.
+laeger lant afstreckte, met des sons-onderganck cregen wy een groot
+onweer van regen ende blixem, met swaere donderslaegen over het
+geberchte, de wint met een styve coelte Suydelyck, naemen onse seylen
+in, lieten het voor de fock N.t.O. aengaen. ’s Nachts de wint met buyen,
+variabel N.N.O. ende O., met groote stortregen, hielden dien heelen
+nacht met schoverseylen af ende aen.
+
+
+Junyus.
+
+e 1.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. Setten onse beyde marsseyls
+by, leyden het om de N.W. naer het eylant _Toy_, maer alsoo wy hetselfde
+niet conden beseylen, seylden soo diep tusschen het _Taefel_ eylant ende
+_Toy_ in, dat de Oostelycxste hoeck van het eylant _Toy_, N. van ons
+was, ende waeren omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent
+synde, mochten O.t.N. seylen, conden geen gront crygen, maer was hier
+heel steyl, de wint N.t.O. ’s Middachts lach de spitsberch van _Toy_,
+N.W. ½ W. 2 à 3 mylen van ons, ende was diep 80 vadem; hadden naer
+gissing behouden Noorden 6 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste
+breete van 38 gr. 24 min., ende op de lengte van 160 gr. 34 min. Hielden
+het naer middach raeck ende daeck met laveren; de stroom om de Suyt
+loopende, maeckte met Noordelycke wint slecht water. ’s Avonts peylden
+wy _Toy_ W.N.W. ½ N. 4 mylen van ons, ende waeren gront af. ’s Nachts de
+eerste wacht uyt synde, wert het heel stil.
+
+f 2.
+
+’s Morgens cregen wy een moy luchien uyt een Suydelycker handt, doen
+lach _Toy_ N.W. 3 mylen van ons, stelden onsen cours N.t.O. ’s Middachts
+lach het eylant _Toy_, te weten het Suyteynt, 3 à 4 mylen West van ons,
+ende lach met het Suyteynt van het _Taefel_ eylant over een; recht
+Noorden van het Suyteynt van _Toy_ 1 à 2 mylen, liggen eenige gebroocken
+eylanden ende clippen onder de wal. Wat landelycker leyt noch een
+eylantie, wat langer ende hooger. Dicht onder de cust, een half myl daer
+benoorden, leyt noch een ront eylantie, gelyck een _Toppershoetien_,
+daer aen beyde eynden al scherpe clippen, die boven water leggen, af
+strecken ende vertonen haer als naelden. Tusschen het vorige eylant ende
+het _Toppershoetien_, geleeck een rivier in ’t lant te loopen, de cust
+streckte hem hier al Noortwaert heen, met veel inbochten ende was al
+hooch lant. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. ⅔ W.; ½ myl,
+waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 30 min., ende op de
+lengte van 160 gr. 31 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. 29
+min. ’s Avonts lach de Oosthoek van _Toy_ S.W.t.S. 5 à 6 mylen van ons,
+saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien wy den naem
+gaven van den _Taefelberch_, stelden onse cours metten doncker N.O.t.N.
+aen, de wint S.O. met een moy coeltie. ’s Nachts stilte.
+
+g 3.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, met een Suydelycke topseyls coelte,
+hadden doen de _Taefelberch_ N.W. 5 mylen van ons, deden onse cours N.
+langs de wal, bewesten dese hoogen _Taefelberch_ maeckt het lant een
+groote inbocht, ende alsdan streckt de cust S. naer _Toy_ toe; tusschen
+_Toy_ ende de _Taefelberch_ leyt een ronde berch, alwaer een tooren
+opstaet ende seer kenbaar is. Van de _Taefelberch_ tot aen een steylen
+hoogen gehackelde hoeck, dien wy de Caep _de Goeree_ noemden, omdat
+tusschen beyden, schenen veel havens ende eylanden te liggen, daer
+_Goederee_ soo het leeck after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende
+S.t.W. Wy cregen hier veel _Japanse_ visschers aen boort, die ons 30
+roode steenbraesems ende 3 cabbeliauwen overgaven, daervoor wy haer wat
+ryst gaven ende eens arack schoncken. Daer quaemen 2 à 3 _Japanders_
+over, die presenteerden ons in een haven te brengen, ende noemden de
+plaets _Nabo_, ende een ander plaets _Schay_; dan sy siende dat wy hier
+in geen haven begeerden te wesen, syn met vrientschap gescheyden. Tegen
+den middach wert het deysich weder, conden geen hoochte crygen. ’s
+Middachts lach de C. _Goeree_ N.t.W. van ons 4 mylen, giste geseylt te
+hebben, N.N.O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 39 gr. 28
+min., ende op de lengte van 161 gr. 2 min., stelden doen onse cours
+N.t.W. aen, om de Caep terdegen te besichtigen. Het was hier 2, 3, 4 myl
+van lant, al over de 100 vadem diep, al wasige gront, die men aen ’t
+loot niet con opcrygen, saegen noch verscheyden visschers, maer alsoo de
+Suydelycke wint begon styf door te blasen ende hol water maeckte,
+dorsten niet aen boort comen, vreesden voor het stooten van haer
+barcken. Naer de middach cregen wy regen, van ’s middachts naer gissing
+geseylt 4 mylen N.t.W. aen, hadden doen de Caep _Goeree_ W.N.W. 1 myl
+van ons, ende was 80 vadem diep, gront als vooren, stelden doen onse
+cours N. tot het vallen van den doncker 1½ myl, doen lach Caep _de
+Goeree_ S.S.W. 2 mylen, ende de hoeck besuyden de caep S.t.W. ½ W. 3
+mylen van ons; tusschen die hoeck ende caep schynt een groote voert[20]
+in te loopen, streckende S.S.W. heel diep in ’t lant, souden naer wy
+sien conden daer heel uyt der see seylen connen; gaeven die voert den
+naem van _Goeree_. Het veerste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8
+mylen van ons, ende was een vlacke hoogen berch; ende een laege vlacke
+afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons. Deden met het opsetten
+van de wacht onse cours N.t.O. aen, met een Suydelycke wint ende regen;
+in de eerste wacht hadden wy de diepte van 78, 84 vadem, gront als
+vooren; de eerste wacht uytsynde, lach de laege afgaende hoeck in ’t
+N.W.t.W. van ons, ende betrock stracx door een dicke natte mist, in de
+tweede wacht diep 90, 100 vadem, in de dachwacht gront af, doen stelden
+wy onse cours weer N. aen.
+
+ [20] Inham of Zeeboezem. Witsen.
+
+a 4.
+
+’s Morgens mistich doncker motrich weder, de wint Suydelyck, stelden
+onse cours N.W. ende corts daer naer N.W.t.N. aen, om de cust van
+_Japan_ weder sien in ’t gesicht te crygen, ’t welck wy met een blinck
+eens saegen, ende was een hoogen berch, die lach W.S.W. van ons, ende
+was stracx weder door de mist betrocken, wy vermoeden dat die berch het
+N.eynt van _Japan_ was. Saegen menichte seerobben. ’s Middachts naer
+gissing geseylt N.t.W. 14 mylen, ende was 72 vadem diep, grauwe
+santgront, waeren op de gegiste breete van 40 gr. 23 min., ende op de
+lengte van 160 gr. 48 min., dreven in stilte. Twee glaesen naer den
+middach, cregen een O.S.O. styve topseyls coelte, seylden N.N.W. 2½ myl,
+cregen doen de diepte van 72 vadem, gront als vooren; naemen doen onse
+marsseylen in, lieten het by de wint over staen, mochten N. seylen, de
+wint O.N.O. met regen ende een heel donckere mist, dewelcke continueerde
+tot de tweede wacht uyt, de wint treckende temet naer het N. Hadden de
+diepte van 50 vadem tot 2 glaesen in de eerste wacht, doen diep 40
+vadem, al gront als vooren, wenden het O.waert over, gewent synde, diep
+weer 50 vadem, in de tweede wacht diep 54, 56 vadem, in de dachwacht
+diep als vooren, de wint van ’s middachts variabel, S., O.S.O., O.N.O.,
+N.N.O., N. ende N.W.
+
+b 5.
+
+’s Morgens was ’t al mistich motrich weder, de wint N.N.W. de see al hol
+aenschietende uyt een N.O., setten onse marsseylen by, lieten het by de
+wint N.O. over staen, maer maeckten weynich aenganck, het was 65 vadem
+diep, grau santgront, het diepte langsaem op als volcht, 70, 75, 80, 85,
+90, 100 vadem, gront als vooren. ’s Middachts gront af, giste geseylt te
+hebben N.N.O. 3½ myl, waeren volgens dien, op de N. breete van 40 gr. 36
+min., ende op de lengte van 160 gr. 55 min. Saegen veel seerobben ende
+veel drift, te weeten groene tacken van boomen, ende steencroos ende
+groene blaederen dryven.
+
+c 6.
+
+’s Morgens was de wint N.N.O. met topseyls coelte, wenden het om de N.W.
+met mistich motrich weder, de wint uyt- ende inschietende tusschen het
+N.N.O. ende N.N.W., leyden over ende weer om soo veel N. te winnen als
+mogelyck was om niet in de bocht tusschen _Japan_ ende _Eso_ te
+vervallen, saegen veel seerobben ende drift als vooren. Giste ’s
+middachts geseylt te hebben, O.t.N. ½ N. 8 mylen, waeren volgens dien,
+op de breete van 40 gr. 45 min. ende op de lengte van 161 gr. 34 min.,
+wenden het doen om de N.O. ’s Avonts trock de wint naer ’t N.N.W. ende
+voorts naer ’t W., ende het begon op te claeren. ’s Nachts somtyts
+coelte, somtyts stilte.
+
+d 7.
+
+’s Morgens was ’t claer helder weder, de wint Westelyck met topseyls
+coelte, onse cours by de wint over om de N. ’s Ochtents omtrent te 10
+ueren saegen wy hooch lant in ’t N.t.W. van ons, vermoede ’t selve het
+lant van _Eso_ te wesen. ’s Middachts giste geseylt te hebben N.N.O. 11
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr. 26 min., ende op de
+lengte van 162 gr. 1 min., ende op de bevonden breete van 41 gr. 24
+min.; alsdoen lach de S.O. hoeck van _Eso_ N. omtrent 9 à 10 mylen van
+ons, ende was een hoogen steylen hoeck, gelyck per uytteyckening blyckt.
+Vervolgende onse cours recht N. aen naer d^{o}. steylen hoeck toe.
+Omtrent naer de middach te 3 ueren cregen wy gront op 50 vadem,
+santgront, waeren doen omtrent 4 mylen van d^{o}. hoeck. ’s Avonts wat
+voor sons onderganck saegen wy hooch lant van ’t W. tot het N.W.t.W.,
+hetwelck naer myn gissing wel 20 mylen van ons lach, wat naer sons
+onderganck lach d^{o}. steylen hoeck N. 3 mylen van ons, ende was doen
+diep 24 vadem, schilpige santgront, geyden onse seylen op ende lieten
+het dryven, met de steven om de S. ’s Nachts in de eerste wacht diep 25,
+30, 50, 56 vadem, d^{o}. wacht uyt synde, leyden het om de N., in de
+tweede wacht diep 56, 60, 65 vadem, santgront.
+
+e 8.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint Westelyck, maeckten seyl, deden
+onse cours vooreerst om de N. naer de wal toe, liepen tot een ½ myl nae,
+onder de hoogen hoeck, ende stelde doen onse cours langs de wal in de
+diepte van 20 à 24 vadem. Van d^{o}. hoeck streckt het lant N. ende is
+hier hooch dubbelt lant, ende lach op de toppen bedeckt van sneeuw. Van
+den hoogen hoeck langs het lant seylende om de Noort, ⅔ myl buyten de
+wal, is de diepte 18, 19, 20 vadem, de cours N. 6 myl, soo streckt de
+cust met laech lant om de N.O., ende vertoont hem op sommige plaetsen
+met vlacke taefelbergen, dan niet seer hooch. ’s Middachts lach de
+hoogen hoeck te weten de S.O. hoeck van _Eso_, S.W. ½ S. 5 mylen van
+ons, doen hadden wy een groote bay ofte inbocht in ’t N.W.t.N. van ons,
+waeren doen op de gegiste breete van 42 gr. 19½ min., ende op de lengte
+van 162 gr. 18 min. Wy saegen veel roock optrecken op verscheyden
+plaetsen in ’t hooge lant, was diep 58 vadem, wasige gront, waeren 3
+mylen van lant; deden onse cours N.O. aen langs de wal, de wint S.S.W
+met slecht water, was heel mistich weder, soodat wy naer de middach
+weynich bescheyt van het lant sien conden. Tegen den avont diep 35
+vadem, naemen onse seylen in ende lieten het dryven, vingen met den
+doncker 4 cabbelliauwen. ’s Avonts in ’t opsetten van de wacht, cregen
+wy de diepte van 26 vadem, ende alsoo de gront hart opdroochde ende de
+see ons styf om de N. smeet, quaemen hier met stilte ten ancker op grove
+santgront; voor ons werpancker geset liggende vernaemen geen stroom,
+vingen ’s nachts noch twee cabbelliauwen. Het bleef ’s nachts stil maer
+mistich.
+
+f 9.
+
+’s Morgens was ’t noch stil, somtyts een variabel coeltie, lichte ons
+ancker om wat op dieper water te seylen, want het heel mistich bleef,
+conden oock de lant-see licht hooren ruyssen, onder seyl synde het
+coeltie slaepende ende de Suydelycke deyninge ons styf om de N.
+settende, droochde op tot op 15 vadem singelgront, hoorde de lant-see
+noch veel meer als vooren, quaemen dan weder ten ancker. Bevonden op
+dese cust als op de _Japanse_ cust, dat als men binnen de 20 vadem onder
+de wal compt, de gront meest singel is. Tegen den middach begon de son
+claer door te schynen, maer was noch al even mistich op den horisont,
+conden noch het lant niet sien; wat naer de middach begon de mist op te
+claeren, saegen doen dat wy in een groote inbocht geseylt waeren, ende
+maer ½ myl van lant geanckert laegen, ende was hooch steyl lant met veel
+valeyen vol geboomte. Peylden de S.O. hoeck van _Eso_ S.W.t.S. 12 mylen
+van ons. Waeren op de gegiste breete van 42 gr. 44 m., ende op de lengte
+van 162 gr. 30 m., hadden een laege hoeck 6 mylen S.W.t.W. van ons;
+hadden noch een hoeck in ’t N.O. ½ O. 6 of 7 mylen van ons, alwaer wel
+een rivier geleeck by in te strecken soo wy sien conden; saegen noch
+lant in ’t O.t.N. maer conden geen seeckerheyt sien. Voorts heeft de
+cust veel bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see
+beschut licht. Omtrent 3 à 4 ueren naer den middach quam ons een
+vaertuych aen boort, waerin twee mans met een jonge waeren, hadden 2
+elantshuyden met wat gedroochde salm by haer, voorts pylen ende elck een
+booch met een houwer, quaemen gewillich over in ons schip ende vraechden
+naer taback, seggende _tambacko_, conden haer niet verstaen; sy
+schoncken aen de E. Commandeur de geroockte salm, doch was niet
+gesouten, ende een elantshuyt; sy syn getracteert met een arackien ende
+toebackien, waeren wel in haer schick. Dit was cort gedrongen volck,
+bruyn van vel, hebbende ruyge swarte baerden, syn op haer lyf seer ruych
+van swart haer, syn voor op het hooft geschooren, maer voorts lanck
+haer, van de helft haers hoofts neerhangende, als sy drincken lichten
+haer knevels op met een vinger. Sy hadden grove rocken van hennippe
+linnen aen, daerover rocken van vellen gemaeckt, sy hadden gaeties in
+haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in syn oor, het
+welck was van specy als coper ende half gout, hadden messen op haer
+buyck, de heften ingeleyt met silver; aen de plaeten aen haer houwers,
+die waeren op syn _Japans_, was oock silver aen; sy conden wel gout ende
+silver, presen dat haer pylen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met
+fenyn bestreecken. Sy wesen in ’t W.t.N. dat sy daer woonden, ende dat
+die plaets _Tacaptie_ genaempt was, ende de hoogen steylen hoeck van
+_Eso_ noemden sy _Groen_, ende de bocht met de rivier _Goutsiaer_, ende
+in ’t N.O. een plaets genaempt _Cyrarca_, noemden oock een plaets
+genaempt _Goutsiote_. Naer dat sy wel met een tabackien ende arackien
+getracteert waeren, syn vrolyck naer lant gevaeren; haer prauw was voor
+ende achter plat, roeyden met smalle riemen. Sy wat van boort geweest
+hebbende, cregen een S.W. coeltie, lichte ons ancker, gingen onder seyl,
+lieten het by de wint over staen om uyt dese bocht te geraecken; lieten
+het om de S.S.O. voortstaen, tot dat de eerste wacht uyt was, geyden
+doen onse fock op met het grootseyl, haelden onse marsseyls neer, lieten
+het soo dryven, verwachtende den dach; waeren gront af.
+
+g 10.
+
+’s Morgens hadden wy claer weder, de wint W.S.W. saegen anders geen
+lant, dan daer wy van daen geseylt waeren, deden onse cours O. aen,
+giste geseylt te hebben ’s middachts van onse anckerplaets, O.S.O. 10
+mylen, ende was doen 100 vadem diep, wasige gront. Waeren op de gegiste
+breete van 42 gr. 29 m., ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op
+de bevonden breete van 42 gr. 37 min. Saegen geen lant, deden onse cours
+N.O. aen, omtrent 3 ueren naer de middach stelden wy onse cours N. aen,
+om het lant seecker in ’t gesicht te crygen. Het was heel deysich op de
+kimmen, conden geen gront crygen, de wint liep variabel met veel stilte,
+saegen veel drift, soo ’t scheen quam uyt een rivier. ’s Nachts de wint
+variabel met veel stilte, hadden geen gront.
+
+a 11.
+
+’s Morgens was ’t al stil weder, somtyts een cleyn luchien uyt een N.O.,
+allengs omloopende naer het O. ende voorts naer het S.S.O. Cort naerdat
+de cock vroeg cost geschaft had, cregen wy gront op 60 vadem, wasige
+gront, saegen corts daernaer het lant in ’t N. ende N.N.O. tot in ’t W.,
+was effen vlack lant met geen geberchte, de cust streckende O.N.O. ende
+W.S.W. soo veer wy sien conden. De wint N.N.O. lieten het by de wint om
+de N.W. overstaen, om het lant terdegen te besichtigen, want het heel
+deijsich betrocken lach; het droochde temet op als volcht, 50, 43, 36,
+30, 28 vadem, swart santgront. ’s Middachts giste geseylt te hebben, N.
+9 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 13 min.,
+ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op de bevonden breete van 43
+gr. 10 min., waeren 2½ myl van lant, op de diepte van 27 vadem, gront
+als vooren. Doen lach het Westelycxste lant dat wy sien conden, W.t.S. 6
+mylen van ons, ende daer scheen wel een eylant te liggen, het
+Oostelycxste lant dat wy sien conden, lach N.O. van ons, 4 à 5 mylen. Wy
+hadden een rivier in ’t W.t.N. ½ N. van ons, saegen hier eenige clipies
+onder de wal liggen boven water, saegen hier veel drift, de wint trock
+temet uyt het N.N.O. naer het S.S.O., seylden al by de wint Oostwaert
+over, in de diepte van 22, 21, 20, 19 vadem; naer de middach cregen wy
+een Suydelyck coeltie, stelden onse cours O.N.O. langs de wal. ’s Avonts
+lach de hoeck die wy ’s middachts in het N.O. gepeylt hadden, in het
+N.W.t.N. 2 mylen van ons, ende was diep 25 vadem, gaeven dien hoeck den
+naem van Caep de _Manshooft_, omdat hy hem vertoont als een hooft. Hier
+is al slecht lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen doen in ’t
+N.W.t.W. van ons een rif, daer het seer op barnde, ende lach omtrent een
+myl van lant, ende om de N.O. van de Caep de _Manshooft_ lach een vlack
+laech eylantien met 3 cleyne berchies, het N. eynt van d^{o}. eylantie
+lach N.N.O. 3 mylen van ons, waeren van ’s middachts geseylt O.N.O. 5
+mylen; saegen in ’t N.O.t.N. soo ons docht hooch lant, maer werden soo
+veel bedrogen van de mist, dat men somtyds mist voor lant ende lant voor
+mist aensaegen. ’s Nachts was ’t soo mistich, conden in ’t minst niet
+van ons sien, onse cours O.N.O. tot de eerste wacht uyt, deden doen onse
+cours N.O. aen, seylden die heele wacht in de diepte van 25, 30, 32, 34,
+36, 38 vadem, tegen den dach diep 30 vadem, al santgront met schilpen
+vermengt, de wint ’s nachts variabel met veel stilte. ’s Avonts hadde wy
+onse compassen geleyt op 9 gr. N.Oostering.
+
+b 12.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich motrich weder, de wint O.S.O. ende S.O.
+met stilte, somtyts een cleyn coeltie, lieten het N.O.waert overstaen,
+het droochde allengskens op tot op 23, 22 vadem, ende het water wert
+heel slecht sonder deyninge, wisten niet waer wy dreven of seylden door
+de mist; quaemen ten ancker. Ten ancker liggende bevonden hier harde
+stroom om de N.W. ende naer de middach om de W., saegen veel drift
+verbydryven, insonderheyt veel veeren van vogels, gelyck wy daegelycx
+veel sien dryven, giste geseylt te hebben N.O.t.O. ¼ O. 9 mylen, waeren
+volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 28 m., ende op de lengte
+van 164 gr. 0 min. ’s Avonts ende ’s nachts continueerde de mist ende de
+motregen, conden de lant-see hooren.
+
+c 13.
+
+’s Morgens continueerde de mist, conden niet boven een scheepslengte à
+twee van ons sien, wy hoorden de lant-see seer storten, alhoewel het
+stil ende slecht water was. Omtrent te 9 ueren ’s ochtents claerde de
+mist wat op, saegen doen de Caep de _Manshooft_ W.t.N. 3 mylen van ons,
+conden de streckende cust tot in ’t W.t.S. sien, saegen het eylant met 3
+berchies in ’t N.W. ½ N. 2 mylen van ons, de hoeck tusschen Caep
+_Manshooft_ ende het 3 geberchte eylant gelegen, lach 4 mylen W.N.W. van
+ons; saegen oock in ’t N.t.W. ½ W. 1 myl van ons een groot recif
+branden, in ’t N.O.t.N. ¼ O. lach noch een vlack eylant omtrent 1 myl
+van ons, hetwelck wy den naem gaven van ’t _Barbaren_ eylant. In ’t
+O.t.N. 1 myl, lach noch een party clippen boven ende een deel onder
+water, alwaer de see seer styf op storte; after dese eylanden scheenen
+fraeye inbochten te wesen, dit leecken wel naer de _Piscadores_
+eylanden, waeren allegaeder slecht ende plat boven ende niet hooch,
+scheenen heel dor te syn. Dit vorige op het corts beooght ende
+afgepeylt, wert stracx weder heel mistich met regen, waeren tot 3 reysen
+onder seyl met een cleyn luchie maer mosten stracx door stilte weder ten
+ancker comen, alsoo met de stroom om de N. dreef, quaemen eenige reysen
+ten ancker op 22½ vadem, schilpige santgront, hier nu geset liggende,
+vernaemen weynich stroom. Tegen den middach cregen wy een moy coeltie
+uyt een Suydelycker hant, gingen onder seyl, deden ons best om buyten
+dese gebroocken eyl. te comen, seylden omtrent ¼ myl boven het Ooster
+recif, vonden de diepte in ’t vaerwater als volcht 20, 21, 23, 27, 28
+vadem, santgront. Doen wy het Ooster recif een quart myl van ons hadden
+in ’t N.N.W. van ons, ende lach met het _Barbaren_ eylant overeen,
+bevonden doen de diepte van 18 vadem, schilpige craelgront. Doen lach
+het _Barbaren_ eylant 1½ myl van ons, ende de mist claerde heel op,
+saegen noch een vlack eylant doen in ’t N.O. ½ O. van ons liggen. Dese
+voorschreven eylanden syn 1, 1½ à 2 mylen lang, hebbende veel cleyne
+eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op het
+vaste lant leyt een kennelycke berch, boven met een keep ende leyt
+alleen. Daer is op het vaste lant hooch binnenlant, het welck wy met een
+blinck eens saegen, ende was meest boven bedeckt met sneeuw, de berch
+met de keep lach ’s middachts N.W.t.N. van ons, waeren doen ½ myl buyten
+het Ooster rif. Saegen doen 3 vaertuygies naer ons toecomen, hebben dien
+ingewacht, quaemen aen boort, in ider was 5, 6, 8 man, ende het
+vaertuych ende volck was van gedaente als vooren, sy wisten die plaetsen
+oock te noemen die de voorige inwoonders ons genoempt hadden, quaemen in
+’t schip ende vraechden stracx naer taback, hadden eenige fyne vellen;
+naer wy sien conden waeren het ottersvellen die sy wilden verruylen,
+maer hielden dien heel duer, verruylden eenige robbevellen met een
+beerehuyt voor taback, sy droncken scheepsarack voor sackie[21], ende
+waeren heel vriendelyck ende vrolyck volck, sy wilden ons after de
+eylanden te ree hebben, noemden een plaets _Tamary_, seggende _Pierke
+Tamary_, dat is te seggen, compt te Tamary. Sommige van haer hadden
+groote silvere ringen in haer ooren, conden gout ende silver heel wel,
+verachte coper. Hadden haer vuerslaegen by haer om vuer te slaen, dat
+waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voosachtich
+hout, daertoe hebben sy rieten daer een cort stockien in steeckt; als sy
+vuer hebben willen, soo stoten sy dat stockien in dat holletie ende
+vryven dat tusschen haer handen, dat het omdraeyt heen en weer, soo
+gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent
+vuer. Dese habytanten noemden een plaets, die sy wesen in ’t N.O.t.N. te
+liggen, _Takotekan_, ende in ’t N.O. een plaets genoempt _Rackokan_,
+brachten oock traen in leeren sacken om te verruylen aen boort. Sy
+siende dat wy voorsloegen om wat bet te laeten loopen, voeren van boort
+ende riepen al in ’t wechvaeren _Pierke Tamary_ ende wesen naer lant
+ende toonden haer heel vrolyck. Sy van boort synde liepen wat bet t’see
+tot op 40 vadem, ende alsoo het cort weer heel mistich wert, geyden onse
+seylen op ende leyden het met de steven t’see met de besaen, ende lieten
+het ’s nachts dryven, de wint meest S.W. met goet weder ende slecht
+water, maer heel mistich; het diepte af tot op 50 vadem, santgront,
+saegen naer de middach een hoogen berch met een pieck in ’t N. ½ O. van
+ons.
+
+ [21] Een zekere drank in Japan.
+
+d 14.
+
+’s Morgens was ’t noch heel mistich, de wint Westelyck met cleyn
+topseyls coelte ende slecht water, maeckten seyl, stelden onse cours O.
+aen, tegen den middach begon ’t op te claeren, cregen helder sonneschyn
+weder. ’s Middachts giste geseylt te hebben, O.t.S. 4 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 43 gr. 25 min., alsdoen lach het
+_Barbaren_ eyl. N.W.t.W. 4 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen
+berch met een pieck, die wel 20 mylen van ons lach, in ’t N.W.t.N. van
+ons. Dat Noordelycxste van de _Barbaren_ eyl. lach N. 3 mylen van ons,
+benoorden dese eylanden ontfalt hem het lant met een groote inbocht ende
+is al laech slecht lant, maer diep in ’t lant hooch geberchte, ’t welck
+bedeckt lach van sneeuw; saegen cort naer de middach noch een vlack
+eylantie, het welck recht in de bocht leyt, ende heeft verscheyde
+clippen om de N.O. van hem liggen, vernaemen hier veel walvisschen,
+gaven ’t den naem van ’t _Walvisch_ eylant. Onse cours was O.N.O. langs
+de wal, conden geen voorlant in de bocht sien als het hooch binnenlant,
+saegen oock in ’t N.O. hooch lant, was ’s middachts 50 vadem diep
+geweest. Onse cours tot ’s avonts O.N.O., de wint variabel van ’t N.N.W,
+tot ’t S.S.W., diep naer de middach 55, 60, 65 vadem, santgront. ’s
+Avonts lach het hooge lant dat op de Noortsy van de groote bocht leyt,
+in ’t N.t.W. ½ W. van ons, waeren omtrent 3 à 4 mylen van lant. Het
+veerste lant daeraen streckende was duynich lant, ende lach in ’t N.t.O.
+van ons, 5 à 6 mylen, ende was diep 65 vadem, stelden doen onse cours
+N.O.t.N. aen. ’s Nachts was de wint W.N.W. ende W., doorgaende coelte,
+diep 65, 70 vadem, santgront, in de tweede wacht vertoonde hem de see
+soo brandich, conde niet beter sien ofte saegen een droochte in ’t
+O.N.O. van ons, leyden het met de steven om de S.W. ende lieten het met
+een seyl byleggen, verwachtende den dach.
+
+e 15.
+
+’s Morgens was ’t taemelyck weder, de wint met een styve doorgaende
+coelte N.W., maeckten seyl, deden onse cours by de wint over om de
+N.N.O.; den dach wat doorgebroocken synde, peylden de N. hoeck van de
+groote bocht W.t.S. van ons, ende de N.hoeck van de duynen W.N.W. 2 à 3
+mylen van ons. Dese streeck duynen vertoonen haer als een eylant, door
+oorsaeck het lant aen beyde eynden hem ontfalt, seer cort om de West. Wy
+gaven de N. hoeck van de duynen de naem van Caep de _Canael_, omdat wy
+anders niet sien conden of daer benoorden in ’t N.W. van ons was een
+doorganck ofte canael, maer de wint naer ’t W. treckende, soo styf
+doorblaesende alsof hy door een trechter quam, naemen onse marsseyls in,
+lieten het voorts om de N. voort staen, maer corts daernaa besadichde de
+wint, soodat wy onse marsseyls daer weder bysetten. Wat over de middach
+saegen wy een heel hoogen berch in ’t N. van ons, ende corts daernae
+oock in ’t N.N.W. welck lant seer claer blonck van sneeuw. ’s Middachts
+giste ick geseylt te hebben N.O. ½ O. 15½ myl, waeren volgens dien, op
+de breete van 44 gr. 4 min., ende op de lengte van 165 gr. 27 min., ende
+op de bevonden breete van 44 gr. 3 min. Hadden doen een hoogen uyt
+muntende berch recht N. van ons, ende was heel claer helder maer seer
+cout weder, continueerden onse cours N. tot ’s avonts, ende was doen 115
+vadem diep, singelgront. Naer gissing van ’s middachts behouden cours
+N.N.O. 4 mylen, peylden doen het geberchte als volcht, in ’t W.t.N. lach
+de pieckberch, dien wy op den 13^{den} oock gesien hadden by _Tamarij_,
+in ’t N. ½ O. van ons; in ’t N.W. ½ W. lach een heel hooge berch, die
+boven op seer hackelich was ende geleeck een eylant, ende daerby noch
+een hoogen berch, die hem aen tween met een cloof vertoonde; daer
+beoosten quam een hoogen ronden berch hem vertoonen met syn top door een
+dys, saegen in ’t N. ½ W. een hoogen vlacke gecartelden berch, daer op
+het W. eynt een berch op staet, gelyckende een boeren schuer van
+fatsoen, ende is oock het hoochste van dien berch. Van d^{o}. berch
+streckte wat laeger lant tot in ’t N.O.t.N. ende was het veerste lant
+dat wy sien conden; de boeren schuer berch lach ons het naest ende was
+omtrent 10 mylen van ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te
+wesen tot den gehackelden berch, soo ick con bemercken liep een canael
+tusschen den gehackelden berch ende den pieckberch door om de W., gelyck
+per uytworpsel can beoocht worden. Dreven de eerste wacht in stilte, de
+eerste wacht uyt synde was ’t 100 vadem diep, cregen een coeltie uyt een
+S.W., de wint te vooren W.N.W. geweest synde, stelden onse cours
+N.O.t.O. aen, tegen den dach wert het heel mistich ende waeren gront af.
+
+f 16.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich, de wint S.W. treckende naer het S. met
+cleyne coelties ende slecht water. ’s Middachts gisten wy soo geseylt
+als gedreven te hebben N.O. ½ O. 11 mylen, waeren volgens dien, op de
+breete van 44 gr. 30 min. ende op de lengte van 166 gr. 14 min., hadden
+geen gront, hadden daegelycx veel steencroos ende strommels, gelyck men
+by de C. _de Bonne Esperance_ siet, die hol syn; ende veel veeren ende
+andere groente ende wier dryven, ende het bleef heel mistich. ’s Avonts
+geyden wy de fock op ende lieten de marsseyls neer loopen, lieten het
+soo met een seyl liggen dryven om de N.O. ’s Nachts liep de wint O.S.O.
+dreven doen om de N., het was slecht water. Tegen den dach een moye
+topseyls coelte uyt een O.N.O.
+
+g 17.
+
+’s Morgens was het noch heel mistich motrich weder, de wint O.N.O. met
+cleyn topseyls coelte, maeckten seyl, onse cours by de wint N.waert
+over, wat naer de vroeg cost saegen wy lant in ’t N. ende N.N.W. van
+ons, lieten het voort staen tot omtrent een uer voor de middach, waeren
+doen omtrent 1¼ myl van lant ende hadden de diepte van 44 vadem,
+singelgront, saegen in ’t W. het veerste lant van ons, ende om de O. of
+’t veerst N.O.t.O. ½ O. 2½ myl van ons, ende was een steylen hoeck. Van
+d^{o}. hoeck tot een ander hoeck streckte het lant van hoeck tot hoeck
+N.O. ende S.W. Gisten van den verleeden middach behouden te hebben
+N.N.O. 19 mylen, waeren doen by een steylen hoeck, daer beoosten een
+rivier scheen in te strecken, doch niet groot, waervan in den mont een
+steyle clip lach, gelyck een pyramida. Het lant was hier heel slecht
+ende steyl, in ’t lant lach een hoogen berch bedeckt met sneeuw, doch de
+valeye van het laech lant lach bedeckt met sneeuw tot op strant toe.
+Saegen hier by menichte seerobben, scholvers ende lammen swemmen, het
+lant was seer groen, dan saegen geen geboomte, het was op dato seer
+cout, wy wenden het weder t’ see, gewent synde, mochten S.O.t.O. seylen,
+de wint trock temet naer het N. soodat wy O. ende O.N.O. seylen mochten.
+Giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. ½ O. 12½ mylen, waeren doen
+omtrent 1 myl van lant, hadden geen gront, hadden een hoogen hoeck
+N.O.t.O. van ons 6 à 7 mylen, saegen noch heel hooch lant in ’t W. ’t
+welck al bedeckt lach met sneeuw, maer doordien de mist continueerde,
+conden geen degelyck bescheyt sien als altemet met een blinck. Naer de
+middach liep de wint N.O. seylden O.S.O.waert over, maer wert somtijts
+heel stil, de eerste wacht dreven wy in stilte, cregen in ’t begin van
+de tweede wacht een coeltie uyt een S.W., stelden alsdoen onse cours om
+de N.O. met motrich mistich weder.
+
+a 18.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich, een cleyn luchien uyt een S.W., saegen
+met een blinck een heel hoogen berch bedeckt met sneeuw in ’t N. ½ W.
+van ons, maer was stracx weder met de mist bedeckt, vervolchden onse
+cours om de N.O., hadden holle deyninge uyt een S.O. Tegen den middach
+was de wint Suydelyck, begon weder wat op te claeren, saegen omtrent de
+middach weder een hoogen berch in ’t N.N.O. van ons, dewelcke seer van
+sneeuw blonck, maer was stracx weder betrocken van de mist, conden geen
+voorder bescheyt sien. Gisten ’s middachts geseylt te hebben O.N.O. 11
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 31¼ min., ende op de
+lengte van 167 gr. 45 min. Cregen naer de middach de wint S.O. treckende
+naer het O. ende voorts naer het N.; onse cours om de O.N.O. maer het
+wert stil, ende hadden een seer coude natte mist. Wy geyden ’s avonts
+onse seylen op ende lieten het dryven, in ’t voorste van de tweede wacht
+cregen wy een coeltie uyt een W., lieten het O. aengaen met cleyn seyl.
+
+b 19.
+
+’s Morgens was het mistich weder, de wint S.W. met slappe coelte, onse
+cours N.O. aen. ’s Middachts gisten geseylt te hebben O.N.O. 6½ myl,
+waeren volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 41¼ m., ende op de
+lengte van 168 gr. 19 min., saegen doen lant met een blinck in ’t W.
+ende in ’t N.N.W. ende corts daernaer in ’t N. ende was al hooch
+geberchte, seer blinckende van de sneeuw die daer op lach, maer was
+weder corts betrocken van de mist. Somtyts scheen de son claer, maer
+conden geen quart van een myl van ons sien, doordien de mist soo dicht
+op ’t water neerlach ende ons het gesicht van den horisont benam; conden
+geen gront bewerpen, het water was heel blaeu, maer saegen veel drift,
+als veeren, wier, steencroos ende strommels, deden onse cours N. aen met
+een Westelycke wint. Tot ’s avonts geseylt drie mylen. Saegen ’s avonts
+veel troppen cleyne meeuwen vliegen; saegen oock omtrent 5 ueren naer
+den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. van ons, een heel
+hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw ende was stracx betrocken,
+conden voorder geen meer kennisse van lant becomen; hebben het alsdoen
+met de steven om de W. geleyt, ende lieten het dryven, dorsten door
+oncunde niet voortseylen, de wint variabel met stilte. Vier glaesen in
+de eerste wacht hoorden wy groote rasing van water of het de lant-see
+ofte storting tegen de clippen was van de see; worpen het loot, bevonden
+de diepte van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem; saegen
+aen bagboort eenige storting van de see, ende hoorden aen stierboort
+oock veel geraes ende storting van water. Dan de see, die slechte
+schielyck, ende wy leiden het met de steven om de S.W., ende geyden de
+seylen op ende lieten het dryven op Godes genaede, ende wat corts gront
+af van 50 vadem, lieten ons daegelycx ancker druypen met ⅔ van een tou
+bodt, of wy weder by gront quaemen dat wy daervoor mochten comen te
+liggen, dan conden geen gront meer crygen; dreven om de N.W., hoorden
+gestadich de lant-see ende groote ruysing van water ende veel gecryt van
+clipmeeuwen.
+
+c 20.
+
+’s Morgens met den dach was ’t mistich weder met stilte, hadden noch
+geen gront, wonnen ons daegelycx ancker weder op; wat op den dach cregen
+wy weder gront op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem, grof
+santgront, lieten ons tuy-ancker vallen. Wat geset gelegen hebbende
+begon ’t wat op te claeren, saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch
+geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen
+dicht by ons te syn, wy hoorden gestadich groot geruys van water, d^{o}.
+lant is stracx weder betrocken van de mist. Omtrent 2 à 3 ueren naer de
+vroe cost claerde de mist op, doen saegen wy dat wy boven ½ myl niet van
+den wal geanckert laegen; saegen in ’t S.t.W. van ons 3 mylen, lant,
+ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mylen van ons het Noordelycxste lant dat wy
+sien conden; het geruys van water saegen wy dat het afstortinge van
+sneeuwater was, dat op verscheyde plaetsen van het geberchte in de
+cloven quaem afvallen, ende een groot geruys ende geraes maeckte, ende
+het lant lach op veel plaetsen tot by de waterstrant noch bedeckt met
+sneeuw, insonderheyt op ’t geberchte. Saegen een hoogen ronden berch die
+vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende een d^{o}. in ’t S.W.t.W. van ons,
+wat lanckwerpiger dan van één hoochte synde, ende waeren met een laege
+valey aen malcanderen gehecht, alwaer noch eenige cleyne berchies buyten
+laegen, waer bewesten noch 2 ronde berghen laegen, maer die laegen wel
+over de 20 myl van ons. Van den berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende,
+loopt een steyle afsteeckende hoeck, dien by ons de naem gegeven wert
+van Caep _de Vries_, conden in ’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als
+nu in de _Tartarysche see_ te syn. Wy waeren myns oordeels ’s nachts
+tusschen dat lant, daer wy nu onder geset laegen ende een clippige
+droochte doorgedreven, al by de wal langs, eerst om de N.W. ende voorts
+om de N.; dancke Godt Almachtich, dat hy ons soo merckelyck bewaert
+heeft. Giste van den verleeden middach tot daer wy geset laegen behouden
+te hebben N.t.W. ½ W. 6⅓ myl, waeren volgens dien, op de breete van 46
+gr. 6¾ min., ende op de lengte van 168 gr. 9 min., ende bevonden breete
+van 46 gr. 6 min.. Wy hadden hier heel slecht water, setten onse prauw
+ende boot uyt, ick syn met de prauw naer lant gestiert om te diepen;
+tusschen het schip ende wal bevont een opgaende gront, ¼ myl van lant
+diep 30 vadem, santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem,
+stenige gront. Syn voorts volgens ordre naer lant gevaeren om te
+besichtigen of ’t hier wel mogelyck was om water te haelen, daer comende
+vonden heel goede gelegentheyt, conden met de boot after eenige hooge
+clippen vaeren heel beschut voor de see, ende mannen soo het vers
+afloopent water met beleyt in de boot. Syn al te samen aen lant getreden
+ende bevonden geen teycken van volck, dan saegen twee roo vossen loopen,
+die niet heel schaeu (schuw) schenen te wesen, bevonden dat het hier een
+voorjaer was, want de elseboomties begonnen eerst te bloeien ende de
+groene cruyden stonden seer liefelyck, de bloemties begonnen haer te
+openen ende de leewerick sonck seer liefelyck. Anders in ’t hooch
+berchachtich gehackelt lant met sommige fraeye valeyen, saegen geen
+geboomte als cleyne elseboomties, op ’t corts dit besichticht hebbende
+syn aen boort gevaeren ende heb ’t den Commandeur alles gerapporteert.
+Aen dit lant was geen strant; daer geen steyle clippen waeren was ’t al
+groot ballast steen, daer veel vuereboomen ende hout met een storm op
+gesmeten was ende daer seer veel lach.
+
+d 21.
+
+’s Morgens syn ick met de boot om water gevaeren, het prautien is met
+den Stierman Roelof Siversz. om de N.O.hoeck van ’t lant geweest, om te
+sien of daer noch eenige bay ofte beter gelegentheyt was om te anckeren
+dan als wy laegen; brochten tyding als dat het een streckende cust was,
+soo veer sy sien conden om de N.O. streckende, ende dat daer geen beter
+gelegentheyt en was om te anckeren. Doen als wy alreede laegen, waeren
+met myn drie soldaeten aen lant gegaen, uytgestiert om het lant wat te
+ontdecken ende om te sien of daer oock volck op was, quaemen ’s avonts
+weder aen boort, rapporteerden in eenige huties geweest te hebben,
+alwaer een menschen geraemte ende een dootshooft in lach. Dese huties
+waeren gemaeckt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt,
+vonden by d^{o}. huties een pael in de gront geset, alwaer een houwer,
+gelyck de voorige habytanten by ons aen boort geweest sijnde op haer sy
+droegen, ende was om de cant met wat silver beslagen, hangen, ende was
+in de schee heel vast beroest; hadden oock een half gemaeckt prautie, ’t
+welck uyt een stuck van een groote vuereboom begonnen was te maecken,
+vinden liggen. Dit lant daer wy onder geset laegen vertrou ick een
+eylant te wesen, dicht by de cust van _America_ te liggen, ofte dat het
+een uytsteeckende hoeck van d^{o}. cust is.
+
+e 22.
+
+’s Morgens is de boot weder om water gevaeren, ende ick syn met de prauw
+om de S.W. gevaeren, om te besichtigen ofte aldaer geen fraeye bay ofte
+ree en was, ende creech drie man mede om daer aen lant te setten ende op
+te loopen, ende te besichtigen een berch, die van veere wel een
+mineraelberch geleeck. Haer aldaer aen lant geset hebbende, synde
+omtrent 2 mylen van ’t schip om de S.S.W., soo syn ick voorts om de
+S.S.W. gevaeren, syn omtrent 3½ myl om de S.S.W. gevaeren, quaemen doen
+by een steyle clip, die omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is
+gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer
+niet mogelyck was op te comen, dese clip was wel een musquetschoot
+hooch. Dwars van d^{o}. clip stont soo een steenige berch dicht op
+strant, die in see staende clip gelyck dan hooger, ende was van specy
+als van verbrande swarte steen die men licht daeraf conde schilveren. Of
+ende buyten d^{o}. see-lycxste clip comende, vernaemen een hoog reysende
+see met swaere deyninge, conden noch lant sien soo veer om de S. als
+conde beoogen. Het wert soo mistich in corten tyt, dat wy dicht by de
+clippen langs roeyende geen lant conden sien, soodat ick geen cans en
+sach om iets meer te besichtigen; syn wederom gevaeren naer ons volck,
+die wy aen lant geset hadden ende hebben haer van lant gehaelt, ende
+alsoo wy uyt het schip hadden hooren schieten, syn wy naer boort
+geroeyt. Ons volck hadde eenige aerde uyt d^{o}. berch vernoemt
+medegebrocht, die wel geleeck naer minerael ende scheen silver by hem te
+hebben; syn aen boort gecomen ende hebben het den Commandeur getoont. Wy
+brochten oock een party suering aen boort gelyck in ’t patria wast, wy
+hadden verscheyde vossen aen lant gesien, oock vonden wy een stock op
+een steyle vlackte steecken die van menschen daer gestoocken was, met
+eenige kerven daerop gesneeden, dan vernaemen geen volck, wij hadden
+oock nergens geen santstrant gevonden.
+
+f 23.
+
+’s Morgens syn ick weder van den Commandeur gecommitteert, om met de
+drie vorige maets, te weten: Jan Joosten, Onder-Stierman, ende den
+barbier Mr. Jochum met Claes Meullenaer, bosschieter, naer de vorige
+mynberch te vaeren, ende beneffens haer die op noves te besichtigen,
+ende een degelyck monster aerde daeraf van daen te brengen, om aen den
+E. Heer Generael ende de Raden van _India_ te vertonen. Daer comende syn
+by een aflooping van sneeuwater opgeloopen tot naer de cruyn, ende was
+vry moeylyck om op te comen, daer comende heb wat dieper in de myn
+laeten graeven, bevonden merckelycke aederen daerdoor loopen van
+glinsterende spetie; heb soo veel in een sack laeten doen als een man
+qualyck conde op strant brengen, ende syn naer boort gevaeren. Maer eer
+aen boort quaemen, is ons den Commandeur met den Schipper ende
+Onder-Coopman omtrent de waterplaets te gemoet gecomen met de boot,
+synde omtrent den middach; den Commandeur riep myn toe, dat ick aen lant
+by hem soude comen, ende dat als de boot het water inhad, dat de boot
+naer boort soude vaeren met de gehaelde aerde, beneffens de drie andere
+maets, ’t welck soo geschiet is. Ick heb van de bevinding aen den
+Commandeur van alles rapport gedaen, syn doen beneffens hem naer een
+steyle vlacke berch gedaen, ende syn daer opgeclommen, daerop synde
+heeft den Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten
+oprechten, waerop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno 1643. Heeft
+alsoo possessie van wegen onse E. Heeren Meesters van dit lant genomen,
+ende het selfde den naem gegeven van het _Companyslant_, ende dese hoeck
+genaempt de _Cruyshoeck_. Hebben op het _Companyslant_ gegeten ende
+gedroncken, ende ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met
+musquets gedaen, syn tegen den avont naer boort gevaeren. Aen boort
+comende is by den E. Commandeur ende raet geresolveert om des anderen
+daechs te seyl te gaen, alsoo wy nu van water redelyck versien waeren,
+ende Godtlof gesond volck hadden ende hier niet te crygen was als
+groente, ende hier met groote peryckel geset laegen; want soo de wint in
+’t W. geloopen hadde met styve coelte, was geen cans geweest om af te
+ryden. Terwyl wy hier gelegen hebben liep de stroom gestadich met een
+styf corent om de N.O. ende N.N.O., ende was somtyts seer cort stil
+water ende stracx de stroom syn oude ganck vervolgende sonder te
+kenteren. Het water wast hier op ende neer 6 à 8 voet, dan en hielt geen
+ty, in de winter wast het water wel 2 à 3 vadem op ende neer, gelyck
+sulcx licht te beoogen was; een myl van lant is men gront af. Terwyl wy
+hier gelegen hebben, was de wint al S., S.t.W. ende S.W. meest met
+stilte met een swaere dicke mist ende hielen heel slecht water, somtyts
+op een corte tyt claere sonneschyn. Alhier op de wal wassen op de gront
+blaeden met dicke holle steelen, dewelcke in ’t geheel 9 vadem lanck
+syn, d^{o}. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door
+malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer by
+duisende see-honden, oock lammeties ende duyckers, hadden hier op ’t
+lant oock een spierwitte vos gesien.
+
+g 24.
+
+’s Morgens was ’t heel stil, hebben de boot ende de prauw ingeset,
+cregen een cleyn coeltie uyt een S.W., lichte ons ancker, maer wert
+corts weder stil, dreven naer de wal tot op 27 vadem, santgront, ¼ myl
+van lant; het was soo mistich, dat wy geen lant sien conden, maer
+hoorden het geraes claer genoech van het afvallent sneeuwater. Dit lant
+moet seer cout syn van spetie, want hebben malcanderen op het vlacke
+laege lant met sneeuwballen gegooyt ende sneeuw aen boort gebrocht op
+den 23 Juny, synde als nu op de N. breete van 46 gr. 6 min., leyden onse
+compassen op een streeck N.O. aen, lichte ons ancker tegen den avont met
+een moy coeltie uyt een S.W., deden onse cours om de N.W., cregen de
+wint in ’t laetste van de eerste wacht N.O. met cleyne topseyls coelte
+ende slecht water.
+
+a 25.
+
+’s Morgens was ’t noch al heel cout ende heel mistich weder, de wint
+N.O. met een moye voortganck ende slecht water; saegen somtyts
+steencroos ende eenige andere drift dryven, saegen oock verscheyde
+gevogelte vliegen, waeronder eenige waeren swart met roo cromme becken.
+Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. 14 mylen, waeren volgens
+dien, op de breete van 46 gr. 46 min.; naer den middach trock de wint
+naer het N.N.O. ende voorts naer het N. ende N.N.W., saegen veel van de
+lange croosblaeden dryven. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde liep de
+wint N.W.t.W. ende doen om de N.N.O. ’s Nachts claer maeneschyn weder.
+
+b 26.
+
+’s Morgens was ’t redelyck claer weder, de wint N.W., treckende naer het
+N.N.W., lieten het al by de wint N.O.waert over staen, saegen menichte
+van gevogelte vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.W. ½ W.
+10 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 25 min., ende op
+de lengte van 166 gr. 56 min., op de bevonden breete van 47 gr. 12 min..
+Naer den middach wert het heel mistich, de wint naer het W. loopende
+ende voorts naer het W.N.W., seylden ten naeste by N.waert over, cregen
+holle aenschietende deyninge uyt den N., saegen veel lange croosblaeden
+dryven; hadden ’s nachts claer maneschyn weder.
+
+c 27.
+
+’s Morgens was ’t mistich weder, de wint N.W.t.N. met een moy coeltie
+met holle deyninge uyt een N.O., wenden het om de W., saegen veel lange
+croos dryven ende veel lantvogelties vliegen, waeraf sommige soo cleyn
+waeren als mossies. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 9 mylen,
+waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 48 min. ende op de lengte
+van 166 gr. 56 min.. Alsdoen heeft de Commandeur den raet beroepen ende
+is geresolveert om onse cours om de W. te nemen ende N.W. gelyck per
+resolutie blyckt. Naer den middach cregen wy de wint N.W.t.N. ende
+N.N.W. met topseyls coelte ende holle deyninge uyt een O.N.O.; het was
+soo mistich als ’t noch ooyt geweest was, geyden ’s avonts onse fock op
+ende lieten het dryven met de steven om de W. ’s Nachts de wint N. ende
+N.N.W. met cleyn topseyls coelte.
+
+d 28.
+
+’s Morgens was ’t noch al mistich weder, de wint met een cleyn coeltie
+uyt een N.O., maeckten seyl, vervolchden onse cours om de W. met slecht
+water maer geen gesicht, saegen veel swarte vogels met roo cromme becken
+vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 12 mylen, waeren
+volgens dien op de gegiste breete van 47 gr. 39 min., ende op de lengte
+van 165 gr. 49 min.. Naer de middach de wint O.S.O. met cleyne coelte,
+ende alsoo de duystere dicke mist continueerde, lieten beyde marsseyls
+neerloopen ende geyden de fock op, leyden het met de steven om de N.,
+dreven op Godes genaede N.W. heen.
+
+e 29.
+
+’s Morgens was ’t noch al mistich weder, dan het Oostelycke coeltie
+begon door te blaesen, waerdoor het scheen dat de mist wat begon te
+breecken, hebben seyl gemaeckt ende onse cours S. aengestelt, om eenich
+lant weder in ’t gesicht te crygen. Giste ’s middachts geseylt te hebben
+W.t.S. ½ S. 11 mylen, waere volgens dien, op de breete van 47 gr. 26
+min., ende op de lengte van 164 gr. 45 min., ende op de bevonden breete
+van 47 gr. 27 min. Wat naer den middach heeft den Commandeur den raet
+beroepen ende geproponeert, alsoo wy hier geen lant bejegenden ende de
+gestadige mist ons sien tegenhielt niet wetende waer wy seylden, ofte
+het niet goet en was, om het lant weder om de S. aen te doen, ende dan
+by de wal langs saegen te comen, volgens de strecking soo wy dien
+mochten vinden, om soo met vaster fondament de cust van _Tartaria_ te
+beseylen; is geresolveert onse cours soo lang om de S. te vervolgen, tot
+dat men het lant dat N.W. van het _Companyslant_ leyt in ’t gesicht sal
+crygen, om soo terdegen te ondersoecken ofte het een streckende cust is
+ofte gebroocken eylanden. Naer den middach de wint O.S.O. met claer
+helder sonneschyn weder, met claer gesicht ende heel slecht water.
+
+f 30.
+
+’s Morgens was ’t moy helder ende claer weder, de wint O.S.O., saegen
+doen het lant in ’t S.O. van ons, ende waeren 2 hooge berghen, waervan
+de Oostelycxste de hoochste was, ende scheen een eylant te wesen, synde
+met een valey aen malcanderen, in ’t midden van de valey hebbende een
+cleyn berchie. Wy hadden dese 2 berghen op den 23^{sten} van het
+_Companyslant_ gesien omtrent in ’t W.S.W. van ons, 25 à 26 mylen. Wat
+op den dach saegen wy den selfden berch by ons gesien op den 15^{den} in
+’t N.t.W. ½ W. van ons, ende by ons den naem gegeven was van de _Boeren
+schuer_. Dito berch lach nu in ’t O.S.O. van ons ende was met laech lant
+aen de twee geheuvelde berch vastgehecht; den twee geheuvelden berch was
+by den Commandeur den naem gegeeven van _Caep de Trou_; vervolgende onse
+cours S. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben S. ⅔ W. 20 mylen,
+waeren volgens dien op de gegiste breete van 46 gr. 8 min., ende op de
+lengte van 164 gr. 30 min., ende op de bevonden breete van 45 gr. 54
+min.. Alsdoen lach caep _de Trou_ O.t.S. ¼ S. 14 à 15 mylen van ons,
+ende de _Boeren schuer_ S.O.t.S. ¼ O. 15 à 16 mylen, conden oock al het
+geberchte sien, dat van ons op den 15^{den} gesien was; soodat dit lant
+maer een smalle streeck lant is, met hooge berghen met sommige laege
+valeyen aen malcanderen gehecht. Het sneeuw op ’t geberchte scheen vry
+wat gemindert te syn, maer alsoo het op noves weer heel mistich wert
+ende in ’t aenseylen geen gront conden crygen, ende de stroom ons
+merckelyck uyt de S. tegenquam met veel drift, als synde groene biesen,
+wier, steencroos, groene tackies ende blaeden van boomen ende veel
+veeren van vogels, hebben het met stilte om de W. geleyt. Dreven soo ick
+con bemercken om de N.W., hielden het ’s nachts met cleyne coelte by
+over ende weer wendende, vertrou vastelyck dat hier een doorganck was
+tot in de S. see.
+
+
+Julius.
+
+g 1.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich weder, somtyts een corte wyl opclaerende
+maer stracx weder een dichte mist, wy lieten het al S.waert over staen,
+met een O.t.S. ende O.S.O. coelte ende slecht water; saegen by groote
+bossen steencroos, wier, gras, blaeden ende tackies van boomen dryven,
+saegen oock eenige lammeties. Soo wy conden bemercken quaem ons de
+stroom styf tegen, soodat ick op noves vaststel dat hier een doorganck
+is. ’s Middachts de wint meest N.W. ende W.N.W. met slecht water; giste
+geseylt te hebben S.S.W. ⅓ S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de
+breete van 45 gr. 9 min., ende op de lengte van 164 gr. 8 min.; cregen
+omtrent half naermiddach het lant met een blinck in ’t gesicht, naer de
+middach cregen wy de wint S.O., lieten het al S.waert over staen om het
+lant soecken te verkennen, ’t welck ons de mist belet heeft. Saegen ’s
+avonts met een blinck de pieck _Antony_ in ’t S.S.O. van ons, saegen
+oock in ’t S.S.W. lant, conden geen gront crygen, alhoewel wy niet
+boven 3 à 4 mylen van de wal waeren, wenden het tegen den avont om de
+N.O., hielen het ’s nachts by met een Suydelycke coelte om ’s anderen
+daechts te sien het canael te ondecken.
+
+a 2.
+
+’s Morgens met de dach begon de mist wat op te claeren met een Suydelyck
+coeltie, saegen lant in ’t O.S.O. van ons; omtrent 3 ueren voor de
+middach lach de pieck _Antony_ S.W.t.W. ⅓ W., de _Croonberch_ S.O.t.S. ½
+S. 3 mylen van ons, saegen oock de _Boere hoyschuer_ in ’t S.O.t.O. ½
+O., de afgaende hoeck van d^{o}. berch in ’t S.O. ½ S., de Caep _de
+Trou_ O.N.O. ½ N. van ons. De wint met stilte heel variabel loopende,
+cregen tegen den middach de wint N.N.W. uyt der see, lieten het S.
+aengaen om het canael te ondecken. ’s Middachts giste geseylt te hebben
+O.S.O. ½ S. 6½ myl, saegen alsdoen de _Croonberch_ S.O. ½ S. 2½ myl van
+ons, conden oock de _Gehackelde_ berch in ’t S., de _Boere hoyschuer_ in
+’t O.S.O. ½ S., den afgaende hoeck van d^{o}. berch in ’t O., de Caep
+_de Trou_ O.N.O. ½ N. van ons (sien). Waeren nu op de gegiste breete van
+44 gr. 56¾ min., ende op de lengte van 164 gr. 41 min. cort naer den
+middach viel weder een swaere mist, soodat wy weer heel geen gesicht en
+hadden, conden oock geen gront crygen, wenden het W.waert over, peylden
+’s avonts met een blinck de pieck _Antony_ in ’t S.W.t.S. ½ S. van ons.
+’s Nachts de wint variabel met een dichte mist, somtyts regen, hielen af
+ende verwachten claer gesicht; de wint ’s nachts N.N.O., N., N.N.W., W.,
+W.S.W., W.t.S., S.S.W.
+
+b 3.
+
+’s Morgens was ’t heel doncker mistich weder, de wint Westelyck, op hoop
+dat de mist wat opclaeren soude leyden wy het naer den wal toe; omtrent
+’s ochtents te 9 ueren claerde de mist wat op, saegen de pieck in ’t
+S.W. van ons, ende Caep _de Canael_ in ’t S.t.O., lieten het al S.S.W.
+naer de wal voort staen, ende is geresolveert om hier ergens ten ancker
+te loopen, indien wy bequaeme anckergront mochten vinden, ende dan met
+ons vaertuych het canael te visiteren. ’s Middachts hadden wy heel claer
+weder, de wint W. ende trock naer het N.W., giste alsdoen geseylt te
+hebben W.S.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 45¾
+min., ende op de lengte van 164 gr. 4 min., op de bevonden breete van 44
+gr. 43 min.. Hadden doen de _Croonberch_ ende de _Boeren schuer_ over
+malcanderen, ende saegen O.N.O. ½ N. van ons, het hooge lant beiden de
+_Boeren schuer_ ende de _Gehackelde_ berch W. ½ N. De _Gehackelde_ berch
+lach O.t.S. ½ S. 5 mylen van ons, stelden onse cours S. naer de wal toe,
+cregen gront op 46 vadem, singel; lieten het al voort staen, vernaemen
+een opdroogende gront, quaemen omtrent 3 ueren naer de middach op de
+diepte van 27 vadem, fyne singel ende cralyge gront omtrent 1½ myl van
+lant, quaemen daer ten ancker. Geset liggende is onse prauw uitgeset,
+syn naer lant gestiert om te ondersoecken of onder de wal geen beter
+anckergront en was ende of hier geen volck en woonde, oock of hier geen
+gelegentheyt was om water ende eenich hout te crygen; ende alsoo by ons
+om de O. van ons een rivier scheen beoocht te worden, om het selve met
+een te visiteeren, ofte het een diepe ofte drooge rivier was. Syn
+vooreerst al diepende naer de rivier gevaeren, vonden een goede
+opdroogende santgront 1 myl van lant 20 vadem, tot een gotelingsschoot
+van lant 10 vadem, swarte santgront. Voor de rivier comende syn daerin
+gevaeren, bevonden deselve drooch te syn ende brack water te wesen.
+Vernaemen aen lant veel voetstappen van menschen ende beesten, ende het
+lant stont seer liefelyck ende groen, met veel ontloocke bloemen als in
+ons vaderlant, vonden een gemaeckt houte swaert; op ’t corts het rontom
+ons besichticht hebbende, syn langs de strant gevaeren om de W., maer de
+dach ons te cort wesende om meerder gelegentheyt te doorsien, meenden
+naer boort te vaeren, maer een vaertuych siende, dat eenich volck op
+strant haelde, syn daer naer toe gevaeren. By haer comende dicht by
+strant, vonden een man met een grooten ruygen baert met 2 vrouwen ende 3
+jonge manspersoonen ende eenige kinderen by het vaertuych, ’t welck sy
+al op strant gehaelt hadden. Den outste had een pylkoocker met pylen aen
+syn hooft hangen, met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy,
+saegen anders geen geweer. Hy riep tegen myn _sapoy_ ende wees, ick sou
+aen strant comen, ’t welck ick gedaen heb, liggende met de aftersteven
+van de prauw aen de strant, hy selven de prauw, tot syn knies toe in ’t
+water staende, afhoudende. Heb soo sittende in de prauw hem eens arack
+geschoncken, maer wilde niet drincken dan als most selver eerst wat uyt
+’t copien drincken, syn met vrientschap van hem gescheyden; hem wysende
+ick sou morgen weder comen, waerover de vrouwen in haer handen clopten
+ende schenen bly te syn, syn in de voornacht aen boort gecomen, ende heb
+het wedervaeren van ons aen den E. Commandeur geraporteert.
+
+c 4.
+
+’s Morgens hadden wy moy liefelyck weder met een cleyn coeltie uyt een
+N.O., gingen onder seyl, seylden wat naerder de plaets alweer wy by het
+volck geweest waeren, alsoo daer oock tot verscheyde plaetsen vers
+water quaem afloopen ende aldaer gemackelyck om te haelen was; quaemen
+weder ten ancker op 20 vadem, swarte santgront, ⅔ myl van lant. Geset
+synde syn met de prauw weder naer lant gestiert met eenige cleenicheden,
+om dese menschen daerdoor soecken te trecken ende soo haer ommeganck,
+leven ende wat negotie sy mochten hebben, te bemercken, ende ofte sy
+oock van gout ende silver wisten. Met de prauw by het strant comende
+riepen om het seerst _sapoy_ ende clopten in haer handen, conden anders
+niet bemercken of dat roepen _sapoy_ was welcom te seggen; den outste
+riep ende wees ick soude aen lant comen, ’t welck ick gedaen heb, ende
+liet de prauw met ons volck soo lang van de wal afroeyen. Ick aen lant
+comende heb ick den outste by syne handen genomen ende voorts
+malcanderen omhelst, betoonende met wysen malcanderen soo veel
+vrientschap als conden bybrengen. Een manspersoon quaem met een lange
+mat, gemaeckt van biesen ende ley die op strant neder, den outste my by
+myn hant vattende wees ick sou gaen op die mat sitten; ick nedersittende
+quaem syn geheel gepeupel rontom my, ’t welck bestont in 4
+manspersoonen, 2 vrouwen, 2 vrysters met een cleyn meysien, sy waeren
+allen gecleet in rocken van vellen. Ick dese groote beleeftheyt van den
+barbaer doorsien hebbende, heb hem begifticht met 2 à 3 menocke[?]
+Tarnataense taback, die hy met groote danck aennam, de vrouluy ende het
+kint hinck ick elck een chrystalyne craelde ketting om de hals, waermede
+sy heel bly schenen te wesen, gaf noch aen elcke vrou een cleyn stuckie
+wit linnen, waermede sy soo bly waeren, conden het selve niet genoech
+uytroepen, sy vereerden my veel groote stucken heylbot, die noch heel
+vers was, heb doen met haer allen wat arack gedroncken, ende naem den
+outste by de hant ende ginck al dansende met hem boven op een groene
+vlackte, alwaer 5 à 6 huysies stonden, maer waeren maer 2 bewoont,
+alwaer ick noch veel verse heylbot vont hangen, daervan sy my soo veel
+gaeven als ick begeerde, ick (heb) haer beleeftheyt weder met eenige
+cleynicheyt vergolden. Den outste onder haer toonde myn een costelyck
+ottersvel ende sey _takoy_, ’t welck is vrient te seggen, ende wees ’t
+selve wilde vercopen, maer ick daer geen last toe hebbende liet het
+blyven. Haere huysies waeren van cleyn aensien, bedeckt met gras, de
+mueren waeren groote basten van boomen, die met streenties van vellen op
+malcanderen vast ende seer dicht genaeyt waeren; haer haertsteen in ’t
+midden van het huys met 2 luyckies daerboven, daer de roock uyttreckt;
+hadden veel heylbot ende salm over stocken boven het vuer in de roock
+hangen, conden geen eetbaere cost by haer vermercken als visch, sy aeten
+oock groote dicke steelen van eenige groote blaeden, die hier veel
+wassen, gaeven die over aen myn, waeren goet ende smaeckelyck om soo uyt
+de hant te eten, saegen geen gedierte by haer als een party dicke ruyge
+honden. Dit was al een volck als van _Tamary_, _Tacaptie_ ende
+_Goutsiaer_, die plaetsen waeren hy haer wel bekent. Syn plaet van syn
+houwer was met silver beslaegen, ick wees hem waer hy daeraen quaem, of
+waer men dat goet creech; waerop de outste vrouw myn meening eerst
+verstaende, myn stracx wees, graevende met haere handen in ’t sant, ende
+nam doen wat sant in haer hant ende dede bewys van sissen, ende dede dat
+dan in een pot, ende wees dat men dat dan op ’t vuer sette, ende dan
+goet en was. _Cany_ is by haer silver te seggen. Ick wees weder waer sy
+dat soo deden, soo wees myn de barbaer naer de pieck _Antony_, dat het
+daer was, ’t welck sy allen confirmeerden. Syn alsdoen met vrientschap
+van haer gescheyden, ende syn om de W. van die huysies gevaeren in een
+baeytie, vonden daer soo veel suering als wy begeerden, waervan wy ons
+genoegen pluckten; voeren naer boort toe, brochten soo veel heylbot ende
+suering aen boort, als met het heele scheepsvolck conden opeeten,
+quaemen tegen den avont aen boort ende heb van alles rapport aen den
+Commandeur gedaen. Daer wy alsnu ten ancker lagen, giste sedert den
+3^{den} vertiert te syn S.t.O. 3 mylen, waeren volgens dien, op de
+breete van 44 gr. 31 min., ende op de lengte van 164 gr. 7 min., ende
+bevonden breete van 44 gr. 31 min.
+
+d 5.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich stil weder, syn beneffens de boot met de
+prauw naer lant gevaeren, de boot om water ende wy met de seegen om te
+visschen, brachten met een aen de habytanten wat ryst, alsoo sy daer
+begeerich naer waeren ende wy oock haer arm leeven aensaegen. Wy aen
+lant comende, quaemen myn te gemoet sonder geweer by haer te hebben,
+ende toonden myn alle vrientschap, ende naemen de ryst met een groote
+beleeftheyt aen. Syn volck holp ons de seegen trecken, wy vingen soo
+veel salm, tarbot, bot, schaer ende andere visch, waeronder 3
+cabbeliauwen waeren, als wy met ons scheepsvolck eeten mochten. Syn ’s
+middachts, de boot syn water inhebbende, saemen aen boort gecomen, ende
+is de boot naer de middach weder om water gestiert, ende ick syn met de
+prauw ende de cleyne seegen naer de rivier gevaeren om te visschen,
+quaemen met den doncker aen boort; brachten een moije soo bot aen
+boort. Aen boort comende, verstont dat de boot noch niet aen boort en
+was, wiste niet wat dencken soude; syn met de prauw naer lant gevaeren,
+aan lant comende, vonden de boot op het strant sitten, was van de dreg
+afgeworpen; hebben stracx een dreg soo veer in see laten brengen als
+conden, om met hooch water de boot weder seecker in ’t vlot te crygen;
+heb de prauw weder aen boort gestiert. Ick vernaem nu als dat de
+inwoonders met ons seer becommert waeren ende alle hulp presenteerden
+dien sy conden, leenden ons een byl om branthout te cloven ende gaeven
+ons geroockte heylbot om te eeten; presenteerden, wy souden in haer
+huties comen, maer wy bleven op ’t strant by een groot vuer ons
+warmende, verwachtende het hooch water, ’t welck wy dien nacht niet
+hebben vernomen, maer wel een styve S.S.O. wint, met doorsnydende coude.
+
+e 6.
+
+’s Morgens cregen wy een hooge oploopende see, cregen met cracht van
+talyen de boot in ’t vlot, ende hebben noch de watervaten met water
+ingecregen. Terwyl ons volck de watervaten met water innaemen, quaem de
+outste van de inwoonders by myn, ende presenteerden myn een fyn
+ottersvel, waervoor ick hem een oude scheepsbyl gaf, dewelcke ick in
+onse boot vont, ende was daer heel blyde mede; heb het selve in handen
+van den Commandeur overgelevert, als wanneer wy met de boot aen boort
+quamen. Aen boort comende, was ons schip driftich geweest, hebben
+derhalven ons tuyancker tuys gewonnen tegen den avont, alsoo het doen
+stillekens wert ende eer niet hadden connen uytrechten.
+
+f 7.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, somtyts heel mistich, een moy coeltie uyt
+een S.S.O., syn alsdoen met de prauw ende onse Schipper met de boot om
+de O. gestiert, om het canael terdegen soecken te ontdecken, soo veer
+het mogelyck was; syn saemen van boort gevaeren, van boort wesende,
+cregen doen een dicke mist. Wy met het prautie syn langs de wal
+geschept, de boot syn best doende met op te laveren, ick syn aen het
+eylant gecomen dat aen het W. van het canael leyt, alwaer het canael by
+door schynt te loopen, syn daer boven opgeclommen, ende heb met een
+blinck het canael eens beoocht, verwachtende onse boot. Op dit eylantie,
+het welck cleyn was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast was
+gehecht, conde men met laech water over aen het vaste lant van _Eso_
+loopen; saegen met een blinck onse boot dicht aencomen, sijn naer het
+schuytie geloopen, maer eer by ons schuytie quaemen, verlooren onse boot
+uyt het gesicht door de mist ende subyte harde stroom. Wy saegen
+verscheyde roode vossen op d^{o}. eylant loopen, gaeven ’t den naem van
+_Vossen_ eylant. Van dit _Vossen_ eylant streckt een recif van clippen
+om de N.N.O. in see, ’t welck d^{o}. canael heel peryckeloos maeckt,
+ende streckt wel een myl van de wal. Door subyt verlies van de boot,
+preste ons best om de boot weder in ’t gesicht te crygen, vreesende de
+boot eenich ongeluck mochte bejegenen, schepten ons best; by het rif uyt
+om de N.N.O., comende met de prauw voor een doortreckent gadt in ’t rif,
+werden daer door de stroom ingeruckt boven op een blinde clip, cregen
+stracx de prauw meest vol water. Cregen met der haest de prauw slaechts
+ende schepten wat after de clippen, ende cregen het water daeruyt,
+schepten alsdoen voorts langs het riff, saegen met een blinck de boot
+geset liggen aen het eynt van d^{o}. recif, al waer wy naer toe syn
+geschept. Daer aen boort comende, verclaerde onse Schipper, dat de
+stroom haer daer gevoert hadde eer het selve wisten, de branding siende
+de dreg hadden laten vallen, lagen geset op 5 vadem, cralige gront. Dit
+rif was gebroocken, op sommige plaetsen de clippen boven water liggende,
+daer ginck sulcken stroom by de boot, soo veel wy met de prauw conden
+doot scheppen, ende dat om de O., ende vertrock soo veer wy met de prauw
+buyten om het rif gecomen hadden, dat het self niet wederom soude
+opgeschept hebben. Hebben met malcanderen overleyt of het geraeden was,
+om met de vaertuygen ons in soo dangereuse canael te begeven, ende dat
+met soodaenige mist ende harde stroom, ’t welck niet wel conde
+geschieden, sonder blyckelycke peryckel van vaertuych ende volck. Wert
+met gemeene stemmen geoordeelt, met beeter fondament om quaeder voor te
+comen, weder om te keeren; de lucht een weynich opclaerende, ende een
+cleyn coeltie hem verheffende, ginck de boot onder seyl, ende dede syn
+best om onder ’t lant van _Eso_ te comen. Syn ondertusschen weder naer
+het _Vossen_ eylant geschept, om met die claere blinck van d^{o}. eylant
+te beoogen des canaels gelegentheyt, soo veel als wy conden; conden in
+dit canael geen vile (vuilen) sien als van het _Vossen_ eylant
+afstreckte. Ick boven op de hoochte van het Vossen eylant sittende,
+saegen de Caep _de Canael_ in ’t S.S.O. van ons ende lach in een mist,
+ende wert stracx weder mistich. Het _Vossen_ eylant leyt omtrent 3½ myl
+W. van de gehackelde berch van het _Staten-lant_, soo dat dit canael
+omtrent 3 mylen wyt is. Voorts niet sonders meer connende beoogen, syn
+by onse boot gevaeren ende heb de seegen van haer overgenomen, ende syn
+aen het visschen gepuert, vingen soo veel visch als wy met het
+scheepsvolck conden opeeten; quaemen ’s nachts de eerste wacht uyt synde
+aen boort, het was ’s nachts schrickelyck mistich.
+
+g 8.
+
+’s Morgens quaem onse boot aen boort, syn doen daermede beneffens den
+Commandeur naer lant gevaeren, de prauw is terwyl om groenten gevaeren.
+Wy aen lant comende heeft de Commandeur de habytanten eenige
+cleenicheden gegeven, ende aen den outste een cleyn Prince vlaggetie
+vereert, al waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende
+liet het waeyen. Terwyl hebben wy een moye soo visch gevangen, ende die
+aen lant gecoockt ende gegeten, al waerop den outste den Commandeurs
+gast was, toonden haer seer vriendelyck ende beleeft als vooren. Een van
+ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het
+aen de habytanten, maer het selve siende waeren daer vervaert voor, ende
+wesen men soudt in ’t water goyen, ja die dat houten cruys aengeraeckt
+hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen maer most syn handen eerst
+wasschen, dan was ’t wel; lachten ende toonden haer bly, doen men het
+houten cruys in ’t water smeet, noch een soodaenige cruys stont vooraen
+in ’t bosch; voeren tegen den avont aen boort, scheyende met
+vrientschap.
+
+a 9.
+
+’s Morgens was de wint Suydelyck, syn met de prauw beneffens de boot
+weder naer lant gevaeren, om te visschen ende eenich timmerhout van lant
+te haelen dat by ons volck omgehackt was, synde al greenhout ende
+berckenhout, ’t welck hier in abondantie stont, oock bequaeme boomen van
+vuerenhout, groot genouch tot mast ende stengen. Een weynich aen lant
+geweest synde liep de wint naer het N.N.W., ende trock voorts naer het
+N.W., waerop de see soo styf tegen het strant aen begon te schieten, dat
+onse prauw in de gront wert geworpen, hebben hem voorts op ’t strant
+gehaelt, ende mosten de boot met 2 à 3 man laeten liggen ryen, effen
+buyten de storting van de see, want conden nergens heen; leyden een
+groot vier aen ende droochden onse plunie, verwachten dien nacht met
+patientie beter weder ende wint. ’s Nachts woey ’t styf uyt een N.W. met
+motregen, den ouden inwoonder gaf ons verse heylbot, die wy coockten
+ende aeten, hy scheen met ons groot medelyden te hebben. Dien dach was
+noch een ander geruycht carel by ons gecomen, ende bleef oock by den
+ouden Esoer, die had pylen ende booch by hem ende een houwer; toonde hem
+tegen ons oock vriendelyck, bracht syn geweer in huys ende quaem by ons.
+
+b 10.
+
+’s Morgens was het weder wat bedaert ende het water wat geslecht, syn
+met de prauw ende boot aan boort gevaeren. Aen boort comende, is by den
+Commandeur ende syn raet geresolveert om onse reys te vervorderen naer
+Tartaria, alsoo ons volck altesaemen noch redelyck gesont waeren, gelyck
+voorder by resolutie blyckt. Wat naer middach syn ick met de prauw
+beneffens de boot naer lant gecommitteert, om een brief aan lant te
+brengen by den outsten van het dorp; ende terwyl souden ons volck met de
+boot het hout van lant haelen ende aen boort brengen, ’t welck geschiet
+is. Terwyl ick by den ouden heer was, saegen den voorgeschreven gecomen
+inwoonder met een prauw aencomen roeyen ende quam alhier aen strant,
+hebben hem syn prauw op ’t lant helpen haelen. Hy quaem van de West ende
+brocht noch een jongman mede met 2 vrouwen, een vryster ende 4 cleyne
+kinderen, naemen haer woonplaets in een van de leege huysies; sy hadden
+seer weynich goet by haer, waeren alle eender gecleet met rocken van
+vellen. Ick myn boodtschap verricht hebbende, naem myn afscheyt van haer
+luyden, sy geleyden myn met alle man naer de prauw, wesen ick most weder
+naer lant comen ende by haer comen want wy vrienden waeren, ende syn
+huys was voor my ten besten; syn soo met vrientschap gescheyden ende aen
+boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy een styve coelte uyt een S.S.O.
+
+c 11.
+
+’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.S.O. met een styve coelte,
+lichten ons ancker, stelden onse cours om de N.W. naer see toe; de gront
+diepte naetuerlyck af als volcht, 20, 22, 23, 25, 28, 30, 31, 32, 40,
+43, 47, 50, 54, 60, 65 vadem, meest santgront, somtyts singel somtyts
+vuyle gront; waeren doen op d^{o}. diepte 2 mylen van onse anckerplaets
+ende doen wat gront af; wat buyten de W. hoeck van de bocht daer wy
+gelegen hadden comende, cregen de stroom uyt een W.N.W. tegen. ’s
+Middachts giste ick van onse anckerplaets geseylt te hebben N.N.W. ⅔ W.
+4½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 47 min., ende op de
+lengte van 163 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 44 gr. 43
+min. Alsdoen lach de gehackelde berch O.t.S. ½ S. 10 mylen, ende de
+hoeck van _Eso_, daer het _Vossen_ eylant af leyt, lach S.O. ½ O. 6
+mylen van ons, ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van de _Tepelberch_
+lach S.t.W. ½ W. 2 mylen van ons. ’s Nachts een moy coeltie uyt een
+S.O., onse cours W.N.W., vernaemen groote raveling van stroom, met holle
+deyninge uyt een S.O. comende het canael doorrollen.
+
+d 12.
+
+’s Morgens de wint als vooren, was moy claer weder, waeren door de styve
+fehemente (stroom) soo tegengehouden, soodat wy weynich vertiert waeren.
+’s Middachts waeren omtrent een myl N. vertiert, alsdoen lach de hooge
+_Tepelberch_ van _Eso_ S.O.t.S. ⅓ S. van ons, waeren omtrent 3 à 3½ myl
+van lant. Deden onse cours N.W. aen om wat bet t’ see te crygen, doch de
+stroom styf om de O.S.O. loopende, hielt ons veel tegen, want als de
+coelte wat stilde dreven over stier, ende met coelte soo hielen wy wat
+meer als raeck en daeck; de deyninge als vooren styf uyt een S.O. Cregen
+een doorgaende coelte uyt een S.O., vervolchden onse cours tot ’s
+avonts, soo ick con bemercken minderde de voorige stroom. ’s Avonts lach
+de _Tepelberch_ op _Eso_ S.t.O. ⅔ O. van ons, 9 mylen, stelden alsdoen
+onse cours W.N.W. aen, conden geen raveling van stroom meer bemercken;
+de eerste wacht uyt synde, begon de coelte ende de S.Ooste deyninge wat
+af te neemen, cregen in de tweede wacht een weynich regen.
+
+e 13.
+
+’s Morgens was ’t een deysige lucht met een dichte mist, de wint
+S.O.t.O. met een cleyn coeltie, stelden ’s ochtents onse cours W. aen.
+’s Middachts giste geseylt te hebben W.N.W. ¾ N. 20 mylen, waeren
+volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 26 min., ende op de lengte
+van 162 gr. 17 min.; deden alsdoen onse cours W.S.W. aen, om te vernemen
+ofte by d^{o}. cours weder geen lant souden opseylen, ende by daech
+mochten in ’t gesicht crygen. Naer de middach de wint O.S.O. ende saegen
+veel drift dryven, als wier, veeren ende steencroos. ’s Avonts cregen
+een groote wallevisch rontom het schip swemmen, waerdoor vermoeden,
+gelyck veel bevonden hadden, niet veer van gront te syn. ’s Avonts noch
+geen lant siende, noch geen gront crygende, geyden onse seylen op ende
+naemen de blint in, lieten het met beyde marsseyls ende fock voorts
+staen, deden onse cours W. aen, cregen gront op 80 vadem, steckgront.
+Doen der 3 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, lieten de marsseyls
+neerloopen ende geyden de fock op, lieten het soo liggen dryven met de
+steven N. waert over, de wint doen O. ende O.N.O., dreven om de N.W.
+ende N.W.t.W., droochde te met langhsaem op, hadden een doorgaende
+coelte ende slecht water; vermeenden omtrent eenich lant te syn.
+
+f 14.
+
+’s Ochtents was het een donckere mistighe lucht, hadden alsdoen de
+diepte van 65 vadem, fyn leyachtige santgront; de wint O.N.O. met een
+doorgaende coelte, setten onse seylen weder by, stelden onse cours W.
+aen, omtrent 2 mylen, was doen opgedroocht tot 60 vadem, swarte
+santgront. Lieten het doen N.W. aen gaen 2 mylen, was alsdoen diep 50
+vadem, grauwe fyne santgront met eenige schelpen vermengt; deden doen
+onse cours N. aen 2 mylen, tot ’s middachts, hadden doen de diepte als
+vooren, 50 vadem, schelpige gront met cleyne crael vermengt, saegen
+somtyts eenige see-honden, oock veel drift als fyne steencroos, biesen
+ende veel veeren dryven. Giste alsdoen geseylt te hebben W.t.N. 16¼ myl,
+waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 39 min., ende op de lengte
+van 160 gr. 44 min., saegen eenige raveling van stroom. Is alsdoen
+geresolveert om het lant aen te doen, alwaer door het opdroogen van den
+gront omtrent mosten wesen; vervolgende onse N. cours 1½ myl, was diep
+46 vadem, fyn grauwe santgront. Het scheen dat hier stroom liep, dan
+conden door de harde coelte weynich bemercken hoe die liep; onse cours
+als noch N. vervolcht 1¼ myl, bevonden de diepte van 42 vadem, fyne
+santgront. Saegen alsdoen omtrent te 4 ueren naer de middach hooch lant
+in ’t W.t.S., ende streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op
+sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen
+gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35
+vadem, fyne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende
+lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 10½ myl van ons. Hadden van
+’s middachts geseylt N. 5½ myl, was doen diep 35 vadem, gingen doen
+N.N.O. 1½ myl aen, was doen diep 44 vadem, fyne santgront, de wint doen
+O.S.O. ’s Avonts haelden wy onse marsseyls neer, geyden ons seyl ende
+fock op, lieten het met de steven om de N. liggen dryven; dreven W.N.W.
+aen 2 mylen, cregen doen de diepte al opdroogent 42, 36, 33, 32 vadem,
+somtyts wasige gront somtyts steckgront. De wint somtyts ’s nachts
+O.S.O. ende O.t.N. met een cleyn luchie ende slecht water, noch 1½ myl
+N.W. aengedreven was opgedroocht als volcht, 32, 30, 28, 27, 24, 23, 22
+vadem, gront als vooren.
+
+g 15.
+
+’s Morgens was ’t mistich doncker weder met wat regen, de wint O.t.S.,
+maeckten seyl, lieten het N.N.O.waert over staen, behielden al de diepte
+22, 23, 24, 23 vadem steckgront. Saegen omtrent 2 ueren voormiddach met
+een blinck eens het lant in ’t W.S.W. tot in het N.W., saegen hier veel
+witte plecken tegen het lant aan, maer alsoo het corts weder betrock,
+conden geen vaste kennis crygen, hadden de diepte ende gront als vooren;
+onse cours N.O. aenstellende, om alsoo by het lant om te seylen. Giste
+’s middachts geseylt te hebben N. 12¾ myl, waeren volgens dien, op de
+gegiste breete van 46 gr. 30 min., ende op de lengte van 160 gr. 44
+min., waeren doen 4 mylen van lant. Vervolchden onse cours N.O. aen 2½
+myl, was doen diep 23 vadem, steckgront, saegen alsdoen het lant in ’t
+N.N.O., O.N.O., O. ende O.S.O. De wint S. met cleyne coelte ende slecht
+water, lieten het voort staen, droochde te met op, 20, 19, 19, 18, 18,
+17, 16 vadem, steckgront, alwaer wy ten ancker quaemen. Ten ancker
+liggende verwachten eens gesicht te crygen alsoo weder heel mistich was,
+hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy
+in een doorganck lagen ofte in een bocht geset liggende. De wint met een
+cleyn coeltie ’s nachts doorwayende uyt ’t S.S.W., hadden ’s nachts een
+cleyn regenbuytie, saegen in ’t N. veel vueren onder de wal, vermoeden
+hetselve visschers te wesen.
+
+a 16.
+
+’s Morgens was ’t noch mistich weder maer claerde een weynich op, saegen
+dat in een groote inbocht geset lagen; hebben onse prauw uytgeset ende
+syn N.O.waert heen naer lant geschept om te diepen, of de gront al
+gestadich opdroochde met goede gront ofte niet; bevont de gront op te
+droogen tot 10 vadem, steckgront. Waeren doen ⅓ myl van lant dan
+droochde voorts op, maer wert doen steenige ende clippige gront tot een
+rif dat dicht by de wal langs streckte. Deden teycken aen ons schip, ’t
+welck is onder seyl gegaen ende quaem naer de wal toe, wy hem met de
+prauw te gemoet scheppende, saegen dat ons 3 vaertuygen nae quaemen
+roeyen, maer wy roeyden voort aen boort. Wy wat aen boort geweest
+hebbende, quaemen met die 3 prauwen by boort, waer in elcx waeren 5, 6,
+8 man; was al eender hande volck als voor desen by geweest waeren,
+riepen _Asorka Jankarate_, ende vreeven haer beyde handen tegen
+malcanderen, met heen ende weder draeyende armen, ende wesen of sy aen
+boort mochten comen, waerop den Commandeur wees sy souden aen boort
+comen, waerop sy aen boort quaemen, ende clommen eenige stracx over.
+Dese Esoers waeren gecleet meestal met grove rocken van henneplinnen,
+ongebleeckt, ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeyt met root ende
+blauw catoene gaeren, hadden altegaeder schrooties armosyn van
+alderhande coleuren in haer ooren; sommige hadden rocken van vellen aen.
+Dese habytanten over synde, toonden haer vriendelyck ende vrolyck, ende
+wesen men sou dicht aencomen met het schip, wesen naer lant, alwaer wy
+een dorp saegen staen in een valey, het welck sy noemden _Tamary_, maer
+alsoo wy niet sonders by dese inwoonders vernaemen, als een cleyn sootie
+visch ende maer een man met silvere ringen in syn oor, syn weder van
+lant afgewent, alsoo op 9 vadem waeren, steenige gront, ende alree 11
+van haer vaertuygen met volck aen boort waeren. De wint S.O., lieten het
+S.S.W.waert over staen, de habytanten dat siende, syn van boort gevaeren
+naer lant toe. Onder dese habytanten was een heel oudt man die mede in
+’t schip over geweest hadde, van ouderdom meest blint ende gaende heel
+crom, leunende op een stockie, wiens haer ende syn lange baert was soo
+wit als vlas. De wint treckende naer het S. met stilte, synde omtrent ½
+myl van lant, quaemen eens noch 3 vaertuygen naer roeyen, ende quaemen
+aen boort, brochten veel versche ende gedroochde salm ende gedroochde
+haerinck aen boort, doch was al ongesouten. Onder dese habytanten waeren
+verscheyden persoonen met groote silvere ringen in haer ooren, saegen
+oock een vrouw in de eene prauw sitten, blanck synde met swart lanck
+hangent haer op haer hooft, hadde in elcke oor een groote silvere rinck,
+om haer hals hebbende een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder
+eenige andere craelen geregen waeren, maer sy wilde niet overcomen. Dese
+inwoonders hadden sommige houwers op haer sy, daer de plaeten rontom met
+silver waeren beslaegen ende oock de scheen (scheden) aen de eynden seer
+sierlyck, haer heften van haer houwers oock sierlyck met silver ingeleyt
+ende gewrocht. Haer visch ruylden wy haer af, om ryst ende stuckies van
+ysere hoepen. By den Commandeur bemerckt synde de abundantie van het
+silver, is geresolveert om weder naer dat dorp _Tamary_ te seylen ende
+te vernemen waer dat sy aen dat silver quaemen, want sy haer goet
+verruylt hebbende, riepen ende wesen al dat wy weder omkeeren souden,
+ende sy seyden _Pierke Tamary_, het welck te seggen is, compt te
+_Tamary_. Quaemen daer ten ancker tegen den avont, op 6 vadem, steenige
+gront, maer alsoo ons ancker hier niet wel wilde houden ende de wint
+aflandich was, syn op 9½ vadem, steckgront geseylt ende daer geset; het
+dorp _Tamary_ N.O. ½ myl van ons. Waeren nu op de gegiste breete van 46
+gr. 40 min., ende op de lengte van 160 gr. 58 min.; alsdoen lach de
+anckerplaets onder _Companys lant_ 6 gr. 32 min. besuyden het O. van
+ons, nagenoech 72 mylen, ende de anckerplaets onder het N.O. eynt van
+_Eso_ lach alsdoen 45 gr. 42 min. beoosten het S. 46¼ myl van ons,
+volgens waere cours ende veerheyt. De habytanten syn vrolyck naer lant
+gevaeren, die voorschreven stockouden man quaem alsdoen weder aen boort,
+ende had een blauw catoenen rock aen, alwaer Japansche caracters met
+gout op gedruckt stonden, in een groote viercante perck op syn rug.
+Dese rock was met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeyt ende
+versiert; hy toonde syn rug, seggende of dede bewys men sou ’t lesen,
+maer wy hadden niemant dien ’t selve conde verstaen. Wy onthaelden dien
+ouden man met syn byhebbent volck met een scheeps arackien, ’t welck sy
+lustich mochten, riepen altemet _Tacoy sackie meyere_, ’t welck is te
+seggen, _sackie_ drincken, want seggen tegen drincken _meyere_; riepen
+altemet met een vrolyck gemoet _Tacoy pierka Tamary_, ’t welck is,
+vrient compt te _Tamary_. Syn met den avont aen lant gevaeren vrolyck
+ende al singende. ’s Nachts regenachtich weder, met een sware mist.
+
+b 17.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich regenachtich weder, syn gecomitteert met
+het prautie beneffens myn de 2 Assistenten Arnout Brouwer ende Davit
+Cassu naer lant te vaeren, ende op alles goede opmercking te nemen, ende
+haer soecken te ondervraegen waer sy aen het silver quaemen. Bevonden
+het als volcht, vooreerst wy met de prauw door de mist heenbreeckende,
+quaemen onder de wal tegen een cleyn rifken van clippen, alwaer wy niet
+over mochten maer mosten daer by omscheppen. Een inwoonder van ons boort
+comende, quaem ons inroeyen, hadde 4 roeyers ende een vrouw in syn
+vaertuych, ende riep tegen myn _Tacoy pierka_, ende wees wy souden hem
+nae scheppen, hy sou ons voorroeyen; hy harder roeyende als wy conden,
+wachte ons dan weder in, brocht ons in een kil die naer de huysen toe
+liep, roeyde doen syn best ende was voor ons aen lant, liep eerst in een
+huys ende quam stracx weder. Terwyl quaemen wy met de prauw aan lant,
+maer alsoo het wat veer vlack was, heeft een prauw af laeten voeren,
+die vlot by onse prauw gebrocht wert, ende riep _Takoy_, ende wees, wy
+souden in die prauw overstappen om droochvoets aen lant te comen. Voor
+waer synde een groote beleeftheyt van desen inwoonder, syn daerin
+getreden, brochte ons drooch op lant, de rest van de inwoonders sleepten
+doen onse prauw met een grooten yver oock op ’t lant. Op strant stonden
+veel inwoonders, soo mannen als vrouwen ende kinderen, quaemen uyt alle
+hoecken voor den dach ende riepen al _Tacoy_, ’t welck is vrient, een
+van de vrouwen ons verwelcomende met een bevent stemmetie. Een bedaecht
+man, comende van boven uyt een van de huysen, ende quam by myn ende
+greep myn by de hant, ende sey _Tacoy jankaryte_, ende greep myn voorts
+eens vriendelyck om myn midden tot teycken van vrientschap, ende gingen
+soo hant aen hant naer syn huys toe, ’t welck boven in ’t groen dicht by
+het strant stont, ende was rontom met pallisaeden beset, met een
+getraliede deur daeraen. In huys comende vonden daer op een verheven
+_diggedig_ [?] alwaer matten op laegen, den selfden man sitten dien ons
+voorgevaeren was, synde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte
+bloemen, syn vrouw aen syn slincker sy, gecleet met een rock die met
+veel strickies ende cruysies vernayt was, met alderhande coleur van
+catoene gaeren; dese rocken waeren als de Japansche _catabers_. Den
+inwoonder wees ick sou gaen sitten aen syn rechter sy op de verheven
+_diggedig_, synde omtrent 1½ voet boven de aerden, sittende op syn
+Japansch op de matten, die overal geleyt waeren langs het huys. Dese
+persoon scheen over dit dorp het meeste gesach te hebben. Dus sittende
+hadden een fraey discoursie met wysen, ende alsoo hy in elcke oor een
+groote silvere rinck had ende syn vrouw noch veel grooter, wees waer hy
+dat van daen creech, sey dan _Miniasiama_, ’t welck is te seggen, ick
+verstae u niet. Dus sittende liet myn 2 Japansche copere tabackpypen
+sien, ende sey _Tacoy tambaco_, ’t welck is te seggen, vrient taback,
+heb alsdoen wat Javaensche taback omgedeelt, ende droncken in ’t ront
+een tambackien ende arackien, maer wilden niet drincken of mosten self
+eerst daer wat uyt drincken. Dan op het jongst wel merckende, dat de
+dranck al uyt een can quaem, droncken sonder schroom in ’t ront om.
+Naerdat wy soo wat met wysen ende spreecken, sonder malcander te
+verstaen, gediscoreert hadden, ick niet van dien quant van het silver
+con vernemen, hebben alsdoen onse doos laeten opdoen ende den delinquant
+met syn vrouw elck met wat cleynicheden vereert, ende alle de omsittende
+vrouwen ende kinderen desgelycx, waerover alle wel tevreden waeren;
+insonderheyt als ick elck een cristalyne craelde ketting om de hals
+hinck, roepende al lachende _Tacoy, Tacoy_. Des huysheers vrouw hadde
+een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teyckens
+tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen. Dese vrouw is
+opgestaen, ende heeft ons elck wat geroockte heylbot in een Japansch
+verlackt schutteltie gegeven, ende sey _Tacoy aimaira_, ’t welck is
+vrient eet; haer beleeftheyt siende heb elck een schrootie armosyn
+omgedeelt, van de lengte ende breete eens schoenlints, waermede sy seer
+bly waeren. Sy opstaende ende haelde een oude lap van slecht Sinees
+goudlaecken, seggende _Tacoy_, ende wees of wy sulck goet niet hadden,
+scheen daer seer begeerich naer te wesen; maer wy toonden haer onse
+coopmanschap, ’t welck bestont in cleyne Sinesche spiegels,
+waterparelen ende slechte craelen, wat laecken, sarassen, tafasilas,
+seylcleeden, om te betoonen als dat wy als coopluyden hier quaemen om te
+handelen. Terwyl is den buerman naest dese syn huys wonende, alhier in
+huys gecomen ende dronck eens arack ende een tabackie met ons, is doen
+opgestaen ende greep myn by de hant, ende noodichde myn tot synent te
+comen; naem met beleeftheyt myn afscheyt ende ginck met hem. Hy
+uytcomende ging sitten als den vorigen, maer hebbende 2 vrouwen die aen
+syn slincker sy gingen sitten; dese persoon had een rock aen van catoen,
+blau met witte oochies; syn vrouwen waeren gecleet, de een met een
+hennipe grove rock, wat vernaeyt synde, ruylde die van haer lyf af voor
+3 snoeren watercraelen. Sy alleen loopende heeft een rock van vellen
+aengedaen ende quaem ende brocht myn de rock, dewelcke ick heb laeten
+bergen ende aen boort gebrocht tot een monster; de ander vrouw had een
+rock aen van robbenvellen. Syn doen tegen ons ende haer mans over gaen
+sitten, haer mans vereerde ons met een vel, niet wetende van wat
+gediert, waer tegen wy hem 2 ellen blau syden lint vereerden, hebben
+d^{o}. wel aen boort gebracht; den eene vrouw opstaende deelde ons elck
+een Japansch soo vier- als ses-cante verlackte schuttelties om, alwaer
+in elck 2 stucken gecoockte heylbot lach ende seyde _Tacoy amaira_, als
+is te seggen, vrient eet. Corts hierop is den vorigen by geweest
+hebbende inwoonder, met syn wyf ende gantsche huysgesin by ons gecomen,
+ende brochten ons een swart geroockten salm tot schenckagie mede, ende
+was met ons alle vrolijck ende vriendelyck. Hebben op novens (nieuw)
+onse coopmanschap laeten sien, wesen of sy geen goet daervoor geven
+wilden, wilden het goet wel hebben maer wilden niet genoech van haer
+vellen scheyden; wees dat sy sulcke rocken voor haer vellen hebben
+wilden als hy aenhad. Ick haer allen wat Javaensche taback, wat naelden,
+ende wat naey-sy ende eenige craelde kettingties omgedeelt hebbende,
+schoncken haer noch eens arack ende naem myn afscheyt. Sy bedanckten ons
+soo het scheen geweldich, naemen alsdoen onse ganck naer het strant,
+waer naer toe sy ons met alle man convoyden. Wy op strant comende, quaem
+een out man met een lange ruyge witte baert by ons, ende naem myn by de
+hant, ende ginck met myn naer een opgestelt hutien dat op strant stont.
+Myn niemant volgende als ons eygen volck, gingen daerin ende was maer
+van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden
+vuer aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck
+ende coockte. Gingen in ’t hutien by ’t vuer sitten, beneffens ons den
+ouden grysen man met noch 2 manspersonen ende 3 vrouwen, waervan de eene
+vrouw een cleyn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooyt gesien
+heb, ’t welck een meysie was, hebbende een blauwe craelde kettingh om
+syn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren, aen d^{o}.
+ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlyck gemaeckt, wegende
+met haer tween wel ½ pont swaer. Geseten synde droncken een arackien
+in ’t ront met een tabackien, terwyl schafte een van de vrouwen in drie
+verlackte coppies met voeties wat salm ende groen cruyt op, ende gaf ons
+elck daer een af, ende sey, wy souden eeten, langde ons elck twee
+stockies om op syn Japans daermede te eeten; een van ons daer niet wel
+mede connende eeten, lachten daerom. Een van de inwoonders sey tot
+verscheyde reysen tegen myn _Spanola_, maer ick hem daer niet op
+antwoordende, sweech voorts stil; ’t welck myn in bedencken bracht of
+hier wel Spaniaerts in vorige tyden geweest mochten hebben. Terwyl ick
+in d^{o}. hutien sat is noch wat sonders voorgevallen, te weten: haer
+honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen
+bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van
+de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer
+daer een een poos de uytsicht gehad heeft; de rest van de honden, 10 à
+12 by troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van
+salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plonsten soo met
+swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheyt hem dan
+verheft uyt het water, ende springt op plaetsen daer weynich water is of
+op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grypen die salm;
+dan byten die stracx de cop af ende brengen het lyf by haer meester in
+huys, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water.
+Dit alles beoocht hebbende, deelden hier aen de vrouwen ende kinderen
+enige cleynicheden om tot danckbaerheyt, al waermede sy ten hoochsten
+vernoecht waeren. Syn doen naer de prauw gegaen, hebben soo wel versche
+salm als gedroochde d^{o}. ende gedroochde haerinck geruylt, als wy
+conden voeren, voor stuckies van ijsere hoepen ende voor ryst. Cregen
+oock veel salm voor cleyne stuckies linnen, dat ons volck aen haer hals
+hadde in plaets van dassies. De vrouwen ende de kinderen quaemen soo
+dick met visch op strant, als of sy de prauw wilden afloopen; den
+principaelste van ’t dorp siende, dat wy ons by de prauw niet wel conden
+redden door de menichte van ’t gepeupel, want riepen al te saemen
+_Tacoy Cany_, dat is vrient ijser,[22] ende presenteerde elck syn visch;
+heeft met 2 à 3 woorden haer verbooden soo menichte rontom de prauw te
+comen, quaemen doen met 4 à 5 persoonen treffens om te verruylen, maer
+onse prauw viel ons te cleyn ende mosten met ruylen uytscheyden ende
+lieten de prauw wat van de wal afleggen. Syn doen met beyde Assistenten
+met noch 2 à 3 man wat opgeloopen door een groen plasierich velt, ’t
+welck vol geele lelys was gelyck in ons vaderlant in de tuynen wassen.
+Werden doen weder in een huys genoodt, al waer wy met vrientschap
+bejegent werden, gaeven ons wat geroockte salm ende vereerde weder aen
+de vrouwen ende kinderen eenige cleyne snuystering, naemen met
+vrientschap ons afscheyt naer de prauw toe, alwaer wy naer toe wel met
+30 personen geleyt werden, waeronder oock onse sangers was, die ons
+verwelcompt hadden in ’t aen lant comen met singen. Dede alsnu met
+singen ons uytgeley ende syn met groote vrientschap van de inwoonders
+van lant afgescheyden, roepende in ’t wechvaeren _Tacoy Tamary pierka
+cany_, als wilden seggen, als ghy weder aencompt in _Tamary_, soo brengt
+meer ijser mede. Syn met een groote stortregen aen boort gecomen omtrent
+4 ueren naer de middach, ende heb aen den Commandeur ons wedervaeren
+vertelt.
+
+ [22] Bl. 113 is Canij: Zilver.
+
+c 18.
+
+’s Morgens was ’t mistich motrich weder, met een cleyn variabel coeltie,
+syn ’s ochtens beneffens myn den Assistent Davit Cassu naer lant met de
+prauw gestiert, om noch een deel visch te verruylen, ende met een een
+vriendelyck afscheyt van dese inwoonders te nemen, ende om den meest
+gesach hebbende een Prinse vlaggetie te vereeren met een brief. Aen
+lant comende waeren seer welcom, hebben in corte tyt onse prauw vol
+salm ende haering geruylt, syn van de 2 meest gesach hebbende persoonen
+weder in huys genoodt, in huys wesende quaemen wel 50 menschen, soo
+vrouwen, mans ende kinderen rontom ons sitten. Ick heb haer allegaeder
+wat taback vereert, de kinderen ende vrouwen eenige cleynicheden, om tot
+gedachtenis wat voor volck wy waeren, ende onse goetheyt mochte by
+andere nabueren roemen, ende schonck elck eens arack om, waervoor sy al
+te saemen haer heel danckbaer toonden, ende riepen allen Vrient, Vrient.
+Heb doen met een beleeft wesen de Prince vlag aen den meest gesach
+hebbende gegeven met de brief, toonde hem heel danckbaer, de brief van
+binnen besiende lachte. Ick wees hy soude die bewaeren, als wy
+wederquaemen soo most hy hem ons weder sien laeten, hy heeft de brief
+gebercht ende liet de vlag waeyen; beduyde hem als hier weder een schip
+quaem, dan most hy die vlag van syn huys laeten waeyen, ’t welck wees ’t
+selfde soude doen; droncken daerop eens arack ende liet de trompetter
+_Wilhelmus van Nassouwen_ blaesen, alwaer sy groot behaegen in hadden.
+Sy keecken in de trompet, niet wetende of conden bedencken waer het
+geluyt van daen quaem. Nae gedaene rekaratie (recreatie) naem met
+vrientschap myn afscheyt ende syn naer boort gevaeren; quaemen met een
+groote regen naer de middach aen boort, ende was seer mistich. Dit dorp
+stont in een groene plasierige valey, alwaer afterom een schoone
+salmrycke rivier loopt, synde versch water ende loopt aen de West-sy van
+’t dorp in see; maer de rivier is van buyten in de mont drooch met laech
+water, alwaer als dan door een cleyn killetje het rivierwater in see
+loopt. Het water wast hier een vaem op ende neer, dan wast ende viel
+cort verscheyde reysen op een dach. Hier stonden, soo wy sien conden, 12
+à 13 huysen, waer van der maer 7 bewoont scheenen te wesen; hier stonden
+oock 5 à 6 cleyne packhuysen omtrent een mans lengte boven de aerde,
+staende op 4 stutten ofte steylen, alwaer gedroochde visch in lach, de
+deuren daervan waeren van vuerenhout ende waeren maer toegebonden. Haere
+graeven waeren boven de aerde gelyck een cap van een huys, een mans
+lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benayt met
+groote basten van boomen. Haer huysen syn op ’t fatsoen als in het
+vaderlant met een laege deur, de mueren syn basten van boomen ende het
+dack oock van het selfde stof, seer dicht op malcanderen genaeyt; haer
+huysen syn van binnen sonder caemers, in ’t midden met een haertstee, in
+’t dack twee veynsters, in plaets van een schoorsteen; boven de
+haertstee leyt het vol stokken gelyck in een hang, alwaer het vol salm
+ende andere visch op hangt te roocken. Sy hebben geen sout in gebruyck.
+Haer huysen syn rontom over de heele vloer beleyt met biesen matten,
+ende sommige met een verheven diggedig om op te slaepen, saegen eenige
+Japansche cassies ende cnassers, saegen oock veel velwerck by haer.
+Vonden hier geen levent gedierte als haer vischvangende ruyge witte
+honden; het was in haer huysen heel warm, de balcken van haer huysen
+waeren van vuerenhout, heel perfeckt in malcander gevoecht, hadden oock
+netten ende harpoenties om visch te schieten in haer huysen. Hier in ’t
+bosch stonden schoone groene boomen tot masten, saegen geen fruyt
+altoos.
+
+Terwyl wy op den 18 d^{o}. op ons vertreck stonden, saegen wy 7
+manspersoonen al met groote ruyge baerden, met haer volle geweer, als
+synde pyl ende booch ende een houwer, uyt de O. langs het strant comen
+passeeren met drie jongens by haer, die elck een bos visch op haer rug
+droegen, hebben die ingewacht; naer ick con beoogen waeren ’t reysende
+luyden, omtrent by ons comende, heb haer eens arack geschoncken; dese
+hadden al schrooties armosyn in haer ooren, maer haer plaeten waeren
+beslaegen met silver, te weten van haer houwers. Sy brochten haer geweer
+wech ende quaemen ons mede adie seggen.
+
+d 19.
+
+’s Morgens claerde het weder op, de mist vertrock ende cregen een cleyn
+coeltie uyt een S.S.W., ende alsoo wy hier niet sonders conden vernemen,
+gingen onder seyl, maer quaemen corts weder ten ancker door stilte op 9½
+vadem, goede gront, een myl van lant beoosten _Tamary_. Hier quaemen uyt
+verscheyde plaetsen vaertuygen aen boort met visch, die wy haer
+afruylden, oock van haer een levende swarte beer. Een van dese aen boort
+comende inwoonders toonde aen den Commandeur een stuck mynerael ende
+wees dat dat silver was, ende dat de berch daer dat van daen gecomen
+was, in ’t S.S.W. van ons lach, ’t welck wy vermoeden het lant te syn,
+dat op den 14 d^{o}. beoocht hebben; ende alsoo de mist moy opclaerde,
+ende het coeltie uyt een S.W.t.S. moy opwackerde, maeckten seyl om uyt
+dese ingeseylde bocht te comen. Effen onder seyl synde, quaem een prauw
+met 6 personen daer in aen boort, synde gelaeden met vellen ende visch
+die geroockt was. In d^{o}. vaertuych sat een blanck aensienlyck oude
+man met een lange witte baert, aenhebbende een blau gecleurde catoene
+rock, maer alsoo ’t schip te harde voortganck maeckte, is beneffens de
+andere vaertuygen weder naer lant gevaeren. Wy wat onder seyl geweest
+hebbende, vonden de brief die ick by de Prince vlag aen lant gegeven
+had, in ’t coogel laetien after een stuck liggen, waerin wy verwondert
+waeren wat sy daermede meenden, of door wat oorsaeck sy dese brief daer
+geleyt hadden. Wy deden onse cours S.O.waert over, ’s middachts waeren
+wy op de gegiste breete van 46 gr. 29 min., ende op de lengte van 161
+gr. 22 min., ende op de bevonden breete van 46 gr. 27 min.. Alsdoen lach
+de steylen hoeck beoosten _Tamary_ N.W. ½ N. 2½ myl van ons, in ’t N.
+lach het lant 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S. de
+veerste hoeck dien wy sien conden 8 mylen van ons, ende gaven dien hoeck
+de naem van Caep _de Aniwa_. Het was al treckende afgediept als volcht,
+10, 11, 12, 13, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23 tot 25 vadem, al steckgront;
+hier was een groote bocht met een groote valey laech lant, saegen overal
+veel huysen staen, soodat dese bocht in ’t ront heel bewoont is, saegen
+oock verscheyde rivieren te lantwaert inloopen, ende geleeck overal een
+vlacke lantsdou te syn met hooch binnenlant. Wat naer de middach de wint
+naer het S.t.W. loopende met een topseyls coelte, lieten het O.S.O.waert
+over staen, 4 mylen; was opgediept tot 30 vadem, ende daer van daen
+weder opgedroocht tot 13 vadem, al steckgront. Cregen doen 12 vadem,
+craelgront, ende waeren een myl van lant, saegen in ’t O. van ons een
+rivier in ’t lant strecken, al waerby veel huysen stonden, de Caep
+_Aniwa_ lach S. 5 mylen van ons. Tegen den avont wert het heel mistich,
+liepen W.waert over. ’s Nachts cregen wy een moy coeltie uyt een N.,
+stelden onse cours S. aen, hadden sont (sedert) dat wy om de W. gewent
+waeren behouden W. 3 mylen, ende was afgediept als volcht, 12, 13, 14,
+16, 17, 20, 23, 24, 25, 26, 28 tot 30 vadem, al steckgront. ’s Nachts in
+’t S. seylen diepte het al af als volcht, 33, 34, 35, 38, 40 vadem.
+
+e 20.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich doncker weder, met een N.lycke topseyls
+coelte ende slecht water, deden onse cours als vooren S.waert over, ende
+was 42 vadem diep, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben
+S.t.O. 6½ myl, was doen diep 30 vadem, steckgront; waeren op de gegiste
+breete van 46 gr. 1½ min., ende op de lengte van 161 gr. 29 min. Giste
+alsdoen de Caep _Aniwa_ O.S.O. 3 à 4 mylen van ons, naer de middach
+claerde de mist wat op, saegen alsdoen Caep _Aniwa_ O.S.O. 4 mylen van
+ons; naer de middach stillekens, was ’s avonts 58 vadem diep, waeren
+weynich vertiert, d^{o}. Caep lach op een streeck als vooren van ons,
+d^{o}. Caep is een steyle hooge ronde hoeck. ’s Nachts de wint variabel
+N.W. ende N.N.W., onse cours S.S.O., diep 56, 57, 58 vadem, steckgront.
+
+f 21.
+
+’s Morgens hadden wy een donckere betogen lucht met een N.O. topseyls
+coelte ende slecht water, deden onse cours by de wint O.S.O. aen, giste
+’s middachts geseylt te hebben S.S.O. 6 mylen, waeren volgens dien op de
+breete van 45 gr. 39½ min., ende op de lengte van 161 gr. 42 min..
+Alsdoen lach de Caep _Aniwa_ N.t.O. ⅔ O. 4 mylen van ons, ende hadden de
+diepte van 58 vadem, steckgront, saegen een groote walvisch, wy conden
+geen lant meer buyten d^{o}. Caep sien. Het wert wat naer de middach
+weer heel mistich, cregen noch eens gront op 62 vadem, ende waeren doen
+gront af; naer de middach de wint N.O.t.O. ende N.N.O. met een moy
+luchien. Stracx trock de wint naer het N.N.W. ende de see begon hardt
+uyt den N. aen te schieten, vernaemen veel raveling van stroom.
+
+g 22.
+
+’s Morgens hadden wy doncker mistich weder, de wint N.W. met topseyls
+coelte, ende holle deyninge uyt den N. Giste ’s middachts geseylt te
+hebben O.t.N. ¼ N. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45
+gr. 54 min., ende op de lengte van 163 gr. 5 min., seylden al by de wint
+N.waert over, saegen somtyts eenige steencroos dryven ende veel
+lammeties ende seerobben swemmen, ende saegen oock veel wier ende
+stuckies hout dryven. Tegen den avont cregen wy stilte tot de eerste
+wacht uyt, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. ende trock temet naer
+het S.W., deden onse cours N.W. aen.
+
+a 23.
+
+’s Morgens hadden wy doncker regenich weder, de wint meest S.W. ende
+S.W.t.S., deden onse cours N.W.t.W. aen, corts daernaer W.N.W., om te
+soecken om de W. om te comen, hadden slecht water. Giste ’s middachts
+geseylt te hebben N.W. ½ N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete
+van 46 gr. 28 min., ende op de lengte van 162 gr. 25 min. Omtrent 4
+ueren naer de middach cregen wy weder de cust van _Eso_ in ’t gesicht,
+ende was een steyle uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N.
+streckende, geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven d^{o}. hoeck de
+naem van _Tonyns_ hoeck, d^{o}. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden
+van ’s middachts geseylt 5 mylen W.N.W. aen, minderden seyl ende worpen
+het loot, vonden de de diepte van 44 vadem, steckgront, ende corts daer
+nae 58 vadem, vervolchden onse cours W.N.W. 2 mylen. Saegen doen met den
+avont, als dat d^{o}. cust noch al N.waert heenstreckte soo veer wy
+sien conden, ende alsoo het schielyck mistich wert, ende het lant in ’t
+N.N.W. gepeylt hadden, dat hooch was, maer tot 3 à 4 myl benoorden de
+_Tonyns_ hoeck is ’t al laech lant, lieten onse marsseyls loopen, ende
+geyden onse seylen op, lieten het met een S. wint met de steven om de O.
+liggen dryven. Maer alsoo het cort met de maen de mist weder opclaerde,
+maeckten weder seyl, ende lieten het weder voort staen N. aen met een S.
+coeltie. De eerste wacht uyt wesende ende de maen onderginck, wert het
+weder heel doncker, lieten het weder dryven als vooren, met regen, het
+was al langsaem opgediept als volcht, 50, 55, 60, 63, 66, 68, 70 vadem,
+steckgront; alsdoen was de tweede wacht uyt, maeckten doen seyl, stelden
+onse cours al N. aen met een dichte mist, maer alsdoen drooch weder.
+
+b 24.
+
+’s Morgens begon de mist wat op te claeren, setten al onse seylen
+daerby, cregen doen een N. wint dewelcke naer het N.W. ende N.W.t.W.
+trock, met een topseyls coeltie, lieten het by de wint N.N.O. waert over
+staen. Wat op den dach claerde de mist heel op, saegen in ’t N.W. het
+lant 4 mylen van ons, ende was een streckende cust hooch lant. Wy
+vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s middachts geseylt te
+hebben N. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 27
+min., ende op de lengte van 162 gr. 14 min., maer bevonden ons te wesen
+op de breete van 47 gr. 40 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset
+had, omtrent 3 mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in
+’t S.W.t.W. 5 mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. ½ W. lach
+een hoogen berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van
+_Tepelberch_, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t
+N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden
+alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront; op de middach wert het stil,
+het was hier al laech lant, op sommige plaetsen met geberchten met veel
+bochten ende inwycken; in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer
+spitsies op stonden als stompe torens. Naer de middach cregen wy de wint
+W., deden onse cours N. 1 myl, was doen diep 57 vadem, cregen doen een
+luchien uyt den S., deden onse cours N.N.W., cregen holle deyninge uyt
+een O.S.O. Geseylt hebbende 2½ myl op d^{o}. cours, was ’t langsaem
+opgedroocht tot 4 glaesen in de eerste wacht, was alsdoen diep 47 vadem,
+steckgront, deden doen onse cours N. aen, de wint doen W.N.W. ende W.,
+tot dat 2 mylen geseylt hadden, was doen 40 vadem; deden doen onse cours
+N.N.O. aen 1½ myl, was doen 42 vadem, gront als vooren; lieten het met
+neerliggende marsseyls ende opgegeyde seylen voort staen N.O.t.N. aen 2½
+mylen, was alsdoen diep 44 vadem, steckgront.
+
+c 25.
+
+’s Morgens was ’t moy stil weder, de wint N.W.t.W. met een betogen
+lucht, doch taemelyck gesicht, saegen op verscheyde plaetsen lant soo
+veer wy sien conden, van het W.S.W. tot het N.N.O. Saegen nu op noves
+(nieuw) als dat wy weder in een groote bocht van _Eso_ waeren geseylt.
+Voor de middach de wint variabel met stilte ende met holle deyninge uyt
+een O.S.O. Tot ’s middachts noch geseylt N.N.O. ½ O. 3 mylen, was doen
+diep 39 vadem, steckgront. Giste in dit etmael door malcanderen geseylt
+te hebben N.t.O. 11½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr.
+25 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min.; hadden doen in ’t N.O.
+lant 10 mylen van ons, saegen oock lant in ’t W.S.W. soo veer wy sien
+conden; conden voorts in de bocht in ’t N.N.W. op sommige plaetsen hooch
+lant sien. Het naeste lant lach W.t.N. ½ N. 8 à 9 mylen van ons, ende
+was een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was geheel gehackelt
+boven op gelyck of het een saech was. De mist ginck soo dubbelt over het
+lant, dat men geen degelyck bescheyt sien conde. ’s Middachts een slap
+coeltie uyt een N.N.O. wenden het N.W.waert over, de wint liep temet om
+naer het N.O. ende voorts tot het O.t.N., dat wy N.t.O. seylen mochten;
+saegen wat naer de middach een doode cabeliau verby het schip dryven, de
+welcke scheen niet lanck doot geweest te hebben. Naer de middach geseylt
+N.t.W. 3½ myl, diep 38, 36, 35 vadem, steckgront, saegen doen ’s avonts
+noch al lant in ’t N.O.t.O., ende om de O.S.O. streckende met een groote
+bocht aen malcanderen. ’s Nachts dreven in stilte, hadden de diepte van
+35 vadem, steckgront.
+
+d 26.
+
+’s Morgens doncker weder, de wint S.S.O., deden onse cours om de N.O.,
+een weynich op den dach synde saegen het lant tot in het O.S.O., scheen
+een hoeck of eylant te wesen, dan was aen malcanderen vast met een
+groote bocht om de N.W., stelden onse cours om de O. tot ’s middachts,
+diep 34 à 35 vadem, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben
+N.N.O. 6½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr. 49 min.,
+ende op de lengte van 162 gr. 42 min., ende op de bevonden breete van 48
+gr. 56 min. Saegen doen lant in ’t W. 6½ myl, N.W. 7 myl, N.N.W. 7 myl,
+in ’t N. 5 myl, N.N.O. 3½ myl, in ’t O. 5 mylen, in ’t S.O. 6 mylen van
+ons, ende quaem al met bochten ende laech lant aen malcanderen. Van ’s
+middachts geseylt O.t.S. 3½ myl, de wint variabel; quaemen hieromtrent
+naer de middach ten 6 ueren ten ancker op 18 vadem, steckgront met
+cleyne steenties vermengt. Waeren op de gegiste breete van 48 gr. 53½
+min., ende op de lengte van 163 gr. 1 min., maer bevonden op den 27
+d^{o}. de breete van 48 gr. 54 min. Als nu lach de ree onder het
+_Companys lant_ 6 gr. 4 min. Oostelycker als S.O. van ons, .... myl,
+ende de ree ofte anckerplaets onder de N.O. hoeck van _Eso_ lach alsdoen
+9 gr. 45 min. beoosten het S. 66¾ mylen van ons; lagen omtrent 1½ myl
+van lant. Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als
+een cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons, ende d^{o}. eylantie lach
+S.S.O. 4 mylen van ons. Het lant van d^{o}. hoeck streckt om de N.W. soo
+veer wy conden beoogen. Op dato is geresolveert om de boot uyt te setten
+ende dit lant te visiteeren, of men noch geen verandering van volck
+vernam; syn ’s nachts met de boot ende prautien naer lant gecommitteert,
+ick met den Assistent Davit Cassu in ’t prautie, ende Stierman Roelof
+Sieversz. met den Assistent Brouwer synde in de boot. Was soo mistich,
+conden geen half scheepslengte sien.
+
+e 27.
+
+’s Morgens quaemen tegen den dach onder den wal, bleven liggen tot dat
+wy de boot vernaemen, de boot in ’t gesicht hebbende syn beneffens den
+Assistent Davit Cassu aen lant gesprongen, ende liet de prauw op de
+riemen wel claer liggen, syn met ons beyden op een hoochte geclommen,
+ende alsoo de mist wat opclaerde, saegen dat dit een schoone lantsdou
+was synde vol voetpaeden van menschen, saegen oock een groot lack (meer)
+van versch water, ende was al schoon vlack lant, syn weder neder op het
+strant geclommen, vonden in ’t sant veel voetpaeden van menschen ende
+honden. Heb ons volck belast met het schuytien langs het strant om de O.
+te scheppen, ende wy syn met ons tween te voet langs het strant gegaen,
+vonden op het strant een groote plas sneeuw omtrent een scheepslengte,
+ende was boven op wat bestoven van sant, met hooch water quaem de see
+daer op een vadem nae aen; soodat wy op dato malcanderen met
+sneeuwballen tot een gedachtenis hebben gegooyt; boven op was dit sneeuw
+soo hardt als ys. Syn voorts gegaen, quaemen op een vlack velt soo
+plasierich als eenich lant wesen mocht, sonder geboomte synde vol
+voetpaeden, vonden 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen.
+Dese graeven waeren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een
+voet verheven van de aerde, staende op 4 stuties ende was onder een
+viercante kist, onder de boom (bodem) synde houte tralys, doorluchtich,
+alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fyn gesneden
+synde om syn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen
+gehadt, maer die was al vergaen, vonden by hem in de kist schuetelties
+ende eetensbackies, ende eenige andere snuystering met pyl ende booch,
+had eeten oock in een doos gehadt soo het scheen, lach oock een cleyn
+block om ryst te stampen, met een ryststamper daerby in syn kist. De
+kist was boven met een cap wel dicht toe, gelyck een cap van een huys,
+daer boven op het scherp van de cap een fraey gesneden houten cop lach.
+Langs de kist aen elcken endt fraey met een leeuw ofte draecken cop uyt
+gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende)
+liep soodanich gesneden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen,
+al uytgesneden als geseyt is. Dese graeven met verwondering aengesien
+hebbende, saegen daerby veel stockies staen met fyne gesneden crulleties
+ende spaenderties daer aenhangende, synde noch met de eijnden aen de
+stock vast. Voorts gaende quaemen by een huys, alwaer wy in gingen maer
+geen volck in vonden, ende scheen wel dat daer in een jaer geen volck
+noch in gewoont had; dit huys was van vueredeelen gemaeckt, synde met
+groeven in malcanderen gevoecht, seer dicht, ende het dack was met een
+scherpe cap, dat boven op de vueredeelen beleyt was met basten van
+boomen ende houten overal gespyckert; de spyckers waeren van fatsoen als
+de Japansche ofte de Syneesche syn. Het huijs had een opslaende deur met
+een cleyn voorhuys met een groote viercante binnencaemer, alwaer de
+haertstee in ’t midden was, daer recht boven 2 valveynsters om de roock
+te loosen; haer huegel was noch aen een stuck tou vast ende hing noch
+over d^{o}. haertstee ende was een crom quastich houtie, maer dese
+binnencaemer sloot het incomen met een schuyf op syn Japansch. In dit
+huys hingen veel van die stockies met byhangende spaenderties, by dit
+huys stont een groot gemaeckt hock alwaer eertyts scheen eenich gedierte
+in gestaen te hebben, met veel cleyne hockies daer noch eetens ende
+drinckensbackies aen vast waeren. Hier stonden oock veel opgerichte
+stocken om goet op te droogen, met veel houten stellingen oock om eenich
+goet op te droogen. Wy met ons tween wat voorder om de O. gaende,
+quaemen noch by 2 graeven gelyck als vooren, gingen voorts veerder om de
+O., quaemen weder by een huys als vooren, daer by synde hoorden de see
+seer tegen het lant aen storten, aen de andere sy van ’t lant in ’t N.O.
+ende waerover ick verwondert was, dat men hier de see soo ghemackelyck
+conde hooren. Vonden oock in dit huys niet als een houten hugel over de
+vuerplaets hangen, ende conden niet bemercken dat daer in een jaer volck
+in hadt gewoont. Syn naer het strant gegaen ende heb het prautie naer de
+boot toegestiert om daer noch 2 soldaeten uyt te haelen, om beneffens
+ons tween het lant met beeter verseeckerheyt te ontdecken ende eenich
+volck op te soecken. Alsoo onse boot noch aen quaem seylen, stonden wat
+op strant ende wachten. Dus staende, saegen om de W. van ons een man op
+de hooge vlackte gaen, daer wy ’s ochtents op geweest waeren, quaem naer
+het scheen neerwaert aen, maer ons siende is met een volle loop om de W.
+geloopen. Onse boot ende prauw weder aen het strant comende, heb noch 2
+soldaeten ende een matroos, die een witte doeck aen een halve pieck
+vastgemaeckt droeg in de plaets van een witte vlag, uyt de boot gehaelt,
+ende belaste voorts den Stierman Roelof ons met de boot ende prauw te
+volgen om de W. Syn doen voortgegaen, vonden noch een huys tegen de
+hoochte aen staen dat vervallen was, maer wert weder opgemaeckt. Daer
+stont oock een cleyn hutie by, gedeckt met basten van boomen, by dit
+huys lach een stuck van een ys-slee, synde van een vreempt fatsoen.
+Gingen doen by een fraey padt boven op de hooge vlackte, daerop synde
+conden de see over het lant in ’t N.O. sien, saegen oock dat de cust
+daer buyten om de N.W. streckte tot een hoogen steylen hoeck, die ons
+het veerder gesicht benam, ende saegen oock dat dit staende lack (meer)
+in see om de N.O. uytliep, saegen oock dat het lant hier maer een myl
+breet was, synde maer een uytsteeckende hoeck lants daer ons schip
+onder geset lach. Syn doen over die hooge vlackte heengegaen naer het
+strant. Om de N.W. op strant comende, saegen door het vallent water den
+by ons gesienen inwoonders voetstappen, comende ende wechloopende, in ’t
+sant staen; syn die vervolcht met voorsichticheyt. Omtrent 1½ myl gegaen
+hebbende, saegen een vaertuychie langs het lant coomen roeyen, sy ons
+siende leyden aen het strant ende haelden ’t daerop. Wy dit siende syn
+daernaer toe gegaen, daer bycomende saegen twee treftijge(?) persoonen
+op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten,
+synde cloeck van leden, den eene met een ruygen baert, hebbende pyl ende
+booch in de handen, met een pylkoocker vol pylen aen syn hooft hangen,
+met een houwer op syn sy, den ander wat jonger met een groot gramschap
+geschooten[23] hebbende twee groote knevels, had oock pyl ende booch in
+syn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pylkoocker vol pylen;
+after haer stonden twee stercke mannen, geweert (gewapent) als de twee
+voorige, gecleet met rocken van vellen. Ick heb ons volck laeten
+stilstaen ende belast wel op haer hoede te syn, sou alleen naer haer
+toegaen, alsdoen de houwer op myn sy hangende, syn toegetreden. Den
+outste sette syn booch in ’t sant met een pyl daerby, ende nam een lange
+pieck van 18 voet in syn hant, ende sy bleven alle bey sitten, ende de
+andere twee staen. Wat dicht by haer comende sey _Tacoy jankarate_ ende
+vreef myn handen, gelyck gesien hadde aen _Tamary_, waerop den outste
+sprack _Tacoy_, syn doen toegetreden, ende naem syn hant ende wesen dat
+wy vrienden waeren, in myn beyde handen syn rechterhant nemende, ende
+soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop
+ons volck is comen aentreden, dien sy doen met haer tween te gemoet
+gingen ende welcom heeten, seggende _Tacoy_, ende douden met haer beyde
+handen ons volcx rechterhant, gelyck ick haer gedaen had, maer de twee
+andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met
+syde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs
+waertusschen syde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere
+lyfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftyge persoonen was
+haer hooft voorgeschooren tot halfwegen het hooft, ende voorts hadden
+lang hangent haer tot heel aen haer midden; de plaeten van haer houwers
+waeren oock met silver beslaegen ende doorluchtich. Naedat wy
+malcanderen met veel vrientschap gecaresseert hadden, liet ick eens
+arack schencken ende brocht het aen den outsten, liet het copien weder
+vol schencken, ’t welck hy met danckbaerheyt ontfinck ende dronck het
+uyt, liet voorts haer allen eens omschencken, schonck doen aen die twee
+principaelsten elck een groote blauwe crael, dewelcke sy met
+dankbaerheyt aennaemen, ende greep myn doen by der hant ende sey
+_Tacoy_, ende wees naer haer prautie die op ’t strant stont. Gingen doen
+al handt aen handt dansende tot by de prauw, vonden daer een blancke
+vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont
+om haer hooft van een bever, gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende
+een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van
+een saebel, dat seer schoon was, om haer hooft, ende had een jongen by
+haer staen, gecleet mee met een bonte rock. Wat van de prauw af sat een
+oudt blanck man, met een lange gryse baert, op een matien (matje) op de
+Japansche wyse, aenhebbende een gebloemde catoene rock, synde op syn
+Japansch gemaeckt. Myn leytsman wees ick sou by die oude man gaen, ’t
+welck ick gedaen heb, ende heb hem gegroet op syn Japans, ’t welck hem
+aengenaem scheen te wesen, vraechde myn veel, dan conden malcanderen
+niet verstaen, heb desen ouden patroon een copien arack geschoncken, ’t
+welck hy met vermaeck uytdronck, ende rees doen op ende ginck met myn
+naer syn vaertuych, daer de vrouw was, terwyl waeren de twee andere
+inwoonders vrolijck by ons ander volck. By de prauw comende schonck ick
+aen de vrouw ende het kint elck een blau gestreepte crael, naemen die
+met groote danck aen; dese vrouw ende kint hadden elck een blau craelde
+kettingh om den hals. Den ouden patroon liet de prauw afvoeren, ende
+ginck daer met de vrouw ende kint met de jongen ende de twee dienaers in
+sitten, nemende de pieck, pylen ende boogen van de twee andere in de
+schuyt by haer, sloegen daer vyf witte ruyge honden voor, met
+hem(hennip)seelen om haer lyf; den stuerder after het vaertuych sittende
+riep eens, die honden begonden stracx aen het trecken te pueren. Den
+outste van ons 2 byhebbende habytanten naem myn by de hant, ende wees
+ick soude met hem naer syn huys gaen, syn doen met ons tween gevolcht,
+soo hart loopende ende dansende als conden, maer de honden liepen veel
+harder met de prauw voort als wy conden volgen. Den andere habytant
+bleef by den Assistent ende ons ander volck, ende volchde naer. Omtrent
+½ myl om de N.W. gegaen synde, passeerden veel huysen ende afloopende
+versche waterties, oock een hutie, alwaer een stockoude vrouw uytquaem,
+leunende op een stockien, scheen veel hebben te seggen, maer myn
+leytsman myn al vast by myn hant houdende, wees dat hy meester over die
+huysen was, ende dat wy souden voortgaen. Saegen corts daernaer dat het
+vaertuych aen het strant aenley voor een groot huys, ’t welck myn
+leytsman wees, syn te syn, sach van veer de honden weder uytspannen,
+haelden doen het vaertuych weder op strant. Wy by dit huys comende,
+vonden een ander out man met een lange witte baert op een matien sitten
+op syn Japans, daer ick van myn leytsman by wert gebrocht, daer
+bycomende groeten hem ende sey als vooren _Jankarate Tacoy_, ende bewees
+hem teecken van vrientschap, ’t welck hy myn oock betoonde; ginck by hem
+sitten op een stuck hout, terwyl stont myn leytsman met 15 à 16 menschen
+rontom myn met veel kinderen, doch sach niemant met geweer.
+Ondertusschen quaem ons ander volck met den ander inwoonder by myn, ende
+corts daernaer de boot ende onse prauw oock by ons aen ’t strant; doen
+quaem myn leytsman by myn, ende wees ick sou met den ouden man in huys
+gaen, hy sou voor uytgaen, het welck geschiet is. Dit huys stont dicht
+by het strant, ende was als de voorige huysen van maecksel ende fatsoen,
+maer van binnen rontom met een verheven _diggedig_, ende was overal
+beleyt met matten; in ’t incomen van het huys synde, spreyden het
+vrouwvolck matten voor ons om over te gaen, met groote beleeftheyt. In
+huys synde gingen met den ouden man op de verheven _diggedig_ sitten,
+alwaer de twee aensienlycke habytanten by myn quaemen met beyde
+Assistenten ende den Stierman Roelof. Hier waeren drie vrouwen in huys,
+ende elck hadde een kint. Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie
+ende toebackie, waernaer sy allegaeder begeerich waeren. Saegen hier in
+huys 6 viercante kisten met roo leer overtrocken, ende een groote ronde
+doos oock overtrocken met leer, ende waeren met baste touwen wel styf
+toegesort; wees wat daerin was, wesen fyne vellen ende dat die in ’t
+lant gebrocht most wesen; wilden geen verruylen aen ons, maer wel
+robben- ende beeren vellen. Dus sittende discoureren, schafte ons een
+viercant verlackt backie met lantcrabben pooten op, die wy met smaeck
+aeten, maer wilden niet hebben, dat men eenige vuylicheyt op de vloer
+smeet, maer mosten het al op ’t bortie ofte backie leggen. Terwyl wy
+hier in huys saeten, hebben de habytanten een van haer vaertuygen
+afgevoert, ende hebben daer 3 honden voorgespannen, ende daer syn drie
+manspersoonen in gaen sitten, ende de honden trocken de prauw met haer
+langs het strant om de N.W. Ick heb het volck hier in huys elck in ’t
+ront met wat groene taback ende eenige cleynicheden vereert, vereerde de
+vrouwen ende kinderen eenige craelen ende belleties, alwaer seer bly
+mede waeren. Boven op dit huys stont een groote levenden arent, die
+heeft myn leytsman aen myn geschoncken, waervoor ick hem weder 3 à 4
+manocke(?) taback schonck ende was weltevreden, heb den arent in de boot
+laeten brengen. Saegen hier anders geen silver als aen haer houwers, een
+van de vrouwen had een toutie om haer lyf, het welck vol coopere ende
+ysere ringen hinck, elcke rinck wel glat synde ende omtrent soo groot in
+’t ront als een binnenste van een hant, ende omtrent soo dick als een
+schaft; een kint waeren drie groote doorluchtige plaeten van tabago[24]
+op syn rug genaeyt, van buyten op syn bonte rock tot versiersel; sy
+waeren selver begeerich naer silver, soo ick con bemercken. By dit
+groote huys quaem een vers afloopent watertie verby in see loopen,
+alwaer op de cust noch veel cleyne huysies stonden, vertrou dat daer het
+slechte volck in woonde; hier stont oock een groot viercant hock, alwaer
+een groote swarte beer in sat. Aen elcke hoeck van ’t hock was een lange
+spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ick
+vermoede dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige
+afgodendienst. Ick myn afscheyt met alle vriendelyckheyt nemende, wert
+naer strant geconvoyt; op strant comende liet al ons volck in de boot
+ende prauw gaen, ende alles slachveerdich maecken laeten om wech te
+vaeren. Myn leytsman dit siende, sey _Tacoy_, ende wees soo ick met hem
+in syn prauw wilde gaen, dat wy daermede saemen naer boort souden
+vaeren; ick wees jae; hy liet stracx een mat in syn prauw brengen,
+waerop ick most gaen sitten, ende hy ginck after myn sitten, werde soo
+in see gevoert, by ons quaemen noch 4 roeyers ende een die stuerde; syn
+soo naer boort gevaeren, onse boot ende prauw ons volgende, maer waeren
+wel ¼ uer voor haer aen boort. Overcomende heeft den habytant met ons by
+den Commandeur wat gegeten ende gedroncken, is haestich opgestaen ende
+van boort gevaeren, niet wetende te bedencken syn haestich vertreck; ick
+hielt hem een gestreept cleet toe, hy sou wederom comen, maer ginck door
+naer lant. Dit scheen een treftich man te syn in syn ommeganck. Dien dag
+is onse groote steng versien ende ons want gelicht, ende alsoo hier niet
+sonders te vernemen was, syn tegen den doncker t’seyl gegaen, stelden
+onse cours S. aen buyten het eylant om. ’s Nachts de wint O., doen wy
+S.S.W. 7⅔ myl geseylt hadden, was ’t afgediept als volcht, 18, 20, 24,
+27, 28, 30, 32, 33, 36, 38 vadem, steckgront, stelden doen onse cours
+S.S.O. 2⅔ myl, diep 45, 50, 48, 47, 46, 43, 42, 40 vadem, al steckgront,
+deden doen onse cours N.O.t.N. 3⅓ myl, was doen 37 vadem, gront als
+voren, dat was voor den middach tot op den 28 d^{o}. ’s Middachts door
+malcander geseylt S. 7 mylen.
+
+ [23] Barsch uiterlijk voorkomen?
+
+ [24] Mogelijk _tambaga_, koper.
+
+f 28.
+
+’s Morgens was ’t mistich weder, de wint O., giste van ’s middachts
+geseylt te hebben tot dat daer 8 glaesen naer den middach uyt waeren,
+ende de mist opclaerde, behouden cours N.O.t.N. 2½ myl. Alsdoen saegen
+wy het eylant dat in ’t S.S.O. van ons gelegen had, daer wy geset
+gelegen hebben, in ’t N.O. 1 myl van ons, ende was opgedroocht van 37
+vadem, als volcht, 35, 30, 25, 20, 15, 16 vadem, doen schelp ende
+singelgront, voorts al steckgront. Alsdoen heeft den Commandeur den
+Stuerman Roelof Sievertsz. met de boot naer d^{o}. eylant gestiert om
+dat te visiteeren, daer aencomende vonden d^{o}. eylant rontom met onder
+water liggende clippen beset, siende die wel by een myl ende op sommige
+plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. van ’t eylant naer
+het vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, maer heeft veel
+uytsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een rif N.N.O. af,
+alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; dese reven lycken
+schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, dan scheen oock
+wel een nauwe deurganck te hebben. De boot is met den doncker aen boort
+gecomen, hadde oock by duysende robben op de clippen ende het water
+vernomen, hadde oock twee cleyne huties met vuerplaesies op ’t eylantie
+gevonden. Wy gaven het eylant den naem van _Robben_ eylant. Wy
+vernaemen dat de stroom hier om de S.O. ginck, wy hebben onse compassen
+op 9 gr. N.Oostering geleyt, ende liepen by de wint over S. aen, met een
+O.S.O. coeltie. De eerste wacht uyt synde cregen de diepte van 16 vadem
+ende cort 10, met stilte ende styve stroom om de S.O.; quamen op 9½
+vadem ten ancker, synde singelgront.
+
+g 29.
+
+’s Morgens is de Stierman Roelof uyt diepen gestiert ende was mistich
+weder, maer alsoo wy hem .... quaem naer ons toe, wy gingen onder seyl,
+de wint O.S.O. ende S.O.t.O. met stilte, gaende de stroom om de S.O.,
+lieten het S.waert over staen. De mist wat optreckende, saegen het
+_Robben_ eylant in het N.t.W. ½ W. van ons liggen 2 mylen, was 10 vadem
+diep, schilpige gront, de stroom nam syn keer ende liep om de N.W.;
+dreven N.W.waert heen tot een weynich naer de middach, doen lach het
+_Robben_ eylant O.N.O. 1½ myl van ons, ende was diep 25 vadem,
+santgront, quaemen daer ten ancker. Vingen hier veel cabbeliauw, schar
+ende leng; in de tweede wacht begon de stroom om de S. te loopen, ende
+corts daernaer om de S.W., soodat dit hier een dwaelende stroom is ende
+ongestaedich syn loop houdende. ’s Nachts een cleyn luchien uyt den S.,
+maer stracx weder stil.
+
+a 30.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich weder met stilte, de stroom styf om de
+S.W. loopende, vingen noch eenige cabbeliauwen. Omtrent te 8 ueren
+cregen wy een luchien uyt den O., lichten ons ancker ende gingen onder
+seyl; deden onse cours S.S.O.waert over by de wint, corts hiernaer liep
+de wint O.S.O., lieten het al om de S. voort staen. Giste geseylt te
+hebben behouden cours 1½ myl S.W.t.W., was afgediept als volcht, 26, 27,
+28, 29, 30 vadem, wenden het doen om de O., de wint S.O.t.S., ½ myl
+O.t.N. behouden, diep 29, 28, 27 vadem, al fyn witte santgront, de
+stroom noch om de S.W. loopende. Alsdoen lach het _Robben_ eylant N.O. ⅔
+O. 2⅓ myl naer gissing van ons. Wenden het doen weder om de S., diep 25
+vadem, de wint variabel, mochten somtyts S.S.W., somtyts S.W.t.S. ende
+S.t.W. seylen, de wint om ende by het O. uyt- ende in schietende. Naer
+de middach behouden cours S.S.W. 2 mylen, diep 36 vadem, santgront;
+wenden het, behouden cours N.O.t.N. ½ myl, alsdoen diep 32 vadem, fyn
+witte wasige santgront, de stroom, geset liggende, liep om de N.O., de
+wint S.O. ende S.O.t.O., ende was een schrickelycke mist met motregen.
+’s Nachts 4 glaesen in de eerste wacht kenterde de stroom ende liep om
+de S.W.
+
+b 31.
+
+’s Morgens was ’t al mistich weder, de wint O.S.O. ende S.O., de stroom
+weder om de N.O. gaende, seylden behouden cours S.W. 1 myl, wenden het,
+de wint doen S.O.t.S., behouden O.t.N. 1¾ myl, hadden al de diepte van
+27, 26, 28, 30, 32, 34, 36 tot 37 vadem, somtyts sant- somtyts
+steckgront. ’s Middachts door malcanderen naer gissing behouden O.S.O. ⅔
+S. 2½ myl; doen lach het _Robben_ eyl. 2¾ myl N.t.W. naer gissing van
+ons; naer de middach behouden S.S.W. ½ myl, diep 38, 40, 44 vadem,
+steckgront, doen gewent om de O.N.O., behielden naer gissing N.O. 2½
+myl, diep 42, 35, 30 vadem, santgront ende singelgront. Cregen doen de
+wint O.S.O., wenden het doen weder om de S., behouden cours S.S.W. 1½
+myl, S.t.O. ½ myl, diep 32, 35, 40, 42 vadem, steckgront; vernaemen des
+nachts groote raveling van stroom. ’s Nachts de wint N.O., behouden S.O.
+1 myl, diep 44 tot 48 vadem, steckgront, doen de wint N.N.O., behouden
+¾ myl O., diep 49, 50 vadem, steckgront, noch behouden O.S.O. 2 mylen,
+was nu tegen den dach, ende diep 60 vadem, steckgront; soo ick con
+bemercken werden wy met de stroom om de S. gevoert, het begon styf te
+regenen.
+
+
+Augustus.
+
+c 1.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich met regen, de wint styf doorwaeyende uyt
+een N.t.O., de see hol aenschietende uyt den O., leyden over ende weer
+om N. te winnen, maer verlooren in plaets van avance. Giste ’s middachts
+behouden te hebben 8 mylen O.S.O., hadden doen de diepte van 72 vadem,
+steckgront. Alsdoen lach het _Robben_ eylant omtrent N.W. 9 mylen van
+ons naer gissing, de wint N. Omtrent 2 ueren naer de middach hebben wy
+de boot ingeset, alsoo de see hoe langer hoe harder aenschoot, giste van
+’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 2⅔ mylen, was doen diep 75 vadem,
+steckgront, doen O. behouden 2⅓ myl, waeren doen gront af, de wint
+N.N.O. ende N.O., oock N., wenden het verscheyden reysen de beste boech
+voor om N. te winnen, in de dachwacht begon de see styf uyt een N.N.W.
+aen te schieten, de wint alsdoen N.
+
+d 2.
+
+’s Morgens al heel mistich weder, treckende naer ’t N. met topseyls
+coelte, ende hadden holle deyninge uyt een N.N.W., wenden het O.waert
+over, naemen onse voormarsseyl in, alsoo hem de N. wint styf begon te
+verheffen, giste ’s middachts behouden te hebben door malcanderen 6½ myl
+O.t.S. aen. Cregen doen de wint uyt een O.N.O., ende trock stracx weder
+naer het N.O., wenden het N.waert over, naer gissing geseylt van ’s
+middachts behouden cours N.W. 1¾ myl; cregen alsdoen weder gront op 75
+vadem, wasige gront, wenden het doen O.waert over, met een N. coelte, de
+see hol aenschietende uyt den N., de wint hem somtyts styf verheffende.
+
+e 3.
+
+’s Morgens al doncker ende mistich weder, de wint treckende naer het
+N.O. met styve coelte met holle deyninge uyt een N.N.O., wenden het
+N.W.waert over. Alsdoen is per resolutie geresolveert, alsoo onse
+bestemde tyt volgens Instructie van den E. Heer Generael ende Raeden van
+_India_ geexpireert is, dat men onse best soude doen om weder soecken te
+comen in de _Suytsee_, derhalve onse cours naer het Canael _de Vries_
+toe te stellen. De wint met een styve doorgaende wint alsdoen N.N.O.
+synde, deden onse cours S.O. aen, giste alsdoen het _Robben_ eylant
+omtrent N.W.t.W. ⅔ W. 17 mylen van ons te liggen, hadden geen gront,
+saegen by menichte groote ende cleyne grauwe meeuwen vliegen. ’s Avonts
+begon hem de wint te verheffen met een storm uyt een N.N.O., ende viel
+een schrickelycke mist neer, de see met heel hol water hem verheffende
+uyt een N.N.O., naemen al onse seylen in, ende lieten het liggen dryven
+met de steven O.waert over.
+
+f 4.
+
+’s Morgens de wint al uyt een N.N.O. met doorgaende coelte, met hol
+water, met heele donckere mist ende regen, saegen menichte gevogelt,
+saegen veel lange steencroos, blaeden ende stucken hout dryven. Alsoo de
+wint wat ginck liggen omtrent 2 ueren voor de middach, maeckten weder
+seyl, deden onse cours weder S.O. aen. Giste ’s middachts geseylt te
+hebben als gedreven S.O. 22 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste
+breete van 47 gr. 6½ min., ende op de lengte van 166 gr. 15 min., maer
+bevonden ons op de breete te syn van 46 gr. 40 min., soo dat de stroom
+ons wel 6 à 7 mylen veerder om de S. geleyt hadde als wy gegist hadden.
+Saegen daegelycx veel raveling van stroom, deden ’s middachts onse cours
+S.O.t.O. met een doorgaende N.N.O. wint ende hol water tot dat de eerste
+wacht uyt was, wenden het doen by de wint N.W. over tot de tweede wacht
+uyt, lieten het doen weder S.O.t.O. aengaen.
+
+g 5.
+
+’s Morgens hadden wy al styve N.N.O. wint met holle deyninge uyt een
+N.N.O., saegen met den dach Caep _de Trou_ in ’t S.W. van ons, ende lach
+in een dys; saegen noch een steylen hoeck van het _Statenlant_ in ’t
+S.O.t.O. van ons, deden onse cours O.t.N. aen, de wint doen N., seijlden
+O.waert over, om het Canael _de Vries_ terdegen open te seylen. Giste ’s
+middachts door malcanderen geseylt te hebben S.O.t.O. 21 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 45 gr. 53 min., ende op de lengte van 167
+gr. 57 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 45 gr. 43 min.
+Alsdoen lach Caep _de Vries_ van het _Statenlant_ S.W. 4 mylen van ons,
+ende de ree van _Companyslant_ lach in het N.O. ½ O. 7 à 8 mylen van
+ons, deden alsdoen onse cours S. aen, het canael door, met een
+doorgaende N. wint, de deyninge seer hol de straet _de Vries_
+doorrollende uyt een N.N.O. Saegen by menichte gevogelte ende veel
+drift, al groote bossen van die lange croosblaeden voor verhaelt,
+dryven, de stroom liep met groote raveling om de S.; omtrent naer
+middach te vier ueren geseylt van ’s middachts 5 mylen S.t.W. aen.
+Saegen doen de mineraelberch op het _Companyslant_ in ’t N.O.t.N. 10 à
+11 mylen van ons, saegen oock met een blinck in ’t S.O. lant, ende
+scheen wel 22 à 23 mylen van ons te liggen, vertrou hetselve van ’t
+_Companyslant_ aen ’t lant van _Ameryca_ vastgehecht is, dan conde wel
+wesen eenige deurgangen noch daer benoorden waeren. De straet _de Vries_
+gepasseert synde, deden onse cours S.W. langs de wal van het
+_Statenlant_ om, comende daerby langs; in de voornacht hadden wy een moy
+coeltie uyt een N.N.W., maer in de nanacht stillekens met holle deyninge
+uyt een O.N.O. Wy hadden ’s avonts Caep _de Trou_ over het _Statenlant_
+heengesien, in ’t W.N.W. van ons, door een lage valey lants.
+
+a 6.
+
+’s Morgens was ’t stilleties met holle deyninge uyt een O.N.O. Somtyts
+een cleyn coeltie uyt een S.W. Met sons-reysen lach de Caep _de Vries_
+12 à 13 mylen N.t.O. ½ O. van ons, giste ’s middachts geseylt te hebben
+S.W. ½ S. 17 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 44 gr.
+50½ min., ende op de lengte van 166 gr. 56 min., ende op de bevonden
+breete van 44 gr. 43 min. Alsdoen saegen wy de Caep _de Trou_ in ’t
+N.N.W. van ons, ende een hoogen berch op de watercant van het
+_Statenlant_ staende, synde boven op met een witte roo aerdige pleck,
+lach N.W.t.N. 4 mylen van ons, ende geleeck wel mynerael van veere, want
+als de son daerop scheen, blonck dese pleck geweldich. De Caep _de
+Vries_ lach N.O.t.N. 13 à 14 mylen van ons; het veerste van het
+S.Westelycxste lant dat wy sien conden, lach 15 à 16 mylen van ons tot
+in ’t W.S.W., ende was de _Gehackelde_ berch op het S.W. eynt van ’t
+_Statenlant_, can voorts aen de opdoening hier after uytgeteyckent alles
+beoogen. De strecking van de cust langs het _Statenlant_ is S.W.t.W.
+Wenden het W.waert over. ’s Avonts lach de berch met de wit roo aerdige
+pleck in ’t N.t.O. ½ O. van ons. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt den S.,
+lieten het W.waert over staen.
+
+b 7.
+
+’s Morgens was ’t moy claer weder, de wint S. ende S.S.W. met een moye
+coelte. ’s Ochtents lach de _Gehackelde_ berch W. ½ S. van ons, de
+_Boerenschuer_ N.t.W. ⅓ W. 4 à 5 mylen van ons, conden de pieck _Antony_
+in ’t W.t.S. sien ende de _Croonberch_ in ’t N.W. ½ N. van ons. Seylden
+al W. waert over, cregen gront op 120 vadem, ’t welck temet opdroochde
+als volcht, 100, 90, 80, 70,60, 50, 40 vadem, waeren omtrent 2 mylen van
+lant, ende bleef lang de diepte van 40, 35 vadem, al cleyne singelgront.
+Giste geseylt te hebben tot ’s middachts W. 13 mylen, waeren volgens
+dien, op de gegiste breete als vooren, ende op de lengte van 165 gr. 43
+min., droochde cort op tot 30 vadem, ende voorts tot 15 vadem, cleyige
+gront. Waeren doen dicht onder de _Gehackelde_ berch ½ myl van lant,
+hebben het doen weder afgewent, afgewent synde, alsoo wy hier geen goede
+anckergront vonden, smeten[25] het met het schip by, syn met de prauw
+naer lant gestiert, om van wegen de E. Heeren Staten ende den Prins van
+Orange ende de Vereenigde Geoctroyeerde Oost-Indische Comp., onse E.
+Heeren Meesters, het lant in possessy te nemen, ende daer een pael te
+stellen met de Staten ende Comp. merck. Maer ick, onder de wal comende,
+conde door de holle aenschietende see nergens aen lant comen, sochten
+soo langs de wal naer eenige gelegentheyt om aen te comen, tot dat het
+schip meest uyt het gesicht was, conden de marsseylen pas sien boven de
+kimmen, keerden weder naer boort; quaemen ’s avonts soo veer dat wy het
+hol van ’t schip saegen; doncker synde wert uyt het schip somtyts een
+canon gelost, quaemen soo op ’t schieten onverrichter saecke aen boort.
+Doen wy ’s middachts soo dicht onder de wal waeren, lach de
+_Croonberch_ N. ½ O. van ons, ende conden die over het _Statenlant_
+heensien, de afgaende steyle hoeck van de _Gehackelde_ berch lach S.W. ½
+S. 1 myl van ons, ’t welck is de S.W. hoeck van ’t _Statenlant_. Terwyl
+wy van boort geweest waeren, was het schip wel 2 mylen om de S.S.W.
+gedreven, door de stroom die door het canael _Antony_ quaem vallen. Met
+den doncker saegen wy den _Gehackelde_ berch van ’t _Statenlant_ recht
+W. over de _Tepelberch_ ende de _Croonberch_ N. ⅔ O. ende de pieck
+_Antony_ W.t.S. van ons. Saegen het lant in ’t N.O.t.N. soo veer als
+conden beoogen, de Caep _Canael_ lach S.t.W. van ons, waeren 2 à 3 mylen
+buyten ’t lant, te weten van de _Gehackelde_ berch, hadden de diepte van
+35, 40, 45 vadem, al fyne swarte singel- somtyts grauwe swarte
+santgront. ’s Avonts de wint S.W., wenden het S.O.waert over, de wint
+temet scherpende,[26] conden corts daernaer niet hooger seylen als
+O.t.S. De eerste wacht uyt synde, quaem de wint S.S.O. ende S.O.t.S.,
+wenden het S.W.waert over met een moye coelte.
+
+ [25] Bijdraaijen.
+
+ [26] Schralen. Witsen.
+
+c 8.
+
+’s Morgens hadden wy redelyck gesicht, alsdoen lach de _Gehackelde_
+berch W.N.W. van ons, ende was 90 vadem diep, gront als vooren; maer
+wert stracx soo mistich, dat wy geen twee scheepslengten conden van ons
+sien, met motregen. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben S.t.W. 6
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19 min., ende op de
+lengte van 165 gr. 36 min. Wy hoorden alsdoen een groote aenstortende
+see ergens tegen het lant ofte recif aen; de wint S.S.O. synde, wenden
+het om de O. daervan af. ’s Nachts claerde de mist op, ende was claer
+weder, soodat wy de nacht wel voor den dach mochten vergelycken, de
+wint S.t.O. ende S.S.O. met topseyls coelte.
+
+d 9.
+
+’s Morgens was ’t al soo mistich als daechts te vooren, wenden het ’s
+ochtents om de S.W., de wint S.S.O., giste ’s middachts geseylt te
+hebben 12 mylen O. aen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19
+min., ende op de lengte van 166 gr. 43 min. ’s Avonts claerde de mist
+een weynich op, soo ons docht saegen lant in ’t N.N.W., maer was geen
+seeckerheyt, de wint doen S.O. ende S.O.t.S., seylden S.W.waert over.
+
+e 10.
+
+’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S.O., saegen veel raveling van
+stroom, ’s middachts giste door malcander geseylt te hebben S.W.t.W. 19½
+myl, alsdoen lach Caep _de Canael_ N. 5 mylen van ons, hadden doen de
+diepte van 66 vadem, swarte santgront, somtyts singelgront. Saegen wat
+naer de middach met een blinck het _Walvisch_ eylant in het N.W.t.N. 2 à
+3 mylen van ons, maer was weder subyt betrocken, ende viel stracx seer
+dicke natte mist dat wy weer heel geen gesicht hadden, staecken by om de
+S.W.; diep naer de middach 56, 55 vadem, swart fyne santgront. Omtrent
+een uer voor de sons onderganck de wint S., wenden het alsdoen O.waert
+over, ’s nachts drie glaesen in de eerste wacht was ’t diep 58 vadem,
+ende waeren in ’t vyffde glas gront af. De eerste wacht uyt synde,
+naemen de fock in de gey, ende lieten het soo liggen dryven, met heel
+mistich regenachtich weder.
+
+f 11.
+
+’s Morgens de wint als vooren met mistich motrich weder, wat op den dach
+wert het drooch weder, maer bleef even mistich, cregen een subyte stilte
+tot ’s middachts. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben O. behouden
+door malcander 1 myl, hadden doen de diepte van 58 vadem, want hadden
+met den dach weder seyl gemaeckt, ende hadden over ende weder geseylt in
+de diepte van 120, 100, 95, 90, 80, 70, 60, 58 vadem. Naer de middach
+begon de mist wat op te claeren, cregen een cleyn coeltie uyt den N.,
+deden onse cours W. aen, naer de middach te 3 uere diep 84 vadem,
+singelgront, saegen somtyts met een blinck het duynich lant van Caep
+_Canael_ in ’t N.W. van ons, het was ’s nachts weder heel mistich.
+
+g 12.
+
+’s Morgens hadden wy tamelyck gesicht, saegen omtrent 2 ueren voor de
+middach het _Walvisch_ eylant in ’t N.W. ½ W. 1¼ myl van ons, ende de
+gebroocken eylanden van _Tamary_ in ’t W.S.W. van ons, de Caep _Canael
+Antony_ lach 5 mylen N.N.O. ½ O. van ons, was alsdoen 50 vadem diep,
+swarte santgront met schelpen vermengt. Wy hadden het bygehouden op de
+diepte van 85, 90, 80 vadem, singelgront, vernaemen harde raveling van
+stroom. ’s Middachts lach het W. eynt van ’t _Walvisch_ eyl. N.t.W. ⅓ N.
+2 à 3 mylen van ons, quaemen ’s avonts ten ancker in de _Gebroocken_
+eylanden van _Tamary_. Giste van ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 5
+mylen, waeren volgens dien van den middach af gereeckent, op de breete
+van 43 gr. 42 min., ende op de lengte van 164 gr. 44 min., diep 21
+vadem, swarte santgront. Alsdoen lach het _Barbaren_ eylant W.S.W. 1½ à
+2 mylen van ons, ende het _Gebroocken_ eylant 1 myl N.O.t.O. ende noch
+een lang vlack eylant N.W. 1½ myl van ons, de see styf de voert
+inrollende uyt een N.O., ende ’s nachts de wint N.N.O. met styve coelte
+ende harde regen, verwachtende den dach met patientie.
+
+a 13.
+
+’s Morgens was de wint N. met passelyck claer weder, hadden holle
+deyninge uyt den O. Alsdoen heeft de Commandeur den Stierman Roelof met
+de boot om de N. gestiert, om te sien ofte daer geen gelegentheyt was om
+hout te crygen, ende het schip conde verseeckert liggen; ende alsoo het
+hier geen gelegentheyt was sonder groot peryckel te liggen, heeft den
+Commandeur een canonschoot laeten doen, waerop de boot tegen den middach
+weder aen boort gecomen is. Aen boort comende, rapporteerde wel goede
+gelegentheyt voor het schip gevonden te hebben, maer hadde geen geboomte
+op het lant connen sien. Haer had oock een vaertuychie met 3 inwoonders
+aen boort geweest, alwaer een sootie visch van geruylt hadden; d^{o}.
+inwoonders waeren aen het _Gebroocken_ eylant gevaeren. Hier geen
+gelegentheyt vernemende om hout te crygen, ende wy hier met groot
+peryckel laegen, is per resolutie goetgevonden, om weder t’ seyl te gaen
+ende een andere betere gelegentheyt op te soecken, om water ende hout te
+becomen, ende wat te ververschen ende het schip wat te repareeren. Syn
+omtrent naer de middach ten 4 ueren t’ seyl gegaen met een N. wint,
+deden onse cours S. in see tot op de diepte van 55 vadem, cromde doen
+temet om naer het S.W. diep 55, 50, 47 vadem, swarte santgront; het was
+’s nachts stil met slecht water, somtyts een cleyn luchien uyt een N.
+ende N.N.O., diep 46 tot 63 ende 54 vadem. Voor de middach was ons een
+prauw met 2 mannen ende 3 vrouwen aen boort geroeyt, quaemen van ’t
+_Barbaren_ eylant, brochten niet sonders mede, de mans over geweest
+hebbende, syn weder naer ’t _Barbaren_ eylant gevaeren.
+
+b 14.
+
+’s Morgens was ’t passelyck claer weder, saegen het _Barbaren_ eylant in
+’t N.N.O. 2 à 3 mylen van ons, deden onse cours W.S.W. tot ’s
+middachts, hadden doen de diepte van 36 vadem. Giste geseylt te hebben
+S.W. ⅔ S. 9½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 43 gr. 9 min.,
+ende op de lengte van 164 gr. 18 min., alsdoen lach Caep _de Manshooft_
+N.t.W. 2 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen berch N.N.O. van
+ons, ende een d^{o}. wat laeger in ’t N. ½ O. van ons; waeren op de
+bevonden breete van 43 gr. 8 min. De cust van _Eso_ streckt hier W.S.W.
+ende O.N.O., naer de middach begon ’t hart op te droogen, deden onse
+cours S.W.t.W., de wint variabel met stilte, quaemen ’s avonts ten
+ancker op 36 vadem, santgront, 3 mylen van lant, de Caep _de Manshooft_
+O.N.O. van ons ende het W. eynt van het eylant _Mossirca_, ende nu by
+ons genaempt _van der Lyns_ eylant, lach W.t.S. 4 mylen van ons. ’s
+Nachts vingen wy 3 à 4 cabbeliauwen, was stil, de stroom styf om de W.
+loopende.
+
+c 15.
+
+’s Morgens cregen wy een cleyn luchien uyt den N., lichten ons ancker,
+deden onse cours W.t.S. aen tot omtrent te 10 ueren ’s ochtents, quaemen
+alsdoen ten ancker op 26 vadem, swarte santgront, de stroom styf om de
+W.S.W. loopende. Syn alsdoen met de prauw ende Stierman Roelof met de
+boot naer lant gevaeren, om te ondersoecken of wy achter _van der Lyns_
+eylant geen ree vinden conden, maer daer comende, vonden de eylanden met
+een rif aen een cleyn eylant vastgehecht te syn, ende het cleyne eylant
+weder aen het lant van _Eso_. Conden daer met de prauw niet door, de
+gront was opdroogende van ’t schip tot dicht aen het cleyne eylantie 5
+vadem, santgront. Syn stracx aen boort gevaeren, ende heb het den
+Commandeur te kennen gegeven, oock dat daer binnen die twee eylanden een
+groote bay was. Hebben op staende (voet) ons ancker gelicht, ende syn
+met het schip wat om de S.W. geseylt, ende voer doen stracx onse boot
+weder te gemoet, ende syn t’ saemen bewesten _van der Lyns_ eylant
+omgevaeren, vonden daer een schoone bay goede opdroogende gront, in de
+bay synde, steckgront. Terwyl wy dese gelegentheyt ondersochten, quaem
+den Commandeur ten ancker op 27 vadem. Ick heb een schoot laeten
+schieten tot teycken van de goede gelegentheyt, ende heb de boot voorts
+de bay dieper ingestiert, ende syn aen boort gevaeren, om het schip hier
+binnen te brengen. Eer ick aen boort was, quaem het schip ons al te
+gemoet seylen, overloopende in het schip lieten het voort staen, vonden
+de diepte als volcht, 27, 26, 23, 22, 20, 18 vademen, santgront, tot in
+het incomen van de bay; seylden bewesten de steyle hoeck van _van der
+Lyns_ eylant in, lieten een ronde steyle hoeck van _Eso_ aen bagboort
+liggen, alwaer een rif afstreckt omtrent ⅔ part van ’t incomen van het.
+Dit gadt is van hoeck tot hoeck omtrent 2¼ myl wyt, binnen de hoeck van
+’t eylant comende, is de cours N.N.W. in 15, 14, 13, 12, 11, 10, 9, 8,
+7, 6 vadem, steckgront, naer een steyle hoeck toe, alwaer men after can
+loopen; quaemen ’s avonts by den hoeck ten ancker op 7 vadem,
+steckgront. De W. hoeck van _van der Lyns_ eylant lach S.S.O. 3 mylen
+van ons. Het was ’s nachts moy stil weder, somtyts een cleyn coeltie uyt
+een S.
+
+d 16.
+
+’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof met prauw ende boot om de
+gemelde steyle hoeck gestiert, om te vernemen hoe diep wy wel after de
+hoeck in conden liggen, ende wat diepte daer was, ende of hier geen
+volck en woonde. Vonden verby de steyle hoeck een bocht ofte rivier, de
+welcke N.O. instreckte, alwaer in ’t gadt op de drumpel vonden met
+laech water 10, 11 voet water, synde wasige santgront, maer van binnen
+diep 5, 6, 7 vadem. Wy saegen verscheyden huysen staen, saegen een dorp
+om de S. van ons alwaer wy roock saegen, syn daer met schuyt ende boot
+naer toe gevaeren, maer eer by d^{o}. dorp waeren, quaemen de habytanten
+met twee prauwen ons te gemoet, waervan drie persoonen over in onse
+prauw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, het welck
+sy _Ackys_ noemden, syn met de meeste gesach hebbende in syn huys
+gegaen, wiens naem was _Noiasack_; in huys comende schafte wat gecoockte
+salm op, ende syn bybueren quaemen ons begroeten. Terwyl hier in huys
+waeren, heb ick ons volck met de seegen laeten visschen, ving een fraeye
+soo bot. Heb alsdoen onse afscheyt genomen, alsoo ick begon te mercken
+dat het water begon te wassen, ende syn met vrientschap gescheyden. Naer
+boort vaerende syn ons drie van haer vaertuygen gevolcht ende quaemen
+beneffens ons aen boort, aen boort synde wesen aen den Commandeur dat wy
+met het schip hier binnen souden comen. Alsoo bemerckte dat het water
+vry wat gewassen was, syn weder heen gevaeren ende hebben ’t gediept,
+vonden 13, 14 voet water, ende was noch een gaende vloet; syn naer boort
+gevaeren, ende heb het den Commandeur te kennen gegeven, waerop
+geresolveert is hier binnen te seylen, ’t welck wy stracx gedaen hebben.
+Vonden in ’t gadt niet minder als 15 voet water, de wint S.S.O., quaemen
+ten ancker op 5 vadem, steckgront, recht voor haer dorp _Ackys_, de
+habytanten quaemen aen boort ende brochten ons veel oesters. De
+Commandeur heeft het gebedt laeten doen, om Godt den Heer te dancken,
+dat Hy ons soo genaedelyck bewaert heeft, ende voorder wil bewaeren,
+Amen. Terwyl wy het gebedt deden ende veel van de inwoonders aen boort
+waeren, gingen mede modest neersitten om te luysteren, maer alsoo het
+wat lang duerde, reesen stil op ende voeren naer lant toe. Wy laegen
+geanckert omtrent een musquetschoot van beyde syden van het lant, hebben
+voorts het schip opgered ende onse watervaeten claer begonnen te
+maecken, om versch water te haelen.
+
+e 17.
+
+’s Morgens is eenich volck uytgestiert om te visschen, voorts eenige om
+wilt soecken te schieten, ende eenige om branthout te hacken. Syn met de
+prauw uytgestiert om dese bocht te visiteeren, of ’t een rivier was of
+niet, ende oock of hier omtrent meer volcx woonde te ondersoecken. Syn
+tegen den avont aen boort gecomen. Aen boort synde, den inwoonder, als
+het meeste gesach over het dorp hebbende, was genaempt _Noiasack_,
+verstonden dat deselfde ’s middachts aen boort geweest was met noch een
+oudt man, ende den Commandeur over taefel sittende dede teycken, alsoo
+een silvere lepel in handen naem ende seyde op syn spraeck: »dat is
+fraey silver,” ende dede met een bewys dat men dat groef, sifte ende
+smolt, ende was dan soodaenich silver, ende wees dat men hetselfde groef
+in ’t W.S.W. van ons, ende de plaets _Cirarca_ hiete daer de myn was. De
+jaegers waeren aen boort gecomen, hadden niet eenich gedierte gesien;
+maer de visschers hadden veel visch aen boort gebrocht, waer onder veel
+bot, schar, tarbot ende een groote steur was. Wy hadden verscheyden
+dorpen gevonden, maer geen volck daerin, voorts de beschryving van dese
+bocht ende riviere was soodaenich als hiernae beschreven is. Wy laegen
+hier met het schip, conden geen see sien; de inwoonders quaemen veel aen
+boort, wyven ende kinderen, ende brochten veel oesters ende roo
+appelties van roosen aen boort, die wy haer om ryst afruylden. Hadden
+dien dach ende nacht moy weder.
+
+f 18.
+
+’s Morgens syn ick ende de Stierman Roelof uytgestiert, om de groote
+bocht van binnen in ’t ront om te vaeren, om dien aldaer oock te
+visiteeren. Vonden d^{o}. bocht van _Ackys_ vol oesterbancken ende laech
+vlack ende (ver)droncken lant in ’t midden van d^{o}. bocht, d^{o}.
+bocht was van ’t schip om de O. wyt 2½ myl, ende in ’t S. ende N. 1 myl,
+ende het lant is rontom de bocht berchachtich lant met veel laege groote
+valeyen, ende vooraen wat berch voorlant, al waer op veel roo ende witte
+aelbessen, moerbeyen, roo braembeyen vonden wassen, maer het goet en was
+noch niet ryp. Dese bocht was overal ondiep, 2, à 3, 4 voet water in de
+kille. Syn voorts doen naer een steyle hoeck gevaeren, die N.O.t.N. ⅚
+myl van ons schip lach, ende is de N.W. hoeck van de bocht, alwaer op
+een hoochte een gemaeckt fort stont, ende in de laetste 8 à 10 huysen,
+dan was nergens geen volck in ende scheen in geen jaer volck in gewoont
+te hebben. Van d^{o}. dorp S.W.t.W. waeren aen de andere sy van de
+rivier, die alhier omtrent ½ myl wyt is, twee dorpen, alwaer by elcx op
+een berch oock soo een gemaeckt fort stont. Dese forten waeren gemaeckt
+als volcht: op den berch, daer die op gestelt waeren, was maer een smal
+opcomende wech, het welck steyl was om op te climmen, ende waeren
+palissaeden in ’t viercant gestelt, van de lengte ende de hoochte 1½
+mans lengte, daer stonden 2 à 3 huysen in, waeren groote vueren deuren
+in de palissaeden met groote clampen, als die toe waeren werden dan met
+twee dicke houten geslooten, synde door de clampen heengestoocken. Op
+twee hoecken van dese viercante gestelde palissaeden, is ’t met verheven
+stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uyt te kycken, voorts
+syn de palissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten. Dese
+rivier is versch water, vonden nergens geen volck, syn weder naer boort
+gevaeren; aen boort gecomen synde, verstonden dat de Schipper met de
+boot geseylt was om de W.S.W., mede hebbende den inwoonder _Noiasack_
+met 2 van syn soons; hy hadde belooft, om een syden Japansche rock, de
+onse te wysen alwaer het silver gegraeven wert. De wint synde S.S.W.
+laverende met de boot om de S.W., dien dach hadden de habytanten veel
+oesters ende appelties aen boort gebrocht, dien haer voor ryst afgeruylt
+werden.
+
+g 19.
+
+’s Morgens is een ander oudt man met een ruyge baert gecomen, ende dede
+bewys soo hem den Commandeur een cleetie à 2 wilde geven, hy wilde ons
+oock een myn wysen; ’t welck hem gegeven is, ende onse prauw wel gemant
+synde, is den Ondercoopman Pittavyn met hem mede gestiert, om het selve
+met hem te ondersoecken; syn van boort gevaeren met den habytant, by hem
+hebbende oock 2 jongens, voeren om de S. by de steyle hoeck S.W. van
+_Ackys_ om. Wat naer de middach quaem onse Schipper met de boot weder
+aen boort, hadde niet uytgericht, den habytant had hem (zich) sieck
+gemaeckt ende wilde met niemant in ’t lant gaen. Sy hadden geen volck
+vernomen, maer veel honden gesien. Corts hiernaer quaem onse schuyt oock
+weerom, die hadde omtrent by het cleyne eylant _Moyomosier_ geweest in
+de bocht, daer had haer den ouden habytant gewesen op ’t strant by een
+loopent versch watertie te graeven, maer daer graevende vonden niet als
+sant, soodanich als het strant was, soo dat het (door) dese luyden was
+gedaen om wat te hebben. _Noiasack_ presenteerde de rock weder te geven,
+maer hebben hem de rock ende den ander de cleeties laeten houden, om
+reeden dien avont uyt visschen geweest ende soo veel visch gevangen, als
+in twee dagen conden opeeten.
+
+a 20.
+
+’s Morgens syn ick met de cleyne seegen de groote rivier opgevaeren tot
+omtrent 1 myl van ’t schip; voeren in een ander dwars rivier, die W.S.W.
+in ’t lant streckende, mee heel versch water is, vischte daer; terwyl is
+de Commandeur te voet by ons gecomen, ende hebben met malcanderen een
+sootien op de cant van de rivier gegeeten. Alsoo wy niet veel in dese
+rivier conden vangen, is den Commandeur met syn byhebbent gevolch weder
+te voet tot by het schip gegaen, ende wy syn naer boort toe gevaeren.
+Dien dach is den Corporael van de soldaeten, met den Assistent Davit
+Cassu met 2 soldaeten, met een prauw om de S.W. gestiert, om eenich wilt
+soecken te schieten ende het lant aldaer te ondecken. Waeren voorts
+daegelycx doende om branthout te houwen ende de masten, stengen ende ons
+want wat te versien.
+
+b 21.
+
+’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof wat voor daech elck met een van
+de inwoonders prauties, die daertoe van haer geruylt waeren, de groote
+rivier opgevaeren, om te ondersoecken hoe hooch die in ’t lant opliep,
+bevonden die 3 à 4 mylen op te loopen om de O. met veel cromme
+omloopende racken, doch is overal ondiep. Voeren de rivier soo veer op
+als conden, niet veerder connende gingen noch een stuck wechts
+opperdan[27], vonden veel vlacke landen met lang gras, soo lang dat als
+men daerin stont niet van hem sien conden, de canten van de rivier meest
+met riet bewassen. In ’t lant ende op sommige canten van de rivier hooch
+geberchte, bewassen met alderhande groot geboomte, als eycken, vueren,
+bercken, willige ende lindenboomen ende wilde appelboomen, oock groote
+nootenboomen ende eenige by ons onbekende boomen. Vernaemen geen volck
+noch huysen, als een jaechhutien, opgeset synde van tacken van boomen,
+voeren doen de rivier weder af; in het afcomen saegen wy een seer groote
+yselyck swarte beer voor ons overswemmen, ende was aen lant ende in ’t
+bosch eer wy daerby conden comen. Syn aen boort gevaeren. Aen boort
+comende hadden de inwoonders veel oesters ende appelties van roosen aen
+boort gebrocht, dese appelties, de pitties daeruyt gedaen ende gestooft,
+smaeckt heel wel ende ververst treftich. De wint S. met een styve
+coelte.
+
+ [27] Opwaarts aan?
+
+c 22.
+
+’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S. met een styve coelte, hebben
+een vlot gemaeckt om te harpuysen, ende heeft ons volcq uyt visschen
+geweest, vingen soo veel visch als begeerden; d^{o}. is de timmerman aen
+lant gegaen om twee wangen (schalen) claer te maecken tot de besaens
+mast ende groote mast. ’s Middachts was ’t claer weder. Hebben verstaen
+van de inwoonders, als dat het silver was te crygen in _Cirarca_, ende
+gout in _Tacapsy_, maer dat het hare vyanden waeren, dat daerom
+_Noiasack_ niet hadden durven met ons volck daer naertoe gaen. Seyden
+oock als dat de menschen uyt al de andere dorpen ende huysen door honger
+ende coude gestorven waeren. _Coutsiaer_[28] was oock een dorp ofte
+plaetse by _Tacapsy_, dat waeren wel haer vrienden, maer daer en was
+geen minerael naer haer seggen. ’s Nachts hadden wy styve wint uyt een
+S.
+
+ [28] Op bl. 86 Goutsiaer.
+
+d 23.
+
+’s Morgens moy weder met een S. coelte; hebben het schip gecrengt,
+schoongemaeckt ende de eene sy geharpuyst, mosten de andere sy staen
+laeten doordien het begon te regenen; cregen ’s nachts een storm met
+harde regen, de wint S.
+
+e 24.
+
+’s Morgens de storm noch aenhoudende, hebben een worpancker uytgeset om
+de S.W., des noots synde om ons daegelycx ancker daerby uyt te haelen.
+’s Avonts de wint continueerende, hebben ons daegelycx ancker uytgehaelt
+tot een borch.
+
+f 25.
+
+’s Morgens begon de harde S. wint wat af te nemen ende het weer wat te
+beteren, hebben omtrent de middach het schip voorts geharpuyst, hebben
+ons worpancker tuys gehaelt daer wy sus lange mede vertuyt gelegen
+hadden. Naer de middach cregen weder een harde S. wint. Syn ’s avonts
+met een cleyn prautien de rivier opgevaeren, ende syn de dwars rivier
+opgeschept, die om de W.S.W. streckt; voeren d^{o}. rivier ’s nachts 2
+mylen op, cregen doen styven regen ende een harde wint, schuylden onder
+het lange riet tot tegen den dach, schepten alsdoen de rivier weder op.
+
+g 26.
+
+’s Morgens syn wy de rivier voorts opgevaeren, soo veer als wy op conden
+comen, ende vonden die boven heel ondiep ende smal, alwaer een groote
+essenboom dwars over lach, die door de groote afwatering de wortel uyt
+der aerde was geruckt; vonden op dese rivier schoone boomen staen van
+alderhande hout, of men in _Noorwegen_ was. Hier wassen tegen de
+voetings van het geberchte op de rivierscant witte ende roode
+braembessen, die ryp waeren, ende veel witte ende roo aelbessen met heel
+swarte imbere beiyen (Himbeeren); vonden oock schoone vlacke valeyen
+van vlack lant, maer conden daer niet oploopen door de langte van het
+gras. Naer ick boven in de rivier con bemercken, soo had het water wel
+een vaem ’s winters hooger geweest als nu met hooch water quaem. Hier
+niet sonders meer connende vernemen, syn de rivier weder afgevaeren,
+hadden de rivier omtrent 4 à 5 mylen op geweest, ende loopt soo crom als
+een slang, op het hoochst gelyck een gecrulde slang die byt (het
+oogenblik afwacht) om te springen. Vonden in ’t afcomen, omtrent 2 mylen
+de rivier op, 6 huysies op een vlacke hoeck staen, waerby langs een
+cleyn afloopent watertie quaem afloopen, by een steyle hooge hoeck van
+wit albastert steen; vonden daer geen volck in, noch scheen in geen jaer
+volck geweest te hebben, vonden daer eenige vischkorven in, gelyck de
+cubbe in ’t vaderlant; voeren veerder af, vonden alsdoen noch 2 huysies
+op een vlackte staen, als de vorige, syn voorts afgevaeren. Voor in den
+mont van de rivier laegen eenige groote vuerenboomen, oock eenige ¼ myl
+de rivier op, die ’s winters met de groote cracht van het smeltende
+sneeuwwater met wortel ende al afgestroompt worden, ende door de groote
+cracht des waters uyt de aerde geruckt werden. Tegen den avont by ons
+schip comende, saegen een Japansche lastberck by ons schip liggen,
+waerover ick seer verwondert was; aen boort comende verstont als volcht,
+dat d^{o}. berck alhier omtrent de middach gearriveert was, ende dat een
+Japander, synde een jongh flucx man, synde als opperhooft van d^{o}.
+berck, aen ons boort had geweest met 6 man van syn volck, ende hadde
+geseyt dat hy hier quaem om te handelen, gelyck de Hollanders in _Japan_
+comen handelen, ende dat hy van een plaets quaem genaempt _Matsimay_,
+liggende bewesten Caep _Eroen_ op _Eso_, ende is aldaer een Japansche
+regent op d^{o}. plaets, soo dat die plaets onder de Japander sorteert,
+maer dese luyden comen hier om te handelen velwerck, traen ende
+walvischspeck. Heeft verscheyden discoursen met den Commandeur gehadt,
+ende is aen boort gevaeren, ende liet syn bovenrock ende houwer in de
+cajuyt liggen, seggende hy soude die morgen comen haelen. Haer lading
+was ryst, gemaeckte rocken, sackie, toeback; hadden oock loode
+ringeties, die sy aen de Esoers schoncken, om in haer ooren te hangen.
+Hy hadde oock geseyt, dat hy van een Japanschen vader, maer syn moeder
+uyt _Eso_ was. Hy sprack de Esosche spraeck soo pront als syn Japans; hy
+seyde oock als dat in _Tacapsy_ ende _Cirarca_ veel gout soude vallen,
+heeft van elcke plaets een cleyn stuckien berchgout aen den Commandeur
+geschoncken; hy seyde oock dat _Eso_, synde dit lant, een eylant was,
+ende haelde het fatsoen uyt syn hooft met potloodt op een vel pampier
+met _Japan_, circa als in ’t hantteyckenboeck is te beoogen. Seyde oock
+dat de _Matsmadonna_ syn hof hielt in _Matsimay_, ende dat daer een
+fraeye haeven by lach, genaempt _Camenda_; seyde oock als dat de
+_Matsmadonna_ jaerlycx naer den Keyser trock ende brocht schenckagie van
+vellen tot tribuyt aen hem, syn reys nemende te water tot _Nabo_, wat
+verby de Caep _Goeree_ om de S., ende reyst dan naer den Keyser over
+lant naer _Jedo_. Hy affirmeert het seggen van den Esoer, als dat
+_Coutsiaer_ sonder mineraelen, ende dat _Cirarca_ silver ende gout
+heeft, ende dat _Tacapsy_ gout geeft, hy noemde noch 2 plaetsen _Erbis_,
+_Porvobis(?)_ Op d^{o}. hebben begonnen water ende hout te haelen.
+
+a 27.
+
+’s Morgens is de Japander weder aen boort gecomen, ende heeft het schip
+bekeecken ende daernae weder wat met den Commandeur gediscoureert; een
+geschildert tsits cleetie hangende voor de Commandeurs coy, eyste daer
+soo veel af als tot een beurse van doen hadde, doen is hem een stuckien
+wit damast ende geel armosyn gegeven met noch een roemer, alwaer groote
+sin in hadden; sey: compt met u schip in _Matsimay_, brengt daer sulcke
+stof, sult soo veel silver crygen als ghy begeert. Den Commandeur liet
+hem een stuckien minerael sien, vraegende waer wy daeraen quaemen, seyde
+dat wy dat in _Nova Spania_ gecregen hadden, soo seyde hy weder _Cany
+Nova Spania_. In ’t uytgaen van de cajuyt sach hy een Hollantsche can,
+alwaer hy groote genegentheyt toe toonde, alwaer wy tien balys ryst voor
+geruylt hebben, ende wert hem noch een Sineesch verglaest potien toe
+geschoncken. Hy naer boort vaerende, seyde, dat hy met syn berck dichter
+by ons comen wilde. Den Japanders naem was _Ory(?)_ Ons volck doende
+synde met water haelen, alwaer den Japander oock met 2 à 3 man van syn
+volck om water is gecomen, elck een leege sackie baly[29] hebbende;
+dewelcke ons volck haer gevult hebben, ende syn naer haer boort
+gevaeren. Wy haelden dien dach veel branthout aen boort met onse cleyne
+prauw, syn ’s avonts uyt visschen gevaeren, quaemen in den voornacht aen
+boort, brochten een lustige soo visch mede. In het aen boort comen sach
+ick dat den Japanders berck wat bet met de stroom, de ebbe gaende,
+uytwaert aen gedreven was, ende in ’t laest van de eerste wacht vertrock
+sonder van ons syn afscheyt te nemen. Hier in de bocht ende ree van
+_Ackys_ maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hooch water, dan comen veel
+wantyen.
+
+ [29] Een tobbe of back. Witsen.
+
+b 28.
+
+’s Morgens syn met het prautien om de S. geroeyt, om te sien of ick den
+Japansche berck noch sien con, ende waer hy het heen liet staen, om de
+N. of om de S., ofte om de O. of de W.; maer om de steyle hoeck comende
+saegen hem niet, syn voorts uytwaert aengeroeyt tot aen het cleyne
+eylant _Moyomosier_, syn daer boven opgeclommen, maer conden d^{o}.
+berck niet sien, maer ick bevont dit eylant boven op soo scherp gelyck
+een cap van een huys. Op d^{o}. eylant stont het vol _Aniens_(?) synde
+paers van cleur. Syn weder naer boort gevaeren. Op de vlackte van het
+gadt van _Ackys_ comende, heb het selfde noch eens op noves gediept,
+vonden 13, 14, 15 voet water ende was noch geen hooch water. Dus doende
+wesende met diepen, begon ’t styf te regenen ende te waeyen, ende alsoo
+weder drie persoonen met een prautie op den 26 d^{o}. uytgesonden
+waeren, om de S.W., om nae eenich wilt te soecken ende het lant soecken
+veerder inwaert aen te ondersoecken, saegen die noch niet opcomen,
+waerover den Commandeur een schoot heeft laeten doen dat wy aen boort
+souden comen. Aen boort comende, heeft geseyt: ons volck is er noch
+niet, ende haer tyt die sy uytblyven souden is geexpireert, sy moeten
+wat gebreck hebben, compt, laet de prauw claer maecken ende neemt eeten
+ende drincken mede, ende vaert heen ende weest haer in behulp. Heb alles
+stracx claer laeten maecken, maer als doende waeren, om over boort te
+climmen, saegen ons volck aen comen roeyen, doch veeltyts dwars liggen,
+vermoeden dat sy moede ende mat waeren, syn al evenwel naer haer toe
+gevaeren, de wint styf uyt een S.S.W. waeyende, quaem met haer eerst
+naer de middach aen boort. Sy en hadden menschen noch beesten
+vernoomen, brochten eenige steenties mede, daer eenige blinckende aerde
+ofte spetie in scheen te wesen. Hadden over het lant heen in ’t S.W. de
+see gesien, ende daernaer weder lant; ’t welck de bocht ven _Tacapsy_
+moet wesen. Op dato is een van ons volck, die by de waterput mede
+geordineert was, om water in de vaten te scheppen, in huys gecomen van
+_Noiasack_, ende begeerde een pijp taback op te steecken; heeft een
+cleyn meysien met de eene hant op ’t hooft geraeckt, waerover dese
+_Noiasack_ een groot misbaer gemaeckt heeft. Waerover de aen lant
+wesende Stierman met den matroos aen boort gecomen is, ende het selfde
+den Commandeur aengedient heeft. Soo heeft den Commandeur de Assistenten
+Arnout ende Davit aen lant gesonden, om de gelegentheyt van de daet te
+vernemen. In _Noiasack_ syn huys comende, vonden hem geheel verstoort,
+vonden al de manspersoonen van het dorp in syn huys; hy sittende met een
+houte knuppel in syn hant, alwaer sy recht mee doen; ende wilde de twee
+Assistenten niet toe spreecken. Sy saegen het meysie met het aengesicht
+op de aerde liggen, conden van niemant geen spraeck crygen, als
+_Noiasacks_ vrouw sey, dat _Noiasack_ dat meysie geslaegen hadde. Syn
+met dat bescheyt aen boort gecomen.
+
+c 29.
+
+’s Morgens syn de twee Assistenten weder naer lant gevaeren, om imant
+van de manspersoonen van ’t dorp aen boort te haelen, op dat sy sien
+souden dat wy recht ende justitie maintineerden. Syn met drie broers aen
+boort gecomen, twee ruyge gebaerde mannen ende een jonck man. Sy siende
+dat den delinquant voor de mast gestelt wert, ende den Schipper hem
+geslaegen hebbende, ende ick slaen soude, heeft den een myn
+vastgehouden, ende de dach[30] met cracht uyt myn hant geruckt, ende
+wesen de persoon sou van de mast wechgaen, sy wilden de dach over boort
+smacken, seggende _Oryback_, het is niet goet. Sy in de cajuyt loopende,
+seyden, dat sy aen _Noiasack_ elck een rock ende houwer gegeven hadden,
+dat hy wel tevreden wesen soude, ende soo den Commandeur een rock aen
+_Noiasack_ geven wilde, dat sy dan haer houwers weder crygen souden met
+haer rocken. Den Commandeur de groote listicheyt ende giericheyt van
+desen _Noiasack_ bemerckt hebbende, heeft de luyden wat getracteert,
+ende heeft haer naer lant laeten vaeren, seggende hy sou maecken dat sy
+haer rocken weder souden crygen. Corts syn met den Assistent Davit naer
+lant gestiert, hebbende een can slechte arack by ons; aen lant comende,
+gingen stracx in _Noiasacks_ huys; vonden _Noiasack_ sitten, siende heel
+stuerts, greep hem by de hant, ende wees, wy mosten vrolyck syn; ick
+quaem aen lant met hem eens vrolyck te syn, ende wees, most niet suer
+sien maer lachen; waerop hy myn toelachte, ende wees, ick soude by hem
+gaen sitten. Ick siende syn houwer ende knuppel achter hem liggen, greep
+die ende brocht dat heel in een ander hoeck van ’t huys, ende wees, dat
+was niet goet, maer mosten t’ saemen eens taback ende een arackien
+drincken, ’t welck hy met myn dede; creech hem soo veer, dat hy begon
+praetich te worden. Rontom saeten die drie broers met noch 4 à 5 andere
+manspersoonen, brocht het soo veer, dat sy allegaeder mannen, vrouwen
+ende het voorschreven meysie weltevreden ende vrolyck waeren. Ick rontom
+siende, sach de drie houwers ende rocken liggen, syn opgestaen, ende
+die opgenomen ende in handen van _Noiasack_ gegeven, ende gewesen, hy
+sou de rocken ende houwers geven die sy toequaemen, dat het niet en
+docht anders luydens goet te neemen. Heeft het vrywillich gedaen, gaf
+elck syn eygen goet weder; waerover sy verblyt waeren, roepende _Tacoy,
+tacoy_, vrient, vrient, waerop ick haer allegaeder een scheeps arackie
+heb laeten schencken, waerop _Noiasack_ syn beleeftheyt heeft getoont,
+ende schonck myn drie blaeden Japansche taback, seyde die heb ick van de
+_Koka_ gecregen; ’t welck is de Japander, by haer soo genaempt. Ick heb
+in myn afscheyt neemen de vrouwen ende kinderen met cleyne snuysteringe
+vereert, ende syn soo met vrientschap van haer gescheyden ende naer
+boort gevaeren. Ons water ende hout haelen ginck gestaedich voort;
+hebben op dien dach hout tot een besaens mast gehackt ende noch twee
+greene spieren.
+
+ [30] Een kort dik ent touws daar men de schepelingen mede kastijdt.
+ Witsen. Tegenwoordig Handdagen.
+
+d 30.
+
+’s Morgens heeft den Commandeur een tent aen lant laeten oprechten, ende
+syn met alle man in de waepenen geweest. Syn soo door ende verby het
+dorp van _Ackys_ gemarscheert, om de inwoonders eens te betoonen, indien
+ons imant quaet dede, dat wy oock op onse defentie stonden. Scheenen
+seer vervaert ende bevreest te syn, maer alsoo sy saegen dat wy haer
+geen quaet en deden, ginck de vrees haest over. Syn weder by de tent
+gemarscheert, alwaer de Crancbesoecker een predicatie gelesen heeft uyt
+den 16^{den} psalm, het 4^{de} vaers. Hebben alsdoen t’ saemen wat
+gegeten ende hebben dese baey genaempt _de Goede Hoop_; syn tegen den
+avont aen boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy harde regen ende wint uyt
+den N.
+
+e 31.
+
+’s Morgens syn met het meeste scheepsvolck naer lant gevaeren, om het
+omgehackte ronthout uyt het bosch op ’t strant te brengen, ende voorts
+aen boort sien te crygen; quaemen ’s middachts weder aen boort, brochten
+veel tacken met groote nooten aen boort, die meest ryp waeren. Hadden
+d^{o}. hout op de watercant gebrocht, om het met het toecomende hooch
+water aen boort te brengen; hebben oock hout tot wintboomen ende
+hantspaecken gehackt, synde berckenhout. Ons ronthout ’s avonts aen
+boort gecregen hebbende, haelden ons daegelycxs ancker t’huys, om ’s
+anderdaegs t’seyl te gaen.
+
+Soo lang als wy hier in de bay laegen, hebben wy geen gedierte by haer
+vernomen als honden, ende vier arenden, die wy van haer geruylt hebben
+voor twee handen vol Javaensche taback. Voorts het velwerck dat sy
+hadden, vertrou ick, dat sy ’s winters crygen, want het wilt somers hier
+niet is te becomen, door de dichticheyt van het bosch ende het lange
+gras. Dese bay soude welgelegen syn, om te overwinteren, des noots
+synde. Dese luyden syn ruych van baert, het halve hooft geschooren,
+voorts achter op ’t hooft lanck haer, de vrouwen haer hooft is met een
+crans geschooren. Het vrouvolck schynt seer eerbaer te syn, alsoo wy
+conden bemercken aen haer; als sy haer kinders de borst gaeven,
+bedeckten die seer nauw. Als hier een vrouw in de craem leyt, wort in
+een huysie alleen geleyt, tot dat de bestemde tyt verstreecken is; wert
+by de mans soo lang onsuyver gehouden. Als sy eenige straffe doen des
+doots schuldich ofte eenige van haer vyanden gevangen crygen, slaen die
+doot met een swaeren kneppel in de lenden. Voorts de strecking van de
+bay ende het incomen van dien met de diepte, is als by de caert can
+beoogen.
+
+
+September.
+
+f 1.
+
+’s Morgens was ’t heel stil moy weder, hebben met het criecken van den
+dach wat bot ingecort, ende verwachten voorts het hooch water, lichten
+alsdoen het ancker ende boechseerden het gadt uyt; vonden in de kil 16
+voet water. Terwyl wy met een voorebbe het schip met de boot lieten uyt
+boechseeren, is den Assistent Arnout Brouwer ende Davit Cassu, naer
+_Ackys_ gestiert met een cleyn prautie, om aen _Noiasack_ een Prince
+vlaggetie te vereeren. Wy quaemen tegen den middach by den eersten hoeck
+ten ancker op 3 vadem, steckgront; want de ebbe verloopen was ende de
+wint ons uyt de see tegenquaem. Corts daernae quaemen de twee
+Assistenten weder aen boort, ende werden uytgeley gedaen van _Noiasack_,
+ende met noch twee prauwen met habytanten, dewelcke voor een adieu
+medebrochten menichte oesters ende appelties van roosen. Gaeven oock een
+van haer houwers aen den Commandeur, waertegen haer elck een cleetien is
+gegeven, ende syn soo met vrientschap gescheyden. Saegen noch een prauw
+comen van Caep _Santanel_; het scheen dat dese habytanten de andere niet
+wilden verwachten, maer syn met der haest wechgevaeren naer _Ackys_.
+Dese prauw aen boort synde, was vol velwerck; als robbenvellen, elants,
+otters ende beeren, ende eenige by ons onbekende vellen; hadden oock een
+doode craenvogel ende eenige gedroochde visch; presenteerden het alles
+te verruylen voor Japansche rocken. De prauw quaem van _Coutsiaer_, de
+habytanten waeren met haer vieren; drie waeren gecleet met rocken van
+vellen, den anderen had een geschilderde Japansche rock aen, ende was
+een oudt man, met een ruyge lange witte baert. Quaemen in ’t schip over,
+ende presenteerden haer waeren, maer daer en is niets van haer geruylt.
+Syn ’s nachts van boort gevaeren ende roeyden naer _van der Lyns_
+eylant, om daer te vernachten. Ons volck waeren ’s avonts uyt visschen
+gevaeren. Alsoo wy in de voornacht een N. coeltie cregen, schooten een
+schoot, dat sy aen boort souden comen; quaemen aen boort ende brochten
+een schoone soo visch mede, alwaer een groote steur onder was. Wy syn
+wat dichter onder _van der Lyns_ eylant geseylt, ende hebben het aldaer
+geanckert op 8 vadem, steckgront; verwachtende den dach, om het rif met
+voorsichticheyt te passeeren, dat van Caep _Santanel_ afstreckt; meest
+O.S.O. 1¾ myl in see.
+
+g 2.
+
+’s Morgens omtrent twee ueren voor daech cregen wy een moy coeltie uyt
+een O., deden onse cours S., lichten ons ancker, het diepte al gaende af
+8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16 tot 18 vadem. Hielden het eylant het naest,
+liepen by de steyle W. hoeck uyt in see, om het rif terdegen te
+schouwen; dach synde saegen wy die voorige aen boort geweest synde
+habytanten ons naer comen roeyen, dan wy te hart voortgaende, keerden
+wederom naer de Caep _Santanel_ toe. Een myl W. ½ S. leyt de O. hoeck
+van de bay van _Tacapsy_ van de Caep _Santanel_ af. Wy buyten in see
+wesende, setten onse vaertuygen in. ’s Middachts giste Caep _Santanel_
+N.t.W. 4 mylen van ons, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 52
+min., ende 163 gr. 30 min. in de lengte, ende op de bevonden breete van
+42 gr. 52 min.; diep 60 vadem, grauwe wasige santgront. Wat naer de
+middach cregen wy de wint O.S.O., lieten het ten naestenby N.waert over
+staen; 3 ueren naer de middach was ’t noch 90 vadem diep ende doen corts
+gront af. ’s Avonts scheen het eylant _Mossirca_ N.O.t.N. 7 mylen van
+ons, ende Caep _Canael_ N.t.O. ½ O. van ons. Saegen menichte van
+gevogelte. ’s Nachts was ’t motrich ende regenachtich weder met styve
+topseyls coelte.
+
+a 3.
+
+’s Morgens begon de wint al treckende naer het S. ende S.W. te loopen,
+ende voorder naer het W., de see hol aenschietende uyt een S.O.; wenden
+het alsdoen ende lieten het om de S.O. staen. ’s Middachts giste geseylt
+te hebben S.t.W. 11 myl, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 9
+min., ende op de lengte van 163 gr. 18 min.; deden alsdoen onse cours
+S.S.O. aen. Vier glaesen daernae saegen wy de Caep _Eroen_ in ’t W.t.N.
+10 mylen van ons, vier ueren naer de middach deden wy onse cours S. aen.
+’s Avonts saegen wy het hooge lant van Caep _Eroen_ in ’t W.N.W. van
+ons; saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint W.
+
+b 4.
+
+’s Morgens was de wint W.S.W. met goet weder. Giste ’s middachts geseylt
+te hebben S. ½ O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr.
+3 min.; hebben dien dach getalyt ende gestaecht. Naer den middach de
+wint S.S.O. ende S.O., wenden het om de S.W. met een labber coeltie. ’s
+Nachts de wint S.O. ende S.O.t.S.
+
+c 5.
+
+’s Morgens hadden wy een betogen lucht, de wint S.O.t.S. Giste ’s
+middachts geseylt te hebben S.W. ½ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op
+de breete van 40 gr. 24 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min.,
+ende bevonden breete van 40 gr. 24 min.; lieten het al S.W.waert
+overstaen tot ’s avonts, wenden het doen om de O.; de wint alsdoen
+S.S.W. In ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy de wint S.W. met
+regen ende styve coelte, naemen onse marsseyls in, ende in ’t inneemen
+der marsseyls is de schenckel van de loefbras ende het ly-geytouw aen
+stucken gebroocken, waerover ons groot marsseyl uyt de lyck geraeckt is;
+geyden voorts ons grootseyl op, lieten het met de fock ende besaen voort
+staen. Dese styve wint hielt aen tot in ’t vyfde glas van de tweede
+wacht, alsdoen wert het goet weder, cregen een N. wint, deden onse cours
+S. aen.
+
+d 6.
+
+’s Morgens goet weder, de wint N. met een labbercoeltie. Giste ’s
+middachts geseylt te hebben S. 8 mylen, waeren volgens dien, op de N.
+breete van 39 gr. 52 min., de lengte als vooren, ende op de bevonden
+breete van 39 gr. 54 min. Hadden van ’s ochtents in stilte gedreven tot
+’s middachts. Cregen naer de middach een variabel labber coeltie uyt een
+S. ende S.W.
+
+e 7.
+
+’s Morgens was ’t moy weder met een cleyne coelte uyt een S.W., met een
+donckere betogen lucht met stilte, somtyts een variabel luchien. Giste
+’s middachts geseylt te hebben S.O.t.S. 5 mylen, waeren volgens dien, op
+de breete van 39 gr. 37 min., ende op de lengte van 162 gr. 42 min. Wat
+naer de middach saegen wy eenige walvisschen. Met sons onderganck cregen
+wy de wint S.S.O., deden onse cours S.W.t.S.; doen er 4 glaesen in de
+eerste wacht uyt waeren, cregen de wint S.W. met motregen, wenden ’t
+S.O.waert over. Hadden ’s ochtents de compassen op 8 gr. N.Oostering des
+naelts geleyt.
+
+f 8.
+
+’s Morgens moy weder met cleyne coelte, de wint uyt een S.W., ende wat
+op den dach variabel. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.t.O. ½ O. 8
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 39 gr. 6 min., ende
+op de lengte van 162 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 39 gr.
+29 min., bevonden styven stroom om de N. te gaen; saegen eenich wier
+dryven. Naer de middach cregen wy een cleyn coeltie uyt een N. ende
+trock naer ’t O., deden onse cours W.S.W. ’s Avonts de wint N.O.,
+stelden onse cours S.W. aen.
+
+g 9.
+
+’s Morgens was ’t een betogen lucht, de wint N.O., deden onsen cours
+W.S.W.; saegen omtrent 2 ueren naer sonnen opganck het lant in ’t W. van
+ons liggen omtrent 11 à 12 mylen. Bleven by de W.S.W. cours, tot dat wy
+het lant ten deele verkennen conden, ’t welck was de hooge _Taefelberch_
+van de O. cust van _Japan_, deden alsdoen onse cours S.W. aen; saegen
+oock N.waert van ons het hooge lant van _Nabo_. Giste ’s middachts
+geseylt te hebben S.W. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete
+van 38 gr. 53 min., ende op de lengte van 162 gr. 2 min.. Alsdoen lach
+de _Taefelberch_ wel soo N. als W.t.N. 8 à 9 mylen van ons; deden doen
+onse cours S.S.W. tot half naer middach, cregen doen de wint W.S.W.,
+lieten het ten naestenby S.waert over staen; saegen groote raveling van
+stroom. Met sons-onderganck lach de _Taefelberch_ N.W.t.W. ½ W. 10 mylen
+van ons. ’s Nachts de wint uyt een W.N.W. ende N.W., deden onse cours al
+by de wint over om de S.S.W. ende S.W.
+
+a 10.
+
+’s Morgens de wint N.N.W. met topseyls coelte, onse cours om de S.W.
+ende daernaer W.S.W. Omtrent 2 ueren voor middach cregen wy de O. cust
+van _Japan_ in ’t gesicht, ende lach in ’t W. ende W.S.W. van ons. Giste
+’s middachts geseylt te hebben S.S.W. ½ W. 19 mylen, waeren volgens
+dien, op de breete van 37 gr. 46 min., ende op de lengte van 161 gr. 6
+min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 38 min.; waeren 10 à 11
+mylen buyten de wal. Is alsdoen geresolveert om onse cours om de O. te
+stellen, tot ontdecking van de Gout ende Silver rycke eylanden; waertoe
+de goede genaedige Godt gelieft syn segen te geven. Amen. Naer de
+middach ende ’s nachts het luchien variabel met veel stilte.
+
+b 11.
+
+’s Morgens moy weer als vooren met stilte, naer gissing geseylt O.t.N. 8
+mylen, hadden de breete van 37 gr. 51 min. Naer de middach een labber
+coeltie uyt den S., variabel, als oock ’s nachts.
+
+c 12.
+
+’s Morgens moy weder, de wint S.O., onse cours ten naestenby O.waert
+over; wat op den dach cregen wy de wint S.S.O., de see styf
+aenschietende uyt een S.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.N.O.
+12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 9 min.,
+ende op de lengte van 162 gr. 39 min., ende op de bevonden breete van 38
+gr. 29 min. Vernaemen hier de stroom om de W. te loopen; waeren nu 28
+mylen buyten de O. cust van _Japan_. Saegen wat naer de middach een
+stuck hout dryven ende by menichte gevogelte vliegen. Tegen den avont
+begon ’t styf te motregenen, ende in de eerste wacht cregen wy een harde
+slachregen, ende in ’t laetste deel van d^{o}. wacht wert het stil tot 7
+glaesen in de tweede wacht, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. met
+topseyls coelte; deden onse cours S.O. aen.
+
+d 13.
+
+’s Morgens was ’t een grauwe betogen lucht, giste ’s middachts geseylt
+te hebben O.t.S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 38 gr.
+20 min.; maer bevonden te syn op de bevonden breete van 38 gr. 40 min.,
+soo dat op noves bevonden de stroom styf om de N. te gaen; deden onsen
+cours S.O., de wint W. met holle deyninge uyt een S.; saegen veel
+meeuwen vliegen.
+
+e 14.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.W. ende N.N.W. met topseyls
+coelte, cours als vooren. Giste ’s middachts geseylt te syn S.S.O. 20
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 26 min., ende op de
+lengte van 164 gr. 16 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 16
+min., bevonden als nu de stroom gekentert te wesen, waeren nu 48 mylen
+buyten de O. cust van _Japan_. Vingen 2 cleyne lantvogelties gelyck
+rietvinckies. ’s Nachts cregen wy een N. coelte.
+
+f 15.
+
+’s Morgens moy weder, de wint als vooren uyt een N.N.W. met holle
+deyninge uyt een N. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.N. 17
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 29 m., ende
+op de lengte van 165 gr. 38 min., ende op de bevonden breete van 37 gr.
+24 min.; waeren doen 64 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Saegen veel
+steencroos ende een stuck hout dryven; deden onse cours N.O.t.O. aen;
+saegen naer de middach een stuck van een viercante balck dryven, synde
+viercant gehackt, lanck omtrent 1½ vadem ende 2 voet breet, ende scheen
+al lanck gedreven te hebben. De wint trock temet naer het N.N.O., ende
+continueerde die heele nacht.
+
+g 16.
+
+’s Morgens moy weder met een slappe N.N.O. coelte, met holle see uyt een
+N. Saegen voor de middach een groote schilpadt dryven, saegen veel
+cleyne clipmeeuwties ende ander groote meeuwen vliegen. Giste ’s
+middachts geseylt te hebben O.t.S. 16 mylen, waeren volgens dien, op de
+breete van 37 gr. 12 min., ende op de lengte van 166 gr. 54 min., ende
+op de bevonden breete van 37 gr. 17 min.. Vingen weder een cleyn
+lantvogeltie corts naer de middach, gelyck een puttertie. De wint
+variabel met stilte; waeren nu omtrent 80 mylen buyten de O. cust van
+_Japan_; met sons onderganck cregen wy de wint uyt een S.S.O., deden
+onse cours eerst N.O., ende daernaer O.N.O.; in de eerste wacht
+motregen, in ’t voorste van de tweede wacht cregen wy een styve wint uyt
+een S.; naemen beyde onse marsseyls in.
+
+a 17.
+
+’s Morgens was ’t al ongestaedich weder, met styve buyen uyt een S.S.O.,
+met regen ende hol water, naemen onse bonets af ende reefden de
+besaen[31], de wint allengskens naer het S., S.S.W. tot het S.W.
+omloopende. Leyden ’s ochtents onse compassen op 10 gr. N.Oostering des
+naelts. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.O.t.O. 16 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende op de lengte van 168
+gr. 2 min. Bevonden alsdoen dat wy groote leccagie door onse laetpoort
+gecregen hadden, maeckten het van binnen soo veel dicht als conden. Wat
+naer de middach wert ’t moy weder, brochten onse bonets weer aen ende
+setten alle de seylen doen weder by, ende deden onse cours O. aen, de
+wint temet met een styf topseyls coeltie naer het W. omkringende; de
+holle deyninge draeyde al met de wint om. ’s Avonts hadden wy veel
+blixem in ’t S.O. ende in ’t S.S.O.
+
+ [31] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen
+ geregen kan worden. Witsen.
+
+b 18.
+
+’s Morgens was de wint W.N.W. met styve coelte; saegen een stuck hout
+dryven, ende veel meeuwen vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben
+O. 38 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende
+op de bevonden breete van 38 gr. Stelden doen onse cours O.t.S. aen;
+waeren alsdoen 130 mylen buyten de O. cust van _Japan_; de wint naem
+langsaem af ende liep in ’t N.W. ’s Nachts N. met stilte ende slecht
+water.
+
+c 19.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich weder; setten voor de middach ons want
+aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 17 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 37 gr. 47 min., ende op de lengte van 172
+gr. 38 min. De wint naer de middach naer het S.W. ende voorts naer het
+S. treckende, deden onse cours O.t.N. aen, ende corts daernae O. ’s
+Nachts styve coelte, ’s avonts hebben wy onse compassen op een streeck
+N.Oostering geleyt.
+
+d 20.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, met een styve doorgaende wint met slecht
+water; saegen veel meeuwen vliegen; vervolgden onse cours om de O. Naer
+de middach ten 4 ueren cregen wy een styve coelte uyt een S.t.W., soo
+dat wy onse marsseyls innaemen. Tegen den avont de wint naer het W.
+treckende, maeckten de marsseyls weder by, met styve topseyls coelte;
+doen er drie glaesen in de eerste wacht uyt waeren, verhefte hem de see
+soo subyt met een W. styve wint, dat wy weder de marsseyls innaemen.
+
+e 21.
+
+’s Morgens was ’t helder ende claer weder, de wint W., hebben onse
+marsseyls weder bygemaeckt, vervolgende onse cours om de O.; cregen naer
+de middach de wint W.N.W. tot in de eerste wacht, doen N.W. ende de
+coelte loopende temet naer het N. ende voorts N.O. ende voorts naer het
+O.
+
+f 22.
+
+’s Morgens hadden wy moy helder weder, de wint tegen den middach S.O.,
+’s middachts S.O.t.S. met slappe topseyls coelte, met holle deyninge uyt
+een W.N.W.; maer cregen ’s nachts slecht water. ’s Nachts de wint S.,
+treckende temet naer ’t S.S.W. met gemeen topseyls coelte.
+
+g 23.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, omtrent 2 ueren voormiddach saegen wy
+eenige puystebyters rontom het schip vliegen, met menichte grauwe ende
+witte meeuwen ende eenige swaluwen; stelden onse cours S.O.t.S. by de
+wint over. ’s Middachts giste geseylt te hebben O.t.S. 20 mylen, waeren
+volgens dien, op de breete van 37 gr. 32 min., ende op de lengte van 181
+gr. 12 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 31 min.; waeren
+alsdoen omtrent 240 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Ende alsoo wy
+vermoeden dat dese puystebyters uyt de S.O. van daen te comen, is
+geresolveert onse cours S.O.t.O. aen te stellen omtrent 50 mylen, om te
+ondersoecken of wy het eylant _Rica de Plate_ aldaer mochten bejegenen.
+De wint S.W.t.S., ’s avonts vernaemen wy geen meer puystebyters; in ’t
+ondergaen van de son scheenen wy lant te sien in ’t W.t.S. van ons,
+alwaer wy naer toe gewent syn, W.waert over; de wint S.S.W. met slappe
+topseyls coelte. ’s Nachts hadden wy helder weder met claer gesicht.
+
+a 24.
+
+’s Morgens hadden wy claer helder weder, ’s nachts geseylt W.t.N. 7
+mylen, maer vernaemen geen lant; syn wat naer sons-rysen gewent
+S.O.waert over, met een topseyls coelte ende een claere sonneschyn. ’s
+Middachts hebben wy onse compassen op 14 gr. N.Oostering geleyt; de see
+styf uyt een S.W. aenschietende. ’s Nachts moy weder, de wint S.S.W.
+
+b 25.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint S.S.W. met slecht water met een
+topseyls coelte. ’s Nachts weder ende wint als vooren.
+
+c 26.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, de wint als vooren; saegen eenige witte
+meeuwen. Wat voor de middach cregen wy een weynich regen. ’s Middachts
+is geresolveert onse cours O.S.O. aen te stellen tot ’s avonts ende als
+dan geen lant vernemende, onse cours om de O.N.O. aen te stellen. ’s
+Avonts niet vernemende, deden onse cours O.N.O. aen met een S.t.W.
+coelte ende helder weder.
+
+d 27.
+
+’s Morgens weder ende wint als vooren, omtrent 2 ueren voor de middach
+cregen wy de wint uyt een N.O. tot ’s middachts, alsdoen O.N.O. met een
+topseyls coelte, wenden het alsdoen N.waert over. Giste geseylt te
+hebben O ½ N. 21 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 13
+min., ende op de lengte van 186 gr. 59 min., ende op de breete van 36
+gr. 10 min.; saegen groote grauwe cockmeeuwen ende een witte pylstaert.
+De eerste wacht trock de wint naer het O. ende voorts naer het S.O.,
+ende liep in de dachwacht naer het S.
+
+e 28.
+
+’s Morgens was ’t helder weder met claer gesicht, de wint S.W. met moye
+coelte, onse cours O.N.O. aen. Saegen naer de middach eenige troppen
+meeuwen; hadden ’s nachts helder gesicht.
+
+f 29.
+
+’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.W. met een doorgaende
+styve coelte, deden ’s middachts onse cours O. aen, de wint alsdoen W.
+met styve doorgaende coelte ende heel hol water. ’s Nachts helder
+gesicht.
+
+g 30.
+
+’s Morgens was ’t moy weder met een styve W. wint, treckende allengskens
+naer het W.N.W. met heel hol water. ’s Avonts liep de wint naer het N.W.
+met helder ende claer weder ’s nachts.
+
+
+October.
+
+a 1.
+
+’s Morgens was ’t moy helder weder met een styve N.W. wint ende hol
+water uyt een N.W.; saegen veel gevogelte. ’s Middachts naer gissing
+geseylt O. ½ S. 48 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 2
+min., ende op de lengte van 198 gr. 17 min., ende op de bevonden breete
+van 36 gr. 56 min. Is alsdoen geresolveerd om weder te keeren van de O.,
+ende onse cours cruysende om de W. te doen. Naer de middach noch O.
+geseylt 4 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 56 min.,
+ende op de lengte van 198 gr. 37 min., waeren doen 460 mylen buyten de
+O. cust van _Japan_. Wenden het alsdoen weder om, om onse cours weder om
+de W. te nemen, de wint synde N.N.W. met hol water uyt een N.N.W., ende
+tegen den avont de wint N.W.t.N., ende liep heel variabel in de tweede
+wacht. ’s Nachts wert ’t moy stil weder, cregen doen tegen den dach
+Oostelijck.
+
+b 2.
+
+’s Morgens was de wint O. met slappe coelte ende een grauwe lucht,
+alsdoen saegen wy een leuwerick rontom het schip vliegen, ende socht om
+daerop te rusten; maer door ’t loopen van ’t volck, vlooch weder van ’t
+schip af, om de W.S.W. Wy deden onse cours om de W. ’s Middachts was ’t
+stillekens, de wint naer de middach omloopende naer het N.W., ende
+voorts naer het O. ende tot het N.O., tegen den dach O.N.O. met
+doorgaende coelte; de deyninge uyt een N.O.
+
+c 3.
+
+’s Morgens was ’t moy weder met een moye wint uyt een O.N.O., treckende
+naer het O. ende O.S.O. met grauwe lucht. ’s Middachts de wint O.S.O.,
+voort treckende naer het S.O., cregen naer de middach styve regen met
+holle deyninge uyt een N.O.; deden onse cours W.t.S. aen. ’s Nachts
+trock de wint weer naer het S.S.O. met styve coelte, lieten het voort
+staen met schover seylen, alsoo wy onse marsseyls in de eerste wacht
+innaemen; cregen hol water uyt een W.N.W., somtyts regen met caeckich
+weder.
+
+d 4.
+
+’s Morgens de wint naer het S. ende voorts naer het W.S.W. hebben het
+eerst naer sons-rysen gewent. Gewent synde mochten S.S.O. seylen, de
+wint W. tot ’s middachts, cregen doen harde buyen uyt een W.N.W. ende
+N.W.t.W. met hol water uyt een N.W.; lieten het met schover seylen om de
+S.W. staen. ’s Nachts de wint W.N.W. ende N.W. met styve buyen ende hol
+water, somtyts regen.
+
+e 5.
+
+’s Morgens de wint N.W. tot ’s middachts, met styve buyen ende hol
+water, cregen ’s middachts droochte. Bevonden dat ons de stroom styf om
+de S. geset hadde, wat naer de middach de wint N.N.W. al met styve
+buyen ende hol water, somtyts regen. ’s Nachts de wint al met styve
+buyen naer het N. treckende, maer naem in het laetste van de eerste
+wacht af, setten onse marsseyl weder by, ende de see begon vry wat te
+slechten. Worden op dato wys, als dat onse achtersteven ende oock de
+lastpoort veel leckagie bybrochten.
+
+f 6.
+
+’s Morgens de wint meest N. met topseyls coelte, met helder gesicht,
+onse cours W.N.W.; sloegen andere seylen aen; tegen den avont cregen wy
+een moye coelte uyt een N.O., deden onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts
+de wint N.O. ende O. met redelyck gesicht.
+
+g 7.
+
+’s Morgens de wint O.N.O. met styf topseyls coelte, onse cours N.W., de
+wint naer het O. treckende; hadden ’s nachts redelyck gesicht.
+
+a 8.
+
+’s Morgens was ’t doncker, mistich weder, met een styve doorgaende S.
+ende S.O. wint, onse cours N.W.. bevonden de breete van 35 gr. 43 min.
+nae gissing; vervolchden onse cours N.W. tot ’s avonts, deden doen onse
+cours W.N.W. aen, met een S.O. wint, dewelcke ’s nachts in ’t S.S.O.,
+tegen den dach in ’t S. liep; hadden by dach veel meeuwen gesien.
+
+b 9.
+
+’s Morgens hadden wy moy weder, de wint S.S.W. met cleyn topseyls
+coelte; naer gissing geseylt N.W.t.W. ⅓ W. 28 mylen, waeren volgens
+dien, op de gegiste breete van 36 gr. 39 min., ende op de lengte van 187
+gr. 54 min., waeren op de bevonden breete van 36 gr. 42 min. Waeren nu
+331 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Hadden sommige puystebyters
+gesien, ende oock een gevangen, maer waeren wat naer de middach al weder
+wech; de wint ’s middachts S.W. met claer weder, deden onse cours om de
+W.N.W. met slappe coelte by de wint over.
+
+c 10.
+
+’s Morgens de wint S.W. met cleyn topseyls coelte, met slecht water,
+hebben alsdoen de lastpoort dicht gecregen. Cregen naer de middach wat
+regen, maer corts daernaer weder helder weder. ’s Nachts de wint S.W.,
+ende treckende temet naer het W.S.W., tegen den dach styve coelte.
+
+d 11.
+
+’s Morgens cregen de wint met sons-rysing uyt een N.N.O., met een grauwe
+donckere lucht, stelden onse cours S.W. aen; saegen veel groote grauwe
+meeuwen ende cleyne meeuwen, sommige swart, sommige bont. Cregen somtyts
+motregen, de see begon styf uyt een N.W. aen te schieten, waerop een
+styve N.O. wint volchde. ’s Nachts de wint als vooren, somtyts regen,
+tegen den dach de wint O.N.O.
+
+e 12.
+
+’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint treckende naer het O., met
+een doorgaende coelte; deden ’s middachts onse cours W.t.S., ’s avonts
+de wint O.S.O. ende trock naer het S. ’s Nachts in de tweede wacht de
+wint S.W.t.S., tegen den dach S.W.
+
+f 13.
+
+’s Morgens wat naer sons-rysen cregen wy de wint N., voorts N.N.W. met
+topseyls coelte, de see begon hem heel hol te verheffen uyt een N.W.;
+saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint variabel van het N.N.W.
+tot het N.O. heen ende weer loopende, met cleyne coelte, maer hol water.
+
+g 14.
+
+’s Morgens wat op den dach cregen wy de wint O. met stilte ende een
+grauwe lucht, de deyninge styf uyt een N.W. aenschietende. ’s Nachts in
+de eerste wacht S. met motregen ende styf topseyls coelte, deden onse
+cours om de W.; tegen den dach cregen wy de wint W.S.W. met styve
+verheffing van wint; naemen onse marsseyls in, ende lieten het by de
+wint over staen met schover seylen.
+
+a 15.
+
+’s Morgens was de wint W.S.W., vingen een strantloopertie ende saegen er
+noch een rontom het schip vliegen; saegen oock een swaluw ende veel
+swarte meeuwen vliegen. Wat op den dach synde, cregen wy een swaere
+travaet van regen ende wint; de wint in ’t N. schietende, hielen voor
+wint om, ende lieten het W.t.N. aengaen, alsoo de wint stracx weer naer
+het N.N.O. liep, ende naem soeties af; sette tegen den middach onse
+marsseyls daer weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. ½
+N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 35 gr. 25
+min., ende op de lengte van 179 gr. 48 min., ende op de bevonden breete
+van 35 gr. 19 min.; waeren 235 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Wat
+naer de middach cregen wy een topseyls coelte, de wint al treckende
+omloopende naer het N.O. ende voorts naer ’t O.N.O., onse cours W.t.N.;
+in de tweede wacht de wint O. met een moy coeltie.
+
+b 16.
+
+’s Morgens was ’t regenachtich weder, de wint O. met een betogen lucht;
+saegen eenige groote ende cleyne meeuwen vliegen. De wint styf door
+coelende, naer de middach uyt een N.O., ’s nachts in de eerste wacht O.,
+in de tweede wacht variabel O. ende S., met groote stortregen ende styve
+doorgaende coelte. Tegen den dach cregen wy een swaere caeck, de
+marsseyls pas ingenomen synde, uyt een S.O. met een styve storm ende
+corts N. Alsoo wy doende waeren om het seyl op te geyen, is de wint uyt
+de ly gecomen, soo dat ons groot seyl op de mast viel, ende conden het
+selve niet neer crygen ofte opgeyen, soo dat het heel aen stucken
+geslaegen is; ende alsoo met het comen van dese harde wint ons focke
+cruyshout gebroocken was, was de fock heel schaloos; de besaen is oock
+losgewaeyt, soo dat wy die, noch heel schaloos synde, neer cregen.
+Hadden schrickelycke blixems in dit harde weer.
+
+c 17.
+
+’s Morgens hebben wy weder andere seylen aengeslaegen, alsoo de wint wat
+bedaert was; liepen met een styve storm ende N.O. wint ende met holle
+see uyt een N.O., met een opgearmde fock[32] om de W.S.W., met een
+donckere draeyende lucht; maer wat naer de middach onse blint er by om
+beter beniert[33] te wesen. Tegen den avont slechte de see ende de wint
+naem af, soo dat wy onse fock der viercant bysette met het schoverseyl;
+lieten het W.t.N. aengaen. ’s Nachts goet weder, de wint N.N.O. met
+doorgaende wint, in de tweede wacht de wint N.O., in de dachwacht O.N.O.
+
+ [32] Opgearmde fock wordt gezegt, wanneer die op een sonderlycke wyse
+ ter wintfanck staet, als men voor wint seylt. Witsen.
+
+ [33] Ongemaniert in see leggen, zeer schudden en bewegen. Dezelfde.
+
+d 18.
+
+’s Morgens was de wint N.O. ende N.N.O. met topseyls coelte, brachten
+ons bonnets[34] weder aen, ende setten de marsseyls daer weder by,
+lieten het al W.t.N. voort staen; naer de middach wert het heel moy stil
+weder met slecht water. Bevonden dat onse roerpen in ’t roer aen stucken
+was, hebben weder een ander daerin gestoocken; wy bevonden styve stroom
+om de S. te gaen.
+
+ [34] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen
+ geregen kan worden. Dezelfde.
+
+e 19.
+
+’s Morgens goet weder met claer gesicht, de wint S.O., saegen ’s
+ochtents een swaluw vliegen, was stillekens; hebben getalyt ende
+gestaecht. Saegen een van diergelycke visschen sonder staert, als by
+den Commandeur Quast saliger gevangen was[35]. Saegen oock croos ende
+veel besaens qualleties dryven, ende een witte pylstaert vliegen. ’s
+Middachts cregen wy een moye coelte uyt een S.W. ende W.S.W., lieten het
+al om de N.W. voort staen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N.
+12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 51 min., ende op
+de lengte van 171 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 38
+min.; waeren doen naer gissing 121 mylen buyten de O. cust van _Japan_.
+’s Avonts hebben wy de compassen op 11 gr. N.Oostering geleyt. Naer
+sons-onderganck stont de lucht heel leelyck in ’t N. ende N.W., wenden
+het om de S.W. om alhier wat te cruysen; de wint in ’t N.W. loopende met
+styve coelte, naemen onse beyde marsseyls ende blint in, dan de wint
+corts daernaer N. variabel, ende wert omtrent 2 ueren naer
+sons-onderganck stil. Cregen weder in ’t voorste van de tweede wacht,
+een moy coeltie uyt een N.W. met helder claer weder; sette onse
+marsseyls daer weder by, lieten het S.W.waert voort staen, de wint temet
+treckende naer het N.; tegen den dach de wint N. met slappe coelte ende
+slecht water.
+
+ [35] Deze visch was zeven voet breed en vyf voet lang. Onuitgegeven
+ Journaal van den Commandeur Mathys Hendricksz. Quast 1639.
+
+f 20.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, dreven dien ochtent in stilte, bevonden ’s
+middachts dat ons de stroom styf om de S. geset hadde; cregen omtrent 1½
+uer voor sons-onderganck een moye coelte uyt den S.; deden onse cours
+uyt een W.N.W.. Corts naer sons-onderganck was het weder stil, een glas
+in de eerste wacht cregen wy weder een moy luchien uyt den O., ende
+trock allengskens om naer het S.O., voorts naer het S. ende tot het
+S.S.W. Omtrent half de tweede wacht begon de wint styf door te waeyen,
+naemen de marsseyls in, lieten het al W.N.W. voort staen.
+
+g 21.
+
+’s Morgens de wint S.S.W., met styve doorgaende wint, met motrich
+doncker weder, maeckten wat op den dach seyl; alsoo de wint tegen den
+middach naer het S.W. liep, ende heel hol water maeckte, naemen de blint
+ende besaen weder in, ende wenden het verscheyden reysen. Saegen dat
+onse groote rust wel een hantbreet afgeweecken was, dewelcke stracx
+weder gemaeckt wert, ende lieten het om de N.W. voort staen. Hadden ’s
+ochtents een swaluw gesien; ’s avonts de wint W.t.N. ’s Nachts begon ’t
+weer te beeteren ende de wint af te nemen, cregen de wint half in de
+tweede wacht W.N.W., wenden het S.W.waert over.
+
+a 22.
+
+’s Morgens moy weder, de wint W.N.W. met hol water uyt een S.W., sette
+onse beyde marsseyls daerby, lieten het al S.W.waert over staen, saegen
+2 witte pylstaerten vliegen, ende een bos steencroos dryven; ’s
+middachts de wint W. Door verscheyden coursen geseylt N.N.W. 6 mylen,
+waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 40 min., ende op de lengte
+van 169 gr. 8 min., maer bevonden ons op de breete van 36 gr. 1 min.;
+soo dat ons de stroom heel styf om de N. geset heeft, vermoeden het
+selve gecomen te syn door de styve S. winden; waeren alsdoen 108 mylen
+buyten de O. cust van _Japan_. Corts naer de middach cregen wy de wint
+uyt een W.S.W., wenden het N.waert over. ’s Avonts de wint W., dewelcke
+hem 4 glaesen in de tweede wacht seer styf verhefte; naemen onse
+marsseyls in, lieten het by de wint N.N.W.waert over staen.
+
+b 23.
+
+’s Morgens was ’t hart weer gaende af, de wint N., met styf topseyls
+coelte, setten onse marsseyls by, wenden het W.waert over, met holle
+deyninge uyt een W. Giste door verscheyden coursen geseylt te hebben
+N.W.t.N. 14 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 48 min.,
+ende op de lengte van 168 gr. 29 min., ende bevonden breete van 36 gr.
+56 min.; waeren naer gissing 100 mylen buyten de O. cust van _Japan_. ’s
+Ochtents hadden wy veel steencroos sien dryven, ende een witte pylstaert
+sien vliegen; tegen den avont quaem een tortelduyf by het schip vliegen,
+ende scheen heel moede te syn, ende socht te rusten, maer door ’t geloop
+van ’t scheepsvolck, is weder van ’t schip afgevloogen W.waert heen. ’s
+Avonts stillekens, ’s nachts in ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy
+een moy luchien uyt den N., treckende temet naer het N.O.
+
+c 24.
+
+’s Morgens was ’t een grauwe lucht, somtyts regen, de Wint N.O.; saegen
+voor de middach eenige drift soo van steencroos als hout dryven. Giste
+’s middachts geseylt te hebben 22 mylen W. ½ S. aen, waeren volgens
+dien, op de breete van 36 gr. 47 min., ende de lengte van 166 gr. 40
+min. Naer de middach de wint variabel van ’t N. tot het N.O., ’s nachts
+de wint meest N.N.O. met claer uytsicht; naemen in ’t voorste van de
+eerste wacht ons groot marsseyl in. De wint in de tweede wacht naer ’t
+N. loopende, begon styf door te coelen, soo dat wy voorts de rest van de
+nacht, verscheyden reysen ons voormarsseyl in ende uytgehaelt hebben,
+naer dien nadat het weder hem aen liet sien.
+
+d 25.
+
+’s Morgens de wint N. met styf topseyls coelte, setten ons schoverseyl
+ende groot marsseyl, blint ende voormarsseyl daer weder by, onse cours
+W., de wint N.N.O., treckende naer het N.O.; vernaemen de stroom om de
+S. te gaen, deden ’s middachts onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts de
+wint N.; hoorden veel gecrysch van pylstaerten.
+
+e 26.
+
+’s Morgens was de wint N.N.W. met een moy topseyls coelte, de see hol
+aenschietende uyt een N.O. ende O.N.O., ende was helder weder. Saegen ’s
+ochtents eenige walvisschen ende corts daernaer het lant in ’t W.N.W.,
+ende was naer gissing het hooge lant van _Gissima_. Giste ’s middachts
+geseylt te hebben W.t.N. 26 mylen, waeren volgens dien, op de breete van
+36 gr. 1 min., ende op de lengte van 161 gr. 54 min., ende op de
+bevonden breete van 36 gr. 8 min., soo dat het omtrent 10 mylen scheelde
+het lant, te weeten: de O. cust eer saegen als gegist hadden. Alsdoen
+lach de O. cust van _Japan_ omtrent 12 mylen van ons; ’s avonts lach het
+hooge lant van _Gissima_ 7 à 8 mylen van ons, ende was diep 70 vadem,
+swarte wasige santgront, leyden het met de steven t’ see, ende lieten
+het dryven, om ’s anderen daechts by de _Santduynige_ hoeck soecken te
+comen; volgens resolutie getrocken op dato. In ’t voorste van de tweede
+wacht maeckten wy seyl, setten onse cours naer de wal toe, de eerste
+wacht diep 68 vadem, de tweede wacht diep 50 vadem, wasige gront, in de
+dachwacht diep 45 vadem, swarte santgront.
+
+f 27.
+
+’s Morgens saegen wy de _Santduynige_ hoeck N.W. omtrent 5 mylen van
+ons, de wint N. met moy weder, seylden wat besuyden d^{o}. hoeck op de
+diepte van 13 vadem, soo dat de _Santduynige_ hoeck N.O.t.N. 4 mylen van
+ons lach, alwaer omtrent 2 mylen van lant synde, ons 4 à 5
+visschersbercken aen boort quaemen. Hadden veel visch, maer wilden geen
+vercoopen, ende hielden haer heel stuers, waerover wy verwondert
+waeren, wilden geen van haer overcomen, ende syn weder cort wech van
+boort gevaeren; soo dat wy onse seylen schrap gehaelt hebben, deden onse
+cours eerst S. ende voorts S.S.W. langs den wal. ’s Avonts lach de hoeck
+van _Bosho_ W.S.W. 7 mylen van ons, saegen de vijf _Witte gepleckte_
+hoeck benoorden de hoeck van _Bosho_ in ’t W.t.N. van ons; saegen een
+heel hooge berch in ’t lant staen, recht op d^{o}. streeck over de vijf
+_Witte gepleckte_ hoeck heen. Hadden de berch, doen wy in ’t heenseylen
+waeren, niet gesien; hadden de diepte van 20 vadem, wasige santgront. ’s
+Avonts deden wy onse cours S. tot dat de eerste wacht uyt was, doen
+S.S.W.; de wint N.O.t.N., ende was alsdoen diep 98 vadem, conden geen
+gront opcrygen.
+
+g 28.
+
+’s Morgens was ’t motrich weder, met een doorgaende N.O.t.N. wint,
+omtrent 3 ueren voor de middach saegen wy de twee Noorder eylanden, by
+ons genaempt, het Suydelycxste het _Prinse_ ende het Noordelycxste het
+_Barnevelts_ eylant, ende liggen meest N.N.W. van het _Ongeluckich_
+eylant af; waervan het _Prinse_ eylant W. ende _Barnevelts_ eylant
+W.N.W. van ons lach, synde doen ’s middachts. Giste in dit etmael
+geseylt te hebben S.t.W. ½ W. 28½ myl, waeren volgens dien, op de N.
+breete van 33 gr. 56½ min., ende op de lengte van 160 gr. 5 min., ende
+op de bevonden breete van 33 gr. 58 min.; als wanneer wy onse cours naer
+_Barnevelts_ eylant naemen. Seylden tusschen het _Barnevelts_ ende het
+_Prinse_ eylant door; meenden ree te vinden onder het W. eynt van het
+_Barnevelts_ eylant, maer conden daer geen gront bewerpen, alhoewel wy
+dicht by d^{o}. eylant langs seylden. Dit eylant soo genaempt om dat
+daer een berch op stont, dien gestaedich roockte, ende op het laege
+lant het seer barnende ende roockte, vermoeden hetselve off branden van
+eenich lang gras ofte rif te syn. Als gy d^{o}. eylant N.O.t.O. ½ myl
+van u hebt, soo leyt het _Prinse_ eylant S.O.t.S. 3½ myl van u, ende
+siet in ’t W. ½ N. 1 myl van u veel hooge scherpe clippen boven water
+liggen, die haer opdoen als toorens; dan leyt oock noch een hooch eylant
+in ’t N.W.t.W. 5 mylen van u, ende in ’t N.N.W. eenige bergen,
+gelyckende eylanden, 6 mylen van u. Conden geen gront crygen, de wint N.
+synde, deden onse cours met een styve coelte S.t.O. met schoverseylen,
+tot 4 glaesen in de tweede wacht, geyden alsdoen de fock op, ende lieten
+het met de steven O.waert over liggen dryven; de wint doen N.N.O. met
+topseyls coelte, dreven om de S.W. met doncker, motrich weder.
+
+a 29.
+
+’s Morgens was ’t heel mistich weder met motregen, giste het
+_Ongeluckich_ eylant S.S.W. van ons te liggen 5 mylen, sette onse cours
+S.S.W. aen. Omtrent 2 mylen d^{o}. cours geseylt hebbende, met een styve
+N.N.O. wint, saegen het _Ongeluckich_ eylant, omtrent 3 mylen, op de
+streeck als vooren van ons; setten onse cours tusschen het _Ongeluckich_
+eylant, ende de _Ronde holm_ door, quaemen op de middach onder de S.W.
+sy van ’t _Ongeluckich_ eylant te ree op 47 vadem, grof sant met cleyne
+steenties vermengt, omtrent ⅔ myl van lant. Naer dat wy wat geset
+gelegen hadden, is een _Japansche_ berck by het schip gecomen, alwaer
+wel 8 à 10 man in waeren; wilden niet aen boort comen, maer sy wuyfden
+dat wy aen lant souden comen, ende syn weder naer lant gevaeren.
+Waerover ick met de prauw geordonneert syn naer lant te vaeren, om te
+vernemen wat deze persoonen begeerden te hebben, ende om met een te
+vernemen of wy hier geen volck ofte teycken van ’t jacht _Breskens_
+conden sien; maer van boort synde, conden de styve wint ende stroom, die
+om de N.W. liep, niet dootscheppen, mosten weder naer boort keeren. Doen
+wy hier geset laegen, lach de _Ronde holm_ N.W.t.W. ½ W. 1½ myl van ons.
+
+b 30.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. ende N.O.t.N.; syn met twee
+prauwen naer lant gecommitteert, om eenige gelegentheyt van ’t jacht
+_Breskens_ te vernemen, ofte eenige gelegentheyt van het eylant. Aen
+lant comende met een wit vaentien, deden soo veel met eenige
+cleynicheden wech te schencken, dat de Japanders, waervan dit eylant
+gepeupeleert ende bewoont was, ons een coebeest vercoften ende 11
+hoenderen ende eenige orangieappelen ende miecanties(?) ende eenige
+aert- ende andere boomvruchten. Sy wilden geen Spaensche realen hebben,
+sneden daer met haer houwers in, ende seyden, dat silver was niet goet;
+maer waeren met een elle root laecken ende een slecht gestreept cleetien
+tevreden; sy vraechden verscheyden reysen naer schrift, dan ick hielt
+myn of ick het niet verstont. Ick by de Baniosis (Banioos) aen lant
+sittende, wilden myn in ’t lant hebben by haer overste, stonden wel 100
+Japanders met houwers op haer sy rontom myn; hielt haer soo lang in
+discours, tot dat het beest ende het ander goet in de prauw was; voer
+doen stracx naer boort. Hier stonden verscheyden groote bercken op ’t
+lant, waeronder 2 groote lastbercken waeren; maer conden geen teycken
+van het jacht _Breskens_ vernemen ofte sien. In ’t wechvaeren riepen de
+Baniosis, ick sou morgen wedercomen. Sy voerden 3 cleyne bercken van
+lant, dewelcke naer de _Ronde holm_ voeren; d^{o}. holm was oock
+bewoont, hier was geen rivier, als voeren in een gadt after eenige
+clippen, of ’t een haventie was. Hier waeren veel vrouwen ende kinderen
+op ’t lant, ende was overvloedich van ossen ende coebeesten; dan conden
+geen silver ofte gout vernemen, als aen haer heften ende plaeten van
+haer houwers. ’s Avonts is geresolveert, alsoo hiervoor ons niet sonders
+by de Japanders was te verrichten, dat wy t’seyl souden gaen ende onse
+reys naer _Tayouan_ op ’t cortst soecken te vervorderen; syn met den
+doncker t’ seyl gegaen, deden vooreerst onse cours S.S.W. met een N.O.
+wint.
+
+c 31.
+
+’s Morgens de wint als vooren N.O., onse cours S.W.; alsdoen lach het
+_Ongeluckich_ eylant N.N.O. 9 mylen, ende het _Suyder_ eylant O.S.O. 4 à
+5 mylen van ons. Is alsdoen geresolveert, om onse cours W.t.S. aen te
+stellen, recht naer de S.O. hoeck van _Cikoko_ toe. ’s Middachts lach
+het _Ongeluckich_ eylant N.O.t.N. 16 mylen van ons, ende het _Suyder_
+eyl. O. 8 mylen. ’s Nachts de wint N. met slappe topseyls coelte.
+
+
+November.
+
+d 1.
+
+’s Morgens was ’t moy weder, de wint N., somtyts stillekens, ’s
+middachts liep de wint naer ’t S.W. ende W.S.W. met cleyn topseyls
+coelte, lieten het N.W.waert over staen; saegen veel steencroos dryven.
+’s Nachts de wint S.O. met topseyls coelte, lieten het by de wint W.O.W.
+over staen.
+
+e 2.
+
+’s Morgens de wint S.W., cregen een styve slachregen, naemen beyde
+marsseyls in; wat op den dach wert het weer goet weder, setten beyde
+marsseyls weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. ½ W. 15
+mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 32 gr. 35½ min.,
+ende op de lengte van 156 gr. 46 min., ende op de bevonden breete van
+32 gr. 35 min.; saegen veel steencroos dryven, de wint treckende temet
+naer het N., wenden het W.waert over. Omtrent 5 glaesen naer de middach,
+saegen wy 2 cleyne hooge eylanden in het N.O.t.O. 12 mylen van ons;
+omtrent 4 ueren naer de middach, saegen d^{o}. eylanden N.O.t.O. van
+ons, ende conden die pas beoogen. Saegen oock in het N.W. ende N.W.t.W.
+de streckende cust van _Kinokony_ wel 20 mylen van ons. ’s Nachts de
+wint N.N.O. met styve doorgaende coelte, de see hart uyt een N.N.W.
+stortende of het barning (branding) was, vermoeden ’t selve door harde
+stroom te comen.
+
+f 3.
+
+’s Morgens redelyck weder, de wint N.N.O. met styve passaets coelte,
+saegen veel raveling van stroom saegen oock een duycker; bevonden ’s
+middachts de stroom styf om de S. te gaen, deden onse cours W. aen,
+omtrent half naer middach cregen wy de wint N.O., ende trock temet naer
+het O.N.O. ’s Nachts in de tweede wacht cregen wy motregen, de wint
+O.N.O.
+
+g 4.
+
+’s Morgens hadden wy al een styve O.N.O. wint, met een donckere lucht
+ende holle see uyt een N.O., naemen ons groot marsseyl in; deden ’s
+middachts onse cours W.t.N. aen, om de cust van _Cikoko_ te beseylen. ’s
+Avonts met sons-onderganck naemen wy de blint in ende geyden ons
+schoverseyl op, lieten het voormarsseyl neerloopen, ende lieten het soo
+met de fock voort staen, tot 2 glaesen in de eerste wacht; als wanneer
+wy door donckere lucht ende styve regen, ende schrickelycke blixem ons
+voormarsseyl innaemen ende de fock opgeyden. Lieten het soo met het
+schoverseyl byleggen met de steven om de S., de wint met styve buyen
+crygende uyt den O.; ten halven van de tweede wacht wenden wy het met de
+steven om de N., vreesden anders te veer om de S. gedreven te worden,
+lieten het soo dryven.
+
+a 5.
+
+’s Morgens ongestaedich rou (ruw) weder, de wint met styve buyen uyt den
+O. met veel regen ende hol water; wat op den dach synde, maeckten seyl,
+deden onse cours W.t.N. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N.
+27 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 31 gr. 29 min.,
+ende op de lengte van 149 gr. 40 min. Wat naer de middach de wint
+variabel met ongestaedich weder, geyden onse seylen op, tot half
+naemiddach, cregen doen de wint N., maeckten seyl, ende deden onse cours
+W. aen. Tegen den avont scheen het weder wat te bedaeren, reegen ons
+groot bonnet weder aen, met het opsetten van de wacht smeten wy het by
+met de steven om de O., sonder voorseyl, ende lieten het dryven tot 3
+glaesen in de tweede wacht, dat wy redelyck claer weder cregen, de wint
+N.N.W. Lieten onse fock vallen, ende lieten het met schoverseyl W.waert
+over staen, dan de wint liep cort variabel, dan S.W., W., N., doch syn
+plaets in ’t W. nemende, lieten het S.waert over staen.
+
+b 6.
+
+’s Morgens de wint W. met tamelyck weder, setten de marsseyls by, ende
+wenden het N.waert over, saegen wat op den dach de streckende cust van
+_Cikoko_, ende was heel hooch geberchte, dat W.waert heenstreckte. Voor
+de middach de wint variabel met stilte, soo dat wy sint (sedert) dat wy
+het lant gesien hebben, niet vertiert en waeren tot ’s middachts. Giste
+soo geseylt als gedreven te hebben in dit etmael N. 1 myl, waeren
+volgens dien, op de breete van 31 gr. 33 min., ende op de lengte van 149
+gr. 40 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 33 min. Alsdoen lach
+de S.O. hoeck van _Cikoko_ W. 13 mylen van ons, d^{o}. caep lach wel 25
+m. in de Companys caert te Suydelyk gecaerteert. Nae de middach een
+variabel coeltie uyt den W., dan meest stil. ’s Avonts lach de S.O.
+hoeck van _Cikoko_ W.t.N. 12 à 13 mylen van ons, waeren 2½ myl met de
+stroom in de naemiddach om de S. gedreven. ’s Nachts variable winden met
+donder ende blixem.
+
+c 7.
+
+’s Morgens de wint W. met topseyls coelte, lieten het S.waert over
+staen; giste ’s middachts soo geseylt als gedreven te hebben S.S.W. ½ W.
+3 mylen, soude volgens dien op de breete wesen van 31 gr. 22½ min., maer
+bevont de breete van 31 gr. 52 min.; soo dat ons de stroom wel soo O.
+als N. heeft gedreven by de 8 mylen veerder als gegist hadden, soo dat
+volgens dien, maer N.t.W. 5 mylen hadden behouden; wenden ’t ’s
+middachts N.waert over. Omtrent half naer middach saegen wy lant in ’t
+N. van ons, ende was het S.W. eynt van _Tokoesy_. ’s Avonts naer
+sons-onderganck saegen wy lant van ’t N.O. tot in ’t N.W.; het lant
+presumeerde ick de O. cust van _Cikoko_ te wesen, ende dat in ’t N.O.
+lach _Tokoesy_; waeren in een triangel daer wel 14 à 15 mylen af, ende
+is heel hooch lant; omtrent een uer naer sons-onderganck wenden wy ’t om
+de S. ’s Nachts in de tweede wacht doen er 4 glaesen uyt waeren, cregen
+wy de wint uyt den N., deden onse cours W.waert over, om onder de O.
+cust van _Cikoko_ soecken te comen, alsoo vermoede dat daer sulcke styve
+stroom om de N. niet soude ofte mocht gaen. ’s Nachts heb ick de N.
+breete gehadt aen de Noortwachter van 31 gr. 54 min.; soodat de stroom
+noch al om de N. continueerde.
+
+d 8.
+
+’s Morgens de wint N., alsdoen peylde ick de S.W. hoeck van _Tokoesy_
+N.N.O. 11 à 12 mylen van ons, saegen de streckende cust van _Cikoko_
+tot in het W.t.S., ende voorts tot in ’t N., ende _Tokoesy’s_ cust tot
+in ’t N.O. De wint allengskens omloopende naer het N.O., ende voorts
+naer het O. met slappe topseyls coelte; tegen den middach cregen wy
+motrich weder. Souden van dit etmael soo geseylt als gedreven hebben 11
+mylen W. ½ N., maer bevonden aen de rigting van ’t lant, dat wy niet
+meer als 2 mylen W.N.W. behouden hadden, soo dat ons de stroom omtrent 9
+mylen spatie heeft tegengehouden, ende om de N.O. geset heeft. Alsdoen
+lach _Tokoesy_ N.N.O. 12 mylen van ons, naer de middach was ’t
+regenachtich weder, deden ’s middachts onse cours N.t.O. tot ’s avonts,
+cregen doen een O. coelte, doen onse cours W.S.W. aengestelt. Met het
+opsetten van de wacht naemen wy de blint in, ende geyden het schoverseyl
+op, al met regenachtich weder. Cregen 4 glaesen in de eerste wacht de
+wint uyt een N.N.O. met heel styve coelte, lieten de marsseyls
+neerloopen, vervolchden onse cours, naemen ons groot marsseyl in de
+tweede wacht in, doen er een glas uyt was; lieten het soo voort staen
+met cleyn seyl; in ’t laeste glas van de tweede wacht, geyden alsdoen de
+fock op, leyden het om de N.W. met de besaen, ende lieten het soo liggen
+dryven. Een glas in de dachwacht uyt synde, werden het lant gewaer,
+waeren daer geen ½ myl af, ende lach in ’t N.W. van ons, ende was het
+eylantie _Tenera_, alwaer een vuyl rif afstreckte; wy lieten onse fock
+vallen ende heesen ons voormarsseyl op, ende lieten het cort voor wint
+omdraeyen S.waert, ende sette onse bagboorthalsen toe. De wint in ’t
+N.N.O. loopende, mochte O. weder van de wal afseylen, de wint voorts in
+’t N. loopende, seylden O.N.O. In ’t voor wint omdraeyen worp ick gront
+op 22 vadem, singel, ende de ander worp 15 vadem, vuyle clippige gront,
+ende voorts in ’t afseylen diep worp op worp als volcht, 17, 20, 18, 13,
+8, 10, 13, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 34, 35, 36,
+37, 40, 43 vadem, al vile (vuyle) gront.
+
+e 9.
+
+’s Morgens was ’t goet weder, de wint N. met styve topseyls coelte,
+waeren doen het licht was, 3 mylen van lant, op de diepte van 45 vadem,
+wasige santgront, ende corts daernaer 50 vadem, santgront als vooren. De
+cust van _Cikoko_ streckte hier N.N.O. ende S.S.W.; saegen in ’t N. tot
+in ’t N.O. het lant, ende in ’t S.W., de S.O. hoeck van _Cikoko_ 5 mylen
+van ons; deden onse cours al S.S.W. langs de wal, tot dat de S.O. hoeck
+van _Cikoko_ S.W.t.W. van ons lach, deden doen onse cours S.W. aen. ’s
+Middachts giste wy geseylt te hebben ende gedreven W.S.W. 16 mylen,
+waeren volgens dien, op de breete van 31 gr. 31 min., ende op de lengte
+van 148 gr. 19 min.. Alsdoen lach deselfde hoeck, dien wy op den 6^{de}
+d^{o}. in ’t Westen van ons gepeylt hadden, W.t.S. ½ S. 4 mylen van ons,
+ende most wel naer de distantie die wy gegist hadden, volgens geseylde
+coursen wel N.O.t.N. 6 mylen van ons gelegen hebben. Soo dat wy op de
+waere breete van 31 gr. 37½ min. waeren, ende soo de waere cours
+behouden hebben S.W.t.W. 8 mylen; soo dat ons de stroom verleden nacht
+merckelyck tegen geweest heeft, gelyck op den 8^{ste} d^{o}. oock
+bevonden hebben, als oock op den 7^{de} d^{o}.; soo dat hier femente
+(sterke) stroomen loopen, waerdoor de see altemet soo ontstelt is, dat
+het als het styf waeyt ende de wint tegen de steven is, vreeselyck om
+aen te sien is de groote stortinge. Saegen alsdoen een seyl in ’t
+O.N.O. van ons, alwaer wy naer toe gewent hebben, daerby comende
+bevonden ’t selve het jacht _Breskens_ te syn, dat op den 20^{ste} Mey,
+’s nachts van ons geraeckt was, onder het _Ongeluckich_ eylant, waerover
+wy seer verblyt waeren. Hebben hem verprayt (gepraaid), hebben ons
+toegeroepen, als dat Schipper Schaep met den Ondercoopman Bylevelt, met
+2 jongens ende 6 matroosen in _Japan_ gevangen waeren, op de breete van
+39½ gr.. Alsoo wy niet terdege bescheyt conden hooren met toeroepen, syn
+ick met de prauw daer aen boort gestiert, om met een te sien, hoe het in
+’t jacht al gestelt was met haer volck. Daer aen boort comende, vonden
+den Opperstuerman heel dick aen het water te syn, ende het meeste volck
+ongesont; soo is den Onderstierman met myn naer ons boort gevaeren, om
+volle rapport te doen van haer wedervaeren. Heeft gerapporteert als dat
+sy 18 dooden hadden gecregen, in ’t doen van de O. streeck; ende dat sy
+500 mylen beoosten de O. cust van _Japan_ geweest waeren. Dat sy in een
+haven van _Japan_ geweest hadden, alwaer sy meenden te ververschen; maer
+alsoo haer schuyt met haer Schipper ende het voorgemelde volck der
+gevangen genomen waeren, waeren met het jacht doorgegaen. Sy hadden hier
+aen het _Ongeluckich_ eylant geweest, om naer ons te vernemen, waeren
+daer daechts daeraen gecomen, soo wy ’s avonts daer van daen t’seyl
+gegaen waeren, alwaer sy veel orangie-appelen gecregen hadden voor
+eenige coopmanschap. Alsoo dit jacht swack van volck was, is onse
+Schipper met 3 cloeke maets daerop overgegaen; dreven die aftermiddach
+by malcanderen in stilte, somtyts een cleyn N. coeltie, de stroom die
+dreef ons om de S.O.. Saegen een hooge hoeck in ’t S.W.t.W. van ons,
+deden onse cours S.W. aen. Dien nacht een styve coelte uyt een N.W.;
+doen de eerste wacht uyt was, hadden wy aen de Noortster, de breete van
+31 gr. 20 min.
+
+f 10.
+
+’s Morgens moy weder, de wint N.W., onse cours ten naestenby om de
+W.S.W., alsdoen lach de S.O. hoeck van _Cikoko_ N. ½ W. 3½ myl van ons.
+Giste ’s middachts geseylt te hebben 8 mylen S.W. aen, waeren volgens
+dien, op de gegiste breete van 31 gr. 14½ min., ende op de lengte van
+148 gr. 29 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 12 min. Doen lach
+de S.O. hoeck van _Cikoko_ N.N.O. 5 mylen van ons, de W. hoeck van een
+groote inbocht, lach N.t.W. ½ N. 3½ myl van ons; hadden doen een laech
+eylant, synde omtrent 2 mylen lang, S.S.W. ½ W. 7 mylen van ons. Setten
+de prauw uyt, al waermee den Commandeur naer ’t jacht _Breskens_ is
+gevaeren, ende heeft de raet aldaer vergaedert, omdat den Opperstuerman
+van d^{o}. jacht niet aen ons boort conde comen, ende is alsdoen
+geresolveert, als dat Schipper Pieter[36] op d^{o}. jacht tot _Tayouan_
+met den Ondercoopman souden blyven. Dreven somtyts in stilte, somtyts
+een coeltie comende uyt een N.O. met slecht water; hadden hier gront op
+60 vadem, wit santgront, half aftermiddach 55 vadem, gront als vooren;
+lieten het W.waert voort staen, alsoo de cust hier meest O. ende W.
+streckte. ’s Avonts lach de S. hoeck van _Cikoko_ W. ½ S. 5 à 6 mylen
+van ons, van d^{o}. hoeck strecken 3 berchies af, al of ’t eylanties
+waeren, waerdoor seer kenbaer is; saegen oock in ’t W.S.W. een heel
+hoog _Brandent_ eylant 11 à 12 mylen van ons, saegen oock het groote
+eylant _Tanaxima_, in ’t S.W.t.S. van ons 8 à 10 mylen; het laege eylant
+lach in ’t S.t.W. ½ W. 4 mylen van ons, saegen noch heel hooch lant in
+S.S.W. 15 à 16 mylen van ons; was doen diep 50 vadem, santgront, lieten
+het W.t.S. aengaen met een cleyn coeltie uyt een N.O. Hebben onse
+compassen op 4 gr. N.Oostering geleyt. Dese doorganck tusschen
+_Tanaxima_ ende _Cikoko_, is by den raet ende den Commandeur, de naem
+gegeven van de straet _Diemen_. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde,
+worpen gront op 48 vadem, voorts die heele wacht geen gront.
+
+ [36] Pieter Willemsz. Knechtjes, Schipper van de Castricum.
+
+g 11.
+
+’s Morgens was de wint O. met topseyls coelte, giste ’s middachts
+geseylt te hebben W.t.S. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van
+31 gr., ende op de lengte van 147 gr. 49 min., ende op de bevonden
+breete van 31 gr.. Alsdoen lach het _Brandent_ eylant S.S.O. 4 mylen van
+ons, saegen noch een hooch geheuvelt eylant, in ’t S.O.t.S. 6 mylen van
+ons; noch een eylant dat oock heel hooch was, S. ½ W. 7 à 8 mylen van
+ons; ende noch een eylant in ’t S.W.t.W. 3 mylen. Een heel hooge
+gehackelde berch, staende op de S. cust van _Cikoko_, lach O.N.O. 3
+mylen van ons; hadden doen oock de hoeck van _Sadsuma_ N. ½ W. 8 à 9
+mylen van ons, saegen noch lant tot in ’t O. ½ S. van ons. Deden onse
+cours W.t.N. aen, omtrent half naermiddach saegen in ’t W. _Oengy_, ende
+corts daernaer _Sackacka_ in ’t W.t.S. van ons, ende doet hem op gelyck
+het eylant _Meaxuma_. ’s Avonts met sons-onderganck lach het _Brandent_
+eylant S.O. 8 mylen, ende de hoeck van _Sadsuma_ N.O.t.O. 10 mylen van
+ons, ende het eylant _Sackacka_ W.S.W. 8 mylen, ende het eylant _Oengy_
+W.N.W. ½ N. 7 mylen van ons; vervolchden onse cours W.t.N. ’s Nachts de
+wint N., 4 glaesen in de tweede wacht uyt synde, lach het eylant
+_Sackacka_ S. ende het eylant _Oengy_ N.t.O. ½ O. van ons; deden onse
+cours tusschen de twee eylanden door, W. aen.
+
+a 12.
+
+’s Morgens de wint N.N.W., deden onse cours by de wint W.waert over,
+alsdoen lach het eylant _Sackacka_ O.S.O. 4 mylen van ons, ende het
+eylant _Oengy_ N.O.t.N. 5 mylen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.
+20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr., ende op de
+lengte van 145 gr. 46 min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 47
+min., soo dat de stroom hier om de S. liep; conden het eylant
+_Sackacka_, noch uyt de mars, in ’t O. 9 à 10 mylen van ons, sien, ende
+het eylant _Oengy_ N.O.t.N. 12 à 13 mylen; doende onse cours W.S.W. aen.
+’s Nachts tamelyck weder, de wint N.N.W. met cleyn topseyls coelte.
+
+b 13.
+
+’s Morgens was ’t moy weder met slecht water, de wint als vooren; hebben
+alsdoen een nieuw touw van ’t jacht _Breskens_ overgecregen. Cregen
+omtrent 3 ueren naer de middach gront op 80 vadem, ende was swart wasich
+sant met schulpies vermengt. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.S.W.
+23 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 30 gr. 12 m., ende op de
+lengte van 144 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 29 gr. 57
+min., was alsdoen diep 75 vadem, gront als vooren; de wint N.N.O. ’s
+Avonts diep 64 vadem, bevonden noch al de stroom om de S. te loopen, de
+eerste wacht uyt synde, was diep 54 vadem, gront als vooren.
+
+c 14.
+
+’s Morgens met den dach diep 53 vadem, wasige gront, de wint N.N.O. met
+doorgaend topseyls coelte. Giste behouden te hebben S.W.t.W. 28 mylen,
+was alsdoen diep 50 vadem, gront als vooren; wy vervolchden onse cours
+W.S.W., de wint N.N.O. tot ’s avonts. Meenden de cust van _China_ in ’t
+gesicht gecregen te hebben, maer saegen geen lant; hadden van ’s
+middachts geseylt S.W.t.W. 11 mylen, was doen diep 46 vadem, steckgront;
+doen er 4 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, was het diep 38 vadem,
+wasige gront, deden doen onse cours S.W.; d^{o}. wacht uyt synde, diep
+40 vadem, half in de tweede wacht diep 45 vadem, de wint doen N.O. met
+styve doorgaende coelte, bleven by de S.W. cours.
+
+d 15.
+
+’s Morgens met het lemieren (aanbreken) van den dach, bevonden de breete
+van 27 gr. 37 min. aen de Noortster, ende was alsdoen diep 40 vadem,
+steckgront, de wint N.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 38
+mylen, waeren volgens dien, op de breete van 27 gr. 8 min., ende op de
+lengte van 140 gr. 20 min., ende de bevonden breete van 26 gr. 56 min.,
+ende was doen 60 vadem diep; deden onse cours W.S.W. aen, om de ondiepte
+van de cust van _China_ te crygen, om terdegen verseeckert te syn om
+over te steecken naer _Formosa_. ’s Aftermiddachts cregen wy de wint N.,
+doen tot ’s avonts geseylt 10½ myl W.S.W., was doen diep 55 vadem,
+steckgront, noch 5 mylen W.S.W. geseylt, was doen diep 53 vadem,
+steckgront, de wint doen weder N.O. In de tweede wacht geseylt 1½ myl
+W., hadden doen de diepte van 46 vadem, steckgront, lieten het doen
+dryven, dreven W.t.N. heen, omtrent 1½ myl, was doen weder 50 vadem
+diep, steckgront.
+
+e 16.
+
+’s Morgens de wint O.N.O. met styve N. mousons coelte ende deysich
+weder, doen noch W. 3 mylen geseylt, was alsdoen diep 40 vadem,
+steckgront; nae het schaften van de vroe cost geseylt W. 7 mylen, was
+doen diep 38 vadem, steckgront. Giste ’s middachts door malcander
+geseylt te hebben W.t.S. 31 mylen, waeren volgens dien, op de breete van
+26 gr. 32 min., ende op de lengte van 138 gr. 5 min.; deden doen onse
+cours S. aen, met een N.O. wint. Giste tot ’s avonts geseylt te hebben
+S. 11 mylen, was doen diep 40 vadem, steckgront, noch S. onse cours
+vervolcht 4 mylen, was noch 40 vadem; saegen doen een groot vuer op
+_Formosa_ in ’t O.S.O. van ons, ’t welck wel 6 à 7 mylen van ons was.
+Smeten het by met een seyl, met de steven om de N.W., dreven W.t.S. 1
+myl, bleef een diepte; voorts in de hondewacht gedreven W.t.S. 2½ myl,
+was doen diep 45 vadem, steckgront, in de dachwacht noch W.t.S. gedreven
+1 myl, was doen diep 40 vadem, santgront.
+
+f 17.
+
+’s Morgens was ’t een heel styve N. mousons wint, met heel deysich weder
+ende hol water, de wint N.O., dreven noch S.W. 1½ myl, diep 40 vadem,
+wasige santgront. Saegen ’s morgens de berch van _Tamsioy_ op _Formosa_
+in ’t O. van ons, maeckten seyl, stelden onse cours S. aen, 1½ myl. Ende
+alsoo wy saegen, dat het jacht _Breskens_ niet volchde, hebben het
+bygesmeten ende hem ingewacht, doch alsoo wy hem saegen aencomen seylen,
+sloegen weder voor. Van cocx schaften tot ’s middachts geseylt, nae
+gissing S.t.O. 3 mylen, alsdoen hadden wy naer gissing door malcander
+behouden S.t.W. ¼ W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 25
+gr. 14 min., ende op de lengte van 137 gr. 43 min., alsdoen lach de
+_Leguaens_ hoeck S.O.t.O. 4 mylen van ons, soo dat ons de stroom styf om
+de S.S.W. geset had. Doen het jacht by ons was, deden wy onse cours
+S.W.t.S. aen, ende voorts langs de wal op de diepte van 20, 16, 18, 15,
+14, 10, 13, 8, 7, 9, 10, 11, 12 vadem. ’s Avonts passeerden wy de hoeck
+van _Bisselyo_, ende in de eerste wacht passeerden wy het _Visschers_
+riff, liepen al treckende langs de wal; ende soo wy vernaemen dat de
+vloet ginck ende ons op de wal sette, gierden wat van de wal af, tot dat
+wy in de diepe kuyl van _Wanckang_ quaemen, ende de diepte van 50 vadem
+bequaemen, wasige gront. Lieten het doen dryven, met de steven om de W.,
+dreven S.W. heen, diepte temet af tot tegen den dach dat 65 vadem,
+wasige gront, diep was, ende worpen weder, cregen op d^{o}. diepte grof
+sant, singel ende craelties aen het loot op, waerdoor vermoeden omtrent
+de _Pescadores_ eyl. te syn; hielen voor wint om, ende leyden het met de
+steven om de O.
+
+g 18.
+
+’s Morgens metten dach, saegen wy de _Swarte_ clippen in ’t W. van ons 2
+mylen, bleven soo lang liggen, tot dat het jacht con sien, dat wy seyl
+maeckten, alsoo het heel deysig weder was, ende was doen diep 70 vadem,
+grof santgront met crael vermengt. Doen wy het jacht terdege sien
+conden, stelden onse cours S.O. ½ S. aen, met een styve doorgaende N.O.
+wint, saegen omtrent 3 ueren voor de middach de ronduyt (redoute) van
+_Wanckang_ in ’t O. van ons. Deden onse cours S. aen naer het Noorder
+rif van _Tayouan_, alwaer omtrent de middach quaemen, daarbij
+omloopende, op de dieptens van 8, 10, 7, 6, 5, 4¼ vadem, comende wat
+naer de middach op de Noorder-ree; cregen de loots aen boort, ende syn
+beneffens het schip _de Waterhont_, die op de 17^{de}, d^{o}. uyt
+_Japan_ hier te ree gecommen was, naer binnen geseylt. Quaemen binnen
+ten ancker op 10 vadem, waervoor wy niet genoech de goede Almachtige
+Godt connen looven ende dancken, dat Hy ons van dese gedaene
+peryckeleuse reys soo genaedelyck bewaert ende hier binnen _Tayouan_
+behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen.
+
+Wy vonden binnen liggen de fluyten de _Oranienboom_ ende _Meerman_ ende
+het jacht _Lillo_. Buyten op de Noorder-ree lach het schip _de Swaen_.
+
+
+
+
+JOURNAEL VAN DE MAENT APRIL, IN ’T CORT BEREECKENT VOLGENS ONSE
+SEYLAGIE, BEGINNENDE 145 GR. 30 MIN. BEOOSTEN DE MERIDIAEN VAN
+TENERIFFA, ENDE VAN DE BREETE VAN 0 GR. 54 MIN. BENOORDEN DE LINIA
+EQUINOCTIAEL, DOOR CORNELISZ JANSZ. COEN, OPPERSTIERMAN, ANNO 1643.
+
+ ====+====+=============+======+=========+==========+========+========+
+ DA- | | | | GEGISTE | LENGTE. | BEVON- | MIS- |
+ GEN.|DA- | COURSEN. |MYLEN.| BREETE. | | DEN |WYSING. |
+ NA- |TUM.| | |GR. MIN.| GR. MIN. | BREETE.|GR. MIN.|
+ MEN.| | | | | |GR. MIN.| |
+ ----+----+-------------+------+---------+----------+--------+--------+
+ | | | | | | N.Oos- |
+ APRIL. | | | | | |tering. |
+ c | 4 | „ | „ | 0 0 | 145 30 | 0 54 | 0 0 |
+ d | 5 |N. ½ O. | 4½ | 1 12 | 145 33½ | 0 0 | 0 0 |
+ e | 6 |N.t.W. | 2½ | 1 22 | 145 31½ | 1 22 | 0 0 |
+ f | 7 |N.W. | 4 | 1 33 | 145 20½ | 1 34 | 4 0 |
+ g | 8 |N.O. | 3 | 1 42 | 145 28½ | 1 44 | 4 0 |
+ a | 9 |N.N.W. | 1 | 1 48 | 145 27½ | 1 48 | 4 0 |
+ b | 10 |O.t.N. | 1½ | 1 49½ | 145 33½ | 0 0 | 0 0 |
+ c | 11 |N.N.O. | 5 | 2 8½ | 145 40½ | 2 7 | 4 0 |
+ d | 12 |O.t.N. | 2 | 2 9 | 145 48½ | 2 7 | 4 0 |
+ e | 13 |W.t.N ½ N. | 4 | 2 11½ | 145 33 | 2 12 | 4 0 |
+ f | 14 |N.O.t.O. | 5 | 2 23 | 145 50 | 2 22 | 4 0 |
+ g | 15 |N.t.W. | 7 | 2 49 | 145 44 | 2 49 | 4 0 |
+ a | 16 |N.W.t.N. | 4 | 3 36 | 145 13 | 4 6 | 0 0 |
+ b | 17 |N.N.O. ½ O. | 10 | 4 41 | 145 31½ | 5 13 | 0 0 |
+ c | 18 |Noorden. | 12 | 6 1 | 145 31½ | 0 0 | 4 14 |
+ d | 19 |Oost. | 16 | 6 1 | 146 35½ | 6 30 | 0 0 |
+ e | 20 |N.t.O. ½ O. | 14 | 7 23½ | 146 51½ | 7 40 | 4 0 |
+ f | 21 |Noorden. | 15 | 8 40 | 146 51½ | 0 0 | 0 0 |
+ g | 22 |N.t.W. | 16 | 9 43 | 146 38½ | 9 40 | 4 40 |
+ a | 23 |Noorden. | 18 | 10 52 | 146 38½ | 0 0 | 4 20 |
+ b | 24 |Noorden. | 18 | 12 4 | 146 38½ | 12 8 | 4 39 |
+ c | 25 |Noorden. | 17 | 13 16 | 146 38½ | 0 0 | 0 0 |
+ d | 26 |N. ½ O. | 12½ | 14 6 | 146 43½ | 14 12 | 4 15 |
+ e | 27 |N.O.t.O. | 22 | 15 1 | 147 59½ | 15 9 | 4 43 |
+ f | 28 |N.O. | 22 | 16 11 | 149 3½ | 16 16 | 0 0 |
+ g | 29 |N.O. | 12 | 16 50 | 149 38½ | 16 50 | 0 0 |
+ a | 30 |N.O. | 7 | 17 10 | 149 59½ | 17 23 | 0 0 |
+ MAY. | | | | | | |
+ b | 1 |N.t.W. ½ W. | 18 | 18 31 | 149 37½ | 0 0 | 0 0 |
+ c | 2 |N.N.O. | 9 | 19 4 | 149 51½ | 18 57 | 5 16 |
+ d | 3 |N. ½ O. | 5 | 19 17 | 149 54½ | 19 17 | 0 0 |
+ e | 4 |N. ½ W. | 20 | 20 37 | 149 46½ | 20 39 | 5 27 |
+ f | 5 |N. ½ W. | 20 | 21 59 | 149 38½ | 22 0 | 5 15 |
+ g | 6 |N.t.O. ¼ O. | 18 | 23 10 | 149 57½ | 23 10 | 5 15 |
+ a | 7 |N.O. | 19 | 24 4 | 150 56½ | 24 6 | 4 50 |
+ b | 8 |O.N.O | 15 | 24 29 | 151 57½ | 24 43 | 5 0 |
+ c | 9 |O.t.S | 13½ | 24 32½ | 152 55½ | 24 36 | 0 0 |
+ d | 10 |O.S.O. ½ S. | 15 | 24 8 | 153 53½ | 24 5 | 5 30 |
+ e | 11 |Noorden. | 14 | 25 1 | 153 53½ | 0 0 | 5 45 |
+ f | 12 |N.O. | 12 | 25 35 | 154 31½ | 25 13 | 5 58 |
+ g | 13 |O.N.O. | 30 | 25 59 | 156 34½ | 25 58 | 6 31 |
+ a | 14 |O.t.N. | 15 | 26 10 | 157 41½ | 0 0 | 0 0 |
+ b | 15 |Noorden. | 20 | 27 30 | 157 41½ | 0 0 | 0 0 |
+ c | 16 |N.W. ½ W. | 14 | 28 5½ | 156 52½ | 28 2 | 6 45 |
+ d | 17 |N.N.W. | 16 | 29 1 | 156 24½ | 29 3 | 6 41 |
+ e | 18 |N.N.O. | 28 | 30 46 | 157 13½ | 30 54 | 6 23 |
+ f | 19 |N.N.O. | 30 | 32 45 | 158 7½ | 0 0 | 0 0 |
+ | |N.O. | 13 | 33 22 | 158 52 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 20 |N.O.t.O. | 6 | 33 35 | 159 16 | 33 34 | 0 0 |
+ a | 21 |N. ½ O. | 20 | 34 53 | 159 25 | 0 0 | 6 54 |
+ b | 22 |N.t.O. | 9½ | 35 30 | 159 34 | 35 30 | 7 0 |
+ | |S.W. ½ S. | 5 | 35 14½ | 159 18 | 0 0 | 7 0 |
+ c | 23 |N.O. | 10 | 35 58 | 160 8 | 36 0 | 7 49 |
+ | |West. | 4 | 36 0 | 159 48 | 36 0 | 0 0 |
+ d | 24 |N.t.W. ⅙ N. | 16½ | 37 5 | 159 55 | 37 5 | 0 0 |
+ e | 25 |N.N.O. | 9 | 37 38 | 160 12 | 37 38 | 0 0 |
+ f | 26 |S.O.t.S. | 5½ | 37 19½ | 160 28 | 37 20 | 7 0 |
+ g | 27 |N.W.t.N. | 9 | 37 50 | 160 3 | 37 50 | 0 0 |
+ a | 28 |Oost. | 5 | 37 50 | 160 28 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 29 |N.W. | 3¾ | 38 1 | 160 14 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 30 |Oost. | 4 | 38 1 | 160 34 | 37 40 | 7 0 |
+ d | 31 |Noorden. | 5½ | 38 2 | 160 34 | 38 0 | 0 0 |
+ JUNYUS. | | | | | | |
+ e | 1 |Noorden. | 6 | 38 24 | 160 34 | 0 0 | 0 0 |
+ f | 2 |N.t.W ⅔ W. | 1½ | 38 30 | 160 31 | 38 29 | 0 0 |
+ g | 3 |N.N.O. | 16 | 39 28 | 161 2 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 4 |N.t.W. | 14 | 40 23 | 160 48 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 5 |N.N.O. | 3½ | 40 36 | 160 55 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 6 |O.t.N. ½ N. | 8 | 40 45 | 161 34 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 7 |N.N.O. | 11 | 41 26 | 162 1 | 41 24 | |
+ | |Noorden. | 10 | 42 4 | 162 1 | 0 0 | 8 0 |
+ e | 8 |N.O. ½ N. | 5 | 42 19½ | 162 18 | 0 0 | 7 52 |
+ f | 9 |N.O.t.N. | 12 | 42 44 | 162 30 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 10 |O.S.O. | 10 | 42 29 | 163 19 | 42 37 | 9 0 |
+ a | 11 |Noorden. | 9 | 43 13 | 163 19 | 43 10 | 9 7 |
+ b | 12 |N.O.t.O. ¼ O.| 9 | 43 28 | 164 0 | 0 0 | 9 45 |
+ c | 13 | „ | „ | „ „ | „ „ | | |
+ d | 14 |O.t.S. | 4 | 43 25 | 164 21 | 43 25 | 0 0 |
+ e | 15 |N.O. ½ O. | 15½ | 44 4 | 165 27 | 44 3 | 0 0 |
+ f | 16 |N.O. ½ O. | 11 | 44 30½ | 166 14 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 17 |N.N.O. ½ O. | 12½ | 45 14½ | 166 47 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 18 |O.N.O. | 11 | 45 31¼ | 167 45 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 19 |O.N.O. | 6½ | 45 41¼ | 168 19 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 20 |N.t.W. ⅓ W. | 6½ | 46 6¼ | 168 9 | 46 7 | 10 40 |
+ d | 21 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ e | 22 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ f | 23 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ g | 24 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ a | 25 |N.W. | 14 | 46 46 | 167 11 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 26 |N.t.W. ⅓ W. | 10 | 47 25 | 166 56 | 47 12 | 0 0 |
+ c | 27 |Noorden. | 9 | 47 48 | 166 56 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 28 |W.t.S. | 12 | 47 39 | 165 49 | 0 0 | 0 0 |
+ e | 29 |W.t.S. ½ S. | 11 | 47 26 | 164 45 | 47 27 | 0 0 |
+ f | 30 |S. ⅔ W. | 20 | 46 8 | 164 30 | 45 54 | 10 50 |
+ JULYUS. | | | | | | |
+ g | 1 |S.S.W. ⅓ W. | 12 | 45 9 | 164 8 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 2 |O.S.O. ½ S. | 6½ | 44 56¾ | 164 41 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 3 |W.S.W. | 7 | 44 45¾ | 164 4 | 44 43 | 0 0 |
+ c | 4 |S.t.O. | 3 | 44 31 | 164 7 | 44 31 | 0 0 |
+ d | 5 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ e | 6 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ f | 7 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ g | 8 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ a | 9 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ b | 10 | „ | „ | „ „ | „ „ | | |
+ c | 11 |N.N.W. ⅔ W. | 4½ | 44 47 | 163 54 | 44 43 | 0 0 |
+ d | 12 |Noorden. | 1 | 44 47 | 163 54 | 44 45 | 0 0 |
+ e | 13 |W.N.W. ¾ W. | 20 | 45 26 | 162 17 | 0 0 | 0 0 |
+ f | 14 |W.t.N. | 16¼ | 45 39 | 160 44 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 15 |Noorden. | 12¾ | 46 30 | 160 44 | 0 0 | 0 0 |
+ | |N.O. | 2½ | 46 37 | 160 54 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 16 |N.O. | 1 | 46 40 | 160 58 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 17 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ c | 18 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ d | 19 |S.O.t.O. | 5 | 46 29 | 161 22 | 46 27 | 0 0 |
+ e | 20 |S.t.O. | 6½ | 46 1½ | 161 29 | 0 0 | 0 0 |
+ f | 21 |S.S.O. | 6 | 45 39½ | 161 42 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 22 |O.t.N. ¼ N. | 15 | 45 54 | 163 5 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 23 |N.W. ½ N. | 11 | 46 28 | 162 25 | 0 0 | 0 0 |
+ | |W.N.W. | 5 | 46 36 | 161 57 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 24 |N. ⅔ W. | 15 | 47 27 | 162 14 | 7 40 | 0 0 |
+ c | 25 |N.t.O. | 11½ | 48 25 | 162 27 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 26 |N.N.O. | 6½ | 48 49 | 162 42 | 8 56 | 0 0 |
+ | |O.t.S. | 3½ | 48 53½ | 163 1 | 8 54 | 0 0 |
+ | | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ e | 27 |Suyden. | 7 | 48 26 | 163 1 | 0 0 | 7 30 |
+ f | 28 |N.O.t.N. | 2½ | 48 33½ | 163 8 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 29 |W.t.N. | 1 | 48 34½ | 163 3 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 30 |S.W.t.W. | 1½ | 48 28½ | 162 53 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 31 |O.S.O. ⅔ S. | 2½ | 48 11½ | 163 50 | 0 0 | 0 0 |
+ AUGUSTUS.| | | | | | |
+ c | 1 |O.S.O. | 8 | 48 15½ | 163 50 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 2 |O.t.S. | 6½ | 48 6½ | 164 28 | 0 0 | 0 0 |
+ e | 3 |O.t.N. | 3 | 48 8½ | 164 43 | 0 0 | 8 15 |
+ f | 4 |S.O. | 22 | 47 6½ | 166 15 | 46 40 | 8 15 |
+ g | 5 |S.O.t.O. | 21 | 45 53 | 167 57 | 45 43 | 8 15 |
+ a | 6 |S.W. ½ S. | 17 | 44 50½ | 166 56 | 44 43 | 0 0 |
+ b | 7 |West. | 13 | 44 43 | 165 43 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 8 |S.t.W. | 6 | 44 19 | 165 36 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 9 |Oost. | 12 | 44 19 | 166 43 | 0 0 | 0 0 |
+ e | 10 |S.W.t.W. | 19½ | 43 36 | 165 14 | 0 0 | 10 0 |
+ f | 11 |Oost. | 1 | 43 36 | 165 20 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 12 |N.W.t.N. | 3 | 43 46 | 165 11 | 0 0 | 0 0 |
+ | |W.t.S. | 5 | 43 42 | 164 44 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 13 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ |
+ b | 14 |S.W. ⅔ S. | 9½ | 43 9 | 164 18 | 43 8 | 0 0 |
+ c | 15 |W. ½ S. | 7 | 43 5½ | 163 40 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 16 |N.N.W. ½ W. | 4 | 43 19½ | 163 30 | 0 0 | 0 0 |
+
+ =Van den 16den Augustus tot den 1sten September ten anker in de Baai
+ _de Goede Hoop_.=
+
+ SEPTEM- | | | | | | |
+ BER. | | | | | | |
+ g | 2 |Suyden. | 4 | 42 52 | 163 30 | 42 52 | 0 0 |
+ a | 3 |S.t.W. | 11 | 42 9 | 163 18 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 4 |S. ½ O. | 16 | 41 5½ | 163 26 | 41 3 | 9 45 |
+ c | 5 |S.W. ⅓ W. | 15 | 40 24 | 162 27 | 40 24 | 0 0 |
+ d | 6 |Suyden. | 8 | 39 52 | 162 27 | 39 54 | 0 0 |
+ e | 7 |S.O.t.S. | 5 | 39 37 | 162 42 | 0 0 | 10 50 |
+ f | 8 |S.t.O. ½ O. | 8 | 39 6 | 162 54 | 39 29 | 0 0 |
+ g | 9 |S.W. ⅔ W. | 15 | 38 53 | 162 2 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 10 |S.S.W. ½ W. | 19 | 37 46 | 161 6 | 37 38 | 7 30 |
+ b | 11 |O.t.N. | 8 | 37 44 | 161 44 | 37 51 | 0 0 |
+ c | 12 |O.N.O. | 12 | 38 9 | 162 39 | 38 29 | 0 0 |
+ d | 13 |O.t.S. | 12 | 38 20 | 163 37 | 38 40 | 0 0 |
+ e | 14 |S.S.O. | 20 | 37 26 | 164 16 | 37 16 | 7 15 |
+ f | 15 |O.t.N. | 17 | 37 29 | 165 38 | 37 24 | 7 38 |
+ g | 16 |O.t.S. | 16 | 37 12 | 166 54 | 37 17 | 0 0 |
+ a | 17 |N.O.t.O. | 16 | 37 53 | 168 2 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 18 |Oost. | 38 | 37 53 | 171 15 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 19 |O.t.S. | 17 | 37 47 | 172 38 | 0 0 | 11 45 |
+ d | 20 |O.t.N. | 28 | 38 9 | 174 58 | 37 56 | 0 0 |
+ e | 21 |O. ⅓ S. | 34 | 37 47 | 177 50 | 37 46 | 0 0 |
+ f | 22 |O. ⅓ N. | 20 | 37 51 | 179 31 | 37 48 | 13 30 |
+ g | 23 |O.t.S. | 20 | 37 32 | 181 12 | 37 31 | 0 0 |
+ a | 24 |S.O. ½ O. | 4½ | 37 20 | 181 29 | 37 19 | 14 50 |
+ b | 25 |O.S.O. | 25 | 36 41 | 183 24 | 36 44 | 14 8 |
+ c | 26 |O.S.O. | 25 | 36 6 | 185 18 | 36 5 | 15 20 |
+ d | 27 |O. ½ N. | 21 | 36 13 | 186 59 | 36 10 | 0 0 |
+ e | 28 |N.O. ½ N. | 14 | 36 53½ | 187 43 | 36 53 | 0 0 |
+ f | 29 |O.N.O. | 35 | 37 47 | 190 27 | 37 37 | 0 0 |
+ g | 30 |O. ½ S. | 46 | 37 19 | 194 17 | 37 21 | 0 0 |
+ OCTOBER. | | | | | | |
+ a | 1 |O. ½ S. | 48 | 37 2 | 198 17 | 36 56 | 0 0 |
+ | |Oost. | 4 | 36 56 | 198 37 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 2 |S.W. | 10 | 36 28 | 198 2 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 3 |W.t.S. | 19 | 36 13 | 196 29 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 4 |W.S.W. | 24 | 35 36 | 194 39 | 35 30 | 0 0 |
+ e | 5 |S.t.W. | 18 | 34 20 | 194 22 | 34 0 | 0 0 |
+ f | 6 |W.S.W. | 17 | 33 34 | 193 7 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 7 |N.W. ½ W. | 17 | 34 17 | 192 4 | 33 56 | 0 0 |
+ a | 8 |N.W. | 38 | 35 43 | 189 54 | 0 0 | 0 0 |
+ b | 9 |N.W.t.W. ⅓ W.| 28 | 36 39 | 187 54 | 36 42 | 17 0 |
+ c | 10 |N.W. ⅔ W. | 16 | 37 21 | 186 51 | 37 21 | 15 30 |
+ d | 11 |West. | 17 | 37 21 | 185 26 | 0 0 | 0 0 |
+ e | 12 |S.W. | 38 | 35 34 | 183 13 | 35 42 | 18 15 |
+ f | 13 |W. ½ S. | 21 | 35 34 | 181 33 | 35 30 | 0 0 |
+ g | 14 |W.S.W. | 12 | 35 12 | 180 40 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 15 |W.t.N. ½ N. | 11 | 35 25 | 179 48 | 35 19 | 0 0 |
+ b | 16 |W.t.N. | 26 | 35 39 | 177 45 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 17 |West. | 38 | 35 39 | 174 37 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 18 |W.t.N. | 30 | 36 2 | 172 14 | 35 42 | 0 0 |
+ e | 19 |W.t.N. | 12 | 35 51 | 171 8 | 35 38 | 11 20 |
+ f | 20 |W.S.W. | 8 | 35 26 | 170 32 | 34 38 | 11 25 |
+ g | 21 |N.W.t.W. | 18 | 35 18 | 169 19 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 22 |N.N.W. | 6 | 35 40 | 169 8 | 36 1 | 10 5 |
+ b | 23 |N.W.t.N. | 14 | 36 48 | 168 29 | 36 56 | 0 0 |
+ c | 24 |W. ½ S. | 22 | 36 47 | 166 40 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 25 |W.S.W. | 35 | 35 53 | 163 58 | 35 41 | 0 0 |
+ e | 26 |W.t.N. | 26 | 36 1 | 161 54 | 36 8 | 7 22 |
+ f | 27 |W.S.W. | 15 | 35 45 | 160 45 | 0 0 | 0 0 |
+ g | 28 |S.t.W. ½ W. | 28½ | 33 56½ | 160 25 | 33 58 | 0 0 |
+ a | 29 |S.t.W. | 9½ | 33 21 | 159 56 | 33 18 | 6 12 |
+ b | 30 | „ | „ | „ „ | „ „ | | |
+ c | 31 |S.W.t.S. | 16 | 32 25 | 159 14 | 32 27 | 0 0 |
+ NOVEMBER.| | | | | | |
+ d | 1 |W.t.S. ⅓ S. | 23 | 32 9 | 157 40 | 31 58 | 6 30 |
+ e | 2 |N.W. ½ W. | 15 | 32 35½ | 156 46 | 32 35 | 0 0 |
+ f | 3 |W.S.W. ½ S. | 30 | 31 38½ | 154 41 | 31 23 | 0 0 |
+ g | 4 |W. ½ S. | 38 | 31 8 | 151 43 | 0 0 | 0 0 |
+ a | 5 |W.t.N. | 27 | 31 29 | 149 40 | 0 0 | 0 0 |
+ | |Noorden. | 1 | 31 33 | 149 40 | 31 33 | |
+ b | 6 |West. | 13 | 31 33 | 148 39 | 0 0 | 0 0 |
+ c | 7 |N.t.W. | 5 | 31 53 | 149 35 | 31 52 | 0 0 |
+ d | 8 |W.N.W. | 2 | 31 55 | 149 27 | 0 0 | 0 0 |
+ e | 9 |S.W.t.W. | 8 | 31 37½ | 148 56 | 0 0 | 0 0 |
+ f | 10 |S.W. | 8 | 31 14½ | 148 29 | 31 12 | 4 15 |
+ g | 11 |W.t.S. | 15 | 31 0 | 147 49 | 31 0 | 0 0 |
+ a | 12 |West. | 20 | 31 0 | 145 46 | 30 47 | 0 0 |
+ b | 13 |W.S.W. | 23 | 30 12 | 144 8 | 29 57 | 0 0 |
+ c | 14 |S.W.t.W. | 28 | 28 55 | 142 21 | 0 0 | 0 0 |
+ d | 15 |S.W. | 38 | 27 8 | 140 20 | 26 56 | 0 0 |
+ e | 16 |W.t.S. | 31 | 26 32 | 138 5 | 0 0 | 0 0 |
+ f | 17 |S.t.W. ¼ W. | 20 | 25 14 | 137 43 | 25 0 | 0 0 |
+ g | 18 |S.t.W. | 31 | 22 58 | 137 16 | 2 57 | 0 0 |
+
+ ====+====+============+===============================================
+ DA- | | |
+ GEN.|DA- | WINDEN. | EENIGE BEVINDINGEN.
+ NA- |TUM.| |
+ MEN.| | |
+ ----+----+------------+-----------------------------------------------
+ APRIL. | |
+ c | 4 |Suydelyck. |Gaen ’s avonts t’seyl van voor _Maleye_.
+ d | 5 |Variabel. |_Ternaten_ 4 à 5 mylen S. ¼ W. van ons.
+ e | 6 |N.W.t.W. |_Ternaten_ 7 mylen S. van ons.
+ f | 7 |Noordelyck. |_Ternaten_ S.t.O. ½ O. 10 mylen van ons, waeren
+ | | |5 mylen buyten ’t lant.
+ g | 8 |Variabel. |De eyl. _Tongy-Songy_ O. ½ N. 4 mylen van ons.
+ a | 9 |Variabel. |De eyl. _Tongy-Songy_ O. ¼ N. 4 mylen van ons.
+ b | 10 |Noordelyck. |De eyl. _Tongy-Songy_ O.t.S. 3 mylen van ons.
+ c | 11 |Noordelyck. |Het N. eyndt van het eyl. _Doy_ N.O. ½ N. 5 myl
+ | | |van ons.
+ d | 12 |N.O.t.O. |Het eyl. _Doy_ 3 mylen van ons, op de streeck
+ | | |als vooren.
+ e | 13 |Variabel. |Het eyl. _Tuancara_ O.N.O. 6 à 7 mylen van ons.
+ f | 14 |Westelyck. |Het eyl. _Tuancara_ O.t.S. ¼ S. 3 mylen van
+ | | |ons.
+ g | 15 |O.t.N. |Hebben onse compassen op 4 gr. N. Oostering
+ | | |geleyt.
+ a | 16 |Variabel. |Het eylant _Talao_ W.t.N. 9 mylen van ons.
+ b | 17 |Oostelyck. |Bevonden styve stroom om de Noort.
+ c | 18 |Oostelyck. |Doen getalyt ende gestaecht.
+ d | 19 |Noordelyck. |De stroom styf om de Noort loopende.
+ e | 20 |Oostelyck. |De stroom styf om de Noort loopende.
+ f | 21 |O.t.N. |Doen onse boodt ingeset.
+ g | 22 |O.t.N. |Saegen croos ende een lant vogel.
+ a | 23 |O.t.N. |Topseyls coelte met een grauwe lucht.
+ b | 24 |O.t.N. |Bevonden de stroom gedaen te hebben.
+ c | 25 |O.t.N. |Gemeen topseyls coelte.
+ d | 26 |Variabel. |De eyl. _Spiritus Santa_ 38 à 40 mylen S.W.t.W.
+ | | |van ons.
+ e | 27 |Variabel. |Met styff topseyls coelte ende moy weder.
+ f | 28 |S.O.t.S. |Met gemeen topseyls coelte ende een heldere
+ | | |lucht.
+ g | 29 |Variabel. |Veel stilte.
+ a | 30 |Variabel. |Met styve doorgaende coelte.
+ MAY. | |
+ b | 1 |Oostelyck. |Met topseyls coelte ende veel regen, saegen
+ | | |meeuwen.
+ c | 2 |Variabel. |Met stilte ende veel regen, saegen een swaluw
+ | | |vliegen.
+ d | 3 |Oostelyck. |Met motregen, saegen meeuwen vliegen.
+ e | 4 |Oostelyck. |Met topseyls coelte met holle deyninge uyt een
+ | | |N.O. en O.
+ f | 5 |O.t.N. |Met topseyls coelte en hol water uyt een N.O.
+ g | 6 |O.t.S. |Saegen een lantvogeltie ende veel meeuwen
+ | | |vliegen.
+ a | 7 |S.O.t.O. |Saegen veel troppen meeuwen vliegen, ende croos
+ | | |ende quallen dryven.
+ b | 8 |Suydelyck. |_Breskens_ eylant W. 6 mylen van ons.
+ c | 9 |N.O. |Saegen swarte meeuwen met scherpe staerten.
+ d | 10 |N.O.t.N. |Saegen veel meeuwen vliegen.
+ e | 11 |O.t.N. |Deyninge hol uyt een N.O. Saegen veel meeuwen.
+ f | 12 |S.O.t.S. |De deyninge uyt een O.S.O. Saegen veel meeuwen.
+ g | 13 |Suydelyck. |Met regen, hebben een swaluw om het schip sien
+ | | |vliegen.
+ a | 14 |Variabel. |Saegen veel meeuwen ende een cleyn lantvogeltie.
+ b | 15 |Variabel. |Saegen veel meeuwen vliegen en veel steencroos
+ | | |dryven.
+ c | 16 |N.O.t.N. |Slap topseyls coelte, holle deyninge uyt een
+ | | |O.N.O.
+ d | 17 |N.O.t.O. |Saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert
+ | | |vliegen.
+ e | 18 |O.S.O. |Met topseyls coelte, saegen een groot bos croos
+ | | |dryven.
+ f | 19 |Variabel. |Een styve doorgaende coelte met regen, quaemen
+ | |S.S.W. |ten ancker onder het _Ongeluckich_ eylant.
+ g | 20 |Westelyck. |Doen lach het _Ongeluckich_ eyland S.W.t.W.
+ | | |vijf mylen van ons.
+ a | 21 |S.W. en |Saegen de _S.O. hoeck_ van _Japan_.
+ | |W.S.W. |
+ b | 22 |Variabel. |Doen lach de _S.O. hoeck_ van _Japan_, anders
+ | |Stillekens. |genaemt _Bosho_ S.W. ½ S. 5 mylen van ons.
+ c | 23 |S.t.O. S.O. |
+ | |O.S.O. |
+ | |S.O. |De _Sandtduynige hoeck_ doen W. 4 mylen van
+ | | |ons.
+ d | 24 |Suydelyck. |Doen lach de _Steyle witte hoeck_ van _Gissima_
+ | | |W. ½ S. 3 mylen van ons.
+ e | 25 |Suydelyck. |Waeren 4 mylen buyten de _Oostcust_ van
+ | | |_Japan_.
+ f | 26 |Variabel. |Doen lach de _Caep de Kennis_ W. ½ S. 7 mylen
+ | | |van ons.
+ g | 27 |Suydelyck. |Waeren 2 mylen buyten de _Oostcust_ van
+ | | |_Japan_, diep 19 à 20 vadem.
+ a | 28 |Variabel. |Waeren 7 mylen buyten de _Oostcust_ van
+ | | |_Japan_, diep 70 vadem.
+ b | 29 |Variabel. |Waeren 4 mylen buyten de _Oostcust_ van
+ | | |_Japan_.
+ c | 30 |Variabel. |Waeren 7 à 8 mylen van lant, diep 100 vadem,
+ | | |singelgrondt, bevonden stroom om de S.
+ d | 31 |S.Westelyck.|Doen lach het eyl. _Toy_ N.N.W. 8 mylen van
+ | | |ons.
+ JUNYUS. | |
+ e | 1 |Noordelyck. |Als doen lach het eyland _Toy_ N.W. ½ W. 2 à 3
+ | | |mylen van ons, hadden doen de diepte van 80
+ | | |vadem, wasige gront.
+ f | 2 |Suydelyck. |Als doen lach het _S. eynt van Toy_ W. 3 à 4
+ | | |mylen van ons.
+ g | 3 |Suydelyck. |Als doen lach de _Caep Goeré_ N.t.W. 4 myl van
+ | | |ons.
+ a | 4 |Suydelyck. |Giste de _Noordelycke hoeck_ van _Japan_, als
+ | | |doen S.W.t.W. 4 mylen van ons, hadden de diepte
+ | | |van 75 vadem, santgront, dan conden door de
+ | | |mist geen lant sien.
+ b | 5 |Variabel. |Waeren als doen gront af, saegen veel seehonden
+ | | |ende drift.
+ c | 6 |Noordelyck. |Als doen lach _Caep de Goeré_ naar gissing
+ | | |S.W.t.S. ½ S. 17 mylen van ons, saegen veel
+ | | |seehonden ende drift.
+ d | 7 | |Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_, N. 9 à
+ | | |10 mylen van ons, ende was een _steyle hooge
+ | | |hoeck_.
+ | |Westelyck. |
+ e | 8 |Westelyck en|Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_ S.W. ½ S.
+ | |Suydelyck |5 mylen van ons, ende hadden de diepte van 58
+ | | |vadem, wasige gront, waeren 3 myl buyten lant.
+ f | 9 |Variabel. |Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_ S.W. ½ S.
+ | | |12 mylen van ons, ende laegen geset voor een
+ | | |plaets genaempt _Tacapsy_, op de diepte van 15
+ | | |vadem, singelgront.
+ g | 10 |S.W.t.W. |Doen was ’t diep 100 vadem, wasige gront.
+ a | 11 |Variabel. |Waeren als doen 2½ myl van lant, op de diepte
+ | | |van 27 vadem, swarte santgront.
+ b | 12 |S.O.t.S. |Quaemen alhier ten ancker op 23 vadem,
+ | | |santgront, het _Barbaren_ eyl. lach N.O. ¾ N. 1
+ | | |myl van ons ende _Caep Manshooft_ W.t.N. 3
+ | | |mijl.
+ c | 13 |S.S.O. |Syn weder t’seyl gegaen.
+ d | 14 |W.S.W. |Als doen lach het _Barbaren_ eyl. N.W.t.W. 4
+ | | |myl van ons, ende de _Hooge berch met de keep_
+ | | |in ’t N.W.t.N. wel 20 mylen.
+ e | 15 |N.W. |Als doen lach de Caep _Canael_ in ’t W.t.S. 4
+ | | |myl van ons, saegen in ’t N. de _Boeren
+ | | |schuer_.
+ f | 16 |S.t.W. |Saegen veel lange ende corte steencroos dryven.
+ g | 17 |O.N.O. |Waeren een myl van lant, hadden geen gront.
+ a | 18 |S.W. |Was een slappe coelte ende heel mistich.
+ b | 19 |S.W. |Saegen met een blinck lant in ’t W. ende W.N.W.
+ | | |ende in ’t N., ende stracx was ’t weder bedeckt
+ | | |van mist.
+ c | 20 |Variabel. |Laegen ten ancker onder het _Companys Lant_.
+ d | 21 |Variabel. |Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de
+ | |S.W. |N.O. besichticht.
+ e | 22 |S.W. en |Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de
+ | |S.S.W. |S.S.W. besichticht ende een _mijn_ ontdeckt.
+ f | 23 |S.W. en |Hebben water gehaelt ende _mynerael_, ende het
+ | |S.S.W. |lant in possessy genomen, ende het den naem
+ | | |gegeven van _Companys Lant_.
+ g | 24 |S.W. |Sette onse boot ende prauw in, ende gingen
+ | | |onder seyl, deden onse cours om de N.W.
+ a | 25 |N.O. en |Saegen veel lange steencroos dryven.
+ | |N.N.O. |
+ b | 26 |N.W. |Saegen veel lange steencroos dryven.
+ c | 27 |N.W.t.N. |Als doen lach de plaets, daer wy ten ancker
+ | | |gelegen hebben, onder ’t _Companys lant_,
+ | | |S.S.O. 1 gr. 56 min. Oostelycker, 28½ myl van
+ | | |ons, wenden het als doen om de West.
+ d | 28 |O. en N.O. |Met cleyne coelte ende heel donckere mist.
+ e | 29 |O.S.O. |Met cleyne coelte, keeren wederom naer de S.
+ f | 30 |O.S.O. |Als doen lach _C. de Trou_ O.t.S. ¼ S. 15 myl
+ | | |van ons ende de _Boeren schuer_ S.O. 15 à 16
+ | | |mylen, saegen veel drift, vertrouwe die door
+ | | |een canael te comen.
+ JULYUS. | |
+ g | 1 |Variabel. |Waeren voor het _Canael Antony_, saegen veel
+ | | |steencroos, wier, biese ende tackies van boomen
+ | | |dryven.
+ a | 2 |Variabel. |Als doen lach de _Croonberch_ S.O. ½ S. 2½ myl
+ | | |van ons, saegen in ’t S. _de Gehackelde berch_.
+ b | 3 |Westelyck. |Als doen lach de _Gehackelde berch_ O.t.S. ½ S.
+ | | |5 mylen van ons, deden onse cours Suyden aen.
+ c | 4 |N.O. |Quaemen ten ancker, als synde ⅔ myl van lant,
+ | | |op 20 vadem, santgront; synde onder het N.O.
+ | | |_eynt van Eso_, 2 mylen bewesten het _Canael
+ | | |Antony_.
+ d | 5 |Variabel. |Hebben water gehaelt en gevischt, is de boot op
+ | | |strant gecomen.
+ e | 6 |S.S.O. |Onse boot vlot gecregen ende quaemen aen boord.
+ f | 7 |S.S.O. |Ondersoecken het canael ende visschen.
+ g | 8 |Variabel. |Hebben gevischt, ende groente gehaelt.
+ a | 9 |Suydelyck. |Syn om hout gevaren ende met de boot aen lant
+ | | |vernacht.
+ b | 10 |S.S.O. |Quaemen met boot ende prauw weer aen boort.
+ c | 11 |S.S.O. |Doen hadden wy de _Gehackelde berch_ O.t.S. ½
+ | | |S. 10 mylen van ons.
+ d | 12 |S.O. |Als doen lach de _Hooge Tepelberch_ S.O.t.S. ⅓
+ | | |S. van ons, waeren 3 à 3½ myl buyten lant.
+ e | 13 |S.O. |Cleyne coelte met een swaere mist.
+ f | 14 |O.N.O. |Was doen diep 50 vadem, saegen veel drift.
+ g | 15 |O.S.O. en |Waeren nu 4 mylen van lant, diep 23 vadem,
+ | |O.t.S. |steckgront; quaemen voor _Tamary_ ten ancker op
+ | | |10½ vadem.
+ | |Suyden. |
+ a | 16 |S.O. |Quaemen voor _Tamary_ ten ancker op 9½ vadem
+ | | |steckgront.
+ b | 17 |Variabel. |Hebben in _Tamary_ aen lant geweest.
+ c | 18 |Variabel. |Hebben weder aen lant geweest ende ons afscheyt
+ | | |genomen.
+ d | 19 |S.S.W. |Als doen lach de _Steyle hoeck_ beoosten
+ | | |_Tamary_ N.W. ½ N. 2½ myl van ons.
+ e | 20 |Noordelyck. |Als doen lach de Caep _Aniwa_ O.S.O. 3 à 4 myl
+ | | |van ons.
+ f | 21 |Variabel. |Als doen lach de Caep _Aniwa_ N.t.O. ⅔ O. 4 myl
+ | | |van ons.
+ g | 22 |Variabel. |Saegen veel seerobben swemmen ende veel drift.
+ a | 23 |Noordelyck. |Met styve coelte met mistich regenich weder,
+ | |S.W. |als doen lach de _Tonyns hoeck_ W.S.W. 1 myl
+ | |S.W.t.S. |van ons.
+ b | 24 |Variabel. |Hadden _Hoochlant_ in ’t S.W.t.W. 5 myl van
+ | | |ons. Vernaemen dat ons een stroom om de N.
+ | | |geset had.
+ c | 25 |Variabel. |Hadden doen lant in ’t N.O. 10 mijl van ons.
+ d | 26 |Suydelyck. |Hadden doen een _Hooge vlacke berch_ 3½ myl van
+ | | |ons; quaemen hier ten ancker op 18 vadem 1½ myl
+ | | |van lant. Als doen lach Caep _Patientie_
+ | | |S.O.t.O. 4 mylen van ons ende het _Robben_ eyl.
+ | | |S.S.O. op d^{o}. veerheyt.
+ | |Variabel. |Hebben het lant gevisiteert ende volck
+ | | |gevonden.
+ e | 27 |Oostelyck. |Was doen diep 37 vadem, steckgront.
+ f | 28 |Oostelyck. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.O. 1 mijl van
+ | | |ons ende het was 16 vadem diep, singelgront.
+ g | 29 |O.S.O. |Als doen lach het _Robben_ eyl. O.N.O. 1½ myl
+ | | |van ons, laegen doen geanckert op 25 vadem.
+ a | 30 |Variabel. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.O. ⅔ O. naer
+ | | |gissing van ons 2 à 3 mylen, conden het niet
+ | | |sien door mist.
+ b | 31 |O.S.O en |Als doen lach het _Robben_ eyl. meest in ’t
+ | |S.O. |Noort van ons, naer gissing omtrent 3 mylen,
+ | | |maer conden d^{o}. eyl. niet sien, het was 37
+ | | |vadem diep, steckgront.
+ AUGUSTUS.| |
+ c | 1 |Noordelyck. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.W. ende
+ | |Variabel. |omtrent 9 mylen van ons, ende was doen diep 72
+ | | |vadem, steckgront.
+ d | 2 |Noordelyck. |Met styff topseyl ende variabel weder.
+ | |Variabel. |
+ e | 3 |Noordelyck. |Met styve coelte ende heel mistich weder,
+ | |Variabel. |saegen veel gevogelte.
+ f | 4 |N.N.O. |Met styve wint, saegen veel drift, bevonden dat
+ | | |de stroom ons styf om de Suyt geset hadde.
+ g | 5 |N.N.O. |Als doen lach Caep _de Vries_ S.W. 4 mylen van
+ | | |ons.
+ a | 6 |N.W.t.N. |Als doen lach Caep _de Vries_ N.O.t.N. 13 à 14
+ | | |mylen, waeren 4 mylen buyten het _Staetenlant_.
+ b | 7 |S.t.W. |Waeren dicht onder de _Gehackelde berch_ ½ myl
+ | | |van lant, op de diepte van 15 vadem, vuyle
+ | | |gront.
+ c | 8 |Variabel. |Met topseyls coelte ende een dichte mist.
+ d | 9 |S.S.O. |Met topseyls coelte ende heel mistich weder.
+ e | 10 |S.O. |Als doen lach Caep _de Canael Antony_ mede 5
+ | | |mylen van ons, ende was 66 vadem, singelgront.
+ f | 11 |S.O. |Met topseyls coelte en mistich motrich weder.
+ g | 12 |Noordelyck. |Als doen lach het W. eynt van ’t _Walvisch_
+ | |N.N.O. |eylant N.t.W. ½ N. 2 à 3 mylen van ons, quamen
+ | | |ten ancker in de _Gebroocke_ eyl. van _Tamary_,
+ | | |op 21 vadem.
+ a | 13 |Noordelyck. |Met styve coelte, laegen ten ancker, gingen
+ | | |naer middach t’seyl.
+ b | 14 |Variabel. |Als doen lach Caep _de Manshooft_ N.t.W. 2
+ | | |mylen van ons.
+ c | 15 |Noordelyck. |Als doen lach de _Steyle W. hoeck_ van _van der
+ | | |Lyns_ eylant W. ½ S. 1 myl van ons.
+ d | 16 |Suydelyck. |Quaemen voor de bay _Goede Hoop_, voor het dorp
+ | | |_Ackys_ ten ancker, op 5½ vadem, een
+ | | |musquetschoot van lant.
+
+ =Van den 16den Augustus tot den 1sten September ten anker in de Baai
+ _de Goede Hoop_.=
+
+ SEPTEM- | |
+ BER. | |
+ g | 2 |Oostelyck. |Caep _Santanel_ N.t.W. 4 mylen van ons.
+ a | 3 |Variabel. |Met topseyls coelte, saegen veel meeuwen
+ | | |vliegen.
+ b | 4 |W.S.W. |Met een labber coelte.
+ c | 5 |S.O. |Met een topseyls coelte.
+ d | 6 |Noordelyck. |Met cleyn topseyls coelte.
+ e | 7 |Variabel. |’s Ochtens onse compassen op 8 gr. N. Oostering
+ | | |geleyt.
+ f | 8 |S.W. |Met cleyne coelte.
+ g | 9 |Variabel. |Als doen lach de _Tafelberch_ W.t.N. 9 mylen
+ | | |van ons.
+ a | 10 |N.W. |Met topseyls coelte, 10 mylen buyten de
+ | | |Oostcust van _Japan_.
+ b | 11 |Suydelyck. |Met sleyckende coelte.
+ c | 12 |Variabel. |Saegen een stuck hout dryven ende veel
+ | | |gevogelte vliegen.
+ d | 13 |W.S.W. |Bevonden als voren harde stroom om de Noort.
+ e | 14 |N.W.t.N. |Hebben 2 cleyne landvogelties gevangen.
+ f | 15 |N.N.W. |Saegen een stuck hout ende steencroos dryven.
+ g | 16 |N.N.O. |Saegen een schildpad dryven ende veel meeuwen
+ | | |vliegen.
+ a | 17 |S.S.O. |’s Ochtens onse compassen op 10 gr. N.
+ | | |Oostering geleyt.
+ b | 18 |W.N.W. |Saegen een stuck hout dryven ende veel meeuwen
+ | | |vliegen.
+ c | 19 |Variabel. |Hebben onse compassen op een streeck N.
+ | | |Oostering geleyt.
+ d | 20 |Suyden. |Met styve doorgaende coelte, saegen veel
+ | | |meeuwen vliegen.
+ e | 21 |West. |Met styve doorgaende wint.
+ | |Variabel. |
+ f | 22 |S.O. |Cleyne topseyls coelte.
+ g | 23 |S.S.W. |Saegen eenige puystebyters vliegen.
+ a | 24 |S.S.W. |Met cleyn topseyls coelte.
+ b | 25 |S.S.W. |Met topseyls coelte.
+ c | 26 |S.S.W. |Saegen eenige meeuwen vliegen.
+ d | 27 |S.S.W. |Saegen veel meeuwen en een witte pylstaert.
+ e | 28 |Variabel. |Saegen veel troppen meeuwen.
+ f | 29 |S.W. |Met styve doorgaende wint.
+ g | 30 |West. |Met heel styve doorgaende wint.
+ OCTOBER.| |
+ a | 1 |N.W. |Met styve doorgaende wint.
+ | |N.N.W. |Keeren wederom naer de Oostcust van _Japan_,
+ | | |waeren 460 mylen beoosten _Japan_.
+ b | 2 |Variabel. |Saegen een leeuwrick by ’t schip vliegen.
+ c | 3 |Oostelyck. |Met topseyls coelte ende hol waeter uyt een
+ | | |N.O.
+ d | 4 |Verander- |Met ongestaedich weder ende wint.
+ | |lijck. |
+ e | 5 |Variabel. |Bevonden harde stroom om de Suyt te gaen.
+ f | 6 |Noorden. |Met harde coelte, sloegen andere seylen aen.
+ g | 7 |O.N.O. |Met styve stroom om de Suyt.
+ a | 8 |O.S.O. |Met doorgaende wint.
+ b | 9 |Variabel. |Hebben een puystebyter gevangen, waeren naer
+ | | |gissing 331 myl buyten de Oostcust van _Japan_.
+ c | 10 |S.W. |Met cleyn topseyls coelte, somtyts regen.
+ d | 11 |Variabel. |Saegen veel deferente meeuwen.
+ e | 12 |N.O. en |Styve coelte met mot regen, by daech claer
+ | |O.N.O. |gesicht.
+ f | 13 |Variabel. |Met topseyls coelte met hol water uyt een N.W.
+ g | 14 |Variabel. |Met ongestaedich weder ende wint.
+ a | 15 |Variabel. |Vingen een strantloopertje ende saegen een
+ | | |swaluw ende veel swarte graeuwe meeuwen, waeren
+ | | |naer gissing 235 myl beoosten de Oostcust van
+ | | |_Japan_.
+ b | 16 |Oostelyck. |Heel ongestaedich weder van regen ende wint,
+ | |Variabel. |hebben onse seylen verlooren.
+ c | 17 |N.O. |Met storm, sloegen andere seylen aen.
+ d | 18 |N.O.t.N. |Met styve coelte, de stroom styf om de Suyt
+ | | |gaende, hebben een andere roerpen in ’t roer
+ | | |gestoocken.
+ e | 19 |S.O. |Saegen een witte pylstaert en een swaluw
+ | | |vliegen ende veel steencroos dryven ende een
+ | | |_monstreuse_ visch swemmen, waeren 121 mylen
+ | | |buyten de Oostcust van _Japan_.
+ f | 20 |Noordelyck. |Met stilte, bevonden styve stroom om de Suyt.
+ g | 21 |S.S.W. |Was ongestaedich motrich weder, met styve wint.
+ | |Variabel. |
+ a | 22 |W.N.W. |Saegen 2 witte pylstaerten vliegen ende
+ | | |steencroos dryven, bevonden harde stroom om de
+ | | |N. te gaen, waeren als doen 108 mylen buyten de
+ | | |Oostcust van _Japan_.
+ b | 23 |W.N.W. |Hebben een sperwer gevangen en een tortelduyf
+ | | |gesien, waeren naer gissinge 100 mylen buyten
+ | | |de Oostcust van _Japan_.
+ c | 24 |N.N.O. N. en|Saegen een stuck hout dryven ende veel croos,
+ | |N.O. |hadden reegen.
+ d | 25 |Noordelyck. |Met een styve coelte.
+ e | 26 |Noordelyck. |Waeren nu 12 mylen buyten de O.cust van
+ | |Variabel. |_Japan_, conden de cust pas sien, hadden de
+ | | |cust 8 _myl eer als gegist hadden_.
+ f | 27 |Noordelyck. |Als doen lach de _Santduynige hoeck_ N.O.t.N. 4
+ | | |mylen van ons, als doen diep 13 vadem,
+ | | |santgront.
+ g | 28 |N.O.t.N. |Als doen lach het _Prinse_ eyl. W. 6 myl van
+ | | |ons, ende _Barnevelt_ eyl. W.N.W. 6 mylen.
+ a | 29 |N.N.O. |Quaemen onder het _Ongeluckich_ eyl. ten
+ | | |ancker.
+ b | 30 |N.O. en |Hebben het _Ongeluckich_ eyl. gevisiteerd.
+ | |N.N.O. |
+ c | 31 |N.O. |Als doen lach het _Ongeluckich_ eyl. N.O.t.N.
+ | | |16 mylen ende het _Suyder_ eyl. O. 9 mylen van
+ | | |ons.
+ NOVEMBER.| |
+ d | 1 |Noordelyck. |Met cleyn topseyls coelte, saegen eenich croos
+ | | |dryven.
+ e | 2 |Variabel. |Ongestaedich weder van regen ende wint.
+ f | 3 |N.N.O. |Met styve doorgaende wint, saegen een duycker,
+ | | |bevonden styve stroom om de Suyt.
+ g | 4 |O.N.O. |Met styve ongestaedige wint ende weder.
+ a | 5 |Oostelyck. |Met styve wint ende ongestaedich weder.
+ | |Westelyck. |Waeren nu naer gissinge 32½ myl bewesten het
+ | | |_Ongeluckich_ eyl., segge W.t.S. van d^{o}.
+ | | |eyl., soodat volgens dien de S.O. hoeck van
+ | | |_Cikoko_ leyt op dese geseylde lengte ende
+ | | |breete.
+ b | 6 | |
+ c | 7 |Westelyck. |Hadden dit etmael vehemente stroom vernomen.
+ d | 8 |Variabel. |Wint ende weder, vernaemen aen de peyling van
+ | | |’t lant styve stroom.
+ e | 9 |Variabel. |Bevonden harde stroom, als doen lach de S.O.
+ | | |hoeck van _Cikoko_ W.t.S. ½ S. 4 mylen van ons,
+ | | |als doen is het jacht _Breskens_ by ons
+ | | |gecomen.
+ f | 10 |Variabel. |Als doen lach de S.O. hoeck van _Cikoko_ N.N.O.
+ | | |6 mylen van ons.
+ g | 11 |Variabel. |Als doen lach het _Brandent_ eyl. S.S.O. 4
+ | | |mylen van ons.
+ a | 12 |Noordelyck. |Als doen lach het eyl. _Cikoko_ 9 à 10 mylen O.
+ | | |van ons.
+ b | 13 |N.N.W. |Met cleyn topseyls coelte, was doen diep 75
+ | | |vadem, wasige gront.
+ c | 14 |N.N.O. |Was als doen diep 50 vadem, hadden styve coelte.
+ d | 15 |N.N.O. |Met styve wint, was als doen diep 60 vadem.
+ e | 16 |N.O. |Was nu volgens de _Companys caert_ 15 mylen met
+ | | |myn besteck op de cust van _China_.
+ f | 17 |Noordelyck. |Als doen lach de _Leguaens hoeck_ S.O.t.O. 4
+ | | |mylen van ons, vernaemen harde stroom om de
+ | | |Suyt.
+ g | 18 |Noordelyck. |Binnen _Tayoúan_ te ree op 10 vadem.
+
+Aan het einde van iedere maand, wordt in het Handschrift van het
+Journaal mede gevonden, de landverkenningen, die men gedurende den loop
+van die maand heeft kunnen opnemen; eenige er van zijn opgenomen, in het
+werk van Nicolaes Witsen, _Noord-_ en _Oost-Tartaryen_, 1^{e} deel, bl.
+152.
+
+
+
+
+BIJLAGEN.
+
+
+ N^{o}. 1. Extract uit de Resolutie van den Gouverneur-Generaal en de
+ Raden van _Indië_, van den 17^{de} January, 1643.
+ » 2. Idem als boven, van den 23^{ste} idem.
+ » 3. Idem als boven, van den 2^{de} February.
+ » 4. Idem uit de Missive van den Gouverneur-generaal en de Raden
+ van Indië, aan den Gouverneur van _Amboina_, van den 16^{de}
+ February, 1643.
+ » 5. Idem uit de Missive aan de Bewindhebberen ter vergadering
+ van 17^{ne}, van den 22^{ste} December 1643.
+ » 6. Idem als boven, van den 4^{de} January, 1644.
+ » 7. Idem als boven, van den 23^{ste} December 1644.
+ » 8. Idem uit het _Batavia’s_ Dagregister, van den 14^{de}
+ December, 1643.
+ » 9. Maerten Gerritsz. Vries.
+ » 10. Cornelis Jansz. Coen.
+
+
+
+
+EXTRACTEN
+
+_uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-Generaal en de Raden
+van Indië, betrekkelijk de reis van de schepen_ Castricum _en_ Breskens.
+1643-1644.
+
+
+Saturdagh den 17^{de} January A^{o}. 1643.
+
+
+N^{o}. 1.
+
+Op geen mindere hoop en groot vertrouwen, als wy ten dienste van de Ver.
+Ned. O. I. Comp., tot vergrootingh en verbeteringh van desselfs stant en
+negotie hier te lande, hebben gehad en gepractiseert, om de g’opinieerde
+off noch onbekende landen besuyden de Linie Equinoctiael en de
+gelegentheyt desselfs te ontdecken, in voegen als onse Resolutie primo
+Augustus passato daerover genomen, wyt en breet dicteert. Mitsgaders op
+14 dito met ’t jacht _Heemskerck_ en de fluit _de Zeehaen_, onder ’t
+beleyt van den E. Abel Jansz. Tasman, van hier over ’t eylant
+_Mauritius_ doen ondernemen hebben. Vinden wy ons door deselve redenen
+en motiven immers soo gretigh en genegen, om te besoecken en
+t’ontdecken, de onbevaren vaste landen en eylanden bynoorden _Japan_ en
+van daer Oostwaerts gelegen; insonderheyt de Oostcust van _Tartarien_,
+en daeronder het vermaerde Coninckryck _Cathaya_. Gelyck de Heeren onse
+principalen hiertoe mede seer inclineren, ’t selve veelmalen en by haere
+per naeste ontfangene generale brieven, noch ernstich recommanderen; te
+meer, om die gelegentheyt t’ontdecken, diverse besendingen uyt _Europa_
+derwaerts syn gedaen. Welcke vermits het soecken van de Noorder-wal en
+de daeromtrent dominerende _Yszee_, geen effect hebben gesorteert.
+Mitsgaders dat onse gemelte Gebieders opinieeren, gelyck oock apparent
+sy en diverse beschryvingen getuigen, daer profitabele negotie en meer
+goede gelegentheden voor de Comp. te vinden sullen wesen. Item om van
+daer wyders andermael te gaen soecken, naer ’t voorgegeven Gout- en
+Silverrycke eylant byoosten _Japan_, werwaerts wy, volgens resolutie van
+28 May A^{o}. 1639, op 2 Juny daer aen, onder het beleyt van den E.
+Mathys Quast, door de straet _Manilha_ uytgeset hadden, de fluyten
+_Engel_ en _de Graff_, die door ongeluckige toevallen op 24 November
+desselven jaers, vruchteloos in _Tayouan_ syn gekeert. Op dese apparente
+ontdeckinge dan langh gespeculeert, en daertoe gehoort en gesien
+hebbende, d’opinien en voorstellingen, van verscheyden wel
+geexperimenteerde personen, haer op de gelegentheyt deser te doene
+ontdeckingh verstaende, en voorders geconsidereert, dat het de Comp.,
+staende onse regeringe, noyt beter gelegen heeft gekomen, om twee
+bequaeme schepen, buyten vercortingh van den ordinairen handel, en
+vereysch in den oorloge hier te lande, af te setten, als tegenwoordich.
+Soo is ’t, dat wy dan in gevolge van dien, geresolveert en gearresteert
+hebben, gelyck resolveren en arresteren by desen, tot die bevaringh en
+ontdeckingh ’t fluytschip _Castricum_, jongst van _Sumatra’s West-cust_
+gekomen, en ’t jacht _Breskens_, onlangs uyt ’t patria verschenen;
+hoewel al naer _Macassar_ en _Amboyna_ gedestineert sy. Welcke beyde
+daertoe seer bequaem geoordeelt werden, en dat onder ’t gesach van den
+Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, die sich tot dese
+verrichtingh seer genegen thoonde, item soodanige Schippers en
+Stierlieden meer, als daertoe mede bequaem en mede graegh syn.
+Ordonnerende deselve, uyt de verscheyden voorstellingen ons gedaen, van
+hier door de straet _Bouton_ langs _Celebes_ naer _Ternaten_ te seylen,
+om van daer (wel ververscht synde) in ’t begin der maent April
+N.O.waert over te loopen, naer de Oostcust van _Japan_, op de breete van
+37 graden, en van daer N.W.waerts over, tot hem de cust Westelycker
+ontvalt. Om in passant te ervaren, hoe verre ’t uytterste van _Japan_ om
+de N. gelegen is, en of het lant, dat by de Japanderen _Eso_ wordt
+genaemd, een bysonder eylant of de vaste cust van _China_ of _Tartarien_
+sy. Pogende van daer _Tartaria_ of ’t lantschap _Cathaya_ soo Suydelyck
+aen boort te crygen, als doenlyck wert, om dan wyders N.W. off soo als
+die cust strecke, by op te seylen en t’ ontdecken, ’t gene onse
+Instructie sal medebrengen. Item dan wyders tegen de maent Augustus van
+daer S.O.waerts over, tot op de langte van _Japan’s_ O. eynde. Van dat
+punt met een S. cours tot op 37½ gr., in ’t gesicht van gemelte lants O.
+hoeck, en van daer recht O. aen, de langte van 350 à 450 mylen; om het
+aengetogen geruchte Goudt- en Silverrycke eylant te beseylen, en des
+neen, van daer weder al cruyssende van de 37 tot de 35 gr. W.waerts aen
+naer _Japan_ te keeren. Om ’t meergemelte eylant, mitsgaders die geseyt
+worden, tusschen de 30 en 36 gr. 100, 150 à 200 mylen byoosten _Japan_
+te liggen, en mede seer silverryck souden syn, nader te soecken en aen
+te seylen. Doch den Westen passaetwint sulcx niet gedogende, dan van de
+geseylde 450 mylen om de O., N.W.waert over te steecken, naer de cust
+van _America_, en dat lant omtrent _Cabo de Mendocina_, op de breete van
+38 gr. aen te doen, om de gelegentheyt aldaer mede te onderstaen, hun te
+ververschen, en wyders met de N.W. passaetwint S.W.waert over te seylen;
+om by dien wegh een der gemelte rycke eylanden, op ’t lyff te mogen
+loopen en eyndelyck over ’t eylant _Formosa_ herwaert te keeren.
+
+Den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van _Indië_, werdt gelast de
+noodwendige Instructie voor den getogen Schipper-Commandeur de Vries
+_met desselfs advys_ te concipieren, des blyft den E. Cornelis van der
+Lyn bevolen, veelderley metalen, waren, coopmanschappen en rariteyten
+by den anderen te versamelen; om gemelte ontdeckers tot preuve in de
+landen, daer te comen staen, ten dienste en nutte van de Comp.
+medegegeven te worden.
+
+Aldus gearresteert in het casteel _Batavia_, enz.
+
+datum ut supra.
+
+
+Vrydagh den 23^{ste} January A^{o}. 1643.
+
+
+N^{o}. 2.
+
+De fluyt _Castricum_ en ’t jacht _Breskens_, by resolutie van 17 stanty,
+onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries,
+over _Molucco_ naer de custen van _Tartarien_ en byoosten _Japan_
+gedestineert; werden verstaen ieder met 50 cloecke seelieden, en daertoe
+elck nog 5 soldaten, t’ samen 116 coppen, te doen mannen; geprovideert
+van alles voor 12 maenden, mitsgaders van noodwendichheden ryckelyck
+versien.
+
+Soo is mede goetgevonden, gemelten Vries tot assistentie by te voegen,
+den Schipper van de _Luypaert_, Hendrick Cornelisz. Schaep, als Hooft op
+_Breskens_; item Pieter Willemsz. Knechtjes, als Schipper van de fluyt
+_den Engel_ op _Castricum_, mitsgaders den Ondercoopman Willem Bylevelt
+op _Breskens_, om van ’t medegaende cargasoen, pertinente rekeningh te
+houden.
+
+Abraham Pittavyn, als provisioneel Ondercoopman, Secretaris en Fiscael
+by den Commandeur, en drie à vier bequaeme Assistenten, waeronder een
+van _Tartarien_ geboortig.
+
+Aldus enz.
+
+
+Maendagh den 2^{den} February A^{o}. 1643.
+
+
+N^{o}. 3.
+
+En alsoo de fluyt _Castricum_ met ’t jacht _Breskens_, onder het
+Commando van den E. Maerten Gerritsz. Vries, over _Ternate_, tot
+ontdeckingh der custen van _Tartarien_, en de verhoopte rycke landen
+byoosten _Japan_ gedestineert, tegenwoordigh sonder iets te gebreecken
+volcomen seylvaerdigh. Mitsgaders daertoe oock gereet, de Instructie
+voor gemelten Commandeur en synen Raed, by den E. Justus Schouten, Extra
+Ordin. Raed van _Indië_, met dito de Vries advys, ingestelt, als de
+missive aen den E. Wouter Seroyen, Vice-Gouverneur en Directeur over den
+Nederlantschen stant in _Molucco_, door den Gouverneur-Generael
+geconcipieert; beyde te deser vergaderingh, bysonder gemelte Instructie,
+in presentie van aengetogen de Vries en syn voornaemste Raetspersonen,
+ten tweede male aendachtelyck gelesen en gecollectioneert, daertoe met
+ons aller teeckeningh geconfirmeert, en de papieren tot de een en
+d’ander besendingh dienende, bygevoecht wesende. Soo is eendrachtelycken
+verstaen, gemelte ontdeckers dese voyagie in conformité van onse
+resolutie dato 17 January passato, morgen vroegh nae gedaene monstering
+in Godes naem te laten aenvangen. Den E. Justus Schouten voornoemd en
+den E. Salomon Sweers, mede Extra Ordin. Raed van _Indië_, werden
+gecommitteert, om morgen den Commandeur als dan t’ scheep behoorlyck te
+authoriseren en ’t volck te monsteren.
+
+Aldus enz.
+
+
+N^{o}. 4.
+
+Nader op d’ordre van onse principalen, nopende ’t ontdecken van
+de _Tartarische_ custen, ende ’t hervatten des opsoeckens van de
+Goudt- ende Silverrycke eylanden byoosten _Japan_ gelet synde, mitsgaders
+daerover gehoort, ’t advys van de aenwesende ervarenste schippers ende
+stierlieden, als de remonstrantie van den vermaerden Piloot Franschoys
+Visscher, op syn vertreck naer ’t onbekende _Suytlant_, over dit punt
+ons ter hand gestelt. Is goetgevonden die voyagie te ondernemen, ende
+daertoe te gebruycken ’t fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht
+_Breskens_; wes deselve onder ’t Commando van den Schipper Maerten
+Gerritsen Vries, wel gearmeert, ieder met 60 coppen gemant, daeronder in
+alles 10 soldaten, voor 12 maenden geprovideert; den 3 courant van hier
+langs de custen van _Celebes_ naer _Ternaten_ genavigeert syn. Omme van
+daer, in der yle wel ververscht ende van water versien synde, den cours
+byoosten _Japan_ te nemen, ende de custe van _Tartarien_, soo Westelyck
+aen te soecken, als de gelegentheyt van de winden ende landen sullen
+toelaten; omme van daer naer verrichter saecken, dat g’opinieerd word in
+Augusty aenstaende sal wesen, den _Tartarischen_ oceaen te cruyssen,
+omme d’aengetogen verhoopte eylanden te beseylen. d’Almogende geve tot
+d’een en d’ander synen segen, ende dat de Spaensche galey in _Ternaten_,
+door dese cleyne (doch deffencive) schepen geabuseert synde, in ons
+gewelt vervalle.
+
+Aen den Hr. Antonio de Caen in _Amboina_,
+
+desen 16 February, 1643.
+
+
+N^{o}. 5.
+
+’t Geene aengaende ’t verlies van ’t jacht _Breskens_ op de Noortcuste
+van _China_ schryven, vernemen met d’aencomste van _de Swaen_ abuys te
+wesen; God geve gene van de jachten tot de lichtingh des forts _Kelangh_
+syn, die als geseyt, buyten expectatie in _Tayouan_ te keeren,
+tardeerden. Ende comt met meer aengetogen _Swaene_ herwaerts, den
+Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, neffens desselfs
+Opperstierman Cornelis Jansz. Coen; per de fluyte _Castricum_ ende ’t
+jacht _Breskens_, uyt d’ontdeckinge van _Tartarien_, den 18 November in
+_Tayouan_ behouden aengelandt. Op syne plaets sullen ’t succes
+verhandelen, ende becomen UEd. derselver journalen, caerten ende
+duydelycke beschryvingh van hun wedervaeren ende ondervindingh, die van
+apparentie schynt te wesen.
+
+Door ontmoeting van landen ende contrarie winden, hebben de
+_Tartarische_ cust niet connen beseylen; ’t lant _Eso_ ende de Noorder
+custe van _America_ aengeweest; wyders naer de gepresupponeerde _Silver_
+ende _Goudt_ eylanden gecruyst, maer niet opgedaen. Sulcx vastelyck te
+gelooven sy, op die lengte en breete, geen derselver eylanden liggen;
+maer datter aen geseyde Noorder custe van _America_ (daervan possessie
+genomen is) ryckdommen syn, dat by nader ontdeckingh te vernemen staen.
+Als geseyt sullen d’overgebrachte papieren en caerten nader resumeren,
+ende UEd. per volgende schepen, beter onderrichten, mitsgaders onse
+consideratien op dit gewichtigh stuck declareren.
+
+In ’t Casteel _Batavia_,
+
+desen 22 Dec. A^{o}. 1643.
+
+Aen de Bewinthebberen, enz.
+
+
+N^{o}. 6.
+
+Hoe den Schipper-Commandeur Maerten de Vries, met de fluyt _Castricum_
+ende het jacht _Breskens_, van d’ontdeckingh der Noorder landen,
+November verleden in _Tayouan_ gekeert, persoonlyck met den Stierman
+Cornelis Coen, tot _Batavia_ gecomen; ’t lant van _Eso_ en ’t Noorder
+_America_ eensdeels ontdeckt, en in die vreemde voyagie yets notabels
+geexperimenteert heeft, is UEd. in onsen generalen brief, dato 22
+December, cort aengeschreven. Mitsgaders toegeseyt, ’t succes van dese
+reyse, met den naesten omstandiger te sullen verhalen, en onse
+consideratien daerby te doen, gelyck in ’t vervolch nu cortelyck
+geschiet, en om van volcomen contschap (ons) aen de neffens gaende
+descriptie ofte relaes van den Commandeur de Vries, journael van den
+Stierman Coen, ende daeraff gemaeckte caerten, refereren; waerinne de
+gedaene ontdeckinge en remarquable ondervindinge in ’t breede te lesen
+ende te beoogen sy; daervan alleen ’t bysondere in substantie verhaelen
+sullen.
+
+Gemelte Commandeur Vries, met syne twee schepen, in ’t begin van April
+uyt _Ternaten_ scheydende, hebben haeren cours, mits vroeg in ’t jaer
+ende ’t bejegenen van Noordoostelycke winden, Noortwaert genomen, ende
+geen der ongenoemde eylanden in de _Suytsee_ ontdeckt; maer op 20 Mey,
+des nachts omtrent den Suytoost hoeck van _Japan_, met storm (buyten
+gissingh) aen ’t _Ongeluckich_ eylant, by haer soo genaemt, op een lager
+wal vervallen, ende in ’t uyterste peryckel van schipbreuck geraeckt;
+sulcx nae ’t verlies van anckers en touwen, naeuwelycx gesalveert en van
+den anderen versteecken syn. Voorts gesepareert, langs de Oost cust van
+_Japan_ (daer veel visschersbercquen in vrientschap aen boort quaemen)
+tot op 40 gr., aen den uyttersten Noortoost hoeck geseylt; van waer de
+Vries, alleen met _Castricum_ tot vervolch van de g’ordonneerde voyagie,
+den 4 Juny Noortwaerts gevaren is, ende op den derden dagh, het hoogh
+met sneeuw bedeckt lant van _Eso_, op 42 gr. aengedaen heeft. Langs
+welcke Suytoost cust, omtrent 60 mylen, meest gestadigh door dicken mist
+geseylt, en op diversche plaetsen ten ancker gecomen is, vindende ’t
+lant sober, doch van redelycke menschen bewoont, met dewelcke
+vriendelycke communicatie gehouden, ende een arm lant bevonden is. Synde
+traen en pelteryen, ’t voornaemste dat daer (maer sober) valt, ’t welcke
+van de Japanders voor diversche waeren gehandelt wert. Ende hoewel dese
+barbaeren haer sabels, halsen en ooren met silver (dat sy hooch
+estimeren) vercieren, ende wysen binnen haer lant, uyt de aerde gegraven
+wort, soo hebben d’onse daer nochtans geen quantiteyt vernomen. De cust
+van _Eso_ op 44½ graet ten eynde synde, hebben ’t _Staten_ eylant,
+insgelycx by henlieden soo genaemt, synde vol dorre blinckende bergen en
+omtrent 30 mylen langh, ontdeckt; ende daernaer op 45, 46 ende 47
+graden, aen ’t Noorder _America_, een seer hoogh groot onbewoont lant,
+waerop hem verscheyden bergen, gantsch blinckende als rycke mineralen
+verthoonen. Daervan solemnele possessie, ende eenige monsters van
+d’aerde genomen synde, hebben haeren wegh, tusschen dit lant ende ’t
+_Staten_ eylant, door de straet _de Vries_ vervolght. Wanneer in ’t
+laetste van Juny, in een ruyme, woeste, ongestuymige Noortsee gecomen
+syn, daerinne door donckere mist, tot op 48 graden, stoutmoedigh
+gevaeren syn; doch wierden door cracht van Noortwestelycke winden,
+benoodight, de onbekende Noortoost cust van _Eso_, op 45 gr. aen te
+doen. Van waer d^{o}. cust 4 graden Noortwaerts ontdeckende, ’t lant van
+een selfde natie als aen de Suytcant, doch in meerder menichte, oock
+civilder ende beth met silver gesiert, bevolckt, vonden. Saegen op dese
+cust eenen wonderlycken, hoogen, ronden, spitsen bergh, die
+d’inwoonders, neffens noch een ander, affirmeerden silverryck te wesen.
+Welcke spetie by haer in sonderlinge waerde gehouden wert, sulcx d’onse
+maer twee arm- ende eenige oorringen, van haer hebben connen ruylen.
+Wesende dan in ’t laetste van July tot op 49 gr. by den uytersten hoeck,
+by haer genaemt van _Patientie_, gecomen, conden door styven contrarie
+wint ende donckere coude mist, geen Noort meer winnen. Soo dat den 3
+Augusty, de reyse naer _Tartarien_ gestaeckt, door d’ingecomen enghte
+weder in de groote see gevaeren, ende op 16 Augusty aen de Suytoost cust
+van _Eso_, in de bay, van haer gebaptiseert _de Goede Hoop_, gecomen
+syn. Van waer, nae dat tamelyck ververscht, en hun van water ende
+branthout wel hadden versien, den 2 September tot ontdeckingh, van de
+geruchte Gout ende Silverrycke eylanden byoosten _Japan_ gelegen,
+vertrocken. Doende hunnen cours (volgens order) eerst naer de Oost cust
+van _Japan_, van waer tusschen 10 September ende 1 October, op de breete
+van 37½ gr., 450 mylen met veranderlycke winden, ende felle stormen
+eerst Oost omgevaeren syn, sonder in dien streeck, met geduerich claer
+weder, eenigh lant te ontmoeten, maer wel veel teyckenen van vogelen
+ende drift; die naer alle apparentie door wint ende stroomen van
+_Japan_, _Eso_, _Staten_ ende _Compagnies_ lant, alsmede het Noorder
+_America_, in de Suytsee gedreven worden. Gelyck mede in ’t keeren, al
+cruysende naer de Oost cust van _Japan_, geen lant bejegent hebben, ende
+alsoo seeckerlyck ervaeren, de gesochte eylanden in dat geweste niet en
+syn, ende naer alle apparentie ’t lant van ’t Noorder _America_ wesen
+moeten.
+
+Bestendige vlyt ende goede opmerckinge, is op dese voyagie, by die van
+de fluyt _Castricum_ gebruyckt, gelyck by de schriftelycke rapporten
+omstandigh blyckt. Doch d’opperhoofden van ’t jacht _Breskens_, syn
+t’onvoorsichtigh geweest; dat haer gevangenis in _Japan_, en den Keyser
+cuntschap van dese voyagie ende ons concept veroorsaeckt heeft. Evenwel
+is ’t jacht mede aen de Suyt cust van _Eso_, _Staten_ ende _Compagnies_
+lant geweest, ende onder ’t beleyt van den Stierman Jurriaen Bruyn, ’t
+soecken van de eylanden byoosten _Japan_ onvruchtelyck betracht. Soo dat
+eyndelyck beyde dese schepen, in ’t laetste van October, aen ’t
+_Ongeluckigh_ eylant ververscht, ende op 10 November omtrent den Suyt
+hoeck van _Cikoko_, naer vyff maenden ende twintigh dagen, weder by den
+anderen gecomen syn, ende gesaementlyck den 18 November, behouden in
+_Tayouan_ gearriveert.
+
+Geen negotie van importantie, hebben d’onse in ’t lant van _Eso_ connen
+sien, hoewel d’inwoonders civile ende goetaerdige menschen syn. Alleen
+wert by de Japanders van _Nabo_ eenige zyde ende cattoene rocken, ryst
+ende verdere cleynigheden, in de provintie van _Matsmay_ gebracht (die
+alleen op dat lant, van de Japanders beseten wert), ende van daer met
+weynigh handelsbercken, langs de cust gevoert, ende tegen pelteryen en
+traen verhandelt. Gelyck d’onse soodanige berck, in de bay _de Goede
+Hoop_ bejegent syn; waeruyt van haeren handel ende des lants
+gelegentheyt, vry wat cuntschap bequaemen, als in de rapporten te lesen
+is. Evenwel is van d’onse daer niet anders becomen, als eenige stucxkens
+silver, monsters van gout, minerale aerde ende 4 stucken bontwerck (de
+sabel- ende martersvellen niet ongelyck) die voor een byl, een cangangh,
+weynigh glaesen coraelen ende andere snuysteringh (in alles geen ses
+gulden waerdigh) hebben geruylt; welcke nu met den _Salmander_ tot een
+monster versenden. Silver ende gout wert, naer ’t seggen van de
+Japanders, mede uyt dat lant naer _Japan_ getrocken, doch in geen groote
+quantiteyt. Oversulcx te beduchten daer niet proffytelyck voor de Comp.
+te verrichten sal syn, ten waere daer minen van importance wierden
+ontdeckt, daer de inwoonders veel bewys van schynen te geven, ende meest
+alle met silver geciert syn; waervan de seeckerheyt door naeder
+ondersoeck te vernemen is. Van ’t Noorder _America_ ofte _Comp._ lant,
+can mede niet seeckers tot Comp. proffyt aengewesen werden, hoewel daer
+goede teyckenen van mineraelen synde gesien, dat mede al naeder
+ondersocht dient; insgelycx wat in _Tartarien_ mach te haelen wesen.
+
+Ende alsoo ons by de rapporten ende discoursen van de Vries, groote
+apparentien tot ontdeckingh van noch veel andere landen, ende dat
+onbekende Noorder gewest aengewesen werden, neffens hoope die door ’t
+vinden van rycke mineraelen, ende consequente traffyquen, voor de Comp.
+nuttelyck cunnen syn, blyven alweder voornemens de begonnen ontdeckinge
+van _Eso_, _Tartarien_, _America_ ende daeromtrent geleden rycken, in
+April aenstaende, met twee jachten ende een quel, onder bestier van
+gemelten de Vries ende Stierman Coen, ernstigh te vervolgen; met vaste
+hoope, sulcx voor de Generale Comp. dienstich, ende t’ syner tyt
+proffytelyck wesen sal, waervan ’t aenstaende jaer, UEd. goet succes
+verhoopen te cundigen.
+
+In ’t Casteel _Batavia_,
+
+desen 4 January A^{o}. 1644.
+
+Aan dezelfden.
+
+
+N^{o}. 7.
+
+Den Schipper Hendrik Cornelisz. Schaep, nevens d’aengehouden
+Nederlanders van ’t jacht _Breskens_, daervan in onse vorige brieven
+mentioneren, ende veele vry swaerhoofdich over waeren, syn op de
+verschyning van den President (van Elserack) ten hove gelargeert ende
+vrygegeven; nae dat menichmael op veelvuldige gelegentheden waeren
+ondervraecht geworden, daer alle distinctelyck tot contentement op
+geantwoort hebben. Gelyck dan den President, met deselve replyque, ter
+audientie van den Keyser selver, doch bedeckt gecomporteert wierde, ’t
+welck alles soo quadreerde, dat men oordeelde, de Nederlanderen een
+oprechte en ongeveynsde natie te syn. Waeruyt den Keyser bewogen is
+geworden, ons meer faveur als voor desen, te laeten genieten, ende
+soodaenigen toegang vergunt, als by passe van syn schoonvader
+ingewillicht sy; namentlyck by noot alle havens van _Japan_ te mogen
+aendoen, daervan acte verleent heeft, als by ’t Japansch dachregister te
+lesen, ende ons in _Japan_ toegesonden is.
+
+Tot naedere ontdeckinge van _Tartarien_, ende ’t Noorder _America_,
+mitsgaeders d’opgeseylde Suyderlanden in ’t Oosten als _Salomons_
+eylant, daervan UEd. voor desen caerten, onse bevindinge ende opinie
+gecommuniceert hebben, inclineren wy seer, maer pregnanter affairen ende
+manquement van bequaeme jachten, hebben ons tot dato wederhouden; ’t sal
+echter nodich wesen die vaert behertigen ende de reeds ontdeckte landen,
+beter ondersocht worden, alsoo vertrouwen immers eenige gout ende
+silverryck te syn. Soo begrypen oock meer ende meer, de ontdeckingh van
+eenige rycke minen voor de Comp. gansch nodich te syn, die oock
+vertrouwen noch opgedaen sullen worden, byaldien buyten prejuditie ende
+behoudens Comp. respect, met den Portugees hier te lande tot accoort
+ende vrede geraecken. Inclineren seer een voyagie naer _Chily_
+t’ondernemen, omme t’onderstaen off quantité gout, voor aldaer getrocken
+coopmanschappen omte setten syn, ende met eenen mede in de _West-India_
+à l’improviste een treffelycken buyt te haelen, ’t welck men meent door
+Godes hulpe niet ontslaen soude. Ende dewyle UEd. opinieeren, die van de
+_West-Indische_ Comp. haer octroy, omtrent _Chily_ extenderende, te
+sullen mainteneren, sal by ons, ten waere UEd. ’t selve geliefde
+t’ordonneren, niet getracht worden aldaer te rusten, ’t welck buyten dat
+van desen cant gevouchelyck soude geeffectueert, ende oock behouden
+connen werden. Wy hebben wel verstaen ’t geene onder d’Heer Generael
+Brouwer saligers beleyt daer verricht is.
+
+In ’t Casteel _Batavia_,
+
+desen 23 Dec. A^{o}. 1644.
+
+Aan dezelfden.
+
+
+N^{o}. 8.
+
+
+Extract uyt _Batavia’s_ Daghregister, d^{o}. 14 December, 1643.
+
+Met ’t schip _de Swaen_, comt hier oock den Schipper-Commandeur Marten
+Gerritsz. de Vries, 3 February voorleden jaer, met de fluyt _Castricum_
+ende ’t jacht _Breskens_, gelyck voor is geseyt, tot ontdeckinge van
+_Tartaria_ ende d’eylanden achter _Japan_ gelegen, uytgeseth;
+rapporterende van gemelte voyagie hetgeen volcht. Naer dat haer in
+_Tarnaten_ ververscht, ende van eenige nootlyckheden versien hadden,
+gelyck boven geseyt, waeren 4 April, synde Paeschavont, haere reyse te
+vervorderen, weder onder seyl gegaen, nemende haren cours meest
+Noortwest; den 23 d^{o}. passeren de _Cabo Spiritus Santo_, omtrent 60
+mylen beoosten, ende 3 Mey het eylant _Malabriga_ in ’t gesicht,
+liggende op de Noorder breete van 24 gr. 30 min., ende 151 gr. 26 min.
+lengte. Elff daegen daernae, omtrent 3 glaesen nae sonnen-onderganck,
+bejegende (haer), op de hoogte van 33 gr. 20 min., ende 151 gr. 45 min.
+lengte, omtrent 36 à 37 mylen N.N.W. van den S.O. hoeck van _Japan_,
+genaemt _Bosho_, een eylant, by hen het _Ongeluckige_ genoemt; daer,
+vermits het subytelyck gants stil wiert, ende de see hart naer de wal
+aenschoot, genootsaeckt wierden, haer ancker toe te laeten gaen, op 30
+vadem, coraelgront; voornemende des daechts daeraen, hetselve met de
+boot (te) gaen besichtigen, off daer eenige ververschingen op te becomen
+waeren; maer ontstacq subytelyck soo vehemente storm uyt den S. ende
+S.W.t.W., maeckende een botten laeger wal, dat _Castricum_ ’s dagelycx
+tou brack ende het tuyancker doorginck. Soodat in een oogenblick tyts,
+dicht aen de wal, midden ondertusschen de hooge ende steyle clippen
+geraeckten, alwaer het plechtancker lieten vallen, het welck ten allen
+geluck houdende, in duysent vreese, hebbende van tyt tot tyt de doot
+voor oogen, den dach met verlangen inwachtte. Doen den dageraet
+doorbreeckende, saegen niet sonder ysen het groulyck gevaer, in ’t welcq
+den gantschen nacht geweest waeren. Ondertusschen bracq het tuytou mede
+aen stucken, soo dat op ’t plechtancker alleen most opdrayen, welcx tou
+door ’t geduerich slingeren ende stampen, oock meest halff doorgevylt
+was, soo dat geen beter raet vonden, als hetselve, synde doch met winden
+niet t’ huys te crygen, de byl in de neck te leggen, de seylen daerby te
+rucken, ende over d’een off d ’ander boech, uyt de clippen sien te
+geraecken, daer Godt Almachtich syn segen toe verleende. Soo dat met
+verlies van voorsz. anckers, weder van de wal ende rudsen geraeckten,
+maeckende geen ander gissingh, off ’t jacht _Breskens_, dat nergens
+vernomen, was met man ende muys verongeluckt; maer hadde door Godes
+hulpe see gehouden, wetende oock niet beter, off _Castricum_ was in de
+clippen, aen duysent stuckken geraeckt. Soo dat van daer voorts elck
+bysonder, haer geordonneerde voyagie vervorderende, _Castricum_ 22 der
+geseyde maent, op de breete van 35 gr. 30 min., ende de lengte van 160
+gr. achter op de Oost cust van _Japan_ vervielen; meenende in ’t West
+een eylant voor de boech te hebben, alsoo _Japan_ in de caerten soo
+verre om de Noort niet en streckt. Langs dese cust seylende, cregen
+verscheyden visschersbarcken, met ververschingh van alderhande goede
+visch, aen boort, die tegens ryst incochten. _Japan_ tot op de 40
+graden, aen de uyterste N.O. hoeck aen boort gehouden hebbende, quaemen
+op 7 Juny, op 42 gr. aen ’t lant van _Jeso_, ofte gelyck de inwoonderen
+het noemen _Eso_, synde een hoogh lant, het geberchte meest met sneeuw
+bedeckt; langs welcq S.O. cust, omtrent 60 mylen, meest altyt door
+dicken nevel geseylt, ende ettelycke maelen ten ancker gecomen waeren.
+Vindende hetselve sober bewoont, met arm doch redelyck volck, schynende
+nae de Japanders, ’t voornaemste ’t welck daervan verstonden, te
+vallen was, traen ende pelteryen, die de Japanders tegens andere
+coopmanschappen, de ingesetenen comen affhandelen, doch noch in geen
+groote quantiteyt. Eenige der inwoonders hadden haer sabels, halsen ende
+ooren met silver geciert, maer hadden ’t selve in sulcke estime, dat
+niet te gelooven is, dat minerael daer gedolven wiert, off het most
+wesen in gantsch geringe quantiteit. De voorsz. cust van _Eso_ op 44½
+gr. ten eynde synde, hebben weynich daeraff een lang smal eylant
+bejegent, streckende meest N.O. ende S.W., dat het _Staten_ lant
+geintituleert hebben, synde meest dorre blinckende bergen, ongeveer 30
+mylen lanck, doch op eenige plaetsen gantsch niet breet. Daernae quaemen
+op de hoochte van 45, 46 ende 47 gr., aen een ander hooch ende breet
+groot lant, onbewoont van menschen, waervan op haere wyse, met eenige
+teyckenen daertoe dienende, solemnele possessie naemen, ende
+baptiserende met de naeme van ’t _Compagnies_ lant. Aen ’t blincken der
+geberchten, maeckten gissingh daer eenige rycke mineralen in moeten
+schuylen, waervan oock eenige clompen tot monsters medebrachten; maer en
+is daer niets uyt gevonden. Tusschen dit ende ’t _Staten_ eylant, naemen
+voorts haeren cours Noortwaerts, waermede in ’t laetste van Juny in een
+groote, woeste, ongestuymige see gecomen syn, tot op 48 gr., meest
+doorgaens met dicke duystere mist; doch geraeckten, vermits de
+N.Westelycke winden, op de N.O. cust van ’t lant _Eso_ voornoemt op 45
+gr., van waer deselve dan voorts 4 gr. N.waerts ontdeckende, al meest
+van een slach van volcq bewoont vonden. Saegen op dese cust een
+wonderlyck hoogen spitsen berch, die affirmeerden silverryck te wesen,
+maer saegen daer by de ingesetenen geen abondantie van; hebbende niet
+meer als een oir- ende twee armringen cunnen ruylen.
+
+In ’t laetste van Julio, aen de uytterste hoeck van gemelt lant, tot op
+49 gr. geraeckt synde, ende vermits de styve tegenwinden ende donckere
+coude mist, geen cans siende meer Noort te gewinnen, wierden den 3
+Augusto gedwongen te resolveren, de geordonneerde reyse naer _Tartarien_
+te staecken, ende door die enghte, die gecomen waeren, weder te rugge te
+keeren, gelyck geschiede. In de bay van _Goede Hoope_ (by hen soo
+genaemt) aen de S.O. cust van _Eso_, tamelyck ververscht ende van water
+ende branthout versien synde, gingen weder 5 September, van daer weder
+seyl, tot ontdecken van de gepresumeerde Gout ende Silverrycke eylanden
+byoosten _Japan_, nemende eerst hunnen cours, volgens ordre, weder naer
+gemelte lantschap, ende van daer recht voort O. aen 450 mylen, tot op
+37½ gr. breete, met veel veranderlycke winden ende felle stroomen,
+sonder in die streeck over ende weder cruyssende, van den 10 der geseyde
+maent tot 1 October, eenich lant te vernemen, hoewel meest claer weder
+hadden, ende veel teyckenen van drift ende gevogelte saegen; soo dat
+voorseecker houden de gemeende Gout ende Silverycke eylanden,
+daeromtrent niet te vinden syn.
+
+Die van ’t jacht _Breskens_, hadden mede hun devoir redelycker wyse
+gedaen, uytgesondert dat in ’t wederkeeren, op de Oostcust van _Japan_,
+gelyck primo deser verhaelt, voor de stadt _Nambo_ in ’t lantschap
+_Ockia_ ofte _Masanumono_, ten ancker geloopen synde, den Schipper
+Hendrick Schaep, nevens den Ondercoopman Willem Bylevelt, ende noch
+acht personen, onvoorsichtich ende contrarie expresse ordre, met de
+boot aen lant gevaeren, door d’overheden aldaer aengehouden, ende naer
+’t hoff _Jedo_ gevoert waeren. Sullende ’t jacht buyten twyfel mede
+gearresteert syn, byaldien den Opperstierman, met de verdere Overheyt
+aen boort gebleven, daervoor beducht synde, stilswygende geen seyl
+gemaeckt hadden ende doorgegaen waeren. Doende voorts haer best, om de
+geordonneerde reyse te volbrengen, gelyck dan oock _Eso_, het _Staten_
+lant, _Companies_ lant, ende meest alle gelycke bevindinge bejegent
+hadden; maer insgelycx vermits verloopen des tyts, ende styve contrarie
+winden _Tartaria_ niet connen crygen, nochte oock de gepresumeerde
+eylanden achter _Japan_ ontdeckt, nietjegenstaende de goede devoyren
+daertoe aengewent. Ende eyndelyck syn dese twee schepen, nae dat vyff
+maenden ende twintich dagen van den anderen waeren geweest, ende beyde
+op de wederom reyse aen ’t _Ongeluckige_ eylant, alwaer eerst van den
+anderen waeren geraeckt, redelyck ververscht hadden, 9 November omtrent
+de S. hoeck van _Cikoko_, op 31 gr. 35 min. miraculeus weder
+byeengecomen. Met een groote vreuchde, d’een d’ander haer wedervaeren
+vertellende, ende soo voorts acht dagen daernae behouden in _Tayouan_,
+daer den Almogende voor gedanckt sy.
+
+Gelyck uyt het geene verhaelt verstaen can worden, soo en hebben dese
+schepen, vermits harde tegenwinden ende dat met de bejegeninge van
+d^{o}. het _Staten_ ende _Comp._ lant, de tyt verloren was, de
+geordonneerde voyagie naer _Tartarien_ ende de stadt _Jangio_ niet
+connen performeren; nochte oock van de Gout ende Silverrycke eylanden,
+die men seyt achter _Japan_ te leggen, ende A^{o}. 1639 by den
+Commandeur Quast, insgelycx met twee schepen, te vergeefs gesocht syn,
+ietwes conde vernemen. Op _Eso_ gelyck geseyt, viel niet als pelteryen
+ende traen, die d’inwoonders van _Nabo_ daer quaemen negotieren, welck
+oock in de provintie van _Matsmay_, besit schenen te hebben, doch buyten
+deselve niet. Ende dus vele sy gesegt van de voyagie naer _Tartarien_,
+refererende den curieusen leser, wegen verdere particulariteyten van
+winden, stroomen, gronden, custen etc. tot de Journaelen, by de
+respective overheden gehouden, mitsgaeders de prenten daervan gemaeckt.
+
+ Naer gedaene collatie, is dese met syn principael bevonden
+ t’accorderen.
+
+In ’t Casteel Batavia,
+
+desen 2 Mey A^{o}. 1644.
+
+by my Pieter Mestdagh.
+
+(Buiten op staat)
+
+ Extract uyt _Batavia’s_ Dachregister, raeckende den gedaenen tocht
+ om de Noort ende Oost van _Japan_.
+
+
+N^{o}. 9.
+
+
+MAERTEN GERRITSZ. VRIES[37].
+
+ [37] Volgens eigenhandig geschreven brieven onderteekende hij zich
+ Marten Gerritsz. Fries.
+
+»Maerten Gerritsz. Vries van _Harlingen_, hier te lande gecomen A^{o}.
+1622, den 22 July, met het schip ’t _Wapen van Hoorn_ voor matroos,
+tegenwoordich Schipper à 75 guldens ter maent; wiens jongst verbant 9
+September 1640 verstreecken synde, genegen is hem op nieuw weder te
+verplichten, werd ten dien aensien, als ten respecte van de diensten,
+welcke denselven buyten ’t ampt van Schipper, soo in ’t landmeten,
+afbeelden van landen en andere voorvallende occagien daer kennisse van
+heeft, aen de Comp. sy doende, by desen toegevoecht, een belooning van
+Hondert guldens ter maent, onder verbant van drie jaren, beyde gagie en
+verbintenisse primo December passato ingaende.”[A13]
+
+Wanneer wij dit lezen, dan zal het wel geene verwondering baren,
+dat het ons hoogst aangenaam is, de onzekerheid te kunnen wegnemen,
+die er bij den Hoogleeraar Moll heeft bestaan, als Z.H.G. in zijne
+Verhandeling[A14] van de Vries zegt: »La Perouse brengt in verschillende
+plaatsen van zijn werk regtmatige hulde toe, aan de juistheid der
+waarnemingen van de Vries. Welligt wordt hem hierdoor eene vermaardheid
+gegeven, die hem niet geheel toekomt. Hij was wel Gezaghebber op dezen
+togt, doch _geen Schipper_, en _misschien geen zeeman_; het is dus
+mogelijk, dat de nakomelingschap ondankbaar is jegens de nagedachtenis
+van den Schipper der _Castricum_, Pieter Willemsz. Knechtjes, aan wien
+het zeer mogelijk is, dat men alle die waarnemingen, welke zoo zeer
+geprezen worden, verschuldigd is.”
+
+Uit de op de voorgaande bladzijden voorkomende stukken, van den
+Gouverneur-Generaal van Diemen en den Raad van _Indië_, blijkt het onzes
+inziens ten duidelijkste, dat de Vries wel degelyk _Schipper_ en ook
+_zeeman_ was, en allezins bevoegd om aan het hoofd te staan van een
+ontdekkingstogt, en dat hij in alle opzigten heeft beantwoord, aan het
+vertrouwen, dat men in hem had gesteld, zelfs zoo, dat men het voornemen
+had, hem weder voor denzelfden togt te gebruiken, in welke eer ook zijn
+hoogst verdienstelijke Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen zoude
+deelen[A15].
+
+Dat men de verdiensten van de Vries reeds vroeger op prijs stelde,
+vinden wij vermeld in een schrijven van den Gouverneur-Generaal en de
+Raden van _Indië_, aan den Gouverneur van _Tayouan_ op _Formosa_[A16],
+waarbij zij schrijven »Den Schipper Maerten Gerritsz. Vries, hebben met
+dese schepen gelargeert, alsoo verstaen op _Tayouan_ dienstich is en
+UEd. sulcx versoeckt.” Dat hij aldaar met ijver en vrucht werkzaam was,
+schrijft de Gouverneur Traudenius[A17]: »Insgelycx gaet hiernevens, in
+handen van den Oppercoopman Sr. Jan Dircxz. Galen, een primuere caerte
+van ’t gantsche eylant _Formosa_, soo ’t selve van tyt by experientie is
+ondersocht, ende principalyck nu jongst met onse joncquen bevonden, op
+welcke caerte men seeckerlyck mach gaen, ende sal tot een groot licht,
+soo voor deselve die hier van daen naer _Japan_, als insonderheyt die
+van daer in ’t Noorder mouson herwaerts tenderende syn, connen dienen.
+Schipper Maerten Gerritsz. Vries hebben dese caerte doen byeenstellen,
+waerin seer naerstich heeft gequeten; gelyck oock is doende in ’t uyt
+ende inbrengen der schepen, item de fortificatien concernerende, als
+andere diensten meer.” Wij vermeenen, dat het voor deze diensten is, dat
+Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, in hunnen generalen brief van
+1642 aan de Bewinthebberen verzochten: »om aen de huysvrouw van den
+Commandeur de Vries te betalen ƒ600 voor extra goede bewesen
+diensten.”
+
+In de Instructie door genoemden Gouverneur gegeven aan den Veldoverste
+Johannes Lamotius[A18], »vertreckende om des vyants vestingen op het
+Noorteynde van _Formosa_ gelegen te bemachtigen,” komt hij voor onder de
+personen die den Raad zullen uitmaken, als Schipper en Ingenieur.
+
+Dat hij zijne gedachten over de wijze, langs welken weg het Zuidland te
+ontdekken ware, heeft laten gaan, zien wij, dat onder de »Pampieren den
+Schipper Commandeur Abel Jansz. Tasman, gedestineert tot ontdeckingh van
+’t Suytlant, ter hant gestelt,” die onder N^{o}. 2 aldaar voorkomen, van
+zijne hand zijn[A19].
+
+Dat door hem verschillende stukken over eene te doene reize om de
+Noord waren zamengesteld, zagen wij reeds uit zijne hem medegegeven
+Instructie[A20]. Mogen wij derhalve uit al hetgene wij hebben
+aangevoerd, om te bewijzen, dat de Vries bij zijne tijdgenooten
+reeds voor een kundig zeeman gehouden werd, niet met eenigen grond
+veronderstellen, dat hij te regt verdiende, aan het hoofd van een
+ontdekkingstogt te staan, en dat den lof, hem door La Perouse voor zijne
+naauwkeurige waarnemingen toegevoegd, wel verdiend is.
+
+Aan de Vries, benevens zijne officieren, werd bij zijne terugkomst, eene
+belooning toegekend van twee maanden gagie in contant, terwijl aan zijn
+volk eene maand werd verstrekt[A21].
+
+Maar eene bijzondere onderscheiding viel aan de Vries te beurt, toen hij
+bij resolutie van 6 Februarij van het volgend jaar tot Examinator der
+scheepsjournalen van de Schippers en Stuurlieden werd aangesteld. »Alsoo
+wy eenigen tyt herwaerts, met groot misnoegen ende tot geen mindere
+schade als ondienst van de Comp., aengemerckt hebben de sorgloosheden,
+versuymen ende abuysen, welcke by de Schippers ende Stierlieden, op des
+Comp. costelycke schepen, hier te lande gepleecht werden; gelyck daervan
+met het schandelyck verseylen der _Hollandia_ ende _Otter_, als bysonder
+noch onlangs met de voyagie door de fluyt _Schagen_, van _Siam_ naer
+_Malacca_ gedestineert ende herwaerts gecomen, gelyck mede van het schip
+_Nieuw Delft_, noch versche ende droevige exempelen hebben; soo is, om
+sulcx soo veel mogelyck voor te comen, goetgevonden te gelasten ende te
+committeren den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst van
+de gedaene ontdeckingh uyt ’t Noorden gekeert, om alle de aencomende
+scheepsjournaelen van de Schippers ende Stierlieden t’haerer aencompste
+te vorderen, die examineren ende ons de bevindingh te rapporteren, om de
+schuldigen off versuymigen naer merite, door den Achtbaren Raet van
+Justitie alhier, te doen corrigeren. Welcken Raet hy de Vries, in
+diergelycke saecken, oock met goede berichtinge ende advys sal connen
+dienen, waervan hem dientengevolge behoorlycke acte sullen doen
+passeren, opdat alsoo naegecomen werde.”
+
+Deze betrekking bekleedde hij tot de maand October van hetzelfde jaar,
+toen het bevel over de schepen _Sutphen_, _Schiedam_ en een jacht aan
+hem werd opgedragen, ten einde bij _Manilha_ de Spanjaarden alle
+mogelijke afbreuk te doen. In de resolutie, waarbij hij tot Bevelhebber
+over deze schepen was aangesteld, bezigden Gouverneur-Generaal en Raden
+van _Indië_ deze voor hem vereerende woorden: »Gebruyckende tot desen
+tocht als Hooft, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst
+over _Molucco_ tot ontdecken der Noorder landen geemployeert, van waer
+ons wegen synen gedaenen yver en naersticheyt goet contentement heeft
+gegeven.”[A22]
+
+De Vries, die tot dus verre slechts den rang had bekleed van
+Schipper-Commandeur, werd bij resolutie van 5 Maart 1646 benoemd tot
+Commandeur; terwijl hem tevens reeds eene maand te voren andermaal het
+bevel over zeven schepen, op eene expeditie tegen de Spanjaarden in
+_Manilha_ was opgedragen[A23].
+
+Naauwelijks van deze togt terug, of er werd besloten, om eene
+hoogstaanzienlijke magt wederom derwaarts te zenden. Deze bestond uit
+negen schepen en jachten. Ook nu werd het beleid van dien togt aan de
+Vries toevertrouwd. »Tot noch in bedencken gebleven synde, wien het
+commando over de geordonneerde vloote van offencie, by onsen Raede van
+24 December 1646, naer de custe van _Manilha_, tot afbreuck van den
+vyant gedestineert, sullen bevelen, ende hoewel het wel meriteerde een
+persoon van eene aensienelycke qualiteyt ende ontsach uyt onsen Raede,
+is echter, dat niet willende contrarieren, d’ordre van onse Heeren
+Meesters, te meer den Raet tegenwoordich syn compleet getal van Raeden
+noch niet en heeft, daerin niet en durven treden. Soo is nae rype
+deliberatie ende overlegh van personen, die haer (hier) present by der
+hant hebben, geresolveert, voorschreven Commando weder te defereren, aen
+den Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, dewelcke wegens de situatie
+van de _Manilhasche_ custe, door lange ervaerentheyt, grondige kennisse
+becomen, ende ons tot noch toe, wegens de voorleden jarige expeditie
+ende andere gedaene togten altyt goet contentement gedaen heeft.”[A24]
+
+Deze togt werd echter met geen gunstig gevolg bekroond. De aanslag op
+_Manilha_ mislukte. Wel werd er een klooster ingenomen, maar daarentegen
+gingen er vier schepen verloren. De vloot verloor ruim 600 man aan
+zieken, waaronder ook de Bevelhebber Maerten Gerritsz. de Vries, zoodat
+men genoodzaakt was terug te trekken.
+
+Men was te _Batavia_ over den ongelukkigen afloop dezer expeditie zeer
+ontevreden, die men toeschreef aan de onachtzaamheid van den Commandeur.
+Men nam echter genoegen met het verdeelen van den buit, door genoemden
+Commandeur in het klooster _St. Domingo_ bekomen. »Van gelycken, dat by
+den over dese vloote gewesen Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, voor
+syn overlyden, in ’t manhaftig bestormen ende veroveren van ’t
+Castiliaensch clooster _St. Domingo_, in ’t selve becomen syn, veertien
+duysent realen van achten, ende daervan de Comp. geattribueert 5000,
+onder ’t volck verdeelt 6600, ende hem selven toegeeygent hadde 2400
+gelycke realen. By welgemelte Haer Ed. om verscheyden consideratien,
+oock dat den buyt, als meermaelen verhaelt, by landtochten
+principalycken vercregen, geheel vrygegeven sy, geapprobeert ende voor
+welgedaen genomen wordt.”[A25]
+
+ * * * * *
+
+Aldus eindigde de Vries zijn werkzaam leven. Als matroos in _Indië_
+gekomen, klom hij van rang tot rang tot dien van Bevelhebber. Vele en
+belangrijke diensten heeft hij in zijne verschillende betrekkingen der
+Comp. bewezen; maar door zijne ontdekkingen in het Noord-Oosterdeel van
+_Azia_, waardoor de kennis der Aardrijkskunde van dat gedeelte des
+Aardbols grootelijks vermeerderd werd, heeft hij zich als een der
+uitstekendste zeelieden van zijnen tijd doen kennen, en daardoor zijnen
+naam voor de vergetelheid bewaard.
+
+
+N^{o}. 10.
+
+
+CORNELIS JANSZ. COEN.
+
+»Cornelis Jansz. Coen van _Hoorn_, in ’t lant gecomen, den 18 Maert
+A^{o}. 1639, met ’t schip _Breda_, voor Opperstierman à 56 guldens ter
+maent; wordt op syn versoeck ende bequaemheyt, mits ruyme tyts
+expiratie, voor twee jaeren in gemelte qualité gecontinueert, onder eene
+belooning van 66 guldens ter maent; daermede alle desselfs pretentien op
+de Comp. comen te cesseren; verbant ende gagie primo December passato
+ingaende.”[A26]
+
+Ziedaar alles wat wij tot dus verre weten van hem, aan wien wij het te
+danken hebben, dat de reis van de _Castricum_ is opgeteekend geworden.
+Wij sullen in hem den getrouwen opmerker wel niet miskennen, en er
+bijvoegen, dat de goede resultaten, die de reis van de Vries heeft
+opgeleverd, ook wel mogen toegeschreven worden aan hem, wiens journaal
+de onderscheiding te beurt viel, met dat van de Vries, naar het
+vaderland werd opgezonden te worden.[A27]
+
+Zoo het ons geoorloofd zij gissingen te maken, dan zoude het ons niet
+vreemd voorkomen te veronderstellen, dat onze Coen vermaagschapt was aan
+den Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen, die mede te _Hoorn_ geboren
+was, en den 20 September 1629 te _Batavia_ overleed.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+
+[A1] Deze reis was echter geenszins onvruchtbaar, voor de kennis der
+Aardrijkskunde. Onder anderen werden eenige eilanden ontdekt, die door
+den Heer von Siebold voor dezelfde erkend zijn, die later door de
+Engelschen de _Bonin_ eilanden werden genoemd. Deze eilanden liggen op
+26 gr. 38 min. en 27 gr. 4 min. N.Br., en 142 gr. 28 min. en 142 gr. 20
+min. O.L. van _Greenwich_. Zie zijne _Geschichte der Entdeckungen im
+See-gebiete von Japan, nebst Erklärung des Atlas von Land- und
+See-karten vom Japanischen Reiche und dessen Neben- und Schutz-Ländern_.
+_Leyden_, 1852. bl. 7.
+
+[A2] Verklaring der cijfers en letters in dezen brief
+voorkomende:
+
+ T. a. r. t. a. r. i. e. n. Goud en Zilver E. y. l. a. n. d. e. n.
+ Oo. s. t. e. n. J. a. p. a. n. J. a. p. a. n.
+ n. o. o. r. t. T. a. r. t. a. r. i. e. n.
+
+[A3] Deel II, bl. 52.
+
+[A4] Considérations sur les nouvelles découvertes au Nord de la grande
+mer du Sud. Paris. 1753. pag. 90.
+
+[A5] Journael van de reyse gedaen beoosten straet _Le Maire_ naer de
+custen van _Chily_, door den Admirael Hendrick Brouwer, in 1643.
+_Amsterdam._ 1646.
+
+[A6] Voyage de La Perouse autour du Monde. _Paris._ 1785-1787. Tom. III,
+pag. 117-157.
+
+[A7] Verhandeling over eenige vroegere zeetogten der Nederlanders.
+_Amsterdam._ 1825. bl. 202-214.
+
+[A8] 1848-1849. Tom. III. pag. 400.
+
+[A9] Idem, pag. 401.
+
+[A10] Von Siebold, bl. 12.
+
+[A11] Zie Bijlage N^{o}. 10, bl. 259.
+
+[A12] La Perouse, Tom. III. pag. 153.
+
+[A13] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 31
+December 1642.
+
+[A14] t. a. pl. bl. 205.
+
+[A15] Zie Bijlage N^{o}. 6, bl. 247.
+
+[A16] Missive Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, aan den
+Gouverneur Paulus Traudenius op _Formosa_, van 13 Junij 1640.
+
+[A17] Idem, van laatstgenoemde, aan den Gouvern.Generaal enz., van 10
+Januarij 1641.
+
+[A18] Den 7 September 1642.
+
+[A19] Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen enz., 1854,
+N^{o}. 2, bl. 96.
+
+[A20] Hier voren, bl. 32 en 33.
+
+[A21] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 21
+December 1643.
+
+[A22] Idem, van 17 October 1644.
+
+[A23] Idem, van 17 Februarij 1646.
+
+[A24] Idem, van 21 Januarij 1647.
+
+[A25] Idem, van 20 idem 1648.
+
+[A26] Idem, van 23 idem 1643.
+
+[A27] Zie Bijlage N^{o}. 6. bl. 243.
+
+
+
+
+ AARDRIJKS- EN VOLKENKUNDIGE TOELICHTINGEN
+ TOT DE ONTDEKKINGEN VAN
+ MAERTEN GERRITSZ. VRIES,
+ MET HET FLUITSCHIP _CASTRICUM_ A^{o}. 1643,
+ IN ’T OOSTEN EN ’T NOORDEN VAN ~JAPAN~, DIENENDE
+ TOT ZEEMANSGIDS LANGS DE OOSTKUST VAN ~JAPAN~
+ NAAR DE EILANDEN ~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE
+ ~KURILEN~.
+
+ DOOR
+
+ Jhr. Ph. F. von SIEBOLD.
+
+
+
+
+Door het Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en
+Volkenkunde van Nederlandsch-Indië werd aan mij de even vereerende als
+aangename taak opgedragen, het »_Journael_”, gehouden op de
+ontdekkingsreize van ~Maerten Gerritsz. Vries~, in het Oosten en het
+Noorden van Japan, dat door de wetenschappelijke pogingen van Leden van
+het Instituut opgespoord en door hunne letterkundige medewerking door
+den druk bekend gemaakt is, met ter zake dienstige aardrijks- en
+volkenkundige aanmerkingen toe te lichten. Is het mij reeds gelukt, de
+onduidelijke voetstappen van onzen vermaarden Nederlandschen zeevaarder
+in het ver uitgebreide gebied van den Grooten Oceaan op te sporen en in
+mijne »_Geschiedenis der ontdekkingen in het zeegebied van Japan_” aan
+te wijzen, thans, waar zijn »_Journael_” voor mij open ligt, hoop ik die
+met meer zekerheid te kunnen vervolgen, en, na verloop van twee volle
+eeuwen, zijne ontdekkingen te bevestigen en in de geschiedenis van den
+ouden Nederlandschen zeeroem te boeken.
+
+In de Inleiding en uit de Instructie, die het Journael vooruitgaan, is
+deze zeetogt, een van de meest belangrijke in de 17^{de} eeuw,
+genoegzaam geschiedkundig toegelicht; mijne aanteekeningen zullen zich
+dus bepalen tot eene naauwkeurige aanwijzing van den koers door ~Vries~
+van het eiland _Breskens_ af aan, in de Japansche wateren, langs de
+Oostkust van _Nippon_ en naar en langs het door hem ontdekte land van
+_Jezo_ genomen; tot eene vergelijkende beoordeeling en bevestiging der
+waarnemingen en ontdekkingen van dezen zeevaarder, beschouwd uit het
+oogpunt der hedendaagsche kennis van dat zeegebied, en tot een overzigt
+der uitkomsten, die deze zeetogt voor de hydrographie, voor de
+natuurkunde der zee en voor de volkenkunde opgeleverd heeft.
+
+Om echter aan dat aanhangsel bij het Journael eene meer algemeen nuttige
+en aanwendbare strekking te geven, althans, daar ook in het Noorden van
+het Rijk _Nippon_, te _Hakotade_, eene haven voor de zeevaart geopend
+is, aan eene dringende behoefte voor de scheepvaart te voorzien, zoo heb
+ik mijne toelichtingen zoodanig gewijzigd, dat zij ook tot eenen
+~Zeemansgids~ voor de vaart langs de Oostkust van _Japan_, en naar
+_Jezo_, _Krafto_ en de _Kurilen_ dienen kunnen.
+
+Aan den staatkundigen invloed van Nederland in Japan heeft men veelal
+eene meer algemeene vrijheid van scheepvaart naar dat land op den weg
+des vredes te danken; zoo moge dan ook door de waarnemingen en
+ontdekkingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders de grondslag tot
+eenen wegwijzer langs zijne nog weinig bekende kusten gelegd worden.
+
+VON SIEBOLD.
+
+
+
+
+I. DE ONTDEKKING VAN HET EILAND BRESKENS EN VAN DE QUAST’S EILANDEN.
+
+
+De Commandeur ~Vries~ had den 29 April, op 16° 50′ N.Br. en 149° 38½′ O.
+v. Teneriffe (128° 18′ 6″ O. v. Gr.) den raad van ’t fluitschip
+_Castricum_ en van ’t jagt _Breskens_ beroepen, en besloten den koers
+N.O. te vervolgen, zoo weder en wind het zouden toelaten, tot op de
+breedte van 24° N. en op de lengte van de Oostkust van Japan (toenmaals
+volgens de waarnemingen van ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~, op den 24
+Aug. 1630, op 31° 40′ O. van _Pulo Timoan_ (135° 55′ O. v. Gr.)
+bepaald). Den 7 Mei bevond men zich op 24° 4′ N.Br. en 150° 56′ 30″ O.
+v. Ten. Kleine klipmeeuwen, schuim, drijvend zeekroos en een stuk hout
+lieten zich als teeken van land herkennen, hetwelk men echter niet zien
+kon. Den volgenden morgen (8 Mei), na zonsopgang, zag men in ’t W.t.N. ⅓
+N. binnen een’ afstand van 4 Duitsche mijlen, een klein, omtrent 1½ mijl
+lang, niet hoog eiland. Dit eilandje lag, volgens de op den middag
+gedane waarneming, op 24° 43′ N.Br. en 151° 31½′ O. v. Ten. (130° 11′ 6″
+v. Gr.). Daar zich op de Compagnie’s-kaarten[38] op deze breedte,
+behalve het eiland _Malabrigo_, geen ander bevond, en dat eiland,
+volgens gissing, 21 mijlen in ’t W. lag, zoo hield men het geziene voor
+onbekend, en omdat het van het jagt _Breskens_ het eerst gezien was, gaf
+men het den naam van _Breskens_-eiland.
+
+ [38] _Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot
+ ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland_, verg. p. 33.
+
+Op de zeekaarten van den toenmaligen tijd bevinden zich tusschen 25° en
+27° N.Br. en binnen een’ lengteafstand van omtrent 70 Duitsche mijlen,
+slechts ~drie eilanden~, waarvan het zuidelijkste en westelijkste den
+naam van _Amsterdam_, het noordelijkste en oostelijkste (eigentlijk eene
+groep van vijf kleine eilanden) dien van _Ihlas dos Hermanos_, en het
+derde, op 26° N.Br. 17 mijlen in ’t Z.W. van _Ihlas dos Hermanos_, dien
+van _Malabrigo_ draagt.
+
+De beide laatstgenoemde eilanden, welke zich reeds op de in 1570 in ’t
+licht verschenen kaart van ~Abraham Ortelius’~ »_Theatrum orbis
+terrarum_”, bevinden, en waarvan _Malabrigo_ in 1543 door ~Bernardo de
+Torres~ is gezien geworden, zijn onbetwistbaar het _Hooge Meeuwen_
+eiland, het _Engels_ en _Grachts_ eiland, door ~Quast~ en ~Tasman~ in
+1639 ontdekt[39], en op de voornoemde »_Caerten van gedaene Coursen_” de
+_Quast’s_ eilanden genoemd[40]. Het eerstgenoemde, onmiskenbaar ook
+door Nederlanders ontdekt, en allengskens wederom op de kaarten
+verdwenen, is in ’t jaar 1820 door een’ Russischen zeeofficier L^{t}.
+~Ponafidin~ op 25° 50′ N.Br. en 131° 12′ O.L. teruggevonden, en naar
+zijn schip en omdat het twee eilanden zijn, _Porodino’s_ eilanden
+genoemd. Zonder twijfel zijn het dezelfde die Kapt. ~Forbes~ aan boord
+van de brik _Nile_ in Aug. 1825 voorbijgezeild, en het zuidelijkste op
+25° 42′ N.Br., 131° 13′ O.L., en het noordelijkste op 25° 53′ N.Br.,
+131° 17′ O.L. gevonden heeft. Onlangs werden deze eilanden door
+Commodore ~Perry~ opgezocht en de ligging van het grootste en
+noordelijkste op 25° 47′ N.Br. en 131° 19′ O.L. bepaald.
+
+ [39] _Journael ofte dachregister van den Ed. Commandeur ~Mathijs
+ Quast~._ M.S. 1639. ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen
+ im Seegebiete von Japan_. Leyden 1853.
+
+ [40] Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br.
+ en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later
+ meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen
+ van _Islas del Arzobispo_ (1734), _Margarets_ eilanden (1773),
+ _Mendizaval_, _Desconosida_, _Guadelupe_, e.z.v., en onder zeer
+ verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de
+ eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook
+ zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt en
+ _Munin-sima_, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den
+ ontdekker _Ogasawa-sima_ genoemd, en in 1785 door eenen
+ Japanschen aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~ in zijn boekwerk
+ »_San-kok-tsu-ran-dsu-ki_”, d. i. Beschrijving van drie rijken,
+ beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene
+ Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerden
+ ~Isaak Titsingh~, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den
+ Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is
+ echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen van ~Abel
+ Remusat~, en later in die van ~Julius Klaproth~ gekomen. Door
+ deze onwettige erfgenamen van ~Titsingh~’s letterkundige
+ nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde »_Iles
+ Bonin ou inhabitées_,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw
+ de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding
+ tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den
+ Engelschen Kapt. ~Beechey~ (in de maand Junij 1827) en door den
+ Russischen Kapt. ~Lutke~ (in Mei 1828) gegeven heeft. Thans,
+ sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste der _Bonin_
+ eilanden, het »_Peel Island_”, waarvan ~Beechey~ in der tijd voor
+ Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen,
+ die zich »_the Colony of Peel Island_” noemt. De zuidelijke groep
+ dezer eilanden, door ~Beechey~ »_Baily Group_” genoemd, werd in
+ October 1853 door den Amerik. Kapt. ~Kelly~ onderzocht voor de
+ Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den
+ gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger »_Transit_”,
+ die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, »_Coffins
+ Islands_” genoemd. Commodore ~Perry~, die de _Bonin_ eilanden in
+ 1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor
+ walvischvangers als voor de mailstoomvaart van _Californië_ naar
+ _China_ en later naar _Japan_, deze eilanden weldra een van de
+ meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den
+ Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der »_Quast_ eilanden”
+ heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der
+ ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de
+ eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige
+ nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De
+ schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de
+ Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van
+ eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze
+ worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als
+ eene andere vlag zag waaijen!
+
+Met regt mogt het _Breskens_ eiland als eene nieuwe ontdekking beschouwd
+worden. Daar echter het »_Journael_” van ~Vries~ verloren geraakt was,
+vindt men het nergens geboekt. Evenwel werd in ’t begin dezer eeuw zijn
+bestaan bij herhaling bevestigd. Door het Fransche fregat »_la
+Canonnière_,” werd in 1807 een eiland op 24° 30′ N.Br. en 130° 18′ 30″
+O.L., en in 1815 door het Spaansche fregat »_Magelan_” insgelijks een
+klein laag eiland met struiken bewassen op 24° 26′ 40″ en 131° 03′ 46″
+ontdekt en »_Isla Rasa_” genoemd. Deze beide eilanden zijn buiten
+twijfel een en hetzelfde[41], waarvan de gemiddelde breedte 24° 28′ 20″
+N. en de gemiddelde lengte 130° 41′ 8″ O. zijn zouden. Neemt men daarbij
+in aanmerking de sterke oostelijke strooming der zee in dat zeegebied,
+die in 24 uren 35′ tot 40′ en meer bedragen kan, de onvolkomene middelen
+ter vinding en berekening van lengte in de 17 eeuw, en de opmerking, dat
+de door ~Vries~ bevondene breedte doorgaans eenige minuten te hoog is;
+zoo mogen wij gerust het _Breskens_ eiland als ~eene Nederlandsche
+ontdekking~ op de kaart van den Grooten Oceaan aanteekenen en zulks met
+te meer regt, daar men op de nieuwste zeekaarten het eiland _Rasa_, nog
+maar als twijfelachtig (pointe dubieuse) en het _Kendrick’s_ eiland
+geheel niet meer geplaatst vindt.
+
+ [41] Ook houdt ~von Krusenstern~ een ongeveer 4 engel. mijlen lang
+ eiland, door den Engelschen kapitein ~Kendrik~ op 24° 35′ N.Br.
+ en 134° gezien en onder de naam van _Kendrik Island_ in de kaart
+ van ~Arrowsmith~ opgenomen, voor _Rasa_.
+
+
+
+
+II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN.
+
+
+Op de terugreis van den in 1639 door ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~
+ondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »_Gout- en Silverrycke
+eylanden_” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust
+van Japan op 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de
+eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den
+Z.O. hoek van _Nippon_ geplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van
+dat groote eiland van Japan, Kaap _Sirofama_ en op de oude Portugeesche
+kaarten _Capo de Bosho_ genoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers,
+langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne
+ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen
+ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb
+ik den naam van de _Tasman’s eilanden_ gegeven[42].
+
+ [42] ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen_, pag. 8.
+
+Een van deze eilanden, dat zich als »_heel hooch lant_” vertoonde, werd
+den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschip _Castricum_ op korten
+afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der
+zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit
+eiland, waaraan ~Vries~, den naam »het _Ongeluckich_ eylant” gegeven
+heeft, wordt bij de Japanners _Fatsi sjô_ genoemd en ligt volgens de
+waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ te _Jedo_, op 33° 6′
+30″ N. en 3° 50′ 30″ O. van _Mijako_ (139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt.
+~Broughton~, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de
+ligging van _Fatsi sjô_ op 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart
+van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek
+daarvan, waar ~Vries~ is ten anker gekomen was, is, volgens zijne
+gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 51½′ O. v.
+Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat
+het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de
+kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan
+eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en
+getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In
+evenredigheid daarvan is dus het verschil van de lengtebepaling van
+~Vries~ tusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur
+geef boven die van ~Broughton~), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein,
+wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost
+tusschen _Fatsi-sjô_ en de Z.O.kust van _Nippon_ gedurende drie
+achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′
+binnen 24 uren is bevonden geworden.
+
+De beschrijving, die in ’t Journael van het _Ongelukkig_ eiland gegeven
+is, stemt met de door ~Quast~ en ~Tasman~ gemaakte schets overeen, en is
+dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De
+woorden »_~het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met
+2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was~_,” zijn door
+~Quast~ en ~Tasman~’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens
+de benaming van een op deze hoogte op de kaart van ~de l’Isle~
+uitgeteekend eiland »_Montagne avec deux pics_” verklaren[43]. Deze
+pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart van _Fatsi sjô_
+geteekend, en de hoogste daarvan _Aka fusi jama_ d. i. de Roode Fusi
+berg (tegenover de beroemde vulkaan _Fusi_, die het grootste gedeelte
+van ’t jaar met sneeuw bedekt--dus wit is). Ook is de ligging en de
+gedaante van het kleine »_hooch ront eylant_” 1 tot 1½ mijl W. van de
+N.W. hoek van het _Ongelukkig_ eiland gelegen, door de Japanners
+_Kosima_, d. i. klein eiland en op de kaart van ~Vries~ »_ronde holm_”
+genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »_hier tusschen
+de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep_,” eene
+hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroom _Kuro
+siwo_ of _Kuro gawa_, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik
+volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[44]
+overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschen _Fatsi sjô_ en _Mikura_
+(_Prince-eylant_ van ~Vries~) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t
+voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche
+expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en
+beschreven worden[45]. De opmerking van ~Vries~: »_saegen veel
+steencroos drijven_” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche
+stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene
+bijzondere soort van zeekroos onderscheid.
+
+ [43] _Carte de l’Asie_, par ~J. de l’Isle~, à Amsterdam, chez ~Covens
+ & Mortier~.
+
+ [44] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen
+ Reiche_. N. 1.
+
+ [45] _Narrative of the expedition of an American Squadron in the China
+ Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command
+ of Commodore_ ~M. C. Perry~, by ~Francis L. Hawks~. New-York,
+ 1856. _The Kuro siwo, or Japan stream._ pag. 601.
+
+Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van het
+_ongelukkig_ eiland gezien en bij ~Vries~ »_Suyder eylant_” en bij de
+Japanezen _Awo sima_, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds door
+~Quast~ en ~Tasman~ (den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7
+mijlen Z.t.W. van het _Ongelukkig_ eiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en
+eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden.
+
+’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte
+en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op
+140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aan _Castricum_ W.t.W. op een’
+afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien.
+Deze zijn het eiland _Mikura_ door ~Vries~ »_Prince_ eylandt” en
+_Mijake_, door hem, volgens het Journael, »_Barnevelts_” en op zijne
+kaart »_Brandend_ eilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op
+gezien werd.
+
+Deze twee eilanden zouden op de gegiste breedte liggen van 34° 1′ en op
+de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.),
+eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en met
+~Broughton~’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgde
+~Vries~, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust
+van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken
+hebben.
+
+Op de terugreis werden door ~Vries~ de _Tasmans_-eilanden wederom
+opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den
+28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138°
+34′ 36″ O. v. Gr.), waar het _Prince_-eiland W. 6 mijlen en het
+_Barnevelts_-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze
+waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br.
+liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de
+waarnemingen van den Hof-astronomist en ~Broughton~ oplevert, terwijl
+zich de lengte van _Mikura_ (het _Prince_-eiland), volgens de op de
+reede van _Fatsi sjô_ op den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v.
+Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den
+Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139°
+36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige
+ligging, welke het op het kaartje van Commodore ~Perry~’s zeetogt heeft,
+nagenoeg overeenkomt[46].
+
+ [46] _Map of the Japan Islands copied from_ ~von Siebold~’s _with
+ slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition
+ and other authorities compiled by order of Commodore_ ~M. C.
+ Perry~, _by Lieuts._ ~W. L. Maury~ _and_ ~Silas~. Bent. 1855.
+
+Op den namiddag van den 28 October nam ~Vries~ zijnen koers naar het
+_Barnevelts_-eiland en zeilde tusschen dit eiland en het _Prince_-eiland
+door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging
+van de _Tasmans_-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan
+(Atlas N^{o}. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip
+genomen, de »_Straat Castricum_”, en de in ’t W. ½ N. 1 mijl (van
+_Barnevelts_-eiland) »_veel hooge scherpe clippen boven water, die haer
+opdoen als toorens_,” naar den verdienstelijken stuurman van het schip,
+_Coen’s_ klippen genoemd. Deze klippen heeft ook ~Broughton~, die in
+1796 denzelfden weg als ~Vries~ genomen had, gezien en beschreven: »_Off
+the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or
+three miles distance_”[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart
+van Japan N^{o}. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56
+uitgegeven, zijn deze klippen »_Black Rocks_” genoemd. Deze zeevaarder
+heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan de
+_Coen’s_ klippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de
+Japanners _Inaniwa_ en door ~von Krusenstern~ _Broughton’s_ klippen
+genoemd zijn. Ik houd de _Coen’s_ klippen voor dezelfde als de
+_Redfield-Rocks_, die op het kaartje van Commodore ~Perry~ en op de
+kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als
+eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve de _Coen’s_
+klippen (_Broughton’s Black Rocks_), op deze hoogte nog andere klippen
+voorhanden waren, zouden die door ~Broughton~, die daar kruistte, gezien
+zijn. Mogten evenwel de _Redfield’s Rocks_ bestaan, dan liggen zij meer
+noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die op ~Jansson~’s kaart op 34° 35′
+N.Br. en op den meridiaan van kaap _Idsu_ opgegeven en dus ook door
+~Vries~ gezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt van ~Vries~ de, in ’t
+N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van het _Barnevelts_-eiland,
+liggende eilanden waargenomen en onder den naam van _Gebroken Eilanden_
+in kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de
+naam _Gebroken Eilanden_ toe. Aan de geheele keten--eene reeks van nog
+werkzame en uitgedoofde vuurbergen van _Ohosima_ tot _Fatsi sjô
+sima_--hebben wij den naam van _Tasman’s_ eilanden gegeven. Ik meende in
+deze geschiedkundige hydrogeographische bijzonderheden te moeten
+treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking
+van deze geheele keten van eilanden door ~Quast~, ~Tasman~ en ~Vries~
+onbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner
+waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van
+onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen.
+
+ [47] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H.
+ M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, by_ ~W.
+ R. Broughton~. London. 1804. p. 140.
+
+
+
+
+III. DE ONTDEKKING VAN DE OOSTKUST VAN JAPAN VAN DE KAAP _SIROFAMA_ VAN
+_NIPPON_ (HOEK _BOSHO_) TOT DEN _NOORDHOEK_.
+
+
+De Oosthoek van het eiland _Nippon_ was, met uitzondering van twee
+punten, die ~Quast~ en ~Tasman~ in 1639 gezien en in kaart gebragt
+hadden, toenmaals onbekend. Deze zeevaarders verkenden op den 24
+Augustus de kust van _Japan_ op 37° 30′ N.Br., en den 1 en 2 November op
+34° 54′ N.Br. Het eerste was een gedeelte der kust tusschen de kaap de
+_Kennis_ en de _Rookhoeck_ (van ~Vries~); het andere de _Capo de Bosho_
+(der Portugezen), de Zuidhoek van het landschap _Awa_, aan welks
+Westzijde zich de ingang tot de baai van _Jedo_ bevindt.
+
+Aan ~Vries~ heeft men de ontdekking en de opneming der geheele kust van
+den hoek _Bosho_ tot aan den Noordhoek van _Japan_ (van 34° 58′ tot 41°
+25′ N.Br.) te danken; eene kuststreek, die tot de opening der havens van
+_Simoda_ en van _Hakotade_ (op _Jezo_) door geen’ zeevaarder, dan in
+1739 door Kapt. ~Spangberg~ en ~Walton~[48], in 1779 door Kapt.
+~King~[49], en in 1796 en 1797 door Kapt. ~Broughton~[50], is bezocht
+geworden. De beide laatstgenoemde hydrographen konden echter alleen met
+behulp van het gebrekkige kaartje van den zeetogt van ~Vries~, dat
+omstreeks het jaar 1650 door ~Johannes Janssonius~ is uitgegeven[51],
+den koers van onzen zeevaarder opsporen en zijne ontdekkingen
+bevestigen.
+
+ [48] _Voyages et découvertes faites par les Russes le long des côtes
+ de la Mer glaciale et sur l’Océan Oriental, tant vers le Japon
+ que vers l’Amérique, par Mr._ ~G. P. Muller~. Amsterdam 1766.
+ Vol. I. p. 210.
+
+ [49] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. p. 372.
+
+ [50] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H.
+ M. sloop Providence and her tender in the years 1796-98 by_ ~W.
+ R. Broughton~.
+
+ [51] _Nova et accurata Jopaniae, terrae esonis ac insularum
+ adjucentium ex novissima detectione descriptio apud_ ~Joannem
+ Janssonium~.
+
+Ook voor den schrijver dezes waren bij de zamenstelling van dit gedeelte
+der kust van _Nippon_, behalve oorspronkelijke Japansche, geene andere
+kaarten beschikbaar dan ~Broughton~’s kaart[52].
+
+ [52] _A general Chart of the Japanne Islands, and N. E. Coast of
+ Asia_, in ~Broughton~’s _Voyage_.
+
+Het is dus van een wezenlijk belang om thans uit het teruggevonden
+Journaal van ~Vries~ zijne ontdekkingen toe te lichten. Daar echter
+de kennis der configuratie van het oostelijke gedeelte der kust
+van het groot eiland _Nippon_ tot nu toe op oorspronkelijk Japansche
+kaarten berust, volgens welke de meest beduidende uithoeken, bogten
+en baaijen, door ~Vries~, ~King~ en ~Broughton~ ontdekt, aardrijkskundig
+bepaald, benoemd en in kaart gebragt zijn, zoo dienen wij ook bij onze
+herziening der ontdekkingen van ~Vries~ eene Japansche kaart tot
+grondslag te nemen, en zullen daartoe onze kaart van het Japansche rijk
+bezigen, die wij naar oorspronkelijke kaarten en de waarnemingen der
+Hof-astronomisten te _Jedo_ zamengesteld hebben[53]. En om ook uit de
+waarnemingen van onzen vermaarden zeevaarder zoo veel mogelijk nut te
+trekken, zullen wij die in vergelijking met anderen tot eenen
+~Zeemansgids~ langs deze weinig bekende kuststreek trachten te
+bewerken. Op deze wijze zullen wij aan de scheepvaart langs de Oostkust
+van _Japan_ eene dienst bewijzen[54].
+
+ [53] _Karte vom Japanischen Reiche nach Originalkarten und
+ Beobachtungen der Japaner_, in ~v. Siebold~’s _Atlas von Land-
+ und Seekarten vom Japanischen Reiche_, n^{o}. 1.
+
+ [54] In het overzigt der reis van den Kapitein-Luitenant ter zee
+ ~Fabius~ tot het bezoeken van de havens van _Hakotade_ en
+ _Simoda_ met de Nederlandsche schroefkorvet _Medusa_, in
+ September en October 1856, wordt gezegd: »Den 17 Sept. werd
+ _Hakodate_ verlaten en de reis langs _Nippon’s_ Oostkust
+ voortgezet, doch deze togt was hoogst moeijelijk. _Eene nagenoeg
+ onbekende kust, sterke stroomen, hevige stormen, twee orkanen,
+ ~slechte~ kaarten_, waarvan de landkaart van ~v. Siebold~ nog
+ verreweg de beste is, maakten dien togt lang en zorgvol.” Sic!
+
+=De hoek Bosho.= De Z.Oosthoek van Japan, door een voorgebergte van het
+landschap _Awa_ op het eiland _Nippon_ gevormd, is door de Portugezen
+_Cabo de Bosho_, naar de niet ver daarvan afgelegene haven van de stad
+_Fôsjo_ genoemd. Op de oorspronkelijk Japansche kaarten draagt het
+oostelijke uiteinde van deze kaap den naam van _Firatatsi_, en het
+westelijke dien van _Susaki_, en het tusschen beide liggende strand
+_Siro fama_, d. i. witte strand. Kaap _Susaki_ ligt, volgens de
+waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ op 34° 58′ 30″ N.Br.
+en 139° 38′ O.L. v. Gr., en kaap _Firatatsi_ (door ~von Krusenstern~
+_Cap King_ genoemd) op 34° 55′ N.Br. en 139° 57′ O.L. Het zuidelijkste
+uiteinde van _Siro fama_ op 34° 54′ N.Br. en 139° 44′ O.L. Op de
+originele kaart van ~Broughton~[55] ligt de Z.Oosthoek van _Nippon_ op
+34° 55′ N.Br. en 140° 12′ O.L. ~Vries~ bepaalde de breedte van kaap
+_Bosho_ op 35° 14′ 30″ N. en nam daar 7° oostelijke miswijzing van het
+kompas waar. Door de Amerikaansche expeditie onder Commodore ~Perry~
+werd de aardrijkskundige ligging van kaap _Firatatsi_ op 34° 53′ 15″
+N.Br. en 140° 18′ 15″ O.L. v. Gr. bepaald, hetgeen nagenoeg met de door
+~von Krusenstern~ volgens ~Broughton~’s waarnemingen berekende breedte
+en lengte (34° 54′ N. en 140° 19′ O.) overeenkomt[56]. »_~Het lant is
+hier op veel plaetsen 2, 3 dubbelt~_ (de bergen _Kjozumi_,
+_Takasukajama_, _Tenin_, laatste de berg _King_ en _Katsijama_) _~maer
+steyl op ’t water neer, met veel witte plecken~_ (_Siro fama_); _~het
+lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort; men kan
+de wal bequaemelyck aenlooden van 36 tot 10 vadem, somtyds craelgront,
+somtyds singel, somtyds sant.~_” De stroom loopt hier om de N.O. en
+N.N.O. Kapt. ~King~ berekent de snelheid van den stroom, die 45 Eng.
+mijlen O. van dezen uithoek N.O. ½ N. liep, op 3 Eng. mijlen per uur.
+Het is hier de N.Westelijke grens van den Japanschen stroom (_Kurosiwo_,
+d. i. zwarte zeestroom), die een graad zuidelijker, volgens de
+waarnemingen der Amerikaansche expeditie, nog met eene snelheid van 72′
+tot 80′ per dag loopt. ~Vries~ zag hier steenkroos drijven, hetwelk ook
+in ongewone menigte op de hoogte van _Iso mura_ door de Amerik.
+expeditie waargenomen werd, en met den _fucus natans_ van den
+Atlantischen Golfstroom te vergelijken is.
+
+ [55] Deze kaart, welke de schrijver dezes van den Admiraal Sir
+ ~Francis Beaufort~, Chef van het hydrographisch bureau der
+ Admiraliteit te Londen, ter leen gekregen heeft, is daar onder
+ Lit. B.e.l. 480 geboekt. Aan het einde van dit Hoofdstuk zullen
+ wij een vergelijkend overzigt van de namen en de aardrijkskundige
+ ligging der meest belangrijke punten op de Oostkust van _Nippon_,
+ zoo als die door ~Vries~, ~King~, ~Broughton~ en ~von
+ Krusenstern~ benoemd en bepaald zijn, mededeelen.
+
+ [56] _Recueil de mémoires hydrographiques pour servir d’analyse et
+ d’explication à l’Atlas de l’Océan pacifique par le Contre-
+ Amiral_ ~de Krusenstern~. St. Petersbourg 1827, pag. 178.
+
+In de bogt van _Iso mura_ merkte men ook eene verkleuring van het water
+op, die waarschijnlijk aan de drijvende banken van zeewier toe te
+schrijven is. Hier werd 74 tot 80 vadem fijne zwarte zandgrond
+gelood[57].
+
+ [57] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. pag. 384.
+
+ _Narrative of the expedition of an American squadron to the China
+ seas a. Japan, performed in the year 1852-54, under the command
+ of Commodore_ ~M. C. Perry~, _by_ ~Francis L. Hawks~. New-York
+ 1856. pag. 497.
+
+=De witte Hoek.= »_~Van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt
+de cust N.N.O. tot de witte gepleckte hoeck, dan heeft men een
+laechlandige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de
+hooge santduyn.~_” De _witte Hoeck_, op de Japansche kaarten _Dai do
+saki_ of _Oho figasi saki_, d. i. de groote Oosthoek genaamd, ligt,
+volgens ~Vries~ (_Janssons kaart_) op 35° 25′ N.Br. Iets zuidelijker van
+dien hoek steekt nog een ander voorgebergte in zee uit, hetwelk van eene
+digtbij gelegene kleine stad den naam van _Katsura saki_ heeft. De baai
+in het Zuiden van dien hoek, die ~Vries~ voor »_~het leege voorlant
+alwaer eene rivier scheen in te loopen~_,” hield, is de bogt van _Utsi
+ura_ met de haven van _Kominato_ (d. i. kleine haven), waarbij
+verscheidene rivieren, waarvan de _Itsumigawa_ en de _Amanogawa_ de
+grootste zijn, uitwateren. Deze haven is 32 Ri[58] van kaap _Sagami_
+(ook _Nagatzuru_ en _Monomi saki_ genoemd), waar zich de ingang van de
+baai van _Jedo_ bevindt, verwijderd, en de eerste, die men, van daar
+komende, op de Z.O. kust ontmoet. Digt bij den _witten Hoek_ liggen
+verscheidene rotsen en kleine eilanden, waarvan het grootste _Uwarasima_
+heet; deze schijnen zich onder water in zee voort te zetten en in een
+rif uit te loopen. De Amerik. expeditie nam hier eene gebroken en anders
+gekleurde zee in eene diepte van 30 vadem koraalgrond waar, die nog iets
+oostelijker op 21 vadem verminderde. ~King~ en ~Broughton~ zagen op deze
+hoogte vele visschers en bewonderden de vlijt, waarmede het land bebouwd
+was.
+
+ [58] Volgens de berekening van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ komen
+ 28⅕ Ri op eenen breedtegraad van 15 Duitsche mijlen. Overal waar
+ wij van _mijlen_ spreken, zijn Duitsche of geographische bedoeld;
+ zijn het Engelsche, dan is zulks telkens bijgevoegd.
+
+=De lage Inbogt.= Van den _witten Hoek_ tot den _Zandduinigen Hoek_
+trekt zich de kust in eene ongeveer negen mijlen wijde bogt terug, die
+den naam van _Siro sato fama_, d. i. witte dorp strand, heeft. Het is
+eene lage landstreek, door verscheidene rivieren en meeren bewaterd. De
+grootste rivier is de _Kuri jama gawa_, die aan de grens tusschen de
+landschappen _Kadsusa_ en _Simosa_ in zee loopt. Langs deze bogt,
+»_~waer ze veel seekroos dryven en lammen of duikers swemmen sagen~_,”
+zeilde ~Vries~ met een’ N.O.t.N. koers tot op eenen afstand van 4 of 5
+mijlen van den _Zandduinigen Hoek_, peilende 10 tot 20 vademen zwarten
+zandgrond, en verder tot op 4 mijlen O. van dien hoek 22 tot 42 vademen.
+De stroom loopt langs den lagen wal N.O. en N.N.O.
+
+=De Zandduinige Hoek=, _Dai do saki_ genaamd, ligt van den _witten Hoek_
+N.O.t.N. omtrent 9 mijlen af, volgens ~Vries~ op 36° N.Br. en volgens de
+originele kaart van den Hof-astronomist ~Takahasi Saku Sajemon~ op 35°
+43′ N.Br. en 140° 46′ O.L. »_~Van de santduynige hoeck leyt een cleyn
+eylandeken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheterseiland
+in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden d^{o}. eylant, leyt nog
+een cleyn eylant, maer wat vlacker gelyck het eylant Haerlem, maer leyt
+dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de
+N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech
+lant.~_” Deze is de _Walvischbogt_. Aan den Zandduinigen hoek stort zich
+eene groote rivier, de _Nasaka_, in zee, die diep in het land bevaarbaar
+is; aan den mond van deze rivier is ook eene goede haven, _Tosi minato_,
+vanwaar men 38 Ri naar de voornoemde haven _Kominato_ rekent. Binnen
+eenen afstand van omtrent 5 Eng. mijlen van dezen uithoek nam ~King~
+een’ zeer sterken stroom van 5 Eng. mijlen per uur waar[59].
+
+ [59] _Troisième voyage de_ ~Cook~, l. c.
+
+=De Walvischbogt=, door ~Vries~ zoo genoemd, omdat men daar eene menigte
+bruinvisschen, dolfijnen en vele walvisschen zag; ook nam men daar veel
+wier waar, hetwelk, zoo als bekend is, de walvisschen gewoonlijk
+opzoeken. Op de Japansche kaarten is deze bogt _Fitatsi hara no_
+genoemd, d. i. vlak veld van het landschap _Fitatsi_. Met eenen N.W.
+koers naar den wal loopende, vindt men 40 tot 26 vademen wasigen grond.
+Het land is laag, vlak en moerassig door de wateren, die van het hooge
+binnenland afzakken, en zich in poelen en meeren verzamelen (zoo als de
+meeren van _Takeda_ en _Finuma_). In ’t N.W. »_~op het laege lant in het
+diepste van de bocht~_,” steekt »_~een hooge gehackelde berch~_” uit (de
+bergketting door den _Asifo_, _Majumi_, _Ohonô_ en andere bergtoppen
+gekenmerkt). De N. hoek van deze bogt is een lage vlakke hoek, de
+
+=Lage Hoek= door ~Vries~ genoemd en op de Japanse kaarten _Minato saki_,
+d. i. havenhoek, omdat zich daar aan den mond van de rivier _Nakagawa_
+eene aanzienlijke haven bevindt, die 3 _Ri_ van de stad _Mito_ en 20
+_Ri_ van den haven van _Tôsi_ ligt. Deze afstand komt met de
+waarnemingen van ~Vries~ goed overeen »_~de N.hoek~ (Minato saki) ~lach
+doen S.t.W. 3 mijlen van ons, ende de Santduynige hoek~ (Tôsi minato)
+~lach doen S.t.W. wel 6 mijlen van ons; de N.hoek is een laege vlacke
+hoek.~_” Men heeft hier en meer noordelijk 40 tot 50 vademen zandgrond,
+die naarmate men den wal nadert, opdroogt. Hier begint het land hooger
+te worden tot den
+
+=Boompjeshoek.= »~_Een steylen hoek gelyckende een eylant, alwaer wy_
+(Vries) _uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden
+visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter bij d^{o}.
+hoek comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart
+santgront geweest hebbende. Waeren een myl van de hoeck, saegen doen dat
+daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch
+binnenlant op sommige plaetsen 2, 3, 4 dubbelt, ende op veel plaetsen
+compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Sy noemden_~ (de visschers)
+_~die rivier dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort
+opstreckte~, Gissima, ~ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen
+dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende dat het om de Noort
+niet en docht. Op de steylen hoeck van~ Gissima ~staet wat in ’t lant
+een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de
+andere uytsteekt in hoochte, hebbende een ronde cron.~_” De boompjeshoek
+is het voorgebergte, _Siwoja saki_ genoemd, de rivier de _Same gawa_ of
+Salm rivier. Eene plaats _Gissima_ bestaat hier niet, mogelijk was
+daarmede de stad _Idsumi_, die eene mijl van den mond van de rivier
+ligt, of wel de hooge berg van _Irusima_ bedoeld; digt bij den mond der
+rivier is eene haven, waarvan de afstand van _Minato saki_ op 24 _Ri_
+aangegeven wordt. Het hooge land wordt door eene bergketen gevormd,
+waarvan zich de _Jonowoko_, _Akainowoka_ en _Irusima_ kenmerken, achter
+welke de toppen van den _Jakojama_ en van andere hoogere gebergten
+uitsteken. Den _Boompjeshoek_ W. ½ S. 3 mijlen en eenen hoek, »_~daer
+benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was N. ½ W. 3
+mijlen pijlende~_”, bevond zich ~Vries~ op 37° 5′ N.Br., »_~hadden doen
+de diepte van 40, 36 vadem swarte santgront~_.” Volgens deze waarneming
+zoude de _boompjeshoek_ op 37° 1′ N.Br. liggen. Op onze kaart ligt die
+op 36° 52′ dus 9′ zuidelijker. »_~Omtrent 6 mijlen van d^{o}. hoeck
+begint het hooch land te streeken om de Noort.~_” Daar is
+
+=De Gecartelde Hoek=, ook _Caep de Kennis_ genoemd, omdat ~Vries~ op
+deze hoogte zes dagen kruistte, ten einde het jagt _Breskens_ in te
+wachten. Deze kaap op den 25 Mei binnen eenen afstand van 4 mijlen van
+’t land Z.W.t.Z. en het noordelijkste land dat men zien kon (_Karasu
+saki_ op de Japansche kaarten) N.W.t.N. peilende, bevond zich ~Vries~ op
+de gegiste breedte van 37° 39′ N. Volgens onze kaart zoude zij zich op
+37° 32′ N.Br. bevonden hebben, hetwelk slechts een verschil van 7′ voor
+de breedtebepaling van deze kaap oplevert. Volgens ~Vries~ ligt dus de
+_Kaap de Kennis_ op 37° 11′ en volgens onze kaart op 37° 4′, op de kaart
+van ~Jansson~ echter op 37° 22′ N.Br. Op den middag van den 26 Mei, de
+_Kaap de Kennis_ in eenen afstand van omtrent 7 mijlen W. ½ Z. van zich,
+bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 20′ N. Volgens deze
+waarneming zoude echter de meergenoemde kaap op 37° 16′ N.Br. komen te
+liggen, hetwelk merkwaardig overeenkomt met de later door Kapt. ~King~
+waargenomene breedte van 37° 15′ N. De door ~Broughton~ op zijne
+originele kaart opgegevene breedte komt met die op onze kaart juist
+overeen. De gedurende de kruistogt op de hoogte van _Kaap de Kennis_
+waargenomene diepten leveren de volgende uitkomst op: op eenen afstand
+van 2 tot 3 mijlen, 25 tot 40 vademen wasige zwarte zandgrond, op 4 tot
+5 mijlen afstand van 45 tot 95 vadem wasige grond, konden echter geen
+grond opkrijgen.
+
+Op de kaart van ~Jansson~ en op de kaart van »_gedaene ontdeckinghe
+onder den Commandeur_ ~Marten Gerritsen Vries~, A^{o}. 1643”[60], vindt
+men eenen hoeck »_Roock hoeck_” genaamd, die echter in ’t Journael niet
+vermeld wordt.
+
+ [60] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, N^{o}. 11.
+
+=De Rookhoek= is buiten twijfel het noordelijkste land op den 25 Mei in
+’t N.W.t.W. gezien en op de Japansche kaarten _Karas’no saki_, d. i.:
+Ravenkaap genoemd. »_~Een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer
+laech op ’t water neerliep.~_” De kust strekt zich Z. en N. uit. Den 27
+Mei ’s namiddags dezen hoek Z.W. en het noordelijkste land N.N.W.
+peilende, bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 50′ N.,
+zoodat de breedte van den _Rookhoek_ 37° 42′ zoude zijn, hetwelk ook met
+de kaart van ~Jansson~ juist overeenkomt en met onze kaart slechts een
+verschil van -3′ oplevert. »_~Waeren hier bij wit gepleckt lant met
+eenige santboschies, omtrent 2 mijlen van lant hadden de diepte van 19,
+20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke
+diepte cort op ende af. Het voorkant is duynich lant, maar anders hooch
+lant, op sommige plaetsen dubbelt; het lant om de Noort scheen een bocht
+beginnen te maecken. Wij vernaemen dat de stroom hier heen ende weer
+langs de wal liep.~_” De verandering van den grond, die vroeger wasig en
+zwart zand was, en hier singel en grof zandgrond, bevestigt, dat zich
+~Vries~ op den 27 Mei ’s middags op omtrent 3 mijlen afstand van den
+_Rookhoek_ bevondt, waar zich eene groote rivier, de _Tamano gawa_, in
+zee stort en zwaren kegelzand met zich sleept. Ook wordt in ’t Journaal
+maar eens van den _lagen Santhoek_ gewaagd, te weten op den 31 Mei, ’s
+middags, waar zich ~Vries~ op 38° N.Br. binnen een afstand van 7 à 8
+mijlen, W. daarvan op 70-75 vademen bevond. Op de kaart van ~Vries~ en
+~Jansson~ is die uithoek op ongeveer 38° 10′ N.Br. aangeteekend. De
+plaats echter, waar ~Vries~ op den 29 Mei het werpanker op 29 vademen
+singelgrond vallen liet, en waar hij zich op den middag naar gissing op
+38° en 4 mijlen van den wal bevond, is door een _ankertje_ aangemerkt;
+deze bevindt zich in ’t Z.O. van
+
+=Den Lagen Zandhoek=, die op de Japansche kaarten _Ara fama_, d. i.:
+woeste strand, genoemd is. Daar loopt eene van de grootste rivieren van
+de oostkust van _Nippon_ in zee, de _Ara Kuma gawa_, aan welke ook de
+ongelijke diepte, de banken en de singelgrond te wijten is. De groote
+bogt, die zich van hier allengs tot de Kaap _Kinkwasan_, in ’t Journaal
+_Eylant Toy_ genaamd, is de baai van _Sendai_, waar zich de haven van
+_Siho kama_ bevindt, waarvan men 42 Ri naar de kaap de Kennis rekent. Op
+onze kaart ligt de mond van den _Ara kuma gawa_ op 38° 5′ en de haven
+van _Siho kama_ op 38° 22′ N.Br.
+
+=Kaap Kinkwasan.= Een eiland _Toy_ bestaat niet; daarmede is echter
+buiten twijfel het eiland _Kinkwasan_ verstaan, hetwelk ongeveer 1 mijl
+van het voorgebergte afligt, dat het oostelijk uiteinde van de baai van
+_Sendaï_ vormt. »_~Dezen uitsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer;
+als men uyt de Suyt komt, vertoont hem als een hooch eylant, ende een
+weynich daer bewesten met een rey van gehackelt geberchte, met een corte
+spaetsy laech lant.~_” Dit eiland is ~Vries~ den 1 Junij op een’ afstand
+van eene mijl genaderd, en tusschen dit en een ander, dat hij
+_Tafeleiland_ (op onze kaart _Nagafama_) noemde, ingezeild; »_~waeren
+omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde~_.” Volgens
+zijne waarneming op den middag van den 1 Junij waar hij, den spitsberg
+van _Toy_ N.W. ½ W. op 2 à 3 mijlen afstands peilende, zich op 38° 24′
+gegiste breedte bevond, ligt dit eiland op 38° 32′ N.Br., hetwelk
+slechts een verschil van +7′ met de bepaling van den Japanschen
+Hof-astronomist ~Sakusajemon~ oplevert. Deze waarneming werd op den 2
+Julij bevestigd, waar het zuideinde van _Toy_ op 38° 29′ bevonden werd,
+overeenleggende met het zuideinde van het _Tafeleiland_. »_~Recht
+Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen liggen eenige gebroocken
+eylanden ende clippen onder de wal; wat landelycker leyt noch een
+eylantie, wat langer ende hooger~ (Dezima); ~dicht onder de cust een
+half myl daer benoorden leyt noch een ront eylantie gelyck een
+Toppershoetien~ (Jesima), ~daer aen beyde eynden al scherpe clippen,
+die boven water leggen, afstrecken ende vertonen haer als naelden.
+Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien geleek een rivier in
+’t lant te loopen~_”. Dit is echter eene diepe bogt _Sjugo fama_
+genoemd. »_~De cust streckte hun hier al noortwaarts, maar met veel
+inbochten ende was al hooch lant.~_” Deze eilandjes zijn op de originele
+kaart van ~Vries~ »_~Schildpads eylantjes~_” genoemd. Overigens is de
+beschrijving daarvan en van dit voor de vaart langs de Oostkust van
+_Nippon_ gewigtig punt van verkenning ~voortreffelijk~; wij willen
+echter nog aanmerken, dat tusschen het zoogenoemde eiland _Toy_
+(_Kinkwasan_) en den vasten wal een voor Japansche groote schepen
+bevaarbaar kanaal bestaat, dat _Jama tori no seto_, d. i. het fazanten
+kanaal, genoemd wordt, en dat aan de Noordzijde van de bogt van _Sjugo
+fama_ zich een tak van de groote rivier _Figami gawa_ in zee stort, die
+tevens bevaarbaar is voor groote schepen en door een kanaal bij _Miato_,
+eene haven in de baai van _Sendai_ uitwatert. Door deze 9 Ri lange
+vaart, die voor gewone niet al te groote schepen geschikt is, wordt de
+omzeiling van kaap _Kinkwasan_ vermeden, die anders 22 Ri bedraagt.
+Mogelijk is die ook voor kleine stoomschepen bevaarbaar. Langs het
+grootste gedeelte van de Oostkust van _Nippon_ droogt het water langzaam
+tot op 10 vademen en minder op; rondom de kaap _Kinkwasan_ echter vindt
+men reeds op korten afstand eene diepte van 80 vademen, en eenige mijlen
+verder in zee geen grond meer. In het Z.O. van _Kinkwasan_, 2 en 3
+mijlen vandaar, nam ~Vries~ eene om de Zuid loopende strooming waar. Ook
+~Broughton~ heeft (7 en 8 September 1797) langs de Oostkust van _Nippon_
+op 39° 55′ tot 40° 44′ N.Br. eene sterke Z. en Z.Westelijke strooming
+waargenomen. Deze heeft ~Vries~ reeds zuidelijker op 37° 39′ op een’
+afstand van 4 mijlen van de kust ontmoet, en als oorzaak van de korte
+vreeselijk holle zee verklaard, »_~omdat de strooming tegen de wind
+(uit S.S.O.) liep~_.” De Japansche stroom, de reeds vroeger genoemde
+_Kuro siwo_ of zwarte zeestroom, schijnt aan den grooten oosthoek van
+_Nippon_, kaap _Daihô saki_, zijne kracht te breken, en vervolgens langs
+de kaap _de Kennis_ meer N.Oostelijk te worden afgeleid. Behalve zijne
+snelheid en zijne rigting, die aan den zeeman niet ontgaan kunnen,
+kenmerkt zich de loop van dezen stroom gedurende de koudere jaargetijden
+en in hoogere breedte door den digten mist, die ’s morgens en ’s avonds
+zijn stroomgebied bedekt. ~Vries~ klaagt dikwijls tot op de hoogte van
+bijna 38° N.Br. over »_~vreeselycke donckere mist~_”, terwijl hij
+noordelijk door heel mooi begunstigd werd. Men kan dus als eene wet van
+dezen warmen stroom aannemen, dat zijn gebied zich langs de Oostkust van
+_Nippon_ niet verder dan op 38° N.Br. uitstrekt, en dat zich tusschen
+hem en langs de kust een _koude stroom_ indringt, die van de Zuidkust
+van _Jezo_ en mogelijk van de straat van _Tsungar_, waar, door dit tot
+op 12 Eng. mijlen verengd kanaal, de doorstrooming van al dat water
+belet wordt, afzakt en naar het Zuiden loopt. Dat deze aan den invloed
+der afwisselende winden min of meer blootgesteld is, is natuurlijk, en
+zijne kracht schijnt zich als het ware aan die van den warmen stroom
+allengskens te breken, alhoewel beide stroomen duidelijk onderscheidbaar
+voorbij stroomen. Want nog op de hoogte van de _Tasmans_ eilanden wordt
+door de Japanners sedert eeuwen de grenslijn van den _Kuro siwo_
+waargenomen en bepaald. Ook is de warmte van het zeewater in het Noorden
+van de Oostkust van _Nippon_ aanmerkelijk lager als van dat van den
+_Kurosiwo_, zijnde het maximum der temperatuur van dien stroom op 86°
+Fahr. en die der zee bij kaap _Kurosaki_ (39° 56′) slechts op 55° Fahr.
+
+=De Tafelberg.= »_~’s Avonts lach de Oosthoeck van Toy S.W.t.S. 5 à 6
+mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien
+wy den naem gaven van den Tafelberch.~_” Deze is, volgens deze
+peilingen op den 2 Junij gedaan, waarschijnlijk kaap _Wosaki_ op de
+Japansche kaarten; hetwelk ook met de kaart van ~Jansson~ en met de
+waarnemingen van ~King~ en ~Broughton~ overeenkomt. Daarna zou de hoek
+van den Tafelberg op ongeveer 39° tot 39° 15′ N.Br. moeten liggen. De
+beslissing daarvan laten wij aan het onderzoek van Nederlandsche
+zeevaarders--zoo hopen wij--over; betreuren echter zeer, dat Commodore
+~Perry~ de Oostkust van _Nippon_, van de Witte hoek af aan tot kaap
+_Sirijasaki_ een afstand van vier en een vierde graad van breedte, of
+255 Eng. mijlen voorbijgestoomd is, zonder de aardrijkskundige ligging
+van deze zoo weinig bekende kuststreek nader onderzocht te hebben.
+
+=Caap de Goeree= of _Goede ree_. »_~Een steylen hoogen gehackelde hoeck,
+dien wy Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden schenen veel
+havens ende eylanden te liggen, daer~_ (eene) _~Goede ree soo het leeck
+after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W.~_” Volgens zijn
+bestek van ’s middags den 3 Junij, waar ~Vries~ op 39° 28′ N.Br. _caep
+de Goeree_ N.t.W. 4 mijlen van zich had, zoude deze kaap op 39° 45′
+N.Br. liggen. Op ~Janssons~ kaart is dezelve op 39° 40′ geplaatst. Het
+is de oostelijkste uithoek van _Nippon_, _Kuro saki_, d. i. de zwarte
+kaap genoemd, die volgens ~Sakusajemon~ op 39° 56′ N.Br. en 142° 10′
+O.L., volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′ oostelijker, en volgens
+~v. Krusenstern~’s berekening 10′ oostelijker ligt. Wij zijn van meening
+aan de breedtebepaling van ~Vries~ thans, waar wij zijn Journael kennen,
+de voorkeur te moeten geven, en vooronderstellen, dat de kaap _Kurosaki_
+op de Japansche kaarten te ver van _Tako fama_, waar zich de zoogenoemde
+haven van _Nabo_ of _Nambu_ bevindt, geplaatst is. De haven van _Nabo_,
+waarheen de Japansche visschers aanboden ~Vries~ te zullen brengen, is
+die van _Mijako_; en die van _Schay_ is die van _Kuzi_ (ook _Kuziwoka_
+genoemd). De eerste is 38 Ri van de haven van _Dezima_ bij kaap
+_Kinkwasan_ gelegen, en de laatste ligt 20 Ri noordelijk van die van
+_Mijako_ af. Deze beide havens en nog eene 20 Ri noordelijker bij den
+Noordoosthoek gelegen, zijn de drie voornaamste havens van het
+noordelijkste gedeelte der Oostkust van _Nippon_, dat onder het district
+van _Nambu_ behoort: daarvan _Nabo_ of _Nambu_[61]. »_~Een groote voert,
+streckende S.S.W. heel diep in ’t land, souden naer wy sien conden daer
+heel uyt der see seylen connen~_,” werd de _Voert van Goeree_ genoemd.
+Het is de ruime ingang van de haven van _Mijako_, door ~Broughton~ en
+~King~ op hunne (al te kleine) kaarten met den naam van _Port_ en _Cape
+Nambu_ beteekend. De beschrijving, die ~King~ van den ingang maakt, komt
+met de Japansche kaart daarvan overeen; dezelve wordt door twee
+landpunten gevormd, waarvan de noordelijke lage (_une pointe basse de
+terre_) _Tako fama_, d. i. Inktvisch strand, heet, de zuidelijke hooger
+is, en met een’ kegelberg eindigt (_une colline en forme de cone_) en
+deswege den naam van _Taka fama_, d. i. hooge strand, heeft[62]. De
+diepte der zee is hier, 2 tot 4 mijlen afstands van den wal, meer dan
+100 vademen wasigen grond. De kaap _Kurosaki_ kenmerkt zich door eenige
+hooge naar binnen liggende kegelbergen (de _Kairaki_ en _Kabutojama_),
+die tot het einde van Mei nog met sneeuw bedekt zijn.
+
+ [61] Wij hebben reeds in onze „_Geschichte der Entdeckungen_”
+ aangetoond, dat digt bij deze haven, en waarschijnlijk in de bogt
+ van _Komoto_, het jacht _Breskens_ vervallen en Kapt. ~Schaep~
+ gevangen genomen is. Verg. pag. 100, aanmerking 20.
+
+ [62] Vergelijk: _Troisième voyage de_ ~Cook~, Tom. IV. p, 372. pl. 79.
+ _Geschichte der Entdeckungen im Gebiete von Japan, von_ ~v.
+ Siebold~, pag. 10 en 92. Anmerk. 20.
+
+=De Noordhoek.= »_~Het verste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8
+mylen van ons~_ (_~ende Caep de Goeree S.S.W. 2 mylen~_) _~ende was een
+vlacke hooge berch~_ (de _Croonberch?_); _~ende een laege vlacke
+afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons.~_” De veronderstelde
+Noordhoek van Japan is, zoo als uit de Japansche kaarten te zien is en
+uit de opneming van ~Broughton~ blijkt, slechts een gedeelte van de
+kust, die zich van het oostelijkste uiteinde van _Nippon_ (kaap _de
+Goeree_ of _Kurosaki_) in eene noordwestelijke rigting uitstrekt tot op
+41° 34′ N.Br. Deze door ~Vries~ geziene Noordhoek is de kaap _Tane itsi_
+en de »_~laege vlacke afgaende hoeck~_,” de kaap _Misaki_ op de
+Japansche kaarten, de eerste volgens ~Janssons~ kaart op 40° 10′, echter
+door ~Sakusajemon~, ~King~ en ~Broughton~ 15′ tot 16′ meer noordelijk
+geplaatst. Daar wij, alvorens wij van ~Vries~ Journael kennis namen,
+vooronderstelden, dat de door hem benoemde _Noordhoek_ kaap _Misaki_
+was, omdat de op ~Janssons~ kaart daarvoor opgegevene breedte juist mede
+overeenkwam, zoo hebben wij op onze kaart aan kaap ~Misaki~ den naam van
+kaap _de Vries_ gegeven, terwijl wij aan kaap _Tane itsi_ den van ~von
+Krusenstern~ gegeven naam _Pointe Nord_, ~King~, bijbehielden. Langs
+deze kust tot op ongeveer 40° 23′ N.Br. heeft men op een afstand van 4 à
+5 mijlen 72 à 100 vadem graauwe zandgrond.
+
+=Kaap Sirijasaki=, of de Noord-Oosthoek (_P. Nord-Est_, ~Krusenstern~.)
+Aan onzen Nederlandschen zeevaarder ~Vries~ en aan den Engelschen ~King~
+bleef deze kaap onbekend. Op de, volgens oorspronkelijk Japansche,
+ontworpen kaarten van de 17^{e} eeuw vindt men het noordelijk gedeelte
+van _Nippon_ door omtrekken begrensd, die deze kaap duidelijk laten
+herkennen. Zijne aardrijkskundige ligging echter hebben wij aan
+~Broughton~ te danken, die dit voorgebergte den 9 Augustus 1797
+omzeilde, en hetzelve den 25 d. m. nader bepaalde en _Cape Nambu_
+noemde. Op deszelfs originele kaart is kaap _Nambu_ op 41° 15′ N.Br. en
+141° 30′ O.L. geplaatst. ~Von Krusenstern~ berekende de ligging van deze
+kaap op 41° 22′ 45″ N.Br. en 141° 30′ O.L., en ~Sakusajemon~ op 41° 25′
+N.Br. en 141° 46′ O.L. Op de kaart van »_the Kuril Islands from_ ~v.
+Krusenstern~, ~v. Siebold~ _and_ ~Broughton~” uitgegeven in 1856, door
+het hydrographisch bureau van de Admiraliteit te London, is ~von
+Krusenstern~’s berekening bijbehouden. Digtbij liggen rotsen en een
+eilandje _Rakosima_, d. i. Robben eiland genoemd. Op den 5 Junij was
+~Vries~ op deze hoogte en zag »_~veel seerobben ende veel drift~_.” Het
+diepte hier langzaam van 70 tot 100 vadem graauwe zandgrond.
+
+=De Kaap Toriwisaki= (_The North Point of Nipon_, ~Brought.~). Ook van
+deze kaap hebben wij de aardrijkskundige ligging aan ~Broughton~ te
+danken: »_a low flat point situated in the latitude 41° 31′ N. and 140°
+50′ E. of Greenw._” Volgens ~Sakusajemon~ ligt deze echter 3′
+noordelijker en 20′ oostelijker, en op de kaart der Admiraliteit op de
+breedte volgens ~Broughton~, maar 8′ oostelijker. Ook deze kaap eindigt
+met een eilandje, _Benten_ genoemd, dat aan de Godin ~Ben zai ten~, eene
+beschermster tegen zeemonsters, toegewijd is en met eene groep rotsen,
+die zich gelijk naalden boven water vertoonen.
+
+Tusschen kaap _Sirijasaki_ en _Toriwisaki_ vormt de kust eene diepe
+bogt, waar zich de haven van _Ohobata_ bevindt, die 20 Ri van de aan de
+Oostkust gelegen haven van _Kuzi_ afligt. Verder westelijk van daar bij
+_Ohoai_ is nog eene kleine havenplaats voor schepen, die naar de baai en
+haven van _Awomori_ varen, waarheen 23 Ri gerekend wordt. Bij kaap
+_Toriwisaki_ neemt de kust eene Z. Westelijke en vervolgens nog meer
+zuidelijke rigting aan, en loopt alsdan bij kaap _Kusô domari_ naar
+O.N.O. om; en dit noordelijkste uiteinde van _Nippon_ krijgt als het
+ware de gedaante van een klein schiereiland, waar zich de _Jakejama_,
+een uitgedoofde vuurberg in het midden van kleinere kegelbergen, 3200
+voet hoog verheft. Met het tegenoverliggend N. Westelijk uiteinde,
+waarvan de noordelijkste hoeken _Tatsupisaki_ en _Takonosaki_ genoemd
+worden, vormt dit schiereiland den ongeveer 2 mijlen wijden ingang der
+baai van _Awomori_, die eene ruimte van 5 tot 6 □ mijlen beslaat, en met
+den tijd voor de zeevaart belangrijk worden kan. Kaap _Tatsupisaki_ of
+kaap _Tsugar_, die volgens ~von Krusenstern~ op 41° 16′ 20″ N.Br. en
+140° 30′ O.L. ligt, vormt met de tegenoverliggende kaap _Tadeisi_ of _K.
+Matsmai_ op _Jezo_, die op 41° 30′ N.Br. en 139° 57′ O.L. ligt den
+westelijken ingang in de straat _Tsugar_, terwijl kaap _Sirijasaki_ en
+de tegenover op _Jezo_ liggende kaap _Jesan_ volgens ~Broughton~ op 41°
+49′ 20″ N.Br. en 141° 20′ O.L. den oostelijken ingang tot deze straat,
+die op Japan _Kukinoseto_ genoemd wordt, beheerscht.
+
+Wij hebben deze aardrijkskundige uitweiding gemaakt, om den door ~Vries~
+langs de Oostkust tot naar den _Noordhoek_ van _Nippon_ het eerst
+gebaanden weg verder nog aan te wijzen, en wel tot de haven van
+_Hakotade_ op _Jezo_, die sedert den 31 Maart 1854 aan alle de
+zeemogendheden, die met _Japan_ een tractaat van scheepvaart gesloten
+hebben, geopend is. En zoo vinden wij het ook doelmatig, dezen
+Zeemansgids met eene zeildirectie voor het inloopen in de straat van
+_Tsugar_ en de baai van _Hakotade_ te sluiten.
+
+De Baai van _Hakotade_ ligt N.W. ½ W. op eenen afstand van omtrent 45
+Eng. mijlen van kaap _Sirijasaki_ op _Nippon_ verwijderd. Op deze hoogte
+gekomen en de rotsen, die aan de Oost- en Noordzijde van deze kaap
+uitsteken, vooruitgeloopen, bekomt men de kapen _Jezan_ en _Siwokubi_
+met het hooge land van _Jezo_ en de Noordkaap van _Nippon_
+(_Toriwisaki_) in het gezigt. Men houde aanvankelijk op kaap _Jezan_, en
+vervolgens, kaap _Toriwi_ West peilende, op kaap _Siwokubi_ aan. Deze
+ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De stroom, die de straat
+in ’t Westen met eene snelheid van 5′ in het uur inzet, is in het midden
+der straat het sterkst, namelijk tusschen kaap _Siwokubi_ en
+_Toriwisaki_, waar de straat het naauwst, 10 tot 12 Eng. mijlen breed
+is. Japansche vaartuigen, die naar de haven van _Ohobata_ zeilen, gaan
+derhalve digt bij kaap _Sirijasaki_ voorbij en houden zich langs de
+kust, waar de stroom minder bespeurd wordt; ook loopt hij, volgens de
+mededeelingen van Japanners, bij _Toriwisaki_ digt bij de kust van
+_Nippon_ W.t.Z. om en Z.W., hetwelk zich als eene terugstrooming van de
+watermassa beschouwen laat, die de naauwte tusschen _Siwokuwi_ en
+_Toriwisaki_ niet doorstroomen kan. De Noordkust van _Nippon_ is echter
+klippig, en in het N.N.W. van het _Benten_ eilandje zijn gevaarlijke
+ravelingen. Bij mistig weder en bij nacht is het niet raadzaam de straat
+in te loopen. Stoomschepen kunnen zich met het hoofd in zee gemakkelijk
+aan den ingang houden, totdat zij gelegenheid hebben binnen te loopen.
+
+Van den Noordhoek van _Japan_ naar de kaap _Jerimo_ op _Jezo_
+overstekende, werd aan boord van _Castricum_ 72 tot 100 vademen gewone
+zandgrond gelood; men was vervolgens grond af, en vond op eenen afstand
+van 4 mijlen N. van dezen uithoek weder 50 vadem zandgrond. Deze
+waarnemingen kunnen tot maatstaf der diepte van den Oostelijken ingang
+der straat _Tsuyar_ dienen. In het midden der straat vindt men 50 tot
+130 vademen. Wanneer men den hoek van _Siwokubi_, die 12′ O.Z.O. ½ O.
+van de stad _Hakodate_ ligt, gepasseerd is, kan men de masten der in de
+haven voor anker liggende schepen, boven eene lage landengte
+uitstekende, zien. Daarnaar neemt men nu zijnen cours. Bij het inzeilen
+in de haven dient, bij helder weder, de 3169 voet hooge _Komagatake_ of
+_Zadelberg_ tot gids. Nadat men op eenen afstand van 1 Eng. mijl (ten
+einde de stilte onder de lagen wal te mijden) het 1136 voet hooge, door
+eene lage landengte met het Oostelijk gedeelte der baai verbonden
+voorgebergte, aan welks N.O. zijde de stad _Hakotade_ ligt, omzeild
+heeft, houde men op den scherpen piek van den _Komagataki_, die Noord
+strekt, aan, totdat de Oostpiek van den _Zadel_, die N.O. bij N. strekt,
+zich Westelijk van den ronden knop op de kant van het _Zadelgebergte_
+bevindt[63], alsdan hale men van N. naar O. over, tot dat men het
+midden van den zandheuvel op de landengte Z.O.t.O. ¾ O. van zich heeft.
+Zoo doende vermijdt men eene droogte, die aan het Westeinde der stad in
+eene N.N.Westelijke rigting ⅔ mijl uitstrekt. Alsdan brengt men den
+zandheuvel op de bakboordzijde, en loopt door, tot dat men den Westhoek
+der stad Z.W. ½ W. van zich heeft, waar men den besten ankergrond op 5½
+tot 6 vadem diepte vindt. Minder groote schepen kunnen tot op ¼ mijl den
+hoek van _Tsuki_ digt bij de stad naderen. In geval men bij mist of
+betrokken lucht den Piek of den Zadel niet onderkennen kan, sture men,
+nadat men, zoo als gezegd, het voorgebergte omzeild heeft, N.O. ½ O.,
+totdat men den sandheuvel in de opgegevene rigting voor zich heeft. Bij
+ongunstigen wind vindt men op de buitenree op 25-12 vadem goeden
+ankergrond. De diepte aan den mond der baai is omtrent 30 vadem en
+droogt allengs tot 6 en minder op. _Hakotade_ (de mond der rivier
+_Kameta_) ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De miswijzing
+van het kompas is 4° 30′ W. Hoog water bij nieuwe en volle maan 5 uur.
+De grootste rijzing en daling van het water bedraagt 3 voet.
+
+ [63] „Steer for the sharp peak of Kamagataki, bearing about north,
+ until the east peak of the Saddle, bearing about N.E. by N. opens
+ to the westward of the round knob on the side of the mountain.”
+ Sailing directions for Hakotadi, by Lieut. ~Wm. L. Maury~, in
+ ~Hawks~ _Narrative_, pag. 691.
+
+
+
+
+IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO.
+
+
+Van den vermeenden »_Noordelijcke hoeck van Japan_” had ~Vries~ den
+koers N.N.O. genomen en bevond zich ’s middags den 7 Junij op 162° 1′ O.
+v. Teneriffe (volgens onze verbetering op 143° 39′ 36″ O. v. GR. en op
+41° 24′ bevonden N.Br.)[64]. Van daar tot op 40° 36′ N.Br. heeft men 70
+tot 100 vademen graauwen zandgrond, langzaam opdiepende totdat men grond
+af is. Zij hadden ’s ochtend omtrent 10 uur hoog land gezien. Dit was de
+
+ [64] Langs de oostkust van _Nippon_ hebben wij op de lengtebepalingen
+ van ~Vries~ niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen
+ togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig
+ opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal
+ opgegevene gegiste lengte van het eiland _Fatsisjo_ met ongeveer
+ +2° moest verbeterd worden. Die van den hoek _Bosho_ levert reeds
+ een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap _Misaki_ en Kaap
+ _Taneitsi_ ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich
+ ~Vries~ op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v.
+ Greenw. bevonden hebben, en den »_S.O.hoeck van Eso_” Kaap
+ _Jerimo_, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br.
+ Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de
+ aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van _Jezo_ kennen, zeer
+ goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van
+ den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op ~Broughton~’s
+ originele kaart.
+
+=Kaap Jerimo=, de Z.O.hoek van _Jezo_ (_Eroen_ of _Groen_, ~Vries~)
+»_een hoogen steylen hoeck_,” en ligt volgens ~Broughton~’s orig. kaart
+op 41° 53′ N.Br. en 142° 55′ O.L. Volgens ~Sakusajemon~’s kaart echter
+op 41° 56′ N.Br. en 143° 39′ 10″ O.L. Omtrent 4 mijlen van dezen hoek
+loodt men 50 vademen zandgrond en 3 mijlen daarvan 24 vad. schulpige
+zandgrond. Men kan den hoogen hoek tot op ½ mijl naderen en vervolgens
+langs den wal op de diepte van 20-24 vad. sturen. »_Van d^{o}. hoeck
+streckt het land N. ende is hier hooch dubbelt lant ende op de toppen
+bedeckt met sneeuw._”
+
+Den Z.O.hoek Z.W. ½ Z. 5 mijlen afstand peilende, heeft men in het
+N.W.t.N. »_een groote bay ofte inbocht_.” Dit is de baai van _Firoro_.
+~Vries~ nam een’ N.O. koers langs den wal; het was mistig weer, de zee
+liep om de N., hem naar den wal zettende, waar hij op 26 vademen grove
+zandgrond ankerde; zij konden de landzee hooren ruischen. De hoek van
+deze ankerplaats wordt
+
+=Cabbeljaus hoeck= genaamd en is waarschijnlijk de lage uithoek digt bij
+_Tobui_ in de rivier _Monbets_, waar het hooge land afvalt. _Tobui_ ligt
+35′ noordelijker en 18′ oostelijker als de plaats _Saruru_, wiens
+breedte door de Hof-astronomisten op 42° 7′ N. en de lengte op 143° 56′
+O. bepaald is. Dit laatstgenoemde oord is eene Japansche wachtplaats, en
+mogelijk zou men aan den mond van de rivier kunnen ankeren. Van
+Japansche schepen wordt die plaats sedert eene eeuw bezocht. Ik merk
+zulks op, omdat in het Journaal gezegd is: »_Voorts heeft de cust veel
+bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut
+licht_.” Den 9 Junij op 15 vadem singelgrond ten anker gekomen, wordt ’s
+middags de breedte van 42° 44′ N. berekend en de Z.O.hoek van _Jezo_ 12
+mijlen Z.W.t.Z. en een lagen hoek (_Cabbeljaus hoeck_) 6 mijlen Z.W.t.W.
+gepeild, »_hadden noch een hoeck, in ’t N.O. ½ O. 6 of 7 mijlen van ons
+(Goutsioer), alwaer wel een revier geleeck bij in te strecken soo wy
+sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N._”
+
+~Vries~ bevondt zich zoo mede in een afstand van ½ mijl van het
+aanzienlijke dorp _Tokatsi_, (_Tocaptie_, ~Vries~), waar de rivier
+_Usibets_, eene van de grootste op de Oostkust van _Jezo_ uitwatert, en
+de kust zich in eene lage bogt terugtrekt.
+
+Op de originele kaart van ~Vries~[65] staan de woorden: »_Alhier
+(Tocaptie) komt haar ’t eerste vaartuyg van dit Land aan boort, daarin
+syn twee mannen en een jongen, veel silver om haar hebbende en wijsen na
+’t gebergte, dat daer silver in overvloet is_.” Deze eerste ontmoeting
+met de inboorlingen van _Jezo_ wordt in het Journaal meer breedvoerig
+verhaald. Met uitzondering van eenige vroegere mededeelingen omtrent
+dezen merkwaardigen landaard, die wij in de brieven van de Christelijke
+zendelingen in de 16 en 17 eeuw vinden[66] en eenige bijzonderheden
+daaromtrent door de reisgenoten van ~Vries~ in de 17 eeuw bekend
+gemaakt[67], behoort de beschrijving van dit volk, zoo als ook van zijne
+zeden en gebruiken aan verscheidene plaatsen van het Journaal
+ingelascht, tot de belangrijkste bijdragen, welke wij door Europische
+zeevaarders van dezen volksstam, thans bekend onder den naam van
+_Aino’s_ of de _ruige Kurilen_, verkregen hebben. Om echter onze
+geo-hydrographische toelichtingen niet telkens af te breken, zullen wij
+aan den volkstam der _Aino’s_ een bijzonder hoofdstuk aan het slot dezer
+verhandelingen toewijden.
+
+ [65] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n^{o}. 11. E.
+
+ [66] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen._ Coloniae.
+ 1574. in 8^{o}. pag. 426. ~Nicolaes Witsen~, _Noord-Oost
+ Tartarye_, Deel II, pag 57. „_Bericht wegens het rijk Jesso,
+ volgens zekeren brief van den vader_ ~Hieronymus de Angelis~,
+ _geschreven in ’t jare 1622._”
+
+ [67] _Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige
+ jaer door het Schip Castricum bezeylt is._ Tot Amsterdam. 1646.
+ Vergelijk daarmede ook ~N. Witsen~, Deel II, pag. 50.
+
+De =Bogt van Tokatsi= heeft haren naam van het dorp dat aan den
+noordelijken mond van de deltavormige uitwatering der rivier _Usibets_
+op 42° 39′ N.B. en 144° 22′ O.L. ligt. De kust is laag en in het zuiden
+van _Tokatsi_ moerassig; daar bevinden zich verscheidene meeren, waarvan
+die van _Jeutô_ het grootste is.
+
+=De Rivier en de hoek van Kusuri=, ongeveer 33′ in het N.O. van
+_Tokatsi_, loopt de _Kusuri_ (_Goutsioer_, ~Vries~) in zee en het lage
+stroomgebied van dezelve vertoont zich als eene opening van het land,
+die ook door ~Broughton~ gezien en op zijne kaart aangeteekend is. Deze
+rivier is de grootste van de Oostkust van _Jezo_ en bestaat uit de
+vereeniging van twee armen, waarvan de oostelijke uit een binnenmeer aan
+den voet van den berg _Otosja_ (het heeft den naam van _Kusuri_) en de
+westelijke ook uit een binnenmeer aan den voet van den berg _Akani_
+ontspringt en daarvan _Akanibets_ (_bets_ is rivier, beek) genoemd is.
+Deze beide hooge pieken behooren tot de bergketen, waarvan het Z.W.
+gedeelte, volgens ~Jansson~’s kaart, »_de Blaauwe berg_” en het N.O.
+uiteinde »_Batavias bergh_” door ~Vries~ genoemd is. Ook ~Broughton~
+vermeldt den eerstgenoemden onder den naam van _Peaked Hill_, en peilde
+op 42° 47′ N.Br. dien piek N. 9° O. en de opening van het land (den mond
+van de _Kusuri_) N. 21° O., op eenen afstand van 12 tot 15 Eng. mijlen.
+Het stroomgebied van den _Kusuri_ is van de _Ainos_ bewoond, die langs
+de beide armen eenen weg naar de binnenmeeren van _Kusuri_ en van
+_Akani_, en van daar langs de rivieren _Sjaribets_ en _Ikutsinakots_
+naar de Noordkust van _Jezo_ gebaand hebben. Eenige Eng. mijlen
+oostelijker van de uitwatering en van de _Kusuri_ steekt een hoek uit,
+aan welke wij den naam van Kaap _Kusuri_ gegeven hebben. De meergemelde
+opening van het land vormt met deze kaap eene baai, waar, zonder
+twijfel, schepen eene goede tegen de N.O. en Oostelijke winden
+beschermende ankerplaats zullen vinden. Deze van geen europeschen
+zeevaarder tot nu toe bezochte kustenstreek bevelen wij aan hunne
+bijzondere aandacht en hebben derhalve dezelve meer breedvoerig, volgens
+de Japansche kaarten en berigten, beschreven.
+
+Van zijne ankerplaats bij _Tokatsi_ nam ~Vries~ zijnen koers Oost tot op
+eenen afstand van ongeveer 50 Eng. mijlen van de kust; daar geen land
+ontdekkende, stelde hij den koers N.O. en vervolgens N., om het land in
+het gezigt te krijgen. Den 11 Junij ’s middags bevond zich ~Vries~ op
+43° 10′ N.Br., 2½ mijl van het land, op de diepte van 27 vadem zwarten
+zandgrond. Van deze hoogte zijn drie voor de zeevaart belangrijke punten
+van de Oostkust bepaald geworden; in het W.t.Z. 6 mijlen afstand de kaap
+_Seriba_ (_Santanel_ ~Vries~), die de Zuidelijke uithoek van den ingang
+in de _Baai de Goede Hoop_ is, dan in het N.O. 4 à 5 mijlen afstand de
+_Kaap de Manshooft_, en in het W.t.N. ½ N. eene rivier, de
+_Hokirarubets_ bij _Biwase_. Ook zijn de digt aan den mond dezer rivier
+gelegene eilandjes _Fujutar_ en _Kitafu_ en een eiland aan den ingang
+der baai _de Goede Hoop_ gelegen, door de Japanners _Daikoksima_, door
+de _Aino’s_ _Horomosiri_ en door ~Vries~ _van der Lyns eylant_ genoemd,
+waargenomen geworden.
+
+=De Kaap Seriba= (_Santanel_ ~Vries~) vormt den Zuidelijken wal en kaap
+_Harasan_ (_Caep Maetsuyker_) den Noordelijken wal van den ingang der
+baai _de Goede Hoop_, waar voor een eilandje ligt, door de Japanners
+_Daikoksima_ (d. i. het eiland van den god van den rijkdom) en door
+~Vries~, na zijne terugkomst in deze baai, _van der Lyns eiland_
+genoemd. Dit eilandje is door eene reeks klippen met den Noordelijken
+wal verbonden, en van den Zuidelijken wal steekt een rif met rotsen
+boven water 1½ mijl O.Z.O. in zee uit. Kaap _Seriba_ ligt 8′ Zuidelijker
+en 5′ Westelijker als _Atkesi_ of _Akkes_, de voornaamste plaats in de
+baai, die door den Hofsterrekundige op 43° 2′ N.Br. en 145° 34′ 27″ O.L.
+geplaatst is. Op ~Broughtons~ originele kaart is de ingang met het
+voorliggend eilandje en eenige rotsen onder 43° 0′ N.Br. en 144° 36′
+O.L. aangestipt. Volgens ~Vries~ zoude dezelve op ongeveer 43° 5′ N.Br.
+te leggen komen.
+
+=De Baai de Goede Hoop= verdient dezen naam, aan haar door onzen
+vermaarden zeevaarder gegeven, die daar van 16 Augustus tot 1 September
+zich ververscht en zijn schip hersteld heeft. Dezelve is naast die van
+_Hakotade_ de beste van _Jezo_, en op de Z.O. kust de eenige veilige
+haven voor grootere vaartuigen.
+
+Van de baai _de Goede Hoop_ heeft ~Nicolaes Witsen~[68] eene schets
+volgens oorspronkelijke handteekeningen medegedeeld, die in vergelijking
+met het plan van ~Atkis~, in 1793 door den Russ. Lt. ~Laxmann~
+opgenomen[69], en met de beide kaarten van _Jezo_ van ~Sakusajemon~ en
+van ~Mogami Toknai~[70], voor zoo verre de buitenbaai betreft, goed
+overeenkomt. Volgens deze schets is de buitenbaai ruim 3 mijlen diep en
+2½ mijlen wijd, met hoog land omgeven; het vaarwater in het midden is
+ruim, zuiver en 15 tot 6 vademen diep kleigrond; alleen langs de
+Oostkant in het Zuiden van eenen steilen uithoek, die »_Caep Swers_”
+genaamd is, liggen eenige rotsen en klippen, insgelijks aan de in eene
+bogt zich uitbreidende Westzijde. De ingang is in het Zuiden, zoo als
+gezegd, door het _van der Lyns eiland_ en een ander eilandje,
+_Bonmosiri_, waarvan zich eene reeks rotsen naar kaap _Maetsuycker_
+uitbreidt, en door een van kaap _Seriba_ O.Z.O. vooruitstekend rif
+beperkt en ongeveer eene mijl wijd. In het N.O. ligt de binnenbaai.
+Volgens de beschrijving van den verdienstelijken stuurman ~Coen~ en de
+plans van ~Laxmann~ en de Japansche aardrijkskundigen vormt die
+eene kom, die ongeveer 2 mijlen wijd is, echter ondiep en vol
+oesterbanken, en in het midden laag, vlak, verdronken land--vier à vijf
+eilandjes--heeft; zij is met bergachtig land omgeven en door groote
+valleijen doorsneden, waar volgens ~Sakusajemon~ en ~Toknai~ twee
+rivieren en verscheiden kleine beeken uitwateren. De Noordelijke rivier
+noemt _Tokisijarubets_, de Westelijke _Ukorubets_, beide alhoewel ondiep
+zijn met kleine booten 2 à 3 mijlen opwaarts bevaarbaar. Langs de eerste
+en eene andere verder naar het Oosten loopende rivier, _Kokopebets_,
+verkeeren de _Aino’s_ met de in het O. gelegene _Baai van Laxmann_, de
+stapelplaats van den handel met de Kurilen, en langs de tweede met hunne
+landgenooten langs de _Kusuri_ rivier. Deze met den tijd meer en meer
+toenemende handelsverbinding met het binnenland van _Jezo_ en met de
+Kurilische eilanden en de voor de zee- en kustvaart gunstige ligging der
+baai _de Goede Hoop_ geeft aan deze zeeplaats een goed vooruitzigt, en
+daartoe zal, daar de haven van _St. Peter en Paul_ op het schiereiland
+van _Kamtschatka_ sedert de oprigting van die van _Aian_ en eene in de
+baai _de Castries_ zijne beteekenis verloren heeft, een der
+belangrijkste punten voor de handels- en oorlogschepen in het
+Noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan kunnen worden[71]. Ten tijde
+van het bezoek der baai door het fluitschip _Castricum_ was slechts
+_Atkis_ van eenige _Aino_-familien bewoond; thans vindt men reeds meer
+dan twintig gehuchten rondom de baai door _Aino’s_ en Japansche
+visschers bewoond.
+
+ [68] _Noord- en Oost-Tartarye_, Deel I. AA. pag. 66.
+
+ [69] ~von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Atlas n. 104.
+
+ [70] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2. Die Insel
+ _Jezo_ und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von
+ ~J. Sakusajemon~, Bai von _Atkesi_ nach ~M. Toknai~.
+
+ [71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een
+ ontwerp van een gezantschap naar _Japan_ en van een tractaat met
+ dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van
+ Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor
+ stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, _de Baai van
+ de Goede Hoop_ op _Jezo_ enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het
+ _Rapport aan Z. M. den Koning_ over de Japansche aangelegenheden,
+ uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder
+ dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l.
+
+Tot aan het inkomen van de baai loodt men 27 tot 18 vademen zandgrond.
+Alsdan loopt men bij Westen van den steilen hoek van _van der Lyns
+eiland_ binnen, latende een ronden steilen hoek (kaap _Seriba_), waar
+een rif O.Z.O. ver uitsteekt, aan bakboord liggen. Binnen den hoek van
+het eiland gekomen, neemt men den koers N.N.W. op 15 tot 6 vademen
+kleigrond naar eenen scherpen steilen hoek (door ~Vries~ _Caep Swers_
+genoemd), dien men achteromloopt om ten anker te komen.
+
+Achter dien hoek is eene smalle bank, waarop bij laag water 10-11 voet,
+bij gewoon hoog water 15-16 voet, maar binnen dezelve 5-7 vadem water
+staat, en natuurlijk bij springvloed nog hooger[72]. Men komt hier regt
+voor het dorp _Atkis_ op 5 vademen kleigrond ten anker. Ook vindt men
+achter het _van der Lyns_ eiland op 8 vademen kleigrond eene goede
+ankerplaats, waarvan men na het binnenkomen of voor men uitzeilt een
+voordeelig gebruik kan maken. Om zich te ververschen en schepen te
+herstellen, wel ook om des noods daar te overwinteren, biedt thans reeds
+deze haven de beste gelegenheid. Men kan zich daar met water, visch,
+kabeljaauwen, steuren, roggen, tongen, brand- en scheepsbouwhout ruim
+voorzien. Digtbij in de bosschen groeijen zware eiken, vuren, berken,
+wilgen, linden en noteboomen[73]. Ook vindt men daar aalbeziën,
+frambozen[74] en _appelties van roosen_[75]. In den winter zal men hier
+beeren, herten en vogels vinden; in den zomer is het moeijelijk in de
+digtste bosschen en het hooge rietgras te jagen. Thans, waar deze baai
+van Japansche visschers en kooplieden bezocht is en zich daar
+waarschijnlijk ook eene Japansche volkplanting nedergezet heeft, zullen
+ook andere ververschingen en levensbehoeften te verkrijgen zijn.
+
+ [72] „_Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende
+ W.S.W. maen hoochwater._”
+
+ [73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de _Pinus jezoensis_ (in
+ de Aino-taal _Fuppo_ genoemd), _P. densiflora_ (_Kui_), _Abies
+ bifida_ (_Sunk_), _Q. dentata_ (_Gomuni_) en eene andere
+ eiksoort, _Beroni_. Ook leveren berken (_Tatsbi_), linden
+ (_Kobergen_) en ahorn (_Fusini_ en _Tobeni_) goed timmerhout.
+
+ [74] _Rubus palmatus_ (_Imare fureppi_).
+
+ [75] Het zijn de vruchten van _Rosa rugosa_ en _Kamtschatica_ (_Mau_),
+ die van de _Aino’s_ en Kamtschadalen algemeen gegeten worden.
+
+=Kaap Maetsuycker.= Zoo werd door ~Vries~ de Oostelijke uithoek van den
+ingang der baai _de Goede Hoop_ genoemd en van daar tot zoo ver de kust
+N.O. strekt door eene voortreffelijke afteekening van het land kenbaar
+gemaakt[76]. Op ~Jansson~’s kaart is deze hoek ook zoodanig genoemd; in
+het Journaal vinden wij echter niets van deze kaap gewaagd. Op de
+Japansche kaarten noemt men het _Harasan_ en ligt ongeveer 3′ à 4′
+N.N.O. van _Atkesi_. De reeks van rotsen, die zich van daar naar _van
+der Lyn’s_ eiland uitbreiden en waar bij laag water niet meer als 5 voet
+water staat, maakt zelfs aan booten de doorvaart naar de baai
+gevaarlijk. Voor Japansche en andere kleine vaartuigen bevinden zich
+langs deze kust nog twee ankerplaatsen, als:
+
+ [76] ~Nicolaes Witsen~, Deel II. A. pag. 65.
+
+=De haven van Biwase= en de reede bij de _Iruri_ eilandjes. De eerste
+ligt 50′ oostelijk en eenige minuten noordelijk van _Atkesi_, eene
+kleine baai aan den mond van de rivier _Hokiurbets_ gelegen en door
+twee eilandjes _Kîtafu_ en _Binebisjo_ (volgens ~Laxmann~ _Tsigab_ en
+_Kikumushiri_) en verscheidene hooge rotsen (vijf?) in het Oost en
+Zuidoost beschermd. Het is de rivier, die den 11 _Junij_ ’s middags aan
+boord van _Castricum_ W.t.W. ½ W. gepeild is; de eilandjes zijn voor
+land gehouden, waar »_eenige clipies onder de wal liggende boven water_”
+gezien worden. De laatste ligplaats is op verscheidene Japansche kaarten
+aangewezen, doch de ligging en de afstand van de _Iruri_ eilandjes van
+de kust is nog twijfelachtig. Volgens de kaart van ~Mogami Toknai~[77]
+en de originele kaart van ~Broughton~[78] en ook volgens eene oude
+handschriftelijke kaart, ons door eenen Japanschen geneesheer ~Fukutsi
+Gensok~[79], die lang op _Jezo_ geweest is, medegedeeld, liggen dezelve
+digt bij Kaap _Usu_, hetwelk wij voor »_Caep de Manshooft_” van ~Vries~
+houden. Het zijn twee grootere en een kleiner eilandje _Iruri_,
+_Moiruru_ en _Kinasitomari_ genoemd. Ook op het plan van ~Laxmann~
+liggen deze eilandjes (zij zijn _Erori_ genaamd) in het oosten van een
+uithoek, waarop zich de plaatsnaam _Otishi_ (_Otsisi_) die op alle
+kaarten digt bij kaap _Usu_ geplaatst is, aangeteekend bevindt. Op de
+landverkenning van ~Vries~[80] zijn verscheidene eilandjes kenbaar en in
+het Journael is gezegd: _Hier (Caep de Manshooft in het N.W.t.W. 2
+mijlen van ons ende was diep 25 vademen swart santgrond) is al slecht
+lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen toen in ’t N.W.t.W. van ons
+een rif, daer het seer op barnde, ende lag omtrent een mijl van lant,
+ende om de N.O. van de Caep de Manshooft lach een vlack eylantien met 3
+cleijne berchies, het N. eynt van d^{o}. eylantie lach N.N.O. 3 mijlen
+van ons._ Het rif vindt zich juist zoo op ~Laxmann~’s plan aangegeven en
+daardoor wordt ook bevestigd, dat de kaap _Usu_ de
+
+ [77] ~Von Siebold~’s _Atlas von Land- und Seekarten_. N^{o}. 2. A.
+
+ [78] _Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a_ ~Ph. Fr. de
+ Siebold~ _collectorum Lugduni-Batavorum 1845._ N^{o}. 177.
+ _Jezono dsu_, ~Mogami Toknai~ _geographi Jap. illustrissimi
+ mappae geographicae quinque._
+
+ [79] _Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum_, N^{o}. 178.
+ „_Matsumaë Jezono dzu_ est viro tabula geogr. exhibens insulam
+ _Jezo_ cuius caput est _Matsumaë_.”
+
+ [80] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. A.
+
+=Caep de Manshooft=, ~Vries~, is. Op ~Sakusajemon~’s kaart ligt dezelve
+op 43° 11′ N.B. en 146° 14′ O.L. en zoude volgens de peilingen aan boord
+van _Castricum_ op den 14 Augustus gedaan, op 43° 16′ N.B. liggen, en is
+zeer kenbaar beschreven: »_gaeven dien hoeck de naam van Caep de
+Manshooft, omdat hij hem vertoont als een hooft._” Van deze kaap steekt
+de kust N.O. en loopt in eene smalle, lage, 50 minuten lange landtong,
+kaap _Nossjam_ uit, die door ~von Krusenstern~ kaap _Broughton_ genoemd
+en op 43° 38′ 30″ N.B. en 146° 7′ 30″ O.L. geplaatst is. Noch ~Vries~,
+noch ~Broughton~ hebben echter deze landtong als het oostelijkste punt
+van _Jezo_ herkend en geweten, dat om de W. van deze landtong een straat
+bestond, die het eiland _Jezo_ van _Kunasiri_, het zuidelijkste van de
+_Kurilen_, afscheidt. Wel bevindt zich reeds op de kaart van de Keizerl.
+Akademie te St. Petersburg, in 1758 uitgegeven, het eiland
+»_Kunaschir_,” door eene straat van _Jezo_ afgescheiden[81], en
+waarschijnlijk is zulks volgens de waarnemingen van ~Spangberg~ en
+~Walton~ geschiedt; de ontdekking echter dezer straat moeten wij aan
+~Laxmann~ (1792) toekennen. Zijne kaart bleef echter tot het begin van
+deze eeuw in het Archief te _Kamtschatka_ liggen. Aan den vermaarden
+Admiraal ~Golownin~ en zijnen bevrijder uit de Japansche gevangenschap,
+Admiraal ~Ricord~, heeft men eene nadere kennis van deze straat, waaraan
+~von Krusenstern~ den naam van straat _Jezo_ gegeven heeft, te danken.
+Alvorens wij met ~Vries~ de oostkust van _Jezo_ verlaten, moeten wij
+nog opmerken, dat ~von Krusenstern~ bij vergissing de baai van _de Goede
+Hoop_ tweemalen op zijne kaart van _Jezo_ geplaatst heeft, eenmaal
+onder den naam van baai _de Goede Hoop_, volgens ~Janssons~ kaart,
+andermaal onder die van baai van _Atkesi_ volgens het plan van
+~Laxmann~[82].
+
+ [81] _Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens
+ etc._ in ~Muller~’s _Découvertes etc._
+
+ [82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te
+ St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen.
+
+=De Coen’s eilanden.= In het Noorden van kaap _Broughton_ breidt zich
+het eiland _Kunasiri_ in eene wijde bogt uit, waarin verscheidene kleine
+eilanden liggen. Deze bogt heeft ~Vries~ en ook nog ~Broughton~ voor een
+gedeelte van de kust van _Jezo_ gehouden. De kleinere eilanden werden
+echter juist onderscheiden, opgenomen en beschreven, en _Barbaren_
+eiland, de _Gebroocke_ eilanden van _Tamary_ en het _Walvisch_ eiland
+benoemd; het grootste daarvan, in het N.O. gelegen, vooronderstelde
+~Vries~ een berg te zijn, die bij het »_Lant van Eso_” behoorde. Dezen
+berg noemde hij den _Santberg_ en den vermeenden Oostelijksten uithoek
+van _Jezo_ »_Caep Canael_ of _Caep Diemen_”.
+
+Op zijne heen- en terugvaart zien wij onzen stouten zeevaarder tusschen
+deze groep van eilanden dagen lang met tegenspoed van wind en weder
+worstelen, en vooral is het de digte en lang aanhoudende mist in deze
+gewesten, die zijnen loop deed staken, den gezigteinder beperken en
+zijne waarnemingen verhinderen.
+
+De onderlinge ligging dezer eilanden is door de kompaswaarnemingen op
+den 12 Augustus, waar zich _Vries_ op 43° 46′ N.Br. bevond, als volgt
+bepaald geworden: _Caep Canael_ (N.O. hoek van het eiland _Sikotan_) 5
+mijlen N.N.O. ½ O., het _Walvisch eylant_ (_Taraku_) N.W. ½ W. 1½ mijl
+en de _Gebroocken_ eilanden W.Z.W.; en denzelfden dag ’s avonds op 43°
+42′ N.Br. het _Barbaren_ eiland W.Z.W 1½ à 2 mijlen, het _Gebroocken_
+eiland N.O.t.O. 1 mijl, en nog een _lang vlack eylant_ N.W. 1½ mijl.
+Daarbij voegen wij nog de peilingen van de op 43° 26′ N.Br. ontworpen,
+door ~Nicolaes Witsen~[83] medegedeelde kustverkenningen: _Barbaren_
+eiland (Westpunt) N.W. ⅔ W. 2 mijlen, _Gebroocken_ eilanden N.W. ½ N. 3
+mijlen. Ook kunnen de op den 13 Junius op 43° 28′ N.Br. 1 mijl in het
+Z.W. van het _Barbaren_ eiland voor anker gedane waarnemingen iets tot
+de bepaling van de ligging dezer eilanden bijdragen. _Caep de Manshooft_
+W.t.N. 3 mijlen, het _eylant met 3 berchies_ N.W. ½ N. 2 mijlen, _een
+groot recif_ N.t.W. ½ W. 1 mijl, N.W. ½ N. 3 mijlen een laag eiland,
+N.N.W. ½ N. de Piek en N.O.t.N. ¼ O. _een vlack eilant_ 1 mijl, het
+_Barbaren eilant_. Ook lag _een partij clippen boven en een deel onder
+water_ O.t.N. 1 mijl.
+
+ [83] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. E.
+
+»_Dese voorschreven eylanden syn 1, 1½ à 2 mylen lang, hebbende veel
+cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op
+het vaste lant_ (het eiland _Kunasiri_) _legt een kennelycke berch boven
+met een keep (de Piek Antony) ende leyt alleen._”
+
+Deze berg, dien wij later nader zullen leeren kennen, is, omdat hij 20
+mijlen ver uit zee kan gezien worden, hier een belangrijk punt van
+verkenning. De eilanden en rotsen, wier met namen beteekend getal op
+~Sakusajemons~ kaart[84] op tien aangegeven is, en zich op ~Toknai~’s
+kaart[85] op 12 grootere en kleinere eilandjes en meer dan 30 rotsen
+beloopen, en meestal met de _Aino_-namen voorzien zijn, maken eene
+aanzienlijke groep uit, die zich van kaap _Broughton_ N.O. tot den
+»_Santberg_” (het eiland _Sikotan_) uitbreidt en ongeveer 45′ in lengte
+beslaat. Wij hebben aan dezelve op onze verbeterde kaart van _Jezo_[86]
+den naam van den verdienstelijken stuurman ~Cornelis Jansz. Coen~
+gegeven, zijnde hij de man aan wien wij de eerste aardrijkskundige
+beschrijving daarvan in zijn Journaal te danken hebben.
+
+ [84] Volgens ~Sakusajemon~’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen
+ naar hare N.O. strekking: _Sîsjo_, _Utsuki_, _Akiroro_, _Juru_,
+ _Harukaru_, _Sibots_, _Imukusibe_, _Taraku_, _Itasibets_ en
+ _Kabiof_.
+
+ [85] Volgens ~Toknai~’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte:
+ _Sîsjô_, _Sibjuts_, _Taraku_, _Juru_, _Akiroro_, _Harukaru_,
+ _Onekinasi_, _Tomari_, _Moimosiri_, _Utsuki_, _Masirika_,
+ _Honkinasi tomari_ en _Monrika_ genoemd. De rotsen en klippen
+ willen wij overslaan en nog bemerken, dat _onsiri_ in de
+ _Aino_-taal eiland en _tomari_ verblijf of dorp beteekent, en dat
+ bij al deze namen _mosiri_ (_muschir_, Russische uitspraak)
+ gevoegd is. Op de oude kaart van _Jezo_ van den bovengenoemden
+ geneesheer ~Kensok~ zijn ook reeds negen eilandjes met namen
+ opgegeven, en noemen naar hare grootte: _Sîsjo_, _Sirots_,
+ _Kinasitoma_, _Juru_, _Harukaru_, _Akiroro_, _Monrika_, _Uritsi_
+ en _Mojomosiri_.
+
+ [86] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2 en n. 2 A.
+
+Met dat al is het moeijelijk volgens deze door de Japanners, door
+~Vries~ en ~Coen~, en ook door ~Broughton~ gedane waarnemingen, de
+juiste ligging van de vier aanzienlijkste dezer eilanden juist te
+bepalen, en wij dienen ons vooreerst nog aan de ligging van dezelve op
+~Sakusajemon~’s kaart te houden. Voor zoo ver de door ~Vries~ aan
+dezelve gegeven namen betreft, zoo houden wij het daarvoor, dat _Juru_
+het _Barbaren_ eiland, _Sibotsi_ de _Gebroocken_ eilanden, _Taraku_ het
+_Walvisch_ eiland, en het lange eiland op den 13 Junius N.W. ½ N. 3
+mijlen van de ankerplaats, _Sîsjô_ is. De diepte wordt van 25 tot 65
+vademen zandgrond langzaam naar de eilanden toe opdroogende, en in het
+Z.O. van het _Walvisch_ eiland 70 tot 120 vademen singelgrond[87]
+bevonden en op de heenreis eene Noordelijke en op de terugreis eene
+N.Oostelijke strooming waargenomen.
+
+ [87] Singelgrond is langs de Oostkust van _Japan_ en het land van
+ _Jezo_ een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier
+ is.
+
+=Het Eilant Sikotan= (_Tschikotan_, Russ.). Het is de »_Santberg_” van
+~Vries~ en onbegrijpelijk, dat deze zeevaarder en zijn bekwame stuurman
+dit ver van het vermeende »_Lant van Eso_” afgescheiden eiland niet
+herkend, en voor eenen berg en den Oostelijken uithoek van dit land, die
+hij _Caep Canael_ of _Diemen_ noemde, gehouden heeft, en wij meenen deze
+vergissing alleen aan de digte, aanhoudende mist te moeten wijten.
+~Broughton~ heeft _Sikotan_ op den 6 en 7 October 1796 omzeild, zijne
+aardrijkskundige ligging bepaald, en aan hetzelve den naam gegeven van
+den Russischen Kapitein ~Spangberg~, die het in de maand Julij 1739
+bezocht had[88]. Door ~Golownin~ werd in 1811 de aardrijkskundige
+ligging nog juister bepaald, en in 1812 en 1813 de Oost- en Noordkust
+door ~Ricord~ en zijnen opvolger, aan boord van de _Diana_ omzeild.
+~Spangberg~ bepaalde de breedte reeds op 43° 50′; volgens de kaart van
+~Janssen~ ligt _Caep Canael_ op 44° 7′, doch volgens ~Vries~
+waarnemingen van den 10 Augustus ’s middags, op 43° 56′ N.Br., hetwelk
+met die van ~Golownin~ en van de Hof-astronomisten van _Jedo_ op eenige
+minuten na overeenkomt, te weten 43° 52′ en 43° 58′ N.Br. De lengte van
+~Golownin~, 146° 43′ 30″ O., verdient vooreerst nog de voorkeur,
+verschillende 9′ van die op ~Broughton~’s originele kaart, waar het
+midden van het eiland op 146° 52′ O.L. geplaatst is. _Sikotan_ strekt 5
+Eng. mijlen Z. en N. en O. en W., en is kennelijk door den »_Santberg_”.
+Men vindt daar water, brandhout en eenige vruchten. Kapitein
+~Spangberg~, die digtbij op 8 vadem zandgrond ten anker gekomen was, nam
+dennen, elzen en andere boomen waar, ook ontmoette hij inboorlingen, die
+zeer ruig waren en de taal der overige Kurilen (_Aino’s_) spraken. De
+door ~Vries~ op den 13 Junij ontmoette _Aino’s_ behoorden waarschijnlijk
+hier te huis, en de plaats, die »_dese habytanten Takotekan en Rackokan
+noemden, en die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen_”, is de baai van
+Sjakotan of Malakotan, op de N.W. kust gelegen.
+
+ [88] _Voyages et découvertes faites par les Russes_, T. I. pag. 218.
+
+Volgens ~Toknai~’s kaart vinden zich op _Sikotan_ meer dan 20 gehuchten
+van de _Aino’s_, en verscheidene baaijen, waar riviertjes uitwateren en
+Japansche schepen ten anker komen. Rondom liggen vele eilandjes en
+rotsen, en in het Z.W. ¼ W. van het eiland, op eenen afstand van 9 à 10
+Eng. mijlen eene groep van vijf lage eilandjes, volgens ~Sakusajemon~
+_Kabiof_, en volgens ~Toknai~ _Mosirika_ genaamd, en met rotsen en
+klippen omgeven. ~Golownin~ heeft er vier gezien en is digt daarbij
+voorbijgezeild; ook op de kaart van ~Vries~ zijn dezelve aangegeven.
+Buitendien schijnen rondom deze eilanden vele klippen en gevaren
+aanwezig te zijn.
+
+=Het eiland Kunasiri= (_Kunaschir_; Russ.) in het jaar 1758 op de
+voormelde kaart van de Keizerl. Akademie der Wetenschappen te St.
+Petersburg vertoond, is allengs weder verdwenen. ~Lapérouse~ nam, na de
+ontdekking der straat, die zijnen naam vereeuwigde, in Augustus 1787
+zijnen koers N.O. langs het naburige eiland _Jetorop_, zonder evenwel de
+N.O. kust van het vermeende »_Lant van Eso_” te raken. ~Broughton~ hield
+ook de _Walvisch_ baai voor de Oostkust van _Jezo_. De ontdekkingen van
+~Laxmann~ bleven verborgen, en zoo werd, na de terugkomst van ~Golownin~
+uit zijne Japansche gevangenis te _Matsmaë_, ~von Krusenstern~ met de
+ontdekkingen van dezen verdienstelijken zeevaarder bekend en in de
+gelegenheid gesteld, op zijne in 1815 uitgegevene »_Allgemeine
+Weltkarte_”[89] het eiland _Kunaschir_ te vertoonen en de straat, die
+het van _Jezo_ afscheidt, de straat van _Jezo_ te noemen.
+
+ [89] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, N^{o}. 1. Deszelfs
+ _Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc._ 1
+ Band. 4^{o}. Leipzig, 1819. pag. 88.
+
+Wij kennen echter alleen door ~Golownin~ en ~Ricord~ van het N.O. en
+Z.W. einde de aardrijkskundige ligging van dat eiland, zijnde de N.O.
+hoek kaap _Moimoto_ (_C. Loffzôff_, Krus.) door ~Golownin~ op 44° 29′
+15″ N.Br. en 146° 8′ O.L., en het Z.W. einde, het Japansche fort in de
+Baai, waar ~Golownin~ gevangen werd (_la Baie des Traitres_) op 43° 44′
+N.Br. en 144° 59′ 30″ O.L. bepaald geworden. De kennis van de geheele
+configuratie der kusten hebben wij, met uitzondering van de _Baie des
+Traitres_, waarvan in de nieuwe Russische uitgave van ~Golownin~’s reize
+in 1851 een voortreffelijk plan medegedeeld is[90], alleen aan de
+opneming der Japanners, zoo als die in ~Sakusajemon~’s en ~Toknai~’s
+kaart zich vertoont, te danken.
+
+ [90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ
+ 1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de
+ breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O.
+ aangegeven.
+
+Daarentegen laten zich de waarnemingen, die aan boord van de _Castricum_
+gedurende den togt langs de _Coen’s_ eilanden en tegenover de »_Walvis
+bay_,” en gedurende het verblijf voor anker van dit schip van 4 tot 12
+Julij aan den westelijken ingang van de _Canael de Pieco_ of _Antony_
+gemaakt zijn[91], als eenige hoogst belangrijke aardrijkskundige en
+hydrographische bijdragen beschouwen en teregtbrengen; en vooral zijn
+het de kustverkenningen, die ons ~Nicolaes Witsen~ bewaard heeft,
+waardoor de strekking en de gedaante van het hooge gebergte, dat het
+Noordoostelijk gedeelte van dit eiland kenmerkt, aanschouwelijk gemaakt
+wordt. De op den 13 Junij ’s middags op het vaste land geziene
+»_kennelijcke berch boven met een keep_” die alleen ligt, is de berg
+_Tsiuna_ of _Tjôsinobori_, de hoogste op het zuidelijke gedeelte van
+_Kunasiri_, en de den 14 Junij op de breedte van 43° 25′ in N.W.t.N., en
+wel bijna 20 mijlen afstand gepeilde »_hoogen berch met een piek_,” is
+de vulkaan _Tsjatsja noburi_, waaraan die ~Vries~ de naam van »_Pieck
+Antony_” (naar ~Antony van Diemen~, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch
+Indië, in de jaren 1636-1645) gegeven, en dien de stuurman ~Coen~ den
+»_Hooge Tepelberch_” noemt, hetwelk de woordelijke vertaling van den
+_Aino_-naam is, beteekende _Tsjatsja_ borst en _Nobori_ hooge berg,
+piek. Volgens ~Toknai~ is deze nog een brandende vuurberg en de hoogste
+op het eiland. Na eene schets van dien vulkaan laat zich de _Tepel_ als
+eene zijdelingsche uitbarsting, die zich allengs kegelvormig verhoogt
+heeft, herkennen, zijnde ook aan de zijde van den berg eene zulke
+zoogenoemde _laterale eruptie_ zichtbaar[92]. Daar deze piek zeer
+kennelijk is en op 20 mijlen uit zee kan gezien worden, zoo is de
+aardrijkskundige ligging van dezelve voor de zeevaart zeer belangrijk.
+Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ ligt die op 44° 31′
+N.Br. en 145° 46′ O.L en op ~Broughton~’s originele kaart op 44° 20′
+N.Br. en 146° 10′ O.L. Volgens ~Vries~, die den »_W. hoeck ofte afgaende
+hoeck van de Tepelberch_” ’s middags den 11 Julij op 44° 43′ N.B. Z.t.W.
+½ W. 2 mijlen afstands peilde, zoude die hoek op 44° 36′ en de
+»_Tepelberch_,” die volgens ~Sakusajemon~’s kaart 10′ zuidelijker ligt,
+op 44° 26′ liggen, wat op de gemiddelde waarneming van deze zeevaarders
+uitkomt. Berekenen wij de breedte van den Piek naar de waarnemingen van
+den Hofsterrekundige bij _Nisibets_, in de baai van ~Laxmann~, waar dit
+Japansch fort op 43° 23′ W. en de piek 1° 6′ noordelijker geplaatst is,
+zoo vinden wij die van 44° 29′ W. en derhalve eene uitkomst, die aan de
+aan boord van de _Castricum_ gedane waarnemingen het grootste vertrouwen
+inboezemt. In ’t N.W.t.W., op ongeveer 8′ afstands, ligt een hoog
+gebergte, hetwelk een voorgebergte, den noordelijken uithoek van
+_Kunasiri_, vormt, en door ~Vries~ »_Maria berch_” genoemd wordt. Deze
+hoek, kaap _Rewausi_, kenmerkt zich door een klein daarvoor liggend
+eilandje _Kawarsjo_, en door witte plekken. De op middag den 11 Julij
+gemaakte peilingen zijn te belangrijk om hier niet te worden herhaald:
+»_Als doen lach de gehackelde berch_ (_het zuidelijkste voorgeberchte
+van het »Staetenlant”_ (_Jetorop_)) _O.t.S. ½ S. 10 mylen, ende de hoeck
+van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. ½ O. 6 mylen van ons,
+ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van den Tepelberch S.t.W. ½ W. 2
+mylen van ons_.” Ook de landverkenning op 44° 53′ aan de westzijde van
+het _Staetenlant_ ontworpen[93], komt zeer te pas tot de bepaling van de
+wederzijdsche ligging van _Kunasiri_ en het _Staetenlant_ en van den
+westelijken ingang in de straat, die beide van elkander afscheidt, het
+_Canael de Pieco_ of _Antony_ van _Diemen_. De daarop betrekkelijke
+peilingen zijn: »de _Croonberch_ O.N.O. 6 mijl, de _gehackelde berch_
+O.S.O. ½ O. 4 mijl (reede van het _Statenlant_), het _Vossen eylant_ 3
+mijl (aan den oosthoek van _Kunasiri_) en de _Maria bergh_ W.t.S. ½ S. 4
+à 5 mijl (westhoek van _Kunasiri_). Van het _Vossen eylant_, dat ~Coen~
+den 7 Julij bezocht heeft, is gezegd: »_Op dit eylantie, het welck cleyn
+was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast gehecht, conde men
+met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; wy saegen
+verscheyde roode vossen[94] op d^{o} Eylant loopen, gaeven ’t den naem
+van Vossen Eylant. Van dit Vossen Eylant steekt een rif van clippen om
+de N.N.O. in see, ’t welk d^{o} Canael heel peryckeloos maeckt, ende
+streckt wel een myl van de wal. Dit rif was gebroocken, op sommige
+plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck een harde stroom om
+de O._” Op de hoogte van dit eiland heeft men getracht »_des Canaels
+gelegentheyt_” te onderzoeken, »_conden in dit Canael geen vile (vuilen)
+sien als van het Vossen Eylant afsteekte, saegen de ~Caep de Canael~_
+(de N.O. hoek van _Sikotan_), _in S.S.O. van ons ende lach in mist. Het
+Vossen eylant leyt omtrent 3½ myl W. van de gehackelde berch van het
+~Staetenlant~, soo dat dit Canael omtrent 3 mylen wyt is._”
+
+ [91] „_Quaemen ten ancker, als synde ⅔ myl van lant op 20 vadem
+ santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het
+ Canael Antony._”
+
+ [92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796
+ eene andere gedaante aangenomen had. „_In the bearing of the
+ peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and
+ the mountain, which in this point of view formed a saddle hill,
+ presented a very magnificent appearance from its great height and
+ extensive base._” ~Broughton~, _Voyage of discovery_, pag. 116.
+
+ [93] ~N. Witsen~. pag. 65 N.
+
+ [94] De roode vos, door de ~Aino~’s _Furetsup_ genaamd, is de
+ _vuurvos_ der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten
+ verspreide verscheidenheid.
+
+Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ is de _Straat Antony
+van Diemen_ (dit is de ware naam, die wij aan deze straat zullen geven,
+maar tevens ook opmerken, dat nog eene _Straat van Diemen_ in ’t zuiden
+van _Japan_ bestaat) 16′ en volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′
+breed. ~Vries~ is met zijn volk aan de wal geweest en met inboorlingen,
+_Aino’s_, in aanraking gekomen. Daar hij aan deze groote baai, waar het
+schip _Castricum_ voor anker lag, en die van kaap _Moimoto_ tot
+_Rewausi_ 15 Eng. mijlen wijd en 5 Eng. diep is, geenen naam gegeven
+heeft, zoo willen wij dezelve de _Kruisbaai_ noemen, want hoogst
+merkwaardig was hier de ontdekking van twee houten kruizen. »_Een van
+ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het
+aen de habytanten, maer selve siende waeren daer vervaert voor, ende
+wesen men soudt in ’t water goyen; ja die dit houten cruys aengeraeckt
+hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen, maer most syn handen eerst
+wasschen, dan was ’t wel; noch een soodaenige cruys stont voor aen in ’t
+bosch._”
+
+Ongetwijfeld waren dit Christelijke gedenkteekens en waarschijnlijk
+grafzuilen van Christenen. Reeds in 1622 werd het Christendom van het
+noorden van _Japan_ naar _Jezo_ (_Matsmaë_) overgebragt, en daar sedert
+1639 het Christelijk geloof bij straf des doods verboden werd, waren het
+bekeerde Japanners of _Aino’s_, die daarheen gevlugt en overleden zijn.
+Bij de _Aino’s_ wordt al wat met een’ dooden of zijne goederen in
+aanraking komt, voor onrein gehouden, van waar het afgrijzen der
+inboorlingen voor deze kruizen. Denkelijk was hun ook bij overlevering
+dat streng verbod en de Christenvervolging bekend geworden. Eenen
+anderen weg als over _Japan_ had zich toenmaals het Christelijk geloof
+nog niet naar dit einde der wereld gebaand, want eerst in ’t jaar 1689
+kwam de eerste tijding van het bestaan van _Kamtschatka_ naar _Rusland_,
+en in 1697 hebben het eerst eenige kosakken aan de _Kamtschatka_-rivier
+een Ostroch-fort opgerigt.
+
+Het eiland _Kunasiri_ is 70 Eng. mijlen lang, N.O.t.N. en W.t.Z.
+strekkende, zeer smal, 10 tot 5 Eng. mijlen, en ongeveer in het midden,
+bij kaap _Onnenots_, door een naauwelijks eenige Engelsche mijlen breede
+landtong verbonden, waar het land laag is en zich de Oostkust als eene
+diepe bogt vertoont, die door ~Vries~ de »_Walvis bay_” genoemd wordt,
+omdat zij »_hier veel walvisschen vernaemen_.” Aan het noordelijk en
+zuidelijk gedeelte van deze kust bevinden zich echter eenige baaijen,
+die eene goede ankerplaats bieden. Die van _Onnebets_ aan de noordelijke
+kust is waarschijnlijk de »_Bay daer men by alle winden bevryt
+ligt_”[95], en die van _Furuka_ hij de landengte en _Tôbuts_ of _Tôbets_
+aan de zuidelijke kust verdienen voor ankerplaatsen voor walvischvangers
+zeer in aanmerking te komen; de laatste staat door eene rivier met een
+groot binnenmeer in verbinding, waarvan dan ook de naam _Tô_ (meer) en
+_bets_ (rivier). Dit meer, dat van het door ~Vries~ gezien »_hooch
+binnenlant meest boven met sneeuw bedeckt_”, zijnen toevloed van versch
+water ontvangt, moet rijk aan zoetwater-visch zijn en aan de in de
+rivier opstijgende zalmen ten tijde van het kuit schieten (hier
+Julij-Augustus) eene goede gelegenheid bieden. Ook aan de zuidelijke
+westkust bevindt zich zulk een binnenmeer, en bij _Sasak_, en insgelijks
+aan de westzijde van de landtong bij _Ikabanots_, eene goede
+ankerplaats. De straat, die in het zuiden van _Kunasiri_ _Jezo_
+afscheidt, hebben wij volgens de voortreffelijke kaart van ~Toknai~ in
+onzen meergenoemden Atlas N^{o}. 2 A. medegedeeld; voegt men daarbij het
+boven genoemd plan van de _Baie des Traitres_ van ~Golownin~ en het plan
+van ~Laxmann~, dan heeft men alle tot op den huidigen dag bekende
+geo-hydrographische bouwstoffen betrekkelijk dezen voor de toekomst
+belangrijken handelsweg. Nog wil ik echter doen opmerken, dat ook hier
+eene sterke strooming bij den westelijken ingang om de Z. en bij den
+uitgang om de O. loopt. Van de geologische gesteldheid van dit eiland
+weten wij niets; edele metalen zullen daar voorkomen, kruiden ter
+verversching (zuring en stelen van eene groote schermplant,
+waarschijnlijk het eetbare _Heracleum_) heeft het scheepsvolk in menigte
+gevonden, en ~Coen~ spreekt van dennen geschikt voor raa’s en masten en
+van roode vossen, otters, zalm, tarbot, bot, schaer, cabelliauwen en
+andere visschen in overvloed. Wij hebben ons lang bij dit eiland
+opgehouden, omdat het zoo goed als onbekend is en zijn bestaan nog in
+1820 is in twijfel getrokken[96]. Wij willen nog doen opmerken, dat het
+op ~Golownin~’s kaart als het XXI^{e} der Kurilische eilanden gemerkt
+is.
+
+ [95] ~Vries~, „_Gedaene coursen_” in ~von Siebold~, _Atlas_ N^{o}. 11.
+ E. Veronderstellende namelijk de _Commandeur_, dat de _Santberch_
+ bij het vaste _Lant van Eso_ behoorde en zoo mede de baai ook
+ voor O. en N.O. winden beschut was.
+
+ [96] _L’isle de Rounaski_ ne se trouve pas dans la dernière édition
+ (de 1820) des _Cartes de l’Océan Pacifique_, par ~Arrowsmith~.
+ ~v. Krusenstern~, _Recueil de mémoires hydrographiques_. p. 200.
+
+=Het eiland Jetorop= (_Iturup_, Russ.). Onze vermaarde zeevaarder heeft
+dit eiland van den 13 Junij tot den 4 Julij, toen hij eenige mijlen van
+het Zuideinde is ten anker gekomen (zie boven pag. 113), bijna
+omgezeild. Het is geheel en al zijne ontdekking, eene Nederlandsche, op
+welke hij het zegel van eigendom door den naam het »_Staetenlant_” of
+»_Staeten eylant_” gedrukt heeft. Het is het grootste eiland van de
+Kurilen, dat zich meer dan een graad in eene N.O. en Z.W. rigting
+uitstrekt[97].
+
+ [97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische
+ Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om _de
+ Gout- ende Silverrycke Eylanden_ te ontdekken, de belangrijke
+ uitkomsten van zijne ontdekking van het _land van Eso_ en het
+ _Staten- en Compagnys lant_--een _eerst Californië_--omdat het
+ goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en
+ gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert
+ de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen
+ nooit verder dan tot op het eilandje _Dezima_ zijne blikken
+ gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige
+ ~Fajasi Sivei~ het opperhoofd ~Arend Willem Feith~ omtrent de
+ door ~Quast~ en ~Tasman~ ontdekte _Bonin_ eilanden ondervraagde,
+ antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig
+ voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te
+ klein waren” (Vergelijk: ~San kok tsou ran to sets.~ par Fr. J.
+ Klaproth. pag. 261).
+
+ Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes,
+ van 1825 af, over de ~in regtmatig eigendom aan Nederland
+ toebehoorende~ _Staten_- en _Compagnie_-eilanden sprak en op
+ ~Witsen~’s vertooning van het _Compagnie-eyland_ heenwees, waar
+ het wapen van _Amsterdam_ opgerigt te zien is; ook heeft men, uit
+ bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende
+ twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan
+ gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken.
+ „Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn _Verslag_ nopens
+ zijn wetenschappelijk onderzoek op _Japan_ aan het Nederl.-Ind.
+ Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de
+ Japanners met de strekking van hun land en de ligging der
+ eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn,
+ pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men
+ van _Dezima_ uit ~eene straat van~ _Tsugar_ en van _Lapérouse_
+ hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de
+ Hollanders behouden geworden.”
+
+De N.O.hoek van dit eiland, kaap _Seworosi_ (~C. Vries~) is door
+~Golownin~ op 45° 38′ 30″ N.B. en 149° 14′ O.L. en de Z.hoek kaap
+_Tesiko_ (~C. Ricord~) op 44° 29′ N.B. en 146° 34′ O.L. bepaald. De
+breedte van _Caep Vries_[98] is op de kaart van ~Jansson~ dezelfde en
+zoude volgens ~Vries~ waarneming op den 5 Augustus 45° 35′ N. bedragen,
+terwijl die van C. ~Ricord~, volgens de op den 4 Julij bij het _Vossen
+Eiland_ voor anker gedane waarneming op 44° 29′ N. uitkomt; op de kaart
+van _gedaene coursen_ ligt die hoek eenige minuten zuidelijker, op 44°
+25′ N., hetwelk ook op ~Broughtons~ en ~Sakusajemons~ kaart het geval
+is.
+
+ [98] Op de kaart van ~Jansson~ en die van ~Vries~ „_gedaene Coursen_”
+ draagt de N.O. hoek er niet, zoo als ~Lapérouse~ en volgens hem
+ ~von Krusenstern~ en ~Golownin~ aangenomen hebben, de N.W. hoek
+ den naam van ~Vries~.
+
+Behalve deze twee voor de aardrijkskunde gewigtige punten, die later ook
+door andere Europesche zeevaarders zijn bepaald geworden, hebben wij aan
+~Vries~ nog andere belangrijke geo-hydrographische waarnemingen langs de
+O. en W. kust van dit eiland te danken, die aan waarde zullen winnen
+naar gelang het ons mogt gelukken ze met de kaarten van ~Sakusajemon~ en
+~Toknai~ en met die van ~Broughton~ en andere zeevaarders overeen te
+brengen en toe te lichten.
+
+De den 13 Junij op 44° 20′ N.Br. gedane peilingen bevestigen de ligging
+van den piek _Antony_ tegenover den »_gehackelden berch_,” op de Z.hoek
+van _Jetorop_, »_die boven op seer haekelich was ende geleeck een
+eylant, ende daerbij noch een hoogen berch, die hem aen tween met een
+cloof vertoonde_;” »_daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem
+vertoonen met sijn top door een dijs_,” en van eenen anderen »_hoogen
+vlacken gecartelden berch, daer op het W. eint een berch op staet,
+gelijckende een boeren schuur van fatsoen, ende is oock het hoochtste
+van dien berch_.” »_Van d^{o}. berch streckte wat laeger lant tot
+in ’t N.O.t.N. ende was het verste land dat wij sien conden; de
+boerenschuur-berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mijlen van
+ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den
+gehackelden berch, soo men con bemercken, liep een canael tusschen den
+gehackelden berch ende den piekberch door om de W._” De piek _Antony_
+lag W.t.N., de _gehackelde berch_ N.W. ½ W. »_daer beoosten_” de _hooge
+ronde berch_ (_Croonbergh_); de _Boerenschuerberch_ N. ½ W. Alle deze
+gebergten bevinden zich op onze Japansche kaarten. Den piek _Antonij_
+kennen wij; de _Gehackelde berch_ vormt het zuidelijke voorgebergte
+(kaap _Ricord_), de _hoogen bergh met een cloof_ is eene bergketen, die
+bij kaap _Moikesi_ op de W.kust uitloopt en de _Croonberch_ een hooge
+trachytdom, _Bussanobori_ genaamd, die op de W.kust een ver uit stekend
+voorgebergte _K. Itobirikawoi_ vormt; en de _Boereschuerberch_ is ook
+een _Kegelberg_, op de oostkust tusschen _Kusiara_ en _Tosimoinots_. De
+ligging dezer tot verkenning dienende bergen werd door de waarnemingen
+van den 30 Junij en 2 Julij bevestigd. Gedurende den 17 en 18 Junij
+zeilde ~Vries~ langs de Oostkust van dit eiland met eenen N.N.O. en
+O.N.O. koers, en zag somtijds met eenen blik de toppen der met sneeuw
+bedekte bergen, die van kaep _Noneisjô_ af aan zich hoog verhieven. Deze
+zijn de _Refunsiri_, _Hetsirap_ en _Tokarunbe_, die boven allen
+uitsteken. Mogelijk kon men ook van hier uit de toppen der
+tegenoverliggende kegelbergen op de Westkust, van den _Hetonoburi_ en
+_Horosjunoburi_, zien. De _steyle clip gelyck een pyramida_ is
+waarschijnlijk het eilandje _Obkarusibeisjô_, hetwelk benoorden van
+»_een steylen hoeck_” (kaap _Horaka_) tegenover eene beek ligt. Het
+»_hooch geberchte seer blinckende van de sneeuw_,” ’s morgens 19 Junij
+in ’t W., N.N.W. en daarna in het N. gezien, zijn de hooge bergen, die
+het Noordeinde van het _Staaten_-eiland omsingelen, en de naar het N.O.
+uitloopende kaap _Seworosi_ (_C. Vries_) en in het Noorden de hoeken
+_Okkebets_ en _Tosifuri_ vormen. Derzelver namen zijn: _Sjusinobori_,
+_Isomattsenobori_, _Kitettsenobori_ en _Sjokkonobori_. Van den laatsten
+hoek begint de W.kust diep in te buigen en vervolgens eene hooge
+landtong N.W. uit te loopen. Van deze bogt hebben wij eerst door de
+meergemelde Japansche kaarten eene betere kennis gekregen; op
+~Golownin~’s kaart is dezelve aangestipt en baai van _Sana_ genoemd. Het
+fort _Sjana_ of _Sana_ ligt echter niet in de baai, maar in het Z. der
+landtong. Dezelve is 25 Eng. mijlen wijd en 10 diep, en eindigt met een
+binnenmeer, _Seppo_ genoemd, en met laag land, eene landengte van
+naauwelijks vier Eng. mijlen breed. Zij biedt naar de W.zijde eene tegen
+wind beschermde ankerplaats. Wij hebben aan dezelve den naam van de
+_Baai van Seppo_ gegeven, omdat die van _Sana_ onjuist is. De landtong
+bestaat uit een gebergte, dat twee toppen heeft, waarvan de oostelijkste
+de hoogste is. Deze _twee-geheuvelden berch_, die men 25 à 26 mijlen ver
+kon zien, was door den Commandeur _Caep de Trou_ genoemd geworden; het
+is kaap _Ikabanots_ op ~Sakusajemon~’s kaart. Op den 30 Junij, op 45°
+54′ N.B., lag _Caep de Trou_ O.t.Z. ¼ Z. 15 mijl, en de _Boerenschuer_
+Z.O. 15 à 16 mijlen en ’s middags den 2 op de gegiste breedte van 44°
+56′, de _Croonberch_ Z.O. ½ Z. 2½ mijl, de _Gehackelde berch_ in het Z.,
+de _Boeren Schuer_ O.Z.O. ½ Z., de _Caep de Trou_ O.N.O. ½ N. Thans
+blijft nog de aardrijkskundige ligging van _Caep de Trou_ te bepalen,
+die, ofschoon deze kustenstreek door onzen zeevaarder ~Vries~, door
+~Lapérouse~ (den 18 en 19 Augustus 1787) en door ~Broughton~ (van 8 tot
+11 October 1796) is onderzocht geworden en op de kaarten van
+~Sakusajemon~ en ~Toknai~ dit ver uitstekend voorgebergte zeer
+naauwkeurig vertoond is, nog twijfelachtig schijnt te zijn. Door
+~Lapérouse~ is dezelve op 45° 39′ N.B. geplaatst, hetwelk ook met zijne
+waarneming op den 19 Augustus, waar bij zich op 46° 20′ in een afstand
+van 41′ in het N. van dat voorgebergte bevond, overeenkomt. ~Broughton~,
+die zich ’s middags den 9 October op 44° 31′ 30″ N.B. bevond, den Piek
+Z. 52° W., en het eiland _Sikotan_ Z. 17° O. peilde, en van N. 48° O.
+tot 61° O. hoog land zag, dat hij voor een eiland hield, nam zijnen
+koers N.O. om het te onderzoeken. ’s Namiddags passeerde hij op een
+afstand van 4 Eng. mijlen den _Croonberch_, dien hij voortreffelijk
+beschrijft[99], en peilde bij zonsondergang dezen vulkaan Z. 24° W., en
+de kust, zoo ver hij zien kon, N. 55° O. Stormig en mistig weer lieten
+hem de kust den volgenden dag slechts met een blik zien, en het laatste
+land werd van Z. 61° O. tot Z. 27° O. en »_a low point_” Z. 8° W.
+ontdekt. Dit lage punt, dat op zijne originele kaart op 45° 7′ geplaatst
+is, veronderstelde ~von Krusenstern~, dat het _Caep de Trou_ was, en gaf
+aan de aardrijkskundige ligging van de vermoedelijke _Caep de Trou_ de
+voorkeur die van ~Lapérouse~ en die van ~Vries~ volgens ~Janssens~
+kaart. ~Broughton~ heeft die kaap, die hij op den 10 tot 11 October zeer
+nabij voorbijkwam, wegens de digte mist niet kunnen zien, en het land,
+dat hij den 12 ’s ochtends zich van Z. 5° W. tot Z. 22° O. zag
+uitbreiden, en dat hij voor een eiland op zichzelve hield, was het N.W.
+einde van het _Staaten_ eiland, waaraan _Lapérouse_ en zijn opvolger
+(zoo als boven gezegd) verkeerdelijk den naam van _Caep Vries_ gegeven
+heeft. Zulks is dan ook den volgenden morgen door deszelfs waarnemingen
+bevestigd geworden, waar hij zich midden in den Noordelijken ingang der
+straat _Vries_ bevond. Deze uitweiding hebben wij moeten doen, om te
+bewijzen, dat kaap _de Trou_ Noordelijker ligt als de groote hydrograaph
+~von Krusenstern~ vermeende[100], en om de waarneming van ~Lapérouse~ en
+die van onzen Nederlandschen zeevaarder te regtvaardigen. Aangenomen dat
+de breedtebepaling der vermeende kaap _Vries_ (onze kaap _Okkebets_)
+door ~Golownin~ goed is, en daar kaap _de Trou_ op ~Sakusajemon~’s
+kaart, waar de configuratie der kust alle geloof verdient, slechts 6′
+van kaap _Okkebets_ verschilt, zou de onderwerpelijke kaap op 45° 32′
+N.Br. te liggen komen, dus 6′ Zuidelijker als die op ~Janssen~’s kaart
+geplaatst is; en volgens ~Vries~ waarnemingen op den 5 Augustus, waar
+hij op 45° 43′ zijne kaap _Vries_ Z.W. 4 mijlen van zich liggen had, en
+kaap _Okkebets_ op 45° 40′ liggen zou, laat zich de breedte van kaap _de
+Trou_ op 45° 34′ N. bepalen. Ook op ~Golownin~’s kaart ligt die kaap op
+45° 22′ N.Br. De vermeende kaap _de Trou_ op de kaart van ~Broughton~ is
+kaap _Notero_, een lage uithoek, die op ~Sakusajemon~’s kaart 20′
+Zuidelijker geplaatst is, doch nagenoeg met de aardrijkskundige ligging
+(45° 7′ N.), die de verdienstelijke Engelsche zeevaarder aan zijn »Low
+port” aangewezen heeft, overeenkomt.
+
+ [99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a
+ steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and
+ evidently volcanic: we passed within two miles of it, and
+ plainly perceived it covered with stones and cinders down to its
+ base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it
+ presented ragged and misshapen points; and some small shrubs
+ were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill
+ was connected with the islands by a low isthmus, which receded
+ from it on each side, so as to form circular bays; and the land
+ continued low to some distance.” ~Broughton~, _Voyage_, pag.
+ 117.
+
+ [100] „Le cap _Trou_ est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la
+ carte de ~Lapérouse~ et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de
+ ~Broughton~, la première latitude est certainement trop
+ boréale.” _Recueil de mémoires hydrographiques_, pag. 198.
+
+De reeks van vulkanen die _Jezo_ in eene N.O. rigting doortrekt, zich in
+het Z. van _Kunasiri_ door den _Tsinpa nobori_ te kennen geeft en in het
+Noorden van dat eiland als een hooge Piek (de _Tsjatsja nobori_)
+verheft, breidt zich ook nog verder over _Jeterop_ uit, waar de meeste
+bergtoppen, welke voorgebergten vormen, of hier en daar vrij staan, of
+aan den voet van meeren, verzonkene trechters van uitgedoofde
+vuurbergen, zich als kegelbergen en trachyt dommen kenmerken.
+
+Men kan aannemen dat alle bergen die op _Jezo_ en de ~Kurilen~ den
+bijnaam _Nobori_[101] hebben, van vulkanischen oorsprong zijn en zoo
+zien wij dan den _Croonbergh_ als _Fussanobori_, en in de baai van
+_Seppo_ den _Hetô nobori_ en _Horosju nobori_, en langs de N.W. kaap den
+_Sjusi nobori_, _Itomatse nobori_, _Kitettse nobori_ en _Sjokku nobori_
+zich verheffen. Het uitmuntende kaartenbeeld, dat ons ~Toknai~ van dit
+eiland, in een maatstaf van 24 centim. een equatoriaalgraad, geeft, laat
+uit de configuratie van de kusten--hier ver uitstekende, hooge
+voorgebergten en steile uithoeken, daar diep inloopende bogten, baaijen
+en massa-gebergten, door lage landtongen van elkander afgescheiden, van
+verre gezien zich als eilanden op zich zelven vertoonende herkennen. Dit
+verscheurd en gebroken, smal en meer dan 70 Eng. mijlen lange eiland
+geeft ons een duidelijk denkbeeld van de onderaardsche krachten, die het
+uit den Oceaan hebben doen oprijzen, en van het geweld der door orkanen
+bewogen golven der zee, die sedert duizende jaren de rotsen uitgespoeld,
+de bogten en baaijen uitgehold en er het strand met zand bedekt hebben,
+door welke zich kleine, snel loopende riviertjes den weg banen. Uit
+deze bij afwisseling uit steile rotsen en ondiepe baaijen en bogten
+bestaande kusten van dit eiland laat zich dan ook de ongelijke diepte
+digt bij den wal verklaren, waar men, naar gelang van deszelfs
+gesteldheid, 30 tot 100 vademen zwarte zandgrond, singel en paalgrond
+loodt. Behalve de _Piramyda_ vindt men vele kleine eilandjes, rotsen en
+klippen rondom de kust verspreid, wier ligging maar figuratief bekend
+is; op deze gevaren moet men goed uitkijk houden. Behalve van eenige
+schipbreukelingen is dit eiland nog niet van Europische of andere
+natuuronderzoekers bezocht geworden, van zijne Fauna en Flora hebben wij
+nog geene wetenschappelijke kennis, zijne voortbrengselen laten zich
+gedeeltelijk uit de mededeelingen van de Japanners ontcijferen of als
+overeenkomende met die van _Jezo_ en _Kamtschatka_, zijne zuidelijke en
+noordelijke naburige landen, vermoeden. En dit merkwaardige eiland
+draagt--ik herhaal het--sedert meer dan twee eeuwen een Nederlandschen,
+den zeer respectabelen naam van _het Staaten eiland_.
+
+ [101] _Noboru_ is een oud Japansch woord en beteekent ~opklimmen~ en
+ _nobori_ eene ~hoogte~, een ~top~. De Japanners gebruiken het
+ niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord _Take_ hebben; bij de
+ _Aino’s_ wordt het volgens ~Dawidow~ en ~Toknai~ uitsluitend
+ voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. _Iuwau nobori_,
+ zwavelberg.
+
+=De straat de Vries en het Compagnijsland= (het eiland _Urup_), met
+eenen O.N.O. koers langs de oostkust van het _Staateneiland_ zeilende,
+zag men den 19 Junij op 45° 41′ gegiste N.breedte, »_met een blinke lant
+in ’t W. ende W.N.W. ende stracx was ’t weder bedeckt van mist_.” Dit
+was het hooge met sneeuw bedekte land van »_Caep de Vries_, kaap
+_Okkebets_ en van het eiland _Urup_. ~Vries~ bevondt zich toen in het
+midden van den zuidelijken ingang der straat, die _Jeterop_ van _Urup_
+afscheidt, en die thans ~zijnen~ naam draagt. »_Saegen oock omtrekt 5
+ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. een heel
+hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw_,” »_bevonden de diepte
+van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem, ende wat corts
+gront af van 50 vadem_,” »_lieten het drijven op Godes genade om de
+N.W., hoorden gestadich de lant-zee ende groote ruysing van water ende
+veel gecryt van clipmeeuwen_.” »_Wat op den dach cregen wij weder gront
+op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem grof santgront, lieten ons
+tuy-ancker vallen_,” »_saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch
+geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen
+dicht bij ons te sijn, wij hoorden gestadich groot geruys van water_.”
+»_Omtrent 2 a 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen
+wij, dat wij boven ½ mijl niet van den wal geanckert laegen; saegen in
+’t S.t.W. van ons 3 mijlen lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mijlen van
+ons het noordelycxste lant dat wij sien conden. Het geruys van water
+saegen wij dat het afstorten van sneeuwater was, dat op verscheyde
+plaetsen van het geberchte in de cloven quam afvallen, ende een groot
+geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot bij
+de waterstrant noch bedeckt met sneeuw; insonderheyt op ’t geberchte.
+Saegen een hoogen, ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende
+een d^{o}. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanchwerpiger dan van één hoochte
+sijnde, ende waeren met een laage valey aen malcanderen gehecht, alwaer
+noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde
+berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 mijlen van ons. Van den
+berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende
+hoeck, dien bij ons de naem gegeven was van ~Caep de Vries~, conden in
+’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de ~Tartarijsche see~ te
+sijn._” »_Waren op de bevonden breedte van 46° 6′._”
+
+Wij konden niet beter dan met de letterlijke woorden uit het journaal
+getrokken den ankerplaats van het schip _Castricum_ beschrijven, die op
+de plaat 66 S. van ~Witsen~’s boekwerk afgebeeld is en waar »_vertoont
+wort, hoe zich het ~Compagnieslant~ opdoet, als men ¼ deel van een mijl
+van de ~Kruishoek~ afleit_.” De in het Z.Z.O. geziene toppen van hoog
+gebergte zijn de _Mineraelberch_, van wiens voet niet ver verwijderd
+~Vries~ ten anker gekomen was, en dien wij nader zullen leeren kennen,
+het in Z.t.W. 3 mijlen afliggende land is _Caep van der Lijn_ en het in
+het N.O.t.O. 5 à 6 mijlen noordelijkste land _Caep Schouten_ terwijl hij
+½ mijl ver van de _Cruishoek_ af was. Van het schip uit zag men in het
+Z.W.t.Z. de N.O.hoek (K. _Seworosi_) en Z.W.t.W. de N.W.hoek (K.
+_Okkebets_) van het _Staaten_ eiland, waarvan de N.O.hoek _Caep de
+Vries_ genaamd was. De 20 mijlen afstand bewesten van het K. _Okkebets_
+geziene 2 ronden bergen konden de bovengenoemde kegelbergen bij K.
+_Tosifuri_ zijn, waarvan de beide het verste afgelegene de _Sjusi
+nobori_ en _Itomatse nobori_ genaamd worden, de overeenstemming van de
+N.O.hoek van het _Staaten_ eiland met _Caep de Vries_ is door deze
+peilingen buiten allen twijfel gesteld en het voorzetsel _de_, dat men
+in lateren tijd dikwijls voor den naam van ~Vries~ geplaatst vindt, laat
+zich ook uit deze benoeming verklaren.
+
+~Lapérouse~ heeft, zoo als bij herhaling gezegd is, den N.westelijken
+uithoek van het _Staaten_ eiland voor _Caep de Vries_ gehouden en ook op
+zijne kaart met dezen naam gekenmerkt. Daar wij op onze kaart van _Jezo_
+en de ~Kurilen~ den naam van de _Caep de Vries_ weder teregt gebragt
+hebben, zoo willen wij aan de N.westelijken uithoek, die nameloos
+geworden is, den naam van Kaap de _Lapérouse_ geven en op deze wijze aan
+den grooten en ongelukkigen Franschen zeevaarder hulde doen, die aan
+onzen Nederlandschen eene zoo hoogen achting toegedragen heeft[102].
+~Lapérouse~ was dan ook de eerste die na ~Vries~ deze straat
+teruggevonden heeft (op den 20 Augustus 1787). De ankerplaats werd
+bevonden te liggen op 46° 6′ N.Br. en 168° 9′ O. v. Teneriffe of 146°
+48′ 36″ O. v. Greenw., hetwelk met de boven vermelde verbetering van +3°
+149° 48′ O. v. Gr. zijn zoude en nagenoeg met de waarnemingen van
+~Golownin~ overeenkomen, die de aardrijkskundige ligging van Kaap _van
+der Lijn_, die ongeveer 3 mijlen in het Z.t.W. van de ankerplaats
+aflegt, op 45° 39′ N.Br. en 149° 34′ O.L. bepaald heeft. »_Tusschen het
+schip en de wal bevont (~Coen~) een opgaande gront, ¼ mijl van lant diep
+30 vadem santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem steenige
+gront._” »_Zij hadden hier veel slecht water_” en »_laegen hier met
+groote peryckel gezet_;” eene betere legplaats konden zij echter niet
+vinden; aan den wal komende vond men echter eene goede gelegenheid om
+water te halen. Het scheen hier eerst voorjaar te zijn (20 Junij), de
+elsenboompjes begonnen te bloeijen, de kruiden groenden[103] en bloeiden
+en de leeuwerik zong liefelijk. Men zag eenige roode vossen en een
+spierwitten, ook sporen--eene hut en een geraamte, waarschijnlijk eene
+begraafplaats--maar geene menschen.
+
+ [102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van ~Lapérouse~ tot
+ motto aangehaald zijn: „_La navigation du Capitaine_ ~Uries~
+ (~Vries~) _est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un
+ temps, où les methodes d’observation étaient très grossières_.”
+
+ [103] Daaronder ook „_suering, gelyck in ’t patria wast_.” „_Alhier op
+ de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen,
+ dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, d^{o}. bladeren vint men
+ aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen
+ gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij
+ duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers._” Over 50 voet
+ lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te
+ zijn; en toch is het waar. Dit _croos_ kan niet anders als de
+ _Fucus esculentus Lin._ zijn, die ook aan het strand van _Jezo_
+ gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve
+ groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer
+ van _Ockots_ als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft
+ daarvan ook eene verscheidenheid met ~holle steelen~ opgemerkt,
+ die door ~Agardh~ (_Species Algarum_, I. p. 143) als _Alaria
+ fistulosa_ beschreven en onlangs door Dr. ~E. J. Ruprecht~ als
+ eene soort van zijn _Phasgonum_ herkend is. Deze kruidkundige
+ heeft dan ook den _Fucus esculentus_ zeer omstandelijk als
+ _Phasg. alatum_ beschreven (~v. Middendorff~’s _Siberische
+ Reise_, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) ~Erman~ heeft aan het
+ strand bij _Ockots_ afgescheurde stukken van dit zeegras
+ gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel
+ van de _Phoca nautica_ en wordt in tijd van nood van de
+ _Zee-Tungusen_ gegeten (Deszelfs _Reise_, III, pag. 48.) De
+ _Fucus esculentus_, _Kombu_ genoemd, wordt op _Japan_ algemeen
+ gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer
+ gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard ~Toknai~
+ verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat
+ zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op _Jezo_ en _Krafto_
+ zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot
+ onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze
+ _Fucus_-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer
+ daarvan van _Nagasaki_ naar _Shanghai_ gedraagt 51,000 Pikol,
+ van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000
+ Guldens (~Nippon~ VI, _Vom Japanischen Handel_, p. 52). Er
+ bestaan op _Jezo_ en de _Kurilen_ zeegras-visscherijen, die door
+ de regering aangemoedigd en beschermd worden.
+
+De hooge berg waar aarde gevonden werd, »_die wel geleeck naer
+minerael ende scheen silver bij hem te hebben_,” noemde ~Vries~ de
+_Mineraelberch_, en nam op den 23 Junij van dat lant, hetwelk men voor
+een eilant hield[104] digt bij de kust van _Amerika_ gelegen,
+namens de Compagnie bezit, en gaf aan hetzelve den naam van het
+_Compagnyslant_[105]. Reeds tegen het einde van de zesde eeuw waren de
+Japanners met het zuidelijkste gedeelte van _Jezo_ bekend geworden, dat
+zij _Watari simano Jezo_, d. i.: Overvaart eiland van _Jezo_ noemden,
+omdat toenmaals ook nog het noordelijkste gedeelte van _Nippon_, _Jezo_
+genoemd werd. De _Kuril_’sche eilanden, namelijk de zuidelijkste, die
+zij _Figasi Jezo_, d. i.: Oost _Jezo_ noemen, zijn eerst bij toeval in
+het jaar 1672 door een Japanschen kustvaarder, die daarhenen door eenen
+storm verslagen geworden is, ontdekt geworden. De Russen hebben dezelve,
+kort na hunne vestiging op _Kamtschatka_, leeren kennen en, zoo als
+boven gezegd is, in de jaren 1737-39 door ~Spangberg~ en ~Walton~ doen
+onderzoeken. In het begin dezer eeuw zijn somtijds jagers, zoogenoemde
+_Promuschlenike_, van de Russisch-Amerikaansche pelterij-compagnie naar
+_Urup_ overgekomen, dat, wegens de vele zee-otters[106] die zich daar
+ophielden, ook _Rakkosima_ door de Japanners genoemd wordt. Omtrent het
+jaar 1840 dreven de Russen op dat eiland met de _Aino’s_ en met de
+Japanners, die daar om te visschen kwamen, eenen ruilhandel, die de
+Japansche regering stilzwijgende scheen te gedogen. In 1854, den 3
+September, werd van twee fransche fregatten, behoorende bij het naar
+_Kamtschatka_ gezondene smaldeel, namens de verbonden Westersche
+zeemogendheden, van het eiland _Urup_ »den zetel van den Russischen
+handel op de Kurilen” bezit genomen en aan dit eiland de naam
+»_Alliance_” gegeven. Toenmaals was _Urup_ nog geen Keizerl. Russisch
+gebied, het behoorde wel degelijk nog onder _Japan_, waar het ook op
+~Sakusajemon~’s kaart nog als zoodanig geplaatst is. Maar de Keizerlijk
+Russische gezant, admiraal ~Putiatine~, was juist ten dien tijde op
+_Japan_ en had aan het hof van _Jedo_ een tractaat van vrede en handel
+aangeboden, waarin door den Keizer ~Nicolaas~ voorgesteld werd dat: »de
+grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_, zullen zijn tusschen de eilanden
+_Iterup_ (_Staaten_ eiland) en _Urup_ (_Compagnie_ eiland).” Volgens
+art. 2 van het tractaat in ’t voorleden jaar 1856 tusschen _Japan_ en
+_Rusland_ gesloten, »behoort _Urup_ tot de Russische bezittingen.” En
+gelijk wij onlangs vernomen hebben, is aan de Russisch-Amerikaansche
+Compagnie eene concessie verleend geworden om de op dit eiland ontdekte
+kopermijnen te ontginnen. Ziedaar de geschiedenis van _ons verwaarloosd
+Compagnyslant_! _Urup_ strekt N.O. en Z.W. en breidt zich, volgens de
+waarnemingen van ~Golownin~, van _Caep van der Lijn_, 45° 39′ N. en 149°
+34′ O., tot Kaap _Castricum_ 46° 16′ N. en 150° 22′ O. uit. Van Kaap
+_Castricum_ strekt nog, volgens ~Sakusajemon~’s kaart, eene landtong 6
+Ri ver N.O. uit. Op ~Golownin~’s kaart is die veel kleiner en met rotsen
+eindigende aangegeven. ~Von Krusenstern~ heeft de geheele lengte van dit
+eiland op 54 eng. mijlen berekend, hetwelk ook vrij goed met de
+meergemelde Japansche originele kaart overeenkomt. Ook de geheele
+gedaante en de configuratie van de kust is zeer overeenstemmende. In het
+zuiden neemt men den hoogen _Mineraelberch_, _Kabiop_ genoemd, achter
+welke de kust inloopt en eene bogt vormt, en langs het noordelijke
+gedeelte van de westzijde eene reeks van kegelbergen waar, die met een
+voorgebergte K. _Nobu_ (_Castricum_) eindigen. Ook aan de oostkust
+bevinden zich eenige bogten, waarvan de baai van _Wanan_, ongeveer in
+het midden gelegen, zich als een goede haven vertoont.
+
+ [104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van
+ meening, dat _Amerika_ slechts door eene zee-engte, den _Fretum
+ Anian_, van het rijk van _Mongol_, het noordoostelijke uiteinde
+ van de oude wereld, was afgescheiden. Op ~Jansson~’s kaart en op
+ die van de van „_Gedaene coursen_” (Atlas N^{o}. 11 E) wordt het
+ _Compagnyslant_ als een groot land zonder einde vertoond. Op de
+ kaart echter van de „_Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur
+ ~M. G. Vries~_” is het _Companyslant_ als een eiland
+ uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek,
+ op welke de woorden „_Americae Pars_” staan, gescheiden, en in
+ deze straat is geschreven „_Hier is ’t Jacht Breskens geweest_.”
+ Men heeft dus de herkenning van het _Compagnyslant_ als een
+ eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland
+ door den meergenoemden Russischen zee-officier ~Spangberg~
+ omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het
+ vermeende gedeelte van _Amerika_ is hoogst waarschijnlijk
+ _Simushir_, het XVI^{e} van de Russische _Kurilen_. Op de
+ kaart van _Japan_, behoorende tot de _Verhandeling over de
+ Nederlandsche ontdekkingen_ van ~Bennet~ en ~van Wijk~, vindt
+ men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes _Rond_ eiland en
+ _Heuvel_ eiland, die waarschijnlijk ook door het schip
+ _Breskens_ ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze
+ eilandjes _Broughton’s Island_ en _Tsirpoi_.
+
+ [105] De inbezitneming van _Urup_ is eene te belangrijke daadzaak, om
+ die niet hier woordelijk uit het Journael van ~Coen~ over te
+ nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles
+ rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke
+ berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de
+ Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten
+ oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno
+ 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters
+ van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het
+ _Companyslant_, ende deze hoeck genaempt de _Cruyshoek_. Hebben
+ op het _Companyslant_ gegeten ende gedroncken, ende toen ter
+ eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”
+
+ [106] Van _Enydris marina_, door de _Aino’s_ en de Japanners _Rakko_
+ en door de Kamtschadalen _Rakku_ genoemd.
+
+Nog willen wij aanstippen, dat de »_Steyle clip, die_ (in het Z.Z.W. 3½
+mijl van den ankerplaats) _omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende
+is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat
+daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot
+hooch_,” ook door ~Golownin~ op ½ Eng. mijl afstands van den Z.hoek van
+_Urup_ gezien is, het op ~Jansson~’s kaart aangegeven rif echter niet
+waargenomen werd. ~Golownin~ en ~Ricord~, die de _Straat de Vries_ drie
+keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat
+mede. Op ~Sakusajemon~’s kaart is de strooming in het midden der straat
+naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het _Journael_ op den 5
+Augustus was »_met een doorgaende N.wind_” »_de deyninge seer hol de
+straet doorrollende uyt een N.N.O._” Daarentegen vermeent de stuurman
+~Coen~, op den 20 Junij, het Canaal »_eerst om de N.W. ende voorts om de
+N. doorgedreven_” te zijn; de wind was toen variabel, doch de
+heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten,
+dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat
+uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus
+meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de
+strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de
+Z. loopt.
+
+Van hier nam ~Vries~ eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47°
+27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen
+koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van _Ochots_
+verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van _Jetorop_
+onderzocht, de straat die dat eiland van _Kunasiri_ afscheidt, ontdekt
+en vervolgens langs de noordkust van _Jezo_ de weg gebaand tot de
+ontdekking van de bogten van _Aniwa_ en van _Patientie_, het zuidelijk
+en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland _Saghalien_,
+dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner
+~Mamia Rinsô~, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van
+_Krafto_, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De
+uitkomsten van den togt langs de W.kust van _Jeterop_ en van de
+waarnemingen op de ligplaats bij het _Vossen_-eiland, aan den westelijke
+ingang van de straat _Antony van Diemen_, hebben wij ons reeds ten nutte
+gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van
+deze straat.
+
+Nadat ~Vries~, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het
+_Vossen_-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij
+echter door een »_styve fehemente stroom_” zoo tegengehouden werden, dat
+zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende--naar de straat
+toe--verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van
+den piek _Antony_ niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van
+45° 26′ N. »_deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by
+d^{o}. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t
+gesicht crygen._” Zij krijgen 80 vadem »_steekgrond_,” vervolgens 60
+vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en
+bemerkten eenige ravelingen van stroom.
+
+Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot
+het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond
+niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op
+46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des
+namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »_streckte van N.N.O. tot in
+het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met
+laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van
+ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts
+daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent
+10½ myl van ons._”
+
+=De Straat de Lapérouse.= ~Vries~ bevond zich van den 13 tot den 14
+Julij in het midden der straat die _Jezo_ van _Krafto_ afscheidt, en die
+eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door ~Lapérouse~ is
+ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »_saegen
+eenige raveling van stroom_,” en »_het scheen dat hier stroom liep, dan
+conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep_.” De mist,
+die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z.
+tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten
+hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de
+zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »_hadden veel biesen,
+groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch
+lagen ofte in een bocht geset liggende_.”
+
+Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan,
+bevond zich ~Vries~ reeds in de Golf van _Aniwa_, en wel 4 à 5 mijlen
+O.t.N. van het hooge gebergte (_Horobori_), hetwelk in eene landtong
+(_Notoro_) uitloopt, die door ~Lapérouse~ _Cap Crillon_ genoemd werd en
+de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van _Aniwa_ vormt. Wij
+hebben dan ook reeds op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_ n^{o}. 3) den
+_Horobori_ als den _Blydeberg_ herkend, die het hooge land, door ~Vries~
+in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot
+N.N.O. strekt, zijn de bergketen, _Poortlandt_ genoemd, die in het
+westen van de golf tot den _Pic Bernizet_ van ~Lapérouse~, en regts van
+de _Zalmbaai_ noordelijk strekken, en op ~Toknai~’s originele kaarten de
+namen van _Okosjô_ en _Niwajemesi_ (_de Speenberg_, ~Vries~?) dragen; en
+de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 10½ mijl afstand
+gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen
+_Hôru_ en _Serikai_ welke tot de ketting behooren, die de oostelijke
+grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek _Siretoko_ genaamd
+en _Caep Aniwa_, ~Vries~, is. Deze beide kapen, _Cap Crillon_ (volgens
+~von Krusenstern~, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en _Caep
+Aniwa_ (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke,
+en Kaap _Soja_ (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke
+grens der Straat _de Lapérouse_, die aan den westelijken ingang 23 engl.
+mijlen breed is. Behalve de klip _la Dangereuse_, 10 engl. mijlen in het
+Z.O. van _Cap Crillon_ op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142°
+8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven
+water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van
+2-3 engl. mijlen daarvan, vonden ~Lapérouse~ en ~Krusenstern~ 23 à 25
+vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook
+eene sterke strooming (~von Krusenstern~ half Mei om de oost)
+waargenomen; ~Lapérouse~ merkt op, dat de strooming harder aan de
+noordzijde van de straat, aan de zijde van _Krafto_, dan aan de
+zuidzijde, die van _Jezo_, liep. De diepte in het midden der straat aan
+den westelijken, den naauwsten, ingang, door ~Lapérouse~ en ~von
+Krusenstern~ waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine
+steentjes. ~Vries~ loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond
+en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf
+van _Aniwa_ zijn ook grooter als die, welke door ~von Krusenstern~
+bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw
+uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen:
+of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem
+der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen
+afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de
+geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende
+hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking
+genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der
+straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes _Risiri_ en
+_Refunsiri_, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit
+zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het
+eilandje _Toto mosori_ (_I. Monneron_, ~Lapérouse~). _Risiri_ ligt op
+45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O.
+van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de
+oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde
+loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter
+weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met
+bosschen een aangenaam gezigt op; de _Kegelberg_, van welke men
+duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is
+rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De
+west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, _Toto tomari_ en _Benkaï
+tomari_, die bewoond zijn, en waar zich _Japansche_ wachthuizen
+bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de _Aino’s_, en eene
+wacht, _Nakkatomari_, en aan de N.O.kust (volgens ~Toknai~), eene bogt
+_Otsutsi tomari_, waar een riviertje _Kusjônaï_ uitwatert; van deze bogt
+gaat een landweg naar _Toto tomari_. In deze bogt ankeren telkens de
+Japanners op hunne vaart van _Matsmaë_ naar Kaap _Soja_. Op eenen
+afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit
+eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den
+zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. _Refunsiri_ ligt op 45°
+27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10
+eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven,
+heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (_Cap
+Guibert_), die echter in vergelijking met de piek van _Risiri_ laag is.
+Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een
+inham _Toitsubeki_, waar een _Aino_ dorp en een _Japansch_ wachthuis is
+en een beschermende ankerplaats voor _Japansche_ schepen gevonden
+wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar
+een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan
+tegenwoordig, door de _Aino’s_ bewoond. Het vaarwater tusschen beide
+eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust
+van _Jezo_. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje
+_Tato mosiri_, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′
+N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is
+ongeveer 18 engl. mijlen (volgens ~Lapérouse~) van de kust van _Krafto_
+verwijdert. ~Lapérouse~ en ~Broughton~ zijn tusschen dit eilandje en de
+kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de
+laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier
+voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust
+van _Krafto_ niet juist bepaald is. Wanneer men _Toto mosiri_ gepasseerd
+is, kan men ook reeds de piek van _Risiri_ zien. Den oostelijken ingang
+van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van _Krafto_,
+die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en
+oostelijken uithoek van dat eiland vormt, _Siretoko_, door ~Vries~ _Caep
+Aniwa_ genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde
+rots met een diep gekloofde punt. Volgens ~Toknai~’s kaart liggen eenige
+rotsen nog buiten de kaap. ~Von Krusenstern~, die de kaap in een afstand
+van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde
+75 vadem kleigrond.
+
+ [107] Op de kaart van _Japan_, behoorende tot de bovengenoemde
+ verhandeling van ~Bennet~ en ~van Wijk~, is de naam van
+ _Blydeberg_ aan den _Pic de Langle_ toegepast. Op alle originele
+ kaarten van ~Vries~ zeetogt ligt de _Blydeberg_ ten minste 50′
+ noordelijker als het eilandje _Risiri_, waarop zich deze piek
+ bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet
+ daarmede overeenbrengen.
+
+ [108] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, n^{o}. LXXI en
+ LXXII.
+
+=De Golf van Aniwa.= Aan ~Vries~ hebben wij de ontdekking en eerste
+kennis, aan ~von Krusenstern~ de bevestiging dezer ontdekking en een
+nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche
+aardrijkskundigen, namelijk ~Mogami Toknai~, en ~Mamia Rinso~, hebben
+ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver
+uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en
+beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met de inlandsche
+namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet
+alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre
+het grootste gedeelte van _Krafto_ hebben ons deze onvermoeide reizigers
+insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een
+schiereiland gehouden _Saghalin_ is door hunne nasporingen van het vaste
+land van _Azië_ als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste
+van eene _terra incognita_ ontsloten geworden. Men vergelijke de beste
+Europische kaart van _Krafto_ die bestaat, de _Carte de la Presqu’isle
+de Saghalin_ in 1827[109], door ~von Krusenstern~ uit de waarnemingen
+van ~Vries~, ~Lapérouse~, ~Broughton~ en zyne belangrijke eigene
+ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »_die Insel Krafto und die
+Mündung des Mankô_ (_Amur_) _nach Originalkarten von_ ~Mogami Toknai~
+_und_ ~Mamia Rinzo~”[110], en het _in de lengte grootste eiland der
+wereld_ ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen,
+volgens art. 2 van het tusschen _Rusland_ en _Japan_ gesloten traktaat,
+als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den
+wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe
+bevolking vatbaar is gemaakt[111].
+
+ [109] _Atlas de l’Océan Pacifique_, par ~de Krusenstern~, n^{o}. 25.
+
+ [110] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_ l. c. n^{o}. 3.
+ Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in _Japan_ bestaande
+ Exempl. van ~Toknai~’s „_Originele M. S. Kaarten van Jezo, de
+ Kurilen, Krafto en den Amur_,” aan mij op den 16 April 1826 te
+ _Jedo_ door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de
+ voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren
+ bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks
+ zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan _Japan_
+ onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in
+ nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen
+ geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet
+ gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn
+ bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.
+
+ [111] „Art. 2. De grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_ zijn voortaan
+ tusschen _Iturup_ en _Urup_. Het geheele eiland _Iturup_
+ (_Staatenland_) behoort aan _Japan_, het eiland _Urup_
+ (_Compagnieland_) met de noordelijke _Kurilen_, tot de
+ _Russische_ bezittingen, terwijl het eiland _Krafto_
+ (_Saghalien_) tusschen de beide rijken neutraal blijft.”
+ _Journal de St. Petersbourg_, 28 Avril 1857.
+
+In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang
+mogelijk was, had ~Vries~ zijnen koers noordelijk vervolgd, op een
+afstand van 4 mijlen van de kust, die hij _Poort Landt_ noemde. Hij
+bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene
+diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien
+eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben
+vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »_’s morgens was ’t noch
+mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote
+inbocht geset lagen_.” Men zette de _prauw_ uit, om eene ankerplaats
+digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, ⅓ mijl
+van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar
+het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet
+wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en
+ging op 9½ vadem steekgrond voor anker, het dorp _Aniwa-Tamary_
+(_tamari_, d.i.: woonoord) N.O. ½ mijl peilende. »_Waeren nu op de
+gegiste breete van 46° 40′._” Deze inbogt werd de »_Salmbay_” genoemd,
+omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart
+van »_Gedaene Coursen_” leest men: »_Hier komen haer veel inwoonders aen
+boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in
+overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t
+Silver._” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de
+inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld.
+Daarvan op eene andere plaats.
+
+Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten,
+die zich in den »_Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten_,” thans
+bewaard bij het statistiek Bureau van het Ministerie van Koloniën,
+bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door
+~Vries~ ontdekten Golf van _Aniwa_, op de kaart van ~Jansson~ en op
+eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt
+door ~Nicolaes Witsen~ en anderen, en deze waren ten opzigte van
+aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. ~Von Krusenstern~ had niets
+dan eene kopij van ~Jansson~’s kaart aan boord, waarop de mond van de
+rivier, waarmede de »_Salmbay_” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was.
+»_Es scheint fast unglaublich_,” roept hier de groote hydrograaf uit,
+»_wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen
+können_”[112]. En toch een ~Vries~ heeft zulk een misslag kunnen begaan?
+Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip _Castricum_ werd door hem
+_volgens gissing_ bepaald op 46° 40′ N.B. en die was ½ mijl in het Z.W.
+van _Aniwa Tamary_. De ankerplaats van de _Nadeshda_ werd door ~von
+Krusenstern~ _sterrekundig_ bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′
+O.L. op eenen afstand van 2½ engl. mijlen Z. 49° O. van de _Japansche_
+faktorij. Daar nu de ankerplaats van ~von Krusenstern~ ten hoogsten 3
+minuten noordelijker dan die van ~Vries~ was, zoo bedraagt het verschil
+der breedte, door onzen _Nederlandschen_ zeevaarder in 1643 bij
+_gissing_ bepaald, slechts 2 minuten van de _sterrekundige_ waarnemingen
+van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij
+~Vries’~ _bevonden breedte_ op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′
+N. bevond en »_alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. ½ W.
+2½ myl van ons, in ’t N. lach het land 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5
+myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van
+ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa_,” en vindt men uit
+deze sterrekundige en compas-waarnemingen van ~Vries~, dat de »_steyle
+hoeck beoosten Tamary_,” op 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′
+zuidelijker dan ~von Krusenstern~’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen
+verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de _Salmbay_, zoo
+als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men
+daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in
+aanmerking, waar ~Vries~ giste Z.t.O. 6½ mijl gezeild en op 46° 1′ 30″
+te zijn, en _Caep Aniwa_ O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan
+wordt ook de aardrijkskundige ligging van _Caep Aniwa_ op 45° 59′ N.Br.
+bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde
+sterrekundige waarnemingen van ~von Krusenstern~, volgens welke deze
+kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham _Tofuts_ genaamd, in het
+O.t.Z. van den hoek van _Tamary_ gelegen, en een steile rots, op ~Vries~
+kaarten _Piramyda_ en op ~Toknai~’s kaart _Takatsuka_, d. i. de hooge
+grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door ~von Krusenstern~
+niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid
+van ~Vries~ waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der
+_Japansche_ kaarten, en met regt, zegt ~Lapérouse~, wanneer hij de
+waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van _Aniwa_
+beoordeelt: »_précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne
+du Kastricum_,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van ~von
+Krusenstern~, toen ik hem in 1834 op de kaarten van ~Toknai~ en ~Rinso~
+de straat aantoonde, die _Krafto_ van het _Amurland_ afscheidt: »_Les
+Japonais m’ont vaincu!_”
+
+ [112] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 68.
+
+ [113] _Voyage de_ ~Lapérouse~ l. c. Tom. III, pag. 93.
+
+De Golf van _Aniwa_, die 90 engl. mijlen wijd en 70 mijlen diep, en voor
+zoo verre hij haar onderzocht, vrij van gevaren is, biedt eene ruime en
+tevens veilige ankerplaats langs de kusten, die haar in het O. en W.
+omgeven en in de zoogenoemde _Salmbay_, waarmede zij eindigde. Men vindt
+van 45 tot 10 vademen _steekgrond_, rondom naar den wal toe regelmatig
+opdrogende, waar de grond rotsig met steentjes gevonden wordt. Het
+tijdstip van hoog water bij nieuwe of volle maan kon door ~von
+Krusenstern~ niet naauwkeurig waargenomen worden; hij gelooft echter dat
+het omstreeks 5 uren zijn zal. Stuurman ~Coen~ zegt: »_Het water wast
+hier_ (aan de _Salmbay_) _een vaem op en neder, meer malen op den dag_.”
+Er waaijen hier ook regelmatig land- en zeewinden, ’s avonds en ’s
+morgens. ~Vries~ nam hard waaijende landwinden en ~von Krusenstern~ een
+frisschen zeewind waar. De strooming die in het midden der Straat van
+_Lapérouse_ O. loopt, wordt aan de kust van de golf niet gevoeld; daar
+schijnt, zoo als aan de noordkust van _Jezo_, door de getijden
+afwisselende, eene oostelijke en westelijke strooming plaats te hebben.
+De miswijzing van het kompas bedroeg (1805) aan den oostelijken uitgang
+van de golf 1° 11′ Oost. Ten tijde van het bezoek van ~Vries~ was de
+golf alleen van _Aino’s_ bewoond; wel had reeds in het begin van de 17
+eeuw de vorst van _Matsmaë_ op _Jezo_, van Kaap _Soja_ uit eene
+herhaalde expeditie naar _Krafto_ ondernomen; de Japanners bleven daar
+overwinteren, keerden echter na verloop van eenige jaren terug. De
+eerste mededeelingen over _Krafto_, ook _Kita-Jezo_, d. i. Noord-_Jezo_
+genoemd, heeft men aan den _Japanschen_ aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~
+te danken[114]; daaruit blijkt, dat reeds in het begin van de 18^{e}
+eeuw een handelsverkeer van _Jezo_ uit, met dat land plaats had, en dat
+men toenmaals daar reeds 22 _Aino_-dorpen kende. Men veronderstelde, dat
+dit land door eene hooge bergketen van het land _Santan_ en _Mantschu_
+afgescheiden was en beweerde dat de sterke strooming, klippen en banken
+in de straat tusschen _Jezo_ en _Krafto_ den vaart daar naar toe zeer
+gevaarlijk maakten. Een eiland _Sagalin_ (_Saghalien_) wordt op
+~Sivei~’s kaart nog bijzonder tegenover den mond van den _Amur_
+vertoont, zoo als dat eiland ook op de _Chinesche_ kaarten geplaatst
+is. Op de meergemelde kaart van ~Fukutsi Kensok~ is _Krafto_ reeds als
+een eiland uitgeteekend en daarop de vaart van _Soja_ naar _Siranusi_
+aangewezen. Eerst sedert Augustus 1785, wanneer de meergenoemde ~Mogami
+Toknai~ ook van _Soja_ uit, met een _Japansch_ koopvaardijschip naar
+_Siranusi_, niet verre van _Cap Crillon_, overzettede, is _Krafto_ aan
+de Japanners nader bekend en van dien tijd af aan van kooplieden onder
+het toezigt der regering bezocht geworden. Vischvangst en vischhandel
+hebben tot op den huidigen dag eene levendige verkeering tusschen
+_Jezo_, _Japan_ en de Golf van _Aniwa_ onderhouden, die allengs een
+onuitputbare en onmisbare bron voor het levensonderhoud van de meer en
+meer toenemende bevolking van het rijk _Nippon_ geworden is.
+
+ [114] _San-kok-tsu-ran-dsu-ki_ en ~Klaproths~ vertaling, pag. 187.
+
+=De Bocht van Patientie.= Na de omzeiling van de _Caep Aniwa_ (21 Julij)
+nam ~Vries~ zijnen koers N. en vervolgens N.W. en verder N.W.t.W. en
+»_corts daernaer W.N.W. om te soecken om de W. te komen, hadden slecht
+water. Giste ’s middachts gezeylt te hebben N.W. ½ W. 11 mijlen, waeren
+volgens dien op de breete van 46 gr. 28 min. Omtrent 4 uren naer de
+middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een
+steile uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende,
+geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven d^{o}. hoeck de naem van
+Tonyns hoeck, d^{o}. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s
+middachts geseylt 5 mylen W.N.W.; vonden de diepte van 44 vadem
+steeckgrond, ende corts daernae 58 vadem._” ~Vries~ bevond zich toen aan
+de oostkust van _Krafto_. Van de _Caep Aniwa_ af aan, die het uiteinde
+als het ware van eene door eene hooge bergketen gevormde landtong is,
+kenmerkt zich de oostkust daarvan door vier uithoeken, waar de
+zuidelijke en kleinste op ~Toknai~’s kaart _Tsisinoje_, de volgende
+grootere _Hontob_ (_Cap Löwenorn_, ~Krusenstern~), dan wederom een
+kleine uitstekende hoek _Niteosi_ en eene groote met een voorgebergte
+naar het N. uitloopende hoek aan zijn zuidelijk uiteinde _Wojakutsi_ en
+aan zijn noordelijk _Ajerub_ genaamd is. ~Von Krusenstern~ heeft aan dat
+noordelijk uiteinde den naam van _Cap Tonyn_ gegeven en de
+aardrijkskundige ligging daarvan op 46° 50′ N.Br. en 143° 33′ O.L.
+bepaald, en die van _Cap Löwenorn_ op 46° 23′ 10″ N.Br. en 143° 40′ 20″
+O.L. Deze kaap is eene steile uitstekende rots, door zijne gele kleur
+van andere rotsen verscheiden en kenbaar. Na de kaart van ~Jansson~ en
+van die van de »_Gedaene ontdeckinghe_” (_Atlas von Land- und
+Seekarten_, N^{o}. 11. D.) te oordeelen, zoude de _Tonyns hoeck_
+zuidelijker liggen en de uithoek _Hontob_ (_Cap Löwenorn_) zijn; neemt
+men daarentegen de op den middag van den 23 Julij gegiste waarnemingen
+van breedte aan boord van de _Castricum_, 46° 28′ N. en reekent daarbij
+vijf mijlen met een W.N.W. koers en den afstand van den _Tonyns hoeck_
+van 1 mijl W.Z.W.; zoo komt deze hoek op ongeveer 46° 47′ N.Br., dus 24′
+noordelijker dan _C. Löwenorn_ en 3′ zuidelijker dan _C. Tonyn_,
+~Krusenstern~, te liggen. Op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_, N^{o}. 3)
+hebben wij reeds aan het zuidelijke uiteinde, aan _Wojakutsi_, dat
+ongeveer 6 à 8 minuten zuidelijker ligt dan ~von Krusenstern~’s _C.
+Tonyn_, den naam van _Tonyns hoeck_ toegekend.
+
+Het lage land »_tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck_,” is
+ontwijfelbaar de bogt, die zich van _Ajerub_ (C_. Tonyn_, ~Krusenstern~)
+tot _Notsuitoko_ (_C. Seniavin_, ~Krusenstern~) in eene N.W. rigting
+uitbreidt, en door ~von Krusenstern~, _Mordwinoff’s_ baai genoemd werd.
+Onze meergenoemde Japansche reizigers hebben ons deze bogt nader leeren
+kennen en wij zien daar eenen diepen inham en een groot binnenmeer,
+_Omutô_, dat door eene rivier in zee uitwatert en door een ander
+riviertje en drie meer zuidelijk gelegene kleinere meren, _Tsisikusitô_,
+_Hotoma_ en _Tôfuts_, eenen weg ter verbinding met den Golf van _Aniwa_
+opent. Deze communicatie is voor de langs de geheele oostkust van
+_Krafto_ tot de in de »_Bocht Patientie_” wonende bevolking zeer
+nuttig, omdat zij daardoor ontheven zijn van met hunne kleine vaartuigen
+de _Caep Aniwa_ om te zeilen, wanneer zij ten handel daar naartoe willen
+komen (vergelijk _Atlas_, N^{o}. 3).
+
+Den 24 Julij. »_Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s
+middachts geseylt te hebben N. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de
+breete van 47 gr. 27 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van
+47 gr. 49 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3
+mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5
+mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. ½ W. lach een hoogen
+berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van
+~Tepelberch~, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t
+N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden
+alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront._” Volgens deze waarnemingen
+en verkenningen bevonden zich onze zeevaarders tusschen _Cap Seniavin_
+en _Cap Muloffsky_, ~Krusenstern~, die op ~Toknai~’s kaart de namen
+_Notsuitoko_ en _Sjojunkotan_ dragen en waarvan de eerste op 47° 16′ 30″
+N.B. en 143° O.L. en de laatste op 47° 57′ 40″ N.Br. en 142° 44′ O.L.
+door ~von Krusenstern~ geplaatst is. Ongeveer naar het midden van deze
+kuststreek toe wordt het land lager, valt naar het W. af, en vormt eene
+bogt, waar de grootste rivier op de oostkust, de _Naifuts_. zich in zee
+stort, en de bergketen, die Z.W. en N.O. strekt en die ~von Krusenstern~
+op het denkbeeld bracht, dat zich daar eene doorvaart opende, is het
+gebergte, door welks valleijen deze rivier stroomt. De berg dien ~Coen~
+den »_Tepelberch_” noemt, is waarschijnlijk dezelfde die op alle andere
+kaarten van ~Vries’~ zeetogt _Speenberg_ genaamd is. Wij hielden den
+_Speenberg_ voor het gebergte _Niwajemesi_, op den regten oever van den
+_Naifuts_ gelegen. ~Von Krusenstern~ die denzelven als een hoogen
+afgeronden berg beschrijft en op 47° 33′ N.Br. en 142° 20′ O.L. plaatst,
+meent dat het de op de westkust door ~Lapérouse~ geziene piek
+_Bernizet_ zijn kon, die volgens ~Lapérouse~ op 47° 25′ N.Br. en 142°
+21′ 20″ O.L. ligt. Daar in het _Journael_ de afstand van den
+_Tepelberch_ (_Speenberg_) op 10 à 11 mijlen opgegeven is, zoo kan het
+niet wel een berg op de oostkust zijn, daar hier (op 47½ gr. N.Br.)
+_Krafto_ niet veel breeder dan 30 engelsche mijlen is. Op de Japansche
+kaarten bevinden zich op de oostkust twee bijzonder gekenmerkte bergen,
+de voormelde _Niwajemesi_ en de _Tokitaë_. Het is niet onwaarschijnlijk
+dat de eerste de _ronde berg_ is, die door ~von Krusenstern~, na de
+omzeiling van zijn _Cap Tonyn_ (_Ajerub_) is gezien geworden[115], en de
+andere die, waarvan in het Journaal (den 24 Julij namiddag) gezegd
+wordt: »_in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden
+als stompe torens_.” De _Tokitaï_, die door twee kegelvormige toppen
+gekenmerkt is, ligt ongeveer op 47° 50′ N.Br., juist in de bogt in het
+Z. van de _Cap Muloffsky_, waar de kust zich N.t.O. begint uit te
+strekken. Nog willen wij de aandacht van zeevaarders op eenige meer naar
+het N. op de westkust van _Krafto_ gelegene hooge bergen vestigen, die
+waarschijnlijk ook van de oostzijde van dat eiland kunnen gezien worden.
+Het zijn de kegelbergen _Raitsiska_, _Jesijaran_ en _Rijonai_, waarvan
+de eerste door ~Lapérouse~ _Pic de Lamanon_ genoemd en op 48° 45′ N.Br.
+en 141° 56′ O.L. geplaatst is en de laatste, _Pic de Mongez_, ongeveer
+38′ noordelijker ligt. Wij hebben meer breedvoerig over deze bergen
+uitgewijd, omdat in dit zeegebied meestal een digte mist het lage land
+bedekt en de hoogste bergtoppen dikwijls maar met een blik ten
+voorschijn komen en tot verkenning dienen kunnen.
+
+ [115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an
+ welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte
+ Berge anreihten. ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II.
+ p. 87.
+
+Alvorens wij echter deze kust verlaten en mede in de »_groote bocht van
+Eso_” zeilen, die zich aan onze zeevaarders in het N.N.W. tot O.Z.O.
+opende, kunnen wij niet onopgemerkt laten, dat ~Vries~ daar eene
+strooming waarnam, die hem in 24 uren 3 mijlen om de N. zette; en dat
+aan ~von Krusenstern~, ongeveer op de hoogte van _Cap Muloffsky_, het
+land een veel aangenamer gezigt opleverde dan de meer zuidelijk gelegene
+landstreken van _Krafto_ en _Jezo_[116]. Mag daartoe reeds de ligging
+dezer kust naar het oosten en derzelver bescherming door hooge
+bergketens in het W. en N.W. tot in het N.O. veel bijdragen tot de
+voortbrenging van een zachter klimaat, toch moet men niet miskennen, dat
+de _uit warmere gewesten naar het noorden stroomende wateren_--een
+zijtak van den meergemelden _Japanschen stroom_--eenen even gunstigen
+invloed op deze kust, die zij bespoelen, uitoefenen als de in het
+noorden tot IJsland doordringende verwarmende vloeden van den
+Atlantischen Golfstroom. Ook willen wij bij herhaling beweren, dat de in
+dat zeegewest heerschende mist door de onevenredigheid van de
+temperatuur van het zeewater tot die van de lucht voortgebragt wordt en
+gedurende het grootste gedeelte van den zomer aanhoudt.
+
+ [116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als
+ jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan
+ zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit
+ ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in
+ verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt,
+ welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein
+ sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch
+ hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später
+ untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” ~Von
+ Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 92.
+
+Op de gegiste breedte van 48° 25′ N.Br., waar men de bogt door hoog land
+van W.Z.W. tot in het N.O. begrensd zag, lag W.t.N. ½ N. op een afstand
+van 8 à 9 mijlen »_een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was
+geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was_.” Deze uithoek is
+hoogst waarschijnlijk het voorgebergte, dat door een bergrug gevormd
+wordt, die N. en Z. strekt, steil aan den oever der zee neerloopt en
+zich als geheel vrijstaande vertoont, en op de Japansche kaarten _Uri_
+en door ~von Krusenstern~ _Cap Dalrymple_ genoemd en op 48° 21′ N.Br. en
+142° 50′ O.L. geplaatst is. De kust die van de _Cap Muloffsky_ aan
+N.t.O. strekt, neemt van _Cap Dalrymple_ af aan eene noordelijke
+rigting. Daar ~Vries~ van den 25 tot den 26 Julij eenen N.N.O. koers
+vervolgde, zoo kon hij _Cap Soimonoff_, een hoog, ver naar het O.
+uitstekend voorland, dat men ligt voor een eilandje houden kon, in het
+W. niet duidelijk gezien hebben. Het land echter dat ’s middags den 26,
+wanneer ~Vries~ zich op 48° 56′ N.Br. bevond, 6½ mijl in het W. gezien
+werd, kan niets anders dan deze kaap zijn, die, volgens de waarnemingen
+van ~von Krusenstern~, op de breedte van 48° 52′ 30″ en 143° 1′ 30″ O.L.
+ligt. Van deze kaap aan strekt de kust al wederom meer westelijk en
+vormt eene bogt, die op ~Jansson~’s kaart en op die van »_Gedaene
+Ontdeckinghe_” de »_bocht van Sainct-Iacob_” genaamd is, waarvan echter
+in het Journael niets vermeld wordt. De groote rivier _Boronai_, die in
+het meer _Sânai_ zijn oorsprong heeft, dat in het midden van het
+breedste gedeelte van _Krafto_, op de breedte van ongeveer 50½ gr., een
+waterbekken vormt, rondom van hoog sneeuwgebergte omgeven[117], aan de
+N.W.zijde van deze bogt in delta-gedaante uitwatert, en twee meeren
+voedt, die zich regts en links wijd uitbreiden, deze is het en zijn ruim
+stroomgebied, dat van verre gezien, zich als eene diepe bogt vertoont.
+Van boord van het schip _Castricum_ is de mond van deze rivier gezien
+geworden. Ook ~von Krusenstern~ heeft den mond dezer rivier van nabij
+onderzocht: »_Wir entdeckten zwei Mündungen, von welchen die nördliche,
+welche auch die grösste war, in N.W. 72° lag. Die Mündung dieses
+Flusses, welche ich die Newa nannte, ist über eine halbe Meile (engl.)
+breit. Sie liegt in 49° 14′ 40″ N.Br. und 143° 2′ O.L._”[118].
+
+ [117] Het gebergte van _Urunsiri_, waarvan op ~Jansson~’s kaart gezegd
+ is: „_Gebergte op vijftien graden gesien_,” en op de kaart van
+ „_Gedaene Coursen_” te lezen staat: „_alhier lach ’t sneeuw in
+ de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe_.” Ook ~von
+ Krusenstern~ zag hier „_tief im Lande hohe Schneeberge_.”
+
+ [118] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 95. Hoogst
+ merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het
+ eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. ~L. Schrenk~, in het
+ binnenland van _Krafto_ is gevonden en beschreven geworden.
+ Nadat Dr. ~Schrenk~ den 30 Januarij 1856 het vaste land (het
+ _Amurland_) verlaten had, kwam hij langs de westkust van
+ _Krafto_ tot aan de baai _de la Jonquière_, ~Lapérouse~ (op 50°
+ 54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap _Dui_ (_Itoi_,
+ ~Toknai~) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens
+ der _Aino’s_ is. Op den 8 Febr. bij het dorp _Arkei_ (_Ar’koi_,
+ ~Toknai~) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het
+ eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan
+ bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie
+ berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier
+ _Pym_ kwam. Deze rivier is de _Boronai_, aan welke ~von
+ Krusenstern~ den naam van _Newa_ gegeven heeft. De _Pym_-rivier,
+ die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der _Bogt
+ Patientie_) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt
+ ~Schrenk~ de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een
+ snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het
+ bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude,
+ waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het
+ kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den
+ herfst aan zalm, waaronder de _Salmo lagocephalus_, even als in
+ de _Amur_, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der
+ Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en
+ hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor
+ vele naburige stammen telken winter naar het _Pym_-dal, als:
+ _Aino’s_ van de Golf _Patientie_, met Japansche waren; _Oroken_
+ (_Orotsko_, ~Toknai~), met pelterijen, de opbrengst van hunne
+ jagt; de _Giljaken_ van beide kusten, met zeehondenvleesch en
+ vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als
+ _Mangoenen_ van den _Amur_ (_Manko_, ~Rinso~), met Mandsourische
+ en Russissche produkten, die tot de _Pymi-Giljaken_ komen, om
+ zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook
+ van de toestroomende vreemde goederen te voorzien.
+
+ Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (_Bogt Patientie_)
+ te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure
+ des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R.
+ „Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. ~Schrenk~, „doet onderstellen,
+ dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met
+ het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan
+ verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel
+ van het _Pym_-dal ziet men overal de denneboom (_Abies
+ jezoënsis?_) terwijl de lork (_Larix leptostachys_) naar den
+ zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch
+ herten, noch elanden, wel het muskusdier (_Likonkamui_, ~Aino~)
+ en het rendier. Ook bestaat nog op _Krafto_ een stam
+ Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de
+ _Amur_, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20
+ Februarij bereikte ~Schrenk~ de oostkust van het eiland en nam
+ den terugtogt langs dezen zelfden weg aan.
+
+ (_Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie
+ Impériale des Sciences de St. Petersbourg._ Tome XIV. 1856.)
+
+’s Namiddags den 26 Julij 3½ mijl O.t.Z. gezeild zijnde, kwam ~Vries~
+ten 6 ure ten anker op 18 vadem steekgrond met kleine steentjes
+vermengt. Hij bevond zich omtrent 1½ mijl van het land, op 48 gr. 54
+min. »_Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een
+cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons ende d^{o}. eylantie lach S.S.O.
+4 mylen van ons. Het lant van d^{o}. hoeck streckt om de N.W. soo veer
+wy conden beoogen._” Deze hoek is benaamd geworden _Caep Patientie_ en
+het eilandje _Robben eylant_. ~Von Krusenstern~ ging, nadat hij de bogt
+rondom van nabij omgezeild had, ook aan de oostzijde van de bogt op 11
+vadem kleigrond voor anker. Op zijne kaart (_Atlas_ N^{o}. LXXIII) is de
+ankerplaats van de _Nadeshda_ op 49° 11′ N.Br. en 142° 10′ O.L.
+aangeteekend; dus 17′ noordelijker en 8′ westelijker dan die van het
+_Castricum_. Volgens zijne waarnemingen ligt de noordelijkste grens van
+de bogt op 49° 19′ N.Br., terwijl naar de bepaling van de ankerplaats
+van ~Vries~, die nog 1½ mijl van den noordelijken wal afgelegen was,
+dezelve op 49°, en volgens ~Jansson~’s kaart op 49° 15′ N.Br. ligt. Uit
+het onderzoek, dat den volgenden dag door den stuurman ~Janz Coen~ aan
+het land is ingesteld geworden, blijkt dat daar de landtong, die naar de
+_Caep Patientie_ uitloopt, niet breeder dan een mijl is, dat men de zee
+aan de oostkust kon hooren ruischen en van eene hoogte uit zien; ook
+heeft men het groote binnenmeer van _Taraika_ duidelijk kunnen
+onderscheiden, dat op ~Toknai~’s kaart in den achtergrond der bogt zich
+diep in het land uitbreidt. Ook werden door hem _Aino_-woningen langs
+het noordwestelijke strand gevonden en eenige daarvan bezocht. Daaruit
+laat zich afleiden, dat het schip _Castricum_ veel zuidelijker en
+oostelijker geankerd lag dan de _Nadeshda_, van welke de Luit.
+~Ratmanoff~ met een boot de noordelijke kust onderzocht, en de mond van
+eene rivier ontdekt heeft, die 15 vadem wijd, 7 voet diep en zeer
+vischrijk was, en welke hij vijf engl. mijlen ver opgevaren is. Deze
+rivier, die haren oorsprong neemt in het hooge gebergte, dat zich van 50
+tot 50½ gr. breedte uitbreidt, is, naast de _Boronai_, de grootste die
+in de bogt uitwatert. Haar mond is op ~Toknai~’s kaart tusschen de
+_Aino_-dorpen _Nokoro_ en _Nifiktoi_. ~Coen~ vond het eene schoone
+landouw, maar nog eene groote plek sneeuw op het strand, en ~Ratmanoff~
+het land deels modderig, deels met eenen vetten, zwarten grond bedekt.
+In het laatst van Mei zag men nog op vele plaatsen sneeuw en de boomen
+begonnen naauwelijks uit te botten. Nergens bemerkten de Russen sporen
+van bevolking dan eenige _Aino’s_ die hen ontvlugtten; onze Nederlanders
+daarentegen vonden woonhuizen, begraafplaatsen en gastvrije inwoners,
+waarmede zij in vriendschap verkeerden en die zij voor denzelfden
+landaard als die van het zuiden van _Jezo_ hielden. Mogelijk is het dat
+de bevolking in dat gedeelte van _Krafto_ sedert 170 jaren verminderd
+is; doch op de kaart van ~Toknai~ van 1786 zijn van de westelijke
+uitwatering van de _Boronai_, rondom het meer van _Taraika_ tot aan het
+_Caep Patientie_, 96 woonplaatsen met namen opgegeven. Er zijn echter
+hier meestal jager- en visschernomaden te huis, die meestal eerst van de
+maand Junij af aan naar de kusten en de monden van de rivieren trekken,
+om daar hunnen voorraad van visch voor den langdurigen winter te
+verzamelen.
+
+De _Caep Patientie_ is door ~von Krusenstern~ op 48° 52′ N.Br. en 114°
+46′ 15″ O.L. geplaatst. Volgens de waarnemingen van ~Vries~ zoude
+dezelve op ongeveer 48° 34′ N.Br. te liggen komen en op de kaart van
+~Jansson~ is dezelve op 48° 23′ en op de overige kaarten nog zuidelijker
+geplaatst. Deze kaap is een laag voorgebergte en wordt door eenen
+dubbelden heuvel gevormd, en loopt in eene lange, platte landtong naar
+het Z. uit, die duidelijk op ~Vries~ kaarten aangewezen is.
+
+In het Z.W.t.Z. van de _Caep Patientie_ werd op den 26 Julij van
+~Vries’~ ankerplaats in deze bogt een »_Eylantie_” Z.Z.O. op 5 mijlen
+afstand gezien en op den 28^{en} nader onderzocht. »_Alsdoen heeft den
+Commandeur den Stuerman_ ~Roelof Sievertsz.~ _met de boot naer d^{o}.
+eylant gestiert om dat te visiteeren; daer aencomende vonden d^{o}
+eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by
+een myl op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N.
+van ’t eylant naar ’t vaste lant, ende oock op syn langst S. in see,
+maer heeft veel uitsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een
+rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt;
+deze reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen,
+dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben._” »_Hadden oock by
+duysende robben op de clippen ende het water vernomen; oock twee cleyne
+huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den
+naem van Robben eylant._” Deze voortreffelijke beschrijving hebben wij
+woordelijk uit het Journael overgenomen, omdat dezelve tot bijvoegsel
+dienen mogt van de beschrijving die ons de groote russische hydrograaph
+daarvan medegedeeld heeft. »_Wir sahen in einer Entfernung von höchstens
+3 bis 4 Meilen (engl.) das gefährliche Felsenriff, welches das Robben
+Eyland umgiebt. Es erstreckte sich von N.N.W. ½ W. bis N.O. Die Wellen
+brachen sich heftig. Ueberall im Norden sahen wir ein grosses Eisfeld,
+unter welchem wahrscheinlich die Klippen fortgingen, die wohl auch das
+weitere Treiben des Eises in dieser Richtung aufhielten. Einzelne
+Brandungen konnte man nach Osten zu, so weit das Auge reichte
+wahrnehmen._” »_Die Nordost Spitze liegt nach unsern Beobachtungen in
+48° 36′ der Breite und 144° 33′ der Länge, und derjenige Theil, den man
+für die Südwest Spitze ansehen kann, in 48° 28′ und 144° 10′, so dass
+der ganze Umfang des Riffs gegen 35 engl. Meilen ausmacht_[119].” Op
+~Jansson~’s kaart is het N.O. punt van het rif op 47° 25′ N.Br. en het
+Z.W. punt op 47° 8′. Ook zoo zuidelijk ligt het eilandje op de kaart van
+»_Gedaene ontdeckinghe_.” Op de kaart van »_Gedaene Coursen_” echter
+bevindt zich het midden op ongeveer 48° 12′ geplaatst. Volgens de
+waarnemingen op ~Vries’~ ankerplaats zoude het _Robben Eylant_ op 48°
+31′ der breedte liggen, hetwelk bijna met die van ~von Krusenstern~
+overeenkomt. ~Toknai~ noemt op zijne kaart het _Robben eiland_: _Wotamo
+siri_ en de _Caep Patientie_: _Fumonots_. De aan boord van de
+_Castricum_ waargenomene lengte hebben wij om vroeger aangehaalde reden
+ook hier overgeslagen, en ook niet overal van de diepte en den grond
+gewaagd, die onze nederlandsche en russische zeevaarders langs de
+oostkust van _Krafto_ en in de _Bocht Patientie_ zoo zorgvuldig
+aangeteekend hebben. Aan boord van de _Castricum_, die zich verder van
+de kust gehouden heeft, zijn 60 tot 34 vadem meestal steekgrond
+(kleigrond) tot op de parallel van het _Robben eiland_ en verder de bogt
+in tot op een afstand van 1½ mijl van den wal, 18 vadem steekgrond met
+kleine steentjes vermengd, gelood geworden. Aan boord der _Nadeshda_,
+die eenige malen de kust op korter afstand genaderd is en zich wederom
+verder verwijderd heeft, peilde men de diepte van 95 tot 20 vadem
+kleigrond, en aan het noordeinde van de _Bocht Patientie_ van 9 tot 4
+vadem kort op elkander. Eene mijl in het N.W. van het _Robben eiland_
+vond ~Coen~ de diepten van 35 vadem steekgrond tot 16 vadem schelp- en
+singelgrond opgedroogd en 2 mijlen in het Z.t.O. ½ O. daarvan 10 vadem
+schelpachtige grond. In het oosten van de _Caep Patientie_ nemen de
+diepten schielijk toe tot op 80 en 95 vadem, minder en langzamer naar
+het Z.O. toe, waar op een afstand van 9 mijlen 75 vadem steekgrond
+gevonden werd. ~Von Krusenstern~, die op zijne kompassen weinig
+vertrouwen stelde, geeft de miswijzing op zijner tweede ankerplaats (op
+49° 13′ 53″ Br. en 143° 48′ 30″ Lengte) gemiddeld op 0° 38′ Oost. Aan
+boord van de _Castricum_ werd die op 48° 26′ N.Br. op 7° 30′ oostelijk
+bevonden en »_de compassen op 9 gr. oostering geleyt_.”
+
+ [119] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 98, 99.
+
+Op den 3 Augustus op de gegiste breedte van 47 gr. 8½ min. werdt
+»_geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E.
+Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best
+soude doen om weder te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naar het
+Canael de Vries toe te stellen_.” De _Caep Patientie_ bekwam dan ook nog
+de bijnaam »_Caep Keer Weer_.”
+
+Op den 5 Augustus hebben wij reeds onze stoute zeevaarders in de Straat,
+die den naam van hunnen Commandeur vereeuwigt, ontmoet en hun verblijf
+in de Baai »_de Goede Hoop_” van den 16 Augustus tot den 1 September
+beschreven en hunne waarnemingen toegelicht en bevestigd. Ook hebben wij
+reeds hunne ontdekkingen op de terugreis langs de oostkust van _Japan_
+en van de eilanden, aan welke wij den naam van eenen nog meer
+verdienstelijken zeevaarder, ~Abel Tasman~ gegeven hebben, in de
+geschiedenis der ontdekkingen geboekt. Laten wij dan nog den dag
+vermelden, waarop het fluitschip _Castricum_, onder het Commando van den
+Commandeur ~Maerten Gerritz Vries~ behouden in den haven van _Tayouan_
+op _Formosa_ binnengeloopen is en de uitboezeming van vreugde en dank
+herhalen, waarmede het Journael eindigd:
+
+»_Quaemen--den 18 November 1643--binnen ten ancker op 10 vadem, waervoer
+wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat
+Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reyse soo genaedelyck bewaert ende
+hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen._”
+
+Hiermede sluit ik mijne geo-hydrographische toelichtingen, waarin ik aan
+zeevaarders eenige nuttige aanwijzingen en wenken tot de uitbreiding van
+de aardrijks- en zeevaartkunde gegeven heb. Deze schreef ik met het
+hoofdoogmerk neder, om dezelve in de handen van de Officieren der
+Koninklijke Marine, van mannen versiert met kunde en ervaring en meer
+dan ooit bezield met den geest van onze Nederlandsche zeevaarders in de
+17de eeuw, neder te leggen, en bij voorkeur van degenen, die thans te
+_Japan_ gedétacheerd zijn, aan welke niet alleen de taak van
+wetenschappelijke verlichting der weetgierige bevolking van dat rijk
+toevertrouwd, maar aan die nog bijzonder opgedragen is, daar den
+grondslag te leggen van eene marine volgens Europesche beginselen, en
+bovendien aan _Japan_ de wereld, aan zijne schepen de vaart in den
+Grooten Oceaan, en aan zijn volk den wereldhandel te openen. Heeft
+_Nederland’s_ invloed en vertrouwen de klippen van vooroordeel en
+achterdocht bij eene regering kunnen wegruimen, die het stelsel van
+afsluiting als grondstelling tot behoud van rust en vrijheid, niet
+willekeurig maar door nood gedrongen, aangenomen en eeuwen lang vol
+gehouden heeft; hebben Nederlanders van geboorte, of mannen met eenen
+anderen tongval, evenwel door getrouwe en veeljarige diensten aan
+_Nederland_ verknocht en ingelijfd, van 1641 af, in hunne gevangenis op
+het afgesloten _Dezima_, zorgvuldig het verlichtend vuur van de
+wetenschap als het ware in het geheim weten te onderhouden, welke
+verwachtingen laten zich thans met regt koesteren, waar het aan de
+Nederlandsche vertegenwoordigers van de Europesche wetenschap in _Japan_
+vergund is, de fakkel der verlichting openlijk en ongehinderd te mogen
+voordragen en langs den weg van onderwijs aan de Japanners, zichzelven
+nopens Japansche zaken en wetenschap te onderrigten; en waar hun de
+schoonste gelegenheid gegeven is, het zoo ver uitgebreide gebied van de
+geographie en hydrographie, dat, tot voor korten tijd, de vreemdeling
+niet anders dan op geheime wegen heeft mogen bewandelen, onder de
+Nederlandsche met de Japansche vereenigde vlag te onderzoeken en door
+nieuwe waarnemingen en ontdekkingen uit te breiden.
+
+
+
+
+DE STAM DER AINO’S.
+
+
+_Aino_ beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven
+geeft en onder welke dezelve bekend is. De _Aino’s_, die in de
+Geschiedenis van Japan _Asuma Jebisu_, dat is: Oostwilden, genoemd
+worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor
+Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland _Nippon_, te weten
+de tegenwoordige landschappen _Mutsu_, _Dewa_ en het noorden van
+_Jetsigo_, welke toenmaals _Jebisu no Kuni_, het Land der Wilden
+heetten. Nog in de 7de eeuw waren de _Jebisu_ in _Mutsu_ en _Dewa_ tot
+op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het
+begin van de 9de eeuw was het eiland _Nippon_ reeds geheel onder de
+heerschappij van de ~Mikado~’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen;
+desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden
+van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe
+noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de
+overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven
+werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar _Jezo_
+over de Straat van _Tsugar_, die _Nippon_ van dat eiland afscheidt,
+begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch in de
+14de eeuw werden ook de _Aino’s_ in het zuiden van dat eiland door de
+Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de _Aino’s_ het eiland _Jezo_
+en de _Kurilen_, en het zuidelijke gedeelte van _Krafto_, waar zij zich
+langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt
+van _Patientie_ uitbreiden.
+
+Voor de ontdekking van het land van _Jezo_, door ~Maerten Gerritz.
+Vries~, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de
+mededeelingen van de _Patres_ ~Aloisius Froes~ en ~Hieronymus de
+Angelis~ en van ~Joan Saris~ en ~Françoys Caron~. In zijnen brief van
+den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit
+_Mijako_, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft ~Froes~ dat
+volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd
+_Leucas_[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen
+bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele
+ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote
+knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten.
+Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners
+zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met
+zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst
+eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege
+vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene
+godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden
+enz.”[122]. Meer breedvoerig is het berigt van het land van _Jezo_ en
+deszelfs inwoners, dat door ~Hieronymus de Angelis~ in zijnen brief, uit
+Japan in 1622, een jaar voordat hij te _Jedo_ verbrand werd, geschreven,
+medegedeeld en door ~Nicolaes Witsen~ in zijne »_Noord-Oost
+Tartarye_”[123] overgenomen is. Deze schets van de _Aino’s_, van hunne
+zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat
+zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking
+met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders.
+
+ [120] _Leuca_ (_Legua_) 17½ op een graad.
+
+ [121] „_Amplissima sylvestrium hominum regio._” Deze uitdrukking
+ schijnt aan ~Abrahamus Ortelius~ aanleiding te hebben gegeven
+ het in zijn „_Theatrum orbis terrarum_” in het noorden van Japan
+ vertoonde eiland „_Satyrorum Insulam_” te noemen.
+
+ [122] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum volumen._ Coloniae.
+ 1574. pag. 426. „Japoniae terrae in Septentrionem adiacet
+ amplissima sylvestrium hominum regio, leucas ab urbe _Meaco_
+ trecentas. Bestiarum pellibus induuntur, toto hirti corpore,
+ ingenti barba, mystacibus maximis, quas paxillo subrigunt
+ potaturi. Vini gens avida in primis, ad bella ferox, formidolosa
+ Japoniis. In praelio sauciati, salitis aquis abluunt vulnera, id
+ unum genti remedium est. Speculum gestare dicuntur in pectore;
+ ad caput gladios alligant sic, ut in humeros manubrium desinat.
+ Sacra habent nulla, caelum dumtaxat venerari soliti sunt.”
+
+ [123] ~N. Witsen~, Deel II. l. c. pag. 57.
+
+»Wat belangt den aert der inboorlingen, die zijn grof, en grooter van
+lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke
+als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel
+toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de
+slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer
+zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t
+gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer
+zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok
+zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de
+mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met
+zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve
+stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of
+linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die
+niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van
+harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine
+plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is in ’t aenschouwen.
+Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit
+genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen
+zelden. Tot _Matsumay_ wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en
+kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en
+ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen
+en de _Todonoeno_ (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk
+dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een
+zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte;
+maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en
+stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van _Matsumay_
+verzekerde mij, dat de inwoonders van _Jesso_ visch-vellen, die zij
+_Raccon_ (Rakko, _Enydrys marina_) noemden, aen drie eilanden, niet
+verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen
+baert, en een zeer verschillende tale met die van _Jesso_ hadden, doch
+hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden _Jesso_ lagen. Wat
+de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven
+hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en
+Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en
+zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en
+met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij
+daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden
+of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen,
+noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne
+zaligheit te handelen.
+
+Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven.
+
+Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen,
+wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche
+wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw
+veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans
+vrienden, onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen.
+
+Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren,
+op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den
+gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen
+berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn
+vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.”
+
+~Joan Saris~ heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof
+te _Jedo_ in 1613 door een Japanner, die twee maal op _Jedzo_ (_Jezo_)
+geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen
+van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht
+verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar
+heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en
+aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de
+zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig
+dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en
+sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren.
+Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen
+sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden
+kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na _Yedzo_ gebragt,
+leverd vier voor een tot winst uijt.
+
+De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt
+houden, word _Matchma_ (_Matsmaë_) genaamd. In deselve sijn 500
+Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in
+commandeerd, _Matchmadonna_ (_Matsmaë Dono_) noemen. Deze Stad _Matchma_
+is de voorname handel-plaats van geheel _Yedzo_, werwaards meest alle
+ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van
+September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart
+brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander waren die
+de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver.
+Verders hebben die van Japan, behalven _Matchma_, geen andere vaste
+woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden
+woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere
+_Yedsoers_ sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij
+hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word.
+
+Tusschen _Yedzo_ en Japan gaat een seer sterke stroom, die van _Corea_
+komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo
+als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en
+duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te
+waaijen.”[124]
+
+ [124] _Naauwkeurige Verzameling de Gedenkwaardigste Reysen na Oost- en
+ West-Indiën enz._ Te Leiden door ~P. van der Aa~, 1707. Deel 24.
+ _Agste Oost-indische Reys enz._ onder Capitain ~Joan Saris~. pag
+ 136.
+
+~Françoys Caron~, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den
+Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan
+vernomen tijdingen van _Jezo_ en de _Aino’s_ mede, die wij echter wegens
+de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en
+volk tevens willen aanhalen.
+
+»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt
+bij de uijterste hoeck van ’t lant _T’sungaar_ (_Tsugar_) genaemt, aen
+de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf
+mijlen wijt, ende men komt in ’t landt _Jeso_ ofte _Sesso_, daer
+kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest,
+berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant _Sesso_ is seer groot,
+door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst,
+doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat
+het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen
+waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs
+zijn ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder
+ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is
+woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh
+over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen
+brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125]
+
+ [125] _Beschryvinghe van het Machtigh Coninckrycke Japan enz._ door
+ ~Françoys Caron~. T’Amsterdam 1648. pag. 1.
+
+Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo
+hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk
+volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs
+zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk
+denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het
+land van _Jezo_ en deszelfs inwoners, de _Aino’s_, voor dat wij de
+volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van ~Vries~
+gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen.
+
+Kort na de ontdekking van het Land van _Jezo_ door ~Vries~ en
+van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht _Breskens_, zijn in ’t
+vaderland onderscheiden berigten omtrent _Jezo_ en de bewoners van
+dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt.
+Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den
+reeds meermalen aangehaalden titel: _Korte Beschryvinghe van het
+Eylandt Eso enz._ Dit stuk is later (1692) ook door ~Witsen~
+overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze
+geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »_die nopende de ontdekking
+van het lantschap Eso_ of _Jesso_ en _Tartarye uit Batavia in den
+jare 1644 herwaarts is geschreven geworden_.” De inhoud daarvan
+beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent
+~Vries’~ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de
+hoofdbeweegreden der uitzending van ~Quast~ en ~Tasman~, en van ~Vries~
+en ~Schaep~ naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde
+~Nicolaes Witsen~ een berigt van ~Philips Jacobsz. de Bakker~,
+onderstuurman aan boord van ’t _Castricum_[127]. Van de door ~Jansonius~
+uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den
+meergemelden zeetogt en van de »_Opdoeningen en lant-verkentenissen van
+de zeekusten des lants van ~Jesso~, en van het ~Compagnies~ lant_” door
+~Witsen~ bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest
+belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den
+stam der _Aino’s_, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van
+den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van _Jezo_ bezocht
+en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes
+onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »_Beschrijving van Japan_”
+geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo
+dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen
+van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en
+te verrijken.
+
+ [126] ~N. Witsen~ l. c. pag. 55.
+
+ [127] ~N. Witsen~ l. c. pag. 59.
+
+ [128] ~Nippon~, Abtheil. VII, pag. 205-224.
+
+Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der
+_Aino’s_ te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden
+_Journael_ aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de
+Nederlandsche pers van ~Vries’~ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen
+wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden,
+waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan
+onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde
+opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de
+volkenkunde te versieren[129].
+
+ [129] De geschriften, waaruit wij deze beschrijving zamengesteld
+ hebben zijn gemerkt als volgt: (K. B.) _Korte Beschrijvinghe_;
+ (S. B.) _stuurman ~de Bakker~’s berigt_; en (J.) _~Coen~’s
+ Journael_.
+
+=Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s.= »De Inwoonderen van dese
+Eijlanden _Eso_, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick
+gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat
+het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren
+geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort,
+tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van
+vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de
+mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer
+aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken
+’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart
+ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in
+haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van
+Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130].
+
+ [130] Vergel. ~Nippon~, _Atlas_, Tab. XVI, XVII, XVIII.
+
+Op _Krafto_ zijn de vrouwen blanker als op _Jezo_: »zaegen (in den Golf
+van _Aniwa_) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart
+lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe
+gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren.[131]
+(J.)
+
+ [131] Vergel. ~Nippon~, VII _Atlas_, Tab. XXI, fig. 5. De kostbaarste
+ zijn van blaauwen _Obsidiaan_, dien zij noemen _Krafto tama_,
+ edelsteenen uit _Krafto_. Deze blaauwe koralen vindt men bij
+ alle volken in den kouden aardgordel, van het noordelijke
+ halfrond van den Grooten Oceaan tot in de _Behring_ straat, waar
+ ze van ~von Kotzebue~ in de Zond, die zijnen naam draagt, zijn
+ waargenomen geworden, verspreid.
+
+»Vonden daer (in de bogt _Patientie_) eene blancke vrouw, fraey van
+trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van
+een bever (_Zeeotter_), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een
+cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een
+saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer
+staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t Journael van
+eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen
+gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan
+de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere
+klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat
+worden.
+
+»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse
+baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een
+gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman
+wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.)
+
+=Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen.= Ten tijde van
+~Vries’~ bezoek op _Jezo_ stonden reeds lang de _Aino’s_ van het
+zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die
+zijnen zetel had in de stad _Matsmaë_. »Den _Matsmay Simadonne_
+(_Matsmaë Sima dono_), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant,
+gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot _Jedo_ begroeten,
+tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen
+te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van _Eso_
+ladende oversetten tot aen de Japansche Cust _Nabo_[132], van waer hy
+dan voorts te lande naar _Jedo_ reyst.” (K. B.)
+
+ [132] Waarschijnlijk naar den boven beschreven haven van _Nambu_, op
+ de Oostkust van _Nippon_. Mogelijk ook de haven van _Saï_ of
+ _Ohata_.
+
+»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte
+boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter
+hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied
+uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden.
+
+»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie
+persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer
+dorp gevaeren, hetwelk sy _Ackys_ (_Atkesi_ op _Jezo_) noemden, syn met
+de ~meeste gesach hebbende~ in syn huys gegaen, wiens naem was
+~Noiasack~.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid
+en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop
+volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en
+ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn
+handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet
+verstonden.” (S. B.)
+
+»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert,
+waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het
+waeijen.” (J.)
+
+De ontmoeting van _Aino_-hoofden in de Bogt van _Patientie_ zal hier
+eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke
+krijgshaftige mannen te vormen.
+
+»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van
+de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den
+eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met
+een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn
+sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende
+twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts
+gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden
+twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met
+rocken van vellen.
+
+Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam
+een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij
+sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij
+_Tacoij jankarate_ ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen
+_Tamarij_, waerop de outste sprack _Tacoij_; sijn doen toegetreden, ende
+naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen
+sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck,
+ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen
+met haar tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende _Tacoij_,
+ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick
+haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee
+persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert
+met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick
+vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee
+treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het
+hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de
+plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende
+doorluchtich.” (J.)[133].
+
+ [133] Vergelijk: _Voyage de Lapérouse_, _Atlas_ N^{o}. 50, waar eene
+ ontmoeting van _Aino_-hoofden op de westkust van _Krafto_
+ vertoond wordt.
+
+Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en
+straffen. »Hij (het _Aino_-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn
+hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op
+de aerde liggen.” (J.)[134].
+
+ [134] ~Nippon~, VII _Atlas_. T. XIX. A. fig. 3, waar deze knuppel,
+ _sjô kine_ genoemd, afgebeeld is.
+
+»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer
+vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de
+lenden.” (J).
+
+Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader
+beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen
+ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt
+gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in
+de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee
+aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met
+een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast
+hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden
+achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende
+aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende) een
+slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest
+geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven
+ofte dochter oncuijsheit bedrijven.”
+
+=Godsdienst, Begraafplaatsen.= »So veel als konden vernemen ende
+bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch
+wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst
+op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens
+storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre
+stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op
+veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten
+hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met
+een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen,
+winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.)
+
+ [135] Deze stokjes met krullen worden bij hun _Inao_ genoemd en komen
+ overeen met de _Hei_ of _Gohei_, zinnebeelden van godheden in
+ den ouden godsdienst, den _Sintô_, der Japanners. Vergelijk
+ ~Nippon~ VII, pag. 214 en _Atlas_, Tab. XVII.
+
+»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met
+gevouwen handen.” (S. B.)
+
+»Haere graven (in den Golf van _Aniwa_) waeren boven de aerde gelijck
+een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel
+besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.)
+
+»Vonden (in de Bogt _Patientie_) 10 graeven, daerin sommige dooden noch
+in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken,
+omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was
+onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs,
+doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn
+gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene
+rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist
+schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl
+ende booch, had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock
+een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in
+sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap
+van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden
+houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte
+draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in
+haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken
+oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met
+verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met
+fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136].
+
+ [136] Men vergelijke hiermede de grafzerken in de _Baie de Castries_.
+ _Voyage de ~Lapérouse~, Atlas_, N^{o}. 53, ook de door ~Toknai~
+ op de Westkust van _Krafto_ waargenomen graftombe. ~Nippon~ VII,
+ pag. 217, _Atlas_, Tab. XXII, fig. 15. De grafsteden hebben zeer
+ veel overeenkomst met die van eenige Amerikaansche volksstammen,
+ te weten de _Dacotaks_ en _Chippewas_. Ook bij deze worden de
+ lijken 12 tot 16 maanden lang in zerken, van planken en
+ berkenbast vervaardigd en die op palen rusten, bewaard, voordat
+ dezelve begraven worden. Gedurende deze tentoonstelling worden
+ spijs en drank aan de zielen van de overledenen geofferd en
+ wapenen en andere kostbaarheden bijgezet.
+
+Bij _Atkesi_, op _Jezo_, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de
+dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt
+wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de
+aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk
+ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.)
+
+De hut met een geraamte, op _Urup_ gevonden, was zonder twijfel eene
+begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het _Jezoki_
+staat[137]: »Wanneer de _Aino’s_ iemand plegtig willen begraven, hangen
+zij over zijn graf, aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den
+overledene op.”
+
+ [137] _Jeso-ki, ou Description de l’île d’Ieso etc._, par l’interprète
+ ~Kannemon~; in ~Malte-Brun~’s _Annales des voyages, etc._ Tom.
+ XXIV, pag. 147.
+
+»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een
+menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt
+van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij d^{o}.
+huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.)
+
+Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der
+inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden ~doodenkamp~,
+die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes
+(_makiri_) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de
+afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met
+verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de
+groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame
+_Aino’s_ van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van
+eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.)
+
+ [138] ~Nippon~, VIII, pag. 214.
+
+=Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel.= »Schijnen door haere
+ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde
+Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude
+konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen.
+Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste
+kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien
+ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de
+selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met
+bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh
+commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een
+vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.)
+
+»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van
+vrientschap ende gingen soo hant aen hant naer zijn huijs toe.” (J.)
+Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel
+onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.)
+
+»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans
+rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden
+in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de
+prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.)
+
+De vrouwen, vooral de oude, zijn niet onkundig en schijnen veel te
+zeggen te hebben, »waerop de outste vrouw mijn meening eerst verstaende
+etc.” (J.) »Een hutie alwaer een stockoude vrouw uijtquaem, leunende op
+een stockien, scheen veel hebben te zeggen.” (J.) »De mans zijn voor
+vreemdelingen op haer vrouwen ende dochters seer jalours, soodat niet
+mogen lijden dat men met haer stoeijt ofte speelt: wanneer bemerken dat
+ijemant haer tot hoerereije versoeckt, sullen hem dooden, soo in haer
+macht bekomen.” (K. B.)
+
+»Waneer haer vrouwen baren, ende in kinder-bedt zijn, so houden sij hare
+residentie in een huijsjen apart, daer gedurende den tijdt van 2 a 3
+weecken geen mans-persoonen bij haer komen; hare kinderen te werelt
+brengende zijn heel blanck; wanneer sij die de borst sullen geven, ende
+datter eenighe van onse Nederlanders ontrent waren, soo deden ’t gantsch
+bedecktelijck, haer borsten niet wijders ontblotende, als de kinderen de
+tepels even met de mont vatten konden. Ja selfs de meijsjens ende
+kleijne kinderen, daer veel tijdts met schoon weder naeckt loopende, en
+de Nederlanders siende, sullen met hooft, handen ende beenen in
+malkanderen krimpen, ende haer seer beschaemt toonen. De vrouwen dragen
+haere kleijnen kinderen in haer rocken, met een bant om ’t hooft[139],
+op haer ruggen, zijn op haer matjens daer sij de vloer mede bedecken,
+ende op haer spijs ende dranck veel reijndelijcker, als over haere
+lichamen en kleederen, die veel tijdts (soo wel van mans, vrouwen als
+kinderen) seer vuijl ende smeerigh daer uijt sien, ende weijnigh
+vernieut ofte gewassen worden. Haer spijs ende voetsel is visch,
+walvischspeck, traen, groente, knoppen van roode roosen, die in
+_Acqueis_ in overvloet zijn; welke afgepluckt zijnde, de groote hebben
+van een mispel, ende worden teghens de winter gedrooght, ende zijn haer
+winterprovisie. Hebben verlackte kopjens, ende vierkante backjens daer
+sij haer eten in opschaffen, ijder een kopjen voor haer hebbende, etende
+met stockjens op de Japansche maniere, behalven op 48 graden 50 minuten
+(in de bogt van _Patientie_), die wel op de Japansche maniere
+geschooren, ook met sijde rocken bekleet zijn, en wat blancker, ende
+veranderlijck van spraecke zijn, maer nemen haer eten met de vinghers,
+sonder de voorsz. stockjens te gebruijcken.” (K.B.) »Sy hebben geen sout
+in gebruike” (J.) »De mans ende vrouwen zijn tot stercken drank seer
+ghenegen, en worden daer oock heel licht droncken van” (K. B.) »Droncken
+saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sij
+allegaeder begeerich waeren”. (J.) »Als sy drincken lichten haer knevels
+op met een vinger” (J.) »Sitten op zyn Japansch op de matten” (J.)
+
+ [139] De _Aino’s_ dragen alle lasten op den rug, door middel van een
+ band of riem die over het voorhoofd loopt. Deze gewoonte van
+ kindsbeen af aan gevolgd moet aan het voorhoofdsbeen (_Os
+ frontalis_) eene onnatuurlijke rigting geven en hetzelve naar
+ achteren drukken, waardoor zich dan ook hun voorhoofd kenmerkt.
+ Vergel. ~Nippon~ VII. _Atlas_ Tab. XVI, waar de wijze hoe de
+ _Aino’s_ hunne wapenen dragen vertoond is.
+
+=Woning, huizen, hutten, voorraadschuren, forten enz.= »Hare huijsjens,
+die meest voor aen strant in ’t hangen van ’t geberghte, ende eenige
+daer boven op staen, zijn van planken, gheschaeft ende het een in den
+andern gevoeght, met basten van boomen gedeckt; doch de meeste part met
+opgerechte stijlen, met breede basten van boomen, soo wel ter zijden,
+als boven bedeckt, met een veijnster boven versien om den roock van ’t
+vijer uijt te trecken, dat midden in ’t huijs gemaeckt word; zijnde van
+binnen een camer met afgeschutte deelen, die rontom curieus met enckelde
+biesematten langs de aerde bedeckt is, 10 a 12 treden langh, ende 6
+breed zijnde, alles seer poliet ghemaeckt, eenigen met een stacketsel
+van sparren rontom beset. Hare huijsen zijn boven de twee mans langhte
+niet hoogh, even als de boeren-hutten in de Nederlanden, ende de deuren
+so laegh, dat men daer al bockende in gaen moeten; staen niet veel bij
+den anderen; ’t meeste ghetal, dat van de onsen bij den anderen ghesien
+wierdt, was 18 à 20, ordinaris 6, 7, 9, ende 12, dan meer als een half
+mijl van den anderen, oock de meesten part leedigh ende onbewoont.
+Hebben geen huijsraedt als enkele biesematten, hare Japansche rocken
+zijn benevens ’t silver-werk haer cieraet, hebbende weijnigh deekens om
+op te sitten ofte te slapen” (K. B.)
+
+Daarmede stemmen ook de op verscheiden plaatsen in ’t Journaal te lezen
+beschrijvingen en de afteekeningen, die wij van Japanners verkregen
+hebben, overeen[140]. Daarin wordt ook van hutten, voorraadsschuren en
+van hokken voor beeren, voor arenden en andere vogels gewaagd. Eene in
+den golf van _Aniwa_ aan het strand staande hut of tent wordt alzoo
+beschreven: »was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck,
+waer in ’t midden vuur aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen
+cruyt over hinck ende coockte” (J.)[141].
+
+ [140] ~Nippon~ l. c. Tab. XVI. XX. ~von Krusenstern~, Reise. Atlas no.
+ LXXVI.
+
+ [141] Vergelijke ~Nippon~ l. c. Tab. XVIII. ~von Krusenstern~, l. c.
+ No. LXXX.
+
+»Cleyne packhuysen, omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4
+stutten ofte steylen, alwaar gedroochte visch in lach, de deuren daarvan
+waren van vurenhout ende maer toegebonden.”[142]
+
+ [142] ~Von Krusenstern~ l. c. No. LXXVI. ~Nippon~ l. c. Tab. XVI.
+
+»Bij dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaar eertijts scheen eenig
+gedierte in gezeten te hebben. Veel cleyne hoeckies daer noch eetens
+ende drinckens backies aen vast waren” (J.) »hier stont een groot
+vierkant hock, alwaer een groote swarte beer in sat[143], aen elke hoeck
+van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen
+hangende veel spaenderties; ik vermoede, dat het tot triumf was over den
+gevangen beer ofte eenige afgodendienst.” (J.)[144].
+
+ [143] ~Nippon~ l. c. Tab. XVI.
+
+ [144] Het zijn de bovenvermelde ~Inao~; Overigens wordt bij hen de
+ beer in eere gehouden en deshalven ook genoemd _Hokjok Kamui_
+ (_Kamui_, Japansch _Kami_ God). Zij voeden evenwel de jonge
+ beeren op met de bedoeling ze aan hunne Beschermgoden op te
+ offeren en tevens bij het offerfeest te eeten. Vergelijk
+ ~Nippon~ l. c. pag. 203, 219. Tab. XVII, waar het Beerenfeest
+ _Omsia_ vertoond wordt.
+
+Ten tijde dat het schip _Castricum_ in de Baai _de Goede Hoop_ zich
+ververschte, vernam men, dat de inwoners van _Atkesi_ met hunne
+zuidelijke naburen in geen goede verstandhouding leefden, en stuurman
+~Coen~ zag daar eenige bevestigde wooningen. »Dese forten waeren
+gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waren, was maer
+een smal opcomende wech, hetwelck steijl was om op te climmen, ende
+waeren pallisaeden in ’t viercant gestelt van de lengte ende de hoochte
+van 1½ mans lengte, daer stonden 2 à 3 huijsen in; waren groote vueren
+deuren in de pallissaeden met groote clampen; als die toe waeren, werden
+dan met twee dicke houten geslooten, sijnde door de clampen
+heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde
+pallissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken,
+om daerop uijt te kijcken, voorts sijn de pallissaeden wel met
+dwarshouten aen malcander geslooten.” (J.)
+
+=Kleeding en andere opschik.= »Haere kleedinge is meest op de Japansche
+maniere, doch weynigh van sijde, meest van water-bloemen geschilderte
+blaeuwe cangans, met ofte sonder ghevoerde Japansche rocken; maeken
+eenige van kleetjens selfs haere rocken, de mouwen aen de handen niet
+soo wijdt, maer bijkans sluijtende; benaijen die met stroockjens ende
+lapjens van sijde kruijs-weeghs, met kirimirien, desgelijcks maecken
+oock rocken van beestevellen; de mans de rocken voor open, ende de
+vrouwen die als een hembt toe hebbende.” (K. B.)
+
+Meer bijzonder zijn de kleederen en andere opschik in het Journaal
+beschreven; op de Oostkust van _Jezo_: »Sij hadden grove rocken van
+hennipe linnen aen[145], daerover rocken van vellen gemaeckt, sij hadden
+gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in
+sijn oor, het welck was van specij als coper ende half gout.” (J.)[146].
+
+ [145] Deze worden van den bast van eenen boom, _Ats’ni_ genoemd,
+ waarschijnlijk eene soort van _Broussonetia_, vervaardigd.
+ Vergel. ~Nippon~, l. c., pag. 209. Tab. XVII.
+
+ [146] ~Nippon~, l. c. pag. 210. Tab. XXI, fig. 6, 7, 8.
+
+In den Golf van _Aniwa_. »De man had een rock aen van catoen, blau met
+witte oochies; zijn vrouwen waeren gecleet de een met een hennipe grove
+rock wat vernaeijt sijnde, de ander vrouw had een rock aen van robben
+vellen.” (J.)[147].
+
+ [147] ~Nippon~, l. c. Tab. XVI, XVII, XVIII.
+
+»Ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeijt met root ende blauw
+catoene gaeren.” »Sommige hadden rocken van vellen aen.”
+
+»Vonden daer op een verheven plaets waer matten op laegen (het
+_Aino_-hoofd) zitten, zijnde gecleet met een blauwe catoenen rock met
+witte bloemen, sijn vrouw aen sijn slincker sij, gecleet met een rock
+die met veel strickies ende cruijsies vernaijt was, met alderhande
+coleur van catoene gaeren; deze rocken waeren als de Japansche catabers
+(_Kata hira_, eene soort neteldoek).
+
+»De stockoude man (een _Aino_-hoofd) had een blauw catoenen rock aen
+alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden in een groote
+vierkante perk; deze rok was met alderhande coleuren van catoene gaeren
+genaeijt ende versiert.” (J.)
+
+»Hadden alte gaeder schrooties armosijn van alderhande coleuren in haer
+ooren.” (J.)
+
+»Des huijsheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer
+hals, waer copere teijckens tusschen geregen waeren ende eenige andere
+coralen.” (J.)
+
+»Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren.” (J.)
+
+»Waervan de eene vrouw een cleijn kintie op haer schoot had, soo schoon
+als ooijt gezien heb, ’t welk een meysie was, hebbende eene blauwe
+craelde kettingh om sijn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen
+waeren; aen d^{o}. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlijck
+gemaect, wegende met haar tween wel ½ pond swaer.” (J.)[148].
+
+ [148] Van zulke eene in haar soort kostbare halsketting met
+ versierselen van geel koper werd ons eene teekening medegedeeld.
+ ~Nippon~, l. c., Tab. XXI, fig. 4.
+
+=Wapenen, vaartuigen, jagt- en vischvangst-gereedschappen.= »Haere
+wapenen zijn pijlen en boogh, nevens een houwer, de Japansen seer
+gelijck, alle met een dun silver rantjen om de plaet beslagen; dragen de
+selvige met een draegh-bandt op sijn Persiaens, de pijl-koocker met een
+bandt om haer hooft, op de rechterzijde hangende; hare booghen zijn 4 à
+5 voeten langh, van elsen ofte esschenhout, ende de pijlen een half
+ellen, seer subtijl gemaeckt, voor aen een harpoentje van riedt
+hebbende, dat met swart fenijn bestrijcken, soo dat wie daer mede
+ghequetst wordt, die moet terstont sterven”[149]. (K. B.)
+
+ [149] ~Nippon~, l. c., pag. 210-211. Tab. XXII, fig. 1-5.
+
+Dit wordt bevestigd.
+
+»Presen dat haer pijlen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn
+bestreecken” (J.).
+
+»Den outste had een pylkooker met aen syn hooft hangen met een booch in
+syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer”[150].
+
+ [150] ~Nippon~, l. c. Tab. XVI.
+
+»De inwoonders (van den golf van _Aniwa_) hadden sommige houwers op haer
+sy, daar de plaeten rontom met silver waeren beslagen ende ook de scheen
+(scheden) aan de eynden seer sierlijk, haer heften van haer houwers ook
+sierlijk met silver in geleijt einde gewrocht.” (J.)
+
+»Dese lieden zijn in de natuer luijaerts, niet vlijtigh om te arbeijden,
+zaeijen nochte maeijen niet, geneeren haer met een kleijn praucken,
+’twelk uijt een dicke boom gehackt is, ende aen beijde zijden met vier
+plancken opgeboeijt, een voet hoogh[151], roeijen daer mede ghelijck de
+boeren met haer melck-schuijten, dan slaen de riemen niet gelijck in ’t
+water, gaen daer mede schieten ende visschen robben ende andere
+zeeghedierte; waer toe sij mede ghereetschap hebben, als harpoenen van
+been, de punct met een stuckjen ijser ofte kooper versien; hadden oock
+segens op de Hollandtsche maniere ghebraeijt, het gaaren van hennep
+gesponen, die daer in’t wildt wast, houdende het eene eijnde in de
+mondt, soo weten met de handen het gaeren soo ’t samen te draeijen, ende
+bequam te maecken.” (K. B.)
+
+ [151] Vergelijke ~Nippon~, l. c. pag. 213. Tab. XXIII, fig. 1, 2, 3.
+
+Zij laten hunne vaartuigen door honden trekken. »Sloegen daer vijf witte
+ruijge honden voor, met hem (hennip) seelen om haer lijf; den stuerder
+after het vaertuijch sittende riep eens, die honden begonnen stracx aen
+het trecken te pueren.” (J.)
+
+Insgelijks ook aan sleden. »Een ijsslee, zijnde van een vreempt
+fatsoen.” (J.)[152].
+
+ [152] ~Nippon~, l. c. Tab. XXII, fig. 7.
+
+»Hebben mede knippen, die als een booge gespannen zijnde, soo is in’t
+hout van de booge een rondt gat ghemaekt, daar eenigh aes in legghen, de
+voghels, als meeuwen, arenden, snippen, ofte ravens daer dan in
+komende, picken, ofte haer voet in steecken, soo springhet de booghe op,
+ende blijft de voghel vast[153]. Hebben altijdt waerse gaen pijlen en
+boogh, nevens een houwer op haer zijde; waer mede sij oock in ’t bosch
+gaen om grof wildt te schieten, als beeren, reen, harten, elandts, ende
+ander bij ons onbekent ghedierte.” (K. B.)
+
+ [153] Deze knipbogen, die zeer zinrijk uitgedacht zijn, vindt men ook
+ te Japan in gebruik en worden _Hana wake_ genoemd.
+
+»Haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen
+bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van
+de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer
+daer een een poos de uijtsicht gehad heeft; de rest van de honden 10 à
+12 bij troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van
+salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plontsen soo met
+swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheijt hem dan
+verheft uijt het water, ende springt op plaetsen, daer weijnich water is
+of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grijpen die
+salm; dan bijten die stracx de cop af ende brengen het lijf bij haer
+meester in huijs, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met
+laech water.” (J.)
+
+Merkwaardig en eenvoudig is hare wijze, om vuur te maken: »Hadden haer
+vuerslagen bij haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies
+daer een holletien in is, was voorachtich hout, daertoe hebben sij
+rieten daer een cort stockien in steckt; als sij vuur hebben willen, soo
+sloten sij dat stockien in dat holletie ende vrijven dat tusschen haer
+handen, dat het omdraeijt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel
+houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer.” (J.)
+
+=Handel.= De _Aino’s_ drijven alleen ruilhandel met de Japanners, met de
+noordelijke bewoners van _Krafto_, en van het _Amurland_. »De mannen
+verruijlen traen, walvischspeck, geroockte walvischtongen, veelderhanden
+vellen ende vogelveederen aen de inwoonderen van Japan, die hier eens
+des jaers komen, om die waeren op te koopen, daer voor gevende rijs,
+sacie, Japansche rocken (soo van sijde, als blaeuwe cangans), koopere
+tabacks-pijpen ende taback, doosen, verlackte eet- en drinck-bacxkens
+ende kopjens; silvere oorhanghers, loode ringen om in de ooren te
+hanghen, bijlen ende messen, soo dat al wat sij hebben, sulcks meest van
+de Japanders ruijlen: haer spraeck is een weenigh met het Japans
+vermenght: zijn seer subtijl in haer handel ende niet diefachtigh.” (K.
+B.)
+
+Kwamen op de oostkust van _Jezo_ hunne goederen aan de Nederlanders
+aanbieden: »Dese prauw was vol velwerk; als robbenvellen, elants, otters
+ende beeren ende eenige bij ons onbekende vellen; presenteerden het
+alles te verruijlen voor Japansche rocken.” (J.)
+
+Waren in den Golf van _Aniwa_ en de Bogt _Patientie_, »seer begeerigh
+naer ijser, daer vogelvederen ende velwerck voor gevende, weten de
+vederen seer pertinent in doosen te packen.” (K. B.)
+
+»Presenteerden mij een fijn ottervel, waervoer ick hen een oude
+scheepsbijl gaf, ende was daer heel blijde mede.” (J.)
+
+»Ja hoeveel zilver men hen ook aenbood, zo verkozen zij altijt het ijzer
+voor het zilver.” (S. B.)
+
+»Deze luiden waren oock graegh na zijde stoffen, daer voor zij bontwerk
+en zilver in overvloet aenboden.” (S. B.)
+
+Thans is de handel der Japanners met de _Aino’s_ op de geheele kust van
+_Jezo_ en tot op _Krafto_ in den Golf van _Aniwa_ uitgebreid en wordt
+met veel voordeel gedreven. Gedroogde en ingezouten visch, vooral zalm,
+haring, sardijnen, stokvisch, schelpvisch, zoo als klipzuigers (_Awabi_,
+_Haliotis Japonica_), _Tripang_ (_Iriko_), zeekroos (_Kombu_, _Fucus
+esculentus_) beerenvellen, zee- en rivier-ottervellen, arendveeren zijn
+de voornaamste artikelen, die zij tegen rijst, sake, tabak, katoenen
+stoffen, nieuwe en oude kleederen, lakwerken, sabels, messen, ruw ijzer,
+gegoten ijzeren en koperen ketels en pannen, enz. inruilen. Ook ruilen
+de Japanners van de _Aino’s_ eenige andere goederen, zoo als gebloemde
+en met gouddraad doorweefde zijden stoffen, _kensju_ genoemd,
+hengelsnoeren (_susi_, uit het _corpus sericeum_ van eene rups
+vervaardigd), de meergenoemde blaauwe obsidiaan-koralen (_Krafto tama_)
+en geëmaljeerde tabakspijpen, die zij door hun verkeer met het
+_Amurland_, van het volk van _Santan_ en van de _Mantschou’s_, die naar
+_Deren_, eene handelsplaats aan de _Amur_, niet ver van de _Baie de
+Castries_, komen, verkrijgen[154].
+
+ [154] ~Nippon~, l. c. pag. 173.
+
+De beantwoording der vraag over de afkomst der _Aino’s_ en hunne
+verwantschap met andere naburige volken zoude eene hoogstgewigtige taak
+voor de volkenkunde opleveren. Hunne verdichtsels omtrent hunne afkomst,
+die zich bij overlevering en in volksgezangen bewaard hebben, verdienen
+niet meer geloof dan alle dergelijke fabelachtige verhalen bij andere
+ruwe en onbeschaafde volken[155]. Aan de Japanners zijn de _Jebisu_ of
+Oost-wilden bekend van den tijd af aan, wanneer de stichter van de
+_Mikado’s_ of Erfkeizers dynastie, ~Zin mu ten wô~, zijn rijk naar het
+oosten en noorden begon uit te breiden, dus van 660 voor J. C. In de
+Chinesche Geschiedenis wordt het eerst onder de dynastie der _Han_ (189
+v. J. C. tot 30 n. J. C.) van den volksstam _Mao-min_ gewaagd, die aan
+de overzijde van de Oostzee te huis hoorde en over het geheele lijf
+behaard was. Ook wordt in de geschiedenis van de _Sui_ dynastie (608-622
+n. J. C.) van een’ volkenstam _Mozin_ gesproken, die uit vijftig horden
+bestond, en die in het gebergte in ’t N.W. van het land _Woke_ (_Japan_)
+woonde. Met de _Aino’s_ werd men eerst in ’t midden der 7de eeuw (659)
+persoonlijk aan het Hof van _T’ang_ in China bekend, waar door een
+Japansch gezantschap twee _Aino’s_ als zeldzaamheid aangebragt
+werden[156]. Daar het grootste gedeelte van het Noorden van _Nippon_ ten
+tijde van ~Zin mu ten wô~ door de Oostwilden, de _Aino’s_, bewoond was,
+zoo kan men met zekerheid vooronderstellen dat deze volksstam daar reeds
+voor 2500 jaren bestaan heeft. De noord-oostelijkste grens van zijne
+verspreiding laat zich echter niet verder dan tot het tweede van
+_Kamtschatka_ afgelegen Kurilsche eiland _Para muschir_ aanwijzen. Op
+het eerste Kuril’sche eiland _Schumschu_ heeft reeds eene verbastering
+der _Aino’s_ met den oorspronkelijken stam der _Kamtschadalers_, de
+zoogenoemde _Itülmen_, plaats. Deze _Itülmen_ hebben echter geene
+gelijkenis met de bewoners van de zuidelijke _Kurilen_, de _Aino’s_,
+noch in gedaante noch in taal; en deze oude bewoners van _Kamtschatka_
+zijn ook vroeger dan de _Tungusen_ en _Koriäken_, die zich thans
+tusschen _Kamschatka_ en het naburige _Oost-Siberië_ nedergezet hebben,
+op het schiereiland gehuisvest geweest en waarschijnlijk in den oudsten
+tijd van het land in ’t Z.W. van den _Amur_ gelegen derwaarts gekomen.
+Deze groote stroom was de weg van eene voorgeschiedkundige
+volksverhuizing, zoo als hij misschien zal worden de baan van de
+Europesche beschaving naar het binnenland van het Noord-oostelijke
+gedeelte van het Chinesche rijk en van Siberië. De oude bevolking der
+_Baie de Castries_, zoo als die ons ~Lapérouse~ beschrijft, heeft reeds
+veel overeenkomst met de _Aino’s_ in gedaante, zeden en gebruiken; en
+ook de stam van de _Kileng_ en _Ketscheng_, waarvan de eerste het gebied
+in ’t W. van den _Amur_, de door den _Hingon_ (_Aemgun_) doorstroomde
+valleien, en de laatste het kustland in ’t Z.O. van den _Amur_ en
+tegenover het eiland _Krafto_ bewoont, heeft veel gelijkenis in zijn
+uiterlijk voorkomen, zijne zeden en gebruiken met onze _Aino’s_. Zoo
+zouden zich dan wel duizendjarige voetstappen van den _Aino_-stam op
+de kust van het vaste land van _Azië_ laten opsporen; doch dien verder
+tot aan zijne wieg te vervolgen, laten de gebrekkige geschied- en
+volkenkundige berigten niet toe, die wij dus verre uit deze gewesten--in
+het N.O. van _Kôraï_ en van het Zuidwestelijke stroomgebied van den
+_Amur_ bezitten. Alles wat wij van dit merkwaardig volk weten, getuigt
+echter voor zijnen hoogen ouderdom.
+
+ [155] Vergelijk ~Nippon~ l. c. pag. 221.
+
+ [156] ~Nippon~ l. c. pag. 222.
+
+De slotsom van deze onze gissingen komt hierop neder: op gelijke wijze
+als in voorgeschiedkundigen tijd de _Itülmen_, de oudste bevolking van
+_Kamtschatka_, naar dit schiereiland gekomen zijn, en later door eenen
+anderen volksstam opgevolgd en tot aan het zuideinde voortgedreven is
+geworden, is het ook waarschijnlijk, dat in nog veel vroegeren tijd,
+ook langs den _Amur_, de _Aino_-stam allengs zich over de zoo digt
+bij het vaste land gelegen eilanden (_Jezo_, de _Kurilen_ en
+_Krafto_) uitgebreid heeft; doch in het N.O. door de hem opvolgende
+_Itülmen_, en in het N. en N.W. door de later verschenen _Koriäken_
+en _Tungusen_--deze omzwervende visschers en jagers, die wij op
+_Krafto_ onder de namen van _Smerengur’s_ en _Orotsko’s_ weder
+herkennen[157]--teruggedreven, en in het Z. door de nakomelingen van
+~Zin mu ten wô~ vernield of verjaagd, tot zijne tegenwoordige
+woonplaatsen is beperkt geworden.
+
+ [157] ~Nippon~, l. c. bl. 182.
+
+De ons verborgen gebleven jaarboeken, waarin de verhuizing van den
+_Aino_-stam beschreven is, dagteekenen van voor vele duizenden jaren, en
+toch schijnt hij in zijne wieg reeds door eenen lichtstraal van
+beschaving te zijn beschenen; evenzoo telt ook de geschiedenis van zijne
+afsluiting van de overige wereld duizenden jaren, waardoor dan ook noch
+een geestelijke, noch een maatschappelijke vooruitgang bij dit volk
+heeft kunnen plaats hebben. Onder deze omstandigheden treffen wij de
+_Aino’s_ na verloop van vele duizenden jaren nog op den laagsten trap
+aan van eene aartsvaderlijke beschaving, die zij bij hunne afzondering
+en onder de dwangheerschappij van de stoute Japanners uit eigen kracht
+van geest niet vermogten te overschrijden. Bij deze onmagt, bij zulk een
+zedelijk onvermogen om den beker van vreemde belustheid, hun door de
+beschaafde westersche en zuidelijke natiën aangeboden--te kunnen
+weigeren, zullen deze van natuur krachtige, maar onnoozele, schepselen
+al spoedig ontzenuwd en zedeloos, even als hunne naburen, de
+Kamtschadalen en de Noord-Amerikaansche volksstammen, ten grave dalen!
+
+Doch een ~Lapérouse~ en een ~von Krusenstern~ hebben reeds aan dit
+goedhartig en braaf volk eene gedenkzuil opgerigt: »_On ne peut douter
+qu’ils n’ayent beaucoup de considération pour les vieillards, et que
+leurs meurs ne soient très douces; et certainement s’ils étaient
+pasteurs, et qu’ils eussent de nombreux troupeaux, je ne me formerais
+pas une autre idée des usages et des moeurs des patriarches._”[158].
+
+ [158] _Voyage de ~Lapérouse~_, Tom. III, pag. 40.
+
+»_Einigkeit, Stille, Gutmütigkeit, Bereitwilligkeit, Bescheidenheit:
+alle diese wirklich seltenen Eigenschaften, die sie keiner verfeinerten
+Kultur zu verdanken haben, sondern welche nur die Gefühle ihres
+natürlichen Charakters sind, machen, ~dass ich die Aino für das beste
+von allen Völkern halte~, die ich bis jetzt kenne._”[159].
+
+ [159] ~Von Krusenstern~’s _Reise um die Welt_, Band II, pag. 80.
+
+
+
+
+DE TAAL DER AINO’S.
+
+
+De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven _Hakodate_, de
+_Aino_-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van
+woorden, uit den mond van dat merkwaardige volk overgenomen,
+medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die ~Dawidow~ van
+zijne expeditie naar de baai van _Aniwa_, in 1807, medegebragt heeft, en
+die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de
+overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners
+daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van _Jezo_
+verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich
+allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken
+zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun
+syllaben-schrift (het zoogenaamde _I-ro-ha_) zoo getrouw als mogelijk
+weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij
+door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige
+betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en
+ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot
+eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de _Aino_-taal door den
+gemeenzamen omgang met een beschaafd volk veredeld heeft, zoo bleef
+dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich
+als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de
+naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der
+woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en
+noordelijke volken (_Samojeden_, _Tungusen_ en _Kamtschadalen_),
+waarmede de _Aino’s_ in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal
+ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden
+Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende
+voorwerpen en begrippen aan te duiden. De _Aino_-taal, even als ook deze
+volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het
+Noordoostelijk _Azië_ daar; de algemeene regels echter, waarna zich de
+rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke,
+noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van
+_syllaben-schrift_ (zoo als: de _Mantschou’s_, _Mongolen_, _Tubetanen_,
+_Jakuten_ enz.) en niet met een _woorden-schrift_, teekens van woorden
+(zoo als de _Chinezen_), schrijven, overeen.
+
+ [160] ~Lapérouse~, Tom. III, pag. 40. ~Broughton~, Tom. I, pag. 390.
+ ~Von Langsdorf~, Theil I, pag. 300. ~Von Krusenstern~,
+ _Wörtersammlung aus der Sprache der Aino_ (nach ~Dawidow~). St.
+ Petersburg. 1813.
+
+ [161] De meergenoemde ~Mogami Toknai~ heeft in 1804 een
+ _Aino_-woordenboek door den druk uitgegeven, onder den naam van:
+ _Jezo-Fôgen_ of _Mosiho Kusa_, en ons daarvan een verbeterd
+ handschrift: _Jezo ga sima Kotoba_, d. i.: “Taal van het eiland
+ _Jezo_,” medegedeeld. Buitendien hebben wij nog verscheidene
+ handschriftelijke woordenverzamelingen door Japanners, die op
+ _Jezo_ waren, verkregen. Vergelijk: ~Nippon~, VII, _Nachrichten
+ über Jezo, die Kurilen, Krafto und das Amurland_, pag. 224-244.
+ “Die Aino-Sprache.” Ook heeft onze verdienstelijke landgenoot
+ ~Isaac Titsingh~ (in de jaren 1780-1784 Opperhoofd van den
+ Nederlandschen handel op _Japan_,) eene verzameling van ruim
+ honderd _Aino_-woorden, bij zijne uit oorspronkelijke Japansche
+ boeken zamengestelde beschrijving van het land van _Jesso_,
+ gevoegd, mede naar het vaderland overgebragt. _Descriptions de
+ la terre Jesso, traduites du Japonais, par feu_ M. ~Titsingh~,
+ in: _Annales des Voyages, par_ ~Malte-Brun~. Tom. XXIV, pag.
+ 145.
+
+Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende _grammaticale_
+beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de
+_Aino_-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook
+Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich
+als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond
+der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de
+nieuwe wereld gebaand hebben.
+
+1. _De woorden_ van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee
+lettergrepen zamengesteld:
+
+ _Japansch._ Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta.
+
+ _Aino._ Ofunaki atuï-ta uneu is’tan.
+
+ Nuper in mare phocam quaesivi.
+
+2. _De zelfstandige naamwoorden_ zijn zonder geslacht, worden
+menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in
+het laatstgemeld getal worden de woorden herhaald of van eenige
+bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula,
+aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of
+genitivus gaat altijd vooraf.
+
+_Jap._ Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo
+quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo,
+hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius.
+
+_Aino._ Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes,
+guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem;
+guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum.
+
+3. _De bijvoegelijke naamwoorden_ staan voor de zelfstandige; zij maken
+den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde
+van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch
+_van_, in de _Aino_-taal _beter dan_; den overtreffenden trap door het
+voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord
+_zeer_.
+
+_Jap._ Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï,
+hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam
+altus.
+
+_Aino._ Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius;
+rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor.
+
+4. _De telwoorden_ _een_ tot _tien_ zijn, als grondgetallen, in het
+Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de _Aino_-taal maar _een_ tot
+_acht_, ook _twintig_ en in het oude Japansch _honderd_; zij worden door
+particulae verbonden, die de beteekenis hebben van _en_, _nogmaals_ of
+_meer_, ook _weiniger_.
+
+_Jap._ Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6;
+nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo,
+100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’
+mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60.
+
+_Aino._ Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp, 5; iwanbe, 6;
+aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e.
+minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20;
+asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim:
+restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21;
+tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10).
+
+5. _De voornaamwoorden._ De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige
+woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de
+derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het
+aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het
+zelfstandig naamwoord.
+
+_Jap._ Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito
+(iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata
+gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no,
+tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput.
+
+_Aino._ Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja,
+illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i
+tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja
+an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan
+gur’tsise, huius hominis domus.
+
+6. _De werkwoorden._ De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering
+van den uitgang gemaakt: _a._ een tegenwoordige, in het Japansch met den
+uitgang _u_, in de _Aino_-taal _an_, _ki_, _re_, _u_; _b._ een
+verledene, meestal met den uitgang _a_; _c._ een toekomende tijd of een
+potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen
+tijd, in de _Aino_-taal door eene aangehangen particula gevormd. De
+lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der
+uitgangen gemaakt, die in de _Aino_-taal _lijdelijke_ hulpwoorden
+schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des
+uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in
+de _Aino_-taal staat dikwijls daarvoor eene particula naar een
+voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door
+achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën
+(ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden
+aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging,
+in de _Aino_-taal worden de ontkenningen door de particula ~niet~
+beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden
+aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden
+gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de
+onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke
+worden omschreven.
+
+_Jap._ Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru,
+verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans;
+utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo
+miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non
+verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum;
+aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia
+decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.)
+
+_Aino._ Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui,
+verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum;
+sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni,
+i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non
+congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa,
+existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum
+est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat
+(verb. Deus sonat).
+
+7. _De voorzetsels_ en een oogmerk aanduidende en reden gevende
+_voegwoorden_ staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking
+hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken.
+
+_Jap._ Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka maëni watak’swa
+desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi.
+
+_Aino._ Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter
+hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare.
+
+
+
+
+AINO-GESPREKKEN.
+
+
+Eenige _Aino-Gesprekken_ mogen tot voorbeeld van de woordvoeging en de
+spreekwijze dienen:
+
+Ikoro kotan siri monosiri anna?
+
+Gaat het wel te huis?
+
+Ofunaki atui-kata reba uneu istan.
+
+Onlangs op zee varende heb ik zeehonden gevangen.
+
+Tsibû ani rurajan itasja bunma tutara atte nankonna.
+
+Zend dit met het schip, ik zal u ter belooning twee zakken (rijst)
+geven.
+
+Hosike onumani tan kotanta heroki athuwa.
+
+Eergisteren hebben zich hier visschen opgehouden.
+
+Keannak’ hauki an koratsi an?
+
+Is het zoo als gij zegt?
+
+Sinanta uwekariwa bunkine rejan.
+
+Komt hier te zamen om wacht te houden.
+
+Tewun sisjamu anakine asijur asi rutske askaï nêna.
+
+De man, die hier moet wacht doen, zal eene groote belooning vragen.
+
+Osi sireba kusju sjomo osjaganke jakka pirikana.
+
+Daar hij komt, heeft men hem niet te roepen.
+
+Tan ithuikari bajasi aiine nekona kotan ana?
+
+Dezen hoek volgend, aan welke plaats komt men?
+
+Kamui juwanke tsib’ jankena.
+
+Met God’s hulp wordt het schip behouden.
+
+Ohono sjomo unukara.
+
+Lang niet gezien.
+
+Wene kappirika ariiamande tsumi itsikore nangonna.
+
+Wie kwaad doet wordt gestraft.
+
+Pirika guni kurumu an.
+
+Het zal zoo wel goed zijn.
+
+Ponno osite tsimi anbe ama.
+
+Wacht maar, ik kleed mij.
+
+Teirean gusitapf nani afunkeja.
+
+Ik verwacht u, kom binnen.
+
+Nefutsi jokibene sjanke nankoro tasju kamitatsi sinetara sjôkoru.
+
+Wanneer het goede waar is, geef ik er eenen zak rijst voor.
+
+Uteke anbano uhihibai sen.
+
+Zich de hand gevend volgt de een den ander.
+
+Nepu karukuse jaibasjare.
+
+Waartoe maakt gij twist?
+
+Mokoroi kottetsu uwatasi.
+
+Daar ik rusten wil, zijt stil.
+
+Ramukanbare tsiriusi.
+
+Dat is breeder dan men denkt.
+
+Iteke jaibaro usi.
+
+Niets onnoodig spreken.
+
+
+
+
+VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN.
+
+
+Wij laten eene keuze van _Aino_-woorden volgen, met de bedoeling om zoo
+wel door taalkundige oorkonden eene aanwijzing te geven tot het opzoeken
+der sporen van de afkomst van dat merkwaardige oude volk, als ook aan
+zeevaarders en reizigers de gelegenheid te verschaffen tot een nader
+onderzoek van deze nog zoo weinig bekende taal. Daarbij hebben wij
+tevens de beteekenis der _Aino_-woorden in het Japansch gevoegd, zoo als
+die ons door de Japanners, die zich op de _Aino_-taal hebben toegelegd,
+zijn medegedeeld geworden. De _Aino_-woorden van _Jezo_ hebben wij
+meestal uit ~Toknai~’s Woordenboek, en die van _Krafto_ uit ~Dawidow~’s
+en ~Lapérouse~’s Woordenverzameling overgenomen.
+
+
+~NOMINA.~
+
+
+1. DE WERELD EN DE ELEMENTEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Aardbeving naï (dsisin) siri sjumui schiri moi
+ Aarde tsi sirika
+ Aardrijk tsutsi toi toi tui
+ Avond joi sirionuma unumani
+ Beek sawa naï
+ Berg jama kimita, kimro kinda
+ Bliksem ina fikari kamui ne beke kamoinibiki
+ Dag akiraka siribekere schiribegere
+ Deze dag kon nitsi tantoo tan too
+ Dampkring sora nisoro
+ Daauw tsuju munbe muni wakka
+ Donder kami nari kamui fumi kanna kamoi fumi
+ Ebbe sihohi sirari sjats
+ Eiland sima mosiri muschiri
+ Erts kane kani gani
+ Golf tadenami kaibe kui
+ Hagel arare kaukau kaukaubass
+ Hemel ama rikita ni schi uro?
+ Herfst aki tsjuk
+ Heuvel nobori nuburi noburi
+ Hitte atsusa sirippuke schischikf
+ Klip se rakka
+ Koude samuki (kan) mei
+ Lente haru baikaru paigara
+ Licht fikari heriats
+ Lucht ki pâriri
+ Maand tsuki kunne tsupp tombi, tschukf
+ Mist kiri ûrari urariaz, urai,
+ urari
+ Meer midsu umi tô to
+ Morgen asa nisjats nischatzu
+ Morgenschemering akatsuki toobeker schiri-bekere
+ Nacht jo antsikara anzkari
+ Deze nacht konban onuman
+ Oever fama kosju rauda
+ Regen ame apto apftu
+ Regenboog nizi rawots rajots’
+ Rook kemuri sibuja schibuia
+ Rots iwa watara
+ Schaduw fikage tsjupke tschukuriu
+ Sneeuw juki ubas, ubaschi obas, obass
+ Steen isi s’juma schioma
+ Ster hosi keta, notsju, keda, nodsi
+ nodschu
+ Stroom kaha bets bez
+ Veld no nupuka nupka
+ Vloed misi siho sirarihaa
+ Voorgebergte saki siri ithu schiri ido
+ Vuur fi abe, unszi abe, undshi
+ Water midsu wakka, be, hakka waka, wachka
+ Wereld se kai bekere sjam begiri schiam
+ Wind kaze reira rera, dirra
+ Winter fuju mata madapa
+ Wolken kumo nisi, nisikuri nischi kuri
+ IJs kohori junru
+ Zand suna ota oda
+ Zee umi atui adui
+ Zomer natsu sjaku schakpa
+ Zon fi bekere tsupp, tschukf kamoi
+ tonotschu
+ Zout siho sipo schippo
+
+
+2. DIEREN EN PLANTEN EN HUNNE DEELEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Baast kino kawa niga fukar’ nii kapu
+ Beenderen hone bone poné
+ Beer kuma hokujuk’ chugujukf
+ Blad fa hamu chamu
+ Bloem hana ebui ibuiki
+ Bloed tsi kem’, kemi kim
+ Bosch hajasi teigur
+ Dier ketamono kimo tsup
+ Ei tamako noki, nuki zkapf nuki
+ Hart jani unkotok’
+ Hond inu seta, sita, cheta scheda
+ Hoorn tsuno kirau
+ Hout ki, ita tsikuni, ita, ta ziguni, ida
+ Houtskool sumi pasipasi pas
+ Huid kawa kabu kapu
+ Kruid kusa kina
+ Ligchaam karada netobake
+ Luis sirami uruki, kii uriki
+ Lijf mi netobake nidobaki
+ Man wotoko okkai okkai
+ Mannetje wo binne
+ Melk tsitsinosiru tôbe tô
+ Mensch hito sisjam, aino guru
+ Olie abura sjumu
+ Ongedierte musi kikiri kigiri
+ Schildpad kame itsinke
+ Slang hebi tokko (kamoi) toko kamoi
+ Traan kusirano abura funbei funbikii
+ Vet abura (niku) ke kiribe kiü
+ Visch uwo tsep’ tsep’ zepf
+ Vleesch nik kam kam
+ Vlieg hai, apu fitsurube hitsûrup
+ Vloo nomi taike taigi
+ Vogel tori tsikapp tzkapf
+ Vogeltje kotori tsiri
+ Vrucht mi ebuike ibuiki
+ Wijf wonna menoko (jap.) minoko
+ Wijfje me matsne
+ Wortel ne kuberikep, schyndshiz
+ sinsits
+
+
+3. HET LIGCHAAM EN DE LEDEMATEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Aangezigt kaho nanu nanu
+ Baard kutsihige reki rigi
+ Borst mune terar
+ Borsten tsitsi tôkab to
+ Buik hara honi chuni
+ Cunnus tsubi pogi (hokki)
+ Darm tai tjô kankam
+ Hals kubi rekuts regut
+ Hand te teke, teki tegi, tiké
+ Hart kokoro sjanbe, sampêh schambi
+ Hoofd atama bake schaba
+ Hoofdhaar kaminoke ottobe, numa schaba numa
+ Huid hadaje nuwom’kumukasike
+ Lip kutsibiru hatoje, tsjamon
+ Mond kutsi baru, tsjaro paru
+ Nagel tsume am, ami
+ Navel hoso hankapui changubui
+ Neus hana ethû, ito idu
+ Oog me siki schiki
+ Oor mimi kisijara kischara
+ Penis mara tsii, tsije
+ Rug senaka sethuru scheduru
+ Staart wo isi
+ Tand ha imaki, jumaki nimaki
+ Tong sita be barunbe au
+ barumbi
+ Vinger jubi asikibette askibitz
+ Vleugel hakae rafu
+ Voet asi kema kima
+
+
+4. FAMILIE, GEZELSCHAP.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Arm mensch matsusiki fito helon gur schirun guru
+ Boosdoener aku nin ujen gur uwen
+ Boosheid aku sin ramunisite
+ Broeder, oudste ani jûbi jubu
+ » jongste wototo iriwaki, aki aki
+ Deelgenoot tsure utare
+ Dief nusu hito inuga guru ikka guru
+ Dienaar kattsju kojantono
+ Dochter menoko matsihebo mazenebu
+ Echtgenoot otto hoku chogu
+ Echtgenoote tsuma matsi maz, mati
+ Familie sin rui awa
+ Grootmoeder baba sjunsti, hakko
+ Grootvader zizi ikasi, sasa chambi
+ Kind kotomo bô, boho po
+ Kleinzoon mago sitsupopo,
+ imitsubon
+ Koopman akindo ihoksiam egokfschamo
+ Landman fijak’sjo toitasisiamo
+ Landsheer, kami mosiri kamoi
+ (Vorst)
+ Lieden, oude tosi jori hekai chigoi
+ » jonge wakai hekats, uben,
+ beure
+ Man, voornaam tats’toki fito nisipa
+ » gemeen heï nin jajasiamo
+ Moeder haha habo chabu
+ Oom ozi keusiuts atscha
+ Ouders woja serimaka atajho
+ Scheepsvolk funakata tsipo guru
+ Soldaat busi tono
+ Stedehouder matsi bugjo matsijantono
+ Tante oba konnaripe
+ Vader tsitsi hanbe chambi
+ Vorst tonosama tonokamoi
+ Vijand teki tomautare
+ Weduwe onakogoke jamome hoksiak
+ Weduwnaar otokogoke jamowo matsusiak,
+ sjobija
+ Zoon wotokonoko okkaihebo poo
+ Zuster, oudste ane sija, guturesibo schiaa
+ » jongste imoto thuresi turisch
+
+
+5. WOONPLAATS, WONING.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Dak jane akup, harukata puda
+ sjam
+ Deur to aba schiri aba
+ Haardstede irori innunbe, abe
+ Huis ije tsise zise, zisse
+ Hut koja kasi
+ Venster mado bujara, bujari puiari
+ Woonplaats tokoro kotan kodan
+
+
+6. GEREEDSCHAPPEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Aalspeer jasu opu, urei
+ Anker ikari kaje kaida
+ Boogpees tsuru gûka kuga
+ Boog jumi (kiu) gû, kusi, kunisi guu ku
+ Bijl masakari mukkari mukar
+ Harpoen jasu opu, urei opf
+ Hengel tsuribari beraje, perai apf, pirai
+ Hut kasa kakka, kasja chaka
+ Kleeding kimono tsimipu imi
+ Mast tobasira kajani kaiani
+ Mes kokadana ibira, makiri magiri
+ Net ami jaa ia
+ Oorring mimikane ninkari ninkari
+ Pijl ja ai ai
+ Pijlkoker jabako ikajup igaiupf, ikjup
+ Roer ro osjui
+ Rok kimono mi (atsni) imi, atush
+ Schip fune tsip’ zibi
+ Slede sori sikeni
+ Smart itami aruka arika
+ Spies, Piek jari fumi, paro kuu
+ Touw tsuna thubi, tosi
+ Zeil fo kaja kaia
+
+
+7. VERRIGTINGEN, UITWERKING.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Begin hazime asinno aschino
+ Beweging, { ugoki moi moi moi-moi
+ Levensvermogen { inotsi sikkisa
+ Dood sini rai rai
+ Dorst nodonokahaki igursjui igurusch
+ Einde owari ohari
+ Gehoor kiku nû nu
+ Geluk sjawase jainirikarai
+ Gezigt Miruzi nukaru nugaru
+ Gezondheid sukujaka, ramurakke katschara-schino
+ sukojaka
+ Haat nikumi jesisi
+ Honger fimozi kemuramu kemurampa
+ Kracht tsikara okira, tsumikoru ukira
+ Leven inotsi sikkinoka schikfnu
+ Liefde koï usikkarahare
+ Lijden kurusimi ihomasii
+ Medelijden itsukusimi komebur’ koneburu
+ Ongeluk ing’wan jaikohonnojeje
+ Oorlog ikusa tomi
+ Reuk niwoi fûra furaan
+ Rust jasumi sini
+ Stem koje hauje chau
+ Smaak aziwai kêra, kêwoan
+ Verdriet mukkasiki ramuikasite oschiôra
+ Vreugde mendô, ahare jakata
+ Ziekte jamai tasijumu, ikoni,
+ siju
+ Zwakte jowasa schiari
+
+
+8. EIGENSCHAPPEN, HOEDANIGHEDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Arm matsusiki sirun schirun
+ Beneden simo tekkesi
+ Bitter nigai balkar, sju parakara
+ Blaauw aho sijei
+ Breed hiroi tsiwa, tsiriusi uschip
+ Diep fukai ohoho, ohô ogo
+ Dun usuri kabar’
+ Droog karetaru sjats’ schats
+ Geel ki sjunin
+ Groen mitori tsuisjamu schiusiam
+ Groot oho poro poro
+ Hoog takai riiwa, ri L. riuwa
+ Klein tsiisasi pon ponno
+ Koud samui jamu, mei, mean mei
+ Kort mizikasi takine
+ Lang (tijd) fisasi ohonno ogonno
+ » (maat) nakasi tanne tanni
+ Ligt karui kosine koschni
+ Links fidari hari kiuturu charik
+ Mager jase sjatteku schattigu
+ Midden mannaka nosikike noschke-ta
+ Nat awaseme uthur’
+ Nederig asasi ohaku ugakfu
+ Ondiep asai ohak’
+ Purper murusaki ikarari
+ Rood akaï fure furi
+ Rijk tomu nisiba nischpa
+ Smal semai tsibakaram
+ Stinkend kusai fura ujen fura uwen
+ Warm atataka popko scheschikf
+ Wit siroi tetaru, detara L. tedari
+ Welriekend { kobaisi fûrapiurka
+ { nihofu furara karu
+ Zwaar womoi base, pase paschi
+ Zoet amai rura, rurakor’
+ Zuur susi nukai schiukkoi
+ Zwart kuroi kunne kunni
+
+
+9. WERKWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Antwoorden kotafu itasjaitats eischiwa
+ Dansen wodoru tapkaru, tafukari tapkarawa
+ Dooden korosu rapeke, ronno raigiiakka
+ Drinken nomu iku igu
+ Eten kû ibe imbe, ebe
+ Gaan ajumu apukasi apkas
+ Geven jaru jenikore ingori
+ Hooren kiku nu, inu, kunu nun
+ Koopen kàu ihoku, itometsu egokf
+ Lagchen warafu mina mina
+ Leggen jasumu sini schine
+ Leven inotsi aru sikkinu schikfnu
+ Levend zijn ikite oru hôjur
+ Loopen hasiru hojubu chojubu
+ Roeijen funewokogu tsipu zipowa
+ Roepen jobu hothui, hotoje
+ Slapen nemuru mokoro mojuru
+ Smarten itamu itasjasja
+ Spreken itaku itakuwa idawuwa
+ Staan tatsu rosike rosehki
+ Stelen nusumu ikka ikka
+ Sterven sinuru rai rai
+ Verkrijgen motomu tsipapa okuwa
+ Vogelvangen toraheru tsikapp koiki zepfkoigi
+ Visschen sunatoru tschepp koiki iukgari
+ Verruilen tota furu itasjare itaschare
+ Vliegen hasiru basi, tsjasi choiupfu
+ Vragen tatsunemiru isitan
+ Weenen naku tsitsi tsitsi wa,
+ zijssiwa
+ Zien miru nukar nogaro
+ Zingen utau jûgari iukgari
+ Zijn arisu an
+
+
+10. PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Ik watak’s, warè ku, kuannit, kani tschogai
+ tsjô-kai
+ Jij karera inki angur anu udari
+ Gij omaï, anata iani, i, i tsjô jani itschogai
+ kai
+ Hij kare, ano fito iki sja angur’ ikoro
+ (ille)
+ Ulieden omaï gata inki utare itschogai udari
+ Wij watak’s domo tsjô kai utare toogai udare
+
+
+11. AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Deze ’kono tan, tanbe, ane ani
+ Die sono pu
+ Dit kore tapu
+ Ieder koto kesi keschi
+ Wie sore neni nini, nen
+ Welke itsure ikijaan
+ Zulk sajô keannari
+
+
+12. TELWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Een fitots’ sinepp, sine, schnepf
+ schinep L.
+ Twee f’tats’ thupp thu tupf tup
+ Drie mits’ repp, reepu L. repf
+ Vier jots’ inepp, inepu L. inepf
+ Vijf itsuts’ asikinepp, aschiki nipf
+ aschikinepu L.
+ Zes muts’ iwanbe juwambi
+ Zeven nanats’ aruwanbe aruwambi
+ Acht jats’ thupe sjanbe tubi schambi
+ Negen kokonots’ sineb sjan schnebi schambi
+ Tien tô (towo) wanbe wambi
+ Twintig hatats (nisju) hots, chozu L. scheehoz choz
+ Vijftig gosju wanbe i rehots wambi irichoz
+ Honderd momo asikne hots aschi nichoz
+ Duizend tsi asikine sine aschi kini schine
+ wanehots i. e. wane choz
+ 5.10.20
+ Eerste itsiban teppake
+ Tweede niban nosike
+ Derde sanban reth tanta
+ (rep-tanta)
+ Eenmaal itsi do sine sjui schiui
+ Tweemaal ni do thusjui schini
+
+
+13. BIJWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Allengs ohi ohi ubi ubi ja ja ukere
+ Daarom sorenitsuite ne waanberisju
+ Daarna sonotsugi imakake
+ Dikwijls tahi tahi sju sjui
+ Eindelijk tsuini aine
+ Eertijds mukasi fusiko
+ Gansch nokorasu nenai
+ Gisteren sakusits’ numani numani
+ Heden konnits tanto (deze Dag)
+ Hier koko tan kotan ta changino
+ Hoe veel iku henbakkuno chimbaguno
+ Ja hei jise, jese
+ Ja wel naruhodo nokon, oowun
+ Morgen asta nisjatta nischatta
+ Neen ija kotsjan, koban
+ Niet nu sjomo schiomo
+ Nog mato sijui schiui
+ Nog niet imada naa
+ Onlangs kono aida tetai
+ Thans ima tane tani
+ Waar toko ine kotanta nida
+ Waarom itsure nekonta nigonda
+ Wel aan iza iza sita sita
+
+
+14. AANHANGSELS (AFFIXA) EN VOEGWOORDEN.
+
+ Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto.
+
+ Alle mina obitta
+ Al te hanahatasì sitoma
+ Anders bets’ sinnai
+ Als tokini ike, tsiki
+ En, nog sôsite, to kanna
+ Met tomoni its sianneno, ani
+ Naardien joriwa orowano
+ Of mata ta, sjui schiui
+ Ofschoon ihetomo jakka
+ Omdat jotte kusju kuschu
+ Op, in ni ta
+ Uit, van jori orowa
+ Zeldzaam mare kemian
+ Zonder nasi isjamu ischamu
+
+
+
+
+VOORTBRENGSELEN DER AINO-LANDEN.
+
+
+De weinige zeevaarders, die tot de openstelling van den haven van
+_Hakodate_ (Sept. 1855) de _Aino_-landen met een wetenschappelijk
+oogmerk bezocht hebben, hielden zich eenen veel te korten tijd en
+onder te beperkte omstandigheden op de kusten van _Jezo_ en _Krafto_
+en de _Kurilen_ op, om maar eenigzins de voortbrengselen dezer
+eilanden, die eene oppervlakte van meer dan 2000 ☐ mijlen beslaan, te
+kunnen leeren kennen; aan deze hebben wij derhalve slechts eene zeer
+kleine bijdrage tot de _Fauna_ en _Flora_ en tot de kennis van de
+geologische gesteldheid dezer landen te danken. Maar nog veel minder,
+voor zoo verre ons de reisverhalen van Commodore ~Perry~ en van Wilhelm
+~Heine~ als prospectus van een natuurkundig onderzoek in deze gewesten
+kunnen dienen, laat zich te dien opzigte van de Amerikaansche
+expeditie verwachten. Daarentegen zijn ons de meest belangrijke
+natuurzeldzaamheden dezer eilanden en vooral van _Jezo_ door
+schriftelijke en mondelinge mededeelingen van kundige Japanners,
+die dezelve bezocht hebben, bekend geworden. Al wat ons over de
+voortbrengselen dezer landen uit Europesche en Japansche bronnen bekend
+is, hebben wij tot een geheel gebragt en in onze beschrijving van Japan
+geboekt[162]. Daarop willen wij hen opmerkzaam maken, die zich meer in
+het bijzonder daarvan wenschen te onderrigten. Evenwel laten onze
+mededeelingen veel te wenschen over en zij mogen slechts als een
+bladwijzer van het groote boek der natuur beschouwd worden, waartoe deze
+landen hoogst merkwaardige voorwerpen leveren. Heb ik reeds mijne
+geo-hydrographische, volken- en taalkundige toelichtingen met de
+welgemeende bedoeling nedergeschreven om aan onze Nederlandsche
+zeevaarders eenigzins tot gids te kunnen dienen bij hunne verdere
+reizen in dat zeegebied, zoo mag ook hier een beknopt overzigt der
+voortbrengselen der zoo weinig bekende Ainolanden eene geschikte plaats
+vinden.
+
+ [162] ~Nippon~, VII, p. 244. ”_Die Naturerzeugnisse von Jezo, Krafto
+ und den Japanischen Kurilen._”
+
+
+HET DIERENRIJK.
+
+=Zoogdieren.= Het overzigt dat wij daarvan kunnen aanbieden is vrij
+volledig, en er wordt daardoor eene gaping opgevuld, die dusverre in het
+gebied der dierenkunde tusschen de Japansche eilanden, het vaste land
+van Oost-Siberië en Kamtschatka bestond[163].
+
+ [163] Van de met * aangestipte dieren hebben wij de vellen gezien, en
+ van die met † gemerkt afteekeningen verkregen; de overige zijn
+ volgens de Japansche synonimen der _Aino_-namen te regt gebragt.
+ De met F. J. gemerkte dieren zijn in onze Fauna Japonica
+ afgebeeld.
+
+ Vledermuis Pteropus spec. _Atspo_ (Aino) _Ohokômuli_
+ (Jap.)
+ „ Vespertilio _Kabap_ _Itatsi
+ camtschaticus? kômuli_
+ Mol *Talpa Wogura F. J. _Ithutsikere_ _Wogura_
+ Spitsmuis Sorex spec. _Sjatsiri_ _Dsinezumi_
+ „ „ „ _Ubasitsironop_ _Kawanezumi_
+ Beer *Ursus arctos _Hokjuk_, _sijuk_ _Ohokuma_
+ (ferox) (mas) _Ojan_ (foem)
+ „ *Ursus collaris _Borep_, _seberi?_ _Fikuma_,
+ _aka kuma_
+ „ * „ thibetanus _Tsira mante_ _Tsukino
+ F. J. kuma_
+ Marter *Mustela melampus _Thusjunike_ _Ten_
+ F. J.
+ „ * „ brachyura _Hoinu_ _Jezo-ten_
+ F. J.
+ Visch-otter *Lutra vulgaris _Isjamani_ _Kawa uso_
+ F. J.
+ Zee-otter *Enydris marina _Rakko_, _Rakko_
+ _Binnep_ (mas)
+ Wolf Canis lupus _Ose kamui_ _Oho kami_
+ Vos * „ vulpis _Fure tsup_, _Kitsne_
+ i. e. vulpis rubra
+ „ * „ „ _Kunne sjumari_,
+ argentatus i. e. vulpis nigra
+ „ Canis lupus variet _Sithunpi_ _Sittukpen_
+ (Kuril.)
+ „ „ „ variet _Tsironop_
+ Hond „ domesticus _Sita_, _seta_ _Kari inu_
+ Kat Felis Catus _Meko_ _Neko_
+ Tanuki Nictereutes _Mojuku_ _Tanuki_
+ viverinus F. J.
+ „ Canis? procyoides _Numari_
+ F. J.
+ Haas Lepus brachyurus _Isjabo_ _Usagi_
+ F. J.?
+ Eekhoorn *Sciurus varius _Niuf_ _Wogatsuki_
+ „ ge- *Tamias striatus _Kasî kiri gusi_ _Sima
+ streept nezumi_
+ Rat Mus spec. maj. _Irimo_ _Nezumi_
+ Muis „ „ min. _Pon irimo_ _Tanezumi_
+ Hert *Cervus Sika F. J. _Jûk_, _Binnero_ _Sika_
+ (mas) _momanbe_
+ (foem)
+ Gems †Antilope crispa _Jukusisi_ _Niku_
+ F. J.
+ Rendier *Cervus Tarandus _Thunakaï_ _Barok’_
+ (Chin.)
+ Muskusdier *Moschus moschi- _Likon kamui_ _Nora_,
+ ferus F. J. _Kusika_
+ Wild zwijn Sus leuco mystax _Wottomun_[164] _Inosisi_
+ F. J.
+ Chineesch varken „ sinensis _Wosju furokke_ _Buta_
+ Zeehonden of {*Phoca oceanica _Situkari_
+ robben (zonder {* „ barbata _Jai thukari_[165]
+ zigtbare ooren) {* „ numularis _Kesjo_
+ { F. J.
+ Robben met Otaria ursina _Onnep_, _uneu_ _Uminoneko_,
+ ooren F. J. (mas) _Homapp_ _Ottosei_
+ (foem)
+ Zeebeeren en „ Stelleri _Thukara_[166] _Asarasi_
+ zeeleeuwen F. J.
+ Walrus Trichecus Rosmarus _Sikaitanke_ _Asika_,
+ _Kai-tats_
+ (Chin.)
+ Borkenwale Rytina Stelleri? _Ikusibe_, _Umisika_
+ _Kamutanasi_
+
+ [164] Buitendien worden nog de volgende namen aan varkens of wilde
+ zwijnen gegeven, die waarschijnlijk op het geslacht, ouderdom en
+ andere eigenschappen van dezelve betrekking hebben, waarop
+ wij echter de aandacht van reizigers willen vestigen:
+ _woun-ommetousi_, _woun-hikata_ en _woun-momorum_.
+
+ [165] Het witte (_tetari_) jong wordt door de _Aino’s_ op _Jezo_,
+ _Retari thukari_ en van de _Kurilen_, _Retatkor_ genoemd.
+
+ [166] _Ruo_ beteekent een jonge _Ottaria_.
+
+Nog worden eenige andere namen van waarschijnlijk tot de familie der
+_Pinnipedia_ behoorende dieren vermeld: _Hekeppokoma_ (eene jonge
+Phoca?) _Ufuithukari_, _Amusine_ of _Amossibe_, _Boniri_ (een jong of
+wijfje van een robbe), _Nigui_, _Tasjunbuikoro_.
+
+Van walvisschen, waarvan zoo dikwijls in het _Journaal_ van ~Vries’~
+zeetogt gewaagd wordt, worden zonder twijfel in de zee van de
+_Aino_-landen dezelfde soorten en verscheidenheden gevonden die aan de
+Japanners, die zich naarstig op de walvischvangst toeleggen, bekend
+zijn; de onwetende _Aino’s_ schijnen nog veel meer soorten daarvan te
+onderscheiden dan de Japanners, die sedert eeuwen hunne natuurkundige
+waarnemingen nederschrijven en bij voortduring trachten te herzien en te
+verbeteren.
+
+~Mogami Toknai~ haalt in zijn _Aino_-woordenboek 19 namen van
+Walvisschen (_Kuzira_) aan, terwijl de Japansche ~Linnée Wono Lansan~
+maar 16 soorten opnoemt. Volgens onze nasporingen op Japan en volgens
+het oordeelkundig onderzoek van onzen geleerden medebewerker der _Fauna
+Japonica_, Dr. ~H. Schlegel~, beloopt echter het getal van de door ons
+in de wateren van Japan waargenomene en naar van de Japanners
+vervaardigde teekeningen en beschrijvingen met zekerheid te bestemmen
+walvisschen op acht soorten, en deze zijn:
+
+ { Delphinus longirostris Jap. _Sakamata_
+ { „ melas „ _Namino uwo_
+ Dolfijnen { „ globiceps „ _Gotô_
+ { „ Orca „ _Iruka_
+
+ { Balaena antarctica „ _Sebi-kuzira_
+ Walvisschen { Balaenoptera arctica „ _Iwasi-kuzira_
+ { „ antarctica „ _Sato_, _nagasu-kuzira_
+
+ Potvisch Physeter macrocephalus „ _Makko-kuzira_
+
+De door ~Toknai~ en andere Japanners voor benamingen van walvisschen,
+dolfijnen en potvisschen (_Kuzira_) gehouden en ons medegedeelde
+_Aino_-namen willen wij hier opnoemen, ten einde tot leidraad van een
+nader onderzoek in de _Aino_-landen zelven te kunnen dienen. _Tawajuk_
+(_Iruka_ _Jap._); _Jukfunbe_; _Kene funbe_, rood van huid; _Nise funbe_,
+eet haring; _Iwakotôma funbe_, is groot; _Okina_, is zeer groot;
+_moasjankur_, groot; _sjasijangur_, groot; _Nokor_, heeft baarden;
+_Ithutsikere_, heeft eene lange neus; _Fûrenbe_, heeft rood spek;
+_Oakansi_, eenen grooten buik; _Asbekorû_, gelijkt eene groote makreel;
+_Kuttare_ ook _Otahoi_ genoemd, eet haring. _Okirike_; _Isjobonbe_;
+_Jaitesi_; _Taneibe_; en _Thunaï_.
+
+Hoe talrijk zich de walvisschen op de kusten van de _Aino_-landen ook
+vertoonen, zoo worden zij toch zeldzaam van de _Aino’s_ gevangen; zij
+nuttigen echter het vleesch en de traan van zulken, die stranden. Onze
+Nederlandsche zeevaarders hebben de meeste walvisschen in scharen van
+het noorden naar het zuiden zien trekken. Nog voor kort werden door de
+Amerikaansche Expeditie in het Oosten van Japan benden van 300
+walvisschen ontmoet. Ook vertellen de _Aino’s_ van een zeemonster
+_Okina_, dat zoo groot zijn zou, dat hij walvisschen verslinden kon. Men
+heeft echter daarvan alleen den rug gezien. Dit verdichtsel is
+waarschijnlijk ook op groote troepen van walvisschen of dolfijnen
+gegrond; insgelijks verhalen zij dat de walvisschen door een’ naar den
+_Iruka_ (Delphinus Orca) gelijkenden dolfijn, dien de Japanners _Kami
+Kiri_, d. i. zaagvisch, noemen, vervolgd en gedood wordt.
+
+=Vogels.= In evenredigheid van de hoeveelheid van vogels in
+Oost-Siberië, Kamtschatka en Japan bekend[167], is het getal van deze,
+die door Europesche natuurkundigen en de Japanners op _Jezo_ en _Krafto_
+zijn waargenomen, klein. Deze zijn:
+
+ [167] Vergelijk ~Nippon~, VII. l. c. pag. 254 ff., waar eene lijst van
+ de vogels, die door ~Pallas~, ~von Kittlitz~ en ~von
+ Middendorff~ in deze gewesten gevonden worden, medegedeeld
+ wordt.
+
+ Valk Falco communis _Tsirikoiki_ (Aino) _Taka_ (Jap.)
+ Sperwer Astur nisus _Kunkuth_ _Fitaka_
+ IJsvalk „ „ albus _Tetari kunkuth_ _Usu
+ kohoritaka_
+ „ Spizaetes orien- _Tekku_ _Horo taka_
+ talis?
+ Visch-arend Haliaetos pelagicus _Kaba tsiri_, _Iso wasi_
+ F. J. _Ratupf_
+ Zee-arend „ albicilla _Sira tupf_ _Waba wasi_
+ „ Pandion haliaetus _Pgoak_, _Kak_ _Kuso wono
+ orientalis? (Kamtsch.) wasi_
+ Kuikendief Buteo Japonicus F. J. _Jattowe_ _Sima tobi_
+ Ooruil Otus semitorques {_Kamui tsi kapf_, _Mimitsuk_
+ F. J. {d. i. Geesten-
+ Uhu-uil Strix bubo {vogel
+ Caliope Silvia Caliope _Hokitsi_ _Nokoma_
+ Nachtegaal „ _vel_ Luciola _Bakekijo_ _Uguhiso?_
+ spec.
+ Kwikstaart Modacilla lugens _Baikatsiri_ _Sekuro sekirei_
+ F. J.
+ „ „ spec. _Tokhakun_
+ Koolmees Parus major _Fuksatsiri_ _Sisjukara_
+ Staartmees „ caudatus var. _Matsumaë-
+ Jenaha_
+ Huismos Fringilla domestica _Amanitsikapf_ _Suzume_
+ Leeuwerik Alauda alpestris? _Rikintsiri_ _Fibari_
+ F. J.
+ Lijster Turdus spec. _Sike_ _Muku_
+ Spreeuw Sturnus cinerarius _Jezo-muku_
+ Raaf Corvus japonensis _Hasikuro_ _Karasu_
+ Kraai „ corone? _Jeppirka_ ?
+ Ekster Pica varia _Kasasai_
+ Blaauwspecht Garrulus Brandtii _Barkeu_ _Kasitori_
+ IJsvogel Alcedo spec. _Ijami_ _Kagesu_
+ Groenspecht Picus awokera F. J. _Isokisoki_ _Awokera_
+ Koekoek Cuculus canorus _Toppits_ _Hotodokis_
+ Huisduif Columba domestica _Toita_ _Ijebato_
+ Bergduif „ gelastris _Kusjujeb’_ _Jamabato_
+ F. J.
+ Groene duif „ Sieboldii _Thuthuts’_ _Awobato_
+ F. J.
+ Huishoen Gallus domestica _Niwa tori_
+ Kwartel Coturnix vulgaris _Usura_
+ var. F. J.
+ Trapgans Otis tarda? _Utakan_ _Nogan_
+ Papegaaiduiker Arca torda }_Atujuitsikapf_ _Utoû_
+ „ „ monoceros }
+ „ Marmon cirrhata _Jeppirika_
+ Duiker Podiceps spec. _Aptotsikapf_ _Ame tori_
+ „ „ „ _Wakkatoitoi_
+ „ Colymbus spec. _Imoton_ _Aisa kamo_
+ Aalscholver Carbo bicristatus _Uriri_ _Simau_
+ Wilde eend Anas boschas _Sikobetsja_ _Makamo_
+ Wintertaling „ crecca _Kobettsja_ _Kokamo_
+ Eend „ spec. _Thura_
+ „ „ „ _Kakkari_
+ „ „ „ _Kobe_
+ „ „ „ _Kakkjo_
+ „ „ „ _Kaori_
+ „ „ „ _Jaureta_
+ Wilde gans Anser hyperboreus? _Kuitopp_ _Kari_
+ Tamme „ „ cinereus domes- _Magan_
+ ticus
+ Gans „ spec. _Kuwetou_
+ Meeuw Larus melanurus F. J. _Kabiu_ _Kamome_
+ Stormvogel Puffinus tenuiros- _Wonnetsikapf_ _Okino kamome_
+ tris F. J.
+ Kemphaan Tringa variegata _Kui kui_ _Siki_
+ „ „ meleagris _Thurapfta-tsiri_ _Famasiki?_
+ Houtsnip Scolopax rusticula _Matsjo_ _Mijakotori_
+ Kraanvogel Grus cinerea var. _Sururun_ _Tsuru_
+ F. J.
+ Witte reiger Ardea alba _Bettsjo_ _Sirasaki_
+
+In ~Toknai~’s woordenboek wordt nog eene lange reeks van vogelen
+opgenoemd, zonder dat daarbij de Japansche synonymen gevoegd zijn. Hoe
+vreemd ook deze _Aino_-namen luiden, zoo willen wij dezelve toch hier
+mededeelen, ten einde aan reizigers de gelegenheid aan de hand te geven
+om ze op te sporen. _Oretara_, _Thurja_, _Arats_, _~Kakakjo~_,
+_Fûsetsiri_, _Korokakkun_, _~Harikeu~_, _Wauwo_, _Sirar’wa_,
+_Ithurahisika_, _~Itoki toki~_, _Ainusetsiri_, _Omanruitsiri_,
+_Bakkunne_, _Uwetsiritsiki_, _Nuppukaoreu_, _Hokkiure_, _Ussetoita_,
+_Oppikepike_, _Worunkakkeu_, _Kuitopp_, _Kaori_, _Hekatsitsiri_,
+_Jauretara_, _Furesjamtsiri_, _Horutsiri_, _Okeura_, _Reraokï_,
+_Hometsiri_. Wij herhalen, dat _Tsikapf_ een’ grooten vogel en _Tsiri_
+een’ kleinen beteekent en dat verscheiden namen bijna eensluidend met
+reeds opgenoemde zijn.
+
+=Kruipende dieren.= De meeste van de dieren van deze klasse worden in
+het zuiden van _Jezo_ gevonden en komen veelal met die van het
+noordelijke Japan overeen.
+
+ Schildpad Emys _v._ Trionyx _Itsinke_ (Aino) _Game_ (Jap.)
+ Hagedis Stincus quinque- _Haran_ _Tokage_
+ lineatus F. J.
+ Slang Coluber quadri- _Hasikuro kamoi_ _Kurokutsi-
+ virgatus F. J. naba_
+ „ Coluber virgatus F. J. _Fugowoka_ _Mugi wara
+ febi_
+ Adder Trigonocephalus _Tokko kamoi_ _Mamusi_
+ Blomhoffi F. J.
+ „ Trichonocephalus spec. _Tanne kamoi_ _Siro febi_
+ „ „ „ _Kinasitonkur’_
+ Gemeene pad Bufo vulgaris F. J. _Terekeibe_ _Kaheru_
+ Groene kik- Rana esculenta F. J. _Toron kamoi_ _Kawadsu_
+ vorsch
+ Kikvorsch „ spec. _Kekketsch_
+ „ „ rugosa F. J. _Woats’_ _Tsutsikahe-
+ ru_
+ Boomkikvorsch Hyla arborea F. J. _Kokekets_ _Awogaheru_
+ „ „ ? spec. _Ibi_
+ Watersalaman- Triton spec. _Wimori_
+ der
+
+Ook wordt nog van eenen Rob _Sithukari_ gewaagd, die naar eene schildpad
+gelijkt, waarschijnlijk eene _Sphargis mercurialis_ of eene _Chelonia_
+soort, die somtijds door orkanen en strooming der zee aan de kusten van
+_Jezo_ aangespoeld wordt.
+
+=Visschen.= De verhalen van de groote hoeveelheid van visch, welke onze
+oude Nederlandsche zeevaarders langs de kusten en vooral aan de monden
+der rivieren van het land van _Jezo_ ontmoet hebben, schijnen niet
+overdreven te zijn, wanneer men daarmede de berigten vergelijkt, welke
+ons de zeevaarders van den nieuwen tijd omtrent zekere vischsoorten, als
+van zalm, haring en sardijnen in het noordelijke gedeelte van de
+Japansche zee, in den zoo genoemde Tartarischen golf en in de zee van
+_Ochotsk_ en _Kamtschatka_ mededeelen. Want ook zij spreken van
+vischbanken die den mond der rivier stoppen en schatten de hoeveelheid
+daarvan naar scheepsladingen; maar ook geloofwaardige Japansche
+reizigers, met name ~Mogami Toknai~, verhaalde ons dat alleen van de
+_Isikari_, de grootste rivier op de westkust van _Jezo_, ten tijde van
+zijn verblijf op _Jezo_ (1785) twaalf duizend kok (1,800,000 Ned. pond.)
+aan gezouten en gedroogden zalm (_Salmo leucocephalus_ en _S. callaris_)
+is vervoerd geworden, en dat men langs de kust van _Jezo_ banken van
+eene soort roode schollen (_Trygon Akajei_) vindt, die 126 tot 250 ☐
+ellen beslaan. Het getal van de ons bekende vischsoorten, die aan de
+kusten in de rivieren en meeren van Japan gevonden worden, beloopt ruim
+vier honderd, dat langs de kusten van China ongeveer twee honderd; en
+dat van het noordelijke gedeelte van den grooten Oceaan even veel. In
+evenredigheid daarvan is echter het getal van vischsoorten die van de
+zee en de rivieren der _Aino_-landen bekend zijn, klein. Dit neemt
+echter niet weg, dat men daar niet alleen eene groote verscheidenheid
+zal kunnen opsporen, maar ook vele reeds in andere zeegewesten
+waargenomene soorten terugvinden; want daarheen worden visschen uit
+hoogere en lagere breedten door hunne eigene natuurdrift tot verre
+togten verleid en door eene krachtige, eeuwig durende locomotive, den
+Japanschen stroom, medegesleept. Door Europesche reizigers hebben wij
+slechts eenige weinige vischsoorten uit het zee- en riviergebied der
+_Aino_-landen kennen geleerd; ook is de kennis van visschen, die wij aan
+de op de kusten van _Jezo_ en _Krafto_ gehuisveste Japanners te danken
+hebben, gering, omdat deze niet naar zeldzame, maar naar zulke visschen
+kijken, welke ook in hun vaderland tot spijs dienen of voor den
+groothandel in visschen het meest geschikt zijn. Des te meer welkom zal
+aan zeevaarders de lijst van visschen zijn, die wij hun aanbieden
+kunnen:
+
+ Zeebaars Niphon Spinosus F. J. _Kankai_ (Aino) _Matsmaë tara_
+ (Jap.)
+ „ Perca-labrax Japonicus F. J. _Airo_ _Suzuki_
+ Zeehaan Dactyloptera spec. _Fure sepp_ _Kasago_
+ Goudbaars Chrysophris major F. J. _Fure sepp_[168] _Aka dai_
+ „ „ spec. _Ninijesepp_
+ Makreel Scomber pneumatophorus F. J. _Sjaba_ _Saba_
+ Tonyn Thynnus pelamys F. J. _Tanneibe_ _Katsuwo_
+ „ „ Sibi F. J. _Sjunbi_ _Sibi_
+ Makreel? „ spec. _Pukka_
+ „ Elacate mottak, _Masu_
+ E. bivittata F. J.
+ „ Seriola aureo vittata F. J. _Tsiwasjan_ _Buri_
+ Harnasman Aspidophorus acipenserinus _Tsirosineibe_ _Rokkak_
+ „ „ superciliosus
+ „ „ stegophthalmus
+ „ Cottus intermedius _Jezo-gotsi_
+ „ Hemilepidotus Tilesii
+ „ Epinephelus ciliatus _Potoi_ _Tanago_
+ „ Pleuronectes stellatus _Tantaka_ _Karei_
+ Schollen „ spec. _Kabarin_
+ „ „ „ _Kasibisi_
+ Tongen „ „ _Simusibo_ _Firame_
+ „ „ „ _Hebeu_ _Oho firame_
+ „ „ „ _Herekusi_
+ Meerval Silurus japonicus F. J. _Uta_ _Namazu_
+ Vooren Cyprinus conirostris F. J. _Ruwokom_ _Funa_
+ Halfbek Hemiramphus Sajori F. J. _Funbe deppo_ _Sajori_
+ Zalm Salmo lagocephalus _Sibe_ _Sake_
+ „ „ Proteus _Sjankenbe_ _Mazu_
+ „ „ sanguinolentus _Urupp_ _Beni-mazu_
+ „ „ spec. _Tsirai_ _Ito_
+ „ „ „ _Hemoi_
+ „ „ „ _Tsjarokun_
+ „ „ „ _Wowo_
+ „ Saurus? _Tsuppo_ _Ukui_
+ „ Saurus? _Ururui_ _Kusaki uwo_
+ Haring Clupea gracilis F. J. _Ponsepp_ _Iwasi_
+ „ „ ? _Heroki_ _Kado v.
+ Nisin_
+ Stekelbuik Tetraodon spec. _Akamkorbe_ _Eugu_
+ „ „ „ _Jursi kasepp_
+ Klompvisch Orthagosiscus mola F. J. _Hinabo_ _Manbo_
+ Steur Acipenser Helous
+ Haai Mustelus vulgaris _Wonne_ _Wani_
+ Rog Trijgon Akajei F. J. _Aitsi korbe_ _Akajei_
+ „ Raja? _Karma_ _Same_
+ „ „ _Tsikobakui_
+ „ „ _Ihessjarkorbe_
+ Zevenoog Heptastema cirrhatum F. J. _Nukaribe_ _Jodamusi_
+ Lamprei Petromyzon camtschati- _Sjumarop_ _Jatsme-
+ cus[169] unagi_
+
+ [168] _Fure_ rood, _sepp_ visch, want beide zijn roode visschen.
+
+ [169] Ook de Kamtschadaalsche Lamprei heeft maar zeven _spiracula_; de
+ Japanners noemen hem echter _Jats’me-unagi_, d. i.
+ achteroog-aal, en tellen bij de zeven _spiracula_ op iedere
+ zijde het _oog_, is dus ook een _Heptastema_.
+
+Ook van visschen hebben wij eenige _Aino_-namen niet kunnen
+teregtbrengen, deze zijn: _Inunbeibe_, _Takutaku_, _Siribokke_,
+_Sjokorsepp_, _Furarui_, _Rannibe_, _Kasinube_, _Pontoksi_.
+
+=Weekdieren.= De mollusken die wij van de _Aino_-landen kennen, zijn ook
+meestal zulke, welke daar gegeten of voor den handel naar Japan
+bijeengebragt worden, als:
+
+ Zeekat Octopus areolatus _Athui nau_ (Aino) _Tako_ (Jap.)
+ „ „ granulatus _Athui ne_ _Iwa tako_
+ Inktvisch Sepia japonica _Fussanna_ _Ika_
+ „ „ ? _Pasiani_
+ „ Sepiola? _Masi tanbe_
+ „ Loligo brevis? _Mattsijana_
+ Oesters Ostrea spec. _Biba_ _Kaki_
+ Jacobsschulp Pecten „ _Asikedekke_ _Tadekai_
+ „ „ „ _Akketesei_
+ Hamdoublet Pina „ _Apnisei_ _Kami_
+ Mossel Mytilus „ _Hankatsjui_ _Ikai_
+ Hartschulp Cardium „ _Tsjakenai_ _Akakai_
+ „ „ „ _Tsibojetsup_ _Sizimi_
+ „ „ „ _Tsiurp_
+ Venusdoublet Venus „ _Iasibebots_ _Sira famakuri_
+ „ „ „ _Herenasi_
+ „ „ „ _Kabarusei_
+ „ „ „ _Heurokke_ _Asari_
+ „ „ „ _Urukke_
+ Klipzuiger Haliotis japonica _Aibe_ _Awabi_
+
+Nog worden eenige schulpen genoemd, als: _Petsi_, _Tsitani_,
+_Trusjunke_, _Kanputh_, _Ratutsjûke_, _Simabaratets_, _Sikikemsjui_.
+Zeer belangrijk is op _Jezo_ de vangst van _Tripang_, daar _Kakurauta_
+en van de Japanners _Irigo_ of _Kingo_ genoemd. Ook verzamelt en droogt
+men daar een eetbare zeekwallen, _Kurage_ genaamd.
+
+=Schaaldieren.= De weinige soorten van _Crustacea_, die wij uit
+Japansche bronnen hebben kunnen opsporen, als te huis hoorende in de
+_Aino_-landen, leveren eene zeer belangrijke uitkomst voor hare
+geographische verspreiding op. Wij vinden daar van den zeldzamen
+_Crapsus Japonicus_ F. J. (_Anbajaja_ in de _Aino_-taal en op Japan _Dsu
+gani_ genoemd) gewaagd die ook de rivieren van _Jezo_ bewonen, en van
+onze op het strand van de Oostkust van Japan ontdekte reusachtige
+zeekrab _Inachus Kaempferi_ F. J. (_Murikana_ _Aino_) _Sima gani_ of
+_Taka asi-gani_ d. i. langbeenkrab (_Jap._). Deze reuzenkrab, waarvan
+~Engelbert Kaempfer~ eenen arm afgebeeld en de vermaarde ~Steller~ in
+den _Alutora_-golf op _Kamtschatka_ ook eenen arm gevonden heeft, die
+toereikende was eenen hongerigen mensch te verzadigen[170], wordt ook
+somtijds aan de kust op _Jezo_ gevonden en van hem beweerd dat hij eene
+groote van acht tot tien Sjak (voet) bereikt. De grootste door ons
+gezien heeft armen (_Chelae_) gehad die vier voet lang waren. Ook vindt
+men daar eenen Palinurus, _Holokerki_ (_Aino_) _Jebi_ (_Jap._), den
+Astacus Japonicus, _Tekunbe korbe_, eene Squilla, _Heka korbe_ (_Aino_)
+_Sjaku_ (_Jap._) en verscheiden andere krabben, die in het algemeen
+_Hiko kunbe_ genoemd worden.
+
+ [170] ~Engelberth Kaempfer.~ _Beschrijving van Japan_, pag. 100, Tab.
+ 14. A. _Mémoires de l’Académie de St. Petersbourg_, Tom. V, pag.
+ 358.
+
+=Spinachtige, gekorvene dieren.= Daarvan kunnen wij slechts eene kleine
+lijst aanbieden, waarin echter de algemeen voorkomende dieren van dien
+aard geschetst zijn: _Spinnen_ (_Kumo_, _Jap._) worden eene _Jawosike_
+en eene _Jatem_, en ook een Exodes, (_Jani_ _Jap._) _Baraki_ gevonden;
+ook eene Basterdspin, _Phalangima_, waarvan de sap tot de bereiding van
+het vergift hunner pijlen gebruikt wordt. Verder worden Kevers genoemd:
+Lucanus spec., _Ninakikiri_ (_Aino_) _Hasamimusi_ (_Jap._); eene
+Buprestis, _Sino kane haram_ (_Aino_) _Kink’wako_ (_Jap._); de glimworm,
+Lampiris, _Nisekep_ (_Aino_), _Hotaru_ (_Jap._); een krekel, Gryllus,
+_Sibebe_ (_Aino_), _Kirikirisu_ (_Jap._); bijen, Apis melifera,
+_Sisjôja_ (_Aino_), _midsuhatsi_ (_Jap._); wespen, _Vespa_, eene met
+witte vlekken _Majuksjôja_ (_Aino_), _Hatsi_ (_Jap._); paardevliegen,
+Oestrus, _Sirawo_ (_Aino_), _Apû_ (_Jap._); aardwespen, Pompilus,
+_Jasjôja_ (_Aino_), _Tsudsibats_ (_Jap._); waternimfen, Libellula,
+_Hankkatsjui_ (_Aino_), _Tonbo_ (_Jap._); kapelletjes, _Mareu_ (_Aino_),
+_Tjô_ (_Jap._); ook nachtvlinders, _mosetsikap_; eindelijk muggen,
+Culex, Tipula, Simulium, _Ithutanne_, _Kamurusju_, _Ibiro_, _Irairai_,
+_Itsjottsjare_ (_Aino_), _Ka_ en _Futô_ (_Jap._); luizen, _Urki_
+(_Aino_), _Sirami_ (_Jap._); vlooijen, _Taike_ (_Aino_), _Nomi_
+(_Jap._); duizendbeenen, Julus, _Itemekkiri_ (_Aino_), _Makade_
+(_Jap._); en pieren, _Tonin_, _Rutswo_ (_Aino_), _Mimizu_ (_Jap._). Wij
+gevoelen zeer goed, dat zoo vele vreemde woorden voor onze lezers eene
+vervelende lektuur zal zijn; het nut echter, dat daaruit zeevaarders en
+reizigers in de _Aino_-landen bij hunne natuur- of taalkundige
+navorschingen zullen kunnen trekken, heeft onszelven aangemoedigd een
+zoo moeijelijken letterkundigen arbeid te volbrengen, en moge dien dan
+ook bij hen verschoonen.
+
+
+HET PLANTENRIJK.
+
+Van geene eilanden, die sedert twee eeuwen ontdekt en waarvan de
+omtrekken der kusten in de wereldkaart zijn opgeteekend, kennen wij tot
+nu toe minder de voortbrengselen van het plantenrijk, dan van _Jezo_,
+_Krafto_ en de zuidelijke Kurilen. ~Lapérouse~ en ~von Krusenstern~, die
+op hunne gedenkwaardige reis om de wereld eenige kuststreken van de
+_Aino_-landen bezocht hebben, waren daar te kort en in een voor den
+plantengroei ongunstig jaargetijde en onder te beperkte omstandigheden,
+om meer dan oppervlakkig met de _Flora_ dezer eilanden bekend te worden.
+Ook zijn de weinige kruidkundige bouwstoffen die de hun vergezellende
+geleerden verzameld hebben, verloren geraakt of niet behoorlijk bekend
+gemaakt. ~Broughton~, wiens verdienste voor de hydrographie niet genoeg
+kan gewaardeerd worden, heeft ook op de planten dier eilanden zijne
+aandacht gevestigd, en een lijstje van op _Jezo_ verzamelde planten
+medegedeeld[171], en ~Golownin~ in zijne gevangenis alleen eenige
+eetbare en nuttige gewassen leeren kennen; Dr. ~Schrenk~, die voor
+korten tijd (Februarij 1856) een uitstapje van het _Amur_-land naar
+_Krafto_ maakte, heeft daar de _Flora_ in het hart van den winter
+ontmoet en haar ons ook slechts in haar winterkleed kunnen schilderen;
+en de weinige regels »_compiled from the original notes and Journals of
+Commodore_ ~Perry~”[172] betrekkelijk »_gardens_”[173], »_culinary
+vegetables_”[174] en »_vegetation_”[175] zijn van een zoo nietigen
+inhoud, dat zich van deze Expeditie geene wetenschappelijke bijdrage tot
+de _Flora_ der _Aino_-landen laat verwachten. Dus moeten wij ook op het
+gebied der kruidkunde, voor zoo verre de _Aino_-landen betreft, dat door
+de aardrijkkundige legging van deze--tusschen de oude en nieuwe
+wereld--voor de aardrijkskundige Botanie een zoo merkwaardig tafereel
+zal opleveren, uit oorspronkelijk Japansche bronnen putten, die echter
+deste rijker zijn, daar de kennis van gewassen bij de Japanners meer
+algemeen verspreid is als die van dieren en delfstoffen, omdat daarin
+meestal hun voedsel bestaat en daarin ook van hen de werkzaamste
+geneeskrachten gezocht worden. Door naamlijsten van gewassen, die op
+_Jezo_ en _Krafto_ gevonden worden, verklaard door de Japansche synonyme
+plantnamen en door gedroogde en levende planten, die wij gedurende ons
+verblijf op _Japan_ van onze Japansche vrienden uit _Jezo_ verkregen
+hebben, zijn wij dan ook in den staat gesteld een overzigt mede te
+deelen van een groot gedeelte van de gewassen die het karakter van de
+_Flora_ van _Jezo_ kenmerken, en die daar tot voedsel en ander
+huishoudelijk gebruik aangekweekt worden. Meer breedvoerig hebben wij
+daarvan in de meergemelde afdeeling van onze beschrijving van _Japan_
+uitgewijd en daarin dan ook de verhouding der _Flora_ van de
+_Aino_-landen, voor zoo verre die ons bekend is, tot de naburige landen
+van de oude en nieuwe wereld aangetoond[176].
+
+ [171] ~Broughton~, _Voyage of discovery_, l. c. pag. 392.
+
+ [172] ~Francis L. Hawks~, _Narrative_, l. c. pag. 511 en 519. Om zich
+ een denkbeeld te vormen van de bekrompenheid der kruidkundige
+ mededeelingen, uit de aanteekeningen en dagboeken van den
+ Commodore getrokken en in ~onze eeuw~ door den druk bekend
+ gemaakt, laten wij den ~geheelen~ letterlijken inhoud volgen:
+
+ [173] „These are tastefully planted with fruit and shade trees, and
+ bounded with green hedges, while beds of variegated flowers
+ contrast their bright hues with the green verdure of the foliage
+ and the lawns of grass.”
+
+ [174] „Onions, a few sweet potatoes and radishes, are the chief
+ products.” Sweet potatoes of Batatas edulis tieren niet op
+ _Jezo_.
+
+ [175] „There are several beautiful copses of pines and maples, near
+ the town, some fruit trees and flowering shrubs, and the
+ vegetation upon the lower acclivities of the surrounding hills
+ is vigorous. A large variety of northern plants, birches,
+ spiraeas, laburnums, wake-robins, and others clothe the sides,
+ and afford a scant fuel to the poor.”
+
+ [176] ~Nippon~ VIII, l. c. pag. 273 enz.
+
+Ter loops willen wij alleen hier mededeelen, dat van 342 soorten, 175
+der _Flora_ van _Japan_, 60 aan die van _Oost-Siberië_, 50 aan
+_Noord-China_, 38 aan _Kamtschatka_, 26 aan het gebied van _Ochotsk_, en
+16 soorten aan _Noord-Amerika_ toebehooren, waarvan 8 zich tot in de
+Noordpool gewesten verspreiden.
+
+
+DICOTYLEDONEAE[177].
+
+ [177] De eetbare en andere nuttige gewassen zijn met * gemerkt.
+
+I. ~Papilionaceae.~
+
+ 1. Astragalus lotoïdes, Lam., _Genge bana_ J.
+ 2. Crotolaria eriantha, S. & Z., var. fol. angustioribus, _Tanuki
+ mame_ J.
+ 3. Ervum tetraspermum, L., _Suzume no Jentô_ J.
+ 4. Indigofera, _Iwa fusi_ J., v. s.
+ 5. Lathyrus, _Renriso_ J.
+ 6. Lespedeza pilosa, S. & Z., _Neko fagi_ J.
+ 7. L. _Sinkepf_, A.
+ 8. Lotus dichotomus, Sieb., _Kogane hana_ J. S.
+ 9. Orobus Japonicus, Sieb., _Nanten fagi_ J.
+ 10.* Pachyrrhizus thunbergianus, S. & Z., var. hispidus, _Kudzù-
+ Kudsura_ J., _Woikara_, tot Touw.
+ 11.* Phaseolus Mungo, L., _Atsuki_ J.; _Anthuki_.
+ 12.* Ph. vulgaris, L., _Bizinmame_ J.
+ 13.* Pisum sativum, L., var. quadrat., _Jentô_ J., _Pasiktara_.
+ 14. Sarothamnus scoparius, Wim., _Jenista_ J.
+ 15.* Soja hispida, Mönch., _Mame_ J.
+ 16. Sophora Japonica, L., _Jendsju_ J., _Tokbeni_ vel _Tsikbe_.
+ 17. Thermopsis fabacea, D. C., _Sendai hagi_ J., _Kontikina_.
+ 18. Vicia amoena, Fisch.
+ 19.* V. Faba, L., var. minor, _Sora mame_ J.
+ 20. V. _Karasnojentô_ J.
+ 21.* Wistaria japonica, S. & Z., _Ko fudsi_ J., _Kutsuts’_, tot
+ bogsnaren.
+
+II. ~Amygdaleae.~
+
+ 22.* Cerasus _Karinka_, A., _Sakura?_ J., T. V.
+
+III. ~Rosaceae.~
+
+ 23. Fragaria indica, And.? _Febi itsigo_ J., _Funkikama furepp_
+ 24. Kerria japonica, D. C., _Jama buki_ J.
+ 25. Potentilla discolor, Bge., Sp. aff. P. argentea, L., A. S.,
+ _Kawarei saiko_, J.
+ 26. P. spec. fol. digitat., _Kizi musiro?_
+ 27. Rhodotypos kerrioides, S. & Z., _Siro jamabuki_ J.
+ 28.* Rosa rugosa, Thb., _Hama nasi_ J., _Mau_.
+ 29. Rosa spec., _Iwara?_ J.
+ 30.* Rubus molucanus, L.? Th. Fl., _Fuju itsigo_ J.
+ 31.* R. palmatus, Th., _Itsigo_ J., _Imare furetsup_.
+ 32.* R. triphyllus, Thb., var. Jez., _Mijama asi kudasi_ J.
+ 33. Spiraea Aruncus, L., _Sjoma_, _torino asikusa_ J.
+ 34. S. palmata, Th., _Kusa simotske_ J.
+
+IV. ~Pomaceae.~
+
+ 35. Amelanchier? _Imotsitsi_, A., _Jama nasi?_ J., Spec. americanis
+ aff.
+ 36. Sorbus sambucifolia, Cham., _Nana ka mado_ J., vel _Seikabara
+ Kijeru funeri_.
+
+V. ~Lythrarieae.~
+
+ 37. Lythrum Salicaria, L., _Mizo hagi_ J.
+
+VI. ~Halorageae.~
+
+ 38.* Trapa incisa, S. & Z., _Hisi_ J., _Bekanbe_.
+
+VII. ~Geraniaceae.~
+
+ 39. Geraneum pratense, L., _Dai fûrosô_ J.
+
+VIII. ~Zanthoxyleae.~
+
+ 40.* Zanthoxylon piperitum, D. C., _Sansjô_ J., _Kantsikamani_,
+ Spezery.
+ 41.* Z. _Sikerebe_, A., _Ki wada_ J., _Wôbakf_.
+
+IX. ~Anacardiaceae.~
+
+ 42. Rhus Toxicodendron, L., _Tsuta urusi_ J., _Uttsi_, giftig.
+
+X. ~Juglandeae.~
+
+ 43.* Juglans _Nesiko_, A., _Kurumi_ J., De Noten noemen zij _Ninum_.
+
+XI. ~Euphorbiaceae.~
+
+ 44. Euphorbia Lathyris, L., _Portosô_ J.
+ 45.* E. Sieboldiana, M. & Decaisne, _Kansui_ J. _Ikatsuka_,
+ geneesmiddel.
+ 46. E. Spec.
+ 47. Pachysandra terminalis, S. & Z., _Fûkisô_ J.
+
+XII. ~Ilicineae.~
+
+ 48. Ilex crispa, Sieb., _Jama jadome_ J., _Jetôkatoreni_.
+ 49. I. integra, Th., _Motsi no ki_ J., _Ljamun_.
+
+XIII. ~Celastrineae.~
+
+ 50. Evonymus _Bunko_, A., _Majumi?_ J.
+ 51. E. Japonicus, L., _Masaki_ J. _Masja_.
+ 52. E. _Konkeni_, A., _Majumi?_ J.
+ 53. E. Sieboldianus, Bl., _Majumi_ J., var. maj., _Ukepuni_.
+ 54. E. subtriflorus, Bl., _Majumi_ J., _Kasijupu_.
+
+XIV. ~Polygaleae.~
+
+ 55. Polygala japonica, Houtt., _Fime hagi_ J.
+
+XV. ~Acerineae.~
+
+ 56. Acer _Fusini_, A., T. V.
+ 57. A. rufinerve, S. & Z., _Konzi no ki_ J.
+ 58.* A. saccharinum, L.? _Kaide_ J., _Tobeni_, uit het sap wordt
+ suiker bereid.
+
+XVI. ~Tiliaceae.~
+
+ 59.* Tilia parvifolia, Ehrh., _Sinano ki_ J., _Koberegeb_, tot
+ scheepstouw.
+
+XVII. ~Caryophylleae.~
+
+ 60. Alsine media, L., _Hakobe_ J.
+ 61. Lychnis Senno, S. & Z., _Senno_ J.
+ 62. Stellaria Spec. 2.
+
+XVIII. ~Violaceae.~
+
+ 63. Viola canina, L., _Komeno tsume_ J.
+ 64. V. disecta, Ledeb., _Jezo sumire_ J., fragmenta quoque adsunt V.
+ palmatae ac pedatae.
+ 65. V. _Motokina_, A.
+ 66. V. Patrinii, D. C., _Sumire_ J.
+
+XIX. ~Drorseraceae.~
+
+ 67. Parnasia mucronata, S. & Z., _Mumeba tsisô_ J.
+
+XX. ~Nelumboneae.~
+
+ 68.* Nelumbium speciosum, Willd., _Hatsisu_ J., _Meja_, de wortel.
+
+XXI. ~Nymphaeaceae.~
+
+ 69. Nymphaea Spec., _Hitsuzi gusa?_ J.
+ 70. Nyphar Japonicum, D. C., _Kôhone_ J., _Kapato_.
+
+XXII. ~Cruciferae.~
+
+ 71.* Brassica chinensis, L., _Tona_ J.
+ 72.* B. orientalis, L., _Abura na_ J., tot olie.
+ 73.* B. rapa, L., _Kab’na_ J.
+ 74. Capsella Pursa Pastoris, Mönch, _Nats na_ J.
+ 75.* Cochlearia, _Wasabi_ J., _Tsi_ vel _Kiseseri_.
+ 76. Draba hirta, L.
+ 77.* Raphanus sativus, L., var. chinensis, _Daikon_ J.
+ 78.* Sinapis chinensis, L., _Karasi_ J., _Kurasuf_.
+ 79. Thlaspi arvense, L., _Gunbai utsiwa_ J.
+ 80. Turritis hispidula, D. C., _Hatazô_ J.
+ 81-83. Cruciferarum species 3 indeterminatae.
+
+XXIII. ~Papaveraceae~, a) ~Papavereae~.
+
+ 84. Chelidonium majus, L., _Kusano wo_ J.
+ 85. Ch. uniflorum, S. & Z., _Jama buki sô_ J.
+ 86. Macleya cordata, R. Br., _Takeni gusa_ J.
+ 87. Papaver Rhoeas, L., _Bizinsô_ J.
+
+b) ~Fumarieae~.
+
+ 88. Corydalis ambigua, Cham. & Schlecht., _Jengo sak’_ J.
+ 89. C. incisa, Pers., _Murasaki geman_ J.
+ 90. C. _Toma_, A., _Jezo jengosak’_ J.
+ 91. Dicentra pusilla, S. & Z., _Goma kusa_ J.
+
+XXIV. ~Ranunculaceae.~
+
+ 92.* Aconitum chinense, Sieb., _Tori kabuto_ J., _Setasjurk_,
+ Geneesmiddel.
+ 93. A. Kamtschaticum, Pall., _Sjosinosjurk_. Het sap der wortel
+ dient tot de vergiftiging van pijlen.
+ 94. A. tenuifolium, Turcz., _Ponsjurk_.
+ 95. Adonis Sibirica, Patrin., _Fuk zju sô_ J., _Kunau_, _Kumaubë_.
+ 96. Anemone _Futabera_, A., v. p.
+ 97. A. _Musikarbe_, A.
+ 98. A. parviflora, Mich.
+ 99. Aquilegia _Oda mahi_ J., pl. siccata A. flabellatae, S. & Z., ac
+ pl. picta A. brevistylae Hook. similior.
+ 100. Caltha palustris, L., _Jen kô sô_ J.
+ 101.* Coptis asplenifolia, Salisb., _Seribano wôren_ J.
+ 102. C. trifolia, Salisb., _Mitsuba wôren_ J. Geneesmiddel.
+ 103. Glaucidium palmatum, S. & Z., _Jama botan_ J.
+ 104. Hydrastis jezoënsis, Sieb.
+ 105. Paeonia albiflora, Pall., _Jama sjak jak_ J.
+ 106. Pityrosperma obtusifolium, S. & Z., var. Jezoëns., _Inu sjoma_
+ J.
+ 107. Ranunculus gregarius, Pers., _Kits’neno botan_ J.
+ 108. R. japonicus, Thb., _Kinpoke_ J., v. s., _Bui_.
+ 109. Trollius asiaticus, L.? _Sjurkbui_.
+
+XXV. ~Magnoliaceae.~
+
+ 110.* Magnolia hypoleuca, S. & Z., _Hônoki?_ J., _Ikajubni_, tot
+ pijlkokers.
+ 111. M. _Fusini_, A., v. s. f., Sp. aff. _M. acuminata_, L.
+ 112. Magnoliacea _Moriune_, _Gjokran?_ J.
+
+XXVI. ~Lardizabaleae.~
+
+ 113. Akebia clematifolia, S. & Z.
+ 114. A. Jezoënsis, Sieb., _Jezo akebi_ J.
+ 115. A. lobata, D. C., _Mits’ba akebi_ J.
+
+XXVII. ~Saxifrageae.~
+
+ 116. Hoteja japonica, M. & Decain., _Awa morisô_ J.
+ 117. Hydrangea acuminata, S. & Z., _Azisai?_ J., _Kikinni_.
+ 118. Rupifraga sarmentosa, Thb., _Jukinosta_ J.
+
+XXVIII. ~Corneae.~
+
+ 119. Cornus alba, _Mitsugi_ J., _Utsukanni_.
+ 120. C. (Arctocrania) canadensis, L., _Gozen tatsi bana_ J., _Kakka_,
+ K., O.
+
+XXIX. ~Ampelideae.~
+
+ 121. Cissus _Fungara_, A., _Tsuta?_ J.
+ 122.* Vitis jezoënsis, Sieb., _Jezo butô_ J., _Hats’_. Welsmakende
+ zwarte druiven.
+
+XXX. ~Arialaceae.~
+
+ 123.* Aralia edulis, S. & Z., _Udo_ J., _Itsijaribe_ vel _Tsimakina_,
+ de wortel.
+ 124. A. pentaphylla, Thb., _Ukogi_ J., var. _Horokajusi_.
+ 125. Hedera Helix, L., _Ki dsuta_ J.
+ 126.* Panax quinquefolium, L., _Ninzin_ J., Geneesmiddel.
+
+XXXI. ~Umbelliferae.~
+
+ 127.* Apium _Seri_, J., eene soort selderij.
+ 128. Archemora? _Otakina_, A.
+ 129. Cicuta? _Kamoitesina_, A.
+ 130.* Daucus Carotta, L., _Tats dai kon_ J.
+ 131.* Heracleum _Tsima_, A.
+ 132. Heracleum _Bitu_, A.
+ 133. Ligusticum? _Setaubeu_, A.
+ 134. Osmorrhiza japonica, S. & Z.? _Naga sirami_ J.
+ 135. Peucedanum japonicum, Th., _Bôfû_ J., _Kentaporo_.
+ 136. P.? _Uraibauisi_, A., _Bôfû?_ J.
+ 137. Pleurospermum kamtschaticum, Hffm.? _Itara_.
+ 138.* Sanicula elata, Ham., _Naga sirami_ J., _canadensis_, A. S.
+ 139. Umbellifera _Kamoisjukina_, A.
+ 140. U. _Worapp_, A., _Senkiu?_ J.
+
+XXXII. ~Ericaceae.~
+
+ 141. Gautiera jezoënsis, Sieb., _Kotokoni_.
+ 142. Rhododendron _Netanaï_, A., v. s. f., M. S., _Nikko sjakunange_
+ J.
+ 143. Vaccinium Chamissonis, Bong.? _Isusuka_.
+
+XXXIII. ~Myrsineae.~
+
+ 144. Bladhia japonica, Thunb., _Jabu kosi_ J.
+
+XXXIV. ~Primulaceae.~
+
+ 145. Lysimachia japonica, Th., _Ko nasubi_ J.
+ 146. L. spec.
+ 147. Primula cortusoides, L.? _Sakura sô_ J.
+ 148. P. farinosa, L., _Juki ware sô_ J., _Konzumui_.
+
+XXXV. ~Orobancheae.~
+
+ 149. Boschniakia glabra, Mey.?
+ 150. Orobanche spec.
+ 151. Phacellanthus tubiflorus, S. & Z., _Jûre dake_ J.
+
+XXXVI. ~Bignoniaceae.~
+
+ 152. Catalpa? _Sine_, A., _Jama kiri_ J., _Ajusini_.
+
+XXXVII. ~Scrophularinae.~
+
+ 153. Linaria _Jukktomabak_, A.
+ 154. Siphonostegia chinensis, Bge., _Hiki jomogi_ J.
+ 155. Veronica Anagallis, L., _Kawa Tsisa_.
+ 156. V. sibirica, L.? _Jama tora nowo?_ J.
+
+XXXVIII. ~Solanaceae.~
+
+ 157. Physalis Alkegengi, Th. Flor., _Hotsuki_ J., _Hokisei_.
+ 158. Ph. _Totorep_, A.
+ 159. Ph. _Hotsuki?_ J., _Toboroma_.
+ 160. Solanum caroliniense, L.? _Katakina_.
+ 161. S. spec., _Hadaka hodsuki?_ J., in insul. Krafto.
+
+XXXIX. ~Convolvulaceae.~
+
+ 162. Calystegia Soldanella, R. Br., _Hama hirugaho_ J.
+
+XL. ~Asperifoliae.~
+
+ 163. Bothriospermum spec.
+ 164. Cynoglossum spec., _Hama murusaki?_ J.
+ 165.* Lithospermum erythrorhizon S. & Z., _Murasaki_ J. Purperverw.
+ 166. Myosotis apula, L.? Thunb. Flora, _Kawara kena?_
+
+XLI. ~Labiatae.~
+
+ 167. Ajuga remota, Benth.? _Zjuni fitoge_ J.
+ 168. Brunella vulgaris, L., _Utsubo kusa_ J.
+ 169. Clinopodium vulgare, L., _Kuruma bana_ J.
+ 170. Dracocephalum argunense, Fisch., _Musja rindo_ J.
+ 171. Lamium amplexicaule, L., _Hotokeno sô_ J.
+ 172. L. barbatum, S. & Z., _Odoriko sô_ J.
+ 173. Lycopus virginicus, L.? _Inu sirone?_ J.
+ 174. Melitis _Raseomon_ J.
+ 175. Nepeta incana, Thb.? _Dan kik’_ J.
+ 176. Salvia japonica, Thb., _Koma todome_ J.
+ 177. Scutellaria japonica, _Tatsunami_ J.
+
+XLII. ~Gentianeae.~
+
+ 178. Gentiana _Kamitati_, A., _Sasa rindô?_ J.
+ 179. G. Thunbergii, Grieseb., v. s., _Haru rindô_ J.
+ 180.* Menyanthes trifoliata, L., _Midsugasiba_ J. Geneesmiddel.
+
+XLIII. ~Asclepiadeae.~
+
+ 181. Pycnostelma chinense, Bge., _Sjo tsjô kei_ J.
+ 182.* Urostelma _Ikema_, A., vel _Penpu_. Geneesmiddel.
+ 183. Vincetoxicum atratum, S. & Z., _Funawara sô_ J.
+
+XLIV. ~Jasmineae.~
+
+ 184. Jasminum praecox, Sieb., _Obaï_ J.
+
+XLV. ~Apocinaceae.~
+
+ 185. Apocinum venetum, L., _Basikuromun_.
+
+XLVI. ~Lonicereae.~
+
+ 186.* Lonicera brachipoda, D. C., _Sui kadsura_ J. Geneesmiddel.
+ 187. L. (Xylosteum) coerulea, L., _Futa kobasi_ J.
+ 188. L. (Xylosteum) nigra, L., _Bijôtanbok’_ J., _Tonkaju_.
+
+XLVII. ~Campanulaceae.~
+
+ 189. Campanula _Mukekasi_, A., _Kikeo?_ J.
+
+XLVIII. ~Compositae.~
+
+ 190. Anacyclus? _Otanesikf_, A., v. p.
+ 191. Anandria dimorpha, Turcz., _Senbon jari_ J.
+ 192. Artemisia capillaris, Th., _Kawara jomogi_ J., _Retarnoja_.
+ 193. A. _Tsikurbe_, A., _Jomoki?_ J.
+ 194. A. _Kamoïnoja_, A., _Siro jomogi_ J.
+ 195. A. sachaliensis, Tiles., in insul. Krafto.
+ 196. Aster _Sjamono_, A., _No kik?_ J., T. V., in insul. Krafto.
+ 197. A. tataricus, L. fil.?
+ 198. Cacalia acerifolia, Sieb., _Momitsi kusa_ J.
+ 199. C. aconitifolia, Bge., _Afure gusa_.
+ 200. C. auriculata, D. C.? _Takarakô_ J.
+ 201. C. delphinifolia, S. & Z., _Momitsi haguma_ J. _Ihânzami_.
+ 202. C. hastata, L., _Komulisô_.
+ 203. Calendula officinalis, L., var. sinensis, _Kin sen kwa_ J.,
+ _Urajenekina_.
+ 204. Cirsium japonicum, D. C., _No asami_ J.
+ 205. C. kamtschaticum, Ledeb., _Jama asami_ J.
+ 206. Eupatorium japonicum, Th., _Fiodori bana_ J.
+ 207. Gnaphalium confusum, D. C., _Hahako gusa_ J.
+ 208. G. japonicum, Th., _Tsitsi kokusa_ J.
+ 209.* Lappa edulis, Sieb., _Kobô_ J. _Setakorokoni_, de wortel.
+ 210. L.? _Sikibesjoro_, A., _Jama kobo?_ J.
+ 211. Ligularia Kaempferi, S. & Z., _Tsuwa fugi_ J., _Oinamats’_.
+ 212. Mulgedium? _Wawahal_, A., T. V., in insul. Krafto.
+ 213. Nardosmia japonica, S. & Z.? _Fuki_ J., _Makajo_ vel _Korkoni_.
+ 214. Saussurea spec., _Jezo no azami_ J.
+ 215. Senecio subensiformis, D. C., _Sawa oguruma_ J.
+ 216. S.? _Poroja_, A., v. p., in insul. Krafto.
+ 217. Taraxacum Dens Leonis, Desf., _Tan bobo_ J., _Inemuni_.
+ 218. Youngia pygmaea, Ledeb., _Tsuru nigana_ J.
+ 219. Y. Thunbergiana, D. C., _Nigana_ J.
+
+XLIX. ~Plantagineae.~
+
+ 220. Plantago major, L., _Ohobako_ J.
+ 221. P. kamtschatica, Link, _Jezo ôbako_ J., _Jerumkina_, _Pl.
+ virginica_, AS.
+
+L. ~Aristolochieae.~
+
+ 222. Aristolochia debilis, S. & Z., _Mumano suzu_ J.
+ 223. Asarum canadense, L., _Saisin_ J.
+ 224. A. intermedium, Meyer.
+ 225. Heterotropa asaroides, M. & D., _Kan afui_ J.
+
+LI. ~Eleagneae.~
+
+ 226. Eleagnus _Sjussimau_, A., _Gumi?_ J.
+
+LII. ~Daphoideae.~
+
+ 227. Daphne spec. flor. lateral., _Oni sibari_ J.
+
+LIII. ~Laurineae.~
+
+ 228. Camphora officinarum, Bauh., _Kusuno ki_ J., _Tsurawon_, (het
+ hout bedoeld).
+ 229. Laurinea _Binni_, A., _Tamono ki_ J.
+ 230. L.? _Tsikisjani_, A., _Aka tamo_ J.
+
+LIV. ~Polygoneae.~
+
+ 231.* Fagopyrum tataricum, Gärt., _Soba_ J.
+ 232.* Lapathum _Ma daiwô_ J. Geneesmiddel.
+ 233. Polygonum aviculare, L., _Niwa janagi_ J.
+ 234.* P. chinense, L., _Aï_ J., blaauwe verw.
+ 235. P. cuspidatum, S. & Z., var., _Inu itadori_ J., _Ikokuth_ vel
+ _Sikkwa_.
+ 236.* Rheum spec., _Daiwô_ J., _Sjunaba_. Geneesmiddel.
+ 237. Rumex crispus, L.? _Kizigizi_ J., _Stakamaro_.
+
+LV. ~Chenopodeae.~
+
+ 238. Chenopodium album et rubrum, L., _Aka sa_ J., _Sirusikina_.
+
+LVI. ~Salicineae.~
+
+ 239. Populus _Dero_, A.
+ 240. Salix _Sjusjuju_, A., _Janagi_ J., de bast daarvan _Meromai_ of
+ _Nikaumai_.
+ 241. S. _Toisjusju_, A., _Inokoro janagi_ J.
+ 242. S. _Toppikara_, A., _Kojanaki_ J.
+
+LVII. ~Canabinae.~
+
+ 243.* Canabis sativa, L., _Asa_ J., _Asakara_, tot naaidraad.
+ 244. Humulus japonica, S. & Z., _Kana mugura_ J.
+
+LVIII. ~Urticaceae.~
+
+ 245. Procris umbellata. S. & Z., _Kutsinawa zjôgo_, J.
+ 246.* Urtica _Mose_, A., _Siromawo?_ J., vel _Utarpe_, tot stoffen.
+
+LIX. ~Moreae.~
+
+ 247. Broussonetia? _Ats’ni_, A., tot Stoffen.
+ 248.* Morus indica, Thb. Flor., _Kwa_ J., _Tesimani_.
+
+LX. ~Ulmaceae.~
+
+ 249. Microptelia parvifolia, Spach., _Nire_ J., _Wofsjani_.
+
+LXI. ~Cupuliferae.~
+
+ 250.* Castanea vesca, Gärt., _Kuri_, J., _Jam’_.
+ 251. Corylus americana, Walt., _Hasibami_ J., _Wohoba_.
+ 252. Fagus _Pira_, A., _Bunano ki?_ J.
+ 253. Quercus _Beroni_, A., _Nara?_ J.
+ 254. Q. dentata, Thb., _Kasiwa_ J., _Gomuni_, Riemen en andere
+ gereedschappen.
+
+LXII. ~Betulaceae.~
+
+ 255. Alnus incana, Willd., _Hanoki_ J., _Nitats’kene_, generatim
+ _Kene_.
+ 256. A. _Jaja kene_, A.
+ 257. Betula _Asada_, A., de bast.
+ 258.* B. _Beitats’_, A., _Kaba?_ J., v. p., de bast.
+ 259. B. _Sîtats’_ T. V.
+
+LXIII. ~Taxineae.~
+
+ 260. Podocarpus Maki, S. & Z., _Maki_ J., _Tsikuni_.
+ 261. Thuja? Retinospora? _Sjungu_, A., _Kara hiba_.
+ 262.* Taxus cuspidata, S. & Z., _Araraki_ J., _Tarumani_, tot bogen.
+
+LXIV. ~Abietinae.~
+
+ 263.* Abies bifida, S. & Z., _Mômi_ J., _Sunk’_, Timmerhout, masten.
+ 264.* A. Jezoënsis, S. & Z., _Jezo mats’_ J., _Fuppo_, masten,
+ timmerhout.
+ 265.* Larix leptostachys, S. & Z.? _Fuzi mats’_ J., timmerhout.
+ 266.* Pinus densiflora, S. & Z., _Aka mats’_ J., _Kui_, timmerhout,
+ masten.
+ 267.* P. pauciflora, S. & Z., _Gojo mats’_ J., _Tsikafupp_ vel
+ _Inekereni_, voor huizen, masten.
+
+
+MONOCOTYLEDONEAE.
+
+LXV. ~Typhaceae.~
+
+ 268. Typha angustifolia, L., _Gama_ J., _Sikina_.
+ 269. Acorus Calamus, L., _Sjob’_ J., Geneesmiddel.
+
+LXVI. ~Aroideae.~
+
+ 270. Arisaema japonicum, Bl. var., _Tennansjô_ J., _Raurau_.
+ 271. A. ringens, Schott, _Musasi afumi_ J.
+ 272. Simplocarpus kamtschaticus, Salisb., _Usino sta_ J.
+
+LXVII. ~Alismaceae.~
+
+ 273.* Sagittaria sagittifolia, L., var. angustifolia, _Womodaka_ J.,
+ de wortel.
+
+LXVIII. ~Orchideae.~
+
+ 274. Cympidium virescens, Lindl., _Jamaran_, var. _Haruran_ J.,
+ _Imatsumatts_.
+ 275. Cypripedium macranthon, Swartz, _Setanoki_.
+ 276. Dendrobium catenatum, Lindl., _Sekikok_ J.
+ 277. Orchis?, _Likonkamuikina_.
+ 278. Pelexia falcata, Spr., _Suzuran_ J.
+ 279. Pogonia ophioglossoides, Kerr.? _Tokisô_ J.
+
+LXIX. ~Irideae.~
+
+ 280. Iris japonica, Thb., _Sjaka_ J.
+ 281. I. Kaempferi, Sieb., _Kakitsubata_ J., _Sitau_.
+ 282. I. oxypetala, Bge.? _Fimesjaka_ J.
+ 283. I. sibirica, L., _Ajame_ J.
+ 284. I. uniflora, Pall., _Jama ajame_ J.
+
+LXX. ~Dioscorideae.~
+
+ 285. Dioscorea heterophilla, Sieb., _Tokoro_ J.
+ 286.* D. opposita, Th., _Naga imo_ J., _Tsjurip_ vel _Wonkotsuibe_ vel
+ _Kosa_, de wortel.
+ 287.* D. sativa, L., _Kasjuimô_ J., de wortel.
+
+LXXI. ~Smilaceae.~
+
+ 288. Convallaria majalis, L., var. fol. latior., _Kimikakesô_ J.,
+ _Setakito_.
+ 289. Paris quadrifolia, L., _Tsume tori gusa_ J.
+ 290.* Polygonatum japonicum, M. & Decais., _Amatokoro_ J., de wortel.
+ 291. P. _Isui_, A.
+ 292. P. latifolium, Desf.? _Bebeukkina_.
+ 293. Smilacine bifolia, Desf., _Maidsur_ J.
+ 294. S. racemosa, Desf., var. Jezoënsis, Sieb., _Jukisasa_.
+ 295. S.? _Firajoma_, A. v. p.
+ 296-97. Smilax spec. 2 inermes.
+ 298. Trillium grandiflorum, Salisb., _Mikadosô_ J., _Heroara_, T. V.,
+ Sp. aff. _obovatum_, Pursh.
+
+LXXII. ~Liliaceae.~
+
+ 299.* Allium sativum, L., _Ninnik’?_ J. _Fuksa_.
+ 300.* Allium uliginosum Don., _Nira_ J., _Heroni_.
+ 301-2. A. spec. 2 indeterminatae.
+ 303. Crinum maritimum, Sieb.? _Hama juri_ J., _Imakibar_.
+ 304. Erythronium Dens canis, _Katakuri_ J., _Kitori_.
+ 305. Fritillaria ruthenica, Wiet., _Haru juri_ J.
+ 306. Funkia undulata, Sieb., _Susi gibôsi_ J.
+ 307. Gagea lutea, Kunth., _Amana_ J., _Tsikapptoma_.
+ 308. Hemerocallis Sieboldii, Kiks., _Kisuge_ J.
+ 309. Lilium canadense, L.? _Kuruma juri_ i. e. fol. verticillat. J.,
+ _Binnera_ vel _Imakiane_.
+ 310. L. Partheneion, Sieb. & Vries, _Fime juri_ J.
+ 311. L.? _Baba juri?_ J., _Thurep_.
+ 312. Narcissus Tazetta, L., _Suizen_ J.
+ 313. Ornithogalum; species indeterminata.
+ 314. Sarana kamtschatica, Fisch., _Kuro juri_ J., _Anrokol_ vel
+ _Sirakor’_, _Har’_.
+ 315. Scilla japonica, Thb., _Seozeo fakama_ J.
+
+LXXIII. ~Melanthaceae.~
+
+ 316. Uvularia sessilifolia, L., _Hôtsjak’_ J.
+
+LXXIV. ~Junceae.~
+
+ 317. Juncus, spec.
+ 318. Luzula campestris, Desv., _Suzumeno jari_ J., _Ritenmuni_.
+
+LXXV. ~Cyperaceae.~
+
+ 319. Carex variegata, Sieb. & de Vries, _Suge?_ J., _Hirasinekira_.
+ 320. C. _Tsimo_, J., _Irrap_.
+ 321.* Scirpus maritimus, L., _Kasasuge_ J., voor stroohoeden.
+
+LXXVI. ~Gramineae.~
+
+ 322. Airoclytrum japonicum, Steud., _Sasakusa_ J.
+ 323. Andropogon spec., _Kaze gusa?_ J., _Nino_.
+ 324. Anthistiria japonica, Willd., _Karukaja_ J., T. V., _Um’_.
+ 325. Arundo nitida, H. & B.? _Josi_ J., _Sjukki_.
+ 326. A. _Sjariki_, A., T. V.
+ 327. Bambusa sive Arundinaria, _Take_ J., _Top’_, _Kurbe_.
+ 328. Calamagrostis? _Muri_, A., ad littus maris in ins. Krafto.
+ 329.* Eleusine coracana vel indica, autor, _Fiju_ J., _Aira sjajam’_
+ vel _Bijaba_.
+ 330. Erianthus spec., _Kaja?_ J., _Um_.
+ 331. Festuca spec., _Tatsnofige_ J.
+ 332.* Hordeum vulgare, L., _Mugi_ J., _Menkuro_.
+ 333. H. jubatum, L., haud dubie hoc referendum.
+ 334. Imperata pedicellata, Steud., _Tsigaja_ J., _Nupkausi_.
+ 335. Melica, Sp. aff. _M. mutica_, Walt.
+ 336.* Oriza sativa, L., _Kome_ J., _Tsimorimokitsubi_, rijpt zeldzaam
+ op Jezo.
+ 337.* Panicum italicum et miliaceum, L., _Awa_, _Kibi_ J., _Musiro_;
+ quoque _Kitenamam_, _Sipsike_.
+ 338. Phalaris spec. (panic. ovoidea pendula), tot daken.
+ 339. Phyllostachys?, _Sasa?_ J., _Ikitara_.
+ 340. Graminea _Isjo_, A., _Jama gusa_, d. i. Berggras, J.
+ 341.* G. _Untsja_, A., _Makomo_ J., eetbaar.
+ 342. G. _Siki_, A., _Onikaja?_ J.
+
+
+ACOTYLEDONEAE.
+
+LXXVII. ~Equisetaceae.~
+
+ 343. Equisetum, _Tok’sa_ J., _Sibisibi_.
+
+LXXVIII. ~Filices.~
+
+ 344.* Filix, Pteris?, _Warabi_ J., _Toha_, eetbaar.
+ 345. F. _Warabi?_ J. _Sefumakina_.
+
+LXXIX. ~Musci.~
+
+ 346.* Muscus, _Koke_ J., _Ikkimaimai_, eetbaar mos.
+ 347. M., _Koke_ J., _Furukama_.
+
+LXXX. ~Fungi.~
+
+ 348.* Agaricus _Eburico_, A., (op _Larix leptost._), Geneesmiddel.
+ 349.* Boletus _Kuruma_, A., (op _Quercus Beroni_), eetbaar.
+ 350. Fungus? _Take_ J., _Karusi_.
+ 351. F.? _Take_ J., _Kappara_.
+ 352. F.? _Mai take_ J., _Juk karusi_, i. e. Fung. cervi.
+
+LXXXI. ~Algae.~
+
+ 353.* Fucus esculentus Lin. _Kombù_ Jap., _Konfu_[178].
+ 354-56. F. siliquosus, F. perforatus, F. graminoides. Ab ill. a
+ LANGSDORFF observatae species.
+ 357. Alga?, _Wakame_ J., _Ikkekonfu_, i. e. F. muscosus.
+
+ [178] Dit eetbaar zeewier, die, zoo als boven reeds gezegd is, een
+ aanzienlijk artikel van den uitvoer der Japanners is, wordt van
+ eene bijzonder goede hoedanigheid in het zuidoosten en oosten
+ van _Jezo_ gevonden, en met het opvisschen en droogen daarvan,
+ zoo als ook van tripang en klipzuigers, houden zich de vrouwen
+ der _Aino’s_ bezig.
+
+
+DELFSTOFFEN.
+
+Eene orographische beschrijving van het eiland _Jezo_ en van de reeks
+van vuurbergen die zich van het Z. tot het N. van _Japan_ en van daar
+over _Jezo_ tot naar de _Kurilen_ en verder tot naar het schiereiland
+_Kamtschatka_ uitbreiden, hebben wij reeds op andere plaatsen
+medegedeeld[179]. Over de geologische gesteldheid van de _Aino_-landen
+kunnen wij niets mededeelen dan eenige waarnemingen door Dr. ~Green~,
+lid van de Amerikaansche expeditie, in de naaste omtrekken van
+_Hakodate_ gedaan. Deze beperken zich tot eene oppervlakkige
+beschrijving van eene roodachtige verscheidenheid van Siëniet, dat zich
+door eene buitengewoon groote hoeveelheid van Toermalijn kristallen
+kenmerkt, waaruit de top van den digt bij _Hakodate_ gelegen berg
+bestaat, en tot eenige waarnemingen op het voorgebergte (dat de baai
+vormt?), van verheffingen door onderaardsche kracht en van de oprijzing
+van een naar het voormelde Siëniet gelijkend gesteente, dat in plaats
+van Toermalijn met Veldspaath vermengd was en door Dr. ~Green~ als eene
+Porphier-formatie herkend werd[180]. Het eiland _Jezo_ schijnt overigens
+zijne tegenwoordige gedaante, even als _Kamtschatka_, waarvan men thans
+de geologische gesteldheid naauwkeurig kent, aan verscheidene
+verheffingen, waarvan de eerste in groote tijdperken elkander opgevolgd
+zijn, te danken te hebben. Het eerste kwam daar Graniet en Porphier te
+voorschijn en deze beide gesteenten hebben de eerste verheffing en
+omwenteling van den vasten leisteen veroorzaakt; na eene lange rust,
+gedurende welker laatste tijdperk zich de tertiaire lagen gevormd
+hebben, braken Basalt en Amandelgesteente door en oefenden op de jongste
+sedimentgesteenten eenen omwentelenden invloed uit. Daarna volgden
+spoedig op elkander magtige uitbarstingen van trachietische en
+oud-vulkanische gesteenten, de reeds voorhanden gesteenten menigvuldig
+door elkander werpende en omwentelende, tot dat zich eindelijk de nog
+thans in werking zijnde vuurbergen, door de reeds bestaande verstoring
+en verwarring van oude kraters, den weg baanden en bij voortduring
+nieuwe omwentelingen en formatiën van het land voorbrengen. Zulk een
+tafereel van verwoesting en herschepping, door onderaardsche kracht,
+levert de geheele keten van vuurbergen op, die zich van het zuiden van
+_Japan_ over de _Aino_-landen tot naar _Kamtschatka_ uitbreiden, waar
+zij, zoo als de laatste onderzoekingen hebben getoond, uit zeventien
+trechters onophoudelijk werkzaam zijn.
+
+ [179] _Geschichte der Entdeckungen_, l. c., pag. 137. ~Alexander von
+ Humboldt~, _Kosmos_. Band IV, Abth. 1.
+
+ [180] ~Francis L. Hawks~, _Narrative_, l. c. pag. 518.
+
+Onder de verzamelingen van zeldzame steenen uit _Jezo_, die wij van
+Japanners gekregen hebben, bevinden zich ook gelijksoortige granitische
+en porphiergesteenten en verscheidene gekrystaliseerde Kwartssoorten,
+waaronder zich uitmuntende krystallen van zwarten Rooktopaas, Amethyst
+en Bergkristal bevinden. Ook hebben wij Obsidiaan-kogels van twee tot
+drie palmen doorsnede, pikzwart van kleur, en kleine blaauwe stukjes,
+waarvan waarschijnlijk de zoogenoemde _Krafto tama_, d. i. edele steenen
+van _Krafto_ vervaardigd worden, van daar verkregen. Als eene bijzondere
+zeldzaamheid werden ons van _Matsmaë_ meer dan eene el lange en vier
+duim dikke vijfhoekige zuilen van Trachiet gezonden, die op de
+bergtoppen aan de oevers van de ~Isikari~-rivier gevonden worden.
+
+Zulke gesteenten op zichzelven bestaande, laten zich echter bloot als
+zeldzaamheden beschouwen en het bestaan van primitive ertsrijke, en
+vulkanische, nog werkzame of uitgedoofde, gebergten veronderstellen;
+voor de beoordeeling van de geologische gesteldheid dezer landen zijn
+zij van geene beteekenis. Wij willen hier nog de namen van ertsen en van
+eenige andere delfstoffen aanhalen:
+
+ Goud Konkani (Aino) Kane, kin (Jap.)
+ Zilver Sirokani Sirokane, gin
+ Koper Akkane, furesju Akakane
+ Brons Karakane Karakane
+ IJzer Kup’ka Kurogane, tets
+ Arsenik Kabuto Kawano sômjô
+ Barnsteen Rukke Kwarjô
+ Slijpsteen Rui Tôisi
+ Steen Furima, sjuma Isi
+
+Het binnenland van _Jezo_ zou rijk aan ertsen zijn en het zand van
+verscheiden rivieren en aan het zeestrand goud bevatten. Het zal dus
+niet onbelangrijk zijn onze verhandeling met een geschiedkundig overzigt
+van de berigten over den goud- en zilver-rijkdom van _Jezo_, uit
+japansche bronnen geput, te sluiten. Het was toch het voornaamste
+oogmerk van de onder de Commandeurs ~Quast~ en ~Vries~ ondernomen
+zeetogten, goud- en zilverrijke eilanden op te zoeken; en die zijn dan
+ook door onzen ~Vries~ werkelijk ontdekt, zoo als thans op het eiland
+_Urup_ gebleken is, waar de nieuwe bezitters van het Compagnie-land, de
+Russen, rijke kopermijnen openen, en zoo als ook alle Japansche
+reizigers van _Jezo_ beweren. Deze ontdekkingen zijn, helaas! gelijk
+vele andere nuttige wenken en raadgevingen in het belang van onze
+overzeesche bezittingen, in het meer der vergetelheid met de oude
+Nederlandsche vlag ondergegaan, om zich onder eene vreemde vlag, in het
+noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan, allengs weder daaruit te
+verheffen[181].
+
+ [181] De schrijver bedoelt daar het verwaarloosde _Formosa_,
+ _Quelspaard_, de _Bonin_ eilanden en eenige andere voor de
+ Nederlandsche scheepvaart en den overzeeschen handel gewigtige
+ plaatsen, die hij hier niet noemen wil, omdat ze mogelijk nog
+ voor den particulieren meer en meer verlichten Nederlandschen
+ handelsgeest kunnen toegankelijk gemaakt worden.
+
+»_Jezo_, zegt ~Fajasi Sifei~, is rijk aan ertsen; de inboorlingen hebben
+echter geene kennis van bergbouw en verstaan niet edele metalen door
+mijnwerken te winnen.” Goudzand vindt men op _Jezo_ op vele plaatsen:
+als bij _Kunsui_ in het N.W. van de Vulkaanbaai, aan het strand van
+_Usibets_ in het W. van kaap _Jerimo_; in het gebergte van _Jubari_ en
+_Sen ken gak_, dat men de Goudbergen (_Kinsan_) noemt; bij _Sikots_,
+niet verre van het groote binnenmeer, waaruit de grootste rivier van
+_Jezo_, de _Isikari_, ontspringt; en bij _Haboro_ op de N.W. kust. Het
+goudzand wordt niet alleen door de rivieren aangespoeld, maar dikwijls
+ook over streken lands van 10 tot 20 _Ri_ verspreid gevonden. Bij
+_Haboro_ vindt men het goudzand telkens wanneer de wind N.W. is, en
+wanneer het hard gewaaid heeft, glinstert het zeestrand, als ware het
+verguld. Ook vernamen onze oude Nederlandsche zeevaarders, op hunne
+ankerplaats bij het Vossen-eiland (op _Kunasiri_), dat goud in de
+omstreken van den piek _Antony_ gevonden en het zilver voor oorringen
+van de _Minami sjam_ d. i. Zuidmenschen (van _Jezoërs_) verkregen werd.
+»_De luiden achten het zilver weinigh_” (S. B.). De erts op den
+_Mineraelbergh_, op het Compagnieland (_Urup_) gevonden, wordt aldus
+beschreven: »Steenachtige aerde, gelijkende wel witte volaerde, welke,
+dikwils gewasschen zijnde, stukjes metaal, als speldehoofden, uitgaf,
+die zij oordeelden zilver te zijn” (S. B.). ~Sifei~ klaagt er zeer over,
+dat de Japanners het opzoeken van het goudzand verwaarloozen,
+voorgevende, dat de berglieden het daar van koude niet konden uithouden;
+bleven toch, meent hij, de inboorlingen in het noorden van _Haboro_
+gezond, zoo konden daar ook wel menschen uit warme landen, wanneer zij
+zich maar warm kleeden en goed voeden, zich tegen de koude bewaren en
+gezond blijven.” Er bestaat echter eene andere oorzaak, die de Japanners
+van het goudzoeken terughoudt: het ontginnen van goudmijnen en wasschen
+van goudzand zijn voorregten eenig en alleen aan den _Sjôgun_, den
+zoogenaamden wereldlijken Keizer, voorbehouden en uit staatkundige
+redenen streng verboden. Vroeger, in het midden van de 17^{de} eeuw,
+werd veel goud en zilver in de Vulkaanbaai bij de rivier _Kunui_ en op
+de oostkust aan de _Sarui_-rivier gewonnen, en er had daar veel handel
+tusschen de _Aino’s_ en de Japanners plaats; toenmaals verwekte echter
+een berucht _Aino_-hoofd, ~Samsaiin~, eenen opstand, die met geweld van
+wapenen ten onder gebragt werd, waarop het goudzoeken beperkt en allengs
+verboden is. In de _Baie de Langle_, op de westkust van _Krafto_, werden
+door ~Lapérouse~ aan het strand stukken van steenkolen, maar hoegenaamd
+geene gesteenten gevonden, aan die men sporen van goud, koper of andere
+ertsen kon ontdekken. In den nieuwsten tijd zijn ook op _Jezo_
+steenkolen gevonden, die van goede hoedanigheid zullen zijn; de
+Vorst-stedehouder van _Matsmaë_ had echter in 1856 van het Hof te _Jedo_
+het verlof tot het ontginnen van de kolenmijnen nog niet verkregen. In
+het overzigt der reis van den Kapitein-luitenant ter zee ~Fabius~ tot
+het bezoeken van de havens van _Hakodate_ en _Simoda_ met de
+Nederlandsche schroef-korvet _Medusa_, in September en October 1856,
+wordt ook bevestigd, dat het eiland _Jezo_ zeer rijk aan zilver- en
+kopermijnen is, en dat de mijnen niet mogen ontgonnen worden[182].
+
+ [182] _Rapport_ der Departementen van Koloniën en Buitenlandsche Zaken
+ dd. 19 April en 7 Mei 1857, betreffende de Japansche
+ aangelegenheden.
+
+ * * * * *
+
+In onze aardrijkskundige toelichtingen hebben wij van de meest gewigtige
+punten en plaatsen op de oostkust van _Jezo_, de zuidelijke _Kurilen_ en
+van den golf van _Aniwa_ tot naar de bogt van _Patientie_ op _Krafto_ de
+aardrijkskundige ligging, zoo als die door ~Vries~ bepaald of door ons
+volgens de waarnemingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders berekend
+is geworden, aangehaald, en ze met die van de Hof-astronomisten te
+_Jedo_ en van andere zeevaarders vergeleken. Een vergelijkend overzigt
+dezer waarnemingen zal hier niet te onpas komen, en om het algemeen nut
+daarvan te verhoogen, zullen wij er de tot nu toe bekende breedte en
+lengte bepalingen van alle overige punten en plaatsen van _Jezo_,
+_Krafto_ en de zuidelijke _Kurilen_ bijvoegen.
+
+
+
+
+TAFEL VAN VERGELIJKING VAN DE BREEDTE- EN LENGTEBEPALINGEN VAN DE
+VOORNAAMSTE PUNTEN EN PLAATSEN VAN _JEZO_, DE ZUIDELIJKE _KURILEN_ EN
+VAN _KRAFTO_.
+
+ ===========================+==========+===========+=======================
+ NAMEN DER PUNTEN. |Breedte N.|Lengte O. | WAARNEMERS.
+ | |v. Greenw. |
+ ---------------------------+----------+-----------+-----------------------
+ Het eiland Jezo. | | |
+ | | |
+ Matsmaë, stad. |41°28′30″ |140°26′40″ |T. Sakusajemon.
+ |41 30 -- |140 4 -- |Von Krusenstern.
+ Caep Tadeïsi (_C. Matsu- |41 30 -- |139 57 -- | „
+ maë_, von Krusenstern). | | |
+ C. Sirakami (_C. Na- |41 25 10 |140 9 30 | „
+ diejda_). | | |
+ C. Kinoko (_C. Sineko_, |41 39 30 |139 54 15 | „
+ Krusenstern). |41 38 -- |140 13 40 |T. Sakusajemon’s kaart.
+ C. Ohota (_C. Oota_, |42 18 10 |139 46 -- |Von Krusenstern.
+ Krusenstern). |42 22 -- |140 1 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ C. Sepomai (_C. Kou- |42 38 -- |140 1 -- |Von Krusenstern.
+ tousoff_, Krus.). | | |
+ C. Raiten. |42 57 -- |140 16 -- | „
+ C. Okamui (_C. Novosil- |43 14 30 |140 15 30 | „
+ zoff_, Krus.). |43 15 -- |140 34 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ C. Wofui (_C. Malespina_, |43 42 15 |141 18 30 |Von Krusenstern.
+ Krusenst.). |43 36 -- |141 41 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ Berg Pallas, Krus. |44 -- -- |141 54 -- |Von Krusenstern.
+ (_Manke_, _Jap._). | | |
+ C. Tomamai (_C. Schisch- |44 20 -- |141 37 -- | „
+ koff_, Krust.). |44 20 30 |142 9 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ C. Nossjab’ (_C. Roman- |45 25 50 |141 34 20 |Von Krusenstern.
+ zoff_, Krus.). |45 27 -- |142 28 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ C. Soja. |45 31 15 |141 51 -- |Von Krusenstern.
+ Dorp Soja. |45 28 -- |142 49 9 |T. Sakusajemon.
+ C. Schaep, Krus. (_Kamui- |45 21 -- |142 14 -- |v. Krusenstern, kaart.
+ iroka?_). | | |
+ C. Kamui-iroka. |45 5 -- |143 41 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ De baai van Sjarurun. |44 24 -- |144 2 -- | „ „
+ Jubets (mond van de |44 9 -- |144 34 -- | „ „
+ rivier). | | |
+ C. Notoro. |44 3 -- |145 19 -- | „ „
+ C. Siretoko (_C. Spanberg_,|44 14 -- |146 19 | „ „
+ Krus.). | | |
+ Nisibets (mond van de |43 23 -- |146 4 47 |T. Sakusajemon.
+ rivier). | | |
+ C. Notke (_Notsky_, |43 28 -- |146 4 -- | „
+ Laxmann). |43 45 -- |145 52 -- |Von Krusenstern.
+ C. Nossjam (_C. Broughton_,|43 28 -- |146 44 27 |T. Sakusajemon, kaart.
+ Krus.). |43 27 -- |146 -- -- |Broughton, Original-
+ | | |kaart.
+ |43 38 30 |146 7 30 |v. Krusenstern, kaart.
+ C. de Manshooft, Vries. |43 11 -- |146 14 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |43 16 -- | -- -- -- |Vries, Journaal.
+ Atkesi (_Baij de goede |43 2 -- |145 34 27 |T. Sakusajemon.
+ Hoop_, Vries). | | |
+ „ het Dorp. |43 20 -- | -- -- -- |Vries, kaart.
+ Ingang van de Baai. |43 -- -- |144 36 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |42 58 -- |144 22 -- |Von Krusenstern.
+ |43 -- -- |144 36 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |43 5 -- | -- -- -- |Vries.
+ C. Kusuri. |42 56 -- |145 8 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Tokatsi (Dorp aan den mond |42 39 -- |144 22 -- | „ „
+ van de Usibets’). | | |
+ Saruru (Dorp). |42 7 -- |143 56 6 |T. Sakusajemon.
+ C. Jerimo (_Eroen_, Vries).|41 56 -- |143 39 10 |T. Sakusajemon, kaart.
+ |42 -- -- | -- -- -- |Vries.
+ |41 53 -- |142 55 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |41 59 -- |142 48 -- |Ricord.
+ C. Jetomo (_Endermo_, |42 20 -- |141 12 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Brought). |42 19 30 |141 7 -- |Broughton.
+ |42 21 15 |140 56 -- |Ricord.
+ C. Jesan (_Esarme_, |41 46 -- |141 35 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ Brought). |41 49 20 |141 20 -- |Broughton.
+ |41 48 -- |141 13 -- |Ricord.
+ Hakodate (Stad en haven). |41 47 -- |141 5 -- |T. Sakusajemon.
+ „ (Mond van de |41 49 -- |140 47 45 |Amerik. Expeditie.
+ _Kamida_-rivier). |41 43 30 | -- -- -- |Broughton.
+ |41 42 -- |140 48 -- |Von Krusenstern, volgens
+ | | |Ricord.
+ | | |
+ Rondom liggende eilanden. | | |
+ | | |
+ J. Kosima. |41 20 -- |139 55 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |41 21 30 |139 46 -- |Von Krusenstern.
+ J. Ohosima. |41 30 -- |139 29 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |41 31 30 |139 19 15 |Von Krusenstern.
+ J. Okosiri. |42 18 30 |139 42 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ |42 9 -- |139 30 -- |Von Krusenstern.
+ J. Teore. |44 27 30 |141 46 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |44 27 45 |141 16 45 |Von Krusenstern.
+ J. Jankesiri. |44 29 -- |141 52 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ |44 29 45 |141 23 15 |Von Krusenstern.
+ J. Risiri (_Pic de |45 11 -- |141 45 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Langle_). |45 11 -- |141 12 15 |Von Krusenstern.
+ J. Refunsiri. |45 18 -- |141 35 40 |T. Sakusajemon, kaart.
+ C. Guibert. |45 27 45 |141 4 -- |Von Krusenstern.
+ | | |
+ De Japansche Kurilen. | | |
+ | | |
+ Kunasiri (_Kunaschir_, |44 26 -- |146 12 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Krusenstern). |44 29 15 |146 8 -- |Golownin (1813).
+ „ C. Moimoto (_C. |44 24 24 |146 23 -- |Broughton, org.-kaart.
+ Loffsoff_, Krus.).|44 21 -- |146 54 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ „ Piek Antony, |44 31 -- |145 46 -- |Golownin (1818) en
+ Vries. | | |Ricord.
+ |44 20 -- |146 6 -- |Broughton, org.-kaart.
+ „ W. Hoek van de |44 36 -- | -- -- -- |Vries, Journaal.
+ Tepelberg. | | |
+ „ Baie des Traitres.|43 36 -- |146 17 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |43 44 -- |144 59 30 |Golownin.
+ „ Berg Tsiusi. |43 54 -- |146 26 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Jetorop (_Iturop_, Krusen- |44 23 -- |146 24 -- | „ „
+ st., _Staten Ey- | | |
+ lant_, Vries). | | |
+ „ C. Tesiko (_C. Ri- |44 29 -- |146 34 -- |Golownin en Ricord.
+ cord_, Krus.). |44 21 -- |146 48 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |44 28 -- | -- -- -- |Vries, Journaal.
+ „ C. Kroonberg, |44 51 -- |147 34 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Vries. |44 45 -- |146 52 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |45 5 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ „ C. Notero (_low |45 7 -- |147 17 -- |Broughton, org.-kaart.
+ point_, Brought). | | |
+ „ C. Ikabanots (_de |45 33 -- |148 14 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Trou_, Vries). |45 34 -- | -- -- -- |Vries, Journaal.
+ |45 39 -- | -- -- -- |De Lapérouse.
+ „ C. Tosifuri |45 40 30 |148 53 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ (N.W.punt). |45 43 -- |148 18 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |45 46 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ |45 37 -- |149 1 -- |Golownin.
+ „ C. Okkebets. |45 39 -- |149 9 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |45 45 -- |148 28 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |45 59 -- |148 20 24 |De Lapérouse, kaart.
+ |45 50 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ „ C. Seworosi (_C. |45 30 -- |149 10 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Vries_, Vries). |45 35 -- |148 27 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |45 38 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ |45 38 30 |149 14 -- |Golownin.
+ |45 35 -- | -- -- -- |Vries, Journaal.
+ Urup (_Compagnieland_). |45 44 -- |149 -- -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ „ C. Nobunots. |45 46 -- |148 58 -- |Broughton, org.-kaart.
+ „ C. Kusinots (_C. v. d.|45 45 -- |149 49 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Lijn_, Vries). |45 38 -- | -- -- -- |Vries.
+ „ C. Iwara (_Kruishoek_,|45 39 -- |149 34 -- |Golownin.
+ Vries). |45 53 -- |149 43 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |45 57 -- |149 7 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |46 6 -- |149 48 -- |Vries, Journaal.
+ |46 6 -- |150 42 24 |De Lapérouse, kaart.
+ „ C. Arimui (_C. Schou- |45 59 -- |149 57 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ ten_, Vries). |46 8 -- |149 20 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |46 33 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ „ C. Itojentomo (_C. |46 18 -- |150 29 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Castricum_, Lapérou- |46 16 -- |150 22 -- |Golownin.
+ se). |46 14 -- |149 52 -- |Broughton, org.-kaart.
+ |46 23 -- |151 48 24 |De Lapérouse, kaart.
+ Rebuntsiriboi (_Tschiri- |46 27 -- |150 44 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ poij_). | | |
+ (Hummock Island, Brought). |46 32 45 |150 37 10 |Golownin.
+ |46 32 -- |150 10 -- |Broughton, org.-kaart.
+ Jargetsiriboi. |46 24 -- |150 39 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ |46 29 15 |150 33 30 |Golownin.
+ |46 29 -- |150 7 -- |Broughton, org.-kaart.
+ Makanruru (_J. Broughton_, |46 37 -- |150 41 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ Golow.). | | |
+ (_Round Island_, Brough- |46 42 30 |150 28 30 |Golownin.
+ ton). |46 46 -- |149 59 -- |Broughton, org.-kaart.
+ Sikotan (_Tschikotan_, |43 58 -- |137 23 -- |T. Sakusajemon, kaart.
+ J. Spangberg). | | |
+ „ C. Itoruika |43 53 -- |146 48 30 |Golownin.
+ (_C. Canael_, |43 44 -- |146 52 -- |Broughton, org.-kaart.
+ Vries). |44 7 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart).
+ |43 50 -- | -- -- -- |Spangberg.
+ |43 56 -- | -- -- -- |Vries Journaal.
+ | | |
+ Het Eiland Krafto, Golf van| | |
+ Aniwa. | | |
+ | | |
+ C. Notoro (_C. Crillon_, |45 57 -- |140 34 -- |(O. v. Parijs.) De
+ Lapérouse). | | |Lapérouse.
+ |45 54 15 |141 48 -- |Von Krusenstern.
+ J. La Dangereuse, |45 47 15 |142 8 45 | „
+ Lapérouse. | | |
+ C. Siretoko (_C. Aniwa_, |46 3 -- |144 24 -- |De Lapérouse.
+ Vries). |46 2 20 |143 30 20 |Von Krusenstern.
+ |45 59 -- | -- -- -- |Vries (Janss. Journ.)
+ Zalmbaai, Vries. |46 40 -- | -- -- -- | „ „ „
+ „ v. Krus., Anker- |46 41 15 |142 33 -- |Von Krusenstern.
+ plaats. | | |
+ Tomari Aniwa, Vries. |46 36 20 |142 52 -- | „
+ J. Pijramida (_Takatsuga_, |46 20 -- | -- -- -- |Vries, org. kaart.
+ Vries). |46 32 -- | -- -- -- |Toknai’s kaart.
+ | | |
+ Westkust van Krafto. | | |
+ | | |
+ J. Toto-mosiri (_J. Monne- |46 9 -- |141 14 -- |Volgens v. Krusenst.
+ ron_, Lapér.). | | |Mémoires hydrogr.
+ Baie de Langle, Lapérouse. |47 49 -- |140 29 -- |(O. v. Parijs.) De
+ | | |Lapérouse.
+ |47 45 -- |141 58 -- |Volgens v. Krusenst.
+ | | |Mémoires hydrogr.
+ Pic de Lamanon |48 45 -- |141 56 -- |Volgens v. Krusenst.
+ (_Raitsiska_). | | |
+ Baie d’Estaing, Lapérouse. |48 59 -- |140 32 -- |(O. v. Parijs.) De
+ | | |Lapérouse.
+ Baie de Jonquière, |50 54 -- |142 16 -- |Von Krusenstern.
+ Lapérouse. | | |
+ C. Boutin (_Tekka_, |51 52 -- |141 53 -- |Mémoires van denzelfden.
+ Lapérouse). | | |
+ | | |
+ Noordkust van Krafto. | | |
+ | | |
+ C. Golowatcheff, von |53 30 15 |141 55 -- |Von Krusenstern.
+ Krusenstern. | | |
+ C. Horner, von Krusenstern.|54 8 -- |142 28 -- | „
+ C. Marie, von Krusenstern. |54 17 20 |142 17 45 | „
+ C. Elisabeth, von |54 24 30 |142 46 30 | „
+ Krusenstern. | | |
+ | | |
+ Oostkust van Krafto. | | |
+ | | |
+ C. Loewenstern, von |54 3 15 |143 42 30 | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Würst, von Krusenstern. |52 27 30 |143 17 30 | „
+ C. de Bas-fonds, von |52 32 30 |143 14 30 | „
+ Krusenstern. | | |
+ Pointe de dunes, von |51 53 -- |143 14 -- | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Delisle de la Croyere |51 30 -- |143 33 -- | „
+ v. Krusenst. | | |
+ C. Ratmanoff, von |50 48 30 |143 53 15 | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Rimnick, von |50 11 30 |144 3 -- | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Bellinghausen, von |49 35 -- |144 25 45 | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Patientie, Vries. |48 34 -- | -- -- -- |Vries Journaal.
+ |48 52 -- |144 46 15 |Von Krusenstern.
+ Robben eijland, Vries. |48 34 -- |144 25 -- | „
+ |48 31 -- | -- -- -- |Vries Journaal.
+ C. Dalrijmple, von |48 21 -- |142 50 -- |Von Krusenstern.
+ Krusenstern (_Uri_). | | |
+ C. Mulloffsky, v. Krus. | | |
+ (_Sjojunkotan_). |47 57 45 |142 44 -- | „
+ C. Seniawin, v. Krus. |47 16 30 |143 -- -- | „
+ (_Notsuitoko_). | | |
+ Mordwinoff-Baai, von |46 48 -- |143 24 -- | „
+ Krusenstern. | | |
+ C. Tonijn, Vries |46 50 -- |143 33 -- | „
+ (_Wojakutsi_). |46 47 -- | -- -- -- |Vries Journaal.
+ C. Löwenörn, v. Krusenst. |46 23 10 |143 40 20 |Von Krusenstern.
+ (_Hontob_). | | |
+
+
+
+
+BIJ DEN UITGEVER DEZES ZIJN MEDE TE BEKOMEN
+
+DE NAVOLGENDE WERKEN
+
+UITGEGEVEN VAN WEGE HET
+
+KON. INSTITUUT VOOR NEDERL. INDIË.
+
+
+ Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van
+ Nederlandsch Indië, 1^{e} Serie, 4 deelen, 1853-1856. 8^{o}. ƒ 18.--
+
+ Nieuwe volgreeks, 1^{e} deel, 1856, 1^{e} en 2^{e} stuk.
+ 8^{o}. „ 2.60
+
+ MULLER (S.), Reizen en onderzoekingen in den Indischen
+ Archipel, gedaan op last der Nederlandsche Indische regering,
+ tusschen de jaren 1828 en 1836. 2 deelen gr. 8^{o}. met 4
+ kaarten en 5 platen. „ 9.80
+
+ SCHWANER (C. A. L. M.), Borneo. Beschrijving van het
+ stroomgebied van den Barito, en Reizen langs eenige voorname
+ rivieren van het Zuid-Oostelijk gedeelte van dat land, op last
+ van het Gouvernement van Nederl.-Indië gedaan in de jaren
+ 1843-1847. 2 deelen met 14 gekl. pl. Zeer gr. 8^{o}. „ 12.50
+
+ CROOCKEWIT (J. H.), Banka, Malakka en Billiton; verslagen
+ aan het bestuur van Nederl.-Indië gedaan in de jaren 1849 en
+ 1850. 8^{o}. (1.50) „ --.90
+
+ KITAB-TOEHPAH, Javaansch-Mahommedaansch Wetboek, uitgegeven
+ door S. KEYZER. 1853. 8^{o}. „ 3.20
+
+ VAN DER HART (C.), Reize rondom het eiland Celebes en naar
+ eenige der Moluksche eilanden, gedaan in den jare 1850, door
+ Z. M. schepen van oorlog _Argo_ en _Bromo_. 1854. 8^{o}. „ 3.90
+
+ Het Boek Adji-Saka. Oude fabelachtige geschiedenis van Java.
+ Uit de poëzie in Javaansch proza overgebragt door C. F. WINTER,
+ Sr. Met een uitvoerig Bijvoegsel tot het Woordenboek der
+ Javaansche taal, van GERICKE en ROORDA. 1857. 8^{o}. „ 5.70
+
+
+WIJDERS:
+
+ Duizend en eene Nacht.--Arabische vertellingen. Naar de
+ Nederduitsche vertaling in het Javaansch vertaald door C. F.
+ WINTER Sr., uitgegeven door T. ROORDA. 1847-1849. 2 deelen.
+ 8^{o}. (21.--) „ 11.--
+
+ Het Boek Radja Pirangon of de geschiedenis van Nabi Moesa. Eene
+ Javaansche legende, uitgegeven door T. ROORDA. 1844. 8^{o}.
+ (3.25) „ 1.40
+
+
+_Bij denzelfden is mede voorhanden:_
+
+Eene ZEER RIJKE VERZAMELING van BOEKEN, PLAATWERKEN en KAARTEN over de
+_Nederlandsche Bezittingen_, zoo vroegere als tegenwoordige in Azië,
+Afrika en Amerika, waarvan de Catalogus van 1430 Nummers op _franco_
+aanvrage te bekomen is.
+
+
+
+
+[Illustratie: _Gouverneur Generaal_
+
+_Directeur Generaal_
+
+_Raad van Indie_
+
+_Buitengewoon Raad van Indie_
+
+_idem_
+
+_Schipper-Commandeur_]
+
+
+
+
+[Illustratie: _Gedaene Coursen_
+
+_door_
+
+_den Schipper Commandeur_
+
+_MARTEN GERRITSEN VRIES_
+
+_met het fluytschip Castricum_
+
+_A^{o} 1643._
+
+De kaart berust IN ORIGINALI bij het Rijksarchief.]
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | * De tekst bestaat uit door verschillende mensen in verschillende |
+ | tijden geschreven delen, en deze verschillen komen onder andere |
+ | tot uitdrukking in inconsistenties in spelling, woordafbrekingen,|
+ | stijl, transcripties, het gebruik van accenten en opmaak. Deze |
+ | inconsistenties zijn zo veel mogelijk bewaard in deze e-tekst. |
+ | Alle in de tekst aangebrachte veranderingen worden hieronder |
+ | genoemd; deze betreffen vooral klaarblijkelijke zetfouten. |
+ | |
+ | * Inconsistenties en spellingsvarianten in de tekst voor zover deze|
+ | belangrijke begrippen, geografische of eigennamen, of Aino of |
+ | Japanse woorden betreffen: |
+ | - Geografische namen: Amboina/Amboyna; America/Amerika/Ameryca; |
+ | Aniwa-Tamary/Aniwa Tamary; Cambalu/Cambalú; Castricum/Kastricum; |
+ | Cirarca/Cyrarca; Compagnie-land/Compagnieland/Compagnyslant/ |
+ | Companyslant; Croonberch/Croonbergh; Cruishoek/Cruyshoek/ |
+ | Cruyshoeck/Kruishoek; Gebroocke/Gebroocken Eiland; Hakotade/ |
+ | Hakotadi; India/Indie/Indië; Iterup/Iturup/Iturop/Jetorop; |
+ | Jakejama/Jakojama; Japander/Japaner/Japanner; Japanderen/ |
+ | Jappanderen/Japanders/Japanners; Javaansche/Javaensche; Jedzo/ |
+ | Yedzo/Jeso/Jesso/Sesso; Jesan/Jezan; Kamschatka/Kamtschatka; |
+ | Kamtchadalen/Kamtschadalen; Komagatake/Komagataki; Kombu/Kombù; |
+ | Leiden/Leyden; Maetsuycker/Maetsuyker; Malabriga/Malabrigo/ |
+ | Malabrygo; Maleya/Maleye/Maleyen; Manilha/Manilhae; Manko/Mankô; |
+ | Mantschou/Mantschu; Masirika/Mosirika; Matsimay/Matsmay/Matsumay/|
+ | Matsmai/Matsmaë/Matsumaë; Mijake/Mijako; Mineraelberch/ |
+ | Mineraelbergh; Molucca/Molucco; Moratay/Morotay; kaap Mulloffsky/|
+ | Muloffsky; Nabo/Nambo/Nambu; Nederland/Nederlant; Nipon/Nippon; |
+ | Ochots/Ochotsk/Ockots; Ongeluckich/Ongeluckigh eiland; Oost- |
+ | wilden/Oostwilden; Rakkosima/Rakosima; Rookhoeck/Rookhoek; |
+ | Sachalin/Saghalin/Saghalin/Saghalien; Sana/Sjana; cabo Spiritus |
+ | Santo/caep Spiritus Santa; Sandtduynige/Santduynige hoeck; |
+ | Sendai/Sendaï; Seniavin/Seniawin; Sibots/Sibotsi/Sirots; |
+ | Siwokubi/Siwokuwi; Staetenlant/Statenlant/Staten-lant; Tacaptie/ |
+ | Tocaptie; Tadeisi/Tadeïsi; Taefelberch/Tafelberch; Takatsuga/ |
+ | Takatsuka; Tarnaten/Ternaten/Ternate; Tartaria/Tartarie/ |
+ | Tartarien/Tartarye/Tartariën/Tartaryen; Tato mosiri/Toto-mosiri/ |
+ | Toto mosiri; Tayouan/Tayoúan; Teneriffa/Teneriffe; Tokitaë/ |
+ | Tokitaï; Tsugar/Tsungar/Tsuyar/T’sungaar; West-Indien/West- |
+ | Indiën; Westhoeck/Westhoek; Zuidland/Zuydland/Zuytland; Zuyd-zee/|
+ | Zuydtzee/Zuydzee/Zuytzee. |
+ | - Persoonsnamen: Anthonio/Antonio van Diemen; Byleveld/Bylevelt; |
+ | Decain./Decais. (afkorting voor Jospeh Decaisne); Engelbert/ |
+ | Engelberth Kaempfer; Franchois/Franchoys Jacobsen; Fukutsi |
+ | Gensok/Kensok; Hendrick/Hendrik Schaep; Hendrick/Henrick/Henricq |
+ | Brouwer; Maerten/Marten/Maarten Gerritsz./Gerritz(.)/Gerritsen |
+ | (de) Vries/Fries/Uries; Mathys/Matthys Quast; Nicolaas/Nicolaes |
+ | Witsen; Pittavin/Pittavyn; Mamia Rinso/Rinsô/Rinzo; Sakusajemon/ |
+ | Saku Sajemon; Roelof Sieversz./Sievertsz./Siversz.; Fajasi Sifei/|
+ | Sivei. |
+ | - Dieren en planten: Enydris/Enydrys marina; Hokjok/Hokjuk; Irigo/ |
+ | Iriko; Jatsme-unagi/Jats’me-unagi; Otaria/Ottaria; Sithukari/ |
+ | Situkari; Taneibe/Tanneibe. |
+ | - Diversen: Tacoy/Takoy (vriend). |
+ | - De volgende woorden zijn zo verschillend dat geen sprake is van |
+ | inconsistenties, maar dat niet duidelijk is wat het juiste woord |
+ | is: Bussanobori/Fussanobori (Croonbergh); Eroen/Groen (Z.O. hoek |
+ | van Jezo); Coutsiaer/Goutsiaer/Goutsioer. |
+ | - De transcriptie van de volgende woorden is verwarrend, hoewel het|
+ | om duidelijk verschillende dieren gaat: Hankatsjui/Hankkatsjui |
+ | (resp. mossel en libel); Jeppirika/Jeppirka (resp. papegaaiduiker|
+ | en kraai). |
+ | |
+ | * Waar mogelijk zijn onduidelijkheden geverifiëerd met andere |
+ | bronnen. |
+ | |
+ | * Inhoudelijke opmerkingen: |
+ | - Pag. 49, dag f 14: windrichting O. ½ W. lijkt onwaarschijnlijk. |
+ | - Pag. 120, dag d 12: Eso S.O.t.S. ⅓ S. zou ook ⅛ S. kunnen zijn |
+ | (onduidelijk in origineel). |
+ | - Pag. 204, dag d 1: windrichting W.O.W.; mogelijk zetfout voor |
+ | W.N.W. |
+ | - Pag. 295, voetnoot [63]: het aangehaalde werk gebruikt de naam |
+ | Komaga-Daki in plaats van Saddle. |
+ | - Pag. 302, voetnoot [71]: Artikel 4. l. mogelijk zetfout voor |
+ | Artikel 4. 1. |
+ | - Pag. 310, voetnoot [90]: titel van de Nederlandse uitgave: Mijne |
+ | lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners in 1812 en |
+ | 1813. (Let op andere jaartallen). |
+ | - Pag. 402-404, voetnoot [163]: er wordt gesuggereerd dat er |
+ | meerdere dieren met † gemerkt zijn, maar in de lijst komt er |
+ | slechts één voor. Verwijzingen naar de Fauna Japonica zijn |
+ | gestandaardiseerd als F. J. |
+ | - Pag. 413: een eetbare zeekwallen; waarschijnlijk ontbreekt hier |
+ | een woord (bijv. soort). |
+ | - De titel van het diverse malen onder verschillende titels |
+ | geciteerde boek van Witsen is: Noord en Oost Tartaryen: |
+ | behelzende eene beschrijving van verscheidene tartersche en |
+ | nabuurige gewesten, in de noorder en oostelykste deelen van Aziën|
+ | en Europa; enz. |
+ | |
+ | * Aangebrachte veranderingen ten opzichte van de originele tekst: |
+ | - De inhoudsopgave is voor deze tekst gemaakt, en komt niet voor in|
+ | het originele werk. |
+ | - De tabellen zijn herschikt en/of gesplitst om in de beperkte |
+ | breedte te passen. |
+ | - Het Journael van de Maent April (de tabel vanaf pag. 218) is voor|
+ | de duidelijkheid en de leesbaarheid als volgt aangepast: de |
+ | dagcode/datum is verplaatst naar de eerste rij die betrekking |
+ | heeft op de betreffende dag/datum (in het origineel staat deze |
+ | vaak op de laatste rij); iedere regel is op een eigen rij gezet |
+ | (in het origineel zijn sommige rijen in elkaar geschoven). |
+ | - Op verschillende plaatsen zijn leestekens (punten, komma’s, |
+ | aanhalingstekens, puntkomma’s) stilzwijgend gecorrigeerd waar dit|
+ | overduidelijk nodig was. |
+ | - Er zijn twee soorten voetnoten: “echte” voetnoten [1], [2], enz.,|
+ | die direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben zijn |
+ | verzameld, en voetnoten [A13], [A14], enz., die verwijzen naar de|
+ | Aanteekeningen. De voetnoten 1 t/m 13 (ook verwijzingen naar de |
+ | Aanteekeningen) zijn als reguliere voetnoten in het originele |
+ | werk opgenomen, en hier ook als zodanig weergegeven; wel zijn ze |
+ | in deze tekst anders gegroepeerd dan in het origineel. |
+ | - Uit windrichtingen en de meeste andere afkortingen zijn spaties |
+ | en regeleinden verwijderd voor de consistentie (bijvoorbeeld: |
+ | S.O. t.S. is veranderd in S.O.t.S.). |
+ | - Pag. 237-240: in het originele werk komt na pag. 237 pag. 240; de|
+ | tekst loopt gewoon door. Dit is een fout in de paginanummering, |
+ | er ontbreken geen pagina’s. De nummering is niet aangepast voor |
+ | deze tekst. |
+ | - Pag. 279: twee voetnoten met hetzelfde nummer, één voetnootanker.|
+ | Beide voetnoten samengevoegd (Troisième voyage ... en Narrative |
+ | of the expedition ...) tot één voetnoot. |
+ | - Pag. 313: twee voetnoten, één verwijzing. Verwijzing naar |
+ | voetnoot [94] ingevoegd op wat de juiste plaats lijkt. |
+ | - Pag. 416 e.v. (plantenlijst): formattering gestandaardiseerd; |
+ | F.J. veranderd in F. J. voor consistentie. |
+ | - Page 441: laatste cijfer van sommige prijzen onduidelijk, meest |
+ | waarschijnlijke cijfer gebruikt. |
+ | - Overige veranderingen (afgezien van de “Verbeteringen”): |
+ | |
+ | Pag./ Origineel Verandering |
+ |voetn. |
+ | ---- ---------------------- ------------------------------------ |
+ | omslag INDIë INDIË |
+ | motto methodes méthodes |
+ | 2 Zie noot 3 Zie noot 34 (aangepast aan nummering |
+ | in deze tekst) |
+ | 5 Conmandeur Commandeur |
+ | 11 Frachoys Franchoys (zoals elders) |
+ | 18 egeene geene |
+ | 28 gesehieden geschieden |
+ | 39 bedoven bedolven |
+ | 41 vadeem vaedem |
+ | 52 weyuich weynich |
+ | 56 7. a 7. |
+ | 56 middachs middachts (zoals elders) |
+ | 60 Bosso Bosho (zoals elders) |
+ | 65 Westelyckte Westelyckste |
+ | 66 van van van |
+ | 82 6. c 6. |
+ | 101 mensehen menschen |
+ | 105 47 g. 47 gr. (zoals elders) |
+ | 108 c 2. a 2. |
+ | 143 houte houte tralys houte tralys |
+ | 150 robben-ende beeren robben- ende beeren vellen |
+ | vellen |
+ | 170 dagenconden dagen conden |
+ | 179 schencken, Waerop schencken, waerop |
+ | 194 e 10. c 10. |
+ | 197 35 min. 51 min. 35 gr. 51 min. |
+ | 207 25 m in in 25 m. in |
+ | 215 maeekten maeckten |
+ | 215 slegen sloegen |
+ | 217 17_{de} 17^{de} |
+ | 234 linkerkant ontbreekt (1 teken), aangevuld op basis van tekst|
+ | 248 gereacken geraecken |
+ | 249 Deeember December |
+ | 252 hunen cours hunnen cours |
+ | 255 Gonverneur-Generaal Gouverneur-Generaal |
+ | 261 Erklägrung Erklärung |
+ | 261 nnd und |
+ | 266, Aant. 1: von vom |
+ | 267 (135° 55′ O. v. Gr.) (135° 55′ O. v. Gr.) bepaald). |
+ | 267 bepaald. (sluithaak toegevoegd) |
+ | 267 hevond bevond |
+ | 269 Beechy Beechey |
+ | 270 Arrow-Smith Arrowsmith |
+ | 279 Firotatsi Firatatsi (zoals elders) |
+ |[57] Hanks Hawks |
+ | 274 Ootober October |
+ | 279 veet plaetsen veel plaetsen |
+ | 284 Kaap _de Kennis_ _Kaap de Kennis_ (zoals eerder op die|
+ | pag.) |
+ | 284 eehter echter |
+ | 288 jezo Jezo |
+ | 291 vtacke vlacke |
+ | 291 Tane isti Tane itsi (zoals elders) |
+ | 292 plat point flat point |
+ |[63] Wm.jL. Maury Wm. L. Maury |
+ |[63] Ster for Steer for } verkeerd overgenomen |
+ |[63] westwards westward } uit het aangehaalde |
+ |[63] knop knob } werk |
+ | 298 erhandelingen verhandelingen |
+ | 300 Sausajemon Sakusajemon (zoals elders) |
+ |[73] Bironi Beroni (zoals elders) |
+ | 304 Broughthon Broughton (zoals elders) |
+ | 304 mannuscriptorum manuscriptorum |
+ |304/305 afsluitende _ verplaatst van na Manshooft tot na 3 mijlen |
+ | van ons. |
+ | 305 vou Krusenstern von Krusenstern |
+ |[78] Jszono Jezono |
+ | 308 rot, srn rotsen |
+ | 308 strekkiug strekking |
+ |[89] N^{o}. 1. Deszelfs uit schuingedrukt gehaald |
+ |[90] Russisch gecorrigeerd (hoofdletters, spelling) volgens |
+ | titelpagina van genoemd boek |
+ | 311 145 9′ 145° 9′ |
+ | 317 44° 29 44° 29′ |
+ | 317 Laperouse Lapérouse (in voetnoten [97] en [98])|
+ | 322 Rond the crater Round the crater |
+ | 322 very. low down very low down |
+ | 322 TsjTsja Tsjatsja (zoals elders) |
+ |[101] Dawidon Dawidow (zoals elders) |
+ | 329 Compagnie eiland. Compagnie eiland). (sluithaak toege- |
+ | voegd) |
+ | 332 Bernicet Bernizet |
+ | 333 Laperouse Lapérouse |
+ | 334 Aino’ Aino’s |
+ | 334 Guilbert Guibert |
+ | 337 daerde claerde |
+ | 340 eersts mededeelingen eerste mededeelingen |
+ | 342 Wojakulsi Wojakutsi (zoals elders) |
+ | 346 ver toont vertoont |
+ | 347 Th. 11 Th. II |
+ | 349 Nadesdha Nadeshda (zoals elders) |
+ | 349 oosprong oorsprong |
+ | 350 hydrograph hydrograaph |
+ | 351 russissche russische |
+ |[119] Tb. II Th. II |
+ | 356 formidolasa formidolosa |
+ | 359 eeenige eenige |
+ | 367 berkenbaast berkenbast (zoals elders) |
+ | 371 hebkende weijnigh hebbende weijnigh |
+ | 377 Awawi Awabi |
+ | 377 Heliotis Haliotis |
+ | 380 Ainos-stam Aino-stam (zoals elders) |
+ | 381 patriaches patriarches |
+ | 381 naturlichen natürlichen |
+ | 383 Titingh Titsingh |
+ | 383 Description Descriptions } zoals echte titel van |
+ | 383 traduits traduites } aangehaalde publicatie|
+ | 402 afteekenigen afteekeningen |
+ | 403 Antilope crispa’ Antilope crispa |
+ | 410 zelzame zeldzame |
+ | 411 F. F. J. |
+ | 411 sanquinolentus sanguinolentus |
+ | 413 verzameld verzamelt |
+ | 413 peilen pijlen |
+ | 413 (Murikana (Aino (Murikana Aino (openingshaak ver- |
+ | wijderd) |
+ | 414 Kink’wako) Kink’wako (sluithaak verwijderd) |
+ | 414 prieren pieren |
+ | 416 bebben hebben |
+ | 419 Nymphaeaeeae Nymphaeaceae |
+ | 419 otie olie |
+ | 420 Turez. Turcz. |
+ | 421 Orctocrania Arctocrania |
+ | 426 Mosl Mose |
+ |[181] Bonnin Bonin (zoals elders) |
+ +--------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Reize van Maarten Gerritsz. Vries in
+1643 naar het Noorden en Oosten van , by C. J. Coen and P. F. von Siebold
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE VAN MAARTEN GERRITSZ. ***
+
+***** This file should be named 39146-0.txt or 39146-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/9/1/4/39146/
+
+Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This
+book was produced from scanned images of public domain
+material from the Google Print project.)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.