diff options
Diffstat (limited to '39039-8.txt')
| -rw-r--r-- | 39039-8.txt | 2784 |
1 files changed, 2784 insertions, 0 deletions
diff --git a/39039-8.txt b/39039-8.txt new file mode 100644 index 0000000..0780622 --- /dev/null +++ b/39039-8.txt @@ -0,0 +1,2784 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? + zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten + predikant en den heer Easterman met een antwoord op die + gewichtige vraag + +Author: Joseph Charles Philpot + +Translator: W Rs + +Release Date: March 3, 2012 [EBook #39039] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot | + | is verplaatst naar het eind van het gedicht. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + WAT IS HET + Dat eene Zondaar zaligmaakt? + + Zamenspraak tusschen een Kappersknecht, + Methodisten predikant en den Heer Easterman + + MET EEN + + ANTWOORD OP DIE GEWICHTIGE VRAAG + + van den WelEerw. Heer + + #J. C. PHILPOT#, + + waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten, + en daartegen over die van vrije, souvereine genade + in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste + van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd. + + + _Naar den derden Engelschen druk._ + + Vertaald door #W. Rs.# + + Met een voorwoord van den vertaler, bevattende + zijn bijzonder doel met de uitgave. + + + L. DORSMAN.--ROTTERDAM. + + + + +VOORWOORD. + + +Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1½ jaar geleden, licht +in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de +meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de +godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar +geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer +letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur +kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van +alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en +zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd +mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de +waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te +zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in +zichzelf. + +Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere +blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook +moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke +onkunde voortgesproten.--Onder anderen herinner ik mij eenen strijd +voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door +het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de +Bazuin.--Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij +dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden +ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne +bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer +van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing, +roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars, +door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon. + +Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging +openlijk uit te spreken;--doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen +den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik +tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de +godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap +ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door +misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de +ellendigen en nooddruftigen te bedroeven. + +Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend +geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende +overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist +om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit +werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen +en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne +hand. + +Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan één oogmerk te kunnen +bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite +stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H. +Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken, +die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve +ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter +vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm +in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid +en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen +verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije, +souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar +integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest +wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen +terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan, +dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels +roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit +volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij +niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal +den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde +dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij +kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid +enz., het koningrijk Gods niet ingaan. + +En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van +genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun +heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet +zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) "Zoovelen Hem +aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden," +maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt: +"_namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, +noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God +geboren zijn_," opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vóór +de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.--Mogten vooral de +zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften +onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen! + + DE VERTALER. + + + + + I. + + ~#Zamenspraak#~ + + OVER DE VRAAG: + + #Wat is de oorzaak van de + Zaligheid des Menschen?# + + + + +VOORREDE + + + Waarde Vrienden! + +Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had +opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet +komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? +Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen +mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, +en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel +zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks +gedaan hebben.--Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid +ontvangen en behartigd worden door + + Uwen zeer verpligten Dienaar + + Een Kappersknecht. + + + + +ZAMENSPRAAK. + + +~De Kappersknecht.~ Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn +beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.--Spoedig daarop kwam de +heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen +hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te +wachten op mijns meesters terugkomst.--Even daarna kwam een Methodisten +predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus +aansprak: + +~De Predikant.~ Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat +uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt +uit! + +~De K.~ Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen +morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid +had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is +waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij +weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij +zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken +vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij +zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, +om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te +wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, +daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe +hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig +onderrigt te geven? + +~De Pred.~ Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen +onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,--maar ik ben +eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst +verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om +over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door +zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en +inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op +u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. +Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de +andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, +om van mij onderwijs te behoeven. + +~De K.~ Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet +altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het +oude spreekwoord blijft waar: "zoo lang wij leven moeten wij leeren". + +~De Pred.~ Gij hebt gelijk;--ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet +ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat +gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten? + +~De K.~ Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te +zijn: _Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf +bevrijdt?_ + +~De Pred.~ Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet +onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet +ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele +zaken, met elkander vereenigd. + +~De K.~ Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of +twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd +in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om +uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn. + +~De Pred.~ Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig +mijne gedachten over zeggen. + +~De K.~ Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat +de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, +van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den +mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten +eeuwigen leven? + +~De Pred.~ Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde +de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen +uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.--Maar +wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk +beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet +alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien +overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: "als de kinderen nog +niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het +voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve," moet dat niet +verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden +en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van +eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der +zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij +al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de +verdoemenis.--Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen +van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley, +Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig +betwist wordt.--Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den +onloochenbaren standaard der waarheid te zijn. + +~De K.~ Goed, hierin versta ik u zeer wel.--Maar zijn er niet eenigen, +die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig +worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn +en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een +voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen +de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.--Hij zag +hen later de voorwaarden verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst ten +leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en +verworpen? + +~De Pred.~ Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, +dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig +zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen +en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn +"opregt geloof" zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne +gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook +voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij +hen.--Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, +volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien +kan.--Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is +verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden. + +~De K.~ Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de +verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is? + +~De Pred.~ Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven +op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de +bevrijding des menschen van de zonde. + +~De K.~ En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, +dood en opstanding? + +~De Pred.~ Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle +ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den +boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God +gebragt. "Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed." Dit is de taal der +Schrift over het einde der verlossing. + +~De K.~ En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die +verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom? + +~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk individu van het menschelijk geslacht. +"Hij gaf zich zelven voor allen," "was een rantsoen voor allen," +"stierf voor de zonden der geheele wereld," "smaakte den dood voor +alle menschen," enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo +enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van +het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat +Hij voor allen te gelijk stierf. + +~De K.~ Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij +dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: +_hoe een zondaar gezaligd wordt?_ Indien Christus voor allen stierf, hen +van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, +dan is dit zeker _de verlossing door Christus_ en regtens zullen alle +menschen zalig worden. + +~De Pred.~ Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. +Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, +de ~voorwaarden~ die door den mensch moeten volbragt worden om de +verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in +zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen +God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid +door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet +toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen +u ten gids zijn. + +~De K.~ Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om +de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen +dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij +mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het +kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor +allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen +geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden +volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon +zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. +Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden? + +~De Pred~. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door +hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne +verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door +het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen +veelvoudig vermeerderen. + +~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks +te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren +zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen +zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als +wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende +als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de +Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet +ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus +voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch +zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden +gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus +dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis +voortbrengt. + +~De Pred~. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte +voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig +worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben +willen hooren? + +~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij +herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe +gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods. + +~De Pred~. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering. + +~De K.~ En waardoor roept Hij de menschen daartoe? + +~De Pred~. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of +andere wijze geeft om winst mede te doen. + +~De K.~ En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen +in staat stelt om de geboden Gods te betrachten? + +~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben +genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden +gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade +ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen +verharden zich en blijven in hunne zonden. + +~De K.~ En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade +om hunne zielen te behouden? + +~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt +geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle +hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke +zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden. + +~De K.~ Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, +de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.--En indien zij al +deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn +het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik +zalig worden. + +~De Pred.~ Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken +deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het +andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij +ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden +ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne +aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren +weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren. + +~De K.~ Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en +twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik +bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien +kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid +ligt, Mijnheer ~Easterman~, gij zijt tot hiertoe stil geweest, +ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij +zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen? + +~De heer E.~ Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw +gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die +zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de +predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar +zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des +menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede +wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij +ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten +verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing +is. + +~De K.~ Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó +zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind +waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand +ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren. + +~De heer E.~ Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en +ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing +door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle +menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den +vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk +verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing +ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch +ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, +indien niet, hij mist het. + +~De K.~ Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars +zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de +middelen, die Hij heeft voorgeschreven? + +~De heer E.~ Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want +hij zegt, God roept _alle_ menschen, en eenigen, wanneer zij hooren, +gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van +God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets. + +In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval +is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen +die hooren en gehoorzamen. + +~De K.~ Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen +wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest +des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in één woord: +zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht +des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de +vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak +der zaligheid zijn. + +~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt +hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods +staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij +den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het +goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus +deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo +dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het +goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,--alles +wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,--al wat God de Geest +gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,--en de volbrenging der +voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, +want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden +doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de +zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: "Bij mij is het +niet." + +~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want +waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in +eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen +Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; +en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, +want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot +de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder +boven den Zoon achten?--Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien +van de heiligen zal ik mij wenden? + +~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen +vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter +bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch +hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer +dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer +God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op +de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus +verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of +de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des +vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil +des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, +benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des +vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet +gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien +tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches. + +~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van +ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des +vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren +dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen +kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het +licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: "dat +een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een +ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch +verrigten." En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel +van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, +maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee +talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God +hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, +zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de +bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt. + +~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den +kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; +maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het +volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches +zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo +zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want +gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde +wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft +hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de +roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die +men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest +Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade +in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een +schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de +verdoemenis. + +En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, +want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst +mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij +zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om +den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, +ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad +zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent +moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u +of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het +talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is, +slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het +talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt +het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; +doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en +niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet +toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches +vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op +aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor +u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, +dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet? + +~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de +zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons +zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen +der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling +der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles +gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen +worden. + +~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de +wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, +en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën +met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen +en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem +behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven +tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen, +te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen +schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid +voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, +moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, +dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en +een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het +iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon +velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen +zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat +een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en +gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des +geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en +verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de +taal der wijze maagden tot de dwazen: "Niet alzoo, opdat er misschien +voor ons en voor u niet genoeg zij," want ik heb niet meer genade dan +om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt +zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade +te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het +alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem +zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen +troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven? +Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en +zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten? +En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: "die man is +een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het +begeert, heeft hij niets om te geven." Laat mij u raden, uwe spotternij +te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die +het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch +u de eer geven over iets te beschikken.--Neen; het is Zijne eigen regt +en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne +genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt. + +~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een +Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, +die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid +is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den +grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of +iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij +prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en +gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, +prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen +vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen +in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen +ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen. + +~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer +van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele +pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik +ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen +van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in +andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is +niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch +Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere +Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.--Ik schaam mij niet te +bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, +vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten +Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden +worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: "Indien zij het regt +hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben," zoo algemeen in de monden +der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt +voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien +God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig +kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen +niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat +engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch +de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft +den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade +vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet +verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot +een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij +zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij +het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog +toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch +gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in +Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot +God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te +bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen +wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne +zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene +zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: "de +vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven," en +de vrouw: "die slang heeft mij bedrogen" enz. Maar wij hooren geen van +beiden zeggen: "Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en +tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar +daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te +vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn." Tot zulk eene +diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David; +toen zeide Abisai tot David: "Laat mij toch overgaan en zijnen kop +wegnemen." "Neen," zegt David, "de Heere heeft toch tot hem gezegd: +vloek David." Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren +gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo +mogt hij geantwoord hebben: "God besloot mij toe te laten om David te +vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God +bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, +kan ik geen onregt doen in de uitvoering." Doch wij lezen niet dat Simeï +zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. +De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, +zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, +naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods +hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide +Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden +van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: +"Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, +deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon +niet uitgevoerd zijn." Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie +tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt +werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering +zijn gekomen om te zeggen: "Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen +ongelijk hebben." Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God +ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, +om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze +geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij +invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te +hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de +Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te +misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als +waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden, +de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het +ongelijk te zijn, "van welke het einde zal zijn naar hunne werken!" Wij +gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne +eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen +bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door +welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen +zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God +niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het +ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot +het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds +verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden +of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en +dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het +onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde +dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen +bevonden worden. + +Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik +zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het +voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij +moet weten wat gij gelooft. Maar "o mensch! wie zijt gij, die tegen +God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, +zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?" + +~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer +broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij +niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten +Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, +want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade +zal behouden, zult gij zeggen: "Indien God mij hebben wil, zal Hij mij +wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik +ook doe." Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den +mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte +harten hebt. + +~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles +werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een +gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch +af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof +te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet, +en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal +komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de +aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat, +wanneer Hij henen zou gegaan zijn,--Hij wederkomen zou en hen tot +zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij +in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond +en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons +voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe +roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan +medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen! +En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en +Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in +onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, +ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te +verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen +zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch +geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij +uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar +zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt +de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen +kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst +kunnen slaan en uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" of "Red +ons Heere! wij vergaan!" Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde +aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in +hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: "Laat ons het kwade doen, +opdat het goede daaruit voortkome." Wij verheugen ons gerangschikt te +worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij +onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn +geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door +denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in +zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk +deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van +den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen +zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden +van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt +eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat +zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate +verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. +Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant +der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat +ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is +ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig. +Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd +worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der +waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag +zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den +weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze +zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want +wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont. + +~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook +de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen +stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne +woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van +Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar +welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen? + +~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, +geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is +althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe +stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want +gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet +uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus +alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de +voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij +gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. +Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en +eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, +gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met +God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder +onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan +onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des +zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, +want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; +niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle +menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de +roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij +zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het +geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal +verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze +dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. +En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des +vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude +verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat +dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken? + +~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij +thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept. + + + + + II. + + EEN ANTWOORD + + OP DE + + ~GEWICHTIGE VRAAG~: + + #Wat is het, + dat eene zondaar zalig maakt?# + + DOOR + + #J. C. PHILPOT.# + + + + +VOORREDE. + + +Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: +"Zamenspraak enz.," ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een +antwoord te geven op de gewigtige vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?" welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige +bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al +schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam +en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in +het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de +verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er +mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het +vereischte, wat ik niet kon leveren,--bladzijden uit het leven en de +bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften +van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden +verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind, +ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten +Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de +letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der +genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er +al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, +die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij +eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog +ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die +uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat "de +wijsheid met hen sterven zoude," (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God +in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. +Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën, +bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere +uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud +en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich +bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden +als bewijzen van genade opbouwen óf aan de andere hand eene algemeene +haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de +in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het +onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, +diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt +betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan, +zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat +hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. +Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van +hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die +of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden +bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging +in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de +letter-Calvinisten dezer dagen. + +Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor +zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen +en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de +bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze +nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van +vrienden komen. De vraag scheen te zijn: "Zijt gij een Arminiaan of een +Calvinist?" indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste +een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van +levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat +zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten +dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende +godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de +schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik +mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, +te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste +bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens +mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking +mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden +zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het +geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te +vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, +met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze +zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen +overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men +kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan. + + J. C. PHILPOT. + + + + +WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT? + + +Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, +op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en +de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, +die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende +oordeel,--wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende +ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de +alles omvattende vraag: "Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?" +(Job. 9 vs. 2). + +Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder +twee hoofdpunten beschouwen. 1º. De zaligheid beschouwd als eene daad +buiten ons; 2º. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de +eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden +voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de +Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, +mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, +"om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen +leugen is." (1 Joh. 2 vs. 27). + +1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene +handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad +voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van +het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren +ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering +van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart +van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de +wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan +ten uitvoer brengen. + +Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed +oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, +geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen +verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan +van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van +het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste +Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en +het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk +machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die +voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best +ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag +zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring +te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens +eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar. +In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in +twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst +magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben, +evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben? +Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en +zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de +magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot +en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed +overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren, +geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven +om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche +katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf +bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder +spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En +toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den +alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in +het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke, +indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk +zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare +uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene +woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden. + +Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet +naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder +zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in +twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet "naar den +raad van zijnen eigen wil," zoo is het duidelijk dat de zaligheid of +verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. +Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven +kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een +deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de +beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen +zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen +bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, +maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de +onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed +geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, +een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit +rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft +hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het +werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is +gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk +van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die +loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk +deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het +voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid +van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen +en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van +ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen, +dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed +mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en +elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet +begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de +grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van +dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt +dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt +af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons +naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen +zijn, zullen wij het doen van het geheel. + +1º. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van +de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar +zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring +daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De +oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den +kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke +Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te +openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom +tot dezelfde bron worden opgespoord. "Tot prijs _der heerlijkheid zijner +genade_," zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), "door welke Hij ons begenadigd +heeft in den Geliefde," en wederom vers 12: "opdat wij zouden zijn tot +prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En +opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten +der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid," +(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des +menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en +bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid +bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het +daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, +die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand +konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, +bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar +dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij +zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En +indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en +te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen +erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de +teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het +ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap +verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd +kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit +deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der +aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons +teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen +voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle +dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij +zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid +aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude +toekennen. + +2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als +een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene +opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan +heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in +eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne +eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid +en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig +gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger +noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede +beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak +verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke +onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen +in zich behelst. + +_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah +volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur +zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde +is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, +gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, +vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te +zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in +spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft, +die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, +schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt +gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke +liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en +hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart +innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij +evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de +onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee +voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. +Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid +afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen +met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot +de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van +omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en +ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en +indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. +Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt +lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan +alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt +ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze +haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of +kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit +komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen +beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen +kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet +eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk +gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en +verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien +eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig +gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak +van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat +ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal +de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij +altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen +de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt, +in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief +heeft. + +3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. +Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het +betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar +betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door +uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, +even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de +andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de +uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij +doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij +ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard +meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_ +daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de +liefde van Christus; "Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven +voor haar overgegeven." (Eph. 5: 25). "Die mij lief gehad heeft," zegt +Paulus, "en zich zelven voor mij overgegeven heeft." (Gal. 2: 20). +"Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons +gesteld heeft." (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van +liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt +en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het +uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter +dan de beweegreden. + +Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het +de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd +door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt +zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en +toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den +veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? +Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij +een enkel grasscheutje doen groeijen, één haar wit of zwart maken? Is de +medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen? +Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels +werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen +ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd +worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing +algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand +verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf, +zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was +te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open. +Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief, +had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te +bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden +te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten +hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak--en na dit alles kan Hij +hen niet verlossen,--na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke +betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed, +sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus +wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid? +Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij +alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen +Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan? +Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat +eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het +uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des +menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat +Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des +ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden +van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee +verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de +zeven vervloekte volken van Canaän en van allen die in den algemeenen +zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd +hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het +kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de +verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden +der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren +magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) "dat de zoodanigen zijn +voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs," +Paulus zegt: "dat zij vernield zijn van den verderver." (1 Cor. 10 vs. +10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor +deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, +er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn +dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de +verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie +Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de +algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten +gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken +zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste +voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, +die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. +En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen +zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan +zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel +heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus +behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, +als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten +hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen +van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien +Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang +ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, +Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods, +zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus +voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is +eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder. + +Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat +Christus "zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd +overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn +eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf"; en +de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam +op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op de borst des +Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat +Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen +Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en +ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, +voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in +ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de +zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en +onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der +menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame +Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren. + +4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog +zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God, +zijnde tot allen en over allen, die gelooven. + +De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, +kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. +Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch +wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo +moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in +alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan +is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of +voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. +Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle +menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor +God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks +(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel +het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de +bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_ +de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan +moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden +voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen +is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes. +45 vs. 25). + +2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad, +als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke +overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen +aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen +hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk +de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den +boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend +voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de +voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen +wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah. + +En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht +_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk +en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene +werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam +wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom +was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd. + +God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame +stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige +wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van +uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. +"Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in +alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne +bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen +die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden +vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die +weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst +hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de +ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft +hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en +eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke +verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde +en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn. +En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar +jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen +noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden +wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, +zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking +noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en +krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent +de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de +natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. +Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker +geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd +worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. +Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in +wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; +vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij +haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver +verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, +vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en +onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan +alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene +uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van +wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de +gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk +bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig +bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van +inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het +land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke +natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman +kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13: +23). + +Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk +is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te +vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne +geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te +bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering +te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, +door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke +liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke +godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren +verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek +inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft +eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en +in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en +blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich +dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, +om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor +de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, +eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, +verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering, +wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een +kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor +het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor +besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor +eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar +na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de +stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, +even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood, +even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het +koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur +te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, +te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. +Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden +gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit +het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken +van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan +eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende +godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft +oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij +tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door +hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist, +Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede +werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En +de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, +dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is +goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele." +(Jes. 41: 6, 7.) + +Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van +leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van +ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek +des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid, +godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het +Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en +heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden +wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in +goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen +van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte +en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God +is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en +zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij +rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som +gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en +dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg +gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk +gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens +het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen. +Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij +moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding, +gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept +worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne +ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt +om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware +er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de +voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij +bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt +zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij +dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne +bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte +waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo +als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt +"bekeering en besliste vroomheid" genoemd, terwijl er in de ziel van den +armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof +of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd +verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel; +Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel +niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij +neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament +van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een +verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk +hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een +steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te +bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder +te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout +naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den +anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig +God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil +geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap +op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach. +3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen +bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór +rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der +heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen, +en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder +de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen +met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en +eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen +uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet +in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan +als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag +beantwoorden: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?", zoo moeten wij +vooraf wel verstaan, dat het woord "zaligmaken" in zich bevat, een +voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene +ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande +verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van +dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk +toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als +eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid, +eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit +zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt, +stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene +bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat +men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het +gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging +van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne +ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen +den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van +een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige +waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die +belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. "Ga naar Christus; +zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen +wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij; +wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat +der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe +kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat +alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in +verootmoediging;" deze en dergelijke vermaningen worden van duizende +kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid. +Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende +overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere +uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid, +de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze +inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden, +worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze +dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op +gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel +verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet +worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden +noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en +predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom +van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige +ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt; +of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun +in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van +de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige +vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en +dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in +gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard +der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk +der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan +verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder +zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor +hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij +ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij +trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen +welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken +over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld, +de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven +en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende +hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de +oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid, +en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel? +Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden +van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld, +opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en +hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende +en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze, +hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk +bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren +last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van +ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en +hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten, +vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en +al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch +hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne +prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de +verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt +dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost +te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn. +Daarom, indien iemand mij vraagt: "Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?" antwoord ik: "Waarom doet gij mij die vraag?" Vòòr men iets van +verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien +gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij +mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog +lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord +op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te +scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is, +dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene +andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag +niet antwoorden. + +De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat +de hand van een Drieëenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is +een legaat, eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige +wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene beërving +van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot +eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven, +de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen +gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de +tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift +altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van +"het wijf des Lams" en "de bruiloft des Lams", zoo wordt de kerk gezegd +"tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen van gouden +borduursel," gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader +tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van +"ondertrouw" welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging. +"Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw," +(Jer. 2: 2); "ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan +éénen man voor te stellen, namelijk Christus." (2 Cor. 11: 2). Zoo was +Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1: +18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene +onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde +zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene +overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien +zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in +zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De +deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit +gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven +en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; "Ik zal u mij +ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en +in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij +zult den Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid +beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in +_verledene_, _tegenwoordige_ en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ +zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des +Lama, van voor de grondlegging der wereld. _Tegenwoordige_ zaligheid +bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar +ondertrouwt. En _toekomende_ zaligheid bestaat in de eeuwige genieting +van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van +Christus zullen aanzitten en altijd met den Heere zullen zijn. Gelijk +nu niemand de _toekomende_ zaligheid zal genieten, die geen deel heeft +in de _verledene_ zaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit +met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is +geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand +de _toekomende_ zaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot +van de _tegenwoordige_ zaligheid;--met andere woorden, niemand zal voor +eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet +ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de +gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid +een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: "Ontvang dit +stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw +zult worden." En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze +ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst +zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel +door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot +dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus +hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer +was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het +hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tweeën scheurt van boven tot +beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als +een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft +Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene +openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich +hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De +partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlinge liefde +en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel, +in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige +beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde, +hebben plaats tusschen de ziel en Hem. "Deze zal zeggen ik ben des +Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met +zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren." (Jes. 45: 5). In deze tijden +"in den dag van des konings bruiloft," (Hoogl. 3: 11), is de taal der +ziel. "Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne +vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de +liefde is zijne banier over mij." (Hoogl. 2: 3, 4). Alle leerstellingen, +begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantiën en ceremoniën, bij gemis +van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en +als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden +van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor +de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het +verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat +is de eeuwige liefde van den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat eeuwige +liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is +de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in +het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in +den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods +dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in +mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te +geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in +de hel. Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke verlossing, toegerekende +geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden +keten van den troon Gods nedergelaten in de ziel; de schoonheid, +heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken, +verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de +ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus +alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle +ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen +van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten +en tranen, alle bezwijkingen des harten, alle voorgevoel van den dood +en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste +zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in +den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen +van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een +krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En +wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben +als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde, +gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der +hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist, +of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch +is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan +het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van +zijn gelaat. Iedere zaak van uitwendigen aard, wat meer is, de waarheid +zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen +gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof, wandelen in de +ordinantiën, lange en standvastige belijdenis en alles van slechts +uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet +meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel +regt op den hemel geven, dan den eed van een vloeker of de ontuchtige +redenen eener hoer. + +Indien ons dan gevraagd wordt, "wat is het dat eene ziel zalig maakt?" +antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij +gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, +die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te +stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht +bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, +gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; +noch, in één woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van +zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte +des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging +der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk +geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te +willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch +lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid +aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke +godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen. +Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in +wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid, +wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en +hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en +worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve +of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen +gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want "de +luijaard begeert en heeft niet," noch in _tranen_ want "Ezau weende met +een zeer groot en bitter geween," (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_, +want "velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen," (Luk. 13: +24), noch in _willen_ want "het is niet desgenen die wil," noch in +_loopen_, "het is niet desgenen die loopt" en "in de loopbaan loopen +allen, maar een alleen ontvangt den prijs." Ook bestaat de zaligheid +niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan "de +hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding," (Hebr. +6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van +Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in +_natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in +_natuurlijke hoop_, want daar is "de hoop des huichelaars die verdwijnen +zal;" noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een "wandelen +in de spranken van ons eigen vuur;" noch in _ijdel vertrouwen_, want +"de zot is oploopende toornig en zorgeloos;" noch in het _spreken over +de godsdienst_, want "een praatachtige dwaas zal vallen;" noch in _dat +anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van +Demas (Phillem. 24), "die de tegenwoordige wereld lief kreeg" (2 Tim. 4: +10), noch daarín, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_, +daar David "zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap +wandelde ten huize Godes" (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de +zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch, +menschelijks en natuurlijks, want "het vleesch is niet nut" (Joh. 6: +63), en "niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de +kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus +niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven +voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch +is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven +geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger +of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden, +gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, "dat Hij barmhartig is, +dien Hij barmhartig zijn wil" en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen +behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne +eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig +en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend +gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de +voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieëenigen Jehovah. Hier +is dan het antwoord op de vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?" +1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, +in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God +den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den +Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als +eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit +is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze +zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken +toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de +zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de +ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende +geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op +de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden +gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen +Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder +aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen +der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich +af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde, +anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden +gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, +en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den +ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van +wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, +anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen +vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des +satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam +door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker +gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en +verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van +gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; +eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de +bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd +en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods +niet op hen ligt. + +Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan +de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in +dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene +_bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, +eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld +pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen +bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, +ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, +zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, +verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne +beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al +hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld, +veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord, +al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos +hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot +dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid +van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet +geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden. + +Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier +beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, +welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er +voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing +iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem +zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond +kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden +wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de +leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de +ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren +in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar +zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. "Hunne tafel," +dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden +te spijzigen, "worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle +vergelding tot een' valstrik," (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste +belijders, van "vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf +zonder vrees." Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in, +onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en +een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters +nu worden gezegd "de genade te veranderen in ontuchtigheid en den +eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen," +dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke +menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken +tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen +waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De +stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, +en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, +zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare +natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, +omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf +uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen +der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs +natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld +is, waar het woord des levens ontvangen wordt "in een eerlijk en goed +hart" (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning +van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn +Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen +der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door +den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht +voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze +is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten, +eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een +keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije +genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot +opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis +tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende +tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht +zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne +kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht +van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit +eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke +kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen +uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke +godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van +onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden +onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, +in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en +nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_, +die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich +openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen +over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn +door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, +smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en +van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet +meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit +wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking +van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde +en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God +aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs +weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, +bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en +houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het +om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing +komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde +tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en +langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, +weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot +_Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, +als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot +de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en +mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers +van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers +onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en +ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot +de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze +harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot +tijd bemoedigd hebben. + +Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de +leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder +eenigen twijfel voortbrengen. + +Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige +zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van +eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der +waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk; +algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de +kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in +nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één +woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des +Evangelies. + +Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de +leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden +Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, +genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne +gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem +te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, +flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem. + +En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke +zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld +op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre +van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke +vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, +uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en +alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan +bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom +hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, +die een verteerend vuur is. + + ~AMEN.~ + + + + +HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH. + + + O[1] God wat is het schoon en zoet, + Wanneer men uwen wille doet, + En van uw wegen niet en glijd, + Ter rechter noch ter linker zijd'. + + Maar ach! wat is 't een zware last, + Dat ons de zond' zoo ligt verrast, + En brengt ons, buiten ons' vermoen. + Om tegen u gebod te doen. + + Hoe zou mijn harte zijn verlicht, + Zoo mijnen weg mocht zijn gericht + Om te bewaren uwe Wet, + Die gij den mensch hebt ingezet! + + Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn + Alzoo beschaamt niet langer zijn, + Wanneer ik zoude merken, maar + Op uw geboden allegaar. + + Och! dat mij zoo de zonde boeid, + Dat ik niet vrij en ongemoeid + Hier loopen mag in mijne baan, + Ach dat ik moet zoo langzaam gaan! + + Een oprecht willen tot het goed + Bevind ik wel in mijn gemoed, + Maar aan 't volbrengen mij het schort, + En daar in koom ik veel te kort. + + Den ouden mensch noch in mij leefd, + Die mijnen geest steeds wederstreefd, + En doet mij zulk een groot geweld, + Dat ik niet weinig ben ontsteld. + + Inwendig heb ik groot vermaak + In uwe Wet; maar (droeve zaak!) + 't Vleesch tegen mijnen geest zich kant, + En neemt ook somtijds d' overhand. + + Het goede dat ik zeer bemin, + En garen wil met hart en zin, + Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad + Dat mijne ziel verfoeid en haat. + + Och ik elendig droevig mensch! + Wie zal mij geven mijnen wensch, + Dat ik eens moge zijn bevrijd + Van dezen mijnen zwaren strijd! + + O Jezus! gij die alles werkt, + En die verslagen harten sterkt; + Geeft dat den ouden mensch verhuist, + En laat mij zijn met u gekruist. + + Want gij voor ons gestorven zijt, + Opdat wij zouden 't aller tijd + Der zonder lichaam doen te niet, + En niet meer volgen haar gebied. + + Laat mij eens zeggen onbevreesd; + Nu leev' ik eenmaal na den geest, + Ik leve nu alzoo niet meer + Gelijk ik heb gedaan wel eer. + + Maar Christus zelve leefd in mij, + Die maakt mij van de zonden vrij: + Is 't vleesch schoon niet volkomen dood. + Zoo vrees ik nochthans geenen nood. + + 'k Heb Christum door 't geloof gevat, + Die mij heeft eeuwig lief gehad, + En voor mij door zijn dood voldaan: + Wat zal mij dan noch tegenstaan? + + Hier op wil ik vertrouwen vast, + Tot dat ik van des lichaams last + Zal zijn verlost, en vleesch en bloed + Niet zal ontrusten mijn gemoed. + + God heeft belooft met eige stem, + Dat in het nieuw Jeruzalem + Gerechtigheid haar wooning heeft, + En niets het welk ontuchtig leeft. + + Daar zal ik doen, mijn God! en Heere! + Al wat ik wil, na mijn begeere; + Want ik en zal dan willen niet + Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied. + + Och dat ik haast mocht komen daar! + Och dat doch haast verschenen waar + Die zal'ge lang gewenschte tijd! + Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd! + + Hoe zullen wij U dienen Heere, + Wanneer geen vleesches zwakheid meer + Ons ooit kan brengen tot den val, + Noch zonden-strijd meer wezen zal! + +[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet, +is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere +voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer +Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen +volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de +hoogste verlusting onzer zielen wezen. + + + + +BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING. + + + Ik kom, O God! voor u belijden, + Mijn zwakheid, die aan allen zijden + Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt: + 't Zijn dikwijls heel geringe zaken, + Die mij mismoedig konnen maken + En mij bestormen met gewelt. + + Ik stel mij voor, iets uit te werken, + En mij kloekmoedig te versterken, + Maar, als de minst aanvechting koomt, + Ben ik benauwt en gantsch verslagen; + En kan niet anders doen dan klagen, + Dat zoo mijn krachten zijn getoomt. + + Och wat een strijd voel ik van binnen, + Wanneer ik mijn gemoed en zinnen + Tot u omhoog te heffen meen, + Dat dan het vleesch mij komt bespringen, + om mijn gewill'ge geest te dringen + Met forsche krachten na beneen! + + En ziet eens aan met mededogen + Mijn broosheid en mijn zwak vermogen: + Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer + Haar aan het stof gevoelt te kleven, + Doch schenken nieuwe kracht en leven + Na uw getrouwe woord, o Heere! + + Wilt mijnen geest doch maken sterker, + Zoolang hij in des Lichaams kerker + Hier dus elendig leven moet; + Tot dat mij eens na deze dagen + Den ouden mensch niet meer zal plagen, + Die nu mij zoo veel moeit' aandoet. + + SLUITER. + + + + + +---------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: letterkennes en toestemming | + | C: letterkennis en toestemming | + | B: kinderen Gods te worden." | + | C: kinderen Gods te worden," | + | B: eeuwigdurend gewigt is Maar het is | + | C: eeuwigdurend gewigt is. Maar het is | + | B: ontvangen tot verniêuwing des harten, | + | C: ontvangen tot vernieuwing des harten, | + | B: verkrijgen, enz die in de | + | C: verkrijgen, enz. die in de | + | B: verwerpen.--Verordîneerde Hij hen eerst | + | C: verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst | + | B: De ~K.~ Te regt, Mijnheer! | + | C: ~De K.~ Te regt, Mijnheer! | + | B: De ~Pred.~ Verlossing is een | + | C: ~De Pred.~ Verlossing is een | + | B: De ~K.~ En waarvan wordt de | + | C: ~De K.~ En waarvan wordt de | + | B: De ~Pred.~ Van den vloek der | + | C: ~De Pred.~ Van den vloek der | + | B: De ~K.~ En inderdaad eene aangename | + | C: ~De K.~ En inderdaad eene aangename | + | B: De ~Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | C: ~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | B: menschen." enz. zoo als | + | C: menschen," enz. zoo als | + | B: De ~Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | C: ~De Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | B: verdoemenis. Vreesselijk zal het zijn | + | C: verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn | + | B: De ~K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | C: ~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | B: De ~Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | C: ~De Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | B: De ~K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | C: ~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | B: De ~Pred~. Gij meent de roeping | + | C: ~De Pred~. Gij meent de roeping | + | B: De ~K.~ En waardoor roept Hij | + | C: ~De K.~ En waardoor roept Hij | + | B: De ~Pred~. Door zijn woord en | + | C: ~De Pred~. Door zijn woord en | + | B: De ~K.~ En is deze roeping | + | C: ~De K.~ En is deze roeping | + | B: De ~Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | C: ~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | B: De ~K.~ En verkrijgen degenen | + | C: ~De K.~ En verkrijgen degenen | + | B: De ~Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | C: ~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | B: ~De Pred~ Gij hebt het juist | + | C: ~De Pred.~ Gij hebt het juist | + | B: wat er verhandeld is Wilt | + | C: wat er verhandeld is. Wilt | + | B: verder e, zoodat de wil | + | C: verderve, zoodat de wil | + | B: gelooven zich bekeeren, enz. | + | C: gelooven, zich bekeeren, enz. | + | B: De ~K.~ Goed, maar zij die hooren | + | C: ~De K.~ Goed, maar zij die hooren | + | B: geloof en hnnne bekeering, de | + | C: geloof en hunne bekeering, de | + | B: niet" | + | C: niet." | + | B: De ~Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | C: ~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | B: geloof en bekeering genade om | + | C: geloof en bekeering, genade om | + | B: verzoenen, te regtvaardigen | + | C: verzoenen, te regtvaardigen, | + | B: iederen aan te bieden, die | + | C: iedereen aan te bieden, die | + | B: iets te beschikken,--Neen; het | + | C: iets te beschikken.--Neen; het | + | B: leerstelling die ik haast met den | + | C: leerstelling die ik haat met den | + | B: Profectie. de Schriften der | + | C: Profectie, de Schriften der | + | B: alzoo zijn zij regt zij kunne | + | C: alzoo zijn zij regt, zij kunne | + | B: laten handelen enz. daarom kunnen | + | C: laten handelen enz., daarom kunnen | + | B: toch twijfelen wij niet. of beiden, | + | C: toch twijfelen wij niet, of beiden, | + | B: dan. wie kan op eenig | + | C: dan, wie kan op eenig | + | B: verkeerd zal zijn Maar, indien | + | C: verkeerd zal zijn. Maar, indien | + | B: gij gelooft dat God zoo | + | C: gij gelooft dat, God zoo | + | B: ook doe. Zulk eene leer | + | C: ook doe." Zulk eene leer | + | B: ~De heer E~ Wat betreft te | + | C: ~De heer E.~ Wat betreft te | + | B: gemakkellijken stoel, ik erken | + | C: gemakkelijken stoel, ik erken | + | B: helpen of op te staan heb dan | + | C: helpen of op te staan, heb dan | + | B: goeden Samaritaan mogt zenden. en | + | C: goeden Samaritaan mogt zenden, en | + | B: Wij verheugen ons gerangschik te | + | C: Wij verheugen ons gerangschikt te | + | B: ze zoo Zijn; ja, wij zijn snoode | + | C: ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode | + | B: althans mijn, oordeel? want hij | + | C: althans mijn, oordeel, want hij | + | B: zegt; Hij heeft aan iedereen | + | C: zegt; Hij geeft aan iedereen | + | B: beproefde familie teontmoeten. Ik zag aan | + | C: beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan | + | B: wezenlijkheid, onbekend, onbemind | + | C: wezenlijkheid, onbekend, onbemind, | + | B: ongezocht verwaarloosd. Eenigen | + | C: ongezocht, verwaarloosd. Eenigen | + | B: woord heeft opgebouwd. en opbouwen wat | + | C: woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat | + | B: op vormen, ceremoniën, ordonantiën | + | C: op vormen, ceremoniën, ordonantiën, | + | B: genade opbouwen öf aan de andere | + | C: genade opbouwen óf aan de andere | + | B: tot de bediening. (die | + | C: tot de bediening (die | + | B: staan, hune zwaarden in de schede | + | C: staan, hunne zwaarden in de schede | + | B: Calvinist? indien de eerste, | + | C: Calvinist?" indien de eerste, | + | B: buiten ons; 2º de zaligheid | + | C: buiten ons; 2º. de zaligheid | + | B: machenerie, kan berekenen. Wij | + | C: machinerie, kan berekenen. Wij | + | B: geene week doorwerken. indien het | + | C: geene week doorwerken, indien het | + | B: spinnewiel zijn werk. aan iedere | + | C: spinnewiel zijn werk, aan iedere | + | B: fabrieken werden gesloten hare | + | C: fabrieken werden gesloten, hare | + | B: en haren oorspong, voortgang en | + | C: en haren oorsprong, voortgang en | + | B: der barmhartig'heid, die Hij te | + | C: der barmhartigheid, die Hij te | + | B: prijs zijner eingene heerlijkheid, zou | + | C: prijs zijner eigene heerlijkheid, zou | + | B: aan God toeschijven, welke hij | + | C: aan God toeschrijven, welke hij | + | B: noch tweede, toekomendo noch verleden, | + | C: noch tweede, toekomende noch verleden, | + | B: volmaakt en onverandelijk is, moet zijne | + | C: volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne | + | B: hoe onverandelijker de liefde is, | + | C: hoe onveranderlijker de liefde is, | + | B: en onverschilligheid aan haren man kleeft | + | C: en onverschilligheid aan haren man kleeft, | + | B: anderen ongehoorzaam: verdienen niet | + | C: anderen ongehoorzaam; verdienen niet | + | B: verdoemis, kan er in hen | + | C: verdoemenis, kan er in hen | + | B: voorwerp van toegenegenheid Bij denzelfden | + | C: voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden | + | B: doen groeijen, ëén haar wit of | + | C: doen groeijen, één haar wit of | + | B: blijven hunne zonden Hij had hen | + | C: blijven hunne zonden. Hij had hen | + | B: zuchten, doodangst en bloed, | + | C: zuchten, doodsangst en bloed, | + | B: Dan, Welk eene ijdele en | + | C: Dan, welk eene ijdele en | + | B: vrijen wil beter te gebriuken dan | + | C: vrijen wil beter te gebruiken dan | + | B: Faraö, Saul, Achitofelel, Doëg | + | C: Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, | + | B: hout, Gelijk de namen van de kinderen Israëls op op | + | C: hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op | + | B: 4. De laatste tak der zaligheid | + | C: 4º. De laatste tak der zaligheid | + | B: hebben overtreden, slecht _een gedeelte_ | + | C: hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ | + | B: 45 vs 25). | + | C: 45 vs. 25). | + | B: als eene uitwendige daad. | + | C: als eene uitwendige daad, | + | B: kwamen, zoo breng het predestinerend | + | C: kwamen, zoo brengt het predestinerend | + | B: van den drieënigen God ons | + | C: van den drieëenigen God ons | + | B: en moet ontledig worden; | + | C: en moet ontledigd worden; | + | B: van de onverniewde natuur des | + | C: van de onvernieuwde natuur des | + | B: spade te nemem en verscheidene | + | C: spade te nemen en verscheidene | + | B: weinige stroomtjes in hunne naauwe | + | C: weinige stroompjes in hunne naauwe | + | B: werk der genade" Alzoo maakt de | + | C: werk der genade." Alzoo maakt de | + | B: blind, even vleeschelijk, even dood | + | C: blind, even vleeschelijk, even dood, | + | B: niet. voeten, maar zij gaan | + | C: niet, voeten, maar zij gaan | + | B: Orthodox en Evengelisch, Baptist, | + | C: Orthodox en Evangelisch, Baptist, | + | B: bestaanbaarheid van wandel. onderzoek | + | C: bestaanbaarheid van wandel, onderzoek | + | B: godsdienstige gesprekken naauwgezetheid in | + | C: godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in | + | B: Hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; bij | + | C: hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij | + | B: geboord overhemd af kamt het haar | + | C: geboord overhemd af, kamt het haar | + | B: als zij gelooft zoo en, handelt | + | C: als zij gelooft en, handelt | + | B: zalig maakt?« Zoo moeten wij | + | C: zalig maakt?«, zoo moeten wij | + | B: verootmoediging; deze en dergelijke | + | C: verootmoediging;« deze en dergelijke | + | B: overtuigingen het kermend roepen, | + | C: overtuigingen, het kermend roepen, | + | B: zij trouwden eene godvuchtige | + | C: zij trouwden eene godvruchtige | + | B: van treurig stilzwijgen afwisselend berouw | + | C: van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw | + | B: Maakt?" Antwoord ik: "Waarom | + | C: maakt?" antwoord ik: "Waarom | + | B: die vraag?" Vòör men iets | + | C: die vraag?" Vòòr men iets | + | B: legaat eene erfenis, eene bezitting, | + | C: legaat, eene erfenis, eene bezitting, | + | B: bruiloft des Lams" zoo wordt | + | C: bruiloft des Lams", zoo wordt | + | B: éënen man voor te stellen, namelijk | + | C: éénen man voor te stellen, namelijk | + | B: Heere kennen. (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | C: Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | B: en _toekomende_ zaligheid. _Veledene_ | + | C: en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ | + | B: 3, 4). alle leerstellingen, | + | C: 3, 4). Alle leerstellingen, | + | B: den Drieëenigen Johovah, tenzij dat | + | C: den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat | + | B: Maar eeuwige verkiezing persoonlijke | + | C: Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke | + | B: alle bezwijkingen des, harten, alle | + | C: alle bezwijkingen des harten, alle | + | B: zaak van uit wendigen aard, wat meer | + | C: zaak van uitwendigen aard, wat meer | + | B: gezondheid van geloof wandelen in de | + | C: gezondheid van geloof, wandelen in de | + | B: ordinantien lange en standvastige | + | C: ordinantiën, lange en standvastige | + | B: noch, in éên woord, eenige enkelvoudige | + | C: noch, in één woord, eenige enkelvoudige | + | B: vs. 4, 3), terwijl Saul profeteerde, | + | C: vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, | + | B: geloofde en werd gedoopt noch in | + | C: geloofde en werd gedoopt, noch in | + | B: _natuurlijke hoop_ want daar is | + | C: _natuurlijke hoop_, want daar is | + | B: godsdienst_ want "een praatachtige | + | C: godsdienst_, want "een praatachtige | + | B: Godes" (Ps. 55, 15) Om alles | + | C: Godes" (Ps. 55: 15). Om alles | + | B: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8), Dus | + | C: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus | + | B: dat zij die gezaligd, worden, | + | C: dat zij die gezaligd worden, | + | B: zij verlost geregvaardigd, levend | + | C: zij verlost, geregtvaardigd, levend | + | B: gemaakt, geheiligd bewaard en verheerlijkt | + | C: gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt | + | B: van den Driëenigen Jehovah. Hier | + | C: van den Drieëenigen Jehovah. Hier | + | B: dat eene ziel zalig maakt?" | + | C: dat eene ziel zalig maakt?" | + | B: HeiligenGeest. Dit is de erfenis | + | C: Heiligen Geest. Dit is de erfenis | + | B: er in. eenigen van hen zijn | + | C: er in. Eenigen van hen zijn | + | B: bewijzen eenigen worden al | + | C: bewijzen; eenigen worden al | + | B: en tranen: al hunne twijfelingen, vreezen. | + | C: en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, | + | B: wisselingen en veranderingen, schuld. | + | C: wisselingen en veranderingen, schuld, | + | B: hart alles, alles dient in de | + | C: hart; alles, alles dient in de | + | B: heopenbaard worden, om hen | + | C: geopenbaard worden, om hen | + | B: door de hand van God iu de | + | C: door de hand van God in de | + | B: te spijzigen worde voor hun aangezicht | + | C: te spijzigen, "worde voor hun aangezicht | + | B: onvermend met heilige vrees, | + | C: onvermengd met heilige vrees, | + | B: worden gezegd de genade te veranderen | + | C: worden gezegd "de genade te veranderen | + | B: booze werken (Jud. 4: 12). Maar om | + | C: booze werken (Jud. 4, 12). Maar om | + | B: bereiden bodem schieten De leerstellingen | + | C: bereiden bodem schieten de leerstellingen | + | B: is deeerste _bekeering_, welke | + | C: is de eerste _bekeering_, welke | + | B: eene verandering van gevoelens een | + | C: eene verandering van gevoelens, een | + | B: beeft op zijn fronselen zij ducht | + | C: beeft op zijn fronselen, zij ducht | + | B: vrucht is _Goddelijkeid droefheid_, | + | C: vrucht is _Goddelijke droefheid_, | + | B: beproefde gekwelde en verzochte | + | C: beproefde, gekwelde en verzochte | + | B: mede-erfgenamen: in liefde tot _gezanten | + | C: mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten | + | B: tot het _Woord_ Gods. dat onze | + | C: tot het _Woord_ Gods, dat onze | + | B: wrarheid; milddadigheid tot de | + | C: waarheid; milddadigheid tot de | + | B: Laat mij eens zeggen onbevreest; | + | C: Laat mij eens zeggen onbevreesd; | + | B: is on eindelijk grooter dan de | + | C: is oneindelijk grooter dan de | + | | + +---------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + +***** This file should be named 39039-8.txt or 39039-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/3/39039/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
