diff options
Diffstat (limited to '39146-0.txt')
| -rw-r--r-- | 39146-0.txt | 15063 |
1 files changed, 15063 insertions, 0 deletions
diff --git a/39146-0.txt b/39146-0.txt new file mode 100644 index 0000000..78133f2 --- /dev/null +++ b/39146-0.txt @@ -0,0 +1,15063 @@ +The Project Gutenberg EBook of Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 +naar het Noorden en Oosten van Japan, by C. J. Coen and P. F. von Siebold + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Reize van Maarten Gerritsz. Vries in 1643 naar het Noorden en Oosten van Japan + volgens het journaal gehouden door C.J. Coen, op het schip Castricum + +Author: C. J. Coen + P. F. von Siebold + +Release Date: March 14, 2012 [EBook #39146] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE VAN MAARTEN GERRITSZ. *** + + + + +Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This +book was produced from scanned images of public domain +material from the Google Print project.) + + + + + + + + + + +--------------------------------------------------------------------+ + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | Transcriptie gebruikt voor deze e-tekst: | + | * Schuingedrukte tekst in het origineel wordt hier weergegeven | + | tussen liggende streepjes, als in _tekst_; vetgedrukt tekst in | + | het origineel als =tekst=; gespatiëerde tekst als ~tekst~. | + | * Tekst in klein-kapitaal is hier weergegeven als kapitaal. | + | * Superscript tekst is getranscribeerd als ^{tekst}, subscript | + | tekst als _{tekst}. | + | * Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea of tabel | + | waarop ze betrekking hebben. Voetnoten zijn gemarkeerd [1], [2], | + | enz.; aantekeningen zijn gemarkeerd [A1], [A2], enz.; deze zijn | + | te vinden in het hoofdstuk “Aanteekeningen”. | + | * Het VOC monogram is getranscribeerd als [VOC]. | + | * De “Verbeteringen” zijn al in de tekst doorgevoerd. | + | * Afhankelijk van de gebruikte software en instellingen kan het | + | voorkomen dat niet alle gebruikte tekens en symbolen correct | + | worden weergegeven. | + | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze | + | tekst. | + +--------------------------------------------------------------------+ + + + + + ~REIZE~ + VAN + ~MAARTEN GERRITSZ. VRIES~ + IN 1643 + NAAR + ~JAPAN~. + + UITGEGEVEN + DOOR + ~P. A. LEUPE~, + KAPITEIN DER MARINIERS. + + MET KAART EN FAC-SIMILÉS, + EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN, + VAN + Jonkheer P. F. VON SIEBOLD. + + UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN + VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË. + + AMSTERDAM, + ~FREDERIK MULLER~. + 1858. + + + + + ~REIZE~ + VAN + MAARTEN GERRITSZ. VRIES + IN 1643 + NAAR HET NOORDEN EN OOSTEN VAN + ~JAPAN~, + VOLGENS HET JOURNAAL GEHOUDEN DOOR C. J. COEN, + OP HET SCHIP _~CASTRICUM~_. + + NAAR HET HANDSCHRIFT UITGEGEVEN EN MET BELANGRIJKE + BIJLAGEN VERMEERDERD + DOOR + ~P. A. LEUPE~, + KAPITEIN DER MARINIERS. + + =MET DE DAARBIJ BEHOORENDE KAART EN EENIGE FAC-SIMILÉS,= + EN GEOGRAPHISCHE EN ETHNOGRAPHISCHE AANTEEKENINGEN, + TEVENS DIENENDE TOT EEN ZEEMANSGIDS NAAR + ~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE ~KURILEN~, + EN STUKKEN OVER DE TAAL EN VOORTBRENGSELEN DER + ~AINO-LANDEN~, + VAN + Jonkheer P. F. VON SIEBOLD. + + UITGEGEVEN VAN WEGE HET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LAND- EN + VOLKENKUNDE VAN NEDERLANDSCH INDIË. + + AMSTERDAM, + ~FREDERIK MULLER~. + 1858. + + + + + La navigation du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui + ait pu être faite, dans un temps, où les méthodes d’observation + étaient très grossières. + + LA PEROUSE, + + _Voyage autour du monde_, T. III. p. 153. + + + + +Bij de vele nasporingen in de Archieven der Oost-Indische Compagnie door +mij in het werk gesteld, ten einde daaruit belangrijke en in het stof +begravene reisverhalen onzer Voorvaderen aan het licht te brengen, had +ik menigmaal gehoopt de hoogst belangrijke reize door VRIES in 1643 naar +Japan gedaan, te vinden, doch steeds vergeefs. Wie schetst nu mijne +verbazing, toen ik dit Reisverhaal ontdekken mogt in een Handschrift, +mij ter nader onderzoek aangeboden door den Heer F. MULLER, Uitgever +dezes, aan wien de Eigenaar, de Hoog Wel-Geb. Heer J. HUYDECOPER VAN +MAARSEVEEN, het op zijn verzoek welwillend ter leen verstrekt had. +ZEd.Geb. heeft, na mededeeling van den belangrijken inhoud, de uitgave +ter liefde der wetenschap willen vergunnen, en daardoor allen, die +belang stellen in de ontdekkingen der Hollandsche zeevarenden en in de +geographische wetenschap, ten zeerste aan zich verpligt. Van heeler +harte brengen wij ZEd.Geb. daarvoor onzen warmen dank. Het _Koninklijk +Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch Indië_ heeft +het zich voorts eene aangename taak geacht dit Reisverhaal onder hare +Werken op te nemen, terwijl de _Bijlagen_, ter nadere toelichting +hieraan toegevoegd, het belang dezer uitgave verhoogen. + +Tevens brenge ik mijn’ dank toe aan Z. Excell. den Minister van +Koloniën, die ons in de gelegenheid stelde, om in het Oud-Koloniaal +Archief te dezer stede over deze reis van de Vries eenige nasporingen te +doen, en den Heer Mr. L. M. C. van Dijk, die ons daarin met +bereidvaardigheid te hulp kwam. + +Moge dit werk strekken ter meerdere bevestiging van den roem onzer +Zeevarenden en ter uitbreiding der kennis van het Rijk van Japan, vooral +in onze dagen van zoo bijzonder aanbelang. + +P. A. LEUPE. + + + + +VERBETERINGEN. + + + Bl. 45 reg. 6 v. b. _staat_: Geuerael _lees_: Generael + „ 55 „ 10 v. b. „ middaeh „ middach + „ 73 „ 13 v. b. „ 2 min. „ 28 min. + „ 76 „ 21 v. b. „ 6¼ myl „ 6½ myl + „ 88 „ 14 v. b. „ somtyst „ somtyds + „ 105 „ 7 v. o. „ 16 min. „ 26 min. + „ 139 „ 7 v. o. „ 49 „ 40 + „ 164 „ 4 v. b. „ 45 gr. „ 43 gr. + „ 182 „ 9 v. o. „ 12 min. „ 52 min. + „ 188 „ 3 v. b. Zie noot 34 op bl. 196. + „ 207 „ 1 v. b. _staat_: Novemer _lees_: November + „ 352 „ 14 v. b. „ 41 gr. „ 47 gr. + + * * * * * + +Verschil tusschen het JOURNAAL en het VERKORT JOURNAAL. + + Journaal. Verkort Journaal. + Bl. 53 27 April gegiste breedte bevonden breedte. + „ 99 20 Junij 46 gr. 6 min. 46 gr. 7 min. + „ 183 4 Sept. 41 gr. 3 min. 41 gr. 5½ min. + „ 201 28 Oct. 160 gr. 5 min. 160 gr. 25 min. + „ 207 7 Nov. 31 gr. 22½ min. 38 gr. 53 min. + +De verschillen, die minder dan eene minuut bedragen, zijn door ons niet +opgegeven. + + + + +INHOUD. + + + Inleiding. 3 + + Instructie voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, + en den Raed van ’t Fluytschip Castricum en ’t Jacht Breskens, + gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van + Tartariën, ’t coninckryck Cathaija en de Westcust van America, + mitsgaders de goud- en silver-rycke eylanden by Oosten Japan. 11 + + Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt, + ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende + Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van + 37½ graden, benoorden de Linie Equinoctiael. 35 + + Ordre tot de Zeylaegie voor den Schipper-Commandeur Maerten + Gerritsen Vries en de verdere overigheyd van de fluyt Castricum + ende ’t jacht Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs + d’Oostcuste van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel + Maleye sullen hebben te reguleren. 41 + + Journael ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den + Opperstierman Cornelis Jansz. Coen. 45 + + Bijlagen. 233 + + Extracten uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur- + Generaal en de Raden van Indië, betrekkelijk de reis van de + schepen Castricum en Breskens. 235 + + Aanteekeningen. 261 + + Aardrijks- en Volkenkundige Toelichtingen tot de Ontdekkingen + van Maerten Gerritsz. Vries door Jhr. Ph. F. von Siebold. 263 + + De Ontdekking van het Eiland Breskens en van de Quast’s + Eilanden. 267 + + De Ontdekking van de Tasman’s Eilanden. 270 + + De Ontdekking van de Oostkust van Japan van de Kaap Sirofama + van Nippon (Hoek Bosho) tot den Noordhoek. 276 + + De Ontdekking van het Land van Jezo. 295 + + De Stam der Aino’s. 354 + + De Taal der Aino’s. 381 + + Aino-Gesprekken. 387 + + Verzameling van Aino-Woorden. 388 + + Voortbrengselen der Aino-Landen. 401 + + Het Dierenrijk. 402 + + Het Plantenrijk. 414 + + Delfstoffen. 430 + + Tafel van Vergelijking van de Breedte- en Lengtebepalingen van + de Voornaamste Punten en Plaatsen van Jezo, de Zuidelijke + Kurilen en van Krafto. 436 + + Fac-similés + + Kaart + + + + +INLEIDING. + + +Eene der belangrijkste ontdekkingsreizen, die er onder het bestuur van +den Gouverneur-Generaal Antonio van Diemen hebben plaats gehad, is die +onder het beleid van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries in +het jaar 1643, met de schepen _Castricum_ en _Breskens_ naar het +Noord-Ooster-deel van _Azië_. + +De aanleiding tot het doen dezer reize was vooral deze. In 1635 was er +door eenen Willem Verstegen, in dienst der Oost-Ind. Comp. in _Japan_ +werkzaam geweest zijnde, »Eene Remonstrantie ofte Corte Voorstellinge, +omme een grooten schadt ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crygen, +op het ryck ende Goudt ende Silver Eylant, gelegen in de Zuit-zee, ter +hoochte van 37½ graden benoorden de Linie Equinoctiael, gedirigeert aen +d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael enz.” Deze Gouverneur +vertrok spoedig na het ontvangen dezer Remonstrantie naar het Vaderland, +en liet het aan zijnen opvolger over, om die zaak in overweging te +nemen. + +Hoe gaarne nu ook van Diemen, dadelijk na het aanvaarden van zijn +bestuur, schepen ter opsporing van die Eilanden had willen afzenden, +werd hij daarin door verschillende omstandigheden verhinderd, en niet +voor het jaar 1639 kon hij daaraan gevolg geven. Zoo schreef hij, onder +dagteekening van den 18 December 1639, aan de Bewindhebbers in het +Vaderland: »maer op enckel onvermogen ende dat doorgaens trachten de +negotie voor eenige saecken, exploicten ende ontdeckingen van vreemde +landen te prefereren, is d’opsoecking van goudt ende silverrycke +Eilanden ten Oosten _Japan_ gelegen, _wel tegen ons gemoet t’sedert anno +1636 uytgestelt ende suspens gebleven_; maer aengemerckt wesende, UEd. +tot derselver ontdeckingh, mitsgaders _Corea_ ende _Tartarise_ cust +inclineren, daertoe order geven, met hope van vruchtbaer succes; hebben +in conformité van onse resolutie dato 24 May bevooren, Comp^{s}. +presente als uyt _Nederlant_ te comen navale macht, tegen de voorhantse +ende ordinarie besendingh wel geexamineert ende overleyt, synde +goetgevonden ende vastgestelt, tot gemelte ontdecking te gebruycken de +fluytschepen _Engel_ ende de _Graff_, als de bequaemste op soo crappen +vaerwater. Ingevolge syn deselve yder met 45 coppen cloeck volck voor 12 +maenden geprovideert, den 2 Juny passato onder ’t beleyt van den +Commandeur Matthys Quast uyt dese reede verseylt, met order by Oosten +_Banca_ den cours nae _Manilhae’s_ baye te doen, om ’t canael van +_Spirito Sancto_ te passeren ende alsoo om de Noort aen _Japans_ +Oostsyde in de Noort-Weste winden te comen, de Eylanden 100, 150 ende +200 mylen tusschen de 30 en 36, mitsgaders ’t doelwith op 37½ graden +Noorderbreete, 400 mylen by Oosten _Japan_ gelegen, op te soecken ende +aentetreffen, als wanneer by nonopdoeningh gelast hebben, andere 200 +mylen om de Oost te seylen ter selver hoochte, ende geen voordeel +bejegenende, dat van daer sullen trachten nae _Tartarien_ ende _Corea_, +ingevalle de winden (daer aen twyffelen) sulcx gedoogen, te comen. +Wyders soo wanneer keerende geen Noort connen winnen, andere 200 mylen +om de Oost aff te loopen, al waer’t op de custe van _West-Indien_, omme +t’onderstaen wat voordeel daer te bejagen sy, ende dan door den +Suyt-Oosten passaet te keeren nae _Tayouan_ off _Batavia_, nae sich den +tyt, weder ende wint voegen sal; mits dat in passant _Islas de +Ladrones_ verkenne en visiteere, gelyck dit ende sulcx meer ten dienste +van de Comp. gesegden Quast gerecommandeert hebben, by desselfs +instructie can worden beoogt, die UEd. gelieven te resumeren in ons +brieffbouck, onder dato primo Juny laest. Den Almogende bestiere alles +tot dienst van de Generale Comp., ende geve dat UEd. ter syner tyt +gewenst succes van dese expeditie mogen aencondigen.” + +De reis van Quast leverde echter dat resultaat niet op, dat men er zich +van had voorgesteld. Bij brief van den 8 Januarij 1640 berigt van Diemen +den afloop dezer reize aan de Bewindhebbers aldus: »Met _Breda_ is +herwaerts onverrichter saecke van d’ontdeckingh der landen by Oosten +_Japan_ gelegen gekeert, den Commandeur Mathys Quast, hebbende ruym 600 +mylen by Oosten _Japan_ op de geordonneerde hoochte affgeseylt, sonder +lant op te doen, als wanneer den windt sich sulcx presenteerde, dat +resolveerde nae de West te keeren, by Noorden _Japan_ de cust van +_Tartarien_, _Corea_ ende _China_ aen te doen, sulcx dat sy deselve +lenghte weder teruggekomen, tusschen de 42 en 38 graden Noorderbreete, +mede in ’t keeren geen landt vernomen, maer door sieckte overvallen +wesende, moesten d’ontdeckinge om de Noord staecken, ende syn by Oosten +_Japan_ seer miserabel ende swack van volck in _Tayouan_ den 24 November +aengelandt, hebbende op beyde de fluyten 38 man verloren, dat is byna de +helft van ’t ophebbende, van hier affgevaren volck.”[1] + + [1] Zie Aanteekening. + +Niettegenstaande dezen min gunstigen afloop der reize van Quast, werd er +besloten om andermaal een’ togt derwaarts te laten doen, maar ook nu +verloopt er door de belegering van _Malakka_, de zaken op _Ceylon_, de +reis van Tasman naar het Zuytland enz. weder een geruime tijd, alvorens +men schepen kan missen, om deze onderneming te bewerkstelligen. In 1643 +evenwel heeft de reis voortgang, en werden de schepen _Castricum_ en +_Breskens_ onder de bevelen gesteld van den ervaren Schipper-Commandeur +Maerten Gerritsz. Vries of de Vries, zoo als wij hem ook wel in +officieele bescheiden genoemd vinden. In een gedeeltelijk in cijfer +geschreven missive aan de Bewindh. in dato 23 Januarij 1643, wordt hen +hiervan op deze wijze kennis gegeven: »Tot ontdeckingh van de Noordcuste +M. r. k. M. r. k. c. b. d. ende van daer omme andermael optesoecken, de +XXI ende IV rycke 24, 39, 17, 30, 16, 5, 50, 20, by tt. h. m. b. d. c. +r. f. r. d. syn geprojecteert de fluyt _Castricum_ ende ’t jacht +_Breskens_, sullen ultimo deser de reyse aenvangen, onder ’t bestier van +den _ervaren Schipper_ Maerten Gerritsen Vries, de cours is van hier by +Noorden _Celebes_ nae _Ternaten_ ende van daer by Oosten 11, 9, 16, 10, +2, om de 2, 25, 20, 72, 22, custe van M. r. k. M. r. k. c. b. d. +aentesoecken, ’t welck gesustineert wordt in den somertyt sal connen +geeffectueert worden, ende dan voorts om de Oost, daer men meent +d’aengetogen Eylanden op te doen[2]. ’T succes van d’een ende d’ander +wordt UEd. nae desen gecundicht.” + + [2] Zie Aanteekening. + +Aan den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen te _Ternaten_ werd van het doel +hunner reize en om hun daarin op alle mogelijke wijze bevorderlijk te +zijn, bij missive van den 31 Januarij kennis gegeven. »Dese gaet per ’t +fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht _Breskens_, onder commando van den +Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries, over _Ternate_, tot +ontdeckingh van de Oostkuste van _Tartarien_ ende om op te soecken +d’onbekende Eylanden Oostwaerts gelegen. UEd. sal deselve costy omme +geene redenen ophouden, veel min veranderingh in ’t ophebbende volck als +officieren, soldaten off varentvolck doen, ten waere eenige siecken +tegen cloecke gesonde wisselden; de gemelte schepen ende volck +geduyrende haer verblyff (dat cort sal wesen) soo veel mogelyck +verversende, _daeromme geen costen noch coebeesten sparende, sult hun +van alles tot de reyse soo veel te becomen sy versorgen_, vooral +_beestiael_, dat costy niet ontbreekt. Hiertoe ons verlatende sullen met +d’eerste gelegentheyt per brieven van de overhoofden deser schepen +gaerne vernemen, hun desen aengaende contentement gedaen sy, dit ons +desseyn soo veel mogelyck secreet houdende, voorgevende dat omtrent +_Manilha_ om buyt ende advantagie te becomen, gedestineert syn te +cruysen.” + +Ook aan de Vries gelukte het niet die rijke Goud- en Zilver-Eilanden te +vinden, maar daarentegen is zijne reis hoogstbelangrijk geweest voor de +uitbreiding der aardrijkskunde, want behalve dat men beter bekend werd +met de kusten van _Japan_, werden door hem eilanden en straten ontdekt +en benoemd, waarvan men tot dus verre slechts weinig of geen kennis had. + +De mededeelingen, die men van de reis van de _Castricum_ en de +_Breskens_ heeft, zijn zeer onvolkomen en bestaan voornamelijk in eenige +opgaven, voorkomende bij Nicolaas Witsen in zijn werk over _Noord-_ en +_Oost-Tartarije_[3], en daaruit bij Buache[4] overgenomen, zoo ook in de +»Koorte Beschryvinghe van het Eylandt _Eso_, soo als het eerst in den +jare 1643 van ’t schip _Castricum_ beseylt ende ondervonden is”[5]. +Eerst 144 jaren daarna is het den verdienstelijken, doch ongelukkigen +Franschen zeereiziger la Pérouse[6], die ons met de belangrijkheid van +de reis van de Vries bekend maakt. Het is dan ook vooral na dezen +reiziger, dat de Hoogleeraar Moll in zijne Verhandeling[7] ons het een +en ander over de Vries en zijne verrigtingen bekend maakt. + + [3, 4, 5, 6, 7] Zie Aanteekeningen. + +Het mogt den Hoogleeraar von Siebold in het jaar 1842 met behulp van den +Heer P. L. de Munnick, gelukken, in het Oud-Koloniaal Archief alhier, de +Instructie voor de reis van de Vries vastgesteld te vinden. Ze werd +gedeeltelijk geplaatst en toegelicht door den Heer P. B^{r}. Melvill van +Carnbée in de Moniteur des Indes[8]. Deze geachte hydrograaf beklaagt +zich ten hoogste, dat de journalen van de Vries niet uitgegeven zijn. +Hij zegt[9]: »Il est fort à regretter que les journaux de de Vries +n’aient jamais été publiés; nous n’avons de son voyage que peu de +détails, qui se trouvent dans l’ouvrage de Mr. Nicolaas Witsen, et qui +ont servi au recit qu’en donna plus tard Mr. Philippe Buache. Il parait +que nos ancêtres firent peu de cas de ces voyages, qui n’eurent, il est +vrai, peu ou moins de resultats immédiats pour le commerce, mais qui +furent pourtant très importants pour la géographie. C’est à cela +apparement qu’on doit attribuer que dans les ouvrages de ce temps-là il +n’est fait mention des voyages de Quast, Vries et de plusieurs autres +encore, qu’en passant et que ce n’est qu’un et deux siècles après qu’on +s’aperçut que ces mêmes voyages furent et _sont encore aujourd’hui du +plus haut intérêt pour les sciences géographiques_.” + + [8, 9] Zie Aanteekeningen. + +Ook in het nog niet lang geleden (1852) voor de kennis van _Japan_ zoo +hoogst belangrijk uitgekomen werk van den Hoogleeraar von Siebold lezen +wij[10], nadat de geachte Hoogleeraar alvorens een overzigt der reis van +de _Castricum_ heeft gegeven: »Die volständigen Reiseberichte der beiden +Schiffe _Castricum_ und _Breskens_, wovon wir nur die obenerwähnten +Auszüge kennen, scheinen verloren gegangen oder noch in irgend einem +Archive in _Holland_ oder zu _Batavia_ verborgen zu liegen.” + + [10] Zie Aanteekeningen. + +Het oorspronkelijke volledige Journaal van de _Castricum_, dat wij het +genoegen hebben onzen lezers aan te bieden, is gehouden door zijnen +verdienstelijken Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen[11]. Het werd aan de +Bewindhebbers in het Vaderland opgezonden en bevat eenen schat van +opmerkingen en waarnemingen, zoodat het de behartiging overwaardig is. + + [11] Zie Aanteekeningen. + +Dat de waarnemingen op deze reis gehouden naauwkeurig waren, hiervoor +staat ons een la Pérouse borg, die met zoo veel betere instrumenten +uitgerust, gevoegd bij den hoogeren stand, waarop de kennis der zeevaart +te zijnen tijde stond, gaarne de getuigenis aflegde: »que la navigation +du Capitaine Uries (Vries) est la plus exacte, qui ait pu être +faite dans un temps, où les methodes d’observation étaient très +grossières”[12]. + + [12] Zie Aanteekeningen. + +Wij hebben het Journaal doen voorafgaan door de Instructie aan de Vries +voor dien togt medegegeven, en de Remonstrantie van Willem Verstegen aan +den Gouverneur-Generaal Henrick Brouwer ingezonden; terwijl wij +eindelijk eenige uittreksels uit de brieven van den Gouverneur-Generaal +Antonio van Diemen en Raden van _Indië_, over den afloop van de reis van +de Vries, zoo mede eenige aanteekeningen over dezen Commandeur, als +Bijlagen laten volgen. + + * * * * * + +Het Journaal van den Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen, dat ons +aanleiding verschafte om op het Oud-Koloniaal Archief eenige nasporingen +te bewerkstelligen omtrent de reis van de Vries in 1643, behoort in +eigendom aan den Hoog-Welgeboren Heer, Jonkheer J. Huydecoper van +Maarseveen, die, ter liefde der wetenschap, de uitgave wel heeft +gelieven te vergunnen, waardoor Z.H.W.G. allen, die de gedane +ontdekkingen der _Hollanders_ in de 17^{e} eeuw op prijs stellen, ten +hoogste aan zich verpligt heeft; want na alle daartoe aangewende +pogingen, was men tot dus verre niet geslaagd, om de Journalen van de +_Castricum_ en de _Breskens_ terug te vinden; men mag zich derhalve +verheugen, dat ten minste een derzelve voor de vergetelheid bewaard is +gebleven, en wel dat, dat naar ons inzien door den Gouverneur-Generaal +Antonio van Diemen en de Raden van Indië, bij hunne missive van den 4 +Januarij 1644, naar het Vaderland werd gezonden. + + + + +INSTRUCTIE + + _voor den Schipper-Commandeur_ Maerten Gerritsen Vries, _en den + Raed van ’t Fluytschip_ Castricum _en ’t Jacht_ Breskens, + _gedestineerd tot ontdecking van de onbekende Oostcust van_ + Tartariën, _’t coninckryck_ Cathaija _en de Westcust van_ + America, _mitsgaders de_ goud- _en_ silver-_rycke eylanden by + Oosten_ Japan. + + +Bij de geloofwaerdighste geographen ofte wereldbeschrijvers werd onder +de groote landen van _Asia_, _Tartariën_ ofte _Tartaria_ (als ’t +grootste land) gesteld, dat in ’t Noorden van de _Yszee_, in ’t Westen +van _Rusland_ en _Polen_, in ’t Zuyden van de _Zwarte zee_, ’t +_Caspische-meer_, de landen van _Bactriana_ en _India_, ende in ’t +Oosten van _China_ en den onbekenden _Tartarischen Oceaan_ bepaeld is; +hebbende in de lenghte van ’t Oosten nae ’t Westen niet min dan +negenhondert en in de breedte van ’t Zuyden nae ’t Noorden wel 450 +duytsche mijlen, in welck ruym begryp (sijnde grooter als geheel +_Europa_) veel groote landen, provintien, meeren en woestijnen gelegen +sijn. Onder anderen werd voor ’t aldertreffelyckste deel ’t vermaerde +coninckryck van _Cathaya_, onder ’t getemperde climaet van omtrent de +vyftigh graden by Noorden den Aequator, gestelt, wesende d’eerste +provintie van ’t keyser-ryck des grooten _Chams_, welcken prince den +stoel syner Monarchia in de groote Hooftstad _Cambalú_ houd, dat een +plaetse van wonderlycke commercien werd befaemd, daer seer grooten +handel van allerley binnenlandse oft _Tartarische_ en buytenlandse +_Chineese_ waren en coopmanschappen gedreven werd. De Oostcust van dit +land is bovenmate schip-ryck befaemd, mits de groote trafficquen, die +van dit ryck op d’omtrent gelegen landen en custen gedreven werd, doch +vermits in eenen hoeck van den aerdcloot gelegen, werd tot noch van geen +_Europeanen_, noch eenig _Orientaelse_ natien, selfs oock niet van de +aenpalende _Chynesen_ gefrequenteerd, maer als verborgen, te verre +affgelegen, en schier als buyten de wereld geacht. + +De seeckerheyt van dese gementioneerde gelegentheyd des vermaerden +lantschaps _Cathaya_, heeft aen veel geleerde cosmographen en piloten +oorsaeck gegeven, op d’ontdeckinge deses conincx-rycx ernstelyck te +schryven en diverse wegen, soo door ’t Orientaelse _India_ en de straete +_Magelanus_, als door ’t Noorder _America_ by de _Enghte Davids_, mede +omtrent _Nova Sembla_ en recht onder ofte over den _Noorderpool_ eene +passagie derwaerts aan te wysen, daer op oock door de drie laetste wegen +diversche preuven van _d’Engelse_ en _Nederlandse_ natien ondernomen +sijn, maer alle te vergeefs, gelyck mede de twee voyagies door den +vermaerden Jan Huyghen van Linschoten, uyt bevel van de Ho. Mo. Heeren +Staten Generael der Vereenighde _Nederlanden_, ten selven eynde in den +jare 1594 met 2 schepen, en An^{o} 1595 met seven schepen, onvruchtelyck +is gedaen. En alhoewel in d’eerste reyse een passagie by ’t eyland +_Waygats_, door de strate ofte enghte van _Nassauw_ tusschen _Moscovia_ +en _Nova Sembla_ tot in de _Tartarische Noordzee_ wierd ontdeckt, soo is +nochtans de tweede reyse desen ontdeckten wegh door menighte van ys +onbruyckelyck gevonden en de vlote sonder verhoopt effect in _Nederland_ +gekeert. Sedert dien tyd hebben alle natien van de _Tartarische_ +ontdeckinghe in ’t Noorden, als van een ondoenelycke saecke +gedissisteert, en door ’t _Orientaelse_ ofte _Occidentaelse India_ is, +’t door onvermogentheyd ofte cleyne curieusheyt van de Gouverneurs des +conincx van _Hispania_ (onaengesien de beter gelegentheyd als in +_Europa_), niet onderleyd; immers van dien mogende Prince (als wesende +noch ontydigh) niet gemandeert, gelyck mede by geen andere aldaer +traffiqueerende _Europeanen_ is onderstaen, tot dat in den jare 1639 +(staende ons Gouverno) twee fluytscheepen onder den Comm. Mathys Quast, +tot ontdeckinge van de _Tartarische_ Oostcust, insonderheyd de befaemde +_Goud-_ en _Silver-_rycke eylanden by Oosten _Japan_, derrewaerts syn +gesonden, die almede door ongeluckige toevallen, sonder yets nuttelycx +te verrichten, wedergekeerd syn. + +Maer dewyle uyt de gewenschte ontdeckinge van _Cathaya_ en de +daeromtrent gelegene landen groote nuttigheden, soo door commercien als +conquesten, insonderheyd de voortplantinge van de ware christelycke +religie, met goede redenen te hopen syn, en presentelycken geen christen +prins, noch republique, daertoe beter gelegentheyd, als den vryen +_Nederlandschen_ staet ofte derselver Orientaelse Comp. heeft, welcx +hooftstad _Batavia_ daertoe bequaem gelegen is, en door de nadere +gelegentheid van desselfs conquesten in _Molucco_ en _Formosa_ nae +wensch geaccomodeert can worden, soo is dese dienstige ontdeckinge +andermael by der hand te nemen, van de Heeren onse meesters de Novo +gansch ernstigh gerecommandeert. En dewyle wy sulcx mede een nodige +saecke achten, en de Comp. tegenwoordigh van schepen soo is versien, dat +gevoughelyck sonder vercorting van de ordinarie commercien en +oorloghs-besendingen wel twee bequaeme schepen connen affgesteecken +werden, soo is in Raden van _India_ gearresteert, dese pryselycke +ontdeckinge niet langer te retarderen, maer ’t fluytschip _Castricum_ +met ’t jacht _Breskens_ (van alle nootwendigheden wel versien) +derrewaerts uyt te setten en UE. als bequaem en tot dese reyse wel +genegen, ’t beleyd van dien te vertrouwen en bevelen, op seeckere hope +dese importante voyagie met de nodige couragie, goed beleyd, en +vereyschte pascientie, wel en met wackere voorsichtigheyd bestieren +sult, soo als voor ons, t’uwer wedercomste, ten contentemente sult menen +te verantwoorden. By den ervaren Piloot-Major Franchoys Jacobsen +Visscher, UE. en andere curieuse personen, syn ons verscheyden wegen +tot d’ontdeckinge van _Tartaria_ en d’eylanden by Oosten _Japan_ in +schriftelycke vertoogen voorgesteld, die UE., om in desen daervan geen +ontleding te doen, alle in copyen ter hand gesteld worden, opdat t’syner +tyd daervan gediend cond syn. Alleen raken met een woord, wy Visschers +en Verstegens opinie, van den cours tusschen _Japan_ en _Corea_ te +nemen, mits d’onseeckerheyd van bequaemen doorgangh, en d’aparentie van +veel droogten en clippen, al te periculeus en ongeraden achten, maer ons +met uwe meyninge van den wegh by Oosten buyten _Japan_, door ruyme zee +te nemen, als den seeckersten, confirmeren; te meer geensints connen +opinieren, de Westelycke passaetwind in dat geweste by den somertyd soo +crachtigh en gedurigh doorblaest, dat niet bequamelyck van de _Oost_ nae +de _West_ geseyld can worden, gelyck sulcx op de reyse van den +Commandeur Quast, onaengesien den laten herfsttyd, selfs 2 à 300 mylen +buyten alle landen contrarie bevonden is, en over sulcx buyten twyffel +in de maenden van Juny en July de _Tartarise_ custen, van by Oosten +_Japan_, bequaemelyck te beseylen syn, met groote aparentie, dat door de +naegelegentheyd der landen, van de 40 graden Noordelyck op, in de +_Tartarischen_ oceaen, geen contra passaet, maer variable winden (als +omtrent _Europa_) gevonden sullen worden. UE. sullen dan de ontdeckinge +van _Tartaria_, by Oosten buyten om _Japan_, als door den bequaemsten en +min periculeusten wegh, voorsichtelycken doen, en ’t naervolgende u +daerinne tot een regel van Instructie laten dienen, nochtans met dien +verstande, sulcx nae eysch van tyd, plaetsen en voorcomende +gelegentheden, met advys van rade, soo te mogen corrigeren als den +dienst van de Comp. tot erlangen van ons desseyn soude mogen +vereysschen, ’t welck uwe goede experientie en vertrouwd beleyd bevolen +laten. + +Aanvanckelycken sullen UE. op morgen vrough, nae gedaene monsteringh, +gesaementlyck onder seyl gaen, en uwen cours soodanigh nae _Molucca_ +stellen, als by aparte instructie is geordonneerd, waernaer u op de +derrewaertse reyse in alles te reguleeren hebt. + +Met lieff in _Tarnata_ voor ’t casteel _Maleya_ aengecomen wesende, sult +onse neffensgaende brieven aen den vice-gouverneur Wouter Seroyen +behandigen en desselfs ordre ten dienste van de Comp. obedieren, +mitsgaders uwe schepen van water, brandhout en ’t gunt meer nodigh wesen +mocht, ruymelycken versien, ’t scheepsvolcq, gedurende ’t aenwesen +aldaer, met versche spyse wel ververschen en daervan op ’t vertreck +behoorlyck provideren, waertoe aen den Heer Seroyen de nodige ordre +gegeven werd, die u dienvolgens nae eysch en vermogen behulpigh wesen +sal, waermede wy begeeren geenen tyd onnuttelyck sal doorgebracht +worden, maar alles op ’t vlytighste soo cort beschicken, dat vóór ofte +ten langhste in ’t begin van April, uwe importante reyse van daer +beginnen moght. Doch sult alvorens met advys des Raeds een goeden +seinbrieff formeren, waerin mede dient gedacht, soo de schepen door +storm, ofte ander incident (dat God verhoede) van den anderen quaemen te +versteecken, door wat middel weder bequaemelycxst byeen geraecken +mochten, waaraen tot volvoeren van ons concept ten hooghsten gelegen is. + +Nae becomen geryff van alle nootwendigheden sult (als geseght) op primo +April ofte vroeger, de voyagie in den name Godes aenvangen, stellende +den cours, als buyten _Gilolo_ gecomen syt, Noord-Oostwaerts om, met de +soele en variable winden, die er dit saysoen des jaers ordinairie in dat +gewest waeyen, welcke hun op de Noorderbreedte van 10 à 15 graden +omtrent ’t Zuid-Oosten vaststellen sullen, waermede dan allenxkens wat +Noordelycker en recht door zee, nae de Oostcust van _Japan_ seylen en ’t +land op omtrent de 37 graden in ’t gesichte loopen sult. ’t Is seer +aparent in dese passagie wel eenige onbekende ofte dependerende eylanden +van de archipelago de _St. Lasaro_ ofte _Islas de las Veslas_, anders +genaemt de _Ladrones_, bejegenen sult, om welcken aen te doen geen tyd +sal dienen gespilt, maer nae onbekende drooghten en clippen wel +naerstigh uytgesien. + +Wy verhopen gylieden omtrent 20 à 25 May de Oostcust van _Japan_ aen +boord sult hebben, van waer uwen wegh, langhs en in ’t gesichte van ’t +land, soo lange Noord- en Noord-Westwaerts nemen sult, tot dat de cust +haer Westelycker ontvalt, opdat in passant ervaren werde, hoe verre ’t +uytterste van _Japan_ om de Noord gelegen is, en off het land, dat by de +_Japanezen_ _Jeso_ werd genaemt, op sulcken cours bejegenen en vernemen +cond, ’t selve ’t vaste land van _China_ off _Tartaria_ sy, ofte wel een +bysonder en tusschenbeyde gelegen land ofte een eyland te wesen, +waermede wy verstaen oock geenen sonderlingen tyd consumeren sult, maar +uwen cours soo langh Noord-Westwaert vervolgen, tot dat de cust van +_Tartaria_ ofte _Cathaya_ ontdeckt, pogende sulcx soo Zuydelyck te doen, +als den wind gedogen en ’t aengetogen land van _Jeso_ toelaeten sal, ’t +welck verhopen tusschen de 40 à 45 graden sal connen geschieden, als +wanneer langhs de cust Noordwaerts, ofte soo die strecken mach, sult +dienen te seylen, tot dat de rivieren _Polisangi_, de _Cathayse_ +zee-steden _Jangio_, _Brema_ off soodanigen baeye, haeven ofte rivieren +ontdeckt, daer de schepen bequaemelyck geberght connen worden, en waer +steden, vlecken, ofte bevolckingh is, ten eynde ’s lands gelegentheyd in +corten tyd soodanigh ondersocht en vernomen mach worden, als hier onder +op syn plaetse omstandigh aangewesen werd. + +’t Is grootelycx te vermoeden, UE. aen en omtrent de _Cathayse_ cust wel +eenige schepen, joncquen ofte vaertuyghen bejegenen sult; dewyle die +meest den aerdkloot beschryven, niet alleen de _Tartarische_ custen, +maer den aengelegen oceaen seer scheep-ryck achten, affirmerende daer +grooten coophandel van de omgelegen landen en eylanden met den anderen +gedreven werd. Sulcx soo bevindende, dient gedurigh voorsichtigh op +hoede te wesen en by bejegeningh van vaertuygh, daer tegen geen trots +noch force te oeffenen, maer met beleefde bejegeninge en vriendelyck +tractement, des volcx gunste trachten te winnen en scherpelyck de +gelegentheyt hunner reysen te vernemen, oock waer de voornaemste havens +en coopsteden, insonderheyt de riviere _Polisangi_ en _Jangio_ gelegen +syn, door welcke en de bovengeschreven middelen wy niet willen twyfelen, +off sult d’een off d’ander bequaeme rede en gepopuleerde plaetse in +_Tartaria_ ofte _Cathaya_ omtrent 15 à 20 Juny connen aendoen, synde +aldaer den soetsten somertyt en langhste dagen, dat d’ontdecking +grootelycx accomoderen en de daeraen gelegene peryckelen seer +verminderen sal. + +Alle landen, eylanden, hoecken, bochten, inwycken, baeyen, rivieren, +drooghten, bancken, sanden, reven, clippen en rutsen, die in dese +ontdeckinge, soowel in den Oceaen, als op de custen van _Japan_, _Jeso_, +_Cathaya_ off _Tartaria_ bejegenen en passeren sult, moeten UEd. perfect +carteren en beschryven, alsmede de opdoeninge en gedaente wel +affteyckenen, tot welcken eynde u een teykenaer mede gegeven werd, mede +wel sorghvuldigh noterende op wat hooghte ofte breedte, hoedanige +streckinge en distantie de custen, eylanden, capen, hooffden ofte +hoecken, baeyen en rivieren van den anderen gelegen syn, wat kennelycke +mercken, als bergen, heuvelen, boomen off gebouwen (waeraen men die mogt +kennen) daer op te sien syn. Mede wat diepten en ondiepten van gronden, +blinde clippen, affschietende reven aen de hoecken sullen gelegen wesen, +hoe en op wat mercken die bequaemelyck te schuwen syn, item off de +gronden hard, scherp, weeck, vlack opgaende ofte steyl syn, off men die +op ’t lood magh aendoen ofte niet, op wat mercken men de beste +anckerplaetsen in reden en baeyen vind, hoe de gaten en rivieren +instrecken en te beseylen syn, wat winden in die gewesten waeyen, hoe de +stroomen loopen, off ebbe en vloed hun nae de maen off winden reguleren, +wat veranderingh van moessons, regen en drooghte bevind, voorders +naerstelyck opserverende en noterende, daer ervaren stierlieden op te +letten staet, en in ’t toecomende tot ’t bevaren van de ontdeckte landen +dienstigh wesen can. Den bequaemen tyd des jaers, als ’t somerweder, +lange dagen en corte nachten, sullen, als boven aengewesen is, tot de +voorgenomen ontdeckingh en waernemingh van alle d’aengetogen saecken +seer dienstigh syn, weshalven nergens tyd versuymen noch onnoodigh +consumeren sult, maer als meermael geseyd, het beste van den somer en +goed weder gebruycken, wanneer soowel by nacht als dagh sult connen +voortseylen, ’t welck in ’t corten der dagen en by donckeremanen, om +alles in ’t sicht te crygen, soo niet geschieden can, oversulcx daeraen, +om spoedigh en in corten tyd veel t’ ontdecken, ten hooghsten gelegen +is. + +Echter om de _Tartarise_ en _Cathayse_ custen naer eysch wel t’ +ontdecken, sal ’t nodigh wesen, nu en dan, ter gelegener tyd en +bequaemer plaetsen, ten ancker te comen, altyd soeckende en kiesende +soodanige baeyen ofte reden, daer met de minste peryckelen inlopen, +leggen, vertrecken, en by toevallende winden ofte andersints +bequaemelyck ruymen condt. Vooral sal in ’t landen met u cleyn vaertuygh +groote sorgvuldigheyd en circumspecte voorsichtigheyd dienen gebruyckt, +alsoo onseecker is wat soort van menschen dit onbekende deel van +_Tartarie_ besitten, ’t welcke soowel met rouwe, wilde, woeste barbaren +als van geciviliseerde en gepoliceerde lieden can bevolckt wesen, +waeromme altyd wel gewapend en op hoede wesen moet; want by experientie +in alle gewesten des aerdcloots bevonden is, geene barbare-natien te +vertrouwen syn, vermits gemeenlyck opinieren, dat het volcq, ’t welck +hun soo onverwacht en vreemd verschynt, alleen comen om hare landen in +te nemen; dat in ’t ondecken van _America_ en d’Orientaelse landen, aen +’t verassen en doodslaen van veel sorghloose en lichtvertrouwende +ontdeckers, menighmael tot ruyne hunner voyagies gebleecken is. Om +welcke respecten de barbaren, die rencontreren en ter spraecke comen +mocht, stadigh wel en minnelyck bejegenen sult, en cleyne afronten van +dieverye ofte andersints, die aen d’onse mochten plegen, ongemerckt +laten henengaen, om door ’t revengeren geen afkeer van ons te causeren, +maer by alle doenelycke middelen pogen, hunlieden t’uwaerts te trecken, +opdat te beter en spoediger de gelegentheden van haer en hare landen +vernemen moght, insonderheyd off daer iets nuttelycx voor ons te +verrighten is. + +Van de gelegentheyd der landen, wat vruchten en bestiael daer sy, +hoedanige timmeragie van huysen, ’t fatsoen en wesen der inwoonderen, +haer cledingh, waepenen, seden, manieren, spyse, erneringh, religie, +regering, oorloge, en andere merckwaerdige saecken meer, insonderheyd +offse goed ofte boosaerdigh syn, sult nae toelatingh des tyds wel pogen +te vernemen, hun vertonende diversche monsters van de goederen ten dien +eynde medegegeven, om te onderstaen wat waren en materialen sy hebben, +en hoedanige van de onse weder begeren, alle ’t welck scherpelyck +aenmercken, wel affteyckenen en correct beschryven sult, houdende ten +dien eynde een breed en wel geextendeert Journael, daer alle uwe +resconteren perfectelyck in aengeteyckend worden, om daermede op u +wederkeeren, behoorlyck raport aen ons te connen doen. + +Dewyle ’t landschap _Cathaya_ aparent met civiele menschen is +gepopuleert, sullen UE., daer gecomen synde, den Assistent David Cassu, +_Tartaer_, den bosschieter Jurriaen Scholte, ofte een van de 4 soldaten, +die de _Moscovise_ ofte _Poolse_ tale can, aen land senden, om by de +daer synde overigheyd te versoecken, vryelyck aen land te mogen comen, +wanneer, met volcomen licentie, een van d’Onder cooplieden ofte +Assistenten, neffens een taelman met eene cleyne vereeringh aan land +schicken en de regeerders doen begroeten sult; hunlieden van wegen den +Staet onser Republicque, specialycken den Gouverneur-Generael en Raden +van _India_, alle vrundschap en onderlinge commercien aenbieden, +openende de conditien van dien, als namentlyck, dat wy _Nederlanders_ +ter zee met alle Conincrycken en natien van de geheele wereld vrundelyck +trafficqueren en negotieren, hebbende daertoe allerley coopmanschappen, +en beter commoditeyten als alle andere natien des werelds, ende dat +gemelte uwe gebiedende overheyd seeckerlyck vernomen hebbende, hoe in +dat selve land oprechte handelingh en trafficque gedreven werd, +goedgevonden hebben, dese twee schepen onder goede regeringe derwaerts +te schicken, met al sulcke waren, coopmanschappen, rariteyten, als by +vrye toelatingh van negotie vertonen cond, en sulcx ten dien fyne als +vrunden versoeckt. + +Nae becomen antwoord sullen UE. hen tot voordere conferentie off de +vergunde commercien, nae tyd en plaets gelegentheyd, doch doorgaens met +wackere voorsichtigheyd, moeten schicken; vertonende ordentelyck de +coopmanschappen en monsters van de waren ten dien eynde medegegeven en +in yder schip de helft verdeelt, waervan ’t eene voor _Cathaya_, en ’t +ander voor de eylanden by Oosten _Japan_ gelegen, mede gegeven word. +Welcken volgende versorgen moet, dat van yder soorte der goederen een +gedeelte tot monsters voor die eylanden bewaert werde, gelyck sulcx mede +perfectelyck by factura aangewesen word, monterende gesaementlyck ter +somme van Gl. 13740,8,4, waervan door den Ondercoopman Willem Byleveld +negotie boecxkens in behoorlycke forme, tot reeckeninge, bewys en +reliqua doen houden sult. + +In ’t vertonen van de gemelte goederen en monsters sullen UE. met de +Ondercooplieden wel en scherpelyck letten, waervan dese natie attentie +maecken en tot wat goederen meest genegen syn, insgelycx bespeuren wat +coopmanschappen en waeren sylieden daer hebben, insonderheyd nae goud en +silver ende of dat metael by hun in waerdige achtingh is; UE. gelatende +daernae niet graegh te wesen, om hunlieden van desselfs precieuse +waerdye oncundigh te houden, en soo ’t selve in mangelingh van uwe +goederen mochten presenteren, moet u houden off die specy niet +estimeerde, maer vertonen coper, spiaulter, thin en lood, even off die +mineralen by ons van meerder waerdye waren. En soo gy hun tot handelen +genegen vindt, sult onse coopmanschappen, insonderheyd daer gretighst +nae syn en ’t welcke wy meynen de laeckenen sullen wesen, in soodanige +estime houden, dat niet als met groot proffyt vercocht off vermangeldt +werden, noch niet anders aennemende, als ’t geene seeckerlyck weet voor +de Comp. proffytabel te syn, ’t welcke hem selfs in ’t handelen wel +wysen sal; sullende in ’t bysonder nodigh wesen, van de daer synde waren +monsters, en van alle andere perfecte notitie herwaerts brenght, om te +sien wat retouren van daer getrocken connen werden en in toecomende +daervan gediend te syn. + +Mits de onseeckere cundschap van de waere gelegentheyd des _Cathaysen_ +Conincrycx, sal ’t nodigh wesen nae de volgende particulariteyten wel +scherpelycken te vernemen: + +De grootheyd des lands en desselfs hoedaenigheyd, wat steden, vlecken, +vermaerde rivieren, bergen en woestynen ’t selve heeft, hoe en waer +gelegen, ende wat landen dese provintie tot gebueren heeft. + +In wat plaetse de hooftstad _Cambalu_ leyd; desselfs groote, +gelegentheyt, hoedanigheyd etc., wat zee- off coopstad daer heeft ofte +naest aengelegen is, en hoe daer bequaemelycxt gereyst can werden. + +Wat zeeplaetsen, coopsteden, baeyen, haevenen en schipvaerd daer is, en +wat commercien door dat ryck en in desselfs naburige landen gedreven +werd, specialycken in hoedanige waren die bestaen. + +Wat vruchten, bestiael en minerael daer syn, en wat der inwoonderen +principale neringh en hanteringh is. + +Wat Godsdienst sy hebben, en off van eene ofte differente religie syn, +specialycken off het Christen en Mahometse gelove daer mede gevonden +werd, en d’hoedanigheid van dien. + +Insonderheyd off des lands regeringh en hooghste overheyd by een +Coninck, den adel off ’t gemeyne volcq bestaet, en tot wat plaetse +desselfs opperste residentie is. Ende soo ’t een Coninck wesen mocht, +off dien Prince den groten Cham, Monargh off Keyser der _Tartaren_ sy, +waerinne desselfs crygsmaght en ryckdom bestaet, en wat authoriteyt en +hulpe hy in de regeringh en justitie heeft; met wat landen, natien en +Princen hy in oorlogh en vrede is, hoe die gevoerd en onderhouden werd, +en specialycken off desen Prince tot vremde natien en ongemene dingen +genegen is. + +Mitsgaders sulcx meer, als de Heeren onse meesters op ’t stellen der +raporten by memorie ordonneren en UE. selfs nae tydsgelegenheyd nodigh +en doenelyck vinden sult. + +Indien gylieden de _Cathayse_ natie affabel en t’ uwaerts vrundelyck, +mitsgaders het land van soodanigen gelegentheyd vind, dat aldaer voor de +generale Comp. seeckerlyck een importante en proffytabele negotie +gefondeert can werden, sullen UE. aen ’s lands overheyd versoecken, een +contract ofte verbond van een gestadige, oprechte handelinge, traffycque +en navigatie tot gemene welvaert van dat ryck en onse republique, met +d’ingesetene van dien, mach getroffen werden, en soo hierinne werd +geconsenteert, een gesant (soo hun sulcx mocht gevallen) met den eersten +derwaerts comen sal. Ten selven eynde sal UE., indien de overheyd sulcx +ernstich begeren mochten, wel 2 à 3 personen om de tale en coustuyme te +leren, alsmede ’s lands gelegentheyd etc. perfectelyck te vernemen, +daer, met resolutie des Raeds, wel mogen laten, en hunlieden daertoe met +nodige instructie en eenige coopmanschappen, tot preuve van negotie en +onderhoud versien, versorgende geen andere daertoe als gauwe, wellevende +en minnelycke jonge borsten worden gebruyckt; gelyck mede in dien +gevalle t’ hunnen versoecke mogen consenteren, gelyck getal van de +haere, om onse gelegentheyd te comen besichtigen, herwaerts te brengen, +en hun vastelyck toeseggen, ’t naeste jaer met haer volcq en veel +dienstige coopmanschappen, daer weder verschynen sult. + +Mede, soo bevind, dat land van soo mogenden Coninck werd beheerscht, als +in ’t begin van dese Instructie eenighsints aengeroerd en van diversche +autheuren beschreven werd, sal UE. met goedvinden des Raeds en advys van +de regenten van de plaets uwes aenwesens, de daer blyvende residenten +wel mogen gelasten, een reyse nae ’s rycx hooftstad te doen, om de +Conincklycke Maij^{t}., met een presentje van de medenemende rariteyten, +uyt onsen name te congratuleren en soodanige aenbiedinge van vrundschap +en verbond te doen, als hierboven aengewesen is, daer noch byvoegende ’t +gunt ten meesten dienste van de Comp. sult bevinden te vereysschen. + +Alle insolentie en moetwil van ’t scheepsvolcq tegen d’ontdeckte natien, +sult voorsichtelyck prevenieren en versorgen hun geen overlast in haere +huysen, thuynen, vaertuygh, middelen ofte vrouwen etc. werd aengedaen, +insgelycx geen inwoonders tegen hunnen wille uyt haer land vervoeren, +maer soo eenige weynige vrywilligh daertoe genegen syn, mocht die alsdan +wel herwaerts brengen. + +’T gunt voorders in _Cathaya_ sal dienen gedaen, sullen hun, als synde +ongeboorne dingen, niet instrueren, maer sulcx UE. en des Raeds +vertrouwt beleyd bevolen laten, alleen recommanderen serieuselyck in +alles soodanige voorsichtigheyd te gebruycken, dat ’s Comp^{s}. +costelycke schepen en volcq, buyten alle vermoedelycke peryckelen soo +veel doenelyck gehouden werden; om ’t welcke te beter te versorgen wy +geensints begeren den Commandeur hem lichtvaerdigh van boord begeven, +maer altyd in de schepen blyven sal, tot dat Comp^{s}. dienst, nae ’t +goedvinden des Raeds, ’t contrary mocht vereysschen, opdat door +onbedenckelycke quaede toevallen de vordere desseynen van dese +importante reyse niet schaedelyck verhindert werden. + +Nae dat dan alle (immers de nodighste) bevolen saecken in _Tartaria_ syn +verricht, ’t volcq wel ververscht en de schepen van versch water en +brandhout behoorlyck versien, sullen UE. in ’t laetste van July ofte ten +langhste ’t begin van Augusty, met vrundelycken oorloff van ’s lands +regenten en inwoonderen, wederom t’ seyl gaen, stellende uwen cours +dwars over den Tartarisen Oceaen Z.O.waert aen, tot op de longitude van +’t Oost eynde van _Japan_, ofte dat de Westcuste van ’t onbekende +_America_ Oostwaert de _Cabos de Fortuna_, _Corientes_ ofte _Mendocina +falsi_ gemoet, welck land in sulcken gevalle, soo ’t weder en wind +bequaemelyck gedooght, sult dienen te verkennen en van daer, ofte +voorgestelde punt, uwen wegh recht Zuydwaerts nae den Oosthoeck van +_Japan_ vervolgen, lopende ’t land op de 37½ graden in ’t gesicht, +alwaer wy vertrouwen omtrent 20 à 25 Augusty met de Goddelycken hulpe +wesen sult. + +Van hier sal UE. d’ontdeckinge van ’t goud- en silverrycke eyland +hernemen, die by den Commandeur Mathys Quast in den jare 1639 te +vergeefs is onderleyd, welcx medegegeven Instructie en gehouden +Journalen u tot beter verstand van ons _scopus_, in ’t vermyden van de +aldaer begaene misslagen ter hand stellen, alsmede de schriftelycke +vertogen ons van den Coopman Verstegen, op de gelegentheyd ende ’t +ontdecken van dat eyland voorgesteld. Meldende in substantie, dat in de +Zuyd-zee op 37½ graden Noorderbreedte, ongeveer 400 Spaense ofte 343 +Nederlandse mylen by Oosten _Japan_, een heel groot en hoogh eylandt +soude gelegen syn, wesende van blancq, schoon, vrundelyck en +geciviliseert volcq bewoont, en boven maten silver- en goudryck, gelyck +by seecker _Spaens_ schip, over veel jaren varende van _Manilha_ nae +_Nova Hispania_, ervaren soude wesen; sulcx op die raporten in den jare +1610 ofte 11, den Coninck van _Spanje_ een schip om ’t selve nader t’ +ontdecken en in besit te nemen uyt _Aquapulco_ nae _Japan_ gesonden +heeft, om van daer (als bovenwinds) d’ontdeckingh te doen, dat door +quaed beleyd en ongeluckige toevallen verhindert is, en sedert heeft +gemelten Coningk door onvermogen en nalatigheyd geen nader vervolgh op +die apparente nuttelycke discourse gedaen, gelyck mede des Commandeurs +Quast’s besendinge derwaerts, als meermalen aengetogen, geheel +onvruchtelyck uitgevallen is. + +Ende dewyle wy door gemelte en andere informatien seecker achten, ’t +voorschreven eyland omtrent de aengetogen distantie by Oosten _Japan_ +gelegen is, hebben goedgevonden by dese gelegentheyd der _Tartarische_ +reyse, UE. oock dese ontdeckinge ter bequaemer tyd hernemen sult, +doende uwen cours van d’Oosthoeck van _Japan_, op den paralel van 37½ +graden, 350 mylen recht Oost aen, des daeghs met goeden voortgangh, maer +des nachts met cleyne seylen, om niet voorby te lopen, en soo ’t gemelte +eyland in die distantie niet ontmoet, noch honderd mylen Oostelycker, +opdat (soo ’t niet bejegent) verseckert wesen mocht ’t selve niet op +geseyde latitude, maer aparent bet Noord ofte Zuydwaerts gelegen is. + +Van dit aengeseylde punt, daeromtrent 20 September wesen cond, sullen +UE. nae tydsgelegentheyd, gestalte van uwe schepen en volcq, een van de +twee naervolgende wegen tot de voordere ontdeckinge, met goeden overlegh +des Raeds by der hand nemen, namentlyck: + +Den eenen cours is, van ’t geseylde punt (den tyd en wind sulcx +gedogende) weder om de West (al cruysende van de 37 tot de 35 graden) +nae _Japan_ te seylen, om alsoo seeckerlyck te vernemen off ’t +gewenschte eyland in dien wegh gelegen is ofte wel de eylanden, die men +seyd tusschen de 30 en 36 graden, 100 à 150 en 200 mylen by Oosten +_Japan_ te leggen; daer voor seecker gehouden werd, eenige _Japanse_ +vaertuygen aengeweest en silver van daer in _Japan_ gebracht hebben. ’T +een noch ’t ander gemoetende, moet den wegh bet Zuyd-Westwaerts nae +_Formosa_ genomen werden. + +D’anderen wegh is, soo de Westelycke passaetwind ’t weder keeren nae +_Japan_, op de voorgestelde breedte by cruysende wyse (als aparent) niet +gedooght, van ’t aengeseylde punt met een Noorden cours de Zuyd-Westcust +van _America_, boven _Cabo de Percelis_ ofte _Mendocina_, omtrent _Cabo +del Aqua_ aen _Costa Trista_ in ’t gesicht te lopen, en soo ’t +bequaemelyck geschieden can, in d’een of d’ander baey rede te nemen; +waeromtrent Thomas Candisch, Engels Ridder, anno 1517, op 38 graden, in +een bequaeme baey geweest is, daer seer goed volcq gevonden en dat land +_Nova Albion_ genaemd heeft, noterende men hier quaelyck eenige aerde +opnemen can, offse geeft eenige aparentie van silver ofte goud. Dit land +conde alsdan in passant werden aengedaen, om iets van desselfs +gelegentheyt te ervaren, u volcq met ’t gunt daer vinden mocht wat te +ververschen en de schepen van ’t nodige water en brandhout te versien, +om van daer met de Noord-Westelycke passaet, die nae alle aparentien op +dien laten tyd des jaers in dat geweste vehement door blaesen sal, ten +naesten by Zuyd-Westwaerts over te lopen, en alsoo op een rechten cours +’t begeerde goudrycke eyland, off een van de silverrycke eylanden, +tusschen de 30 à 36 graden, 100 à 200 mylen by Oosten _Japan_, te +ontdecken. Ende soo niet bejegend, den cours (even als in ’t eerste +voorstel) nae ’t eyland _Formosa_ tot eynde deser reyse te doen. + +Maer dewyle ernstigh meynen ’t goudryck eyland met den Ooster cours, +immers een van de andere silverrycke eylanden, door een van de twee +wederkerende wegen ontdecken sult, soo sullen mede instrueren hoe u in +dien gevalle ten dienst van de Comp. te schicken hebt, ’t welcke ten +principalen soo wesen moet, als op de gelegentheyd van _Cathaya_ +voorgeschreven is, waerby noch ’t volgende cortelyck sullen voegen. + +Dat wy meynen dese eylanden met de minste peryckelen bequaemelycxt aen +de Zuyd-Oostsyde (wesende benedenswinds) connen aengedaen werden, aen +welcken cust het goudryck eyland, in de Japanse Beobys(?) caerten, met +een revier ofte haven affgeteyckend werd, als by ’t nevensgaende +caertjen sult connen sien. + +Soo dit groote eyland ofte de mindere eylanden en d’inhabitanten van +dien, in effecte soodanigh bevind, als ons daer van gecundight is, +namentlyck de landen seer goud- en silver ryck, en desselfs inwoonders +wel geproportioneerde, blancke, vrundelycke, beleeffde en geciviliseerde +lieden, sal daervan meer staet als van wilde barbare menschen dienen +gemaeckt, minnelyck bejegent en derselver overigheyd aengediend, hoe uyt +verre landen, om proffytelycken handel te soecken, daer gecomen syt, en +haer met onse coopmanschappen en waeren voor de commoditeyten huns +lands soeckt te gerieven, vertonende de goederen UE. ten dien eynde +medegegeven, die nae de eyschende bevindinge in estime houden moet, u +bepalende, soo ’t goud en silver daer in groote abondantie is, die specy +by ons in geringe estime, en niet beter als coper, spiaulter, thin off +lood gehouden werd; echter sonderlinge letten, wat estime sylieden van +alle metaelen maecken, en off ’t goud en silver by hun in grote waerdye +is, wat mynen daervan hebben, en door wat middelen sy ’t selve uyt +d’aerde graven en suyveren, neffens sulcx meer als tot goede cuntschap +van des lands gelegentheyd noodigh achten en doenelyck vinden sult. + +Ende soo ’t ontdeckte land van sulcken merckelycken ryckdom bevind, dat +de generale Comp. daervan considerable nuttigheden trecken can, sal UE. +’t verblyven daer cort maken, en nae becomen informatie van de +merckelyckste dingen, haestigh vertrecken en over _Formosa_ op ’t +spoedighste herwaerts comen, opdat des te tydelycker de vereyschte +besendingen derwaerts connen doen, doch sal UE. voor ’t vertreck dienen +te delibereren off nodigh sy, daer 2 à 3 bequaeme personen te laten, +sulcx niet resolverende, dan met believen van ’s lands overheyd, op +welcx begeren mede gelyck getal van de haere wel herwaerts brengen +mocht, sonder iemant dier vremde natien tegen danck uyt hun land te +voeren, maer raeckende dit point in alles te doen als boven van +_Cathaya_ aengewesen is. Ende dewyle wy onse intentie wegen uwe te doene +voyagie in desen ten principalen hebben gededuceert, en op alle voor te +vallen saecken geen precise ordre can gegeven worden, soo sullen ’t +geene resteren mach en voorcomen sal, aen uwen yver, vigilantie en goed +beleyd, neffens des Raeds voorsichtighe dispositie bevolen laten, met +een hopent vertrouwen, gylieden in dese expeditie soodanigh vigileren +sult, dat deselve tot nut van de generale Comp. succederen sal, als +wanneer wy in’t recompenceren uwer gedaene debvoiren niet ondanckbaer +sullen wesen, want byaldien op uwe reyse eenige rycke en voor de Comp. +proffytelycke landen ofte eylanden werden ontdeckt, soo beloven mits +desen, de beleyders en alle ’t weldragende scheepsvolcq, met soo danige +promotien te vereeren, als bevinden sullen haere gedaene goede diensten +te meriteren, sulcx ons deshalven bedancken sullen, waerop u al ’t samen +te verlaeten hebt; gelyck UE. mede een redelycke premie sult stellen +voor desulcke, die eerst eenige onbekende landen, eylanden, ondiepten, +sanden, clippen ofte schaedelycke vuylen vernemen sullen, ten eynde alle +ongelucken soo veel doenlyck voorgecomen werde. + +Alle ’t vaste land en eylanden die ontdecken, aendoen en betreden sult, +moeten UE. voor de doorluchtige Ho. Mo. Heeren Staten Generael, als +Souverayne van de Republicque der Vrye geunieerde _Nederlantse_ +Provintien, in possessie nemen, ’t welcke in onbewoonde landen ofte die +geen Heeren hebben, door ’t oprichten van een steen ter gedenckenisse, +’t planten van ’s lands wapen, ofte onse prince vlagge tot waren +eigendom geschieden can, want sulcke landen den vinder en innemer met +recht behoren, maer in gepopuleerde landen ofte die ontwyfelyck Heeren +hebben, sal in ’t nemen van den eygendom, ’t consent des volcqs ofte +Conincx nodigh wesen, dat door minnelycke bewegen met ’t presenteren van +een boomken, geplant in weynigh aerde, ’t gemeyn oprechten van een +steen, wapen, ofte stellen van de prince vlagge, ter memorie hunner +vrywillige submissie ofte onderwerpinge, dient te geschieden. Doch +dewyle vermoedelyck is, UE. soo wel in _Tartaria_, als de onbekende +eylanden meest gepoliceerde natien en diensvolgens oock wettelycke +overheden vinden sult, sulcx met recht geen possessie van derselver +landen can genomen werden, en van hare souveranité geen vrywillige +afstand sullen willen doen, soo sal ’t nodigh wesen, met soodaenige +natien ofte hare princen, verbond van vrundschap maeckt, waertoe ’t +oprechten van de voorgemelte dingen, als gedenckteyckenen, dienen +cunnen; alle welcke handelinge UE. perfectelycken in u Journael +aenteyckenen sult, met nominatie van de personen, die present sullen +wesen, om in toecomende tyden onse Republicque te connen dienen. + +En opdat de voyagie volgens dese Instructie en onse goede intentie wel +magh gereguleert en voltrocken werden, goede ordre onder ’t volcq +onderhouden, recht en justitie conform den generalen artyckelbrieff +geadministreert, en vorders ten meesten dienst van de Comp. gedaen en +verricht magh werden, ’t gunt op soo peryculeuse en langhdurige reyse +voorvallen en vereysschen mocht, soo hebben den E. Maerten Gerritsen +Vries tot Commandeur van beyde de schepen gestelt, denselven by desen +authoriserende, om de vlagge op _Castricum_ van de groote stenge te +voeren, den Raed te beroepen en continueel daerin te presideren. +Oversulcx gelasten en gebieden aen alle officieren en matrosen, niemant +uytgesondert, die op de schepen _Castricum_ en _Breskens_ bescheyden +syn, den gemelten Maerten de Vries voor haer Commandeur en Opperhooft t’ +erkennen, respecteren en gehoorsaemen, mitsgaders in alle voorvallende +gelegentheden met goeden raed en vlytige dienst, tot vorderingh der +voyagie en ontdeckinge der onbekende landen, te assisteren, als +vigilante en getrouwe dienaren betaemt en gelyck yder voor ons in ’t +wederkeren meend te verantwoorden. + +Den Raed van dese twee schepen sal bestaen uyt de volgende personen, +namentlyck: + + Den Commandeur Maerten Gerritsen Vries, Continueel Preses. + Schipper Hendrick Cornelisz. Schaep, op _Breskens_. + Ondercoopman Willem Byleveld, » » + Schipper Pieter Willemsz. Knechtjes, » _Castricum_. + Opperstuerman Cornelis Jansz., (Coen) » » + Opperstuerman Jeuriaen Bruyn, » _Breskens_. + Provisioneelen Ondercoopman Abraham Pittavin op _Castricum_, die mede + als Secretaris en by vereysch als Fiscus wesen sal. + +By desen Raed sullen alle voorvallende saecken, tot bevorderingh deser +voyagie en uytvoeringh onser ordre, beleyd en afgehandelt werden, +sullende den Commandeur by steeckingh twee stemmen hebben, doch in +saecke van justitie sullen d’hooghbootslieden mede geroepen werden, als +d’ordre onser principalen dicteert. Maer in saecken die de zeevaert, als +coursen en ’t ontdecken van de landen etc., aengaen, sullen +d’onderstierlieden mede compareren en adviserende stemmen hebben, die +den Commandeur coligeren en met de meeste concluderende stemmen sluyten +sal, versorgende alle resolutien terstont dobbel geregistreert, +geteykend en ten dienste van de Comp. wel uytgevoert werden. + +Soo den Commandeur Vries (dat God verhoede) quaeme te overlyden, sal de +Schipper Hendrick Schaep in desselfs plaetse succederen en in alle +deelen conform den inhoud deser Instructie, even als syn voorsaedt, +gebieden en gehoorsaemt werden, soo dat betaemt. + +De schepen gaen gemant met 110 cloecke coppen, daeronder 10 soldaten, +synde op ieder schip even veel, mitsgaders van alle nodige amunitie, +gereetschap en provisien wel versien en voor twaelf maenden ruymelyck +gevictualieert. Laet alles wel en behoorlyck mesnageren, en ’t ordinarie +rantsoen van twee vleesch- en een speckdagh, een mutsken asyn en ½ +mutsken oly ter weecke, en 1½ mutsken arack des daeghs, onder ’t volcq +uitdeelen. Stercken arack gaet in yder schip twee leggers, om in de +coude tot des volcx gesondheyd soberlyck uyt te deelen, maer +insonderheyd diend ’t versch water en brandhout seer gemesnageert, synde +daer omme van watervaeten ryckelyck versien, opdat daervan in geen +noodwendige behoeften vervalt, en om ’t selve te soecken in uwer reyse +niet verachterd ofte onverrichter saecken te keren genoodsaeckt werd, +dat tot groote schaede van de Comp., die in ’t equiperen van dese +schepen groote costen heeft gedaen, en u aller schande gedyen soude, dat +daeromme met naerstige voorsichtigheyd voorgecomen diend. + +Tot besluyt van dese Instructie willen UE. des Albestierders segen +toewenschen, welcx Divine Maij^{t}. bidden uwe personen, tot volvoeringh +van dese voorgenomen ontdeckinge, met mannelycke couragie te +begenaedigen en verrichter saecken, behouden te laten keren, tot +verbreydinge syner eeuwige glorie, reputatie onses Vaderlands, des Comp. +sonderlingen dienst, ons contentement, en U aller onsterffelycke eere. + + In ’t Casteel _Batavia_, + desen 2 February, Anno 1643. + + (Get.) Anthonio van Diemen. + Cornelis van der Lyn. + Joan Maetsuycker. + Justus Schouten. + Salomon Sweers. + + +Memorie van de boecken en pampieren, die by d’Instructie van de +Tartarise besendingh gevoucht moeten worden. + + N^{o}. 1. Tooneel des Aertrycx ofte nieuwe atlas, synde een + den Comm. beschryvinge met Caerten van alle landen des + alleen. aerdcloots, door Wilhelm en Joannes Blauw. + + d^{o}. eygen 2. Itinerarium ofte Schipvaert van Jan Huyghen van + Linschoten. + + d^{o}. alleen. 3. Nieuwe Wereld ofte beschryvinge van _West-Indien_, + door Johannes de Laet. + + 4. Extract uyt ’t Vertoogh van den Coopman Willem + Verstegen, nopende ’t ontdecken van de onbekende + Custen van _Corea_, _Jeso_ en _Japan_, mitsgaders + d’eylanden daer by Oosten gelegen. + + 5. Remonstrantie van ditto Verstegen, op ’t ontdecken + van ’t Goudrycke eyland by Oosten _Japan_. + + 6. Instructie voor den Comm. Mathys Quast, tot + ontdeckinge van d’onbekende eylanden by Oosten + _Japan_. + + d^{o}. alleen { 7. Een Journael van Commandeur } nopende hunne + { Quast. } gedaene reyse in + { 8. Een d^{o}. van Schipper Tasman } de _Zuyd-zee_. + + 9. Extract uyt ’t Journael van India, vervattende + ’t succes van des Comm. Quasts voyagie by Oosten + _Japan_. + + 10. Extract uyt de memoriale aenteyckeninge en + bedenckinge van Maerten Gerritsen Vries op + d’ontdeckinge van ’t _Zuydland_, de Oostcust van + _Tartaria_ en d’eylanden by Oosten _Japan_. + + 11. d^{o}. uyt ’t Cort verhael van Maerten Gerritsen + Vries, nopende de nuttigheden van ’t ontdecken + van ’t _Zuydland_ en _Tartaria_. + + 12. d^{o}. uyt ’t Vertoogh van Franchois Jacobsen + Visscher, nopende ’t ontdecken der onbekende + Custen van _Japan_, _Corea_, _China_, _Tartarien_ + en d’eylanden by Oosten gelegen. + + N^{o}. 13. Cort begrijp van ’t ontdecken van _Cathaya_ en + d’eylanden by Oosten _Japan_, door Maerten + Gerritsen Vries. + + 14. Memorie op ’t stellen van de raporten, voor de + dienaers van de geoctroyeerde Oost-Ind. Comp. + + 15. Ordre voor den Schipper-Comm. Maerten Gerritsen + Vries en vorder overicheyd van ’t fluytschip + _Castricum_ en ’t jacht _Breskens_, op hunne + reyse van _Batavia_ nae _Molucco_. + + 16. Factura van de Coopmanschappen en monsters van + allerley waren, gescheept in _Castricum_ en + _Breskens_. + + {17. Inventarissen van de voornoemde schepen. + { + {18. Originele resolutien, getrocken op de gemelte + { reyse van den Comm. Quast. + den Commandeur { + alleen. {19. Seynbrieff op ditto voyagie beraemt. + { + {20. Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, + { tot ontdeckingh van ’t Goudrycke eyland. + + 21. Twee Caertges van ’t Goudrycke eyland, soo ’t + selve in de _Japanse_ Beobys staet. + + d^{o}. alleen. 22. Gedruckte pryscouranten off Cours van negotie in + _Amsterdam_, dato 30 September en 4 November anno + 1641. + +Alle welcke voorstaende Schriften ende Caerten by den Gouvern.-Generael +en Raden van _India_ syn overhandight aen den Schipper-Comm. Maerten +Gerritsen Vries op _Castricum_ en den Schipper Hendrik Cornelisz. +Schaep op _Breskens_, gedestineert tot de _Tartarische_ ende voordere +ontdeckingh; met last, sy alle deselve, in conformité van dese memorie, +op hun keeren aen ons weder sullen hebben over te leveren, om ons in +tyden en wylen daervan naeder te mogen dienen. + + In ’t Casteel _Batavia_, + desen 2 February, Anno 1643. + + + + +REMONSTRANTIE + +_ofte Corte Voorstellinge, omme een grooten schadt, ofte wel nieuwen +aenvang van negotie te crygen, op het ryck ende Gout- ende +Silver-Eylandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van 37½ graden, +benoorden de Linie Equinoctiael._ + +Gederigeert + +Aen d’Ed. Heer Henricq Brouwer, Gouverneur-Generael, en de presente +Raden over den Nederlantse Staet in d’_India_, residerende ter Casteel +_Batavia_. + + +Veele ende genouchsaem (is een) yder kennelyck alle het aertryck, soo +wel ’t vast als d’eylanden, in den beginne van Godt Almachtich vast +gefondeerd ende oock meest onveranderlyck in weesen gebleven is; dan +noch tot op den huydighen dach niet alles by ons cunt waer, hoe veel van +verstroyde volckeren ofte vluchtelingen dese wel bewoont en vervult is. +Soo is ’t dat seer ruymen tyt geleden, seecker vaertuych van _Manilha_ +vertrocken weesende, voornemens ter traffique syne voyagie naer +_Nova-Hispania_, in een deser plaetsen te doen, beoosten _Japan_ in de +Zuydtzee, op de hoochte van 37½ graden, omtrent 380 à 390 mylen van wal, +een groot ende seer geweldich swaer weer ontmoetende, ja sulcx dat syn +mast verloren ende genouchsaem te keeren ofte ’t eerste land aen te +doen, genoodsaeckt was. ’t Weer wat handiger ende affgenomen wesende, +met ’t claer jachten des luchts, saegen juyst t’haerer gelucke, een +groot ende hooch verheven eylant, ’t welck haer niet weynich in haer +gemoet deed blyden, daer den cours recht naer toe stellende, aenlanden, +bevonden ’t vreempt ende niemant cundich; ’t volcq van schoonder +gedaente, blanck ende wel geproportioneert, seer min ende vriendelyck, +als men niet soude connen nochte willen, omme mede omme te gaen, +gewunschen. Alwaer nae een weynich tyts gelegen, het soodanich bevonden, +dat naer een becomen mast, hunne reys te vorderen weder aennaemen, ende +alle soo wel gecontenteert, dat haer docht tot onderhout van ’t leven +als groote Sr. ofte banderheeren noyt iets te sullen meer ontbreecken; +continueelyck soodanich daervan opgevende, niet anders alsof men ’t gout +ende silver, by maniere van spreecken, bynaer maer by de strant +opraepte; ja, hunder ketelen ende ander cocx-gereetschappen daervan +gesmeden waeren. O! wat een te wunschene saecke soude ’t sijn, ende hoe +nodich voor de Comp., daer sy in soo cort aenwesen haer beursen met te +negotieeren als andersints soo swaer .... gelyck voormelt, gesmeden +hebben. + +Nu het is soo het wil ende sy soo ’t mach, men conde seggen, indien +mette waerheyt accordeerde, men ’t selvige daerby niet soude gestaeckt +noch achterweege laeten blyven hebben, dan nie(mant) en kent yders +gelegentheyt niet, want particuliere coopluyden, ten sy met +bewilligingh, geheel onvermogent, werwaerts hun gelieft t’equiperen, is +’t echter in’t jaer 10 à 11, ofte ’t jaer nae ’t nemen van den Heere +Wittert[13], gebeurt; waeruyt claerlyck de waerheyt te speuren is, dat +den Coninck van _Hispania_ ’t selvige aengecundicht ende wel op beraden +wesende, synen Vice-Rey van _Nova-Hispania_, residerende in de hoofdstad +_Mexica_, (nu 2 à 3 jaeren verleden, meest ingesoncken....,) ten halve +oft midts wegh van ’t lant, tusschen de _Noord-_ en d’ _Zuydzee_ +gelegen, derwaert te equiperen last gegeven heeft; die tot voldoeningen +der Mr. ordre, een jacht, genaempt _St. Francisco_, in een baye in +_Aquapulco_, synde ongevaer 80 mylen van _Mexica_ (een moeylyck te +reysen lantwegh, oversulcx 14 à 15 dagen ordinary te passeeren), heeft +laeten vaerdigen, ende ter vertreck gereet maecken, met sulcken +intentie, eerst in _Japan_ gearriveert wesende, van ’t provenu der +coopmanschappen ofte oock wel om der goede gelegentheyt van schepen, +noch een tweede jacht tot _Oringua_, soo als derrewaerts ’t bequaemste +oordeelen soude, te laeten timmeren; ende wert ’t volcq tot gemelte +exploict aengenomen, ende daer over geordineert was als Generael, Jan +Bastiaen Busqaine, een out, grys, bedaert persoon, niet min dan 70 +jaeren, wien nevens alle andere ende mindere persoonen, ter bestemder +tyt op de geordonneerde plaetsen in _Mexica_ ende voor den Vice-Rey hun +lieten vinden, alwaer een Conincklyck placcaet openlyck voor alle +volckeren gepubliceert ende afgecundicht wert, waerinne verhaelt wert, +Syne May^{t}. op de aencundiging goet gevonden hadde, twee jachten te +equiperen, omme ’t Gout- ende Silver-Eylandt, gelegen in de Zuydzee ter +hoochte van 37½ graeden, naer opdaeginge te conquesteren ende onder syn +gebiet te brengen, beloovende yder soo wel van de meeste tot de minste, +naer merite een part oft uytdeylinge desselfs te doen ende meer; hun ten +dien eynde den eedt van getrouwicheyt afvorderende, waerop gevolcht, +gesaementlyck naer _Aquapulco_ (de luyden te paert ende de goederen met +muylen, volgens gewoonte) t’inbarqueeren haer begaven ende nevens noch +drie andere jachten, genaempt _St. Anna_, _St. Bastiaen_ ende het jacht +welck Meester Adam, wiens soon Angiel present te _Jedo_ noch residerende +is, selfs laeten maecken hadde, sy naer _Japan_ en d’andere naer +_Manilha_ gedestineert, vertrocken sijn. Daer aengecomen wesende, heeft +den gemelten Generael, hoewel out ende bedaecht, buyten postuer met +bouracheren, vrouweeren, dobbelen als spelen aengegaen, sulcx dat naer +verheys nieuwers noch, noch op hemselfs acht namp. Den tyt hunner +vertreck genaeckende, syn gesaementlyck soo wel het nieuwe +daergemaeckte, als ’t ouwe metgenomene jacht, onder seyl gegaen, doch +door onvoorsichticheyt is ’t gemelte nieuwe tegen een eyland, met +lichten daege, liggende voor ofte niet verde van G.... t’eenemael +verseylt, ende ’t ander, ’t welck naer behooren niet gerepareert was, +bevonden soodanich gestelt, dat daer van daen quaemen, weder +genootsaeckt waeren te retourneren ende ’t jacht te sloopen. Alsdoen +voorders ’t geen noch resteerde ten naestenby t’souck brengende, want +het scheen eer deech noch rust voor alles op hadde geweest, waerdoor +oock onmogelyck wiert, een vaertuygh ter eygen selfs vertreck te laeten +maecken ende noch naer een jaer overblyvens genootsaeckt wierden, op een +gallioen, dat _Massammad_, een groot lantsheer, (in wiens [haven?] +geanckert geweest waeren,) op synen naem maecken en eygen risico naer +_Aquapulco_ trecken liet, met degene die ’t aenstond, te inbarqueren. +Want eenige sustineerden uyt des Conincx dienst ende alsdan vry waeren. +Welck gallioen, dat meer is, selfs ’t gemelte eyland in ’t gesicht gehad +heeft, veel drift vernaemen ende van tortelduyven schier als vervult +wiert, dan, omme de _Japanders_ meesters waeren, mosten naer hun pypen +dansen. Dat dit waerachtich ende geloove seecker is, want Sr. Vincent +Romeyn, ter stede _Nangasaecke_ woonachtigh, een geloofwaerdigh persoon, +doenmaels in _Mexica_ weesende, de publicatie selfs met eygen ooren +gehoort en een persoon met de galioten verscheenen ende geretourneert, +gesproocken, die met ’t gemelte galioen teruggekeert en dit eyland +verclaert met waerheyt gesien heeft. Op gemelte _St. Francisco_, dat +meer is, was een Nederlants schieman, genaempt Marcus Symonsen, in syn +leven een goede bekende van d’E. Heer Specx, welcke nevens eenige andere +daer te lande verbleef ende in _Nangasaecke_ lange geresideert; alwaer +noch twee dochters in leven heeft. Soo dat genoechsaem al ’t geene waer +ende niet aen te twyfelen is; oock laet het sich niet onbillyck aensien, +door misnougenheyt ofte wel cleyn vermogen ende nauw omcomen van qualyck +te equiperen, het vorderlyck by der hand tenemen, tot beter ockagie +gestaeckt ende naergelaten wert. Wie weet off de Heere onse Godt, der +Spanjaerden, om ’t quaed ende boose hunner voornemen, oock d’aenslagh +niet confuys gemaeckt heeft; als niet willende gehengen, d’arme luyden +hun noyt hebbende misdaen, maer integendeel wel bejegent ende +vriendelyck geweest, van haer goet ofte erfdom, welcke als een proye +buyten wilde, souden werden ontrooft. + + [13] De zeevoogd Francois Wittert werd in het jaar 1609 bij _Manilha_ + door de Spanjaarden genomen. + +Gemelte dan, UEd. Heeren, verstaen hebbende, dacht my verplicht te +weesen, ten dienste van de Comp. ende welvaeren onses gemeynen +Vaderlants, UEd. ’t selve de weet van te doen, opdat der vyanden +voordeel mach affgesien ende door ons becomen werden. Want menichmael +leyt het vier bedolven onder de assche, waervan eyndelyck een geheelen +brant ontsteecken can. Het is een licht te beginnen ende oncostelyck +werck, misschien de Comp. daer soo veel proffyt als uyt _Japan_ te mogen +haelen; twee cleyne ofte handige stercke zeejachten uyt _Japan_ +derwaerts gesonden, soude ter aenvangh genouch syn, omme, ofte ’t eene +te missen quamp, het andere mocht te recht geraecken; was, porseleyn, +stoffen enz. sulcke ende diergelycke waeren soude tot een monster ofte +preuve een weynich connen medegenomen worden; die t’allen tyde ende +schoon onvruchtelyck keerende, haer gelt daer weder wel haelen sullen. +’t Is een groot hooch lant, dan niet weetende watter van sy, oversulcx +d’ondervindingh de beste leermeester syn sal; het leyt als gesecht maer +380 à 90 mylen ofte op het hoochste 400 mylen van _Japan_, op de hoochte +qualyck van 37½ graden, is oock meermaelen gesien van d’andere +vaertuygen, uit _Nova-Hispania_ naer de _Manilha_ ofte wel _Manilha_ +naer _Nova-Hispania_ willende; dan schynt, al even in ’t gesicht +crygende, haer ordre, als daertoe geen last hebbende, niet te buyten +gaen mogen, en sulcx ende diergelyck vast d’oorsaecke van onbekentheyt +is blyvende. + +Gemelte Sr. Vincent Romeyn, soo UEd. daervan een preuve sints te doen +syt, heeft gepresenteert selfs persoonlyck, op de goede hoope die door +eygen cuntschap van alle ’t gene is hebbende, mede te willen laeten +gaen. De jachten souden mede cunnen geemployeert worden omme een te +doene tocht, ter opspeuringe wat vorder om de Noort in ’t ryck van +_China_ ofte wel _Corea_ te doen soude mogen wesen, gemerckt van +d’inlanderen selfs een grooten handel derwaerts uyt, over ende weder +gedaen worde; jae ’s Keysers passen soo wel naer _Tonquyn_ en +_Cochin-China_, als over ’t lantschap _China_ en _Corea_, plegen +verleent te worden. + +Dit dan dus cortelyck gestelt ende by den anderen versaemelt wesende, +gelieven UEd. als uyt een tuygende genegentheyt, volgens als voormelt +van de Comp. ende Vaderlants welvaeren te geschieden, aen te nemen van + + UEdlens onderdaenigen, altyd + verplichtenden dienaer + (get.) Willem Verstegen. + + Actum in ’t schip _Amsterdam_, + voor de straete _Balimboan_, + desen 7 December, anno 1635. + + + + +ORDRE TOT DE ZEYLAEGIE + + _voor den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsen Vries en de + verdere overigheyd van de fluyt Castricum ende ’t jacht + Breskens, waer nae hun in ’t vaeren van hier langs d’Oostcuste + van Celebes tot het eyland Ternaten, voor het Casteel Maleye + sullen hebben te reguleren._ + + +Om wat redenen ende motiven wy in Rade van _India_ goed gevonden hebben, +UE. tot begin ende aenvangh van de geordonneerde voyagie nae de Noord, +over de _Moluccos_ te laten navigeren, sullen hier niet verhaelen, maer +gedraegen tot onse aen UE. verleende generaele Instructie, op die +gelegentheyd wyd ende breed gextendeert, ende in desen niet verder gaen, +als tot vertoogh van d’ordinarie courswysing langhs _Celebes_ Oostcust +tot in _Ternaten_, gelyck daertoe gerefereerd werd. + +Naerdat dan morgen vroegh gemonsterd ende uwe anckers aen boord hebt, +sullen UE. in Godes naeme van dese rheede scheydende, haren cours doen +om _Pulo Rakit_ ende _Boomkens_ Eyland by Noorden te laeten en de +Javaense cust in ’t gesicht houden, mits omtrent twee mylen daer buyten +blyvende, op de diepte van 10 à 12 vaedem, alsoo den Vlacken ende +Schaedelycken hoeck (seylende van hier Oostelyck) wel te loden syn, +voorts uytsiende nae den steen, die in ’t Noorden van _Kandanghauwer_ +leyd, omtrent drie mylen in zee. + +Het rechte vaerwater van _Batavia_ naer de Enghte tusschen _Celebes_ +ende _Salayer_ is te houden op de ses graden Zuyderbreedte, om in ’t +gesichte van ’t hooge _Javase_ land by Zuyden _Carimon-Java_ en +_Lumbocq_ te seylen, naer de Brede-Banck, ruym derthien mylen by Westen +den hoeck van _Tanakeka_ gelegen, daer die passeren moet op 8, 10 à 14 +vaedem, wanneer wel diend uyt te sien naer de Twee-Stenen, daer anno +1633 een onser burgers-joncken op gebleven, ende den Gouverneur-Generael +anno 1638 (vaerende nae _Amboyna_) met de vloote omtrent geweest is; +niet alleen naer dese, maer nae alle andere clippen, rudsen en +drooghten, sult doorgaens naerstigh uytkycken, ende een man aen de +stenge houden, om alle ongemack soo veel mogelyck voor te comen. + +De gemelte banck gepasseert wesende, sult in der yl den hoeck van +_Tanakeka_ voornoemd, aen boord maecken te crygen, ende die soo nae +loopen, als sonder peryckel ende tydversuym geschieden can, opdat van ’t +land gesien mocht worden; seylende dan voorts digt langs de _Celebese_ +Zuydcust, naer en door voorschreven enghte, item wyders tot de straete +van _Bouton_, die op het alderspoedighste sult trachten te passeren, +ende is ’t doenlyck, sonder ten ancker te comen. Doch ’t selve +genootsaeckt wordende, ende iemant van de _Boutonders_ aen boord +verschynende, voorsichtelyck hooren wat te seggen hebben, ende hun +voorts aendienen, om met haer te handelen, geen last hebt, maer dat cito +voort moet, doch eerstdaeghs daer noch eenige schepen, met soldaten nae +_Amboyna_ gedestineerd, staen te passeren, die hun beter te spraeck +sullen connen staen. + +Ondertusschen moeten UE. niemand aen land vertrouwen, tegen die +moordadige diefachtige natie wel op hoede, ende in posture van defentie +maecken te wesen, ten eynde de voordesen gepleeghde gruwelycke actien +niet mede subject werd; buyten dat sult hun in ’t passeren der +aengetogen straete niet beschaedigen. + +De gemelte straet doorgeseyld ende van waeter wel versien synde, sult +dan by Oosten de custe van _Celebes_ trachten op te stoppen, tot de +hooghte van omtrent een graed by Noorden de linie, wel verstaende, soo +UE. de wind daertoe wil dienen, soo niet, meught wel om d’Oost +oversteecken, wanneer de linie genadert syt; alsoo dan ongetwyffelt +_Macquian_ wel beseylen sult, te meer de stormen omtrent de +_Guriches_--dat syn clippen ende cleyne eylanden in ’t Zuyden van +_Macquian_ gelegen--stilstant nemen, soo d’ervarendheyd geleerd heeft. + +Op de gemelte Oost-custe van _Celebes_ bevint men veele droogten, moet +derhalven voorsichtigh seylen, ende des nachts letten als het doncker +is, maer het water rolt er soo slecht ende de custwinden syn daer soo +dienstigh, dattet een goed vaerwater sy, ende tot meerder claerheyd +behandigen u nevens desen, elck een caertjen van de gelegentheyd +derselver Oost-custe, streckende van _Celebes_, tusschen den hoeck daer +’t Eyland _Waeroway_ byleyd, tot omtrent 1½ graed by Noorden de Linie, +in ’t welcke, met de aenteeckening der diepten, werd aengewesen den +cours die men heeft te nemen, dat meest _Celebes_ naest geschieden moet, +alsoo men daer vind de meeste openingh, mitsgaders de minste drooghten +ende bancken, die t’zeewaerts soo menighvuldigh syn, datter geen +doorcomen gesien werd. + +Wy houden ’t soo geraeden, dat van _Celebes_ oversteeckt om _Macquian_ +te beseylen als _Ternate_, aengesien van _Macquian_ binnen door, langs +de West-cust van _Batachina_ ofte _Hala Machera_, mede goed opcomen is. + +Omtrent de _Moluccos_ verschynende, sult u wel slaghvaerdigh houden, +insonderheyd verdacht wesen op het aencomen der _Spaense_ galeyen by +stilte ofte andersints, oock sorge draegen dat by den anderen blyft, +ende gelyckelyck voor ’t Casteel _Maleyen_ verschynd, om te minder +peryckel van d’aengetogen galeyen subject te syn; wyders _’t volck +onderwege met de waepenen oeffenen, opdat daerin t’ervaerener werden_, +tegen alle voorvalligheden van offentie en defentie. + +Behalven de _Portugesen_, met wien onse Souveraine in _Nederland_ voor +thien jaeren trefúes gemaeckt ende hierover doen publiceren hebben, +sullen UE. gesaementlyck vyandelyck aentasten alle die by Oosten den +_Bouqueron_ sonder onse passen comt te gemoeten, niemant uytgesonderd +als die van _Bouton_, wanneer u niet selfs eerst offenceren; doende alle +mogelyck debvoir om desulcke voorsichtelyck te vermeesteren ende in u +gewelt te becomen, nemende haer personen in goede versekeringh, ende hun +goederen onder inventaris over, om die naer _Molucco_ te brengen, ende +daerover gedisponeert te worden als naer behoren. + +Met lieff op _Tarnaten_ g’arriveerd wesende, sult de nevens gaende +brieven aen den Vice-Gouverneur Wouter Seroyen overleveren, ende u +voorts reguleren naer onse hier voor geciteerde generale Instructie, aen +dewelcke wy ons, als geseyd wyders blyven gedraegen. + +Wenschende UE. tot het voltrecken van d’een ende d’ander voyagie, den +Heyligen zegen ende protextie des Alderhoogsten. + + In ’t Casteel _Batavia_, + den 2 February, anno 1643. + + (Get.) Anthonio van Diemen. + Cornelis van der Lyn. + Joan Maetsuycker. + Justus Schouten. + Salomon Sweers. + + + + +JOURNAEL + + _ofte Dachregister, geanoteert ende beschreven door den + Opperstierman Cornelis Jansz. Coen, vaerende op ’t fluytschip + Castricum, beneffens ons het jacht Breskens; synde geordonneert + van den E. Heere Gouverneur-Generael Antonio van Diemen ende de + Raden van India, tot ondeckingh van Tartaria, ’t Coninckryck + van Cathaya ende West-custe van Ameryca ende de Gout- ende + Silverrycke Eylanden, die soude gelegen wesen by Oosten Japan, + op omtrent de Noorderbreeten van 37½ graden, onder het Commando + van de Ed. Commandeur Maerten Gerritsz. Vries._ + + _Beginnende van Ternaten alwaer van daen wy op den 4 April anno + 1643 t’seyl syn gegaen. Godt verleen ons geluck ende voorspoet, + dat onse reys mach gedien tot welstant onser Ed. Heeren Meesters + ende voortplanting synder gemeynte, Amen._ + + +April. + +c 4. + +’s Middachts heeft den E. Heer Commandeur met syn byhebbende +raetspersoonen, een eerlyck afscheyt genomen van den E. Heer Gouverneur +Seroyen, ende syn ’s avonts met een Suydelyck coeltie, in den naem Godts +t’seyl gegaen van _Tarnatens_ ree; de goede genadige Godt verleen ons +goet succes ende behouden reys, Amen. ’s Nachts hadden wy moy weder, +deden ons best om de cust van _Gillola_ aen boort te crygen. + +d 5. + +’s Morgens hadden wy moy weder, de wint variabel, alsdoen lach het +eylant _Hiery_ W.S.W. 2 mylen van ons, doe passeerden ons eenige +corra-corras ende galalys, die van _Gillola_ quamen en wilde naer +_Ternaten_ toe. De wint loopende in ’t Noorden, deden ons best met +laveren om Noort te winnen. ’s Middachts waeren wy omtrent 1½ myl buyten +de cust van _Gillola_. Naer de middach liep de wint Noordwest, ’s nachts +variabel Oost ende dan weder Noorden, somtyts met slappe koelte. + +e 6. + +’s Morgens was het regenachtich doncker weder, waeren omtrent 4 mylen +buyten de cust van _Gillola_, de wint variabel. ’s Middachts waeren wy +op de Noorder breeten van 1 graed 22 minuten, alsdoen lach de banck van +_Ternaten_ S. omtrent 7 mylen van ons, waeren 2 mylen buyten de cust van +_Gillola_, deden alle devoir om Noort te winnen, maer bevonden hier +harde stroom om de S. te gaen. ’s Avonts saegen wy de eylanden van +_Tongy-Songy_ in ’t N. vyf mylen van ons, waeren 1½ myl buyten de cust +van _Gillola_, saegen de berch van _Ternaten_ in ’t S. van ons, de wint +alsdoen N.N.W. ’s nachts Oostelyck met veel stilte. + +f 7. + +’s Morgens met den dach cregen wy een styve regen met een variable +coelte, doch meest Noordelyck. ’s Middachts lach de berch van _Ternaten_ +S. ten O. ½ O. ende de eylanden _Tongy-Songy_ in het N.O.t.N. 5 mylen, +synde buyten de cust van _Gillola_, de wint alsdoen N.N.W. Wenden het +alsdoen om de N.O., alsdoen is door den ordinaris seyn van den E. +Commandeur den raet beroepen; van beyde scheepen is geresolveert om soo +veel als mogelyck was ons devoir te doen, om de N. hoeck van _Moratay_ +aen boort te crygen ende van daer alsdan onse coers om de N.O. aen te +stellen, soo veel weder en wint soude mogen toelaeten. ’s Avonts in ’t +opsetten van de wacht schoot de wint in ’t O.t.N., maar cort weder +Noordelyck, variabel. + +g 8. + +’s Morgens moy weder, het luchien Oostelyck. ’s Middachts hadden wy de +N. breete van 1 gr. 44 min., alsdoen lach de berch van _Ternaten_ S. ½ +O., de eylanden _Tongy-Songy_ O. ½ N. 4 mylen van ons, de wint doen +Noordelyck. ’s Avonts door een peyling bevonden 4 gr. 7 min. N.O. +tering. ’s Nachts moy weder met veel stilte. + +a 9. + +’s Morgens moy weder, met een variabel luchien uyt een N.O. ende N.N.W. +met veel stilte. ’s Middachts lach het eylant van _Ternaten_ S. ¼ O. +ende de eylanden van _Tongy-Songy_ O. ¼ N. 4 mylen van ons, hadden +alsdoen de N. breete van 1 gr. 48 min. Cregen doen een cleyn Noordelyck +luchien, maer corts weder stil, in ’t ondergaen van de son cregen wy een +cleyn coeltie uyt een Noorden, hetwelck nae het O.N.O. trock, wenden het +doen om de Noort. Omtrent de middernacht cregen wy weder de wint +variabel Noordelyck. + +b 10. + +’s Morgens moy weder, met een variabel luchien met veel stilte. ’s +Middachts waeren wy op de gegiste breete van 1 gr. 50 min., doen lagen +de eylanden van _Tongy-Songy_ O.t.S. 3 mylen van ons, de Westhoeck van +d^{o}. eylanden ende hoeck van _Gamma_ .... liggen S. ½ W. en N. ½ O. +over malcanderen in strecking; wenden het N.waert over. ’s Avonts lach +het eylant _Salangary_ N.N.O. ½ O. 5 mylen, en het eylant _Tongy-Songy_ +S. ½ W. van ons. ’s Nachts in de eerste wacht hadden wy regen met een +variabel coeltie, in ’t 4^{de} glas van de wacht cregen wy de wint +O.N.O., wenden het N.waert over, de wint corts met stilte naer het N.O. +treckende, cregen een moy coeltie, lieten het N.N.W.waert overstaen. + +c 11. + +’s Morgens moy weder, cregen omtrent 2 ure naer sons opganck een cleyn +reegen caeckien[14] met een N.N.O.coelte, wenden het om de O., corts +daernaer dreven wy in stilte, wat voor de middach cregen wy een moy +luchien uyt een N.O., wenden het om de N.N.W. ’s Middachts waeren wy op +de bevonden breete van 2 gr. 7 min. ende op de lengte beoosten de +meridiaen van _Teneriffa_ 145 gr. 42½ min., de wint alsdoen N.N.O., +conden alsdoen de berch van _Ternaten_ noch pas sien in het S. ⅓ W. van +ons. Het eylant _Doy_, het N. eynt N.O. ½ N., het midden van ’t eylant +_Tuancara_ N.O.t.O., het S. eynt van ’t eylant _Pou_ O.t.N. ½ N. van ons +5 mylen; naer de middach cregen wy een moye coelte uyt een N.W., wenden +het N.N.O. waert over, dreven ’s nachts in stilte. + + [14] Opkomende harde wind. Witsen. + +d 12. + +’s Morgens moy weder, dreven in stilte tot 2 ure voor de middach, waeren +met de stroom wel 1½ myl om de S.S.W. gedreven, cregen doen een moy +coeltie uyt een N.O. ende trock naer het O.N.O. Seylden met d^{o} coelte +soo veer om de N., tot ’s middachts op de breete van 2 gr. 7 min., ende +hadden de bovengemelte eylanden op een peyling van ons als boven. Naer +de middach dreven wy in stilte, somtyts een cleyn variabel coeltie +N.N.O. N.O. en N.W., dreven ’s nachts in stilte. + +e 13. + +’s Morgens moy weder, dreven meest in stilte. ’s Middachts bevonden wy +de N. breete te hebben van 2 gr. 12 min., op de lengte te syn van 145 +gr. 33 min.; alsdoen lach het eylant _Doy_ N.O.t.O. 6 mylen van ons, te +weten het Noorteynt, dreven die naemiddach in stilte. ’s Avonts conden +wy de berch van _Tarnaten_ noch pas sien in ’t S. van ons. ’s Nachts een +cleyn luchien uit den Suyden. + +f 14. + +’s Morgens moy weder, dreven in stilte, somtyts een cleyn variabel +luchien uyt een W. ende S.S.W. ende S. Waeren doen op de gegiste breete +van 2 gr. 23 min., op de lengte van 145 gr. 50 min., ende bevonden +breete 2 gr. 22 min., vertiert 5 mylen; alsdoen lagen de eyl. van _Doy_, +het middenlant O.t.S., ¼ S. 3 mylen van ons, saegen oock het eylant +_Behoa_ O. ½ W. van ons. Naer de middach cregen wij een cleyn variabel +luchien. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt een Oosten, lieten het al +N.waert over staen. + +g 15. + +’s Morgens was de wint N.O. met moy weder, lieten het al N.N.W. over +staen, peylden alsdoen het middenlant van _Doy_ S.O.t.S., omtrent 6 à 7 +mylen van ons ende _Behoa_ O.t.S.; giste ’s middachts geseyld te hebben, +N.t.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 2 gr. 49 +min., ende op de lengte van 145 gr. 44 min., ende bevonden breete van 2 +gr. 49 min. Saegen doen het hooge lant van _Morotay_ in ’t Oosten van +ons, leyden alsdoen onse compassen op 4 gr. N.Oostering. Cregen naer de +middach de wint N.O., in de eerste wacht ’s nachts O.N.O., in de tweede +wacht N.O.t.O., in de dachwacht N.O.t.N., al met een cleyn topseyls +coelte, lieten het al N.waert over staen, de see begon styf uyt een N. +aen te schieten met heel holle deyninge. + +a 16. + +’s Morgens de wint N.O. met topseyls coelte, lieten het al N.N.W.waert +over staen, saegen met sons reysen het eylant _Talao_ in ’t W., omtrent +8 mylen van ons, ende is gemeen hooch lant ende gelyckt daer benoorden +van, vol cleyne eylanties ende clippen te liggen. Tegen den middach +cregen wy de wint N.N.W., wenden het N.O.waert over, somtyts regen; +giste ’s middachts behouden cours geseylt te hebben, N.W.t.N. 14 mylen, +waeren volgens dien, op de gegiste breete van 3 gr. 36 min., op de +lengte van 145 gr. 13 min. ende op de bevonden breete van 4 gr. 6 min.; +alsdoen lach het Suydelycxste lant van _Talao_, W.S.W. ½ S. 8 mylen van +ons, ende het Noordelycxste lant N.W. 10 mylen. Ick bevont dat ons de +stroom hier wel 7 mylen veerder om de Noort geset had, als onse gissing +uyt wees. Naer de middach liep de wint in ’t N.N.O., lieten het +Oostwaert over staen. ’s Avonts met sons-ondergang, lach het +Noordelycxste van de eylanden _Talao_ W. 10 mylen van ons, naer dat ick +met goede opmercking sien can, waeren wy in de tyt van 6 ueren 4 +streecken recht in de wint opgedreven, om de N.N.O. ’s Nachts 3 glasen +in de eerste wacht, liep de wint in ’t N.O., wenden het N.N.W. waert +over, in ’t uytgaen van d^{o}. wacht, cregen wy de wint Noorden, met +caeckich weder ende regen, wenden het om de Oost. + +b 17. + +’s Morgens hadden wy doncker weder, de see groff uyt een N.O. +aenschietende, de wint N.N.O., N.O.t.N. ende N.O., N.O.t.O., saegen veel +raveling van stroom. Naer gissing geseylt in dit etmael N.N.O. ½ O. 10 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 4 gr. 41 min., ende +op de lengte van 145 gr. 31½ min., ende op de bevonden br. van 5 gr. 13 +min.; bevonden als vooren dat ons de stroom, 8 mylen veerder om de Noort +geleyt had, als onse gissing was. Dese stroomen tegen de wint +oploopende, veroorsaecken alhier het hol water ende de hooch rysende +sees. Naer de middach de wint variabel, tusschen het N.N.O. ende S.O., +als oock ’s nachts met travadich[15] weder, somtyts regen. + + [15] Stormachtig. Witsen. + +c 18. + +’s Morgens was de wint variabel, tusschen het S.O. ende N.N.O., ’s +ochtens cregen wy een styve regen caeck, ende ’s middachts de wint N.O., +met moy helder weder; giste geseylt te hebben, Noorden 12 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 6 gr. 1 min., ende op de lengte als +vooren; waeren doen met ons besteck op de cust van _Araya_, maer saegen +geen lant, soodat ick vast vertrou, ons de stroom om de N.O. geset +hadde. Op dato hebben wy een swaer ancker ende 6 stucken in ’t ruym +geset, tot verlichting van ’t schip; hebben oock getalyt ende gestaecht. +’s Nachts moy weder. + +d 19. + +’s Morgens de wint meest N.O.t.N., somtyts O.N.O., met topseyls coelte; +giste ’s middachts geseylt te hebben, Oost 16 mylen, waeren volgens +dien, op de breete van 6 gr. 30 min., ende op de lengte van 146 gr. +35½ min.; soodat wy in dese 2 etmaelen, omtrent 7 mylen veerder om de +Noort gedreven waeren, als het gegiste punt. Het weder met een swarte +donckere lucht, naemen onse marsseyls in, om niet van ’t jacht +_Breskens_ te versteecken; seylden met schoverseylen N.waert over, de +wint O.N.O. met styve topseyls coelte. + +e 20. + +’s Morgens noch al ongestadigh weder, met styve topseyls coelte, somtyts +regen, hadden al hol water met veel raveling van stroom, de wint meest +O.N.O. ende N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.O. ½ O. 14 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 7 gr. 23½ min., +ende op de lengte van 146 gr. 51½ min., ende op de bevonden breete van 7 +gr. 40 min. Bevonden dat de stroom ons omtrent 4 mylen veerder om de +Noort geset hadde, als het gegiste punt, dan bevondt deselve al langsaem +te verslappen. ’s Nachts hadden wy caeckich weder van regen, ende de +wint uyt een O.N.O. en Oosten. + +f 21. + +’s Morgens ongestadich weder van regen, ende de wint als vooren, giste +’s middachts geseylt te hebben, Noorden 15 mylen, waeren volgens dien, +op de breete van 8 gr. 40 min., lengte als vooren; hebben wat naer de +middach de boot ingeset, saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts al +ongestadich weder, met regen ende met styve O. ende O.N.O. winden. + +g 22. + +’s Morgens weder ende wint als vooren, saegen eenige steencroos dryven, +ende een snip rontom het schip vliegen. Myn besteck stondt alsdoen 10 +mylen buyten het eylant _St. Jan_, maer saegen geen lant. Tegen den +middach werdt het heel moy weder, met een opclaerende lucht, de wint +O.t.N.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. 16 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 9 gr. 43 min., ende op de lengte van 146 +gr. 38½ min., ende op de bevonden breete van 9 gr. 40 min. Bevonden +alsnu seer weynich of geen stroom, met slecht water. ’s Nachts moy +weder. + +a 23. + +’s Morgens moy weder, met een grauwe lucht, de wint O. en O.N.O., met +topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, Noorden 18 mylen, +waeren volgens dien, op de N. breete van 10 gr. 52 min.; bevonden door +een peyling 4 gr. 20 min. N.Oostering. + +b 24. + +’s Morgens moy helder weder, met een O.t.N. wint met topseyls coelte; +giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 18 mylen, waeren volgens dien, +op de N. breete van 12 gr. 4 min., ende op de lengte als vooren, op de +bevonden breete van 12 gr. 8 min. + +c 25. + +’s Morgens hadden wy moy weder, met een claere sonneschyn, de wint als +vooren, met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. 17 +mylen, waeren volgens dien, op de N. breete van 13 gr. 16 min., hadden +’s nachts moy stil weder. + +d 26. + +’s Morgens begon de wint naer het N.O. te trecken, ende voorts naer het +N.N.O. Twee ueren naer sons reysen wenden het om de Oost, de wint N.t.O. +met topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ O. 12½ +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 14 gr. 6 min., ende op de +lengte van 146 gr. 43½ min., ende op de bevonden breete van 14 gr. 12 +min., alsdoen giste ick caep _Spiritus Santa_ 38 à 40 mylen, S.W.t.W. +van ons. Naer den middach ten 4 ueren, quam de wint S.O., wenden het +ende lieten het om de N.O. aengaen. ’s Nachts continueerde de S.O. +coelte, met moy weder. + +e 27. + +’s Morgens weder ende wint als vooren, met topseyls-coelte. ’s Middachts +de wint S.O.t.S.; giste geseylt te hebben, N.O.t.O. 22 mylen, waeren +volgens dien, op de gegiste breete van 15 gr. 9 min. ’s Avonts bevonden +4 gr. 43 min. N.Oostering des naelts. + +f 28. + +’s Morgens moy weder, met een heldere lucht, de wint als vooren, met +topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 22 mylen, +waeren volgens dien, op de breete van 16 gr. 11 min., ende op de lengte +van 149 gr. 3½ min., ende op de bevonden breete van 16 gr. 16 min. ’s +Nachts cregen wy de wint variabel, S.S.W. ende W.S.W., somtyts met +stilte. + +g 29. + +’s Morgens moy weder, de wint variabel S.S.W., S.W.t.S., S.W., W.S.W. +somtyts stilleckens. Alsdoen heeft de E. Commandeur door de gemeene seyn +den raet beroepen van ’t fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht +_Breskens_; ende is geresolveert om onse cours N.O. te vervolgen, soo +veel weder ende wint sou mogen toelaeten, tot op de N. breete van 24 +gr., ende op de lengte van de Oostcust van _Japan_. Het selve bevonden +hebbende, alsdan onse coers N. aen te stellen, tot op de N. breete van +37½ gr., ende aldaer de cust aen te doen; giste ’s middachts geseylt te +hebben, N.O. 12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 16 +gr. 50 min., ende op de lengte van 149 gr. 38½ min., op de bevonden +breete van 16 gr. 50 min. Naer den middach cregen wy een moye coelte, +doch variabel N.W., N.N.W., N., N.N.O., saegen een swaluw rontom het +schip vliegen, vongen dien avont 2 groote bonyten. ’s Nachts de wint +meest O.N.O., met doorgaens topseyls-coelte. + +a 30. + +’s Morgens weder ende wint als vooren. Sloegen 2 nieuwe marsseylen aen, +cregen in ’t cort verandering van weder, wert heel doncker met styve +regenbuyen, de wint variabel, wenden het verscheyden reysen over ende +weer; giste ’s middachts door malcanderen geseylt te hebben, N.O. 7 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 17 gr. 10 min., +ende op de lengte van 149 gr. 59½ min., ende op de bevonden breete van +17 gr. 23 min.; saegen veel raveling van stroom, hadden hol water uyt +een N.O. ’s Nachts hadden wy ongestadich weder, van regen ende wint, met +harde buyen uyt een O.N.O. + + +Mayus. + +b 1. + +’s Morgens ongestadich regenachtich weder, de wint O.t.N., treckende +temet naer het O.N.O., ende voorts naer het Oosten ende O.N.O.; giste ’s +middachts geseylt te hebben; N.t.W. ½ W. 18 mylen, waeren volgens dien, +op de gegiste breete van 18 gr. 31 min., ende op de lengte van 149 gr. +37½ min. Naer den middach styve regen, met een harde S.wint, saegen +eenige swarte ende grauwe meeuwen vliegen; vernamen veel raveling van +stroom, cregen tegen den avont de wint variabel. + +c 2. + +’s Morgens een grauwe lucht met motregen, doch claerde tegen den middach +op, cregen helder sonneschyn weder met stilte, met holle deyning uyt +een N.O.; giste geseylt te hebben N.N.O. 9 mylen, waeren volgens dien op +de gegiste breete van 19 gr. 4 min., ende op de lengte van 149 gr. 51½ +min., ende op de bevonden breete van 18 gr. 57 min.; saegen ’s avonts +een swaluw om ’t schip vliegen. Twee glaesen in de eerste wacht, cregen +wy een cleyn luchien uyt den Oosten, dan corts daernae weder stil, +somtyts een cleyn dwarrelcoeltie, voorts stil. + +d 3. + +’s Morgens stil, wat op den middach cregen een cleyn coeltie uyt den +Oosten, met holle deyninge uyt een N.O.; giste ’s middachts geseylt te +hebben, N. ½ O. 5 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van +19 gr. 17 min., ende op de lengte van 149 gr. 54½ min., ende op de +bevonden breete van 19 gr. 17 min. Cregen naer de middach veel motregen, +saegen ’s avonts eenige meeuwen vliegen. ’s Nachts moy weder, de wint +Oost ende O.t.N. met topseyls-coelte. + +e 4. + +’s Morgens de wint Oost, somtyts O.N.O., met topseyls coelte; giste ’s +middachts geseylt te hebben, N. ½ W. 20 mylen, waeren volgens dien, op +de gegiste breete van 20 gr. 37 min., ende op de lengte van 149 gr. 46½ +min., ende op de bevonden breete van 20 gr. 39 min., met holle deyninge +uyt een N.O. en O. + +f 5. + +’s Morgens moy helder weder, de wint O.t.N., met hol water uyt een N.O., +giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ W. 20 mylen, waeren volgens +dien, op de gegiste breete van 21 gr. 59 min., ende op de lengte van 149 +gr. 38½ min., ende op de bevonden breete van 22 gr. Naer de middach +begon de see styf uyt een S.O. aen te schieten. ’s Nachts de wint O.t.S. + +g 6. + +’s Morgens moy weder, de deyninge uyt een S.O., hebben voor de middach +getalyt ende gestaecht, saegen een cleyn grau lantvogeltie om het schip +vliegen. ’s Middachts de wint S.O., giste alsdoen geseylt te hebben +N.t.O. ¼ O. 18 mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 23 +gr. 10 min., ende op de lengte van 149 gr. 57½ min., ende op de bevonden +breete van 23 gr. 10 min. Naer de middach omtrent ten 4 ueren saegen wy +een groote trop cleyne meeuwen N.O. opvliegen; vingen dien avont een +grooten bonyt. + +a 7. + +’s Morgens deysich, corts daernae helder weder, de wint meest O.S.O. +ende S.S.O., met slecht water, saegen verscheyde cleyne clipmeeuwen +vliegen; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 19 mylen, waeren +volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 4 min., ende op de lengte +van 150 gr. 56½ min., ende op de bevonden breete van 24 gr. 6 min.; +saegen, wat naer de middach, een groote streeck schuym, vermengt met een +raveling van stroom, waarin veel besaens qualities ende steencroos, ende +ronde qualities ende een stuck hout saegen dryven: ’t welck seeckere +teeckens van lant behoorde te wesen; dan conden geen lant sien. + +b 8. + +’s Morgens was het deysich weder, saegen, wat naer sons reysen, een +cleyn eylantien, dat niet heel hooch was, ende was naer het scheen +omtrent 1½ myl lanck, ende lach W.t.N. ⅓ N. 4 mylen van ons; soo ick con +bemercken soo dreven wy styf om de Noort, de wint Suydelyck met een +sleyckende coelte[16]; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 15 +mylen, doen lach d^{o}. eylant West 6 mylen van ons, waeren doen op de +gegiste breete van 24 gr. 29 min., ende op de lengte van 151 gr. 57½ +min., ende op de breete van 24 gr. 43 min., soodat ons de stroom +omtrent 3½ myl veerder om de Noort geset had, als ick gegist had. + + [16] Afnemende wind. Witsen. + +Soodat dit eyland ligt op de bevonden breete van 24 gr. 43 min., ende op +de lengte van 151 gr. 31½ min.; ende alsoo wy hier geen eylant in de +Compagny’s Caert bevinde te liggen, gaeven wy het den naem van +_Breskens_ eylant, omdat het van daer eerst gesien was. Het eylant +_Malabrygo_ lach naer gissing W.t.W. ½ W. 21 mylen van ons. Naer de +middach saegen veel cleyne ronde ende besaens qualities dryven, met +menigte meeuwen ende veel swaluwen vliegen. Omtrent 3 ueren naer +middach, cregen wy de wint N.t.O. ende trock temet naer het N.O.t.N. + +c 9. + +’s Morgens moy weder, de wint N.O., treckende naer het N.N.O., met +redelyck slecht water ende slappe coelte, saegen veel swarte meeuwen met +scherpe staerten; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.t.S. 13½ myl, +waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 32½ min., ende op de +lengte van 152 gr. 55½ m., ende op de bevonden breete van 24 gr. 36 min. +Saegen veel grauwe ende swarte meeuwen vliegen. + +d 10. + +’s Morgens goet weder, met holle deyninge uyt een O. saegen vele meeuwen +vliegen, de wint als vooren; giste geseylt te hebben, O.S.O. ½ S. 15 +mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 24 gr. 8 min., ende +op de lengte van 153 gr. 53½ min. Met sons onderganck cregen wy de wint +O.N.O., wenden het doen N.waert over. + +e 11. + +’s Morgens een donckere betoge lucht, met een Oostelycke coelte, de +deyninge uyt een N.O., saegen veel meeuwen; giste ’s middachts geseylt +te hebben, N. 14 mylen, waeren volgens dien op de breete van 25 gr. 1 +min., ende op de lengte van 153 gr. 53½ min. + +f 12. + +’s Morgens moy weder, de wint O.N.O., somtyts variabel, de deyninge uyt +een O.S.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.O. 12 mylen, waeren +volgens dien op de gegiste breete van 25 gr. 35 min., ende op de lengte +van 154 gr. 31½ min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 13 min. ’s +Nachts in de eerste wacht cregen wy de wint S.O., trock met een +doorgaende coelte naer het S. ende hadden veel meeuwen sien vliegen. + +g 13. + +’s Morgens liep de wint S.W., met een doorgaende coelte ende een grauwe +lucht, met regen; giste ’s middachts geseylt te hebben, O.N.O. 30 mylen, +waeren volgens dien, op de N. breete van 25 gr. 59 min., ende op de +lengte van 156 gr. 34½ min., ende op de bevonden breete van 25 gr. 58 +min.; hebben doen onse compassen op 7 gr. N.Oostering geleyt. Wat naer +den middach hebben wy onse coers N.N.O. aengestelt, maer een weynich +naer sons onderganck cregen wy de wint uyt een N.N.O., lieten het +Oostwaert over staen. ’s Avonts hadden wy een swaluw rontom het schip +sien vliegen. + +a 14. + +’s Morgens saegen wy een cleyn grau lantvogeltie, de wint N.O. met een +betoge lucht, lieten het al Oostwaert over staen; giste ’s middachts +geseylt te hebben, O.t.N. 15 mylen, waeren volgens dien op de gegiste +breete van 26 gr. 10 min., ende op de lengte van 157 gr. 41½ min.; +hebben het doen om de N. gewent, met een N.O. topseyls coelte ende +slecht water, saegen veel meeuwen vliegen. Tegen den avont de wint +O.N.O., in de eerste wacht O., voorts S.O., met regen. + +b 15. + +’s Morgens de wint S.O., met een donckere lucht met regen, saegen +verscheyden reysen steencroos dryven, ende veel meeuwen vliegen. ’s +Middachts de wint S.S.O., giste alsdoen geseylt te hebben N. 20 mylen, +waeren volgens dien op de gegiste breete van 27 gr. 30 min., ende op de +lengte van 157 gr. 41½ min. Naer de middach wert het stil, de deyninge +begonnen styf uyt een N.O. te schieten, waerop de wint tegen den avont +naer het N. ende voorts naer het N.O. liep, met een styve doorgaende +wint. Hielden voor wint om ende in het toesetten van de groote hals, is +het groot seyl uyt het lyck geslaegen; naemen onse marsseyls in ende +brochten weder een ander schover seyl aen de ree (ra), het seyl +aensynde, lieten het met schover seylen N.W.waert over staen. Met het +vallen van den doncker cregen wy harde regen, in de eerste wacht beterde +het weder, hebben doen ons groot marsseyl weder bygeset; de wint N.O., +mochten N.N.W. seylen. + +c 16. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.O.t.N. met cleyn topseyls coelte, +holle deyninge uyt een O.N.O.; giste ’s middachts geseylt te hebben, +N.W. ½ W. 14 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 28 gr. +5½ min., ende op de lengte van 156 gr. 52½ min., ende op de bevonden +breete van 28 gr. 2 min.; bevonden 6 gr. 45 min. N. Oostering. + +d 17. + +’s Morgens moy weder met slecht water, wat op den dach de wint O., met +een moy topseyls coelte; giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.W. 16 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 29 gr. 1 min., ende +op de lengte van 156 gr. 24½ min., ende op de breete van 29 gr. 3 min.; +seylende N.N.O.waert over, saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert +vliegen. Cort naer de middach, is ons staende lyck van ons groot +marsseyl gebroocken, soodat d^{o}. marsseyl dwars door is gescheurt; +hebben stracx weder een ander aengeslaegen. ’s Nachts de wint O.S.O. + +e 18. + +’s Morgens de wint als vooren, met topseyls coelte met slecht water; +giste ’s middachts geseylt te hebben, N.N.O. 28 mylen, waeren volgens +dien op de gegiste breete van 30 gr. 46 min., ende op de lengte van 157 +gr. 13½ min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 54 min. Tegen den +avont saegen wy een groot bos steencroos dryven, het weer veranderde +subyt, ende wert doncker, motrich weder. ’s Nachts liep de wint naer het +S.O., met regen. + +f 19. + +’s Morgens een donckere betogen lucht, met motrich weder, met een Oosten +styve doorgaende wint; giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. 30 +mylen, waeren volgens dien op de gegiste breete van 32 gr. 45 min., ende +op de lengte van 158 gr. 7½ min. ’s Middachts liep de wint weer S.O. +alwaer van daen de see oock hol begon aen te schieten; is goetgevonden +onsen cours N.O. aen te stellen, alsoo wy vrees hadden, door de +dagelycxe Oostewinden ende de _Japansche_ cust hart genaeckte, de +stroomen aldaer mochte styf om de Oost loopen, door de aenpersing der +winden, ende dat wy dan met geen N.N.O. cours boven de hoeck _Bosho_ +mochte comen te vervallen. Wat naer de middach liep de wint S.S.W., met +een styve doorgaende coelte, met doncker, regenachtich weder. ’s Avonts +1½ uer naer sons onderganck saegen wy heel hooch lant, omtrent ⅔ myl van +ons in ’t N.O.; worpen het loot, hadden 80 vadem swarte santgront, +meenden het overstaegh te smyten, maer wert dootstil, soodat wy met de +holle deyninge al naer de wal toegeset werden; schooten een schoot tot +waerschouwing van het jacht _Breskens_, ’t welck een moy stuck achter +ons was. Wy lieten het schip om de West omdraeyen, naemen onse seylen +in, ende quaemen op 36 vadem ten ancker, swarte santgront; geset +liggende, wert het slecht water, de stroom met een styve corent om de +N.W. loopende; saegen met een blinck noch een hooch ront eylant, omtrent +1½ myl W.t.N. van ons. Wy hielden moy stil weder omtrent een uer, doen +begon hem de wint allengskens te verheffen, loopende ongestaedich uyt +verscheyden streecken, meest N.W. ende N.N.O.. De eerste wacht uyt liep +de wint uyt een S.W. ende W.S.W., met harde caecken ende overvallende +buyen, soodat ons daegelycx ancker doorginck, ende alree op 26 vadem +gedreven waeren; hebben ons tuyancker daerby laeten vallen, quaemen doen +voor de beyde anckers op, doch corts daernae is ons daegelycx tou +gebroocken, bleven voor het tuyancker liggen. Maer alsoo het weder hem +noch meer verhefte, lieten alsdoen ons plechtancker toegaen; doen waeren +daer 3 glaesen in de tweede wacht uyt, saegen doen ons jachts vuer noch, +maer verlooren het cort uyt het gesicht. Laegen nu op 24 vadem vile +(vuile) gront, verwachtende de dach met patientie; een uer voor dach is +ons tuytou oock gebroocken, quaemen voor ons plechttou op, als wanneer +het 18 vadem diep was, vile, clippige gront. Lagen een pistoolschoot van +de branding ende clippen van lant, soodat voor menschen oogen hier geen +uitcomst scheen, dan setten ons betrouwen op Godt almachtich. + +g 20. + +’s Morgens was de wint N.W., ende alsoo wy met den dach doende waeren om +de loos van het tuytou in te winden, doch was vergeefs, want het eynt +ergens om een clip achter het schip vast gestroompt was, soodat wy +d^{o}. tou met groot leetwesen moesten cappen. Saegen oock dat ons +plechtancker doorginck ende dat al een streng van het plechttou stucken +was, ende alree op de diepte lagen van 14 vadem; ende indien ons de +stroom niet van de clippen afgehouden hadde, souden ongetwyfelt al tegen +den wal aengelegen hebben, dan de goede genaedige Godt heeft ons +bewaert, ende de N.W. wint continueren laeten. Is sante pee (staende +voet?) geresolveert, het plechttou oock te cappen, ende soecken het met +schoverseylen van de wal af te leggen, ’t welck wy stracx in ’t werck +hebben gestelt, als welck de uiterste middel was. Leyden het met de +steven om de Suyt, meteen styve buyige N.W. wint, liggende boven stroom, +quaemen corts wat van de wal, maar wat van de wal synde, is onse groote +smyt[17] door een harde caeck stucken geborsten. Liepen doen op nieu +groot peryckel, om noch tegen de wal aen te dryven, want hadden geen +anckers meer claer, om toe te laten gaen, maer cregen metter haest het +seyl weder schrap, leyden het met Godes hulpe boven lant. Saegen rontsom +naer onse medemaet, maer conden hem nergens vernemen, waer over wy weder +op nieu bedroeft waeren, wisten niet wat wy dencken souden, of hy +gebleven was ofte niet. + + [17] Een touw om de zeilen toe te halen. Witsen. Een gording. + +Doen het begon te daegen, hadden wy 2 vueren op het hooge ronde eylant +gesien, maer waren cort weder uyt, soodat ick vertrou dat d^{o}. eylant +bewoont is. Dit groote eilant daer wy onder geset gelegen hebben, was +een heel hooch eylant, van gedaente als uytgeteyckent staet, leyt +gestreckt op syn langste 2½ myl S.O.t.S. ende N.W.t.N. In ’t verbyseylen +van het eylant, saegen wy in een valey veel beesten loopen ende eenige +huysen staen, saegen oock verscheyden plantagies ende geboomte in d^{o}. +valey. Van het S.O. eynt van dit eilant, leyt een groot rif van clippen, +omtrent 1 myl van lant, alwaer de see vreeselyck op storte; saegen in ’t +Suyden noch een hooch eylant. Dit voornoemde rif gepasseert synde, deden +onse coers temet om de Oost ende temet om de Noort, de wint liep naer +het W. en W.S.W., met harde caecken ende regenbuyen, conden weynich van +ons sien. Meenden onse medemaet in ly van d^{o}. eylant te vinden, dan +vernaemen hem niet, met groot leedwesen; ende alsoo wy geen anckers +claer en hadden, was ’t geen tyt om lang hier by te houden, lieten het +voort staen naer de S.O.cust van _Japan_ toe, om ondertusschen weder +eenige anckers claer te maecken. ’s Middachts hadden wy de bevonden +breete van 33 gr. 34 min., als doen lach het eylant, daer wy onder geset +gelegen hadden S.W.t.W. 5 mylen van ons; gaven d^{o}. eylant den naem +van ’t _Ongeluckich_ eylant. Wy vervolchden onse cours N. aen. ’s Avonts +met sons onderganck, lach het _Ongeluckich_ eylant S.W. ½ W. 10 myl van +ons, saegen in het W.t.N. 11 à 12 mylen van ons, noch 2 hooge eylanden. +Wat naer sons onderganck wert het moy weder, de wint S.W., worpen gront +op 120 vadem, het water was groen ende dick, gelyck in de N.see. Sette +onse beyde marsseyl daerby, onse cours Noorden, de wint W.S.W. ende +S.W., met topseyls-coelte, diep 84, 82, 81, 80 vadem, conden geen gront +aen het loot crygen. + +_Nota._ + +Het _Ongeluckich_ eylant was heel hooch lant, hem vertonende met 2 hooge +ronde bergen, waer tusschen een groote valey was; in ’t aensien met +hooge boomen op sommige plaetsen bewassen, alwaer oock eenige huysen +stonden ende beesten liepen. Saegen een cleyn riviertjen om de West in +see loopen, waervoor een cleyn baytie was, recht over de huysies, maer +was daer clippich. Het S.O. eynt van d^{o}. eylant is een steyle hoeck, +alsof hy afgebickt was, alwaer een rif van clippen, wel een myl veer in +see afstreckte, waer de see seer opstorte. Dito eyl. leyt gestreckt op +syn langste, 2 à 2½ myl N.W.t.W. ende S.O.t.S. Aen de Oostsy van d^{o}. +eylant scheen een moye bocht te syn, maer men can daer niet ten ancker +comen, dat men voor de Oostelycke winden beschut light. Wy hadden geset +gelegen onder dit eylant, aen de N.W. hoeck, omtrent een musquet schoot +van lant; waeren doen, op de gegiste breete van 33 gr. 22 min., ende op +de lengte van 158 gr. 51½ min. Van ’t N.W.eynt 1 à 1½ myl, lach noch een +hooch ront eylant, sonder laech lant; synde een berch vry hooch, doch +wat laeger als een van de 2 bergen van ’t _Ongeluckich_ eylant, ende +leyt W. van de N.W.hoeck. Hier tusschen door liep de stroom met een +styve corent om de N.W., sonder stille, soo lange wy hier geset gelegen +hadden. Van d^{o}. eylant strecken een party clippen, doch liggende +boven water van ’t N. ende S. eyndt; d^{o}. eylant is omtrent 1 myl +lang. Op d^{o}. eylant hebben wy 2 vueren gesien in ’t hangen van den +berch, soodat het oock aparent bewoont is. Van het _Ongeluckich_ eylant, +omtrent 7 à 8 mylen S. ½ W. daerof, leyt een ander eylant, hetwelck hem +vertoont met eenige verscheyde bergen, dan conden van syn groote geen +bescheyt sien, door den donckere, deysige lucht ende mot regen. Doen wy +het _Ongeluckich_ eylant S.W.t.W. 6 mylen van ons hadden, waeren doen op +de gegiste breete van 33 gr. 35 min., ende op de lengte van 159 gr. 15 +min., ende op de bevonden breete van 33 gr. 34 min. + +Doen wy het _Ongeluckich_ eylant S.W. ½ S. 10 mylen van ons hadden, +worpen wy gront op 120 vadem, saegen in ’t ondergaen van de son doen 2 +eylanden, ende schenen dicht by malcanderen te liggen, ende waeren heel +hooch, maer conden door de veert geen recht bescheyt sien; sy laegen +W.t.N., omtrent 11 à 12 mylen van ons. Wy waeren nu op de gegiste breete +van 33 gr. 52 min., ende op de lengte van 159 gr. 22 min. volgens onse +cours van ’s middachts, 4⅔ myl N.t.O. ½ O. aen, saegen veel steencroos +dryven. De 2 eylanden souden op de gegiste breete liggen van 34 gr. 1 +min., ende op de lengte van 158 gr. 28 min. + +a 21. + +’s Morgens helder weder, de wint S.W. met topseyls-coelte, wierpen gront +op 80 vadem. Omtrent 3 ueren voor den middach, cregen wy het lant van +_Japan_ in ’t gesicht, ende lach in ’t N.N.W. ende in ’t W.N.W. van ons, +waeren omtrent 8 mylen buyten de wal. Wierpen doen gront op 50 vadem, +wasige[18] gront, lieten het met cleyn seyl daer naertoe staen, cregen +een betoge lucht. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N. ½ O. 20 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 34 gr. 33 min., +ende op de lengte van 159 gr. 24½ min.; de variatie des compas 6 gr. 54 +min. N.Oostering. Waeren doen omtrent 5 mylen buyten de _Japansche_ +cust, hadden een steylen hoeck met 5 witte plecken, gelyck _Bevesier_ op +de _Engelse_ cust, N. van ons. Het lant is hier vlack lant, met weynich +geberchte ende niet heel hooch; hadden de diepte van 40 vadem, +craelgront. Het Westelyckste lant lach W.S.W. van ons, soo veer wy sien +conden, ende was al eenparich vlack lant, op het water steyl neer, met +veel witte plecken sonder weynich voetstrant, saegen veel bossen +steencroos dryven; doen het opgedroocht was tot op 38 vadem, smeten het +bij. ’s Avonts peilden wy het Oostelycxste lant dat wy saegen, in het +N.W.t.N. ende ’t Westelyckste, W.S.W. ½ W. van ons, waeren naer gissing +5 mylen buyten de S.O.cust van _Japan_, op de diepte van 50 vadem, +singel gront met sant vermengt; dreven met de stroom om de N.O. ’s +Nachts de wint variabel, hielden het al by met cleyn seyl, op de diepte +van 36, 34, 30, 25, 18, 16, 13, 12, 10 vadem; somtyts craelgront, +somtyts singel, somtyds sant; hadden moy stil weder met slecht water. + + [18] Kegel- en steenachtige grond. Witsen. + +b 22. + +’s Morgens met den dach waeren wy, op de diepte van 24 vadem santgront, +3 mylen van lant, waeren door de stroom om de N.N.O. gedreven; de +Suydelycxste hoeck die wy saegen lach S.W.t.W. ½ W. ende de steyle +gepleckte witte hoeck W.t.N. ½ N. Seylden wat bet onder de wal, cregen +de diepte van 22, 20 vadem santgront; doen wy op de diepte waeren van 19 +vadem, gront als vooren, waeren wy omtrent 2 mylen van lant. Doen lach +de 5 witte gepleckte hoeck N.W. ½ W. van ons, ende de hoeck _Bosho_ +W.S.W. ½ S. van ons; seylden voorts tot op 10 vadem. Besuyden de 5 witte +gepleckte hoeck, scheen een fraeye bay te syn, dan, doen wy daer dicht +voor quaemen saegen dat het maer een bay scheen door het leege voorlant, +alwaer een rivier scheen in te loopen; daer en was inderdaet geen bay. +’s Middachts giste geseylt te hebben, N.t.O. 9½ myl, waeren volgens +dien, op de breete van 35 gr. 30 min., ende op de lengte van 159 gr. 33½ +min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 30 min.; de variatie des +compas was 7 gr. N. Oostering; was doen 10 vadem diep, swarte gront. +Doen lach de hoeck _Bosho_ S.W. ½ S. van ons, omtrent 5 mylen, ende 5 +witte gepleckte hoeck W. ½ S. omtrent 2 mylen; soodat de hoeck _Bosho_ +leyt volgens dien, op de breete van 35 gr. 14½ min., ende op de lengte +van 159 gr. 18 min. Van de hoeck _Bosho_ ontfalt hem de cust om de S.W. +ende 2 à 3 mylen S.W.t.W. Voorts van hoeck tot hoeck ..... Westelycker, +naer de bocht van _Jedo_, alwaer de Keyser van _Japan_ syn hoff houdt. +Het lant is hier op veel plaetsen 2, 3dubbelt, maer steyl op ’t water +neer, met veel witte plecken, sonder gehackelt geberchte; het lant om de +Suyt, van de hoeck _Bosho_, is hooger als om de Noort, men can de wal +bequaemelyck aenlooden. Wat voor de middagh is dicht onder de wal, ons +een _Japanse_ berck gepasseert, quam uyt de Noort ende seylde om de S.; +wat naer de middach quam een _Japanse_ wrickberk ons aen boort, want wy +in stilte laegen en dreven op de diepte van 10 vadem; d^{o}. berck was +gemant met 7 wrickers ende 5 leegsittende _Japanders_; brachten ons 4 +schoone roode steenbraesems aen boort, alwaer voor haer wat ryst gegeven +is. Dito _Japanders_ syn overgecomen, wesen ons dat die hoeck van ons ’s +middachts in ’t S.W. ½ S. gepeylt, de hoeck _Bosho_ was, ende dat om die +hoeck, de bocht van _Jedo_ lach, ende quaemen met ons vermoeden overeen. +Corts nae de berck quam noch een berck aen boort, dewelcke was gemant +met 6 _Japanders_, waeronder 4 wrickers waeren; die gaeven ons een +sootie verse serdienen oover, waervoor sy oock wat ryst cregen. Dese +ende vorige _Japanders_ wesen ende seyden _Nangesacque_ lach om de W., +dat wy dat heen mosten, want om de Noort het voor ons niet en docht; syn +met vrientschap weder van ons gescheyden ende naer lant geroeyt. Omtrent +2 ueren naer de middach, cregen wy een moye coelte uyt de Oostelycke +handt, wenden het om de N.N.O.; want van de S.O. hoeck van _Japan_, +genaemt _Bosho_, streckt de cust N.N.O. tot de 5 witte gepleckte hoeck, +dan heeft men een laech landige inbocht, streckende om de Noort, omtrent +4 mylen, ende de hooge santduyn, gelyckende _Kyckduyn_ op _Huysduynen_. +Desen hoeck gaeven wy den naem van de _Santduynige hoeck_, ende leyt +van de witte gepleckte hoeck, N.O.t.N. omtrent 9 mylen. Onse cours +vervolgende met slecht water, passeerden de cust op de diepte van 11, +12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20 vadem, swarte santgront, bleven al 4 +mylen van lant. Voor desen voornoemde bocht saegen wy veel steencroos +dryven, ende veel lammen ofte duyckers swemmen, het water was hier heel +dick ende groen, ende voorts was het diep 20 vadem, swarte santgront; +doen lach de _Santduynige hoeck_ N.O.t.N. 4 à 5 mylen van ons. ’s Nachts +de wint S.S.O. ende S.O. ende O.S.O., in de tweede wacht dreven wy in +stilte, de stroom scheen om de N.O. te loopen, diep ’s nachts als +volcht, in de eerste wacht 22, 20 vadem, de tweede wacht 23, 24, 26, 27 +vadem, al santgront als vooren, tegen den dach diep 30 vadem. + +c 23. + +’s Morgens dreven wy in stilte, hadden een deysige lucht, waeren doen op +de diepte van 70 vadem, gront als vooren; doen lach de _Santduynige +hoeck_ W.N.W. 3 mylen van ons, het was die heele voor middach stil ende +mistich, de stroom hier loopende langs de wal om de N.N.O., diep 32, 35, +38 vadem. ’s Middachts waeren doen Oost van de _Santduynige hoeck_, 4 +mylen op de diepte van 42 vadem; giste geseylt te hebben, N.O. 10 mylen, +waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 58 min., ende op de lengte +van 160 gr. 8 min., ende bevonden breete van 36 gr. Corts naer +cocxschaften quaemen 2 _Japanse_ visschersbercken aen boort, in ider +synde 8 man, gaeven ons soo veel visch over, als wy met het geheele +scheepsvolck pas conden opeten, waer voor haer wat ryst ende wat arack +geschoncken wert. De visch was roch, scharren, waer onder heele groote +waeren; swaertvisschen, spierhayties, met een visch by ons onbekent; de +visschers, volgens visscherswys eens lustich arack omgedroncken +hebbende, syn van boort gevaeren om weder te visschen. Wat naer de +middach quam een van d^{o}. visschers aen boort ende bracht weder een +moye soo visch, beneffens hem noch een ander visschersberck, maar die +hadden geen visch; naer dat sy wat getracteert waeren syn van boort +gevaeren ende scheyden met groot vruntschap, ende roeyden naer lant toe. +Van de _Santduynige hoeck_ leyt een cleyn eylandecken Oost daer af, +omtrent een myl, gelyck het _Menscheters eilant_ in de straet _Sunda_. +Omtrent een myl benoorden d^{o}. eylant, leyt noch een cleyn eylant, +maar wat vlacker, gelyck het eylant _Haerlem_[19], maar leyt dicht onder +de wal. Van de _Santduynige hoeck_ ontfalt hem het lant om de N.N.W., +ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech lant. Cregen +naer de middach een moy coeltie uyt een S.O. stelden onse cours N.N.W. +aen, saegen by menichte bruynvisschen, tolven? ende veel walvisschen, +ende menichte duyckers ofte lammen swemmen, oock veel drift van wier, +groente ende loose veeren dryven. Alsoo wy bemerckten, dat wy noch veer +van de wal stonden, stelden onse cours N.W. aen, van de diepte van 40 +vadem tot op de diepte van 26 vadem, wasige gront. Saegen doen tegen den +avont, een hoogen gehackelde berch recht vooruyt, ende lach op het laege +lant in het diepste van de bocht. Stelden doen onse cours N.t.O. aen, de +N. hoeck van dese bocht lach doen N.t.W. 3 mylen van ons, ende de +_Santduynige hoeck_ lach doen S.t.W. wel 6 mylen van ons; de N. hoeck is +een laege vlacke hoeck. ’s Nachts seylden wy met cleyn seyl, op de +diepte van 40, 42, 44 vadem, tegen den dach 50 vadem. + + [19] Mede een eiland op de Noordkust van Java. + +d 24. + +’s Morgens de wint S.S.W. waeren 3 mylen van lant, op de diepte van 40 +vadem, santgront, neffens hooch berchachtich lant; conden om de Suyt van +de steng noch de laege hoeck sien, waer benoorden dit hooge lant begint, +ende lach S.W. van ons, omtrent 6 mylen. Stelden onse cours om de N.N.W. +naer de wal, tot op de diepte van 30 vadem, langsaem opdrogende gront, +synde al sant. Saegen een steylen hoeck, gelyckende een eylant, +alwaer wy uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden +visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter by d^{o}. +hoeck comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart +santgront geweest hebbende. Waeren een myl van d^{o}. hoeck, saegen doen +dat daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch +binnen lant op sommige plaetsen 2, 3, 4dubbelt, ende op veel plaetsen +compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Hier cregen wy menichte +visschers aen boort, daervan wy voor ryst omtrent in de 30 groote rochen +ruylden ende 2 cabbeliauwen, met veel groote scharren, waeronder eenige +waeren 2 voet lanck ende 1 voet breet ende drie vingers dick, cregen +oock veel roode seehaen ende eenige andere visch van haer. Sy noemden +die rivier, dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort opstreckte, +_Gissima_, ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen dat daer in +’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende wesen dat het om de Noort niet +en docht. Op de steylen hoeck van _Gissima_, staet wat in ’t lant een +dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de +andere uytsteeckt in hoochte, hebbende een ronde croon. ’s Middachts +giste geseylt te hebben, N.t.W. ⅙ N. 16½ myl, waeren volgens dien, op de +gegiste breete van 37 gr. 5 min., ende op de lengte van 159 gr. 55 +min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 5 min. Doen lach de steylen +hoeck van _Gissima_ W. ½ S. van ons omtrent 3 mylen, ende een hoeck daer +benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was, dewelcke +wy noemden de _Gecartelde_ hoeck; dese hoeck lach N. ½ W. 3 mylen van +ons, ende een hoeck die benoorden de vlacke hoeck leyt, lach S.W. van +ons. Omtrent 6 mylen van d^{o}. hoeck, begint het hoochlant te strecken +om de Noort, hadden doen de diepte van 40, 36 vadem, swarte santgront; +stelden doen onsen cours N.t.O. aen, met een Suydelycke topseyls coelte, +om op de N. breete te comen van 37½ gr.; om onse medemaet aldaer te +verwachten, volgens de getrocken resolutie. Naer de middach quaemen ons +noch 2 visschers aen boort, waervan wy een moye soo visch cregen, waeren +doen buyten de _Gehackelde_ hoeck ofte anders genaempt _Caep de Kennis_. +’S Avonts lach _C. de Kennis_ S.t.W. van ons, waeren omtrent 2 mylen van +lant, ende doen lach noch een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, +maer laech op ’t water neerliep, die lach S.W. ½ W. van ons. Het +Noordelycxste lant soo veer wy sien conden, lach N.t.W. ½ W. van ons, en +was al hooch lant, saegen op een hoogen vlacken berch veel huysen staen, +waer after heel hooch lant; wy hadden de diepte gehadt in ’t seylen van +37, 36, 32, 30, 28, 25 vadem, wasige swarte santgront. Met het vallen +van den doncker quam ons een _Japanse_ berck verbyseylen, ende riep +_Toy, Toy_, ende wees om de Noort; indien wy wilden, hy wou ons in een +haven brengen om de Noort, contrary de andere _Japanders_, die altyt +gewesen hadden, dat het om de Noort niet en docht. Sy siende dat wy onse +marsseylen innaemen, ende onse seyl ende fock opgeyden, ende het met de +besaen om de Oost lieten stevenen ende dryven, sette syn seyl schrap +ende riep dat om de Oost ofte t’seewaert in, niet goet en was, hy sette +syn cours om de Noort; in dese berck waeren 4 _Japanders_. ’s Nachts de +wint S.S.W., S. en S.O., diepte temet af, 26, 28, 30, 35, 36, 40, 45, +50, 55, 60, 65, 70 vadem, wasige gront, conden geen gront aen ’t loot +opcrygen. ’s Nachts regen. + +e 25. + +’s Morgens metten dach begon ’t styf uyt een S.S.O. te waeyen, waerdoor +de see hem cort seer vreeslyck hol hem verhefte, door oorsaeck, dat de +stroom tegen de wint liep, ende de see tegen de gronden quam opschieten; +ende viel oock een swaere mist, dien duerde tot omtrent 2 ueren voor de +middach, claerde doen op ende wert ’t haestich stil, maer bleef heel hol +water. Hebben nieuwe onderseylen aengeslagen. Giste ’s middachts soo +geseylt als gedreven, behouden te hebben, N.N.O. 9 mylen, waeren volgens +dien, op de gegiste breete van 37 gr. 39 min., ende op de lengte van 160 +gr. 12 min., waeren 4 mylen van lant. Doen lach de _Gecartelde_ hoeck +S.W.t.S. ende het Noordelycxste lant dat wy sien conden N.W.t.N. van +ons, ende was diep 72 vadem, conden geen gront aen ’t loot opcrygen; het +is hier al hooch lant, gelyck volgens uytteyckening te sien is. Wat naer +de middach was het heel claer weder, saegen gau uyt naer onse maet, maer +vernaemen hem niet. Omtrent 3 ueren naer den middach, cregen wy een +topseyls coelte uyt een W.N.W. maer allenskens naer het N.W. ende +seylden met cleyn seyl wat om de S. tot ’s avonts, lieten het doen met +een seyl byleggen Noortwaert over, de wint naer het West treckende; +peylden doen de _Gecartelde_ hoeck in ’t S.W. ½ W. van ons, ende het +Noordelycxste lant in ’t N.W. ⅓ W., waeren 5 mylen van lant diep 95 +vadem, doch conden geen gront opcrygen. ’s Nachts moy stil weder, de +wint Westelyck, hadden met donckere maen gestadich 2 vueren op, ende +schooten somtyts een schoot, of onse medemacker omtrent mocht wesen, dat +hy het mocht hooren ende soo op het schieten naer ons toecomen. + +f 26. + +’s Morgens was ’t moy helder sonneschyn weder, dreven in stilte met +opgegeyde seylen ende slecht water. ’s Middachts lach de _C. de Kennis_, +anders de _Gecartelde_ hoeck genaempt, W. ½ S. omtrent 7 mylen van ons, +giste vertiert te hebben, S.O.t.S. 5½ myl, waeren volgens dien, op de +gegiste breete van 37 gr. 20 min., ende op de lengte van 160 gr. 28 +min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 20 min.; conden geen gront +aen het loot opcrygen; doen wy het Suydelycxste lant S.W., ende het +Noordelycxste lant N.W. van ons hadden, waeren wy gront af, synde +omtrent 7 à 8 mylen van lant. Omtrent 4 ueren naer middach, cregen wy +een moy coeltie uyt een S.O., ende trock al treckende naer het S. ende +S.W. ende voorts naer het W. toe; wenden het met cleyn seyl om de N.W., +om het lant weder wat te naederen. ’s Nachts diep 70, 65 vadem, gront +als vooren. + +g 27. + +’s Morgens was ’t moy weder, met een heldere claere lucht, waeren 4 +mylen buyten de wal, de wint variabel, Westelyck met slecht water, +hadden doen de diepte van 50 vadem, wasige gront; alsdoen quaemen ons 2 +visschersbarcken aen boort, brachten ons een lustige soo visch aen +boort, die wy om ryst van haer ruylden, ende elck visscher creech een +dronck arack, waernaer sy seer begeerich waeren; syn weder van boort +gevaeren ende gingen liggen visschen. Corts daernaer is ons een leege +custberck verby geseylt, quam uyt de Noort ende seylde om de Suyt, sy +riepen op syn _Japans_, dat het niet goet en was om de Noort, dat daer +_Toy_ lach, ende is voorts geseylt. Giste Suyt vertiert te wesen +N.W.t.N. 9 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 50 m., +ende op de lengte van 160 gr. 3 min., ende op de bevonden breete van 37 +gr. 50 min. Waeren hier by wit gepleckt lant met eenige santboschies, +omtrent 2 mylen van lant hadden de diepte van 19 à 20 vadem, singel ende +grove santgront, hier was de gront ongelycke diepte cort op ende af. Het +voorlant is duynich lant, maer anders hooch lant, op sommige plaetsen +dubbelt, gelyck per uytwerpsel (afteekening) blyckt, het lant om de +Noort scheen een bocht beginnen te maecken, het Noordelycxste lant lach +N.N.W., ende het Suydelycxste S.S.W. van ons, de cust streckte hier S. +ende N. Wy vernaemen dat de stroom hier heen ende weer langs de wal +liep. Op dato is ons noch een gelaeden custbarck bejegent, comende uyt +de Noort, syn lading was ryst in balen, is dicht aen ons schip gecomen. +Wy vraechden hem waer hy van daen quam, hetwelck hy niet wilde seggen, +maer een van haer sprack wat _Portugies_; sey op d^{o}. spraeck, dat sy +naer _Meaco_ wilde, ende hy sey dat benoorden ons een groote bocht lach, +ende dat daer een eylant voor lach, dat _Toy_ hiete, ende dat men met +het schip wel tusschen de cust ende _Toy_ door mochte of conde seylen, +ende dat benoorden _Japan_ _Eso_ lach, maer dat het daer niet en docht +ende seer cout was, ende dat het oock in de bocht after _Toy_ niet en +docht. Souden aparent noch wat meer van hun verstaen hebben, hadden wy +iemant gehadt die _Japans_ had connen spreecken ende verstaen; hem is 2 +realen voor een bael ryst geboden, maer hy sey, dat hy geen ryst dorst +vercoopen, ende dat syn coopluyden die hem bevracht hadden, in _Meaco_ +woonden. Wy leyden het t’see ende lieten het dryven, ende d^{o}. berck +voorderde syne reys om de S. ’s Nachts de wint variabel, dreven in de +diepte van 24, 26, 29, 32, 33, 40, 50, 50, 70, 72 vadem. + +a 28. + +’s Morgens was het doncker mistich weder, conden boven een scheepslengte +niet van hem sien, somtyts een variabel luchien, dan meest stilte, +lieten het al dryven in de diepte van 60 à 70 vadem; ’s middachts giste +meest op een plaets te wesen, als op den 27 d^{o}. in breete, maer wel 7 +mylen van lant, hadden doen de diepte van omtrent 70 vadem, conden geen +gront opcrygen. Tegen den avont saegen wy een seyl in ’t N.W. van ons, +met een weynich opclaeren van de vreeslycke donckere mist, maeckten +seyl, deden onse best om daerby te comen, alsoo verhoopte dat hetselfde +het jacht _Breskens_ was, maer hem wat naeckende, saegen dat het een +groote _Japanse_ custberck met een groot viercant seyl was, ende van ons +afliep om de Suyt. Wy lieten het weder dryven. ’s Nachts diep 40, 38, +33, 28 vadem ende was motrich weder. + +b 29. + +’s Morgens hadden wy sulcken vreeselycke donckere mist als noch nooyt +bevonden hadden, ende het was doot stil, dreven met de stroom om de +West, geraeckten schielyck van de diepte van 28 vadem op 20 ende 19, +singel gront, lieten ons werpancker vallen, verbeydende de tyt dat het +mochte opclaeren ofte coelte comen, om weder wat t’see te loopen. Tegen +den middach cregen wy een styve Suydelycke coelte, lichte ons ancker, +maer eer ons ancker op was, waeren op de diepte van 15 vadem, singel +gront, wy leyden het met schoverseylen t’seewaert in; dese styve coelte +dee de mist ten deele wat verdwynen. ’s Middachts waeren naer gissing +op de breete van 38 gr., omtrent 4 mylen van lant. Door de styve wint +verhefte hem de see, seer afgryselyck ende hol tegen de gronden, ende +quaemen de swaerste sees uyt een S.S.O. ende S.O., doch de wint liep in +’t S.S.W. met heel styve wint, naemen onse bonets af, ende lieten het +S.O. ende O.S.O.waert over staen te seewaert in, wy cregen soo veel worp +sees over, als wy van boven, onse presenning over de luycken gespyckert +synde, conde loosen. ’s Middernachts wert het stil, maer de see noch +heel verbolgen, met motrich weder. + +c 30. + +’s Morgens hadden wy moy sonneschyn weder, ende de see slechte al +langsaem, de wint meest N.W.t.N. met moye topseyls coelte, sette onse +beyde marsseyls by, deden ons best om de cust weder aen boort te crygen, +conden in ’t N.N.W. een ront berchien sien, omtrent 9 à 10 mylen van +ons, ende geleeck een eylant, vermoeden dat _Toy_ te wesen, daer de +_Japanders_ ons verscheyden reysen van geseyt hadden. Gisten sedert den +27 d^{o}. door malcanderen vertiert te syn, O.N.O. 6½ myl, waeren +volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. ende op de lengte van 160 +gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 40 min.; soodat ons +de stroom om de Suyt geset hadde 20 min. meer als onse gissing was, +waeren 7 à 8 mylen van lant, ende het was over de 100 vadem diep, +singelgront. Naer de middach liep de wint Westelyck, leyden het om de +Noort. ’s Avonts wert het claer weder, naemen onse marsseyls in, ende +geyden onse seylen op, ende lieten het soo N.waert over leggen dryven. +’s Avonts conden wy het lant pas sien in ’t S.W., ende in ’t N.N.W. lach +een ront berchien, synde naer myn vermoeden _Toy_; soo ick can +bemercken, hadden wy harde stroom om de Suyt, saegen veel raveling van +stroom. + +d 31. + +’s Morgens was het heel moy weder met stilte, de deyninge uyt een +Suydelycken hant, giste ’s middachts vertiert te wesen N. 5½ myl, waeren +volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 2 min., ende op de lengte +van 160 gr. 34 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. Doen lach +_Toy_ N.N.W. 7 à 8 mylen van ons, ende de laege santpunt besuyden _Toy_ +lach in ’t W. 7 à 8 mylen van ons, ende het was 70 à 75 vadem diep, +conden in de bocht in ’t N.W. geen lant sien, vermoedende dat de groote +bocht te syn, daer de _Japanders_ ons af geseyt hadden. Desen +uytsteeckende hoeck van _Toy_ is heel kenbaer, als men uyt de Suyt compt +vertoont hem als een hooch eylant, ende een weynich daer bewesten, met +een rey van gehackelt geberchte, met een corte spaetsy laech lant, condt +voorts by het uytteyckenen desselfs verder beoogen. Cregen naer de +middach een moy luchie uyt een S.O., stelden onse cours N. aen, om by O. +het eylant _Toy_ om te loopen, want het eylant _Toy_ leyt boven een myl +niet van de uytsteeckende hoeck; benoorden de uytsteeckende hoeck liggen +onder de cust veel cleyne gebroocken eylanties. Des aftermiddachts is by +den E. Commandeur, den raet beroepen ende geresolveert, alsoo volgens +onse laetstgetrocken resolutie, onse tyt geexpireert was, ende onse +medemaet niet vernaemen, onse reys soecken te vervorderen, volgens onse +instructie, van den E. Heer Generael ende Raden van _India_, +medegegeven. Oock dat wy noch 2 stucken uyt onse boech, tot ontlichting +van het schip, in ’t ruym souden leggen; ende dat met regenich weder, +tot onderhouding des scheepsvolcks gesontheyt, soude ’s ochtents bier en +broot gecoockt worden. Tegen den avont bemerckten wy dat ’t lant, +hiervoor van ons voor een hoeck aengesien, al gebroocken eylanden +waeren, ende soo veer wy om de N. sien conden, geleecken al gebroocken +eylanden te wesen; hadden met sons onderganck een eylant, dat de cleyne +_Taefel_ in de _Piscadores_ wel geleeck, omtrent W. 3 mylen van ons. Het +hooge eylant, by ons eerst voor een hoeck aengesien, lach N.W. ½ W. van +ons, dit vermoede ick _Toy_ te syn, het was 80 vadem diep, saegen in ’t +N. wel soo Oostelyck, een heel hoogen _Taefelberch_, waervan om de O. +laeger lant afstreckte, met des sons-onderganck cregen wy een groot +onweer van regen ende blixem, met swaere donderslaegen over het +geberchte, de wint met een styve coelte Suydelyck, naemen onse seylen +in, lieten het voor de fock N.t.O. aengaen. ’s Nachts de wint met buyen, +variabel N.N.O. ende O., met groote stortregen, hielden dien heelen +nacht met schoverseylen af ende aen. + + +Junyus. + +e 1. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. Setten onse beyde marsseyls +by, leyden het om de N.W. naer het eylant _Toy_, maer alsoo wy hetselfde +niet conden beseylen, seylden soo diep tusschen het _Taefel_ eylant ende +_Toy_ in, dat de Oostelycxste hoeck van het eylant _Toy_, N. van ons +was, ende waeren omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent +synde, mochten O.t.N. seylen, conden geen gront crygen, maer was hier +heel steyl, de wint N.t.O. ’s Middachts lach de spitsberch van _Toy_, +N.W. ½ W. 2 à 3 mylen van ons, ende was diep 80 vadem; hadden naer +gissing behouden Noorden 6 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste +breete van 38 gr. 24 min., ende op de lengte van 160 gr. 34 min. Hielden +het naer middach raeck ende daeck met laveren; de stroom om de Suyt +loopende, maeckte met Noordelycke wint slecht water. ’s Avonts peylden +wy _Toy_ W.N.W. ½ N. 4 mylen van ons, ende waeren gront af. ’s Nachts de +eerste wacht uyt synde, wert het heel stil. + +f 2. + +’s Morgens cregen wy een moy luchien uyt een Suydelycker handt, doen +lach _Toy_ N.W. 3 mylen van ons, stelden onsen cours N.t.O. ’s Middachts +lach het eylant _Toy_, te weten het Suyteynt, 3 à 4 mylen West van ons, +ende lach met het Suyteynt van het _Taefel_ eylant over een; recht +Noorden van het Suyteynt van _Toy_ 1 à 2 mylen, liggen eenige gebroocken +eylanden ende clippen onder de wal. Wat landelycker leyt noch een +eylantie, wat langer ende hooger. Dicht onder de cust, een half myl daer +benoorden, leyt noch een ront eylantie, gelyck een _Toppershoetien_, +daer aen beyde eynden al scherpe clippen, die boven water leggen, af +strecken ende vertonen haer als naelden. Tusschen het vorige eylant ende +het _Toppershoetien_, geleeck een rivier in ’t lant te loopen, de cust +streckte hem hier al Noortwaert heen, met veel inbochten ende was al +hooch lant. Giste ’s middachts geseylt te hebben, N.t.W. ⅔ W.; ½ myl, +waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 30 min., ende op de +lengte van 160 gr. 31 min., ende op de bevonden breete van 38 gr. 29 +min. ’s Avonts lach de Oosthoek van _Toy_ S.W.t.S. 5 à 6 mylen van ons, +saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien wy den naem +gaven van den _Taefelberch_, stelden onse cours metten doncker N.O.t.N. +aen, de wint S.O. met een moy coeltie. ’s Nachts stilte. + +g 3. + +’s Morgens hadden wy moy weder, met een Suydelycke topseyls coelte, +hadden doen de _Taefelberch_ N.W. 5 mylen van ons, deden onse cours N. +langs de wal, bewesten dese hoogen _Taefelberch_ maeckt het lant een +groote inbocht, ende alsdan streckt de cust S. naer _Toy_ toe; tusschen +_Toy_ ende de _Taefelberch_ leyt een ronde berch, alwaer een tooren +opstaet ende seer kenbaar is. Van de _Taefelberch_ tot aen een steylen +hoogen gehackelde hoeck, dien wy de Caep _de Goeree_ noemden, omdat +tusschen beyden, schenen veel havens ende eylanden te liggen, daer +_Goederee_ soo het leeck after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende +S.t.W. Wy cregen hier veel _Japanse_ visschers aen boort, die ons 30 +roode steenbraesems ende 3 cabbeliauwen overgaven, daervoor wy haer wat +ryst gaven ende eens arack schoncken. Daer quaemen 2 à 3 _Japanders_ +over, die presenteerden ons in een haven te brengen, ende noemden de +plaets _Nabo_, ende een ander plaets _Schay_; dan sy siende dat wy hier +in geen haven begeerden te wesen, syn met vrientschap gescheyden. Tegen +den middach wert het deysich weder, conden geen hoochte crygen. ’s +Middachts lach de C. _Goeree_ N.t.W. van ons 4 mylen, giste geseylt te +hebben, N.N.O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 39 gr. 28 +min., ende op de lengte van 161 gr. 2 min., stelden doen onse cours +N.t.W. aen, om de Caep terdegen te besichtigen. Het was hier 2, 3, 4 myl +van lant, al over de 100 vadem diep, al wasige gront, die men aen ’t +loot niet con opcrygen, saegen noch verscheyden visschers, maer alsoo de +Suydelycke wint begon styf door te blasen ende hol water maeckte, +dorsten niet aen boort comen, vreesden voor het stooten van haer +barcken. Naer de middach cregen wy regen, van ’s middachts naer gissing +geseylt 4 mylen N.t.W. aen, hadden doen de Caep _Goeree_ W.N.W. 1 myl +van ons, ende was 80 vadem diep, gront als vooren, stelden doen onse +cours N. tot het vallen van den doncker 1½ myl, doen lach Caep _de +Goeree_ S.S.W. 2 mylen, ende de hoeck besuyden de caep S.t.W. ½ W. 3 +mylen van ons; tusschen die hoeck ende caep schynt een groote voert[20] +in te loopen, streckende S.S.W. heel diep in ’t lant, souden naer wy +sien conden daer heel uyt der see seylen connen; gaeven die voert den +naem van _Goeree_. Het veerste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8 +mylen van ons, ende was een vlacke hoogen berch; ende een laege vlacke +afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons. Deden met het opsetten +van de wacht onse cours N.t.O. aen, met een Suydelycke wint ende regen; +in de eerste wacht hadden wy de diepte van 78, 84 vadem, gront als +vooren; de eerste wacht uytsynde, lach de laege afgaende hoeck in ’t +N.W.t.W. van ons, ende betrock stracx door een dicke natte mist, in de +tweede wacht diep 90, 100 vadem, in de dachwacht gront af, doen stelden +wy onse cours weer N. aen. + + [20] Inham of Zeeboezem. Witsen. + +a 4. + +’s Morgens mistich doncker motrich weder, de wint Suydelyck, stelden +onse cours N.W. ende corts daer naer N.W.t.N. aen, om de cust van +_Japan_ weder sien in ’t gesicht te crygen, ’t welck wy met een blinck +eens saegen, ende was een hoogen berch, die lach W.S.W. van ons, ende +was stracx weder door de mist betrocken, wy vermoeden dat die berch het +N.eynt van _Japan_ was. Saegen menichte seerobben. ’s Middachts naer +gissing geseylt N.t.W. 14 mylen, ende was 72 vadem diep, grauwe +santgront, waeren op de gegiste breete van 40 gr. 23 min., ende op de +lengte van 160 gr. 48 min., dreven in stilte. Twee glaesen naer den +middach, cregen een O.S.O. styve topseyls coelte, seylden N.N.W. 2½ myl, +cregen doen de diepte van 72 vadem, gront als vooren; naemen doen onse +marsseylen in, lieten het by de wint over staen, mochten N. seylen, de +wint O.N.O. met regen ende een heel donckere mist, dewelcke continueerde +tot de tweede wacht uyt, de wint treckende temet naer het N. Hadden de +diepte van 50 vadem tot 2 glaesen in de eerste wacht, doen diep 40 +vadem, al gront als vooren, wenden het O.waert over, gewent synde, diep +weer 50 vadem, in de tweede wacht diep 54, 56 vadem, in de dachwacht +diep als vooren, de wint van ’s middachts variabel, S., O.S.O., O.N.O., +N.N.O., N. ende N.W. + +b 5. + +’s Morgens was ’t al mistich motrich weder, de wint N.N.W. de see al hol +aenschietende uyt een N.O., setten onse marsseylen by, lieten het by de +wint N.O. over staen, maer maeckten weynich aenganck, het was 65 vadem +diep, grau santgront, het diepte langsaem op als volcht, 70, 75, 80, 85, +90, 100 vadem, gront als vooren. ’s Middachts gront af, giste geseylt te +hebben N.N.O. 3½ myl, waeren volgens dien, op de N. breete van 40 gr. 36 +min., ende op de lengte van 160 gr. 55 min. Saegen veel seerobben ende +veel drift, te weeten groene tacken van boomen, ende steencroos ende +groene blaederen dryven. + +c 6. + +’s Morgens was de wint N.N.O. met topseyls coelte, wenden het om de N.W. +met mistich motrich weder, de wint uyt- ende inschietende tusschen het +N.N.O. ende N.N.W., leyden over ende weer om soo veel N. te winnen als +mogelyck was om niet in de bocht tusschen _Japan_ ende _Eso_ te +vervallen, saegen veel seerobben ende drift als vooren. Giste ’s +middachts geseylt te hebben, O.t.N. ½ N. 8 mylen, waeren volgens dien, +op de breete van 40 gr. 45 min. ende op de lengte van 161 gr. 34 min., +wenden het doen om de N.O. ’s Avonts trock de wint naer ’t N.N.W. ende +voorts naer ’t W., ende het begon op te claeren. ’s Nachts somtyts +coelte, somtyts stilte. + +d 7. + +’s Morgens was ’t claer helder weder, de wint Westelyck met topseyls +coelte, onse cours by de wint over om de N. ’s Ochtents omtrent te 10 +ueren saegen wy hooch lant in ’t N.t.W. van ons, vermoede ’t selve het +lant van _Eso_ te wesen. ’s Middachts giste geseylt te hebben N.N.O. 11 +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr. 26 min., ende op de +lengte van 162 gr. 1 min., ende op de bevonden breete van 41 gr. 24 +min.; alsdoen lach de S.O. hoeck van _Eso_ N. omtrent 9 à 10 mylen van +ons, ende was een hoogen steylen hoeck, gelyck per uytteyckening blyckt. +Vervolgende onse cours recht N. aen naer d^{o}. steylen hoeck toe. +Omtrent naer de middach te 3 ueren cregen wy gront op 50 vadem, +santgront, waeren doen omtrent 4 mylen van d^{o}. hoeck. ’s Avonts wat +voor sons onderganck saegen wy hooch lant van ’t W. tot het N.W.t.W., +hetwelck naer myn gissing wel 20 mylen van ons lach, wat naer sons +onderganck lach d^{o}. steylen hoeck N. 3 mylen van ons, ende was doen +diep 24 vadem, schilpige santgront, geyden onse seylen op ende lieten +het dryven, met de steven om de S. ’s Nachts in de eerste wacht diep 25, +30, 50, 56 vadem, d^{o}. wacht uyt synde, leyden het om de N., in de +tweede wacht diep 56, 60, 65 vadem, santgront. + +e 8. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint Westelyck, maeckten seyl, deden +onse cours vooreerst om de N. naer de wal toe, liepen tot een ½ myl nae, +onder de hoogen hoeck, ende stelde doen onse cours langs de wal in de +diepte van 20 à 24 vadem. Van d^{o}. hoeck streckt het lant N. ende is +hier hooch dubbelt lant, ende lach op de toppen bedeckt van sneeuw. Van +den hoogen hoeck langs het lant seylende om de Noort, ⅔ myl buyten de +wal, is de diepte 18, 19, 20 vadem, de cours N. 6 myl, soo streckt de +cust met laech lant om de N.O., ende vertoont hem op sommige plaetsen +met vlacke taefelbergen, dan niet seer hooch. ’s Middachts lach de +hoogen hoeck te weten de S.O. hoeck van _Eso_, S.W. ½ S. 5 mylen van +ons, doen hadden wy een groote bay ofte inbocht in ’t N.W.t.N. van ons, +waeren doen op de gegiste breete van 42 gr. 19½ min., ende op de lengte +van 162 gr. 18 min. Wy saegen veel roock optrecken op verscheyden +plaetsen in ’t hooge lant, was diep 58 vadem, wasige gront, waeren 3 +mylen van lant; deden onse cours N.O. aen langs de wal, de wint S.S.W +met slecht water, was heel mistich weder, soodat wy naer de middach +weynich bescheyt van het lant sien conden. Tegen den avont diep 35 +vadem, naemen onse seylen in ende lieten het dryven, vingen met den +doncker 4 cabbelliauwen. ’s Avonts in ’t opsetten van de wacht, cregen +wy de diepte van 26 vadem, ende alsoo de gront hart opdroochde ende de +see ons styf om de N. smeet, quaemen hier met stilte ten ancker op grove +santgront; voor ons werpancker geset liggende vernaemen geen stroom, +vingen ’s nachts noch twee cabbelliauwen. Het bleef ’s nachts stil maer +mistich. + +f 9. + +’s Morgens was ’t noch stil, somtyts een variabel coeltie, lichte ons +ancker om wat op dieper water te seylen, want het heel mistich bleef, +conden oock de lant-see licht hooren ruyssen, onder seyl synde het +coeltie slaepende ende de Suydelycke deyninge ons styf om de N. +settende, droochde op tot op 15 vadem singelgront, hoorde de lant-see +noch veel meer als vooren, quaemen dan weder ten ancker. Bevonden op +dese cust als op de _Japanse_ cust, dat als men binnen de 20 vadem onder +de wal compt, de gront meest singel is. Tegen den middach begon de son +claer door te schynen, maer was noch al even mistich op den horisont, +conden noch het lant niet sien; wat naer de middach begon de mist op te +claeren, saegen doen dat wy in een groote inbocht geseylt waeren, ende +maer ½ myl van lant geanckert laegen, ende was hooch steyl lant met veel +valeyen vol geboomte. Peylden de S.O. hoeck van _Eso_ S.W.t.S. 12 mylen +van ons. Waeren op de gegiste breete van 42 gr. 44 m., ende op de lengte +van 162 gr. 30 m., hadden een laege hoeck 6 mylen S.W.t.W. van ons; +hadden noch een hoeck in ’t N.O. ½ O. 6 of 7 mylen van ons, alwaer wel +een rivier geleeck by in te strecken soo wy sien conden; saegen noch +lant in ’t O.t.N. maer conden geen seeckerheyt sien. Voorts heeft de +cust veel bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see +beschut licht. Omtrent 3 à 4 ueren naer den middach quam ons een +vaertuych aen boort, waerin twee mans met een jonge waeren, hadden 2 +elantshuyden met wat gedroochde salm by haer, voorts pylen ende elck een +booch met een houwer, quaemen gewillich over in ons schip ende vraechden +naer taback, seggende _tambacko_, conden haer niet verstaen; sy +schoncken aen de E. Commandeur de geroockte salm, doch was niet +gesouten, ende een elantshuyt; sy syn getracteert met een arackien ende +toebackien, waeren wel in haer schick. Dit was cort gedrongen volck, +bruyn van vel, hebbende ruyge swarte baerden, syn op haer lyf seer ruych +van swart haer, syn voor op het hooft geschooren, maer voorts lanck +haer, van de helft haers hoofts neerhangende, als sy drincken lichten +haer knevels op met een vinger. Sy hadden grove rocken van hennippe +linnen aen, daerover rocken van vellen gemaeckt, sy hadden gaeties in +haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in syn oor, het +welck was van specy als coper ende half gout, hadden messen op haer +buyck, de heften ingeleyt met silver; aen de plaeten aen haer houwers, +die waeren op syn _Japans_, was oock silver aen; sy conden wel gout ende +silver, presen dat haer pylen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met +fenyn bestreecken. Sy wesen in ’t W.t.N. dat sy daer woonden, ende dat +die plaets _Tacaptie_ genaempt was, ende de hoogen steylen hoeck van +_Eso_ noemden sy _Groen_, ende de bocht met de rivier _Goutsiaer_, ende +in ’t N.O. een plaets genaempt _Cyrarca_, noemden oock een plaets +genaempt _Goutsiote_. Naer dat sy wel met een tabackien ende arackien +getracteert waeren, syn vrolyck naer lant gevaeren; haer prauw was voor +ende achter plat, roeyden met smalle riemen. Sy wat van boort geweest +hebbende, cregen een S.W. coeltie, lichte ons ancker, gingen onder seyl, +lieten het by de wint over staen om uyt dese bocht te geraecken; lieten +het om de S.S.O. voortstaen, tot dat de eerste wacht uyt was, geyden +doen onse fock op met het grootseyl, haelden onse marsseyls neer, lieten +het soo dryven, verwachtende den dach; waeren gront af. + +g 10. + +’s Morgens hadden wy claer weder, de wint W.S.W. saegen anders geen +lant, dan daer wy van daen geseylt waeren, deden onse cours O. aen, +giste geseylt te hebben ’s middachts van onse anckerplaets, O.S.O. 10 +mylen, ende was doen 100 vadem diep, wasige gront. Waeren op de gegiste +breete van 42 gr. 29 m., ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op +de bevonden breete van 42 gr. 37 min. Saegen geen lant, deden onse cours +N.O. aen, omtrent 3 ueren naer de middach stelden wy onse cours N. aen, +om het lant seecker in ’t gesicht te crygen. Het was heel deysich op de +kimmen, conden geen gront crygen, de wint liep variabel met veel stilte, +saegen veel drift, soo ’t scheen quam uyt een rivier. ’s Nachts de wint +variabel met veel stilte, hadden geen gront. + +a 11. + +’s Morgens was ’t al stil weder, somtyts een cleyn luchien uyt een N.O., +allengs omloopende naer het O. ende voorts naer het S.S.O. Cort naerdat +de cock vroeg cost geschaft had, cregen wy gront op 60 vadem, wasige +gront, saegen corts daernaer het lant in ’t N. ende N.N.O. tot in ’t W., +was effen vlack lant met geen geberchte, de cust streckende O.N.O. ende +W.S.W. soo veer wy sien conden. De wint N.N.O. lieten het by de wint om +de N.W. overstaen, om het lant terdegen te besichtigen, want het heel +deijsich betrocken lach; het droochde temet op als volcht, 50, 43, 36, +30, 28 vadem, swart santgront. ’s Middachts giste geseylt te hebben, N. +9 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 13 min., +ende op de lengte van 163 gr. 19 min., ende op de bevonden breete van 43 +gr. 10 min., waeren 2½ myl van lant, op de diepte van 27 vadem, gront +als vooren. Doen lach het Westelycxste lant dat wy sien conden, W.t.S. 6 +mylen van ons, ende daer scheen wel een eylant te liggen, het +Oostelycxste lant dat wy sien conden, lach N.O. van ons, 4 à 5 mylen. Wy +hadden een rivier in ’t W.t.N. ½ N. van ons, saegen hier eenige clipies +onder de wal liggen boven water, saegen hier veel drift, de wint trock +temet uyt het N.N.O. naer het S.S.O., seylden al by de wint Oostwaert +over, in de diepte van 22, 21, 20, 19 vadem; naer de middach cregen wy +een Suydelyck coeltie, stelden onse cours O.N.O. langs de wal. ’s Avonts +lach de hoeck die wy ’s middachts in het N.O. gepeylt hadden, in het +N.W.t.N. 2 mylen van ons, ende was diep 25 vadem, gaeven dien hoeck den +naem van Caep de _Manshooft_, omdat hy hem vertoont als een hooft. Hier +is al slecht lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen doen in ’t +N.W.t.W. van ons een rif, daer het seer op barnde, ende lach omtrent een +myl van lant, ende om de N.O. van de Caep de _Manshooft_ lach een vlack +laech eylantien met 3 cleyne berchies, het N. eynt van d^{o}. eylantie +lach N.N.O. 3 mylen van ons, waeren van ’s middachts geseylt O.N.O. 5 +mylen; saegen in ’t N.O.t.N. soo ons docht hooch lant, maer werden soo +veel bedrogen van de mist, dat men somtyds mist voor lant ende lant voor +mist aensaegen. ’s Nachts was ’t soo mistich, conden in ’t minst niet +van ons sien, onse cours O.N.O. tot de eerste wacht uyt, deden doen onse +cours N.O. aen, seylden die heele wacht in de diepte van 25, 30, 32, 34, +36, 38 vadem, tegen den dach diep 30 vadem, al santgront met schilpen +vermengt, de wint ’s nachts variabel met veel stilte. ’s Avonts hadde wy +onse compassen geleyt op 9 gr. N.Oostering. + +b 12. + +’s Morgens was ’t heel mistich motrich weder, de wint O.S.O. ende S.O. +met stilte, somtyts een cleyn coeltie, lieten het N.O.waert overstaen, +het droochde allengskens op tot op 23, 22 vadem, ende het water wert +heel slecht sonder deyninge, wisten niet waer wy dreven of seylden door +de mist; quaemen ten ancker. Ten ancker liggende bevonden hier harde +stroom om de N.W. ende naer de middach om de W., saegen veel drift +verbydryven, insonderheyt veel veeren van vogels, gelyck wy daegelycx +veel sien dryven, giste geseylt te hebben N.O.t.O. ¼ O. 9 mylen, waeren +volgens dien, op de gegiste breete van 43 gr. 28 m., ende op de lengte +van 164 gr. 0 min. ’s Avonts ende ’s nachts continueerde de mist ende de +motregen, conden de lant-see hooren. + +c 13. + +’s Morgens continueerde de mist, conden niet boven een scheepslengte à +twee van ons sien, wy hoorden de lant-see seer storten, alhoewel het +stil ende slecht water was. Omtrent te 9 ueren ’s ochtents claerde de +mist wat op, saegen doen de Caep de _Manshooft_ W.t.N. 3 mylen van ons, +conden de streckende cust tot in ’t W.t.S. sien, saegen het eylant met 3 +berchies in ’t N.W. ½ N. 2 mylen van ons, de hoeck tusschen Caep +_Manshooft_ ende het 3 geberchte eylant gelegen, lach 4 mylen W.N.W. van +ons; saegen oock in ’t N.t.W. ½ W. 1 myl van ons een groot recif +branden, in ’t N.O.t.N. ¼ O. lach noch een vlack eylant omtrent 1 myl +van ons, hetwelck wy den naem gaven van ’t _Barbaren_ eylant. In ’t +O.t.N. 1 myl, lach noch een party clippen boven ende een deel onder +water, alwaer de see seer styf op storte; after dese eylanden scheenen +fraeye inbochten te wesen, dit leecken wel naer de _Piscadores_ +eylanden, waeren allegaeder slecht ende plat boven ende niet hooch, +scheenen heel dor te syn. Dit vorige op het corts beooght ende +afgepeylt, wert stracx weder heel mistich met regen, waeren tot 3 reysen +onder seyl met een cleyn luchie maer mosten stracx door stilte weder ten +ancker comen, alsoo met de stroom om de N. dreef, quaemen eenige reysen +ten ancker op 22½ vadem, schilpige santgront, hier nu geset liggende, +vernaemen weynich stroom. Tegen den middach cregen wy een moy coeltie +uyt een Suydelycker hant, gingen onder seyl, deden ons best om buyten +dese gebroocken eyl. te comen, seylden omtrent ¼ myl boven het Ooster +recif, vonden de diepte in ’t vaerwater als volcht 20, 21, 23, 27, 28 +vadem, santgront. Doen wy het Ooster recif een quart myl van ons hadden +in ’t N.N.W. van ons, ende lach met het _Barbaren_ eylant overeen, +bevonden doen de diepte van 18 vadem, schilpige craelgront. Doen lach +het _Barbaren_ eylant 1½ myl van ons, ende de mist claerde heel op, +saegen noch een vlack eylant doen in ’t N.O. ½ O. van ons liggen. Dese +voorschreven eylanden syn 1, 1½ à 2 mylen lang, hebbende veel cleyne +eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op het +vaste lant leyt een kennelycke berch, boven met een keep ende leyt +alleen. Daer is op het vaste lant hooch binnenlant, het welck wy met een +blinck eens saegen, ende was meest boven bedeckt met sneeuw, de berch +met de keep lach ’s middachts N.W.t.N. van ons, waeren doen ½ myl buyten +het Ooster rif. Saegen doen 3 vaertuygies naer ons toecomen, hebben dien +ingewacht, quaemen aen boort, in ider was 5, 6, 8 man, ende het +vaertuych ende volck was van gedaente als vooren, sy wisten die plaetsen +oock te noemen die de voorige inwoonders ons genoempt hadden, quaemen in +’t schip ende vraechden stracx naer taback, hadden eenige fyne vellen; +naer wy sien conden waeren het ottersvellen die sy wilden verruylen, +maer hielden dien heel duer, verruylden eenige robbevellen met een +beerehuyt voor taback, sy droncken scheepsarack voor sackie[21], ende +waeren heel vriendelyck ende vrolyck volck, sy wilden ons after de +eylanden te ree hebben, noemden een plaets _Tamary_, seggende _Pierke +Tamary_, dat is te seggen, compt te Tamary. Sommige van haer hadden +groote silvere ringen in haer ooren, conden gout ende silver heel wel, +verachte coper. Hadden haer vuerslaegen by haer om vuer te slaen, dat +waeren viercante planckies daer een holletien in is, was voosachtich +hout, daertoe hebben sy rieten daer een cort stockien in steeckt; als sy +vuer hebben willen, soo stoten sy dat stockien in dat holletie ende +vryven dat tusschen haer handen, dat het omdraeyt heen en weer, soo +gedoopt in gesmolten swavel houden dat daeraen, hebben stracx brandent +vuer. Dese habytanten noemden een plaets, die sy wesen in ’t N.O.t.N. te +liggen, _Takotekan_, ende in ’t N.O. een plaets genoempt _Rackokan_, +brachten oock traen in leeren sacken om te verruylen aen boort. Sy +siende dat wy voorsloegen om wat bet te laeten loopen, voeren van boort +ende riepen al in ’t wechvaeren _Pierke Tamary_ ende wesen naer lant +ende toonden haer heel vrolyck. Sy van boort synde liepen wat bet t’see +tot op 40 vadem, ende alsoo het cort weer heel mistich wert, geyden onse +seylen op ende leyden het met de steven t’see met de besaen, ende lieten +het ’s nachts dryven, de wint meest S.W. met goet weder ende slecht +water, maer heel mistich; het diepte af tot op 50 vadem, santgront, +saegen naer de middach een hoogen berch met een pieck in ’t N. ½ O. van +ons. + + [21] Een zekere drank in Japan. + +d 14. + +’s Morgens was ’t noch heel mistich, de wint Westelyck met cleyn +topseyls coelte ende slecht water, maeckten seyl, stelden onse cours O. +aen, tegen den middach begon ’t op te claeren, cregen helder sonneschyn +weder. ’s Middachts giste geseylt te hebben, O.t.S. 4 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 43 gr. 25 min., alsdoen lach het +_Barbaren_ eyl. N.W.t.W. 4 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen +berch met een pieck, die wel 20 mylen van ons lach, in ’t N.W.t.N. van +ons. Dat Noordelycxste van de _Barbaren_ eyl. lach N. 3 mylen van ons, +benoorden dese eylanden ontfalt hem het lant met een groote inbocht ende +is al laech slecht lant, maer diep in ’t lant hooch geberchte, ’t welck +bedeckt lach van sneeuw; saegen cort naer de middach noch een vlack +eylantie, het welck recht in de bocht leyt, ende heeft verscheyde +clippen om de N.O. van hem liggen, vernaemen hier veel walvisschen, +gaven ’t den naem van ’t _Walvisch_ eylant. Onse cours was O.N.O. langs +de wal, conden geen voorlant in de bocht sien als het hooch binnenlant, +saegen oock in ’t N.O. hooch lant, was ’s middachts 50 vadem diep +geweest. Onse cours tot ’s avonts O.N.O., de wint variabel van ’t N.N.W, +tot ’t S.S.W., diep naer de middach 55, 60, 65 vadem, santgront. ’s +Avonts lach het hooge lant dat op de Noortsy van de groote bocht leyt, +in ’t N.t.W. ½ W. van ons, waeren omtrent 3 à 4 mylen van lant. Het +veerste lant daeraen streckende was duynich lant, ende lach in ’t N.t.O. +van ons, 5 à 6 mylen, ende was diep 65 vadem, stelden doen onse cours +N.O.t.N. aen. ’s Nachts was de wint W.N.W. ende W., doorgaende coelte, +diep 65, 70 vadem, santgront, in de tweede wacht vertoonde hem de see +soo brandich, conde niet beter sien ofte saegen een droochte in ’t +O.N.O. van ons, leyden het met de steven om de S.W. ende lieten het met +een seyl byleggen, verwachtende den dach. + +e 15. + +’s Morgens was ’t taemelyck weder, de wint met een styve doorgaende +coelte N.W., maeckten seyl, deden onse cours by de wint over om de +N.N.O.; den dach wat doorgebroocken synde, peylden de N. hoeck van de +groote bocht W.t.S. van ons, ende de N.hoeck van de duynen W.N.W. 2 à 3 +mylen van ons. Dese streeck duynen vertoonen haer als een eylant, door +oorsaeck het lant aen beyde eynden hem ontfalt, seer cort om de West. Wy +gaven de N. hoeck van de duynen de naem van Caep de _Canael_, omdat wy +anders niet sien conden of daer benoorden in ’t N.W. van ons was een +doorganck ofte canael, maer de wint naer ’t W. treckende, soo styf +doorblaesende alsof hy door een trechter quam, naemen onse marsseyls in, +lieten het voorts om de N. voort staen, maer corts daernaa besadichde de +wint, soodat wy onse marsseyls daer weder bysetten. Wat over de middach +saegen wy een heel hoogen berch in ’t N. van ons, ende corts daernae +oock in ’t N.N.W. welck lant seer claer blonck van sneeuw. ’s Middachts +giste ick geseylt te hebben N.O. ½ O. 15½ myl, waeren volgens dien, op +de breete van 44 gr. 4 min., ende op de lengte van 165 gr. 27 min., ende +op de bevonden breete van 44 gr. 3 min. Hadden doen een hoogen uyt +muntende berch recht N. van ons, ende was heel claer helder maer seer +cout weder, continueerden onse cours N. tot ’s avonts, ende was doen 115 +vadem diep, singelgront. Naer gissing van ’s middachts behouden cours +N.N.O. 4 mylen, peylden doen het geberchte als volcht, in ’t W.t.N. lach +de pieckberch, dien wy op den 13^{den} oock gesien hadden by _Tamarij_, +in ’t N. ½ O. van ons; in ’t N.W. ½ W. lach een heel hooge berch, die +boven op seer hackelich was ende geleeck een eylant, ende daerby noch +een hoogen berch, die hem aen tween met een cloof vertoonde; daer +beoosten quam een hoogen ronden berch hem vertoonen met syn top door een +dys, saegen in ’t N. ½ W. een hoogen vlacke gecartelden berch, daer op +het W. eynt een berch op staet, gelyckende een boeren schuer van +fatsoen, ende is oock het hoochste van dien berch. Van d^{o}. berch +streckte wat laeger lant tot in ’t N.O.t.N. ende was het veerste lant +dat wy sien conden; de boeren schuer berch lach ons het naest ende was +omtrent 10 mylen van ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te +wesen tot den gehackelden berch, soo ick con bemercken liep een canael +tusschen den gehackelden berch ende den pieckberch door om de W., gelyck +per uytworpsel can beoocht worden. Dreven de eerste wacht in stilte, de +eerste wacht uyt synde was ’t 100 vadem diep, cregen een coeltie uyt een +S.W., de wint te vooren W.N.W. geweest synde, stelden onse cours +N.O.t.O. aen, tegen den dach wert het heel mistich ende waeren gront af. + +f 16. + +’s Morgens was ’t heel mistich, de wint S.W. treckende naer het S. met +cleyne coelties ende slecht water. ’s Middachts gisten wy soo geseylt +als gedreven te hebben N.O. ½ O. 11 mylen, waeren volgens dien, op de +breete van 44 gr. 30 min. ende op de lengte van 166 gr. 14 min., hadden +geen gront, hadden daegelycx veel steencroos ende strommels, gelyck men +by de C. _de Bonne Esperance_ siet, die hol syn; ende veel veeren ende +andere groente ende wier dryven, ende het bleef heel mistich. ’s Avonts +geyden wy de fock op ende lieten de marsseyls neer loopen, lieten het +soo met een seyl liggen dryven om de N.O. ’s Nachts liep de wint O.S.O. +dreven doen om de N., het was slecht water. Tegen den dach een moye +topseyls coelte uyt een O.N.O. + +g 17. + +’s Morgens was het noch heel mistich motrich weder, de wint O.N.O. met +cleyn topseyls coelte, maeckten seyl, onse cours by de wint N.waert +over, wat naer de vroeg cost saegen wy lant in ’t N. ende N.N.W. van +ons, lieten het voort staen tot omtrent een uer voor de middach, waeren +doen omtrent 1¼ myl van lant ende hadden de diepte van 44 vadem, +singelgront, saegen in ’t W. het veerste lant van ons, ende om de O. of +’t veerst N.O.t.O. ½ O. 2½ myl van ons, ende was een steylen hoeck. Van +d^{o}. hoeck tot een ander hoeck streckte het lant van hoeck tot hoeck +N.O. ende S.W. Gisten van den verleeden middach behouden te hebben +N.N.O. 19 mylen, waeren doen by een steylen hoeck, daer beoosten een +rivier scheen in te strecken, doch niet groot, waervan in den mont een +steyle clip lach, gelyck een pyramida. Het lant was hier heel slecht +ende steyl, in ’t lant lach een hoogen berch bedeckt met sneeuw, doch de +valeye van het laech lant lach bedeckt met sneeuw tot op strant toe. +Saegen hier by menichte seerobben, scholvers ende lammen swemmen, het +lant was seer groen, dan saegen geen geboomte, het was op dato seer +cout, wy wenden het weder t’ see, gewent synde, mochten S.O.t.O. seylen, +de wint trock temet naer het N. soodat wy O. ende O.N.O. seylen mochten. +Giste ’s middachts geseylt te hebben N.N.O. ½ O. 12½ mylen, waeren doen +omtrent 1 myl van lant, hadden geen gront, hadden een hoogen hoeck +N.O.t.O. van ons 6 à 7 mylen, saegen noch heel hooch lant in ’t W. ’t +welck al bedeckt lach met sneeuw, maer doordien de mist continueerde, +conden geen degelyck bescheyt sien als altemet met een blinck. Naer de +middach liep de wint N.O. seylden O.S.O.waert over, maer wert somtijts +heel stil, de eerste wacht dreven wy in stilte, cregen in ’t begin van +de tweede wacht een coeltie uyt een S.W., stelden alsdoen onse cours om +de N.O. met motrich mistich weder. + +a 18. + +’s Morgens was ’t heel mistich, een cleyn luchien uyt een S.W., saegen +met een blinck een heel hoogen berch bedeckt met sneeuw in ’t N. ½ W. +van ons, maer was stracx weder met de mist bedeckt, vervolchden onse +cours om de N.O., hadden holle deyninge uyt een S.O. Tegen den middach +was de wint Suydelyck, begon weder wat op te claeren, saegen omtrent de +middach weder een hoogen berch in ’t N.N.O. van ons, dewelcke seer van +sneeuw blonck, maer was stracx weder betrocken van de mist, conden geen +voorder bescheyt sien. Gisten ’s middachts geseylt te hebben O.N.O. 11 +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 31¼ min., ende op de +lengte van 167 gr. 45 min. Cregen naer de middach de wint S.O. treckende +naer het O. ende voorts naer het N.; onse cours om de O.N.O. maer het +wert stil, ende hadden een seer coude natte mist. Wy geyden ’s avonts +onse seylen op ende lieten het dryven, in ’t voorste van de tweede wacht +cregen wy een coeltie uyt een W., lieten het O. aengaen met cleyn seyl. + +b 19. + +’s Morgens was het mistich weder, de wint S.W. met slappe coelte, onse +cours N.O. aen. ’s Middachts gisten geseylt te hebben O.N.O. 6½ myl, +waeren volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 41¼ m., ende op de +lengte van 168 gr. 19 min., saegen doen lant met een blinck in ’t W. +ende in ’t N.N.W. ende corts daernaer in ’t N. ende was al hooch +geberchte, seer blinckende van de sneeuw die daer op lach, maer was +weder corts betrocken van de mist. Somtyts scheen de son claer, maer +conden geen quart van een myl van ons sien, doordien de mist soo dicht +op ’t water neerlach ende ons het gesicht van den horisont benam; conden +geen gront bewerpen, het water was heel blaeu, maer saegen veel drift, +als veeren, wier, steencroos ende strommels, deden onse cours N. aen met +een Westelycke wint. Tot ’s avonts geseylt drie mylen. Saegen ’s avonts +veel troppen cleyne meeuwen vliegen; saegen oock omtrent 5 ueren naer +den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. van ons, een heel +hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw ende was stracx betrocken, +conden voorder geen meer kennisse van lant becomen; hebben het alsdoen +met de steven om de W. geleyt, ende lieten het dryven, dorsten door +oncunde niet voortseylen, de wint variabel met stilte. Vier glaesen in +de eerste wacht hoorden wy groote rasing van water of het de lant-see +ofte storting tegen de clippen was van de see; worpen het loot, bevonden +de diepte van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem; saegen +aen bagboort eenige storting van de see, ende hoorden aen stierboort +oock veel geraes ende storting van water. Dan de see, die slechte +schielyck, ende wy leiden het met de steven om de S.W., ende geyden de +seylen op ende lieten het dryven op Godes genaede, ende wat corts gront +af van 50 vadem, lieten ons daegelycx ancker druypen met ⅔ van een tou +bodt, of wy weder by gront quaemen dat wy daervoor mochten comen te +liggen, dan conden geen gront meer crygen; dreven om de N.W., hoorden +gestadich de lant-see ende groote ruysing van water ende veel gecryt van +clipmeeuwen. + +c 20. + +’s Morgens met den dach was ’t mistich weder met stilte, hadden noch +geen gront, wonnen ons daegelycx ancker weder op; wat op den dach cregen +wy weder gront op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem, grof +santgront, lieten ons tuy-ancker vallen. Wat geset gelegen hebbende +begon ’t wat op te claeren, saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch +geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen +dicht by ons te syn, wy hoorden gestadich groot geruys van water, d^{o}. +lant is stracx weder betrocken van de mist. Omtrent 2 à 3 ueren naer de +vroe cost claerde de mist op, doen saegen wy dat wy boven ½ myl niet van +den wal geanckert laegen; saegen in ’t S.t.W. van ons 3 mylen, lant, +ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mylen van ons het Noordelycxste lant dat wy +sien conden; het geruys van water saegen wy dat het afstortinge van +sneeuwater was, dat op verscheyde plaetsen van het geberchte in de +cloven quaem afvallen, ende een groot geruys ende geraes maeckte, ende +het lant lach op veel plaetsen tot by de waterstrant noch bedeckt met +sneeuw, insonderheyt op ’t geberchte. Saegen een hoogen ronden berch die +vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende een d^{o}. in ’t S.W.t.W. van ons, +wat lanckwerpiger dan van één hoochte synde, ende waeren met een laege +valey aen malcanderen gehecht, alwaer noch eenige cleyne berchies buyten +laegen, waer bewesten noch 2 ronde berghen laegen, maer die laegen wel +over de 20 myl van ons. Van den berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, +loopt een steyle afsteeckende hoeck, dien by ons de naem gegeven wert +van Caep _de Vries_, conden in ’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als +nu in de _Tartarysche see_ te syn. Wy waeren myns oordeels ’s nachts +tusschen dat lant, daer wy nu onder geset laegen ende een clippige +droochte doorgedreven, al by de wal langs, eerst om de N.W. ende voorts +om de N.; dancke Godt Almachtich, dat hy ons soo merckelyck bewaert +heeft. Giste van den verleeden middach tot daer wy geset laegen behouden +te hebben N.t.W. ½ W. 6⅓ myl, waeren volgens dien, op de breete van 46 +gr. 6¾ min., ende op de lengte van 168 gr. 9 min., ende bevonden breete +van 46 gr. 6 min.. Wy hadden hier heel slecht water, setten onse prauw +ende boot uyt, ick syn met de prauw naer lant gestiert om te diepen; +tusschen het schip ende wal bevont een opgaende gront, ¼ myl van lant +diep 30 vadem, santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem, +stenige gront. Syn voorts volgens ordre naer lant gevaeren om te +besichtigen of ’t hier wel mogelyck was om water te haelen, daer comende +vonden heel goede gelegentheyt, conden met de boot after eenige hooge +clippen vaeren heel beschut voor de see, ende mannen soo het vers +afloopent water met beleyt in de boot. Syn al te samen aen lant getreden +ende bevonden geen teycken van volck, dan saegen twee roo vossen loopen, +die niet heel schaeu (schuw) schenen te wesen, bevonden dat het hier een +voorjaer was, want de elseboomties begonnen eerst te bloeien ende de +groene cruyden stonden seer liefelyck, de bloemties begonnen haer te +openen ende de leewerick sonck seer liefelyck. Anders in ’t hooch +berchachtich gehackelt lant met sommige fraeye valeyen, saegen geen +geboomte als cleyne elseboomties, op ’t corts dit besichticht hebbende +syn aen boort gevaeren ende heb ’t den Commandeur alles gerapporteert. +Aen dit lant was geen strant; daer geen steyle clippen waeren was ’t al +groot ballast steen, daer veel vuereboomen ende hout met een storm op +gesmeten was ende daer seer veel lach. + +d 21. + +’s Morgens syn ick met de boot om water gevaeren, het prautien is met +den Stierman Roelof Siversz. om de N.O.hoeck van ’t lant geweest, om te +sien of daer noch eenige bay ofte beter gelegentheyt was om te anckeren +dan als wy laegen; brochten tyding als dat het een streckende cust was, +soo veer sy sien conden om de N.O. streckende, ende dat daer geen beter +gelegentheyt en was om te anckeren. Doen als wy alreede laegen, waeren +met myn drie soldaeten aen lant gegaen, uytgestiert om het lant wat te +ontdecken ende om te sien of daer oock volck op was, quaemen ’s avonts +weder aen boort, rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, +alwaer een menschen geraemte ende een dootshooft in lach. Dese huties +waeren gemaeckt van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, +vonden by d^{o}. huties een pael in de gront geset, alwaer een houwer, +gelyck de voorige habytanten by ons aen boort geweest sijnde op haer sy +droegen, ende was om de cant met wat silver beslagen, hangen, ende was +in de schee heel vast beroest; hadden oock een half gemaeckt prautie, ’t +welck uyt een stuck van een groote vuereboom begonnen was te maecken, +vinden liggen. Dit lant daer wy onder geset laegen vertrou ick een +eylant te wesen, dicht by de cust van _America_ te liggen, ofte dat het +een uytsteeckende hoeck van d^{o}. cust is. + +e 22. + +’s Morgens is de boot weder om water gevaeren, ende ick syn met de prauw +om de S.W. gevaeren, om te besichtigen ofte aldaer geen fraeye bay ofte +ree en was, ende creech drie man mede om daer aen lant te setten ende op +te loopen, ende te besichtigen een berch, die van veere wel een +mineraelberch geleeck. Haer aldaer aen lant geset hebbende, synde +omtrent 2 mylen van ’t schip om de S.S.W., soo syn ick voorts om de +S.S.W. gevaeren, syn omtrent 3½ myl om de S.S.W. gevaeren, quaemen doen +by een steyle clip, die omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is +gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer +niet mogelyck was op te comen, dese clip was wel een musquetschoot +hooch. Dwars van d^{o}. clip stont soo een steenige berch dicht op +strant, die in see staende clip gelyck dan hooger, ende was van specy +als van verbrande swarte steen die men licht daeraf conde schilveren. Of +ende buyten d^{o}. see-lycxste clip comende, vernaemen een hoog reysende +see met swaere deyninge, conden noch lant sien soo veer om de S. als +conde beoogen. Het wert soo mistich in corten tyt, dat wy dicht by de +clippen langs roeyende geen lant conden sien, soodat ick geen cans en +sach om iets meer te besichtigen; syn wederom gevaeren naer ons volck, +die wy aen lant geset hadden ende hebben haer van lant gehaelt, ende +alsoo wy uyt het schip hadden hooren schieten, syn wy naer boort +geroeyt. Ons volck hadde eenige aerde uyt d^{o}. berch vernoemt +medegebrocht, die wel geleeck naer minerael ende scheen silver by hem te +hebben; syn aen boort gecomen ende hebben het den Commandeur getoont. Wy +brochten oock een party suering aen boort gelyck in ’t patria wast, wy +hadden verscheyde vossen aen lant gesien, oock vonden wy een stock op +een steyle vlackte steecken die van menschen daer gestoocken was, met +eenige kerven daerop gesneeden, dan vernaemen geen volck, wij hadden +oock nergens geen santstrant gevonden. + +f 23. + +’s Morgens syn ick weder van den Commandeur gecommitteert, om met de +drie vorige maets, te weten: Jan Joosten, Onder-Stierman, ende den +barbier Mr. Jochum met Claes Meullenaer, bosschieter, naer de vorige +mynberch te vaeren, ende beneffens haer die op noves te besichtigen, +ende een degelyck monster aerde daeraf van daen te brengen, om aen den +E. Heer Generael ende de Raden van _India_ te vertonen. Daer comende syn +by een aflooping van sneeuwater opgeloopen tot naer de cruyn, ende was +vry moeylyck om op te comen, daer comende heb wat dieper in de myn +laeten graeven, bevonden merckelycke aederen daerdoor loopen van +glinsterende spetie; heb soo veel in een sack laeten doen als een man +qualyck conde op strant brengen, ende syn naer boort gevaeren. Maer eer +aen boort quaemen, is ons den Commandeur met den Schipper ende +Onder-Coopman omtrent de waterplaets te gemoet gecomen met de boot, +synde omtrent den middach; den Commandeur riep myn toe, dat ick aen lant +by hem soude comen, ende dat als de boot het water inhad, dat de boot +naer boort soude vaeren met de gehaelde aerde, beneffens de drie andere +maets, ’t welck soo geschiet is. Ick heb van de bevinding aen den +Commandeur van alles rapport gedaen, syn doen beneffens hem naer een +steyle vlacke berch gedaen, ende syn daer opgeclommen, daerop synde +heeft den Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten +oprechten, waerop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno 1643. Heeft +alsoo possessie van wegen onse E. Heeren Meesters van dit lant genomen, +ende het selfde den naem gegeven van het _Companyslant_, ende dese hoeck +genaempt de _Cruyshoeck_. Hebben op het _Companyslant_ gegeten ende +gedroncken, ende ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met +musquets gedaen, syn tegen den avont naer boort gevaeren. Aen boort +comende is by den E. Commandeur ende raet geresolveert om des anderen +daechs te seyl te gaen, alsoo wy nu van water redelyck versien waeren, +ende Godtlof gesond volck hadden ende hier niet te crygen was als +groente, ende hier met groote peryckel geset laegen; want soo de wint in +’t W. geloopen hadde met styve coelte, was geen cans geweest om af te +ryden. Terwyl wy hier gelegen hebben liep de stroom gestadich met een +styf corent om de N.O. ende N.N.O., ende was somtyts seer cort stil +water ende stracx de stroom syn oude ganck vervolgende sonder te +kenteren. Het water wast hier op ende neer 6 à 8 voet, dan en hielt geen +ty, in de winter wast het water wel 2 à 3 vadem op ende neer, gelyck +sulcx licht te beoogen was; een myl van lant is men gront af. Terwyl wy +hier gelegen hebben, was de wint al S., S.t.W. ende S.W. meest met +stilte met een swaere dicke mist ende hielen heel slecht water, somtyts +op een corte tyt claere sonneschyn. Alhier op de wal wassen op de gront +blaeden met dicke holle steelen, dewelcke in ’t geheel 9 vadem lanck +syn, d^{o}. bladeren vint men aen troppen veel in see dryven, synde door +malcanderen gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer by +duisende see-honden, oock lammeties ende duyckers, hadden hier op ’t +lant oock een spierwitte vos gesien. + +g 24. + +’s Morgens was ’t heel stil, hebben de boot ende de prauw ingeset, +cregen een cleyn coeltie uyt een S.W., lichte ons ancker, maer wert +corts weder stil, dreven naer de wal tot op 27 vadem, santgront, ¼ myl +van lant; het was soo mistich, dat wy geen lant sien conden, maer +hoorden het geraes claer genoech van het afvallent sneeuwater. Dit lant +moet seer cout syn van spetie, want hebben malcanderen op het vlacke +laege lant met sneeuwballen gegooyt ende sneeuw aen boort gebrocht op +den 23 Juny, synde als nu op de N. breete van 46 gr. 6 min., leyden onse +compassen op een streeck N.O. aen, lichte ons ancker tegen den avont met +een moy coeltie uyt een S.W., deden onse cours om de N.W., cregen de +wint in ’t laetste van de eerste wacht N.O. met cleyne topseyls coelte +ende slecht water. + +a 25. + +’s Morgens was ’t noch al heel cout ende heel mistich weder, de wint +N.O. met een moye voortganck ende slecht water; saegen somtyts +steencroos ende eenige andere drift dryven, saegen oock verscheyde +gevogelte vliegen, waeronder eenige waeren swart met roo cromme becken. +Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. 14 mylen, waeren volgens +dien, op de breete van 46 gr. 46 min.; naer den middach trock de wint +naer het N.N.O. ende voorts naer het N. ende N.N.W., saegen veel van de +lange croosblaeden dryven. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde liep de +wint N.W.t.W. ende doen om de N.N.O. ’s Nachts claer maeneschyn weder. + +b 26. + +’s Morgens was ’t redelyck claer weder, de wint N.W., treckende naer het +N.N.W., lieten het al by de wint N.O.waert over staen, saegen menichte +van gevogelte vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.t.W. ½ W. +10 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 25 min., ende op +de lengte van 166 gr. 56 min., op de bevonden breete van 47 gr. 12 min.. +Naer den middach wert het heel mistich, de wint naer het W. loopende +ende voorts naer het W.N.W., seylden ten naeste by N.waert over, cregen +holle aenschietende deyninge uyt den N., saegen veel lange croosblaeden +dryven; hadden ’s nachts claer maneschyn weder. + +c 27. + +’s Morgens was ’t mistich weder, de wint N.W.t.N. met een moy coeltie +met holle deyninge uyt een N.O., wenden het om de W., saegen veel lange +croos dryven ende veel lantvogelties vliegen, waeraf sommige soo cleyn +waeren als mossies. Giste ’s middachts geseylt te hebben N. 9 mylen, +waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 48 min. ende op de lengte +van 166 gr. 56 min.. Alsdoen heeft de Commandeur den raet beroepen ende +is geresolveert om onse cours om de W. te nemen ende N.W. gelyck per +resolutie blyckt. Naer den middach cregen wy de wint N.W.t.N. ende +N.N.W. met topseyls coelte ende holle deyninge uyt een O.N.O.; het was +soo mistich als ’t noch ooyt geweest was, geyden ’s avonts onse fock op +ende lieten het dryven met de steven om de W. ’s Nachts de wint N. ende +N.N.W. met cleyn topseyls coelte. + +d 28. + +’s Morgens was ’t noch al mistich weder, de wint met een cleyn coeltie +uyt een N.O., maeckten seyl, vervolchden onse cours om de W. met slecht +water maer geen gesicht, saegen veel swarte vogels met roo cromme becken +vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 12 mylen, waeren +volgens dien op de gegiste breete van 47 gr. 39 min., ende op de lengte +van 165 gr. 49 min.. Naer de middach de wint O.S.O. met cleyne coelte, +ende alsoo de duystere dicke mist continueerde, lieten beyde marsseyls +neerloopen ende geyden de fock op, leyden het met de steven om de N., +dreven op Godes genaede N.W. heen. + +e 29. + +’s Morgens was ’t noch al mistich weder, dan het Oostelycke coeltie +begon door te blaesen, waerdoor het scheen dat de mist wat begon te +breecken, hebben seyl gemaeckt ende onse cours S. aengestelt, om eenich +lant weder in ’t gesicht te crygen. Giste ’s middachts geseylt te hebben +W.t.S. ½ S. 11 mylen, waere volgens dien, op de breete van 47 gr. 26 +min., ende op de lengte van 164 gr. 45 min., ende op de bevonden breete +van 47 gr. 27 min. Wat naer den middach heeft den Commandeur den raet +beroepen ende geproponeert, alsoo wy hier geen lant bejegenden ende de +gestadige mist ons sien tegenhielt niet wetende waer wy seylden, ofte +het niet goet en was, om het lant weder om de S. aen te doen, ende dan +by de wal langs saegen te comen, volgens de strecking soo wy dien +mochten vinden, om soo met vaster fondament de cust van _Tartaria_ te +beseylen; is geresolveert onse cours soo lang om de S. te vervolgen, tot +dat men het lant dat N.W. van het _Companyslant_ leyt in ’t gesicht sal +crygen, om soo terdegen te ondersoecken ofte het een streckende cust is +ofte gebroocken eylanden. Naer den middach de wint O.S.O. met claer +helder sonneschyn weder, met claer gesicht ende heel slecht water. + +f 30. + +’s Morgens was ’t moy helder ende claer weder, de wint O.S.O., saegen +doen het lant in ’t S.O. van ons, ende waeren 2 hooge berghen, waervan +de Oostelycxste de hoochste was, ende scheen een eylant te wesen, synde +met een valey aen malcanderen, in ’t midden van de valey hebbende een +cleyn berchie. Wy hadden dese 2 berghen op den 23^{sten} van het +_Companyslant_ gesien omtrent in ’t W.S.W. van ons, 25 à 26 mylen. Wat +op den dach saegen wy den selfden berch by ons gesien op den 15^{den} in +’t N.t.W. ½ W. van ons, ende by ons den naem gegeven was van de _Boeren +schuer_. Dito berch lach nu in ’t O.S.O. van ons ende was met laech lant +aen de twee geheuvelde berch vastgehecht; den twee geheuvelden berch was +by den Commandeur den naem gegeeven van _Caep de Trou_; vervolgende onse +cours S. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben S. ⅔ W. 20 mylen, +waeren volgens dien op de gegiste breete van 46 gr. 8 min., ende op de +lengte van 164 gr. 30 min., ende op de bevonden breete van 45 gr. 54 +min.. Alsdoen lach caep _de Trou_ O.t.S. ¼ S. 14 à 15 mylen van ons, +ende de _Boeren schuer_ S.O.t.S. ¼ O. 15 à 16 mylen, conden oock al het +geberchte sien, dat van ons op den 15^{den} gesien was; soodat dit lant +maer een smalle streeck lant is, met hooge berghen met sommige laege +valeyen aen malcanderen gehecht. Het sneeuw op ’t geberchte scheen vry +wat gemindert te syn, maer alsoo het op noves weer heel mistich wert +ende in ’t aenseylen geen gront conden crygen, ende de stroom ons +merckelyck uyt de S. tegenquam met veel drift, als synde groene biesen, +wier, steencroos, groene tackies ende blaeden van boomen ende veel +veeren van vogels, hebben het met stilte om de W. geleyt. Dreven soo ick +con bemercken om de N.W., hielden het ’s nachts met cleyne coelte by +over ende weer wendende, vertrou vastelyck dat hier een doorganck was +tot in de S. see. + + +Julius. + +g 1. + +’s Morgens was ’t heel mistich weder, somtyts een corte wyl opclaerende +maer stracx weder een dichte mist, wy lieten het al S.waert over staen, +met een O.t.S. ende O.S.O. coelte ende slecht water; saegen by groote +bossen steencroos, wier, gras, blaeden ende tackies van boomen dryven, +saegen oock eenige lammeties. Soo wy conden bemercken quaem ons de +stroom styf tegen, soodat ick op noves vaststel dat hier een doorganck +is. ’s Middachts de wint meest N.W. ende W.N.W. met slecht water; giste +geseylt te hebben S.S.W. ⅓ S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de +breete van 45 gr. 9 min., ende op de lengte van 164 gr. 8 min.; cregen +omtrent half naermiddach het lant met een blinck in ’t gesicht, naer de +middach cregen wy de wint S.O., lieten het al S.waert over staen om het +lant soecken te verkennen, ’t welck ons de mist belet heeft. Saegen ’s +avonts met een blinck de pieck _Antony_ in ’t S.S.O. van ons, saegen +oock in ’t S.S.W. lant, conden geen gront crygen, alhoewel wy niet +boven 3 à 4 mylen van de wal waeren, wenden het tegen den avont om de +N.O., hielen het ’s nachts by met een Suydelycke coelte om ’s anderen +daechts te sien het canael te ondecken. + +a 2. + +’s Morgens met de dach begon de mist wat op te claeren met een Suydelyck +coeltie, saegen lant in ’t O.S.O. van ons; omtrent 3 ueren voor de +middach lach de pieck _Antony_ S.W.t.W. ⅓ W., de _Croonberch_ S.O.t.S. ½ +S. 3 mylen van ons, saegen oock de _Boere hoyschuer_ in ’t S.O.t.O. ½ +O., de afgaende hoeck van d^{o}. berch in ’t S.O. ½ S., de Caep _de +Trou_ O.N.O. ½ N. van ons. De wint met stilte heel variabel loopende, +cregen tegen den middach de wint N.N.W. uyt der see, lieten het S. +aengaen om het canael te ondecken. ’s Middachts giste geseylt te hebben +O.S.O. ½ S. 6½ myl, saegen alsdoen de _Croonberch_ S.O. ½ S. 2½ myl van +ons, conden oock de _Gehackelde_ berch in ’t S., de _Boere hoyschuer_ in +’t O.S.O. ½ S., den afgaende hoeck van d^{o}. berch in ’t O., de Caep +_de Trou_ O.N.O. ½ N. van ons (sien). Waeren nu op de gegiste breete van +44 gr. 56¾ min., ende op de lengte van 164 gr. 41 min. cort naer den +middach viel weder een swaere mist, soodat wy weer heel geen gesicht en +hadden, conden oock geen gront crygen, wenden het W.waert over, peylden +’s avonts met een blinck de pieck _Antony_ in ’t S.W.t.S. ½ S. van ons. +’s Nachts de wint variabel met een dichte mist, somtyts regen, hielen af +ende verwachten claer gesicht; de wint ’s nachts N.N.O., N., N.N.W., W., +W.S.W., W.t.S., S.S.W. + +b 3. + +’s Morgens was ’t heel doncker mistich weder, de wint Westelyck, op hoop +dat de mist wat opclaeren soude leyden wy het naer den wal toe; omtrent +’s ochtents te 9 ueren claerde de mist wat op, saegen de pieck in ’t +S.W. van ons, ende Caep _de Canael_ in ’t S.t.O., lieten het al S.S.W. +naer de wal voort staen, ende is geresolveert om hier ergens ten ancker +te loopen, indien wy bequaeme anckergront mochten vinden, ende dan met +ons vaertuych het canael te visiteren. ’s Middachts hadden wy heel claer +weder, de wint W. ende trock naer het N.W., giste alsdoen geseylt te +hebben W.S.W. 7 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 45¾ +min., ende op de lengte van 164 gr. 4 min., op de bevonden breete van 44 +gr. 43 min.. Hadden doen de _Croonberch_ ende de _Boeren schuer_ over +malcanderen, ende saegen O.N.O. ½ N. van ons, het hooge lant beiden de +_Boeren schuer_ ende de _Gehackelde_ berch W. ½ N. De _Gehackelde_ berch +lach O.t.S. ½ S. 5 mylen van ons, stelden onse cours S. naer de wal toe, +cregen gront op 46 vadem, singel; lieten het al voort staen, vernaemen +een opdroogende gront, quaemen omtrent 3 ueren naer de middach op de +diepte van 27 vadem, fyne singel ende cralyge gront omtrent 1½ myl van +lant, quaemen daer ten ancker. Geset liggende is onse prauw uitgeset, +syn naer lant gestiert om te ondersoecken of onder de wal geen beter +anckergront en was ende of hier geen volck en woonde, oock of hier geen +gelegentheyt was om water ende eenich hout te crygen; ende alsoo by ons +om de O. van ons een rivier scheen beoocht te worden, om het selve met +een te visiteeren, ofte het een diepe ofte drooge rivier was. Syn +vooreerst al diepende naer de rivier gevaeren, vonden een goede +opdroogende santgront 1 myl van lant 20 vadem, tot een gotelingsschoot +van lant 10 vadem, swarte santgront. Voor de rivier comende syn daerin +gevaeren, bevonden deselve drooch te syn ende brack water te wesen. +Vernaemen aen lant veel voetstappen van menschen ende beesten, ende het +lant stont seer liefelyck ende groen, met veel ontloocke bloemen als in +ons vaderlant, vonden een gemaeckt houte swaert; op ’t corts het rontom +ons besichticht hebbende, syn langs de strant gevaeren om de W., maer de +dach ons te cort wesende om meerder gelegentheyt te doorsien, meenden +naer boort te vaeren, maer een vaertuych siende, dat eenich volck op +strant haelde, syn daer naer toe gevaeren. By haer comende dicht by +strant, vonden een man met een grooten ruygen baert met 2 vrouwen ende 3 +jonge manspersoonen ende eenige kinderen by het vaertuych, ’t welck sy +al op strant gehaelt hadden. Den outste had een pylkoocker met pylen aen +syn hooft hangen, met een booch in syne hant ende een houwer op syn sy, +saegen anders geen geweer. Hy riep tegen myn _sapoy_ ende wees, ick sou +aen strant comen, ’t welck ick gedaen heb, liggende met de aftersteven +van de prauw aen de strant, hy selven de prauw, tot syn knies toe in ’t +water staende, afhoudende. Heb soo sittende in de prauw hem eens arack +geschoncken, maer wilde niet drincken dan als most selver eerst wat uyt +’t copien drincken, syn met vrientschap van hem gescheyden; hem wysende +ick sou morgen weder comen, waerover de vrouwen in haer handen clopten +ende schenen bly te syn, syn in de voornacht aen boort gecomen, ende heb +het wedervaeren van ons aen den E. Commandeur geraporteert. + +c 4. + +’s Morgens hadden wy moy liefelyck weder met een cleyn coeltie uyt een +N.O., gingen onder seyl, seylden wat naerder de plaets alweer wy by het +volck geweest waeren, alsoo daer oock tot verscheyde plaetsen vers +water quaem afloopen ende aldaer gemackelyck om te haelen was; quaemen +weder ten ancker op 20 vadem, swarte santgront, ⅔ myl van lant. Geset +synde syn met de prauw weder naer lant gestiert met eenige cleenicheden, +om dese menschen daerdoor soecken te trecken ende soo haer ommeganck, +leven ende wat negotie sy mochten hebben, te bemercken, ende ofte sy +oock van gout ende silver wisten. Met de prauw by het strant comende +riepen om het seerst _sapoy_ ende clopten in haer handen, conden anders +niet bemercken of dat roepen _sapoy_ was welcom te seggen; den outste +riep ende wees ick soude aen lant comen, ’t welck ick gedaen heb, ende +liet de prauw met ons volck soo lang van de wal afroeyen. Ick aen lant +comende heb ick den outste by syne handen genomen ende voorts +malcanderen omhelst, betoonende met wysen malcanderen soo veel +vrientschap als conden bybrengen. Een manspersoon quaem met een lange +mat, gemaeckt van biesen ende ley die op strant neder, den outste my by +myn hant vattende wees ick sou gaen op die mat sitten; ick nedersittende +quaem syn geheel gepeupel rontom my, ’t welck bestont in 4 +manspersoonen, 2 vrouwen, 2 vrysters met een cleyn meysien, sy waeren +allen gecleet in rocken van vellen. Ick dese groote beleeftheyt van den +barbaer doorsien hebbende, heb hem begifticht met 2 à 3 menocke[?] +Tarnataense taback, die hy met groote danck aennam, de vrouluy ende het +kint hinck ick elck een chrystalyne craelde ketting om de hals, waermede +sy heel bly schenen te wesen, gaf noch aen elcke vrou een cleyn stuckie +wit linnen, waermede sy soo bly waeren, conden het selve niet genoech +uytroepen, sy vereerden my veel groote stucken heylbot, die noch heel +vers was, heb doen met haer allen wat arack gedroncken, ende naem den +outste by de hant ende ginck al dansende met hem boven op een groene +vlackte, alwaer 5 à 6 huysies stonden, maer waeren maer 2 bewoont, +alwaer ick noch veel verse heylbot vont hangen, daervan sy my soo veel +gaeven als ick begeerde, ick (heb) haer beleeftheyt weder met eenige +cleynicheyt vergolden. Den outste onder haer toonde myn een costelyck +ottersvel ende sey _takoy_, ’t welck is vrient te seggen, ende wees ’t +selve wilde vercopen, maer ick daer geen last toe hebbende liet het +blyven. Haere huysies waeren van cleyn aensien, bedeckt met gras, de +mueren waeren groote basten van boomen, die met streenties van vellen op +malcanderen vast ende seer dicht genaeyt waeren; haer haertsteen in ’t +midden van het huys met 2 luyckies daerboven, daer de roock uyttreckt; +hadden veel heylbot ende salm over stocken boven het vuer in de roock +hangen, conden geen eetbaere cost by haer vermercken als visch, sy aeten +oock groote dicke steelen van eenige groote blaeden, die hier veel +wassen, gaeven die over aen myn, waeren goet ende smaeckelyck om soo uyt +de hant te eten, saegen geen gedierte by haer als een party dicke ruyge +honden. Dit was al een volck als van _Tamary_, _Tacaptie_ ende +_Goutsiaer_, die plaetsen waeren hy haer wel bekent. Syn plaet van syn +houwer was met silver beslaegen, ick wees hem waer hy daeraen quaem, of +waer men dat goet creech; waerop de outste vrouw myn meening eerst +verstaende, myn stracx wees, graevende met haere handen in ’t sant, ende +nam doen wat sant in haer hant ende dede bewys van sissen, ende dede dat +dan in een pot, ende wees dat men dat dan op ’t vuer sette, ende dan +goet en was. _Cany_ is by haer silver te seggen. Ick wees weder waer sy +dat soo deden, soo wees myn de barbaer naer de pieck _Antony_, dat het +daer was, ’t welck sy allen confirmeerden. Syn alsdoen met vrientschap +van haer gescheyden, ende syn om de W. van die huysies gevaeren in een +baeytie, vonden daer soo veel suering als wy begeerden, waervan wy ons +genoegen pluckten; voeren naer boort toe, brochten soo veel heylbot ende +suering aen boort, als met het heele scheepsvolck conden opeeten, +quaemen tegen den avont aen boort ende heb van alles rapport aen den +Commandeur gedaen. Daer wy alsnu ten ancker lagen, giste sedert den +3^{den} vertiert te syn S.t.O. 3 mylen, waeren volgens dien, op de +breete van 44 gr. 31 min., ende op de lengte van 164 gr. 7 min., ende +bevonden breete van 44 gr. 31 min. + +d 5. + +’s Morgens was ’t heel mistich stil weder, syn beneffens de boot met de +prauw naer lant gevaeren, de boot om water ende wy met de seegen om te +visschen, brachten met een aen de habytanten wat ryst, alsoo sy daer +begeerich naer waeren ende wy oock haer arm leeven aensaegen. Wy aen +lant comende, quaemen myn te gemoet sonder geweer by haer te hebben, +ende toonden myn alle vrientschap, ende naemen de ryst met een groote +beleeftheyt aen. Syn volck holp ons de seegen trecken, wy vingen soo +veel salm, tarbot, bot, schaer ende andere visch, waeronder 3 +cabbeliauwen waeren, als wy met ons scheepsvolck eeten mochten. Syn ’s +middachts, de boot syn water inhebbende, saemen aen boort gecomen, ende +is de boot naer de middach weder om water gestiert, ende ick syn met de +prauw ende de cleyne seegen naer de rivier gevaeren om te visschen, +quaemen met den doncker aen boort; brachten een moije soo bot aen +boort. Aen boort comende, verstont dat de boot noch niet aen boort en +was, wiste niet wat dencken soude; syn met de prauw naer lant gevaeren, +aan lant comende, vonden de boot op het strant sitten, was van de dreg +afgeworpen; hebben stracx een dreg soo veer in see laten brengen als +conden, om met hooch water de boot weder seecker in ’t vlot te crygen; +heb de prauw weder aen boort gestiert. Ick vernaem nu als dat de +inwoonders met ons seer becommert waeren ende alle hulp presenteerden +dien sy conden, leenden ons een byl om branthout te cloven ende gaeven +ons geroockte heylbot om te eeten; presenteerden, wy souden in haer +huties comen, maer wy bleven op ’t strant by een groot vuer ons +warmende, verwachtende het hooch water, ’t welck wy dien nacht niet +hebben vernomen, maer wel een styve S.S.O. wint, met doorsnydende coude. + +e 6. + +’s Morgens cregen wy een hooge oploopende see, cregen met cracht van +talyen de boot in ’t vlot, ende hebben noch de watervaten met water +ingecregen. Terwyl ons volck de watervaten met water innaemen, quaem de +outste van de inwoonders by myn, ende presenteerden myn een fyn +ottersvel, waervoor ick hem een oude scheepsbyl gaf, dewelcke ick in +onse boot vont, ende was daer heel blyde mede; heb het selve in handen +van den Commandeur overgelevert, als wanneer wy met de boot aen boort +quamen. Aen boort comende, was ons schip driftich geweest, hebben +derhalven ons tuyancker tuys gewonnen tegen den avont, alsoo het doen +stillekens wert ende eer niet hadden connen uytrechten. + +f 7. + +’s Morgens was ’t moy weder, somtyts heel mistich, een moy coeltie uyt +een S.S.O., syn alsdoen met de prauw ende onse Schipper met de boot om +de O. gestiert, om het canael terdegen soecken te ontdecken, soo veer +het mogelyck was; syn saemen van boort gevaeren, van boort wesende, +cregen doen een dicke mist. Wy met het prautie syn langs de wal +geschept, de boot syn best doende met op te laveren, ick syn aen het +eylant gecomen dat aen het W. van het canael leyt, alwaer het canael by +door schynt te loopen, syn daer boven opgeclommen, ende heb met een +blinck het canael eens beoocht, verwachtende onse boot. Op dit eylantie, +het welck cleyn was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast was +gehecht, conde men met laech water over aen het vaste lant van _Eso_ +loopen; saegen met een blinck onse boot dicht aencomen, sijn naer het +schuytie geloopen, maer eer by ons schuytie quaemen, verlooren onse boot +uyt het gesicht door de mist ende subyte harde stroom. Wy saegen +verscheyde roode vossen op d^{o}. eylant loopen, gaeven ’t den naem van +_Vossen_ eylant. Van dit _Vossen_ eylant streckt een recif van clippen +om de N.N.O. in see, ’t welck d^{o}. canael heel peryckeloos maeckt, +ende streckt wel een myl van de wal. Door subyt verlies van de boot, +preste ons best om de boot weder in ’t gesicht te crygen, vreesende de +boot eenich ongeluck mochte bejegenen, schepten ons best; by het rif uyt +om de N.N.O., comende met de prauw voor een doortreckent gadt in ’t rif, +werden daer door de stroom ingeruckt boven op een blinde clip, cregen +stracx de prauw meest vol water. Cregen met der haest de prauw slaechts +ende schepten wat after de clippen, ende cregen het water daeruyt, +schepten alsdoen voorts langs het riff, saegen met een blinck de boot +geset liggen aen het eynt van d^{o}. recif, al waer wy naer toe syn +geschept. Daer aen boort comende, verclaerde onse Schipper, dat de +stroom haer daer gevoert hadde eer het selve wisten, de branding siende +de dreg hadden laten vallen, lagen geset op 5 vadem, cralige gront. Dit +rif was gebroocken, op sommige plaetsen de clippen boven water liggende, +daer ginck sulcken stroom by de boot, soo veel wy met de prauw conden +doot scheppen, ende dat om de O., ende vertrock soo veer wy met de prauw +buyten om het rif gecomen hadden, dat het self niet wederom soude +opgeschept hebben. Hebben met malcanderen overleyt of het geraeden was, +om met de vaertuygen ons in soo dangereuse canael te begeven, ende dat +met soodaenige mist ende harde stroom, ’t welck niet wel conde +geschieden, sonder blyckelycke peryckel van vaertuych ende volck. Wert +met gemeene stemmen geoordeelt, met beeter fondament om quaeder voor te +comen, weder om te keeren; de lucht een weynich opclaerende, ende een +cleyn coeltie hem verheffende, ginck de boot onder seyl, ende dede syn +best om onder ’t lant van _Eso_ te comen. Syn ondertusschen weder naer +het _Vossen_ eylant geschept, om met die claere blinck van d^{o}. eylant +te beoogen des canaels gelegentheyt, soo veel als wy conden; conden in +dit canael geen vile (vuilen) sien als van het _Vossen_ eylant +afstreckte. Ick boven op de hoochte van het Vossen eylant sittende, +saegen de Caep _de Canael_ in ’t S.S.O. van ons ende lach in een mist, +ende wert stracx weder mistich. Het _Vossen_ eylant leyt omtrent 3½ myl +W. van de gehackelde berch van het _Staten-lant_, soo dat dit canael +omtrent 3 mylen wyt is. Voorts niet sonders meer connende beoogen, syn +by onse boot gevaeren ende heb de seegen van haer overgenomen, ende syn +aen het visschen gepuert, vingen soo veel visch als wy met het +scheepsvolck conden opeeten; quaemen ’s nachts de eerste wacht uyt synde +aen boort, het was ’s nachts schrickelyck mistich. + +g 8. + +’s Morgens quaem onse boot aen boort, syn doen daermede beneffens den +Commandeur naer lant gevaeren, de prauw is terwyl om groenten gevaeren. +Wy aen lant comende heeft de Commandeur de habytanten eenige +cleenicheden gegeven, ende aen den outste een cleyn Prince vlaggetie +vereert, al waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende +liet het waeyen. Terwyl hebben wy een moye soo visch gevangen, ende die +aen lant gecoockt ende gegeten, al waerop den outste den Commandeurs +gast was, toonden haer seer vriendelyck ende beleeft als vooren. Een van +ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het +aen de habytanten, maer het selve siende waeren daer vervaert voor, ende +wesen men soudt in ’t water goyen, ja die dat houten cruys aengeraeckt +hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen maer most syn handen eerst +wasschen, dan was ’t wel; lachten ende toonden haer bly, doen men het +houten cruys in ’t water smeet, noch een soodaenige cruys stont vooraen +in ’t bosch; voeren tegen den avont aen boort, scheyende met +vrientschap. + +a 9. + +’s Morgens was de wint Suydelyck, syn met de prauw beneffens de boot +weder naer lant gevaeren, om te visschen ende eenich timmerhout van lant +te haelen dat by ons volck omgehackt was, synde al greenhout ende +berckenhout, ’t welck hier in abondantie stont, oock bequaeme boomen van +vuerenhout, groot genouch tot mast ende stengen. Een weynich aen lant +geweest synde liep de wint naer het N.N.W., ende trock voorts naer het +N.W., waerop de see soo styf tegen het strant aen begon te schieten, dat +onse prauw in de gront wert geworpen, hebben hem voorts op ’t strant +gehaelt, ende mosten de boot met 2 à 3 man laeten liggen ryen, effen +buyten de storting van de see, want conden nergens heen; leyden een +groot vier aen ende droochden onse plunie, verwachten dien nacht met +patientie beter weder ende wint. ’s Nachts woey ’t styf uyt een N.W. met +motregen, den ouden inwoonder gaf ons verse heylbot, die wy coockten +ende aeten, hy scheen met ons groot medelyden te hebben. Dien dach was +noch een ander geruycht carel by ons gecomen, ende bleef oock by den +ouden Esoer, die had pylen ende booch by hem ende een houwer; toonde hem +tegen ons oock vriendelyck, bracht syn geweer in huys ende quaem by ons. + +b 10. + +’s Morgens was het weder wat bedaert ende het water wat geslecht, syn +met de prauw ende boot aan boort gevaeren. Aen boort comende, is by den +Commandeur ende syn raet geresolveert om onse reys te vervorderen naer +Tartaria, alsoo ons volck altesaemen noch redelyck gesont waeren, gelyck +voorder by resolutie blyckt. Wat naer middach syn ick met de prauw +beneffens de boot naer lant gecommitteert, om een brief aan lant te +brengen by den outsten van het dorp; ende terwyl souden ons volck met de +boot het hout van lant haelen ende aen boort brengen, ’t welck geschiet +is. Terwyl ick by den ouden heer was, saegen den voorgeschreven gecomen +inwoonder met een prauw aencomen roeyen ende quam alhier aen strant, +hebben hem syn prauw op ’t lant helpen haelen. Hy quaem van de West ende +brocht noch een jongman mede met 2 vrouwen, een vryster ende 4 cleyne +kinderen, naemen haer woonplaets in een van de leege huysies; sy hadden +seer weynich goet by haer, waeren alle eender gecleet met rocken van +vellen. Ick myn boodtschap verricht hebbende, naem myn afscheyt van haer +luyden, sy geleyden myn met alle man naer de prauw, wesen ick most weder +naer lant comen ende by haer comen want wy vrienden waeren, ende syn +huys was voor my ten besten; syn soo met vrientschap gescheyden ende aen +boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy een styve coelte uyt een S.S.O. + +c 11. + +’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.S.O. met een styve coelte, +lichten ons ancker, stelden onse cours om de N.W. naer see toe; de gront +diepte naetuerlyck af als volcht, 20, 22, 23, 25, 28, 30, 31, 32, 40, +43, 47, 50, 54, 60, 65 vadem, meest santgront, somtyts singel somtyts +vuyle gront; waeren doen op d^{o}. diepte 2 mylen van onse anckerplaets +ende doen wat gront af; wat buyten de W. hoeck van de bocht daer wy +gelegen hadden comende, cregen de stroom uyt een W.N.W. tegen. ’s +Middachts giste ick van onse anckerplaets geseylt te hebben N.N.W. ⅔ W. +4½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 47 min., ende op de +lengte van 163 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 44 gr. 43 +min. Alsdoen lach de gehackelde berch O.t.S. ½ S. 10 mylen, ende de +hoeck van _Eso_, daer het _Vossen_ eylant af leyt, lach S.O. ½ O. 6 +mylen van ons, ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van de _Tepelberch_ +lach S.t.W. ½ W. 2 mylen van ons. ’s Nachts een moy coeltie uyt een +S.O., onse cours W.N.W., vernaemen groote raveling van stroom, met holle +deyninge uyt een S.O. comende het canael doorrollen. + +d 12. + +’s Morgens de wint als vooren, was moy claer weder, waeren door de styve +fehemente (stroom) soo tegengehouden, soodat wy weynich vertiert waeren. +’s Middachts waeren omtrent een myl N. vertiert, alsdoen lach de hooge +_Tepelberch_ van _Eso_ S.O.t.S. ⅓ S. van ons, waeren omtrent 3 à 3½ myl +van lant. Deden onse cours N.W. aen om wat bet t’ see te crygen, doch de +stroom styf om de O.S.O. loopende, hielt ons veel tegen, want als de +coelte wat stilde dreven over stier, ende met coelte soo hielen wy wat +meer als raeck en daeck; de deyninge als vooren styf uyt een S.O. Cregen +een doorgaende coelte uyt een S.O., vervolchden onse cours tot ’s +avonts, soo ick con bemercken minderde de voorige stroom. ’s Avonts lach +de _Tepelberch_ op _Eso_ S.t.O. ⅔ O. van ons, 9 mylen, stelden alsdoen +onse cours W.N.W. aen, conden geen raveling van stroom meer bemercken; +de eerste wacht uyt synde, begon de coelte ende de S.Ooste deyninge wat +af te neemen, cregen in de tweede wacht een weynich regen. + +e 13. + +’s Morgens was ’t een deysige lucht met een dichte mist, de wint +S.O.t.O. met een cleyn coeltie, stelden ’s ochtents onse cours W. aen. +’s Middachts giste geseylt te hebben W.N.W. ¾ N. 20 mylen, waeren +volgens dien, op de gegiste breete van 45 gr. 26 min., ende op de lengte +van 162 gr. 17 min.; deden alsdoen onse cours W.S.W. aen, om te vernemen +ofte by d^{o}. cours weder geen lant souden opseylen, ende by daech +mochten in ’t gesicht crygen. Naer de middach de wint O.S.O. ende saegen +veel drift dryven, als wier, veeren ende steencroos. ’s Avonts cregen +een groote wallevisch rontom het schip swemmen, waerdoor vermoeden, +gelyck veel bevonden hadden, niet veer van gront te syn. ’s Avonts noch +geen lant siende, noch geen gront crygende, geyden onse seylen op ende +naemen de blint in, lieten het met beyde marsseyls ende fock voorts +staen, deden onse cours W. aen, cregen gront op 80 vadem, steckgront. +Doen der 3 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, lieten de marsseyls +neerloopen ende geyden de fock op, lieten het soo liggen dryven met de +steven N. waert over, de wint doen O. ende O.N.O., dreven om de N.W. +ende N.W.t.W., droochde te met langhsaem op, hadden een doorgaende +coelte ende slecht water; vermeenden omtrent eenich lant te syn. + +f 14. + +’s Ochtents was het een donckere mistighe lucht, hadden alsdoen de +diepte van 65 vadem, fyn leyachtige santgront; de wint O.N.O. met een +doorgaende coelte, setten onse seylen weder by, stelden onse cours W. +aen, omtrent 2 mylen, was doen opgedroocht tot 60 vadem, swarte +santgront. Lieten het doen N.W. aen gaen 2 mylen, was alsdoen diep 50 +vadem, grauwe fyne santgront met eenige schelpen vermengt; deden doen +onse cours N. aen 2 mylen, tot ’s middachts, hadden doen de diepte als +vooren, 50 vadem, schelpige gront met cleyne crael vermengt, saegen +somtyts eenige see-honden, oock veel drift als fyne steencroos, biesen +ende veel veeren dryven. Giste alsdoen geseylt te hebben W.t.N. 16¼ myl, +waeren volgens dien, op de breete van 45 gr. 39 min., ende op de lengte +van 160 gr. 44 min., saegen eenige raveling van stroom. Is alsdoen +geresolveert om het lant aen te doen, alwaer door het opdroogen van den +gront omtrent mosten wesen; vervolgende onse N. cours 1½ myl, was diep +46 vadem, fyn grauwe santgront. Het scheen dat hier stroom liep, dan +conden door de harde coelte weynich bemercken hoe die liep; onse cours +als noch N. vervolcht 1¼ myl, bevonden de diepte van 42 vadem, fyne +santgront. Saegen alsdoen omtrent te 4 ueren naer de middach hooch lant +in ’t W.t.S., ende streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op +sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen +gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35 +vadem, fyne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende +lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 10½ myl van ons. Hadden van +’s middachts geseylt N. 5½ myl, was doen diep 35 vadem, gingen doen +N.N.O. 1½ myl aen, was doen diep 44 vadem, fyne santgront, de wint doen +O.S.O. ’s Avonts haelden wy onse marsseyls neer, geyden ons seyl ende +fock op, lieten het met de steven om de N. liggen dryven; dreven W.N.W. +aen 2 mylen, cregen doen de diepte al opdroogent 42, 36, 33, 32 vadem, +somtyts wasige gront somtyts steckgront. De wint somtyts ’s nachts +O.S.O. ende O.t.N. met een cleyn luchie ende slecht water, noch 1½ myl +N.W. aengedreven was opgedroocht als volcht, 32, 30, 28, 27, 24, 23, 22 +vadem, gront als vooren. + +g 15. + +’s Morgens was ’t mistich doncker weder met wat regen, de wint O.t.S., +maeckten seyl, lieten het N.N.O.waert over staen, behielden al de diepte +22, 23, 24, 23 vadem steckgront. Saegen omtrent 2 ueren voormiddach met +een blinck eens het lant in ’t W.S.W. tot in het N.W., saegen hier veel +witte plecken tegen het lant aan, maer alsoo het corts weder betrock, +conden geen vaste kennis crygen, hadden de diepte ende gront als vooren; +onse cours N.O. aenstellende, om alsoo by het lant om te seylen. Giste +’s middachts geseylt te hebben N. 12¾ myl, waeren volgens dien, op de +gegiste breete van 46 gr. 30 min., ende op de lengte van 160 gr. 44 +min., waeren doen 4 mylen van lant. Vervolchden onse cours N.O. aen 2½ +myl, was doen diep 23 vadem, steckgront, saegen alsdoen het lant in ’t +N.N.O., O.N.O., O. ende O.S.O. De wint S. met cleyne coelte ende slecht +water, lieten het voort staen, droochde te met op, 20, 19, 19, 18, 18, +17, 16 vadem, steckgront, alwaer wy ten ancker quaemen. Ten ancker +liggende verwachten eens gesicht te crygen alsoo weder heel mistich was, +hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy +in een doorganck lagen ofte in een bocht geset liggende. De wint met een +cleyn coeltie ’s nachts doorwayende uyt ’t S.S.W., hadden ’s nachts een +cleyn regenbuytie, saegen in ’t N. veel vueren onder de wal, vermoeden +hetselve visschers te wesen. + +a 16. + +’s Morgens was ’t noch mistich weder maer claerde een weynich op, saegen +dat in een groote inbocht geset lagen; hebben onse prauw uytgeset ende +syn N.O.waert heen naer lant geschept om te diepen, of de gront al +gestadich opdroochde met goede gront ofte niet; bevont de gront op te +droogen tot 10 vadem, steckgront. Waeren doen ⅓ myl van lant dan +droochde voorts op, maer wert doen steenige ende clippige gront tot een +rif dat dicht by de wal langs streckte. Deden teycken aen ons schip, ’t +welck is onder seyl gegaen ende quaem naer de wal toe, wy hem met de +prauw te gemoet scheppende, saegen dat ons 3 vaertuygen nae quaemen +roeyen, maer wy roeyden voort aen boort. Wy wat aen boort geweest +hebbende, quaemen met die 3 prauwen by boort, waer in elcx waeren 5, 6, +8 man; was al eender hande volck als voor desen by geweest waeren, +riepen _Asorka Jankarate_, ende vreeven haer beyde handen tegen +malcanderen, met heen ende weder draeyende armen, ende wesen of sy aen +boort mochten comen, waerop den Commandeur wees sy souden aen boort +comen, waerop sy aen boort quaemen, ende clommen eenige stracx over. +Dese Esoers waeren gecleet meestal met grove rocken van henneplinnen, +ongebleeckt, ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeyt met root ende +blauw catoene gaeren, hadden altegaeder schrooties armosyn van +alderhande coleuren in haer ooren; sommige hadden rocken van vellen aen. +Dese habytanten over synde, toonden haer vriendelyck ende vrolyck, ende +wesen men sou dicht aencomen met het schip, wesen naer lant, alwaer wy +een dorp saegen staen in een valey, het welck sy noemden _Tamary_, maer +alsoo wy niet sonders by dese inwoonders vernaemen, als een cleyn sootie +visch ende maer een man met silvere ringen in syn oor, syn weder van +lant afgewent, alsoo op 9 vadem waeren, steenige gront, ende alree 11 +van haer vaertuygen met volck aen boort waeren. De wint S.O., lieten het +S.S.W.waert over staen, de habytanten dat siende, syn van boort gevaeren +naer lant toe. Onder dese habytanten was een heel oudt man die mede in +’t schip over geweest hadde, van ouderdom meest blint ende gaende heel +crom, leunende op een stockie, wiens haer ende syn lange baert was soo +wit als vlas. De wint treckende naer het S. met stilte, synde omtrent ½ +myl van lant, quaemen eens noch 3 vaertuygen naer roeyen, ende quaemen +aen boort, brochten veel versche ende gedroochde salm ende gedroochde +haerinck aen boort, doch was al ongesouten. Onder dese habytanten waeren +verscheyden persoonen met groote silvere ringen in haer ooren, saegen +oock een vrouw in de eene prauw sitten, blanck synde met swart lanck +hangent haer op haer hooft, hadde in elcke oor een groote silvere rinck, +om haer hals hebbende een groote blauwe gecraelde ketting, waeronder +eenige andere craelen geregen waeren, maer sy wilde niet overcomen. Dese +inwoonders hadden sommige houwers op haer sy, daer de plaeten rontom met +silver waeren beslaegen ende oock de scheen (scheden) aen de eynden seer +sierlyck, haer heften van haer houwers oock sierlyck met silver ingeleyt +ende gewrocht. Haer visch ruylden wy haer af, om ryst ende stuckies van +ysere hoepen. By den Commandeur bemerckt synde de abundantie van het +silver, is geresolveert om weder naer dat dorp _Tamary_ te seylen ende +te vernemen waer dat sy aen dat silver quaemen, want sy haer goet +verruylt hebbende, riepen ende wesen al dat wy weder omkeeren souden, +ende sy seyden _Pierke Tamary_, het welck te seggen is, compt te +_Tamary_. Quaemen daer ten ancker tegen den avont, op 6 vadem, steenige +gront, maer alsoo ons ancker hier niet wel wilde houden ende de wint +aflandich was, syn op 9½ vadem, steckgront geseylt ende daer geset; het +dorp _Tamary_ N.O. ½ myl van ons. Waeren nu op de gegiste breete van 46 +gr. 40 min., ende op de lengte van 160 gr. 58 min.; alsdoen lach de +anckerplaets onder _Companys lant_ 6 gr. 32 min. besuyden het O. van +ons, nagenoech 72 mylen, ende de anckerplaets onder het N.O. eynt van +_Eso_ lach alsdoen 45 gr. 42 min. beoosten het S. 46¼ myl van ons, +volgens waere cours ende veerheyt. De habytanten syn vrolyck naer lant +gevaeren, die voorschreven stockouden man quaem alsdoen weder aen boort, +ende had een blauw catoenen rock aen, alwaer Japansche caracters met +gout op gedruckt stonden, in een groote viercante perck op syn rug. +Dese rock was met alderhande coleuren van catoene gaeren genaeyt ende +versiert; hy toonde syn rug, seggende of dede bewys men sou ’t lesen, +maer wy hadden niemant dien ’t selve conde verstaen. Wy onthaelden dien +ouden man met syn byhebbent volck met een scheeps arackien, ’t welck sy +lustich mochten, riepen altemet _Tacoy sackie meyere_, ’t welck is te +seggen, _sackie_ drincken, want seggen tegen drincken _meyere_; riepen +altemet met een vrolyck gemoet _Tacoy pierka Tamary_, ’t welck is, +vrient compt te _Tamary_. Syn met den avont aen lant gevaeren vrolyck +ende al singende. ’s Nachts regenachtich weder, met een sware mist. + +b 17. + +’s Morgens was ’t heel mistich regenachtich weder, syn gecomitteert met +het prautie beneffens myn de 2 Assistenten Arnout Brouwer ende Davit +Cassu naer lant te vaeren, ende op alles goede opmercking te nemen, ende +haer soecken te ondervraegen waer sy aen het silver quaemen. Bevonden +het als volcht, vooreerst wy met de prauw door de mist heenbreeckende, +quaemen onder de wal tegen een cleyn rifken van clippen, alwaer wy niet +over mochten maer mosten daer by omscheppen. Een inwoonder van ons boort +comende, quaem ons inroeyen, hadde 4 roeyers ende een vrouw in syn +vaertuych, ende riep tegen myn _Tacoy pierka_, ende wees wy souden hem +nae scheppen, hy sou ons voorroeyen; hy harder roeyende als wy conden, +wachte ons dan weder in, brocht ons in een kil die naer de huysen toe +liep, roeyde doen syn best ende was voor ons aen lant, liep eerst in een +huys ende quam stracx weder. Terwyl quaemen wy met de prauw aan lant, +maer alsoo het wat veer vlack was, heeft een prauw af laeten voeren, +die vlot by onse prauw gebrocht wert, ende riep _Takoy_, ende wees, wy +souden in die prauw overstappen om droochvoets aen lant te comen. Voor +waer synde een groote beleeftheyt van desen inwoonder, syn daerin +getreden, brochte ons drooch op lant, de rest van de inwoonders sleepten +doen onse prauw met een grooten yver oock op ’t lant. Op strant stonden +veel inwoonders, soo mannen als vrouwen ende kinderen, quaemen uyt alle +hoecken voor den dach ende riepen al _Tacoy_, ’t welck is vrient, een +van de vrouwen ons verwelcomende met een bevent stemmetie. Een bedaecht +man, comende van boven uyt een van de huysen, ende quam by myn ende +greep myn by de hant, ende sey _Tacoy jankaryte_, ende greep myn voorts +eens vriendelyck om myn midden tot teycken van vrientschap, ende gingen +soo hant aen hant naer syn huys toe, ’t welck boven in ’t groen dicht by +het strant stont, ende was rontom met pallisaeden beset, met een +getraliede deur daeraen. In huys comende vonden daer op een verheven +_diggedig_ [?] alwaer matten op laegen, den selfden man sitten dien ons +voorgevaeren was, synde gecleet met een blauwe catoenen rock met witte +bloemen, syn vrouw aen syn slincker sy, gecleet met een rock die met +veel strickies ende cruysies vernayt was, met alderhande coleur van +catoene gaeren; dese rocken waeren als de Japansche _catabers_. Den +inwoonder wees ick sou gaen sitten aen syn rechter sy op de verheven +_diggedig_, synde omtrent 1½ voet boven de aerden, sittende op syn +Japansch op de matten, die overal geleyt waeren langs het huys. Dese +persoon scheen over dit dorp het meeste gesach te hebben. Dus sittende +hadden een fraey discoursie met wysen, ende alsoo hy in elcke oor een +groote silvere rinck had ende syn vrouw noch veel grooter, wees waer hy +dat van daen creech, sey dan _Miniasiama_, ’t welck is te seggen, ick +verstae u niet. Dus sittende liet myn 2 Japansche copere tabackpypen +sien, ende sey _Tacoy tambaco_, ’t welck is te seggen, vrient taback, +heb alsdoen wat Javaensche taback omgedeelt, ende droncken in ’t ront +een tambackien ende arackien, maer wilden niet drincken of mosten self +eerst daer wat uyt drincken. Dan op het jongst wel merckende, dat de +dranck al uyt een can quaem, droncken sonder schroom in ’t ront om. +Naerdat wy soo wat met wysen ende spreecken, sonder malcander te +verstaen, gediscoreert hadden, ick niet van dien quant van het silver +con vernemen, hebben alsdoen onse doos laeten opdoen ende den delinquant +met syn vrouw elck met wat cleynicheden vereert, ende alle de omsittende +vrouwen ende kinderen desgelycx, waerover alle wel tevreden waeren; +insonderheyt als ick elck een cristalyne craelde ketting om de hals +hinck, roepende al lachende _Tacoy, Tacoy_. Des huysheers vrouw hadde +een groot blau gecraelde ketting om haer hals, waer copere teyckens +tusschen geregen waeren ende eenige andere coralen. Dese vrouw is +opgestaen, ende heeft ons elck wat geroockte heylbot in een Japansch +verlackt schutteltie gegeven, ende sey _Tacoy aimaira_, ’t welck is +vrient eet; haer beleeftheyt siende heb elck een schrootie armosyn +omgedeelt, van de lengte ende breete eens schoenlints, waermede sy seer +bly waeren. Sy opstaende ende haelde een oude lap van slecht Sinees +goudlaecken, seggende _Tacoy_, ende wees of wy sulck goet niet hadden, +scheen daer seer begeerich naer te wesen; maer wy toonden haer onse +coopmanschap, ’t welck bestont in cleyne Sinesche spiegels, +waterparelen ende slechte craelen, wat laecken, sarassen, tafasilas, +seylcleeden, om te betoonen als dat wy als coopluyden hier quaemen om te +handelen. Terwyl is den buerman naest dese syn huys wonende, alhier in +huys gecomen ende dronck eens arack ende een tabackie met ons, is doen +opgestaen ende greep myn by de hant, ende noodichde myn tot synent te +comen; naem met beleeftheyt myn afscheyt ende ginck met hem. Hy +uytcomende ging sitten als den vorigen, maer hebbende 2 vrouwen die aen +syn slincker sy gingen sitten; dese persoon had een rock aen van catoen, +blau met witte oochies; syn vrouwen waeren gecleet, de een met een +hennipe grove rock, wat vernaeyt synde, ruylde die van haer lyf af voor +3 snoeren watercraelen. Sy alleen loopende heeft een rock van vellen +aengedaen ende quaem ende brocht myn de rock, dewelcke ick heb laeten +bergen ende aen boort gebrocht tot een monster; de ander vrouw had een +rock aen van robbenvellen. Syn doen tegen ons ende haer mans over gaen +sitten, haer mans vereerde ons met een vel, niet wetende van wat +gediert, waer tegen wy hem 2 ellen blau syden lint vereerden, hebben +d^{o}. wel aen boort gebracht; den eene vrouw opstaende deelde ons elck +een Japansch soo vier- als ses-cante verlackte schuttelties om, alwaer +in elck 2 stucken gecoockte heylbot lach ende seyde _Tacoy amaira_, als +is te seggen, vrient eet. Corts hierop is den vorigen by geweest +hebbende inwoonder, met syn wyf ende gantsche huysgesin by ons gecomen, +ende brochten ons een swart geroockten salm tot schenckagie mede, ende +was met ons alle vrolijck ende vriendelyck. Hebben op novens (nieuw) +onse coopmanschap laeten sien, wesen of sy geen goet daervoor geven +wilden, wilden het goet wel hebben maer wilden niet genoech van haer +vellen scheyden; wees dat sy sulcke rocken voor haer vellen hebben +wilden als hy aenhad. Ick haer allen wat Javaensche taback, wat naelden, +ende wat naey-sy ende eenige craelde kettingties omgedeelt hebbende, +schoncken haer noch eens arack ende naem myn afscheyt. Sy bedanckten ons +soo het scheen geweldich, naemen alsdoen onse ganck naer het strant, +waer naer toe sy ons met alle man convoyden. Wy op strant comende, quaem +een out man met een lange ruyge witte baert by ons, ende naem myn by de +hant, ende ginck met myn naer een opgestelt hutien dat op strant stont. +Myn niemant volgende als ons eygen volck, gingen daerin ende was maer +van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, waer in ’t midden +vuer aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen cruyt over hinck +ende coockte. Gingen in ’t hutien by ’t vuer sitten, beneffens ons den +ouden grysen man met noch 2 manspersonen ende 3 vrouwen, waervan de eene +vrouw een cleyn kintie op haer schoot had, soo schoon als ooyt gesien +heb, ’t welck een meysie was, hebbende een blauwe craelde kettingh om +syn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen waeren, aen d^{o}. +ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlyck gemaeckt, wegende +met haer tween wel ½ pont swaer. Geseten synde droncken een arackien +in ’t ront met een tabackien, terwyl schafte een van de vrouwen in drie +verlackte coppies met voeties wat salm ende groen cruyt op, ende gaf ons +elck daer een af, ende sey, wy souden eeten, langde ons elck twee +stockies om op syn Japans daermede te eeten; een van ons daer niet wel +mede connende eeten, lachten daerom. Een van de inwoonders sey tot +verscheyde reysen tegen myn _Spanola_, maer ick hem daer niet op +antwoordende, sweech voorts stil; ’t welck myn in bedencken bracht of +hier wel Spaniaerts in vorige tyden geweest mochten hebben. Terwyl ick +in d^{o}. hutien sat is noch wat sonders voorgevallen, te weten: haer +honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen +bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van +de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer +daer een een poos de uytsicht gehad heeft; de rest van de honden, 10 à +12 by troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van +salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plonsten soo met +swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheyt hem dan +verheft uyt het water, ende springt op plaetsen daer weynich water is of +op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grypen die salm; +dan byten die stracx de cop af ende brengen het lyf by haer meester in +huys, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met laech water. +Dit alles beoocht hebbende, deelden hier aen de vrouwen ende kinderen +enige cleynicheden om tot danckbaerheyt, al waermede sy ten hoochsten +vernoecht waeren. Syn doen naer de prauw gegaen, hebben soo wel versche +salm als gedroochde d^{o}. ende gedroochde haerinck geruylt, als wy +conden voeren, voor stuckies van ijsere hoepen ende voor ryst. Cregen +oock veel salm voor cleyne stuckies linnen, dat ons volck aen haer hals +hadde in plaets van dassies. De vrouwen ende de kinderen quaemen soo +dick met visch op strant, als of sy de prauw wilden afloopen; den +principaelste van ’t dorp siende, dat wy ons by de prauw niet wel conden +redden door de menichte van ’t gepeupel, want riepen al te saemen +_Tacoy Cany_, dat is vrient ijser,[22] ende presenteerde elck syn visch; +heeft met 2 à 3 woorden haer verbooden soo menichte rontom de prauw te +comen, quaemen doen met 4 à 5 persoonen treffens om te verruylen, maer +onse prauw viel ons te cleyn ende mosten met ruylen uytscheyden ende +lieten de prauw wat van de wal afleggen. Syn doen met beyde Assistenten +met noch 2 à 3 man wat opgeloopen door een groen plasierich velt, ’t +welck vol geele lelys was gelyck in ons vaderlant in de tuynen wassen. +Werden doen weder in een huys genoodt, al waer wy met vrientschap +bejegent werden, gaeven ons wat geroockte salm ende vereerde weder aen +de vrouwen ende kinderen eenige cleyne snuystering, naemen met +vrientschap ons afscheyt naer de prauw toe, alwaer wy naer toe wel met +30 personen geleyt werden, waeronder oock onse sangers was, die ons +verwelcompt hadden in ’t aen lant comen met singen. Dede alsnu met +singen ons uytgeley ende syn met groote vrientschap van de inwoonders +van lant afgescheyden, roepende in ’t wechvaeren _Tacoy Tamary pierka +cany_, als wilden seggen, als ghy weder aencompt in _Tamary_, soo brengt +meer ijser mede. Syn met een groote stortregen aen boort gecomen omtrent +4 ueren naer de middach, ende heb aen den Commandeur ons wedervaeren +vertelt. + + [22] Bl. 113 is Canij: Zilver. + +c 18. + +’s Morgens was ’t mistich motrich weder, met een cleyn variabel coeltie, +syn ’s ochtens beneffens myn den Assistent Davit Cassu naer lant met de +prauw gestiert, om noch een deel visch te verruylen, ende met een een +vriendelyck afscheyt van dese inwoonders te nemen, ende om den meest +gesach hebbende een Prinse vlaggetie te vereeren met een brief. Aen +lant comende waeren seer welcom, hebben in corte tyt onse prauw vol +salm ende haering geruylt, syn van de 2 meest gesach hebbende persoonen +weder in huys genoodt, in huys wesende quaemen wel 50 menschen, soo +vrouwen, mans ende kinderen rontom ons sitten. Ick heb haer allegaeder +wat taback vereert, de kinderen ende vrouwen eenige cleynicheden, om tot +gedachtenis wat voor volck wy waeren, ende onse goetheyt mochte by +andere nabueren roemen, ende schonck elck eens arack om, waervoor sy al +te saemen haer heel danckbaer toonden, ende riepen allen Vrient, Vrient. +Heb doen met een beleeft wesen de Prince vlag aen den meest gesach +hebbende gegeven met de brief, toonde hem heel danckbaer, de brief van +binnen besiende lachte. Ick wees hy soude die bewaeren, als wy +wederquaemen soo most hy hem ons weder sien laeten, hy heeft de brief +gebercht ende liet de vlag waeyen; beduyde hem als hier weder een schip +quaem, dan most hy die vlag van syn huys laeten waeyen, ’t welck wees ’t +selfde soude doen; droncken daerop eens arack ende liet de trompetter +_Wilhelmus van Nassouwen_ blaesen, alwaer sy groot behaegen in hadden. +Sy keecken in de trompet, niet wetende of conden bedencken waer het +geluyt van daen quaem. Nae gedaene rekaratie (recreatie) naem met +vrientschap myn afscheyt ende syn naer boort gevaeren; quaemen met een +groote regen naer de middach aen boort, ende was seer mistich. Dit dorp +stont in een groene plasierige valey, alwaer afterom een schoone +salmrycke rivier loopt, synde versch water ende loopt aen de West-sy van +’t dorp in see; maer de rivier is van buyten in de mont drooch met laech +water, alwaer als dan door een cleyn killetje het rivierwater in see +loopt. Het water wast hier een vaem op ende neer, dan wast ende viel +cort verscheyde reysen op een dach. Hier stonden, soo wy sien conden, 12 +à 13 huysen, waer van der maer 7 bewoont scheenen te wesen; hier stonden +oock 5 à 6 cleyne packhuysen omtrent een mans lengte boven de aerde, +staende op 4 stutten ofte steylen, alwaer gedroochde visch in lach, de +deuren daervan waeren van vuerenhout ende waeren maer toegebonden. Haere +graeven waeren boven de aerde gelyck een cap van een huys, een mans +lengte lanck ende 3 voet hooch, wel besorcht ende dicht toe benayt met +groote basten van boomen. Haer huysen syn op ’t fatsoen als in het +vaderlant met een laege deur, de mueren syn basten van boomen ende het +dack oock van het selfde stof, seer dicht op malcanderen genaeyt; haer +huysen syn van binnen sonder caemers, in ’t midden met een haertstee, in +’t dack twee veynsters, in plaets van een schoorsteen; boven de +haertstee leyt het vol stokken gelyck in een hang, alwaer het vol salm +ende andere visch op hangt te roocken. Sy hebben geen sout in gebruyck. +Haer huysen syn rontom over de heele vloer beleyt met biesen matten, +ende sommige met een verheven diggedig om op te slaepen, saegen eenige +Japansche cassies ende cnassers, saegen oock veel velwerck by haer. +Vonden hier geen levent gedierte als haer vischvangende ruyge witte +honden; het was in haer huysen heel warm, de balcken van haer huysen +waeren van vuerenhout, heel perfeckt in malcander gevoecht, hadden oock +netten ende harpoenties om visch te schieten in haer huysen. Hier in ’t +bosch stonden schoone groene boomen tot masten, saegen geen fruyt +altoos. + +Terwyl wy op den 18 d^{o}. op ons vertreck stonden, saegen wy 7 +manspersoonen al met groote ruyge baerden, met haer volle geweer, als +synde pyl ende booch ende een houwer, uyt de O. langs het strant comen +passeeren met drie jongens by haer, die elck een bos visch op haer rug +droegen, hebben die ingewacht; naer ick con beoogen waeren ’t reysende +luyden, omtrent by ons comende, heb haer eens arack geschoncken; dese +hadden al schrooties armosyn in haer ooren, maer haer plaeten waeren +beslaegen met silver, te weten van haer houwers. Sy brochten haer geweer +wech ende quaemen ons mede adie seggen. + +d 19. + +’s Morgens claerde het weder op, de mist vertrock ende cregen een cleyn +coeltie uyt een S.S.W., ende alsoo wy hier niet sonders conden vernemen, +gingen onder seyl, maer quaemen corts weder ten ancker door stilte op 9½ +vadem, goede gront, een myl van lant beoosten _Tamary_. Hier quaemen uyt +verscheyde plaetsen vaertuygen aen boort met visch, die wy haer +afruylden, oock van haer een levende swarte beer. Een van dese aen boort +comende inwoonders toonde aen den Commandeur een stuck mynerael ende +wees dat dat silver was, ende dat de berch daer dat van daen gecomen +was, in ’t S.S.W. van ons lach, ’t welck wy vermoeden het lant te syn, +dat op den 14 d^{o}. beoocht hebben; ende alsoo de mist moy opclaerde, +ende het coeltie uyt een S.W.t.S. moy opwackerde, maeckten seyl om uyt +dese ingeseylde bocht te comen. Effen onder seyl synde, quaem een prauw +met 6 personen daer in aen boort, synde gelaeden met vellen ende visch +die geroockt was. In d^{o}. vaertuych sat een blanck aensienlyck oude +man met een lange witte baert, aenhebbende een blau gecleurde catoene +rock, maer alsoo ’t schip te harde voortganck maeckte, is beneffens de +andere vaertuygen weder naer lant gevaeren. Wy wat onder seyl geweest +hebbende, vonden de brief die ick by de Prince vlag aen lant gegeven +had, in ’t coogel laetien after een stuck liggen, waerin wy verwondert +waeren wat sy daermede meenden, of door wat oorsaeck sy dese brief daer +geleyt hadden. Wy deden onse cours S.O.waert over, ’s middachts waeren +wy op de gegiste breete van 46 gr. 29 min., ende op de lengte van 161 +gr. 22 min., ende op de bevonden breete van 46 gr. 27 min.. Alsdoen lach +de steylen hoeck beoosten _Tamary_ N.W. ½ N. 2½ myl van ons, in ’t N. +lach het lant 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S. de +veerste hoeck dien wy sien conden 8 mylen van ons, ende gaven dien hoeck +de naem van Caep _de Aniwa_. Het was al treckende afgediept als volcht, +10, 11, 12, 13, 14, 16, 18, 19, 20, 22, 23 tot 25 vadem, al steckgront; +hier was een groote bocht met een groote valey laech lant, saegen overal +veel huysen staen, soodat dese bocht in ’t ront heel bewoont is, saegen +oock verscheyde rivieren te lantwaert inloopen, ende geleeck overal een +vlacke lantsdou te syn met hooch binnenlant. Wat naer de middach de wint +naer het S.t.W. loopende met een topseyls coelte, lieten het O.S.O.waert +over staen, 4 mylen; was opgediept tot 30 vadem, ende daer van daen +weder opgedroocht tot 13 vadem, al steckgront. Cregen doen 12 vadem, +craelgront, ende waeren een myl van lant, saegen in ’t O. van ons een +rivier in ’t lant strecken, al waerby veel huysen stonden, de Caep +_Aniwa_ lach S. 5 mylen van ons. Tegen den avont wert het heel mistich, +liepen W.waert over. ’s Nachts cregen wy een moy coeltie uyt een N., +stelden onse cours S. aen, hadden sont (sedert) dat wy om de W. gewent +waeren behouden W. 3 mylen, ende was afgediept als volcht, 12, 13, 14, +16, 17, 20, 23, 24, 25, 26, 28 tot 30 vadem, al steckgront. ’s Nachts in +’t S. seylen diepte het al af als volcht, 33, 34, 35, 38, 40 vadem. + +e 20. + +’s Morgens was ’t heel mistich doncker weder, met een N.lycke topseyls +coelte ende slecht water, deden onse cours als vooren S.waert over, ende +was 42 vadem diep, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben +S.t.O. 6½ myl, was doen diep 30 vadem, steckgront; waeren op de gegiste +breete van 46 gr. 1½ min., ende op de lengte van 161 gr. 29 min. Giste +alsdoen de Caep _Aniwa_ O.S.O. 3 à 4 mylen van ons, naer de middach +claerde de mist wat op, saegen alsdoen Caep _Aniwa_ O.S.O. 4 mylen van +ons; naer de middach stillekens, was ’s avonts 58 vadem diep, waeren +weynich vertiert, d^{o}. Caep lach op een streeck als vooren van ons, +d^{o}. Caep is een steyle hooge ronde hoeck. ’s Nachts de wint variabel +N.W. ende N.N.W., onse cours S.S.O., diep 56, 57, 58 vadem, steckgront. + +f 21. + +’s Morgens hadden wy een donckere betogen lucht met een N.O. topseyls +coelte ende slecht water, deden onse cours by de wint O.S.O. aen, giste +’s middachts geseylt te hebben S.S.O. 6 mylen, waeren volgens dien op de +breete van 45 gr. 39½ min., ende op de lengte van 161 gr. 42 min.. +Alsdoen lach de Caep _Aniwa_ N.t.O. ⅔ O. 4 mylen van ons, ende hadden de +diepte van 58 vadem, steckgront, saegen een groote walvisch, wy conden +geen lant meer buyten d^{o}. Caep sien. Het wert wat naer de middach +weer heel mistich, cregen noch eens gront op 62 vadem, ende waeren doen +gront af; naer de middach de wint N.O.t.O. ende N.N.O. met een moy +luchien. Stracx trock de wint naer het N.N.W. ende de see begon hardt +uyt den N. aen te schieten, vernaemen veel raveling van stroom. + +g 22. + +’s Morgens hadden wy doncker mistich weder, de wint N.W. met topseyls +coelte, ende holle deyninge uyt den N. Giste ’s middachts geseylt te +hebben O.t.N. ¼ N. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 45 +gr. 54 min., ende op de lengte van 163 gr. 5 min., seylden al by de wint +N.waert over, saegen somtyts eenige steencroos dryven ende veel +lammeties ende seerobben swemmen, ende saegen oock veel wier ende +stuckies hout dryven. Tegen den avont cregen wy stilte tot de eerste +wacht uyt, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. ende trock temet naer +het S.W., deden onse cours N.W. aen. + +a 23. + +’s Morgens hadden wy doncker regenich weder, de wint meest S.W. ende +S.W.t.S., deden onse cours N.W.t.W. aen, corts daernaer W.N.W., om te +soecken om de W. om te comen, hadden slecht water. Giste ’s middachts +geseylt te hebben N.W. ½ N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de breete +van 46 gr. 28 min., ende op de lengte van 162 gr. 25 min. Omtrent 4 +ueren naer de middach cregen wy weder de cust van _Eso_ in ’t gesicht, +ende was een steyle uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. +streckende, geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven d^{o}. hoeck de +naem van _Tonyns_ hoeck, d^{o}. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden +van ’s middachts geseylt 5 mylen W.N.W. aen, minderden seyl ende worpen +het loot, vonden de de diepte van 44 vadem, steckgront, ende corts daer +nae 58 vadem, vervolchden onse cours W.N.W. 2 mylen. Saegen doen met den +avont, als dat d^{o}. cust noch al N.waert heenstreckte soo veer wy +sien conden, ende alsoo het schielyck mistich wert, ende het lant in ’t +N.N.W. gepeylt hadden, dat hooch was, maer tot 3 à 4 myl benoorden de +_Tonyns_ hoeck is ’t al laech lant, lieten onse marsseyls loopen, ende +geyden onse seylen op, lieten het met een S. wint met de steven om de O. +liggen dryven. Maer alsoo het cort met de maen de mist weder opclaerde, +maeckten weder seyl, ende lieten het weder voort staen N. aen met een S. +coeltie. De eerste wacht uyt wesende ende de maen onderginck, wert het +weder heel doncker, lieten het weder dryven als vooren, met regen, het +was al langsaem opgediept als volcht, 50, 55, 60, 63, 66, 68, 70 vadem, +steckgront; alsdoen was de tweede wacht uyt, maeckten doen seyl, stelden +onse cours al N. aen met een dichte mist, maer alsdoen drooch weder. + +b 24. + +’s Morgens begon de mist wat op te claeren, setten al onse seylen +daerby, cregen doen een N. wint dewelcke naer het N.W. ende N.W.t.W. +trock, met een topseyls coeltie, lieten het by de wint N.N.O. waert over +staen. Wat op den dach claerde de mist heel op, saegen in ’t N.W. het +lant 4 mylen van ons, ende was een streckende cust hooch lant. Wy +vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s middachts geseylt te +hebben N. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 47 gr. 27 +min., ende op de lengte van 162 gr. 14 min., maer bevonden ons te wesen +op de breete van 47 gr. 40 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset +had, omtrent 3 mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in +’t S.W.t.W. 5 mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. ½ W. lach +een hoogen berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van +_Tepelberch_, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t +N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden +alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront; op de middach wert het stil, +het was hier al laech lant, op sommige plaetsen met geberchten met veel +bochten ende inwycken; in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer +spitsies op stonden als stompe torens. Naer de middach cregen wy de wint +W., deden onse cours N. 1 myl, was doen diep 57 vadem, cregen doen een +luchien uyt den S., deden onse cours N.N.W., cregen holle deyninge uyt +een O.S.O. Geseylt hebbende 2½ myl op d^{o}. cours, was ’t langsaem +opgedroocht tot 4 glaesen in de eerste wacht, was alsdoen diep 47 vadem, +steckgront, deden doen onse cours N. aen, de wint doen W.N.W. ende W., +tot dat 2 mylen geseylt hadden, was doen 40 vadem; deden doen onse cours +N.N.O. aen 1½ myl, was doen 42 vadem, gront als vooren; lieten het met +neerliggende marsseyls ende opgegeyde seylen voort staen N.O.t.N. aen 2½ +mylen, was alsdoen diep 44 vadem, steckgront. + +c 25. + +’s Morgens was ’t moy stil weder, de wint N.W.t.W. met een betogen +lucht, doch taemelyck gesicht, saegen op verscheyde plaetsen lant soo +veer wy sien conden, van het W.S.W. tot het N.N.O. Saegen nu op noves +(nieuw) als dat wy weder in een groote bocht van _Eso_ waeren geseylt. +Voor de middach de wint variabel met stilte ende met holle deyninge uyt +een O.S.O. Tot ’s middachts noch geseylt N.N.O. ½ O. 3 mylen, was doen +diep 39 vadem, steckgront. Giste in dit etmael door malcanderen geseylt +te hebben N.t.O. 11½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr. +25 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min.; hadden doen in ’t N.O. +lant 10 mylen van ons, saegen oock lant in ’t W.S.W. soo veer wy sien +conden; conden voorts in de bocht in ’t N.N.W. op sommige plaetsen hooch +lant sien. Het naeste lant lach W.t.N. ½ N. 8 à 9 mylen van ons, ende +was een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was geheel gehackelt +boven op gelyck of het een saech was. De mist ginck soo dubbelt over het +lant, dat men geen degelyck bescheyt sien conde. ’s Middachts een slap +coeltie uyt een N.N.O. wenden het N.W.waert over, de wint liep temet om +naer het N.O. ende voorts tot het O.t.N., dat wy N.t.O. seylen mochten; +saegen wat naer de middach een doode cabeliau verby het schip dryven, de +welcke scheen niet lanck doot geweest te hebben. Naer de middach geseylt +N.t.W. 3½ myl, diep 38, 36, 35 vadem, steckgront, saegen doen ’s avonts +noch al lant in ’t N.O.t.O., ende om de O.S.O. streckende met een groote +bocht aen malcanderen. ’s Nachts dreven in stilte, hadden de diepte van +35 vadem, steckgront. + +d 26. + +’s Morgens doncker weder, de wint S.S.O., deden onse cours om de N.O., +een weynich op den dach synde saegen het lant tot in het O.S.O., scheen +een hoeck of eylant te wesen, dan was aen malcanderen vast met een +groote bocht om de N.W., stelden onse cours om de O. tot ’s middachts, +diep 34 à 35 vadem, al steckgront. Giste ’s middachts geseylt te hebben +N.N.O. 6½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 48 gr. 49 min., +ende op de lengte van 162 gr. 42 min., ende op de bevonden breete van 48 +gr. 56 min. Saegen doen lant in ’t W. 6½ myl, N.W. 7 myl, N.N.W. 7 myl, +in ’t N. 5 myl, N.N.O. 3½ myl, in ’t O. 5 mylen, in ’t S.O. 6 mylen van +ons, ende quaem al met bochten ende laech lant aen malcanderen. Van ’s +middachts geseylt O.t.S. 3½ myl, de wint variabel; quaemen hieromtrent +naer de middach ten 6 ueren ten ancker op 18 vadem, steckgront met +cleyne steenties vermengt. Waeren op de gegiste breete van 48 gr. 53½ +min., ende op de lengte van 163 gr. 1 min., maer bevonden op den 27 +d^{o}. de breete van 48 gr. 54 min. Als nu lach de ree onder het +_Companys lant_ 6 gr. 4 min. Oostelycker als S.O. van ons, .... myl, +ende de ree ofte anckerplaets onder de N.O. hoeck van _Eso_ lach alsdoen +9 gr. 45 min. beoosten het S. 66¾ mylen van ons; lagen omtrent 1½ myl +van lant. Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als +een cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons, ende d^{o}. eylantie lach +S.S.O. 4 mylen van ons. Het lant van d^{o}. hoeck streckt om de N.W. soo +veer wy conden beoogen. Op dato is geresolveert om de boot uyt te setten +ende dit lant te visiteeren, of men noch geen verandering van volck +vernam; syn ’s nachts met de boot ende prautien naer lant gecommitteert, +ick met den Assistent Davit Cassu in ’t prautie, ende Stierman Roelof +Sieversz. met den Assistent Brouwer synde in de boot. Was soo mistich, +conden geen half scheepslengte sien. + +e 27. + +’s Morgens quaemen tegen den dach onder den wal, bleven liggen tot dat +wy de boot vernaemen, de boot in ’t gesicht hebbende syn beneffens den +Assistent Davit Cassu aen lant gesprongen, ende liet de prauw op de +riemen wel claer liggen, syn met ons beyden op een hoochte geclommen, +ende alsoo de mist wat opclaerde, saegen dat dit een schoone lantsdou +was synde vol voetpaeden van menschen, saegen oock een groot lack (meer) +van versch water, ende was al schoon vlack lant, syn weder neder op het +strant geclommen, vonden in ’t sant veel voetpaeden van menschen ende +honden. Heb ons volck belast met het schuytien langs het strant om de O. +te scheppen, ende wy syn met ons tween te voet langs het strant gegaen, +vonden op het strant een groote plas sneeuw omtrent een scheepslengte, +ende was boven op wat bestoven van sant, met hooch water quaem de see +daer op een vadem nae aen; soodat wy op dato malcanderen met +sneeuwballen tot een gedachtenis hebben gegooyt; boven op was dit sneeuw +soo hardt als ys. Syn voorts gegaen, quaemen op een vlack velt soo +plasierich als eenich lant wesen mocht, sonder geboomte synde vol +voetpaeden, vonden 10 graeven, daerin sommige dooden noch in laegen. +Dese graeven waeren heel raer gemaeckt van vuereplancken, omtrent een +voet verheven van de aerde, staende op 4 stuties ende was onder een +viercante kist, onder de boom (bodem) synde houte tralys, doorluchtich, +alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fyn gesneden +synde om syn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene rock aen +gehadt, maer die was al vergaen, vonden by hem in de kist schuetelties +ende eetensbackies, ende eenige andere snuystering met pyl ende booch, +had eeten oock in een doos gehadt soo het scheen, lach oock een cleyn +block om ryst te stampen, met een ryststamper daerby in syn kist. De +kist was boven met een cap wel dicht toe, gelyck een cap van een huys, +daer boven op het scherp van de cap een fraey gesneden houten cop lach. +Langs de kist aen elcken endt fraey met een leeuw ofte draecken cop uyt +gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in haer mont, (ende) +liep soodanich gesneden hout aen alle vier hoecken oock neerwaert aen, +al uytgesneden als geseyt is. Dese graeven met verwondering aengesien +hebbende, saegen daerby veel stockies staen met fyne gesneden crulleties +ende spaenderties daer aenhangende, synde noch met de eijnden aen de +stock vast. Voorts gaende quaemen by een huys, alwaer wy in gingen maer +geen volck in vonden, ende scheen wel dat daer in een jaer geen volck +noch in gewoont had; dit huys was van vueredeelen gemaeckt, synde met +groeven in malcanderen gevoecht, seer dicht, ende het dack was met een +scherpe cap, dat boven op de vueredeelen beleyt was met basten van +boomen ende houten overal gespyckert; de spyckers waeren van fatsoen als +de Japansche ofte de Syneesche syn. Het huijs had een opslaende deur met +een cleyn voorhuys met een groote viercante binnencaemer, alwaer de +haertstee in ’t midden was, daer recht boven 2 valveynsters om de roock +te loosen; haer huegel was noch aen een stuck tou vast ende hing noch +over d^{o}. haertstee ende was een crom quastich houtie, maer dese +binnencaemer sloot het incomen met een schuyf op syn Japansch. In dit +huys hingen veel van die stockies met byhangende spaenderties, by dit +huys stont een groot gemaeckt hock alwaer eertyts scheen eenich gedierte +in gestaen te hebben, met veel cleyne hockies daer noch eetens ende +drinckensbackies aen vast waeren. Hier stonden oock veel opgerichte +stocken om goet op te droogen, met veel houten stellingen oock om eenich +goet op te droogen. Wy met ons tween wat voorder om de O. gaende, +quaemen noch by 2 graeven gelyck als vooren, gingen voorts veerder om de +O., quaemen weder by een huys als vooren, daer by synde hoorden de see +seer tegen het lant aen storten, aen de andere sy van ’t lant in ’t N.O. +ende waerover ick verwondert was, dat men hier de see soo ghemackelyck +conde hooren. Vonden oock in dit huys niet als een houten hugel over de +vuerplaets hangen, ende conden niet bemercken dat daer in een jaer volck +in hadt gewoont. Syn naer het strant gegaen ende heb het prautie naer de +boot toegestiert om daer noch 2 soldaeten uyt te haelen, om beneffens +ons tween het lant met beeter verseeckerheyt te ontdecken ende eenich +volck op te soecken. Alsoo onse boot noch aen quaem seylen, stonden wat +op strant ende wachten. Dus staende, saegen om de W. van ons een man op +de hooge vlackte gaen, daer wy ’s ochtents op geweest waeren, quaem naer +het scheen neerwaert aen, maer ons siende is met een volle loop om de W. +geloopen. Onse boot ende prauw weder aen het strant comende, heb noch 2 +soldaeten ende een matroos, die een witte doeck aen een halve pieck +vastgemaeckt droeg in de plaets van een witte vlag, uyt de boot gehaelt, +ende belaste voorts den Stierman Roelof ons met de boot ende prauw te +volgen om de W. Syn doen voortgegaen, vonden noch een huys tegen de +hoochte aen staen dat vervallen was, maer wert weder opgemaeckt. Daer +stont oock een cleyn hutie by, gedeckt met basten van boomen, by dit +huys lach een stuck van een ys-slee, synde van een vreempt fatsoen. +Gingen doen by een fraey padt boven op de hooge vlackte, daerop synde +conden de see over het lant in ’t N.O. sien, saegen oock dat de cust +daer buyten om de N.W. streckte tot een hoogen steylen hoeck, die ons +het veerder gesicht benam, ende saegen oock dat dit staende lack (meer) +in see om de N.O. uytliep, saegen oock dat het lant hier maer een myl +breet was, synde maer een uytsteeckende hoeck lants daer ons schip +onder geset lach. Syn doen over die hooge vlackte heengegaen naer het +strant. Om de N.W. op strant comende, saegen door het vallent water den +by ons gesienen inwoonders voetstappen, comende ende wechloopende, in ’t +sant staen; syn die vervolcht met voorsichticheyt. Omtrent 1½ myl gegaen +hebbende, saegen een vaertuychie langs het lant coomen roeyen, sy ons +siende leyden aen het strant ende haelden ’t daerop. Wy dit siende syn +daernaer toe gegaen, daer bycomende saegen twee treftijge(?) persoonen +op een grooten boom, die van de see op het strant geworpen lach, sitten, +synde cloeck van leden, den eene met een ruygen baert, hebbende pyl ende +booch in de handen, met een pylkoocker vol pylen aen syn hooft hangen, +met een houwer op syn sy, den ander wat jonger met een groot gramschap +geschooten[23] hebbende twee groote knevels, had oock pyl ende booch in +syn hand ende voorts gewaepent met een houwer ende pylkoocker vol pylen; +after haer stonden twee stercke mannen, geweert (gewapent) als de twee +voorige, gecleet met rocken van vellen. Ick heb ons volck laeten +stilstaen ende belast wel op haer hoede te syn, sou alleen naer haer +toegaen, alsdoen de houwer op myn sy hangende, syn toegetreden. Den +outste sette syn booch in ’t sant met een pyl daerby, ende nam een lange +pieck van 18 voet in syn hant, ende sy bleven alle bey sitten, ende de +andere twee staen. Wat dicht by haer comende sey _Tacoy jankarate_ ende +vreef myn handen, gelyck gesien hadde aen _Tamary_, waerop den outste +sprack _Tacoy_, syn doen toegetreden, ende naem syn hant ende wesen dat +wy vrienden waeren, in myn beyde handen syn rechterhant nemende, ende +soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, ende smeet hem neer, waerop +ons volck is comen aentreden, dien sy doen met haer tween te gemoet +gingen ende welcom heeten, seggende _Tacoy_, ende douden met haer beyde +handen ons volcx rechterhant, gelyck ick haer gedaen had, maer de twee +andere pasten op haer geweer. Dese twee persoonen waeren gecleet met +syde gebloemde Japansche rocken, gevoert met Sineese cangangs +waertusschen syde watten waeren; soodat ick vertrou de twee andere +lyfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee treftyge persoonen was +haer hooft voorgeschooren tot halfwegen het hooft, ende voorts hadden +lang hangent haer tot heel aen haer midden; de plaeten van haer houwers +waeren oock met silver beslaegen ende doorluchtich. Naedat wy +malcanderen met veel vrientschap gecaresseert hadden, liet ick eens +arack schencken ende brocht het aen den outsten, liet het copien weder +vol schencken, ’t welck hy met danckbaerheyt ontfinck ende dronck het +uyt, liet voorts haer allen eens omschencken, schonck doen aen die twee +principaelsten elck een groote blauwe crael, dewelcke sy met +dankbaerheyt aennaemen, ende greep myn doen by der hant ende sey +_Tacoy_, ende wees naer haer prautie die op ’t strant stont. Gingen doen +al handt aen handt dansende tot by de prauw, vonden daer een blancke +vrouw, fraey van trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont +om haer hooft van een bever, gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende +een cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van +een saebel, dat seer schoon was, om haer hooft, ende had een jongen by +haer staen, gecleet mee met een bonte rock. Wat van de prauw af sat een +oudt blanck man, met een lange gryse baert, op een matien (matje) op de +Japansche wyse, aenhebbende een gebloemde catoene rock, synde op syn +Japansch gemaeckt. Myn leytsman wees ick sou by die oude man gaen, ’t +welck ick gedaen heb, ende heb hem gegroet op syn Japans, ’t welck hem +aengenaem scheen te wesen, vraechde myn veel, dan conden malcanderen +niet verstaen, heb desen ouden patroon een copien arack geschoncken, ’t +welck hy met vermaeck uytdronck, ende rees doen op ende ginck met myn +naer syn vaertuych, daer de vrouw was, terwyl waeren de twee andere +inwoonders vrolijck by ons ander volck. By de prauw comende schonck ick +aen de vrouw ende het kint elck een blau gestreepte crael, naemen die +met groote danck aen; dese vrouw ende kint hadden elck een blau craelde +kettingh om den hals. Den ouden patroon liet de prauw afvoeren, ende +ginck daer met de vrouw ende kint met de jongen ende de twee dienaers in +sitten, nemende de pieck, pylen ende boogen van de twee andere in de +schuyt by haer, sloegen daer vyf witte ruyge honden voor, met +hem(hennip)seelen om haer lyf; den stuerder after het vaertuych sittende +riep eens, die honden begonden stracx aen het trecken te pueren. Den +outste van ons 2 byhebbende habytanten naem myn by de hant, ende wees +ick soude met hem naer syn huys gaen, syn doen met ons tween gevolcht, +soo hart loopende ende dansende als conden, maer de honden liepen veel +harder met de prauw voort als wy conden volgen. Den andere habytant +bleef by den Assistent ende ons ander volck, ende volchde naer. Omtrent +½ myl om de N.W. gegaen synde, passeerden veel huysen ende afloopende +versche waterties, oock een hutie, alwaer een stockoude vrouw uytquaem, +leunende op een stockien, scheen veel hebben te seggen, maer myn +leytsman myn al vast by myn hant houdende, wees dat hy meester over die +huysen was, ende dat wy souden voortgaen. Saegen corts daernaer dat het +vaertuych aen het strant aenley voor een groot huys, ’t welck myn +leytsman wees, syn te syn, sach van veer de honden weder uytspannen, +haelden doen het vaertuych weder op strant. Wy by dit huys comende, +vonden een ander out man met een lange witte baert op een matien sitten +op syn Japans, daer ick van myn leytsman by wert gebrocht, daer +bycomende groeten hem ende sey als vooren _Jankarate Tacoy_, ende bewees +hem teecken van vrientschap, ’t welck hy myn oock betoonde; ginck by hem +sitten op een stuck hout, terwyl stont myn leytsman met 15 à 16 menschen +rontom myn met veel kinderen, doch sach niemant met geweer. +Ondertusschen quaem ons ander volck met den ander inwoonder by myn, ende +corts daernaer de boot ende onse prauw oock by ons aen ’t strant; doen +quaem myn leytsman by myn, ende wees ick sou met den ouden man in huys +gaen, hy sou voor uytgaen, het welck geschiet is. Dit huys stont dicht +by het strant, ende was als de voorige huysen van maecksel ende fatsoen, +maer van binnen rontom met een verheven _diggedig_, ende was overal +beleyt met matten; in ’t incomen van het huys synde, spreyden het +vrouwvolck matten voor ons om over te gaen, met groote beleeftheyt. In +huys synde gingen met den ouden man op de verheven _diggedig_ sitten, +alwaer de twee aensienlycke habytanten by myn quaemen met beyde +Assistenten ende den Stierman Roelof. Hier waeren drie vrouwen in huys, +ende elck hadde een kint. Droncken saemen in ’t ront eens om een arackie +ende toebackie, waernaer sy allegaeder begeerich waeren. Saegen hier in +huys 6 viercante kisten met roo leer overtrocken, ende een groote ronde +doos oock overtrocken met leer, ende waeren met baste touwen wel styf +toegesort; wees wat daerin was, wesen fyne vellen ende dat die in ’t +lant gebrocht most wesen; wilden geen verruylen aen ons, maer wel +robben- ende beeren vellen. Dus sittende discoureren, schafte ons een +viercant verlackt backie met lantcrabben pooten op, die wy met smaeck +aeten, maer wilden niet hebben, dat men eenige vuylicheyt op de vloer +smeet, maer mosten het al op ’t bortie ofte backie leggen. Terwyl wy +hier in huys saeten, hebben de habytanten een van haer vaertuygen +afgevoert, ende hebben daer 3 honden voorgespannen, ende daer syn drie +manspersoonen in gaen sitten, ende de honden trocken de prauw met haer +langs het strant om de N.W. Ick heb het volck hier in huys elck in ’t +ront met wat groene taback ende eenige cleynicheden vereert, vereerde de +vrouwen ende kinderen eenige craelen ende belleties, alwaer seer bly +mede waeren. Boven op dit huys stont een groote levenden arent, die +heeft myn leytsman aen myn geschoncken, waervoor ick hem weder 3 à 4 +manocke(?) taback schonck ende was weltevreden, heb den arent in de boot +laeten brengen. Saegen hier anders geen silver als aen haer houwers, een +van de vrouwen had een toutie om haer lyf, het welck vol coopere ende +ysere ringen hinck, elcke rinck wel glat synde ende omtrent soo groot in +’t ront als een binnenste van een hant, ende omtrent soo dick als een +schaft; een kint waeren drie groote doorluchtige plaeten van tabago[24] +op syn rug genaeyt, van buyten op syn bonte rock tot versiersel; sy +waeren selver begeerich naer silver, soo ick con bemercken. By dit +groote huys quaem een vers afloopent watertie verby in see loopen, +alwaer op de cust noch veel cleyne huysies stonden, vertrou dat daer het +slechte volck in woonde; hier stont oock een groot viercant hock, alwaer +een groote swarte beer in sat. Aen elcke hoeck van ’t hock was een lange +spar met een mey by opgericht, daeraen hangende veel spaenderties; ick +vermoede dat het tot triumf was over den gevangen beer ofte eenige +afgodendienst. Ick myn afscheyt met alle vriendelyckheyt nemende, wert +naer strant geconvoyt; op strant comende liet al ons volck in de boot +ende prauw gaen, ende alles slachveerdich maecken laeten om wech te +vaeren. Myn leytsman dit siende, sey _Tacoy_, ende wees soo ick met hem +in syn prauw wilde gaen, dat wy daermede saemen naer boort souden +vaeren; ick wees jae; hy liet stracx een mat in syn prauw brengen, +waerop ick most gaen sitten, ende hy ginck after myn sitten, werde soo +in see gevoert, by ons quaemen noch 4 roeyers ende een die stuerde; syn +soo naer boort gevaeren, onse boot ende prauw ons volgende, maer waeren +wel ¼ uer voor haer aen boort. Overcomende heeft den habytant met ons by +den Commandeur wat gegeten ende gedroncken, is haestich opgestaen ende +van boort gevaeren, niet wetende te bedencken syn haestich vertreck; ick +hielt hem een gestreept cleet toe, hy sou wederom comen, maer ginck door +naer lant. Dit scheen een treftich man te syn in syn ommeganck. Dien dag +is onse groote steng versien ende ons want gelicht, ende alsoo hier niet +sonders te vernemen was, syn tegen den doncker t’seyl gegaen, stelden +onse cours S. aen buyten het eylant om. ’s Nachts de wint O., doen wy +S.S.W. 7⅔ myl geseylt hadden, was ’t afgediept als volcht, 18, 20, 24, +27, 28, 30, 32, 33, 36, 38 vadem, steckgront, stelden doen onse cours +S.S.O. 2⅔ myl, diep 45, 50, 48, 47, 46, 43, 42, 40 vadem, al steckgront, +deden doen onse cours N.O.t.N. 3⅓ myl, was doen 37 vadem, gront als +voren, dat was voor den middach tot op den 28 d^{o}. ’s Middachts door +malcander geseylt S. 7 mylen. + + [23] Barsch uiterlijk voorkomen? + + [24] Mogelijk _tambaga_, koper. + +f 28. + +’s Morgens was ’t mistich weder, de wint O., giste van ’s middachts +geseylt te hebben tot dat daer 8 glaesen naer den middach uyt waeren, +ende de mist opclaerde, behouden cours N.O.t.N. 2½ myl. Alsdoen saegen +wy het eylant dat in ’t S.S.O. van ons gelegen had, daer wy geset +gelegen hebben, in ’t N.O. 1 myl van ons, ende was opgedroocht van 37 +vadem, als volcht, 35, 30, 25, 20, 15, 16 vadem, doen schelp ende +singelgront, voorts al steckgront. Alsdoen heeft den Commandeur den +Stuerman Roelof Sievertsz. met de boot naer d^{o}. eylant gestiert om +dat te visiteeren, daer aencomende vonden d^{o}. eylant rontom met onder +water liggende clippen beset, siende die wel by een myl ende op sommige +plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. van ’t eylant naer +het vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, maer heeft veel +uytsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een rif N.N.O. af, +alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; dese reven lycken +schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, dan scheen oock +wel een nauwe deurganck te hebben. De boot is met den doncker aen boort +gecomen, hadde oock by duysende robben op de clippen ende het water +vernomen, hadde oock twee cleyne huties met vuerplaesies op ’t eylantie +gevonden. Wy gaven het eylant den naem van _Robben_ eylant. Wy +vernaemen dat de stroom hier om de S.O. ginck, wy hebben onse compassen +op 9 gr. N.Oostering geleyt, ende liepen by de wint over S. aen, met een +O.S.O. coeltie. De eerste wacht uyt synde cregen de diepte van 16 vadem +ende cort 10, met stilte ende styve stroom om de S.O.; quamen op 9½ +vadem ten ancker, synde singelgront. + +g 29. + +’s Morgens is de Stierman Roelof uyt diepen gestiert ende was mistich +weder, maer alsoo wy hem .... quaem naer ons toe, wy gingen onder seyl, +de wint O.S.O. ende S.O.t.O. met stilte, gaende de stroom om de S.O., +lieten het S.waert over staen. De mist wat optreckende, saegen het +_Robben_ eylant in het N.t.W. ½ W. van ons liggen 2 mylen, was 10 vadem +diep, schilpige gront, de stroom nam syn keer ende liep om de N.W.; +dreven N.W.waert heen tot een weynich naer de middach, doen lach het +_Robben_ eylant O.N.O. 1½ myl van ons, ende was diep 25 vadem, +santgront, quaemen daer ten ancker. Vingen hier veel cabbeliauw, schar +ende leng; in de tweede wacht begon de stroom om de S. te loopen, ende +corts daernaer om de S.W., soodat dit hier een dwaelende stroom is ende +ongestaedich syn loop houdende. ’s Nachts een cleyn luchien uyt den S., +maer stracx weder stil. + +a 30. + +’s Morgens was ’t heel mistich weder met stilte, de stroom styf om de +S.W. loopende, vingen noch eenige cabbeliauwen. Omtrent te 8 ueren +cregen wy een luchien uyt den O., lichten ons ancker ende gingen onder +seyl; deden onse cours S.S.O.waert over by de wint, corts hiernaer liep +de wint O.S.O., lieten het al om de S. voort staen. Giste geseylt te +hebben behouden cours 1½ myl S.W.t.W., was afgediept als volcht, 26, 27, +28, 29, 30 vadem, wenden het doen om de O., de wint S.O.t.S., ½ myl +O.t.N. behouden, diep 29, 28, 27 vadem, al fyn witte santgront, de +stroom noch om de S.W. loopende. Alsdoen lach het _Robben_ eylant N.O. ⅔ +O. 2⅓ myl naer gissing van ons. Wenden het doen weder om de S., diep 25 +vadem, de wint variabel, mochten somtyts S.S.W., somtyts S.W.t.S. ende +S.t.W. seylen, de wint om ende by het O. uyt- ende in schietende. Naer +de middach behouden cours S.S.W. 2 mylen, diep 36 vadem, santgront; +wenden het, behouden cours N.O.t.N. ½ myl, alsdoen diep 32 vadem, fyn +witte wasige santgront, de stroom, geset liggende, liep om de N.O., de +wint S.O. ende S.O.t.O., ende was een schrickelycke mist met motregen. +’s Nachts 4 glaesen in de eerste wacht kenterde de stroom ende liep om +de S.W. + +b 31. + +’s Morgens was ’t al mistich weder, de wint O.S.O. ende S.O., de stroom +weder om de N.O. gaende, seylden behouden cours S.W. 1 myl, wenden het, +de wint doen S.O.t.S., behouden O.t.N. 1¾ myl, hadden al de diepte van +27, 26, 28, 30, 32, 34, 36 tot 37 vadem, somtyts sant- somtyts +steckgront. ’s Middachts door malcanderen naer gissing behouden O.S.O. ⅔ +S. 2½ myl; doen lach het _Robben_ eyl. 2¾ myl N.t.W. naer gissing van +ons; naer de middach behouden S.S.W. ½ myl, diep 38, 40, 44 vadem, +steckgront, doen gewent om de O.N.O., behielden naer gissing N.O. 2½ +myl, diep 42, 35, 30 vadem, santgront ende singelgront. Cregen doen de +wint O.S.O., wenden het doen weder om de S., behouden cours S.S.W. 1½ +myl, S.t.O. ½ myl, diep 32, 35, 40, 42 vadem, steckgront; vernaemen des +nachts groote raveling van stroom. ’s Nachts de wint N.O., behouden S.O. +1 myl, diep 44 tot 48 vadem, steckgront, doen de wint N.N.O., behouden +¾ myl O., diep 49, 50 vadem, steckgront, noch behouden O.S.O. 2 mylen, +was nu tegen den dach, ende diep 60 vadem, steckgront; soo ick con +bemercken werden wy met de stroom om de S. gevoert, het begon styf te +regenen. + + +Augustus. + +c 1. + +’s Morgens was ’t heel mistich met regen, de wint styf doorwaeyende uyt +een N.t.O., de see hol aenschietende uyt den O., leyden over ende weer +om N. te winnen, maer verlooren in plaets van avance. Giste ’s middachts +behouden te hebben 8 mylen O.S.O., hadden doen de diepte van 72 vadem, +steckgront. Alsdoen lach het _Robben_ eylant omtrent N.W. 9 mylen van +ons naer gissing, de wint N. Omtrent 2 ueren naer de middach hebben wy +de boot ingeset, alsoo de see hoe langer hoe harder aenschoot, giste van +’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 2⅔ mylen, was doen diep 75 vadem, +steckgront, doen O. behouden 2⅓ myl, waeren doen gront af, de wint +N.N.O. ende N.O., oock N., wenden het verscheyden reysen de beste boech +voor om N. te winnen, in de dachwacht begon de see styf uyt een N.N.W. +aen te schieten, de wint alsdoen N. + +d 2. + +’s Morgens al heel mistich weder, treckende naer ’t N. met topseyls +coelte, ende hadden holle deyninge uyt een N.N.W., wenden het O.waert +over, naemen onse voormarsseyl in, alsoo hem de N. wint styf begon te +verheffen, giste ’s middachts behouden te hebben door malcanderen 6½ myl +O.t.S. aen. Cregen doen de wint uyt een O.N.O., ende trock stracx weder +naer het N.O., wenden het N.waert over, naer gissing geseylt van ’s +middachts behouden cours N.W. 1¾ myl; cregen alsdoen weder gront op 75 +vadem, wasige gront, wenden het doen O.waert over, met een N. coelte, de +see hol aenschietende uyt den N., de wint hem somtyts styf verheffende. + +e 3. + +’s Morgens al doncker ende mistich weder, de wint treckende naer het +N.O. met styve coelte met holle deyninge uyt een N.N.O., wenden het +N.W.waert over. Alsdoen is per resolutie geresolveert, alsoo onse +bestemde tyt volgens Instructie van den E. Heer Generael ende Raeden van +_India_ geexpireert is, dat men onse best soude doen om weder soecken te +comen in de _Suytsee_, derhalve onse cours naer het Canael _de Vries_ +toe te stellen. De wint met een styve doorgaende wint alsdoen N.N.O. +synde, deden onse cours S.O. aen, giste alsdoen het _Robben_ eylant +omtrent N.W.t.W. ⅔ W. 17 mylen van ons te liggen, hadden geen gront, +saegen by menichte groote ende cleyne grauwe meeuwen vliegen. ’s Avonts +begon hem de wint te verheffen met een storm uyt een N.N.O., ende viel +een schrickelycke mist neer, de see met heel hol water hem verheffende +uyt een N.N.O., naemen al onse seylen in, ende lieten het liggen dryven +met de steven O.waert over. + +f 4. + +’s Morgens de wint al uyt een N.N.O. met doorgaende coelte, met hol +water, met heele donckere mist ende regen, saegen menichte gevogelt, +saegen veel lange steencroos, blaeden ende stucken hout dryven. Alsoo de +wint wat ginck liggen omtrent 2 ueren voor de middach, maeckten weder +seyl, deden onse cours weder S.O. aen. Giste ’s middachts geseylt te +hebben als gedreven S.O. 22 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste +breete van 47 gr. 6½ min., ende op de lengte van 166 gr. 15 min., maer +bevonden ons op de breete te syn van 46 gr. 40 min., soo dat de stroom +ons wel 6 à 7 mylen veerder om de S. geleyt hadde als wy gegist hadden. +Saegen daegelycx veel raveling van stroom, deden ’s middachts onse cours +S.O.t.O. met een doorgaende N.N.O. wint ende hol water tot dat de eerste +wacht uyt was, wenden het doen by de wint N.W. over tot de tweede wacht +uyt, lieten het doen weder S.O.t.O. aengaen. + +g 5. + +’s Morgens hadden wy al styve N.N.O. wint met holle deyninge uyt een +N.N.O., saegen met den dach Caep _de Trou_ in ’t S.W. van ons, ende lach +in een dys; saegen noch een steylen hoeck van het _Statenlant_ in ’t +S.O.t.O. van ons, deden onse cours O.t.N. aen, de wint doen N., seijlden +O.waert over, om het Canael _de Vries_ terdegen open te seylen. Giste ’s +middachts door malcanderen geseylt te hebben S.O.t.O. 21 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 45 gr. 53 min., ende op de lengte van 167 +gr. 57 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van 45 gr. 43 min. +Alsdoen lach Caep _de Vries_ van het _Statenlant_ S.W. 4 mylen van ons, +ende de ree van _Companyslant_ lach in het N.O. ½ O. 7 à 8 mylen van +ons, deden alsdoen onse cours S. aen, het canael door, met een +doorgaende N. wint, de deyninge seer hol de straet _de Vries_ +doorrollende uyt een N.N.O. Saegen by menichte gevogelte ende veel +drift, al groote bossen van die lange croosblaeden voor verhaelt, +dryven, de stroom liep met groote raveling om de S.; omtrent naer +middach te vier ueren geseylt van ’s middachts 5 mylen S.t.W. aen. +Saegen doen de mineraelberch op het _Companyslant_ in ’t N.O.t.N. 10 à +11 mylen van ons, saegen oock met een blinck in ’t S.O. lant, ende +scheen wel 22 à 23 mylen van ons te liggen, vertrou hetselve van ’t +_Companyslant_ aen ’t lant van _Ameryca_ vastgehecht is, dan conde wel +wesen eenige deurgangen noch daer benoorden waeren. De straet _de Vries_ +gepasseert synde, deden onse cours S.W. langs de wal van het +_Statenlant_ om, comende daerby langs; in de voornacht hadden wy een moy +coeltie uyt een N.N.W., maer in de nanacht stillekens met holle deyninge +uyt een O.N.O. Wy hadden ’s avonts Caep _de Trou_ over het _Statenlant_ +heengesien, in ’t W.N.W. van ons, door een lage valey lants. + +a 6. + +’s Morgens was ’t stilleties met holle deyninge uyt een O.N.O. Somtyts +een cleyn coeltie uyt een S.W. Met sons-reysen lach de Caep _de Vries_ +12 à 13 mylen N.t.O. ½ O. van ons, giste ’s middachts geseylt te hebben +S.W. ½ S. 17 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 44 gr. +50½ min., ende op de lengte van 166 gr. 56 min., ende op de bevonden +breete van 44 gr. 43 min. Alsdoen saegen wy de Caep _de Trou_ in ’t +N.N.W. van ons, ende een hoogen berch op de watercant van het +_Statenlant_ staende, synde boven op met een witte roo aerdige pleck, +lach N.W.t.N. 4 mylen van ons, ende geleeck wel mynerael van veere, want +als de son daerop scheen, blonck dese pleck geweldich. De Caep _de +Vries_ lach N.O.t.N. 13 à 14 mylen van ons; het veerste van het +S.Westelycxste lant dat wy sien conden, lach 15 à 16 mylen van ons tot +in ’t W.S.W., ende was de _Gehackelde_ berch op het S.W. eynt van ’t +_Statenlant_, can voorts aen de opdoening hier after uytgeteyckent alles +beoogen. De strecking van de cust langs het _Statenlant_ is S.W.t.W. +Wenden het W.waert over. ’s Avonts lach de berch met de wit roo aerdige +pleck in ’t N.t.O. ½ O. van ons. ’s Nachts een cleyn coeltie uyt den S., +lieten het W.waert over staen. + +b 7. + +’s Morgens was ’t moy claer weder, de wint S. ende S.S.W. met een moye +coelte. ’s Ochtents lach de _Gehackelde_ berch W. ½ S. van ons, de +_Boerenschuer_ N.t.W. ⅓ W. 4 à 5 mylen van ons, conden de pieck _Antony_ +in ’t W.t.S. sien ende de _Croonberch_ in ’t N.W. ½ N. van ons. Seylden +al W. waert over, cregen gront op 120 vadem, ’t welck temet opdroochde +als volcht, 100, 90, 80, 70,60, 50, 40 vadem, waeren omtrent 2 mylen van +lant, ende bleef lang de diepte van 40, 35 vadem, al cleyne singelgront. +Giste geseylt te hebben tot ’s middachts W. 13 mylen, waeren volgens +dien, op de gegiste breete als vooren, ende op de lengte van 165 gr. 43 +min., droochde cort op tot 30 vadem, ende voorts tot 15 vadem, cleyige +gront. Waeren doen dicht onder de _Gehackelde_ berch ½ myl van lant, +hebben het doen weder afgewent, afgewent synde, alsoo wy hier geen goede +anckergront vonden, smeten[25] het met het schip by, syn met de prauw +naer lant gestiert, om van wegen de E. Heeren Staten ende den Prins van +Orange ende de Vereenigde Geoctroyeerde Oost-Indische Comp., onse E. +Heeren Meesters, het lant in possessy te nemen, ende daer een pael te +stellen met de Staten ende Comp. merck. Maer ick, onder de wal comende, +conde door de holle aenschietende see nergens aen lant comen, sochten +soo langs de wal naer eenige gelegentheyt om aen te comen, tot dat het +schip meest uyt het gesicht was, conden de marsseylen pas sien boven de +kimmen, keerden weder naer boort; quaemen ’s avonts soo veer dat wy het +hol van ’t schip saegen; doncker synde wert uyt het schip somtyts een +canon gelost, quaemen soo op ’t schieten onverrichter saecke aen boort. +Doen wy ’s middachts soo dicht onder de wal waeren, lach de +_Croonberch_ N. ½ O. van ons, ende conden die over het _Statenlant_ +heensien, de afgaende steyle hoeck van de _Gehackelde_ berch lach S.W. ½ +S. 1 myl van ons, ’t welck is de S.W. hoeck van ’t _Statenlant_. Terwyl +wy van boort geweest waeren, was het schip wel 2 mylen om de S.S.W. +gedreven, door de stroom die door het canael _Antony_ quaem vallen. Met +den doncker saegen wy den _Gehackelde_ berch van ’t _Statenlant_ recht +W. over de _Tepelberch_ ende de _Croonberch_ N. ⅔ O. ende de pieck +_Antony_ W.t.S. van ons. Saegen het lant in ’t N.O.t.N. soo veer als +conden beoogen, de Caep _Canael_ lach S.t.W. van ons, waeren 2 à 3 mylen +buyten ’t lant, te weten van de _Gehackelde_ berch, hadden de diepte van +35, 40, 45 vadem, al fyne swarte singel- somtyts grauwe swarte +santgront. ’s Avonts de wint S.W., wenden het S.O.waert over, de wint +temet scherpende,[26] conden corts daernaer niet hooger seylen als +O.t.S. De eerste wacht uyt synde, quaem de wint S.S.O. ende S.O.t.S., +wenden het S.W.waert over met een moye coelte. + + [25] Bijdraaijen. + + [26] Schralen. Witsen. + +c 8. + +’s Morgens hadden wy redelyck gesicht, alsdoen lach de _Gehackelde_ +berch W.N.W. van ons, ende was 90 vadem diep, gront als vooren; maer +wert stracx soo mistich, dat wy geen twee scheepslengten conden van ons +sien, met motregen. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben S.t.W. 6 +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19 min., ende op de +lengte van 165 gr. 36 min. Wy hoorden alsdoen een groote aenstortende +see ergens tegen het lant ofte recif aen; de wint S.S.O. synde, wenden +het om de O. daervan af. ’s Nachts claerde de mist op, ende was claer +weder, soodat wy de nacht wel voor den dach mochten vergelycken, de +wint S.t.O. ende S.S.O. met topseyls coelte. + +d 9. + +’s Morgens was ’t al soo mistich als daechts te vooren, wenden het ’s +ochtents om de S.W., de wint S.S.O., giste ’s middachts geseylt te +hebben 12 mylen O. aen, waeren volgens dien, op de breete van 44 gr. 19 +min., ende op de lengte van 166 gr. 43 min. ’s Avonts claerde de mist +een weynich op, soo ons docht saegen lant in ’t N.N.W., maer was geen +seeckerheyt, de wint doen S.O. ende S.O.t.S., seylden S.W.waert over. + +e 10. + +’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S.O., saegen veel raveling van +stroom, ’s middachts giste door malcander geseylt te hebben S.W.t.W. 19½ +myl, alsdoen lach Caep _de Canael_ N. 5 mylen van ons, hadden doen de +diepte van 66 vadem, swarte santgront, somtyts singelgront. Saegen wat +naer de middach met een blinck het _Walvisch_ eylant in het N.W.t.N. 2 à +3 mylen van ons, maer was weder subyt betrocken, ende viel stracx seer +dicke natte mist dat wy weer heel geen gesicht hadden, staecken by om de +S.W.; diep naer de middach 56, 55 vadem, swart fyne santgront. Omtrent +een uer voor de sons onderganck de wint S., wenden het alsdoen O.waert +over, ’s nachts drie glaesen in de eerste wacht was ’t diep 58 vadem, +ende waeren in ’t vyffde glas gront af. De eerste wacht uyt synde, +naemen de fock in de gey, ende lieten het soo liggen dryven, met heel +mistich regenachtich weder. + +f 11. + +’s Morgens de wint als vooren met mistich motrich weder, wat op den dach +wert het drooch weder, maer bleef even mistich, cregen een subyte stilte +tot ’s middachts. Giste tot ’s middachts geseylt te hebben O. behouden +door malcander 1 myl, hadden doen de diepte van 58 vadem, want hadden +met den dach weder seyl gemaeckt, ende hadden over ende weder geseylt in +de diepte van 120, 100, 95, 90, 80, 70, 60, 58 vadem. Naer de middach +begon de mist wat op te claeren, cregen een cleyn coeltie uyt den N., +deden onse cours W. aen, naer de middach te 3 uere diep 84 vadem, +singelgront, saegen somtyts met een blinck het duynich lant van Caep +_Canael_ in ’t N.W. van ons, het was ’s nachts weder heel mistich. + +g 12. + +’s Morgens hadden wy tamelyck gesicht, saegen omtrent 2 ueren voor de +middach het _Walvisch_ eylant in ’t N.W. ½ W. 1¼ myl van ons, ende de +gebroocken eylanden van _Tamary_ in ’t W.S.W. van ons, de Caep _Canael +Antony_ lach 5 mylen N.N.O. ½ O. van ons, was alsdoen 50 vadem diep, +swarte santgront met schelpen vermengt. Wy hadden het bygehouden op de +diepte van 85, 90, 80 vadem, singelgront, vernaemen harde raveling van +stroom. ’s Middachts lach het W. eynt van ’t _Walvisch_ eyl. N.t.W. ⅓ N. +2 à 3 mylen van ons, quaemen ’s avonts ten ancker in de _Gebroocken_ +eylanden van _Tamary_. Giste van ’s middachts geseylt te hebben W.t.S. 5 +mylen, waeren volgens dien van den middach af gereeckent, op de breete +van 43 gr. 42 min., ende op de lengte van 164 gr. 44 min., diep 21 +vadem, swarte santgront. Alsdoen lach het _Barbaren_ eylant W.S.W. 1½ à +2 mylen van ons, ende het _Gebroocken_ eylant 1 myl N.O.t.O. ende noch +een lang vlack eylant N.W. 1½ myl van ons, de see styf de voert +inrollende uyt een N.O., ende ’s nachts de wint N.N.O. met styve coelte +ende harde regen, verwachtende den dach met patientie. + +a 13. + +’s Morgens was de wint N. met passelyck claer weder, hadden holle +deyninge uyt den O. Alsdoen heeft de Commandeur den Stierman Roelof met +de boot om de N. gestiert, om te sien ofte daer geen gelegentheyt was om +hout te crygen, ende het schip conde verseeckert liggen; ende alsoo het +hier geen gelegentheyt was sonder groot peryckel te liggen, heeft den +Commandeur een canonschoot laeten doen, waerop de boot tegen den middach +weder aen boort gecomen is. Aen boort comende, rapporteerde wel goede +gelegentheyt voor het schip gevonden te hebben, maer hadde geen geboomte +op het lant connen sien. Haer had oock een vaertuychie met 3 inwoonders +aen boort geweest, alwaer een sootie visch van geruylt hadden; d^{o}. +inwoonders waeren aen het _Gebroocken_ eylant gevaeren. Hier geen +gelegentheyt vernemende om hout te crygen, ende wy hier met groot +peryckel laegen, is per resolutie goetgevonden, om weder t’ seyl te gaen +ende een andere betere gelegentheyt op te soecken, om water ende hout te +becomen, ende wat te ververschen ende het schip wat te repareeren. Syn +omtrent naer de middach ten 4 ueren t’ seyl gegaen met een N. wint, +deden onse cours S. in see tot op de diepte van 55 vadem, cromde doen +temet om naer het S.W. diep 55, 50, 47 vadem, swarte santgront; het was +’s nachts stil met slecht water, somtyts een cleyn luchien uyt een N. +ende N.N.O., diep 46 tot 63 ende 54 vadem. Voor de middach was ons een +prauw met 2 mannen ende 3 vrouwen aen boort geroeyt, quaemen van ’t +_Barbaren_ eylant, brochten niet sonders mede, de mans over geweest +hebbende, syn weder naer ’t _Barbaren_ eylant gevaeren. + +b 14. + +’s Morgens was ’t passelyck claer weder, saegen het _Barbaren_ eylant in +’t N.N.O. 2 à 3 mylen van ons, deden onse cours W.S.W. tot ’s +middachts, hadden doen de diepte van 36 vadem. Giste geseylt te hebben +S.W. ⅔ S. 9½ myl, waeren volgens dien, op de breete van 43 gr. 9 min., +ende op de lengte van 164 gr. 18 min., alsdoen lach Caep _de Manshooft_ +N.t.W. 2 mylen van ons, saegen in ’t lant een hoogen berch N.N.O. van +ons, ende een d^{o}. wat laeger in ’t N. ½ O. van ons; waeren op de +bevonden breete van 43 gr. 8 min. De cust van _Eso_ streckt hier W.S.W. +ende O.N.O., naer de middach begon ’t hart op te droogen, deden onse +cours S.W.t.W., de wint variabel met stilte, quaemen ’s avonts ten +ancker op 36 vadem, santgront, 3 mylen van lant, de Caep _de Manshooft_ +O.N.O. van ons ende het W. eynt van het eylant _Mossirca_, ende nu by +ons genaempt _van der Lyns_ eylant, lach W.t.S. 4 mylen van ons. ’s +Nachts vingen wy 3 à 4 cabbeliauwen, was stil, de stroom styf om de W. +loopende. + +c 15. + +’s Morgens cregen wy een cleyn luchien uyt den N., lichten ons ancker, +deden onse cours W.t.S. aen tot omtrent te 10 ueren ’s ochtents, quaemen +alsdoen ten ancker op 26 vadem, swarte santgront, de stroom styf om de +W.S.W. loopende. Syn alsdoen met de prauw ende Stierman Roelof met de +boot naer lant gevaeren, om te ondersoecken of wy achter _van der Lyns_ +eylant geen ree vinden conden, maer daer comende, vonden de eylanden met +een rif aen een cleyn eylant vastgehecht te syn, ende het cleyne eylant +weder aen het lant van _Eso_. Conden daer met de prauw niet door, de +gront was opdroogende van ’t schip tot dicht aen het cleyne eylantie 5 +vadem, santgront. Syn stracx aen boort gevaeren, ende heb het den +Commandeur te kennen gegeven, oock dat daer binnen die twee eylanden een +groote bay was. Hebben op staende (voet) ons ancker gelicht, ende syn +met het schip wat om de S.W. geseylt, ende voer doen stracx onse boot +weder te gemoet, ende syn t’ saemen bewesten _van der Lyns_ eylant +omgevaeren, vonden daer een schoone bay goede opdroogende gront, in de +bay synde, steckgront. Terwyl wy dese gelegentheyt ondersochten, quaem +den Commandeur ten ancker op 27 vadem. Ick heb een schoot laeten +schieten tot teycken van de goede gelegentheyt, ende heb de boot voorts +de bay dieper ingestiert, ende syn aen boort gevaeren, om het schip hier +binnen te brengen. Eer ick aen boort was, quaem het schip ons al te +gemoet seylen, overloopende in het schip lieten het voort staen, vonden +de diepte als volcht, 27, 26, 23, 22, 20, 18 vademen, santgront, tot in +het incomen van de bay; seylden bewesten de steyle hoeck van _van der +Lyns_ eylant in, lieten een ronde steyle hoeck van _Eso_ aen bagboort +liggen, alwaer een rif afstreckt omtrent ⅔ part van ’t incomen van het. +Dit gadt is van hoeck tot hoeck omtrent 2¼ myl wyt, binnen de hoeck van +’t eylant comende, is de cours N.N.W. in 15, 14, 13, 12, 11, 10, 9, 8, +7, 6 vadem, steckgront, naer een steyle hoeck toe, alwaer men after can +loopen; quaemen ’s avonts by den hoeck ten ancker op 7 vadem, +steckgront. De W. hoeck van _van der Lyns_ eylant lach S.S.O. 3 mylen +van ons. Het was ’s nachts moy stil weder, somtyts een cleyn coeltie uyt +een S. + +d 16. + +’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof met prauw ende boot om de +gemelde steyle hoeck gestiert, om te vernemen hoe diep wy wel after de +hoeck in conden liggen, ende wat diepte daer was, ende of hier geen +volck en woonde. Vonden verby de steyle hoeck een bocht ofte rivier, de +welcke N.O. instreckte, alwaer in ’t gadt op de drumpel vonden met +laech water 10, 11 voet water, synde wasige santgront, maer van binnen +diep 5, 6, 7 vadem. Wy saegen verscheyden huysen staen, saegen een dorp +om de S. van ons alwaer wy roock saegen, syn daer met schuyt ende boot +naer toe gevaeren, maer eer by d^{o}. dorp waeren, quaemen de habytanten +met twee prauwen ons te gemoet, waervan drie persoonen over in onse +prauw quaemen, ende syn doen saemen naer haer dorp gevaeren, het welck +sy _Ackys_ noemden, syn met de meeste gesach hebbende in syn huys +gegaen, wiens naem was _Noiasack_; in huys comende schafte wat gecoockte +salm op, ende syn bybueren quaemen ons begroeten. Terwyl hier in huys +waeren, heb ick ons volck met de seegen laeten visschen, ving een fraeye +soo bot. Heb alsdoen onse afscheyt genomen, alsoo ick begon te mercken +dat het water begon te wassen, ende syn met vrientschap gescheyden. Naer +boort vaerende syn ons drie van haer vaertuygen gevolcht ende quaemen +beneffens ons aen boort, aen boort synde wesen aen den Commandeur dat wy +met het schip hier binnen souden comen. Alsoo bemerckte dat het water +vry wat gewassen was, syn weder heen gevaeren ende hebben ’t gediept, +vonden 13, 14 voet water, ende was noch een gaende vloet; syn naer boort +gevaeren, ende heb het den Commandeur te kennen gegeven, waerop +geresolveert is hier binnen te seylen, ’t welck wy stracx gedaen hebben. +Vonden in ’t gadt niet minder als 15 voet water, de wint S.S.O., quaemen +ten ancker op 5 vadem, steckgront, recht voor haer dorp _Ackys_, de +habytanten quaemen aen boort ende brochten ons veel oesters. De +Commandeur heeft het gebedt laeten doen, om Godt den Heer te dancken, +dat Hy ons soo genaedelyck bewaert heeft, ende voorder wil bewaeren, +Amen. Terwyl wy het gebedt deden ende veel van de inwoonders aen boort +waeren, gingen mede modest neersitten om te luysteren, maer alsoo het +wat lang duerde, reesen stil op ende voeren naer lant toe. Wy laegen +geanckert omtrent een musquetschoot van beyde syden van het lant, hebben +voorts het schip opgered ende onse watervaeten claer begonnen te +maecken, om versch water te haelen. + +e 17. + +’s Morgens is eenich volck uytgestiert om te visschen, voorts eenige om +wilt soecken te schieten, ende eenige om branthout te hacken. Syn met de +prauw uytgestiert om dese bocht te visiteeren, of ’t een rivier was of +niet, ende oock of hier omtrent meer volcx woonde te ondersoecken. Syn +tegen den avont aen boort gecomen. Aen boort synde, den inwoonder, als +het meeste gesach over het dorp hebbende, was genaempt _Noiasack_, +verstonden dat deselfde ’s middachts aen boort geweest was met noch een +oudt man, ende den Commandeur over taefel sittende dede teycken, alsoo +een silvere lepel in handen naem ende seyde op syn spraeck: »dat is +fraey silver,” ende dede met een bewys dat men dat groef, sifte ende +smolt, ende was dan soodaenich silver, ende wees dat men hetselfde groef +in ’t W.S.W. van ons, ende de plaets _Cirarca_ hiete daer de myn was. De +jaegers waeren aen boort gecomen, hadden niet eenich gedierte gesien; +maer de visschers hadden veel visch aen boort gebrocht, waer onder veel +bot, schar, tarbot ende een groote steur was. Wy hadden verscheyden +dorpen gevonden, maer geen volck daerin, voorts de beschryving van dese +bocht ende riviere was soodaenich als hiernae beschreven is. Wy laegen +hier met het schip, conden geen see sien; de inwoonders quaemen veel aen +boort, wyven ende kinderen, ende brochten veel oesters ende roo +appelties van roosen aen boort, die wy haer om ryst afruylden. Hadden +dien dach ende nacht moy weder. + +f 18. + +’s Morgens syn ick ende de Stierman Roelof uytgestiert, om de groote +bocht van binnen in ’t ront om te vaeren, om dien aldaer oock te +visiteeren. Vonden d^{o}. bocht van _Ackys_ vol oesterbancken ende laech +vlack ende (ver)droncken lant in ’t midden van d^{o}. bocht, d^{o}. +bocht was van ’t schip om de O. wyt 2½ myl, ende in ’t S. ende N. 1 myl, +ende het lant is rontom de bocht berchachtich lant met veel laege groote +valeyen, ende vooraen wat berch voorlant, al waer op veel roo ende witte +aelbessen, moerbeyen, roo braembeyen vonden wassen, maer het goet en was +noch niet ryp. Dese bocht was overal ondiep, 2, à 3, 4 voet water in de +kille. Syn voorts doen naer een steyle hoeck gevaeren, die N.O.t.N. ⅚ +myl van ons schip lach, ende is de N.W. hoeck van de bocht, alwaer op +een hoochte een gemaeckt fort stont, ende in de laetste 8 à 10 huysen, +dan was nergens geen volck in ende scheen in geen jaer volck in gewoont +te hebben. Van d^{o}. dorp S.W.t.W. waeren aen de andere sy van de +rivier, die alhier omtrent ½ myl wyt is, twee dorpen, alwaer by elcx op +een berch oock soo een gemaeckt fort stont. Dese forten waeren gemaeckt +als volcht: op den berch, daer die op gestelt waeren, was maer een smal +opcomende wech, het welck steyl was om op te climmen, ende waeren +palissaeden in ’t viercant gestelt, van de lengte ende de hoochte 1½ +mans lengte, daer stonden 2 à 3 huysen in, waeren groote vueren deuren +in de palissaeden met groote clampen, als die toe waeren werden dan met +twee dicke houten geslooten, synde door de clampen heengestoocken. Op +twee hoecken van dese viercante gestelde palissaeden, is ’t met verheven +stellagie gemaeckt van vueren plancken, om daerop uyt te kycken, voorts +syn de palissaeden wel met dwarshouten aen malcander geslooten. Dese +rivier is versch water, vonden nergens geen volck, syn weder naer boort +gevaeren; aen boort gecomen synde, verstonden dat de Schipper met de +boot geseylt was om de W.S.W., mede hebbende den inwoonder _Noiasack_ +met 2 van syn soons; hy hadde belooft, om een syden Japansche rock, de +onse te wysen alwaer het silver gegraeven wert. De wint synde S.S.W. +laverende met de boot om de S.W., dien dach hadden de habytanten veel +oesters ende appelties aen boort gebrocht, dien haer voor ryst afgeruylt +werden. + +g 19. + +’s Morgens is een ander oudt man met een ruyge baert gecomen, ende dede +bewys soo hem den Commandeur een cleetie à 2 wilde geven, hy wilde ons +oock een myn wysen; ’t welck hem gegeven is, ende onse prauw wel gemant +synde, is den Ondercoopman Pittavyn met hem mede gestiert, om het selve +met hem te ondersoecken; syn van boort gevaeren met den habytant, by hem +hebbende oock 2 jongens, voeren om de S. by de steyle hoeck S.W. van +_Ackys_ om. Wat naer de middach quaem onse Schipper met de boot weder +aen boort, hadde niet uytgericht, den habytant had hem (zich) sieck +gemaeckt ende wilde met niemant in ’t lant gaen. Sy hadden geen volck +vernomen, maer veel honden gesien. Corts hiernaer quaem onse schuyt oock +weerom, die hadde omtrent by het cleyne eylant _Moyomosier_ geweest in +de bocht, daer had haer den ouden habytant gewesen op ’t strant by een +loopent versch watertie te graeven, maer daer graevende vonden niet als +sant, soodanich als het strant was, soo dat het (door) dese luyden was +gedaen om wat te hebben. _Noiasack_ presenteerde de rock weder te geven, +maer hebben hem de rock ende den ander de cleeties laeten houden, om +reeden dien avont uyt visschen geweest ende soo veel visch gevangen, als +in twee dagen conden opeeten. + +a 20. + +’s Morgens syn ick met de cleyne seegen de groote rivier opgevaeren tot +omtrent 1 myl van ’t schip; voeren in een ander dwars rivier, die W.S.W. +in ’t lant streckende, mee heel versch water is, vischte daer; terwyl is +de Commandeur te voet by ons gecomen, ende hebben met malcanderen een +sootien op de cant van de rivier gegeeten. Alsoo wy niet veel in dese +rivier conden vangen, is den Commandeur met syn byhebbent gevolch weder +te voet tot by het schip gegaen, ende wy syn naer boort toe gevaeren. +Dien dach is den Corporael van de soldaeten, met den Assistent Davit +Cassu met 2 soldaeten, met een prauw om de S.W. gestiert, om eenich wilt +soecken te schieten ende het lant aldaer te ondecken. Waeren voorts +daegelycx doende om branthout te houwen ende de masten, stengen ende ons +want wat te versien. + +b 21. + +’s Morgens syn ick ende Stierman Roelof wat voor daech elck met een van +de inwoonders prauties, die daertoe van haer geruylt waeren, de groote +rivier opgevaeren, om te ondersoecken hoe hooch die in ’t lant opliep, +bevonden die 3 à 4 mylen op te loopen om de O. met veel cromme +omloopende racken, doch is overal ondiep. Voeren de rivier soo veer op +als conden, niet veerder connende gingen noch een stuck wechts +opperdan[27], vonden veel vlacke landen met lang gras, soo lang dat als +men daerin stont niet van hem sien conden, de canten van de rivier meest +met riet bewassen. In ’t lant ende op sommige canten van de rivier hooch +geberchte, bewassen met alderhande groot geboomte, als eycken, vueren, +bercken, willige ende lindenboomen ende wilde appelboomen, oock groote +nootenboomen ende eenige by ons onbekende boomen. Vernaemen geen volck +noch huysen, als een jaechhutien, opgeset synde van tacken van boomen, +voeren doen de rivier weder af; in het afcomen saegen wy een seer groote +yselyck swarte beer voor ons overswemmen, ende was aen lant ende in ’t +bosch eer wy daerby conden comen. Syn aen boort gevaeren. Aen boort +comende hadden de inwoonders veel oesters ende appelties van roosen aen +boort gebrocht, dese appelties, de pitties daeruyt gedaen ende gestooft, +smaeckt heel wel ende ververst treftich. De wint S. met een styve +coelte. + + [27] Opwaarts aan? + +c 22. + +’s Morgens was ’t mistich weder, de wint S. met een styve coelte, hebben +een vlot gemaeckt om te harpuysen, ende heeft ons volcq uyt visschen +geweest, vingen soo veel visch als begeerden; d^{o}. is de timmerman aen +lant gegaen om twee wangen (schalen) claer te maecken tot de besaens +mast ende groote mast. ’s Middachts was ’t claer weder. Hebben verstaen +van de inwoonders, als dat het silver was te crygen in _Cirarca_, ende +gout in _Tacapsy_, maer dat het hare vyanden waeren, dat daerom +_Noiasack_ niet hadden durven met ons volck daer naertoe gaen. Seyden +oock als dat de menschen uyt al de andere dorpen ende huysen door honger +ende coude gestorven waeren. _Coutsiaer_[28] was oock een dorp ofte +plaetse by _Tacapsy_, dat waeren wel haer vrienden, maer daer en was +geen minerael naer haer seggen. ’s Nachts hadden wy styve wint uyt een +S. + + [28] Op bl. 86 Goutsiaer. + +d 23. + +’s Morgens moy weder met een S. coelte; hebben het schip gecrengt, +schoongemaeckt ende de eene sy geharpuyst, mosten de andere sy staen +laeten doordien het begon te regenen; cregen ’s nachts een storm met +harde regen, de wint S. + +e 24. + +’s Morgens de storm noch aenhoudende, hebben een worpancker uytgeset om +de S.W., des noots synde om ons daegelycx ancker daerby uyt te haelen. +’s Avonts de wint continueerende, hebben ons daegelycx ancker uytgehaelt +tot een borch. + +f 25. + +’s Morgens begon de harde S. wint wat af te nemen ende het weer wat te +beteren, hebben omtrent de middach het schip voorts geharpuyst, hebben +ons worpancker tuys gehaelt daer wy sus lange mede vertuyt gelegen +hadden. Naer de middach cregen weder een harde S. wint. Syn ’s avonts +met een cleyn prautien de rivier opgevaeren, ende syn de dwars rivier +opgeschept, die om de W.S.W. streckt; voeren d^{o}. rivier ’s nachts 2 +mylen op, cregen doen styven regen ende een harde wint, schuylden onder +het lange riet tot tegen den dach, schepten alsdoen de rivier weder op. + +g 26. + +’s Morgens syn wy de rivier voorts opgevaeren, soo veer als wy op conden +comen, ende vonden die boven heel ondiep ende smal, alwaer een groote +essenboom dwars over lach, die door de groote afwatering de wortel uyt +der aerde was geruckt; vonden op dese rivier schoone boomen staen van +alderhande hout, of men in _Noorwegen_ was. Hier wassen tegen de +voetings van het geberchte op de rivierscant witte ende roode +braembessen, die ryp waeren, ende veel witte ende roo aelbessen met heel +swarte imbere beiyen (Himbeeren); vonden oock schoone vlacke valeyen +van vlack lant, maer conden daer niet oploopen door de langte van het +gras. Naer ick boven in de rivier con bemercken, soo had het water wel +een vaem ’s winters hooger geweest als nu met hooch water quaem. Hier +niet sonders meer connende vernemen, syn de rivier weder afgevaeren, +hadden de rivier omtrent 4 à 5 mylen op geweest, ende loopt soo crom als +een slang, op het hoochst gelyck een gecrulde slang die byt (het +oogenblik afwacht) om te springen. Vonden in ’t afcomen, omtrent 2 mylen +de rivier op, 6 huysies op een vlacke hoeck staen, waerby langs een +cleyn afloopent watertie quaem afloopen, by een steyle hooge hoeck van +wit albastert steen; vonden daer geen volck in, noch scheen in geen jaer +volck geweest te hebben, vonden daer eenige vischkorven in, gelyck de +cubbe in ’t vaderlant; voeren veerder af, vonden alsdoen noch 2 huysies +op een vlackte staen, als de vorige, syn voorts afgevaeren. Voor in den +mont van de rivier laegen eenige groote vuerenboomen, oock eenige ¼ myl +de rivier op, die ’s winters met de groote cracht van het smeltende +sneeuwwater met wortel ende al afgestroompt worden, ende door de groote +cracht des waters uyt de aerde geruckt werden. Tegen den avont by ons +schip comende, saegen een Japansche lastberck by ons schip liggen, +waerover ick seer verwondert was; aen boort comende verstont als volcht, +dat d^{o}. berck alhier omtrent de middach gearriveert was, ende dat een +Japander, synde een jongh flucx man, synde als opperhooft van d^{o}. +berck, aen ons boort had geweest met 6 man van syn volck, ende hadde +geseyt dat hy hier quaem om te handelen, gelyck de Hollanders in _Japan_ +comen handelen, ende dat hy van een plaets quaem genaempt _Matsimay_, +liggende bewesten Caep _Eroen_ op _Eso_, ende is aldaer een Japansche +regent op d^{o}. plaets, soo dat die plaets onder de Japander sorteert, +maer dese luyden comen hier om te handelen velwerck, traen ende +walvischspeck. Heeft verscheyden discoursen met den Commandeur gehadt, +ende is aen boort gevaeren, ende liet syn bovenrock ende houwer in de +cajuyt liggen, seggende hy soude die morgen comen haelen. Haer lading +was ryst, gemaeckte rocken, sackie, toeback; hadden oock loode +ringeties, die sy aen de Esoers schoncken, om in haer ooren te hangen. +Hy hadde oock geseyt, dat hy van een Japanschen vader, maer syn moeder +uyt _Eso_ was. Hy sprack de Esosche spraeck soo pront als syn Japans; hy +seyde oock als dat in _Tacapsy_ ende _Cirarca_ veel gout soude vallen, +heeft van elcke plaets een cleyn stuckien berchgout aen den Commandeur +geschoncken; hy seyde oock dat _Eso_, synde dit lant, een eylant was, +ende haelde het fatsoen uyt syn hooft met potloodt op een vel pampier +met _Japan_, circa als in ’t hantteyckenboeck is te beoogen. Seyde oock +dat de _Matsmadonna_ syn hof hielt in _Matsimay_, ende dat daer een +fraeye haeven by lach, genaempt _Camenda_; seyde oock als dat de +_Matsmadonna_ jaerlycx naer den Keyser trock ende brocht schenckagie van +vellen tot tribuyt aen hem, syn reys nemende te water tot _Nabo_, wat +verby de Caep _Goeree_ om de S., ende reyst dan naer den Keyser over +lant naer _Jedo_. Hy affirmeert het seggen van den Esoer, als dat +_Coutsiaer_ sonder mineraelen, ende dat _Cirarca_ silver ende gout +heeft, ende dat _Tacapsy_ gout geeft, hy noemde noch 2 plaetsen _Erbis_, +_Porvobis(?)_ Op d^{o}. hebben begonnen water ende hout te haelen. + +a 27. + +’s Morgens is de Japander weder aen boort gecomen, ende heeft het schip +bekeecken ende daernae weder wat met den Commandeur gediscoureert; een +geschildert tsits cleetie hangende voor de Commandeurs coy, eyste daer +soo veel af als tot een beurse van doen hadde, doen is hem een stuckien +wit damast ende geel armosyn gegeven met noch een roemer, alwaer groote +sin in hadden; sey: compt met u schip in _Matsimay_, brengt daer sulcke +stof, sult soo veel silver crygen als ghy begeert. Den Commandeur liet +hem een stuckien minerael sien, vraegende waer wy daeraen quaemen, seyde +dat wy dat in _Nova Spania_ gecregen hadden, soo seyde hy weder _Cany +Nova Spania_. In ’t uytgaen van de cajuyt sach hy een Hollantsche can, +alwaer hy groote genegentheyt toe toonde, alwaer wy tien balys ryst voor +geruylt hebben, ende wert hem noch een Sineesch verglaest potien toe +geschoncken. Hy naer boort vaerende, seyde, dat hy met syn berck dichter +by ons comen wilde. Den Japanders naem was _Ory(?)_ Ons volck doende +synde met water haelen, alwaer den Japander oock met 2 à 3 man van syn +volck om water is gecomen, elck een leege sackie baly[29] hebbende; +dewelcke ons volck haer gevult hebben, ende syn naer haer boort +gevaeren. Wy haelden dien dach veel branthout aen boort met onse cleyne +prauw, syn ’s avonts uyt visschen gevaeren, quaemen in den voornacht aen +boort, brochten een lustige soo visch mede. In het aen boort comen sach +ick dat den Japanders berck wat bet met de stroom, de ebbe gaende, +uytwaert aen gedreven was, ende in ’t laest van de eerste wacht vertrock +sonder van ons syn afscheyt te nemen. Hier in de bocht ende ree van +_Ackys_ maeckt een O.N.O. ende W.S.W. maen hooch water, dan comen veel +wantyen. + + [29] Een tobbe of back. Witsen. + +b 28. + +’s Morgens syn met het prautien om de S. geroeyt, om te sien of ick den +Japansche berck noch sien con, ende waer hy het heen liet staen, om de +N. of om de S., ofte om de O. of de W.; maer om de steyle hoeck comende +saegen hem niet, syn voorts uytwaert aengeroeyt tot aen het cleyne +eylant _Moyomosier_, syn daer boven opgeclommen, maer conden d^{o}. +berck niet sien, maer ick bevont dit eylant boven op soo scherp gelyck +een cap van een huys. Op d^{o}. eylant stont het vol _Aniens_(?) synde +paers van cleur. Syn weder naer boort gevaeren. Op de vlackte van het +gadt van _Ackys_ comende, heb het selfde noch eens op noves gediept, +vonden 13, 14, 15 voet water ende was noch geen hooch water. Dus doende +wesende met diepen, begon ’t styf te regenen ende te waeyen, ende alsoo +weder drie persoonen met een prautie op den 26 d^{o}. uytgesonden +waeren, om de S.W., om nae eenich wilt te soecken ende het lant soecken +veerder inwaert aen te ondersoecken, saegen die noch niet opcomen, +waerover den Commandeur een schoot heeft laeten doen dat wy aen boort +souden comen. Aen boort comende, heeft geseyt: ons volck is er noch +niet, ende haer tyt die sy uytblyven souden is geexpireert, sy moeten +wat gebreck hebben, compt, laet de prauw claer maecken ende neemt eeten +ende drincken mede, ende vaert heen ende weest haer in behulp. Heb alles +stracx claer laeten maecken, maer als doende waeren, om over boort te +climmen, saegen ons volck aen comen roeyen, doch veeltyts dwars liggen, +vermoeden dat sy moede ende mat waeren, syn al evenwel naer haer toe +gevaeren, de wint styf uyt een S.S.W. waeyende, quaem met haer eerst +naer de middach aen boort. Sy en hadden menschen noch beesten +vernoomen, brochten eenige steenties mede, daer eenige blinckende aerde +ofte spetie in scheen te wesen. Hadden over het lant heen in ’t S.W. de +see gesien, ende daernaer weder lant; ’t welck de bocht ven _Tacapsy_ +moet wesen. Op dato is een van ons volck, die by de waterput mede +geordineert was, om water in de vaten te scheppen, in huys gecomen van +_Noiasack_, ende begeerde een pijp taback op te steecken; heeft een +cleyn meysien met de eene hant op ’t hooft geraeckt, waerover dese +_Noiasack_ een groot misbaer gemaeckt heeft. Waerover de aen lant +wesende Stierman met den matroos aen boort gecomen is, ende het selfde +den Commandeur aengedient heeft. Soo heeft den Commandeur de Assistenten +Arnout ende Davit aen lant gesonden, om de gelegentheyt van de daet te +vernemen. In _Noiasack_ syn huys comende, vonden hem geheel verstoort, +vonden al de manspersoonen van het dorp in syn huys; hy sittende met een +houte knuppel in syn hant, alwaer sy recht mee doen; ende wilde de twee +Assistenten niet toe spreecken. Sy saegen het meysie met het aengesicht +op de aerde liggen, conden van niemant geen spraeck crygen, als +_Noiasacks_ vrouw sey, dat _Noiasack_ dat meysie geslaegen hadde. Syn +met dat bescheyt aen boort gecomen. + +c 29. + +’s Morgens syn de twee Assistenten weder naer lant gevaeren, om imant +van de manspersoonen van ’t dorp aen boort te haelen, op dat sy sien +souden dat wy recht ende justitie maintineerden. Syn met drie broers aen +boort gecomen, twee ruyge gebaerde mannen ende een jonck man. Sy siende +dat den delinquant voor de mast gestelt wert, ende den Schipper hem +geslaegen hebbende, ende ick slaen soude, heeft den een myn +vastgehouden, ende de dach[30] met cracht uyt myn hant geruckt, ende +wesen de persoon sou van de mast wechgaen, sy wilden de dach over boort +smacken, seggende _Oryback_, het is niet goet. Sy in de cajuyt loopende, +seyden, dat sy aen _Noiasack_ elck een rock ende houwer gegeven hadden, +dat hy wel tevreden wesen soude, ende soo den Commandeur een rock aen +_Noiasack_ geven wilde, dat sy dan haer houwers weder crygen souden met +haer rocken. Den Commandeur de groote listicheyt ende giericheyt van +desen _Noiasack_ bemerckt hebbende, heeft de luyden wat getracteert, +ende heeft haer naer lant laeten vaeren, seggende hy sou maecken dat sy +haer rocken weder souden crygen. Corts syn met den Assistent Davit naer +lant gestiert, hebbende een can slechte arack by ons; aen lant comende, +gingen stracx in _Noiasacks_ huys; vonden _Noiasack_ sitten, siende heel +stuerts, greep hem by de hant, ende wees, wy mosten vrolyck syn; ick +quaem aen lant met hem eens vrolyck te syn, ende wees, most niet suer +sien maer lachen; waerop hy myn toelachte, ende wees, ick soude by hem +gaen sitten. Ick siende syn houwer ende knuppel achter hem liggen, greep +die ende brocht dat heel in een ander hoeck van ’t huys, ende wees, dat +was niet goet, maer mosten t’ saemen eens taback ende een arackien +drincken, ’t welck hy met myn dede; creech hem soo veer, dat hy begon +praetich te worden. Rontom saeten die drie broers met noch 4 à 5 andere +manspersoonen, brocht het soo veer, dat sy allegaeder mannen, vrouwen +ende het voorschreven meysie weltevreden ende vrolyck waeren. Ick rontom +siende, sach de drie houwers ende rocken liggen, syn opgestaen, ende +die opgenomen ende in handen van _Noiasack_ gegeven, ende gewesen, hy +sou de rocken ende houwers geven die sy toequaemen, dat het niet en +docht anders luydens goet te neemen. Heeft het vrywillich gedaen, gaf +elck syn eygen goet weder; waerover sy verblyt waeren, roepende _Tacoy, +tacoy_, vrient, vrient, waerop ick haer allegaeder een scheeps arackie +heb laeten schencken, waerop _Noiasack_ syn beleeftheyt heeft getoont, +ende schonck myn drie blaeden Japansche taback, seyde die heb ick van de +_Koka_ gecregen; ’t welck is de Japander, by haer soo genaempt. Ick heb +in myn afscheyt neemen de vrouwen ende kinderen met cleyne snuysteringe +vereert, ende syn soo met vrientschap van haer gescheyden ende naer +boort gevaeren. Ons water ende hout haelen ginck gestaedich voort; +hebben op dien dach hout tot een besaens mast gehackt ende noch twee +greene spieren. + + [30] Een kort dik ent touws daar men de schepelingen mede kastijdt. + Witsen. Tegenwoordig Handdagen. + +d 30. + +’s Morgens heeft den Commandeur een tent aen lant laeten oprechten, ende +syn met alle man in de waepenen geweest. Syn soo door ende verby het +dorp van _Ackys_ gemarscheert, om de inwoonders eens te betoonen, indien +ons imant quaet dede, dat wy oock op onse defentie stonden. Scheenen +seer vervaert ende bevreest te syn, maer alsoo sy saegen dat wy haer +geen quaet en deden, ginck de vrees haest over. Syn weder by de tent +gemarscheert, alwaer de Crancbesoecker een predicatie gelesen heeft uyt +den 16^{den} psalm, het 4^{de} vaers. Hebben alsdoen t’ saemen wat +gegeten ende hebben dese baey genaempt _de Goede Hoop_; syn tegen den +avont aen boort gevaeren. ’s Nachts hadden wy harde regen ende wint uyt +den N. + +e 31. + +’s Morgens syn met het meeste scheepsvolck naer lant gevaeren, om het +omgehackte ronthout uyt het bosch op ’t strant te brengen, ende voorts +aen boort sien te crygen; quaemen ’s middachts weder aen boort, brochten +veel tacken met groote nooten aen boort, die meest ryp waeren. Hadden +d^{o}. hout op de watercant gebrocht, om het met het toecomende hooch +water aen boort te brengen; hebben oock hout tot wintboomen ende +hantspaecken gehackt, synde berckenhout. Ons ronthout ’s avonts aen +boort gecregen hebbende, haelden ons daegelycxs ancker t’huys, om ’s +anderdaegs t’seyl te gaen. + +Soo lang als wy hier in de bay laegen, hebben wy geen gedierte by haer +vernomen als honden, ende vier arenden, die wy van haer geruylt hebben +voor twee handen vol Javaensche taback. Voorts het velwerck dat sy +hadden, vertrou ick, dat sy ’s winters crygen, want het wilt somers hier +niet is te becomen, door de dichticheyt van het bosch ende het lange +gras. Dese bay soude welgelegen syn, om te overwinteren, des noots +synde. Dese luyden syn ruych van baert, het halve hooft geschooren, +voorts achter op ’t hooft lanck haer, de vrouwen haer hooft is met een +crans geschooren. Het vrouvolck schynt seer eerbaer te syn, alsoo wy +conden bemercken aen haer; als sy haer kinders de borst gaeven, +bedeckten die seer nauw. Als hier een vrouw in de craem leyt, wort in +een huysie alleen geleyt, tot dat de bestemde tyt verstreecken is; wert +by de mans soo lang onsuyver gehouden. Als sy eenige straffe doen des +doots schuldich ofte eenige van haer vyanden gevangen crygen, slaen die +doot met een swaeren kneppel in de lenden. Voorts de strecking van de +bay ende het incomen van dien met de diepte, is als by de caert can +beoogen. + + +September. + +f 1. + +’s Morgens was ’t heel stil moy weder, hebben met het criecken van den +dach wat bot ingecort, ende verwachten voorts het hooch water, lichten +alsdoen het ancker ende boechseerden het gadt uyt; vonden in de kil 16 +voet water. Terwyl wy met een voorebbe het schip met de boot lieten uyt +boechseeren, is den Assistent Arnout Brouwer ende Davit Cassu, naer +_Ackys_ gestiert met een cleyn prautie, om aen _Noiasack_ een Prince +vlaggetie te vereeren. Wy quaemen tegen den middach by den eersten hoeck +ten ancker op 3 vadem, steckgront; want de ebbe verloopen was ende de +wint ons uyt de see tegenquaem. Corts daernae quaemen de twee +Assistenten weder aen boort, ende werden uytgeley gedaen van _Noiasack_, +ende met noch twee prauwen met habytanten, dewelcke voor een adieu +medebrochten menichte oesters ende appelties van roosen. Gaeven oock een +van haer houwers aen den Commandeur, waertegen haer elck een cleetien is +gegeven, ende syn soo met vrientschap gescheyden. Saegen noch een prauw +comen van Caep _Santanel_; het scheen dat dese habytanten de andere niet +wilden verwachten, maer syn met der haest wechgevaeren naer _Ackys_. +Dese prauw aen boort synde, was vol velwerck; als robbenvellen, elants, +otters ende beeren, ende eenige by ons onbekende vellen; hadden oock een +doode craenvogel ende eenige gedroochde visch; presenteerden het alles +te verruylen voor Japansche rocken. De prauw quaem van _Coutsiaer_, de +habytanten waeren met haer vieren; drie waeren gecleet met rocken van +vellen, den anderen had een geschilderde Japansche rock aen, ende was +een oudt man, met een ruyge lange witte baert. Quaemen in ’t schip over, +ende presenteerden haer waeren, maer daer en is niets van haer geruylt. +Syn ’s nachts van boort gevaeren ende roeyden naer _van der Lyns_ +eylant, om daer te vernachten. Ons volck waeren ’s avonts uyt visschen +gevaeren. Alsoo wy in de voornacht een N. coeltie cregen, schooten een +schoot, dat sy aen boort souden comen; quaemen aen boort ende brochten +een schoone soo visch mede, alwaer een groote steur onder was. Wy syn +wat dichter onder _van der Lyns_ eylant geseylt, ende hebben het aldaer +geanckert op 8 vadem, steckgront; verwachtende den dach, om het rif met +voorsichticheyt te passeeren, dat van Caep _Santanel_ afstreckt; meest +O.S.O. 1¾ myl in see. + +g 2. + +’s Morgens omtrent twee ueren voor daech cregen wy een moy coeltie uyt +een O., deden onse cours S., lichten ons ancker, het diepte al gaende af +8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16 tot 18 vadem. Hielden het eylant het naest, +liepen by de steyle W. hoeck uyt in see, om het rif terdegen te +schouwen; dach synde saegen wy die voorige aen boort geweest synde +habytanten ons naer comen roeyen, dan wy te hart voortgaende, keerden +wederom naer de Caep _Santanel_ toe. Een myl W. ½ S. leyt de O. hoeck +van de bay van _Tacapsy_ van de Caep _Santanel_ af. Wy buyten in see +wesende, setten onse vaertuygen in. ’s Middachts giste Caep _Santanel_ +N.t.W. 4 mylen van ons, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 52 +min., ende 163 gr. 30 min. in de lengte, ende op de bevonden breete van +42 gr. 52 min.; diep 60 vadem, grauwe wasige santgront. Wat naer de +middach cregen wy de wint O.S.O., lieten het ten naestenby N.waert over +staen; 3 ueren naer de middach was ’t noch 90 vadem diep ende doen corts +gront af. ’s Avonts scheen het eylant _Mossirca_ N.O.t.N. 7 mylen van +ons, ende Caep _Canael_ N.t.O. ½ O. van ons. Saegen menichte van +gevogelte. ’s Nachts was ’t motrich ende regenachtich weder met styve +topseyls coelte. + +a 3. + +’s Morgens begon de wint al treckende naer het S. ende S.W. te loopen, +ende voorder naer het W., de see hol aenschietende uyt een S.O.; wenden +het alsdoen ende lieten het om de S.O. staen. ’s Middachts giste geseylt +te hebben S.t.W. 11 myl, waeren volgens dien, op de breete van 42 gr. 9 +min., ende op de lengte van 163 gr. 18 min.; deden alsdoen onse cours +S.S.O. aen. Vier glaesen daernae saegen wy de Caep _Eroen_ in ’t W.t.N. +10 mylen van ons, vier ueren naer de middach deden wy onse cours S. aen. +’s Avonts saegen wy het hooge lant van Caep _Eroen_ in ’t W.N.W. van +ons; saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint W. + +b 4. + +’s Morgens was de wint W.S.W. met goet weder. Giste ’s middachts geseylt +te hebben S. ½ O. 16 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 41 gr. +3 min.; hebben dien dach getalyt ende gestaecht. Naer den middach de +wint S.S.O. ende S.O., wenden het om de S.W. met een labber coeltie. ’s +Nachts de wint S.O. ende S.O.t.S. + +c 5. + +’s Morgens hadden wy een betogen lucht, de wint S.O.t.S. Giste ’s +middachts geseylt te hebben S.W. ½ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op +de breete van 40 gr. 24 min., ende op de lengte van 162 gr. 27 min., +ende bevonden breete van 40 gr. 24 min.; lieten het al S.W.waert +overstaen tot ’s avonts, wenden het doen om de O.; de wint alsdoen +S.S.W. In ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy de wint S.W. met +regen ende styve coelte, naemen onse marsseyls in, ende in ’t inneemen +der marsseyls is de schenckel van de loefbras ende het ly-geytouw aen +stucken gebroocken, waerover ons groot marsseyl uyt de lyck geraeckt is; +geyden voorts ons grootseyl op, lieten het met de fock ende besaen voort +staen. Dese styve wint hielt aen tot in ’t vyfde glas van de tweede +wacht, alsdoen wert het goet weder, cregen een N. wint, deden onse cours +S. aen. + +d 6. + +’s Morgens goet weder, de wint N. met een labbercoeltie. Giste ’s +middachts geseylt te hebben S. 8 mylen, waeren volgens dien, op de N. +breete van 39 gr. 52 min., de lengte als vooren, ende op de bevonden +breete van 39 gr. 54 min. Hadden van ’s ochtents in stilte gedreven tot +’s middachts. Cregen naer de middach een variabel labber coeltie uyt een +S. ende S.W. + +e 7. + +’s Morgens was ’t moy weder met een cleyne coelte uyt een S.W., met een +donckere betogen lucht met stilte, somtyts een variabel luchien. Giste +’s middachts geseylt te hebben S.O.t.S. 5 mylen, waeren volgens dien, op +de breete van 39 gr. 37 min., ende op de lengte van 162 gr. 42 min. Wat +naer de middach saegen wy eenige walvisschen. Met sons onderganck cregen +wy de wint S.S.O., deden onse cours S.W.t.S.; doen er 4 glaesen in de +eerste wacht uyt waeren, cregen de wint S.W. met motregen, wenden ’t +S.O.waert over. Hadden ’s ochtents de compassen op 8 gr. N.Oostering des +naelts geleyt. + +f 8. + +’s Morgens moy weder met cleyne coelte, de wint uyt een S.W., ende wat +op den dach variabel. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.t.O. ½ O. 8 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 39 gr. 6 min., ende +op de lengte van 162 gr. 54 min., ende op de bevonden breete van 39 gr. +29 min., bevonden styven stroom om de N. te gaen; saegen eenich wier +dryven. Naer de middach cregen wy een cleyn coeltie uyt een N. ende +trock naer ’t O., deden onse cours W.S.W. ’s Avonts de wint N.O., +stelden onse cours S.W. aen. + +g 9. + +’s Morgens was ’t een betogen lucht, de wint N.O., deden onsen cours +W.S.W.; saegen omtrent 2 ueren naer sonnen opganck het lant in ’t W. van +ons liggen omtrent 11 à 12 mylen. Bleven by de W.S.W. cours, tot dat wy +het lant ten deele verkennen conden, ’t welck was de hooge _Taefelberch_ +van de O. cust van _Japan_, deden alsdoen onse cours S.W. aen; saegen +oock N.waert van ons het hooge lant van _Nabo_. Giste ’s middachts +geseylt te hebben S.W. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete +van 38 gr. 53 min., ende op de lengte van 162 gr. 2 min.. Alsdoen lach +de _Taefelberch_ wel soo N. als W.t.N. 8 à 9 mylen van ons; deden doen +onse cours S.S.W. tot half naer middach, cregen doen de wint W.S.W., +lieten het ten naestenby S.waert over staen; saegen groote raveling van +stroom. Met sons-onderganck lach de _Taefelberch_ N.W.t.W. ½ W. 10 mylen +van ons. ’s Nachts de wint uyt een W.N.W. ende N.W., deden onse cours al +by de wint over om de S.S.W. ende S.W. + +a 10. + +’s Morgens de wint N.N.W. met topseyls coelte, onse cours om de S.W. +ende daernaer W.S.W. Omtrent 2 ueren voor middach cregen wy de O. cust +van _Japan_ in ’t gesicht, ende lach in ’t W. ende W.S.W. van ons. Giste +’s middachts geseylt te hebben S.S.W. ½ W. 19 mylen, waeren volgens +dien, op de breete van 37 gr. 46 min., ende op de lengte van 161 gr. 6 +min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 38 min.; waeren 10 à 11 +mylen buyten de wal. Is alsdoen geresolveert om onse cours om de O. te +stellen, tot ontdecking van de Gout ende Silver rycke eylanden; waertoe +de goede genaedige Godt gelieft syn segen te geven. Amen. Naer de +middach ende ’s nachts het luchien variabel met veel stilte. + +b 11. + +’s Morgens moy weer als vooren met stilte, naer gissing geseylt O.t.N. 8 +mylen, hadden de breete van 37 gr. 51 min. Naer de middach een labber +coeltie uyt den S., variabel, als oock ’s nachts. + +c 12. + +’s Morgens moy weder, de wint S.O., onse cours ten naestenby O.waert +over; wat op den dach cregen wy de wint S.S.O., de see styf +aenschietende uyt een S.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.N.O. +12 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 38 gr. 9 min., +ende op de lengte van 162 gr. 39 min., ende op de bevonden breete van 38 +gr. 29 min. Vernaemen hier de stroom om de W. te loopen; waeren nu 28 +mylen buyten de O. cust van _Japan_. Saegen wat naer de middach een +stuck hout dryven ende by menichte gevogelte vliegen. Tegen den avont +begon ’t styf te motregenen, ende in de eerste wacht cregen wy een harde +slachregen, ende in ’t laetste deel van d^{o}. wacht wert het stil tot 7 +glaesen in de tweede wacht, cregen doen een coeltie uyt een W.S.W. met +topseyls coelte; deden onse cours S.O. aen. + +d 13. + +’s Morgens was ’t een grauwe betogen lucht, giste ’s middachts geseylt +te hebben O.t.S. 12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 38 gr. +20 min.; maer bevonden te syn op de bevonden breete van 38 gr. 40 min., +soo dat op noves bevonden de stroom styf om de N. te gaen; deden onsen +cours S.O., de wint W. met holle deyninge uyt een S.; saegen veel +meeuwen vliegen. + +e 14. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.W. ende N.N.W. met topseyls +coelte, cours als vooren. Giste ’s middachts geseylt te syn S.S.O. 20 +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 26 min., ende op de +lengte van 164 gr. 16 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 16 +min., bevonden als nu de stroom gekentert te wesen, waeren nu 48 mylen +buyten de O. cust van _Japan_. Vingen 2 cleyne lantvogelties gelyck +rietvinckies. ’s Nachts cregen wy een N. coelte. + +f 15. + +’s Morgens moy weder, de wint als vooren uyt een N.N.W. met holle +deyninge uyt een N. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.N. 17 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 37 gr. 29 m., ende +op de lengte van 165 gr. 38 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. +24 min.; waeren doen 64 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Saegen veel +steencroos ende een stuck hout dryven; deden onse cours N.O.t.O. aen; +saegen naer de middach een stuck van een viercante balck dryven, synde +viercant gehackt, lanck omtrent 1½ vadem ende 2 voet breet, ende scheen +al lanck gedreven te hebben. De wint trock temet naer het N.N.O., ende +continueerde die heele nacht. + +g 16. + +’s Morgens moy weder met een slappe N.N.O. coelte, met holle see uyt een +N. Saegen voor de middach een groote schilpadt dryven, saegen veel +cleyne clipmeeuwties ende ander groote meeuwen vliegen. Giste ’s +middachts geseylt te hebben O.t.S. 16 mylen, waeren volgens dien, op de +breete van 37 gr. 12 min., ende op de lengte van 166 gr. 54 min., ende +op de bevonden breete van 37 gr. 17 min.. Vingen weder een cleyn +lantvogeltie corts naer de middach, gelyck een puttertie. De wint +variabel met stilte; waeren nu omtrent 80 mylen buyten de O. cust van +_Japan_; met sons onderganck cregen wy de wint uyt een S.S.O., deden +onse cours eerst N.O., ende daernaer O.N.O.; in de eerste wacht +motregen, in ’t voorste van de tweede wacht cregen wy een styve wint uyt +een S.; naemen beyde onse marsseyls in. + +a 17. + +’s Morgens was ’t al ongestaedich weder, met styve buyen uyt een S.S.O., +met regen ende hol water, naemen onse bonets af ende reefden de +besaen[31], de wint allengskens naer het S., S.S.W. tot het S.W. +omloopende. Leyden ’s ochtents onse compassen op 10 gr. N.Oostering des +naelts. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.O.t.O. 16 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende op de lengte van 168 +gr. 2 min. Bevonden alsdoen dat wy groote leccagie door onse laetpoort +gecregen hadden, maeckten het van binnen soo veel dicht als conden. Wat +naer de middach wert ’t moy weder, brochten onse bonets weer aen ende +setten alle de seylen doen weder by, ende deden onse cours O. aen, de +wint temet met een styf topseyls coeltie naer het W. omkringende; de +holle deyninge draeyde al met de wint om. ’s Avonts hadden wy veel +blixem in ’t S.O. ende in ’t S.S.O. + + [31] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen + geregen kan worden. Witsen. + +b 18. + +’s Morgens was de wint W.N.W. met styve coelte; saegen een stuck hout +dryven, ende veel meeuwen vliegen. Giste ’s middachts geseylt te hebben +O. 38 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 53 min., ende +op de bevonden breete van 38 gr. Stelden doen onse cours O.t.S. aen; +waeren alsdoen 130 mylen buyten de O. cust van _Japan_; de wint naem +langsaem af ende liep in ’t N.W. ’s Nachts N. met stilte ende slecht +water. + +c 19. + +’s Morgens was ’t heel mistich weder; setten voor de middach ons want +aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben O.t.S. 17 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 37 gr. 47 min., ende op de lengte van 172 +gr. 38 min. De wint naer de middach naer het S.W. ende voorts naer het +S. treckende, deden onse cours O.t.N. aen, ende corts daernae O. ’s +Nachts styve coelte, ’s avonts hebben wy onse compassen op een streeck +N.Oostering geleyt. + +d 20. + +’s Morgens hadden wy moy weder, met een styve doorgaende wint met slecht +water; saegen veel meeuwen vliegen; vervolgden onse cours om de O. Naer +de middach ten 4 ueren cregen wy een styve coelte uyt een S.t.W., soo +dat wy onse marsseyls innaemen. Tegen den avont de wint naer het W. +treckende, maeckten de marsseyls weder by, met styve topseyls coelte; +doen er drie glaesen in de eerste wacht uyt waeren, verhefte hem de see +soo subyt met een W. styve wint, dat wy weder de marsseyls innaemen. + +e 21. + +’s Morgens was ’t helder ende claer weder, de wint W., hebben onse +marsseyls weder bygemaeckt, vervolgende onse cours om de O.; cregen naer +de middach de wint W.N.W. tot in de eerste wacht, doen N.W. ende de +coelte loopende temet naer het N. ende voorts N.O. ende voorts naer het +O. + +f 22. + +’s Morgens hadden wy moy helder weder, de wint tegen den middach S.O., +’s middachts S.O.t.S. met slappe topseyls coelte, met holle deyninge uyt +een W.N.W.; maer cregen ’s nachts slecht water. ’s Nachts de wint S., +treckende temet naer ’t S.S.W. met gemeen topseyls coelte. + +g 23. + +’s Morgens hadden wy moy weder, omtrent 2 ueren voormiddach saegen wy +eenige puystebyters rontom het schip vliegen, met menichte grauwe ende +witte meeuwen ende eenige swaluwen; stelden onse cours S.O.t.S. by de +wint over. ’s Middachts giste geseylt te hebben O.t.S. 20 mylen, waeren +volgens dien, op de breete van 37 gr. 32 min., ende op de lengte van 181 +gr. 12 min., ende op de bevonden breete van 37 gr. 31 min.; waeren +alsdoen omtrent 240 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Ende alsoo wy +vermoeden dat dese puystebyters uyt de S.O. van daen te comen, is +geresolveert onse cours S.O.t.O. aen te stellen omtrent 50 mylen, om te +ondersoecken of wy het eylant _Rica de Plate_ aldaer mochten bejegenen. +De wint S.W.t.S., ’s avonts vernaemen wy geen meer puystebyters; in ’t +ondergaen van de son scheenen wy lant te sien in ’t W.t.S. van ons, +alwaer wy naer toe gewent syn, W.waert over; de wint S.S.W. met slappe +topseyls coelte. ’s Nachts hadden wy helder weder met claer gesicht. + +a 24. + +’s Morgens hadden wy claer helder weder, ’s nachts geseylt W.t.N. 7 +mylen, maer vernaemen geen lant; syn wat naer sons-rysen gewent +S.O.waert over, met een topseyls coelte ende een claere sonneschyn. ’s +Middachts hebben wy onse compassen op 14 gr. N.Oostering geleyt; de see +styf uyt een S.W. aenschietende. ’s Nachts moy weder, de wint S.S.W. + +b 25. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint S.S.W. met slecht water met een +topseyls coelte. ’s Nachts weder ende wint als vooren. + +c 26. + +’s Morgens hadden wy moy weder, de wint als vooren; saegen eenige witte +meeuwen. Wat voor de middach cregen wy een weynich regen. ’s Middachts +is geresolveert onse cours O.S.O. aen te stellen tot ’s avonts ende als +dan geen lant vernemende, onse cours om de O.N.O. aen te stellen. ’s +Avonts niet vernemende, deden onse cours O.N.O. aen met een S.t.W. +coelte ende helder weder. + +d 27. + +’s Morgens weder ende wint als vooren, omtrent 2 ueren voor de middach +cregen wy de wint uyt een N.O. tot ’s middachts, alsdoen O.N.O. met een +topseyls coelte, wenden het alsdoen N.waert over. Giste geseylt te +hebben O ½ N. 21 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 13 +min., ende op de lengte van 186 gr. 59 min., ende op de breete van 36 +gr. 10 min.; saegen groote grauwe cockmeeuwen ende een witte pylstaert. +De eerste wacht trock de wint naer het O. ende voorts naer het S.O., +ende liep in de dachwacht naer het S. + +e 28. + +’s Morgens was ’t helder weder met claer gesicht, de wint S.W. met moye +coelte, onse cours O.N.O. aen. Saegen naer de middach eenige troppen +meeuwen; hadden ’s nachts helder gesicht. + +f 29. + +’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint S.W. met een doorgaende +styve coelte, deden ’s middachts onse cours O. aen, de wint alsdoen W. +met styve doorgaende coelte ende heel hol water. ’s Nachts helder +gesicht. + +g 30. + +’s Morgens was ’t moy weder met een styve W. wint, treckende allengskens +naer het W.N.W. met heel hol water. ’s Avonts liep de wint naer het N.W. +met helder ende claer weder ’s nachts. + + +October. + +a 1. + +’s Morgens was ’t moy helder weder met een styve N.W. wint ende hol +water uyt een N.W.; saegen veel gevogelte. ’s Middachts naer gissing +geseylt O. ½ S. 48 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 37 gr. 2 +min., ende op de lengte van 198 gr. 17 min., ende op de bevonden breete +van 36 gr. 56 min. Is alsdoen geresolveerd om weder te keeren van de O., +ende onse cours cruysende om de W. te doen. Naer de middach noch O. +geseylt 4 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 56 min., +ende op de lengte van 198 gr. 37 min., waeren doen 460 mylen buyten de +O. cust van _Japan_. Wenden het alsdoen weder om, om onse cours weder om +de W. te nemen, de wint synde N.N.W. met hol water uyt een N.N.W., ende +tegen den avont de wint N.W.t.N., ende liep heel variabel in de tweede +wacht. ’s Nachts wert ’t moy stil weder, cregen doen tegen den dach +Oostelijck. + +b 2. + +’s Morgens was de wint O. met slappe coelte ende een grauwe lucht, +alsdoen saegen wy een leuwerick rontom het schip vliegen, ende socht om +daerop te rusten; maer door ’t loopen van ’t volck, vlooch weder van ’t +schip af, om de W.S.W. Wy deden onse cours om de W. ’s Middachts was ’t +stillekens, de wint naer de middach omloopende naer het N.W., ende +voorts naer het O. ende tot het N.O., tegen den dach O.N.O. met +doorgaende coelte; de deyninge uyt een N.O. + +c 3. + +’s Morgens was ’t moy weder met een moye wint uyt een O.N.O., treckende +naer het O. ende O.S.O. met grauwe lucht. ’s Middachts de wint O.S.O., +voort treckende naer het S.O., cregen naer de middach styve regen met +holle deyninge uyt een N.O.; deden onse cours W.t.S. aen. ’s Nachts +trock de wint weer naer het S.S.O. met styve coelte, lieten het voort +staen met schover seylen, alsoo wy onse marsseyls in de eerste wacht +innaemen; cregen hol water uyt een W.N.W., somtyts regen met caeckich +weder. + +d 4. + +’s Morgens de wint naer het S. ende voorts naer het W.S.W. hebben het +eerst naer sons-rysen gewent. Gewent synde mochten S.S.O. seylen, de +wint W. tot ’s middachts, cregen doen harde buyen uyt een W.N.W. ende +N.W.t.W. met hol water uyt een N.W.; lieten het met schover seylen om de +S.W. staen. ’s Nachts de wint W.N.W. ende N.W. met styve buyen ende hol +water, somtyts regen. + +e 5. + +’s Morgens de wint N.W. tot ’s middachts, met styve buyen ende hol +water, cregen ’s middachts droochte. Bevonden dat ons de stroom styf om +de S. geset hadde, wat naer de middach de wint N.N.W. al met styve +buyen ende hol water, somtyts regen. ’s Nachts de wint al met styve +buyen naer het N. treckende, maer naem in het laetste van de eerste +wacht af, setten onse marsseyl weder by, ende de see begon vry wat te +slechten. Worden op dato wys, als dat onse achtersteven ende oock de +lastpoort veel leckagie bybrochten. + +f 6. + +’s Morgens de wint meest N. met topseyls coelte, met helder gesicht, +onse cours W.N.W.; sloegen andere seylen aen; tegen den avont cregen wy +een moye coelte uyt een N.O., deden onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts +de wint N.O. ende O. met redelyck gesicht. + +g 7. + +’s Morgens de wint O.N.O. met styf topseyls coelte, onse cours N.W., de +wint naer het O. treckende; hadden ’s nachts redelyck gesicht. + +a 8. + +’s Morgens was ’t doncker, mistich weder, met een styve doorgaende S. +ende S.O. wint, onse cours N.W.. bevonden de breete van 35 gr. 43 min. +nae gissing; vervolchden onse cours N.W. tot ’s avonts, deden doen onse +cours W.N.W. aen, met een S.O. wint, dewelcke ’s nachts in ’t S.S.O., +tegen den dach in ’t S. liep; hadden by dach veel meeuwen gesien. + +b 9. + +’s Morgens hadden wy moy weder, de wint S.S.W. met cleyn topseyls +coelte; naer gissing geseylt N.W.t.W. ⅓ W. 28 mylen, waeren volgens +dien, op de gegiste breete van 36 gr. 39 min., ende op de lengte van 187 +gr. 54 min., waeren op de bevonden breete van 36 gr. 42 min. Waeren nu +331 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Hadden sommige puystebyters +gesien, ende oock een gevangen, maer waeren wat naer de middach al weder +wech; de wint ’s middachts S.W. met claer weder, deden onse cours om de +W.N.W. met slappe coelte by de wint over. + +c 10. + +’s Morgens de wint S.W. met cleyn topseyls coelte, met slecht water, +hebben alsdoen de lastpoort dicht gecregen. Cregen naer de middach wat +regen, maer corts daernaer weder helder weder. ’s Nachts de wint S.W., +ende treckende temet naer het W.S.W., tegen den dach styve coelte. + +d 11. + +’s Morgens cregen de wint met sons-rysing uyt een N.N.O., met een grauwe +donckere lucht, stelden onse cours S.W. aen; saegen veel groote grauwe +meeuwen ende cleyne meeuwen, sommige swart, sommige bont. Cregen somtyts +motregen, de see begon styf uyt een N.W. aen te schieten, waerop een +styve N.O. wint volchde. ’s Nachts de wint als vooren, somtyts regen, +tegen den dach de wint O.N.O. + +e 12. + +’s Morgens was ’t moy helder weder, de wint treckende naer het O., met +een doorgaende coelte; deden ’s middachts onse cours W.t.S., ’s avonts +de wint O.S.O. ende trock naer het S. ’s Nachts in de tweede wacht de +wint S.W.t.S., tegen den dach S.W. + +f 13. + +’s Morgens wat naer sons-rysen cregen wy de wint N., voorts N.N.W. met +topseyls coelte, de see begon hem heel hol te verheffen uyt een N.W.; +saegen veel meeuwen vliegen. ’s Nachts de wint variabel van het N.N.W. +tot het N.O. heen ende weer loopende, met cleyne coelte, maer hol water. + +g 14. + +’s Morgens wat op den dach cregen wy de wint O. met stilte ende een +grauwe lucht, de deyninge styf uyt een N.W. aenschietende. ’s Nachts in +de eerste wacht S. met motregen ende styf topseyls coelte, deden onse +cours om de W.; tegen den dach cregen wy de wint W.S.W. met styve +verheffing van wint; naemen onse marsseyls in, ende lieten het by de +wint over staen met schover seylen. + +a 15. + +’s Morgens was de wint W.S.W., vingen een strantloopertie ende saegen er +noch een rontom het schip vliegen; saegen oock een swaluw ende veel +swarte meeuwen vliegen. Wat op den dach synde, cregen wy een swaere +travaet van regen ende wint; de wint in ’t N. schietende, hielen voor +wint om, ende lieten het W.t.N. aengaen, alsoo de wint stracx weer naer +het N.N.O. liep, ende naem soeties af; sette tegen den middach onse +marsseyls daer weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. ½ +N. 11 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 35 gr. 25 +min., ende op de lengte van 179 gr. 48 min., ende op de bevonden breete +van 35 gr. 19 min.; waeren 235 mylen buyten de O. cust van _Japan_. Wat +naer de middach cregen wy een topseyls coelte, de wint al treckende +omloopende naer het N.O. ende voorts naer ’t O.N.O., onse cours W.t.N.; +in de tweede wacht de wint O. met een moy coeltie. + +b 16. + +’s Morgens was ’t regenachtich weder, de wint O. met een betogen lucht; +saegen eenige groote ende cleyne meeuwen vliegen. De wint styf door +coelende, naer de middach uyt een N.O., ’s nachts in de eerste wacht O., +in de tweede wacht variabel O. ende S., met groote stortregen ende styve +doorgaende coelte. Tegen den dach cregen wy een swaere caeck, de +marsseyls pas ingenomen synde, uyt een S.O. met een styve storm ende +corts N. Alsoo wy doende waeren om het seyl op te geyen, is de wint uyt +de ly gecomen, soo dat ons groot seyl op de mast viel, ende conden het +selve niet neer crygen ofte opgeyen, soo dat het heel aen stucken +geslaegen is; ende alsoo met het comen van dese harde wint ons focke +cruyshout gebroocken was, was de fock heel schaloos; de besaen is oock +losgewaeyt, soo dat wy die, noch heel schaloos synde, neer cregen. +Hadden schrickelycke blixems in dit harde weer. + +c 17. + +’s Morgens hebben wy weder andere seylen aengeslaegen, alsoo de wint wat +bedaert was; liepen met een styve storm ende N.O. wint ende met holle +see uyt een N.O., met een opgearmde fock[32] om de W.S.W., met een +donckere draeyende lucht; maer wat naer de middach onse blint er by om +beter beniert[33] te wesen. Tegen den avont slechte de see ende de wint +naem af, soo dat wy onse fock der viercant bysette met het schoverseyl; +lieten het W.t.N. aengaen. ’s Nachts goet weder, de wint N.N.O. met +doorgaende wint, in de tweede wacht de wint N.O., in de dachwacht O.N.O. + + [32] Opgearmde fock wordt gezegt, wanneer die op een sonderlycke wyse + ter wintfanck staet, als men voor wint seylt. Witsen. + + [33] Ongemaniert in see leggen, zeer schudden en bewegen. Dezelfde. + +d 18. + +’s Morgens was de wint N.O. ende N.N.O. met topseyls coelte, brachten +ons bonnets[34] weder aen, ende setten de marsseyls daer weder by, +lieten het al W.t.N. voort staen; naer de middach wert het heel moy stil +weder met slecht water. Bevonden dat onse roerpen in ’t roer aen stucken +was, hebben weder een ander daerin gestoocken; wy bevonden styve stroom +om de S. te gaen. + + [34] Een seyl ’t geen aen de onderzeylen vast is, ’t welck af en aen + geregen kan worden. Dezelfde. + +e 19. + +’s Morgens goet weder met claer gesicht, de wint S.O., saegen ’s +ochtents een swaluw vliegen, was stillekens; hebben getalyt ende +gestaecht. Saegen een van diergelycke visschen sonder staert, als by +den Commandeur Quast saliger gevangen was[35]. Saegen oock croos ende +veel besaens qualleties dryven, ende een witte pylstaert vliegen. ’s +Middachts cregen wy een moye coelte uyt een S.W. ende W.S.W., lieten het +al om de N.W. voort staen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. +12 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 51 min., ende op +de lengte van 171 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 35 gr. 38 +min.; waeren doen naer gissing 121 mylen buyten de O. cust van _Japan_. +’s Avonts hebben wy de compassen op 11 gr. N.Oostering geleyt. Naer +sons-onderganck stont de lucht heel leelyck in ’t N. ende N.W., wenden +het om de S.W. om alhier wat te cruysen; de wint in ’t N.W. loopende met +styve coelte, naemen onse beyde marsseyls ende blint in, dan de wint +corts daernaer N. variabel, ende wert omtrent 2 ueren naer +sons-onderganck stil. Cregen weder in ’t voorste van de tweede wacht, +een moy coeltie uyt een N.W. met helder claer weder; sette onse +marsseyls daer weder by, lieten het S.W.waert voort staen, de wint temet +treckende naer het N.; tegen den dach de wint N. met slappe coelte ende +slecht water. + + [35] Deze visch was zeven voet breed en vyf voet lang. Onuitgegeven + Journaal van den Commandeur Mathys Hendricksz. Quast 1639. + +f 20. + +’s Morgens was ’t moy weder, dreven dien ochtent in stilte, bevonden ’s +middachts dat ons de stroom styf om de S. geset hadde; cregen omtrent 1½ +uer voor sons-onderganck een moye coelte uyt den S.; deden onse cours +uyt een W.N.W.. Corts naer sons-onderganck was het weder stil, een glas +in de eerste wacht cregen wy weder een moy luchien uyt den O., ende +trock allengskens om naer het S.O., voorts naer het S. ende tot het +S.S.W. Omtrent half de tweede wacht begon de wint styf door te waeyen, +naemen de marsseyls in, lieten het al W.N.W. voort staen. + +g 21. + +’s Morgens de wint S.S.W., met styve doorgaende wint, met motrich +doncker weder, maeckten wat op den dach seyl; alsoo de wint tegen den +middach naer het S.W. liep, ende heel hol water maeckte, naemen de blint +ende besaen weder in, ende wenden het verscheyden reysen. Saegen dat +onse groote rust wel een hantbreet afgeweecken was, dewelcke stracx +weder gemaeckt wert, ende lieten het om de N.W. voort staen. Hadden ’s +ochtents een swaluw gesien; ’s avonts de wint W.t.N. ’s Nachts begon ’t +weer te beeteren ende de wint af te nemen, cregen de wint half in de +tweede wacht W.N.W., wenden het S.W.waert over. + +a 22. + +’s Morgens moy weder, de wint W.N.W. met hol water uyt een S.W., sette +onse beyde marsseyls daerby, lieten het al S.W.waert over staen, saegen +2 witte pylstaerten vliegen, ende een bos steencroos dryven; ’s +middachts de wint W. Door verscheyden coursen geseylt N.N.W. 6 mylen, +waeren volgens dien, op de breete van 35 gr. 40 min., ende op de lengte +van 169 gr. 8 min., maer bevonden ons op de breete van 36 gr. 1 min.; +soo dat ons de stroom heel styf om de N. geset heeft, vermoeden het +selve gecomen te syn door de styve S. winden; waeren alsdoen 108 mylen +buyten de O. cust van _Japan_. Corts naer de middach cregen wy de wint +uyt een W.S.W., wenden het N.waert over. ’s Avonts de wint W., dewelcke +hem 4 glaesen in de tweede wacht seer styf verhefte; naemen onse +marsseyls in, lieten het by de wint N.N.W.waert over staen. + +b 23. + +’s Morgens was ’t hart weer gaende af, de wint N., met styf topseyls +coelte, setten onse marsseyls by, wenden het W.waert over, met holle +deyninge uyt een W. Giste door verscheyden coursen geseylt te hebben +N.W.t.N. 14 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 36 gr. 48 min., +ende op de lengte van 168 gr. 29 min., ende bevonden breete van 36 gr. +56 min.; waeren naer gissing 100 mylen buyten de O. cust van _Japan_. ’s +Ochtents hadden wy veel steencroos sien dryven, ende een witte pylstaert +sien vliegen; tegen den avont quaem een tortelduyf by het schip vliegen, +ende scheen heel moede te syn, ende socht te rusten, maer door ’t geloop +van ’t scheepsvolck, is weder van ’t schip afgevloogen W.waert heen. ’s +Avonts stillekens, ’s nachts in ’t uytgaen van de eerste wacht cregen wy +een moy luchien uyt den N., treckende temet naer het N.O. + +c 24. + +’s Morgens was ’t een grauwe lucht, somtyts regen, de Wint N.O.; saegen +voor de middach eenige drift soo van steencroos als hout dryven. Giste +’s middachts geseylt te hebben 22 mylen W. ½ S. aen, waeren volgens +dien, op de breete van 36 gr. 47 min., ende de lengte van 166 gr. 40 +min. Naer de middach de wint variabel van ’t N. tot het N.O., ’s nachts +de wint meest N.N.O. met claer uytsicht; naemen in ’t voorste van de +eerste wacht ons groot marsseyl in. De wint in de tweede wacht naer ’t +N. loopende, begon styf door te coelen, soo dat wy voorts de rest van de +nacht, verscheyden reysen ons voormarsseyl in ende uytgehaelt hebben, +naer dien nadat het weder hem aen liet sien. + +d 25. + +’s Morgens de wint N. met styf topseyls coelte, setten ons schoverseyl +ende groot marsseyl, blint ende voormarsseyl daer weder by, onse cours +W., de wint N.N.O., treckende naer het N.O.; vernaemen de stroom om de +S. te gaen, deden ’s middachts onse cours om de W.N.W.. ’s Nachts de +wint N.; hoorden veel gecrysch van pylstaerten. + +e 26. + +’s Morgens was de wint N.N.W. met een moy topseyls coelte, de see hol +aenschietende uyt een N.O. ende O.N.O., ende was helder weder. Saegen ’s +ochtents eenige walvisschen ende corts daernaer het lant in ’t W.N.W., +ende was naer gissing het hooge lant van _Gissima_. Giste ’s middachts +geseylt te hebben W.t.N. 26 mylen, waeren volgens dien, op de breete van +36 gr. 1 min., ende op de lengte van 161 gr. 54 min., ende op de +bevonden breete van 36 gr. 8 min., soo dat het omtrent 10 mylen scheelde +het lant, te weeten: de O. cust eer saegen als gegist hadden. Alsdoen +lach de O. cust van _Japan_ omtrent 12 mylen van ons; ’s avonts lach het +hooge lant van _Gissima_ 7 à 8 mylen van ons, ende was diep 70 vadem, +swarte wasige santgront, leyden het met de steven t’ see, ende lieten +het dryven, om ’s anderen daechts by de _Santduynige_ hoeck soecken te +comen; volgens resolutie getrocken op dato. In ’t voorste van de tweede +wacht maeckten wy seyl, setten onse cours naer de wal toe, de eerste +wacht diep 68 vadem, de tweede wacht diep 50 vadem, wasige gront, in de +dachwacht diep 45 vadem, swarte santgront. + +f 27. + +’s Morgens saegen wy de _Santduynige_ hoeck N.W. omtrent 5 mylen van +ons, de wint N. met moy weder, seylden wat besuyden d^{o}. hoeck op de +diepte van 13 vadem, soo dat de _Santduynige_ hoeck N.O.t.N. 4 mylen van +ons lach, alwaer omtrent 2 mylen van lant synde, ons 4 à 5 +visschersbercken aen boort quaemen. Hadden veel visch, maer wilden geen +vercoopen, ende hielden haer heel stuers, waerover wy verwondert +waeren, wilden geen van haer overcomen, ende syn weder cort wech van +boort gevaeren; soo dat wy onse seylen schrap gehaelt hebben, deden onse +cours eerst S. ende voorts S.S.W. langs den wal. ’s Avonts lach de hoeck +van _Bosho_ W.S.W. 7 mylen van ons, saegen de vijf _Witte gepleckte_ +hoeck benoorden de hoeck van _Bosho_ in ’t W.t.N. van ons; saegen een +heel hooge berch in ’t lant staen, recht op d^{o}. streeck over de vijf +_Witte gepleckte_ hoeck heen. Hadden de berch, doen wy in ’t heenseylen +waeren, niet gesien; hadden de diepte van 20 vadem, wasige santgront. ’s +Avonts deden wy onse cours S. tot dat de eerste wacht uyt was, doen +S.S.W.; de wint N.O.t.N., ende was alsdoen diep 98 vadem, conden geen +gront opcrygen. + +g 28. + +’s Morgens was ’t motrich weder, met een doorgaende N.O.t.N. wint, +omtrent 3 ueren voor de middach saegen wy de twee Noorder eylanden, by +ons genaempt, het Suydelycxste het _Prinse_ ende het Noordelycxste het +_Barnevelts_ eylant, ende liggen meest N.N.W. van het _Ongeluckich_ +eylant af; waervan het _Prinse_ eylant W. ende _Barnevelts_ eylant +W.N.W. van ons lach, synde doen ’s middachts. Giste in dit etmael +geseylt te hebben S.t.W. ½ W. 28½ myl, waeren volgens dien, op de N. +breete van 33 gr. 56½ min., ende op de lengte van 160 gr. 5 min., ende +op de bevonden breete van 33 gr. 58 min.; als wanneer wy onse cours naer +_Barnevelts_ eylant naemen. Seylden tusschen het _Barnevelts_ ende het +_Prinse_ eylant door; meenden ree te vinden onder het W. eynt van het +_Barnevelts_ eylant, maer conden daer geen gront bewerpen, alhoewel wy +dicht by d^{o}. eylant langs seylden. Dit eylant soo genaempt om dat +daer een berch op stont, dien gestaedich roockte, ende op het laege +lant het seer barnende ende roockte, vermoeden hetselve off branden van +eenich lang gras ofte rif te syn. Als gy d^{o}. eylant N.O.t.O. ½ myl +van u hebt, soo leyt het _Prinse_ eylant S.O.t.S. 3½ myl van u, ende +siet in ’t W. ½ N. 1 myl van u veel hooge scherpe clippen boven water +liggen, die haer opdoen als toorens; dan leyt oock noch een hooch eylant +in ’t N.W.t.W. 5 mylen van u, ende in ’t N.N.W. eenige bergen, +gelyckende eylanden, 6 mylen van u. Conden geen gront crygen, de wint N. +synde, deden onse cours met een styve coelte S.t.O. met schoverseylen, +tot 4 glaesen in de tweede wacht, geyden alsdoen de fock op, ende lieten +het met de steven O.waert over liggen dryven; de wint doen N.N.O. met +topseyls coelte, dreven om de S.W. met doncker, motrich weder. + +a 29. + +’s Morgens was ’t heel mistich weder met motregen, giste het +_Ongeluckich_ eylant S.S.W. van ons te liggen 5 mylen, sette onse cours +S.S.W. aen. Omtrent 2 mylen d^{o}. cours geseylt hebbende, met een styve +N.N.O. wint, saegen het _Ongeluckich_ eylant, omtrent 3 mylen, op de +streeck als vooren van ons; setten onse cours tusschen het _Ongeluckich_ +eylant, ende de _Ronde holm_ door, quaemen op de middach onder de S.W. +sy van ’t _Ongeluckich_ eylant te ree op 47 vadem, grof sant met cleyne +steenties vermengt, omtrent ⅔ myl van lant. Naer dat wy wat geset +gelegen hadden, is een _Japansche_ berck by het schip gecomen, alwaer +wel 8 à 10 man in waeren; wilden niet aen boort comen, maer sy wuyfden +dat wy aen lant souden comen, ende syn weder naer lant gevaeren. +Waerover ick met de prauw geordonneert syn naer lant te vaeren, om te +vernemen wat deze persoonen begeerden te hebben, ende om met een te +vernemen of wy hier geen volck ofte teycken van ’t jacht _Breskens_ +conden sien; maer van boort synde, conden de styve wint ende stroom, die +om de N.W. liep, niet dootscheppen, mosten weder naer boort keeren. Doen +wy hier geset laegen, lach de _Ronde holm_ N.W.t.W. ½ W. 1½ myl van ons. + +b 30. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint N.N.O. ende N.O.t.N.; syn met twee +prauwen naer lant gecommitteert, om eenige gelegentheyt van ’t jacht +_Breskens_ te vernemen, ofte eenige gelegentheyt van het eylant. Aen +lant comende met een wit vaentien, deden soo veel met eenige +cleynicheden wech te schencken, dat de Japanders, waervan dit eylant +gepeupeleert ende bewoont was, ons een coebeest vercoften ende 11 +hoenderen ende eenige orangieappelen ende miecanties(?) ende eenige +aert- ende andere boomvruchten. Sy wilden geen Spaensche realen hebben, +sneden daer met haer houwers in, ende seyden, dat silver was niet goet; +maer waeren met een elle root laecken ende een slecht gestreept cleetien +tevreden; sy vraechden verscheyden reysen naer schrift, dan ick hielt +myn of ick het niet verstont. Ick by de Baniosis (Banioos) aen lant +sittende, wilden myn in ’t lant hebben by haer overste, stonden wel 100 +Japanders met houwers op haer sy rontom myn; hielt haer soo lang in +discours, tot dat het beest ende het ander goet in de prauw was; voer +doen stracx naer boort. Hier stonden verscheyden groote bercken op ’t +lant, waeronder 2 groote lastbercken waeren; maer conden geen teycken +van het jacht _Breskens_ vernemen ofte sien. In ’t wechvaeren riepen de +Baniosis, ick sou morgen wedercomen. Sy voerden 3 cleyne bercken van +lant, dewelcke naer de _Ronde holm_ voeren; d^{o}. holm was oock +bewoont, hier was geen rivier, als voeren in een gadt after eenige +clippen, of ’t een haventie was. Hier waeren veel vrouwen ende kinderen +op ’t lant, ende was overvloedich van ossen ende coebeesten; dan conden +geen silver ofte gout vernemen, als aen haer heften ende plaeten van +haer houwers. ’s Avonts is geresolveert, alsoo hiervoor ons niet sonders +by de Japanders was te verrichten, dat wy t’seyl souden gaen ende onse +reys naer _Tayouan_ op ’t cortst soecken te vervorderen; syn met den +doncker t’ seyl gegaen, deden vooreerst onse cours S.S.W. met een N.O. +wint. + +c 31. + +’s Morgens de wint als vooren N.O., onse cours S.W.; alsdoen lach het +_Ongeluckich_ eylant N.N.O. 9 mylen, ende het _Suyder_ eylant O.S.O. 4 à +5 mylen van ons. Is alsdoen geresolveert, om onse cours W.t.S. aen te +stellen, recht naer de S.O. hoeck van _Cikoko_ toe. ’s Middachts lach +het _Ongeluckich_ eylant N.O.t.N. 16 mylen van ons, ende het _Suyder_ +eyl. O. 8 mylen. ’s Nachts de wint N. met slappe topseyls coelte. + + +November. + +d 1. + +’s Morgens was ’t moy weder, de wint N., somtyts stillekens, ’s +middachts liep de wint naer ’t S.W. ende W.S.W. met cleyn topseyls +coelte, lieten het N.W.waert over staen; saegen veel steencroos dryven. +’s Nachts de wint S.O. met topseyls coelte, lieten het by de wint W.O.W. +over staen. + +e 2. + +’s Morgens de wint S.W., cregen een styve slachregen, naemen beyde +marsseyls in; wat op den dach wert het weer goet weder, setten beyde +marsseyls weder by. Giste ’s middachts geseylt te hebben N.W. ½ W. 15 +mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 32 gr. 35½ min., +ende op de lengte van 156 gr. 46 min., ende op de bevonden breete van +32 gr. 35 min.; saegen veel steencroos dryven, de wint treckende temet +naer het N., wenden het W.waert over. Omtrent 5 glaesen naer de middach, +saegen wy 2 cleyne hooge eylanden in het N.O.t.O. 12 mylen van ons; +omtrent 4 ueren naer de middach, saegen d^{o}. eylanden N.O.t.O. van +ons, ende conden die pas beoogen. Saegen oock in het N.W. ende N.W.t.W. +de streckende cust van _Kinokony_ wel 20 mylen van ons. ’s Nachts de +wint N.N.O. met styve doorgaende coelte, de see hart uyt een N.N.W. +stortende of het barning (branding) was, vermoeden ’t selve door harde +stroom te comen. + +f 3. + +’s Morgens redelyck weder, de wint N.N.O. met styve passaets coelte, +saegen veel raveling van stroom saegen oock een duycker; bevonden ’s +middachts de stroom styf om de S. te gaen, deden onse cours W. aen, +omtrent half naer middach cregen wy de wint N.O., ende trock temet naer +het O.N.O. ’s Nachts in de tweede wacht cregen wy motregen, de wint +O.N.O. + +g 4. + +’s Morgens hadden wy al een styve O.N.O. wint, met een donckere lucht +ende holle see uyt een N.O., naemen ons groot marsseyl in; deden ’s +middachts onse cours W.t.N. aen, om de cust van _Cikoko_ te beseylen. ’s +Avonts met sons-onderganck naemen wy de blint in ende geyden ons +schoverseyl op, lieten het voormarsseyl neerloopen, ende lieten het soo +met de fock voort staen, tot 2 glaesen in de eerste wacht; als wanneer +wy door donckere lucht ende styve regen, ende schrickelycke blixem ons +voormarsseyl innaemen ende de fock opgeyden. Lieten het soo met het +schoverseyl byleggen met de steven om de S., de wint met styve buyen +crygende uyt den O.; ten halven van de tweede wacht wenden wy het met de +steven om de N., vreesden anders te veer om de S. gedreven te worden, +lieten het soo dryven. + +a 5. + +’s Morgens ongestaedich rou (ruw) weder, de wint met styve buyen uyt den +O. met veel regen ende hol water; wat op den dach synde, maeckten seyl, +deden onse cours W.t.N. aen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.t.N. +27 mylen, waeren volgens dien, op de gegiste breete van 31 gr. 29 min., +ende op de lengte van 149 gr. 40 min. Wat naer de middach de wint +variabel met ongestaedich weder, geyden onse seylen op, tot half +naemiddach, cregen doen de wint N., maeckten seyl, ende deden onse cours +W. aen. Tegen den avont scheen het weder wat te bedaeren, reegen ons +groot bonnet weder aen, met het opsetten van de wacht smeten wy het by +met de steven om de O., sonder voorseyl, ende lieten het dryven tot 3 +glaesen in de tweede wacht, dat wy redelyck claer weder cregen, de wint +N.N.W. Lieten onse fock vallen, ende lieten het met schoverseyl W.waert +over staen, dan de wint liep cort variabel, dan S.W., W., N., doch syn +plaets in ’t W. nemende, lieten het S.waert over staen. + +b 6. + +’s Morgens de wint W. met tamelyck weder, setten de marsseyls by, ende +wenden het N.waert over, saegen wat op den dach de streckende cust van +_Cikoko_, ende was heel hooch geberchte, dat W.waert heenstreckte. Voor +de middach de wint variabel met stilte, soo dat wy sint (sedert) dat wy +het lant gesien hebben, niet vertiert en waeren tot ’s middachts. Giste +soo geseylt als gedreven te hebben in dit etmael N. 1 myl, waeren +volgens dien, op de breete van 31 gr. 33 min., ende op de lengte van 149 +gr. 40 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 33 min. Alsdoen lach +de S.O. hoeck van _Cikoko_ W. 13 mylen van ons, d^{o}. caep lach wel 25 +m. in de Companys caert te Suydelyk gecaerteert. Nae de middach een +variabel coeltie uyt den W., dan meest stil. ’s Avonts lach de S.O. +hoeck van _Cikoko_ W.t.N. 12 à 13 mylen van ons, waeren 2½ myl met de +stroom in de naemiddach om de S. gedreven. ’s Nachts variable winden met +donder ende blixem. + +c 7. + +’s Morgens de wint W. met topseyls coelte, lieten het S.waert over +staen; giste ’s middachts soo geseylt als gedreven te hebben S.S.W. ½ W. +3 mylen, soude volgens dien op de breete wesen van 31 gr. 22½ min., maer +bevont de breete van 31 gr. 52 min.; soo dat ons de stroom wel soo O. +als N. heeft gedreven by de 8 mylen veerder als gegist hadden, soo dat +volgens dien, maer N.t.W. 5 mylen hadden behouden; wenden ’t ’s +middachts N.waert over. Omtrent half naer middach saegen wy lant in ’t +N. van ons, ende was het S.W. eynt van _Tokoesy_. ’s Avonts naer +sons-onderganck saegen wy lant van ’t N.O. tot in ’t N.W.; het lant +presumeerde ick de O. cust van _Cikoko_ te wesen, ende dat in ’t N.O. +lach _Tokoesy_; waeren in een triangel daer wel 14 à 15 mylen af, ende +is heel hooch lant; omtrent een uer naer sons-onderganck wenden wy ’t om +de S. ’s Nachts in de tweede wacht doen er 4 glaesen uyt waeren, cregen +wy de wint uyt den N., deden onse cours W.waert over, om onder de O. +cust van _Cikoko_ soecken te comen, alsoo vermoede dat daer sulcke styve +stroom om de N. niet soude ofte mocht gaen. ’s Nachts heb ick de N. +breete gehadt aen de Noortwachter van 31 gr. 54 min.; soodat de stroom +noch al om de N. continueerde. + +d 8. + +’s Morgens de wint N., alsdoen peylde ick de S.W. hoeck van _Tokoesy_ +N.N.O. 11 à 12 mylen van ons, saegen de streckende cust van _Cikoko_ +tot in het W.t.S., ende voorts tot in ’t N., ende _Tokoesy’s_ cust tot +in ’t N.O. De wint allengskens omloopende naer het N.O., ende voorts +naer het O. met slappe topseyls coelte; tegen den middach cregen wy +motrich weder. Souden van dit etmael soo geseylt als gedreven hebben 11 +mylen W. ½ N., maer bevonden aen de rigting van ’t lant, dat wy niet +meer als 2 mylen W.N.W. behouden hadden, soo dat ons de stroom omtrent 9 +mylen spatie heeft tegengehouden, ende om de N.O. geset heeft. Alsdoen +lach _Tokoesy_ N.N.O. 12 mylen van ons, naer de middach was ’t +regenachtich weder, deden ’s middachts onse cours N.t.O. tot ’s avonts, +cregen doen een O. coelte, doen onse cours W.S.W. aengestelt. Met het +opsetten van de wacht naemen wy de blint in, ende geyden het schoverseyl +op, al met regenachtich weder. Cregen 4 glaesen in de eerste wacht de +wint uyt een N.N.O. met heel styve coelte, lieten de marsseyls +neerloopen, vervolchden onse cours, naemen ons groot marsseyl in de +tweede wacht in, doen er een glas uyt was; lieten het soo voort staen +met cleyn seyl; in ’t laeste glas van de tweede wacht, geyden alsdoen de +fock op, leyden het om de N.W. met de besaen, ende lieten het soo liggen +dryven. Een glas in de dachwacht uyt synde, werden het lant gewaer, +waeren daer geen ½ myl af, ende lach in ’t N.W. van ons, ende was het +eylantie _Tenera_, alwaer een vuyl rif afstreckte; wy lieten onse fock +vallen ende heesen ons voormarsseyl op, ende lieten het cort voor wint +omdraeyen S.waert, ende sette onse bagboorthalsen toe. De wint in ’t +N.N.O. loopende, mochte O. weder van de wal afseylen, de wint voorts in +’t N. loopende, seylden O.N.O. In ’t voor wint omdraeyen worp ick gront +op 22 vadem, singel, ende de ander worp 15 vadem, vuyle clippige gront, +ende voorts in ’t afseylen diep worp op worp als volcht, 17, 20, 18, 13, +8, 10, 13, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 32, 34, 35, 36, +37, 40, 43 vadem, al vile (vuyle) gront. + +e 9. + +’s Morgens was ’t goet weder, de wint N. met styve topseyls coelte, +waeren doen het licht was, 3 mylen van lant, op de diepte van 45 vadem, +wasige santgront, ende corts daernaer 50 vadem, santgront als vooren. De +cust van _Cikoko_ streckte hier N.N.O. ende S.S.W.; saegen in ’t N. tot +in ’t N.O. het lant, ende in ’t S.W., de S.O. hoeck van _Cikoko_ 5 mylen +van ons; deden onse cours al S.S.W. langs de wal, tot dat de S.O. hoeck +van _Cikoko_ S.W.t.W. van ons lach, deden doen onse cours S.W. aen. ’s +Middachts giste wy geseylt te hebben ende gedreven W.S.W. 16 mylen, +waeren volgens dien, op de breete van 31 gr. 31 min., ende op de lengte +van 148 gr. 19 min.. Alsdoen lach deselfde hoeck, dien wy op den 6^{de} +d^{o}. in ’t Westen van ons gepeylt hadden, W.t.S. ½ S. 4 mylen van ons, +ende most wel naer de distantie die wy gegist hadden, volgens geseylde +coursen wel N.O.t.N. 6 mylen van ons gelegen hebben. Soo dat wy op de +waere breete van 31 gr. 37½ min. waeren, ende soo de waere cours +behouden hebben S.W.t.W. 8 mylen; soo dat ons de stroom verleden nacht +merckelyck tegen geweest heeft, gelyck op den 8^{ste} d^{o}. oock +bevonden hebben, als oock op den 7^{de} d^{o}.; soo dat hier femente +(sterke) stroomen loopen, waerdoor de see altemet soo ontstelt is, dat +het als het styf waeyt ende de wint tegen de steven is, vreeselyck om +aen te sien is de groote stortinge. Saegen alsdoen een seyl in ’t +O.N.O. van ons, alwaer wy naer toe gewent hebben, daerby comende +bevonden ’t selve het jacht _Breskens_ te syn, dat op den 20^{ste} Mey, +’s nachts van ons geraeckt was, onder het _Ongeluckich_ eylant, waerover +wy seer verblyt waeren. Hebben hem verprayt (gepraaid), hebben ons +toegeroepen, als dat Schipper Schaep met den Ondercoopman Bylevelt, met +2 jongens ende 6 matroosen in _Japan_ gevangen waeren, op de breete van +39½ gr.. Alsoo wy niet terdege bescheyt conden hooren met toeroepen, syn +ick met de prauw daer aen boort gestiert, om met een te sien, hoe het in +’t jacht al gestelt was met haer volck. Daer aen boort comende, vonden +den Opperstuerman heel dick aen het water te syn, ende het meeste volck +ongesont; soo is den Onderstierman met myn naer ons boort gevaeren, om +volle rapport te doen van haer wedervaeren. Heeft gerapporteert als dat +sy 18 dooden hadden gecregen, in ’t doen van de O. streeck; ende dat sy +500 mylen beoosten de O. cust van _Japan_ geweest waeren. Dat sy in een +haven van _Japan_ geweest hadden, alwaer sy meenden te ververschen; maer +alsoo haer schuyt met haer Schipper ende het voorgemelde volck der +gevangen genomen waeren, waeren met het jacht doorgegaen. Sy hadden hier +aen het _Ongeluckich_ eylant geweest, om naer ons te vernemen, waeren +daer daechts daeraen gecomen, soo wy ’s avonts daer van daen t’seyl +gegaen waeren, alwaer sy veel orangie-appelen gecregen hadden voor +eenige coopmanschap. Alsoo dit jacht swack van volck was, is onse +Schipper met 3 cloeke maets daerop overgegaen; dreven die aftermiddach +by malcanderen in stilte, somtyts een cleyn N. coeltie, de stroom die +dreef ons om de S.O.. Saegen een hooge hoeck in ’t S.W.t.W. van ons, +deden onse cours S.W. aen. Dien nacht een styve coelte uyt een N.W.; +doen de eerste wacht uyt was, hadden wy aen de Noortster, de breete van +31 gr. 20 min. + +f 10. + +’s Morgens moy weder, de wint N.W., onse cours ten naestenby om de +W.S.W., alsdoen lach de S.O. hoeck van _Cikoko_ N. ½ W. 3½ myl van ons. +Giste ’s middachts geseylt te hebben 8 mylen S.W. aen, waeren volgens +dien, op de gegiste breete van 31 gr. 14½ min., ende op de lengte van +148 gr. 29 min., ende op de bevonden breete van 31 gr. 12 min. Doen lach +de S.O. hoeck van _Cikoko_ N.N.O. 5 mylen van ons, de W. hoeck van een +groote inbocht, lach N.t.W. ½ N. 3½ myl van ons; hadden doen een laech +eylant, synde omtrent 2 mylen lang, S.S.W. ½ W. 7 mylen van ons. Setten +de prauw uyt, al waermee den Commandeur naer ’t jacht _Breskens_ is +gevaeren, ende heeft de raet aldaer vergaedert, omdat den Opperstuerman +van d^{o}. jacht niet aen ons boort conde comen, ende is alsdoen +geresolveert, als dat Schipper Pieter[36] op d^{o}. jacht tot _Tayouan_ +met den Ondercoopman souden blyven. Dreven somtyts in stilte, somtyts +een coeltie comende uyt een N.O. met slecht water; hadden hier gront op +60 vadem, wit santgront, half aftermiddach 55 vadem, gront als vooren; +lieten het W.waert voort staen, alsoo de cust hier meest O. ende W. +streckte. ’s Avonts lach de S. hoeck van _Cikoko_ W. ½ S. 5 à 6 mylen +van ons, van d^{o}. hoeck strecken 3 berchies af, al of ’t eylanties +waeren, waerdoor seer kenbaer is; saegen oock in ’t W.S.W. een heel +hoog _Brandent_ eylant 11 à 12 mylen van ons, saegen oock het groote +eylant _Tanaxima_, in ’t S.W.t.S. van ons 8 à 10 mylen; het laege eylant +lach in ’t S.t.W. ½ W. 4 mylen van ons, saegen noch heel hooch lant in +S.S.W. 15 à 16 mylen van ons; was doen diep 50 vadem, santgront, lieten +het W.t.S. aengaen met een cleyn coeltie uyt een N.O. Hebben onse +compassen op 4 gr. N.Oostering geleyt. Dese doorganck tusschen +_Tanaxima_ ende _Cikoko_, is by den raet ende den Commandeur, de naem +gegeven van de straet _Diemen_. ’s Nachts de eerste wacht uyt synde, +worpen gront op 48 vadem, voorts die heele wacht geen gront. + + [36] Pieter Willemsz. Knechtjes, Schipper van de Castricum. + +g 11. + +’s Morgens was de wint O. met topseyls coelte, giste ’s middachts +geseylt te hebben W.t.S. 15 mylen, waeren volgens dien, op de breete van +31 gr., ende op de lengte van 147 gr. 49 min., ende op de bevonden +breete van 31 gr.. Alsdoen lach het _Brandent_ eylant S.S.O. 4 mylen van +ons, saegen noch een hooch geheuvelt eylant, in ’t S.O.t.S. 6 mylen van +ons; noch een eylant dat oock heel hooch was, S. ½ W. 7 à 8 mylen van +ons; ende noch een eylant in ’t S.W.t.W. 3 mylen. Een heel hooge +gehackelde berch, staende op de S. cust van _Cikoko_, lach O.N.O. 3 +mylen van ons; hadden doen oock de hoeck van _Sadsuma_ N. ½ W. 8 à 9 +mylen van ons, saegen noch lant tot in ’t O. ½ S. van ons. Deden onse +cours W.t.N. aen, omtrent half naermiddach saegen in ’t W. _Oengy_, ende +corts daernaer _Sackacka_ in ’t W.t.S. van ons, ende doet hem op gelyck +het eylant _Meaxuma_. ’s Avonts met sons-onderganck lach het _Brandent_ +eylant S.O. 8 mylen, ende de hoeck van _Sadsuma_ N.O.t.O. 10 mylen van +ons, ende het eylant _Sackacka_ W.S.W. 8 mylen, ende het eylant _Oengy_ +W.N.W. ½ N. 7 mylen van ons; vervolchden onse cours W.t.N. ’s Nachts de +wint N., 4 glaesen in de tweede wacht uyt synde, lach het eylant +_Sackacka_ S. ende het eylant _Oengy_ N.t.O. ½ O. van ons; deden onse +cours tusschen de twee eylanden door, W. aen. + +a 12. + +’s Morgens de wint N.N.W., deden onse cours by de wint W.waert over, +alsdoen lach het eylant _Sackacka_ O.S.O. 4 mylen van ons, ende het +eylant _Oengy_ N.O.t.N. 5 mylen. Giste ’s middachts geseylt te hebben W. +20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 31 gr., ende op de +lengte van 145 gr. 46 min., ende op de bevonden breete van 30 gr. 47 +min., soo dat de stroom hier om de S. liep; conden het eylant +_Sackacka_, noch uyt de mars, in ’t O. 9 à 10 mylen van ons, sien, ende +het eylant _Oengy_ N.O.t.N. 12 à 13 mylen; doende onse cours W.S.W. aen. +’s Nachts tamelyck weder, de wint N.N.W. met cleyn topseyls coelte. + +b 13. + +’s Morgens was ’t moy weder met slecht water, de wint als vooren; hebben +alsdoen een nieuw touw van ’t jacht _Breskens_ overgecregen. Cregen +omtrent 3 ueren naer de middach gront op 80 vadem, ende was swart wasich +sant met schulpies vermengt. Giste ’s middachts geseylt te hebben W.S.W. +23 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 30 gr. 12 m., ende op de +lengte van 144 gr. 8 min., ende op de bevonden breete van 29 gr. 57 +min., was alsdoen diep 75 vadem, gront als vooren; de wint N.N.O. ’s +Avonts diep 64 vadem, bevonden noch al de stroom om de S. te loopen, de +eerste wacht uyt synde, was diep 54 vadem, gront als vooren. + +c 14. + +’s Morgens met den dach diep 53 vadem, wasige gront, de wint N.N.O. met +doorgaend topseyls coelte. Giste behouden te hebben S.W.t.W. 28 mylen, +was alsdoen diep 50 vadem, gront als vooren; wy vervolchden onse cours +W.S.W., de wint N.N.O. tot ’s avonts. Meenden de cust van _China_ in ’t +gesicht gecregen te hebben, maer saegen geen lant; hadden van ’s +middachts geseylt S.W.t.W. 11 mylen, was doen diep 46 vadem, steckgront; +doen er 4 glaesen in de eerste wacht uyt waeren, was het diep 38 vadem, +wasige gront, deden doen onse cours S.W.; d^{o}. wacht uyt synde, diep +40 vadem, half in de tweede wacht diep 45 vadem, de wint doen N.O. met +styve doorgaende coelte, bleven by de S.W. cours. + +d 15. + +’s Morgens met het lemieren (aanbreken) van den dach, bevonden de breete +van 27 gr. 37 min. aen de Noortster, ende was alsdoen diep 40 vadem, +steckgront, de wint N.O. Giste ’s middachts geseylt te hebben S.W. 38 +mylen, waeren volgens dien, op de breete van 27 gr. 8 min., ende op de +lengte van 140 gr. 20 min., ende de bevonden breete van 26 gr. 56 min., +ende was doen 60 vadem diep; deden onse cours W.S.W. aen, om de ondiepte +van de cust van _China_ te crygen, om terdegen verseeckert te syn om +over te steecken naer _Formosa_. ’s Aftermiddachts cregen wy de wint N., +doen tot ’s avonts geseylt 10½ myl W.S.W., was doen diep 55 vadem, +steckgront, noch 5 mylen W.S.W. geseylt, was doen diep 53 vadem, +steckgront, de wint doen weder N.O. In de tweede wacht geseylt 1½ myl +W., hadden doen de diepte van 46 vadem, steckgront, lieten het doen +dryven, dreven W.t.N. heen, omtrent 1½ myl, was doen weder 50 vadem +diep, steckgront. + +e 16. + +’s Morgens de wint O.N.O. met styve N. mousons coelte ende deysich +weder, doen noch W. 3 mylen geseylt, was alsdoen diep 40 vadem, +steckgront; nae het schaften van de vroe cost geseylt W. 7 mylen, was +doen diep 38 vadem, steckgront. Giste ’s middachts door malcander +geseylt te hebben W.t.S. 31 mylen, waeren volgens dien, op de breete van +26 gr. 32 min., ende op de lengte van 138 gr. 5 min.; deden doen onse +cours S. aen, met een N.O. wint. Giste tot ’s avonts geseylt te hebben +S. 11 mylen, was doen diep 40 vadem, steckgront, noch S. onse cours +vervolcht 4 mylen, was noch 40 vadem; saegen doen een groot vuer op +_Formosa_ in ’t O.S.O. van ons, ’t welck wel 6 à 7 mylen van ons was. +Smeten het by met een seyl, met de steven om de N.W., dreven W.t.S. 1 +myl, bleef een diepte; voorts in de hondewacht gedreven W.t.S. 2½ myl, +was doen diep 45 vadem, steckgront, in de dachwacht noch W.t.S. gedreven +1 myl, was doen diep 40 vadem, santgront. + +f 17. + +’s Morgens was ’t een heel styve N. mousons wint, met heel deysich weder +ende hol water, de wint N.O., dreven noch S.W. 1½ myl, diep 40 vadem, +wasige santgront. Saegen ’s morgens de berch van _Tamsioy_ op _Formosa_ +in ’t O. van ons, maeckten seyl, stelden onse cours S. aen, 1½ myl. Ende +alsoo wy saegen, dat het jacht _Breskens_ niet volchde, hebben het +bygesmeten ende hem ingewacht, doch alsoo wy hem saegen aencomen seylen, +sloegen weder voor. Van cocx schaften tot ’s middachts geseylt, nae +gissing S.t.O. 3 mylen, alsdoen hadden wy naer gissing door malcander +behouden S.t.W. ¼ W. 20 mylen, waeren volgens dien, op de breete van 25 +gr. 14 min., ende op de lengte van 137 gr. 43 min., alsdoen lach de +_Leguaens_ hoeck S.O.t.O. 4 mylen van ons, soo dat ons de stroom styf om +de S.S.W. geset had. Doen het jacht by ons was, deden wy onse cours +S.W.t.S. aen, ende voorts langs de wal op de diepte van 20, 16, 18, 15, +14, 10, 13, 8, 7, 9, 10, 11, 12 vadem. ’s Avonts passeerden wy de hoeck +van _Bisselyo_, ende in de eerste wacht passeerden wy het _Visschers_ +riff, liepen al treckende langs de wal; ende soo wy vernaemen dat de +vloet ginck ende ons op de wal sette, gierden wat van de wal af, tot dat +wy in de diepe kuyl van _Wanckang_ quaemen, ende de diepte van 50 vadem +bequaemen, wasige gront. Lieten het doen dryven, met de steven om de W., +dreven S.W. heen, diepte temet af tot tegen den dach dat 65 vadem, +wasige gront, diep was, ende worpen weder, cregen op d^{o}. diepte grof +sant, singel ende craelties aen het loot op, waerdoor vermoeden omtrent +de _Pescadores_ eyl. te syn; hielen voor wint om, ende leyden het met de +steven om de O. + +g 18. + +’s Morgens metten dach, saegen wy de _Swarte_ clippen in ’t W. van ons 2 +mylen, bleven soo lang liggen, tot dat het jacht con sien, dat wy seyl +maeckten, alsoo het heel deysig weder was, ende was doen diep 70 vadem, +grof santgront met crael vermengt. Doen wy het jacht terdege sien +conden, stelden onse cours S.O. ½ S. aen, met een styve doorgaende N.O. +wint, saegen omtrent 3 ueren voor de middach de ronduyt (redoute) van +_Wanckang_ in ’t O. van ons. Deden onse cours S. aen naer het Noorder +rif van _Tayouan_, alwaer omtrent de middach quaemen, daarbij +omloopende, op de dieptens van 8, 10, 7, 6, 5, 4¼ vadem, comende wat +naer de middach op de Noorder-ree; cregen de loots aen boort, ende syn +beneffens het schip _de Waterhont_, die op de 17^{de}, d^{o}. uyt +_Japan_ hier te ree gecommen was, naer binnen geseylt. Quaemen binnen +ten ancker op 10 vadem, waervoor wy niet genoech de goede Almachtige +Godt connen looven ende dancken, dat Hy ons van dese gedaene +peryckeleuse reys soo genaedelyck bewaert ende hier binnen _Tayouan_ +behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen. + +Wy vonden binnen liggen de fluyten de _Oranienboom_ ende _Meerman_ ende +het jacht _Lillo_. Buyten op de Noorder-ree lach het schip _de Swaen_. + + + + +JOURNAEL VAN DE MAENT APRIL, IN ’T CORT BEREECKENT VOLGENS ONSE +SEYLAGIE, BEGINNENDE 145 GR. 30 MIN. BEOOSTEN DE MERIDIAEN VAN +TENERIFFA, ENDE VAN DE BREETE VAN 0 GR. 54 MIN. BENOORDEN DE LINIA +EQUINOCTIAEL, DOOR CORNELISZ JANSZ. COEN, OPPERSTIERMAN, ANNO 1643. + + ====+====+=============+======+=========+==========+========+========+ + DA- | | | | GEGISTE | LENGTE. | BEVON- | MIS- | + GEN.|DA- | COURSEN. |MYLEN.| BREETE. | | DEN |WYSING. | + NA- |TUM.| | |GR. MIN.| GR. MIN. | BREETE.|GR. MIN.| + MEN.| | | | | |GR. MIN.| | + ----+----+-------------+------+---------+----------+--------+--------+ + | | | | | | N.Oos- | + APRIL. | | | | | |tering. | + c | 4 | „ | „ | 0 0 | 145 30 | 0 54 | 0 0 | + d | 5 |N. ½ O. | 4½ | 1 12 | 145 33½ | 0 0 | 0 0 | + e | 6 |N.t.W. | 2½ | 1 22 | 145 31½ | 1 22 | 0 0 | + f | 7 |N.W. | 4 | 1 33 | 145 20½ | 1 34 | 4 0 | + g | 8 |N.O. | 3 | 1 42 | 145 28½ | 1 44 | 4 0 | + a | 9 |N.N.W. | 1 | 1 48 | 145 27½ | 1 48 | 4 0 | + b | 10 |O.t.N. | 1½ | 1 49½ | 145 33½ | 0 0 | 0 0 | + c | 11 |N.N.O. | 5 | 2 8½ | 145 40½ | 2 7 | 4 0 | + d | 12 |O.t.N. | 2 | 2 9 | 145 48½ | 2 7 | 4 0 | + e | 13 |W.t.N ½ N. | 4 | 2 11½ | 145 33 | 2 12 | 4 0 | + f | 14 |N.O.t.O. | 5 | 2 23 | 145 50 | 2 22 | 4 0 | + g | 15 |N.t.W. | 7 | 2 49 | 145 44 | 2 49 | 4 0 | + a | 16 |N.W.t.N. | 4 | 3 36 | 145 13 | 4 6 | 0 0 | + b | 17 |N.N.O. ½ O. | 10 | 4 41 | 145 31½ | 5 13 | 0 0 | + c | 18 |Noorden. | 12 | 6 1 | 145 31½ | 0 0 | 4 14 | + d | 19 |Oost. | 16 | 6 1 | 146 35½ | 6 30 | 0 0 | + e | 20 |N.t.O. ½ O. | 14 | 7 23½ | 146 51½ | 7 40 | 4 0 | + f | 21 |Noorden. | 15 | 8 40 | 146 51½ | 0 0 | 0 0 | + g | 22 |N.t.W. | 16 | 9 43 | 146 38½ | 9 40 | 4 40 | + a | 23 |Noorden. | 18 | 10 52 | 146 38½ | 0 0 | 4 20 | + b | 24 |Noorden. | 18 | 12 4 | 146 38½ | 12 8 | 4 39 | + c | 25 |Noorden. | 17 | 13 16 | 146 38½ | 0 0 | 0 0 | + d | 26 |N. ½ O. | 12½ | 14 6 | 146 43½ | 14 12 | 4 15 | + e | 27 |N.O.t.O. | 22 | 15 1 | 147 59½ | 15 9 | 4 43 | + f | 28 |N.O. | 22 | 16 11 | 149 3½ | 16 16 | 0 0 | + g | 29 |N.O. | 12 | 16 50 | 149 38½ | 16 50 | 0 0 | + a | 30 |N.O. | 7 | 17 10 | 149 59½ | 17 23 | 0 0 | + MAY. | | | | | | | + b | 1 |N.t.W. ½ W. | 18 | 18 31 | 149 37½ | 0 0 | 0 0 | + c | 2 |N.N.O. | 9 | 19 4 | 149 51½ | 18 57 | 5 16 | + d | 3 |N. ½ O. | 5 | 19 17 | 149 54½ | 19 17 | 0 0 | + e | 4 |N. ½ W. | 20 | 20 37 | 149 46½ | 20 39 | 5 27 | + f | 5 |N. ½ W. | 20 | 21 59 | 149 38½ | 22 0 | 5 15 | + g | 6 |N.t.O. ¼ O. | 18 | 23 10 | 149 57½ | 23 10 | 5 15 | + a | 7 |N.O. | 19 | 24 4 | 150 56½ | 24 6 | 4 50 | + b | 8 |O.N.O | 15 | 24 29 | 151 57½ | 24 43 | 5 0 | + c | 9 |O.t.S | 13½ | 24 32½ | 152 55½ | 24 36 | 0 0 | + d | 10 |O.S.O. ½ S. | 15 | 24 8 | 153 53½ | 24 5 | 5 30 | + e | 11 |Noorden. | 14 | 25 1 | 153 53½ | 0 0 | 5 45 | + f | 12 |N.O. | 12 | 25 35 | 154 31½ | 25 13 | 5 58 | + g | 13 |O.N.O. | 30 | 25 59 | 156 34½ | 25 58 | 6 31 | + a | 14 |O.t.N. | 15 | 26 10 | 157 41½ | 0 0 | 0 0 | + b | 15 |Noorden. | 20 | 27 30 | 157 41½ | 0 0 | 0 0 | + c | 16 |N.W. ½ W. | 14 | 28 5½ | 156 52½ | 28 2 | 6 45 | + d | 17 |N.N.W. | 16 | 29 1 | 156 24½ | 29 3 | 6 41 | + e | 18 |N.N.O. | 28 | 30 46 | 157 13½ | 30 54 | 6 23 | + f | 19 |N.N.O. | 30 | 32 45 | 158 7½ | 0 0 | 0 0 | + | |N.O. | 13 | 33 22 | 158 52 | 0 0 | 0 0 | + g | 20 |N.O.t.O. | 6 | 33 35 | 159 16 | 33 34 | 0 0 | + a | 21 |N. ½ O. | 20 | 34 53 | 159 25 | 0 0 | 6 54 | + b | 22 |N.t.O. | 9½ | 35 30 | 159 34 | 35 30 | 7 0 | + | |S.W. ½ S. | 5 | 35 14½ | 159 18 | 0 0 | 7 0 | + c | 23 |N.O. | 10 | 35 58 | 160 8 | 36 0 | 7 49 | + | |West. | 4 | 36 0 | 159 48 | 36 0 | 0 0 | + d | 24 |N.t.W. ⅙ N. | 16½ | 37 5 | 159 55 | 37 5 | 0 0 | + e | 25 |N.N.O. | 9 | 37 38 | 160 12 | 37 38 | 0 0 | + f | 26 |S.O.t.S. | 5½ | 37 19½ | 160 28 | 37 20 | 7 0 | + g | 27 |N.W.t.N. | 9 | 37 50 | 160 3 | 37 50 | 0 0 | + a | 28 |Oost. | 5 | 37 50 | 160 28 | 0 0 | 0 0 | + b | 29 |N.W. | 3¾ | 38 1 | 160 14 | 0 0 | 0 0 | + c | 30 |Oost. | 4 | 38 1 | 160 34 | 37 40 | 7 0 | + d | 31 |Noorden. | 5½ | 38 2 | 160 34 | 38 0 | 0 0 | + JUNYUS. | | | | | | | + e | 1 |Noorden. | 6 | 38 24 | 160 34 | 0 0 | 0 0 | + f | 2 |N.t.W ⅔ W. | 1½ | 38 30 | 160 31 | 38 29 | 0 0 | + g | 3 |N.N.O. | 16 | 39 28 | 161 2 | 0 0 | 0 0 | + a | 4 |N.t.W. | 14 | 40 23 | 160 48 | 0 0 | 0 0 | + b | 5 |N.N.O. | 3½ | 40 36 | 160 55 | 0 0 | 0 0 | + c | 6 |O.t.N. ½ N. | 8 | 40 45 | 161 34 | 0 0 | 0 0 | + d | 7 |N.N.O. | 11 | 41 26 | 162 1 | 41 24 | | + | |Noorden. | 10 | 42 4 | 162 1 | 0 0 | 8 0 | + e | 8 |N.O. ½ N. | 5 | 42 19½ | 162 18 | 0 0 | 7 52 | + f | 9 |N.O.t.N. | 12 | 42 44 | 162 30 | 0 0 | 0 0 | + g | 10 |O.S.O. | 10 | 42 29 | 163 19 | 42 37 | 9 0 | + a | 11 |Noorden. | 9 | 43 13 | 163 19 | 43 10 | 9 7 | + b | 12 |N.O.t.O. ¼ O.| 9 | 43 28 | 164 0 | 0 0 | 9 45 | + c | 13 | „ | „ | „ „ | „ „ | | | + d | 14 |O.t.S. | 4 | 43 25 | 164 21 | 43 25 | 0 0 | + e | 15 |N.O. ½ O. | 15½ | 44 4 | 165 27 | 44 3 | 0 0 | + f | 16 |N.O. ½ O. | 11 | 44 30½ | 166 14 | 0 0 | 0 0 | + g | 17 |N.N.O. ½ O. | 12½ | 45 14½ | 166 47 | 0 0 | 0 0 | + a | 18 |O.N.O. | 11 | 45 31¼ | 167 45 | 0 0 | 0 0 | + b | 19 |O.N.O. | 6½ | 45 41¼ | 168 19 | 0 0 | 0 0 | + c | 20 |N.t.W. ⅓ W. | 6½ | 46 6¼ | 168 9 | 46 7 | 10 40 | + d | 21 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + e | 22 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + f | 23 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + g | 24 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + a | 25 |N.W. | 14 | 46 46 | 167 11 | 0 0 | 0 0 | + b | 26 |N.t.W. ⅓ W. | 10 | 47 25 | 166 56 | 47 12 | 0 0 | + c | 27 |Noorden. | 9 | 47 48 | 166 56 | 0 0 | 0 0 | + d | 28 |W.t.S. | 12 | 47 39 | 165 49 | 0 0 | 0 0 | + e | 29 |W.t.S. ½ S. | 11 | 47 26 | 164 45 | 47 27 | 0 0 | + f | 30 |S. ⅔ W. | 20 | 46 8 | 164 30 | 45 54 | 10 50 | + JULYUS. | | | | | | | + g | 1 |S.S.W. ⅓ W. | 12 | 45 9 | 164 8 | 0 0 | 0 0 | + a | 2 |O.S.O. ½ S. | 6½ | 44 56¾ | 164 41 | 0 0 | 0 0 | + b | 3 |W.S.W. | 7 | 44 45¾ | 164 4 | 44 43 | 0 0 | + c | 4 |S.t.O. | 3 | 44 31 | 164 7 | 44 31 | 0 0 | + d | 5 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + e | 6 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + f | 7 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + g | 8 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + a | 9 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + b | 10 | „ | „ | „ „ | „ „ | | | + c | 11 |N.N.W. ⅔ W. | 4½ | 44 47 | 163 54 | 44 43 | 0 0 | + d | 12 |Noorden. | 1 | 44 47 | 163 54 | 44 45 | 0 0 | + e | 13 |W.N.W. ¾ W. | 20 | 45 26 | 162 17 | 0 0 | 0 0 | + f | 14 |W.t.N. | 16¼ | 45 39 | 160 44 | 0 0 | 0 0 | + g | 15 |Noorden. | 12¾ | 46 30 | 160 44 | 0 0 | 0 0 | + | |N.O. | 2½ | 46 37 | 160 54 | 0 0 | 0 0 | + a | 16 |N.O. | 1 | 46 40 | 160 58 | 0 0 | 0 0 | + b | 17 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + c | 18 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + d | 19 |S.O.t.O. | 5 | 46 29 | 161 22 | 46 27 | 0 0 | + e | 20 |S.t.O. | 6½ | 46 1½ | 161 29 | 0 0 | 0 0 | + f | 21 |S.S.O. | 6 | 45 39½ | 161 42 | 0 0 | 0 0 | + g | 22 |O.t.N. ¼ N. | 15 | 45 54 | 163 5 | 0 0 | 0 0 | + a | 23 |N.W. ½ N. | 11 | 46 28 | 162 25 | 0 0 | 0 0 | + | |W.N.W. | 5 | 46 36 | 161 57 | 0 0 | 0 0 | + b | 24 |N. ⅔ W. | 15 | 47 27 | 162 14 | 7 40 | 0 0 | + c | 25 |N.t.O. | 11½ | 48 25 | 162 27 | 0 0 | 0 0 | + d | 26 |N.N.O. | 6½ | 48 49 | 162 42 | 8 56 | 0 0 | + | |O.t.S. | 3½ | 48 53½ | 163 1 | 8 54 | 0 0 | + | | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + e | 27 |Suyden. | 7 | 48 26 | 163 1 | 0 0 | 7 30 | + f | 28 |N.O.t.N. | 2½ | 48 33½ | 163 8 | 0 0 | 0 0 | + g | 29 |W.t.N. | 1 | 48 34½ | 163 3 | 0 0 | 0 0 | + a | 30 |S.W.t.W. | 1½ | 48 28½ | 162 53 | 0 0 | 0 0 | + b | 31 |O.S.O. ⅔ S. | 2½ | 48 11½ | 163 50 | 0 0 | 0 0 | + AUGUSTUS.| | | | | | | + c | 1 |O.S.O. | 8 | 48 15½ | 163 50 | 0 0 | 0 0 | + d | 2 |O.t.S. | 6½ | 48 6½ | 164 28 | 0 0 | 0 0 | + e | 3 |O.t.N. | 3 | 48 8½ | 164 43 | 0 0 | 8 15 | + f | 4 |S.O. | 22 | 47 6½ | 166 15 | 46 40 | 8 15 | + g | 5 |S.O.t.O. | 21 | 45 53 | 167 57 | 45 43 | 8 15 | + a | 6 |S.W. ½ S. | 17 | 44 50½ | 166 56 | 44 43 | 0 0 | + b | 7 |West. | 13 | 44 43 | 165 43 | 0 0 | 0 0 | + c | 8 |S.t.W. | 6 | 44 19 | 165 36 | 0 0 | 0 0 | + d | 9 |Oost. | 12 | 44 19 | 166 43 | 0 0 | 0 0 | + e | 10 |S.W.t.W. | 19½ | 43 36 | 165 14 | 0 0 | 10 0 | + f | 11 |Oost. | 1 | 43 36 | 165 20 | 0 0 | 0 0 | + g | 12 |N.W.t.N. | 3 | 43 46 | 165 11 | 0 0 | 0 0 | + | |W.t.S. | 5 | 43 42 | 164 44 | 0 0 | 0 0 | + a | 13 | „ | „ | „ „ | „ „ | „ „ | „ „ | + b | 14 |S.W. ⅔ S. | 9½ | 43 9 | 164 18 | 43 8 | 0 0 | + c | 15 |W. ½ S. | 7 | 43 5½ | 163 40 | 0 0 | 0 0 | + d | 16 |N.N.W. ½ W. | 4 | 43 19½ | 163 30 | 0 0 | 0 0 | + + =Van den 16den Augustus tot den 1sten September ten anker in de Baai + _de Goede Hoop_.= + + SEPTEM- | | | | | | | + BER. | | | | | | | + g | 2 |Suyden. | 4 | 42 52 | 163 30 | 42 52 | 0 0 | + a | 3 |S.t.W. | 11 | 42 9 | 163 18 | 0 0 | 0 0 | + b | 4 |S. ½ O. | 16 | 41 5½ | 163 26 | 41 3 | 9 45 | + c | 5 |S.W. ⅓ W. | 15 | 40 24 | 162 27 | 40 24 | 0 0 | + d | 6 |Suyden. | 8 | 39 52 | 162 27 | 39 54 | 0 0 | + e | 7 |S.O.t.S. | 5 | 39 37 | 162 42 | 0 0 | 10 50 | + f | 8 |S.t.O. ½ O. | 8 | 39 6 | 162 54 | 39 29 | 0 0 | + g | 9 |S.W. ⅔ W. | 15 | 38 53 | 162 2 | 0 0 | 0 0 | + a | 10 |S.S.W. ½ W. | 19 | 37 46 | 161 6 | 37 38 | 7 30 | + b | 11 |O.t.N. | 8 | 37 44 | 161 44 | 37 51 | 0 0 | + c | 12 |O.N.O. | 12 | 38 9 | 162 39 | 38 29 | 0 0 | + d | 13 |O.t.S. | 12 | 38 20 | 163 37 | 38 40 | 0 0 | + e | 14 |S.S.O. | 20 | 37 26 | 164 16 | 37 16 | 7 15 | + f | 15 |O.t.N. | 17 | 37 29 | 165 38 | 37 24 | 7 38 | + g | 16 |O.t.S. | 16 | 37 12 | 166 54 | 37 17 | 0 0 | + a | 17 |N.O.t.O. | 16 | 37 53 | 168 2 | 0 0 | 0 0 | + b | 18 |Oost. | 38 | 37 53 | 171 15 | 0 0 | 0 0 | + c | 19 |O.t.S. | 17 | 37 47 | 172 38 | 0 0 | 11 45 | + d | 20 |O.t.N. | 28 | 38 9 | 174 58 | 37 56 | 0 0 | + e | 21 |O. ⅓ S. | 34 | 37 47 | 177 50 | 37 46 | 0 0 | + f | 22 |O. ⅓ N. | 20 | 37 51 | 179 31 | 37 48 | 13 30 | + g | 23 |O.t.S. | 20 | 37 32 | 181 12 | 37 31 | 0 0 | + a | 24 |S.O. ½ O. | 4½ | 37 20 | 181 29 | 37 19 | 14 50 | + b | 25 |O.S.O. | 25 | 36 41 | 183 24 | 36 44 | 14 8 | + c | 26 |O.S.O. | 25 | 36 6 | 185 18 | 36 5 | 15 20 | + d | 27 |O. ½ N. | 21 | 36 13 | 186 59 | 36 10 | 0 0 | + e | 28 |N.O. ½ N. | 14 | 36 53½ | 187 43 | 36 53 | 0 0 | + f | 29 |O.N.O. | 35 | 37 47 | 190 27 | 37 37 | 0 0 | + g | 30 |O. ½ S. | 46 | 37 19 | 194 17 | 37 21 | 0 0 | + OCTOBER. | | | | | | | + a | 1 |O. ½ S. | 48 | 37 2 | 198 17 | 36 56 | 0 0 | + | |Oost. | 4 | 36 56 | 198 37 | 0 0 | 0 0 | + b | 2 |S.W. | 10 | 36 28 | 198 2 | 0 0 | 0 0 | + c | 3 |W.t.S. | 19 | 36 13 | 196 29 | 0 0 | 0 0 | + d | 4 |W.S.W. | 24 | 35 36 | 194 39 | 35 30 | 0 0 | + e | 5 |S.t.W. | 18 | 34 20 | 194 22 | 34 0 | 0 0 | + f | 6 |W.S.W. | 17 | 33 34 | 193 7 | 0 0 | 0 0 | + g | 7 |N.W. ½ W. | 17 | 34 17 | 192 4 | 33 56 | 0 0 | + a | 8 |N.W. | 38 | 35 43 | 189 54 | 0 0 | 0 0 | + b | 9 |N.W.t.W. ⅓ W.| 28 | 36 39 | 187 54 | 36 42 | 17 0 | + c | 10 |N.W. ⅔ W. | 16 | 37 21 | 186 51 | 37 21 | 15 30 | + d | 11 |West. | 17 | 37 21 | 185 26 | 0 0 | 0 0 | + e | 12 |S.W. | 38 | 35 34 | 183 13 | 35 42 | 18 15 | + f | 13 |W. ½ S. | 21 | 35 34 | 181 33 | 35 30 | 0 0 | + g | 14 |W.S.W. | 12 | 35 12 | 180 40 | 0 0 | 0 0 | + a | 15 |W.t.N. ½ N. | 11 | 35 25 | 179 48 | 35 19 | 0 0 | + b | 16 |W.t.N. | 26 | 35 39 | 177 45 | 0 0 | 0 0 | + c | 17 |West. | 38 | 35 39 | 174 37 | 0 0 | 0 0 | + d | 18 |W.t.N. | 30 | 36 2 | 172 14 | 35 42 | 0 0 | + e | 19 |W.t.N. | 12 | 35 51 | 171 8 | 35 38 | 11 20 | + f | 20 |W.S.W. | 8 | 35 26 | 170 32 | 34 38 | 11 25 | + g | 21 |N.W.t.W. | 18 | 35 18 | 169 19 | 0 0 | 0 0 | + a | 22 |N.N.W. | 6 | 35 40 | 169 8 | 36 1 | 10 5 | + b | 23 |N.W.t.N. | 14 | 36 48 | 168 29 | 36 56 | 0 0 | + c | 24 |W. ½ S. | 22 | 36 47 | 166 40 | 0 0 | 0 0 | + d | 25 |W.S.W. | 35 | 35 53 | 163 58 | 35 41 | 0 0 | + e | 26 |W.t.N. | 26 | 36 1 | 161 54 | 36 8 | 7 22 | + f | 27 |W.S.W. | 15 | 35 45 | 160 45 | 0 0 | 0 0 | + g | 28 |S.t.W. ½ W. | 28½ | 33 56½ | 160 25 | 33 58 | 0 0 | + a | 29 |S.t.W. | 9½ | 33 21 | 159 56 | 33 18 | 6 12 | + b | 30 | „ | „ | „ „ | „ „ | | | + c | 31 |S.W.t.S. | 16 | 32 25 | 159 14 | 32 27 | 0 0 | + NOVEMBER.| | | | | | | + d | 1 |W.t.S. ⅓ S. | 23 | 32 9 | 157 40 | 31 58 | 6 30 | + e | 2 |N.W. ½ W. | 15 | 32 35½ | 156 46 | 32 35 | 0 0 | + f | 3 |W.S.W. ½ S. | 30 | 31 38½ | 154 41 | 31 23 | 0 0 | + g | 4 |W. ½ S. | 38 | 31 8 | 151 43 | 0 0 | 0 0 | + a | 5 |W.t.N. | 27 | 31 29 | 149 40 | 0 0 | 0 0 | + | |Noorden. | 1 | 31 33 | 149 40 | 31 33 | | + b | 6 |West. | 13 | 31 33 | 148 39 | 0 0 | 0 0 | + c | 7 |N.t.W. | 5 | 31 53 | 149 35 | 31 52 | 0 0 | + d | 8 |W.N.W. | 2 | 31 55 | 149 27 | 0 0 | 0 0 | + e | 9 |S.W.t.W. | 8 | 31 37½ | 148 56 | 0 0 | 0 0 | + f | 10 |S.W. | 8 | 31 14½ | 148 29 | 31 12 | 4 15 | + g | 11 |W.t.S. | 15 | 31 0 | 147 49 | 31 0 | 0 0 | + a | 12 |West. | 20 | 31 0 | 145 46 | 30 47 | 0 0 | + b | 13 |W.S.W. | 23 | 30 12 | 144 8 | 29 57 | 0 0 | + c | 14 |S.W.t.W. | 28 | 28 55 | 142 21 | 0 0 | 0 0 | + d | 15 |S.W. | 38 | 27 8 | 140 20 | 26 56 | 0 0 | + e | 16 |W.t.S. | 31 | 26 32 | 138 5 | 0 0 | 0 0 | + f | 17 |S.t.W. ¼ W. | 20 | 25 14 | 137 43 | 25 0 | 0 0 | + g | 18 |S.t.W. | 31 | 22 58 | 137 16 | 2 57 | 0 0 | + + ====+====+============+=============================================== + DA- | | | + GEN.|DA- | WINDEN. | EENIGE BEVINDINGEN. + NA- |TUM.| | + MEN.| | | + ----+----+------------+----------------------------------------------- + APRIL. | | + c | 4 |Suydelyck. |Gaen ’s avonts t’seyl van voor _Maleye_. + d | 5 |Variabel. |_Ternaten_ 4 à 5 mylen S. ¼ W. van ons. + e | 6 |N.W.t.W. |_Ternaten_ 7 mylen S. van ons. + f | 7 |Noordelyck. |_Ternaten_ S.t.O. ½ O. 10 mylen van ons, waeren + | | |5 mylen buyten ’t lant. + g | 8 |Variabel. |De eyl. _Tongy-Songy_ O. ½ N. 4 mylen van ons. + a | 9 |Variabel. |De eyl. _Tongy-Songy_ O. ¼ N. 4 mylen van ons. + b | 10 |Noordelyck. |De eyl. _Tongy-Songy_ O.t.S. 3 mylen van ons. + c | 11 |Noordelyck. |Het N. eyndt van het eyl. _Doy_ N.O. ½ N. 5 myl + | | |van ons. + d | 12 |N.O.t.O. |Het eyl. _Doy_ 3 mylen van ons, op de streeck + | | |als vooren. + e | 13 |Variabel. |Het eyl. _Tuancara_ O.N.O. 6 à 7 mylen van ons. + f | 14 |Westelyck. |Het eyl. _Tuancara_ O.t.S. ¼ S. 3 mylen van + | | |ons. + g | 15 |O.t.N. |Hebben onse compassen op 4 gr. N. Oostering + | | |geleyt. + a | 16 |Variabel. |Het eylant _Talao_ W.t.N. 9 mylen van ons. + b | 17 |Oostelyck. |Bevonden styve stroom om de Noort. + c | 18 |Oostelyck. |Doen getalyt ende gestaecht. + d | 19 |Noordelyck. |De stroom styf om de Noort loopende. + e | 20 |Oostelyck. |De stroom styf om de Noort loopende. + f | 21 |O.t.N. |Doen onse boodt ingeset. + g | 22 |O.t.N. |Saegen croos ende een lant vogel. + a | 23 |O.t.N. |Topseyls coelte met een grauwe lucht. + b | 24 |O.t.N. |Bevonden de stroom gedaen te hebben. + c | 25 |O.t.N. |Gemeen topseyls coelte. + d | 26 |Variabel. |De eyl. _Spiritus Santa_ 38 à 40 mylen S.W.t.W. + | | |van ons. + e | 27 |Variabel. |Met styff topseyls coelte ende moy weder. + f | 28 |S.O.t.S. |Met gemeen topseyls coelte ende een heldere + | | |lucht. + g | 29 |Variabel. |Veel stilte. + a | 30 |Variabel. |Met styve doorgaende coelte. + MAY. | | + b | 1 |Oostelyck. |Met topseyls coelte ende veel regen, saegen + | | |meeuwen. + c | 2 |Variabel. |Met stilte ende veel regen, saegen een swaluw + | | |vliegen. + d | 3 |Oostelyck. |Met motregen, saegen meeuwen vliegen. + e | 4 |Oostelyck. |Met topseyls coelte met holle deyninge uyt een + | | |N.O. en O. + f | 5 |O.t.N. |Met topseyls coelte en hol water uyt een N.O. + g | 6 |O.t.S. |Saegen een lantvogeltie ende veel meeuwen + | | |vliegen. + a | 7 |S.O.t.O. |Saegen veel troppen meeuwen vliegen, ende croos + | | |ende quallen dryven. + b | 8 |Suydelyck. |_Breskens_ eylant W. 6 mylen van ons. + c | 9 |N.O. |Saegen swarte meeuwen met scherpe staerten. + d | 10 |N.O.t.N. |Saegen veel meeuwen vliegen. + e | 11 |O.t.N. |Deyninge hol uyt een N.O. Saegen veel meeuwen. + f | 12 |S.O.t.S. |De deyninge uyt een O.S.O. Saegen veel meeuwen. + g | 13 |Suydelyck. |Met regen, hebben een swaluw om het schip sien + | | |vliegen. + a | 14 |Variabel. |Saegen veel meeuwen ende een cleyn lantvogeltie. + b | 15 |Variabel. |Saegen veel meeuwen vliegen en veel steencroos + | | |dryven. + c | 16 |N.O.t.N. |Slap topseyls coelte, holle deyninge uyt een + | | |O.N.O. + d | 17 |N.O.t.O. |Saegen veel meeuwen ende een witte peylstaert + | | |vliegen. + e | 18 |O.S.O. |Met topseyls coelte, saegen een groot bos croos + | | |dryven. + f | 19 |Variabel. |Een styve doorgaende coelte met regen, quaemen + | |S.S.W. |ten ancker onder het _Ongeluckich_ eylant. + g | 20 |Westelyck. |Doen lach het _Ongeluckich_ eyland S.W.t.W. + | | |vijf mylen van ons. + a | 21 |S.W. en |Saegen de _S.O. hoeck_ van _Japan_. + | |W.S.W. | + b | 22 |Variabel. |Doen lach de _S.O. hoeck_ van _Japan_, anders + | |Stillekens. |genaemt _Bosho_ S.W. ½ S. 5 mylen van ons. + c | 23 |S.t.O. S.O. | + | |O.S.O. | + | |S.O. |De _Sandtduynige hoeck_ doen W. 4 mylen van + | | |ons. + d | 24 |Suydelyck. |Doen lach de _Steyle witte hoeck_ van _Gissima_ + | | |W. ½ S. 3 mylen van ons. + e | 25 |Suydelyck. |Waeren 4 mylen buyten de _Oostcust_ van + | | |_Japan_. + f | 26 |Variabel. |Doen lach de _Caep de Kennis_ W. ½ S. 7 mylen + | | |van ons. + g | 27 |Suydelyck. |Waeren 2 mylen buyten de _Oostcust_ van + | | |_Japan_, diep 19 à 20 vadem. + a | 28 |Variabel. |Waeren 7 mylen buyten de _Oostcust_ van + | | |_Japan_, diep 70 vadem. + b | 29 |Variabel. |Waeren 4 mylen buyten de _Oostcust_ van + | | |_Japan_. + c | 30 |Variabel. |Waeren 7 à 8 mylen van lant, diep 100 vadem, + | | |singelgrondt, bevonden stroom om de S. + d | 31 |S.Westelyck.|Doen lach het eyl. _Toy_ N.N.W. 8 mylen van + | | |ons. + JUNYUS. | | + e | 1 |Noordelyck. |Als doen lach het eyland _Toy_ N.W. ½ W. 2 à 3 + | | |mylen van ons, hadden doen de diepte van 80 + | | |vadem, wasige gront. + f | 2 |Suydelyck. |Als doen lach het _S. eynt van Toy_ W. 3 à 4 + | | |mylen van ons. + g | 3 |Suydelyck. |Als doen lach de _Caep Goeré_ N.t.W. 4 myl van + | | |ons. + a | 4 |Suydelyck. |Giste de _Noordelycke hoeck_ van _Japan_, als + | | |doen S.W.t.W. 4 mylen van ons, hadden de diepte + | | |van 75 vadem, santgront, dan conden door de + | | |mist geen lant sien. + b | 5 |Variabel. |Waeren als doen gront af, saegen veel seehonden + | | |ende drift. + c | 6 |Noordelyck. |Als doen lach _Caep de Goeré_ naar gissing + | | |S.W.t.S. ½ S. 17 mylen van ons, saegen veel + | | |seehonden ende drift. + d | 7 | |Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_, N. 9 à + | | |10 mylen van ons, ende was een _steyle hooge + | | |hoeck_. + | |Westelyck. | + e | 8 |Westelyck en|Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_ S.W. ½ S. + | |Suydelyck |5 mylen van ons, ende hadden de diepte van 58 + | | |vadem, wasige gront, waeren 3 myl buyten lant. + f | 9 |Variabel. |Als doen lach de _S.O. hoeck van Eso_ S.W. ½ S. + | | |12 mylen van ons, ende laegen geset voor een + | | |plaets genaempt _Tacapsy_, op de diepte van 15 + | | |vadem, singelgront. + g | 10 |S.W.t.W. |Doen was ’t diep 100 vadem, wasige gront. + a | 11 |Variabel. |Waeren als doen 2½ myl van lant, op de diepte + | | |van 27 vadem, swarte santgront. + b | 12 |S.O.t.S. |Quaemen alhier ten ancker op 23 vadem, + | | |santgront, het _Barbaren_ eyl. lach N.O. ¾ N. 1 + | | |myl van ons ende _Caep Manshooft_ W.t.N. 3 + | | |mijl. + c | 13 |S.S.O. |Syn weder t’seyl gegaen. + d | 14 |W.S.W. |Als doen lach het _Barbaren_ eyl. N.W.t.W. 4 + | | |myl van ons, ende de _Hooge berch met de keep_ + | | |in ’t N.W.t.N. wel 20 mylen. + e | 15 |N.W. |Als doen lach de Caep _Canael_ in ’t W.t.S. 4 + | | |myl van ons, saegen in ’t N. de _Boeren + | | |schuer_. + f | 16 |S.t.W. |Saegen veel lange ende corte steencroos dryven. + g | 17 |O.N.O. |Waeren een myl van lant, hadden geen gront. + a | 18 |S.W. |Was een slappe coelte ende heel mistich. + b | 19 |S.W. |Saegen met een blinck lant in ’t W. ende W.N.W. + | | |ende in ’t N., ende stracx was ’t weder bedeckt + | | |van mist. + c | 20 |Variabel. |Laegen ten ancker onder het _Companys Lant_. + d | 21 |Variabel. |Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de + | |S.W. |N.O. besichticht. + e | 22 |S.W. en |Hebben water gehaelt ende hebben het lant om de + | |S.S.W. |S.S.W. besichticht ende een _mijn_ ontdeckt. + f | 23 |S.W. en |Hebben water gehaelt ende _mynerael_, ende het + | |S.S.W. |lant in possessy genomen, ende het den naem + | | |gegeven van _Companys Lant_. + g | 24 |S.W. |Sette onse boot ende prauw in, ende gingen + | | |onder seyl, deden onse cours om de N.W. + a | 25 |N.O. en |Saegen veel lange steencroos dryven. + | |N.N.O. | + b | 26 |N.W. |Saegen veel lange steencroos dryven. + c | 27 |N.W.t.N. |Als doen lach de plaets, daer wy ten ancker + | | |gelegen hebben, onder ’t _Companys lant_, + | | |S.S.O. 1 gr. 56 min. Oostelycker, 28½ myl van + | | |ons, wenden het als doen om de West. + d | 28 |O. en N.O. |Met cleyne coelte ende heel donckere mist. + e | 29 |O.S.O. |Met cleyne coelte, keeren wederom naer de S. + f | 30 |O.S.O. |Als doen lach _C. de Trou_ O.t.S. ¼ S. 15 myl + | | |van ons ende de _Boeren schuer_ S.O. 15 à 16 + | | |mylen, saegen veel drift, vertrouwe die door + | | |een canael te comen. + JULYUS. | | + g | 1 |Variabel. |Waeren voor het _Canael Antony_, saegen veel + | | |steencroos, wier, biese ende tackies van boomen + | | |dryven. + a | 2 |Variabel. |Als doen lach de _Croonberch_ S.O. ½ S. 2½ myl + | | |van ons, saegen in ’t S. _de Gehackelde berch_. + b | 3 |Westelyck. |Als doen lach de _Gehackelde berch_ O.t.S. ½ S. + | | |5 mylen van ons, deden onse cours Suyden aen. + c | 4 |N.O. |Quaemen ten ancker, als synde ⅔ myl van lant, + | | |op 20 vadem, santgront; synde onder het N.O. + | | |_eynt van Eso_, 2 mylen bewesten het _Canael + | | |Antony_. + d | 5 |Variabel. |Hebben water gehaelt en gevischt, is de boot op + | | |strant gecomen. + e | 6 |S.S.O. |Onse boot vlot gecregen ende quaemen aen boord. + f | 7 |S.S.O. |Ondersoecken het canael ende visschen. + g | 8 |Variabel. |Hebben gevischt, ende groente gehaelt. + a | 9 |Suydelyck. |Syn om hout gevaren ende met de boot aen lant + | | |vernacht. + b | 10 |S.S.O. |Quaemen met boot ende prauw weer aen boort. + c | 11 |S.S.O. |Doen hadden wy de _Gehackelde berch_ O.t.S. ½ + | | |S. 10 mylen van ons. + d | 12 |S.O. |Als doen lach de _Hooge Tepelberch_ S.O.t.S. ⅓ + | | |S. van ons, waeren 3 à 3½ myl buyten lant. + e | 13 |S.O. |Cleyne coelte met een swaere mist. + f | 14 |O.N.O. |Was doen diep 50 vadem, saegen veel drift. + g | 15 |O.S.O. en |Waeren nu 4 mylen van lant, diep 23 vadem, + | |O.t.S. |steckgront; quaemen voor _Tamary_ ten ancker op + | | |10½ vadem. + | |Suyden. | + a | 16 |S.O. |Quaemen voor _Tamary_ ten ancker op 9½ vadem + | | |steckgront. + b | 17 |Variabel. |Hebben in _Tamary_ aen lant geweest. + c | 18 |Variabel. |Hebben weder aen lant geweest ende ons afscheyt + | | |genomen. + d | 19 |S.S.W. |Als doen lach de _Steyle hoeck_ beoosten + | | |_Tamary_ N.W. ½ N. 2½ myl van ons. + e | 20 |Noordelyck. |Als doen lach de Caep _Aniwa_ O.S.O. 3 à 4 myl + | | |van ons. + f | 21 |Variabel. |Als doen lach de Caep _Aniwa_ N.t.O. ⅔ O. 4 myl + | | |van ons. + g | 22 |Variabel. |Saegen veel seerobben swemmen ende veel drift. + a | 23 |Noordelyck. |Met styve coelte met mistich regenich weder, + | |S.W. |als doen lach de _Tonyns hoeck_ W.S.W. 1 myl + | |S.W.t.S. |van ons. + b | 24 |Variabel. |Hadden _Hoochlant_ in ’t S.W.t.W. 5 myl van + | | |ons. Vernaemen dat ons een stroom om de N. + | | |geset had. + c | 25 |Variabel. |Hadden doen lant in ’t N.O. 10 mijl van ons. + d | 26 |Suydelyck. |Hadden doen een _Hooge vlacke berch_ 3½ myl van + | | |ons; quaemen hier ten ancker op 18 vadem 1½ myl + | | |van lant. Als doen lach Caep _Patientie_ + | | |S.O.t.O. 4 mylen van ons ende het _Robben_ eyl. + | | |S.S.O. op d^{o}. veerheyt. + | |Variabel. |Hebben het lant gevisiteert ende volck + | | |gevonden. + e | 27 |Oostelyck. |Was doen diep 37 vadem, steckgront. + f | 28 |Oostelyck. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.O. 1 mijl van + | | |ons ende het was 16 vadem diep, singelgront. + g | 29 |O.S.O. |Als doen lach het _Robben_ eyl. O.N.O. 1½ myl + | | |van ons, laegen doen geanckert op 25 vadem. + a | 30 |Variabel. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.O. ⅔ O. naer + | | |gissing van ons 2 à 3 mylen, conden het niet + | | |sien door mist. + b | 31 |O.S.O en |Als doen lach het _Robben_ eyl. meest in ’t + | |S.O. |Noort van ons, naer gissing omtrent 3 mylen, + | | |maer conden d^{o}. eyl. niet sien, het was 37 + | | |vadem diep, steckgront. + AUGUSTUS.| | + c | 1 |Noordelyck. |Als doen lach het _Robben_ eyl. N.W. ende + | |Variabel. |omtrent 9 mylen van ons, ende was doen diep 72 + | | |vadem, steckgront. + d | 2 |Noordelyck. |Met styff topseyl ende variabel weder. + | |Variabel. | + e | 3 |Noordelyck. |Met styve coelte ende heel mistich weder, + | |Variabel. |saegen veel gevogelte. + f | 4 |N.N.O. |Met styve wint, saegen veel drift, bevonden dat + | | |de stroom ons styf om de Suyt geset hadde. + g | 5 |N.N.O. |Als doen lach Caep _de Vries_ S.W. 4 mylen van + | | |ons. + a | 6 |N.W.t.N. |Als doen lach Caep _de Vries_ N.O.t.N. 13 à 14 + | | |mylen, waeren 4 mylen buyten het _Staetenlant_. + b | 7 |S.t.W. |Waeren dicht onder de _Gehackelde berch_ ½ myl + | | |van lant, op de diepte van 15 vadem, vuyle + | | |gront. + c | 8 |Variabel. |Met topseyls coelte ende een dichte mist. + d | 9 |S.S.O. |Met topseyls coelte ende heel mistich weder. + e | 10 |S.O. |Als doen lach Caep _de Canael Antony_ mede 5 + | | |mylen van ons, ende was 66 vadem, singelgront. + f | 11 |S.O. |Met topseyls coelte en mistich motrich weder. + g | 12 |Noordelyck. |Als doen lach het W. eynt van ’t _Walvisch_ + | |N.N.O. |eylant N.t.W. ½ N. 2 à 3 mylen van ons, quamen + | | |ten ancker in de _Gebroocke_ eyl. van _Tamary_, + | | |op 21 vadem. + a | 13 |Noordelyck. |Met styve coelte, laegen ten ancker, gingen + | | |naer middach t’seyl. + b | 14 |Variabel. |Als doen lach Caep _de Manshooft_ N.t.W. 2 + | | |mylen van ons. + c | 15 |Noordelyck. |Als doen lach de _Steyle W. hoeck_ van _van der + | | |Lyns_ eylant W. ½ S. 1 myl van ons. + d | 16 |Suydelyck. |Quaemen voor de bay _Goede Hoop_, voor het dorp + | | |_Ackys_ ten ancker, op 5½ vadem, een + | | |musquetschoot van lant. + + =Van den 16den Augustus tot den 1sten September ten anker in de Baai + _de Goede Hoop_.= + + SEPTEM- | | + BER. | | + g | 2 |Oostelyck. |Caep _Santanel_ N.t.W. 4 mylen van ons. + a | 3 |Variabel. |Met topseyls coelte, saegen veel meeuwen + | | |vliegen. + b | 4 |W.S.W. |Met een labber coelte. + c | 5 |S.O. |Met een topseyls coelte. + d | 6 |Noordelyck. |Met cleyn topseyls coelte. + e | 7 |Variabel. |’s Ochtens onse compassen op 8 gr. N. Oostering + | | |geleyt. + f | 8 |S.W. |Met cleyne coelte. + g | 9 |Variabel. |Als doen lach de _Tafelberch_ W.t.N. 9 mylen + | | |van ons. + a | 10 |N.W. |Met topseyls coelte, 10 mylen buyten de + | | |Oostcust van _Japan_. + b | 11 |Suydelyck. |Met sleyckende coelte. + c | 12 |Variabel. |Saegen een stuck hout dryven ende veel + | | |gevogelte vliegen. + d | 13 |W.S.W. |Bevonden als voren harde stroom om de Noort. + e | 14 |N.W.t.N. |Hebben 2 cleyne landvogelties gevangen. + f | 15 |N.N.W. |Saegen een stuck hout ende steencroos dryven. + g | 16 |N.N.O. |Saegen een schildpad dryven ende veel meeuwen + | | |vliegen. + a | 17 |S.S.O. |’s Ochtens onse compassen op 10 gr. N. + | | |Oostering geleyt. + b | 18 |W.N.W. |Saegen een stuck hout dryven ende veel meeuwen + | | |vliegen. + c | 19 |Variabel. |Hebben onse compassen op een streeck N. + | | |Oostering geleyt. + d | 20 |Suyden. |Met styve doorgaende coelte, saegen veel + | | |meeuwen vliegen. + e | 21 |West. |Met styve doorgaende wint. + | |Variabel. | + f | 22 |S.O. |Cleyne topseyls coelte. + g | 23 |S.S.W. |Saegen eenige puystebyters vliegen. + a | 24 |S.S.W. |Met cleyn topseyls coelte. + b | 25 |S.S.W. |Met topseyls coelte. + c | 26 |S.S.W. |Saegen eenige meeuwen vliegen. + d | 27 |S.S.W. |Saegen veel meeuwen en een witte pylstaert. + e | 28 |Variabel. |Saegen veel troppen meeuwen. + f | 29 |S.W. |Met styve doorgaende wint. + g | 30 |West. |Met heel styve doorgaende wint. + OCTOBER.| | + a | 1 |N.W. |Met styve doorgaende wint. + | |N.N.W. |Keeren wederom naer de Oostcust van _Japan_, + | | |waeren 460 mylen beoosten _Japan_. + b | 2 |Variabel. |Saegen een leeuwrick by ’t schip vliegen. + c | 3 |Oostelyck. |Met topseyls coelte ende hol waeter uyt een + | | |N.O. + d | 4 |Verander- |Met ongestaedich weder ende wint. + | |lijck. | + e | 5 |Variabel. |Bevonden harde stroom om de Suyt te gaen. + f | 6 |Noorden. |Met harde coelte, sloegen andere seylen aen. + g | 7 |O.N.O. |Met styve stroom om de Suyt. + a | 8 |O.S.O. |Met doorgaende wint. + b | 9 |Variabel. |Hebben een puystebyter gevangen, waeren naer + | | |gissing 331 myl buyten de Oostcust van _Japan_. + c | 10 |S.W. |Met cleyn topseyls coelte, somtyts regen. + d | 11 |Variabel. |Saegen veel deferente meeuwen. + e | 12 |N.O. en |Styve coelte met mot regen, by daech claer + | |O.N.O. |gesicht. + f | 13 |Variabel. |Met topseyls coelte met hol water uyt een N.W. + g | 14 |Variabel. |Met ongestaedich weder ende wint. + a | 15 |Variabel. |Vingen een strantloopertje ende saegen een + | | |swaluw ende veel swarte graeuwe meeuwen, waeren + | | |naer gissing 235 myl beoosten de Oostcust van + | | |_Japan_. + b | 16 |Oostelyck. |Heel ongestaedich weder van regen ende wint, + | |Variabel. |hebben onse seylen verlooren. + c | 17 |N.O. |Met storm, sloegen andere seylen aen. + d | 18 |N.O.t.N. |Met styve coelte, de stroom styf om de Suyt + | | |gaende, hebben een andere roerpen in ’t roer + | | |gestoocken. + e | 19 |S.O. |Saegen een witte pylstaert en een swaluw + | | |vliegen ende veel steencroos dryven ende een + | | |_monstreuse_ visch swemmen, waeren 121 mylen + | | |buyten de Oostcust van _Japan_. + f | 20 |Noordelyck. |Met stilte, bevonden styve stroom om de Suyt. + g | 21 |S.S.W. |Was ongestaedich motrich weder, met styve wint. + | |Variabel. | + a | 22 |W.N.W. |Saegen 2 witte pylstaerten vliegen ende + | | |steencroos dryven, bevonden harde stroom om de + | | |N. te gaen, waeren als doen 108 mylen buyten de + | | |Oostcust van _Japan_. + b | 23 |W.N.W. |Hebben een sperwer gevangen en een tortelduyf + | | |gesien, waeren naer gissinge 100 mylen buyten + | | |de Oostcust van _Japan_. + c | 24 |N.N.O. N. en|Saegen een stuck hout dryven ende veel croos, + | |N.O. |hadden reegen. + d | 25 |Noordelyck. |Met een styve coelte. + e | 26 |Noordelyck. |Waeren nu 12 mylen buyten de O.cust van + | |Variabel. |_Japan_, conden de cust pas sien, hadden de + | | |cust 8 _myl eer als gegist hadden_. + f | 27 |Noordelyck. |Als doen lach de _Santduynige hoeck_ N.O.t.N. 4 + | | |mylen van ons, als doen diep 13 vadem, + | | |santgront. + g | 28 |N.O.t.N. |Als doen lach het _Prinse_ eyl. W. 6 myl van + | | |ons, ende _Barnevelt_ eyl. W.N.W. 6 mylen. + a | 29 |N.N.O. |Quaemen onder het _Ongeluckich_ eyl. ten + | | |ancker. + b | 30 |N.O. en |Hebben het _Ongeluckich_ eyl. gevisiteerd. + | |N.N.O. | + c | 31 |N.O. |Als doen lach het _Ongeluckich_ eyl. N.O.t.N. + | | |16 mylen ende het _Suyder_ eyl. O. 9 mylen van + | | |ons. + NOVEMBER.| | + d | 1 |Noordelyck. |Met cleyn topseyls coelte, saegen eenich croos + | | |dryven. + e | 2 |Variabel. |Ongestaedich weder van regen ende wint. + f | 3 |N.N.O. |Met styve doorgaende wint, saegen een duycker, + | | |bevonden styve stroom om de Suyt. + g | 4 |O.N.O. |Met styve ongestaedige wint ende weder. + a | 5 |Oostelyck. |Met styve wint ende ongestaedich weder. + | |Westelyck. |Waeren nu naer gissinge 32½ myl bewesten het + | | |_Ongeluckich_ eyl., segge W.t.S. van d^{o}. + | | |eyl., soodat volgens dien de S.O. hoeck van + | | |_Cikoko_ leyt op dese geseylde lengte ende + | | |breete. + b | 6 | | + c | 7 |Westelyck. |Hadden dit etmael vehemente stroom vernomen. + d | 8 |Variabel. |Wint ende weder, vernaemen aen de peyling van + | | |’t lant styve stroom. + e | 9 |Variabel. |Bevonden harde stroom, als doen lach de S.O. + | | |hoeck van _Cikoko_ W.t.S. ½ S. 4 mylen van ons, + | | |als doen is het jacht _Breskens_ by ons + | | |gecomen. + f | 10 |Variabel. |Als doen lach de S.O. hoeck van _Cikoko_ N.N.O. + | | |6 mylen van ons. + g | 11 |Variabel. |Als doen lach het _Brandent_ eyl. S.S.O. 4 + | | |mylen van ons. + a | 12 |Noordelyck. |Als doen lach het eyl. _Cikoko_ 9 à 10 mylen O. + | | |van ons. + b | 13 |N.N.W. |Met cleyn topseyls coelte, was doen diep 75 + | | |vadem, wasige gront. + c | 14 |N.N.O. |Was als doen diep 50 vadem, hadden styve coelte. + d | 15 |N.N.O. |Met styve wint, was als doen diep 60 vadem. + e | 16 |N.O. |Was nu volgens de _Companys caert_ 15 mylen met + | | |myn besteck op de cust van _China_. + f | 17 |Noordelyck. |Als doen lach de _Leguaens hoeck_ S.O.t.O. 4 + | | |mylen van ons, vernaemen harde stroom om de + | | |Suyt. + g | 18 |Noordelyck. |Binnen _Tayoúan_ te ree op 10 vadem. + +Aan het einde van iedere maand, wordt in het Handschrift van het +Journaal mede gevonden, de landverkenningen, die men gedurende den loop +van die maand heeft kunnen opnemen; eenige er van zijn opgenomen, in het +werk van Nicolaes Witsen, _Noord-_ en _Oost-Tartaryen_, 1^{e} deel, bl. +152. + + + + +BIJLAGEN. + + + N^{o}. 1. Extract uit de Resolutie van den Gouverneur-Generaal en de + Raden van _Indië_, van den 17^{de} January, 1643. + » 2. Idem als boven, van den 23^{ste} idem. + » 3. Idem als boven, van den 2^{de} February. + » 4. Idem uit de Missive van den Gouverneur-generaal en de Raden + van Indië, aan den Gouverneur van _Amboina_, van den 16^{de} + February, 1643. + » 5. Idem uit de Missive aan de Bewindhebberen ter vergadering + van 17^{ne}, van den 22^{ste} December 1643. + » 6. Idem als boven, van den 4^{de} January, 1644. + » 7. Idem als boven, van den 23^{ste} December 1644. + » 8. Idem uit het _Batavia’s_ Dagregister, van den 14^{de} + December, 1643. + » 9. Maerten Gerritsz. Vries. + » 10. Cornelis Jansz. Coen. + + + + +EXTRACTEN + +_uit de Resolutiën en Missiven van den Gouverneur-Generaal en de Raden +van Indië, betrekkelijk de reis van de schepen_ Castricum _en_ Breskens. +1643-1644. + + +Saturdagh den 17^{de} January A^{o}. 1643. + + +N^{o}. 1. + +Op geen mindere hoop en groot vertrouwen, als wy ten dienste van de Ver. +Ned. O. I. Comp., tot vergrootingh en verbeteringh van desselfs stant en +negotie hier te lande, hebben gehad en gepractiseert, om de g’opinieerde +off noch onbekende landen besuyden de Linie Equinoctiael en de +gelegentheyt desselfs te ontdecken, in voegen als onse Resolutie primo +Augustus passato daerover genomen, wyt en breet dicteert. Mitsgaders op +14 dito met ’t jacht _Heemskerck_ en de fluit _de Zeehaen_, onder ’t +beleyt van den E. Abel Jansz. Tasman, van hier over ’t eylant +_Mauritius_ doen ondernemen hebben. Vinden wy ons door deselve redenen +en motiven immers soo gretigh en genegen, om te besoecken en +t’ontdecken, de onbevaren vaste landen en eylanden bynoorden _Japan_ en +van daer Oostwaerts gelegen; insonderheyt de Oostcust van _Tartarien_, +en daeronder het vermaerde Coninckryck _Cathaya_. Gelyck de Heeren onse +principalen hiertoe mede seer inclineren, ’t selve veelmalen en by haere +per naeste ontfangene generale brieven, noch ernstich recommanderen; te +meer, om die gelegentheyt t’ontdecken, diverse besendingen uyt _Europa_ +derwaerts syn gedaen. Welcke vermits het soecken van de Noorder-wal en +de daeromtrent dominerende _Yszee_, geen effect hebben gesorteert. +Mitsgaders dat onse gemelte Gebieders opinieeren, gelyck oock apparent +sy en diverse beschryvingen getuigen, daer profitabele negotie en meer +goede gelegentheden voor de Comp. te vinden sullen wesen. Item om van +daer wyders andermael te gaen soecken, naer ’t voorgegeven Gout- en +Silverrycke eylant byoosten _Japan_, werwaerts wy, volgens resolutie van +28 May A^{o}. 1639, op 2 Juny daer aen, onder het beleyt van den E. +Mathys Quast, door de straet _Manilha_ uytgeset hadden, de fluyten +_Engel_ en _de Graff_, die door ongeluckige toevallen op 24 November +desselven jaers, vruchteloos in _Tayouan_ syn gekeert. Op dese apparente +ontdeckinge dan langh gespeculeert, en daertoe gehoort en gesien +hebbende, d’opinien en voorstellingen, van verscheyden wel +geexperimenteerde personen, haer op de gelegentheyt deser te doene +ontdeckingh verstaende, en voorders geconsidereert, dat het de Comp., +staende onse regeringe, noyt beter gelegen heeft gekomen, om twee +bequaeme schepen, buyten vercortingh van den ordinairen handel, en +vereysch in den oorloge hier te lande, af te setten, als tegenwoordich. +Soo is ’t, dat wy dan in gevolge van dien, geresolveert en gearresteert +hebben, gelyck resolveren en arresteren by desen, tot die bevaringh en +ontdeckingh ’t fluytschip _Castricum_, jongst van _Sumatra’s West-cust_ +gekomen, en ’t jacht _Breskens_, onlangs uyt ’t patria verschenen; +hoewel al naer _Macassar_ en _Amboyna_ gedestineert sy. Welcke beyde +daertoe seer bequaem geoordeelt werden, en dat onder ’t gesach van den +Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, die sich tot dese +verrichtingh seer genegen thoonde, item soodanige Schippers en +Stierlieden meer, als daertoe mede bequaem en mede graegh syn. +Ordonnerende deselve, uyt de verscheyden voorstellingen ons gedaen, van +hier door de straet _Bouton_ langs _Celebes_ naer _Ternaten_ te seylen, +om van daer (wel ververscht synde) in ’t begin der maent April +N.O.waert over te loopen, naer de Oostcust van _Japan_, op de breete van +37 graden, en van daer N.W.waerts over, tot hem de cust Westelycker +ontvalt. Om in passant te ervaren, hoe verre ’t uytterste van _Japan_ om +de N. gelegen is, en of het lant, dat by de Japanderen _Eso_ wordt +genaemd, een bysonder eylant of de vaste cust van _China_ of _Tartarien_ +sy. Pogende van daer _Tartaria_ of ’t lantschap _Cathaya_ soo Suydelyck +aen boort te crygen, als doenlyck wert, om dan wyders N.W. off soo als +die cust strecke, by op te seylen en t’ ontdecken, ’t gene onse +Instructie sal medebrengen. Item dan wyders tegen de maent Augustus van +daer S.O.waerts over, tot op de langte van _Japan’s_ O. eynde. Van dat +punt met een S. cours tot op 37½ gr., in ’t gesicht van gemelte lants O. +hoeck, en van daer recht O. aen, de langte van 350 à 450 mylen; om het +aengetogen geruchte Goudt- en Silverrycke eylant te beseylen, en des +neen, van daer weder al cruyssende van de 37 tot de 35 gr. W.waerts aen +naer _Japan_ te keeren. Om ’t meergemelte eylant, mitsgaders die geseyt +worden, tusschen de 30 en 36 gr. 100, 150 à 200 mylen byoosten _Japan_ +te liggen, en mede seer silverryck souden syn, nader te soecken en aen +te seylen. Doch den Westen passaetwint sulcx niet gedogende, dan van de +geseylde 450 mylen om de O., N.W.waert over te steecken, naer de cust +van _America_, en dat lant omtrent _Cabo de Mendocina_, op de breete van +38 gr. aen te doen, om de gelegentheyt aldaer mede te onderstaen, hun te +ververschen, en wyders met de N.W. passaetwint S.W.waert over te seylen; +om by dien wegh een der gemelte rycke eylanden, op ’t lyff te mogen +loopen en eyndelyck over ’t eylant _Formosa_ herwaert te keeren. + +Den E. Justus Schouten, Extra Ordin. Raed van _Indië_, werdt gelast de +noodwendige Instructie voor den getogen Schipper-Commandeur de Vries +_met desselfs advys_ te concipieren, des blyft den E. Cornelis van der +Lyn bevolen, veelderley metalen, waren, coopmanschappen en rariteyten +by den anderen te versamelen; om gemelte ontdeckers tot preuve in de +landen, daer te comen staen, ten dienste en nutte van de Comp. +medegegeven te worden. + +Aldus gearresteert in het casteel _Batavia_, enz. + +datum ut supra. + + +Vrydagh den 23^{ste} January A^{o}. 1643. + + +N^{o}. 2. + +De fluyt _Castricum_ en ’t jacht _Breskens_, by resolutie van 17 stanty, +onder ’t gesach van den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, +over _Molucco_ naer de custen van _Tartarien_ en byoosten _Japan_ +gedestineert; werden verstaen ieder met 50 cloecke seelieden, en daertoe +elck nog 5 soldaten, t’ samen 116 coppen, te doen mannen; geprovideert +van alles voor 12 maenden, mitsgaders van noodwendichheden ryckelyck +versien. + +Soo is mede goetgevonden, gemelten Vries tot assistentie by te voegen, +den Schipper van de _Luypaert_, Hendrick Cornelisz. Schaep, als Hooft op +_Breskens_; item Pieter Willemsz. Knechtjes, als Schipper van de fluyt +_den Engel_ op _Castricum_, mitsgaders den Ondercoopman Willem Bylevelt +op _Breskens_, om van ’t medegaende cargasoen, pertinente rekeningh te +houden. + +Abraham Pittavyn, als provisioneel Ondercoopman, Secretaris en Fiscael +by den Commandeur, en drie à vier bequaeme Assistenten, waeronder een +van _Tartarien_ geboortig. + +Aldus enz. + + +Maendagh den 2^{den} February A^{o}. 1643. + + +N^{o}. 3. + +En alsoo de fluyt _Castricum_ met ’t jacht _Breskens_, onder het +Commando van den E. Maerten Gerritsz. Vries, over _Ternate_, tot +ontdeckingh der custen van _Tartarien_, en de verhoopte rycke landen +byoosten _Japan_ gedestineert, tegenwoordigh sonder iets te gebreecken +volcomen seylvaerdigh. Mitsgaders daertoe oock gereet, de Instructie +voor gemelten Commandeur en synen Raed, by den E. Justus Schouten, Extra +Ordin. Raed van _Indië_, met dito de Vries advys, ingestelt, als de +missive aen den E. Wouter Seroyen, Vice-Gouverneur en Directeur over den +Nederlantschen stant in _Molucco_, door den Gouverneur-Generael +geconcipieert; beyde te deser vergaderingh, bysonder gemelte Instructie, +in presentie van aengetogen de Vries en syn voornaemste Raetspersonen, +ten tweede male aendachtelyck gelesen en gecollectioneert, daertoe met +ons aller teeckeningh geconfirmeert, en de papieren tot de een en +d’ander besendingh dienende, bygevoecht wesende. Soo is eendrachtelycken +verstaen, gemelte ontdeckers dese voyagie in conformité van onse +resolutie dato 17 January passato, morgen vroegh nae gedaene monstering +in Godes naem te laten aenvangen. Den E. Justus Schouten voornoemd en +den E. Salomon Sweers, mede Extra Ordin. Raed van _Indië_, werden +gecommitteert, om morgen den Commandeur als dan t’ scheep behoorlyck te +authoriseren en ’t volck te monsteren. + +Aldus enz. + + +N^{o}. 4. + +Nader op d’ordre van onse principalen, nopende ’t ontdecken van +de _Tartarische_ custen, ende ’t hervatten des opsoeckens van de +Goudt- ende Silverrycke eylanden byoosten _Japan_ gelet synde, mitsgaders +daerover gehoort, ’t advys van de aenwesende ervarenste schippers ende +stierlieden, als de remonstrantie van den vermaerden Piloot Franschoys +Visscher, op syn vertreck naer ’t onbekende _Suytlant_, over dit punt +ons ter hand gestelt. Is goetgevonden die voyagie te ondernemen, ende +daertoe te gebruycken ’t fluytschip _Castricum_ ende ’t jacht +_Breskens_; wes deselve onder ’t Commando van den Schipper Maerten +Gerritsen Vries, wel gearmeert, ieder met 60 coppen gemant, daeronder in +alles 10 soldaten, voor 12 maenden geprovideert; den 3 courant van hier +langs de custen van _Celebes_ naer _Ternaten_ genavigeert syn. Omme van +daer, in der yle wel ververscht ende van water versien synde, den cours +byoosten _Japan_ te nemen, ende de custe van _Tartarien_, soo Westelyck +aen te soecken, als de gelegentheyt van de winden ende landen sullen +toelaten; omme van daer naer verrichter saecken, dat g’opinieerd word in +Augusty aenstaende sal wesen, den _Tartarischen_ oceaen te cruyssen, +omme d’aengetogen verhoopte eylanden te beseylen. d’Almogende geve tot +d’een en d’ander synen segen, ende dat de Spaensche galey in _Ternaten_, +door dese cleyne (doch deffencive) schepen geabuseert synde, in ons +gewelt vervalle. + +Aen den Hr. Antonio de Caen in _Amboina_, + +desen 16 February, 1643. + + +N^{o}. 5. + +’t Geene aengaende ’t verlies van ’t jacht _Breskens_ op de Noortcuste +van _China_ schryven, vernemen met d’aencomste van _de Swaen_ abuys te +wesen; God geve gene van de jachten tot de lichtingh des forts _Kelangh_ +syn, die als geseyt, buyten expectatie in _Tayouan_ te keeren, +tardeerden. Ende comt met meer aengetogen _Swaene_ herwaerts, den +Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, neffens desselfs +Opperstierman Cornelis Jansz. Coen; per de fluyte _Castricum_ ende ’t +jacht _Breskens_, uyt d’ontdeckinge van _Tartarien_, den 18 November in +_Tayouan_ behouden aengelandt. Op syne plaets sullen ’t succes +verhandelen, ende becomen UEd. derselver journalen, caerten ende +duydelycke beschryvingh van hun wedervaeren ende ondervindingh, die van +apparentie schynt te wesen. + +Door ontmoeting van landen ende contrarie winden, hebben de +_Tartarische_ cust niet connen beseylen; ’t lant _Eso_ ende de Noorder +custe van _America_ aengeweest; wyders naer de gepresupponeerde _Silver_ +ende _Goudt_ eylanden gecruyst, maer niet opgedaen. Sulcx vastelyck te +gelooven sy, op die lengte en breete, geen derselver eylanden liggen; +maer datter aen geseyde Noorder custe van _America_ (daervan possessie +genomen is) ryckdommen syn, dat by nader ontdeckingh te vernemen staen. +Als geseyt sullen d’overgebrachte papieren en caerten nader resumeren, +ende UEd. per volgende schepen, beter onderrichten, mitsgaders onse +consideratien op dit gewichtigh stuck declareren. + +In ’t Casteel _Batavia_, + +desen 22 Dec. A^{o}. 1643. + +Aen de Bewinthebberen, enz. + + +N^{o}. 6. + +Hoe den Schipper-Commandeur Maerten de Vries, met de fluyt _Castricum_ +ende het jacht _Breskens_, van d’ontdeckingh der Noorder landen, +November verleden in _Tayouan_ gekeert, persoonlyck met den Stierman +Cornelis Coen, tot _Batavia_ gecomen; ’t lant van _Eso_ en ’t Noorder +_America_ eensdeels ontdeckt, en in die vreemde voyagie yets notabels +geexperimenteert heeft, is UEd. in onsen generalen brief, dato 22 +December, cort aengeschreven. Mitsgaders toegeseyt, ’t succes van dese +reyse, met den naesten omstandiger te sullen verhalen, en onse +consideratien daerby te doen, gelyck in ’t vervolch nu cortelyck +geschiet, en om van volcomen contschap (ons) aen de neffens gaende +descriptie ofte relaes van den Commandeur de Vries, journael van den +Stierman Coen, ende daeraff gemaeckte caerten, refereren; waerinne de +gedaene ontdeckinge en remarquable ondervindinge in ’t breede te lesen +ende te beoogen sy; daervan alleen ’t bysondere in substantie verhaelen +sullen. + +Gemelte Commandeur Vries, met syne twee schepen, in ’t begin van April +uyt _Ternaten_ scheydende, hebben haeren cours, mits vroeg in ’t jaer +ende ’t bejegenen van Noordoostelycke winden, Noortwaert genomen, ende +geen der ongenoemde eylanden in de _Suytsee_ ontdeckt; maer op 20 Mey, +des nachts omtrent den Suytoost hoeck van _Japan_, met storm (buyten +gissingh) aen ’t _Ongeluckich_ eylant, by haer soo genaemt, op een lager +wal vervallen, ende in ’t uyterste peryckel van schipbreuck geraeckt; +sulcx nae ’t verlies van anckers en touwen, naeuwelycx gesalveert en van +den anderen versteecken syn. Voorts gesepareert, langs de Oost cust van +_Japan_ (daer veel visschersbercquen in vrientschap aen boort quaemen) +tot op 40 gr., aen den uyttersten Noortoost hoeck geseylt; van waer de +Vries, alleen met _Castricum_ tot vervolch van de g’ordonneerde voyagie, +den 4 Juny Noortwaerts gevaren is, ende op den derden dagh, het hoogh +met sneeuw bedeckt lant van _Eso_, op 42 gr. aengedaen heeft. Langs +welcke Suytoost cust, omtrent 60 mylen, meest gestadigh door dicken mist +geseylt, en op diversche plaetsen ten ancker gecomen is, vindende ’t +lant sober, doch van redelycke menschen bewoont, met dewelcke +vriendelycke communicatie gehouden, ende een arm lant bevonden is. Synde +traen en pelteryen, ’t voornaemste dat daer (maer sober) valt, ’t welcke +van de Japanders voor diversche waeren gehandelt wert. Ende hoewel dese +barbaeren haer sabels, halsen en ooren met silver (dat sy hooch +estimeren) vercieren, ende wysen binnen haer lant, uyt de aerde gegraven +wort, soo hebben d’onse daer nochtans geen quantiteyt vernomen. De cust +van _Eso_ op 44½ graet ten eynde synde, hebben ’t _Staten_ eylant, +insgelycx by henlieden soo genaemt, synde vol dorre blinckende bergen en +omtrent 30 mylen langh, ontdeckt; ende daernaer op 45, 46 ende 47 +graden, aen ’t Noorder _America_, een seer hoogh groot onbewoont lant, +waerop hem verscheyden bergen, gantsch blinckende als rycke mineralen +verthoonen. Daervan solemnele possessie, ende eenige monsters van +d’aerde genomen synde, hebben haeren wegh, tusschen dit lant ende ’t +_Staten_ eylant, door de straet _de Vries_ vervolght. Wanneer in ’t +laetste van Juny, in een ruyme, woeste, ongestuymige Noortsee gecomen +syn, daerinne door donckere mist, tot op 48 graden, stoutmoedigh +gevaeren syn; doch wierden door cracht van Noortwestelycke winden, +benoodight, de onbekende Noortoost cust van _Eso_, op 45 gr. aen te +doen. Van waer d^{o}. cust 4 graden Noortwaerts ontdeckende, ’t lant van +een selfde natie als aen de Suytcant, doch in meerder menichte, oock +civilder ende beth met silver gesiert, bevolckt, vonden. Saegen op dese +cust eenen wonderlycken, hoogen, ronden, spitsen bergh, die +d’inwoonders, neffens noch een ander, affirmeerden silverryck te wesen. +Welcke spetie by haer in sonderlinge waerde gehouden wert, sulcx d’onse +maer twee arm- ende eenige oorringen, van haer hebben connen ruylen. +Wesende dan in ’t laetste van July tot op 49 gr. by den uytersten hoeck, +by haer genaemt van _Patientie_, gecomen, conden door styven contrarie +wint ende donckere coude mist, geen Noort meer winnen. Soo dat den 3 +Augusty, de reyse naer _Tartarien_ gestaeckt, door d’ingecomen enghte +weder in de groote see gevaeren, ende op 16 Augusty aen de Suytoost cust +van _Eso_, in de bay, van haer gebaptiseert _de Goede Hoop_, gecomen +syn. Van waer, nae dat tamelyck ververscht, en hun van water ende +branthout wel hadden versien, den 2 September tot ontdeckingh, van de +geruchte Gout ende Silverrycke eylanden byoosten _Japan_ gelegen, +vertrocken. Doende hunnen cours (volgens order) eerst naer de Oost cust +van _Japan_, van waer tusschen 10 September ende 1 October, op de breete +van 37½ gr., 450 mylen met veranderlycke winden, ende felle stormen +eerst Oost omgevaeren syn, sonder in dien streeck, met geduerich claer +weder, eenigh lant te ontmoeten, maer wel veel teyckenen van vogelen +ende drift; die naer alle apparentie door wint ende stroomen van +_Japan_, _Eso_, _Staten_ ende _Compagnies_ lant, alsmede het Noorder +_America_, in de Suytsee gedreven worden. Gelyck mede in ’t keeren, al +cruysende naer de Oost cust van _Japan_, geen lant bejegent hebben, ende +alsoo seeckerlyck ervaeren, de gesochte eylanden in dat geweste niet en +syn, ende naer alle apparentie ’t lant van ’t Noorder _America_ wesen +moeten. + +Bestendige vlyt ende goede opmerckinge, is op dese voyagie, by die van +de fluyt _Castricum_ gebruyckt, gelyck by de schriftelycke rapporten +omstandigh blyckt. Doch d’opperhoofden van ’t jacht _Breskens_, syn +t’onvoorsichtigh geweest; dat haer gevangenis in _Japan_, en den Keyser +cuntschap van dese voyagie ende ons concept veroorsaeckt heeft. Evenwel +is ’t jacht mede aen de Suyt cust van _Eso_, _Staten_ ende _Compagnies_ +lant geweest, ende onder ’t beleyt van den Stierman Jurriaen Bruyn, ’t +soecken van de eylanden byoosten _Japan_ onvruchtelyck betracht. Soo dat +eyndelyck beyde dese schepen, in ’t laetste van October, aen ’t +_Ongeluckigh_ eylant ververscht, ende op 10 November omtrent den Suyt +hoeck van _Cikoko_, naer vyff maenden ende twintigh dagen, weder by den +anderen gecomen syn, ende gesaementlyck den 18 November, behouden in +_Tayouan_ gearriveert. + +Geen negotie van importantie, hebben d’onse in ’t lant van _Eso_ connen +sien, hoewel d’inwoonders civile ende goetaerdige menschen syn. Alleen +wert by de Japanders van _Nabo_ eenige zyde ende cattoene rocken, ryst +ende verdere cleynigheden, in de provintie van _Matsmay_ gebracht (die +alleen op dat lant, van de Japanders beseten wert), ende van daer met +weynigh handelsbercken, langs de cust gevoert, ende tegen pelteryen en +traen verhandelt. Gelyck d’onse soodanige berck, in de bay _de Goede +Hoop_ bejegent syn; waeruyt van haeren handel ende des lants +gelegentheyt, vry wat cuntschap bequaemen, als in de rapporten te lesen +is. Evenwel is van d’onse daer niet anders becomen, als eenige stucxkens +silver, monsters van gout, minerale aerde ende 4 stucken bontwerck (de +sabel- ende martersvellen niet ongelyck) die voor een byl, een cangangh, +weynigh glaesen coraelen ende andere snuysteringh (in alles geen ses +gulden waerdigh) hebben geruylt; welcke nu met den _Salmander_ tot een +monster versenden. Silver ende gout wert, naer ’t seggen van de +Japanders, mede uyt dat lant naer _Japan_ getrocken, doch in geen groote +quantiteyt. Oversulcx te beduchten daer niet proffytelyck voor de Comp. +te verrichten sal syn, ten waere daer minen van importance wierden +ontdeckt, daer de inwoonders veel bewys van schynen te geven, ende meest +alle met silver geciert syn; waervan de seeckerheyt door naeder +ondersoeck te vernemen is. Van ’t Noorder _America_ ofte _Comp._ lant, +can mede niet seeckers tot Comp. proffyt aengewesen werden, hoewel daer +goede teyckenen van mineraelen synde gesien, dat mede al naeder +ondersocht dient; insgelycx wat in _Tartarien_ mach te haelen wesen. + +Ende alsoo ons by de rapporten ende discoursen van de Vries, groote +apparentien tot ontdeckingh van noch veel andere landen, ende dat +onbekende Noorder gewest aengewesen werden, neffens hoope die door ’t +vinden van rycke mineraelen, ende consequente traffyquen, voor de Comp. +nuttelyck cunnen syn, blyven alweder voornemens de begonnen ontdeckinge +van _Eso_, _Tartarien_, _America_ ende daeromtrent geleden rycken, in +April aenstaende, met twee jachten ende een quel, onder bestier van +gemelten de Vries ende Stierman Coen, ernstigh te vervolgen; met vaste +hoope, sulcx voor de Generale Comp. dienstich, ende t’ syner tyt +proffytelyck wesen sal, waervan ’t aenstaende jaer, UEd. goet succes +verhoopen te cundigen. + +In ’t Casteel _Batavia_, + +desen 4 January A^{o}. 1644. + +Aan dezelfden. + + +N^{o}. 7. + +Den Schipper Hendrik Cornelisz. Schaep, nevens d’aengehouden +Nederlanders van ’t jacht _Breskens_, daervan in onse vorige brieven +mentioneren, ende veele vry swaerhoofdich over waeren, syn op de +verschyning van den President (van Elserack) ten hove gelargeert ende +vrygegeven; nae dat menichmael op veelvuldige gelegentheden waeren +ondervraecht geworden, daer alle distinctelyck tot contentement op +geantwoort hebben. Gelyck dan den President, met deselve replyque, ter +audientie van den Keyser selver, doch bedeckt gecomporteert wierde, ’t +welck alles soo quadreerde, dat men oordeelde, de Nederlanderen een +oprechte en ongeveynsde natie te syn. Waeruyt den Keyser bewogen is +geworden, ons meer faveur als voor desen, te laeten genieten, ende +soodaenigen toegang vergunt, als by passe van syn schoonvader +ingewillicht sy; namentlyck by noot alle havens van _Japan_ te mogen +aendoen, daervan acte verleent heeft, als by ’t Japansch dachregister te +lesen, ende ons in _Japan_ toegesonden is. + +Tot naedere ontdeckinge van _Tartarien_, ende ’t Noorder _America_, +mitsgaeders d’opgeseylde Suyderlanden in ’t Oosten als _Salomons_ +eylant, daervan UEd. voor desen caerten, onse bevindinge ende opinie +gecommuniceert hebben, inclineren wy seer, maer pregnanter affairen ende +manquement van bequaeme jachten, hebben ons tot dato wederhouden; ’t sal +echter nodich wesen die vaert behertigen ende de reeds ontdeckte landen, +beter ondersocht worden, alsoo vertrouwen immers eenige gout ende +silverryck te syn. Soo begrypen oock meer ende meer, de ontdeckingh van +eenige rycke minen voor de Comp. gansch nodich te syn, die oock +vertrouwen noch opgedaen sullen worden, byaldien buyten prejuditie ende +behoudens Comp. respect, met den Portugees hier te lande tot accoort +ende vrede geraecken. Inclineren seer een voyagie naer _Chily_ +t’ondernemen, omme t’onderstaen off quantité gout, voor aldaer getrocken +coopmanschappen omte setten syn, ende met eenen mede in de _West-India_ +à l’improviste een treffelycken buyt te haelen, ’t welck men meent door +Godes hulpe niet ontslaen soude. Ende dewyle UEd. opinieeren, die van de +_West-Indische_ Comp. haer octroy, omtrent _Chily_ extenderende, te +sullen mainteneren, sal by ons, ten waere UEd. ’t selve geliefde +t’ordonneren, niet getracht worden aldaer te rusten, ’t welck buyten dat +van desen cant gevouchelyck soude geeffectueert, ende oock behouden +connen werden. Wy hebben wel verstaen ’t geene onder d’Heer Generael +Brouwer saligers beleyt daer verricht is. + +In ’t Casteel _Batavia_, + +desen 23 Dec. A^{o}. 1644. + +Aan dezelfden. + + +N^{o}. 8. + + +Extract uyt _Batavia’s_ Daghregister, d^{o}. 14 December, 1643. + +Met ’t schip _de Swaen_, comt hier oock den Schipper-Commandeur Marten +Gerritsz. de Vries, 3 February voorleden jaer, met de fluyt _Castricum_ +ende ’t jacht _Breskens_, gelyck voor is geseyt, tot ontdeckinge van +_Tartaria_ ende d’eylanden achter _Japan_ gelegen, uytgeseth; +rapporterende van gemelte voyagie hetgeen volcht. Naer dat haer in +_Tarnaten_ ververscht, ende van eenige nootlyckheden versien hadden, +gelyck boven geseyt, waeren 4 April, synde Paeschavont, haere reyse te +vervorderen, weder onder seyl gegaen, nemende haren cours meest +Noortwest; den 23 d^{o}. passeren de _Cabo Spiritus Santo_, omtrent 60 +mylen beoosten, ende 3 Mey het eylant _Malabriga_ in ’t gesicht, +liggende op de Noorder breete van 24 gr. 30 min., ende 151 gr. 26 min. +lengte. Elff daegen daernae, omtrent 3 glaesen nae sonnen-onderganck, +bejegende (haer), op de hoogte van 33 gr. 20 min., ende 151 gr. 45 min. +lengte, omtrent 36 à 37 mylen N.N.W. van den S.O. hoeck van _Japan_, +genaemt _Bosho_, een eylant, by hen het _Ongeluckige_ genoemt; daer, +vermits het subytelyck gants stil wiert, ende de see hart naer de wal +aenschoot, genootsaeckt wierden, haer ancker toe te laeten gaen, op 30 +vadem, coraelgront; voornemende des daechts daeraen, hetselve met de +boot (te) gaen besichtigen, off daer eenige ververschingen op te becomen +waeren; maer ontstacq subytelyck soo vehemente storm uyt den S. ende +S.W.t.W., maeckende een botten laeger wal, dat _Castricum_ ’s dagelycx +tou brack ende het tuyancker doorginck. Soodat in een oogenblick tyts, +dicht aen de wal, midden ondertusschen de hooge ende steyle clippen +geraeckten, alwaer het plechtancker lieten vallen, het welck ten allen +geluck houdende, in duysent vreese, hebbende van tyt tot tyt de doot +voor oogen, den dach met verlangen inwachtte. Doen den dageraet +doorbreeckende, saegen niet sonder ysen het groulyck gevaer, in ’t welcq +den gantschen nacht geweest waeren. Ondertusschen bracq het tuytou mede +aen stucken, soo dat op ’t plechtancker alleen most opdrayen, welcx tou +door ’t geduerich slingeren ende stampen, oock meest halff doorgevylt +was, soo dat geen beter raet vonden, als hetselve, synde doch met winden +niet t’ huys te crygen, de byl in de neck te leggen, de seylen daerby te +rucken, ende over d’een off d ’ander boech, uyt de clippen sien te +geraecken, daer Godt Almachtich syn segen toe verleende. Soo dat met +verlies van voorsz. anckers, weder van de wal ende rudsen geraeckten, +maeckende geen ander gissingh, off ’t jacht _Breskens_, dat nergens +vernomen, was met man ende muys verongeluckt; maer hadde door Godes +hulpe see gehouden, wetende oock niet beter, off _Castricum_ was in de +clippen, aen duysent stuckken geraeckt. Soo dat van daer voorts elck +bysonder, haer geordonneerde voyagie vervorderende, _Castricum_ 22 der +geseyde maent, op de breete van 35 gr. 30 min., ende de lengte van 160 +gr. achter op de Oost cust van _Japan_ vervielen; meenende in ’t West +een eylant voor de boech te hebben, alsoo _Japan_ in de caerten soo +verre om de Noort niet en streckt. Langs dese cust seylende, cregen +verscheyden visschersbarcken, met ververschingh van alderhande goede +visch, aen boort, die tegens ryst incochten. _Japan_ tot op de 40 +graden, aen de uyterste N.O. hoeck aen boort gehouden hebbende, quaemen +op 7 Juny, op 42 gr. aen ’t lant van _Jeso_, ofte gelyck de inwoonderen +het noemen _Eso_, synde een hoogh lant, het geberchte meest met sneeuw +bedeckt; langs welcq S.O. cust, omtrent 60 mylen, meest altyt door +dicken nevel geseylt, ende ettelycke maelen ten ancker gecomen waeren. +Vindende hetselve sober bewoont, met arm doch redelyck volck, schynende +nae de Japanders, ’t voornaemste ’t welck daervan verstonden, te +vallen was, traen ende pelteryen, die de Japanders tegens andere +coopmanschappen, de ingesetenen comen affhandelen, doch noch in geen +groote quantiteyt. Eenige der inwoonders hadden haer sabels, halsen ende +ooren met silver geciert, maer hadden ’t selve in sulcke estime, dat +niet te gelooven is, dat minerael daer gedolven wiert, off het most +wesen in gantsch geringe quantiteit. De voorsz. cust van _Eso_ op 44½ +gr. ten eynde synde, hebben weynich daeraff een lang smal eylant +bejegent, streckende meest N.O. ende S.W., dat het _Staten_ lant +geintituleert hebben, synde meest dorre blinckende bergen, ongeveer 30 +mylen lanck, doch op eenige plaetsen gantsch niet breet. Daernae quaemen +op de hoochte van 45, 46 ende 47 gr., aen een ander hooch ende breet +groot lant, onbewoont van menschen, waervan op haere wyse, met eenige +teyckenen daertoe dienende, solemnele possessie naemen, ende +baptiserende met de naeme van ’t _Compagnies_ lant. Aen ’t blincken der +geberchten, maeckten gissingh daer eenige rycke mineralen in moeten +schuylen, waervan oock eenige clompen tot monsters medebrachten; maer en +is daer niets uyt gevonden. Tusschen dit ende ’t _Staten_ eylant, naemen +voorts haeren cours Noortwaerts, waermede in ’t laetste van Juny in een +groote, woeste, ongestuymige see gecomen syn, tot op 48 gr., meest +doorgaens met dicke duystere mist; doch geraeckten, vermits de +N.Westelycke winden, op de N.O. cust van ’t lant _Eso_ voornoemt op 45 +gr., van waer deselve dan voorts 4 gr. N.waerts ontdeckende, al meest +van een slach van volcq bewoont vonden. Saegen op dese cust een +wonderlyck hoogen spitsen berch, die affirmeerden silverryck te wesen, +maer saegen daer by de ingesetenen geen abondantie van; hebbende niet +meer als een oir- ende twee armringen cunnen ruylen. + +In ’t laetste van Julio, aen de uytterste hoeck van gemelt lant, tot op +49 gr. geraeckt synde, ende vermits de styve tegenwinden ende donckere +coude mist, geen cans siende meer Noort te gewinnen, wierden den 3 +Augusto gedwongen te resolveren, de geordonneerde reyse naer _Tartarien_ +te staecken, ende door die enghte, die gecomen waeren, weder te rugge te +keeren, gelyck geschiede. In de bay van _Goede Hoope_ (by hen soo +genaemt) aen de S.O. cust van _Eso_, tamelyck ververscht ende van water +ende branthout versien synde, gingen weder 5 September, van daer weder +seyl, tot ontdecken van de gepresumeerde Gout ende Silverrycke eylanden +byoosten _Japan_, nemende eerst hunnen cours, volgens ordre, weder naer +gemelte lantschap, ende van daer recht voort O. aen 450 mylen, tot op +37½ gr. breete, met veel veranderlycke winden ende felle stroomen, +sonder in die streeck over ende weder cruyssende, van den 10 der geseyde +maent tot 1 October, eenich lant te vernemen, hoewel meest claer weder +hadden, ende veel teyckenen van drift ende gevogelte saegen; soo dat +voorseecker houden de gemeende Gout ende Silverycke eylanden, +daeromtrent niet te vinden syn. + +Die van ’t jacht _Breskens_, hadden mede hun devoir redelycker wyse +gedaen, uytgesondert dat in ’t wederkeeren, op de Oostcust van _Japan_, +gelyck primo deser verhaelt, voor de stadt _Nambo_ in ’t lantschap +_Ockia_ ofte _Masanumono_, ten ancker geloopen synde, den Schipper +Hendrick Schaep, nevens den Ondercoopman Willem Bylevelt, ende noch +acht personen, onvoorsichtich ende contrarie expresse ordre, met de +boot aen lant gevaeren, door d’overheden aldaer aengehouden, ende naer +’t hoff _Jedo_ gevoert waeren. Sullende ’t jacht buyten twyfel mede +gearresteert syn, byaldien den Opperstierman, met de verdere Overheyt +aen boort gebleven, daervoor beducht synde, stilswygende geen seyl +gemaeckt hadden ende doorgegaen waeren. Doende voorts haer best, om de +geordonneerde reyse te volbrengen, gelyck dan oock _Eso_, het _Staten_ +lant, _Companies_ lant, ende meest alle gelycke bevindinge bejegent +hadden; maer insgelycx vermits verloopen des tyts, ende styve contrarie +winden _Tartaria_ niet connen crygen, nochte oock de gepresumeerde +eylanden achter _Japan_ ontdeckt, nietjegenstaende de goede devoyren +daertoe aengewent. Ende eyndelyck syn dese twee schepen, nae dat vyff +maenden ende twintich dagen van den anderen waeren geweest, ende beyde +op de wederom reyse aen ’t _Ongeluckige_ eylant, alwaer eerst van den +anderen waeren geraeckt, redelyck ververscht hadden, 9 November omtrent +de S. hoeck van _Cikoko_, op 31 gr. 35 min. miraculeus weder +byeengecomen. Met een groote vreuchde, d’een d’ander haer wedervaeren +vertellende, ende soo voorts acht dagen daernae behouden in _Tayouan_, +daer den Almogende voor gedanckt sy. + +Gelyck uyt het geene verhaelt verstaen can worden, soo en hebben dese +schepen, vermits harde tegenwinden ende dat met de bejegeninge van +d^{o}. het _Staten_ ende _Comp._ lant, de tyt verloren was, de +geordonneerde voyagie naer _Tartarien_ ende de stadt _Jangio_ niet +connen performeren; nochte oock van de Gout ende Silverrycke eylanden, +die men seyt achter _Japan_ te leggen, ende A^{o}. 1639 by den +Commandeur Quast, insgelycx met twee schepen, te vergeefs gesocht syn, +ietwes conde vernemen. Op _Eso_ gelyck geseyt, viel niet als pelteryen +ende traen, die d’inwoonders van _Nabo_ daer quaemen negotieren, welck +oock in de provintie van _Matsmay_, besit schenen te hebben, doch buyten +deselve niet. Ende dus vele sy gesegt van de voyagie naer _Tartarien_, +refererende den curieusen leser, wegen verdere particulariteyten van +winden, stroomen, gronden, custen etc. tot de Journaelen, by de +respective overheden gehouden, mitsgaeders de prenten daervan gemaeckt. + + Naer gedaene collatie, is dese met syn principael bevonden + t’accorderen. + +In ’t Casteel Batavia, + +desen 2 Mey A^{o}. 1644. + +by my Pieter Mestdagh. + +(Buiten op staat) + + Extract uyt _Batavia’s_ Dachregister, raeckende den gedaenen tocht + om de Noort ende Oost van _Japan_. + + +N^{o}. 9. + + +MAERTEN GERRITSZ. VRIES[37]. + + [37] Volgens eigenhandig geschreven brieven onderteekende hij zich + Marten Gerritsz. Fries. + +»Maerten Gerritsz. Vries van _Harlingen_, hier te lande gecomen A^{o}. +1622, den 22 July, met het schip ’t _Wapen van Hoorn_ voor matroos, +tegenwoordich Schipper à 75 guldens ter maent; wiens jongst verbant 9 +September 1640 verstreecken synde, genegen is hem op nieuw weder te +verplichten, werd ten dien aensien, als ten respecte van de diensten, +welcke denselven buyten ’t ampt van Schipper, soo in ’t landmeten, +afbeelden van landen en andere voorvallende occagien daer kennisse van +heeft, aen de Comp. sy doende, by desen toegevoecht, een belooning van +Hondert guldens ter maent, onder verbant van drie jaren, beyde gagie en +verbintenisse primo December passato ingaende.”[A13] + +Wanneer wij dit lezen, dan zal het wel geene verwondering baren, +dat het ons hoogst aangenaam is, de onzekerheid te kunnen wegnemen, +die er bij den Hoogleeraar Moll heeft bestaan, als Z.H.G. in zijne +Verhandeling[A14] van de Vries zegt: »La Perouse brengt in verschillende +plaatsen van zijn werk regtmatige hulde toe, aan de juistheid der +waarnemingen van de Vries. Welligt wordt hem hierdoor eene vermaardheid +gegeven, die hem niet geheel toekomt. Hij was wel Gezaghebber op dezen +togt, doch _geen Schipper_, en _misschien geen zeeman_; het is dus +mogelijk, dat de nakomelingschap ondankbaar is jegens de nagedachtenis +van den Schipper der _Castricum_, Pieter Willemsz. Knechtjes, aan wien +het zeer mogelijk is, dat men alle die waarnemingen, welke zoo zeer +geprezen worden, verschuldigd is.” + +Uit de op de voorgaande bladzijden voorkomende stukken, van den +Gouverneur-Generaal van Diemen en den Raad van _Indië_, blijkt het onzes +inziens ten duidelijkste, dat de Vries wel degelyk _Schipper_ en ook +_zeeman_ was, en allezins bevoegd om aan het hoofd te staan van een +ontdekkingstogt, en dat hij in alle opzigten heeft beantwoord, aan het +vertrouwen, dat men in hem had gesteld, zelfs zoo, dat men het voornemen +had, hem weder voor denzelfden togt te gebruiken, in welke eer ook zijn +hoogst verdienstelijke Opperstuurman Cornelis Jansz. Coen zoude +deelen[A15]. + +Dat men de verdiensten van de Vries reeds vroeger op prijs stelde, +vinden wij vermeld in een schrijven van den Gouverneur-Generaal en de +Raden van _Indië_, aan den Gouverneur van _Tayouan_ op _Formosa_[A16], +waarbij zij schrijven »Den Schipper Maerten Gerritsz. Vries, hebben met +dese schepen gelargeert, alsoo verstaen op _Tayouan_ dienstich is en +UEd. sulcx versoeckt.” Dat hij aldaar met ijver en vrucht werkzaam was, +schrijft de Gouverneur Traudenius[A17]: »Insgelycx gaet hiernevens, in +handen van den Oppercoopman Sr. Jan Dircxz. Galen, een primuere caerte +van ’t gantsche eylant _Formosa_, soo ’t selve van tyt by experientie is +ondersocht, ende principalyck nu jongst met onse joncquen bevonden, op +welcke caerte men seeckerlyck mach gaen, ende sal tot een groot licht, +soo voor deselve die hier van daen naer _Japan_, als insonderheyt die +van daer in ’t Noorder mouson herwaerts tenderende syn, connen dienen. +Schipper Maerten Gerritsz. Vries hebben dese caerte doen byeenstellen, +waerin seer naerstich heeft gequeten; gelyck oock is doende in ’t uyt +ende inbrengen der schepen, item de fortificatien concernerende, als +andere diensten meer.” Wij vermeenen, dat het voor deze diensten is, dat +Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, in hunnen generalen brief van +1642 aan de Bewinthebberen verzochten: »om aen de huysvrouw van den +Commandeur de Vries te betalen ƒ600 voor extra goede bewesen +diensten.” + +In de Instructie door genoemden Gouverneur gegeven aan den Veldoverste +Johannes Lamotius[A18], »vertreckende om des vyants vestingen op het +Noorteynde van _Formosa_ gelegen te bemachtigen,” komt hij voor onder de +personen die den Raad zullen uitmaken, als Schipper en Ingenieur. + +Dat hij zijne gedachten over de wijze, langs welken weg het Zuidland te +ontdekken ware, heeft laten gaan, zien wij, dat onder de »Pampieren den +Schipper Commandeur Abel Jansz. Tasman, gedestineert tot ontdeckingh van +’t Suytlant, ter hant gestelt,” die onder N^{o}. 2 aldaar voorkomen, van +zijne hand zijn[A19]. + +Dat door hem verschillende stukken over eene te doene reize om de +Noord waren zamengesteld, zagen wij reeds uit zijne hem medegegeven +Instructie[A20]. Mogen wij derhalve uit al hetgene wij hebben +aangevoerd, om te bewijzen, dat de Vries bij zijne tijdgenooten +reeds voor een kundig zeeman gehouden werd, niet met eenigen grond +veronderstellen, dat hij te regt verdiende, aan het hoofd van een +ontdekkingstogt te staan, en dat den lof, hem door La Perouse voor zijne +naauwkeurige waarnemingen toegevoegd, wel verdiend is. + +Aan de Vries, benevens zijne officieren, werd bij zijne terugkomst, eene +belooning toegekend van twee maanden gagie in contant, terwijl aan zijn +volk eene maand werd verstrekt[A21]. + +Maar eene bijzondere onderscheiding viel aan de Vries te beurt, toen hij +bij resolutie van 6 Februarij van het volgend jaar tot Examinator der +scheepsjournalen van de Schippers en Stuurlieden werd aangesteld. »Alsoo +wy eenigen tyt herwaerts, met groot misnoegen ende tot geen mindere +schade als ondienst van de Comp., aengemerckt hebben de sorgloosheden, +versuymen ende abuysen, welcke by de Schippers ende Stierlieden, op des +Comp. costelycke schepen, hier te lande gepleecht werden; gelyck daervan +met het schandelyck verseylen der _Hollandia_ ende _Otter_, als bysonder +noch onlangs met de voyagie door de fluyt _Schagen_, van _Siam_ naer +_Malacca_ gedestineert ende herwaerts gecomen, gelyck mede van het schip +_Nieuw Delft_, noch versche ende droevige exempelen hebben; soo is, om +sulcx soo veel mogelyck voor te comen, goetgevonden te gelasten ende te +committeren den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst van +de gedaene ontdeckingh uyt ’t Noorden gekeert, om alle de aencomende +scheepsjournaelen van de Schippers ende Stierlieden t’haerer aencompste +te vorderen, die examineren ende ons de bevindingh te rapporteren, om de +schuldigen off versuymigen naer merite, door den Achtbaren Raet van +Justitie alhier, te doen corrigeren. Welcken Raet hy de Vries, in +diergelycke saecken, oock met goede berichtinge ende advys sal connen +dienen, waervan hem dientengevolge behoorlycke acte sullen doen +passeren, opdat alsoo naegecomen werde.” + +Deze betrekking bekleedde hij tot de maand October van hetzelfde jaar, +toen het bevel over de schepen _Sutphen_, _Schiedam_ en een jacht aan +hem werd opgedragen, ten einde bij _Manilha_ de Spanjaarden alle +mogelijke afbreuk te doen. In de resolutie, waarbij hij tot Bevelhebber +over deze schepen was aangesteld, bezigden Gouverneur-Generaal en Raden +van _Indië_ deze voor hem vereerende woorden: »Gebruyckende tot desen +tocht als Hooft, den Schipper-Commandeur Maerten Gerritsz. Vries, jongst +over _Molucco_ tot ontdecken der Noorder landen geemployeert, van waer +ons wegen synen gedaenen yver en naersticheyt goet contentement heeft +gegeven.”[A22] + +De Vries, die tot dus verre slechts den rang had bekleed van +Schipper-Commandeur, werd bij resolutie van 5 Maart 1646 benoemd tot +Commandeur; terwijl hem tevens reeds eene maand te voren andermaal het +bevel over zeven schepen, op eene expeditie tegen de Spanjaarden in +_Manilha_ was opgedragen[A23]. + +Naauwelijks van deze togt terug, of er werd besloten, om eene +hoogstaanzienlijke magt wederom derwaarts te zenden. Deze bestond uit +negen schepen en jachten. Ook nu werd het beleid van dien togt aan de +Vries toevertrouwd. »Tot noch in bedencken gebleven synde, wien het +commando over de geordonneerde vloote van offencie, by onsen Raede van +24 December 1646, naer de custe van _Manilha_, tot afbreuck van den +vyant gedestineert, sullen bevelen, ende hoewel het wel meriteerde een +persoon van eene aensienelycke qualiteyt ende ontsach uyt onsen Raede, +is echter, dat niet willende contrarieren, d’ordre van onse Heeren +Meesters, te meer den Raet tegenwoordich syn compleet getal van Raeden +noch niet en heeft, daerin niet en durven treden. Soo is nae rype +deliberatie ende overlegh van personen, die haer (hier) present by der +hant hebben, geresolveert, voorschreven Commando weder te defereren, aen +den Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, dewelcke wegens de situatie +van de _Manilhasche_ custe, door lange ervaerentheyt, grondige kennisse +becomen, ende ons tot noch toe, wegens de voorleden jarige expeditie +ende andere gedaene togten altyt goet contentement gedaen heeft.”[A24] + +Deze togt werd echter met geen gunstig gevolg bekroond. De aanslag op +_Manilha_ mislukte. Wel werd er een klooster ingenomen, maar daarentegen +gingen er vier schepen verloren. De vloot verloor ruim 600 man aan +zieken, waaronder ook de Bevelhebber Maerten Gerritsz. de Vries, zoodat +men genoodzaakt was terug te trekken. + +Men was te _Batavia_ over den ongelukkigen afloop dezer expeditie zeer +ontevreden, die men toeschreef aan de onachtzaamheid van den Commandeur. +Men nam echter genoegen met het verdeelen van den buit, door genoemden +Commandeur in het klooster _St. Domingo_ bekomen. »Van gelycken, dat by +den over dese vloote gewesen Commandeur Maerten Gerritsz. de Vries, voor +syn overlyden, in ’t manhaftig bestormen ende veroveren van ’t +Castiliaensch clooster _St. Domingo_, in ’t selve becomen syn, veertien +duysent realen van achten, ende daervan de Comp. geattribueert 5000, +onder ’t volck verdeelt 6600, ende hem selven toegeeygent hadde 2400 +gelycke realen. By welgemelte Haer Ed. om verscheyden consideratien, +oock dat den buyt, als meermaelen verhaelt, by landtochten +principalycken vercregen, geheel vrygegeven sy, geapprobeert ende voor +welgedaen genomen wordt.”[A25] + + * * * * * + +Aldus eindigde de Vries zijn werkzaam leven. Als matroos in _Indië_ +gekomen, klom hij van rang tot rang tot dien van Bevelhebber. Vele en +belangrijke diensten heeft hij in zijne verschillende betrekkingen der +Comp. bewezen; maar door zijne ontdekkingen in het Noord-Oosterdeel van +_Azia_, waardoor de kennis der Aardrijkskunde van dat gedeelte des +Aardbols grootelijks vermeerderd werd, heeft hij zich als een der +uitstekendste zeelieden van zijnen tijd doen kennen, en daardoor zijnen +naam voor de vergetelheid bewaard. + + +N^{o}. 10. + + +CORNELIS JANSZ. COEN. + +»Cornelis Jansz. Coen van _Hoorn_, in ’t lant gecomen, den 18 Maert +A^{o}. 1639, met ’t schip _Breda_, voor Opperstierman à 56 guldens ter +maent; wordt op syn versoeck ende bequaemheyt, mits ruyme tyts +expiratie, voor twee jaeren in gemelte qualité gecontinueert, onder eene +belooning van 66 guldens ter maent; daermede alle desselfs pretentien op +de Comp. comen te cesseren; verbant ende gagie primo December passato +ingaende.”[A26] + +Ziedaar alles wat wij tot dus verre weten van hem, aan wien wij het te +danken hebben, dat de reis van de _Castricum_ is opgeteekend geworden. +Wij sullen in hem den getrouwen opmerker wel niet miskennen, en er +bijvoegen, dat de goede resultaten, die de reis van de Vries heeft +opgeleverd, ook wel mogen toegeschreven worden aan hem, wiens journaal +de onderscheiding te beurt viel, met dat van de Vries, naar het +vaderland werd opgezonden te worden.[A27] + +Zoo het ons geoorloofd zij gissingen te maken, dan zoude het ons niet +vreemd voorkomen te veronderstellen, dat onze Coen vermaagschapt was aan +den Gouverneur-Generaal Jan Pietersz. Coen, die mede te _Hoorn_ geboren +was, en den 20 September 1629 te _Batavia_ overleed. + + + + +AANTEEKENINGEN. + + +[A1] Deze reis was echter geenszins onvruchtbaar, voor de kennis der +Aardrijkskunde. Onder anderen werden eenige eilanden ontdekt, die door +den Heer von Siebold voor dezelfde erkend zijn, die later door de +Engelschen de _Bonin_ eilanden werden genoemd. Deze eilanden liggen op +26 gr. 38 min. en 27 gr. 4 min. N.Br., en 142 gr. 28 min. en 142 gr. 20 +min. O.L. van _Greenwich_. Zie zijne _Geschichte der Entdeckungen im +See-gebiete von Japan, nebst Erklärung des Atlas von Land- und +See-karten vom Japanischen Reiche und dessen Neben- und Schutz-Ländern_. +_Leyden_, 1852. bl. 7. + +[A2] Verklaring der cijfers en letters in dezen brief +voorkomende: + + T. a. r. t. a. r. i. e. n. Goud en Zilver E. y. l. a. n. d. e. n. + Oo. s. t. e. n. J. a. p. a. n. J. a. p. a. n. + n. o. o. r. t. T. a. r. t. a. r. i. e. n. + +[A3] Deel II, bl. 52. + +[A4] Considérations sur les nouvelles découvertes au Nord de la grande +mer du Sud. Paris. 1753. pag. 90. + +[A5] Journael van de reyse gedaen beoosten straet _Le Maire_ naer de +custen van _Chily_, door den Admirael Hendrick Brouwer, in 1643. +_Amsterdam._ 1646. + +[A6] Voyage de La Perouse autour du Monde. _Paris._ 1785-1787. Tom. III, +pag. 117-157. + +[A7] Verhandeling over eenige vroegere zeetogten der Nederlanders. +_Amsterdam._ 1825. bl. 202-214. + +[A8] 1848-1849. Tom. III. pag. 400. + +[A9] Idem, pag. 401. + +[A10] Von Siebold, bl. 12. + +[A11] Zie Bijlage N^{o}. 10, bl. 259. + +[A12] La Perouse, Tom. III. pag. 153. + +[A13] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 31 +December 1642. + +[A14] t. a. pl. bl. 205. + +[A15] Zie Bijlage N^{o}. 6, bl. 247. + +[A16] Missive Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, aan den +Gouverneur Paulus Traudenius op _Formosa_, van 13 Junij 1640. + +[A17] Idem, van laatstgenoemde, aan den Gouvern.Generaal enz., van 10 +Januarij 1641. + +[A18] Den 7 September 1642. + +[A19] Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen enz., 1854, +N^{o}. 2, bl. 96. + +[A20] Hier voren, bl. 32 en 33. + +[A21] Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden van _Indië_, van 21 +December 1643. + +[A22] Idem, van 17 October 1644. + +[A23] Idem, van 17 Februarij 1646. + +[A24] Idem, van 21 Januarij 1647. + +[A25] Idem, van 20 idem 1648. + +[A26] Idem, van 23 idem 1643. + +[A27] Zie Bijlage N^{o}. 6. bl. 243. + + + + + AARDRIJKS- EN VOLKENKUNDIGE TOELICHTINGEN + TOT DE ONTDEKKINGEN VAN + MAERTEN GERRITSZ. VRIES, + MET HET FLUITSCHIP _CASTRICUM_ A^{o}. 1643, + IN ’T OOSTEN EN ’T NOORDEN VAN ~JAPAN~, DIENENDE + TOT ZEEMANSGIDS LANGS DE OOSTKUST VAN ~JAPAN~ + NAAR DE EILANDEN ~JEZO~, ~KRAFTO~ EN DE + ~KURILEN~. + + DOOR + + Jhr. Ph. F. von SIEBOLD. + + + + +Door het Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en +Volkenkunde van Nederlandsch-Indië werd aan mij de even vereerende als +aangename taak opgedragen, het »_Journael_”, gehouden op de +ontdekkingsreize van ~Maerten Gerritsz. Vries~, in het Oosten en het +Noorden van Japan, dat door de wetenschappelijke pogingen van Leden van +het Instituut opgespoord en door hunne letterkundige medewerking door +den druk bekend gemaakt is, met ter zake dienstige aardrijks- en +volkenkundige aanmerkingen toe te lichten. Is het mij reeds gelukt, de +onduidelijke voetstappen van onzen vermaarden Nederlandschen zeevaarder +in het ver uitgebreide gebied van den Grooten Oceaan op te sporen en in +mijne »_Geschiedenis der ontdekkingen in het zeegebied van Japan_” aan +te wijzen, thans, waar zijn »_Journael_” voor mij open ligt, hoop ik die +met meer zekerheid te kunnen vervolgen, en, na verloop van twee volle +eeuwen, zijne ontdekkingen te bevestigen en in de geschiedenis van den +ouden Nederlandschen zeeroem te boeken. + +In de Inleiding en uit de Instructie, die het Journael vooruitgaan, is +deze zeetogt, een van de meest belangrijke in de 17^{de} eeuw, +genoegzaam geschiedkundig toegelicht; mijne aanteekeningen zullen zich +dus bepalen tot eene naauwkeurige aanwijzing van den koers door ~Vries~ +van het eiland _Breskens_ af aan, in de Japansche wateren, langs de +Oostkust van _Nippon_ en naar en langs het door hem ontdekte land van +_Jezo_ genomen; tot eene vergelijkende beoordeeling en bevestiging der +waarnemingen en ontdekkingen van dezen zeevaarder, beschouwd uit het +oogpunt der hedendaagsche kennis van dat zeegebied, en tot een overzigt +der uitkomsten, die deze zeetogt voor de hydrographie, voor de +natuurkunde der zee en voor de volkenkunde opgeleverd heeft. + +Om echter aan dat aanhangsel bij het Journael eene meer algemeen nuttige +en aanwendbare strekking te geven, althans, daar ook in het Noorden van +het Rijk _Nippon_, te _Hakotade_, eene haven voor de zeevaart geopend +is, aan eene dringende behoefte voor de scheepvaart te voorzien, zoo heb +ik mijne toelichtingen zoodanig gewijzigd, dat zij ook tot eenen +~Zeemansgids~ voor de vaart langs de Oostkust van _Japan_, en naar +_Jezo_, _Krafto_ en de _Kurilen_ dienen kunnen. + +Aan den staatkundigen invloed van Nederland in Japan heeft men veelal +eene meer algemeene vrijheid van scheepvaart naar dat land op den weg +des vredes te danken; zoo moge dan ook door de waarnemingen en +ontdekkingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders de grondslag tot +eenen wegwijzer langs zijne nog weinig bekende kusten gelegd worden. + +VON SIEBOLD. + + + + +I. DE ONTDEKKING VAN HET EILAND BRESKENS EN VAN DE QUAST’S EILANDEN. + + +De Commandeur ~Vries~ had den 29 April, op 16° 50′ N.Br. en 149° 38½′ O. +v. Teneriffe (128° 18′ 6″ O. v. Gr.) den raad van ’t fluitschip +_Castricum_ en van ’t jagt _Breskens_ beroepen, en besloten den koers +N.O. te vervolgen, zoo weder en wind het zouden toelaten, tot op de +breedte van 24° N. en op de lengte van de Oostkust van Japan (toenmaals +volgens de waarnemingen van ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~, op den 24 +Aug. 1630, op 31° 40′ O. van _Pulo Timoan_ (135° 55′ O. v. Gr.) +bepaald). Den 7 Mei bevond men zich op 24° 4′ N.Br. en 150° 56′ 30″ O. +v. Ten. Kleine klipmeeuwen, schuim, drijvend zeekroos en een stuk hout +lieten zich als teeken van land herkennen, hetwelk men echter niet zien +kon. Den volgenden morgen (8 Mei), na zonsopgang, zag men in ’t W.t.N. ⅓ +N. binnen een’ afstand van 4 Duitsche mijlen, een klein, omtrent 1½ mijl +lang, niet hoog eiland. Dit eilandje lag, volgens de op den middag +gedane waarneming, op 24° 43′ N.Br. en 151° 31½′ O. v. Ten. (130° 11′ 6″ +v. Gr.). Daar zich op de Compagnie’s-kaarten[38] op deze breedte, +behalve het eiland _Malabrigo_, geen ander bevond, en dat eiland, +volgens gissing, 21 mijlen in ’t W. lag, zoo hield men het geziene voor +onbekend, en omdat het van het jagt _Breskens_ het eerst gezien was, gaf +men het den naam van _Breskens_-eiland. + + [38] _Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot + ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland_, verg. p. 33. + +Op de zeekaarten van den toenmaligen tijd bevinden zich tusschen 25° en +27° N.Br. en binnen een’ lengteafstand van omtrent 70 Duitsche mijlen, +slechts ~drie eilanden~, waarvan het zuidelijkste en westelijkste den +naam van _Amsterdam_, het noordelijkste en oostelijkste (eigentlijk eene +groep van vijf kleine eilanden) dien van _Ihlas dos Hermanos_, en het +derde, op 26° N.Br. 17 mijlen in ’t Z.W. van _Ihlas dos Hermanos_, dien +van _Malabrigo_ draagt. + +De beide laatstgenoemde eilanden, welke zich reeds op de in 1570 in ’t +licht verschenen kaart van ~Abraham Ortelius’~ »_Theatrum orbis +terrarum_”, bevinden, en waarvan _Malabrigo_ in 1543 door ~Bernardo de +Torres~ is gezien geworden, zijn onbetwistbaar het _Hooge Meeuwen_ +eiland, het _Engels_ en _Grachts_ eiland, door ~Quast~ en ~Tasman~ in +1639 ontdekt[39], en op de voornoemde »_Caerten van gedaene Coursen_” de +_Quast’s_ eilanden genoemd[40]. Het eerstgenoemde, onmiskenbaar ook +door Nederlanders ontdekt, en allengskens wederom op de kaarten +verdwenen, is in ’t jaar 1820 door een’ Russischen zeeofficier L^{t}. +~Ponafidin~ op 25° 50′ N.Br. en 131° 12′ O.L. teruggevonden, en naar +zijn schip en omdat het twee eilanden zijn, _Porodino’s_ eilanden +genoemd. Zonder twijfel zijn het dezelfde die Kapt. ~Forbes~ aan boord +van de brik _Nile_ in Aug. 1825 voorbijgezeild, en het zuidelijkste op +25° 42′ N.Br., 131° 13′ O.L., en het noordelijkste op 25° 53′ N.Br., +131° 17′ O.L. gevonden heeft. Onlangs werden deze eilanden door +Commodore ~Perry~ opgezocht en de ligging van het grootste en +noordelijkste op 25° 47′ N.Br. en 131° 19′ O.L. bepaald. + + [39] _Journael ofte dachregister van den Ed. Commandeur ~Mathijs + Quast~._ M.S. 1639. ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen + im Seegebiete von Japan_. Leyden 1853. + + [40] Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br. + en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later + meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen + van _Islas del Arzobispo_ (1734), _Margarets_ eilanden (1773), + _Mendizaval_, _Desconosida_, _Guadelupe_, e.z.v., en onder zeer + verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de + eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook + zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt en + _Munin-sima_, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den + ontdekker _Ogasawa-sima_ genoemd, en in 1785 door eenen + Japanschen aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~ in zijn boekwerk + »_San-kok-tsu-ran-dsu-ki_”, d. i. Beschrijving van drie rijken, + beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene + Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerden + ~Isaak Titsingh~, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den + Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is + echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen van ~Abel + Remusat~, en later in die van ~Julius Klaproth~ gekomen. Door + deze onwettige erfgenamen van ~Titsingh~’s letterkundige + nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde »_Iles + Bonin ou inhabitées_,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw + de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding + tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den + Engelschen Kapt. ~Beechey~ (in de maand Junij 1827) en door den + Russischen Kapt. ~Lutke~ (in Mei 1828) gegeven heeft. Thans, + sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste der _Bonin_ + eilanden, het »_Peel Island_”, waarvan ~Beechey~ in der tijd voor + Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen, + die zich »_the Colony of Peel Island_” noemt. De zuidelijke groep + dezer eilanden, door ~Beechey~ »_Baily Group_” genoemd, werd in + October 1853 door den Amerik. Kapt. ~Kelly~ onderzocht voor de + Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den + gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger »_Transit_”, + die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, »_Coffins + Islands_” genoemd. Commodore ~Perry~, die de _Bonin_ eilanden in + 1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor + walvischvangers als voor de mailstoomvaart van _Californië_ naar + _China_ en later naar _Japan_, deze eilanden weldra een van de + meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den + Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der »_Quast_ eilanden” + heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der + ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de + eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige + nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De + schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de + Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van + eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze + worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als + eene andere vlag zag waaijen! + +Met regt mogt het _Breskens_ eiland als eene nieuwe ontdekking beschouwd +worden. Daar echter het »_Journael_” van ~Vries~ verloren geraakt was, +vindt men het nergens geboekt. Evenwel werd in ’t begin dezer eeuw zijn +bestaan bij herhaling bevestigd. Door het Fransche fregat »_la +Canonnière_,” werd in 1807 een eiland op 24° 30′ N.Br. en 130° 18′ 30″ +O.L., en in 1815 door het Spaansche fregat »_Magelan_” insgelijks een +klein laag eiland met struiken bewassen op 24° 26′ 40″ en 131° 03′ 46″ +ontdekt en »_Isla Rasa_” genoemd. Deze beide eilanden zijn buiten +twijfel een en hetzelfde[41], waarvan de gemiddelde breedte 24° 28′ 20″ +N. en de gemiddelde lengte 130° 41′ 8″ O. zijn zouden. Neemt men daarbij +in aanmerking de sterke oostelijke strooming der zee in dat zeegebied, +die in 24 uren 35′ tot 40′ en meer bedragen kan, de onvolkomene middelen +ter vinding en berekening van lengte in de 17 eeuw, en de opmerking, dat +de door ~Vries~ bevondene breedte doorgaans eenige minuten te hoog is; +zoo mogen wij gerust het _Breskens_ eiland als ~eene Nederlandsche +ontdekking~ op de kaart van den Grooten Oceaan aanteekenen en zulks met +te meer regt, daar men op de nieuwste zeekaarten het eiland _Rasa_, nog +maar als twijfelachtig (pointe dubieuse) en het _Kendrick’s_ eiland +geheel niet meer geplaatst vindt. + + [41] Ook houdt ~von Krusenstern~ een ongeveer 4 engel. mijlen lang + eiland, door den Engelschen kapitein ~Kendrik~ op 24° 35′ N.Br. + en 134° gezien en onder de naam van _Kendrik Island_ in de kaart + van ~Arrowsmith~ opgenomen, voor _Rasa_. + + + + +II. DE ONTDEKKING VAN DE TASMAN’S EILANDEN. + + +Op de terugreis van den in 1639 door ~Mathijs Quast~ en ~Abel Tasman~ +ondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »_Gout- en Silverrycke +eylanden_” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust +van Japan op 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de +eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den +Z.O. hoek van _Nippon_ geplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van +dat groote eiland van Japan, Kaap _Sirofama_ en op de oude Portugeesche +kaarten _Capo de Bosho_ genoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers, +langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne +ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen +ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb +ik den naam van de _Tasman’s eilanden_ gegeven[42]. + + [42] ~Von Siebold~’s _Geschichte der Entdeckungen_, pag. 8. + +Een van deze eilanden, dat zich als »_heel hooch lant_” vertoonde, werd +den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschip _Castricum_ op korten +afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der +zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit +eiland, waaraan ~Vries~, den naam »het _Ongeluckich_ eylant” gegeven +heeft, wordt bij de Japanners _Fatsi sjô_ genoemd en ligt volgens de +waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ te _Jedo_, op 33° 6′ +30″ N. en 3° 50′ 30″ O. van _Mijako_ (139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt. +~Broughton~, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de +ligging van _Fatsi sjô_ op 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart +van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek +daarvan, waar ~Vries~ is ten anker gekomen was, is, volgens zijne +gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 51½′ O. v. +Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat +het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de +kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan +eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en +getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In +evenredigheid daarvan is dus het verschil van de lengtebepaling van +~Vries~ tusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur +geef boven die van ~Broughton~), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein, +wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost +tusschen _Fatsi-sjô_ en de Z.O.kust van _Nippon_ gedurende drie +achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′ +binnen 24 uren is bevonden geworden. + +De beschrijving, die in ’t Journael van het _Ongelukkig_ eiland gegeven +is, stemt met de door ~Quast~ en ~Tasman~ gemaakte schets overeen, en is +dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De +woorden »_~het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met +2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was~_,” zijn door +~Quast~ en ~Tasman~’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens +de benaming van een op deze hoogte op de kaart van ~de l’Isle~ +uitgeteekend eiland »_Montagne avec deux pics_” verklaren[43]. Deze +pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart van _Fatsi sjô_ +geteekend, en de hoogste daarvan _Aka fusi jama_ d. i. de Roode Fusi +berg (tegenover de beroemde vulkaan _Fusi_, die het grootste gedeelte +van ’t jaar met sneeuw bedekt--dus wit is). Ook is de ligging en de +gedaante van het kleine »_hooch ront eylant_” 1 tot 1½ mijl W. van de +N.W. hoek van het _Ongelukkig_ eiland gelegen, door de Japanners +_Kosima_, d. i. klein eiland en op de kaart van ~Vries~ »_ronde holm_” +genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »_hier tusschen +de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep_,” eene +hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroom _Kuro +siwo_ of _Kuro gawa_, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik +volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[44] +overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschen _Fatsi sjô_ en _Mikura_ +(_Prince-eylant_ van ~Vries~) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t +voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche +expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en +beschreven worden[45]. De opmerking van ~Vries~: »_saegen veel +steencroos drijven_” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche +stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene +bijzondere soort van zeekroos onderscheid. + + [43] _Carte de l’Asie_, par ~J. de l’Isle~, à Amsterdam, chez ~Covens + & Mortier~. + + [44] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen + Reiche_. N. 1. + + [45] _Narrative of the expedition of an American Squadron in the China + Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command + of Commodore_ ~M. C. Perry~, by ~Francis L. Hawks~. New-York, + 1856. _The Kuro siwo, or Japan stream._ pag. 601. + +Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van het +_ongelukkig_ eiland gezien en bij ~Vries~ »_Suyder eylant_” en bij de +Japanezen _Awo sima_, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds door +~Quast~ en ~Tasman~ (den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7 +mijlen Z.t.W. van het _Ongelukkig_ eiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en +eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden. + +’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte +en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op +140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aan _Castricum_ W.t.W. op een’ +afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien. +Deze zijn het eiland _Mikura_ door ~Vries~ »_Prince_ eylandt” en +_Mijake_, door hem, volgens het Journael, »_Barnevelts_” en op zijne +kaart »_Brandend_ eilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op +gezien werd. + +Deze twee eilanden zouden op de gegiste breedte liggen van 34° 1′ en op +de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.), +eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en met +~Broughton~’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgde +~Vries~, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust +van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken +hebben. + +Op de terugreis werden door ~Vries~ de _Tasmans_-eilanden wederom +opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den +28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138° +34′ 36″ O. v. Gr.), waar het _Prince_-eiland W. 6 mijlen en het +_Barnevelts_-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze +waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br. +liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de +waarnemingen van den Hof-astronomist en ~Broughton~ oplevert, terwijl +zich de lengte van _Mikura_ (het _Prince_-eiland), volgens de op de +reede van _Fatsi sjô_ op den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v. +Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den +Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139° +36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige +ligging, welke het op het kaartje van Commodore ~Perry~’s zeetogt heeft, +nagenoeg overeenkomt[46]. + + [46] _Map of the Japan Islands copied from_ ~von Siebold~’s _with + slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition + and other authorities compiled by order of Commodore_ ~M. C. + Perry~, _by Lieuts._ ~W. L. Maury~ _and_ ~Silas~. Bent. 1855. + +Op den namiddag van den 28 October nam ~Vries~ zijnen koers naar het +_Barnevelts_-eiland en zeilde tusschen dit eiland en het _Prince_-eiland +door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging +van de _Tasmans_-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan +(Atlas N^{o}. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip +genomen, de »_Straat Castricum_”, en de in ’t W. ½ N. 1 mijl (van +_Barnevelts_-eiland) »_veel hooge scherpe clippen boven water, die haer +opdoen als toorens_,” naar den verdienstelijken stuurman van het schip, +_Coen’s_ klippen genoemd. Deze klippen heeft ook ~Broughton~, die in +1796 denzelfden weg als ~Vries~ genomen had, gezien en beschreven: »_Off +the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or +three miles distance_”[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart +van Japan N^{o}. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56 +uitgegeven, zijn deze klippen »_Black Rocks_” genoemd. Deze zeevaarder +heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan de +_Coen’s_ klippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de +Japanners _Inaniwa_ en door ~von Krusenstern~ _Broughton’s_ klippen +genoemd zijn. Ik houd de _Coen’s_ klippen voor dezelfde als de +_Redfield-Rocks_, die op het kaartje van Commodore ~Perry~ en op de +kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als +eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve de _Coen’s_ +klippen (_Broughton’s Black Rocks_), op deze hoogte nog andere klippen +voorhanden waren, zouden die door ~Broughton~, die daar kruistte, gezien +zijn. Mogten evenwel de _Redfield’s Rocks_ bestaan, dan liggen zij meer +noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die op ~Jansson~’s kaart op 34° 35′ +N.Br. en op den meridiaan van kaap _Idsu_ opgegeven en dus ook door +~Vries~ gezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt van ~Vries~ de, in ’t +N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van het _Barnevelts_-eiland, +liggende eilanden waargenomen en onder den naam van _Gebroken Eilanden_ +in kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de +naam _Gebroken Eilanden_ toe. Aan de geheele keten--eene reeks van nog +werkzame en uitgedoofde vuurbergen van _Ohosima_ tot _Fatsi sjô +sima_--hebben wij den naam van _Tasman’s_ eilanden gegeven. Ik meende in +deze geschiedkundige hydrogeographische bijzonderheden te moeten +treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking +van deze geheele keten van eilanden door ~Quast~, ~Tasman~ en ~Vries~ +onbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner +waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van +onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen. + + [47] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. + M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, by_ ~W. + R. Broughton~. London. 1804. p. 140. + + + + +III. DE ONTDEKKING VAN DE OOSTKUST VAN JAPAN VAN DE KAAP _SIROFAMA_ VAN +_NIPPON_ (HOEK _BOSHO_) TOT DEN _NOORDHOEK_. + + +De Oosthoek van het eiland _Nippon_ was, met uitzondering van twee +punten, die ~Quast~ en ~Tasman~ in 1639 gezien en in kaart gebragt +hadden, toenmaals onbekend. Deze zeevaarders verkenden op den 24 +Augustus de kust van _Japan_ op 37° 30′ N.Br., en den 1 en 2 November op +34° 54′ N.Br. Het eerste was een gedeelte der kust tusschen de kaap de +_Kennis_ en de _Rookhoeck_ (van ~Vries~); het andere de _Capo de Bosho_ +(der Portugezen), de Zuidhoek van het landschap _Awa_, aan welks +Westzijde zich de ingang tot de baai van _Jedo_ bevindt. + +Aan ~Vries~ heeft men de ontdekking en de opneming der geheele kust van +den hoek _Bosho_ tot aan den Noordhoek van _Japan_ (van 34° 58′ tot 41° +25′ N.Br.) te danken; eene kuststreek, die tot de opening der havens van +_Simoda_ en van _Hakotade_ (op _Jezo_) door geen’ zeevaarder, dan in +1739 door Kapt. ~Spangberg~ en ~Walton~[48], in 1779 door Kapt. +~King~[49], en in 1796 en 1797 door Kapt. ~Broughton~[50], is bezocht +geworden. De beide laatstgenoemde hydrographen konden echter alleen met +behulp van het gebrekkige kaartje van den zeetogt van ~Vries~, dat +omstreeks het jaar 1650 door ~Johannes Janssonius~ is uitgegeven[51], +den koers van onzen zeevaarder opsporen en zijne ontdekkingen +bevestigen. + + [48] _Voyages et découvertes faites par les Russes le long des côtes + de la Mer glaciale et sur l’Océan Oriental, tant vers le Japon + que vers l’Amérique, par Mr._ ~G. P. Muller~. Amsterdam 1766. + Vol. I. p. 210. + + [49] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. p. 372. + + [50] _A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. + M. sloop Providence and her tender in the years 1796-98 by_ ~W. + R. Broughton~. + + [51] _Nova et accurata Jopaniae, terrae esonis ac insularum + adjucentium ex novissima detectione descriptio apud_ ~Joannem + Janssonium~. + +Ook voor den schrijver dezes waren bij de zamenstelling van dit gedeelte +der kust van _Nippon_, behalve oorspronkelijke Japansche, geene andere +kaarten beschikbaar dan ~Broughton~’s kaart[52]. + + [52] _A general Chart of the Japanne Islands, and N. E. Coast of + Asia_, in ~Broughton~’s _Voyage_. + +Het is dus van een wezenlijk belang om thans uit het teruggevonden +Journaal van ~Vries~ zijne ontdekkingen toe te lichten. Daar echter +de kennis der configuratie van het oostelijke gedeelte der kust +van het groot eiland _Nippon_ tot nu toe op oorspronkelijk Japansche +kaarten berust, volgens welke de meest beduidende uithoeken, bogten +en baaijen, door ~Vries~, ~King~ en ~Broughton~ ontdekt, aardrijkskundig +bepaald, benoemd en in kaart gebragt zijn, zoo dienen wij ook bij onze +herziening der ontdekkingen van ~Vries~ eene Japansche kaart tot +grondslag te nemen, en zullen daartoe onze kaart van het Japansche rijk +bezigen, die wij naar oorspronkelijke kaarten en de waarnemingen der +Hof-astronomisten te _Jedo_ zamengesteld hebben[53]. En om ook uit de +waarnemingen van onzen vermaarden zeevaarder zoo veel mogelijk nut te +trekken, zullen wij die in vergelijking met anderen tot eenen +~Zeemansgids~ langs deze weinig bekende kuststreek trachten te +bewerken. Op deze wijze zullen wij aan de scheepvaart langs de Oostkust +van _Japan_ eene dienst bewijzen[54]. + + [53] _Karte vom Japanischen Reiche nach Originalkarten und + Beobachtungen der Japaner_, in ~v. Siebold~’s _Atlas von Land- + und Seekarten vom Japanischen Reiche_, n^{o}. 1. + + [54] In het overzigt der reis van den Kapitein-Luitenant ter zee + ~Fabius~ tot het bezoeken van de havens van _Hakotade_ en + _Simoda_ met de Nederlandsche schroefkorvet _Medusa_, in + September en October 1856, wordt gezegd: »Den 17 Sept. werd + _Hakodate_ verlaten en de reis langs _Nippon’s_ Oostkust + voortgezet, doch deze togt was hoogst moeijelijk. _Eene nagenoeg + onbekende kust, sterke stroomen, hevige stormen, twee orkanen, + ~slechte~ kaarten_, waarvan de landkaart van ~v. Siebold~ nog + verreweg de beste is, maakten dien togt lang en zorgvol.” Sic! + +=De hoek Bosho.= De Z.Oosthoek van Japan, door een voorgebergte van het +landschap _Awa_ op het eiland _Nippon_ gevormd, is door de Portugezen +_Cabo de Bosho_, naar de niet ver daarvan afgelegene haven van de stad +_Fôsjo_ genoemd. Op de oorspronkelijk Japansche kaarten draagt het +oostelijke uiteinde van deze kaap den naam van _Firatatsi_, en het +westelijke dien van _Susaki_, en het tusschen beide liggende strand +_Siro fama_, d. i. witte strand. Kaap _Susaki_ ligt, volgens de +waarnemingen van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ op 34° 58′ 30″ N.Br. +en 139° 38′ O.L. v. Gr., en kaap _Firatatsi_ (door ~von Krusenstern~ +_Cap King_ genoemd) op 34° 55′ N.Br. en 139° 57′ O.L. Het zuidelijkste +uiteinde van _Siro fama_ op 34° 54′ N.Br. en 139° 44′ O.L. Op de +originele kaart van ~Broughton~[55] ligt de Z.Oosthoek van _Nippon_ op +34° 55′ N.Br. en 140° 12′ O.L. ~Vries~ bepaalde de breedte van kaap +_Bosho_ op 35° 14′ 30″ N. en nam daar 7° oostelijke miswijzing van het +kompas waar. Door de Amerikaansche expeditie onder Commodore ~Perry~ +werd de aardrijkskundige ligging van kaap _Firatatsi_ op 34° 53′ 15″ +N.Br. en 140° 18′ 15″ O.L. v. Gr. bepaald, hetgeen nagenoeg met de door +~von Krusenstern~ volgens ~Broughton~’s waarnemingen berekende breedte +en lengte (34° 54′ N. en 140° 19′ O.) overeenkomt[56]. »_~Het lant is +hier op veel plaetsen 2, 3 dubbelt~_ (de bergen _Kjozumi_, +_Takasukajama_, _Tenin_, laatste de berg _King_ en _Katsijama_) _~maer +steyl op ’t water neer, met veel witte plecken~_ (_Siro fama_); _~het +lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort; men kan +de wal bequaemelyck aenlooden van 36 tot 10 vadem, somtyds craelgront, +somtyds singel, somtyds sant.~_” De stroom loopt hier om de N.O. en +N.N.O. Kapt. ~King~ berekent de snelheid van den stroom, die 45 Eng. +mijlen O. van dezen uithoek N.O. ½ N. liep, op 3 Eng. mijlen per uur. +Het is hier de N.Westelijke grens van den Japanschen stroom (_Kurosiwo_, +d. i. zwarte zeestroom), die een graad zuidelijker, volgens de +waarnemingen der Amerikaansche expeditie, nog met eene snelheid van 72′ +tot 80′ per dag loopt. ~Vries~ zag hier steenkroos drijven, hetwelk ook +in ongewone menigte op de hoogte van _Iso mura_ door de Amerik. +expeditie waargenomen werd, en met den _fucus natans_ van den +Atlantischen Golfstroom te vergelijken is. + + [55] Deze kaart, welke de schrijver dezes van den Admiraal Sir + ~Francis Beaufort~, Chef van het hydrographisch bureau der + Admiraliteit te Londen, ter leen gekregen heeft, is daar onder + Lit. B.e.l. 480 geboekt. Aan het einde van dit Hoofdstuk zullen + wij een vergelijkend overzigt van de namen en de aardrijkskundige + ligging der meest belangrijke punten op de Oostkust van _Nippon_, + zoo als die door ~Vries~, ~King~, ~Broughton~ en ~von + Krusenstern~ benoemd en bepaald zijn, mededeelen. + + [56] _Recueil de mémoires hydrographiques pour servir d’analyse et + d’explication à l’Atlas de l’Océan pacifique par le Contre- + Amiral_ ~de Krusenstern~. St. Petersbourg 1827, pag. 178. + +In de bogt van _Iso mura_ merkte men ook eene verkleuring van het water +op, die waarschijnlijk aan de drijvende banken van zeewier toe te +schrijven is. Hier werd 74 tot 80 vadem fijne zwarte zandgrond +gelood[57]. + + [57] _Troisième voyage de_ ~Cook~. Tom. IV. pag. 384. + + _Narrative of the expedition of an American squadron to the China + seas a. Japan, performed in the year 1852-54, under the command + of Commodore_ ~M. C. Perry~, _by_ ~Francis L. Hawks~. New-York + 1856. pag. 497. + +=De witte Hoek.= »_~Van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt +de cust N.N.O. tot de witte gepleckte hoeck, dan heeft men een +laechlandige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de +hooge santduyn.~_” De _witte Hoeck_, op de Japansche kaarten _Dai do +saki_ of _Oho figasi saki_, d. i. de groote Oosthoek genaamd, ligt, +volgens ~Vries~ (_Janssons kaart_) op 35° 25′ N.Br. Iets zuidelijker van +dien hoek steekt nog een ander voorgebergte in zee uit, hetwelk van eene +digtbij gelegene kleine stad den naam van _Katsura saki_ heeft. De baai +in het Zuiden van dien hoek, die ~Vries~ voor »_~het leege voorlant +alwaer eene rivier scheen in te loopen~_,” hield, is de bogt van _Utsi +ura_ met de haven van _Kominato_ (d. i. kleine haven), waarbij +verscheidene rivieren, waarvan de _Itsumigawa_ en de _Amanogawa_ de +grootste zijn, uitwateren. Deze haven is 32 Ri[58] van kaap _Sagami_ +(ook _Nagatzuru_ en _Monomi saki_ genoemd), waar zich de ingang van de +baai van _Jedo_ bevindt, verwijderd, en de eerste, die men, van daar +komende, op de Z.O. kust ontmoet. Digt bij den _witten Hoek_ liggen +verscheidene rotsen en kleine eilanden, waarvan het grootste _Uwarasima_ +heet; deze schijnen zich onder water in zee voort te zetten en in een +rif uit te loopen. De Amerik. expeditie nam hier eene gebroken en anders +gekleurde zee in eene diepte van 30 vadem koraalgrond waar, die nog iets +oostelijker op 21 vadem verminderde. ~King~ en ~Broughton~ zagen op deze +hoogte vele visschers en bewonderden de vlijt, waarmede het land bebouwd +was. + + [58] Volgens de berekening van den Hof-astronomist ~Sakusajemon~ komen + 28⅕ Ri op eenen breedtegraad van 15 Duitsche mijlen. Overal waar + wij van _mijlen_ spreken, zijn Duitsche of geographische bedoeld; + zijn het Engelsche, dan is zulks telkens bijgevoegd. + +=De lage Inbogt.= Van den _witten Hoek_ tot den _Zandduinigen Hoek_ +trekt zich de kust in eene ongeveer negen mijlen wijde bogt terug, die +den naam van _Siro sato fama_, d. i. witte dorp strand, heeft. Het is +eene lage landstreek, door verscheidene rivieren en meeren bewaterd. De +grootste rivier is de _Kuri jama gawa_, die aan de grens tusschen de +landschappen _Kadsusa_ en _Simosa_ in zee loopt. Langs deze bogt, +»_~waer ze veel seekroos dryven en lammen of duikers swemmen sagen~_,” +zeilde ~Vries~ met een’ N.O.t.N. koers tot op eenen afstand van 4 of 5 +mijlen van den _Zandduinigen Hoek_, peilende 10 tot 20 vademen zwarten +zandgrond, en verder tot op 4 mijlen O. van dien hoek 22 tot 42 vademen. +De stroom loopt langs den lagen wal N.O. en N.N.O. + +=De Zandduinige Hoek=, _Dai do saki_ genaamd, ligt van den _witten Hoek_ +N.O.t.N. omtrent 9 mijlen af, volgens ~Vries~ op 36° N.Br. en volgens de +originele kaart van den Hof-astronomist ~Takahasi Saku Sajemon~ op 35° +43′ N.Br. en 140° 46′ O.L. »_~Van de santduynige hoeck leyt een cleyn +eylandeken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheterseiland +in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden d^{o}. eylant, leyt nog +een cleyn eylant, maer wat vlacker gelyck het eylant Haerlem, maer leyt +dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de +N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech +lant.~_” Deze is de _Walvischbogt_. Aan den Zandduinigen hoek stort zich +eene groote rivier, de _Nasaka_, in zee, die diep in het land bevaarbaar +is; aan den mond van deze rivier is ook eene goede haven, _Tosi minato_, +vanwaar men 38 Ri naar de voornoemde haven _Kominato_ rekent. Binnen +eenen afstand van omtrent 5 Eng. mijlen van dezen uithoek nam ~King~ +een’ zeer sterken stroom van 5 Eng. mijlen per uur waar[59]. + + [59] _Troisième voyage de_ ~Cook~, l. c. + +=De Walvischbogt=, door ~Vries~ zoo genoemd, omdat men daar eene menigte +bruinvisschen, dolfijnen en vele walvisschen zag; ook nam men daar veel +wier waar, hetwelk, zoo als bekend is, de walvisschen gewoonlijk +opzoeken. Op de Japansche kaarten is deze bogt _Fitatsi hara no_ +genoemd, d. i. vlak veld van het landschap _Fitatsi_. Met eenen N.W. +koers naar den wal loopende, vindt men 40 tot 26 vademen wasigen grond. +Het land is laag, vlak en moerassig door de wateren, die van het hooge +binnenland afzakken, en zich in poelen en meeren verzamelen (zoo als de +meeren van _Takeda_ en _Finuma_). In ’t N.W. »_~op het laege lant in het +diepste van de bocht~_,” steekt »_~een hooge gehackelde berch~_” uit (de +bergketting door den _Asifo_, _Majumi_, _Ohonô_ en andere bergtoppen +gekenmerkt). De N. hoek van deze bogt is een lage vlakke hoek, de + +=Lage Hoek= door ~Vries~ genoemd en op de Japanse kaarten _Minato saki_, +d. i. havenhoek, omdat zich daar aan den mond van de rivier _Nakagawa_ +eene aanzienlijke haven bevindt, die 3 _Ri_ van de stad _Mito_ en 20 +_Ri_ van den haven van _Tôsi_ ligt. Deze afstand komt met de +waarnemingen van ~Vries~ goed overeen »_~de N.hoek~ (Minato saki) ~lach +doen S.t.W. 3 mijlen van ons, ende de Santduynige hoek~ (Tôsi minato) +~lach doen S.t.W. wel 6 mijlen van ons; de N.hoek is een laege vlacke +hoek.~_” Men heeft hier en meer noordelijk 40 tot 50 vademen zandgrond, +die naarmate men den wal nadert, opdroogt. Hier begint het land hooger +te worden tot den + +=Boompjeshoek.= »~_Een steylen hoek gelyckende een eylant, alwaer wy_ +(Vries) _uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden +visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter bij d^{o}. +hoek comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart +santgront geweest hebbende. Waeren een myl van de hoeck, saegen doen dat +daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch +binnenlant op sommige plaetsen 2, 3, 4 dubbelt, ende op veel plaetsen +compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Sy noemden_~ (de visschers) +_~die rivier dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort +opstreckte~, Gissima, ~ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen +dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende dat het om de Noort +niet en docht. Op de steylen hoeck van~ Gissima ~staet wat in ’t lant +een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de +andere uytsteekt in hoochte, hebbende een ronde cron.~_” De boompjeshoek +is het voorgebergte, _Siwoja saki_ genoemd, de rivier de _Same gawa_ of +Salm rivier. Eene plaats _Gissima_ bestaat hier niet, mogelijk was +daarmede de stad _Idsumi_, die eene mijl van den mond van de rivier +ligt, of wel de hooge berg van _Irusima_ bedoeld; digt bij den mond der +rivier is eene haven, waarvan de afstand van _Minato saki_ op 24 _Ri_ +aangegeven wordt. Het hooge land wordt door eene bergketen gevormd, +waarvan zich de _Jonowoko_, _Akainowoka_ en _Irusima_ kenmerken, achter +welke de toppen van den _Jakojama_ en van andere hoogere gebergten +uitsteken. Den _Boompjeshoek_ W. ½ S. 3 mijlen en eenen hoek, »_~daer +benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was N. ½ W. 3 +mijlen pijlende~_”, bevond zich ~Vries~ op 37° 5′ N.Br., »_~hadden doen +de diepte van 40, 36 vadem swarte santgront~_.” Volgens deze waarneming +zoude de _boompjeshoek_ op 37° 1′ N.Br. liggen. Op onze kaart ligt die +op 36° 52′ dus 9′ zuidelijker. »_~Omtrent 6 mijlen van d^{o}. hoeck +begint het hooch land te streeken om de Noort.~_” Daar is + +=De Gecartelde Hoek=, ook _Caep de Kennis_ genoemd, omdat ~Vries~ op +deze hoogte zes dagen kruistte, ten einde het jagt _Breskens_ in te +wachten. Deze kaap op den 25 Mei binnen eenen afstand van 4 mijlen van +’t land Z.W.t.Z. en het noordelijkste land dat men zien kon (_Karasu +saki_ op de Japansche kaarten) N.W.t.N. peilende, bevond zich ~Vries~ op +de gegiste breedte van 37° 39′ N. Volgens onze kaart zoude zij zich op +37° 32′ N.Br. bevonden hebben, hetwelk slechts een verschil van 7′ voor +de breedtebepaling van deze kaap oplevert. Volgens ~Vries~ ligt dus de +_Kaap de Kennis_ op 37° 11′ en volgens onze kaart op 37° 4′, op de kaart +van ~Jansson~ echter op 37° 22′ N.Br. Op den middag van den 26 Mei, de +_Kaap de Kennis_ in eenen afstand van omtrent 7 mijlen W. ½ Z. van zich, +bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 20′ N. Volgens deze +waarneming zoude echter de meergenoemde kaap op 37° 16′ N.Br. komen te +liggen, hetwelk merkwaardig overeenkomt met de later door Kapt. ~King~ +waargenomene breedte van 37° 15′ N. De door ~Broughton~ op zijne +originele kaart opgegevene breedte komt met die op onze kaart juist +overeen. De gedurende de kruistogt op de hoogte van _Kaap de Kennis_ +waargenomene diepten leveren de volgende uitkomst op: op eenen afstand +van 2 tot 3 mijlen, 25 tot 40 vademen wasige zwarte zandgrond, op 4 tot +5 mijlen afstand van 45 tot 95 vadem wasige grond, konden echter geen +grond opkrijgen. + +Op de kaart van ~Jansson~ en op de kaart van »_gedaene ontdeckinghe +onder den Commandeur_ ~Marten Gerritsen Vries~, A^{o}. 1643”[60], vindt +men eenen hoeck »_Roock hoeck_” genaamd, die echter in ’t Journael niet +vermeld wordt. + + [60] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, N^{o}. 11. + +=De Rookhoek= is buiten twijfel het noordelijkste land op den 25 Mei in +’t N.W.t.W. gezien en op de Japansche kaarten _Karas’no saki_, d. i.: +Ravenkaap genoemd. »_~Een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer +laech op ’t water neerliep.~_” De kust strekt zich Z. en N. uit. Den 27 +Mei ’s namiddags dezen hoek Z.W. en het noordelijkste land N.N.W. +peilende, bevond zich ~Vries~ op de bevonden breedte van 37° 50′ N., +zoodat de breedte van den _Rookhoek_ 37° 42′ zoude zijn, hetwelk ook met +de kaart van ~Jansson~ juist overeenkomt en met onze kaart slechts een +verschil van -3′ oplevert. »_~Waeren hier bij wit gepleckt lant met +eenige santboschies, omtrent 2 mijlen van lant hadden de diepte van 19, +20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke +diepte cort op ende af. Het voorkant is duynich lant, maar anders hooch +lant, op sommige plaetsen dubbelt; het lant om de Noort scheen een bocht +beginnen te maecken. Wij vernaemen dat de stroom hier heen ende weer +langs de wal liep.~_” De verandering van den grond, die vroeger wasig en +zwart zand was, en hier singel en grof zandgrond, bevestigt, dat zich +~Vries~ op den 27 Mei ’s middags op omtrent 3 mijlen afstand van den +_Rookhoek_ bevondt, waar zich eene groote rivier, de _Tamano gawa_, in +zee stort en zwaren kegelzand met zich sleept. Ook wordt in ’t Journaal +maar eens van den _lagen Santhoek_ gewaagd, te weten op den 31 Mei, ’s +middags, waar zich ~Vries~ op 38° N.Br. binnen een afstand van 7 à 8 +mijlen, W. daarvan op 70-75 vademen bevond. Op de kaart van ~Vries~ en +~Jansson~ is die uithoek op ongeveer 38° 10′ N.Br. aangeteekend. De +plaats echter, waar ~Vries~ op den 29 Mei het werpanker op 29 vademen +singelgrond vallen liet, en waar hij zich op den middag naar gissing op +38° en 4 mijlen van den wal bevond, is door een _ankertje_ aangemerkt; +deze bevindt zich in ’t Z.O. van + +=Den Lagen Zandhoek=, die op de Japansche kaarten _Ara fama_, d. i.: +woeste strand, genoemd is. Daar loopt eene van de grootste rivieren van +de oostkust van _Nippon_ in zee, de _Ara Kuma gawa_, aan welke ook de +ongelijke diepte, de banken en de singelgrond te wijten is. De groote +bogt, die zich van hier allengs tot de Kaap _Kinkwasan_, in ’t Journaal +_Eylant Toy_ genaamd, is de baai van _Sendai_, waar zich de haven van +_Siho kama_ bevindt, waarvan men 42 Ri naar de kaap de Kennis rekent. Op +onze kaart ligt de mond van den _Ara kuma gawa_ op 38° 5′ en de haven +van _Siho kama_ op 38° 22′ N.Br. + +=Kaap Kinkwasan.= Een eiland _Toy_ bestaat niet; daarmede is echter +buiten twijfel het eiland _Kinkwasan_ verstaan, hetwelk ongeveer 1 mijl +van het voorgebergte afligt, dat het oostelijk uiteinde van de baai van +_Sendaï_ vormt. »_~Dezen uitsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer; +als men uyt de Suyt komt, vertoont hem als een hooch eylant, ende een +weynich daer bewesten met een rey van gehackelt geberchte, met een corte +spaetsy laech lant.~_” Dit eiland is ~Vries~ den 1 Junij op een’ afstand +van eene mijl genaderd, en tusschen dit en een ander, dat hij +_Tafeleiland_ (op onze kaart _Nagafama_) noemde, ingezeild; »_~waeren +omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde~_.” Volgens +zijne waarneming op den middag van den 1 Junij waar hij, den spitsberg +van _Toy_ N.W. ½ W. op 2 à 3 mijlen afstands peilende, zich op 38° 24′ +gegiste breedte bevond, ligt dit eiland op 38° 32′ N.Br., hetwelk +slechts een verschil van +7′ met de bepaling van den Japanschen +Hof-astronomist ~Sakusajemon~ oplevert. Deze waarneming werd op den 2 +Julij bevestigd, waar het zuideinde van _Toy_ op 38° 29′ bevonden werd, +overeenleggende met het zuideinde van het _Tafeleiland_. »_~Recht +Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen liggen eenige gebroocken +eylanden ende clippen onder de wal; wat landelycker leyt noch een +eylantie, wat langer ende hooger~ (Dezima); ~dicht onder de cust een +half myl daer benoorden leyt noch een ront eylantie gelyck een +Toppershoetien~ (Jesima), ~daer aen beyde eynden al scherpe clippen, +die boven water leggen, afstrecken ende vertonen haer als naelden. +Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien geleek een rivier in +’t lant te loopen~_”. Dit is echter eene diepe bogt _Sjugo fama_ +genoemd. »_~De cust streckte hun hier al noortwaarts, maar met veel +inbochten ende was al hooch lant.~_” Deze eilandjes zijn op de originele +kaart van ~Vries~ »_~Schildpads eylantjes~_” genoemd. Overigens is de +beschrijving daarvan en van dit voor de vaart langs de Oostkust van +_Nippon_ gewigtig punt van verkenning ~voortreffelijk~; wij willen +echter nog aanmerken, dat tusschen het zoogenoemde eiland _Toy_ +(_Kinkwasan_) en den vasten wal een voor Japansche groote schepen +bevaarbaar kanaal bestaat, dat _Jama tori no seto_, d. i. het fazanten +kanaal, genoemd wordt, en dat aan de Noordzijde van de bogt van _Sjugo +fama_ zich een tak van de groote rivier _Figami gawa_ in zee stort, die +tevens bevaarbaar is voor groote schepen en door een kanaal bij _Miato_, +eene haven in de baai van _Sendai_ uitwatert. Door deze 9 Ri lange +vaart, die voor gewone niet al te groote schepen geschikt is, wordt de +omzeiling van kaap _Kinkwasan_ vermeden, die anders 22 Ri bedraagt. +Mogelijk is die ook voor kleine stoomschepen bevaarbaar. Langs het +grootste gedeelte van de Oostkust van _Nippon_ droogt het water langzaam +tot op 10 vademen en minder op; rondom de kaap _Kinkwasan_ echter vindt +men reeds op korten afstand eene diepte van 80 vademen, en eenige mijlen +verder in zee geen grond meer. In het Z.O. van _Kinkwasan_, 2 en 3 +mijlen vandaar, nam ~Vries~ eene om de Zuid loopende strooming waar. Ook +~Broughton~ heeft (7 en 8 September 1797) langs de Oostkust van _Nippon_ +op 39° 55′ tot 40° 44′ N.Br. eene sterke Z. en Z.Westelijke strooming +waargenomen. Deze heeft ~Vries~ reeds zuidelijker op 37° 39′ op een’ +afstand van 4 mijlen van de kust ontmoet, en als oorzaak van de korte +vreeselijk holle zee verklaard, »_~omdat de strooming tegen de wind +(uit S.S.O.) liep~_.” De Japansche stroom, de reeds vroeger genoemde +_Kuro siwo_ of zwarte zeestroom, schijnt aan den grooten oosthoek van +_Nippon_, kaap _Daihô saki_, zijne kracht te breken, en vervolgens langs +de kaap _de Kennis_ meer N.Oostelijk te worden afgeleid. Behalve zijne +snelheid en zijne rigting, die aan den zeeman niet ontgaan kunnen, +kenmerkt zich de loop van dezen stroom gedurende de koudere jaargetijden +en in hoogere breedte door den digten mist, die ’s morgens en ’s avonds +zijn stroomgebied bedekt. ~Vries~ klaagt dikwijls tot op de hoogte van +bijna 38° N.Br. over »_~vreeselycke donckere mist~_”, terwijl hij +noordelijk door heel mooi begunstigd werd. Men kan dus als eene wet van +dezen warmen stroom aannemen, dat zijn gebied zich langs de Oostkust van +_Nippon_ niet verder dan op 38° N.Br. uitstrekt, en dat zich tusschen +hem en langs de kust een _koude stroom_ indringt, die van de Zuidkust +van _Jezo_ en mogelijk van de straat van _Tsungar_, waar, door dit tot +op 12 Eng. mijlen verengd kanaal, de doorstrooming van al dat water +belet wordt, afzakt en naar het Zuiden loopt. Dat deze aan den invloed +der afwisselende winden min of meer blootgesteld is, is natuurlijk, en +zijne kracht schijnt zich als het ware aan die van den warmen stroom +allengskens te breken, alhoewel beide stroomen duidelijk onderscheidbaar +voorbij stroomen. Want nog op de hoogte van de _Tasmans_ eilanden wordt +door de Japanners sedert eeuwen de grenslijn van den _Kuro siwo_ +waargenomen en bepaald. Ook is de warmte van het zeewater in het Noorden +van de Oostkust van _Nippon_ aanmerkelijk lager als van dat van den +_Kurosiwo_, zijnde het maximum der temperatuur van dien stroom op 86° +Fahr. en die der zee bij kaap _Kurosaki_ (39° 56′) slechts op 55° Fahr. + +=De Tafelberg.= »_~’s Avonts lach de Oosthoeck van Toy S.W.t.S. 5 à 6 +mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien +wy den naem gaven van den Tafelberch.~_” Deze is, volgens deze +peilingen op den 2 Junij gedaan, waarschijnlijk kaap _Wosaki_ op de +Japansche kaarten; hetwelk ook met de kaart van ~Jansson~ en met de +waarnemingen van ~King~ en ~Broughton~ overeenkomt. Daarna zou de hoek +van den Tafelberg op ongeveer 39° tot 39° 15′ N.Br. moeten liggen. De +beslissing daarvan laten wij aan het onderzoek van Nederlandsche +zeevaarders--zoo hopen wij--over; betreuren echter zeer, dat Commodore +~Perry~ de Oostkust van _Nippon_, van de Witte hoek af aan tot kaap +_Sirijasaki_ een afstand van vier en een vierde graad van breedte, of +255 Eng. mijlen voorbijgestoomd is, zonder de aardrijkskundige ligging +van deze zoo weinig bekende kuststreek nader onderzocht te hebben. + +=Caap de Goeree= of _Goede ree_. »_~Een steylen hoogen gehackelde hoeck, +dien wy Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden schenen veel +havens ende eylanden te liggen, daer~_ (eene) _~Goede ree soo het leeck +after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W.~_” Volgens zijn +bestek van ’s middags den 3 Junij, waar ~Vries~ op 39° 28′ N.Br. _caep +de Goeree_ N.t.W. 4 mijlen van zich had, zoude deze kaap op 39° 45′ +N.Br. liggen. Op ~Janssons~ kaart is dezelve op 39° 40′ geplaatst. Het +is de oostelijkste uithoek van _Nippon_, _Kuro saki_, d. i. de zwarte +kaap genoemd, die volgens ~Sakusajemon~ op 39° 56′ N.Br. en 142° 10′ +O.L., volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′ oostelijker, en volgens +~v. Krusenstern~’s berekening 10′ oostelijker ligt. Wij zijn van meening +aan de breedtebepaling van ~Vries~ thans, waar wij zijn Journael kennen, +de voorkeur te moeten geven, en vooronderstellen, dat de kaap _Kurosaki_ +op de Japansche kaarten te ver van _Tako fama_, waar zich de zoogenoemde +haven van _Nabo_ of _Nambu_ bevindt, geplaatst is. De haven van _Nabo_, +waarheen de Japansche visschers aanboden ~Vries~ te zullen brengen, is +die van _Mijako_; en die van _Schay_ is die van _Kuzi_ (ook _Kuziwoka_ +genoemd). De eerste is 38 Ri van de haven van _Dezima_ bij kaap +_Kinkwasan_ gelegen, en de laatste ligt 20 Ri noordelijk van die van +_Mijako_ af. Deze beide havens en nog eene 20 Ri noordelijker bij den +Noordoosthoek gelegen, zijn de drie voornaamste havens van het +noordelijkste gedeelte der Oostkust van _Nippon_, dat onder het district +van _Nambu_ behoort: daarvan _Nabo_ of _Nambu_[61]. »_~Een groote voert, +streckende S.S.W. heel diep in ’t land, souden naer wy sien conden daer +heel uyt der see seylen connen~_,” werd de _Voert van Goeree_ genoemd. +Het is de ruime ingang van de haven van _Mijako_, door ~Broughton~ en +~King~ op hunne (al te kleine) kaarten met den naam van _Port_ en _Cape +Nambu_ beteekend. De beschrijving, die ~King~ van den ingang maakt, komt +met de Japansche kaart daarvan overeen; dezelve wordt door twee +landpunten gevormd, waarvan de noordelijke lage (_une pointe basse de +terre_) _Tako fama_, d. i. Inktvisch strand, heet, de zuidelijke hooger +is, en met een’ kegelberg eindigt (_une colline en forme de cone_) en +deswege den naam van _Taka fama_, d. i. hooge strand, heeft[62]. De +diepte der zee is hier, 2 tot 4 mijlen afstands van den wal, meer dan +100 vademen wasigen grond. De kaap _Kurosaki_ kenmerkt zich door eenige +hooge naar binnen liggende kegelbergen (de _Kairaki_ en _Kabutojama_), +die tot het einde van Mei nog met sneeuw bedekt zijn. + + [61] Wij hebben reeds in onze „_Geschichte der Entdeckungen_” + aangetoond, dat digt bij deze haven, en waarschijnlijk in de bogt + van _Komoto_, het jacht _Breskens_ vervallen en Kapt. ~Schaep~ + gevangen genomen is. Verg. pag. 100, aanmerking 20. + + [62] Vergelijk: _Troisième voyage de_ ~Cook~, Tom. IV. p, 372. pl. 79. + _Geschichte der Entdeckungen im Gebiete von Japan, von_ ~v. + Siebold~, pag. 10 en 92. Anmerk. 20. + +=De Noordhoek.= »_~Het verste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8 +mylen van ons~_ (_~ende Caep de Goeree S.S.W. 2 mylen~_) _~ende was een +vlacke hooge berch~_ (de _Croonberch?_); _~ende een laege vlacke +afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons.~_” De veronderstelde +Noordhoek van Japan is, zoo als uit de Japansche kaarten te zien is en +uit de opneming van ~Broughton~ blijkt, slechts een gedeelte van de +kust, die zich van het oostelijkste uiteinde van _Nippon_ (kaap _de +Goeree_ of _Kurosaki_) in eene noordwestelijke rigting uitstrekt tot op +41° 34′ N.Br. Deze door ~Vries~ geziene Noordhoek is de kaap _Tane itsi_ +en de »_~laege vlacke afgaende hoeck~_,” de kaap _Misaki_ op de +Japansche kaarten, de eerste volgens ~Janssons~ kaart op 40° 10′, echter +door ~Sakusajemon~, ~King~ en ~Broughton~ 15′ tot 16′ meer noordelijk +geplaatst. Daar wij, alvorens wij van ~Vries~ Journael kennis namen, +vooronderstelden, dat de door hem benoemde _Noordhoek_ kaap _Misaki_ +was, omdat de op ~Janssons~ kaart daarvoor opgegevene breedte juist mede +overeenkwam, zoo hebben wij op onze kaart aan kaap ~Misaki~ den naam van +kaap _de Vries_ gegeven, terwijl wij aan kaap _Tane itsi_ den van ~von +Krusenstern~ gegeven naam _Pointe Nord_, ~King~, bijbehielden. Langs +deze kust tot op ongeveer 40° 23′ N.Br. heeft men op een afstand van 4 à +5 mijlen 72 à 100 vadem graauwe zandgrond. + +=Kaap Sirijasaki=, of de Noord-Oosthoek (_P. Nord-Est_, ~Krusenstern~.) +Aan onzen Nederlandschen zeevaarder ~Vries~ en aan den Engelschen ~King~ +bleef deze kaap onbekend. Op de, volgens oorspronkelijk Japansche, +ontworpen kaarten van de 17^{e} eeuw vindt men het noordelijk gedeelte +van _Nippon_ door omtrekken begrensd, die deze kaap duidelijk laten +herkennen. Zijne aardrijkskundige ligging echter hebben wij aan +~Broughton~ te danken, die dit voorgebergte den 9 Augustus 1797 +omzeilde, en hetzelve den 25 d. m. nader bepaalde en _Cape Nambu_ +noemde. Op deszelfs originele kaart is kaap _Nambu_ op 41° 15′ N.Br. en +141° 30′ O.L. geplaatst. ~Von Krusenstern~ berekende de ligging van deze +kaap op 41° 22′ 45″ N.Br. en 141° 30′ O.L., en ~Sakusajemon~ op 41° 25′ +N.Br. en 141° 46′ O.L. Op de kaart van »_the Kuril Islands from_ ~v. +Krusenstern~, ~v. Siebold~ _and_ ~Broughton~” uitgegeven in 1856, door +het hydrographisch bureau van de Admiraliteit te London, is ~von +Krusenstern~’s berekening bijbehouden. Digtbij liggen rotsen en een +eilandje _Rakosima_, d. i. Robben eiland genoemd. Op den 5 Junij was +~Vries~ op deze hoogte en zag »_~veel seerobben ende veel drift~_.” Het +diepte hier langzaam van 70 tot 100 vadem graauwe zandgrond. + +=De Kaap Toriwisaki= (_The North Point of Nipon_, ~Brought.~). Ook van +deze kaap hebben wij de aardrijkskundige ligging aan ~Broughton~ te +danken: »_a low flat point situated in the latitude 41° 31′ N. and 140° +50′ E. of Greenw._” Volgens ~Sakusajemon~ ligt deze echter 3′ +noordelijker en 20′ oostelijker, en op de kaart der Admiraliteit op de +breedte volgens ~Broughton~, maar 8′ oostelijker. Ook deze kaap eindigt +met een eilandje, _Benten_ genoemd, dat aan de Godin ~Ben zai ten~, eene +beschermster tegen zeemonsters, toegewijd is en met eene groep rotsen, +die zich gelijk naalden boven water vertoonen. + +Tusschen kaap _Sirijasaki_ en _Toriwisaki_ vormt de kust eene diepe +bogt, waar zich de haven van _Ohobata_ bevindt, die 20 Ri van de aan de +Oostkust gelegen haven van _Kuzi_ afligt. Verder westelijk van daar bij +_Ohoai_ is nog eene kleine havenplaats voor schepen, die naar de baai en +haven van _Awomori_ varen, waarheen 23 Ri gerekend wordt. Bij kaap +_Toriwisaki_ neemt de kust eene Z. Westelijke en vervolgens nog meer +zuidelijke rigting aan, en loopt alsdan bij kaap _Kusô domari_ naar +O.N.O. om; en dit noordelijkste uiteinde van _Nippon_ krijgt als het +ware de gedaante van een klein schiereiland, waar zich de _Jakejama_, +een uitgedoofde vuurberg in het midden van kleinere kegelbergen, 3200 +voet hoog verheft. Met het tegenoverliggend N. Westelijk uiteinde, +waarvan de noordelijkste hoeken _Tatsupisaki_ en _Takonosaki_ genoemd +worden, vormt dit schiereiland den ongeveer 2 mijlen wijden ingang der +baai van _Awomori_, die eene ruimte van 5 tot 6 □ mijlen beslaat, en met +den tijd voor de zeevaart belangrijk worden kan. Kaap _Tatsupisaki_ of +kaap _Tsugar_, die volgens ~von Krusenstern~ op 41° 16′ 20″ N.Br. en +140° 30′ O.L. ligt, vormt met de tegenoverliggende kaap _Tadeisi_ of _K. +Matsmai_ op _Jezo_, die op 41° 30′ N.Br. en 139° 57′ O.L. ligt den +westelijken ingang in de straat _Tsugar_, terwijl kaap _Sirijasaki_ en +de tegenover op _Jezo_ liggende kaap _Jesan_ volgens ~Broughton~ op 41° +49′ 20″ N.Br. en 141° 20′ O.L. den oostelijken ingang tot deze straat, +die op Japan _Kukinoseto_ genoemd wordt, beheerscht. + +Wij hebben deze aardrijkskundige uitweiding gemaakt, om den door ~Vries~ +langs de Oostkust tot naar den _Noordhoek_ van _Nippon_ het eerst +gebaanden weg verder nog aan te wijzen, en wel tot de haven van +_Hakotade_ op _Jezo_, die sedert den 31 Maart 1854 aan alle de +zeemogendheden, die met _Japan_ een tractaat van scheepvaart gesloten +hebben, geopend is. En zoo vinden wij het ook doelmatig, dezen +Zeemansgids met eene zeildirectie voor het inloopen in de straat van +_Tsugar_ en de baai van _Hakotade_ te sluiten. + +De Baai van _Hakotade_ ligt N.W. ½ W. op eenen afstand van omtrent 45 +Eng. mijlen van kaap _Sirijasaki_ op _Nippon_ verwijderd. Op deze hoogte +gekomen en de rotsen, die aan de Oost- en Noordzijde van deze kaap +uitsteken, vooruitgeloopen, bekomt men de kapen _Jezan_ en _Siwokubi_ +met het hooge land van _Jezo_ en de Noordkaap van _Nippon_ +(_Toriwisaki_) in het gezigt. Men houde aanvankelijk op kaap _Jezan_, en +vervolgens, kaap _Toriwi_ West peilende, op kaap _Siwokubi_ aan. Deze +ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De stroom, die de straat +in ’t Westen met eene snelheid van 5′ in het uur inzet, is in het midden +der straat het sterkst, namelijk tusschen kaap _Siwokubi_ en +_Toriwisaki_, waar de straat het naauwst, 10 tot 12 Eng. mijlen breed +is. Japansche vaartuigen, die naar de haven van _Ohobata_ zeilen, gaan +derhalve digt bij kaap _Sirijasaki_ voorbij en houden zich langs de +kust, waar de stroom minder bespeurd wordt; ook loopt hij, volgens de +mededeelingen van Japanners, bij _Toriwisaki_ digt bij de kust van +_Nippon_ W.t.Z. om en Z.W., hetwelk zich als eene terugstrooming van de +watermassa beschouwen laat, die de naauwte tusschen _Siwokuwi_ en +_Toriwisaki_ niet doorstroomen kan. De Noordkust van _Nippon_ is echter +klippig, en in het N.N.W. van het _Benten_ eilandje zijn gevaarlijke +ravelingen. Bij mistig weder en bij nacht is het niet raadzaam de straat +in te loopen. Stoomschepen kunnen zich met het hoofd in zee gemakkelijk +aan den ingang houden, totdat zij gelegenheid hebben binnen te loopen. + +Van den Noordhoek van _Japan_ naar de kaap _Jerimo_ op _Jezo_ +overstekende, werd aan boord van _Castricum_ 72 tot 100 vademen gewone +zandgrond gelood; men was vervolgens grond af, en vond op eenen afstand +van 4 mijlen N. van dezen uithoek weder 50 vadem zandgrond. Deze +waarnemingen kunnen tot maatstaf der diepte van den Oostelijken ingang +der straat _Tsuyar_ dienen. In het midden der straat vindt men 50 tot +130 vademen. Wanneer men den hoek van _Siwokubi_, die 12′ O.Z.O. ½ O. +van de stad _Hakodate_ ligt, gepasseerd is, kan men de masten der in de +haven voor anker liggende schepen, boven eene lage landengte +uitstekende, zien. Daarnaar neemt men nu zijnen cours. Bij het inzeilen +in de haven dient, bij helder weder, de 3169 voet hooge _Komagatake_ of +_Zadelberg_ tot gids. Nadat men op eenen afstand van 1 Eng. mijl (ten +einde de stilte onder de lagen wal te mijden) het 1136 voet hooge, door +eene lage landengte met het Oostelijk gedeelte der baai verbonden +voorgebergte, aan welks N.O. zijde de stad _Hakotade_ ligt, omzeild +heeft, houde men op den scherpen piek van den _Komagataki_, die Noord +strekt, aan, totdat de Oostpiek van den _Zadel_, die N.O. bij N. strekt, +zich Westelijk van den ronden knop op de kant van het _Zadelgebergte_ +bevindt[63], alsdan hale men van N. naar O. over, tot dat men het +midden van den zandheuvel op de landengte Z.O.t.O. ¾ O. van zich heeft. +Zoo doende vermijdt men eene droogte, die aan het Westeinde der stad in +eene N.N.Westelijke rigting ⅔ mijl uitstrekt. Alsdan brengt men den +zandheuvel op de bakboordzijde, en loopt door, tot dat men den Westhoek +der stad Z.W. ½ W. van zich heeft, waar men den besten ankergrond op 5½ +tot 6 vadem diepte vindt. Minder groote schepen kunnen tot op ¼ mijl den +hoek van _Tsuki_ digt bij de stad naderen. In geval men bij mist of +betrokken lucht den Piek of den Zadel niet onderkennen kan, sture men, +nadat men, zoo als gezegd, het voorgebergte omzeild heeft, N.O. ½ O., +totdat men den sandheuvel in de opgegevene rigting voor zich heeft. Bij +ongunstigen wind vindt men op de buitenree op 25-12 vadem goeden +ankergrond. De diepte aan den mond der baai is omtrent 30 vadem en +droogt allengs tot 6 en minder op. _Hakotade_ (de mond der rivier +_Kameta_) ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De miswijzing +van het kompas is 4° 30′ W. Hoog water bij nieuwe en volle maan 5 uur. +De grootste rijzing en daling van het water bedraagt 3 voet. + + [63] „Steer for the sharp peak of Kamagataki, bearing about north, + until the east peak of the Saddle, bearing about N.E. by N. opens + to the westward of the round knob on the side of the mountain.” + Sailing directions for Hakotadi, by Lieut. ~Wm. L. Maury~, in + ~Hawks~ _Narrative_, pag. 691. + + + + +IV. DE ONTDEKKING VAN HET LAND VAN JEZO. + + +Van den vermeenden »_Noordelijcke hoeck van Japan_” had ~Vries~ den +koers N.N.O. genomen en bevond zich ’s middags den 7 Junij op 162° 1′ O. +v. Teneriffe (volgens onze verbetering op 143° 39′ 36″ O. v. GR. en op +41° 24′ bevonden N.Br.)[64]. Van daar tot op 40° 36′ N.Br. heeft men 70 +tot 100 vademen graauwen zandgrond, langzaam opdiepende totdat men grond +af is. Zij hadden ’s ochtend omtrent 10 uur hoog land gezien. Dit was de + + [64] Langs de oostkust van _Nippon_ hebben wij op de lengtebepalingen + van ~Vries~ niet gelet, omdat in het Journaal gedurende dezen + togt de afstand van de Japansche kust telkens naauwkeurig + opgegeven is. Wij hebben echter opgemerkt dat de in het Journaal + opgegevene gegiste lengte van het eiland _Fatsisjo_ met ongeveer + +2° moest verbeterd worden. Die van den hoek _Bosho_ levert reeds + een verschil van +2° 22′ O. en die van Kaap _Misaki_ en Kaap + _Taneitsi_ ruim +3° O. op. Volgens deze verbetering zoude zich + ~Vries~ op den middag van den 7 Junij op 143° 39′ 36″ O.L. v. + Greenw. bevonden hebben, en den »_S.O.hoeck van Eso_” Kaap + _Jerimo_, 9 à 10 mijlen uit het N. peilende, op 41° 24′ N.Br. + Beide waarnemingen zijn, voor zoo verre wij tot heden de + aardrijkskundige ligging van den Z.O.hoek van _Jezo_ kennen, zeer + goed; de lengte verschilt bijna niets met die van de kaart van + den Hof-sterrekundige en de breedte +9′ met die op ~Broughton~’s + originele kaart. + +=Kaap Jerimo=, de Z.O.hoek van _Jezo_ (_Eroen_ of _Groen_, ~Vries~) +»_een hoogen steylen hoeck_,” en ligt volgens ~Broughton~’s orig. kaart +op 41° 53′ N.Br. en 142° 55′ O.L. Volgens ~Sakusajemon~’s kaart echter +op 41° 56′ N.Br. en 143° 39′ 10″ O.L. Omtrent 4 mijlen van dezen hoek +loodt men 50 vademen zandgrond en 3 mijlen daarvan 24 vad. schulpige +zandgrond. Men kan den hoogen hoek tot op ½ mijl naderen en vervolgens +langs den wal op de diepte van 20-24 vad. sturen. »_Van d^{o}. hoeck +streckt het land N. ende is hier hooch dubbelt lant ende op de toppen +bedeckt met sneeuw._” + +Den Z.O.hoek Z.W. ½ Z. 5 mijlen afstand peilende, heeft men in het +N.W.t.N. »_een groote bay ofte inbocht_.” Dit is de baai van _Firoro_. +~Vries~ nam een’ N.O. koers langs den wal; het was mistig weer, de zee +liep om de N., hem naar den wal zettende, waar hij op 26 vademen grove +zandgrond ankerde; zij konden de landzee hooren ruischen. De hoek van +deze ankerplaats wordt + +=Cabbeljaus hoeck= genaamd en is waarschijnlijk de lage uithoek digt bij +_Tobui_ in de rivier _Monbets_, waar het hooge land afvalt. _Tobui_ ligt +35′ noordelijker en 18′ oostelijker als de plaats _Saruru_, wiens +breedte door de Hof-astronomisten op 42° 7′ N. en de lengte op 143° 56′ +O. bepaald is. Dit laatstgenoemde oord is eene Japansche wachtplaats, en +mogelijk zou men aan den mond van de rivier kunnen ankeren. Van +Japansche schepen wordt die plaats sedert eene eeuw bezocht. Ik merk +zulks op, omdat in het Journaal gezegd is: »_Voorts heeft de cust veel +bochten, maer can niet geanckert worden daer men voor de see beschut +licht_.” Den 9 Junij op 15 vadem singelgrond ten anker gekomen, wordt ’s +middags de breedte van 42° 44′ N. berekend en de Z.O.hoek van _Jezo_ 12 +mijlen Z.W.t.Z. en een lagen hoek (_Cabbeljaus hoeck_) 6 mijlen Z.W.t.W. +gepeild, »_hadden noch een hoeck, in ’t N.O. ½ O. 6 of 7 mijlen van ons +(Goutsioer), alwaer wel een revier geleeck bij in te strecken soo wy +sien conden; saegen noch lant in ’t O.t.N._” + +~Vries~ bevondt zich zoo mede in een afstand van ½ mijl van het +aanzienlijke dorp _Tokatsi_, (_Tocaptie_, ~Vries~), waar de rivier +_Usibets_, eene van de grootste op de Oostkust van _Jezo_ uitwatert, en +de kust zich in eene lage bogt terugtrekt. + +Op de originele kaart van ~Vries~[65] staan de woorden: »_Alhier +(Tocaptie) komt haar ’t eerste vaartuyg van dit Land aan boort, daarin +syn twee mannen en een jongen, veel silver om haar hebbende en wijsen na +’t gebergte, dat daer silver in overvloet is_.” Deze eerste ontmoeting +met de inboorlingen van _Jezo_ wordt in het Journaal meer breedvoerig +verhaald. Met uitzondering van eenige vroegere mededeelingen omtrent +dezen merkwaardigen landaard, die wij in de brieven van de Christelijke +zendelingen in de 16 en 17 eeuw vinden[66] en eenige bijzonderheden +daaromtrent door de reisgenoten van ~Vries~ in de 17 eeuw bekend +gemaakt[67], behoort de beschrijving van dit volk, zoo als ook van zijne +zeden en gebruiken aan verscheidene plaatsen van het Journaal +ingelascht, tot de belangrijkste bijdragen, welke wij door Europische +zeevaarders van dezen volksstam, thans bekend onder den naam van +_Aino’s_ of de _ruige Kurilen_, verkregen hebben. Om echter onze +geo-hydrographische toelichtingen niet telkens af te breken, zullen wij +aan den volkstam der _Aino’s_ een bijzonder hoofdstuk aan het slot dezer +verhandelingen toewijden. + + [65] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n^{o}. 11. E. + + [66] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum Volumen._ Coloniae. + 1574. in 8^{o}. pag. 426. ~Nicolaes Witsen~, _Noord-Oost + Tartarye_, Deel II, pag 57. „_Bericht wegens het rijk Jesso, + volgens zekeren brief van den vader_ ~Hieronymus de Angelis~, + _geschreven in ’t jare 1622._” + + [67] _Beschrijvinge van het Eylandt Eso soo alst eerst in ’t selvige + jaer door het Schip Castricum bezeylt is._ Tot Amsterdam. 1646. + Vergelijk daarmede ook ~N. Witsen~, Deel II, pag. 50. + +De =Bogt van Tokatsi= heeft haren naam van het dorp dat aan den +noordelijken mond van de deltavormige uitwatering der rivier _Usibets_ +op 42° 39′ N.B. en 144° 22′ O.L. ligt. De kust is laag en in het zuiden +van _Tokatsi_ moerassig; daar bevinden zich verscheidene meeren, waarvan +die van _Jeutô_ het grootste is. + +=De Rivier en de hoek van Kusuri=, ongeveer 33′ in het N.O. van +_Tokatsi_, loopt de _Kusuri_ (_Goutsioer_, ~Vries~) in zee en het lage +stroomgebied van dezelve vertoont zich als eene opening van het land, +die ook door ~Broughton~ gezien en op zijne kaart aangeteekend is. Deze +rivier is de grootste van de Oostkust van _Jezo_ en bestaat uit de +vereeniging van twee armen, waarvan de oostelijke uit een binnenmeer aan +den voet van den berg _Otosja_ (het heeft den naam van _Kusuri_) en de +westelijke ook uit een binnenmeer aan den voet van den berg _Akani_ +ontspringt en daarvan _Akanibets_ (_bets_ is rivier, beek) genoemd is. +Deze beide hooge pieken behooren tot de bergketen, waarvan het Z.W. +gedeelte, volgens ~Jansson~’s kaart, »_de Blaauwe berg_” en het N.O. +uiteinde »_Batavias bergh_” door ~Vries~ genoemd is. Ook ~Broughton~ +vermeldt den eerstgenoemden onder den naam van _Peaked Hill_, en peilde +op 42° 47′ N.Br. dien piek N. 9° O. en de opening van het land (den mond +van de _Kusuri_) N. 21° O., op eenen afstand van 12 tot 15 Eng. mijlen. +Het stroomgebied van den _Kusuri_ is van de _Ainos_ bewoond, die langs +de beide armen eenen weg naar de binnenmeeren van _Kusuri_ en van +_Akani_, en van daar langs de rivieren _Sjaribets_ en _Ikutsinakots_ +naar de Noordkust van _Jezo_ gebaand hebben. Eenige Eng. mijlen +oostelijker van de uitwatering en van de _Kusuri_ steekt een hoek uit, +aan welke wij den naam van Kaap _Kusuri_ gegeven hebben. De meergemelde +opening van het land vormt met deze kaap eene baai, waar, zonder +twijfel, schepen eene goede tegen de N.O. en Oostelijke winden +beschermende ankerplaats zullen vinden. Deze van geen europeschen +zeevaarder tot nu toe bezochte kustenstreek bevelen wij aan hunne +bijzondere aandacht en hebben derhalve dezelve meer breedvoerig, volgens +de Japansche kaarten en berigten, beschreven. + +Van zijne ankerplaats bij _Tokatsi_ nam ~Vries~ zijnen koers Oost tot op +eenen afstand van ongeveer 50 Eng. mijlen van de kust; daar geen land +ontdekkende, stelde hij den koers N.O. en vervolgens N., om het land in +het gezigt te krijgen. Den 11 Junij ’s middags bevond zich ~Vries~ op +43° 10′ N.Br., 2½ mijl van het land, op de diepte van 27 vadem zwarten +zandgrond. Van deze hoogte zijn drie voor de zeevaart belangrijke punten +van de Oostkust bepaald geworden; in het W.t.Z. 6 mijlen afstand de kaap +_Seriba_ (_Santanel_ ~Vries~), die de Zuidelijke uithoek van den ingang +in de _Baai de Goede Hoop_ is, dan in het N.O. 4 à 5 mijlen afstand de +_Kaap de Manshooft_, en in het W.t.N. ½ N. eene rivier, de +_Hokirarubets_ bij _Biwase_. Ook zijn de digt aan den mond dezer rivier +gelegene eilandjes _Fujutar_ en _Kitafu_ en een eiland aan den ingang +der baai _de Goede Hoop_ gelegen, door de Japanners _Daikoksima_, door +de _Aino’s_ _Horomosiri_ en door ~Vries~ _van der Lyns eylant_ genoemd, +waargenomen geworden. + +=De Kaap Seriba= (_Santanel_ ~Vries~) vormt den Zuidelijken wal en kaap +_Harasan_ (_Caep Maetsuyker_) den Noordelijken wal van den ingang der +baai _de Goede Hoop_, waar voor een eilandje ligt, door de Japanners +_Daikoksima_ (d. i. het eiland van den god van den rijkdom) en door +~Vries~, na zijne terugkomst in deze baai, _van der Lyns eiland_ +genoemd. Dit eilandje is door eene reeks klippen met den Noordelijken +wal verbonden, en van den Zuidelijken wal steekt een rif met rotsen +boven water 1½ mijl O.Z.O. in zee uit. Kaap _Seriba_ ligt 8′ Zuidelijker +en 5′ Westelijker als _Atkesi_ of _Akkes_, de voornaamste plaats in de +baai, die door den Hofsterrekundige op 43° 2′ N.Br. en 145° 34′ 27″ O.L. +geplaatst is. Op ~Broughtons~ originele kaart is de ingang met het +voorliggend eilandje en eenige rotsen onder 43° 0′ N.Br. en 144° 36′ +O.L. aangestipt. Volgens ~Vries~ zoude dezelve op ongeveer 43° 5′ N.Br. +te leggen komen. + +=De Baai de Goede Hoop= verdient dezen naam, aan haar door onzen +vermaarden zeevaarder gegeven, die daar van 16 Augustus tot 1 September +zich ververscht en zijn schip hersteld heeft. Dezelve is naast die van +_Hakotade_ de beste van _Jezo_, en op de Z.O. kust de eenige veilige +haven voor grootere vaartuigen. + +Van de baai _de Goede Hoop_ heeft ~Nicolaes Witsen~[68] eene schets +volgens oorspronkelijke handteekeningen medegedeeld, die in vergelijking +met het plan van ~Atkis~, in 1793 door den Russ. Lt. ~Laxmann~ +opgenomen[69], en met de beide kaarten van _Jezo_ van ~Sakusajemon~ en +van ~Mogami Toknai~[70], voor zoo verre de buitenbaai betreft, goed +overeenkomt. Volgens deze schets is de buitenbaai ruim 3 mijlen diep en +2½ mijlen wijd, met hoog land omgeven; het vaarwater in het midden is +ruim, zuiver en 15 tot 6 vademen diep kleigrond; alleen langs de +Oostkant in het Zuiden van eenen steilen uithoek, die »_Caep Swers_” +genaamd is, liggen eenige rotsen en klippen, insgelijks aan de in eene +bogt zich uitbreidende Westzijde. De ingang is in het Zuiden, zoo als +gezegd, door het _van der Lyns eiland_ en een ander eilandje, +_Bonmosiri_, waarvan zich eene reeks rotsen naar kaap _Maetsuycker_ +uitbreidt, en door een van kaap _Seriba_ O.Z.O. vooruitstekend rif +beperkt en ongeveer eene mijl wijd. In het N.O. ligt de binnenbaai. +Volgens de beschrijving van den verdienstelijken stuurman ~Coen~ en de +plans van ~Laxmann~ en de Japansche aardrijkskundigen vormt die +eene kom, die ongeveer 2 mijlen wijd is, echter ondiep en vol +oesterbanken, en in het midden laag, vlak, verdronken land--vier à vijf +eilandjes--heeft; zij is met bergachtig land omgeven en door groote +valleijen doorsneden, waar volgens ~Sakusajemon~ en ~Toknai~ twee +rivieren en verscheiden kleine beeken uitwateren. De Noordelijke rivier +noemt _Tokisijarubets_, de Westelijke _Ukorubets_, beide alhoewel ondiep +zijn met kleine booten 2 à 3 mijlen opwaarts bevaarbaar. Langs de eerste +en eene andere verder naar het Oosten loopende rivier, _Kokopebets_, +verkeeren de _Aino’s_ met de in het O. gelegene _Baai van Laxmann_, de +stapelplaats van den handel met de Kurilen, en langs de tweede met hunne +landgenooten langs de _Kusuri_ rivier. Deze met den tijd meer en meer +toenemende handelsverbinding met het binnenland van _Jezo_ en met de +Kurilische eilanden en de voor de zee- en kustvaart gunstige ligging der +baai _de Goede Hoop_ geeft aan deze zeeplaats een goed vooruitzigt, en +daartoe zal, daar de haven van _St. Peter en Paul_ op het schiereiland +van _Kamtschatka_ sedert de oprigting van die van _Aian_ en eene in de +baai _de Castries_ zijne beteekenis verloren heeft, een der +belangrijkste punten voor de handels- en oorlogschepen in het +Noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan kunnen worden[71]. Ten tijde +van het bezoek der baai door het fluitschip _Castricum_ was slechts +_Atkis_ van eenige _Aino_-familien bewoond; thans vindt men reeds meer +dan twintig gehuchten rondom de baai door _Aino’s_ en Japansche +visschers bewoond. + + [68] _Noord- en Oost-Tartarye_, Deel I. AA. pag. 66. + + [69] ~von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Atlas n. 104. + + [70] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2. Die Insel + _Jezo_ und die Japanischen Kurilen nach einer Originalkarte von + ~J. Sakusajemon~, Bai von _Atkesi_ nach ~M. Toknai~. + + [71] De schrijver dezes heeft daarom reeds in 1852, toen hij een + ontwerp van een gezantschap naar _Japan_ en van een tractaat met + dat rijk te sluiten, aan Z. E. den toenmaligen Minister van + Koloniën aanbood, in § 4 gezegd: „worden twee stations voor + stoomscheepvaart, een in het Noorden van het rijk, _de Baai van + de Goede Hoop_ op _Jezo_ enz. aangewezen.” Vergelijk hiermede het + _Rapport aan Z. M. den Koning_ over de Japansche aangelegenheden, + uitgebragt door Z. E. den Minister van Koloniën, onder + dagteekening van 12 Febr. 1855. Art. 4. l. + +Tot aan het inkomen van de baai loodt men 27 tot 18 vademen zandgrond. +Alsdan loopt men bij Westen van den steilen hoek van _van der Lyns +eiland_ binnen, latende een ronden steilen hoek (kaap _Seriba_), waar +een rif O.Z.O. ver uitsteekt, aan bakboord liggen. Binnen den hoek van +het eiland gekomen, neemt men den koers N.N.W. op 15 tot 6 vademen +kleigrond naar eenen scherpen steilen hoek (door ~Vries~ _Caep Swers_ +genoemd), dien men achteromloopt om ten anker te komen. + +Achter dien hoek is eene smalle bank, waarop bij laag water 10-11 voet, +bij gewoon hoog water 15-16 voet, maar binnen dezelve 5-7 vadem water +staat, en natuurlijk bij springvloed nog hooger[72]. Men komt hier regt +voor het dorp _Atkis_ op 5 vademen kleigrond ten anker. Ook vindt men +achter het _van der Lyns_ eiland op 8 vademen kleigrond eene goede +ankerplaats, waarvan men na het binnenkomen of voor men uitzeilt een +voordeelig gebruik kan maken. Om zich te ververschen en schepen te +herstellen, wel ook om des noods daar te overwinteren, biedt thans reeds +deze haven de beste gelegenheid. Men kan zich daar met water, visch, +kabeljaauwen, steuren, roggen, tongen, brand- en scheepsbouwhout ruim +voorzien. Digtbij in de bosschen groeijen zware eiken, vuren, berken, +wilgen, linden en noteboomen[73]. Ook vindt men daar aalbeziën, +frambozen[74] en _appelties van roosen_[75]. In den winter zal men hier +beeren, herten en vogels vinden; in den zomer is het moeijelijk in de +digtste bosschen en het hooge rietgras te jagen. Thans, waar deze baai +van Japansche visschers en kooplieden bezocht is en zich daar +waarschijnlijk ook eene Japansche volkplanting nedergezet heeft, zullen +ook andere ververschingen en levensbehoeften te verkrijgen zijn. + + [72] „_Hier in de bocht ende ree van Ackys maeckt een O.N.O. ende + W.S.W. maen hoochwater._” + + [73] Voor scheepsbouw zijn bijzonder geschikt de _Pinus jezoensis_ (in + de Aino-taal _Fuppo_ genoemd), _P. densiflora_ (_Kui_), _Abies + bifida_ (_Sunk_), _Q. dentata_ (_Gomuni_) en eene andere + eiksoort, _Beroni_. Ook leveren berken (_Tatsbi_), linden + (_Kobergen_) en ahorn (_Fusini_ en _Tobeni_) goed timmerhout. + + [74] _Rubus palmatus_ (_Imare fureppi_). + + [75] Het zijn de vruchten van _Rosa rugosa_ en _Kamtschatica_ (_Mau_), + die van de _Aino’s_ en Kamtschadalen algemeen gegeten worden. + +=Kaap Maetsuycker.= Zoo werd door ~Vries~ de Oostelijke uithoek van den +ingang der baai _de Goede Hoop_ genoemd en van daar tot zoo ver de kust +N.O. strekt door eene voortreffelijke afteekening van het land kenbaar +gemaakt[76]. Op ~Jansson~’s kaart is deze hoek ook zoodanig genoemd; in +het Journaal vinden wij echter niets van deze kaap gewaagd. Op de +Japansche kaarten noemt men het _Harasan_ en ligt ongeveer 3′ à 4′ +N.N.O. van _Atkesi_. De reeks van rotsen, die zich van daar naar _van +der Lyn’s_ eiland uitbreiden en waar bij laag water niet meer als 5 voet +water staat, maakt zelfs aan booten de doorvaart naar de baai +gevaarlijk. Voor Japansche en andere kleine vaartuigen bevinden zich +langs deze kust nog twee ankerplaatsen, als: + + [76] ~Nicolaes Witsen~, Deel II. A. pag. 65. + +=De haven van Biwase= en de reede bij de _Iruri_ eilandjes. De eerste +ligt 50′ oostelijk en eenige minuten noordelijk van _Atkesi_, eene +kleine baai aan den mond van de rivier _Hokiurbets_ gelegen en door +twee eilandjes _Kîtafu_ en _Binebisjo_ (volgens ~Laxmann~ _Tsigab_ en +_Kikumushiri_) en verscheidene hooge rotsen (vijf?) in het Oost en +Zuidoost beschermd. Het is de rivier, die den 11 _Junij_ ’s middags aan +boord van _Castricum_ W.t.W. ½ W. gepeild is; de eilandjes zijn voor +land gehouden, waar »_eenige clipies onder de wal liggende boven water_” +gezien worden. De laatste ligplaats is op verscheidene Japansche kaarten +aangewezen, doch de ligging en de afstand van de _Iruri_ eilandjes van +de kust is nog twijfelachtig. Volgens de kaart van ~Mogami Toknai~[77] +en de originele kaart van ~Broughton~[78] en ook volgens eene oude +handschriftelijke kaart, ons door eenen Japanschen geneesheer ~Fukutsi +Gensok~[79], die lang op _Jezo_ geweest is, medegedeeld, liggen dezelve +digt bij Kaap _Usu_, hetwelk wij voor »_Caep de Manshooft_” van ~Vries~ +houden. Het zijn twee grootere en een kleiner eilandje _Iruri_, +_Moiruru_ en _Kinasitomari_ genoemd. Ook op het plan van ~Laxmann~ +liggen deze eilandjes (zij zijn _Erori_ genaamd) in het oosten van een +uithoek, waarop zich de plaatsnaam _Otishi_ (_Otsisi_) die op alle +kaarten digt bij kaap _Usu_ geplaatst is, aangeteekend bevindt. Op de +landverkenning van ~Vries~[80] zijn verscheidene eilandjes kenbaar en in +het Journael is gezegd: _Hier (Caep de Manshooft in het N.W.t.W. 2 +mijlen van ons ende was diep 25 vademen swart santgrond) is al slecht +lant, niet hooch, sonder geberchte, saegen toen in ’t N.W.t.W. van ons +een rif, daer het seer op barnde, ende lag omtrent een mijl van lant, +ende om de N.O. van de Caep de Manshooft lach een vlack eylantien met 3 +cleijne berchies, het N. eynt van d^{o}. eylantie lach N.N.O. 3 mijlen +van ons._ Het rif vindt zich juist zoo op ~Laxmann~’s plan aangegeven en +daardoor wordt ook bevestigd, dat de kaap _Usu_ de + + [77] ~Von Siebold~’s _Atlas von Land- und Seekarten_. N^{o}. 2. A. + + [78] _Catalogus librorum ac manuscriptorum Japonicorum a_ ~Ph. Fr. de + Siebold~ _collectorum Lugduni-Batavorum 1845._ N^{o}. 177. + _Jezono dsu_, ~Mogami Toknai~ _geographi Jap. illustrissimi + mappae geographicae quinque._ + + [79] _Catalogus librorum et manuscriptorum Japonicorum_, N^{o}. 178. + „_Matsumaë Jezono dzu_ est viro tabula geogr. exhibens insulam + _Jezo_ cuius caput est _Matsumaë_.” + + [80] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. A. + +=Caep de Manshooft=, ~Vries~, is. Op ~Sakusajemon~’s kaart ligt dezelve +op 43° 11′ N.B. en 146° 14′ O.L. en zoude volgens de peilingen aan boord +van _Castricum_ op den 14 Augustus gedaan, op 43° 16′ N.B. liggen, en is +zeer kenbaar beschreven: »_gaeven dien hoeck de naam van Caep de +Manshooft, omdat hij hem vertoont als een hooft._” Van deze kaap steekt +de kust N.O. en loopt in eene smalle, lage, 50 minuten lange landtong, +kaap _Nossjam_ uit, die door ~von Krusenstern~ kaap _Broughton_ genoemd +en op 43° 38′ 30″ N.B. en 146° 7′ 30″ O.L. geplaatst is. Noch ~Vries~, +noch ~Broughton~ hebben echter deze landtong als het oostelijkste punt +van _Jezo_ herkend en geweten, dat om de W. van deze landtong een straat +bestond, die het eiland _Jezo_ van _Kunasiri_, het zuidelijkste van de +_Kurilen_, afscheidt. Wel bevindt zich reeds op de kaart van de Keizerl. +Akademie te St. Petersburg, in 1758 uitgegeven, het eiland +»_Kunaschir_,” door eene straat van _Jezo_ afgescheiden[81], en +waarschijnlijk is zulks volgens de waarnemingen van ~Spangberg~ en +~Walton~ geschiedt; de ontdekking echter dezer straat moeten wij aan +~Laxmann~ (1792) toekennen. Zijne kaart bleef echter tot het begin van +deze eeuw in het Archief te _Kamtschatka_ liggen. Aan den vermaarden +Admiraal ~Golownin~ en zijnen bevrijder uit de Japansche gevangenschap, +Admiraal ~Ricord~, heeft men eene nadere kennis van deze straat, waaraan +~von Krusenstern~ den naam van straat _Jezo_ gegeven heeft, te danken. +Alvorens wij met ~Vries~ de oostkust van _Jezo_ verlaten, moeten wij +nog opmerken, dat ~von Krusenstern~ bij vergissing de baai van _de Goede +Hoop_ tweemalen op zijne kaart van _Jezo_ geplaatst heeft, eenmaal +onder den naam van baai _de Goede Hoop_, volgens ~Janssons~ kaart, +andermaal onder die van baai van _Atkesi_ volgens het plan van +~Laxmann~[82]. + + [81] _Nouvelle Carte des découvertes faites par de vaisseaux Russiens + etc._ in ~Muller~’s _Découvertes etc._ + + [82] Ik had het genoegen den grooten zeevaarder, bij mijn verblijf te + St. Petersburg in 1834, van dezen misslag te mogen overtuigen. + +=De Coen’s eilanden.= In het Noorden van kaap _Broughton_ breidt zich +het eiland _Kunasiri_ in eene wijde bogt uit, waarin verscheidene kleine +eilanden liggen. Deze bogt heeft ~Vries~ en ook nog ~Broughton~ voor een +gedeelte van de kust van _Jezo_ gehouden. De kleinere eilanden werden +echter juist onderscheiden, opgenomen en beschreven, en _Barbaren_ +eiland, de _Gebroocke_ eilanden van _Tamary_ en het _Walvisch_ eiland +benoemd; het grootste daarvan, in het N.O. gelegen, vooronderstelde +~Vries~ een berg te zijn, die bij het »_Lant van Eso_” behoorde. Dezen +berg noemde hij den _Santberg_ en den vermeenden Oostelijksten uithoek +van _Jezo_ »_Caep Canael_ of _Caep Diemen_”. + +Op zijne heen- en terugvaart zien wij onzen stouten zeevaarder tusschen +deze groep van eilanden dagen lang met tegenspoed van wind en weder +worstelen, en vooral is het de digte en lang aanhoudende mist in deze +gewesten, die zijnen loop deed staken, den gezigteinder beperken en +zijne waarnemingen verhinderen. + +De onderlinge ligging dezer eilanden is door de kompaswaarnemingen op +den 12 Augustus, waar zich _Vries_ op 43° 46′ N.Br. bevond, als volgt +bepaald geworden: _Caep Canael_ (N.O. hoek van het eiland _Sikotan_) 5 +mijlen N.N.O. ½ O., het _Walvisch eylant_ (_Taraku_) N.W. ½ W. 1½ mijl +en de _Gebroocken_ eilanden W.Z.W.; en denzelfden dag ’s avonds op 43° +42′ N.Br. het _Barbaren_ eiland W.Z.W 1½ à 2 mijlen, het _Gebroocken_ +eiland N.O.t.O. 1 mijl, en nog een _lang vlack eylant_ N.W. 1½ mijl. +Daarbij voegen wij nog de peilingen van de op 43° 26′ N.Br. ontworpen, +door ~Nicolaes Witsen~[83] medegedeelde kustverkenningen: _Barbaren_ +eiland (Westpunt) N.W. ⅔ W. 2 mijlen, _Gebroocken_ eilanden N.W. ½ N. 3 +mijlen. Ook kunnen de op den 13 Junius op 43° 28′ N.Br. 1 mijl in het +Z.W. van het _Barbaren_ eiland voor anker gedane waarnemingen iets tot +de bepaling van de ligging dezer eilanden bijdragen. _Caep de Manshooft_ +W.t.N. 3 mijlen, het _eylant met 3 berchies_ N.W. ½ N. 2 mijlen, _een +groot recif_ N.t.W. ½ W. 1 mijl, N.W. ½ N. 3 mijlen een laag eiland, +N.N.W. ½ N. de Piek en N.O.t.N. ¼ O. _een vlack eilant_ 1 mijl, het +_Barbaren eilant_. Ook lag _een partij clippen boven en een deel onder +water_ O.t.N. 1 mijl. + + [83] ~N. Witsen~, Deel II. pag. 65. E. + +»_Dese voorschreven eylanden syn 1, 1½ à 2 mylen lang, hebbende veel +cleyne eylandekens ende clippen by haer liggen, after dese eylanden op +het vaste lant_ (het eiland _Kunasiri_) _legt een kennelycke berch boven +met een keep (de Piek Antony) ende leyt alleen._” + +Deze berg, dien wij later nader zullen leeren kennen, is, omdat hij 20 +mijlen ver uit zee kan gezien worden, hier een belangrijk punt van +verkenning. De eilanden en rotsen, wier met namen beteekend getal op +~Sakusajemons~ kaart[84] op tien aangegeven is, en zich op ~Toknai~’s +kaart[85] op 12 grootere en kleinere eilandjes en meer dan 30 rotsen +beloopen, en meestal met de _Aino_-namen voorzien zijn, maken eene +aanzienlijke groep uit, die zich van kaap _Broughton_ N.O. tot den +»_Santberg_” (het eiland _Sikotan_) uitbreidt en ongeveer 45′ in lengte +beslaat. Wij hebben aan dezelve op onze verbeterde kaart van _Jezo_[86] +den naam van den verdienstelijken stuurman ~Cornelis Jansz. Coen~ +gegeven, zijnde hij de man aan wien wij de eerste aardrijkskundige +beschrijving daarvan in zijn Journaal te danken hebben. + + [84] Volgens ~Sakusajemon~’s kaart noemen deze eilandjes en rotsen + naar hare N.O. strekking: _Sîsjo_, _Utsuki_, _Akiroro_, _Juru_, + _Harukaru_, _Sibots_, _Imukusibe_, _Taraku_, _Itasibets_ en + _Kabiof_. + + [85] Volgens ~Toknai~’s kaart zijn de eilandjes naar hare grootte: + _Sîsjô_, _Sibjuts_, _Taraku_, _Juru_, _Akiroro_, _Harukaru_, + _Onekinasi_, _Tomari_, _Moimosiri_, _Utsuki_, _Masirika_, + _Honkinasi tomari_ en _Monrika_ genoemd. De rotsen en klippen + willen wij overslaan en nog bemerken, dat _onsiri_ in de + _Aino_-taal eiland en _tomari_ verblijf of dorp beteekent, en dat + bij al deze namen _mosiri_ (_muschir_, Russische uitspraak) + gevoegd is. Op de oude kaart van _Jezo_ van den bovengenoemden + geneesheer ~Kensok~ zijn ook reeds negen eilandjes met namen + opgegeven, en noemen naar hare grootte: _Sîsjo_, _Sirots_, + _Kinasitoma_, _Juru_, _Harukaru_, _Akiroro_, _Monrika_, _Uritsi_ + en _Mojomosiri_. + + [86] ~von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_, n. 2 en n. 2 A. + +Met dat al is het moeijelijk volgens deze door de Japanners, door +~Vries~ en ~Coen~, en ook door ~Broughton~ gedane waarnemingen, de +juiste ligging van de vier aanzienlijkste dezer eilanden juist te +bepalen, en wij dienen ons vooreerst nog aan de ligging van dezelve op +~Sakusajemon~’s kaart te houden. Voor zoo ver de door ~Vries~ aan +dezelve gegeven namen betreft, zoo houden wij het daarvoor, dat _Juru_ +het _Barbaren_ eiland, _Sibotsi_ de _Gebroocken_ eilanden, _Taraku_ het +_Walvisch_ eiland, en het lange eiland op den 13 Junius N.W. ½ N. 3 +mijlen van de ankerplaats, _Sîsjô_ is. De diepte wordt van 25 tot 65 +vademen zandgrond langzaam naar de eilanden toe opdroogende, en in het +Z.O. van het _Walvisch_ eiland 70 tot 120 vademen singelgrond[87] +bevonden en op de heenreis eene Noordelijke en op de terugreis eene +N.Oostelijke strooming waargenomen. + + [87] Singelgrond is langs de Oostkust van _Japan_ en het land van + _Jezo_ een kenmerk, dat men niet ver van den mond eener rivier + is. + +=Het Eilant Sikotan= (_Tschikotan_, Russ.). Het is de »_Santberg_” van +~Vries~ en onbegrijpelijk, dat deze zeevaarder en zijn bekwame stuurman +dit ver van het vermeende »_Lant van Eso_” afgescheiden eiland niet +herkend, en voor eenen berg en den Oostelijken uithoek van dit land, die +hij _Caep Canael_ of _Diemen_ noemde, gehouden heeft, en wij meenen deze +vergissing alleen aan de digte, aanhoudende mist te moeten wijten. +~Broughton~ heeft _Sikotan_ op den 6 en 7 October 1796 omzeild, zijne +aardrijkskundige ligging bepaald, en aan hetzelve den naam gegeven van +den Russischen Kapitein ~Spangberg~, die het in de maand Julij 1739 +bezocht had[88]. Door ~Golownin~ werd in 1811 de aardrijkskundige +ligging nog juister bepaald, en in 1812 en 1813 de Oost- en Noordkust +door ~Ricord~ en zijnen opvolger, aan boord van de _Diana_ omzeild. +~Spangberg~ bepaalde de breedte reeds op 43° 50′; volgens de kaart van +~Janssen~ ligt _Caep Canael_ op 44° 7′, doch volgens ~Vries~ +waarnemingen van den 10 Augustus ’s middags, op 43° 56′ N.Br., hetwelk +met die van ~Golownin~ en van de Hof-astronomisten van _Jedo_ op eenige +minuten na overeenkomt, te weten 43° 52′ en 43° 58′ N.Br. De lengte van +~Golownin~, 146° 43′ 30″ O., verdient vooreerst nog de voorkeur, +verschillende 9′ van die op ~Broughton~’s originele kaart, waar het +midden van het eiland op 146° 52′ O.L. geplaatst is. _Sikotan_ strekt 5 +Eng. mijlen Z. en N. en O. en W., en is kennelijk door den »_Santberg_”. +Men vindt daar water, brandhout en eenige vruchten. Kapitein +~Spangberg~, die digtbij op 8 vadem zandgrond ten anker gekomen was, nam +dennen, elzen en andere boomen waar, ook ontmoette hij inboorlingen, die +zeer ruig waren en de taal der overige Kurilen (_Aino’s_) spraken. De +door ~Vries~ op den 13 Junij ontmoette _Aino’s_ behoorden waarschijnlijk +hier te huis, en de plaats, die »_dese habytanten Takotekan en Rackokan +noemden, en die sy wesen in ’t N.O.t.N. te liggen_”, is de baai van +Sjakotan of Malakotan, op de N.W. kust gelegen. + + [88] _Voyages et découvertes faites par les Russes_, T. I. pag. 218. + +Volgens ~Toknai~’s kaart vinden zich op _Sikotan_ meer dan 20 gehuchten +van de _Aino’s_, en verscheidene baaijen, waar riviertjes uitwateren en +Japansche schepen ten anker komen. Rondom liggen vele eilandjes en +rotsen, en in het Z.W. ¼ W. van het eiland, op eenen afstand van 9 à 10 +Eng. mijlen eene groep van vijf lage eilandjes, volgens ~Sakusajemon~ +_Kabiof_, en volgens ~Toknai~ _Mosirika_ genaamd, en met rotsen en +klippen omgeven. ~Golownin~ heeft er vier gezien en is digt daarbij +voorbijgezeild; ook op de kaart van ~Vries~ zijn dezelve aangegeven. +Buitendien schijnen rondom deze eilanden vele klippen en gevaren +aanwezig te zijn. + +=Het eiland Kunasiri= (_Kunaschir_; Russ.) in het jaar 1758 op de +voormelde kaart van de Keizerl. Akademie der Wetenschappen te St. +Petersburg vertoond, is allengs weder verdwenen. ~Lapérouse~ nam, na de +ontdekking der straat, die zijnen naam vereeuwigde, in Augustus 1787 +zijnen koers N.O. langs het naburige eiland _Jetorop_, zonder evenwel de +N.O. kust van het vermeende »_Lant van Eso_” te raken. ~Broughton~ hield +ook de _Walvisch_ baai voor de Oostkust van _Jezo_. De ontdekkingen van +~Laxmann~ bleven verborgen, en zoo werd, na de terugkomst van ~Golownin~ +uit zijne Japansche gevangenis te _Matsmaë_, ~von Krusenstern~ met de +ontdekkingen van dezen verdienstelijken zeevaarder bekend en in de +gelegenheid gesteld, op zijne in 1815 uitgegevene »_Allgemeine +Weltkarte_”[89] het eiland _Kunaschir_ te vertoonen en de straat, die +het van _Jezo_ afscheidt, de straat van _Jezo_ te noemen. + + [89] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, N^{o}. 1. Deszelfs + _Erläuterungen zu einer Charte des ganzen Erdkreises, etc._ 1 + Band. 4^{o}. Leipzig, 1819. pag. 88. + +Wij kennen echter alleen door ~Golownin~ en ~Ricord~ van het N.O. en +Z.W. einde de aardrijkskundige ligging van dat eiland, zijnde de N.O. +hoek kaap _Moimoto_ (_C. Loffzôff_, Krus.) door ~Golownin~ op 44° 29′ +15″ N.Br. en 146° 8′ O.L., en het Z.W. einde, het Japansche fort in de +Baai, waar ~Golownin~ gevangen werd (_la Baie des Traitres_) op 43° 44′ +N.Br. en 144° 59′ 30″ O.L. bepaald geworden. De kennis van de geheele +configuratie der kusten hebben wij, met uitzondering van de _Baie des +Traitres_, waarvan in de nieuwe Russische uitgave van ~Golownin~’s reize +in 1851 een voortreffelijk plan medegedeeld is[90], alleen aan de +opneming der Japanners, zoo als die in ~Sakusajemon~’s en ~Toknai~’s +kaart zich vertoont, te danken. + + [90] Записки Василія Михайловича Головнина, въ плѣну у японцевъ въ + 1811, 1812 и 1813 годахъ. САНКТПЕТЕРБУРГЪ. 1851. Daar is de + breedte op 43° 44′ 35″ N. en de lengte op 145° 9′ 46″ O. + aangegeven. + +Daarentegen laten zich de waarnemingen, die aan boord van de _Castricum_ +gedurende den togt langs de _Coen’s_ eilanden en tegenover de »_Walvis +bay_,” en gedurende het verblijf voor anker van dit schip van 4 tot 12 +Julij aan den westelijken ingang van de _Canael de Pieco_ of _Antony_ +gemaakt zijn[91], als eenige hoogst belangrijke aardrijkskundige en +hydrographische bijdragen beschouwen en teregtbrengen; en vooral zijn +het de kustverkenningen, die ons ~Nicolaes Witsen~ bewaard heeft, +waardoor de strekking en de gedaante van het hooge gebergte, dat het +Noordoostelijk gedeelte van dit eiland kenmerkt, aanschouwelijk gemaakt +wordt. De op den 13 Junij ’s middags op het vaste land geziene +»_kennelijcke berch boven met een keep_” die alleen ligt, is de berg +_Tsiuna_ of _Tjôsinobori_, de hoogste op het zuidelijke gedeelte van +_Kunasiri_, en de den 14 Junij op de breedte van 43° 25′ in N.W.t.N., en +wel bijna 20 mijlen afstand gepeilde »_hoogen berch met een piek_,” is +de vulkaan _Tsjatsja noburi_, waaraan die ~Vries~ de naam van »_Pieck +Antony_” (naar ~Antony van Diemen~, Gouverneur-Generaal van Nederlandsch +Indië, in de jaren 1636-1645) gegeven, en dien de stuurman ~Coen~ den +»_Hooge Tepelberch_” noemt, hetwelk de woordelijke vertaling van den +_Aino_-naam is, beteekende _Tsjatsja_ borst en _Nobori_ hooge berg, +piek. Volgens ~Toknai~ is deze nog een brandende vuurberg en de hoogste +op het eiland. Na eene schets van dien vulkaan laat zich de _Tepel_ als +eene zijdelingsche uitbarsting, die zich allengs kegelvormig verhoogt +heeft, herkennen, zijnde ook aan de zijde van den berg eene zulke +zoogenoemde _laterale eruptie_ zichtbaar[92]. Daar deze piek zeer +kennelijk is en op 20 mijlen uit zee kan gezien worden, zoo is de +aardrijkskundige ligging van dezelve voor de zeevaart zeer belangrijk. +Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ ligt die op 44° 31′ +N.Br. en 145° 46′ O.L en op ~Broughton~’s originele kaart op 44° 20′ +N.Br. en 146° 10′ O.L. Volgens ~Vries~, die den »_W. hoeck ofte afgaende +hoeck van de Tepelberch_” ’s middags den 11 Julij op 44° 43′ N.B. Z.t.W. +½ W. 2 mijlen afstands peilde, zoude die hoek op 44° 36′ en de +»_Tepelberch_,” die volgens ~Sakusajemon~’s kaart 10′ zuidelijker ligt, +op 44° 26′ liggen, wat op de gemiddelde waarneming van deze zeevaarders +uitkomt. Berekenen wij de breedte van den Piek naar de waarnemingen van +den Hofsterrekundige bij _Nisibets_, in de baai van ~Laxmann~, waar dit +Japansch fort op 43° 23′ W. en de piek 1° 6′ noordelijker geplaatst is, +zoo vinden wij die van 44° 29′ W. en derhalve eene uitkomst, die aan de +aan boord van de _Castricum_ gedane waarnemingen het grootste vertrouwen +inboezemt. In ’t N.W.t.W., op ongeveer 8′ afstands, ligt een hoog +gebergte, hetwelk een voorgebergte, den noordelijken uithoek van +_Kunasiri_, vormt, en door ~Vries~ »_Maria berch_” genoemd wordt. Deze +hoek, kaap _Rewausi_, kenmerkt zich door een klein daarvoor liggend +eilandje _Kawarsjo_, en door witte plekken. De op middag den 11 Julij +gemaakte peilingen zijn te belangrijk om hier niet te worden herhaald: +»_Als doen lach de gehackelde berch_ (_het zuidelijkste voorgeberchte +van het »Staetenlant”_ (_Jetorop_)) _O.t.S. ½ S. 10 mylen, ende de hoeck +van Eso, daer het Vossen eylant af leyt, lach S.O. ½ O. 6 mylen van ons, +ende de W. hoeck ofte afgaende hoeck van den Tepelberch S.t.W. ½ W. 2 +mylen van ons_.” Ook de landverkenning op 44° 53′ aan de westzijde van +het _Staetenlant_ ontworpen[93], komt zeer te pas tot de bepaling van de +wederzijdsche ligging van _Kunasiri_ en het _Staetenlant_ en van den +westelijken ingang in de straat, die beide van elkander afscheidt, het +_Canael de Pieco_ of _Antony_ van _Diemen_. De daarop betrekkelijke +peilingen zijn: »de _Croonberch_ O.N.O. 6 mijl, de _gehackelde berch_ +O.S.O. ½ O. 4 mijl (reede van het _Statenlant_), het _Vossen eylant_ 3 +mijl (aan den oosthoek van _Kunasiri_) en de _Maria bergh_ W.t.S. ½ S. 4 +à 5 mijl (westhoek van _Kunasiri_). Van het _Vossen eylant_, dat ~Coen~ +den 7 Julij bezocht heeft, is gezegd: »_Op dit eylantie, het welck cleyn +was ende met een rif clippen aen het vaste lant vast gehecht, conde men +met laech water over aen het vaste lant van Eso loopen; wy saegen +verscheyde roode vossen[94] op d^{o} Eylant loopen, gaeven ’t den naem +van Vossen Eylant. Van dit Vossen Eylant steekt een rif van clippen om +de N.N.O. in see, ’t welk d^{o} Canael heel peryckeloos maeckt, ende +streckt wel een myl van de wal. Dit rif was gebroocken, op sommige +plaetsen de clippen boven water liggende, daer ginck een harde stroom om +de O._” Op de hoogte van dit eiland heeft men getracht »_des Canaels +gelegentheyt_” te onderzoeken, »_conden in dit Canael geen vile (vuilen) +sien als van het Vossen Eylant afsteekte, saegen de ~Caep de Canael~_ +(de N.O. hoek van _Sikotan_), _in S.S.O. van ons ende lach in mist. Het +Vossen eylant leyt omtrent 3½ myl W. van de gehackelde berch van het +~Staetenlant~, soo dat dit Canael omtrent 3 mylen wyt is._” + + [91] „_Quaemen ten ancker, als synde ⅔ myl van lant op 20 vadem + santgront; synde onder het N.O. eynt van Eso 2 mylen bewesten het + Canael Antony._” + + [92] Het schijnt toch, dat de top of krater van dien vuurberg in 1796 + eene andere gedaante aangenomen had. „_In the bearing of the + peaked hill the coast formed a bay, with a fine sandy beach; and + the mountain, which in this point of view formed a saddle hill, + presented a very magnificent appearance from its great height and + extensive base._” ~Broughton~, _Voyage of discovery_, pag. 116. + + [93] ~N. Witsen~. pag. 65 N. + + [94] De roode vos, door de ~Aino~’s _Furetsup_ genaamd, is de + _vuurvos_ der Kamtchadalen en de algemeen in deze gewesten + verspreide verscheidenheid. + +Volgens de waarnemingen van ~Golownin~ en ~Ricord~ is de _Straat Antony +van Diemen_ (dit is de ware naam, die wij aan deze straat zullen geven, +maar tevens ook opmerken, dat nog eene _Straat van Diemen_ in ’t zuiden +van _Japan_ bestaat) 16′ en volgens ~Broughton~’s originele kaart 20′ +breed. ~Vries~ is met zijn volk aan de wal geweest en met inboorlingen, +_Aino’s_, in aanraking gekomen. Daar hij aan deze groote baai, waar het +schip _Castricum_ voor anker lag, en die van kaap _Moimoto_ tot +_Rewausi_ 15 Eng. mijlen wijd en 5 Eng. diep is, geenen naam gegeven +heeft, zoo willen wij dezelve de _Kruisbaai_ noemen, want hoogst +merkwaardig was hier de ontdekking van twee houten kruizen. »_Een van +ons volck vont een houten cruys staen, bracht dat op strant, toonde het +aen de habytanten, maer selve siende waeren daer vervaert voor, ende +wesen men soudt in ’t water goyen; ja die dit houten cruys aengeraeckt +hadde, mocht haer niet aen haer lyff comen, maer most syn handen eerst +wasschen, dan was ’t wel; noch een soodaenige cruys stont voor aen in ’t +bosch._” + +Ongetwijfeld waren dit Christelijke gedenkteekens en waarschijnlijk +grafzuilen van Christenen. Reeds in 1622 werd het Christendom van het +noorden van _Japan_ naar _Jezo_ (_Matsmaë_) overgebragt, en daar sedert +1639 het Christelijk geloof bij straf des doods verboden werd, waren het +bekeerde Japanners of _Aino’s_, die daarheen gevlugt en overleden zijn. +Bij de _Aino’s_ wordt al wat met een’ dooden of zijne goederen in +aanraking komt, voor onrein gehouden, van waar het afgrijzen der +inboorlingen voor deze kruizen. Denkelijk was hun ook bij overlevering +dat streng verbod en de Christenvervolging bekend geworden. Eenen +anderen weg als over _Japan_ had zich toenmaals het Christelijk geloof +nog niet naar dit einde der wereld gebaand, want eerst in ’t jaar 1689 +kwam de eerste tijding van het bestaan van _Kamtschatka_ naar _Rusland_, +en in 1697 hebben het eerst eenige kosakken aan de _Kamtschatka_-rivier +een Ostroch-fort opgerigt. + +Het eiland _Kunasiri_ is 70 Eng. mijlen lang, N.O.t.N. en W.t.Z. +strekkende, zeer smal, 10 tot 5 Eng. mijlen, en ongeveer in het midden, +bij kaap _Onnenots_, door een naauwelijks eenige Engelsche mijlen breede +landtong verbonden, waar het land laag is en zich de Oostkust als eene +diepe bogt vertoont, die door ~Vries~ de »_Walvis bay_” genoemd wordt, +omdat zij »_hier veel walvisschen vernaemen_.” Aan het noordelijk en +zuidelijk gedeelte van deze kust bevinden zich echter eenige baaijen, +die eene goede ankerplaats bieden. Die van _Onnebets_ aan de noordelijke +kust is waarschijnlijk de »_Bay daer men by alle winden bevryt +ligt_”[95], en die van _Furuka_ hij de landengte en _Tôbuts_ of _Tôbets_ +aan de zuidelijke kust verdienen voor ankerplaatsen voor walvischvangers +zeer in aanmerking te komen; de laatste staat door eene rivier met een +groot binnenmeer in verbinding, waarvan dan ook de naam _Tô_ (meer) en +_bets_ (rivier). Dit meer, dat van het door ~Vries~ gezien »_hooch +binnenlant meest boven met sneeuw bedeckt_”, zijnen toevloed van versch +water ontvangt, moet rijk aan zoetwater-visch zijn en aan de in de +rivier opstijgende zalmen ten tijde van het kuit schieten (hier +Julij-Augustus) eene goede gelegenheid bieden. Ook aan de zuidelijke +westkust bevindt zich zulk een binnenmeer, en bij _Sasak_, en insgelijks +aan de westzijde van de landtong bij _Ikabanots_, eene goede +ankerplaats. De straat, die in het zuiden van _Kunasiri_ _Jezo_ +afscheidt, hebben wij volgens de voortreffelijke kaart van ~Toknai~ in +onzen meergenoemden Atlas N^{o}. 2 A. medegedeeld; voegt men daarbij het +boven genoemd plan van de _Baie des Traitres_ van ~Golownin~ en het plan +van ~Laxmann~, dan heeft men alle tot op den huidigen dag bekende +geo-hydrographische bouwstoffen betrekkelijk dezen voor de toekomst +belangrijken handelsweg. Nog wil ik echter doen opmerken, dat ook hier +eene sterke strooming bij den westelijken ingang om de Z. en bij den +uitgang om de O. loopt. Van de geologische gesteldheid van dit eiland +weten wij niets; edele metalen zullen daar voorkomen, kruiden ter +verversching (zuring en stelen van eene groote schermplant, +waarschijnlijk het eetbare _Heracleum_) heeft het scheepsvolk in menigte +gevonden, en ~Coen~ spreekt van dennen geschikt voor raa’s en masten en +van roode vossen, otters, zalm, tarbot, bot, schaer, cabelliauwen en +andere visschen in overvloed. Wij hebben ons lang bij dit eiland +opgehouden, omdat het zoo goed als onbekend is en zijn bestaan nog in +1820 is in twijfel getrokken[96]. Wij willen nog doen opmerken, dat het +op ~Golownin~’s kaart als het XXI^{e} der Kurilische eilanden gemerkt +is. + + [95] ~Vries~, „_Gedaene coursen_” in ~von Siebold~, _Atlas_ N^{o}. 11. + E. Veronderstellende namelijk de _Commandeur_, dat de _Santberch_ + bij het vaste _Lant van Eso_ behoorde en zoo mede de baai ook + voor O. en N.O. winden beschut was. + + [96] _L’isle de Rounaski_ ne se trouve pas dans la dernière édition + (de 1820) des _Cartes de l’Océan Pacifique_, par ~Arrowsmith~. + ~v. Krusenstern~, _Recueil de mémoires hydrographiques_. p. 200. + +=Het eiland Jetorop= (_Iturup_, Russ.). Onze vermaarde zeevaarder heeft +dit eiland van den 13 Junij tot den 4 Julij, toen hij eenige mijlen van +het Zuideinde is ten anker gekomen (zie boven pag. 113), bijna +omgezeild. Het is geheel en al zijne ontdekking, eene Nederlandsche, op +welke hij het zegel van eigendom door den naam het »_Staetenlant_” of +»_Staeten eylant_” gedrukt heeft. Het is het grootste eiland van de +Kurilen, dat zich meer dan een graad in eene N.O. en Z.W. rigting +uitstrekt[97]. + + [97] Helaas! heeft de oude Vereenigde Nederlandsche Oost-Indische + Compagnie, die den edelen Commandeur uitgezonden heeft, om _de + Gout- ende Silverrycke Eylanden_ te ontdekken, de belangrijke + uitkomsten van zijne ontdekking van het _land van Eso_ en het + _Staten- en Compagnys lant_--een _eerst Californië_--omdat het + goud en zilver niet aan den dag lag, nimmer begrepen en + gewaardeerd en helaas! heeft ook ons Bestuur van Koloniën, sedert + de omwenteling en de teruggave van onze Overzeesche Bezittingen + nooit verder dan tot op het eilandje _Dezima_ zijne blikken + gevestigd. Toen in het jaar 1778 de Japansche aardrijkskundige + ~Fajasi Sivei~ het opperhoofd ~Arend Willem Feith~ omtrent de + door ~Quast~ en ~Tasman~ ontdekte _Bonin_ eilanden ondervraagde, + antwoordde die „Dat de Compagnie daarvan maar zeer weinig + voordeel zou kunnen trekken, omdat zij te ver afgelegen en te + klein waren” (Vergelijk: ~San kok tsou ran to sets.~ par Fr. J. + Klaproth. pag. 261). + + Even weinig werdt daarna geluisterd, als toen de Schrijver dezes, + van 1825 af, over de ~in regtmatig eigendom aan Nederland + toebehoorende~ _Staten_- en _Compagnie_-eilanden sprak en op + ~Witsen~’s vertooning van het _Compagnie-eyland_ heenwees, waar + het wapen van _Amsterdam_ opgerigt te zien is; ook heeft men, uit + bezorgdheid van den Japanschen handel te benadeelen, gedurende + twee volle eeuwen nimmer den steven naar het Noorden van Japan + gewend, om het spoor van onze stoute voorvaderen op te zoeken. + „Had men (zoo schreef de Schrijver dezes in zijn _Verslag_ nopens + zijn wetenschappelijk onderzoek op _Japan_ aan het Nederl.-Ind. + Gouvernement, in dato 30 November 1825) voor 50 jaren, waar de + Japanners met de strekking van hun land en de ligging der + eilanden in het Noorden reeds zeer goed bekend geweest zijn, + pogingen gedaan deze landen nader te onderzoeken, zoo zoude men + van _Dezima_ uit ~eene straat van~ _Tsugar_ en van _Lapérouse_ + hebben kunnen opspeuren en de eere van deze ontdekking was aan de + Hollanders behouden geworden.” + +De N.O.hoek van dit eiland, kaap _Seworosi_ (~C. Vries~) is door +~Golownin~ op 45° 38′ 30″ N.B. en 149° 14′ O.L. en de Z.hoek kaap +_Tesiko_ (~C. Ricord~) op 44° 29′ N.B. en 146° 34′ O.L. bepaald. De +breedte van _Caep Vries_[98] is op de kaart van ~Jansson~ dezelfde en +zoude volgens ~Vries~ waarneming op den 5 Augustus 45° 35′ N. bedragen, +terwijl die van C. ~Ricord~, volgens de op den 4 Julij bij het _Vossen +Eiland_ voor anker gedane waarneming op 44° 29′ N. uitkomt; op de kaart +van _gedaene coursen_ ligt die hoek eenige minuten zuidelijker, op 44° +25′ N., hetwelk ook op ~Broughtons~ en ~Sakusajemons~ kaart het geval +is. + + [98] Op de kaart van ~Jansson~ en die van ~Vries~ „_gedaene Coursen_” + draagt de N.O. hoek er niet, zoo als ~Lapérouse~ en volgens hem + ~von Krusenstern~ en ~Golownin~ aangenomen hebben, de N.W. hoek + den naam van ~Vries~. + +Behalve deze twee voor de aardrijkskunde gewigtige punten, die later ook +door andere Europesche zeevaarders zijn bepaald geworden, hebben wij aan +~Vries~ nog andere belangrijke geo-hydrographische waarnemingen langs de +O. en W. kust van dit eiland te danken, die aan waarde zullen winnen +naar gelang het ons mogt gelukken ze met de kaarten van ~Sakusajemon~ en +~Toknai~ en met die van ~Broughton~ en andere zeevaarders overeen te +brengen en toe te lichten. + +De den 13 Junij op 44° 20′ N.Br. gedane peilingen bevestigen de ligging +van den piek _Antony_ tegenover den »_gehackelden berch_,” op de Z.hoek +van _Jetorop_, »_die boven op seer haekelich was ende geleeck een +eylant, ende daerbij noch een hoogen berch, die hem aen tween met een +cloof vertoonde_;” »_daer beoosten quam een hoogen ronden berch hem +vertoonen met sijn top door een dijs_,” en van eenen anderen »_hoogen +vlacken gecartelden berch, daer op het W. eint een berch op staet, +gelijckende een boeren schuur van fatsoen, ende is oock het hoochtste +van dien berch_.” »_Van d^{o}. berch streckte wat laeger lant tot +in ’t N.O.t.N. ende was het verste land dat wij sien conden; de +boerenschuur-berch lach ons het naest ende was omtrent 10 mijlen van +ons. Het geberchte leeck al aen malcanderen vast te wesen tot den +gehackelden berch, soo men con bemercken, liep een canael tusschen den +gehackelden berch ende den piekberch door om de W._” De piek _Antony_ +lag W.t.N., de _gehackelde berch_ N.W. ½ W. »_daer beoosten_” de _hooge +ronde berch_ (_Croonbergh_); de _Boerenschuerberch_ N. ½ W. Alle deze +gebergten bevinden zich op onze Japansche kaarten. Den piek _Antonij_ +kennen wij; de _Gehackelde berch_ vormt het zuidelijke voorgebergte +(kaap _Ricord_), de _hoogen bergh met een cloof_ is eene bergketen, die +bij kaap _Moikesi_ op de W.kust uitloopt en de _Croonberch_ een hooge +trachytdom, _Bussanobori_ genaamd, die op de W.kust een ver uit stekend +voorgebergte _K. Itobirikawoi_ vormt; en de _Boereschuerberch_ is ook +een _Kegelberg_, op de oostkust tusschen _Kusiara_ en _Tosimoinots_. De +ligging dezer tot verkenning dienende bergen werd door de waarnemingen +van den 30 Junij en 2 Julij bevestigd. Gedurende den 17 en 18 Junij +zeilde ~Vries~ langs de Oostkust van dit eiland met eenen N.N.O. en +O.N.O. koers, en zag somtijds met eenen blik de toppen der met sneeuw +bedekte bergen, die van kaep _Noneisjô_ af aan zich hoog verhieven. Deze +zijn de _Refunsiri_, _Hetsirap_ en _Tokarunbe_, die boven allen +uitsteken. Mogelijk kon men ook van hier uit de toppen der +tegenoverliggende kegelbergen op de Westkust, van den _Hetonoburi_ en +_Horosjunoburi_, zien. De _steyle clip gelyck een pyramida_ is +waarschijnlijk het eilandje _Obkarusibeisjô_, hetwelk benoorden van +»_een steylen hoeck_” (kaap _Horaka_) tegenover eene beek ligt. Het +»_hooch geberchte seer blinckende van de sneeuw_,” ’s morgens 19 Junij +in ’t W., N.N.W. en daarna in het N. gezien, zijn de hooge bergen, die +het Noordeinde van het _Staaten_-eiland omsingelen, en de naar het N.O. +uitloopende kaap _Seworosi_ (_C. Vries_) en in het Noorden de hoeken +_Okkebets_ en _Tosifuri_ vormen. Derzelver namen zijn: _Sjusinobori_, +_Isomattsenobori_, _Kitettsenobori_ en _Sjokkonobori_. Van den laatsten +hoek begint de W.kust diep in te buigen en vervolgens eene hooge +landtong N.W. uit te loopen. Van deze bogt hebben wij eerst door de +meergemelde Japansche kaarten eene betere kennis gekregen; op +~Golownin~’s kaart is dezelve aangestipt en baai van _Sana_ genoemd. Het +fort _Sjana_ of _Sana_ ligt echter niet in de baai, maar in het Z. der +landtong. Dezelve is 25 Eng. mijlen wijd en 10 diep, en eindigt met een +binnenmeer, _Seppo_ genoemd, en met laag land, eene landengte van +naauwelijks vier Eng. mijlen breed. Zij biedt naar de W.zijde eene tegen +wind beschermde ankerplaats. Wij hebben aan dezelve den naam van de +_Baai van Seppo_ gegeven, omdat die van _Sana_ onjuist is. De landtong +bestaat uit een gebergte, dat twee toppen heeft, waarvan de oostelijkste +de hoogste is. Deze _twee-geheuvelden berch_, die men 25 à 26 mijlen ver +kon zien, was door den Commandeur _Caep de Trou_ genoemd geworden; het +is kaap _Ikabanots_ op ~Sakusajemon~’s kaart. Op den 30 Junij, op 45° +54′ N.B., lag _Caep de Trou_ O.t.Z. ¼ Z. 15 mijl, en de _Boerenschuer_ +Z.O. 15 à 16 mijlen en ’s middags den 2 op de gegiste breedte van 44° +56′, de _Croonberch_ Z.O. ½ Z. 2½ mijl, de _Gehackelde berch_ in het Z., +de _Boeren Schuer_ O.Z.O. ½ Z., de _Caep de Trou_ O.N.O. ½ N. Thans +blijft nog de aardrijkskundige ligging van _Caep de Trou_ te bepalen, +die, ofschoon deze kustenstreek door onzen zeevaarder ~Vries~, door +~Lapérouse~ (den 18 en 19 Augustus 1787) en door ~Broughton~ (van 8 tot +11 October 1796) is onderzocht geworden en op de kaarten van +~Sakusajemon~ en ~Toknai~ dit ver uitstekend voorgebergte zeer +naauwkeurig vertoond is, nog twijfelachtig schijnt te zijn. Door +~Lapérouse~ is dezelve op 45° 39′ N.B. geplaatst, hetwelk ook met zijne +waarneming op den 19 Augustus, waar bij zich op 46° 20′ in een afstand +van 41′ in het N. van dat voorgebergte bevond, overeenkomt. ~Broughton~, +die zich ’s middags den 9 October op 44° 31′ 30″ N.B. bevond, den Piek +Z. 52° W., en het eiland _Sikotan_ Z. 17° O. peilde, en van N. 48° O. +tot 61° O. hoog land zag, dat hij voor een eiland hield, nam zijnen +koers N.O. om het te onderzoeken. ’s Namiddags passeerde hij op een +afstand van 4 Eng. mijlen den _Croonberch_, dien hij voortreffelijk +beschrijft[99], en peilde bij zonsondergang dezen vulkaan Z. 24° W., en +de kust, zoo ver hij zien kon, N. 55° O. Stormig en mistig weer lieten +hem de kust den volgenden dag slechts met een blik zien, en het laatste +land werd van Z. 61° O. tot Z. 27° O. en »_a low point_” Z. 8° W. +ontdekt. Dit lage punt, dat op zijne originele kaart op 45° 7′ geplaatst +is, veronderstelde ~von Krusenstern~, dat het _Caep de Trou_ was, en gaf +aan de aardrijkskundige ligging van de vermoedelijke _Caep de Trou_ de +voorkeur die van ~Lapérouse~ en die van ~Vries~ volgens ~Janssens~ +kaart. ~Broughton~ heeft die kaap, die hij op den 10 tot 11 October zeer +nabij voorbijkwam, wegens de digte mist niet kunnen zien, en het land, +dat hij den 12 ’s ochtends zich van Z. 5° W. tot Z. 22° O. zag +uitbreiden, en dat hij voor een eiland op zichzelve hield, was het N.W. +einde van het _Staaten_ eiland, waaraan _Lapérouse_ en zijn opvolger +(zoo als boven gezegd) verkeerdelijk den naam van _Caep Vries_ gegeven +heeft. Zulks is dan ook den volgenden morgen door deszelfs waarnemingen +bevestigd geworden, waar hij zich midden in den Noordelijken ingang der +straat _Vries_ bevond. Deze uitweiding hebben wij moeten doen, om te +bewijzen, dat kaap _de Trou_ Noordelijker ligt als de groote hydrograaph +~von Krusenstern~ vermeende[100], en om de waarneming van ~Lapérouse~ en +die van onzen Nederlandschen zeevaarder te regtvaardigen. Aangenomen dat +de breedtebepaling der vermeende kaap _Vries_ (onze kaap _Okkebets_) +door ~Golownin~ goed is, en daar kaap _de Trou_ op ~Sakusajemon~’s +kaart, waar de configuratie der kust alle geloof verdient, slechts 6′ +van kaap _Okkebets_ verschilt, zou de onderwerpelijke kaap op 45° 32′ +N.Br. te liggen komen, dus 6′ Zuidelijker als die op ~Janssen~’s kaart +geplaatst is; en volgens ~Vries~ waarnemingen op den 5 Augustus, waar +hij op 45° 43′ zijne kaap _Vries_ Z.W. 4 mijlen van zich liggen had, en +kaap _Okkebets_ op 45° 40′ liggen zou, laat zich de breedte van kaap _de +Trou_ op 45° 34′ N. bepalen. Ook op ~Golownin~’s kaart ligt die kaap op +45° 22′ N.Br. De vermeende kaap _de Trou_ op de kaart van ~Broughton~ is +kaap _Notero_, een lage uithoek, die op ~Sakusajemon~’s kaart 20′ +Zuidelijker geplaatst is, doch nagenoeg met de aardrijkskundige ligging +(45° 7′ N.), die de verdienstelijke Engelsche zeevaarder aan zijn »Low +port” aangewezen heeft, overeenkomt. + + [99] „We were abreast of a hill which rose from the sea shore, with a + steep ascent to a considerable elevation of a conical shape and + evidently volcanic: we passed within two miles of it, and + plainly perceived it covered with stones and cinders down to its + base, as an eruption had lately happened. Round the Crater it + presented ragged and misshapen points; and some small shrubs + were growing on the S.W. side very low down. This abrupt hill + was connected with the islands by a low isthmus, which receded + from it on each side, so as to form circular bays; and the land + continued low to some distance.” ~Broughton~, _Voyage_, pag. + 117. + + [100] „Le cap _Trou_ est placé par 45° 35′ (moet zijn 39′) sur la + carte de ~Lapérouse~ et par 45° 10′ (moet zijn 7′) sur cette de + ~Broughton~, la première latitude est certainement trop + boréale.” _Recueil de mémoires hydrographiques_, pag. 198. + +De reeks van vulkanen die _Jezo_ in eene N.O. rigting doortrekt, zich in +het Z. van _Kunasiri_ door den _Tsinpa nobori_ te kennen geeft en in het +Noorden van dat eiland als een hooge Piek (de _Tsjatsja nobori_) +verheft, breidt zich ook nog verder over _Jeterop_ uit, waar de meeste +bergtoppen, welke voorgebergten vormen, of hier en daar vrij staan, of +aan den voet van meeren, verzonkene trechters van uitgedoofde +vuurbergen, zich als kegelbergen en trachyt dommen kenmerken. + +Men kan aannemen dat alle bergen die op _Jezo_ en de ~Kurilen~ den +bijnaam _Nobori_[101] hebben, van vulkanischen oorsprong zijn en zoo +zien wij dan den _Croonbergh_ als _Fussanobori_, en in de baai van +_Seppo_ den _Hetô nobori_ en _Horosju nobori_, en langs de N.W. kaap den +_Sjusi nobori_, _Itomatse nobori_, _Kitettse nobori_ en _Sjokku nobori_ +zich verheffen. Het uitmuntende kaartenbeeld, dat ons ~Toknai~ van dit +eiland, in een maatstaf van 24 centim. een equatoriaalgraad, geeft, laat +uit de configuratie van de kusten--hier ver uitstekende, hooge +voorgebergten en steile uithoeken, daar diep inloopende bogten, baaijen +en massa-gebergten, door lage landtongen van elkander afgescheiden, van +verre gezien zich als eilanden op zich zelven vertoonende herkennen. Dit +verscheurd en gebroken, smal en meer dan 70 Eng. mijlen lange eiland +geeft ons een duidelijk denkbeeld van de onderaardsche krachten, die het +uit den Oceaan hebben doen oprijzen, en van het geweld der door orkanen +bewogen golven der zee, die sedert duizende jaren de rotsen uitgespoeld, +de bogten en baaijen uitgehold en er het strand met zand bedekt hebben, +door welke zich kleine, snel loopende riviertjes den weg banen. Uit +deze bij afwisseling uit steile rotsen en ondiepe baaijen en bogten +bestaande kusten van dit eiland laat zich dan ook de ongelijke diepte +digt bij den wal verklaren, waar men, naar gelang van deszelfs +gesteldheid, 30 tot 100 vademen zwarte zandgrond, singel en paalgrond +loodt. Behalve de _Piramyda_ vindt men vele kleine eilandjes, rotsen en +klippen rondom de kust verspreid, wier ligging maar figuratief bekend +is; op deze gevaren moet men goed uitkijk houden. Behalve van eenige +schipbreukelingen is dit eiland nog niet van Europische of andere +natuuronderzoekers bezocht geworden, van zijne Fauna en Flora hebben wij +nog geene wetenschappelijke kennis, zijne voortbrengselen laten zich +gedeeltelijk uit de mededeelingen van de Japanners ontcijferen of als +overeenkomende met die van _Jezo_ en _Kamtschatka_, zijne zuidelijke en +noordelijke naburige landen, vermoeden. En dit merkwaardige eiland +draagt--ik herhaal het--sedert meer dan twee eeuwen een Nederlandschen, +den zeer respectabelen naam van _het Staaten eiland_. + + [101] _Noboru_ is een oud Japansch woord en beteekent ~opklimmen~ en + _nobori_ eene ~hoogte~, een ~top~. De Japanners gebruiken het + niet voor vulkaan, waarvoor zij het woord _Take_ hebben; bij de + _Aino’s_ wordt het volgens ~Dawidow~ en ~Toknai~ uitsluitend + voor vulkanische gebergten gebezigd b. v. _Iuwau nobori_, + zwavelberg. + +=De straat de Vries en het Compagnijsland= (het eiland _Urup_), met +eenen O.N.O. koers langs de oostkust van het _Staateneiland_ zeilende, +zag men den 19 Junij op 45° 41′ gegiste N.breedte, »_met een blinke lant +in ’t W. ende W.N.W. ende stracx was ’t weder bedeckt van mist_.” Dit +was het hooge met sneeuw bedekte land van »_Caep de Vries_, kaap +_Okkebets_ en van het eiland _Urup_. ~Vries~ bevondt zich toen in het +midden van den zuidelijken ingang der straat, die _Jeterop_ van _Urup_ +afscheidt, en die thans ~zijnen~ naam draagt. »_Saegen oock omtrekt 5 +ueren naer den middach met een blinck, recht voor uyt in ’t N. een heel +hoogen berch, die oock seer blonck van sneeuw_,” »_bevonden de diepte +van 30 vadem paelgront, stracx weder diep 46, 47 vadem, ende wat corts +gront af van 50 vadem_,” »_lieten het drijven op Godes genade om de +N.W., hoorden gestadich de lant-zee ende groote ruysing van water ende +veel gecryt van clipmeeuwen_.” »_Wat op den dach cregen wij weder gront +op 50 vadem, ende den ander worp 47 vadem grof santgront, lieten ons +tuy-ancker vallen_,” »_saegen doen in ’t S.S.O. de toppen van hooch +geberchte, maer conden de voeting daer niet af bekennen, maer scheen +dicht bij ons te sijn, wij hoorden gestadich groot geruys van water_.” +»_Omtrent 2 a 3 ueren naer de vroe cost claerde de mist op, doen saegen +wij, dat wij boven ½ mijl niet van den wal geanckert laegen; saegen in +’t S.t.W. van ons 3 mijlen lant, ende in ’t N.O.t.O. 5 à 6 mijlen van +ons het noordelycxste lant dat wij sien conden. Het geruys van water +saegen wij dat het afstorten van sneeuwater was, dat op verscheyde +plaetsen van het geberchte in de cloven quam afvallen, ende een groot +geruys ende geraes maeckte, ende het lant lach op veel plaetsen tot bij +de waterstrant noch bedeckt met sneeuw; insonderheyt op ’t geberchte. +Saegen een hoogen, ronden berch die vol sneeuw lach in ’t S.W.t.S. ende +een d^{o}. in ’t S.W.t.W. van ons, wat lanchwerpiger dan van één hoochte +sijnde, ende waeren met een laage valey aen malcanderen gehecht, alwaer +noch eenige cleyne berchies buyten laegen, waer bewesten noch 2 ronde +berghen laegen, maer die laegen wel over de 20 mijlen van ons. Van den +berch in ’t S.W.t.S. van ons liggende, loopt een steyle afsteeckende +hoeck, dien bij ons de naem gegeven was van ~Caep de Vries~, conden in +’t N.W. geen lant sien, vertrouwende als nu in de ~Tartarijsche see~ te +sijn._” »_Waren op de bevonden breedte van 46° 6′._” + +Wij konden niet beter dan met de letterlijke woorden uit het journaal +getrokken den ankerplaats van het schip _Castricum_ beschrijven, die op +de plaat 66 S. van ~Witsen~’s boekwerk afgebeeld is en waar »_vertoont +wort, hoe zich het ~Compagnieslant~ opdoet, als men ¼ deel van een mijl +van de ~Kruishoek~ afleit_.” De in het Z.Z.O. geziene toppen van hoog +gebergte zijn de _Mineraelberch_, van wiens voet niet ver verwijderd +~Vries~ ten anker gekomen was, en dien wij nader zullen leeren kennen, +het in Z.t.W. 3 mijlen afliggende land is _Caep van der Lijn_ en het in +het N.O.t.O. 5 à 6 mijlen noordelijkste land _Caep Schouten_ terwijl hij +½ mijl ver van de _Cruishoek_ af was. Van het schip uit zag men in het +Z.W.t.Z. de N.O.hoek (K. _Seworosi_) en Z.W.t.W. de N.W.hoek (K. +_Okkebets_) van het _Staaten_ eiland, waarvan de N.O.hoek _Caep de +Vries_ genaamd was. De 20 mijlen afstand bewesten van het K. _Okkebets_ +geziene 2 ronden bergen konden de bovengenoemde kegelbergen bij K. +_Tosifuri_ zijn, waarvan de beide het verste afgelegene de _Sjusi +nobori_ en _Itomatse nobori_ genaamd worden, de overeenstemming van de +N.O.hoek van het _Staaten_ eiland met _Caep de Vries_ is door deze +peilingen buiten allen twijfel gesteld en het voorzetsel _de_, dat men +in lateren tijd dikwijls voor den naam van ~Vries~ geplaatst vindt, laat +zich ook uit deze benoeming verklaren. + +~Lapérouse~ heeft, zoo als bij herhaling gezegd is, den N.westelijken +uithoek van het _Staaten_ eiland voor _Caep de Vries_ gehouden en ook op +zijne kaart met dezen naam gekenmerkt. Daar wij op onze kaart van _Jezo_ +en de ~Kurilen~ den naam van de _Caep de Vries_ weder teregt gebragt +hebben, zoo willen wij aan de N.westelijken uithoek, die nameloos +geworden is, den naam van Kaap de _Lapérouse_ geven en op deze wijze aan +den grooten en ongelukkigen Franschen zeevaarder hulde doen, die aan +onzen Nederlandschen eene zoo hoogen achting toegedragen heeft[102]. +~Lapérouse~ was dan ook de eerste die na ~Vries~ deze straat +teruggevonden heeft (op den 20 Augustus 1787). De ankerplaats werd +bevonden te liggen op 46° 6′ N.Br. en 168° 9′ O. v. Teneriffe of 146° +48′ 36″ O. v. Greenw., hetwelk met de boven vermelde verbetering van +3° +149° 48′ O. v. Gr. zijn zoude en nagenoeg met de waarnemingen van +~Golownin~ overeenkomen, die de aardrijkskundige ligging van Kaap _van +der Lijn_, die ongeveer 3 mijlen in het Z.t.W. van de ankerplaats +aflegt, op 45° 39′ N.Br. en 149° 34′ O.L. bepaald heeft. »_Tusschen het +schip en de wal bevont (~Coen~) een opgaande gront, ¼ mijl van lant diep +30 vadem santgront, een gotelingsschoot van lant diep 19 vadem steenige +gront._” »_Zij hadden hier veel slecht water_” en »_laegen hier met +groote peryckel gezet_;” eene betere legplaats konden zij echter niet +vinden; aan den wal komende vond men echter eene goede gelegenheid om +water te halen. Het scheen hier eerst voorjaar te zijn (20 Junij), de +elsenboompjes begonnen te bloeijen, de kruiden groenden[103] en bloeiden +en de leeuwerik zong liefelijk. Men zag eenige roode vossen en een +spierwitten, ook sporen--eene hut en een geraamte, waarschijnlijk eene +begraafplaats--maar geene menschen. + + [102] Vergelijk de inleiding, waar de woorden van ~Lapérouse~ tot + motto aangehaald zijn: „_La navigation du Capitaine_ ~Uries~ + (~Vries~) _est la plus exacte qui ait pu être faite, dans un + temps, où les methodes d’observation étaient très grossières_.” + + [103] Daaronder ook „_suering, gelyck in ’t patria wast_.” „_Alhier op + de wal wassen op de grond blaeden met dicke holle steelen, + dewelke in ’t geheel 9 vadem lanck syn, d^{o}. bladeren vint men + aen troppen veel in see dryven, synde door malcanderen + gevlochten, onder dit lanck geblaed croos onthouden haer bij + duizende see-honden, ook lammeties ende duyckers._” Over 50 voet + lange bladen te spreken, schijnt overdreven en ongelooflijk te + zijn; en toch is het waar. Dit _croos_ kan niet anders als de + _Fucus esculentus Lin._ zijn, die ook aan het strand van _Jezo_ + gevonden en ruim 50 voet lang en een voet breed worden. Dezelve + groeit dikwijls digt bij het strand en wordt overal in het meer + van _Ockots_ als drijf-zeegras aangespoeld, ontmoet. Men heeft + daarvan ook eene verscheidenheid met ~holle steelen~ opgemerkt, + die door ~Agardh~ (_Species Algarum_, I. p. 143) als _Alaria + fistulosa_ beschreven en onlangs door Dr. ~E. J. Ruprecht~ als + eene soort van zijn _Phasgonum_ herkend is. Deze kruidkundige + heeft dan ook den _Fucus esculentus_ zeer omstandelijk als + _Phasg. alatum_ beschreven (~v. Middendorff~’s _Siberische + Reise_, Band. I, Th. 2, pag. 353 ff.) ~Erman~ heeft aan het + strand bij _Ockots_ afgescheurde stukken van dit zeegras + gevonden, die meer dan 50 voet lang waren; het dient tot voedsel + van de _Phoca nautica_ en wordt in tijd van nood van de + _Zee-Tungusen_ gegeten (Deszelfs _Reise_, III, pag. 48.) De + _Fucus esculentus_, _Kombu_ genoemd, wordt op _Japan_ algemeen + gegeten en heeft een zeer aangenamen smaak, en wordt als zeer + gezond en voedzaam geroemd. De 72jarige grijsaard ~Toknai~ + verzekerde aan den schrijver dezes, door het genot van dat + zeegras gedurende zijn veeljarig verblijf op _Jezo_ en _Krafto_ + zijne gezondheid te hebben behouden. Mogt deze opmerking tot + onderrigting van zeevaarders dienen. Ook de Chinezen weten deze + _Fucus_-soort op waarde te stellen. De jaarlijksche uitvoer + daarvan van _Nagasaki_ naar _Shanghai_ gedraagt 51,000 Pikol, + van den inkoopsprijs van 170,000 Tail of ongeveer 340,000 + Guldens (~Nippon~ VI, _Vom Japanischen Handel_, p. 52). Er + bestaan op _Jezo_ en de _Kurilen_ zeegras-visscherijen, die door + de regering aangemoedigd en beschermd worden. + +De hooge berg waar aarde gevonden werd, »_die wel geleeck naer +minerael ende scheen silver bij hem te hebben_,” noemde ~Vries~ de +_Mineraelberch_, en nam op den 23 Junij van dat lant, hetwelk men voor +een eilant hield[104] digt bij de kust van _Amerika_ gelegen, +namens de Compagnie bezit, en gaf aan hetzelve den naam van het +_Compagnyslant_[105]. Reeds tegen het einde van de zesde eeuw waren de +Japanners met het zuidelijkste gedeelte van _Jezo_ bekend geworden, dat +zij _Watari simano Jezo_, d. i.: Overvaart eiland van _Jezo_ noemden, +omdat toenmaals ook nog het noordelijkste gedeelte van _Nippon_, _Jezo_ +genoemd werd. De _Kuril_’sche eilanden, namelijk de zuidelijkste, die +zij _Figasi Jezo_, d. i.: Oost _Jezo_ noemen, zijn eerst bij toeval in +het jaar 1672 door een Japanschen kustvaarder, die daarhenen door eenen +storm verslagen geworden is, ontdekt geworden. De Russen hebben dezelve, +kort na hunne vestiging op _Kamtschatka_, leeren kennen en, zoo als +boven gezegd is, in de jaren 1737-39 door ~Spangberg~ en ~Walton~ doen +onderzoeken. In het begin dezer eeuw zijn somtijds jagers, zoogenoemde +_Promuschlenike_, van de Russisch-Amerikaansche pelterij-compagnie naar +_Urup_ overgekomen, dat, wegens de vele zee-otters[106] die zich daar +ophielden, ook _Rakkosima_ door de Japanners genoemd wordt. Omtrent het +jaar 1840 dreven de Russen op dat eiland met de _Aino’s_ en met de +Japanners, die daar om te visschen kwamen, eenen ruilhandel, die de +Japansche regering stilzwijgende scheen te gedogen. In 1854, den 3 +September, werd van twee fransche fregatten, behoorende bij het naar +_Kamtschatka_ gezondene smaldeel, namens de verbonden Westersche +zeemogendheden, van het eiland _Urup_ »den zetel van den Russischen +handel op de Kurilen” bezit genomen en aan dit eiland de naam +»_Alliance_” gegeven. Toenmaals was _Urup_ nog geen Keizerl. Russisch +gebied, het behoorde wel degelijk nog onder _Japan_, waar het ook op +~Sakusajemon~’s kaart nog als zoodanig geplaatst is. Maar de Keizerlijk +Russische gezant, admiraal ~Putiatine~, was juist ten dien tijde op +_Japan_ en had aan het hof van _Jedo_ een tractaat van vrede en handel +aangeboden, waarin door den Keizer ~Nicolaas~ voorgesteld werd dat: »de +grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_, zullen zijn tusschen de eilanden +_Iterup_ (_Staaten_ eiland) en _Urup_ (_Compagnie_ eiland).” Volgens +art. 2 van het tractaat in ’t voorleden jaar 1856 tusschen _Japan_ en +_Rusland_ gesloten, »behoort _Urup_ tot de Russische bezittingen.” En +gelijk wij onlangs vernomen hebben, is aan de Russisch-Amerikaansche +Compagnie eene concessie verleend geworden om de op dit eiland ontdekte +kopermijnen te ontginnen. Ziedaar de geschiedenis van _ons verwaarloosd +Compagnyslant_! _Urup_ strekt N.O. en Z.W. en breidt zich, volgens de +waarnemingen van ~Golownin~, van _Caep van der Lijn_, 45° 39′ N. en 149° +34′ O., tot Kaap _Castricum_ 46° 16′ N. en 150° 22′ O. uit. Van Kaap +_Castricum_ strekt nog, volgens ~Sakusajemon~’s kaart, eene landtong 6 +Ri ver N.O. uit. Op ~Golownin~’s kaart is die veel kleiner en met rotsen +eindigende aangegeven. ~Von Krusenstern~ heeft de geheele lengte van dit +eiland op 54 eng. mijlen berekend, hetwelk ook vrij goed met de +meergemelde Japansche originele kaart overeenkomt. Ook de geheele +gedaante en de configuratie van de kust is zeer overeenstemmende. In het +zuiden neemt men den hoogen _Mineraelberch_, _Kabiop_ genoemd, achter +welke de kust inloopt en eene bogt vormt, en langs het noordelijke +gedeelte van de westzijde eene reeks van kegelbergen waar, die met een +voorgebergte K. _Nobu_ (_Castricum_) eindigen. Ook aan de oostkust +bevinden zich eenige bogten, waarvan de baai van _Wanan_, ongeveer in +het midden gelegen, zich als een goede haven vertoont. + + [104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van + meening, dat _Amerika_ slechts door eene zee-engte, den _Fretum + Anian_, van het rijk van _Mongol_, het noordoostelijke uiteinde + van de oude wereld, was afgescheiden. Op ~Jansson~’s kaart en op + die van de van „_Gedaene coursen_” (Atlas N^{o}. 11 E) wordt het + _Compagnyslant_ als een groot land zonder einde vertoond. Op de + kaart echter van de „_Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur + ~M. G. Vries~_” is het _Companyslant_ als een eiland + uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek, + op welke de woorden „_Americae Pars_” staan, gescheiden, en in + deze straat is geschreven „_Hier is ’t Jacht Breskens geweest_.” + Men heeft dus de herkenning van het _Compagnyslant_ als een + eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland + door den meergenoemden Russischen zee-officier ~Spangberg~ + omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het + vermeende gedeelte van _Amerika_ is hoogst waarschijnlijk + _Simushir_, het XVI^{e} van de Russische _Kurilen_. Op de + kaart van _Japan_, behoorende tot de _Verhandeling over de + Nederlandsche ontdekkingen_ van ~Bennet~ en ~van Wijk~, vindt + men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes _Rond_ eiland en + _Heuvel_ eiland, die waarschijnlijk ook door het schip + _Breskens_ ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze + eilandjes _Broughton’s Island_ en _Tsirpoi_. + + [105] De inbezitneming van _Urup_ is eene te belangrijke daadzaak, om + die niet hier woordelijk uit het Journael van ~Coen~ over te + nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles + rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke + berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de + Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten + oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno + 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters + van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het + _Companyslant_, ende deze hoeck genaempt de _Cruyshoek_. Hebben + op het _Companyslant_ gegeten ende gedroncken, ende toen ter + eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.” + + [106] Van _Enydris marina_, door de _Aino’s_ en de Japanners _Rakko_ + en door de Kamtschadalen _Rakku_ genoemd. + +Nog willen wij aanstippen, dat de »_Steyle clip, die_ (in het Z.Z.W. 3½ +mijl van den ankerplaats) _omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende +is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat +daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot +hooch_,” ook door ~Golownin~ op ½ Eng. mijl afstands van den Z.hoek van +_Urup_ gezien is, het op ~Jansson~’s kaart aangegeven rif echter niet +waargenomen werd. ~Golownin~ en ~Ricord~, die de _Straat de Vries_ drie +keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat +mede. Op ~Sakusajemon~’s kaart is de strooming in het midden der straat +naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het _Journael_ op den 5 +Augustus was »_met een doorgaende N.wind_” »_de deyninge seer hol de +straet doorrollende uyt een N.N.O._” Daarentegen vermeent de stuurman +~Coen~, op den 20 Junij, het Canaal »_eerst om de N.W. ende voorts om de +N. doorgedreven_” te zijn; de wind was toen variabel, doch de +heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten, +dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat +uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus +meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de +strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de +Z. loopt. + +Van hier nam ~Vries~ eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47° +27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen +koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van _Ochots_ +verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van _Jetorop_ +onderzocht, de straat die dat eiland van _Kunasiri_ afscheidt, ontdekt +en vervolgens langs de noordkust van _Jezo_ de weg gebaand tot de +ontdekking van de bogten van _Aniwa_ en van _Patientie_, het zuidelijk +en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland _Saghalien_, +dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner +~Mamia Rinsô~, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van +_Krafto_, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De +uitkomsten van den togt langs de W.kust van _Jeterop_ en van de +waarnemingen op de ligplaats bij het _Vossen_-eiland, aan den westelijke +ingang van de straat _Antony van Diemen_, hebben wij ons reeds ten nutte +gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van +deze straat. + +Nadat ~Vries~, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het +_Vossen_-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij +echter door een »_styve fehemente stroom_” zoo tegengehouden werden, dat +zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende--naar de straat +toe--verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van +den piek _Antony_ niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van +45° 26′ N. »_deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by +d^{o}. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t +gesicht crygen._” Zij krijgen 80 vadem »_steekgrond_,” vervolgens 60 +vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en +bemerkten eenige ravelingen van stroom. + +Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot +het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond +niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op +46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des +namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »_streckte van N.N.O. tot in +het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met +laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van +ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts +daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent +10½ myl van ons._” + +=De Straat de Lapérouse.= ~Vries~ bevond zich van den 13 tot den 14 +Julij in het midden der straat die _Jezo_ van _Krafto_ afscheidt, en die +eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door ~Lapérouse~ is +ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »_saegen +eenige raveling van stroom_,” en »_het scheen dat hier stroom liep, dan +conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep_.” De mist, +die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z. +tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten +hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de +zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »_hadden veel biesen, +groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch +lagen ofte in een bocht geset liggende_.” + +Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan, +bevond zich ~Vries~ reeds in de Golf van _Aniwa_, en wel 4 à 5 mijlen +O.t.N. van het hooge gebergte (_Horobori_), hetwelk in eene landtong +(_Notoro_) uitloopt, die door ~Lapérouse~ _Cap Crillon_ genoemd werd en +de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van _Aniwa_ vormt. Wij +hebben dan ook reeds op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_ n^{o}. 3) den +_Horobori_ als den _Blydeberg_ herkend, die het hooge land, door ~Vries~ +in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot +N.N.O. strekt, zijn de bergketen, _Poortlandt_ genoemd, die in het +westen van de golf tot den _Pic Bernizet_ van ~Lapérouse~, en regts van +de _Zalmbaai_ noordelijk strekken, en op ~Toknai~’s originele kaarten de +namen van _Okosjô_ en _Niwajemesi_ (_de Speenberg_, ~Vries~?) dragen; en +de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 10½ mijl afstand +gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen +_Hôru_ en _Serikai_ welke tot de ketting behooren, die de oostelijke +grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek _Siretoko_ genaamd +en _Caep Aniwa_, ~Vries~, is. Deze beide kapen, _Cap Crillon_ (volgens +~von Krusenstern~, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en _Caep +Aniwa_ (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke, +en Kaap _Soja_ (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke +grens der Straat _de Lapérouse_, die aan den westelijken ingang 23 engl. +mijlen breed is. Behalve de klip _la Dangereuse_, 10 engl. mijlen in het +Z.O. van _Cap Crillon_ op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142° +8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven +water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van +2-3 engl. mijlen daarvan, vonden ~Lapérouse~ en ~Krusenstern~ 23 à 25 +vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook +eene sterke strooming (~von Krusenstern~ half Mei om de oost) +waargenomen; ~Lapérouse~ merkt op, dat de strooming harder aan de +noordzijde van de straat, aan de zijde van _Krafto_, dan aan de +zuidzijde, die van _Jezo_, liep. De diepte in het midden der straat aan +den westelijken, den naauwsten, ingang, door ~Lapérouse~ en ~von +Krusenstern~ waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine +steentjes. ~Vries~ loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond +en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf +van _Aniwa_ zijn ook grooter als die, welke door ~von Krusenstern~ +bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw +uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen: +of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem +der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen +afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de +geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende +hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking +genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der +straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes _Risiri_ en +_Refunsiri_, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit +zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het +eilandje _Toto mosori_ (_I. Monneron_, ~Lapérouse~). _Risiri_ ligt op +45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O. +van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de +oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde +loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter +weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met +bosschen een aangenaam gezigt op; de _Kegelberg_, van welke men +duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is +rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De +west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, _Toto tomari_ en _Benkaï +tomari_, die bewoond zijn, en waar zich _Japansche_ wachthuizen +bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de _Aino’s_, en eene +wacht, _Nakkatomari_, en aan de N.O.kust (volgens ~Toknai~), eene bogt +_Otsutsi tomari_, waar een riviertje _Kusjônaï_ uitwatert; van deze bogt +gaat een landweg naar _Toto tomari_. In deze bogt ankeren telkens de +Japanners op hunne vaart van _Matsmaë_ naar Kaap _Soja_. Op eenen +afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit +eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den +zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. _Refunsiri_ ligt op 45° +27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10 +eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven, +heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (_Cap +Guibert_), die echter in vergelijking met de piek van _Risiri_ laag is. +Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een +inham _Toitsubeki_, waar een _Aino_ dorp en een _Japansch_ wachthuis is +en een beschermende ankerplaats voor _Japansche_ schepen gevonden +wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar +een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan +tegenwoordig, door de _Aino’s_ bewoond. Het vaarwater tusschen beide +eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust +van _Jezo_. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje +_Tato mosiri_, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′ +N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is +ongeveer 18 engl. mijlen (volgens ~Lapérouse~) van de kust van _Krafto_ +verwijdert. ~Lapérouse~ en ~Broughton~ zijn tusschen dit eilandje en de +kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de +laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier +voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust +van _Krafto_ niet juist bepaald is. Wanneer men _Toto mosiri_ gepasseerd +is, kan men ook reeds de piek van _Risiri_ zien. Den oostelijken ingang +van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van _Krafto_, +die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en +oostelijken uithoek van dat eiland vormt, _Siretoko_, door ~Vries~ _Caep +Aniwa_ genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde +rots met een diep gekloofde punt. Volgens ~Toknai~’s kaart liggen eenige +rotsen nog buiten de kaap. ~Von Krusenstern~, die de kaap in een afstand +van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde +75 vadem kleigrond. + + [107] Op de kaart van _Japan_, behoorende tot de bovengenoemde + verhandeling van ~Bennet~ en ~van Wijk~, is de naam van + _Blydeberg_ aan den _Pic de Langle_ toegepast. Op alle originele + kaarten van ~Vries~ zeetogt ligt de _Blydeberg_ ten minste 50′ + noordelijker als het eilandje _Risiri_, waarop zich deze piek + bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet + daarmede overeenbrengen. + + [108] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, n^{o}. LXXI en + LXXII. + +=De Golf van Aniwa.= Aan ~Vries~ hebben wij de ontdekking en eerste +kennis, aan ~von Krusenstern~ de bevestiging dezer ontdekking en een +nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche +aardrijkskundigen, namelijk ~Mogami Toknai~, en ~Mamia Rinso~, hebben +ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver +uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en +beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met de inlandsche +namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet +alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre +het grootste gedeelte van _Krafto_ hebben ons deze onvermoeide reizigers +insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een +schiereiland gehouden _Saghalin_ is door hunne nasporingen van het vaste +land van _Azië_ als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste +van eene _terra incognita_ ontsloten geworden. Men vergelijke de beste +Europische kaart van _Krafto_ die bestaat, de _Carte de la Presqu’isle +de Saghalin_ in 1827[109], door ~von Krusenstern~ uit de waarnemingen +van ~Vries~, ~Lapérouse~, ~Broughton~ en zyne belangrijke eigene +ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »_die Insel Krafto und die +Mündung des Mankô_ (_Amur_) _nach Originalkarten von_ ~Mogami Toknai~ +_und_ ~Mamia Rinzo~”[110], en het _in de lengte grootste eiland der +wereld_ ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen, +volgens art. 2 van het tusschen _Rusland_ en _Japan_ gesloten traktaat, +als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den +wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe +bevolking vatbaar is gemaakt[111]. + + [109] _Atlas de l’Océan Pacifique_, par ~de Krusenstern~, n^{o}. 25. + + [110] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_ l. c. n^{o}. 3. + Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in _Japan_ bestaande + Exempl. van ~Toknai~’s „_Originele M. S. Kaarten van Jezo, de + Kurilen, Krafto en den Amur_,” aan mij op den 16 April 1826 te + _Jedo_ door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de + voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren + bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks + zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan _Japan_ + onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in + nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen + geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet + gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn + bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven. + + [111] „Art. 2. De grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_ zijn voortaan + tusschen _Iturup_ en _Urup_. Het geheele eiland _Iturup_ + (_Staatenland_) behoort aan _Japan_, het eiland _Urup_ + (_Compagnieland_) met de noordelijke _Kurilen_, tot de + _Russische_ bezittingen, terwijl het eiland _Krafto_ + (_Saghalien_) tusschen de beide rijken neutraal blijft.” + _Journal de St. Petersbourg_, 28 Avril 1857. + +In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang +mogelijk was, had ~Vries~ zijnen koers noordelijk vervolgd, op een +afstand van 4 mijlen van de kust, die hij _Poort Landt_ noemde. Hij +bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene +diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien +eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben +vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »_’s morgens was ’t noch +mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote +inbocht geset lagen_.” Men zette de _prauw_ uit, om eene ankerplaats +digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, ⅓ mijl +van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar +het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet +wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en +ging op 9½ vadem steekgrond voor anker, het dorp _Aniwa-Tamary_ +(_tamari_, d.i.: woonoord) N.O. ½ mijl peilende. »_Waeren nu op de +gegiste breete van 46° 40′._” Deze inbogt werd de »_Salmbay_” genoemd, +omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart +van »_Gedaene Coursen_” leest men: »_Hier komen haer veel inwoonders aen +boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in +overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t +Silver._” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de +inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld. +Daarvan op eene andere plaats. + +Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten, +die zich in den »_Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten_,” thans +bewaard bij het statistiek Bureau van het Ministerie van Koloniën, +bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door +~Vries~ ontdekten Golf van _Aniwa_, op de kaart van ~Jansson~ en op +eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt +door ~Nicolaes Witsen~ en anderen, en deze waren ten opzigte van +aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. ~Von Krusenstern~ had niets +dan eene kopij van ~Jansson~’s kaart aan boord, waarop de mond van de +rivier, waarmede de »_Salmbay_” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was. +»_Es scheint fast unglaublich_,” roept hier de groote hydrograaf uit, +»_wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen +können_”[112]. En toch een ~Vries~ heeft zulk een misslag kunnen begaan? +Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip _Castricum_ werd door hem +_volgens gissing_ bepaald op 46° 40′ N.B. en die was ½ mijl in het Z.W. +van _Aniwa Tamary_. De ankerplaats van de _Nadeshda_ werd door ~von +Krusenstern~ _sterrekundig_ bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′ +O.L. op eenen afstand van 2½ engl. mijlen Z. 49° O. van de _Japansche_ +faktorij. Daar nu de ankerplaats van ~von Krusenstern~ ten hoogsten 3 +minuten noordelijker dan die van ~Vries~ was, zoo bedraagt het verschil +der breedte, door onzen _Nederlandschen_ zeevaarder in 1643 bij +_gissing_ bepaald, slechts 2 minuten van de _sterrekundige_ waarnemingen +van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij +~Vries’~ _bevonden breedte_ op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′ +N. bevond en »_alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. ½ W. +2½ myl van ons, in ’t N. lach het land 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 +myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van +ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa_,” en vindt men uit +deze sterrekundige en compas-waarnemingen van ~Vries~, dat de »_steyle +hoeck beoosten Tamary_,” op 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′ +zuidelijker dan ~von Krusenstern~’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen +verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de _Salmbay_, zoo +als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men +daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in +aanmerking, waar ~Vries~ giste Z.t.O. 6½ mijl gezeild en op 46° 1′ 30″ +te zijn, en _Caep Aniwa_ O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan +wordt ook de aardrijkskundige ligging van _Caep Aniwa_ op 45° 59′ N.Br. +bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde +sterrekundige waarnemingen van ~von Krusenstern~, volgens welke deze +kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham _Tofuts_ genaamd, in het +O.t.Z. van den hoek van _Tamary_ gelegen, en een steile rots, op ~Vries~ +kaarten _Piramyda_ en op ~Toknai~’s kaart _Takatsuka_, d. i. de hooge +grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door ~von Krusenstern~ +niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid +van ~Vries~ waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der +_Japansche_ kaarten, en met regt, zegt ~Lapérouse~, wanneer hij de +waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van _Aniwa_ +beoordeelt: »_précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne +du Kastricum_,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van ~von +Krusenstern~, toen ik hem in 1834 op de kaarten van ~Toknai~ en ~Rinso~ +de straat aantoonde, die _Krafto_ van het _Amurland_ afscheidt: »_Les +Japonais m’ont vaincu!_” + + [112] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 68. + + [113] _Voyage de_ ~Lapérouse~ l. c. Tom. III, pag. 93. + +De Golf van _Aniwa_, die 90 engl. mijlen wijd en 70 mijlen diep, en voor +zoo verre hij haar onderzocht, vrij van gevaren is, biedt eene ruime en +tevens veilige ankerplaats langs de kusten, die haar in het O. en W. +omgeven en in de zoogenoemde _Salmbay_, waarmede zij eindigde. Men vindt +van 45 tot 10 vademen _steekgrond_, rondom naar den wal toe regelmatig +opdrogende, waar de grond rotsig met steentjes gevonden wordt. Het +tijdstip van hoog water bij nieuwe of volle maan kon door ~von +Krusenstern~ niet naauwkeurig waargenomen worden; hij gelooft echter dat +het omstreeks 5 uren zijn zal. Stuurman ~Coen~ zegt: »_Het water wast +hier_ (aan de _Salmbay_) _een vaem op en neder, meer malen op den dag_.” +Er waaijen hier ook regelmatig land- en zeewinden, ’s avonds en ’s +morgens. ~Vries~ nam hard waaijende landwinden en ~von Krusenstern~ een +frisschen zeewind waar. De strooming die in het midden der Straat van +_Lapérouse_ O. loopt, wordt aan de kust van de golf niet gevoeld; daar +schijnt, zoo als aan de noordkust van _Jezo_, door de getijden +afwisselende, eene oostelijke en westelijke strooming plaats te hebben. +De miswijzing van het kompas bedroeg (1805) aan den oostelijken uitgang +van de golf 1° 11′ Oost. Ten tijde van het bezoek van ~Vries~ was de +golf alleen van _Aino’s_ bewoond; wel had reeds in het begin van de 17 +eeuw de vorst van _Matsmaë_ op _Jezo_, van Kaap _Soja_ uit eene +herhaalde expeditie naar _Krafto_ ondernomen; de Japanners bleven daar +overwinteren, keerden echter na verloop van eenige jaren terug. De +eerste mededeelingen over _Krafto_, ook _Kita-Jezo_, d. i. Noord-_Jezo_ +genoemd, heeft men aan den _Japanschen_ aardrijkskundige ~Fajasi Sivei~ +te danken[114]; daaruit blijkt, dat reeds in het begin van de 18^{e} +eeuw een handelsverkeer van _Jezo_ uit, met dat land plaats had, en dat +men toenmaals daar reeds 22 _Aino_-dorpen kende. Men veronderstelde, dat +dit land door eene hooge bergketen van het land _Santan_ en _Mantschu_ +afgescheiden was en beweerde dat de sterke strooming, klippen en banken +in de straat tusschen _Jezo_ en _Krafto_ den vaart daar naar toe zeer +gevaarlijk maakten. Een eiland _Sagalin_ (_Saghalien_) wordt op +~Sivei~’s kaart nog bijzonder tegenover den mond van den _Amur_ +vertoont, zoo als dat eiland ook op de _Chinesche_ kaarten geplaatst +is. Op de meergemelde kaart van ~Fukutsi Kensok~ is _Krafto_ reeds als +een eiland uitgeteekend en daarop de vaart van _Soja_ naar _Siranusi_ +aangewezen. Eerst sedert Augustus 1785, wanneer de meergenoemde ~Mogami +Toknai~ ook van _Soja_ uit, met een _Japansch_ koopvaardijschip naar +_Siranusi_, niet verre van _Cap Crillon_, overzettede, is _Krafto_ aan +de Japanners nader bekend en van dien tijd af aan van kooplieden onder +het toezigt der regering bezocht geworden. Vischvangst en vischhandel +hebben tot op den huidigen dag eene levendige verkeering tusschen +_Jezo_, _Japan_ en de Golf van _Aniwa_ onderhouden, die allengs een +onuitputbare en onmisbare bron voor het levensonderhoud van de meer en +meer toenemende bevolking van het rijk _Nippon_ geworden is. + + [114] _San-kok-tsu-ran-dsu-ki_ en ~Klaproths~ vertaling, pag. 187. + +=De Bocht van Patientie.= Na de omzeiling van de _Caep Aniwa_ (21 Julij) +nam ~Vries~ zijnen koers N. en vervolgens N.W. en verder N.W.t.W. en +»_corts daernaer W.N.W. om te soecken om de W. te komen, hadden slecht +water. Giste ’s middachts gezeylt te hebben N.W. ½ W. 11 mijlen, waeren +volgens dien op de breete van 46 gr. 28 min. Omtrent 4 uren naer de +middach cregen wy weder de cust van Eso in ’t gesicht, ende was een +steile uytsteeckende hoeck met laech afgaende lant om de N. streckende, +geleeck wel naer een tonyns hooft, gaeven d^{o}. hoeck de naem van +Tonyns hoeck, d^{o}. hoeck lach W.S.W. 1 myl van ons. Hadden van ’s +middachts geseylt 5 mylen W.N.W.; vonden de diepte van 44 vadem +steeckgrond, ende corts daernae 58 vadem._” ~Vries~ bevond zich toen aan +de oostkust van _Krafto_. Van de _Caep Aniwa_ af aan, die het uiteinde +als het ware van eene door eene hooge bergketen gevormde landtong is, +kenmerkt zich de oostkust daarvan door vier uithoeken, waar de +zuidelijke en kleinste op ~Toknai~’s kaart _Tsisinoje_, de volgende +grootere _Hontob_ (_Cap Löwenorn_, ~Krusenstern~), dan wederom een +kleine uitstekende hoek _Niteosi_ en eene groote met een voorgebergte +naar het N. uitloopende hoek aan zijn zuidelijk uiteinde _Wojakutsi_ en +aan zijn noordelijk _Ajerub_ genaamd is. ~Von Krusenstern~ heeft aan dat +noordelijk uiteinde den naam van _Cap Tonyn_ gegeven en de +aardrijkskundige ligging daarvan op 46° 50′ N.Br. en 143° 33′ O.L. +bepaald, en die van _Cap Löwenorn_ op 46° 23′ 10″ N.Br. en 143° 40′ 20″ +O.L. Deze kaap is eene steile uitstekende rots, door zijne gele kleur +van andere rotsen verscheiden en kenbaar. Na de kaart van ~Jansson~ en +van die van de »_Gedaene ontdeckinghe_” (_Atlas von Land- und +Seekarten_, N^{o}. 11. D.) te oordeelen, zoude de _Tonyns hoeck_ +zuidelijker liggen en de uithoek _Hontob_ (_Cap Löwenorn_) zijn; neemt +men daarentegen de op den middag van den 23 Julij gegiste waarnemingen +van breedte aan boord van de _Castricum_, 46° 28′ N. en reekent daarbij +vijf mijlen met een W.N.W. koers en den afstand van den _Tonyns hoeck_ +van 1 mijl W.Z.W.; zoo komt deze hoek op ongeveer 46° 47′ N.Br., dus 24′ +noordelijker dan _C. Löwenorn_ en 3′ zuidelijker dan _C. Tonyn_, +~Krusenstern~, te liggen. Op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_, N^{o}. 3) +hebben wij reeds aan het zuidelijke uiteinde, aan _Wojakutsi_, dat +ongeveer 6 à 8 minuten zuidelijker ligt dan ~von Krusenstern~’s _C. +Tonyn_, den naam van _Tonyns hoeck_ toegekend. + +Het lage land »_tot 3 à 4 myl benoorden de Tonyns hoeck_,” is +ontwijfelbaar de bogt, die zich van _Ajerub_ (C_. Tonyn_, ~Krusenstern~) +tot _Notsuitoko_ (_C. Seniavin_, ~Krusenstern~) in eene N.W. rigting +uitbreidt, en door ~von Krusenstern~, _Mordwinoff’s_ baai genoemd werd. +Onze meergenoemde Japansche reizigers hebben ons deze bogt nader leeren +kennen en wij zien daar eenen diepen inham en een groot binnenmeer, +_Omutô_, dat door eene rivier in zee uitwatert en door een ander +riviertje en drie meer zuidelijk gelegene kleinere meren, _Tsisikusitô_, +_Hotoma_ en _Tôfuts_, eenen weg ter verbinding met den Golf van _Aniwa_ +opent. Deze communicatie is voor de langs de geheele oostkust van +_Krafto_ tot de in de »_Bocht Patientie_” wonende bevolking zeer +nuttig, omdat zij daardoor ontheven zijn van met hunne kleine vaartuigen +de _Caep Aniwa_ om te zeilen, wanneer zij ten handel daar naartoe willen +komen (vergelijk _Atlas_, N^{o}. 3). + +Den 24 Julij. »_Wy vervolchden onse cours om de N.N.W. aen. Giste ’s +middachts geseylt te hebben N. ⅔ W. 15 mylen, waeren volgens dien, op de +breete van 47 gr. 27 min., maer bevonden ons te wesen op de breete van +47 gr. 49 min., soodat ons de stroom wat om de N. geset had, omtrent 3 +mylen veerder als gegist hadden. Alsdoen lach het lant in ’t S.W.t.W. 5 +mylen ende in ’t W. 6 mylen van ons. In ’t N.W. ½ W. lach een hoogen +berch met een scherp toppie boven op, gaeven die de naem van +~Tepelberch~, ende lach 10 à 11 mylen van ons. Conden noch in ’t +N.W.t.N. lant sien, ’t welck noch al N.waert heenstreckte. Hadden +alsdoen de diepte van 55 vadem, steckgront._” Volgens deze waarnemingen +en verkenningen bevonden zich onze zeevaarders tusschen _Cap Seniavin_ +en _Cap Muloffsky_, ~Krusenstern~, die op ~Toknai~’s kaart de namen +_Notsuitoko_ en _Sjojunkotan_ dragen en waarvan de eerste op 47° 16′ 30″ +N.B. en 143° O.L. en de laatste op 47° 57′ 40″ N.Br. en 142° 44′ O.L. +door ~von Krusenstern~ geplaatst is. Ongeveer naar het midden van deze +kuststreek toe wordt het land lager, valt naar het W. af, en vormt eene +bogt, waar de grootste rivier op de oostkust, de _Naifuts_. zich in zee +stort, en de bergketen, die Z.W. en N.O. strekt en die ~von Krusenstern~ +op het denkbeeld bracht, dat zich daar eene doorvaart opende, is het +gebergte, door welks valleijen deze rivier stroomt. De berg dien ~Coen~ +den »_Tepelberch_” noemt, is waarschijnlijk dezelfde die op alle andere +kaarten van ~Vries’~ zeetogt _Speenberg_ genaamd is. Wij hielden den +_Speenberg_ voor het gebergte _Niwajemesi_, op den regten oever van den +_Naifuts_ gelegen. ~Von Krusenstern~ die denzelven als een hoogen +afgeronden berg beschrijft en op 47° 33′ N.Br. en 142° 20′ O.L. plaatst, +meent dat het de op de westkust door ~Lapérouse~ geziene piek +_Bernizet_ zijn kon, die volgens ~Lapérouse~ op 47° 25′ N.Br. en 142° +21′ 20″ O.L. ligt. Daar in het _Journael_ de afstand van den +_Tepelberch_ (_Speenberg_) op 10 à 11 mijlen opgegeven is, zoo kan het +niet wel een berg op de oostkust zijn, daar hier (op 47½ gr. N.Br.) +_Krafto_ niet veel breeder dan 30 engelsche mijlen is. Op de Japansche +kaarten bevinden zich op de oostkust twee bijzonder gekenmerkte bergen, +de voormelde _Niwajemesi_ en de _Tokitaë_. Het is niet onwaarschijnlijk +dat de eerste de _ronde berg_ is, die door ~von Krusenstern~, na de +omzeiling van zijn _Cap Tonyn_ (_Ajerub_) is gezien geworden[115], en de +andere die, waarvan in het Journaal (den 24 Julij namiddag) gezegd +wordt: »_in ’t W.t.N. saegen wy eenige berghen daer spitsies op stonden +als stompe torens_.” De _Tokitaï_, die door twee kegelvormige toppen +gekenmerkt is, ligt ongeveer op 47° 50′ N.Br., juist in de bogt in het +Z. van de _Cap Muloffsky_, waar de kust zich N.t.O. begint uit te +strekken. Nog willen wij de aandacht van zeevaarders op eenige meer naar +het N. op de westkust van _Krafto_ gelegene hooge bergen vestigen, die +waarschijnlijk ook van de oostzijde van dat eiland kunnen gezien worden. +Het zijn de kegelbergen _Raitsiska_, _Jesijaran_ en _Rijonai_, waarvan +de eerste door ~Lapérouse~ _Pic de Lamanon_ genoemd en op 48° 45′ N.Br. +en 141° 56′ O.L. geplaatst is en de laatste, _Pic de Mongez_, ongeveer +38′ noordelijker ligt. Wij hebben meer breedvoerig over deze bergen +uitgewijd, omdat in dit zeegebied meestal een digte mist het lage land +bedekt en de hoogste bergtoppen dikwijls maar met een blik ten +voorschijn komen en tot verkenning dienen kunnen. + + [115] Hinter dieser Spitze erhob sich ein abgerundeter Berg, an + welchen nach Norden zu sich wieder hohe mit Schnee bedeckte + Berge anreihten. ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II. + p. 87. + +Alvorens wij echter deze kust verlaten en mede in de »_groote bocht van +Eso_” zeilen, die zich aan onze zeevaarders in het N.N.W. tot O.Z.O. +opende, kunnen wij niet onopgemerkt laten, dat ~Vries~ daar eene +strooming waarnam, die hem in 24 uren 3 mijlen om de N. zette; en dat +aan ~von Krusenstern~, ongeveer op de hoogte van _Cap Muloffsky_, het +land een veel aangenamer gezigt opleverde dan de meer zuidelijk gelegene +landstreken van _Krafto_ en _Jezo_[116]. Mag daartoe reeds de ligging +dezer kust naar het oosten en derzelver bescherming door hooge +bergketens in het W. en N.W. tot in het N.O. veel bijdragen tot de +voortbrenging van een zachter klimaat, toch moet men niet miskennen, dat +de _uit warmere gewesten naar het noorden stroomende wateren_--een +zijtak van den meergemelden _Japanschen stroom_--eenen even gunstigen +invloed op deze kust, die zij bespoelen, uitoefenen als de in het +noorden tot IJsland doordringende verwarmende vloeden van den +Atlantischen Golfstroom. Ook willen wij bij herhaling beweren, dat de in +dat zeegewest heerschende mist door de onevenredigheid van de +temperatuur van het zeewater tot die van de lucht voortgebragt wordt en +gedurende het grootste gedeelte van den zomer aanhoudt. + + [116] „Das ganze Land gewährte uns einen viel angenehmern Anblick als + jene südlicheren Länder die uns seit unsern Absegelen von Japan + zu Gesicht gekommen waren, die weissen, schroffen Ufern mit + ihren Einschnitten, Berge hinter ihnen von mässiger Höhe in + verschiedenen Gestalten und mit dem schönsten Grün bedeckt, + welche mit holzreichen Thälern abwechselten, gewannen uns ein + sehr gunstiges Vorurtheil für diesen Theil von Sachalin ab. Auch + hat er unstreitig unendliche Vorzüge von dem, von uns später + untersuchten, mittlern und nördlichen Sachalin.” ~Von + Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 92. + +Op de gegiste breedte van 48° 25′ N.Br., waar men de bogt door hoog land +van W.Z.W. tot in het N.O. begrensd zag, lag W.t.N. ½ N. op een afstand +van 8 à 9 mijlen »_een hooge hoeck, geleeck wel een eylant, ende was +geheel gehackelt boven op gelyck of het een saech was_.” Deze uithoek is +hoogst waarschijnlijk het voorgebergte, dat door een bergrug gevormd +wordt, die N. en Z. strekt, steil aan den oever der zee neerloopt en +zich als geheel vrijstaande vertoont, en op de Japansche kaarten _Uri_ +en door ~von Krusenstern~ _Cap Dalrymple_ genoemd en op 48° 21′ N.Br. en +142° 50′ O.L. geplaatst is. De kust die van de _Cap Muloffsky_ aan +N.t.O. strekt, neemt van _Cap Dalrymple_ af aan eene noordelijke +rigting. Daar ~Vries~ van den 25 tot den 26 Julij eenen N.N.O. koers +vervolgde, zoo kon hij _Cap Soimonoff_, een hoog, ver naar het O. +uitstekend voorland, dat men ligt voor een eilandje houden kon, in het +W. niet duidelijk gezien hebben. Het land echter dat ’s middags den 26, +wanneer ~Vries~ zich op 48° 56′ N.Br. bevond, 6½ mijl in het W. gezien +werd, kan niets anders dan deze kaap zijn, die, volgens de waarnemingen +van ~von Krusenstern~, op de breedte van 48° 52′ 30″ en 143° 1′ 30″ O.L. +ligt. Van deze kaap aan strekt de kust al wederom meer westelijk en +vormt eene bogt, die op ~Jansson~’s kaart en op die van »_Gedaene +Ontdeckinghe_” de »_bocht van Sainct-Iacob_” genaamd is, waarvan echter +in het Journael niets vermeld wordt. De groote rivier _Boronai_, die in +het meer _Sânai_ zijn oorsprong heeft, dat in het midden van het +breedste gedeelte van _Krafto_, op de breedte van ongeveer 50½ gr., een +waterbekken vormt, rondom van hoog sneeuwgebergte omgeven[117], aan de +N.W.zijde van deze bogt in delta-gedaante uitwatert, en twee meeren +voedt, die zich regts en links wijd uitbreiden, deze is het en zijn ruim +stroomgebied, dat van verre gezien, zich als eene diepe bogt vertoont. +Van boord van het schip _Castricum_ is de mond van deze rivier gezien +geworden. Ook ~von Krusenstern~ heeft den mond dezer rivier van nabij +onderzocht: »_Wir entdeckten zwei Mündungen, von welchen die nördliche, +welche auch die grösste war, in N.W. 72° lag. Die Mündung dieses +Flusses, welche ich die Newa nannte, ist über eine halbe Meile (engl.) +breit. Sie liegt in 49° 14′ 40″ N.Br. und 143° 2′ O.L._”[118]. + + [117] Het gebergte van _Urunsiri_, waarvan op ~Jansson~’s kaart gezegd + is: „_Gebergte op vijftien graden gesien_,” en op de kaart van + „_Gedaene Coursen_” te lezen staat: „_alhier lach ’t sneeuw in + de maend Augustus nog op de bergen tot op strand toe_.” Ook ~von + Krusenstern~ zag hier „_tief im Lande hohe Schneeberge_.” + + [118] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 95. Hoogst + merkwaardig is het dat deze rivier, eene halve eeuw later, het + eerst en door eenen Russischen reiziger Dr. ~L. Schrenk~, in het + binnenland van _Krafto_ is gevonden en beschreven geworden. + Nadat Dr. ~Schrenk~ den 30 Januarij 1856 het vaste land (het + _Amurland_) verlaten had, kwam hij langs de westkust van + _Krafto_ tot aan de baai _de la Jonquière_, ~Lapérouse~ (op 50° + 54′ N.Br. en 142° 16′ O.L.), waar ten Z. van kaap _Dui_ (_Itoi_, + ~Toknai~) de Giljaksche bevolking woont en de noordelijke grens + der _Aino’s_ is. Op den 8 Febr. bij het dorp _Arkei_ (_Ar’koi_, + ~Toknai~) begaf hij zich in eene schuinsche rigting over het + eiland naar deszelfs oostkust, die van den Grooten Oceaan + bespoeld wordt. Naar het zeggen der inboorlingen moest hij drie + berghoogtens overtrekken totdat hij aan het gebied van de rivier + _Pym_ kwam. Deze rivier is de _Boronai_, aan welke ~von + Krusenstern~ den naam van _Newa_ gegeven heeft. De _Pym_-rivier, + die van zijne bron tot de monding in zee (in het W. der _Bogt + Patientie_) talrijke dorpen der Giljaken besproeit, noemt + ~Schrenk~ de levensader van het eiland. Deze rivier heeft een + snellen stroom, zoodat zij wel op een bergstroom gelijkt, het + bovenste gedeelte bevriest nooit, ondanks de hevige koude, + waardoor de temperatuur somtijds tot onder het vriespunt van het + kwik daalt; het water is uiterst vischrijk en somtijds in den + herfst aan zalm, waaronder de _Salmo lagocephalus_, even als in + de _Amur_, op verre na de voornaamste is. De groote vangst der + Giljaken verzekert hun een onbezorgd leven voor zich zelven en + hunne honden in den langen winter, daarenboven komen daardoor + vele naburige stammen telken winter naar het _Pym_-dal, als: + _Aino’s_ van de Golf _Patientie_, met Japansche waren; _Oroken_ + (_Orotsko_, ~Toknai~), met pelterijen, de opbrengst van hunne + jagt; de _Giljaken_ van beide kusten, met zeehondenvleesch en + vellen, benevens eenige stammen van het vasteland, zoo als + _Mangoenen_ van den _Amur_ (_Manko_, ~Rinso~), met Mandsourische + en Russissche produkten, die tot de _Pymi-Giljaken_ komen, om + zich bij hen deels van visch en jukkola (vischkuit), deels ook + van de toestroomende vreemde goederen te voorzien. + + Toen men de rivier volgde om naar de oostkust (_Bogt Patientie_) + te komen, daalde de temperatuur op den 18 Februarij ten 7 ure + des morgens tot -42° R., en op den volgenden morgen tot -31° R. + „Zulke gestrenge koude,” zegt Dr. ~Schrenk~, „doet onderstellen, + dat het binnenste van het eiland een klimaat heeft, dat meer met + het vasteland overeenkomt, dan men van een eiland kan + verwachten.” Dit bewees ook de plantengroei. In het bovendeel + van het _Pym_-dal ziet men overal de denneboom (_Abies + jezoënsis?_) terwijl de lork (_Larix leptostachys_) naar den + zeekant alle andere boomen verdringt. Men vindt hier noch + herten, noch elanden, wel het muskusdier (_Likonkamui_, ~Aino~) + en het rendier. Ook bestaat nog op _Krafto_ een stam + Tungoesische rendiernomaden, terwijl de Tungoesen, aan de + _Amur_, reeds lang de rendierteelt hebben opgegeven. Op den 20 + Februarij bereikte ~Schrenk~ de oostkust van het eiland en nam + den terugtogt langs dezen zelfden weg aan. + + (_Bulletin de la Classe Physico-mathématique de l’Académie + Impériale des Sciences de St. Petersbourg._ Tome XIV. 1856.) + +’s Namiddags den 26 Julij 3½ mijl O.t.Z. gezeild zijnde, kwam ~Vries~ +ten 6 ure ten anker op 18 vadem steekgrond met kleine steentjes +vermengt. Hij bevond zich omtrent 1½ mijl van het land, op 48 gr. 54 +min. »_Hadden een hoeck alwaer wy geen lant buyten sien conden, als een +cleyn eylantie S.O.t.O. 5 mylen van ons ende d^{o}. eylantie lach S.S.O. +4 mylen van ons. Het lant van d^{o}. hoeck streckt om de N.W. soo veer +wy conden beoogen._” Deze hoek is benaamd geworden _Caep Patientie_ en +het eilandje _Robben eylant_. ~Von Krusenstern~ ging, nadat hij de bogt +rondom van nabij omgezeild had, ook aan de oostzijde van de bogt op 11 +vadem kleigrond voor anker. Op zijne kaart (_Atlas_ N^{o}. LXXIII) is de +ankerplaats van de _Nadeshda_ op 49° 11′ N.Br. en 142° 10′ O.L. +aangeteekend; dus 17′ noordelijker en 8′ westelijker dan die van het +_Castricum_. Volgens zijne waarnemingen ligt de noordelijkste grens van +de bogt op 49° 19′ N.Br., terwijl naar de bepaling van de ankerplaats +van ~Vries~, die nog 1½ mijl van den noordelijken wal afgelegen was, +dezelve op 49°, en volgens ~Jansson~’s kaart op 49° 15′ N.Br. ligt. Uit +het onderzoek, dat den volgenden dag door den stuurman ~Janz Coen~ aan +het land is ingesteld geworden, blijkt dat daar de landtong, die naar de +_Caep Patientie_ uitloopt, niet breeder dan een mijl is, dat men de zee +aan de oostkust kon hooren ruischen en van eene hoogte uit zien; ook +heeft men het groote binnenmeer van _Taraika_ duidelijk kunnen +onderscheiden, dat op ~Toknai~’s kaart in den achtergrond der bogt zich +diep in het land uitbreidt. Ook werden door hem _Aino_-woningen langs +het noordwestelijke strand gevonden en eenige daarvan bezocht. Daaruit +laat zich afleiden, dat het schip _Castricum_ veel zuidelijker en +oostelijker geankerd lag dan de _Nadeshda_, van welke de Luit. +~Ratmanoff~ met een boot de noordelijke kust onderzocht, en de mond van +eene rivier ontdekt heeft, die 15 vadem wijd, 7 voet diep en zeer +vischrijk was, en welke hij vijf engl. mijlen ver opgevaren is. Deze +rivier, die haren oorsprong neemt in het hooge gebergte, dat zich van 50 +tot 50½ gr. breedte uitbreidt, is, naast de _Boronai_, de grootste die +in de bogt uitwatert. Haar mond is op ~Toknai~’s kaart tusschen de +_Aino_-dorpen _Nokoro_ en _Nifiktoi_. ~Coen~ vond het eene schoone +landouw, maar nog eene groote plek sneeuw op het strand, en ~Ratmanoff~ +het land deels modderig, deels met eenen vetten, zwarten grond bedekt. +In het laatst van Mei zag men nog op vele plaatsen sneeuw en de boomen +begonnen naauwelijks uit te botten. Nergens bemerkten de Russen sporen +van bevolking dan eenige _Aino’s_ die hen ontvlugtten; onze Nederlanders +daarentegen vonden woonhuizen, begraafplaatsen en gastvrije inwoners, +waarmede zij in vriendschap verkeerden en die zij voor denzelfden +landaard als die van het zuiden van _Jezo_ hielden. Mogelijk is het dat +de bevolking in dat gedeelte van _Krafto_ sedert 170 jaren verminderd +is; doch op de kaart van ~Toknai~ van 1786 zijn van de westelijke +uitwatering van de _Boronai_, rondom het meer van _Taraika_ tot aan het +_Caep Patientie_, 96 woonplaatsen met namen opgegeven. Er zijn echter +hier meestal jager- en visschernomaden te huis, die meestal eerst van de +maand Junij af aan naar de kusten en de monden van de rivieren trekken, +om daar hunnen voorraad van visch voor den langdurigen winter te +verzamelen. + +De _Caep Patientie_ is door ~von Krusenstern~ op 48° 52′ N.Br. en 114° +46′ 15″ O.L. geplaatst. Volgens de waarnemingen van ~Vries~ zoude +dezelve op ongeveer 48° 34′ N.Br. te liggen komen en op de kaart van +~Jansson~ is dezelve op 48° 23′ en op de overige kaarten nog zuidelijker +geplaatst. Deze kaap is een laag voorgebergte en wordt door eenen +dubbelden heuvel gevormd, en loopt in eene lange, platte landtong naar +het Z. uit, die duidelijk op ~Vries~ kaarten aangewezen is. + +In het Z.W.t.Z. van de _Caep Patientie_ werd op den 26 Julij van +~Vries’~ ankerplaats in deze bogt een »_Eylantie_” Z.Z.O. op 5 mijlen +afstand gezien en op den 28^{en} nader onderzocht. »_Alsdoen heeft den +Commandeur den Stuerman_ ~Roelof Sievertsz.~ _met de boot naer d^{o}. +eylant gestiert om dat te visiteeren; daer aencomende vonden d^{o} +eylant rontom met onder water liggende clippen beset, siende die wel by +een myl op sommige plaetsen veerder in see strecken. Dit rif streckt N. +van ’t eylant naar ’t vaste lant, ende oock op syn langst S. in see, +maer heeft veel uitsteeckende riffen. Daer streckt oock een punt van een +rif N.N.O. af, alwaer noch een groote clip of cleyn eylantie op leyt; +deze reven lycken schier aen de hoeck van ’t vaste lant vast te loopen, +dan scheen oock wel een nauwe deurganck te hebben._” »_Hadden oock by +duysende robben op de clippen ende het water vernomen; oock twee cleyne +huties met vuerplaesies op ’t eylantie gevonden. Wy gaven het eylant den +naem van Robben eylant._” Deze voortreffelijke beschrijving hebben wij +woordelijk uit het Journael overgenomen, omdat dezelve tot bijvoegsel +dienen mogt van de beschrijving die ons de groote russische hydrograaph +daarvan medegedeeld heeft. »_Wir sahen in einer Entfernung von höchstens +3 bis 4 Meilen (engl.) das gefährliche Felsenriff, welches das Robben +Eyland umgiebt. Es erstreckte sich von N.N.W. ½ W. bis N.O. Die Wellen +brachen sich heftig. Ueberall im Norden sahen wir ein grosses Eisfeld, +unter welchem wahrscheinlich die Klippen fortgingen, die wohl auch das +weitere Treiben des Eises in dieser Richtung aufhielten. Einzelne +Brandungen konnte man nach Osten zu, so weit das Auge reichte +wahrnehmen._” »_Die Nordost Spitze liegt nach unsern Beobachtungen in +48° 36′ der Breite und 144° 33′ der Länge, und derjenige Theil, den man +für die Südwest Spitze ansehen kann, in 48° 28′ und 144° 10′, so dass +der ganze Umfang des Riffs gegen 35 engl. Meilen ausmacht_[119].” Op +~Jansson~’s kaart is het N.O. punt van het rif op 47° 25′ N.Br. en het +Z.W. punt op 47° 8′. Ook zoo zuidelijk ligt het eilandje op de kaart van +»_Gedaene ontdeckinghe_.” Op de kaart van »_Gedaene Coursen_” echter +bevindt zich het midden op ongeveer 48° 12′ geplaatst. Volgens de +waarnemingen op ~Vries’~ ankerplaats zoude het _Robben Eylant_ op 48° +31′ der breedte liggen, hetwelk bijna met die van ~von Krusenstern~ +overeenkomt. ~Toknai~ noemt op zijne kaart het _Robben eiland_: _Wotamo +siri_ en de _Caep Patientie_: _Fumonots_. De aan boord van de +_Castricum_ waargenomene lengte hebben wij om vroeger aangehaalde reden +ook hier overgeslagen, en ook niet overal van de diepte en den grond +gewaagd, die onze nederlandsche en russische zeevaarders langs de +oostkust van _Krafto_ en in de _Bocht Patientie_ zoo zorgvuldig +aangeteekend hebben. Aan boord van de _Castricum_, die zich verder van +de kust gehouden heeft, zijn 60 tot 34 vadem meestal steekgrond +(kleigrond) tot op de parallel van het _Robben eiland_ en verder de bogt +in tot op een afstand van 1½ mijl van den wal, 18 vadem steekgrond met +kleine steentjes vermengd, gelood geworden. Aan boord der _Nadeshda_, +die eenige malen de kust op korter afstand genaderd is en zich wederom +verder verwijderd heeft, peilde men de diepte van 95 tot 20 vadem +kleigrond, en aan het noordeinde van de _Bocht Patientie_ van 9 tot 4 +vadem kort op elkander. Eene mijl in het N.W. van het _Robben eiland_ +vond ~Coen~ de diepten van 35 vadem steekgrond tot 16 vadem schelp- en +singelgrond opgedroogd en 2 mijlen in het Z.t.O. ½ O. daarvan 10 vadem +schelpachtige grond. In het oosten van de _Caep Patientie_ nemen de +diepten schielijk toe tot op 80 en 95 vadem, minder en langzamer naar +het Z.O. toe, waar op een afstand van 9 mijlen 75 vadem steekgrond +gevonden werd. ~Von Krusenstern~, die op zijne kompassen weinig +vertrouwen stelde, geeft de miswijzing op zijner tweede ankerplaats (op +49° 13′ 53″ Br. en 143° 48′ 30″ Lengte) gemiddeld op 0° 38′ Oost. Aan +boord van de _Castricum_ werd die op 48° 26′ N.Br. op 7° 30′ oostelijk +bevonden en »_de compassen op 9 gr. oostering geleyt_.” + + [119] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 98, 99. + +Op den 3 Augustus op de gegiste breedte van 47 gr. 8½ min. werdt +»_geresolveert, alsoo onse bestemde tyt volgens Instructie van den E. +Heer Generael ende Raeden van India geexpireert is, dat men onse best +soude doen om weder te comen in de Suytsee, derhalve onse cours naar het +Canael de Vries toe te stellen_.” De _Caep Patientie_ bekwam dan ook nog +de bijnaam »_Caep Keer Weer_.” + +Op den 5 Augustus hebben wij reeds onze stoute zeevaarders in de Straat, +die den naam van hunnen Commandeur vereeuwigt, ontmoet en hun verblijf +in de Baai »_de Goede Hoop_” van den 16 Augustus tot den 1 September +beschreven en hunne waarnemingen toegelicht en bevestigd. Ook hebben wij +reeds hunne ontdekkingen op de terugreis langs de oostkust van _Japan_ +en van de eilanden, aan welke wij den naam van eenen nog meer +verdienstelijken zeevaarder, ~Abel Tasman~ gegeven hebben, in de +geschiedenis der ontdekkingen geboekt. Laten wij dan nog den dag +vermelden, waarop het fluitschip _Castricum_, onder het Commando van den +Commandeur ~Maerten Gerritz Vries~ behouden in den haven van _Tayouan_ +op _Formosa_ binnengeloopen is en de uitboezeming van vreugde en dank +herhalen, waarmede het Journael eindigd: + +»_Quaemen--den 18 November 1643--binnen ten ancker op 10 vadem, waervoer +wy niet genoech de goede Almachtige Godt connen looven ende dancken, dat +Hy ons van dese gedaene peryckeleuse reyse soo genaedelyck bewaert ende +hier binnen Tayouan behouden heeft gebracht; Hem sy alleen eer, Amen._” + +Hiermede sluit ik mijne geo-hydrographische toelichtingen, waarin ik aan +zeevaarders eenige nuttige aanwijzingen en wenken tot de uitbreiding van +de aardrijks- en zeevaartkunde gegeven heb. Deze schreef ik met het +hoofdoogmerk neder, om dezelve in de handen van de Officieren der +Koninklijke Marine, van mannen versiert met kunde en ervaring en meer +dan ooit bezield met den geest van onze Nederlandsche zeevaarders in de +17de eeuw, neder te leggen, en bij voorkeur van degenen, die thans te +_Japan_ gedétacheerd zijn, aan welke niet alleen de taak van +wetenschappelijke verlichting der weetgierige bevolking van dat rijk +toevertrouwd, maar aan die nog bijzonder opgedragen is, daar den +grondslag te leggen van eene marine volgens Europesche beginselen, en +bovendien aan _Japan_ de wereld, aan zijne schepen de vaart in den +Grooten Oceaan, en aan zijn volk den wereldhandel te openen. Heeft +_Nederland’s_ invloed en vertrouwen de klippen van vooroordeel en +achterdocht bij eene regering kunnen wegruimen, die het stelsel van +afsluiting als grondstelling tot behoud van rust en vrijheid, niet +willekeurig maar door nood gedrongen, aangenomen en eeuwen lang vol +gehouden heeft; hebben Nederlanders van geboorte, of mannen met eenen +anderen tongval, evenwel door getrouwe en veeljarige diensten aan +_Nederland_ verknocht en ingelijfd, van 1641 af, in hunne gevangenis op +het afgesloten _Dezima_, zorgvuldig het verlichtend vuur van de +wetenschap als het ware in het geheim weten te onderhouden, welke +verwachtingen laten zich thans met regt koesteren, waar het aan de +Nederlandsche vertegenwoordigers van de Europesche wetenschap in _Japan_ +vergund is, de fakkel der verlichting openlijk en ongehinderd te mogen +voordragen en langs den weg van onderwijs aan de Japanners, zichzelven +nopens Japansche zaken en wetenschap te onderrigten; en waar hun de +schoonste gelegenheid gegeven is, het zoo ver uitgebreide gebied van de +geographie en hydrographie, dat, tot voor korten tijd, de vreemdeling +niet anders dan op geheime wegen heeft mogen bewandelen, onder de +Nederlandsche met de Japansche vereenigde vlag te onderzoeken en door +nieuwe waarnemingen en ontdekkingen uit te breiden. + + + + +DE STAM DER AINO’S. + + +_Aino_ beteekent man, mensch en is de naam, die deze volkstam zichzelven +geeft en onder welke dezelve bekend is. De _Aino’s_, die in de +Geschiedenis van Japan _Asuma Jebisu_, dat is: Oostwilden, genoemd +worden, bewoonden in den oudsten geschiedkundigen tijd (660 voor +Christus) het noordelijkste gedeelte van het eiland _Nippon_, te weten +de tegenwoordige landschappen _Mutsu_, _Dewa_ en het noorden van +_Jetsigo_, welke toenmaals _Jebisu no Kuni_, het Land der Wilden +heetten. Nog in de 7de eeuw waren de _Jebisu_ in _Mutsu_ en _Dewa_ tot +op 38° N.Br. verspreid en bestendig met de Japanners in oorlog. In het +begin van de 9de eeuw was het eiland _Nippon_ reeds geheel onder de +heerschappij van de ~Mikado~’s, de Erfkeizers van Japan, gekomen; +desniettegenstaande vocht bij voortduring de beschaafde, uit het zuiden +van Japan naar het noorden voortrukkende bevolking met dat ruwe +noordelijke volk, totdat dit eindelijk ten onder gebragt werd en met de +overwinnaars tot éen volk versmolt, of deels vernietigd, deels verdreven +werd. Velen, die niet wilden bukken, hadden zich allengs naar _Jezo_ +over de Straat van _Tsugar_, die _Nippon_ van dat eiland afscheidt, +begeven en zich daar met hunne oude landgenooten vereenigd. Doch in de +14de eeuw werden ook de _Aino’s_ in het zuiden van dat eiland door de +Japanners ten onder gebragt. Thans bewonen de _Aino’s_ het eiland _Jezo_ +en de _Kurilen_, en het zuidelijke gedeelte van _Krafto_, waar zij zich +langs de Westkust tot op 48° N.Br. en op de Oostkust tot naar de Bogt +van _Patientie_ uitbreiden. + +Voor de ontdekking van het land van _Jezo_, door ~Maerten Gerritz. +Vries~, beperkte zich de kennis van dat land en deszelfs inwoners tot de +mededeelingen van de _Patres_ ~Aloisius Froes~ en ~Hieronymus de +Angelis~ en van ~Joan Saris~ en ~Françoys Caron~. In zijnen brief van +den 11 Maart 1565, dus 22 jaren na de ontdekking van Japan, uit +_Mijako_, de hoofdstad van dat rijk, geschreven, beschrijft ~Froes~ dat +volk alzoo: »In het noorden van het land van Japan, drie honderd +_Leucas_[120], ligt een ver uitgebreid gewest door wilde menschen +bewoond[121]. Deze zijn bekleed met beestenvellen, ruig over het geheele +ligchaam, hebben een verschrikkelijk grooten baard en zeer grote +knevels, welke zij, wanneer zij drinken willen, met een stokje opligten. +Zij lusten gaarne drank, zijn stout in den oorlog en door de Japanners +zeer gevreesd. In den strijd gekwetst zijnde, wasschen zij de wonden met +zoutwater; dit is hun eenig geneesmiddel. Men zegt dat ze op de borst +eenen spiegel dragen; zij binden de zwaarden om het hoofd in dier voege +vast, dat het gevest op de schouders nederhangt. Zij hebben geene +godsdienst, het schijnt dat zij den hemel plegen aan te bidden +enz.”[122]. Meer breedvoerig is het berigt van het land van _Jezo_ en +deszelfs inwoners, dat door ~Hieronymus de Angelis~ in zijnen brief, uit +Japan in 1622, een jaar voordat hij te _Jedo_ verbrand werd, geschreven, +medegedeeld en door ~Nicolaes Witsen~ in zijne »_Noord-Oost +Tartarye_”[123] overgenomen is. Deze schets van de _Aino’s_, van hunne +zeden en gebruiken is te belangrijk om ze niet letterlijk uit dat +zeldzame boek over te nemen, ten einde te kunnen dienen tot vergelijking +met de berigten van onze Nederlandsche zeevaarders. + + [120] _Leuca_ (_Legua_) 17½ op een graad. + + [121] „_Amplissima sylvestrium hominum regio._” Deze uitdrukking + schijnt aan ~Abrahamus Ortelius~ aanleiding te hebben gegeven + het in zijn „_Theatrum orbis terrarum_” in het noorden van Japan + vertoonde eiland „_Satyrorum Insulam_” te noemen. + + [122] _Rerum a Societate Jesu in Oriente gestarum volumen._ Coloniae. + 1574. pag. 426. „Japoniae terrae in Septentrionem adiacet + amplissima sylvestrium hominum regio, leucas ab urbe _Meaco_ + trecentas. Bestiarum pellibus induuntur, toto hirti corpore, + ingenti barba, mystacibus maximis, quas paxillo subrigunt + potaturi. Vini gens avida in primis, ad bella ferox, formidolosa + Japoniis. In praelio sauciati, salitis aquis abluunt vulnera, id + unum genti remedium est. Speculum gestare dicuntur in pectore; + ad caput gladios alligant sic, ut in humeros manubrium desinat. + Sacra habent nulla, caelum dumtaxat venerari soliti sunt.” + + [123] ~N. Witsen~, Deel II. l. c. pag. 57. + +»Wat belangt den aert der inboorlingen, die zijn grof, en grooter van +lichaem, als de menschen in ’t gemeen zijn; meer hellende na de blanke +als bruine verwe. Zij dragen lange baerden zomtijts tot aen den middel +toe. Hun hoofthair scheeren zij, van vooren, half af, zoodat zij aen de +slaep van ’t hooft gantsch geen hair hebben: maar wel van achteren, daer +zommige van hen het zoo lang dragen, als de Japanders. Zij hebben in ’t +gemeen de ooren doorboort, en, in plaets van pendanten, dragen daer +zilvere ringen in: maar die geen zilver hebben, dragen daer een vlok +zijde deur, die lang afhangt. En dit doen zoowel de vrouwen als de +mannen. De kleederen, zoo wel van mannen als vrouwen, zijn lang, met +zijde doorwroght, beleit met cieraet van kruissen of rozen van de zelve +stof, zoo klein als groot. Hunne stoffen zijn van zijde, katoen, of +linnen. Tot wapenen gebruiken zij pijlen, boogh, lancen en zwaerden, die +niet grooter zijn, als een gemeene Japansche pook. In plaets van +harnassen, gebruiken zij rokken, als gemaliede wambassen van kleine +plankjens bij een gezet, ’t geene belacchelijk is in ’t aenschouwen. +Zij hebben vergiftige pijlen, waer van iemant gewont zijnde, noit +genezen kan worden. Zij zijn zeer twistgierig, echter dooden elkanderen +zelden. Tot _Matsumay_ wert veel gedrooghde visch, ook haring, zwanen en +kranen, zoo levendigh, als doot, en ook gedroogt, als mede valken, en +ander gevogelte, te koop gebraght. Walvisschen worden daer mede gevangen +en de _Todonoeno_ (Robben), waer van het vel ruighairigh, niet ongelijk +dat van een verken, en vier voet lang is. Deze visch is aldaer voor een +zeer geringe prijs veil. Zij handelen met geen goude of zilvere munte; +maer verwisselen hunne waren tegen rijs, katoen, gaern, linnen en +stoffen, of ook wel tegen gemaekte kleederen. De heer van _Matsumay_ +verzekerde mij, dat de inwoonders van _Jesso_ visch-vellen, die zij +_Raccon_ (Rakko, _Enydrys marina_) noemden, aen drie eilanden, niet +verre van hun lant afgelegen, quamen koopen: waer van d’inwoonders geen +baert, en een zeer verschillende tale met die van _Jesso_ hadden, doch +hij wist niet of die eilanden bezuiden of benoorden _Jesso_ lagen. Wat +de kennis aengaet, die zij van d’andere werelt, en het toekomende leven +hebben, dezelve is zeer klein of niet. Zij eeren eenighsins de Zon en +Maen, als de twee voordeelighste lichten; behalven noch eenige bergh- en +zee-duivels: want alsoo zij zich meest in ’t geberghte, op de jacht, en +met houthakken, en ter zee, met de visscherije erneren, zoo hopen zij +daer door veel vangst te krijgen, en noit gebrek van hout, om te branden +of te bouwen, te zullen hebben. Zij hebben noch Bonsen, of offerpapen, +noch tempels, of eenig plaets, daer zij bij een kommen, om van hunne +zaligheit te handelen. + +Niemant onder hen kan ook lezen of schrijven. + +Elk onder hen heeft zijn eige en wettige vrouw, doch, zo zommige meinen, +wel twee; hoewel er noch veele gevonden worden, die, op de Sineesche +wijze, bijzitten houden. Als de man gestorven is, begeeft zich de vrouw +veeltijts ten huize van den schoonvader, of bij iemant van ’s mans +vrienden, onder beding, dat zij ’er noit uit zal gaen, of hertrouwen. + +Een vrouw, die in overspel bevonden is, wert het hoofthair afgeschooren, +op dat zij daer over bekent zoude zijn; en den overspeelder, of den +gene, waer mede zij de vuiligheit bedreven heeft, van zijn degen +berooft, en al zijn lijfcieraet, door den beledigden man of door zijn +vrienden, zo dikwils als zij hem ontmoeten, afgenomen.” + +~Joan Saris~ heeft als gezant van de Engelsche Maatschappij aan het Hof +te _Jedo_ in 1613 door een Japanner, die twee maal op _Jedzo_ (_Jezo_) +geweest is, berigten van daar verkregen, waardoor het woeste voorkomen +van dat volk bevestigd en ook over den handel met hetzelve eenig licht +verspreid wordt. »De menschen syn ’er wit of blank, en wel gemaekt, maar +heel ruw en haijrig het geheele Lijf over, gelijk als de meirkatten en +aapen. Hun geweer bestaat uijt boogen en vergiftige pijlen. Die aan de +zuijdelijkste kant woonen, verstaan haar op gewigt en maat, maar dertig +dagen landwaards in weet men daar niet van. Sij hebben veel silver en +sand-goud, dar sij de Japanners mede betalen voor rijs en andere waren. +Rijs en Japansche cottoenen worden hier wel gesogt. Yser en Loot krijgen +sij uijt Japan. Alle eetwaren, en ’t geene daar men sig mede kleeden +kan, wil hier best aan de man. De rijs van Japan na _Yedzo_ gebragt, +leverd vier voor een tot winst uijt. + +De Stad daar de Japanneesen alhier hun meeste verblijf hebben en markt +houden, word _Matchma_ (_Matsmaë_) genaamd. In deselve sijn 500 +Japansche huijsgesinnen, die hier ook een Fort hebben en die daar in +commandeerd, _Matchmadonna_ (_Matsmaë Dono_) noemen. Deze Stad _Matchma_ +is de voorname handel-plaats van geheel _Yedzo_, werwaards meest alle +ingeboorne gaan om te kopen en te verkopen, bijsonder in de maand van +September, om haar winter-voorraad op te doen. In de maand van Maart +brengen sij salm, en allerley soort van visch, neffens ander waren die +de Japanners in ruijling aannemen, en liever hebben als hun silver. +Verders hebben die van Japan, behalven _Matchma_, geen andere vaste +woon- of handel-plaats. Die in het selve eijland verder na het Noorden +woonen sijn seer kleijn, en gelijk als dwergen, maar de andere +_Yedsoers_ sijn van postuur en grootte, gelijk als die van Japan. Zij +hebben geen kleeding, als die hen uyt Japan gebragt word. + +Tusschen _Yedzo_ en Japan gaat een seer sterke stroom, die van _Corea_ +komt, en Oost- Noord-oost aan loopt. De winden sijn daar gemeenlijk soo +als in Japan; te weten, de Noordelijke winden beginnen in September, en +duuren tot de maent Maart, en dan begind de Zuidelyke wind te +waaijen.”[124] + + [124] _Naauwkeurige Verzameling de Gedenkwaardigste Reysen na Oost- en + West-Indiën enz._ Te Leiden door ~P. van der Aa~, 1707. Deel 24. + _Agste Oost-indische Reys enz._ onder Capitain ~Joan Saris~. pag + 136. + +~Françoys Caron~, in de jaren 1639 en 1640 Opperhoofd van den +Nederlandschen Handel in Japan, deelt eenige minder belangrijke op Japan +vernomen tijdingen van _Jezo_ en de _Aino’s_ mede, die wij echter wegens +de volledigheid van de toenmalige wetenschap van dat merkwaardig land en +volk tevens willen aanhalen. + +»Men reyst noch 27 dagen Noordtoost, wel so Oostlijke aen, eer men komt +bij de uijterste hoeck van ’t lant _T’sungaar_ (_Tsugar_) genaemt, aen +de zee gheleghen; van daer vaert men over een water, onghevaerlijke elf +mijlen wijt, ende men komt in ’t landt _Jeso_ ofte _Sesso_, daer +kostelijcke bonten, ende peltwerk valt, welk lant vrij woest, +berchachtigh, ende weijnigh bewoont is; dit lant _Sesso_ is seer groot, +door den Jappanderen dickweijls doorsocht, diep, ende verre doorreijst, +doch noyt tot den eijnde, noch seeckerheijt des selfs gekomen, so dat +het haer ghemeenelijke aen victualie ontbroken heft, ende gedwongen +waren, t’elcken reijse wederom te keeren; de rapporten der visitateurs +zijn ook sodanigh geweest, dat sijn Majest. curieusheijt, om verder +ondersoeck te doen, wederhouden is, want het lant (als geseijt) is +woest, ende werdt in sommige plaetsen bewoont van een volck die ruijgh +over ’t lichaem zijn, dragen lanck Haer, ende baert, als den Chinesen +brutael, beter den wilden, dan de andere menschen gelijck.”[125] + + [125] _Beschryvinghe van het Machtigh Coninckrycke Japan enz._ door + ~Françoys Caron~. T’Amsterdam 1648. pag. 1. + +Hoe vervelend dan ook deze berigten voor den lezer zijn mogen, zoo +hebben wij het toch voor doelmatig gehouden, dezelve zoo veel mogelijk +volgens den oorspronkelijken tekst uit boeken getrokken, die allengs +zeldzamer worden, hier te zamen te stellen, om hem een duidelijk +denkbeeld te verschaffen van den toenmaligen staat van de kennis van het +land van _Jezo_ en deszelfs inwoners, de _Aino’s_, voor dat wij de +volkenkundige waarnemingen op den denkwaardigen Zeetogt van ~Vries~ +gedaan, aan een nader onderzoek onderwerpen. + +Kort na de ontdekking van het Land van _Jezo_ door ~Vries~ en +van den ongelukkigen zeetogt van ’t Jacht _Breskens_, zijn in ’t +vaderland onderscheiden berigten omtrent _Jezo_ en de bewoners van +dat land ontvangen en van lieverlede door den druk bekend gemaakt. +Het eerst berigt is reeds in 1646 te Amsterdam uitgegeven onder den +reeds meermalen aangehaalden titel: _Korte Beschryvinghe van het +Eylandt Eso enz._ Dit stuk is later (1692) ook door ~Witsen~ +overgenomen en toegelicht geworden[126]. Insgelijks deelde deze +geleerde aardrijkskundige eenen brief mede »_die nopende de ontdekking +van het lantschap Eso_ of _Jesso_ en _Tartarye uit Batavia in den +jare 1644 herwaarts is geschreven geworden_.” De inhoud daarvan +beperkt zich echter tot eenige aardrijkskundige berigten omtrent +~Vries’~ ontdekkingen en over de goud- en zilvernasporingen, die de +hoofdbeweegreden der uitzending van ~Quast~ en ~Tasman~, en van ~Vries~ +en ~Schaep~ naar het noorden van Japan geweest zijn. Ook vermeldde +~Nicolaes Witsen~ een berigt van ~Philips Jacobsz. de Bakker~, +onderstuurman aan boord van ’t _Castricum_[127]. Van de door ~Jansonius~ +uitgegeven kaart, als ook van andere onuitgegevene kaarten van den +meergemelden zeetogt en van de »_Opdoeningen en lant-verkentenissen van +de zeekusten des lants van ~Jesso~, en van het ~Compagnies~ lant_” door +~Witsen~ bewaard, hebben wij reeds breedvoerig gewaagd. De meest +belangrijke waarnemingen en berigten, bijzonder met betrekking tot den +stam der _Aino’s_, hunne zeden en gebruiken, die wij aan zeevaarders van +den lateren tijd, en aan de Japanners, die het Land van _Jezo_ bezocht +en beschreven hebben, te danken hebben, zijn door den Schrijver dezes +onlangs tot een geheel gebragt en in zijne »_Beschrijving van Japan_” +geboekt geworden[128]. De herhaling daarvan is hier overtollig, zoo +dienstig ook de verhandeling op zich zelve zal zijn, om de mededeelingen +van onze Oude Nederlandsche zeevaarders te bevestigen, toe te lichten en +te verrijken. + + [126] ~N. Witsen~ l. c. pag. 55. + + [127] ~N. Witsen~ l. c. pag. 59. + + [128] ~Nippon~, Abtheil. VII, pag. 205-224. + +Wij zullen ons dus ten doel stellen om den merkwaardigen stam der +_Aino’s_ te beschrijven volgens de berigten die in ’t teruggevonden +_Journael_ aangeteekend zijn, en volgens al de oorkonden, die ons de +Nederlandsche pers van ~Vries’~ zeetogt bewaard heeft. Daarbij willen +wij ons, zoo veel mogelijk, aan de letterlijke bewoordingen houden, +waarin de onderscheiden waarnemingen opgeschreven zijn, om de reeds aan +onze stoute zeevaarders voor hunne verdiensten voor de aardrijkskunde +opgerigte gedenkzuil ook met zoo belangrijke bijdragen voor de +volkenkunde te versieren[129]. + + [129] De geschriften, waaruit wij deze beschrijving zamengesteld + hebben zijn gemerkt als volgt: (K. B.) _Korte Beschrijvinghe_; + (S. B.) _stuurman ~de Bakker~’s berigt_; en (J.) _~Coen~’s + Journael_. + +=Gedaante, Gelaatstrekken der Aino’s.= »De Inwoonderen van dese +Eijlanden _Eso_, zijn alle den anderen seer gelijck, kort ende dick +gedrongen van stature, hebben langh ruijgh haïr ende baerden, soo dat +het aenghesicht daer bijkans mede bedeckt is, doch het hooft is vooren +geschooren, zijn wel besnede van tronien, swart van oogen, kort, +tamelijck dick, ende niet plat van neusen, laegh van voorhooft, geel van +vel, over het lijf seer ruijgh. De vrouwen zijn so bruijn niet als de +mans, laten eenighen het hair in ’t ronde scheeren, so dat het haer +aengesicht niet en belet, anderen laten het langh wassen, ende stricken +’t op als de Javaensche vrouwen, haer wijnbraeuwen ende lippen swart +ende blaeuw geverft, hebben soo wel mans, vrouwen als kinderen gaten in +haer ooren, daer sij silvere ringen in dragen, oock schortjens van +Armosijde, met loode ende koopere ringen.” (K. B.)[130]. + + [130] Vergel. ~Nippon~, _Atlas_, Tab. XVI, XVII, XVIII. + +Op _Krafto_ zijn de vrouwen blanker als op _Jezo_: »zaegen (in den Golf +van _Aniwa_) ook eene vrouw in eene prauw sitten, blank synde met swart +lanch hangent haer op het hooft, hadde in elcke oor een groote blauwe +gecraelde ketting, waeronder eenige andere craelen geregen waren.[131] +(J.) + + [131] Vergel. ~Nippon~, VII _Atlas_, Tab. XXI, fig. 5. De kostbaarste + zijn van blaauwen _Obsidiaan_, dien zij noemen _Krafto tama_, + edelsteenen uit _Krafto_. Deze blaauwe koralen vindt men bij + alle volken in den kouden aardgordel, van het noordelijke + halfrond van den Grooten Oceaan tot in de _Behring_ straat, waar + ze van ~von Kotzebue~ in de Zond, die zijnen naam draagt, zijn + waargenomen geworden, verspreid. + +»Vonden daer (in de bogt _Patientie_) eene blancke vrouw, fraey van +trony, hebbende lanck swart haer met een stroock bont om haer hooft van +een bever (_Zeeotter_), gecleet heel in ’t bont, by haer hebbende een +cleyn meysie, hebbende een bonte rock aen, met een stroock bont van een +saebel, dat seer schoon was om haer hooft ende had een jongen by haer +staen gecleet mee met een bonte rock.” (J.) Ook is in ’t Journael van +eenen blanken man gewaagd: mogelijk dat die een door schipbreuk daarheen +gekomen Japanner was; doch door de gebreken van den ouderdom minder aan +de open lucht blootgesteld, kunnen, zoo als de vrouwen van de betere +klasse in dit land, ook oude lieden verkleuren en witter van gelaat +worden. + +»Wat van de prauw af sat een oudt blanck man, met een lange grijse +baert, op een matien (matje), op de Japansche wijse, aenhebbende een +gebloemde catoene rock, sijnde op sijn Japansch gemaeckt. Mijn leijtsman +wees ick sou bij die oude man gaen.” (J.) + +=Regeering, Aino-hoofden, Geregtszaken, Straffen.= Ten tijde van +~Vries’~ bezoek op _Jezo_ stonden reeds lang de _Aino’s_ van het +zuidelijke gedeelte van dat eiland onder een’ Japanschen Vorst, die +zijnen zetel had in de stad _Matsmaë_. »Den _Matsmay Simadonne_ +(_Matsmaë Sima dono_), Gouverneur ofte Overste van ’t voorsz. Eylant, +gaet jaerlycx de Keyserlycke Majesteyt van Japan tot _Jedo_ begroeten, +tot geschenken mede nemende veel silvers, vogelsveederen (om aen Pylen +te ghebruycken) ende fyne bonte vellen, hem met een berck van _Eso_ +ladende oversetten tot aen de Japansche Cust _Nabo_[132], van waer hy +dan voorts te lande naar _Jedo_ reyst.” (K. B.) + + [132] Waarschijnlijk naar den boven beschreven haven van _Nambu_, op + de Oostkust van _Nippon_. Mogelijk ook de haven van _Saï_ of + _Ohata_. + +»Onder haer is geen wettelijcke regieringhe ofte politie, geschrift ofte +boecken, konnen lesen noch schrijven.” (K. B.) Zij hebben echter +hoofden, die hun gezag over een min of meer uitgebreid gebied +uitoefenen, en onder hen in aanzien staan en geëerbiedigd worden. + +»Quamen de habytanten met twee prouwen ons te gemoet, waarvan drie +persoonen over in onze prouw quaemen, ende syn doen saemen naer haer +dorp gevaeren, hetwelk sy _Ackys_ (_Atkesi_ op _Jezo_) noemden, syn met +de ~meeste gesach hebbende~ in syn huys gegaen, wiens naem was +~Noiasack~.” (J.) Het zijn meestal oude mannen die zich door ervarenheid +en burgerlijke deugden kenmerken: »Ten anker leggende, quam ’er een hoop +volks aen boort dat een blinden man by zich had, en dien zeer eerde en +ontsagh. Dese oude blinde man, eer hij weer naer lant voer, hief zijn +handen op, en deed over ’t scheepsvolk een lange rede, die d’onzen niet +verstonden.” (S. B.) + +»Heeft de Commandeur aen den outste een cleyn Prince vlaggetie vereert, +waermede hy bly scheen te wesen, sette het op syn huys ende liet het +waeijen.” (J.) + +De ontmoeting van _Aino_-hoofden in de Bogt van _Patientie_ zal hier +eene geschikte plaats vinden, ten einde zich een denkbeeld van zulke +krijgshaftige mannen te vormen. + +»Saegen twee treftige (deftige) persoonen op een grooten boom, die van +de see op het strant geworpen lach, sitten, sijnde cloeck van leden, den +eene met een ruijgen baert, hebbende pijl ende booch in de handen, met +een pijlkoocker vol pijlen aen sijn hooft hangen, met een houwer op sijn +sij, den ander wat jonger, met een groot gramschap geschooten, hebbende +twee groote knevels, had oock pijl ende booch in sijn hand ende voorts +gewaepent met een houwer ende pijlkoocker vol pijlen; after haer stonden +twee sterke mannen, geweert (gewapend) als de twee voorige, gecleet met +rocken van vellen. + +Den outste sette sijn booch in ’t sant met een pijl daerbij, ende nam +een lange pieck van 18 voet in sijn hant, ende sij bleven alle beij +sitten, ende de andere twee staen. Wat dicht hij haer comende seij +_Tacoij jankarate_ ende vreef mijn handen, gelijck gesien hadde aen +_Tamarij_, waerop de outste sprack _Tacoij_; sijn doen toegetreden, ende +naem sijn hant ende wesen dat wij vrienden waren, in mijn beijde handen +sijn rechterhant nemende, ende soo saemen gedruckt; naem doen de pieck, +ende smeet hem neer, waerop ons volck is comen aentreden, dien sij doen +met haar tween te gemoet gingen ende welcom heeten, seggende _Tacoij_, +ende douden met haer beijde handen ons volcx rechterhant, gelijck ick +haer gedaen had, maer de twee andere pasten op haer geweer. Dese twee +persoonen waeren gecleet met sijde gebloemde Japansche rocken, gevoert +met Sineese cangangs, waertusschen sijde watten waeren; soodat ick +vertrou de twee andere lijfschutten ofte haer dienaers waeren. Dese twee +treftige persoonen was haer hooft voor geschooren tot halfwegen het +hooft ende voorts hadden lang hangent haer tot heel aan haer midden, de +plaeten van haer houwers waeren oock met silver beslagen ende +doorluchtich.” (J.)[133]. + + [133] Vergelijk: _Voyage de Lapérouse_, _Atlas_ N^{o}. 50, waar eene + ontmoeting van _Aino_-hoofden op de westkust van _Krafto_ + vertoond wordt. + +Deze hoofden doen onderzoek hij overtreding van de wetten, vonnissen en +straffen. »Hij (het _Aino_-hoofd) zittende met een houte knuppel in sijn +hant, alwaer sij recht mee doen, saegen het meysie met het aengesicht op +de aerde liggen.” (J.)[134]. + + [134] ~Nippon~, VII _Atlas_. T. XIX. A. fig. 3, waar deze knuppel, + _sjô kine_ genoemd, afgebeeld is. + +»Als sij eenige straffe doen des doots schuldigh ofte eenige van haer +vijanden gevangen crijgen, slaen die doot met een swaeren kneppel in de +lenden.” (J). + +Deze straf, zoo als ze aan gevangenen voltrokken wordt, is nader +beschreven. »Eenighe van haere vijanden gevangen bekomende, die straffen +ende dooden zij in dieser voegen; den gevangen wort recht over eijndt +gestelt, het bovenlijf naeckt zijnde, de armen ofte handen worden hem in +de zijde geset, alsoo staende wort van vier persoonen vastgehouden, twee +aen de armen, ende twee aen den voeten; dan komt een vijfde persoon met +een knodse, daer eenighe swaerte van ijser vooraen is, die ghepast +hebbende hoe hij den patient treffen wil, treet 10. a 12. treden +achterwaert, komt dan, de knodse om ’t hooft slingherende, al dansende +aen, t’ elckens (met beijde de handen de knodse gevat hebbende) een +slagh in kruijs van des patients rugge brengen, tot dat hij de geest +geeft. In dier voegen straffen mede, die bevinden dat met haer wijven +ofte dochter oncuijsheit bedrijven.” + +=Godsdienst, Begraafplaatsen.= »So veel als konden vernemen ende +bespeuren, soo hadden weynigh ofte geen religie ofte superstitie; doch +wanneer sij ontrent het vijer sitten en drincken, soo sullen sij eerst +op verscheijde plaetsen ter zeijden het vijer eenige droppelkens +storten, ghelijck of sulcx offerden. Hebben eenige gesnede vuijre +stocxkens, daer krulletjens ende spaendertjens bij hangen, die sij op +veel plaetsen in de aerde stecken, ende in de huijsen aen de wanten +hangen[135]. Wanneer ijemant onder haer sieck is, soo schaven sij met +een mes van langhe vuijre stockjens, lange schaeffels, ofte krullen, +winden die de siecken om het hooft ende de armen.” (K. B.) + + [135] Deze stokjes met krullen worden bij hun _Inao_ genoemd en komen + overeen met de _Hei_ of _Gohei_, zinnebeelden van godheden in + den ouden godsdienst, den _Sintô_, der Japanners. Vergelijk + ~Nippon~ VII, pag. 214 en _Atlas_, Tab. XVII. + +»Als hij eeten zou, deed hij zijn gebed, gelijk de Kristenen, met +gevouwen handen.” (S. B.) + +»Haere graven (in den Golf van _Aniwa_) waeren boven de aerde gelijck +een cap van een huys, een mans lengte lanck ende 3 voet hooch, wel +besorcht ende dicht toe benaijt met groote basten van boomen.” (J.) + +»Vonden (in de Bogt _Patientie_) 10 graeven, daerin sommige dooden noch +in laegen. Deze graeven waren heel raer gemaeckt van vuereplancken, +omtrent een voet verheven van de aerde, staende op stuties ende was +onder een viercante kist, onder de boom (bodem) sijnde houte tralijs, +doorluchtig, alwaer de doode op lach met een crans van spaenderties fijn +gesneden sijnde om sijn hooft gevlochten; hadde een oude blauwe catoene +rock aen gehadt, maer die was al vergaen, vonden bij hem in de kist +schuetelties ende eetenbackies, ende eenige andere snuijstering met pijl +ende booch, had eten oock in een doos gehadt, soo het scheen, lach oock +een cleijn block om rijst te stampen, met een rijststamper daerbij in +sijn kist. De kist was boven met een cap wel dichte toe, gelijk een cap +van een huijs, daer boven op het scherp van de cap een fraeij gesneden +houten cap lach. Langs de kist aan elcken endt fraeij met een leeuw ofte +draecken cop uijt gesneeden, met houten ringen van het selfde hout in +haer mont, (ende) liep soodanich gesneeden hout aen alle vier hoecken +oock neerwaert aen, al uijtgesneden, als gesegt is. Dese graeven met +verwondering aengesien hebbende, saegen daerbij veel stockies staan met +fijne gesneden crulleties ende spaenderties daer aenhangen.” (J.)[136]. + + [136] Men vergelijke hiermede de grafzerken in de _Baie de Castries_. + _Voyage de ~Lapérouse~, Atlas_, N^{o}. 53, ook de door ~Toknai~ + op de Westkust van _Krafto_ waargenomen graftombe. ~Nippon~ VII, + pag. 217, _Atlas_, Tab. XXII, fig. 15. De grafsteden hebben zeer + veel overeenkomst met die van eenige Amerikaansche volksstammen, + te weten de _Dacotaks_ en _Chippewas_. Ook bij deze worden de + lijken 12 tot 16 maanden lang in zerken, van planken en + berkenbast vervaardigd en die op palen rusten, bewaard, voordat + dezelve begraven worden. Gedurende deze tentoonstelling worden + spijs en drank aan de zielen van de overledenen geofferd en + wapenen en andere kostbaarheden bijgezet. + +Bij _Atkesi_, op _Jezo_, heeft men opgemerkt dat de plaats: »Alwaer de +dooden onder de aerden legghende, het graf met Oesters schelpen bedeckt +wert. Op andere plaetsen staense in een Hutteken in de kisten boven de +aerde, op vier staekjens, zijnde het huttecken met konstig lof-werk +ghesneden, sonder dat men eenige andere Offerhande daer bij vint.” (J.) + +De hut met een geraamte, op _Urup_ gevonden, was zonder twijfel eene +begraafplaats, de daarvoor opgehangen sabel bewijst dit. In het _Jezoki_ +staat[137]: »Wanneer de _Aino’s_ iemand plegtig willen begraven, hangen +zij over zijn graf, aan een 5 tot 6 voet hoogen paal, den sabel van den +overledene op.” + + [137] _Jeso-ki, ou Description de l’île d’Ieso etc._, par l’interprète + ~Kannemon~; in ~Malte-Brun~’s _Annales des voyages, etc._ Tom. + XXIV, pag. 147. + +»Rapporteerden in eenige huties geweest te hebben, alwaer een +menschengeraemte ende een dootshooft in lach. Deze huties waren gemaekt +van tacken van boomen ende met lanck gras gedeckt, vonden bij d^{o}. +huties een paal in de gront geset, alwaer een houwer hangen.” (J.) + +Ook getuigen de lidteekens, zoo algemeen aan de voorhoofden der +inboorlingen waargenomen, het bestaan van den zoogenoemden ~doodenkamp~, +die daarin bestaat, dat zich de naaste bloedverwanten met een mes +(_makiri_) sneden aan het voorhoofd geven en het bloed van de +afgescheiden zielen offeren.[138] »Sijn meest op het hooft met +verscheijde houwen ende kerven gequetst geweest, ghelijck sulcks de +groote litteeckens getuigen.” (K. B.) Daarom werden de vreedzame +_Aino’s_ van de onze uitgemaakt voor: »Boschloopers ofte Banditen van +eenighe plaetsen te wesen, een ijder even veel Meester zijnde.” (K. B.) + + [138] ~Nippon~, VIII, pag. 214. + +=Zeden en Gebruiken, Levenswijze en Voedsel.= »Schijnen door haere +ruijhe baerden ende hair seer wreedt, maer weten haer tegens de vreemde +Natien soo sinceer ende eenvoudigh te houden, dat men niet anders soude +konne oordeelen, ofte het waren civilen ende gepoliceerden menschen. +Waeneer sij bij vreemde Natien komen, soo vercieren haer met haer beste +kleederen, ende weten haer seer modest te houden, toonen hare courtosien +ende beleeftheijt met het hooft te buijghen, en gevouwen handen, de +selvigen voorbeij den andern heen ende weder strijckende; singen met +bevende stemmen, als de Japanders doen; doch waneer sij een weynigh +commissie bekomen, soo sijn sij haest familiaer, dan met een +vriendelijck ende vrolijck gelaet.” (K. B.) + +»Ende greep mij voorts eens vriendelijck om mijn midden tot teijcken van +vrientschap ende gingen soo hant aen hant naer zijn huijs toe.” (J.) +Zijn ook gastvrij: »aen lant komende wierden van de inwoonders wel +onthaelt.” (S. B.) »presenteerden mij souden in haer huties comen.” (J.) + +»IJder man heeft twee vrouwen, die maken biese-matten, naijen haers mans +rocken, ende koocken het eten; en waneer de mans het hout om te branden +in ’t bosch vergaderen ofte kappen, soo draeght het de vrouwe in de +prauw; ende moeten dan soowel roeijen als de mans.” (K. B.) + +De vrouwen, vooral de oude, zijn niet onkundig en schijnen veel te +zeggen te hebben, »waerop de outste vrouw mijn meening eerst verstaende +etc.” (J.) »Een hutie alwaer een stockoude vrouw uijtquaem, leunende op +een stockien, scheen veel hebben te zeggen.” (J.) »De mans zijn voor +vreemdelingen op haer vrouwen ende dochters seer jalours, soodat niet +mogen lijden dat men met haer stoeijt ofte speelt: wanneer bemerken dat +ijemant haer tot hoerereije versoeckt, sullen hem dooden, soo in haer +macht bekomen.” (K. B.) + +»Waneer haer vrouwen baren, ende in kinder-bedt zijn, so houden sij hare +residentie in een huijsjen apart, daer gedurende den tijdt van 2 a 3 +weecken geen mans-persoonen bij haer komen; hare kinderen te werelt +brengende zijn heel blanck; wanneer sij die de borst sullen geven, ende +datter eenighe van onse Nederlanders ontrent waren, soo deden ’t gantsch +bedecktelijck, haer borsten niet wijders ontblotende, als de kinderen de +tepels even met de mont vatten konden. Ja selfs de meijsjens ende +kleijne kinderen, daer veel tijdts met schoon weder naeckt loopende, en +de Nederlanders siende, sullen met hooft, handen ende beenen in +malkanderen krimpen, ende haer seer beschaemt toonen. De vrouwen dragen +haere kleijnen kinderen in haer rocken, met een bant om ’t hooft[139], +op haer ruggen, zijn op haer matjens daer sij de vloer mede bedecken, +ende op haer spijs ende dranck veel reijndelijcker, als over haere +lichamen en kleederen, die veel tijdts (soo wel van mans, vrouwen als +kinderen) seer vuijl ende smeerigh daer uijt sien, ende weijnigh +vernieut ofte gewassen worden. Haer spijs ende voetsel is visch, +walvischspeck, traen, groente, knoppen van roode roosen, die in +_Acqueis_ in overvloet zijn; welke afgepluckt zijnde, de groote hebben +van een mispel, ende worden teghens de winter gedrooght, ende zijn haer +winterprovisie. Hebben verlackte kopjens, ende vierkante backjens daer +sij haer eten in opschaffen, ijder een kopjen voor haer hebbende, etende +met stockjens op de Japansche maniere, behalven op 48 graden 50 minuten +(in de bogt van _Patientie_), die wel op de Japansche maniere +geschooren, ook met sijde rocken bekleet zijn, en wat blancker, ende +veranderlijck van spraecke zijn, maer nemen haer eten met de vinghers, +sonder de voorsz. stockjens te gebruijcken.” (K.B.) »Sy hebben geen sout +in gebruike” (J.) »De mans ende vrouwen zijn tot stercken drank seer +ghenegen, en worden daer oock heel licht droncken van” (K. B.) »Droncken +saemen in ’t ront eens om een arackie ende toebackie, waernaer sij +allegaeder begeerich waeren”. (J.) »Als sy drincken lichten haer knevels +op met een vinger” (J.) »Sitten op zyn Japansch op de matten” (J.) + + [139] De _Aino’s_ dragen alle lasten op den rug, door middel van een + band of riem die over het voorhoofd loopt. Deze gewoonte van + kindsbeen af aan gevolgd moet aan het voorhoofdsbeen (_Os + frontalis_) eene onnatuurlijke rigting geven en hetzelve naar + achteren drukken, waardoor zich dan ook hun voorhoofd kenmerkt. + Vergel. ~Nippon~ VII. _Atlas_ Tab. XVI, waar de wijze hoe de + _Aino’s_ hunne wapenen dragen vertoond is. + +=Woning, huizen, hutten, voorraadschuren, forten enz.= »Hare huijsjens, +die meest voor aen strant in ’t hangen van ’t geberghte, ende eenige +daer boven op staen, zijn van planken, gheschaeft ende het een in den +andern gevoeght, met basten van boomen gedeckt; doch de meeste part met +opgerechte stijlen, met breede basten van boomen, soo wel ter zijden, +als boven bedeckt, met een veijnster boven versien om den roock van ’t +vijer uijt te trecken, dat midden in ’t huijs gemaeckt word; zijnde van +binnen een camer met afgeschutte deelen, die rontom curieus met enckelde +biesematten langs de aerde bedeckt is, 10 a 12 treden langh, ende 6 +breed zijnde, alles seer poliet ghemaeckt, eenigen met een stacketsel +van sparren rontom beset. Hare huijsen zijn boven de twee mans langhte +niet hoogh, even als de boeren-hutten in de Nederlanden, ende de deuren +so laegh, dat men daer al bockende in gaen moeten; staen niet veel bij +den anderen; ’t meeste ghetal, dat van de onsen bij den anderen ghesien +wierdt, was 18 à 20, ordinaris 6, 7, 9, ende 12, dan meer als een half +mijl van den anderen, oock de meesten part leedigh ende onbewoont. +Hebben geen huijsraedt als enkele biesematten, hare Japansche rocken +zijn benevens ’t silver-werk haer cieraet, hebbende weijnigh deekens om +op te sitten ofte te slapen” (K. B.) + +Daarmede stemmen ook de op verscheiden plaatsen in ’t Journaal te lezen +beschrijvingen en de afteekeningen, die wij van Japanners verkregen +hebben, overeen[140]. Daarin wordt ook van hutten, voorraadsschuren en +van hokken voor beeren, voor arenden en andere vogels gewaagd. Eene in +den golf van _Aniwa_ aan het strand staande hut of tent wordt alzoo +beschreven: »was maer van matten opgestelt met stocken in een driehoeck, +waer in ’t midden vuur aenlach, daer een ysere ketel met salm ende groen +cruyt over hinck ende coockte” (J.)[141]. + + [140] ~Nippon~ l. c. Tab. XVI. XX. ~von Krusenstern~, Reise. Atlas no. + LXXVI. + + [141] Vergelijke ~Nippon~ l. c. Tab. XVIII. ~von Krusenstern~, l. c. + No. LXXX. + +»Cleyne packhuysen, omtrent een mans lengte boven de aerde, staende op 4 +stutten ofte steylen, alwaar gedroochte visch in lach, de deuren daarvan +waren van vurenhout ende maer toegebonden.”[142] + + [142] ~Von Krusenstern~ l. c. No. LXXVI. ~Nippon~ l. c. Tab. XVI. + +»Bij dit huys stont een groot gemaeckt hock alwaar eertijts scheen eenig +gedierte in gezeten te hebben. Veel cleyne hoeckies daer noch eetens +ende drinckens backies aen vast waren” (J.) »hier stont een groot +vierkant hock, alwaer een groote swarte beer in sat[143], aen elke hoeck +van ’t hock was een lange spar met een mey by opgericht, daeraen +hangende veel spaenderties; ik vermoede, dat het tot triumf was over den +gevangen beer ofte eenige afgodendienst.” (J.)[144]. + + [143] ~Nippon~ l. c. Tab. XVI. + + [144] Het zijn de bovenvermelde ~Inao~; Overigens wordt bij hen de + beer in eere gehouden en deshalven ook genoemd _Hokjok Kamui_ + (_Kamui_, Japansch _Kami_ God). Zij voeden evenwel de jonge + beeren op met de bedoeling ze aan hunne Beschermgoden op te + offeren en tevens bij het offerfeest te eeten. Vergelijk + ~Nippon~ l. c. pag. 203, 219. Tab. XVII, waar het Beerenfeest + _Omsia_ vertoond wordt. + +Ten tijde dat het schip _Castricum_ in de Baai _de Goede Hoop_ zich +ververschte, vernam men, dat de inwoners van _Atkesi_ met hunne +zuidelijke naburen in geen goede verstandhouding leefden, en stuurman +~Coen~ zag daar eenige bevestigde wooningen. »Dese forten waeren +gemaeckt als volcht: op den berch, daer die op gestelt waren, was maer +een smal opcomende wech, hetwelck steijl was om op te climmen, ende +waeren pallisaeden in ’t viercant gestelt van de lengte ende de hoochte +van 1½ mans lengte, daer stonden 2 à 3 huijsen in; waren groote vueren +deuren in de pallissaeden met groote clampen; als die toe waeren, werden +dan met twee dicke houten geslooten, sijnde door de clampen +heengestoocken. Op twee hoecken van dese viercante gestelde +pallissaeden, is ’t met verheven stellagie gemaeckt van vueren plancken, +om daerop uijt te kijcken, voorts sijn de pallissaeden wel met +dwarshouten aen malcander geslooten.” (J.) + +=Kleeding en andere opschik.= »Haere kleedinge is meest op de Japansche +maniere, doch weynigh van sijde, meest van water-bloemen geschilderte +blaeuwe cangans, met ofte sonder ghevoerde Japansche rocken; maeken +eenige van kleetjens selfs haere rocken, de mouwen aen de handen niet +soo wijdt, maer bijkans sluijtende; benaijen die met stroockjens ende +lapjens van sijde kruijs-weeghs, met kirimirien, desgelijcks maecken +oock rocken van beestevellen; de mans de rocken voor open, ende de +vrouwen die als een hembt toe hebbende.” (K. B.) + +Meer bijzonder zijn de kleederen en andere opschik in het Journaal +beschreven; op de Oostkust van _Jezo_: »Sij hadden grove rocken van +hennipe linnen aen[145], daerover rocken van vellen gemaeckt, sij hadden +gaeties in haer ooren waer touties in hingen, den eene had een ring in +sijn oor, het welck was van specij als coper ende half gout.” (J.)[146]. + + [145] Deze worden van den bast van eenen boom, _Ats’ni_ genoemd, + waarschijnlijk eene soort van _Broussonetia_, vervaardigd. + Vergel. ~Nippon~, l. c., pag. 209. Tab. XVII. + + [146] ~Nippon~, l. c. pag. 210. Tab. XXI, fig. 6, 7, 8. + +In den Golf van _Aniwa_. »De man had een rock aen van catoen, blau met +witte oochies; zijn vrouwen waeren gecleet de een met een hennipe grove +rock wat vernaeijt sijnde, de ander vrouw had een rock aen van robben +vellen.” (J.)[147]. + + [147] ~Nippon~, l. c. Tab. XVI, XVII, XVIII. + +»Ende waeren op sommige plaetsen wat vernaeijt met root ende blauw +catoene gaeren.” »Sommige hadden rocken van vellen aen.” + +»Vonden daer op een verheven plaets waer matten op laegen (het +_Aino_-hoofd) zitten, zijnde gecleet met een blauwe catoenen rock met +witte bloemen, sijn vrouw aen sijn slincker sij, gecleet met een rock +die met veel strickies ende cruijsies vernaijt was, met alderhande +coleur van catoene gaeren; deze rocken waeren als de Japansche catabers +(_Kata hira_, eene soort neteldoek). + +»De stockoude man (een _Aino_-hoofd) had een blauw catoenen rock aen +alwaer Japansche caracters met gout op gedruckt stonden in een groote +vierkante perk; deze rok was met alderhande coleuren van catoene gaeren +genaeijt ende versiert.” (J.) + +»Hadden alte gaeder schrooties armosijn van alderhande coleuren in haer +ooren.” (J.) + +»Des huijsheers vrouw hadde een groot blau gecraelde ketting om haer +hals, waer copere teijckens tusschen geregen waeren ende eenige andere +coralen.” (J.) + +»Sommige van haer hadden groote silvere ringen in haer ooren.” (J.) + +»Waervan de eene vrouw een cleijn kintie op haer schoot had, soo schoon +als ooijt gezien heb, ’t welk een meysie was, hebbende eene blauwe +craelde kettingh om sijn hals, waer tusschen silvere teijckens geregen +waeren; aen d^{o}. ketting hingen twee groote silvere ringen, sierlijck +gemaect, wegende met haar tween wel ½ pond swaer.” (J.)[148]. + + [148] Van zulke eene in haar soort kostbare halsketting met + versierselen van geel koper werd ons eene teekening medegedeeld. + ~Nippon~, l. c., Tab. XXI, fig. 4. + +=Wapenen, vaartuigen, jagt- en vischvangst-gereedschappen.= »Haere +wapenen zijn pijlen en boogh, nevens een houwer, de Japansen seer +gelijck, alle met een dun silver rantjen om de plaet beslagen; dragen de +selvige met een draegh-bandt op sijn Persiaens, de pijl-koocker met een +bandt om haer hooft, op de rechterzijde hangende; hare booghen zijn 4 à +5 voeten langh, van elsen ofte esschenhout, ende de pijlen een half +ellen, seer subtijl gemaeckt, voor aen een harpoentje van riedt +hebbende, dat met swart fenijn bestrijcken, soo dat wie daer mede +ghequetst wordt, die moet terstont sterven”[149]. (K. B.) + + [149] ~Nippon~, l. c., pag. 210-211. Tab. XXII, fig. 1-5. + +Dit wordt bevestigd. + +»Presen dat haer pijlen waeren seer suptyl gemaeckt, sommige met fenyn +bestreecken” (J.). + +»Den outste had een pylkooker met aen syn hooft hangen met een booch in +syne hant ende een houwer op syn sy, saegen anders geen geweer”[150]. + + [150] ~Nippon~, l. c. Tab. XVI. + +»De inwoonders (van den golf van _Aniwa_) hadden sommige houwers op haer +sy, daar de plaeten rontom met silver waeren beslagen ende ook de scheen +(scheden) aan de eynden seer sierlijk, haer heften van haer houwers ook +sierlijk met silver in geleijt einde gewrocht.” (J.) + +»Dese lieden zijn in de natuer luijaerts, niet vlijtigh om te arbeijden, +zaeijen nochte maeijen niet, geneeren haer met een kleijn praucken, +’twelk uijt een dicke boom gehackt is, ende aen beijde zijden met vier +plancken opgeboeijt, een voet hoogh[151], roeijen daer mede ghelijck de +boeren met haer melck-schuijten, dan slaen de riemen niet gelijck in ’t +water, gaen daer mede schieten ende visschen robben ende andere +zeeghedierte; waer toe sij mede ghereetschap hebben, als harpoenen van +been, de punct met een stuckjen ijser ofte kooper versien; hadden oock +segens op de Hollandtsche maniere ghebraeijt, het gaaren van hennep +gesponen, die daer in’t wildt wast, houdende het eene eijnde in de +mondt, soo weten met de handen het gaeren soo ’t samen te draeijen, ende +bequam te maecken.” (K. B.) + + [151] Vergelijke ~Nippon~, l. c. pag. 213. Tab. XXIII, fig. 1, 2, 3. + +Zij laten hunne vaartuigen door honden trekken. »Sloegen daer vijf witte +ruijge honden voor, met hem (hennip) seelen om haer lijf; den stuerder +after het vaertuijch sittende riep eens, die honden begonnen stracx aen +het trecken te pueren.” (J.) + +Insgelijks ook aan sleden. »Een ijsslee, zijnde van een vreempt +fatsoen.” (J.)[152]. + + [152] ~Nippon~, l. c. Tab. XXII, fig. 7. + +»Hebben mede knippen, die als een booge gespannen zijnde, soo is in’t +hout van de booge een rondt gat ghemaekt, daar eenigh aes in legghen, de +voghels, als meeuwen, arenden, snippen, ofte ravens daer dan in +komende, picken, ofte haer voet in steecken, soo springhet de booghe op, +ende blijft de voghel vast[153]. Hebben altijdt waerse gaen pijlen en +boogh, nevens een houwer op haer zijde; waer mede sij oock in ’t bosch +gaen om grof wildt te schieten, als beeren, reen, harten, elandts, ende +ander bij ons onbekent ghedierte.” (K. B.) + + [153] Deze knipbogen, die zeer zinrijk uitgedacht zijn, vindt men ook + te Japan in gebruik en worden _Hana wake_ genoemd. + +»Haer honden afgericht tot visch vangen, soo natureel als soude connen +bedencken, liggende op de sprong aen den oever van der see ende cant van +de rivier, ende verlossen malcanderen of het menschen waeren, wanneer +daer een een poos de uijtsicht gehad heeft; de rest van de honden 10 à +12 bij troppen loopende langs strant, ende wanneer die eenige gewoel van +salm sien, loopen met alle man in ’t water ende plontsen soo met +swemmen, maeckende een halve maen. De salm door verbaestheijt hem dan +verheft uijt het water, ende springt op plaetsen, daer weijnich water is +of op de droochte, waerop de wachthebbende passen, ende grijpen die +salm; dan bijten die stracx de cop af ende brengen het lijf bij haer +meester in huijs, ende gaen dan weder op haer plaets; dit geschiet met +laech water.” (J.) + +Merkwaardig en eenvoudig is hare wijze, om vuur te maken: »Hadden haer +vuerslagen bij haer om vuer te slaen, dat waeren viercante planckies +daer een holletien in is, was voorachtich hout, daertoe hebben sij +rieten daer een cort stockien in steckt; als sij vuur hebben willen, soo +sloten sij dat stockien in dat holletie ende vrijven dat tusschen haer +handen, dat het omdraeijt heen en weer, soo gedoopt in gesmolten swavel +houden dat daeraen, hebben stracx brandent vuer.” (J.) + +=Handel.= De _Aino’s_ drijven alleen ruilhandel met de Japanners, met de +noordelijke bewoners van _Krafto_, en van het _Amurland_. »De mannen +verruijlen traen, walvischspeck, geroockte walvischtongen, veelderhanden +vellen ende vogelveederen aen de inwoonderen van Japan, die hier eens +des jaers komen, om die waeren op te koopen, daer voor gevende rijs, +sacie, Japansche rocken (soo van sijde, als blaeuwe cangans), koopere +tabacks-pijpen ende taback, doosen, verlackte eet- en drinck-bacxkens +ende kopjens; silvere oorhanghers, loode ringen om in de ooren te +hanghen, bijlen ende messen, soo dat al wat sij hebben, sulcks meest van +de Japanders ruijlen: haer spraeck is een weenigh met het Japans +vermenght: zijn seer subtijl in haer handel ende niet diefachtigh.” (K. +B.) + +Kwamen op de oostkust van _Jezo_ hunne goederen aan de Nederlanders +aanbieden: »Dese prauw was vol velwerk; als robbenvellen, elants, otters +ende beeren ende eenige bij ons onbekende vellen; presenteerden het +alles te verruijlen voor Japansche rocken.” (J.) + +Waren in den Golf van _Aniwa_ en de Bogt _Patientie_, »seer begeerigh +naer ijser, daer vogelvederen ende velwerck voor gevende, weten de +vederen seer pertinent in doosen te packen.” (K. B.) + +»Presenteerden mij een fijn ottervel, waervoer ick hen een oude +scheepsbijl gaf, ende was daer heel blijde mede.” (J.) + +»Ja hoeveel zilver men hen ook aenbood, zo verkozen zij altijt het ijzer +voor het zilver.” (S. B.) + +»Deze luiden waren oock graegh na zijde stoffen, daer voor zij bontwerk +en zilver in overvloet aenboden.” (S. B.) + +Thans is de handel der Japanners met de _Aino’s_ op de geheele kust van +_Jezo_ en tot op _Krafto_ in den Golf van _Aniwa_ uitgebreid en wordt +met veel voordeel gedreven. Gedroogde en ingezouten visch, vooral zalm, +haring, sardijnen, stokvisch, schelpvisch, zoo als klipzuigers (_Awabi_, +_Haliotis Japonica_), _Tripang_ (_Iriko_), zeekroos (_Kombu_, _Fucus +esculentus_) beerenvellen, zee- en rivier-ottervellen, arendveeren zijn +de voornaamste artikelen, die zij tegen rijst, sake, tabak, katoenen +stoffen, nieuwe en oude kleederen, lakwerken, sabels, messen, ruw ijzer, +gegoten ijzeren en koperen ketels en pannen, enz. inruilen. Ook ruilen +de Japanners van de _Aino’s_ eenige andere goederen, zoo als gebloemde +en met gouddraad doorweefde zijden stoffen, _kensju_ genoemd, +hengelsnoeren (_susi_, uit het _corpus sericeum_ van eene rups +vervaardigd), de meergenoemde blaauwe obsidiaan-koralen (_Krafto tama_) +en geëmaljeerde tabakspijpen, die zij door hun verkeer met het +_Amurland_, van het volk van _Santan_ en van de _Mantschou’s_, die naar +_Deren_, eene handelsplaats aan de _Amur_, niet ver van de _Baie de +Castries_, komen, verkrijgen[154]. + + [154] ~Nippon~, l. c. pag. 173. + +De beantwoording der vraag over de afkomst der _Aino’s_ en hunne +verwantschap met andere naburige volken zoude eene hoogstgewigtige taak +voor de volkenkunde opleveren. Hunne verdichtsels omtrent hunne afkomst, +die zich bij overlevering en in volksgezangen bewaard hebben, verdienen +niet meer geloof dan alle dergelijke fabelachtige verhalen bij andere +ruwe en onbeschaafde volken[155]. Aan de Japanners zijn de _Jebisu_ of +Oost-wilden bekend van den tijd af aan, wanneer de stichter van de +_Mikado’s_ of Erfkeizers dynastie, ~Zin mu ten wô~, zijn rijk naar het +oosten en noorden begon uit te breiden, dus van 660 voor J. C. In de +Chinesche Geschiedenis wordt het eerst onder de dynastie der _Han_ (189 +v. J. C. tot 30 n. J. C.) van den volksstam _Mao-min_ gewaagd, die aan +de overzijde van de Oostzee te huis hoorde en over het geheele lijf +behaard was. Ook wordt in de geschiedenis van de _Sui_ dynastie (608-622 +n. J. C.) van een’ volkenstam _Mozin_ gesproken, die uit vijftig horden +bestond, en die in het gebergte in ’t N.W. van het land _Woke_ (_Japan_) +woonde. Met de _Aino’s_ werd men eerst in ’t midden der 7de eeuw (659) +persoonlijk aan het Hof van _T’ang_ in China bekend, waar door een +Japansch gezantschap twee _Aino’s_ als zeldzaamheid aangebragt +werden[156]. Daar het grootste gedeelte van het Noorden van _Nippon_ ten +tijde van ~Zin mu ten wô~ door de Oostwilden, de _Aino’s_, bewoond was, +zoo kan men met zekerheid vooronderstellen dat deze volksstam daar reeds +voor 2500 jaren bestaan heeft. De noord-oostelijkste grens van zijne +verspreiding laat zich echter niet verder dan tot het tweede van +_Kamtschatka_ afgelegen Kurilsche eiland _Para muschir_ aanwijzen. Op +het eerste Kuril’sche eiland _Schumschu_ heeft reeds eene verbastering +der _Aino’s_ met den oorspronkelijken stam der _Kamtschadalers_, de +zoogenoemde _Itülmen_, plaats. Deze _Itülmen_ hebben echter geene +gelijkenis met de bewoners van de zuidelijke _Kurilen_, de _Aino’s_, +noch in gedaante noch in taal; en deze oude bewoners van _Kamtschatka_ +zijn ook vroeger dan de _Tungusen_ en _Koriäken_, die zich thans +tusschen _Kamschatka_ en het naburige _Oost-Siberië_ nedergezet hebben, +op het schiereiland gehuisvest geweest en waarschijnlijk in den oudsten +tijd van het land in ’t Z.W. van den _Amur_ gelegen derwaarts gekomen. +Deze groote stroom was de weg van eene voorgeschiedkundige +volksverhuizing, zoo als hij misschien zal worden de baan van de +Europesche beschaving naar het binnenland van het Noord-oostelijke +gedeelte van het Chinesche rijk en van Siberië. De oude bevolking der +_Baie de Castries_, zoo als die ons ~Lapérouse~ beschrijft, heeft reeds +veel overeenkomst met de _Aino’s_ in gedaante, zeden en gebruiken; en +ook de stam van de _Kileng_ en _Ketscheng_, waarvan de eerste het gebied +in ’t W. van den _Amur_, de door den _Hingon_ (_Aemgun_) doorstroomde +valleien, en de laatste het kustland in ’t Z.O. van den _Amur_ en +tegenover het eiland _Krafto_ bewoont, heeft veel gelijkenis in zijn +uiterlijk voorkomen, zijne zeden en gebruiken met onze _Aino’s_. Zoo +zouden zich dan wel duizendjarige voetstappen van den _Aino_-stam op +de kust van het vaste land van _Azië_ laten opsporen; doch dien verder +tot aan zijne wieg te vervolgen, laten de gebrekkige geschied- en +volkenkundige berigten niet toe, die wij dus verre uit deze gewesten--in +het N.O. van _Kôraï_ en van het Zuidwestelijke stroomgebied van den +_Amur_ bezitten. Alles wat wij van dit merkwaardig volk weten, getuigt +echter voor zijnen hoogen ouderdom. + + [155] Vergelijk ~Nippon~ l. c. pag. 221. + + [156] ~Nippon~ l. c. pag. 222. + +De slotsom van deze onze gissingen komt hierop neder: op gelijke wijze +als in voorgeschiedkundigen tijd de _Itülmen_, de oudste bevolking van +_Kamtschatka_, naar dit schiereiland gekomen zijn, en later door eenen +anderen volksstam opgevolgd en tot aan het zuideinde voortgedreven is +geworden, is het ook waarschijnlijk, dat in nog veel vroegeren tijd, +ook langs den _Amur_, de _Aino_-stam allengs zich over de zoo digt +bij het vaste land gelegen eilanden (_Jezo_, de _Kurilen_ en +_Krafto_) uitgebreid heeft; doch in het N.O. door de hem opvolgende +_Itülmen_, en in het N. en N.W. door de later verschenen _Koriäken_ +en _Tungusen_--deze omzwervende visschers en jagers, die wij op +_Krafto_ onder de namen van _Smerengur’s_ en _Orotsko’s_ weder +herkennen[157]--teruggedreven, en in het Z. door de nakomelingen van +~Zin mu ten wô~ vernield of verjaagd, tot zijne tegenwoordige +woonplaatsen is beperkt geworden. + + [157] ~Nippon~, l. c. bl. 182. + +De ons verborgen gebleven jaarboeken, waarin de verhuizing van den +_Aino_-stam beschreven is, dagteekenen van voor vele duizenden jaren, en +toch schijnt hij in zijne wieg reeds door eenen lichtstraal van +beschaving te zijn beschenen; evenzoo telt ook de geschiedenis van zijne +afsluiting van de overige wereld duizenden jaren, waardoor dan ook noch +een geestelijke, noch een maatschappelijke vooruitgang bij dit volk +heeft kunnen plaats hebben. Onder deze omstandigheden treffen wij de +_Aino’s_ na verloop van vele duizenden jaren nog op den laagsten trap +aan van eene aartsvaderlijke beschaving, die zij bij hunne afzondering +en onder de dwangheerschappij van de stoute Japanners uit eigen kracht +van geest niet vermogten te overschrijden. Bij deze onmagt, bij zulk een +zedelijk onvermogen om den beker van vreemde belustheid, hun door de +beschaafde westersche en zuidelijke natiën aangeboden--te kunnen +weigeren, zullen deze van natuur krachtige, maar onnoozele, schepselen +al spoedig ontzenuwd en zedeloos, even als hunne naburen, de +Kamtschadalen en de Noord-Amerikaansche volksstammen, ten grave dalen! + +Doch een ~Lapérouse~ en een ~von Krusenstern~ hebben reeds aan dit +goedhartig en braaf volk eene gedenkzuil opgerigt: »_On ne peut douter +qu’ils n’ayent beaucoup de considération pour les vieillards, et que +leurs meurs ne soient très douces; et certainement s’ils étaient +pasteurs, et qu’ils eussent de nombreux troupeaux, je ne me formerais +pas une autre idée des usages et des moeurs des patriarches._”[158]. + + [158] _Voyage de ~Lapérouse~_, Tom. III, pag. 40. + +»_Einigkeit, Stille, Gutmütigkeit, Bereitwilligkeit, Bescheidenheit: +alle diese wirklich seltenen Eigenschaften, die sie keiner verfeinerten +Kultur zu verdanken haben, sondern welche nur die Gefühle ihres +natürlichen Charakters sind, machen, ~dass ich die Aino für das beste +von allen Völkern halte~, die ich bis jetzt kenne._”[159]. + + [159] ~Von Krusenstern~’s _Reise um die Welt_, Band II, pag. 80. + + + + +DE TAAL DER AINO’S. + + +De weinige reizigers, die, voor de opening van den haven _Hakodate_, de +_Aino_-landen bezocht hebben, hebben ons telkens eene verzameling van +woorden, uit den mond van dat merkwaardige volk overgenomen, +medegebragt[160]. Met uitzondering van de verzameling, die ~Dawidow~ van +zijne expeditie naar de baai van _Aniwa_, in 1807, medegebragt heeft, en +die hoogstwaarschijnlijk door een Japanner zamengesteld was, hebben de +overige op zich zelven weinig taalkundige waarde. De Japanners +daarentegen, die sedert eenige eeuwen met de inboorlingen van _Jezo_ +verkeeren, met hen handel drijven en over hen heerschen, hebben zich +allengs meer grondig met hunne taal bekend gemaakt en woordenboeken +zamengesteld, waarbij zij de uitspraak der woorden door hun +syllaben-schrift (het zoogenaamde _I-ro-ha_) zoo getrouw als mogelijk +weder te geven en vast te stellen zochten[161]. Op deze wijze hebben zij +door middel van schrift aan den menigvuldigen klank en de wisselvallige +betooning, die de woorden door den tongval van ver uitgebreide en +ongeletterde volken ondergaan, paal en perk gesteld en den grondslag tot +eene schrifttaal gelegd. Ofschoon zich de _Aino_-taal door den +gemeenzamen omgang met een beschaafd volk veredeld heeft, zoo bleef +dezelve echter haar oorspronkelijk karakter behouden en kenmerkt zich +als eene eigenaardige en zelfstandige taal, die met geene van de +naburige landen eenige overeenkomst heeft voor zoo verre de wortelen der +woorden betreft. Dat eenige vreemde woorden van de noordwestelijke en +noordelijke volken (_Samojeden_, _Tungusen_ en _Kamtschadalen_), +waarmede de _Aino’s_ in aanraking kwamen, van lieverlede in hunne taal +ingeslopen zijn, is niet te ontkennen, zoo als door hen ook verscheiden +Japansche woorden overgenomen zijn, om daarmede hun voorheen onbekende +voorwerpen en begrippen aan te duiden. De _Aino_-taal, even als ook deze +volkstam, staat afgezonderd van alle tot nu toe bekende van het +Noordoostelijk _Azië_ daar; de algemeene regels echter, waarna zich de +rededeelen verbuigen en vervoegen, stemmen met die van hunne zuidelijke, +noordelijke en westelijke naburen, die hunne taal door middel van +_syllaben-schrift_ (zoo als: de _Mantschou’s_, _Mongolen_, _Tubetanen_, +_Jakuten_ enz.) en niet met een _woorden-schrift_, teekens van woorden +(zoo als de _Chinezen_), schrijven, overeen. + + [160] ~Lapérouse~, Tom. III, pag. 40. ~Broughton~, Tom. I, pag. 390. + ~Von Langsdorf~, Theil I, pag. 300. ~Von Krusenstern~, + _Wörtersammlung aus der Sprache der Aino_ (nach ~Dawidow~). St. + Petersburg. 1813. + + [161] De meergenoemde ~Mogami Toknai~ heeft in 1804 een + _Aino_-woordenboek door den druk uitgegeven, onder den naam van: + _Jezo-Fôgen_ of _Mosiho Kusa_, en ons daarvan een verbeterd + handschrift: _Jezo ga sima Kotoba_, d. i.: “Taal van het eiland + _Jezo_,” medegedeeld. Buitendien hebben wij nog verscheidene + handschriftelijke woordenverzamelingen door Japanners, die op + _Jezo_ waren, verkregen. Vergelijk: ~Nippon~, VII, _Nachrichten + über Jezo, die Kurilen, Krafto und das Amurland_, pag. 224-244. + “Die Aino-Sprache.” Ook heeft onze verdienstelijke landgenoot + ~Isaac Titsingh~ (in de jaren 1780-1784 Opperhoofd van den + Nederlandschen handel op _Japan_,) eene verzameling van ruim + honderd _Aino_-woorden, bij zijne uit oorspronkelijke Japansche + boeken zamengestelde beschrijving van het land van _Jesso_, + gevoegd, mede naar het vaderland overgebragt. _Descriptions de + la terre Jesso, traduites du Japonais, par feu_ M. ~Titsingh~, + in: _Annales des Voyages, par_ ~Malte-Brun~. Tom. XXIV, pag. + 145. + +Het zal hier voldoende zijn, de algemeene, wetgevende _grammaticale_ +beginselen aan te halen en door voorbeelden op te helderen, die de +_Aino_-taal met de Japansche en dus met andere Oost-Asiatische en ook +Amerikaansche talen gemeen heeft, en die aan dezelve, alhoewel zij zich +als van eenen zeer ouden oorsprong kenmerkt, eene plaats in het verbond +der volken aanwijzen, welke zich later den weg van de oude naar de +nieuwe wereld gebaand hebben. + +1. _De woorden_ van beide talen zijn zelden uit eene, meestal uit twee +lettergrepen zamengesteld: + + _Japansch._ Kono-aïta okï-kata ottosewo tatsuneta. + + _Aino._ Ofunaki atuï-ta uneu is’tan. + + Nuper in mare phocam quaesivi. + +2. _De zelfstandige naamwoorden_ zijn zonder geslacht, worden +menigvuldiger in het enkelvoudige dan in het meervoudige gebruikt; in +het laatstgemeld getal worden de woorden herhaald of van eenige +bijvoeging voorzien; de naamvallen worden meestal door eene particula, +aan het einde der woorden gevoegd, gevormd; de tweede naamval of +genitivus gaat altijd vooraf. + +_Jap._ Ame, coelum; fito, homo; fito-fito, homines; fito-koto i. e. homo +quivis; fito-ga, homo; fito-no, hominis; fito-ni, homini; fito-wo, +hominem; fito-jori, ab homine; fi-no fikari, solis radius. + +_Aino._ Rikita, coelum; guru, homo, guru obitta, homines omnes, +guru-koro, hominis; guru-ta, homini; guru-ne (vel be), hominem; +guru-kari, ab homine; imuschi nits’, gladii capulum. + +3. _De bijvoegelijke naamwoorden_ staan voor de zelfstandige; zij maken +den vergelijkenden trap door het aanhangen eener particula aan het einde +van het naamwoord of het voornaamwoord, beteekenende in het Japansch +_van_, in de _Aino_-taal _beter dan_; den overtreffenden trap door het +voorzetten van zekere particula, beteekende even veel als het bijwoord +_zeer_. + +_Jap._ Utsukusi onago, pulchra foemina; kono ki-wa kono kusa-jori futoï, +hic arbor hac herba maior; fusino jama ga itsi takaï, mons fusi perquam +altus. + +_Aino._ Iramasiure matsi, pulchra foemina; tanbe kak’, hac re melius; +rui sûnatara, perquam fortis; poro biruka fùra, valde gratus odor. + +4. _De telwoorden_ _een_ tot _tien_ zijn, als grondgetallen, in het +Japansch oorspronkelijke woorden, doch in de _Aino_-taal maar _een_ tot +_acht_, ook _twintig_ en in het oude Japansch _honderd_; zij worden door +particulae verbonden, die de beteekenis hebben van _en_, _nogmaals_ of +_meer_, ook _weiniger_. + +_Jap._ Fitots’, 1; f’tats’, 2; mits’, 3; jots’, 4; itsuts’, 5; muts’, 6; +nanats’, 7; jats’, 8; kokonots’, 9; tô (towo), 10; hatats’, 20; momo, +100; tô mata (atque iterum) fitots’, 11; tô mata f’tats’, 12; hatats’ +mata itsuts’, 25; mu-sozi, 60. + +_Aino._ Sinepp, 1; tupp, 2; repp, 3; inepp, 4; asikinepp, 5; iwanbe, 6; +aruwanbe, 7; thupe sjanbe, 8; (ex tupp et sjan; forsan pro i wanbe i. e. +minus decem); sineb sjan, 9 (ex sinepp et sjan); wanbe 10; hots’ 20; +asikinepp-hots’, 100; (i. e. 5. 20); sinepp ikasima (plus, verbatim: +restat) wambe, 11; tupp ikasima wanbe, 12; sinepp ikasima hots’, 21; +tuppots’, (ex tupp et hots’) 40; wanbe i rehots’, 50; (3. 20 - 10). + +5. _De voornaamwoorden._ De persoonlijke zijn een- of meerlettergrepige +woorden en naar den rang verschillende (teeken van fijner zeden); de +derde persoon wordt omschreven. De bezittelijke worden door het +aanhangen der uitgang van den genitivus gemaakt en staan altijd voor het +zelfstandig naamwoord. + +_Jap._ Watak’s sive ware, ego; omaë sive anata, tu; kare sive ano fito +(iste homo) ille; watak’s domo sive warera, nos; omaë gata sive anata +gata, vos; karera sive ano fito tats’, illi; watak’s’no, meus; anata no, +tuus; ano fito no, illius; watak’s’no atama, mei caput. + +_Aino._ Ku, kuani, ego; e, iani, tu; iki sja an gur’ (ex iki sja, +illinc, an, esse et guru, homo) ille; tsjô kaï (i. e. hac parte), ego; i +tsjô kaï (i. e. ex illa parte) tu; ku-koro, meus; i-koro, tuus; iki sja +an gur’, illius, vel, tangur, huius. I Koro kotan, meum domicilium, tan +gur’tsise, huius hominis domus. + +6. _De werkwoorden._ De bedrijvende hebben drie tijden, door verandering +van den uitgang gemaakt: _a._ een tegenwoordige, in het Japansch met den +uitgang _u_, in de _Aino_-taal _an_, _ki_, _re_, _u_; _b._ een +verledene, meestal met den uitgang _a_; _c._ een toekomende tijd of een +potentialis, in het Japansch door eene verlenging van den tegenwoordigen +tijd, in de _Aino_-taal door eene aangehangen particula gevormd. De +lijdende werkwoorden hebben insgelijks drie tijden door verlenging der +uitgangen gemaakt, die in de _Aino_-taal _lijdelijke_ hulpwoorden +schijnen te zijn. De gebiedende onderscheidt zich door kortheid des +uitgangs. De onbepaalde wijze is gelijk aan het Praesens Indicativi; in +de _Aino_-taal staat dikwijls daarvoor eene particula naar een +voornaamwoord gelijkende. De verbiedende wijze wordt gemaakt door +achtervoeging van de particula, die dezelve regeert. De negatiën +(ontkenningen) worden in het Japansch aan het einde der werkwoorden +aangehangen en veroorzaken dikwijls eene verandering in de vervoeging, +in de _Aino_-taal worden de ontkenningen door de particula ~niet~ +beteekent. Aan de tijden worden partikels ter aanduiding der deelwoorden +aangehangen. Hulpwerkwoorden worden bij de vervoeging der werkwoorden +gebruikt en hebben dezelfde vervoeging als andere werkwoorden; de +onpersoonlijke werkwoorden komen zelden voor en de bij ons gebruikelijke +worden omschreven. + +_Jap._ Utsu, verbero; utsita, verberavi; utsou, verberabo; utaruru, +verberor; utareta, verberatus; utareu, verberabor; utside, verberans; +utse, verbera; utareta, verberate; utsu, verberare; watak’s’ga sorewo +miru joni, ut id ipse videam; utanu, non verbero; utanu te atta, non +verberavi; utareru, non verberor; utareru te atta, non verberatus sum; +aru, esse; arita, fui; arô, ero; ame-ga furu, pluit (verbatim pluvia +decedit). Kaminari-ga nari, intonat. (Deus fulminans adest.) + +_Aino._ Sitaiki, verbero; sitaiki wa, verberavi; sitaiki rusjui, +verberabo; sitaiki aniki, verberor; sitaiki ank’wa, verberatus sum; +sitai anki annan gora, verberabor; I(tu) sitaiki, verbera; kakure, veni, +i sitaiki anki, verberare; rura-jan, ut sequatur; unono s’jomo an, non +congruit (verbatim congruum non est); anats’, habens; asinike wa, +existens; an, habere, esse; anna, fui; an nan koro, fuero; asi, factum +est. Apto asi, pluit (verbatim pluvia facta est). Kamui fumi, intonat +(verb. Deus sonat). + +7. _De voorzetsels_ en een oogmerk aanduidende en reden gevende +_voegwoorden_ staan aan het einde der woorden, op welke zij betrekking +hebben, zonder eene verandering in dezelve te veroorzaken. + +_Jap._ Ni, ad; to, cum; niiote, quia; jôni, ut; jokka maëni watak’swa +desi to jama ni juita, quatuor ante dies cum discipulo montem ascendi. + +_Aino._ Ani, cum; kusju, propter; jakka, quamvis; tanbe kusju, propter +hanc rem; tsib ani, cum nave; atui kata, in mare. + + + + +AINO-GESPREKKEN. + + +Eenige _Aino-Gesprekken_ mogen tot voorbeeld van de woordvoeging en de +spreekwijze dienen: + +Ikoro kotan siri monosiri anna? + +Gaat het wel te huis? + +Ofunaki atui-kata reba uneu istan. + +Onlangs op zee varende heb ik zeehonden gevangen. + +Tsibû ani rurajan itasja bunma tutara atte nankonna. + +Zend dit met het schip, ik zal u ter belooning twee zakken (rijst) +geven. + +Hosike onumani tan kotanta heroki athuwa. + +Eergisteren hebben zich hier visschen opgehouden. + +Keannak’ hauki an koratsi an? + +Is het zoo als gij zegt? + +Sinanta uwekariwa bunkine rejan. + +Komt hier te zamen om wacht te houden. + +Tewun sisjamu anakine asijur asi rutske askaï nêna. + +De man, die hier moet wacht doen, zal eene groote belooning vragen. + +Osi sireba kusju sjomo osjaganke jakka pirikana. + +Daar hij komt, heeft men hem niet te roepen. + +Tan ithuikari bajasi aiine nekona kotan ana? + +Dezen hoek volgend, aan welke plaats komt men? + +Kamui juwanke tsib’ jankena. + +Met God’s hulp wordt het schip behouden. + +Ohono sjomo unukara. + +Lang niet gezien. + +Wene kappirika ariiamande tsumi itsikore nangonna. + +Wie kwaad doet wordt gestraft. + +Pirika guni kurumu an. + +Het zal zoo wel goed zijn. + +Ponno osite tsimi anbe ama. + +Wacht maar, ik kleed mij. + +Teirean gusitapf nani afunkeja. + +Ik verwacht u, kom binnen. + +Nefutsi jokibene sjanke nankoro tasju kamitatsi sinetara sjôkoru. + +Wanneer het goede waar is, geef ik er eenen zak rijst voor. + +Uteke anbano uhihibai sen. + +Zich de hand gevend volgt de een den ander. + +Nepu karukuse jaibasjare. + +Waartoe maakt gij twist? + +Mokoroi kottetsu uwatasi. + +Daar ik rusten wil, zijt stil. + +Ramukanbare tsiriusi. + +Dat is breeder dan men denkt. + +Iteke jaibaro usi. + +Niets onnoodig spreken. + + + + +VERZAMELING VAN AINO-WOORDEN. + + +Wij laten eene keuze van _Aino_-woorden volgen, met de bedoeling om zoo +wel door taalkundige oorkonden eene aanwijzing te geven tot het opzoeken +der sporen van de afkomst van dat merkwaardige oude volk, als ook aan +zeevaarders en reizigers de gelegenheid te verschaffen tot een nader +onderzoek van deze nog zoo weinig bekende taal. Daarbij hebben wij +tevens de beteekenis der _Aino_-woorden in het Japansch gevoegd, zoo als +die ons door de Japanners, die zich op de _Aino_-taal hebben toegelegd, +zijn medegedeeld geworden. De _Aino_-woorden van _Jezo_ hebben wij +meestal uit ~Toknai~’s Woordenboek, en die van _Krafto_ uit ~Dawidow~’s +en ~Lapérouse~’s Woordenverzameling overgenomen. + + +~NOMINA.~ + + +1. DE WERELD EN DE ELEMENTEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Aardbeving naï (dsisin) siri sjumui schiri moi + Aarde tsi sirika + Aardrijk tsutsi toi toi tui + Avond joi sirionuma unumani + Beek sawa naï + Berg jama kimita, kimro kinda + Bliksem ina fikari kamui ne beke kamoinibiki + Dag akiraka siribekere schiribegere + Deze dag kon nitsi tantoo tan too + Dampkring sora nisoro + Daauw tsuju munbe muni wakka + Donder kami nari kamui fumi kanna kamoi fumi + Ebbe sihohi sirari sjats + Eiland sima mosiri muschiri + Erts kane kani gani + Golf tadenami kaibe kui + Hagel arare kaukau kaukaubass + Hemel ama rikita ni schi uro? + Herfst aki tsjuk + Heuvel nobori nuburi noburi + Hitte atsusa sirippuke schischikf + Klip se rakka + Koude samuki (kan) mei + Lente haru baikaru paigara + Licht fikari heriats + Lucht ki pâriri + Maand tsuki kunne tsupp tombi, tschukf + Mist kiri ûrari urariaz, urai, + urari + Meer midsu umi tô to + Morgen asa nisjats nischatzu + Morgenschemering akatsuki toobeker schiri-bekere + Nacht jo antsikara anzkari + Deze nacht konban onuman + Oever fama kosju rauda + Regen ame apto apftu + Regenboog nizi rawots rajots’ + Rook kemuri sibuja schibuia + Rots iwa watara + Schaduw fikage tsjupke tschukuriu + Sneeuw juki ubas, ubaschi obas, obass + Steen isi s’juma schioma + Ster hosi keta, notsju, keda, nodsi + nodschu + Stroom kaha bets bez + Veld no nupuka nupka + Vloed misi siho sirarihaa + Voorgebergte saki siri ithu schiri ido + Vuur fi abe, unszi abe, undshi + Water midsu wakka, be, hakka waka, wachka + Wereld se kai bekere sjam begiri schiam + Wind kaze reira rera, dirra + Winter fuju mata madapa + Wolken kumo nisi, nisikuri nischi kuri + IJs kohori junru + Zand suna ota oda + Zee umi atui adui + Zomer natsu sjaku schakpa + Zon fi bekere tsupp, tschukf kamoi + tonotschu + Zout siho sipo schippo + + +2. DIEREN EN PLANTEN EN HUNNE DEELEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Baast kino kawa niga fukar’ nii kapu + Beenderen hone bone poné + Beer kuma hokujuk’ chugujukf + Blad fa hamu chamu + Bloem hana ebui ibuiki + Bloed tsi kem’, kemi kim + Bosch hajasi teigur + Dier ketamono kimo tsup + Ei tamako noki, nuki zkapf nuki + Hart jani unkotok’ + Hond inu seta, sita, cheta scheda + Hoorn tsuno kirau + Hout ki, ita tsikuni, ita, ta ziguni, ida + Houtskool sumi pasipasi pas + Huid kawa kabu kapu + Kruid kusa kina + Ligchaam karada netobake + Luis sirami uruki, kii uriki + Lijf mi netobake nidobaki + Man wotoko okkai okkai + Mannetje wo binne + Melk tsitsinosiru tôbe tô + Mensch hito sisjam, aino guru + Olie abura sjumu + Ongedierte musi kikiri kigiri + Schildpad kame itsinke + Slang hebi tokko (kamoi) toko kamoi + Traan kusirano abura funbei funbikii + Vet abura (niku) ke kiribe kiü + Visch uwo tsep’ tsep’ zepf + Vleesch nik kam kam + Vlieg hai, apu fitsurube hitsûrup + Vloo nomi taike taigi + Vogel tori tsikapp tzkapf + Vogeltje kotori tsiri + Vrucht mi ebuike ibuiki + Wijf wonna menoko (jap.) minoko + Wijfje me matsne + Wortel ne kuberikep, schyndshiz + sinsits + + +3. HET LIGCHAAM EN DE LEDEMATEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Aangezigt kaho nanu nanu + Baard kutsihige reki rigi + Borst mune terar + Borsten tsitsi tôkab to + Buik hara honi chuni + Cunnus tsubi pogi (hokki) + Darm tai tjô kankam + Hals kubi rekuts regut + Hand te teke, teki tegi, tiké + Hart kokoro sjanbe, sampêh schambi + Hoofd atama bake schaba + Hoofdhaar kaminoke ottobe, numa schaba numa + Huid hadaje nuwom’kumukasike + Lip kutsibiru hatoje, tsjamon + Mond kutsi baru, tsjaro paru + Nagel tsume am, ami + Navel hoso hankapui changubui + Neus hana ethû, ito idu + Oog me siki schiki + Oor mimi kisijara kischara + Penis mara tsii, tsije + Rug senaka sethuru scheduru + Staart wo isi + Tand ha imaki, jumaki nimaki + Tong sita be barunbe au + barumbi + Vinger jubi asikibette askibitz + Vleugel hakae rafu + Voet asi kema kima + + +4. FAMILIE, GEZELSCHAP. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Arm mensch matsusiki fito helon gur schirun guru + Boosdoener aku nin ujen gur uwen + Boosheid aku sin ramunisite + Broeder, oudste ani jûbi jubu + » jongste wototo iriwaki, aki aki + Deelgenoot tsure utare + Dief nusu hito inuga guru ikka guru + Dienaar kattsju kojantono + Dochter menoko matsihebo mazenebu + Echtgenoot otto hoku chogu + Echtgenoote tsuma matsi maz, mati + Familie sin rui awa + Grootmoeder baba sjunsti, hakko + Grootvader zizi ikasi, sasa chambi + Kind kotomo bô, boho po + Kleinzoon mago sitsupopo, + imitsubon + Koopman akindo ihoksiam egokfschamo + Landman fijak’sjo toitasisiamo + Landsheer, kami mosiri kamoi + (Vorst) + Lieden, oude tosi jori hekai chigoi + » jonge wakai hekats, uben, + beure + Man, voornaam tats’toki fito nisipa + » gemeen heï nin jajasiamo + Moeder haha habo chabu + Oom ozi keusiuts atscha + Ouders woja serimaka atajho + Scheepsvolk funakata tsipo guru + Soldaat busi tono + Stedehouder matsi bugjo matsijantono + Tante oba konnaripe + Vader tsitsi hanbe chambi + Vorst tonosama tonokamoi + Vijand teki tomautare + Weduwe onakogoke jamome hoksiak + Weduwnaar otokogoke jamowo matsusiak, + sjobija + Zoon wotokonoko okkaihebo poo + Zuster, oudste ane sija, guturesibo schiaa + » jongste imoto thuresi turisch + + +5. WOONPLAATS, WONING. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Dak jane akup, harukata puda + sjam + Deur to aba schiri aba + Haardstede irori innunbe, abe + Huis ije tsise zise, zisse + Hut koja kasi + Venster mado bujara, bujari puiari + Woonplaats tokoro kotan kodan + + +6. GEREEDSCHAPPEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Aalspeer jasu opu, urei + Anker ikari kaje kaida + Boogpees tsuru gûka kuga + Boog jumi (kiu) gû, kusi, kunisi guu ku + Bijl masakari mukkari mukar + Harpoen jasu opu, urei opf + Hengel tsuribari beraje, perai apf, pirai + Hut kasa kakka, kasja chaka + Kleeding kimono tsimipu imi + Mast tobasira kajani kaiani + Mes kokadana ibira, makiri magiri + Net ami jaa ia + Oorring mimikane ninkari ninkari + Pijl ja ai ai + Pijlkoker jabako ikajup igaiupf, ikjup + Roer ro osjui + Rok kimono mi (atsni) imi, atush + Schip fune tsip’ zibi + Slede sori sikeni + Smart itami aruka arika + Spies, Piek jari fumi, paro kuu + Touw tsuna thubi, tosi + Zeil fo kaja kaia + + +7. VERRIGTINGEN, UITWERKING. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Begin hazime asinno aschino + Beweging, { ugoki moi moi moi-moi + Levensvermogen { inotsi sikkisa + Dood sini rai rai + Dorst nodonokahaki igursjui igurusch + Einde owari ohari + Gehoor kiku nû nu + Geluk sjawase jainirikarai + Gezigt Miruzi nukaru nugaru + Gezondheid sukujaka, ramurakke katschara-schino + sukojaka + Haat nikumi jesisi + Honger fimozi kemuramu kemurampa + Kracht tsikara okira, tsumikoru ukira + Leven inotsi sikkinoka schikfnu + Liefde koï usikkarahare + Lijden kurusimi ihomasii + Medelijden itsukusimi komebur’ koneburu + Ongeluk ing’wan jaikohonnojeje + Oorlog ikusa tomi + Reuk niwoi fûra furaan + Rust jasumi sini + Stem koje hauje chau + Smaak aziwai kêra, kêwoan + Verdriet mukkasiki ramuikasite oschiôra + Vreugde mendô, ahare jakata + Ziekte jamai tasijumu, ikoni, + siju + Zwakte jowasa schiari + + +8. EIGENSCHAPPEN, HOEDANIGHEDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Arm matsusiki sirun schirun + Beneden simo tekkesi + Bitter nigai balkar, sju parakara + Blaauw aho sijei + Breed hiroi tsiwa, tsiriusi uschip + Diep fukai ohoho, ohô ogo + Dun usuri kabar’ + Droog karetaru sjats’ schats + Geel ki sjunin + Groen mitori tsuisjamu schiusiam + Groot oho poro poro + Hoog takai riiwa, ri L. riuwa + Klein tsiisasi pon ponno + Koud samui jamu, mei, mean mei + Kort mizikasi takine + Lang (tijd) fisasi ohonno ogonno + » (maat) nakasi tanne tanni + Ligt karui kosine koschni + Links fidari hari kiuturu charik + Mager jase sjatteku schattigu + Midden mannaka nosikike noschke-ta + Nat awaseme uthur’ + Nederig asasi ohaku ugakfu + Ondiep asai ohak’ + Purper murusaki ikarari + Rood akaï fure furi + Rijk tomu nisiba nischpa + Smal semai tsibakaram + Stinkend kusai fura ujen fura uwen + Warm atataka popko scheschikf + Wit siroi tetaru, detara L. tedari + Welriekend { kobaisi fûrapiurka + { nihofu furara karu + Zwaar womoi base, pase paschi + Zoet amai rura, rurakor’ + Zuur susi nukai schiukkoi + Zwart kuroi kunne kunni + + +9. WERKWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Antwoorden kotafu itasjaitats eischiwa + Dansen wodoru tapkaru, tafukari tapkarawa + Dooden korosu rapeke, ronno raigiiakka + Drinken nomu iku igu + Eten kû ibe imbe, ebe + Gaan ajumu apukasi apkas + Geven jaru jenikore ingori + Hooren kiku nu, inu, kunu nun + Koopen kàu ihoku, itometsu egokf + Lagchen warafu mina mina + Leggen jasumu sini schine + Leven inotsi aru sikkinu schikfnu + Levend zijn ikite oru hôjur + Loopen hasiru hojubu chojubu + Roeijen funewokogu tsipu zipowa + Roepen jobu hothui, hotoje + Slapen nemuru mokoro mojuru + Smarten itamu itasjasja + Spreken itaku itakuwa idawuwa + Staan tatsu rosike rosehki + Stelen nusumu ikka ikka + Sterven sinuru rai rai + Verkrijgen motomu tsipapa okuwa + Vogelvangen toraheru tsikapp koiki zepfkoigi + Visschen sunatoru tschepp koiki iukgari + Verruilen tota furu itasjare itaschare + Vliegen hasiru basi, tsjasi choiupfu + Vragen tatsunemiru isitan + Weenen naku tsitsi tsitsi wa, + zijssiwa + Zien miru nukar nogaro + Zingen utau jûgari iukgari + Zijn arisu an + + +10. PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Ik watak’s, warè ku, kuannit, kani tschogai + tsjô-kai + Jij karera inki angur anu udari + Gij omaï, anata iani, i, i tsjô jani itschogai + kai + Hij kare, ano fito iki sja angur’ ikoro + (ille) + Ulieden omaï gata inki utare itschogai udari + Wij watak’s domo tsjô kai utare toogai udare + + +11. AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Deze ’kono tan, tanbe, ane ani + Die sono pu + Dit kore tapu + Ieder koto kesi keschi + Wie sore neni nini, nen + Welke itsure ikijaan + Zulk sajô keannari + + +12. TELWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Een fitots’ sinepp, sine, schnepf + schinep L. + Twee f’tats’ thupp thu tupf tup + Drie mits’ repp, reepu L. repf + Vier jots’ inepp, inepu L. inepf + Vijf itsuts’ asikinepp, aschiki nipf + aschikinepu L. + Zes muts’ iwanbe juwambi + Zeven nanats’ aruwanbe aruwambi + Acht jats’ thupe sjanbe tubi schambi + Negen kokonots’ sineb sjan schnebi schambi + Tien tô (towo) wanbe wambi + Twintig hatats (nisju) hots, chozu L. scheehoz choz + Vijftig gosju wanbe i rehots wambi irichoz + Honderd momo asikne hots aschi nichoz + Duizend tsi asikine sine aschi kini schine + wanehots i. e. wane choz + 5.10.20 + Eerste itsiban teppake + Tweede niban nosike + Derde sanban reth tanta + (rep-tanta) + Eenmaal itsi do sine sjui schiui + Tweemaal ni do thusjui schini + + +13. BIJWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Allengs ohi ohi ubi ubi ja ja ukere + Daarom sorenitsuite ne waanberisju + Daarna sonotsugi imakake + Dikwijls tahi tahi sju sjui + Eindelijk tsuini aine + Eertijds mukasi fusiko + Gansch nokorasu nenai + Gisteren sakusits’ numani numani + Heden konnits tanto (deze Dag) + Hier koko tan kotan ta changino + Hoe veel iku henbakkuno chimbaguno + Ja hei jise, jese + Ja wel naruhodo nokon, oowun + Morgen asta nisjatta nischatta + Neen ija kotsjan, koban + Niet nu sjomo schiomo + Nog mato sijui schiui + Nog niet imada naa + Onlangs kono aida tetai + Thans ima tane tani + Waar toko ine kotanta nida + Waarom itsure nekonta nigonda + Wel aan iza iza sita sita + + +14. AANHANGSELS (AFFIXA) EN VOEGWOORDEN. + + Japansch. Aino op Jezo. Aino op Krafto. + + Alle mina obitta + Al te hanahatasì sitoma + Anders bets’ sinnai + Als tokini ike, tsiki + En, nog sôsite, to kanna + Met tomoni its sianneno, ani + Naardien joriwa orowano + Of mata ta, sjui schiui + Ofschoon ihetomo jakka + Omdat jotte kusju kuschu + Op, in ni ta + Uit, van jori orowa + Zeldzaam mare kemian + Zonder nasi isjamu ischamu + + + + +VOORTBRENGSELEN DER AINO-LANDEN. + + +De weinige zeevaarders, die tot de openstelling van den haven van +_Hakodate_ (Sept. 1855) de _Aino_-landen met een wetenschappelijk +oogmerk bezocht hebben, hielden zich eenen veel te korten tijd en +onder te beperkte omstandigheden op de kusten van _Jezo_ en _Krafto_ +en de _Kurilen_ op, om maar eenigzins de voortbrengselen dezer +eilanden, die eene oppervlakte van meer dan 2000 ☐ mijlen beslaan, te +kunnen leeren kennen; aan deze hebben wij derhalve slechts eene zeer +kleine bijdrage tot de _Fauna_ en _Flora_ en tot de kennis van de +geologische gesteldheid dezer landen te danken. Maar nog veel minder, +voor zoo verre ons de reisverhalen van Commodore ~Perry~ en van Wilhelm +~Heine~ als prospectus van een natuurkundig onderzoek in deze gewesten +kunnen dienen, laat zich te dien opzigte van de Amerikaansche +expeditie verwachten. Daarentegen zijn ons de meest belangrijke +natuurzeldzaamheden dezer eilanden en vooral van _Jezo_ door +schriftelijke en mondelinge mededeelingen van kundige Japanners, +die dezelve bezocht hebben, bekend geworden. Al wat ons over de +voortbrengselen dezer landen uit Europesche en Japansche bronnen bekend +is, hebben wij tot een geheel gebragt en in onze beschrijving van Japan +geboekt[162]. Daarop willen wij hen opmerkzaam maken, die zich meer in +het bijzonder daarvan wenschen te onderrigten. Evenwel laten onze +mededeelingen veel te wenschen over en zij mogen slechts als een +bladwijzer van het groote boek der natuur beschouwd worden, waartoe deze +landen hoogst merkwaardige voorwerpen leveren. Heb ik reeds mijne +geo-hydrographische, volken- en taalkundige toelichtingen met de +welgemeende bedoeling nedergeschreven om aan onze Nederlandsche +zeevaarders eenigzins tot gids te kunnen dienen bij hunne verdere +reizen in dat zeegebied, zoo mag ook hier een beknopt overzigt der +voortbrengselen der zoo weinig bekende Ainolanden eene geschikte plaats +vinden. + + [162] ~Nippon~, VII, p. 244. ”_Die Naturerzeugnisse von Jezo, Krafto + und den Japanischen Kurilen._” + + +HET DIERENRIJK. + +=Zoogdieren.= Het overzigt dat wij daarvan kunnen aanbieden is vrij +volledig, en er wordt daardoor eene gaping opgevuld, die dusverre in het +gebied der dierenkunde tusschen de Japansche eilanden, het vaste land +van Oost-Siberië en Kamtschatka bestond[163]. + + [163] Van de met * aangestipte dieren hebben wij de vellen gezien, en + van die met † gemerkt afteekeningen verkregen; de overige zijn + volgens de Japansche synonimen der _Aino_-namen te regt gebragt. + De met F. J. gemerkte dieren zijn in onze Fauna Japonica + afgebeeld. + + Vledermuis Pteropus spec. _Atspo_ (Aino) _Ohokômuli_ + (Jap.) + „ Vespertilio _Kabap_ _Itatsi + camtschaticus? kômuli_ + Mol *Talpa Wogura F. J. _Ithutsikere_ _Wogura_ + Spitsmuis Sorex spec. _Sjatsiri_ _Dsinezumi_ + „ „ „ _Ubasitsironop_ _Kawanezumi_ + Beer *Ursus arctos _Hokjuk_, _sijuk_ _Ohokuma_ + (ferox) (mas) _Ojan_ (foem) + „ *Ursus collaris _Borep_, _seberi?_ _Fikuma_, + _aka kuma_ + „ * „ thibetanus _Tsira mante_ _Tsukino + F. J. kuma_ + Marter *Mustela melampus _Thusjunike_ _Ten_ + F. J. + „ * „ brachyura _Hoinu_ _Jezo-ten_ + F. J. + Visch-otter *Lutra vulgaris _Isjamani_ _Kawa uso_ + F. J. + Zee-otter *Enydris marina _Rakko_, _Rakko_ + _Binnep_ (mas) + Wolf Canis lupus _Ose kamui_ _Oho kami_ + Vos * „ vulpis _Fure tsup_, _Kitsne_ + i. e. vulpis rubra + „ * „ „ _Kunne sjumari_, + argentatus i. e. vulpis nigra + „ Canis lupus variet _Sithunpi_ _Sittukpen_ + (Kuril.) + „ „ „ variet _Tsironop_ + Hond „ domesticus _Sita_, _seta_ _Kari inu_ + Kat Felis Catus _Meko_ _Neko_ + Tanuki Nictereutes _Mojuku_ _Tanuki_ + viverinus F. J. + „ Canis? procyoides _Numari_ + F. J. + Haas Lepus brachyurus _Isjabo_ _Usagi_ + F. J.? + Eekhoorn *Sciurus varius _Niuf_ _Wogatsuki_ + „ ge- *Tamias striatus _Kasî kiri gusi_ _Sima + streept nezumi_ + Rat Mus spec. maj. _Irimo_ _Nezumi_ + Muis „ „ min. _Pon irimo_ _Tanezumi_ + Hert *Cervus Sika F. J. _Jûk_, _Binnero_ _Sika_ + (mas) _momanbe_ + (foem) + Gems †Antilope crispa _Jukusisi_ _Niku_ + F. J. + Rendier *Cervus Tarandus _Thunakaï_ _Barok’_ + (Chin.) + Muskusdier *Moschus moschi- _Likon kamui_ _Nora_, + ferus F. J. _Kusika_ + Wild zwijn Sus leuco mystax _Wottomun_[164] _Inosisi_ + F. J. + Chineesch varken „ sinensis _Wosju furokke_ _Buta_ + Zeehonden of {*Phoca oceanica _Situkari_ + robben (zonder {* „ barbata _Jai thukari_[165] + zigtbare ooren) {* „ numularis _Kesjo_ + { F. J. + Robben met Otaria ursina _Onnep_, _uneu_ _Uminoneko_, + ooren F. J. (mas) _Homapp_ _Ottosei_ + (foem) + Zeebeeren en „ Stelleri _Thukara_[166] _Asarasi_ + zeeleeuwen F. J. + Walrus Trichecus Rosmarus _Sikaitanke_ _Asika_, + _Kai-tats_ + (Chin.) + Borkenwale Rytina Stelleri? _Ikusibe_, _Umisika_ + _Kamutanasi_ + + [164] Buitendien worden nog de volgende namen aan varkens of wilde + zwijnen gegeven, die waarschijnlijk op het geslacht, ouderdom en + andere eigenschappen van dezelve betrekking hebben, waarop + wij echter de aandacht van reizigers willen vestigen: + _woun-ommetousi_, _woun-hikata_ en _woun-momorum_. + + [165] Het witte (_tetari_) jong wordt door de _Aino’s_ op _Jezo_, + _Retari thukari_ en van de _Kurilen_, _Retatkor_ genoemd. + + [166] _Ruo_ beteekent een jonge _Ottaria_. + +Nog worden eenige andere namen van waarschijnlijk tot de familie der +_Pinnipedia_ behoorende dieren vermeld: _Hekeppokoma_ (eene jonge +Phoca?) _Ufuithukari_, _Amusine_ of _Amossibe_, _Boniri_ (een jong of +wijfje van een robbe), _Nigui_, _Tasjunbuikoro_. + +Van walvisschen, waarvan zoo dikwijls in het _Journaal_ van ~Vries’~ +zeetogt gewaagd wordt, worden zonder twijfel in de zee van de +_Aino_-landen dezelfde soorten en verscheidenheden gevonden die aan de +Japanners, die zich naarstig op de walvischvangst toeleggen, bekend +zijn; de onwetende _Aino’s_ schijnen nog veel meer soorten daarvan te +onderscheiden dan de Japanners, die sedert eeuwen hunne natuurkundige +waarnemingen nederschrijven en bij voortduring trachten te herzien en te +verbeteren. + +~Mogami Toknai~ haalt in zijn _Aino_-woordenboek 19 namen van +Walvisschen (_Kuzira_) aan, terwijl de Japansche ~Linnée Wono Lansan~ +maar 16 soorten opnoemt. Volgens onze nasporingen op Japan en volgens +het oordeelkundig onderzoek van onzen geleerden medebewerker der _Fauna +Japonica_, Dr. ~H. Schlegel~, beloopt echter het getal van de door ons +in de wateren van Japan waargenomene en naar van de Japanners +vervaardigde teekeningen en beschrijvingen met zekerheid te bestemmen +walvisschen op acht soorten, en deze zijn: + + { Delphinus longirostris Jap. _Sakamata_ + { „ melas „ _Namino uwo_ + Dolfijnen { „ globiceps „ _Gotô_ + { „ Orca „ _Iruka_ + + { Balaena antarctica „ _Sebi-kuzira_ + Walvisschen { Balaenoptera arctica „ _Iwasi-kuzira_ + { „ antarctica „ _Sato_, _nagasu-kuzira_ + + Potvisch Physeter macrocephalus „ _Makko-kuzira_ + +De door ~Toknai~ en andere Japanners voor benamingen van walvisschen, +dolfijnen en potvisschen (_Kuzira_) gehouden en ons medegedeelde +_Aino_-namen willen wij hier opnoemen, ten einde tot leidraad van een +nader onderzoek in de _Aino_-landen zelven te kunnen dienen. _Tawajuk_ +(_Iruka_ _Jap._); _Jukfunbe_; _Kene funbe_, rood van huid; _Nise funbe_, +eet haring; _Iwakotôma funbe_, is groot; _Okina_, is zeer groot; +_moasjankur_, groot; _sjasijangur_, groot; _Nokor_, heeft baarden; +_Ithutsikere_, heeft eene lange neus; _Fûrenbe_, heeft rood spek; +_Oakansi_, eenen grooten buik; _Asbekorû_, gelijkt eene groote makreel; +_Kuttare_ ook _Otahoi_ genoemd, eet haring. _Okirike_; _Isjobonbe_; +_Jaitesi_; _Taneibe_; en _Thunaï_. + +Hoe talrijk zich de walvisschen op de kusten van de _Aino_-landen ook +vertoonen, zoo worden zij toch zeldzaam van de _Aino’s_ gevangen; zij +nuttigen echter het vleesch en de traan van zulken, die stranden. Onze +Nederlandsche zeevaarders hebben de meeste walvisschen in scharen van +het noorden naar het zuiden zien trekken. Nog voor kort werden door de +Amerikaansche Expeditie in het Oosten van Japan benden van 300 +walvisschen ontmoet. Ook vertellen de _Aino’s_ van een zeemonster +_Okina_, dat zoo groot zijn zou, dat hij walvisschen verslinden kon. Men +heeft echter daarvan alleen den rug gezien. Dit verdichtsel is +waarschijnlijk ook op groote troepen van walvisschen of dolfijnen +gegrond; insgelijks verhalen zij dat de walvisschen door een’ naar den +_Iruka_ (Delphinus Orca) gelijkenden dolfijn, dien de Japanners _Kami +Kiri_, d. i. zaagvisch, noemen, vervolgd en gedood wordt. + +=Vogels.= In evenredigheid van de hoeveelheid van vogels in +Oost-Siberië, Kamtschatka en Japan bekend[167], is het getal van deze, +die door Europesche natuurkundigen en de Japanners op _Jezo_ en _Krafto_ +zijn waargenomen, klein. Deze zijn: + + [167] Vergelijk ~Nippon~, VII. l. c. pag. 254 ff., waar eene lijst van + de vogels, die door ~Pallas~, ~von Kittlitz~ en ~von + Middendorff~ in deze gewesten gevonden worden, medegedeeld + wordt. + + Valk Falco communis _Tsirikoiki_ (Aino) _Taka_ (Jap.) + Sperwer Astur nisus _Kunkuth_ _Fitaka_ + IJsvalk „ „ albus _Tetari kunkuth_ _Usu + kohoritaka_ + „ Spizaetes orien- _Tekku_ _Horo taka_ + talis? + Visch-arend Haliaetos pelagicus _Kaba tsiri_, _Iso wasi_ + F. J. _Ratupf_ + Zee-arend „ albicilla _Sira tupf_ _Waba wasi_ + „ Pandion haliaetus _Pgoak_, _Kak_ _Kuso wono + orientalis? (Kamtsch.) wasi_ + Kuikendief Buteo Japonicus F. J. _Jattowe_ _Sima tobi_ + Ooruil Otus semitorques {_Kamui tsi kapf_, _Mimitsuk_ + F. J. {d. i. Geesten- + Uhu-uil Strix bubo {vogel + Caliope Silvia Caliope _Hokitsi_ _Nokoma_ + Nachtegaal „ _vel_ Luciola _Bakekijo_ _Uguhiso?_ + spec. + Kwikstaart Modacilla lugens _Baikatsiri_ _Sekuro sekirei_ + F. J. + „ „ spec. _Tokhakun_ + Koolmees Parus major _Fuksatsiri_ _Sisjukara_ + Staartmees „ caudatus var. _Matsumaë- + Jenaha_ + Huismos Fringilla domestica _Amanitsikapf_ _Suzume_ + Leeuwerik Alauda alpestris? _Rikintsiri_ _Fibari_ + F. J. + Lijster Turdus spec. _Sike_ _Muku_ + Spreeuw Sturnus cinerarius _Jezo-muku_ + Raaf Corvus japonensis _Hasikuro_ _Karasu_ + Kraai „ corone? _Jeppirka_ ? + Ekster Pica varia _Kasasai_ + Blaauwspecht Garrulus Brandtii _Barkeu_ _Kasitori_ + IJsvogel Alcedo spec. _Ijami_ _Kagesu_ + Groenspecht Picus awokera F. J. _Isokisoki_ _Awokera_ + Koekoek Cuculus canorus _Toppits_ _Hotodokis_ + Huisduif Columba domestica _Toita_ _Ijebato_ + Bergduif „ gelastris _Kusjujeb’_ _Jamabato_ + F. J. + Groene duif „ Sieboldii _Thuthuts’_ _Awobato_ + F. J. + Huishoen Gallus domestica _Niwa tori_ + Kwartel Coturnix vulgaris _Usura_ + var. F. J. + Trapgans Otis tarda? _Utakan_ _Nogan_ + Papegaaiduiker Arca torda }_Atujuitsikapf_ _Utoû_ + „ „ monoceros } + „ Marmon cirrhata _Jeppirika_ + Duiker Podiceps spec. _Aptotsikapf_ _Ame tori_ + „ „ „ _Wakkatoitoi_ + „ Colymbus spec. _Imoton_ _Aisa kamo_ + Aalscholver Carbo bicristatus _Uriri_ _Simau_ + Wilde eend Anas boschas _Sikobetsja_ _Makamo_ + Wintertaling „ crecca _Kobettsja_ _Kokamo_ + Eend „ spec. _Thura_ + „ „ „ _Kakkari_ + „ „ „ _Kobe_ + „ „ „ _Kakkjo_ + „ „ „ _Kaori_ + „ „ „ _Jaureta_ + Wilde gans Anser hyperboreus? _Kuitopp_ _Kari_ + Tamme „ „ cinereus domes- _Magan_ + ticus + Gans „ spec. _Kuwetou_ + Meeuw Larus melanurus F. J. _Kabiu_ _Kamome_ + Stormvogel Puffinus tenuiros- _Wonnetsikapf_ _Okino kamome_ + tris F. J. + Kemphaan Tringa variegata _Kui kui_ _Siki_ + „ „ meleagris _Thurapfta-tsiri_ _Famasiki?_ + Houtsnip Scolopax rusticula _Matsjo_ _Mijakotori_ + Kraanvogel Grus cinerea var. _Sururun_ _Tsuru_ + F. J. + Witte reiger Ardea alba _Bettsjo_ _Sirasaki_ + +In ~Toknai~’s woordenboek wordt nog eene lange reeks van vogelen +opgenoemd, zonder dat daarbij de Japansche synonymen gevoegd zijn. Hoe +vreemd ook deze _Aino_-namen luiden, zoo willen wij dezelve toch hier +mededeelen, ten einde aan reizigers de gelegenheid aan de hand te geven +om ze op te sporen. _Oretara_, _Thurja_, _Arats_, _~Kakakjo~_, +_Fûsetsiri_, _Korokakkun_, _~Harikeu~_, _Wauwo_, _Sirar’wa_, +_Ithurahisika_, _~Itoki toki~_, _Ainusetsiri_, _Omanruitsiri_, +_Bakkunne_, _Uwetsiritsiki_, _Nuppukaoreu_, _Hokkiure_, _Ussetoita_, +_Oppikepike_, _Worunkakkeu_, _Kuitopp_, _Kaori_, _Hekatsitsiri_, +_Jauretara_, _Furesjamtsiri_, _Horutsiri_, _Okeura_, _Reraokï_, +_Hometsiri_. Wij herhalen, dat _Tsikapf_ een’ grooten vogel en _Tsiri_ +een’ kleinen beteekent en dat verscheiden namen bijna eensluidend met +reeds opgenoemde zijn. + +=Kruipende dieren.= De meeste van de dieren van deze klasse worden in +het zuiden van _Jezo_ gevonden en komen veelal met die van het +noordelijke Japan overeen. + + Schildpad Emys _v._ Trionyx _Itsinke_ (Aino) _Game_ (Jap.) + Hagedis Stincus quinque- _Haran_ _Tokage_ + lineatus F. J. + Slang Coluber quadri- _Hasikuro kamoi_ _Kurokutsi- + virgatus F. J. naba_ + „ Coluber virgatus F. J. _Fugowoka_ _Mugi wara + febi_ + Adder Trigonocephalus _Tokko kamoi_ _Mamusi_ + Blomhoffi F. J. + „ Trichonocephalus spec. _Tanne kamoi_ _Siro febi_ + „ „ „ _Kinasitonkur’_ + Gemeene pad Bufo vulgaris F. J. _Terekeibe_ _Kaheru_ + Groene kik- Rana esculenta F. J. _Toron kamoi_ _Kawadsu_ + vorsch + Kikvorsch „ spec. _Kekketsch_ + „ „ rugosa F. J. _Woats’_ _Tsutsikahe- + ru_ + Boomkikvorsch Hyla arborea F. J. _Kokekets_ _Awogaheru_ + „ „ ? spec. _Ibi_ + Watersalaman- Triton spec. _Wimori_ + der + +Ook wordt nog van eenen Rob _Sithukari_ gewaagd, die naar eene schildpad +gelijkt, waarschijnlijk eene _Sphargis mercurialis_ of eene _Chelonia_ +soort, die somtijds door orkanen en strooming der zee aan de kusten van +_Jezo_ aangespoeld wordt. + +=Visschen.= De verhalen van de groote hoeveelheid van visch, welke onze +oude Nederlandsche zeevaarders langs de kusten en vooral aan de monden +der rivieren van het land van _Jezo_ ontmoet hebben, schijnen niet +overdreven te zijn, wanneer men daarmede de berigten vergelijkt, welke +ons de zeevaarders van den nieuwen tijd omtrent zekere vischsoorten, als +van zalm, haring en sardijnen in het noordelijke gedeelte van de +Japansche zee, in den zoo genoemde Tartarischen golf en in de zee van +_Ochotsk_ en _Kamtschatka_ mededeelen. Want ook zij spreken van +vischbanken die den mond der rivier stoppen en schatten de hoeveelheid +daarvan naar scheepsladingen; maar ook geloofwaardige Japansche +reizigers, met name ~Mogami Toknai~, verhaalde ons dat alleen van de +_Isikari_, de grootste rivier op de westkust van _Jezo_, ten tijde van +zijn verblijf op _Jezo_ (1785) twaalf duizend kok (1,800,000 Ned. pond.) +aan gezouten en gedroogden zalm (_Salmo leucocephalus_ en _S. callaris_) +is vervoerd geworden, en dat men langs de kust van _Jezo_ banken van +eene soort roode schollen (_Trygon Akajei_) vindt, die 126 tot 250 ☐ +ellen beslaan. Het getal van de ons bekende vischsoorten, die aan de +kusten in de rivieren en meeren van Japan gevonden worden, beloopt ruim +vier honderd, dat langs de kusten van China ongeveer twee honderd; en +dat van het noordelijke gedeelte van den grooten Oceaan even veel. In +evenredigheid daarvan is echter het getal van vischsoorten die van de +zee en de rivieren der _Aino_-landen bekend zijn, klein. Dit neemt +echter niet weg, dat men daar niet alleen eene groote verscheidenheid +zal kunnen opsporen, maar ook vele reeds in andere zeegewesten +waargenomene soorten terugvinden; want daarheen worden visschen uit +hoogere en lagere breedten door hunne eigene natuurdrift tot verre +togten verleid en door eene krachtige, eeuwig durende locomotive, den +Japanschen stroom, medegesleept. Door Europesche reizigers hebben wij +slechts eenige weinige vischsoorten uit het zee- en riviergebied der +_Aino_-landen kennen geleerd; ook is de kennis van visschen, die wij aan +de op de kusten van _Jezo_ en _Krafto_ gehuisveste Japanners te danken +hebben, gering, omdat deze niet naar zeldzame, maar naar zulke visschen +kijken, welke ook in hun vaderland tot spijs dienen of voor den +groothandel in visschen het meest geschikt zijn. Des te meer welkom zal +aan zeevaarders de lijst van visschen zijn, die wij hun aanbieden +kunnen: + + Zeebaars Niphon Spinosus F. J. _Kankai_ (Aino) _Matsmaë tara_ + (Jap.) + „ Perca-labrax Japonicus F. J. _Airo_ _Suzuki_ + Zeehaan Dactyloptera spec. _Fure sepp_ _Kasago_ + Goudbaars Chrysophris major F. J. _Fure sepp_[168] _Aka dai_ + „ „ spec. _Ninijesepp_ + Makreel Scomber pneumatophorus F. J. _Sjaba_ _Saba_ + Tonyn Thynnus pelamys F. J. _Tanneibe_ _Katsuwo_ + „ „ Sibi F. J. _Sjunbi_ _Sibi_ + Makreel? „ spec. _Pukka_ + „ Elacate mottak, _Masu_ + E. bivittata F. J. + „ Seriola aureo vittata F. J. _Tsiwasjan_ _Buri_ + Harnasman Aspidophorus acipenserinus _Tsirosineibe_ _Rokkak_ + „ „ superciliosus + „ „ stegophthalmus + „ Cottus intermedius _Jezo-gotsi_ + „ Hemilepidotus Tilesii + „ Epinephelus ciliatus _Potoi_ _Tanago_ + „ Pleuronectes stellatus _Tantaka_ _Karei_ + Schollen „ spec. _Kabarin_ + „ „ „ _Kasibisi_ + Tongen „ „ _Simusibo_ _Firame_ + „ „ „ _Hebeu_ _Oho firame_ + „ „ „ _Herekusi_ + Meerval Silurus japonicus F. J. _Uta_ _Namazu_ + Vooren Cyprinus conirostris F. J. _Ruwokom_ _Funa_ + Halfbek Hemiramphus Sajori F. J. _Funbe deppo_ _Sajori_ + Zalm Salmo lagocephalus _Sibe_ _Sake_ + „ „ Proteus _Sjankenbe_ _Mazu_ + „ „ sanguinolentus _Urupp_ _Beni-mazu_ + „ „ spec. _Tsirai_ _Ito_ + „ „ „ _Hemoi_ + „ „ „ _Tsjarokun_ + „ „ „ _Wowo_ + „ Saurus? _Tsuppo_ _Ukui_ + „ Saurus? _Ururui_ _Kusaki uwo_ + Haring Clupea gracilis F. J. _Ponsepp_ _Iwasi_ + „ „ ? _Heroki_ _Kado v. + Nisin_ + Stekelbuik Tetraodon spec. _Akamkorbe_ _Eugu_ + „ „ „ _Jursi kasepp_ + Klompvisch Orthagosiscus mola F. J. _Hinabo_ _Manbo_ + Steur Acipenser Helous + Haai Mustelus vulgaris _Wonne_ _Wani_ + Rog Trijgon Akajei F. J. _Aitsi korbe_ _Akajei_ + „ Raja? _Karma_ _Same_ + „ „ _Tsikobakui_ + „ „ _Ihessjarkorbe_ + Zevenoog Heptastema cirrhatum F. J. _Nukaribe_ _Jodamusi_ + Lamprei Petromyzon camtschati- _Sjumarop_ _Jatsme- + cus[169] unagi_ + + [168] _Fure_ rood, _sepp_ visch, want beide zijn roode visschen. + + [169] Ook de Kamtschadaalsche Lamprei heeft maar zeven _spiracula_; de + Japanners noemen hem echter _Jats’me-unagi_, d. i. + achteroog-aal, en tellen bij de zeven _spiracula_ op iedere + zijde het _oog_, is dus ook een _Heptastema_. + +Ook van visschen hebben wij eenige _Aino_-namen niet kunnen +teregtbrengen, deze zijn: _Inunbeibe_, _Takutaku_, _Siribokke_, +_Sjokorsepp_, _Furarui_, _Rannibe_, _Kasinube_, _Pontoksi_. + +=Weekdieren.= De mollusken die wij van de _Aino_-landen kennen, zijn ook +meestal zulke, welke daar gegeten of voor den handel naar Japan +bijeengebragt worden, als: + + Zeekat Octopus areolatus _Athui nau_ (Aino) _Tako_ (Jap.) + „ „ granulatus _Athui ne_ _Iwa tako_ + Inktvisch Sepia japonica _Fussanna_ _Ika_ + „ „ ? _Pasiani_ + „ Sepiola? _Masi tanbe_ + „ Loligo brevis? _Mattsijana_ + Oesters Ostrea spec. _Biba_ _Kaki_ + Jacobsschulp Pecten „ _Asikedekke_ _Tadekai_ + „ „ „ _Akketesei_ + Hamdoublet Pina „ _Apnisei_ _Kami_ + Mossel Mytilus „ _Hankatsjui_ _Ikai_ + Hartschulp Cardium „ _Tsjakenai_ _Akakai_ + „ „ „ _Tsibojetsup_ _Sizimi_ + „ „ „ _Tsiurp_ + Venusdoublet Venus „ _Iasibebots_ _Sira famakuri_ + „ „ „ _Herenasi_ + „ „ „ _Kabarusei_ + „ „ „ _Heurokke_ _Asari_ + „ „ „ _Urukke_ + Klipzuiger Haliotis japonica _Aibe_ _Awabi_ + +Nog worden eenige schulpen genoemd, als: _Petsi_, _Tsitani_, +_Trusjunke_, _Kanputh_, _Ratutsjûke_, _Simabaratets_, _Sikikemsjui_. +Zeer belangrijk is op _Jezo_ de vangst van _Tripang_, daar _Kakurauta_ +en van de Japanners _Irigo_ of _Kingo_ genoemd. Ook verzamelt en droogt +men daar een eetbare zeekwallen, _Kurage_ genaamd. + +=Schaaldieren.= De weinige soorten van _Crustacea_, die wij uit +Japansche bronnen hebben kunnen opsporen, als te huis hoorende in de +_Aino_-landen, leveren eene zeer belangrijke uitkomst voor hare +geographische verspreiding op. Wij vinden daar van den zeldzamen +_Crapsus Japonicus_ F. J. (_Anbajaja_ in de _Aino_-taal en op Japan _Dsu +gani_ genoemd) gewaagd die ook de rivieren van _Jezo_ bewonen, en van +onze op het strand van de Oostkust van Japan ontdekte reusachtige +zeekrab _Inachus Kaempferi_ F. J. (_Murikana_ _Aino_) _Sima gani_ of +_Taka asi-gani_ d. i. langbeenkrab (_Jap._). Deze reuzenkrab, waarvan +~Engelbert Kaempfer~ eenen arm afgebeeld en de vermaarde ~Steller~ in +den _Alutora_-golf op _Kamtschatka_ ook eenen arm gevonden heeft, die +toereikende was eenen hongerigen mensch te verzadigen[170], wordt ook +somtijds aan de kust op _Jezo_ gevonden en van hem beweerd dat hij eene +groote van acht tot tien Sjak (voet) bereikt. De grootste door ons +gezien heeft armen (_Chelae_) gehad die vier voet lang waren. Ook vindt +men daar eenen Palinurus, _Holokerki_ (_Aino_) _Jebi_ (_Jap._), den +Astacus Japonicus, _Tekunbe korbe_, eene Squilla, _Heka korbe_ (_Aino_) +_Sjaku_ (_Jap._) en verscheiden andere krabben, die in het algemeen +_Hiko kunbe_ genoemd worden. + + [170] ~Engelberth Kaempfer.~ _Beschrijving van Japan_, pag. 100, Tab. + 14. A. _Mémoires de l’Académie de St. Petersbourg_, Tom. V, pag. + 358. + +=Spinachtige, gekorvene dieren.= Daarvan kunnen wij slechts eene kleine +lijst aanbieden, waarin echter de algemeen voorkomende dieren van dien +aard geschetst zijn: _Spinnen_ (_Kumo_, _Jap._) worden eene _Jawosike_ +en eene _Jatem_, en ook een Exodes, (_Jani_ _Jap._) _Baraki_ gevonden; +ook eene Basterdspin, _Phalangima_, waarvan de sap tot de bereiding van +het vergift hunner pijlen gebruikt wordt. Verder worden Kevers genoemd: +Lucanus spec., _Ninakikiri_ (_Aino_) _Hasamimusi_ (_Jap._); eene +Buprestis, _Sino kane haram_ (_Aino_) _Kink’wako_ (_Jap._); de glimworm, +Lampiris, _Nisekep_ (_Aino_), _Hotaru_ (_Jap._); een krekel, Gryllus, +_Sibebe_ (_Aino_), _Kirikirisu_ (_Jap._); bijen, Apis melifera, +_Sisjôja_ (_Aino_), _midsuhatsi_ (_Jap._); wespen, _Vespa_, eene met +witte vlekken _Majuksjôja_ (_Aino_), _Hatsi_ (_Jap._); paardevliegen, +Oestrus, _Sirawo_ (_Aino_), _Apû_ (_Jap._); aardwespen, Pompilus, +_Jasjôja_ (_Aino_), _Tsudsibats_ (_Jap._); waternimfen, Libellula, +_Hankkatsjui_ (_Aino_), _Tonbo_ (_Jap._); kapelletjes, _Mareu_ (_Aino_), +_Tjô_ (_Jap._); ook nachtvlinders, _mosetsikap_; eindelijk muggen, +Culex, Tipula, Simulium, _Ithutanne_, _Kamurusju_, _Ibiro_, _Irairai_, +_Itsjottsjare_ (_Aino_), _Ka_ en _Futô_ (_Jap._); luizen, _Urki_ +(_Aino_), _Sirami_ (_Jap._); vlooijen, _Taike_ (_Aino_), _Nomi_ +(_Jap._); duizendbeenen, Julus, _Itemekkiri_ (_Aino_), _Makade_ +(_Jap._); en pieren, _Tonin_, _Rutswo_ (_Aino_), _Mimizu_ (_Jap._). Wij +gevoelen zeer goed, dat zoo vele vreemde woorden voor onze lezers eene +vervelende lektuur zal zijn; het nut echter, dat daaruit zeevaarders en +reizigers in de _Aino_-landen bij hunne natuur- of taalkundige +navorschingen zullen kunnen trekken, heeft onszelven aangemoedigd een +zoo moeijelijken letterkundigen arbeid te volbrengen, en moge dien dan +ook bij hen verschoonen. + + +HET PLANTENRIJK. + +Van geene eilanden, die sedert twee eeuwen ontdekt en waarvan de +omtrekken der kusten in de wereldkaart zijn opgeteekend, kennen wij tot +nu toe minder de voortbrengselen van het plantenrijk, dan van _Jezo_, +_Krafto_ en de zuidelijke Kurilen. ~Lapérouse~ en ~von Krusenstern~, die +op hunne gedenkwaardige reis om de wereld eenige kuststreken van de +_Aino_-landen bezocht hebben, waren daar te kort en in een voor den +plantengroei ongunstig jaargetijde en onder te beperkte omstandigheden, +om meer dan oppervlakkig met de _Flora_ dezer eilanden bekend te worden. +Ook zijn de weinige kruidkundige bouwstoffen die de hun vergezellende +geleerden verzameld hebben, verloren geraakt of niet behoorlijk bekend +gemaakt. ~Broughton~, wiens verdienste voor de hydrographie niet genoeg +kan gewaardeerd worden, heeft ook op de planten dier eilanden zijne +aandacht gevestigd, en een lijstje van op _Jezo_ verzamelde planten +medegedeeld[171], en ~Golownin~ in zijne gevangenis alleen eenige +eetbare en nuttige gewassen leeren kennen; Dr. ~Schrenk~, die voor +korten tijd (Februarij 1856) een uitstapje van het _Amur_-land naar +_Krafto_ maakte, heeft daar de _Flora_ in het hart van den winter +ontmoet en haar ons ook slechts in haar winterkleed kunnen schilderen; +en de weinige regels »_compiled from the original notes and Journals of +Commodore_ ~Perry~”[172] betrekkelijk »_gardens_”[173], »_culinary +vegetables_”[174] en »_vegetation_”[175] zijn van een zoo nietigen +inhoud, dat zich van deze Expeditie geene wetenschappelijke bijdrage tot +de _Flora_ der _Aino_-landen laat verwachten. Dus moeten wij ook op het +gebied der kruidkunde, voor zoo verre de _Aino_-landen betreft, dat door +de aardrijkkundige legging van deze--tusschen de oude en nieuwe +wereld--voor de aardrijkskundige Botanie een zoo merkwaardig tafereel +zal opleveren, uit oorspronkelijk Japansche bronnen putten, die echter +deste rijker zijn, daar de kennis van gewassen bij de Japanners meer +algemeen verspreid is als die van dieren en delfstoffen, omdat daarin +meestal hun voedsel bestaat en daarin ook van hen de werkzaamste +geneeskrachten gezocht worden. Door naamlijsten van gewassen, die op +_Jezo_ en _Krafto_ gevonden worden, verklaard door de Japansche synonyme +plantnamen en door gedroogde en levende planten, die wij gedurende ons +verblijf op _Japan_ van onze Japansche vrienden uit _Jezo_ verkregen +hebben, zijn wij dan ook in den staat gesteld een overzigt mede te +deelen van een groot gedeelte van de gewassen die het karakter van de +_Flora_ van _Jezo_ kenmerken, en die daar tot voedsel en ander +huishoudelijk gebruik aangekweekt worden. Meer breedvoerig hebben wij +daarvan in de meergemelde afdeeling van onze beschrijving van _Japan_ +uitgewijd en daarin dan ook de verhouding der _Flora_ van de +_Aino_-landen, voor zoo verre die ons bekend is, tot de naburige landen +van de oude en nieuwe wereld aangetoond[176]. + + [171] ~Broughton~, _Voyage of discovery_, l. c. pag. 392. + + [172] ~Francis L. Hawks~, _Narrative_, l. c. pag. 511 en 519. Om zich + een denkbeeld te vormen van de bekrompenheid der kruidkundige + mededeelingen, uit de aanteekeningen en dagboeken van den + Commodore getrokken en in ~onze eeuw~ door den druk bekend + gemaakt, laten wij den ~geheelen~ letterlijken inhoud volgen: + + [173] „These are tastefully planted with fruit and shade trees, and + bounded with green hedges, while beds of variegated flowers + contrast their bright hues with the green verdure of the foliage + and the lawns of grass.” + + [174] „Onions, a few sweet potatoes and radishes, are the chief + products.” Sweet potatoes of Batatas edulis tieren niet op + _Jezo_. + + [175] „There are several beautiful copses of pines and maples, near + the town, some fruit trees and flowering shrubs, and the + vegetation upon the lower acclivities of the surrounding hills + is vigorous. A large variety of northern plants, birches, + spiraeas, laburnums, wake-robins, and others clothe the sides, + and afford a scant fuel to the poor.” + + [176] ~Nippon~ VIII, l. c. pag. 273 enz. + +Ter loops willen wij alleen hier mededeelen, dat van 342 soorten, 175 +der _Flora_ van _Japan_, 60 aan die van _Oost-Siberië_, 50 aan +_Noord-China_, 38 aan _Kamtschatka_, 26 aan het gebied van _Ochotsk_, en +16 soorten aan _Noord-Amerika_ toebehooren, waarvan 8 zich tot in de +Noordpool gewesten verspreiden. + + +DICOTYLEDONEAE[177]. + + [177] De eetbare en andere nuttige gewassen zijn met * gemerkt. + +I. ~Papilionaceae.~ + + 1. Astragalus lotoïdes, Lam., _Genge bana_ J. + 2. Crotolaria eriantha, S. & Z., var. fol. angustioribus, _Tanuki + mame_ J. + 3. Ervum tetraspermum, L., _Suzume no Jentô_ J. + 4. Indigofera, _Iwa fusi_ J., v. s. + 5. Lathyrus, _Renriso_ J. + 6. Lespedeza pilosa, S. & Z., _Neko fagi_ J. + 7. L. _Sinkepf_, A. + 8. Lotus dichotomus, Sieb., _Kogane hana_ J. S. + 9. Orobus Japonicus, Sieb., _Nanten fagi_ J. + 10.* Pachyrrhizus thunbergianus, S. & Z., var. hispidus, _Kudzù- + Kudsura_ J., _Woikara_, tot Touw. + 11.* Phaseolus Mungo, L., _Atsuki_ J.; _Anthuki_. + 12.* Ph. vulgaris, L., _Bizinmame_ J. + 13.* Pisum sativum, L., var. quadrat., _Jentô_ J., _Pasiktara_. + 14. Sarothamnus scoparius, Wim., _Jenista_ J. + 15.* Soja hispida, Mönch., _Mame_ J. + 16. Sophora Japonica, L., _Jendsju_ J., _Tokbeni_ vel _Tsikbe_. + 17. Thermopsis fabacea, D. C., _Sendai hagi_ J., _Kontikina_. + 18. Vicia amoena, Fisch. + 19.* V. Faba, L., var. minor, _Sora mame_ J. + 20. V. _Karasnojentô_ J. + 21.* Wistaria japonica, S. & Z., _Ko fudsi_ J., _Kutsuts’_, tot + bogsnaren. + +II. ~Amygdaleae.~ + + 22.* Cerasus _Karinka_, A., _Sakura?_ J., T. V. + +III. ~Rosaceae.~ + + 23. Fragaria indica, And.? _Febi itsigo_ J., _Funkikama furepp_ + 24. Kerria japonica, D. C., _Jama buki_ J. + 25. Potentilla discolor, Bge., Sp. aff. P. argentea, L., A. S., + _Kawarei saiko_, J. + 26. P. spec. fol. digitat., _Kizi musiro?_ + 27. Rhodotypos kerrioides, S. & Z., _Siro jamabuki_ J. + 28.* Rosa rugosa, Thb., _Hama nasi_ J., _Mau_. + 29. Rosa spec., _Iwara?_ J. + 30.* Rubus molucanus, L.? Th. Fl., _Fuju itsigo_ J. + 31.* R. palmatus, Th., _Itsigo_ J., _Imare furetsup_. + 32.* R. triphyllus, Thb., var. Jez., _Mijama asi kudasi_ J. + 33. Spiraea Aruncus, L., _Sjoma_, _torino asikusa_ J. + 34. S. palmata, Th., _Kusa simotske_ J. + +IV. ~Pomaceae.~ + + 35. Amelanchier? _Imotsitsi_, A., _Jama nasi?_ J., Spec. americanis + aff. + 36. Sorbus sambucifolia, Cham., _Nana ka mado_ J., vel _Seikabara + Kijeru funeri_. + +V. ~Lythrarieae.~ + + 37. Lythrum Salicaria, L., _Mizo hagi_ J. + +VI. ~Halorageae.~ + + 38.* Trapa incisa, S. & Z., _Hisi_ J., _Bekanbe_. + +VII. ~Geraniaceae.~ + + 39. Geraneum pratense, L., _Dai fûrosô_ J. + +VIII. ~Zanthoxyleae.~ + + 40.* Zanthoxylon piperitum, D. C., _Sansjô_ J., _Kantsikamani_, + Spezery. + 41.* Z. _Sikerebe_, A., _Ki wada_ J., _Wôbakf_. + +IX. ~Anacardiaceae.~ + + 42. Rhus Toxicodendron, L., _Tsuta urusi_ J., _Uttsi_, giftig. + +X. ~Juglandeae.~ + + 43.* Juglans _Nesiko_, A., _Kurumi_ J., De Noten noemen zij _Ninum_. + +XI. ~Euphorbiaceae.~ + + 44. Euphorbia Lathyris, L., _Portosô_ J. + 45.* E. Sieboldiana, M. & Decaisne, _Kansui_ J. _Ikatsuka_, + geneesmiddel. + 46. E. Spec. + 47. Pachysandra terminalis, S. & Z., _Fûkisô_ J. + +XII. ~Ilicineae.~ + + 48. Ilex crispa, Sieb., _Jama jadome_ J., _Jetôkatoreni_. + 49. I. integra, Th., _Motsi no ki_ J., _Ljamun_. + +XIII. ~Celastrineae.~ + + 50. Evonymus _Bunko_, A., _Majumi?_ J. + 51. E. Japonicus, L., _Masaki_ J. _Masja_. + 52. E. _Konkeni_, A., _Majumi?_ J. + 53. E. Sieboldianus, Bl., _Majumi_ J., var. maj., _Ukepuni_. + 54. E. subtriflorus, Bl., _Majumi_ J., _Kasijupu_. + +XIV. ~Polygaleae.~ + + 55. Polygala japonica, Houtt., _Fime hagi_ J. + +XV. ~Acerineae.~ + + 56. Acer _Fusini_, A., T. V. + 57. A. rufinerve, S. & Z., _Konzi no ki_ J. + 58.* A. saccharinum, L.? _Kaide_ J., _Tobeni_, uit het sap wordt + suiker bereid. + +XVI. ~Tiliaceae.~ + + 59.* Tilia parvifolia, Ehrh., _Sinano ki_ J., _Koberegeb_, tot + scheepstouw. + +XVII. ~Caryophylleae.~ + + 60. Alsine media, L., _Hakobe_ J. + 61. Lychnis Senno, S. & Z., _Senno_ J. + 62. Stellaria Spec. 2. + +XVIII. ~Violaceae.~ + + 63. Viola canina, L., _Komeno tsume_ J. + 64. V. disecta, Ledeb., _Jezo sumire_ J., fragmenta quoque adsunt V. + palmatae ac pedatae. + 65. V. _Motokina_, A. + 66. V. Patrinii, D. C., _Sumire_ J. + +XIX. ~Drorseraceae.~ + + 67. Parnasia mucronata, S. & Z., _Mumeba tsisô_ J. + +XX. ~Nelumboneae.~ + + 68.* Nelumbium speciosum, Willd., _Hatsisu_ J., _Meja_, de wortel. + +XXI. ~Nymphaeaceae.~ + + 69. Nymphaea Spec., _Hitsuzi gusa?_ J. + 70. Nyphar Japonicum, D. C., _Kôhone_ J., _Kapato_. + +XXII. ~Cruciferae.~ + + 71.* Brassica chinensis, L., _Tona_ J. + 72.* B. orientalis, L., _Abura na_ J., tot olie. + 73.* B. rapa, L., _Kab’na_ J. + 74. Capsella Pursa Pastoris, Mönch, _Nats na_ J. + 75.* Cochlearia, _Wasabi_ J., _Tsi_ vel _Kiseseri_. + 76. Draba hirta, L. + 77.* Raphanus sativus, L., var. chinensis, _Daikon_ J. + 78.* Sinapis chinensis, L., _Karasi_ J., _Kurasuf_. + 79. Thlaspi arvense, L., _Gunbai utsiwa_ J. + 80. Turritis hispidula, D. C., _Hatazô_ J. + 81-83. Cruciferarum species 3 indeterminatae. + +XXIII. ~Papaveraceae~, a) ~Papavereae~. + + 84. Chelidonium majus, L., _Kusano wo_ J. + 85. Ch. uniflorum, S. & Z., _Jama buki sô_ J. + 86. Macleya cordata, R. Br., _Takeni gusa_ J. + 87. Papaver Rhoeas, L., _Bizinsô_ J. + +b) ~Fumarieae~. + + 88. Corydalis ambigua, Cham. & Schlecht., _Jengo sak’_ J. + 89. C. incisa, Pers., _Murasaki geman_ J. + 90. C. _Toma_, A., _Jezo jengosak’_ J. + 91. Dicentra pusilla, S. & Z., _Goma kusa_ J. + +XXIV. ~Ranunculaceae.~ + + 92.* Aconitum chinense, Sieb., _Tori kabuto_ J., _Setasjurk_, + Geneesmiddel. + 93. A. Kamtschaticum, Pall., _Sjosinosjurk_. Het sap der wortel + dient tot de vergiftiging van pijlen. + 94. A. tenuifolium, Turcz., _Ponsjurk_. + 95. Adonis Sibirica, Patrin., _Fuk zju sô_ J., _Kunau_, _Kumaubë_. + 96. Anemone _Futabera_, A., v. p. + 97. A. _Musikarbe_, A. + 98. A. parviflora, Mich. + 99. Aquilegia _Oda mahi_ J., pl. siccata A. flabellatae, S. & Z., ac + pl. picta A. brevistylae Hook. similior. + 100. Caltha palustris, L., _Jen kô sô_ J. + 101.* Coptis asplenifolia, Salisb., _Seribano wôren_ J. + 102. C. trifolia, Salisb., _Mitsuba wôren_ J. Geneesmiddel. + 103. Glaucidium palmatum, S. & Z., _Jama botan_ J. + 104. Hydrastis jezoënsis, Sieb. + 105. Paeonia albiflora, Pall., _Jama sjak jak_ J. + 106. Pityrosperma obtusifolium, S. & Z., var. Jezoëns., _Inu sjoma_ + J. + 107. Ranunculus gregarius, Pers., _Kits’neno botan_ J. + 108. R. japonicus, Thb., _Kinpoke_ J., v. s., _Bui_. + 109. Trollius asiaticus, L.? _Sjurkbui_. + +XXV. ~Magnoliaceae.~ + + 110.* Magnolia hypoleuca, S. & Z., _Hônoki?_ J., _Ikajubni_, tot + pijlkokers. + 111. M. _Fusini_, A., v. s. f., Sp. aff. _M. acuminata_, L. + 112. Magnoliacea _Moriune_, _Gjokran?_ J. + +XXVI. ~Lardizabaleae.~ + + 113. Akebia clematifolia, S. & Z. + 114. A. Jezoënsis, Sieb., _Jezo akebi_ J. + 115. A. lobata, D. C., _Mits’ba akebi_ J. + +XXVII. ~Saxifrageae.~ + + 116. Hoteja japonica, M. & Decain., _Awa morisô_ J. + 117. Hydrangea acuminata, S. & Z., _Azisai?_ J., _Kikinni_. + 118. Rupifraga sarmentosa, Thb., _Jukinosta_ J. + +XXVIII. ~Corneae.~ + + 119. Cornus alba, _Mitsugi_ J., _Utsukanni_. + 120. C. (Arctocrania) canadensis, L., _Gozen tatsi bana_ J., _Kakka_, + K., O. + +XXIX. ~Ampelideae.~ + + 121. Cissus _Fungara_, A., _Tsuta?_ J. + 122.* Vitis jezoënsis, Sieb., _Jezo butô_ J., _Hats’_. Welsmakende + zwarte druiven. + +XXX. ~Arialaceae.~ + + 123.* Aralia edulis, S. & Z., _Udo_ J., _Itsijaribe_ vel _Tsimakina_, + de wortel. + 124. A. pentaphylla, Thb., _Ukogi_ J., var. _Horokajusi_. + 125. Hedera Helix, L., _Ki dsuta_ J. + 126.* Panax quinquefolium, L., _Ninzin_ J., Geneesmiddel. + +XXXI. ~Umbelliferae.~ + + 127.* Apium _Seri_, J., eene soort selderij. + 128. Archemora? _Otakina_, A. + 129. Cicuta? _Kamoitesina_, A. + 130.* Daucus Carotta, L., _Tats dai kon_ J. + 131.* Heracleum _Tsima_, A. + 132. Heracleum _Bitu_, A. + 133. Ligusticum? _Setaubeu_, A. + 134. Osmorrhiza japonica, S. & Z.? _Naga sirami_ J. + 135. Peucedanum japonicum, Th., _Bôfû_ J., _Kentaporo_. + 136. P.? _Uraibauisi_, A., _Bôfû?_ J. + 137. Pleurospermum kamtschaticum, Hffm.? _Itara_. + 138.* Sanicula elata, Ham., _Naga sirami_ J., _canadensis_, A. S. + 139. Umbellifera _Kamoisjukina_, A. + 140. U. _Worapp_, A., _Senkiu?_ J. + +XXXII. ~Ericaceae.~ + + 141. Gautiera jezoënsis, Sieb., _Kotokoni_. + 142. Rhododendron _Netanaï_, A., v. s. f., M. S., _Nikko sjakunange_ + J. + 143. Vaccinium Chamissonis, Bong.? _Isusuka_. + +XXXIII. ~Myrsineae.~ + + 144. Bladhia japonica, Thunb., _Jabu kosi_ J. + +XXXIV. ~Primulaceae.~ + + 145. Lysimachia japonica, Th., _Ko nasubi_ J. + 146. L. spec. + 147. Primula cortusoides, L.? _Sakura sô_ J. + 148. P. farinosa, L., _Juki ware sô_ J., _Konzumui_. + +XXXV. ~Orobancheae.~ + + 149. Boschniakia glabra, Mey.? + 150. Orobanche spec. + 151. Phacellanthus tubiflorus, S. & Z., _Jûre dake_ J. + +XXXVI. ~Bignoniaceae.~ + + 152. Catalpa? _Sine_, A., _Jama kiri_ J., _Ajusini_. + +XXXVII. ~Scrophularinae.~ + + 153. Linaria _Jukktomabak_, A. + 154. Siphonostegia chinensis, Bge., _Hiki jomogi_ J. + 155. Veronica Anagallis, L., _Kawa Tsisa_. + 156. V. sibirica, L.? _Jama tora nowo?_ J. + +XXXVIII. ~Solanaceae.~ + + 157. Physalis Alkegengi, Th. Flor., _Hotsuki_ J., _Hokisei_. + 158. Ph. _Totorep_, A. + 159. Ph. _Hotsuki?_ J., _Toboroma_. + 160. Solanum caroliniense, L.? _Katakina_. + 161. S. spec., _Hadaka hodsuki?_ J., in insul. Krafto. + +XXXIX. ~Convolvulaceae.~ + + 162. Calystegia Soldanella, R. Br., _Hama hirugaho_ J. + +XL. ~Asperifoliae.~ + + 163. Bothriospermum spec. + 164. Cynoglossum spec., _Hama murusaki?_ J. + 165.* Lithospermum erythrorhizon S. & Z., _Murasaki_ J. Purperverw. + 166. Myosotis apula, L.? Thunb. Flora, _Kawara kena?_ + +XLI. ~Labiatae.~ + + 167. Ajuga remota, Benth.? _Zjuni fitoge_ J. + 168. Brunella vulgaris, L., _Utsubo kusa_ J. + 169. Clinopodium vulgare, L., _Kuruma bana_ J. + 170. Dracocephalum argunense, Fisch., _Musja rindo_ J. + 171. Lamium amplexicaule, L., _Hotokeno sô_ J. + 172. L. barbatum, S. & Z., _Odoriko sô_ J. + 173. Lycopus virginicus, L.? _Inu sirone?_ J. + 174. Melitis _Raseomon_ J. + 175. Nepeta incana, Thb.? _Dan kik’_ J. + 176. Salvia japonica, Thb., _Koma todome_ J. + 177. Scutellaria japonica, _Tatsunami_ J. + +XLII. ~Gentianeae.~ + + 178. Gentiana _Kamitati_, A., _Sasa rindô?_ J. + 179. G. Thunbergii, Grieseb., v. s., _Haru rindô_ J. + 180.* Menyanthes trifoliata, L., _Midsugasiba_ J. Geneesmiddel. + +XLIII. ~Asclepiadeae.~ + + 181. Pycnostelma chinense, Bge., _Sjo tsjô kei_ J. + 182.* Urostelma _Ikema_, A., vel _Penpu_. Geneesmiddel. + 183. Vincetoxicum atratum, S. & Z., _Funawara sô_ J. + +XLIV. ~Jasmineae.~ + + 184. Jasminum praecox, Sieb., _Obaï_ J. + +XLV. ~Apocinaceae.~ + + 185. Apocinum venetum, L., _Basikuromun_. + +XLVI. ~Lonicereae.~ + + 186.* Lonicera brachipoda, D. C., _Sui kadsura_ J. Geneesmiddel. + 187. L. (Xylosteum) coerulea, L., _Futa kobasi_ J. + 188. L. (Xylosteum) nigra, L., _Bijôtanbok’_ J., _Tonkaju_. + +XLVII. ~Campanulaceae.~ + + 189. Campanula _Mukekasi_, A., _Kikeo?_ J. + +XLVIII. ~Compositae.~ + + 190. Anacyclus? _Otanesikf_, A., v. p. + 191. Anandria dimorpha, Turcz., _Senbon jari_ J. + 192. Artemisia capillaris, Th., _Kawara jomogi_ J., _Retarnoja_. + 193. A. _Tsikurbe_, A., _Jomoki?_ J. + 194. A. _Kamoïnoja_, A., _Siro jomogi_ J. + 195. A. sachaliensis, Tiles., in insul. Krafto. + 196. Aster _Sjamono_, A., _No kik?_ J., T. V., in insul. Krafto. + 197. A. tataricus, L. fil.? + 198. Cacalia acerifolia, Sieb., _Momitsi kusa_ J. + 199. C. aconitifolia, Bge., _Afure gusa_. + 200. C. auriculata, D. C.? _Takarakô_ J. + 201. C. delphinifolia, S. & Z., _Momitsi haguma_ J. _Ihânzami_. + 202. C. hastata, L., _Komulisô_. + 203. Calendula officinalis, L., var. sinensis, _Kin sen kwa_ J., + _Urajenekina_. + 204. Cirsium japonicum, D. C., _No asami_ J. + 205. C. kamtschaticum, Ledeb., _Jama asami_ J. + 206. Eupatorium japonicum, Th., _Fiodori bana_ J. + 207. Gnaphalium confusum, D. C., _Hahako gusa_ J. + 208. G. japonicum, Th., _Tsitsi kokusa_ J. + 209.* Lappa edulis, Sieb., _Kobô_ J. _Setakorokoni_, de wortel. + 210. L.? _Sikibesjoro_, A., _Jama kobo?_ J. + 211. Ligularia Kaempferi, S. & Z., _Tsuwa fugi_ J., _Oinamats’_. + 212. Mulgedium? _Wawahal_, A., T. V., in insul. Krafto. + 213. Nardosmia japonica, S. & Z.? _Fuki_ J., _Makajo_ vel _Korkoni_. + 214. Saussurea spec., _Jezo no azami_ J. + 215. Senecio subensiformis, D. C., _Sawa oguruma_ J. + 216. S.? _Poroja_, A., v. p., in insul. Krafto. + 217. Taraxacum Dens Leonis, Desf., _Tan bobo_ J., _Inemuni_. + 218. Youngia pygmaea, Ledeb., _Tsuru nigana_ J. + 219. Y. Thunbergiana, D. C., _Nigana_ J. + +XLIX. ~Plantagineae.~ + + 220. Plantago major, L., _Ohobako_ J. + 221. P. kamtschatica, Link, _Jezo ôbako_ J., _Jerumkina_, _Pl. + virginica_, AS. + +L. ~Aristolochieae.~ + + 222. Aristolochia debilis, S. & Z., _Mumano suzu_ J. + 223. Asarum canadense, L., _Saisin_ J. + 224. A. intermedium, Meyer. + 225. Heterotropa asaroides, M. & D., _Kan afui_ J. + +LI. ~Eleagneae.~ + + 226. Eleagnus _Sjussimau_, A., _Gumi?_ J. + +LII. ~Daphoideae.~ + + 227. Daphne spec. flor. lateral., _Oni sibari_ J. + +LIII. ~Laurineae.~ + + 228. Camphora officinarum, Bauh., _Kusuno ki_ J., _Tsurawon_, (het + hout bedoeld). + 229. Laurinea _Binni_, A., _Tamono ki_ J. + 230. L.? _Tsikisjani_, A., _Aka tamo_ J. + +LIV. ~Polygoneae.~ + + 231.* Fagopyrum tataricum, Gärt., _Soba_ J. + 232.* Lapathum _Ma daiwô_ J. Geneesmiddel. + 233. Polygonum aviculare, L., _Niwa janagi_ J. + 234.* P. chinense, L., _Aï_ J., blaauwe verw. + 235. P. cuspidatum, S. & Z., var., _Inu itadori_ J., _Ikokuth_ vel + _Sikkwa_. + 236.* Rheum spec., _Daiwô_ J., _Sjunaba_. Geneesmiddel. + 237. Rumex crispus, L.? _Kizigizi_ J., _Stakamaro_. + +LV. ~Chenopodeae.~ + + 238. Chenopodium album et rubrum, L., _Aka sa_ J., _Sirusikina_. + +LVI. ~Salicineae.~ + + 239. Populus _Dero_, A. + 240. Salix _Sjusjuju_, A., _Janagi_ J., de bast daarvan _Meromai_ of + _Nikaumai_. + 241. S. _Toisjusju_, A., _Inokoro janagi_ J. + 242. S. _Toppikara_, A., _Kojanaki_ J. + +LVII. ~Canabinae.~ + + 243.* Canabis sativa, L., _Asa_ J., _Asakara_, tot naaidraad. + 244. Humulus japonica, S. & Z., _Kana mugura_ J. + +LVIII. ~Urticaceae.~ + + 245. Procris umbellata. S. & Z., _Kutsinawa zjôgo_, J. + 246.* Urtica _Mose_, A., _Siromawo?_ J., vel _Utarpe_, tot stoffen. + +LIX. ~Moreae.~ + + 247. Broussonetia? _Ats’ni_, A., tot Stoffen. + 248.* Morus indica, Thb. Flor., _Kwa_ J., _Tesimani_. + +LX. ~Ulmaceae.~ + + 249. Microptelia parvifolia, Spach., _Nire_ J., _Wofsjani_. + +LXI. ~Cupuliferae.~ + + 250.* Castanea vesca, Gärt., _Kuri_, J., _Jam’_. + 251. Corylus americana, Walt., _Hasibami_ J., _Wohoba_. + 252. Fagus _Pira_, A., _Bunano ki?_ J. + 253. Quercus _Beroni_, A., _Nara?_ J. + 254. Q. dentata, Thb., _Kasiwa_ J., _Gomuni_, Riemen en andere + gereedschappen. + +LXII. ~Betulaceae.~ + + 255. Alnus incana, Willd., _Hanoki_ J., _Nitats’kene_, generatim + _Kene_. + 256. A. _Jaja kene_, A. + 257. Betula _Asada_, A., de bast. + 258.* B. _Beitats’_, A., _Kaba?_ J., v. p., de bast. + 259. B. _Sîtats’_ T. V. + +LXIII. ~Taxineae.~ + + 260. Podocarpus Maki, S. & Z., _Maki_ J., _Tsikuni_. + 261. Thuja? Retinospora? _Sjungu_, A., _Kara hiba_. + 262.* Taxus cuspidata, S. & Z., _Araraki_ J., _Tarumani_, tot bogen. + +LXIV. ~Abietinae.~ + + 263.* Abies bifida, S. & Z., _Mômi_ J., _Sunk’_, Timmerhout, masten. + 264.* A. Jezoënsis, S. & Z., _Jezo mats’_ J., _Fuppo_, masten, + timmerhout. + 265.* Larix leptostachys, S. & Z.? _Fuzi mats’_ J., timmerhout. + 266.* Pinus densiflora, S. & Z., _Aka mats’_ J., _Kui_, timmerhout, + masten. + 267.* P. pauciflora, S. & Z., _Gojo mats’_ J., _Tsikafupp_ vel + _Inekereni_, voor huizen, masten. + + +MONOCOTYLEDONEAE. + +LXV. ~Typhaceae.~ + + 268. Typha angustifolia, L., _Gama_ J., _Sikina_. + 269. Acorus Calamus, L., _Sjob’_ J., Geneesmiddel. + +LXVI. ~Aroideae.~ + + 270. Arisaema japonicum, Bl. var., _Tennansjô_ J., _Raurau_. + 271. A. ringens, Schott, _Musasi afumi_ J. + 272. Simplocarpus kamtschaticus, Salisb., _Usino sta_ J. + +LXVII. ~Alismaceae.~ + + 273.* Sagittaria sagittifolia, L., var. angustifolia, _Womodaka_ J., + de wortel. + +LXVIII. ~Orchideae.~ + + 274. Cympidium virescens, Lindl., _Jamaran_, var. _Haruran_ J., + _Imatsumatts_. + 275. Cypripedium macranthon, Swartz, _Setanoki_. + 276. Dendrobium catenatum, Lindl., _Sekikok_ J. + 277. Orchis?, _Likonkamuikina_. + 278. Pelexia falcata, Spr., _Suzuran_ J. + 279. Pogonia ophioglossoides, Kerr.? _Tokisô_ J. + +LXIX. ~Irideae.~ + + 280. Iris japonica, Thb., _Sjaka_ J. + 281. I. Kaempferi, Sieb., _Kakitsubata_ J., _Sitau_. + 282. I. oxypetala, Bge.? _Fimesjaka_ J. + 283. I. sibirica, L., _Ajame_ J. + 284. I. uniflora, Pall., _Jama ajame_ J. + +LXX. ~Dioscorideae.~ + + 285. Dioscorea heterophilla, Sieb., _Tokoro_ J. + 286.* D. opposita, Th., _Naga imo_ J., _Tsjurip_ vel _Wonkotsuibe_ vel + _Kosa_, de wortel. + 287.* D. sativa, L., _Kasjuimô_ J., de wortel. + +LXXI. ~Smilaceae.~ + + 288. Convallaria majalis, L., var. fol. latior., _Kimikakesô_ J., + _Setakito_. + 289. Paris quadrifolia, L., _Tsume tori gusa_ J. + 290.* Polygonatum japonicum, M. & Decais., _Amatokoro_ J., de wortel. + 291. P. _Isui_, A. + 292. P. latifolium, Desf.? _Bebeukkina_. + 293. Smilacine bifolia, Desf., _Maidsur_ J. + 294. S. racemosa, Desf., var. Jezoënsis, Sieb., _Jukisasa_. + 295. S.? _Firajoma_, A. v. p. + 296-97. Smilax spec. 2 inermes. + 298. Trillium grandiflorum, Salisb., _Mikadosô_ J., _Heroara_, T. V., + Sp. aff. _obovatum_, Pursh. + +LXXII. ~Liliaceae.~ + + 299.* Allium sativum, L., _Ninnik’?_ J. _Fuksa_. + 300.* Allium uliginosum Don., _Nira_ J., _Heroni_. + 301-2. A. spec. 2 indeterminatae. + 303. Crinum maritimum, Sieb.? _Hama juri_ J., _Imakibar_. + 304. Erythronium Dens canis, _Katakuri_ J., _Kitori_. + 305. Fritillaria ruthenica, Wiet., _Haru juri_ J. + 306. Funkia undulata, Sieb., _Susi gibôsi_ J. + 307. Gagea lutea, Kunth., _Amana_ J., _Tsikapptoma_. + 308. Hemerocallis Sieboldii, Kiks., _Kisuge_ J. + 309. Lilium canadense, L.? _Kuruma juri_ i. e. fol. verticillat. J., + _Binnera_ vel _Imakiane_. + 310. L. Partheneion, Sieb. & Vries, _Fime juri_ J. + 311. L.? _Baba juri?_ J., _Thurep_. + 312. Narcissus Tazetta, L., _Suizen_ J. + 313. Ornithogalum; species indeterminata. + 314. Sarana kamtschatica, Fisch., _Kuro juri_ J., _Anrokol_ vel + _Sirakor’_, _Har’_. + 315. Scilla japonica, Thb., _Seozeo fakama_ J. + +LXXIII. ~Melanthaceae.~ + + 316. Uvularia sessilifolia, L., _Hôtsjak’_ J. + +LXXIV. ~Junceae.~ + + 317. Juncus, spec. + 318. Luzula campestris, Desv., _Suzumeno jari_ J., _Ritenmuni_. + +LXXV. ~Cyperaceae.~ + + 319. Carex variegata, Sieb. & de Vries, _Suge?_ J., _Hirasinekira_. + 320. C. _Tsimo_, J., _Irrap_. + 321.* Scirpus maritimus, L., _Kasasuge_ J., voor stroohoeden. + +LXXVI. ~Gramineae.~ + + 322. Airoclytrum japonicum, Steud., _Sasakusa_ J. + 323. Andropogon spec., _Kaze gusa?_ J., _Nino_. + 324. Anthistiria japonica, Willd., _Karukaja_ J., T. V., _Um’_. + 325. Arundo nitida, H. & B.? _Josi_ J., _Sjukki_. + 326. A. _Sjariki_, A., T. V. + 327. Bambusa sive Arundinaria, _Take_ J., _Top’_, _Kurbe_. + 328. Calamagrostis? _Muri_, A., ad littus maris in ins. Krafto. + 329.* Eleusine coracana vel indica, autor, _Fiju_ J., _Aira sjajam’_ + vel _Bijaba_. + 330. Erianthus spec., _Kaja?_ J., _Um_. + 331. Festuca spec., _Tatsnofige_ J. + 332.* Hordeum vulgare, L., _Mugi_ J., _Menkuro_. + 333. H. jubatum, L., haud dubie hoc referendum. + 334. Imperata pedicellata, Steud., _Tsigaja_ J., _Nupkausi_. + 335. Melica, Sp. aff. _M. mutica_, Walt. + 336.* Oriza sativa, L., _Kome_ J., _Tsimorimokitsubi_, rijpt zeldzaam + op Jezo. + 337.* Panicum italicum et miliaceum, L., _Awa_, _Kibi_ J., _Musiro_; + quoque _Kitenamam_, _Sipsike_. + 338. Phalaris spec. (panic. ovoidea pendula), tot daken. + 339. Phyllostachys?, _Sasa?_ J., _Ikitara_. + 340. Graminea _Isjo_, A., _Jama gusa_, d. i. Berggras, J. + 341.* G. _Untsja_, A., _Makomo_ J., eetbaar. + 342. G. _Siki_, A., _Onikaja?_ J. + + +ACOTYLEDONEAE. + +LXXVII. ~Equisetaceae.~ + + 343. Equisetum, _Tok’sa_ J., _Sibisibi_. + +LXXVIII. ~Filices.~ + + 344.* Filix, Pteris?, _Warabi_ J., _Toha_, eetbaar. + 345. F. _Warabi?_ J. _Sefumakina_. + +LXXIX. ~Musci.~ + + 346.* Muscus, _Koke_ J., _Ikkimaimai_, eetbaar mos. + 347. M., _Koke_ J., _Furukama_. + +LXXX. ~Fungi.~ + + 348.* Agaricus _Eburico_, A., (op _Larix leptost._), Geneesmiddel. + 349.* Boletus _Kuruma_, A., (op _Quercus Beroni_), eetbaar. + 350. Fungus? _Take_ J., _Karusi_. + 351. F.? _Take_ J., _Kappara_. + 352. F.? _Mai take_ J., _Juk karusi_, i. e. Fung. cervi. + +LXXXI. ~Algae.~ + + 353.* Fucus esculentus Lin. _Kombù_ Jap., _Konfu_[178]. + 354-56. F. siliquosus, F. perforatus, F. graminoides. Ab ill. a + LANGSDORFF observatae species. + 357. Alga?, _Wakame_ J., _Ikkekonfu_, i. e. F. muscosus. + + [178] Dit eetbaar zeewier, die, zoo als boven reeds gezegd is, een + aanzienlijk artikel van den uitvoer der Japanners is, wordt van + eene bijzonder goede hoedanigheid in het zuidoosten en oosten + van _Jezo_ gevonden, en met het opvisschen en droogen daarvan, + zoo als ook van tripang en klipzuigers, houden zich de vrouwen + der _Aino’s_ bezig. + + +DELFSTOFFEN. + +Eene orographische beschrijving van het eiland _Jezo_ en van de reeks +van vuurbergen die zich van het Z. tot het N. van _Japan_ en van daar +over _Jezo_ tot naar de _Kurilen_ en verder tot naar het schiereiland +_Kamtschatka_ uitbreiden, hebben wij reeds op andere plaatsen +medegedeeld[179]. Over de geologische gesteldheid van de _Aino_-landen +kunnen wij niets mededeelen dan eenige waarnemingen door Dr. ~Green~, +lid van de Amerikaansche expeditie, in de naaste omtrekken van +_Hakodate_ gedaan. Deze beperken zich tot eene oppervlakkige +beschrijving van eene roodachtige verscheidenheid van Siëniet, dat zich +door eene buitengewoon groote hoeveelheid van Toermalijn kristallen +kenmerkt, waaruit de top van den digt bij _Hakodate_ gelegen berg +bestaat, en tot eenige waarnemingen op het voorgebergte (dat de baai +vormt?), van verheffingen door onderaardsche kracht en van de oprijzing +van een naar het voormelde Siëniet gelijkend gesteente, dat in plaats +van Toermalijn met Veldspaath vermengd was en door Dr. ~Green~ als eene +Porphier-formatie herkend werd[180]. Het eiland _Jezo_ schijnt overigens +zijne tegenwoordige gedaante, even als _Kamtschatka_, waarvan men thans +de geologische gesteldheid naauwkeurig kent, aan verscheidene +verheffingen, waarvan de eerste in groote tijdperken elkander opgevolgd +zijn, te danken te hebben. Het eerste kwam daar Graniet en Porphier te +voorschijn en deze beide gesteenten hebben de eerste verheffing en +omwenteling van den vasten leisteen veroorzaakt; na eene lange rust, +gedurende welker laatste tijdperk zich de tertiaire lagen gevormd +hebben, braken Basalt en Amandelgesteente door en oefenden op de jongste +sedimentgesteenten eenen omwentelenden invloed uit. Daarna volgden +spoedig op elkander magtige uitbarstingen van trachietische en +oud-vulkanische gesteenten, de reeds voorhanden gesteenten menigvuldig +door elkander werpende en omwentelende, tot dat zich eindelijk de nog +thans in werking zijnde vuurbergen, door de reeds bestaande verstoring +en verwarring van oude kraters, den weg baanden en bij voortduring +nieuwe omwentelingen en formatiën van het land voorbrengen. Zulk een +tafereel van verwoesting en herschepping, door onderaardsche kracht, +levert de geheele keten van vuurbergen op, die zich van het zuiden van +_Japan_ over de _Aino_-landen tot naar _Kamtschatka_ uitbreiden, waar +zij, zoo als de laatste onderzoekingen hebben getoond, uit zeventien +trechters onophoudelijk werkzaam zijn. + + [179] _Geschichte der Entdeckungen_, l. c., pag. 137. ~Alexander von + Humboldt~, _Kosmos_. Band IV, Abth. 1. + + [180] ~Francis L. Hawks~, _Narrative_, l. c. pag. 518. + +Onder de verzamelingen van zeldzame steenen uit _Jezo_, die wij van +Japanners gekregen hebben, bevinden zich ook gelijksoortige granitische +en porphiergesteenten en verscheidene gekrystaliseerde Kwartssoorten, +waaronder zich uitmuntende krystallen van zwarten Rooktopaas, Amethyst +en Bergkristal bevinden. Ook hebben wij Obsidiaan-kogels van twee tot +drie palmen doorsnede, pikzwart van kleur, en kleine blaauwe stukjes, +waarvan waarschijnlijk de zoogenoemde _Krafto tama_, d. i. edele steenen +van _Krafto_ vervaardigd worden, van daar verkregen. Als eene bijzondere +zeldzaamheid werden ons van _Matsmaë_ meer dan eene el lange en vier +duim dikke vijfhoekige zuilen van Trachiet gezonden, die op de +bergtoppen aan de oevers van de ~Isikari~-rivier gevonden worden. + +Zulke gesteenten op zichzelven bestaande, laten zich echter bloot als +zeldzaamheden beschouwen en het bestaan van primitive ertsrijke, en +vulkanische, nog werkzame of uitgedoofde, gebergten veronderstellen; +voor de beoordeeling van de geologische gesteldheid dezer landen zijn +zij van geene beteekenis. Wij willen hier nog de namen van ertsen en van +eenige andere delfstoffen aanhalen: + + Goud Konkani (Aino) Kane, kin (Jap.) + Zilver Sirokani Sirokane, gin + Koper Akkane, furesju Akakane + Brons Karakane Karakane + IJzer Kup’ka Kurogane, tets + Arsenik Kabuto Kawano sômjô + Barnsteen Rukke Kwarjô + Slijpsteen Rui Tôisi + Steen Furima, sjuma Isi + +Het binnenland van _Jezo_ zou rijk aan ertsen zijn en het zand van +verscheiden rivieren en aan het zeestrand goud bevatten. Het zal dus +niet onbelangrijk zijn onze verhandeling met een geschiedkundig overzigt +van de berigten over den goud- en zilver-rijkdom van _Jezo_, uit +japansche bronnen geput, te sluiten. Het was toch het voornaamste +oogmerk van de onder de Commandeurs ~Quast~ en ~Vries~ ondernomen +zeetogten, goud- en zilverrijke eilanden op te zoeken; en die zijn dan +ook door onzen ~Vries~ werkelijk ontdekt, zoo als thans op het eiland +_Urup_ gebleken is, waar de nieuwe bezitters van het Compagnie-land, de +Russen, rijke kopermijnen openen, en zoo als ook alle Japansche +reizigers van _Jezo_ beweren. Deze ontdekkingen zijn, helaas! gelijk +vele andere nuttige wenken en raadgevingen in het belang van onze +overzeesche bezittingen, in het meer der vergetelheid met de oude +Nederlandsche vlag ondergegaan, om zich onder eene vreemde vlag, in het +noordelijk halfrond van den Grooten Oceaan, allengs weder daaruit te +verheffen[181]. + + [181] De schrijver bedoelt daar het verwaarloosde _Formosa_, + _Quelspaard_, de _Bonin_ eilanden en eenige andere voor de + Nederlandsche scheepvaart en den overzeeschen handel gewigtige + plaatsen, die hij hier niet noemen wil, omdat ze mogelijk nog + voor den particulieren meer en meer verlichten Nederlandschen + handelsgeest kunnen toegankelijk gemaakt worden. + +»_Jezo_, zegt ~Fajasi Sifei~, is rijk aan ertsen; de inboorlingen hebben +echter geene kennis van bergbouw en verstaan niet edele metalen door +mijnwerken te winnen.” Goudzand vindt men op _Jezo_ op vele plaatsen: +als bij _Kunsui_ in het N.W. van de Vulkaanbaai, aan het strand van +_Usibets_ in het W. van kaap _Jerimo_; in het gebergte van _Jubari_ en +_Sen ken gak_, dat men de Goudbergen (_Kinsan_) noemt; bij _Sikots_, +niet verre van het groote binnenmeer, waaruit de grootste rivier van +_Jezo_, de _Isikari_, ontspringt; en bij _Haboro_ op de N.W. kust. Het +goudzand wordt niet alleen door de rivieren aangespoeld, maar dikwijls +ook over streken lands van 10 tot 20 _Ri_ verspreid gevonden. Bij +_Haboro_ vindt men het goudzand telkens wanneer de wind N.W. is, en +wanneer het hard gewaaid heeft, glinstert het zeestrand, als ware het +verguld. Ook vernamen onze oude Nederlandsche zeevaarders, op hunne +ankerplaats bij het Vossen-eiland (op _Kunasiri_), dat goud in de +omstreken van den piek _Antony_ gevonden en het zilver voor oorringen +van de _Minami sjam_ d. i. Zuidmenschen (van _Jezoërs_) verkregen werd. +»_De luiden achten het zilver weinigh_” (S. B.). De erts op den +_Mineraelbergh_, op het Compagnieland (_Urup_) gevonden, wordt aldus +beschreven: »Steenachtige aerde, gelijkende wel witte volaerde, welke, +dikwils gewasschen zijnde, stukjes metaal, als speldehoofden, uitgaf, +die zij oordeelden zilver te zijn” (S. B.). ~Sifei~ klaagt er zeer over, +dat de Japanners het opzoeken van het goudzand verwaarloozen, +voorgevende, dat de berglieden het daar van koude niet konden uithouden; +bleven toch, meent hij, de inboorlingen in het noorden van _Haboro_ +gezond, zoo konden daar ook wel menschen uit warme landen, wanneer zij +zich maar warm kleeden en goed voeden, zich tegen de koude bewaren en +gezond blijven.” Er bestaat echter eene andere oorzaak, die de Japanners +van het goudzoeken terughoudt: het ontginnen van goudmijnen en wasschen +van goudzand zijn voorregten eenig en alleen aan den _Sjôgun_, den +zoogenaamden wereldlijken Keizer, voorbehouden en uit staatkundige +redenen streng verboden. Vroeger, in het midden van de 17^{de} eeuw, +werd veel goud en zilver in de Vulkaanbaai bij de rivier _Kunui_ en op +de oostkust aan de _Sarui_-rivier gewonnen, en er had daar veel handel +tusschen de _Aino’s_ en de Japanners plaats; toenmaals verwekte echter +een berucht _Aino_-hoofd, ~Samsaiin~, eenen opstand, die met geweld van +wapenen ten onder gebragt werd, waarop het goudzoeken beperkt en allengs +verboden is. In de _Baie de Langle_, op de westkust van _Krafto_, werden +door ~Lapérouse~ aan het strand stukken van steenkolen, maar hoegenaamd +geene gesteenten gevonden, aan die men sporen van goud, koper of andere +ertsen kon ontdekken. In den nieuwsten tijd zijn ook op _Jezo_ +steenkolen gevonden, die van goede hoedanigheid zullen zijn; de +Vorst-stedehouder van _Matsmaë_ had echter in 1856 van het Hof te _Jedo_ +het verlof tot het ontginnen van de kolenmijnen nog niet verkregen. In +het overzigt der reis van den Kapitein-luitenant ter zee ~Fabius~ tot +het bezoeken van de havens van _Hakodate_ en _Simoda_ met de +Nederlandsche schroef-korvet _Medusa_, in September en October 1856, +wordt ook bevestigd, dat het eiland _Jezo_ zeer rijk aan zilver- en +kopermijnen is, en dat de mijnen niet mogen ontgonnen worden[182]. + + [182] _Rapport_ der Departementen van Koloniën en Buitenlandsche Zaken + dd. 19 April en 7 Mei 1857, betreffende de Japansche + aangelegenheden. + + * * * * * + +In onze aardrijkskundige toelichtingen hebben wij van de meest gewigtige +punten en plaatsen op de oostkust van _Jezo_, de zuidelijke _Kurilen_ en +van den golf van _Aniwa_ tot naar de bogt van _Patientie_ op _Krafto_ de +aardrijkskundige ligging, zoo als die door ~Vries~ bepaald of door ons +volgens de waarnemingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders berekend +is geworden, aangehaald, en ze met die van de Hof-astronomisten te +_Jedo_ en van andere zeevaarders vergeleken. Een vergelijkend overzigt +dezer waarnemingen zal hier niet te onpas komen, en om het algemeen nut +daarvan te verhoogen, zullen wij er de tot nu toe bekende breedte en +lengte bepalingen van alle overige punten en plaatsen van _Jezo_, +_Krafto_ en de zuidelijke _Kurilen_ bijvoegen. + + + + +TAFEL VAN VERGELIJKING VAN DE BREEDTE- EN LENGTEBEPALINGEN VAN DE +VOORNAAMSTE PUNTEN EN PLAATSEN VAN _JEZO_, DE ZUIDELIJKE _KURILEN_ EN +VAN _KRAFTO_. + + ===========================+==========+===========+======================= + NAMEN DER PUNTEN. |Breedte N.|Lengte O. | WAARNEMERS. + | |v. Greenw. | + ---------------------------+----------+-----------+----------------------- + Het eiland Jezo. | | | + | | | + Matsmaë, stad. |41°28′30″ |140°26′40″ |T. Sakusajemon. + |41 30 -- |140 4 -- |Von Krusenstern. + Caep Tadeïsi (_C. Matsu- |41 30 -- |139 57 -- | „ + maë_, von Krusenstern). | | | + C. Sirakami (_C. Na- |41 25 10 |140 9 30 | „ + diejda_). | | | + C. Kinoko (_C. Sineko_, |41 39 30 |139 54 15 | „ + Krusenstern). |41 38 -- |140 13 40 |T. Sakusajemon’s kaart. + C. Ohota (_C. Oota_, |42 18 10 |139 46 -- |Von Krusenstern. + Krusenstern). |42 22 -- |140 1 40 |T. Sakusajemon, kaart. + C. Sepomai (_C. Kou- |42 38 -- |140 1 -- |Von Krusenstern. + tousoff_, Krus.). | | | + C. Raiten. |42 57 -- |140 16 -- | „ + C. Okamui (_C. Novosil- |43 14 30 |140 15 30 | „ + zoff_, Krus.). |43 15 -- |140 34 40 |T. Sakusajemon, kaart. + C. Wofui (_C. Malespina_, |43 42 15 |141 18 30 |Von Krusenstern. + Krusenst.). |43 36 -- |141 41 40 |T. Sakusajemon, kaart. + Berg Pallas, Krus. |44 -- -- |141 54 -- |Von Krusenstern. + (_Manke_, _Jap._). | | | + C. Tomamai (_C. Schisch- |44 20 -- |141 37 -- | „ + koff_, Krust.). |44 20 30 |142 9 -- |T. Sakusajemon, kaart. + C. Nossjab’ (_C. Roman- |45 25 50 |141 34 20 |Von Krusenstern. + zoff_, Krus.). |45 27 -- |142 28 -- |T. Sakusajemon, kaart. + C. Soja. |45 31 15 |141 51 -- |Von Krusenstern. + Dorp Soja. |45 28 -- |142 49 9 |T. Sakusajemon. + C. Schaep, Krus. (_Kamui- |45 21 -- |142 14 -- |v. Krusenstern, kaart. + iroka?_). | | | + C. Kamui-iroka. |45 5 -- |143 41 -- |T. Sakusajemon, kaart. + De baai van Sjarurun. |44 24 -- |144 2 -- | „ „ + Jubets (mond van de |44 9 -- |144 34 -- | „ „ + rivier). | | | + C. Notoro. |44 3 -- |145 19 -- | „ „ + C. Siretoko (_C. Spanberg_,|44 14 -- |146 19 | „ „ + Krus.). | | | + Nisibets (mond van de |43 23 -- |146 4 47 |T. Sakusajemon. + rivier). | | | + C. Notke (_Notsky_, |43 28 -- |146 4 -- | „ + Laxmann). |43 45 -- |145 52 -- |Von Krusenstern. + C. Nossjam (_C. Broughton_,|43 28 -- |146 44 27 |T. Sakusajemon, kaart. + Krus.). |43 27 -- |146 -- -- |Broughton, Original- + | | |kaart. + |43 38 30 |146 7 30 |v. Krusenstern, kaart. + C. de Manshooft, Vries. |43 11 -- |146 14 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |43 16 -- | -- -- -- |Vries, Journaal. + Atkesi (_Baij de goede |43 2 -- |145 34 27 |T. Sakusajemon. + Hoop_, Vries). | | | + „ het Dorp. |43 20 -- | -- -- -- |Vries, kaart. + Ingang van de Baai. |43 -- -- |144 36 -- |Broughton, org.-kaart. + |42 58 -- |144 22 -- |Von Krusenstern. + |43 -- -- |144 36 -- |Broughton, org.-kaart. + |43 5 -- | -- -- -- |Vries. + C. Kusuri. |42 56 -- |145 8 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Tokatsi (Dorp aan den mond |42 39 -- |144 22 -- | „ „ + van de Usibets’). | | | + Saruru (Dorp). |42 7 -- |143 56 6 |T. Sakusajemon. + C. Jerimo (_Eroen_, Vries).|41 56 -- |143 39 10 |T. Sakusajemon, kaart. + |42 -- -- | -- -- -- |Vries. + |41 53 -- |142 55 -- |Broughton, org.-kaart. + |41 59 -- |142 48 -- |Ricord. + C. Jetomo (_Endermo_, |42 20 -- |141 12 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Brought). |42 19 30 |141 7 -- |Broughton. + |42 21 15 |140 56 -- |Ricord. + C. Jesan (_Esarme_, |41 46 -- |141 35 40 |T. Sakusajemon, kaart. + Brought). |41 49 20 |141 20 -- |Broughton. + |41 48 -- |141 13 -- |Ricord. + Hakodate (Stad en haven). |41 47 -- |141 5 -- |T. Sakusajemon. + „ (Mond van de |41 49 -- |140 47 45 |Amerik. Expeditie. + _Kamida_-rivier). |41 43 30 | -- -- -- |Broughton. + |41 42 -- |140 48 -- |Von Krusenstern, volgens + | | |Ricord. + | | | + Rondom liggende eilanden. | | | + | | | + J. Kosima. |41 20 -- |139 55 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |41 21 30 |139 46 -- |Von Krusenstern. + J. Ohosima. |41 30 -- |139 29 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |41 31 30 |139 19 15 |Von Krusenstern. + J. Okosiri. |42 18 30 |139 42 40 |T. Sakusajemon, kaart. + |42 9 -- |139 30 -- |Von Krusenstern. + J. Teore. |44 27 30 |141 46 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |44 27 45 |141 16 45 |Von Krusenstern. + J. Jankesiri. |44 29 -- |141 52 40 |T. Sakusajemon, kaart. + |44 29 45 |141 23 15 |Von Krusenstern. + J. Risiri (_Pic de |45 11 -- |141 45 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Langle_). |45 11 -- |141 12 15 |Von Krusenstern. + J. Refunsiri. |45 18 -- |141 35 40 |T. Sakusajemon, kaart. + C. Guibert. |45 27 45 |141 4 -- |Von Krusenstern. + | | | + De Japansche Kurilen. | | | + | | | + Kunasiri (_Kunaschir_, |44 26 -- |146 12 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Krusenstern). |44 29 15 |146 8 -- |Golownin (1813). + „ C. Moimoto (_C. |44 24 24 |146 23 -- |Broughton, org.-kaart. + Loffsoff_, Krus.).|44 21 -- |146 54 -- |T. Sakusajemon, kaart. + „ Piek Antony, |44 31 -- |145 46 -- |Golownin (1818) en + Vries. | | |Ricord. + |44 20 -- |146 6 -- |Broughton, org.-kaart. + „ W. Hoek van de |44 36 -- | -- -- -- |Vries, Journaal. + Tepelberg. | | | + „ Baie des Traitres.|43 36 -- |146 17 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |43 44 -- |144 59 30 |Golownin. + „ Berg Tsiusi. |43 54 -- |146 26 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Jetorop (_Iturop_, Krusen- |44 23 -- |146 24 -- | „ „ + st., _Staten Ey- | | | + lant_, Vries). | | | + „ C. Tesiko (_C. Ri- |44 29 -- |146 34 -- |Golownin en Ricord. + cord_, Krus.). |44 21 -- |146 48 -- |Broughton, org.-kaart. + |44 28 -- | -- -- -- |Vries, Journaal. + „ C. Kroonberg, |44 51 -- |147 34 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Vries. |44 45 -- |146 52 -- |Broughton, org.-kaart. + |45 5 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + „ C. Notero (_low |45 7 -- |147 17 -- |Broughton, org.-kaart. + point_, Brought). | | | + „ C. Ikabanots (_de |45 33 -- |148 14 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Trou_, Vries). |45 34 -- | -- -- -- |Vries, Journaal. + |45 39 -- | -- -- -- |De Lapérouse. + „ C. Tosifuri |45 40 30 |148 53 -- |T. Sakusajemon, kaart. + (N.W.punt). |45 43 -- |148 18 -- |Broughton, org.-kaart. + |45 46 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + |45 37 -- |149 1 -- |Golownin. + „ C. Okkebets. |45 39 -- |149 9 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |45 45 -- |148 28 -- |Broughton, org.-kaart. + |45 59 -- |148 20 24 |De Lapérouse, kaart. + |45 50 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + „ C. Seworosi (_C. |45 30 -- |149 10 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Vries_, Vries). |45 35 -- |148 27 -- |Broughton, org.-kaart. + |45 38 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + |45 38 30 |149 14 -- |Golownin. + |45 35 -- | -- -- -- |Vries, Journaal. + Urup (_Compagnieland_). |45 44 -- |149 -- -- |T. Sakusajemon, kaart. + „ C. Nobunots. |45 46 -- |148 58 -- |Broughton, org.-kaart. + „ C. Kusinots (_C. v. d.|45 45 -- |149 49 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Lijn_, Vries). |45 38 -- | -- -- -- |Vries. + „ C. Iwara (_Kruishoek_,|45 39 -- |149 34 -- |Golownin. + Vries). |45 53 -- |149 43 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |45 57 -- |149 7 -- |Broughton, org.-kaart. + |46 6 -- |149 48 -- |Vries, Journaal. + |46 6 -- |150 42 24 |De Lapérouse, kaart. + „ C. Arimui (_C. Schou- |45 59 -- |149 57 -- |T. Sakusajemon, kaart. + ten_, Vries). |46 8 -- |149 20 -- |Broughton, org.-kaart. + |46 33 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + „ C. Itojentomo (_C. |46 18 -- |150 29 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Castricum_, Lapérou- |46 16 -- |150 22 -- |Golownin. + se). |46 14 -- |149 52 -- |Broughton, org.-kaart. + |46 23 -- |151 48 24 |De Lapérouse, kaart. + Rebuntsiriboi (_Tschiri- |46 27 -- |150 44 -- |T. Sakusajemon, kaart. + poij_). | | | + (Hummock Island, Brought). |46 32 45 |150 37 10 |Golownin. + |46 32 -- |150 10 -- |Broughton, org.-kaart. + Jargetsiriboi. |46 24 -- |150 39 -- |T. Sakusajemon, kaart. + |46 29 15 |150 33 30 |Golownin. + |46 29 -- |150 7 -- |Broughton, org.-kaart. + Makanruru (_J. Broughton_, |46 37 -- |150 41 -- |T. Sakusajemon, kaart. + Golow.). | | | + (_Round Island_, Brough- |46 42 30 |150 28 30 |Golownin. + ton). |46 46 -- |149 59 -- |Broughton, org.-kaart. + Sikotan (_Tschikotan_, |43 58 -- |137 23 -- |T. Sakusajemon, kaart. + J. Spangberg). | | | + „ C. Itoruika |43 53 -- |146 48 30 |Golownin. + (_C. Canael_, |43 44 -- |146 52 -- |Broughton, org.-kaart. + Vries). |44 7 -- | -- -- -- |Vries (Janss. kaart). + |43 50 -- | -- -- -- |Spangberg. + |43 56 -- | -- -- -- |Vries Journaal. + | | | + Het Eiland Krafto, Golf van| | | + Aniwa. | | | + | | | + C. Notoro (_C. Crillon_, |45 57 -- |140 34 -- |(O. v. Parijs.) De + Lapérouse). | | |Lapérouse. + |45 54 15 |141 48 -- |Von Krusenstern. + J. La Dangereuse, |45 47 15 |142 8 45 | „ + Lapérouse. | | | + C. Siretoko (_C. Aniwa_, |46 3 -- |144 24 -- |De Lapérouse. + Vries). |46 2 20 |143 30 20 |Von Krusenstern. + |45 59 -- | -- -- -- |Vries (Janss. Journ.) + Zalmbaai, Vries. |46 40 -- | -- -- -- | „ „ „ + „ v. Krus., Anker- |46 41 15 |142 33 -- |Von Krusenstern. + plaats. | | | + Tomari Aniwa, Vries. |46 36 20 |142 52 -- | „ + J. Pijramida (_Takatsuga_, |46 20 -- | -- -- -- |Vries, org. kaart. + Vries). |46 32 -- | -- -- -- |Toknai’s kaart. + | | | + Westkust van Krafto. | | | + | | | + J. Toto-mosiri (_J. Monne- |46 9 -- |141 14 -- |Volgens v. Krusenst. + ron_, Lapér.). | | |Mémoires hydrogr. + Baie de Langle, Lapérouse. |47 49 -- |140 29 -- |(O. v. Parijs.) De + | | |Lapérouse. + |47 45 -- |141 58 -- |Volgens v. Krusenst. + | | |Mémoires hydrogr. + Pic de Lamanon |48 45 -- |141 56 -- |Volgens v. Krusenst. + (_Raitsiska_). | | | + Baie d’Estaing, Lapérouse. |48 59 -- |140 32 -- |(O. v. Parijs.) De + | | |Lapérouse. + Baie de Jonquière, |50 54 -- |142 16 -- |Von Krusenstern. + Lapérouse. | | | + C. Boutin (_Tekka_, |51 52 -- |141 53 -- |Mémoires van denzelfden. + Lapérouse). | | | + | | | + Noordkust van Krafto. | | | + | | | + C. Golowatcheff, von |53 30 15 |141 55 -- |Von Krusenstern. + Krusenstern. | | | + C. Horner, von Krusenstern.|54 8 -- |142 28 -- | „ + C. Marie, von Krusenstern. |54 17 20 |142 17 45 | „ + C. Elisabeth, von |54 24 30 |142 46 30 | „ + Krusenstern. | | | + | | | + Oostkust van Krafto. | | | + | | | + C. Loewenstern, von |54 3 15 |143 42 30 | „ + Krusenstern. | | | + C. Würst, von Krusenstern. |52 27 30 |143 17 30 | „ + C. de Bas-fonds, von |52 32 30 |143 14 30 | „ + Krusenstern. | | | + Pointe de dunes, von |51 53 -- |143 14 -- | „ + Krusenstern. | | | + C. Delisle de la Croyere |51 30 -- |143 33 -- | „ + v. Krusenst. | | | + C. Ratmanoff, von |50 48 30 |143 53 15 | „ + Krusenstern. | | | + C. Rimnick, von |50 11 30 |144 3 -- | „ + Krusenstern. | | | + C. Bellinghausen, von |49 35 -- |144 25 45 | „ + Krusenstern. | | | + C. Patientie, Vries. |48 34 -- | -- -- -- |Vries Journaal. + |48 52 -- |144 46 15 |Von Krusenstern. + Robben eijland, Vries. |48 34 -- |144 25 -- | „ + |48 31 -- | -- -- -- |Vries Journaal. + C. Dalrijmple, von |48 21 -- |142 50 -- |Von Krusenstern. + Krusenstern (_Uri_). | | | + C. Mulloffsky, v. Krus. | | | + (_Sjojunkotan_). |47 57 45 |142 44 -- | „ + C. Seniawin, v. Krus. |47 16 30 |143 -- -- | „ + (_Notsuitoko_). | | | + Mordwinoff-Baai, von |46 48 -- |143 24 -- | „ + Krusenstern. | | | + C. Tonijn, Vries |46 50 -- |143 33 -- | „ + (_Wojakutsi_). |46 47 -- | -- -- -- |Vries Journaal. + C. Löwenörn, v. Krusenst. |46 23 10 |143 40 20 |Von Krusenstern. + (_Hontob_). | | | + + + + +BIJ DEN UITGEVER DEZES ZIJN MEDE TE BEKOMEN + +DE NAVOLGENDE WERKEN + +UITGEGEVEN VAN WEGE HET + +KON. INSTITUUT VOOR NEDERL. INDIË. + + + Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van + Nederlandsch Indië, 1^{e} Serie, 4 deelen, 1853-1856. 8^{o}. ƒ 18.-- + + Nieuwe volgreeks, 1^{e} deel, 1856, 1^{e} en 2^{e} stuk. + 8^{o}. „ 2.60 + + MULLER (S.), Reizen en onderzoekingen in den Indischen + Archipel, gedaan op last der Nederlandsche Indische regering, + tusschen de jaren 1828 en 1836. 2 deelen gr. 8^{o}. met 4 + kaarten en 5 platen. „ 9.80 + + SCHWANER (C. A. L. M.), Borneo. Beschrijving van het + stroomgebied van den Barito, en Reizen langs eenige voorname + rivieren van het Zuid-Oostelijk gedeelte van dat land, op last + van het Gouvernement van Nederl.-Indië gedaan in de jaren + 1843-1847. 2 deelen met 14 gekl. pl. Zeer gr. 8^{o}. „ 12.50 + + CROOCKEWIT (J. H.), Banka, Malakka en Billiton; verslagen + aan het bestuur van Nederl.-Indië gedaan in de jaren 1849 en + 1850. 8^{o}. (1.50) „ --.90 + + KITAB-TOEHPAH, Javaansch-Mahommedaansch Wetboek, uitgegeven + door S. KEYZER. 1853. 8^{o}. „ 3.20 + + VAN DER HART (C.), Reize rondom het eiland Celebes en naar + eenige der Moluksche eilanden, gedaan in den jare 1850, door + Z. M. schepen van oorlog _Argo_ en _Bromo_. 1854. 8^{o}. „ 3.90 + + Het Boek Adji-Saka. Oude fabelachtige geschiedenis van Java. + Uit de poëzie in Javaansch proza overgebragt door C. F. WINTER, + Sr. Met een uitvoerig Bijvoegsel tot het Woordenboek der + Javaansche taal, van GERICKE en ROORDA. 1857. 8^{o}. „ 5.70 + + +WIJDERS: + + Duizend en eene Nacht.--Arabische vertellingen. Naar de + Nederduitsche vertaling in het Javaansch vertaald door C. F. + WINTER Sr., uitgegeven door T. ROORDA. 1847-1849. 2 deelen. + 8^{o}. (21.--) „ 11.-- + + Het Boek Radja Pirangon of de geschiedenis van Nabi Moesa. Eene + Javaansche legende, uitgegeven door T. ROORDA. 1844. 8^{o}. + (3.25) „ 1.40 + + +_Bij denzelfden is mede voorhanden:_ + +Eene ZEER RIJKE VERZAMELING van BOEKEN, PLAATWERKEN en KAARTEN over de +_Nederlandsche Bezittingen_, zoo vroegere als tegenwoordige in Azië, +Afrika en Amerika, waarvan de Catalogus van 1430 Nummers op _franco_ +aanvrage te bekomen is. + + + + +[Illustratie: _Gouverneur Generaal_ + +_Directeur Generaal_ + +_Raad van Indie_ + +_Buitengewoon Raad van Indie_ + +_idem_ + +_Schipper-Commandeur_] + + + + +[Illustratie: _Gedaene Coursen_ + +_door_ + +_den Schipper Commandeur_ + +_MARTEN GERRITSEN VRIES_ + +_met het fluytschip Castricum_ + +_A^{o} 1643._ + +De kaart berust IN ORIGINALI bij het Rijksarchief.] + + + + + +--------------------------------------------------------------------+ + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | * De tekst bestaat uit door verschillende mensen in verschillende | + | tijden geschreven delen, en deze verschillen komen onder andere | + | tot uitdrukking in inconsistenties in spelling, woordafbrekingen,| + | stijl, transcripties, het gebruik van accenten en opmaak. Deze | + | inconsistenties zijn zo veel mogelijk bewaard in deze e-tekst. | + | Alle in de tekst aangebrachte veranderingen worden hieronder | + | genoemd; deze betreffen vooral klaarblijkelijke zetfouten. | + | | + | * Inconsistenties en spellingsvarianten in de tekst voor zover deze| + | belangrijke begrippen, geografische of eigennamen, of Aino of | + | Japanse woorden betreffen: | + | - Geografische namen: Amboina/Amboyna; America/Amerika/Ameryca; | + | Aniwa-Tamary/Aniwa Tamary; Cambalu/Cambalú; Castricum/Kastricum; | + | Cirarca/Cyrarca; Compagnie-land/Compagnieland/Compagnyslant/ | + | Companyslant; Croonberch/Croonbergh; Cruishoek/Cruyshoek/ | + | Cruyshoeck/Kruishoek; Gebroocke/Gebroocken Eiland; Hakotade/ | + | Hakotadi; India/Indie/Indië; Iterup/Iturup/Iturop/Jetorop; | + | Jakejama/Jakojama; Japander/Japaner/Japanner; Japanderen/ | + | Jappanderen/Japanders/Japanners; Javaansche/Javaensche; Jedzo/ | + | Yedzo/Jeso/Jesso/Sesso; Jesan/Jezan; Kamschatka/Kamtschatka; | + | Kamtchadalen/Kamtschadalen; Komagatake/Komagataki; Kombu/Kombù; | + | Leiden/Leyden; Maetsuycker/Maetsuyker; Malabriga/Malabrigo/ | + | Malabrygo; Maleya/Maleye/Maleyen; Manilha/Manilhae; Manko/Mankô; | + | Mantschou/Mantschu; Masirika/Mosirika; Matsimay/Matsmay/Matsumay/| + | Matsmai/Matsmaë/Matsumaë; Mijake/Mijako; Mineraelberch/ | + | Mineraelbergh; Molucca/Molucco; Moratay/Morotay; kaap Mulloffsky/| + | Muloffsky; Nabo/Nambo/Nambu; Nederland/Nederlant; Nipon/Nippon; | + | Ochots/Ochotsk/Ockots; Ongeluckich/Ongeluckigh eiland; Oost- | + | wilden/Oostwilden; Rakkosima/Rakosima; Rookhoeck/Rookhoek; | + | Sachalin/Saghalin/Saghalin/Saghalien; Sana/Sjana; cabo Spiritus | + | Santo/caep Spiritus Santa; Sandtduynige/Santduynige hoeck; | + | Sendai/Sendaï; Seniavin/Seniawin; Sibots/Sibotsi/Sirots; | + | Siwokubi/Siwokuwi; Staetenlant/Statenlant/Staten-lant; Tacaptie/ | + | Tocaptie; Tadeisi/Tadeïsi; Taefelberch/Tafelberch; Takatsuga/ | + | Takatsuka; Tarnaten/Ternaten/Ternate; Tartaria/Tartarie/ | + | Tartarien/Tartarye/Tartariën/Tartaryen; Tato mosiri/Toto-mosiri/ | + | Toto mosiri; Tayouan/Tayoúan; Teneriffa/Teneriffe; Tokitaë/ | + | Tokitaï; Tsugar/Tsungar/Tsuyar/T’sungaar; West-Indien/West- | + | Indiën; Westhoeck/Westhoek; Zuidland/Zuydland/Zuytland; Zuyd-zee/| + | Zuydtzee/Zuydzee/Zuytzee. | + | - Persoonsnamen: Anthonio/Antonio van Diemen; Byleveld/Bylevelt; | + | Decain./Decais. (afkorting voor Jospeh Decaisne); Engelbert/ | + | Engelberth Kaempfer; Franchois/Franchoys Jacobsen; Fukutsi | + | Gensok/Kensok; Hendrick/Hendrik Schaep; Hendrick/Henrick/Henricq | + | Brouwer; Maerten/Marten/Maarten Gerritsz./Gerritz(.)/Gerritsen | + | (de) Vries/Fries/Uries; Mathys/Matthys Quast; Nicolaas/Nicolaes | + | Witsen; Pittavin/Pittavyn; Mamia Rinso/Rinsô/Rinzo; Sakusajemon/ | + | Saku Sajemon; Roelof Sieversz./Sievertsz./Siversz.; Fajasi Sifei/| + | Sivei. | + | - Dieren en planten: Enydris/Enydrys marina; Hokjok/Hokjuk; Irigo/ | + | Iriko; Jatsme-unagi/Jats’me-unagi; Otaria/Ottaria; Sithukari/ | + | Situkari; Taneibe/Tanneibe. | + | - Diversen: Tacoy/Takoy (vriend). | + | - De volgende woorden zijn zo verschillend dat geen sprake is van | + | inconsistenties, maar dat niet duidelijk is wat het juiste woord | + | is: Bussanobori/Fussanobori (Croonbergh); Eroen/Groen (Z.O. hoek | + | van Jezo); Coutsiaer/Goutsiaer/Goutsioer. | + | - De transcriptie van de volgende woorden is verwarrend, hoewel het| + | om duidelijk verschillende dieren gaat: Hankatsjui/Hankkatsjui | + | (resp. mossel en libel); Jeppirika/Jeppirka (resp. papegaaiduiker| + | en kraai). | + | | + | * Waar mogelijk zijn onduidelijkheden geverifiëerd met andere | + | bronnen. | + | | + | * Inhoudelijke opmerkingen: | + | - Pag. 49, dag f 14: windrichting O. ½ W. lijkt onwaarschijnlijk. | + | - Pag. 120, dag d 12: Eso S.O.t.S. ⅓ S. zou ook ⅛ S. kunnen zijn | + | (onduidelijk in origineel). | + | - Pag. 204, dag d 1: windrichting W.O.W.; mogelijk zetfout voor | + | W.N.W. | + | - Pag. 295, voetnoot [63]: het aangehaalde werk gebruikt de naam | + | Komaga-Daki in plaats van Saddle. | + | - Pag. 302, voetnoot [71]: Artikel 4. l. mogelijk zetfout voor | + | Artikel 4. 1. | + | - Pag. 310, voetnoot [90]: titel van de Nederlandse uitgave: Mijne | + | lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners in 1812 en | + | 1813. (Let op andere jaartallen). | + | - Pag. 402-404, voetnoot [163]: er wordt gesuggereerd dat er | + | meerdere dieren met † gemerkt zijn, maar in de lijst komt er | + | slechts één voor. Verwijzingen naar de Fauna Japonica zijn | + | gestandaardiseerd als F. J. | + | - Pag. 413: een eetbare zeekwallen; waarschijnlijk ontbreekt hier | + | een woord (bijv. soort). | + | - De titel van het diverse malen onder verschillende titels | + | geciteerde boek van Witsen is: Noord en Oost Tartaryen: | + | behelzende eene beschrijving van verscheidene tartersche en | + | nabuurige gewesten, in de noorder en oostelykste deelen van Aziën| + | en Europa; enz. | + | | + | * Aangebrachte veranderingen ten opzichte van de originele tekst: | + | - De inhoudsopgave is voor deze tekst gemaakt, en komt niet voor in| + | het originele werk. | + | - De tabellen zijn herschikt en/of gesplitst om in de beperkte | + | breedte te passen. | + | - Het Journael van de Maent April (de tabel vanaf pag. 218) is voor| + | de duidelijkheid en de leesbaarheid als volgt aangepast: de | + | dagcode/datum is verplaatst naar de eerste rij die betrekking | + | heeft op de betreffende dag/datum (in het origineel staat deze | + | vaak op de laatste rij); iedere regel is op een eigen rij gezet | + | (in het origineel zijn sommige rijen in elkaar geschoven). | + | - Op verschillende plaatsen zijn leestekens (punten, komma’s, | + | aanhalingstekens, puntkomma’s) stilzwijgend gecorrigeerd waar dit| + | overduidelijk nodig was. | + | - Er zijn twee soorten voetnoten: “echte” voetnoten [1], [2], enz.,| + | die direct onder de alinea waarop ze betrekking hebben zijn | + | verzameld, en voetnoten [A13], [A14], enz., die verwijzen naar de| + | Aanteekeningen. De voetnoten 1 t/m 13 (ook verwijzingen naar de | + | Aanteekeningen) zijn als reguliere voetnoten in het originele | + | werk opgenomen, en hier ook als zodanig weergegeven; wel zijn ze | + | in deze tekst anders gegroepeerd dan in het origineel. | + | - Uit windrichtingen en de meeste andere afkortingen zijn spaties | + | en regeleinden verwijderd voor de consistentie (bijvoorbeeld: | + | S.O. t.S. is veranderd in S.O.t.S.). | + | - Pag. 237-240: in het originele werk komt na pag. 237 pag. 240; de| + | tekst loopt gewoon door. Dit is een fout in de paginanummering, | + | er ontbreken geen pagina’s. De nummering is niet aangepast voor | + | deze tekst. | + | - Pag. 279: twee voetnoten met hetzelfde nummer, één voetnootanker.| + | Beide voetnoten samengevoegd (Troisième voyage ... en Narrative | + | of the expedition ...) tot één voetnoot. | + | - Pag. 313: twee voetnoten, één verwijzing. Verwijzing naar | + | voetnoot [94] ingevoegd op wat de juiste plaats lijkt. | + | - Pag. 416 e.v. (plantenlijst): formattering gestandaardiseerd; | + | F.J. veranderd in F. J. voor consistentie. | + | - Page 441: laatste cijfer van sommige prijzen onduidelijk, meest | + | waarschijnlijke cijfer gebruikt. | + | - Overige veranderingen (afgezien van de “Verbeteringen”): | + | | + | Pag./ Origineel Verandering | + |voetn. | + | ---- ---------------------- ------------------------------------ | + | omslag INDIë INDIË | + | motto methodes méthodes | + | 2 Zie noot 3 Zie noot 34 (aangepast aan nummering | + | in deze tekst) | + | 5 Conmandeur Commandeur | + | 11 Frachoys Franchoys (zoals elders) | + | 18 egeene geene | + | 28 gesehieden geschieden | + | 39 bedoven bedolven | + | 41 vadeem vaedem | + | 52 weyuich weynich | + | 56 7. a 7. | + | 56 middachs middachts (zoals elders) | + | 60 Bosso Bosho (zoals elders) | + | 65 Westelyckte Westelyckste | + | 66 van van van | + | 82 6. c 6. | + | 101 mensehen menschen | + | 105 47 g. 47 gr. (zoals elders) | + | 108 c 2. a 2. | + | 143 houte houte tralys houte tralys | + | 150 robben-ende beeren robben- ende beeren vellen | + | vellen | + | 170 dagenconden dagen conden | + | 179 schencken, Waerop schencken, waerop | + | 194 e 10. c 10. | + | 197 35 min. 51 min. 35 gr. 51 min. | + | 207 25 m in in 25 m. in | + | 215 maeekten maeckten | + | 215 slegen sloegen | + | 217 17_{de} 17^{de} | + | 234 linkerkant ontbreekt (1 teken), aangevuld op basis van tekst| + | 248 gereacken geraecken | + | 249 Deeember December | + | 252 hunen cours hunnen cours | + | 255 Gonverneur-Generaal Gouverneur-Generaal | + | 261 Erklägrung Erklärung | + | 261 nnd und | + | 266, Aant. 1: von vom | + | 267 (135° 55′ O. v. Gr.) (135° 55′ O. v. Gr.) bepaald). | + | 267 bepaald. (sluithaak toegevoegd) | + | 267 hevond bevond | + | 269 Beechy Beechey | + | 270 Arrow-Smith Arrowsmith | + | 279 Firotatsi Firatatsi (zoals elders) | + |[57] Hanks Hawks | + | 274 Ootober October | + | 279 veet plaetsen veel plaetsen | + | 284 Kaap _de Kennis_ _Kaap de Kennis_ (zoals eerder op die| + | pag.) | + | 284 eehter echter | + | 288 jezo Jezo | + | 291 vtacke vlacke | + | 291 Tane isti Tane itsi (zoals elders) | + | 292 plat point flat point | + |[63] Wm.jL. Maury Wm. L. Maury | + |[63] Ster for Steer for } verkeerd overgenomen | + |[63] westwards westward } uit het aangehaalde | + |[63] knop knob } werk | + | 298 erhandelingen verhandelingen | + | 300 Sausajemon Sakusajemon (zoals elders) | + |[73] Bironi Beroni (zoals elders) | + | 304 Broughthon Broughton (zoals elders) | + | 304 mannuscriptorum manuscriptorum | + |304/305 afsluitende _ verplaatst van na Manshooft tot na 3 mijlen | + | van ons. | + | 305 vou Krusenstern von Krusenstern | + |[78] Jszono Jezono | + | 308 rot, srn rotsen | + | 308 strekkiug strekking | + |[89] N^{o}. 1. Deszelfs uit schuingedrukt gehaald | + |[90] Russisch gecorrigeerd (hoofdletters, spelling) volgens | + | titelpagina van genoemd boek | + | 311 145 9′ 145° 9′ | + | 317 44° 29 44° 29′ | + | 317 Laperouse Lapérouse (in voetnoten [97] en [98])| + | 322 Rond the crater Round the crater | + | 322 very. low down very low down | + | 322 TsjTsja Tsjatsja (zoals elders) | + |[101] Dawidon Dawidow (zoals elders) | + | 329 Compagnie eiland. Compagnie eiland). (sluithaak toege- | + | voegd) | + | 332 Bernicet Bernizet | + | 333 Laperouse Lapérouse | + | 334 Aino’ Aino’s | + | 334 Guilbert Guibert | + | 337 daerde claerde | + | 340 eersts mededeelingen eerste mededeelingen | + | 342 Wojakulsi Wojakutsi (zoals elders) | + | 346 ver toont vertoont | + | 347 Th. 11 Th. II | + | 349 Nadesdha Nadeshda (zoals elders) | + | 349 oosprong oorsprong | + | 350 hydrograph hydrograaph | + | 351 russissche russische | + |[119] Tb. II Th. II | + | 356 formidolasa formidolosa | + | 359 eeenige eenige | + | 367 berkenbaast berkenbast (zoals elders) | + | 371 hebkende weijnigh hebbende weijnigh | + | 377 Awawi Awabi | + | 377 Heliotis Haliotis | + | 380 Ainos-stam Aino-stam (zoals elders) | + | 381 patriaches patriarches | + | 381 naturlichen natürlichen | + | 383 Titingh Titsingh | + | 383 Description Descriptions } zoals echte titel van | + | 383 traduits traduites } aangehaalde publicatie| + | 402 afteekenigen afteekeningen | + | 403 Antilope crispa’ Antilope crispa | + | 410 zelzame zeldzame | + | 411 F. F. J. | + | 411 sanquinolentus sanguinolentus | + | 413 verzameld verzamelt | + | 413 peilen pijlen | + | 413 (Murikana (Aino (Murikana Aino (openingshaak ver- | + | wijderd) | + | 414 Kink’wako) Kink’wako (sluithaak verwijderd) | + | 414 prieren pieren | + | 416 bebben hebben | + | 419 Nymphaeaeeae Nymphaeaceae | + | 419 otie olie | + | 420 Turez. Turcz. | + | 421 Orctocrania Arctocrania | + | 426 Mosl Mose | + |[181] Bonnin Bonin (zoals elders) | + +--------------------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Reize van Maarten Gerritsz. Vries in +1643 naar het Noorden en Oosten van , by C. J. Coen and P. F. von Siebold + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIZE VAN MAARTEN GERRITSZ. *** + +***** This file should be named 39146-0.txt or 39146-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/9/1/4/39146/ + +Produced by Harry Lamé, André Engels and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This +book was produced from scanned images of public domain +material from the Google Print project.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
