summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/39039-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '39039-8.txt')
-rw-r--r--39039-8.txt2784
1 files changed, 2784 insertions, 0 deletions
diff --git a/39039-8.txt b/39039-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..0780622
--- /dev/null
+++ b/39039-8.txt
@@ -0,0 +1,2784 @@
+The Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by
+Joseph Charles Philpot
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?
+ zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten
+ predikant en den heer Easterman met een antwoord op die
+ gewichtige vraag
+
+Author: Joseph Charles Philpot
+
+Translator: W Rs
+
+Release Date: March 3, 2012 [EBook #39039]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot |
+ | is verplaatst naar het eind van het gedicht. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als |
+ | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ WAT IS HET
+ Dat eene Zondaar zaligmaakt?
+
+ Zamenspraak tusschen een Kappersknecht,
+ Methodisten predikant en den Heer Easterman
+
+ MET EEN
+
+ ANTWOORD OP DIE GEWICHTIGE VRAAG
+
+ van den WelEerw. Heer
+
+ #J. C. PHILPOT#,
+
+ waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten,
+ en daartegen over die van vrije, souvereine genade
+ in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste
+ van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd.
+
+
+ _Naar den derden Engelschen druk._
+
+ Vertaald door #W. Rs.#
+
+ Met een voorwoord van den vertaler, bevattende
+ zijn bijzonder doel met de uitgave.
+
+
+ L. DORSMAN.--ROTTERDAM.
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1½ jaar geleden, licht
+in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de
+meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de
+godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar
+geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer
+letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur
+kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van
+alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en
+zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd
+mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de
+waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te
+zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in
+zichzelf.
+
+Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere
+blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook
+moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke
+onkunde voortgesproten.--Onder anderen herinner ik mij eenen strijd
+voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door
+het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de
+Bazuin.--Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij
+dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden
+ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne
+bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer
+van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing,
+roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars,
+door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon.
+
+Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging
+openlijk uit te spreken;--doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen
+den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik
+tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de
+godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap
+ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door
+misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de
+ellendigen en nooddruftigen te bedroeven.
+
+Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend
+geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende
+overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist
+om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit
+werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen
+en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne
+hand.
+
+Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan één oogmerk te kunnen
+bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite
+stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H.
+Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken,
+die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve
+ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter
+vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm
+in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid
+en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen
+verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije,
+souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar
+integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest
+wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen
+terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan,
+dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels
+roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit
+volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij
+niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal
+den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde
+dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij
+kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid
+enz., het koningrijk Gods niet ingaan.
+
+En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van
+genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun
+heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet
+zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) "Zoovelen Hem
+aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden,"
+maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt:
+"_namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede,
+noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God
+geboren zijn_," opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vóór
+de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.--Mogten vooral de
+zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften
+onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen!
+
+ DE VERTALER.
+
+
+
+
+ I.
+
+ ~#Zamenspraak#~
+
+ OVER DE VRAAG:
+
+ #Wat is de oorzaak van de
+ Zaligheid des Menschen?#
+
+
+
+
+VOORREDE
+
+
+ Waarde Vrienden!
+
+Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had
+opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet
+komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt?
+Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen
+mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden,
+en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel
+zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks
+gedaan hebben.--Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid
+ontvangen en behartigd worden door
+
+ Uwen zeer verpligten Dienaar
+
+ Een Kappersknecht.
+
+
+
+
+ZAMENSPRAAK.
+
+
+~De Kappersknecht.~ Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn
+beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.--Spoedig daarop kwam de
+heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen
+hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te
+wachten op mijns meesters terugkomst.--Even daarna kwam een Methodisten
+predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus
+aansprak:
+
+~De Predikant.~ Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat
+uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt
+uit!
+
+~De K.~ Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen
+morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid
+had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is
+waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij
+weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij
+zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken
+vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij
+zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen,
+om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te
+wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen,
+daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe
+hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig
+onderrigt te geven?
+
+~De Pred.~ Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen
+onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,--maar ik ben
+eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst
+verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om
+over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door
+zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en
+inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op
+u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden.
+Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de
+andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt,
+om van mij onderwijs te behoeven.
+
+~De K.~ Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet
+altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het
+oude spreekwoord blijft waar: "zoo lang wij leven moeten wij leeren".
+
+~De Pred.~ Gij hebt gelijk;--ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet
+ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat
+gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten?
+
+~De K.~ Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te
+zijn: _Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf
+bevrijdt?_
+
+~De Pred.~ Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet
+onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet
+ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele
+zaken, met elkander vereenigd.
+
+~De K.~ Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of
+twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd
+in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om
+uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn.
+
+~De Pred.~ Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig
+mijne gedachten over zeggen.
+
+~De K.~ Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat
+de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is,
+van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den
+mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten
+eeuwigen leven?
+
+~De Pred.~ Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde
+de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen
+uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.--Maar
+wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk
+beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet
+alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien
+overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: "als de kinderen nog
+niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het
+voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve," moet dat niet
+verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden
+en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van
+eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der
+zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij
+al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de
+verdoemenis.--Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen
+van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley,
+Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig
+betwist wordt.--Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den
+onloochenbaren standaard der waarheid te zijn.
+
+~De K.~ Goed, hierin versta ik u zeer wel.--Maar zijn er niet eenigen,
+die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig
+worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn
+en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een
+voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen
+de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.--Hij zag
+hen later de voorwaarden verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst ten
+leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en
+verworpen?
+
+~De Pred.~ Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken,
+dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig
+zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen
+en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn
+"opregt geloof" zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne
+gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook
+voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij
+hen.--Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode,
+volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien
+kan.--Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is
+verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden.
+
+~De K.~ Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de
+verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is?
+
+~De Pred.~ Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven
+op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de
+bevrijding des menschen van de zonde.
+
+~De K.~ En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven,
+dood en opstanding?
+
+~De Pred.~ Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle
+ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den
+boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God
+gebragt. "Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed." Dit is de taal der
+Schrift over het einde der verlossing.
+
+~De K.~ En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die
+verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom?
+
+~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk individu van het menschelijk geslacht.
+"Hij gaf zich zelven voor allen," "was een rantsoen voor allen,"
+"stierf voor de zonden der geheele wereld," "smaakte den dood voor
+alle menschen," enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo
+enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van
+het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat
+Hij voor allen te gelijk stierf.
+
+~De K.~ Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij
+dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is:
+_hoe een zondaar gezaligd wordt?_ Indien Christus voor allen stierf, hen
+van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt,
+dan is dit zeker _de verlossing door Christus_ en regtens zullen alle
+menschen zalig worden.
+
+~De Pred.~ Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver.
+Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten,
+de ~voorwaarden~ die door den mensch moeten volbragt worden om de
+verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in
+zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen
+God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid
+door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet
+toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen
+u ten gids zijn.
+
+~De K.~ Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om
+de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen
+dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij
+mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het
+kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor
+allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen
+geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden
+volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon
+zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken.
+Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden?
+
+~De Pred~. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door
+hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne
+verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door
+het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen
+veelvoudig vermeerderen.
+
+~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks
+te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren
+zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen
+zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als
+wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende
+als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de
+Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet
+ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus
+voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch
+zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden
+gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus
+dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis
+voortbrengt.
+
+~De Pred~. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte
+voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig
+worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben
+willen hooren?
+
+~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij
+herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe
+gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods.
+
+~De Pred~. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering.
+
+~De K.~ En waardoor roept Hij de menschen daartoe?
+
+~De Pred~. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of
+andere wijze geeft om winst mede te doen.
+
+~De K.~ En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen
+in staat stelt om de geboden Gods te betrachten?
+
+~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben
+genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden
+gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade
+ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen
+verharden zich en blijven in hunne zonden.
+
+~De K.~ En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade
+om hunne zielen te behouden?
+
+~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt
+geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle
+hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke
+zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden.
+
+~De K.~ Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten,
+de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.--En indien zij al
+deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn
+het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik
+zalig worden.
+
+~De Pred.~ Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken
+deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het
+andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij
+ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden
+ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne
+aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren
+weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren.
+
+~De K.~ Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en
+twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik
+bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien
+kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid
+ligt, Mijnheer ~Easterman~, gij zijt tot hiertoe stil geweest,
+ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij
+zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen?
+
+~De heer E.~ Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw
+gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die
+zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de
+predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar
+zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des
+menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede
+wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij
+ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten
+verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing
+is.
+
+~De K.~ Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó
+zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind
+waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand
+ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren.
+
+~De heer E.~ Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en
+ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing
+door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle
+menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den
+vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk
+verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing
+ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch
+ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het,
+indien niet, hij mist het.
+
+~De K.~ Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars
+zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de
+middelen, die Hij heeft voorgeschreven?
+
+~De heer E.~ Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want
+hij zegt, God roept _alle_ menschen, en eenigen, wanneer zij hooren,
+gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van
+God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets.
+
+In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval
+is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen
+die hooren en gehoorzamen.
+
+~De K.~ Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen
+wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest
+des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in één woord:
+zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht
+des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de
+vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak
+der zaligheid zijn.
+
+~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt
+hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods
+staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij
+den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het
+goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus
+deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo
+dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het
+goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,--alles
+wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,--al wat God de Geest
+gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,--en de volbrenging der
+voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen,
+want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden
+doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de
+zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: "Bij mij is het
+niet."
+
+~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want
+waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in
+eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen
+Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven;
+en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet,
+want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot
+de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder
+boven den Zoon achten?--Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien
+van de heiligen zal ik mij wenden?
+
+~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen
+vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter
+bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch
+hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer
+dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer
+God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op
+de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus
+verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of
+de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des
+vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil
+des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt,
+benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des
+vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet
+gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien
+tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches.
+
+~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van
+ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des
+vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren
+dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen
+kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het
+licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: "dat
+een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een
+ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch
+verrigten." En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel
+van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden,
+maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee
+talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God
+hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet,
+zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de
+bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt.
+
+~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den
+kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost;
+maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het
+volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches
+zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo
+zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want
+gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde
+wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft
+hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de
+roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die
+men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest
+Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade
+in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een
+schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de
+verdoemenis.
+
+En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging,
+want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst
+mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij
+zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om
+den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden,
+ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad
+zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent
+moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u
+of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het
+talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is,
+slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het
+talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt
+het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij;
+doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en
+niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet
+toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches
+vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op
+aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor
+u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost,
+dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet?
+
+~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de
+zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons
+zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen
+der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling
+der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles
+gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen
+worden.
+
+~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de
+wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb,
+en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën
+met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen
+en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem
+behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven
+tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen,
+te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen
+schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid
+voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor,
+moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen,
+dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en
+een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het
+iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon
+velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen
+zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat
+een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en
+gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des
+geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en
+verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de
+taal der wijze maagden tot de dwazen: "Niet alzoo, opdat er misschien
+voor ons en voor u niet genoeg zij," want ik heb niet meer genade dan
+om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt
+zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade
+te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het
+alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem
+zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen
+troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven?
+Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en
+zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten?
+En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: "die man is
+een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het
+begeert, heeft hij niets om te geven." Laat mij u raden, uwe spotternij
+te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die
+het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch
+u de eer geven over iets te beschikken.--Neen; het is Zijne eigen regt
+en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne
+genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt.
+
+~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een
+Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens,
+die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid
+is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den
+grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of
+iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij
+prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en
+gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven,
+prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen
+vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen
+in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen
+ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen.
+
+~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer
+van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele
+pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik
+ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen
+van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in
+andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is
+niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch
+Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere
+Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.--Ik schaam mij niet te
+bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde,
+vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten
+Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden
+worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: "Indien zij het regt
+hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben," zoo algemeen in de monden
+der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt
+voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien
+God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig
+kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen
+niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat
+engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch
+de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft
+den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade
+vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet
+verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot
+een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij
+zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij
+het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog
+toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch
+gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in
+Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot
+God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te
+bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen
+wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne
+zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene
+zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: "de
+vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven," en
+de vrouw: "die slang heeft mij bedrogen" enz. Maar wij hooren geen van
+beiden zeggen: "Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en
+tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar
+daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te
+vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn." Tot zulk eene
+diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David;
+toen zeide Abisai tot David: "Laat mij toch overgaan en zijnen kop
+wegnemen." "Neen," zegt David, "de Heere heeft toch tot hem gezegd:
+vloek David." Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren
+gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo
+mogt hij geantwoord hebben: "God besloot mij toe te laten om David te
+vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God
+bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt,
+kan ik geen onregt doen in de uitvoering." Doch wij lezen niet dat Simeï
+zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen.
+De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden,
+zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood,
+naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods
+hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide
+Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden
+van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden:
+"Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben,
+deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon
+niet uitgevoerd zijn." Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie
+tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt
+werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering
+zijn gekomen om te zeggen: "Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen
+ongelijk hebben." Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God
+ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten,
+om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze
+geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij
+invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te
+hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de
+Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te
+misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als
+waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden,
+de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het
+ongelijk te zijn, "van welke het einde zal zijn naar hunne werken!" Wij
+gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne
+eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen
+bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door
+welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen
+zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God
+niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het
+ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot
+het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds
+verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden
+of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en
+dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het
+onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde
+dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen
+bevonden worden.
+
+Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik
+zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het
+voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij
+moet weten wat gij gelooft. Maar "o mensch! wie zijt gij, die tegen
+God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft,
+zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?"
+
+~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer
+broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij
+niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten
+Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen,
+want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade
+zal behouden, zult gij zeggen: "Indien God mij hebben wil, zal Hij mij
+wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik
+ook doe." Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den
+mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte
+harten hebt.
+
+~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles
+werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een
+gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch
+af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof
+te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet,
+en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal
+komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de
+aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat,
+wanneer Hij henen zou gegaan zijn,--Hij wederkomen zou en hen tot
+zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij
+in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond
+en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons
+voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe
+roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan
+medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen!
+En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en
+Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in
+onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest,
+ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te
+verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen
+zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch
+geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij
+uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar
+zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt
+de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen
+kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst
+kunnen slaan en uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" of "Red
+ons Heere! wij vergaan!" Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde
+aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in
+hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: "Laat ons het kwade doen,
+opdat het goede daaruit voortkome." Wij verheugen ons gerangschikt te
+worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij
+onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn
+geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door
+denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in
+zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk
+deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van
+den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen
+zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden
+van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt
+eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat
+zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate
+verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart.
+Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant
+der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat
+ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is
+ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig.
+Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd
+worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der
+waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag
+zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den
+weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze
+zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want
+wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont.
+
+~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook
+de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen
+stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne
+woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van
+Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar
+welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen?
+
+~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed,
+geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is
+althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe
+stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want
+gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet
+uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus
+alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de
+voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij
+gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen.
+Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en
+eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten,
+gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met
+God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder
+onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan
+onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des
+zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen,
+want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden;
+niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle
+menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de
+roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij
+zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het
+geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal
+verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze
+dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden.
+En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des
+vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude
+verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat
+dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken?
+
+~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij
+thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept.
+
+
+
+
+ II.
+
+ EEN ANTWOORD
+
+ OP DE
+
+ ~GEWICHTIGE VRAAG~:
+
+ #Wat is het,
+ dat eene zondaar zalig maakt?#
+
+ DOOR
+
+ #J. C. PHILPOT.#
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld:
+"Zamenspraak enz.," ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een
+antwoord te geven op de gewigtige vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig
+maakt?" welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige
+bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al
+schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam
+en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in
+het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de
+verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er
+mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het
+vereischte, wat ik niet kon leveren,--bladzijden uit het leven en de
+bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften
+van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden
+verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind,
+ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten
+Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de
+letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der
+genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er
+al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen,
+die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij
+eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog
+ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die
+uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat "de
+wijsheid met hen sterven zoude," (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God
+in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken.
+Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën,
+bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere
+uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud
+en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich
+bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden
+als bewijzen van genade opbouwen óf aan de andere hand eene algemeene
+haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de
+in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het
+onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere,
+diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt
+betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan,
+zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat
+hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd.
+Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van
+hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die
+of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden
+bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging
+in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de
+letter-Calvinisten dezer dagen.
+
+Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor
+zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen
+en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de
+bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze
+nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van
+vrienden komen. De vraag scheen te zijn: "Zijt gij een Arminiaan of een
+Calvinist?" indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste
+een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van
+levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat
+zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten
+dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende
+godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de
+schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik
+mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam,
+te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste
+bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens
+mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking
+mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden
+zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het
+geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te
+vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen,
+met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze
+zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen
+overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men
+kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan.
+
+ J. C. PHILPOT.
+
+
+
+
+WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT?
+
+
+Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen,
+op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en
+de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden,
+die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende
+oordeel,--wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende
+ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de
+alles omvattende vraag: "Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?"
+(Job. 9 vs. 2).
+
+Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder
+twee hoofdpunten beschouwen. 1º. De zaligheid beschouwd als eene daad
+buiten ons; 2º. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de
+eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden
+voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de
+Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah,
+mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien,
+"om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen
+leugen is." (1 Joh. 2 vs. 27).
+
+1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene
+handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad
+voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van
+het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren
+ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering
+van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart
+van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de
+wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan
+ten uitvoer brengen.
+
+Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed
+oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal,
+geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen
+verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan
+van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van
+het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste
+Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en
+het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk
+machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die
+voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best
+ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag
+zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring
+te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens
+eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar.
+In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in
+twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst
+magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben,
+evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben?
+Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en
+zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de
+magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot
+en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed
+overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren,
+geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven
+om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche
+katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf
+bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder
+spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En
+toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den
+alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in
+het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke,
+indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk
+zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare
+uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene
+woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden.
+
+Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet
+naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder
+zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in
+twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet "naar den
+raad van zijnen eigen wil," zoo is het duidelijk dat de zaligheid of
+verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen.
+Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven
+kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een
+deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de
+beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen
+zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen
+bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt,
+maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de
+onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed
+geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman,
+een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit
+rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft
+hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het
+werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is
+gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk
+van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die
+loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk
+deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het
+voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid
+van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen
+en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van
+ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen,
+dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed
+mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en
+elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet
+begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de
+grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van
+dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt
+dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt
+af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons
+naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen
+zijn, zullen wij het doen van het geheel.
+
+1º. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van
+de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar
+zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring
+daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De
+oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den
+kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke
+Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te
+openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom
+tot dezelfde bron worden opgespoord. "Tot prijs _der heerlijkheid zijner
+genade_," zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), "door welke Hij ons begenadigd
+heeft in den Geliefde," en wederom vers 12: "opdat wij zouden zijn tot
+prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En
+opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten
+der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid,"
+(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des
+menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en
+bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid
+bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het
+daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen,
+die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand
+konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten,
+bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar
+dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij
+zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En
+indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en
+te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen
+erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de
+teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het
+ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap
+verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd
+kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit
+deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der
+aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons
+teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen
+voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle
+dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij
+zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid
+aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude
+toekennen.
+
+2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als
+een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene
+opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan
+heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in
+eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne
+eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid
+en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig
+gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger
+noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede
+beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak
+verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke
+onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen
+in zich behelst.
+
+_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah
+volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur
+zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde
+is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn,
+gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward,
+vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te
+zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in
+spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft,
+die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt,
+schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt
+gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke
+liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en
+hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart
+innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij
+evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de
+onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee
+voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte.
+Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid
+afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen
+met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot
+de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van
+omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en
+ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en
+indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt.
+Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt
+lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan
+alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt
+ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze
+haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of
+kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit
+komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen
+beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen
+kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet
+eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk
+gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en
+verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien
+eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig
+gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak
+van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat
+ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal
+de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij
+altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen
+de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt,
+in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief
+heeft.
+
+3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden.
+Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het
+betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar
+betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door
+uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid,
+even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de
+andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de
+uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij
+doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij
+ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard
+meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_
+daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de
+liefde van Christus; "Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven
+voor haar overgegeven." (Eph. 5: 25). "Die mij lief gehad heeft," zegt
+Paulus, "en zich zelven voor mij overgegeven heeft." (Gal. 2: 20).
+"Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons
+gesteld heeft." (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van
+liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt
+en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het
+uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter
+dan de beweegreden.
+
+Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het
+de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd
+door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt
+zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en
+toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den
+veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch?
+Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij
+een enkel grasscheutje doen groeijen, één haar wit of zwart maken? Is de
+medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen?
+Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels
+werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen
+ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd
+worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing
+algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand
+verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf,
+zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was
+te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open.
+Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief,
+had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te
+bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden
+te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten
+hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak--en na dit alles kan Hij
+hen niet verlossen,--na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke
+betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed,
+sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus
+wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid?
+Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij
+alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen
+Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan?
+Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat
+eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het
+uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des
+menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat
+Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des
+ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden
+van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee
+verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de
+zeven vervloekte volken van Canaän en van allen die in den algemeenen
+zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd
+hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het
+kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de
+verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden
+der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren
+magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) "dat de zoodanigen zijn
+voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs,"
+Paulus zegt: "dat zij vernield zijn van den verderver." (1 Cor. 10 vs.
+10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor
+deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn,
+er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn
+dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de
+verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie
+Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de
+algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten
+gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken
+zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste
+voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn,
+die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan.
+En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen
+zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan
+zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel
+heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus
+behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen,
+als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten
+hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen
+van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien
+Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang
+ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul, Achitofel, Doëg,
+Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods,
+zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus
+voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is
+eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder.
+
+Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat
+Christus "zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd
+overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn
+eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf"; en
+de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam
+op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op de borst des
+Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat
+Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen
+Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en
+ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning,
+voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in
+ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de
+zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en
+onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der
+menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame
+Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren.
+
+4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog
+zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God,
+zijnde tot allen en over allen, die gelooven.
+
+De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid,
+kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn.
+Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch
+wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo
+moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in
+alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan
+is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of
+voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven.
+Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle
+menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor
+God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks
+(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel
+het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de
+bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_
+de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan
+moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden
+voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen
+is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes.
+45 vs. 25).
+
+2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad,
+als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke
+overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen
+aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen
+hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk
+de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den
+boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend
+voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de
+voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen
+wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.
+
+En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht
+_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk
+en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene
+werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam
+wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom
+was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.
+
+God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame
+stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige
+wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van
+uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid.
+"Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in
+alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne
+bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen
+die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden
+vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die
+weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst
+hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de
+ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft
+hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en
+eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke
+verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde
+en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn.
+En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar
+jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen
+noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden
+wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam,
+zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking
+noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en
+krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent
+de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de
+natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd.
+Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker
+geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd
+worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden.
+Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in
+wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend;
+vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij
+haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver
+verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid,
+vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en
+onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan
+alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene
+uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van
+wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de
+gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk
+bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig
+bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van
+inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het
+land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke
+natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman
+kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13:
+23).
+
+Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk
+is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te
+vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne
+geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te
+bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering
+te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur,
+door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke
+liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke
+godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren
+verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek
+inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft
+eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en
+in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en
+blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich
+dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen,
+om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor
+de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid,
+eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen,
+verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering,
+wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een
+kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor
+het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor
+besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor
+eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar
+na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de
+stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur,
+even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood,
+even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het
+koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur
+te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken,
+te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag.
+Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden
+gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit
+het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken
+van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan
+eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende
+godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft
+oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij
+tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door
+hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist,
+Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede
+werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En
+de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt,
+dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is
+goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele."
+(Jes. 41: 6, 7.)
+
+Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van
+leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van
+ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek
+des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid,
+godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het
+Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en
+heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden
+wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in
+goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen
+van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte
+en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God
+is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en
+zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij
+rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som
+gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en
+dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg
+gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk
+gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens
+het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen.
+Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij
+moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding,
+gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept
+worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne
+ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt
+om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware
+er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de
+voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij
+bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt
+zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij
+dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne
+bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte
+waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo
+als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt
+"bekeering en besliste vroomheid" genoemd, terwijl er in de ziel van den
+armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof
+of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd
+verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel;
+Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel
+niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij
+neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament
+van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een
+verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk
+hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een
+steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te
+bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder
+te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout
+naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den
+anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig
+God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil
+geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap
+op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach.
+3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen
+bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór
+rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der
+heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen,
+en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder
+de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen
+met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en
+eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen
+uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet
+in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan
+als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag
+beantwoorden: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?", zoo moeten wij
+vooraf wel verstaan, dat het woord "zaligmaken" in zich bevat, een
+voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene
+ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande
+verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van
+dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk
+toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als
+eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid,
+eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit
+zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt,
+stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene
+bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat
+men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het
+gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging
+van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne
+ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen
+den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van
+een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige
+waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die
+belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. "Ga naar Christus;
+zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen
+wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij;
+wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat
+der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe
+kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat
+alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in
+verootmoediging;" deze en dergelijke vermaningen worden van duizende
+kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid.
+Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende
+overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere
+uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid,
+de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze
+inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden,
+worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze
+dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op
+gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel
+verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet
+worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden
+noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en
+predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom
+van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige
+ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt;
+of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun
+in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van
+de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige
+vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en
+dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in
+gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard
+der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk
+der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan
+verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder
+zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor
+hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij
+ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij
+trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen
+welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken
+over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld,
+de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven
+en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende
+hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de
+oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid,
+en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel?
+Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden
+van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld,
+opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en
+hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende
+en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze,
+hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk
+bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren
+last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van
+ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en
+hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten,
+vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en
+al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch
+hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne
+prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de
+verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt
+dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost
+te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn.
+Daarom, indien iemand mij vraagt: "Wat is het dat eene ziel zalig
+maakt?" antwoord ik: "Waarom doet gij mij die vraag?" Vòòr men iets van
+verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien
+gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij
+mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog
+lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord
+op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te
+scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is,
+dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene
+andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag
+niet antwoorden.
+
+De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat
+de hand van een Drieëenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is
+een legaat, eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige
+wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene beërving
+van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot
+eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven,
+de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen
+gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de
+tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift
+altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van
+"het wijf des Lams" en "de bruiloft des Lams", zoo wordt de kerk gezegd
+"tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen van gouden
+borduursel," gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader
+tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van
+"ondertrouw" welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging.
+"Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw,"
+(Jer. 2: 2); "ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan
+éénen man voor te stellen, namelijk Christus." (2 Cor. 11: 2). Zoo was
+Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1:
+18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene
+onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde
+zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene
+overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien
+zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in
+zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De
+deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit
+gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven
+en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; "Ik zal u mij
+ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en
+in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij
+zult den Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid
+beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in
+_verledene_, _tegenwoordige_ en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_
+zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des
+Lama, van voor de grondlegging der wereld. _Tegenwoordige_ zaligheid
+bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar
+ondertrouwt. En _toekomende_ zaligheid bestaat in de eeuwige genieting
+van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van
+Christus zullen aanzitten en altijd met den Heere zullen zijn. Gelijk
+nu niemand de _toekomende_ zaligheid zal genieten, die geen deel heeft
+in de _verledene_ zaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit
+met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is
+geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand
+de _toekomende_ zaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot
+van de _tegenwoordige_ zaligheid;--met andere woorden, niemand zal voor
+eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet
+ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de
+gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid
+een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: "Ontvang dit
+stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw
+zult worden." En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze
+ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst
+zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel
+door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot
+dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus
+hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer
+was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het
+hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tweeën scheurt van boven tot
+beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als
+een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft
+Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene
+openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich
+hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De
+partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlinge liefde
+en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel,
+in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige
+beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde,
+hebben plaats tusschen de ziel en Hem. "Deze zal zeggen ik ben des
+Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met
+zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren." (Jes. 45: 5). In deze tijden
+"in den dag van des konings bruiloft," (Hoogl. 3: 11), is de taal der
+ziel. "Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne
+vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de
+liefde is zijne banier over mij." (Hoogl. 2: 3, 4). Alle leerstellingen,
+begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantiën en ceremoniën, bij gemis
+van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en
+als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden
+van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor
+de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het
+verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat
+is de eeuwige liefde van den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat eeuwige
+liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is
+de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in
+het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in
+den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods
+dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in
+mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te
+geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in
+de hel. Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke verlossing, toegerekende
+geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden
+keten van den troon Gods nedergelaten in de ziel; de schoonheid,
+heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken,
+verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de
+ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus
+alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle
+ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen
+van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten
+en tranen, alle bezwijkingen des harten, alle voorgevoel van den dood
+en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste
+zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in
+den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen
+van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een
+krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En
+wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben
+als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde,
+gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der
+hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist,
+of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch
+is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan
+het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van
+zijn gelaat. Iedere zaak van uitwendigen aard, wat meer is, de waarheid
+zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen
+gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof, wandelen in de
+ordinantiën, lange en standvastige belijdenis en alles van slechts
+uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet
+meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel
+regt op den hemel geven, dan den eed van een vloeker of de ontuchtige
+redenen eener hoer.
+
+Indien ons dan gevraagd wordt, "wat is het dat eene ziel zalig maakt?"
+antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij
+gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil,
+die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te
+stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht
+bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening,
+gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen;
+noch, in één woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van
+zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte
+des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging
+der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk
+geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te
+willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch
+lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid
+aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke
+godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen.
+Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in
+wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid,
+wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en
+hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en
+worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve
+of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen
+gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want "de
+luijaard begeert en heeft niet," noch in _tranen_ want "Ezau weende met
+een zeer groot en bitter geween," (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_,
+want "velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen," (Luk. 13:
+24), noch in _willen_ want "het is niet desgenen die wil," noch in
+_loopen_, "het is niet desgenen die loopt" en "in de loopbaan loopen
+allen, maar een alleen ontvangt den prijs." Ook bestaat de zaligheid
+niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan "de
+hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding," (Hebr.
+6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van
+Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in
+_natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in
+_natuurlijke hoop_, want daar is "de hoop des huichelaars die verdwijnen
+zal;" noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een "wandelen
+in de spranken van ons eigen vuur;" noch in _ijdel vertrouwen_, want
+"de zot is oploopende toornig en zorgeloos;" noch in het _spreken over
+de godsdienst_, want "een praatachtige dwaas zal vallen;" noch in _dat
+anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van
+Demas (Phillem. 24), "die de tegenwoordige wereld lief kreeg" (2 Tim. 4:
+10), noch daarín, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_,
+daar David "zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap
+wandelde ten huize Godes" (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de
+zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch,
+menschelijks en natuurlijks, want "het vleesch is niet nut" (Joh. 6:
+63), en "niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de
+kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus
+niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven
+voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch
+is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven
+geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger
+of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden,
+gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, "dat Hij barmhartig is,
+dien Hij barmhartig zijn wil" en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen
+behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne
+eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig
+en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend
+gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de
+voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieëenigen Jehovah. Hier
+is dan het antwoord op de vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?"
+1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader,
+in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God
+den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den
+Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als
+eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit
+is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze
+zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken
+toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de
+zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de
+ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende
+geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op
+de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden
+gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen
+Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder
+aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen
+der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich
+af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde,
+anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden
+gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg,
+en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den
+ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van
+wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch,
+anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen
+vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des
+satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam
+door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker
+gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en
+verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van
+gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen;
+eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de
+bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd
+en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods
+niet op hen ligt.
+
+Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan
+de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in
+dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene
+_bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker,
+eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld
+pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen
+bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen,
+ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen,
+zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen,
+verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne
+beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al
+hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld,
+veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord,
+al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos
+hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot
+dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid
+van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet
+geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden.
+
+Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier
+beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid,
+welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er
+voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing
+iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem
+zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond
+kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden
+wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de
+leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de
+ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren
+in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar
+zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. "Hunne tafel,"
+dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden
+te spijzigen, "worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle
+vergelding tot een' valstrik," (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste
+belijders, van "vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf
+zonder vrees." Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in,
+onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en
+een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters
+nu worden gezegd "de genade te veranderen in ontuchtigheid en den
+eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen,"
+dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke
+menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken
+tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen
+waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De
+stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen,
+en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver,
+zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare
+natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen,
+omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf
+uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen
+der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs
+natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld
+is, waar het woord des levens ontvangen wordt "in een eerlijk en goed
+hart" (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning
+van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn
+Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen
+der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door
+den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht
+voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze
+is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten,
+eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een
+keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije
+genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot
+opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis
+tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende
+tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht
+zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne
+kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht
+van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit
+eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke
+kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen
+uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke
+godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van
+onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden
+onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen,
+in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en
+nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_,
+die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich
+openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen
+over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn
+door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid,
+smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en
+van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet
+meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit
+wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking
+van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde
+en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God
+aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs
+weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige,
+bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en
+houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het
+om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing
+komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde
+tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en
+langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid,
+weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot
+_Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand,
+als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot
+de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en
+mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers
+van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers
+onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en
+ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot
+de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze
+harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot
+tijd bemoedigd hebben.
+
+Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de
+leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder
+eenigen twijfel voortbrengen.
+
+Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige
+zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van
+eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der
+waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk;
+algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de
+kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in
+nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één
+woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des
+Evangelies.
+
+Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de
+leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden
+Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven,
+genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne
+gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem
+te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang,
+flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem.
+
+En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke
+zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld
+op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre
+van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke
+vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening,
+uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en
+alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan
+bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom
+hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem,
+die een verteerend vuur is.
+
+ ~AMEN.~
+
+
+
+
+HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH.
+
+
+ O[1] God wat is het schoon en zoet,
+ Wanneer men uwen wille doet,
+ En van uw wegen niet en glijd,
+ Ter rechter noch ter linker zijd'.
+
+ Maar ach! wat is 't een zware last,
+ Dat ons de zond' zoo ligt verrast,
+ En brengt ons, buiten ons' vermoen.
+ Om tegen u gebod te doen.
+
+ Hoe zou mijn harte zijn verlicht,
+ Zoo mijnen weg mocht zijn gericht
+ Om te bewaren uwe Wet,
+ Die gij den mensch hebt ingezet!
+
+ Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn
+ Alzoo beschaamt niet langer zijn,
+ Wanneer ik zoude merken, maar
+ Op uw geboden allegaar.
+
+ Och! dat mij zoo de zonde boeid,
+ Dat ik niet vrij en ongemoeid
+ Hier loopen mag in mijne baan,
+ Ach dat ik moet zoo langzaam gaan!
+
+ Een oprecht willen tot het goed
+ Bevind ik wel in mijn gemoed,
+ Maar aan 't volbrengen mij het schort,
+ En daar in koom ik veel te kort.
+
+ Den ouden mensch noch in mij leefd,
+ Die mijnen geest steeds wederstreefd,
+ En doet mij zulk een groot geweld,
+ Dat ik niet weinig ben ontsteld.
+
+ Inwendig heb ik groot vermaak
+ In uwe Wet; maar (droeve zaak!)
+ 't Vleesch tegen mijnen geest zich kant,
+ En neemt ook somtijds d' overhand.
+
+ Het goede dat ik zeer bemin,
+ En garen wil met hart en zin,
+ Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad
+ Dat mijne ziel verfoeid en haat.
+
+ Och ik elendig droevig mensch!
+ Wie zal mij geven mijnen wensch,
+ Dat ik eens moge zijn bevrijd
+ Van dezen mijnen zwaren strijd!
+
+ O Jezus! gij die alles werkt,
+ En die verslagen harten sterkt;
+ Geeft dat den ouden mensch verhuist,
+ En laat mij zijn met u gekruist.
+
+ Want gij voor ons gestorven zijt,
+ Opdat wij zouden 't aller tijd
+ Der zonder lichaam doen te niet,
+ En niet meer volgen haar gebied.
+
+ Laat mij eens zeggen onbevreesd;
+ Nu leev' ik eenmaal na den geest,
+ Ik leve nu alzoo niet meer
+ Gelijk ik heb gedaan wel eer.
+
+ Maar Christus zelve leefd in mij,
+ Die maakt mij van de zonden vrij:
+ Is 't vleesch schoon niet volkomen dood.
+ Zoo vrees ik nochthans geenen nood.
+
+ 'k Heb Christum door 't geloof gevat,
+ Die mij heeft eeuwig lief gehad,
+ En voor mij door zijn dood voldaan:
+ Wat zal mij dan noch tegenstaan?
+
+ Hier op wil ik vertrouwen vast,
+ Tot dat ik van des lichaams last
+ Zal zijn verlost, en vleesch en bloed
+ Niet zal ontrusten mijn gemoed.
+
+ God heeft belooft met eige stem,
+ Dat in het nieuw Jeruzalem
+ Gerechtigheid haar wooning heeft,
+ En niets het welk ontuchtig leeft.
+
+ Daar zal ik doen, mijn God! en Heere!
+ Al wat ik wil, na mijn begeere;
+ Want ik en zal dan willen niet
+ Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied.
+
+ Och dat ik haast mocht komen daar!
+ Och dat doch haast verschenen waar
+ Die zal'ge lang gewenschte tijd!
+ Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd!
+
+ Hoe zullen wij U dienen Heere,
+ Wanneer geen vleesches zwakheid meer
+ Ons ooit kan brengen tot den val,
+ Noch zonden-strijd meer wezen zal!
+
+[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet,
+is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere
+voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer
+Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen
+volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de
+hoogste verlusting onzer zielen wezen.
+
+
+
+
+BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING.
+
+
+ Ik kom, O God! voor u belijden,
+ Mijn zwakheid, die aan allen zijden
+ Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt:
+ 't Zijn dikwijls heel geringe zaken,
+ Die mij mismoedig konnen maken
+ En mij bestormen met gewelt.
+
+ Ik stel mij voor, iets uit te werken,
+ En mij kloekmoedig te versterken,
+ Maar, als de minst aanvechting koomt,
+ Ben ik benauwt en gantsch verslagen;
+ En kan niet anders doen dan klagen,
+ Dat zoo mijn krachten zijn getoomt.
+
+ Och wat een strijd voel ik van binnen,
+ Wanneer ik mijn gemoed en zinnen
+ Tot u omhoog te heffen meen,
+ Dat dan het vleesch mij komt bespringen,
+ om mijn gewill'ge geest te dringen
+ Met forsche krachten na beneen!
+
+ En ziet eens aan met mededogen
+ Mijn broosheid en mijn zwak vermogen:
+ Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer
+ Haar aan het stof gevoelt te kleven,
+ Doch schenken nieuwe kracht en leven
+ Na uw getrouwe woord, o Heere!
+
+ Wilt mijnen geest doch maken sterker,
+ Zoolang hij in des Lichaams kerker
+ Hier dus elendig leven moet;
+ Tot dat mij eens na deze dagen
+ Den ouden mensch niet meer zal plagen,
+ Die nu mij zoo veel moeit' aandoet.
+
+ SLUITER.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: letterkennes en toestemming |
+ | C: letterkennis en toestemming |
+ | B: kinderen Gods te worden." |
+ | C: kinderen Gods te worden," |
+ | B: eeuwigdurend gewigt is Maar het is |
+ | C: eeuwigdurend gewigt is. Maar het is |
+ | B: ontvangen tot verniêuwing des harten, |
+ | C: ontvangen tot vernieuwing des harten, |
+ | B: verkrijgen, enz die in de |
+ | C: verkrijgen, enz. die in de |
+ | B: verwerpen.--Verordîneerde Hij hen eerst |
+ | C: verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst |
+ | B: De ~K.~ Te regt, Mijnheer! |
+ | C: ~De K.~ Te regt, Mijnheer! |
+ | B: De ~Pred.~ Verlossing is een |
+ | C: ~De Pred.~ Verlossing is een |
+ | B: De ~K.~ En waarvan wordt de |
+ | C: ~De K.~ En waarvan wordt de |
+ | B: De ~Pred.~ Van den vloek der |
+ | C: ~De Pred.~ Van den vloek der |
+ | B: De ~K.~ En inderdaad eene aangename |
+ | C: ~De K.~ En inderdaad eene aangename |
+ | B: De ~Pred.~ Tot ~allen~ en elk |
+ | C: ~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk |
+ | B: menschen." enz. zoo als |
+ | C: menschen," enz. zoo als |
+ | B: De ~Pred~. Neen, Hij stierf niet |
+ | C: ~De Pred~. Neen, Hij stierf niet |
+ | B: verdoemenis. Vreesselijk zal het zijn |
+ | C: verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn |
+ | B: De ~K.~ Inderdaad vreeselijk om aan |
+ | C: ~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan |
+ | B: De ~Pred~. Ja! en dunkt u niet |
+ | C: ~De Pred~. Ja! en dunkt u niet |
+ | B: De ~K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen |
+ | C: ~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen |
+ | B: De ~Pred~. Gij meent de roeping |
+ | C: ~De Pred~. Gij meent de roeping |
+ | B: De ~K.~ En waardoor roept Hij |
+ | C: ~De K.~ En waardoor roept Hij |
+ | B: De ~Pred~. Door zijn woord en |
+ | C: ~De Pred~. Door zijn woord en |
+ | B: De ~K.~ En is deze roeping |
+ | C: ~De K.~ En is deze roeping |
+ | B: De ~Pred~. Neen, eenigen wanneer zij |
+ | C: ~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij |
+ | B: De ~K.~ En verkrijgen degenen |
+ | C: ~De K.~ En verkrijgen degenen |
+ | B: De ~Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw |
+ | C: ~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw |
+ | B: ~De Pred~ Gij hebt het juist |
+ | C: ~De Pred.~ Gij hebt het juist |
+ | B: wat er verhandeld is Wilt |
+ | C: wat er verhandeld is. Wilt |
+ | B: verder e, zoodat de wil |
+ | C: verderve, zoodat de wil |
+ | B: gelooven zich bekeeren, enz. |
+ | C: gelooven, zich bekeeren, enz. |
+ | B: De ~K.~ Goed, maar zij die hooren |
+ | C: ~De K.~ Goed, maar zij die hooren |
+ | B: geloof en hnnne bekeering, de |
+ | C: geloof en hunne bekeering, de |
+ | B: niet" |
+ | C: niet." |
+ | B: De ~Pred.~ Gij moogt zeggen wat |
+ | C: ~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat |
+ | B: geloof en bekeering genade om |
+ | C: geloof en bekeering, genade om |
+ | B: verzoenen, te regtvaardigen |
+ | C: verzoenen, te regtvaardigen, |
+ | B: iederen aan te bieden, die |
+ | C: iedereen aan te bieden, die |
+ | B: iets te beschikken,--Neen; het |
+ | C: iets te beschikken.--Neen; het |
+ | B: leerstelling die ik haast met den |
+ | C: leerstelling die ik haat met den |
+ | B: Profectie. de Schriften der |
+ | C: Profectie, de Schriften der |
+ | B: alzoo zijn zij regt zij kunne |
+ | C: alzoo zijn zij regt, zij kunne |
+ | B: laten handelen enz. daarom kunnen |
+ | C: laten handelen enz., daarom kunnen |
+ | B: toch twijfelen wij niet. of beiden, |
+ | C: toch twijfelen wij niet, of beiden, |
+ | B: dan. wie kan op eenig |
+ | C: dan, wie kan op eenig |
+ | B: verkeerd zal zijn Maar, indien |
+ | C: verkeerd zal zijn. Maar, indien |
+ | B: gij gelooft dat God zoo |
+ | C: gij gelooft dat, God zoo |
+ | B: ook doe. Zulk eene leer |
+ | C: ook doe." Zulk eene leer |
+ | B: ~De heer E~ Wat betreft te |
+ | C: ~De heer E.~ Wat betreft te |
+ | B: gemakkellijken stoel, ik erken |
+ | C: gemakkelijken stoel, ik erken |
+ | B: helpen of op te staan heb dan |
+ | C: helpen of op te staan, heb dan |
+ | B: goeden Samaritaan mogt zenden. en |
+ | C: goeden Samaritaan mogt zenden, en |
+ | B: Wij verheugen ons gerangschik te |
+ | C: Wij verheugen ons gerangschikt te |
+ | B: ze zoo Zijn; ja, wij zijn snoode |
+ | C: ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode |
+ | B: althans mijn, oordeel? want hij |
+ | C: althans mijn, oordeel, want hij |
+ | B: zegt; Hij heeft aan iedereen |
+ | C: zegt; Hij geeft aan iedereen |
+ | B: beproefde familie teontmoeten. Ik zag aan |
+ | C: beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan |
+ | B: wezenlijkheid, onbekend, onbemind |
+ | C: wezenlijkheid, onbekend, onbemind, |
+ | B: ongezocht verwaarloosd. Eenigen |
+ | C: ongezocht, verwaarloosd. Eenigen |
+ | B: woord heeft opgebouwd. en opbouwen wat |
+ | C: woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat |
+ | B: op vormen, ceremoniën, ordonantiën |
+ | C: op vormen, ceremoniën, ordonantiën, |
+ | B: genade opbouwen öf aan de andere |
+ | C: genade opbouwen óf aan de andere |
+ | B: tot de bediening. (die |
+ | C: tot de bediening (die |
+ | B: staan, hune zwaarden in de schede |
+ | C: staan, hunne zwaarden in de schede |
+ | B: Calvinist? indien de eerste, |
+ | C: Calvinist?" indien de eerste, |
+ | B: buiten ons; 2º de zaligheid |
+ | C: buiten ons; 2º. de zaligheid |
+ | B: machenerie, kan berekenen. Wij |
+ | C: machinerie, kan berekenen. Wij |
+ | B: geene week doorwerken. indien het |
+ | C: geene week doorwerken, indien het |
+ | B: spinnewiel zijn werk. aan iedere |
+ | C: spinnewiel zijn werk, aan iedere |
+ | B: fabrieken werden gesloten hare |
+ | C: fabrieken werden gesloten, hare |
+ | B: en haren oorspong, voortgang en |
+ | C: en haren oorsprong, voortgang en |
+ | B: der barmhartig'heid, die Hij te |
+ | C: der barmhartigheid, die Hij te |
+ | B: prijs zijner eingene heerlijkheid, zou |
+ | C: prijs zijner eigene heerlijkheid, zou |
+ | B: aan God toeschijven, welke hij |
+ | C: aan God toeschrijven, welke hij |
+ | B: noch tweede, toekomendo noch verleden, |
+ | C: noch tweede, toekomende noch verleden, |
+ | B: volmaakt en onverandelijk is, moet zijne |
+ | C: volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne |
+ | B: hoe onverandelijker de liefde is, |
+ | C: hoe onveranderlijker de liefde is, |
+ | B: en onverschilligheid aan haren man kleeft |
+ | C: en onverschilligheid aan haren man kleeft, |
+ | B: anderen ongehoorzaam: verdienen niet |
+ | C: anderen ongehoorzaam; verdienen niet |
+ | B: verdoemis, kan er in hen |
+ | C: verdoemenis, kan er in hen |
+ | B: voorwerp van toegenegenheid Bij denzelfden |
+ | C: voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden |
+ | B: doen groeijen, ëén haar wit of |
+ | C: doen groeijen, één haar wit of |
+ | B: blijven hunne zonden Hij had hen |
+ | C: blijven hunne zonden. Hij had hen |
+ | B: zuchten, doodangst en bloed, |
+ | C: zuchten, doodsangst en bloed, |
+ | B: Dan, Welk eene ijdele en |
+ | C: Dan, welk eene ijdele en |
+ | B: vrijen wil beter te gebriuken dan |
+ | C: vrijen wil beter te gebruiken dan |
+ | B: Faraö, Saul, Achitofelel, Doëg |
+ | C: Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, |
+ | B: hout, Gelijk de namen van de kinderen Israëls op op |
+ | C: hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op |
+ | B: 4. De laatste tak der zaligheid |
+ | C: 4º. De laatste tak der zaligheid |
+ | B: hebben overtreden, slecht _een gedeelte_ |
+ | C: hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ |
+ | B: 45 vs 25). |
+ | C: 45 vs. 25). |
+ | B: als eene uitwendige daad. |
+ | C: als eene uitwendige daad, |
+ | B: kwamen, zoo breng het predestinerend |
+ | C: kwamen, zoo brengt het predestinerend |
+ | B: van den drieënigen God ons |
+ | C: van den drieëenigen God ons |
+ | B: en moet ontledig worden; |
+ | C: en moet ontledigd worden; |
+ | B: van de onverniewde natuur des |
+ | C: van de onvernieuwde natuur des |
+ | B: spade te nemem en verscheidene |
+ | C: spade te nemen en verscheidene |
+ | B: weinige stroomtjes in hunne naauwe |
+ | C: weinige stroompjes in hunne naauwe |
+ | B: werk der genade" Alzoo maakt de |
+ | C: werk der genade." Alzoo maakt de |
+ | B: blind, even vleeschelijk, even dood |
+ | C: blind, even vleeschelijk, even dood, |
+ | B: niet. voeten, maar zij gaan |
+ | C: niet, voeten, maar zij gaan |
+ | B: Orthodox en Evengelisch, Baptist, |
+ | C: Orthodox en Evangelisch, Baptist, |
+ | B: bestaanbaarheid van wandel. onderzoek |
+ | C: bestaanbaarheid van wandel, onderzoek |
+ | B: godsdienstige gesprekken naauwgezetheid in |
+ | C: godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in |
+ | B: Hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; bij |
+ | C: hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij |
+ | B: geboord overhemd af kamt het haar |
+ | C: geboord overhemd af, kamt het haar |
+ | B: als zij gelooft zoo en, handelt |
+ | C: als zij gelooft en, handelt |
+ | B: zalig maakt?« Zoo moeten wij |
+ | C: zalig maakt?«, zoo moeten wij |
+ | B: verootmoediging; deze en dergelijke |
+ | C: verootmoediging;« deze en dergelijke |
+ | B: overtuigingen het kermend roepen, |
+ | C: overtuigingen, het kermend roepen, |
+ | B: zij trouwden eene godvuchtige |
+ | C: zij trouwden eene godvruchtige |
+ | B: van treurig stilzwijgen afwisselend berouw |
+ | C: van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw |
+ | B: Maakt?" Antwoord ik: "Waarom |
+ | C: maakt?" antwoord ik: "Waarom |
+ | B: die vraag?" Vòör men iets |
+ | C: die vraag?" Vòòr men iets |
+ | B: legaat eene erfenis, eene bezitting, |
+ | C: legaat, eene erfenis, eene bezitting, |
+ | B: bruiloft des Lams" zoo wordt |
+ | C: bruiloft des Lams", zoo wordt |
+ | B: éënen man voor te stellen, namelijk |
+ | C: éénen man voor te stellen, namelijk |
+ | B: Heere kennen. (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien |
+ | C: Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien |
+ | B: en _toekomende_ zaligheid. _Veledene_ |
+ | C: en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ |
+ | B: 3, 4). alle leerstellingen, |
+ | C: 3, 4). Alle leerstellingen, |
+ | B: den Drieëenigen Johovah, tenzij dat |
+ | C: den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat |
+ | B: Maar eeuwige verkiezing persoonlijke |
+ | C: Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke |
+ | B: alle bezwijkingen des, harten, alle |
+ | C: alle bezwijkingen des harten, alle |
+ | B: zaak van uit wendigen aard, wat meer |
+ | C: zaak van uitwendigen aard, wat meer |
+ | B: gezondheid van geloof wandelen in de |
+ | C: gezondheid van geloof, wandelen in de |
+ | B: ordinantien lange en standvastige |
+ | C: ordinantiën, lange en standvastige |
+ | B: noch, in éên woord, eenige enkelvoudige |
+ | C: noch, in één woord, eenige enkelvoudige |
+ | B: vs. 4, 3), terwijl Saul profeteerde, |
+ | C: vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, |
+ | B: geloofde en werd gedoopt noch in |
+ | C: geloofde en werd gedoopt, noch in |
+ | B: _natuurlijke hoop_ want daar is |
+ | C: _natuurlijke hoop_, want daar is |
+ | B: godsdienst_ want "een praatachtige |
+ | C: godsdienst_, want "een praatachtige |
+ | B: Godes" (Ps. 55, 15) Om alles |
+ | C: Godes" (Ps. 55: 15). Om alles |
+ | B: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8), Dus |
+ | C: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus |
+ | B: dat zij die gezaligd, worden, |
+ | C: dat zij die gezaligd worden, |
+ | B: zij verlost geregvaardigd, levend |
+ | C: zij verlost, geregtvaardigd, levend |
+ | B: gemaakt, geheiligd bewaard en verheerlijkt |
+ | C: gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt |
+ | B: van den Driëenigen Jehovah. Hier |
+ | C: van den Drieëenigen Jehovah. Hier |
+ | B: dat eene ziel zalig maakt?" |
+ | C: dat eene ziel zalig maakt?" |
+ | B: HeiligenGeest. Dit is de erfenis |
+ | C: Heiligen Geest. Dit is de erfenis |
+ | B: er in. eenigen van hen zijn |
+ | C: er in. Eenigen van hen zijn |
+ | B: bewijzen eenigen worden al |
+ | C: bewijzen; eenigen worden al |
+ | B: en tranen: al hunne twijfelingen, vreezen. |
+ | C: en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, |
+ | B: wisselingen en veranderingen, schuld. |
+ | C: wisselingen en veranderingen, schuld, |
+ | B: hart alles, alles dient in de |
+ | C: hart; alles, alles dient in de |
+ | B: heopenbaard worden, om hen |
+ | C: geopenbaard worden, om hen |
+ | B: door de hand van God iu de |
+ | C: door de hand van God in de |
+ | B: te spijzigen worde voor hun aangezicht |
+ | C: te spijzigen, "worde voor hun aangezicht |
+ | B: onvermend met heilige vrees, |
+ | C: onvermengd met heilige vrees, |
+ | B: worden gezegd de genade te veranderen |
+ | C: worden gezegd "de genade te veranderen |
+ | B: booze werken (Jud. 4: 12). Maar om |
+ | C: booze werken (Jud. 4, 12). Maar om |
+ | B: bereiden bodem schieten De leerstellingen |
+ | C: bereiden bodem schieten de leerstellingen |
+ | B: is deeerste _bekeering_, welke |
+ | C: is de eerste _bekeering_, welke |
+ | B: eene verandering van gevoelens een |
+ | C: eene verandering van gevoelens, een |
+ | B: beeft op zijn fronselen zij ducht |
+ | C: beeft op zijn fronselen, zij ducht |
+ | B: vrucht is _Goddelijkeid droefheid_, |
+ | C: vrucht is _Goddelijke droefheid_, |
+ | B: beproefde gekwelde en verzochte |
+ | C: beproefde, gekwelde en verzochte |
+ | B: mede-erfgenamen: in liefde tot _gezanten |
+ | C: mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten |
+ | B: tot het _Woord_ Gods. dat onze |
+ | C: tot het _Woord_ Gods, dat onze |
+ | B: wrarheid; milddadigheid tot de |
+ | C: waarheid; milddadigheid tot de |
+ | B: Laat mij eens zeggen onbevreest; |
+ | C: Laat mij eens zeggen onbevreesd; |
+ | B: is on eindelijk grooter dan de |
+ | C: is oneindelijk grooter dan de |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by
+Joseph Charles Philpot
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR ***
+
+***** This file should be named 39039-8.txt or 39039-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/9/0/3/39039/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.