diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 39039-0.txt | 2784 | ||||
| -rw-r--r-- | 39039-0.zip | bin | 0 -> 56455 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39039-8.txt | 2784 | ||||
| -rw-r--r-- | 39039-8.zip | bin | 0 -> 56307 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39039-h.zip | bin | 0 -> 268612 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39039-h/39039-h.htm | 2895 | ||||
| -rw-r--r-- | 39039-h/images/cover-th.jpg | bin | 0 -> 29850 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 39039-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 178902 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
11 files changed, 8479 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/39039-0.txt b/39039-0.txt new file mode 100644 index 0000000..d8f465f --- /dev/null +++ b/39039-0.txt @@ -0,0 +1,2784 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? + zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten + predikant en den heer Easterman met een antwoord op die + gewichtige vraag + +Author: Joseph Charles Philpot + +Translator: W Rs + +Release Date: March 3, 2012 [EBook #39039] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot | + | is verplaatst naar het eind van het gedicht. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + WAT IS HET + Dat eene Zondaar zaligmaakt? + + Zamenspraak tusschen een Kappersknecht, + Methodisten predikant en den Heer Easterman + + MET EEN + + ANTWOORD OP DIE GEWICHTIGE VRAAG + + van den WelEerw. Heer + + #J. C. PHILPOT#, + + waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten, + en daartegen over die van vrije, souvereine genade + in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste + van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd. + + + _Naar den derden Engelschen druk._ + + Vertaald door #W. Rs.# + + Met een voorwoord van den vertaler, bevattende + zijn bijzonder doel met de uitgave. + + + L. DORSMAN.—ROTTERDAM. + + + + +VOORWOORD. + + +Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1½ jaar geleden, licht +in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de +meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de +godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar +geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer +letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur +kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van +alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en +zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd +mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de +waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te +zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in +zichzelf. + +Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere +blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook +moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke +onkunde voortgesproten.—Onder anderen herinner ik mij eenen strijd +voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door +het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de +Bazuin.—Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij +dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden +ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne +bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer +van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing, +roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars, +door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon. + +Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging +openlijk uit te spreken;—doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen +den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik +tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de +godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap +ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door +misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de +ellendigen en nooddruftigen te bedroeven. + +Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend +geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende +overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist +om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit +werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen +en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne +hand. + +Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan één oogmerk te kunnen +bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite +stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H. +Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken, +die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve +ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter +vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm +in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid +en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen +verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije, +souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar +integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest +wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen +terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan, +dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels +roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit +volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij +niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal +den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde +dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij +kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid +enz., het koningrijk Gods niet ingaan. + +En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van +genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun +heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet +zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) „Zoovelen Hem +aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden,” +maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt: +„_namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, +noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God +geboren zijn_,” opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vóór +de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.—Mogten vooral de +zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften +onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen! + + DE VERTALER. + + + + + I. + + ~#Zamenspraak#~ + + OVER DE VRAAG: + + #Wat is de oorzaak van de + Zaligheid des Menschen?# + + + + +VOORREDE + + + Waarde Vrienden! + +Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had +opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet +komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? +Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen +mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, +en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel +zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks +gedaan hebben.—Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid +ontvangen en behartigd worden door + + Uwen zeer verpligten Dienaar + + Een Kappersknecht. + + + + +ZAMENSPRAAK. + + +~De Kappersknecht.~ Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn +beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.—Spoedig daarop kwam de +heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen +hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te +wachten op mijns meesters terugkomst.—Even daarna kwam een Methodisten +predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus +aansprak: + +~De Predikant.~ Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat +uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt +uit! + +~De K.~ Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen +morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid +had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is +waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij +weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij +zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken +vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij +zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, +om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te +wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, +daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe +hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig +onderrigt te geven? + +~De Pred.~ Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen +onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,—maar ik ben +eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst +verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om +over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door +zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en +inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op +u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. +Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de +andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, +om van mij onderwijs te behoeven. + +~De K.~ Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet +altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het +oude spreekwoord blijft waar: „zoo lang wij leven moeten wij leeren”. + +~De Pred.~ Gij hebt gelijk;—ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet +ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat +gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten? + +~De K.~ Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te +zijn: _Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf +bevrijdt?_ + +~De Pred.~ Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet +onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet +ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele +zaken, met elkander vereenigd. + +~De K.~ Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of +twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd +in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om +uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn. + +~De Pred.~ Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig +mijne gedachten over zeggen. + +~De K.~ Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat +de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, +van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den +mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten +eeuwigen leven? + +~De Pred.~ Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde +de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen +uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.—Maar +wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk +beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet +alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien +overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: „als de kinderen nog +niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het +voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve,” moet dat niet +verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden +en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van +eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der +zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij +al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de +verdoemenis.—Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen +van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley, +Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig +betwist wordt.—Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den +onloochenbaren standaard der waarheid te zijn. + +~De K.~ Goed, hierin versta ik u zeer wel.—Maar zijn er niet eenigen, +die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig +worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn +en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een +voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen +de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.—Hij zag +hen later de voorwaarden verwerpen.—Verordineerde Hij hen eerst ten +leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en +verworpen? + +~De Pred.~ Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, +dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig +zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen +en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn +„opregt geloof” zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne +gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook +voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij +hen.—Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, +volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien +kan.—Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is +verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden. + +~De K.~ Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de +verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is? + +~De Pred.~ Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven +op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de +bevrijding des menschen van de zonde. + +~De K.~ En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, +dood en opstanding? + +~De Pred.~ Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle +ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den +boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God +gebragt. „Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed.” Dit is de taal der +Schrift over het einde der verlossing. + +~De K.~ En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die +verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom? + +~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk individu van het menschelijk geslacht. +„Hij gaf zich zelven voor allen,” „was een rantsoen voor allen,” +„stierf voor de zonden der geheele wereld,” „smaakte den dood voor +alle menschen,” enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo +enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van +het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat +Hij voor allen te gelijk stierf. + +~De K.~ Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij +dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: +_hoe een zondaar gezaligd wordt?_ Indien Christus voor allen stierf, hen +van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, +dan is dit zeker _de verlossing door Christus_ en regtens zullen alle +menschen zalig worden. + +~De Pred.~ Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. +Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, +de ~voorwaarden~ die door den mensch moeten volbragt worden om de +verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in +zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen +God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid +door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet +toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen +u ten gids zijn. + +~De K.~ Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om +de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen +dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij +mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het +kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor +allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen +geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden +volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon +zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. +Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden? + +~De Pred~. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door +hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne +verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door +het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen +veelvoudig vermeerderen. + +~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks +te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren +zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen +zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als +wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende +als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de +Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet +ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus +voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch +zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden +gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus +dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis +voortbrengt. + +~De Pred~. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte +voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig +worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben +willen hooren? + +~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij +herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe +gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods. + +~De Pred~. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering. + +~De K.~ En waardoor roept Hij de menschen daartoe? + +~De Pred~. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of +andere wijze geeft om winst mede te doen. + +~De K.~ En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen +in staat stelt om de geboden Gods te betrachten? + +~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben +genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden +gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade +ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen +verharden zich en blijven in hunne zonden. + +~De K.~ En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade +om hunne zielen te behouden? + +~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt +geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle +hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke +zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden. + +~De K.~ Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, +de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.—En indien zij al +deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn +het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik +zalig worden. + +~De Pred.~ Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken +deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het +andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij +ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden +ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne +aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren +weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren. + +~De K.~ Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en +twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik +bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien +kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid +ligt, Mijnheer ~Easterman~, gij zijt tot hiertoe stil geweest, +ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij +zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen? + +~De heer E.~ Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw +gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die +zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de +predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar +zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des +menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede +wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij +ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten +verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing +is. + +~De K.~ Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó +zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind +waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand +ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren. + +~De heer E.~ Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en +ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing +door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle +menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den +vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk +verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing +ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch +ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, +indien niet, hij mist het. + +~De K.~ Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars +zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de +middelen, die Hij heeft voorgeschreven? + +~De heer E.~ Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want +hij zegt, God roept _alle_ menschen, en eenigen, wanneer zij hooren, +gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van +God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets. + +In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval +is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen +die hooren en gehoorzamen. + +~De K.~ Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen +wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest +des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in één woord: +zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht +des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de +vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak +der zaligheid zijn. + +~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt +hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods +staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij +den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het +goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus +deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo +dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het +goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,—alles +wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,—al wat God de Geest +gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,—en de volbrenging der +voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, +want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden +doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de +zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: „Bij mij is het +niet.” + +~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want +waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in +eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen +Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; +en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, +want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot +de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder +boven den Zoon achten?—Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien +van de heiligen zal ik mij wenden? + +~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen +vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter +bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch +hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer +dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer +God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op +de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus +verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of +de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des +vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil +des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, +benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des +vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet +gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien +tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches. + +~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van +ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des +vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren +dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen +kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het +licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: „dat +een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een +ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch +verrigten.” En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel +van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, +maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee +talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God +hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, +zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de +bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt. + +~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den +kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; +maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het +volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches +zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo +zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want +gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde +wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft +hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de +roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die +men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest +Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade +in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een +schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de +verdoemenis. + +En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, +want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst +mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij +zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om +den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, +ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad +zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent +moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u +of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vóór hij het +talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is, +slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het +talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt +het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; +doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en +niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet +toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches +vóór hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op +aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor +u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, +dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet? + +~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de +zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons +zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen +der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling +der conditiën en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles +gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen +worden. + +~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de +wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, +en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatiën +met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen +en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem +behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven +tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen, +te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen +schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid +voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, +moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, +dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en +een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het +iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon +velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen +zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat +een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en +gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des +geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en +verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de +taal der wijze maagden tot de dwazen: „Niet alzoo, opdat er misschien +voor ons en voor u niet genoeg zij,” want ik heb niet meer genade dan +om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt +zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade +te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het +alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem +zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen +troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven? +Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en +zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten? +En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: „die man is +een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het +begeert, heeft hij niets om te geven.” Laat mij u raden, uwe spotternij +te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die +het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch +u de eer geven over iets te beschikken.—Neen; het is Zijne eigen regt +en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne +genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt. + +~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een +Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, +die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid +is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den +grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of +iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij +prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en +gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, +prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen +vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen +in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen +ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen. + +~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer +van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele +pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik +ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen +van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in +andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is +niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch +Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere +Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.—Ik schaam mij niet te +bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, +vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten +Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden +worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: „Indien zij het regt +hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben,” zoo algemeen in de monden +der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt +voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien +God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig +kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen +niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat +engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch +de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft +den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade +vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet +verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot +een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij +zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij +het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog +toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch +gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in +Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot +God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te +bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen +wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne +zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene +zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: „de +vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven,” en +de vrouw: „die slang heeft mij bedrogen” enz. Maar wij hooren geen van +beiden zeggen: „Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en +tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar +daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te +vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn.” Tot zulk eene +diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Simeï vloekte David; +toen zeide Abisai tot David: „Laat mij toch overgaan en zijnen kop +wegnemen.” „Neen,” zegt David, „de Heere heeft toch tot hem gezegd: +vloek David.” Nu, had iemand Simeï verweten den gezalfde des Heeren +gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo +mogt hij geantwoord hebben: „God besloot mij toe te laten om David te +vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God +bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, +kan ik geen onregt doen in de uitvoering.” Doch wij lezen niet dat Simeï +zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. +De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, +zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, +naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods +hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide +Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden +van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: +„Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, +deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon +niet uitgevoerd zijn.” Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie +tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt +werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering +zijn gekomen om te zeggen: „Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen +ongelijk hebben.” Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God +ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, +om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze +geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij +invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te +hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de +Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te +misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als +waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden, +de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het +ongelijk te zijn, „van welke het einde zal zijn naar hunne werken!” Wij +gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne +eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen +bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door +welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen +zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God +niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het +ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot +het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds +verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden +of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en +dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het +onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde +dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen +bevonden worden. + +Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik +zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het +voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij +moet weten wat gij gelooft. Maar „o mensch! wie zijt gij, die tegen +God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, +zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?” + +~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer +broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij +niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten +Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, +want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade +zal behouden, zult gij zeggen: „Indien God mij hebben wil, zal Hij mij +wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik +ook doe.” Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den +mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte +harten hebt. + +~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles +werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een +gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch +af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof +te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet, +en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal +komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de +aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat, +wanneer Hij henen zou gegaan zijn,—Hij wederkomen zou en hen tot +zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij +in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond +en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons +voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe +roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan +medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen! +En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en +Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in +onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, +ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te +verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen +zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch +geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij +uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar +zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt +de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen +kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst +kunnen slaan en uitroepen: „O God, wees mij zondaar genadig!” of „Red +ons Heere! wij vergaan!” Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde +aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in +hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: „Laat ons het kwade doen, +opdat het goede daaruit voortkome.” Wij verheugen ons gerangschikt te +worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij +onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn +geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door +denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in +zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk +deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van +den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen +zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden +van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt +eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat +zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate +verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. +Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant +der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat +ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is +ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig. +Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd +worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der +waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag +zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den +weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze +zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want +wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont. + +~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook +de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen +stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne +woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van +Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar +welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen? + +~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, +geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is +althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe +stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want +gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet +uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus +alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de +voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij +gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. +Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en +eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, +gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met +God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder +onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan +onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des +zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, +want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; +niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle +menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de +roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij +zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het +geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal +verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze +dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. +En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des +vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude +verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat +dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken? + +~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij +thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept. + + + + + II. + + EEN ANTWOORD + + OP DE + + ~GEWICHTIGE VRAAG~: + + #Wat is het, + dat eene zondaar zalig maakt?# + + DOOR + + #J. C. PHILPOT.# + + + + +VOORREDE. + + +Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: +„Zamenspraak enz.,” ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een +antwoord te geven op de gewigtige vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?” welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige +bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al +schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam +en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in +het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de +verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er +mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het +vereischte, wat ik niet kon leveren,—bladzijden uit het leven en de +bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften +van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden +verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind, +ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten +Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de +letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der +genade die, óf nooit spraken van de zaligheid inwendig, óf indien zij er +al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, +die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij +eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog +ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die +uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat „de +wijsheid met hen sterven zoude,” (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God +in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. +Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremoniën, ordonantiën, +bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere +uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud +en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich +bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden +als bewijzen van genade opbouwen óf aan de andere hand eene algemeene +haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de +in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het +onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, +diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt +betreden óf nimmer aangeroerd, óf indien al ondernomen dat in te gaan, +zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat +hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. +Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van +hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die +of rustende waren op vroegere bevinding óf zoo als zij het noemden +bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging +in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de +letter-Calvinisten dezer dagen. + +Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor +zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen +en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de +bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze +nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van +vrienden komen. De vraag scheen te zijn: „Zijt gij een Arminiaan of een +Calvinist?” indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste +een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van +levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat +zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten +dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende +godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de +schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik +mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, +te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste +bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens +mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking +mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden +zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het +geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te +vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, +met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze +zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen +overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men +kennen en bezitten moet vóór men het koningrijk der hemelen kan ingaan. + + J. C. PHILPOT. + + + + +WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT? + + +Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, +op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en +de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, +die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende +oordeel,—wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende +ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de +alles omvattende vraag: „Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?” +(Job. 9 vs. 2). + +Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder +twee hoofdpunten beschouwen. 1º. De zaligheid beschouwd als eene daad +buiten ons; 2º. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de +eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden +voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de +Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, +mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, +„om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen +leugen is.” (1 Joh. 2 vs. 27). + +1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene +handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad +voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van +het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren +ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering +van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart +van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de +wijsheid en magt van den drieëenigen God, welke ooit het schepsel kan +ten uitvoer brengen. + +Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed +oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, +geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen +verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan +van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van +het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste +Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en +het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk +machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die +voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best +ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag +zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring +te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens +eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar. +In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in +twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst +magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben, +evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben? +Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en +zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de +magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot +en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed +overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren, +geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven +om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche +katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf +bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder +spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En +toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den +alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in +het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke, +indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk +zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare +uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene +woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden. + +Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet +naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder +zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in +twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet „naar den +raad van zijnen eigen wil,” zoo is het duidelijk dat de zaligheid of +verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. +Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven +kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een +deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de +beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen +zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen +bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, +maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de +onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed +geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, +een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit +rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft +hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het +werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is +gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk +van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die +loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk +deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het +voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid +van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen +en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van +ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen, +dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed +mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en +elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet +begrijpen kon. Indien verlossing als één geheel, een plan is, waarin de +grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van +dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt +dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt +af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons +naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen +zijn, zullen wij het doen van het geheel. + +1º. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van +de heerlijkheid van den Drieëenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar +zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring +daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De +oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den +kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke +Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te +openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom +tot dezelfde bron worden opgespoord. „Tot prijs _der heerlijkheid zijner +genade_,” zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), „door welke Hij ons begenadigd +heeft in den Geliefde,” en wederom vers 12: „opdat wij zouden zijn tot +prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En +opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten +der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid,” +(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des +menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en +bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid +bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het +daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, +die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand +konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, +bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar +dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij +zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En +indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en +te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen +erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de +teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het +ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap +verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd +kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit +deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der +aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons +teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen +voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle +dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij +zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid +aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude +toekennen. + +2º. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als +een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene +opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan +heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in +eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne +eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid +en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig +gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger +noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede +beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak +verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke +onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen +in zich behelst. + +_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah +volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur +zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde +is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, +gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, +vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te +zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in +spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft, +die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, +schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt +gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke +liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en +hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart +innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij +evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de +onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee +voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. +Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid +afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen +met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot +de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van +omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en +ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en +indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. +Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt +lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan +alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Faraö, Saul en Judas lief? Hij zegt +ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze +haat was, vóór dat de kinderen geboren waren en vòòr zij iets goeds of +kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit +komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen +beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen +kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet +eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk +gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en +verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien +eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig +gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak +van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat +ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal +de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij +altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen +de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt, +in één woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief +heeft. + +3º. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. +Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het +betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar +betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door +uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, +even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de +andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de +uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij +doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij +ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard +meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_ +daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de +liefde van Christus; „Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven +voor haar overgegeven.” (Eph. 5: 25). „Die mij lief gehad heeft,” zegt +Paulus, „en zich zelven voor mij overgegeven heeft.” (Gal. 2: 20). +„Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons +gesteld heeft.” (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van +liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt +en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het +uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter +dan de beweegreden. + +Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het +de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd +door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt +zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en +toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den +veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? +Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij +een enkel grasscheutje doen groeijen, één haar wit of zwart maken? Is de +medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen? +Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels +werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen +ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd +worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing +algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand +verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf, +zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was +te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open. +Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief, +had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te +bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden +te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten +hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak—en na dit alles kan Hij +hen niet verlossen,—na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke +betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed, +sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus +wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid? +Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij +alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen +Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan? +Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat +eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het +uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des +menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat +Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des +ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden +van Sodom en Gomorra; van het leger van Faraö dat in de roode zee +verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de +zeven vervloekte volken van Canaän en van allen die in den algemeenen +zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd +hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het +kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de +verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden +der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren +magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) „dat de zoodanigen zijn +voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs,” +Paulus zegt: „dat zij vernield zijn van den verderver.” (1 Cor. 10 vs. +10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor +deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, +er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn +dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de +verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie +Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de +algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten +gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken +zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste +voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, +die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. +En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen +zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan +zij deden op aarde, en één uur ondervinding van den brandenden poel +heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus +behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, +als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten +hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen +van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien +Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang +ontvolkt van zijne aloude bewoners. Caïn, Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, +Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods, +zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus +voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is +eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder. + +Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat +Christus „zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd +overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn +eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf”; en +de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam +op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op de borst des +Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat +Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen +Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en +ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, +voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in +ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de +zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en +onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der +menschheid, en dus werd Immanuël, God met ons, de algenoegzame +Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren. + +4º. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog +zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God, +zijnde tot allen en over allen, die gelooven. + +De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, +kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. +Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, òf door den mensch +wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo +moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in +alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan +is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of +voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. +Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle +menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor +God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks +(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel +het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de +bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_ +de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan +moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden +voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Israël alleen +is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes. +45 vs. 25). + +2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad, +als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke +overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen +aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vóór wij eenig aanwezen +hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk +de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den +boom, vóór zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend +voornemen van den drieëenigen God ons in aanwezen, opdat wij de +voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen +wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah. + +En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht +_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk +en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene +werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam +wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom +was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd. + +God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame +stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige +wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van +uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. +„Met welke Hij overvloedig is geweest over ons,” zegt Paulus, „in +alle wijsheid en voorzigtigheid.” God stelt dus zijn volk in zijne +bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen +die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden +vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die +weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst +hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de +ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft +hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en +eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke +verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde +en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn. +En gelijk de eik niet in éénen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar +jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen +noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden +wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, +zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking +noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en +krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vóór dat de ziel iets omtrent +de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de +natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. +Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker +geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd +worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. +Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in +wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; +vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij +haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver +verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, +vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en +onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan +alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene +uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van +wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de +gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk +bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig +bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van +inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het +land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke +natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman +kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13: +23). + +Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk +is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te +vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne +geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te +bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering +te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, +door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke +liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in één woord, alle natuurlijke +godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren +verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek +inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft +eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en +in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en +blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich +dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, +om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor +de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, +eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, +verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van „bekeering, +wedergeboorte en een werk der genade.” Alzoo maakt de eene een +kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor +het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor +besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor +eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar +na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de +stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, +even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood, +even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het +koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur +te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, +te versieren, in één woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. +Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatiën worden +gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit +het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken +van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan +eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende +godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft +oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij +tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door +hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist, +Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede +werk. „De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En +de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, +dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is +goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.” +(Jes. 41: 6, 7.) + +Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van +leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van +ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek +des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid, +godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het +Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en +heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden +wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in +goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen +van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte +en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God +is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en +zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij +rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som +gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en +dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg +gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk +gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens +het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen. +Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij +moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding, +gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept +worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne +ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt +om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware +er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de +voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij +bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt +zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij +dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne +bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte +waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo +als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt +„bekeering en besliste vroomheid” genoemd, terwijl er in de ziel van den +armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof +of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd +verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel; +Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel +niet, vóór Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij +neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament +van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een +verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk +hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een +steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te +bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder +te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout +naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den +anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig +God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil +geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap +op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach. +3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen +bekleed werd. Alzoo gaat dooden vóór levend maken, armoede vóór +rijkdom, bedelarij en den mesthoop vóór de erfenis van den troon der +heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen, +en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder +de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen +met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en +eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen +uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet +in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan +als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag +beantwoorden: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?”, zoo moeten wij +vooraf wel verstaan, dat het woord „zaligmaken” in zich bevat, een +voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene +ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande +verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van +dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk +toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als +eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid, +eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit +zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt, +stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene +bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat +men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het +gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging +van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne +ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen +den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van +een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige +waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die +belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. „Ga naar Christus; +zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen +wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij; +wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat +der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe +kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat +alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in +verootmoediging;” deze en dergelijke vermaningen worden van duizende +kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid. +Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende +overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere +uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid, +de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in één woord, al deze +inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden, +worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze +dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op +gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel +verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet +worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden +noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en +predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom +van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige +ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt; +of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun +in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van +de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige +vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en +dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in +gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard +der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk +der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan +verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder +zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor +hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij +ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij +trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen +welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken +over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld, +de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven +en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende +hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de +oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid, +en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel? +Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden +van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld, +opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en +hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende +en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze, +hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk +bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren +last der zonde, het neérdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van +ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en +hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten, +vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en +al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch +hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne +prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de +verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt +dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost +te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn. +Daarom, indien iemand mij vraagt: „Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?” antwoord ik: „Waarom doet gij mij die vraag?” Vòòr men iets van +verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien +gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij +mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog +lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord +op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te +scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is, +dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene +andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag +niet antwoorden. + +De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat +de hand van een Drieëenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is +een legaat, eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige +wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene beërving +van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot +eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven, +de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen +gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de +tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift +altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van +„het wijf des Lams” en „de bruiloft des Lams”, zoo wordt de kerk gezegd +„tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen van gouden +borduursel,” gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader +tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van +„ondertrouw” welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging. +„Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw,” +(Jer. 2: 2); „ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan +éénen man voor te stellen, namelijk Christus.” (2 Cor. 11: 2). Zoo was +Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1: +18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene +onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde +zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene +overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien +zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in +zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De +deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit +gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven +en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; „Ik zal u mij +ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en +in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij +zult den Heere kennen.” (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid +beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in +_verledene_, _tegenwoordige_ en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ +zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des +Lama, van voor de grondlegging der wereld. _Tegenwoordige_ zaligheid +bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar +ondertrouwt. En _toekomende_ zaligheid bestaat in de eeuwige genieting +van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van +Christus zullen aanzitten en altijd met den Heere zullen zijn. Gelijk +nu niemand de _toekomende_ zaligheid zal genieten, die geen deel heeft +in de _verledene_ zaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit +met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is +geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand +de _toekomende_ zaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot +van de _tegenwoordige_ zaligheid;—met andere woorden, niemand zal voor +eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet +ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de +gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid +een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: „Ontvang dit +stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw +zult worden.” En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze +ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst +zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel +door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot +dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus +hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer +was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het +hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tweeën scheurt van boven tot +beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als +een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft +Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene +openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich +hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De +partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlinge liefde +en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel, +in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige +beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde, +hebben plaats tusschen de ziel en Hem. „Deze zal zeggen ik ben des +Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met +zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren.” (Jes. 45: 5). In deze tijden +„in den dag van des konings bruiloft,” (Hoogl. 3: 11), is de taal der +ziel. „Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne +vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de +liefde is zijne banier over mij.” (Hoogl. 2: 3, 4). Alle leerstellingen, +begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantiën en ceremoniën, bij gemis +van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en +als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden +van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor +de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het +verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat +is de eeuwige liefde van den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat eeuwige +liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is +de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in +het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in +den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods +dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in +mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te +geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in +de hel. Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke verlossing, toegerekende +geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden +keten van den troon Gods nedergelaten in de ziel; de schoonheid, +heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken, +verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de +ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus +alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle +ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen +van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten +en tranen, alle bezwijkingen des harten, alle voorgevoel van den dood +en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste +zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in +den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen +van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een +krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En +wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben +als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde, +gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der +hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist, +of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch +is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan +het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van +zijn gelaat. Iedere zaak van uitwendigen aard, wat meer is, de waarheid +zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen +gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof, wandelen in de +ordinantiën, lange en standvastige belijdenis en alles van slechts +uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet +meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel +regt op den hemel geven, dan den eed van een vloeker of de ontuchtige +redenen eener hoer. + +Indien ons dan gevraagd wordt, „wat is het dat eene ziel zalig maakt?” +antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij +gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, +die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te +stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht +bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, +gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; +noch, in één woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van +zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte +des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging +der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk +geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te +willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch +lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid +aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke +godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen. +Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in +wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid, +wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en +hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en +worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve +of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen +gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want „de +luijaard begeert en heeft niet,” noch in _tranen_ want „Ezau weende met +een zeer groot en bitter geween,” (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_, +want „velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen,” (Luk. 13: +24), noch in _willen_ want „het is niet desgenen die wil,” noch in +_loopen_, „het is niet desgenen die loopt” en „in de loopbaan loopen +allen, maar een alleen ontvangt den prijs.” Ook bestaat de zaligheid +niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan „de +hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding,” (Hebr. +6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van +Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in +_natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in +_natuurlijke hoop_, want daar is „de hoop des huichelaars die verdwijnen +zal;” noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een „wandelen +in de spranken van ons eigen vuur;” noch in _ijdel vertrouwen_, want +„de zot is oploopende toornig en zorgeloos;” noch in het _spreken over +de godsdienst_, want „een praatachtige dwaas zal vallen;” noch in _dat +anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van +Demas (Phillem. 24), „die de tegenwoordige wereld lief kreeg” (2 Tim. 4: +10), noch daarín, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_, +daar David „zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap +wandelde ten huize Godes” (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de +zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch, +menschelijks en natuurlijks, want „het vleesch is niet nut” (Joh. 6: +63), en „niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de +kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.” (Rom. 9: 8). Dus +niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven +voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch +is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven +geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger +of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden, +gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, „dat Hij barmhartig is, +dien Hij barmhartig zijn wil” en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen +behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne +eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig +en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend +gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de +voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieëenigen Jehovah. Hier +is dan het antwoord op de vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?” +1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, +in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God +den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den +Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als +eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit +is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze +zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken +toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de +zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de +ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende +geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op +de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden +gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen +Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder +aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen +der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich +af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde, +anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden +gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, +en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den +ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van +wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, +anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen +vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des +satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam +door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker +gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en +verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van +gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; +eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de +bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd +en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods +niet op hen ligt. + +Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan +de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in +dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene +_bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, +eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld +pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen +bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, +ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, +zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, +verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne +beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al +hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld, +veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord, +al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos +hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot +dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid +van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet +geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden. + +Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier +beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, +welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er +voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing +iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem +zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond +kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden +wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de +leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de +ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren +in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar +zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. „Hunne tafel,” +dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden +te spijzigen, „worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle +vergelding tot een' valstrik,” (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste +belijders, van „vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf +zonder vrees.” Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in, +onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en +een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters +nu worden gezegd „de genade te veranderen in ontuchtigheid en den +eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen,” +dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke +menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken +tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen +waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De +stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, +en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, +zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare +natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, +omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf +uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen +der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs +natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld +is, waar het woord des levens ontvangen wordt „in een eerlijk en goed +hart” (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning +van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn +Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen +der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door +den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht +voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze +is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten, +eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een +keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije +genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot +opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis +tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende +tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht +zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne +kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht +van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit +eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke +kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen +uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke +godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van +onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden +onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, +in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en +nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_, +die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich +openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen +over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn +door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, +smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en +van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet +meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit +wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking +van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde +en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God +aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs +weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, +bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en +houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het +om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing +komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde +tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en +langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, +weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot +_Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, +als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot +de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en +mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers +van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers +onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en +ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot +de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze +harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot +tijd bemoedigd hebben. + +Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de +leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder +eenigen twijfel voortbrengen. + +Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige +zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van +eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der +waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk; +algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de +kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in +nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één +woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des +Evangelies. + +Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de +leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden +Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, +genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne +gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem +te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, +flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem. + +En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke +zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld +op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre +van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke +vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, +uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en +alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan +bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom +hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, +die een verteerend vuur is. + + ~AMEN.~ + + + + +HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH. + + + O[1] God wat is het schoon en zoet, + Wanneer men uwen wille doet, + En van uw wegen niet en glijd, + Ter rechter noch ter linker zijd'. + + Maar ach! wat is 't een zware last, + Dat ons de zond' zoo ligt verrast, + En brengt ons, buiten ons' vermoen. + Om tegen u gebod te doen. + + Hoe zou mijn harte zijn verlicht, + Zoo mijnen weg mocht zijn gericht + Om te bewaren uwe Wet, + Die gij den mensch hebt ingezet! + + Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn + Alzoo beschaamt niet langer zijn, + Wanneer ik zoude merken, maar + Op uw geboden allegaar. + + Och! dat mij zoo de zonde boeid, + Dat ik niet vrij en ongemoeid + Hier loopen mag in mijne baan, + Ach dat ik moet zoo langzaam gaan! + + Een oprecht willen tot het goed + Bevind ik wel in mijn gemoed, + Maar aan 't volbrengen mij het schort, + En daar in koom ik veel te kort. + + Den ouden mensch noch in mij leefd, + Die mijnen geest steeds wederstreefd, + En doet mij zulk een groot geweld, + Dat ik niet weinig ben ontsteld. + + Inwendig heb ik groot vermaak + In uwe Wet; maar (droeve zaak!) + 't Vleesch tegen mijnen geest zich kant, + En neemt ook somtijds d' overhand. + + Het goede dat ik zeer bemin, + En garen wil met hart en zin, + Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad + Dat mijne ziel verfoeid en haat. + + Och ik elendig droevig mensch! + Wie zal mij geven mijnen wensch, + Dat ik eens moge zijn bevrijd + Van dezen mijnen zwaren strijd! + + O Jezus! gij die alles werkt, + En die verslagen harten sterkt; + Geeft dat den ouden mensch verhuist, + En laat mij zijn met u gekruist. + + Want gij voor ons gestorven zijt, + Opdat wij zouden 't aller tijd + Der zonder lichaam doen te niet, + En niet meer volgen haar gebied. + + Laat mij eens zeggen onbevreesd; + Nu leev' ik eenmaal na den geest, + Ik leve nu alzoo niet meer + Gelijk ik heb gedaan wel eer. + + Maar Christus zelve leefd in mij, + Die maakt mij van de zonden vrij: + Is 't vleesch schoon niet volkomen dood. + Zoo vrees ik nochthans geenen nood. + + 'k Heb Christum door 't geloof gevat, + Die mij heeft eeuwig lief gehad, + En voor mij door zijn dood voldaan: + Wat zal mij dan noch tegenstaan? + + Hier op wil ik vertrouwen vast, + Tot dat ik van des lichaams last + Zal zijn verlost, en vleesch en bloed + Niet zal ontrusten mijn gemoed. + + God heeft belooft met eige stem, + Dat in het nieuw Jeruzalem + Gerechtigheid haar wooning heeft, + En niets het welk ontuchtig leeft. + + Daar zal ik doen, mijn God! en Heere! + Al wat ik wil, na mijn begeere; + Want ik en zal dan willen niet + Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied. + + Och dat ik haast mocht komen daar! + Och dat doch haast verschenen waar + Die zal'ge lang gewenschte tijd! + Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd! + + Hoe zullen wij U dienen Heere, + Wanneer geen vleesches zwakheid meer + Ons ooit kan brengen tot den val, + Noch zonden-strijd meer wezen zal! + +[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet, +is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere +voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer +Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen +volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de +hoogste verlusting onzer zielen wezen. + + + + +BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING. + + + Ik kom, O God! voor u belijden, + Mijn zwakheid, die aan allen zijden + Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt: + 't Zijn dikwijls heel geringe zaken, + Die mij mismoedig konnen maken + En mij bestormen met gewelt. + + Ik stel mij voor, iets uit te werken, + En mij kloekmoedig te versterken, + Maar, als de minst aanvechting koomt, + Ben ik benauwt en gantsch verslagen; + En kan niet anders doen dan klagen, + Dat zoo mijn krachten zijn getoomt. + + Och wat een strijd voel ik van binnen, + Wanneer ik mijn gemoed en zinnen + Tot u omhoog te heffen meen, + Dat dan het vleesch mij komt bespringen, + om mijn gewill'ge geest te dringen + Met forsche krachten na beneen! + + En ziet eens aan met mededogen + Mijn broosheid en mijn zwak vermogen: + Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer + Haar aan het stof gevoelt te kleven, + Doch schenken nieuwe kracht en leven + Na uw getrouwe woord, o Heere! + + Wilt mijnen geest doch maken sterker, + Zoolang hij in des Lichaams kerker + Hier dus elendig leven moet; + Tot dat mij eens na deze dagen + Den ouden mensch niet meer zal plagen, + Die nu mij zoo veel moeit' aandoet. + + SLUITER. + + + + + +---------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) — Correctie (C:) | + | | + | B: letterkennes en toestemming | + | C: letterkennis en toestemming | + | B: kinderen Gods te worden.” | + | C: kinderen Gods te worden,” | + | B: eeuwigdurend gewigt is Maar het is | + | C: eeuwigdurend gewigt is. Maar het is | + | B: ontvangen tot verniêuwing des harten, | + | C: ontvangen tot vernieuwing des harten, | + | B: verkrijgen, enz die in de | + | C: verkrijgen, enz. die in de | + | B: verwerpen.—Verordîneerde Hij hen eerst | + | C: verwerpen.—Verordineerde Hij hen eerst | + | B: De ~K.~ Te regt, Mijnheer! | + | C: ~De K.~ Te regt, Mijnheer! | + | B: De ~Pred.~ Verlossing is een | + | C: ~De Pred.~ Verlossing is een | + | B: De ~K.~ En waarvan wordt de | + | C: ~De K.~ En waarvan wordt de | + | B: De ~Pred.~ Van den vloek der | + | C: ~De Pred.~ Van den vloek der | + | B: De ~K.~ En inderdaad eene aangename | + | C: ~De K.~ En inderdaad eene aangename | + | B: De ~Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | C: ~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | B: menschen.” enz. zoo als | + | C: menschen,” enz. zoo als | + | B: De ~Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | C: ~De Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | B: verdoemenis. Vreesselijk zal het zijn | + | C: verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn | + | B: De ~K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | C: ~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | B: De ~Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | C: ~De Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | B: De ~K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | C: ~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | B: De ~Pred~. Gij meent de roeping | + | C: ~De Pred~. Gij meent de roeping | + | B: De ~K.~ En waardoor roept Hij | + | C: ~De K.~ En waardoor roept Hij | + | B: De ~Pred~. Door zijn woord en | + | C: ~De Pred~. Door zijn woord en | + | B: De ~K.~ En is deze roeping | + | C: ~De K.~ En is deze roeping | + | B: De ~Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | C: ~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | B: De ~K.~ En verkrijgen degenen | + | C: ~De K.~ En verkrijgen degenen | + | B: De ~Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | C: ~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | B: ~De Pred~ Gij hebt het juist | + | C: ~De Pred.~ Gij hebt het juist | + | B: wat er verhandeld is Wilt | + | C: wat er verhandeld is. Wilt | + | B: verder e, zoodat de wil | + | C: verderve, zoodat de wil | + | B: gelooven zich bekeeren, enz. | + | C: gelooven, zich bekeeren, enz. | + | B: De ~K.~ Goed, maar zij die hooren | + | C: ~De K.~ Goed, maar zij die hooren | + | B: geloof en hnnne bekeering, de | + | C: geloof en hunne bekeering, de | + | B: niet” | + | C: niet.” | + | B: De ~Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | C: ~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | B: geloof en bekeering genade om | + | C: geloof en bekeering, genade om | + | B: verzoenen, te regtvaardigen | + | C: verzoenen, te regtvaardigen, | + | B: iederen aan te bieden, die | + | C: iedereen aan te bieden, die | + | B: iets te beschikken,—Neen; het | + | C: iets te beschikken.—Neen; het | + | B: leerstelling die ik haast met den | + | C: leerstelling die ik haat met den | + | B: Profectie. de Schriften der | + | C: Profectie, de Schriften der | + | B: alzoo zijn zij regt zij kunne | + | C: alzoo zijn zij regt, zij kunne | + | B: laten handelen enz. daarom kunnen | + | C: laten handelen enz., daarom kunnen | + | B: toch twijfelen wij niet. of beiden, | + | C: toch twijfelen wij niet, of beiden, | + | B: dan. wie kan op eenig | + | C: dan, wie kan op eenig | + | B: verkeerd zal zijn Maar, indien | + | C: verkeerd zal zijn. Maar, indien | + | B: gij gelooft dat God zoo | + | C: gij gelooft dat, God zoo | + | B: ook doe. Zulk eene leer | + | C: ook doe.” Zulk eene leer | + | B: ~De heer E~ Wat betreft te | + | C: ~De heer E.~ Wat betreft te | + | B: gemakkellijken stoel, ik erken | + | C: gemakkelijken stoel, ik erken | + | B: helpen of op te staan heb dan | + | C: helpen of op te staan, heb dan | + | B: goeden Samaritaan mogt zenden. en | + | C: goeden Samaritaan mogt zenden, en | + | B: Wij verheugen ons gerangschik te | + | C: Wij verheugen ons gerangschikt te | + | B: ze zoo Zijn; ja, wij zijn snoode | + | C: ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode | + | B: althans mijn, oordeel? want hij | + | C: althans mijn, oordeel, want hij | + | B: zegt; Hij heeft aan iedereen | + | C: zegt; Hij geeft aan iedereen | + | B: beproefde familie teontmoeten. Ik zag aan | + | C: beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan | + | B: wezenlijkheid, onbekend, onbemind | + | C: wezenlijkheid, onbekend, onbemind, | + | B: ongezocht verwaarloosd. Eenigen | + | C: ongezocht, verwaarloosd. Eenigen | + | B: woord heeft opgebouwd. en opbouwen wat | + | C: woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat | + | B: op vormen, ceremoniën, ordonantiën | + | C: op vormen, ceremoniën, ordonantiën, | + | B: genade opbouwen öf aan de andere | + | C: genade opbouwen óf aan de andere | + | B: tot de bediening. (die | + | C: tot de bediening (die | + | B: staan, hune zwaarden in de schede | + | C: staan, hunne zwaarden in de schede | + | B: Calvinist? indien de eerste, | + | C: Calvinist?” indien de eerste, | + | B: buiten ons; 2º de zaligheid | + | C: buiten ons; 2º. de zaligheid | + | B: machenerie, kan berekenen. Wij | + | C: machinerie, kan berekenen. Wij | + | B: geene week doorwerken. indien het | + | C: geene week doorwerken, indien het | + | B: spinnewiel zijn werk. aan iedere | + | C: spinnewiel zijn werk, aan iedere | + | B: fabrieken werden gesloten hare | + | C: fabrieken werden gesloten, hare | + | B: en haren oorspong, voortgang en | + | C: en haren oorsprong, voortgang en | + | B: der barmhartig'heid, die Hij te | + | C: der barmhartigheid, die Hij te | + | B: prijs zijner eingene heerlijkheid, zou | + | C: prijs zijner eigene heerlijkheid, zou | + | B: aan God toeschijven, welke hij | + | C: aan God toeschrijven, welke hij | + | B: noch tweede, toekomendo noch verleden, | + | C: noch tweede, toekomende noch verleden, | + | B: volmaakt en onverandelijk is, moet zijne | + | C: volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne | + | B: hoe onverandelijker de liefde is, | + | C: hoe onveranderlijker de liefde is, | + | B: en onverschilligheid aan haren man kleeft | + | C: en onverschilligheid aan haren man kleeft, | + | B: anderen ongehoorzaam: verdienen niet | + | C: anderen ongehoorzaam; verdienen niet | + | B: verdoemis, kan er in hen | + | C: verdoemenis, kan er in hen | + | B: voorwerp van toegenegenheid Bij denzelfden | + | C: voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden | + | B: doen groeijen, ëén haar wit of | + | C: doen groeijen, één haar wit of | + | B: blijven hunne zonden Hij had hen | + | C: blijven hunne zonden. Hij had hen | + | B: zuchten, doodangst en bloed, | + | C: zuchten, doodsangst en bloed, | + | B: Dan, Welk eene ijdele en | + | C: Dan, welk eene ijdele en | + | B: vrijen wil beter te gebriuken dan | + | C: vrijen wil beter te gebruiken dan | + | B: Faraö, Saul, Achitofelel, Doëg | + | C: Faraö, Saul, Achitofel, Doëg, | + | B: hout, Gelijk de namen van de kinderen Israëls op op | + | C: hout. Gelijk de namen van de kinderen Israëls op | + | B: 4. De laatste tak der zaligheid | + | C: 4º. De laatste tak der zaligheid | + | B: hebben overtreden, slecht _een gedeelte_ | + | C: hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ | + | B: 45 vs 25). | + | C: 45 vs. 25). | + | B: als eene uitwendige daad. | + | C: als eene uitwendige daad, | + | B: kwamen, zoo breng het predestinerend | + | C: kwamen, zoo brengt het predestinerend | + | B: van den drieënigen God ons | + | C: van den drieëenigen God ons | + | B: en moet ontledig worden; | + | C: en moet ontledigd worden; | + | B: van de onverniewde natuur des | + | C: van de onvernieuwde natuur des | + | B: spade te nemem en verscheidene | + | C: spade te nemen en verscheidene | + | B: weinige stroomtjes in hunne naauwe | + | C: weinige stroompjes in hunne naauwe | + | B: werk der genade” Alzoo maakt de | + | C: werk der genade.” Alzoo maakt de | + | B: blind, even vleeschelijk, even dood | + | C: blind, even vleeschelijk, even dood, | + | B: niet. voeten, maar zij gaan | + | C: niet, voeten, maar zij gaan | + | B: Orthodox en Evengelisch, Baptist, | + | C: Orthodox en Evangelisch, Baptist, | + | B: bestaanbaarheid van wandel. onderzoek | + | C: bestaanbaarheid van wandel, onderzoek | + | B: godsdienstige gesprekken naauwgezetheid in | + | C: godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in | + | B: Hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; bij | + | C: hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij | + | B: geboord overhemd af kamt het haar | + | C: geboord overhemd af, kamt het haar | + | B: als zij gelooft zoo en, handelt | + | C: als zij gelooft en, handelt | + | B: zalig maakt?« Zoo moeten wij | + | C: zalig maakt?«, zoo moeten wij | + | B: verootmoediging; deze en dergelijke | + | C: verootmoediging;« deze en dergelijke | + | B: overtuigingen het kermend roepen, | + | C: overtuigingen, het kermend roepen, | + | B: zij trouwden eene godvuchtige | + | C: zij trouwden eene godvruchtige | + | B: van treurig stilzwijgen afwisselend berouw | + | C: van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw | + | B: Maakt?” Antwoord ik: „Waarom | + | C: maakt?” antwoord ik: „Waarom | + | B: die vraag?” Vòör men iets | + | C: die vraag?” Vòòr men iets | + | B: legaat eene erfenis, eene bezitting, | + | C: legaat, eene erfenis, eene bezitting, | + | B: bruiloft des Lams” zoo wordt | + | C: bruiloft des Lams”, zoo wordt | + | B: éënen man voor te stellen, namelijk | + | C: éénen man voor te stellen, namelijk | + | B: Heere kennen. (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | C: Heere kennen.” (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | B: en _toekomende_ zaligheid. _Veledene_ | + | C: en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ | + | B: 3, 4). alle leerstellingen, | + | C: 3, 4). Alle leerstellingen, | + | B: den Drieëenigen Johovah, tenzij dat | + | C: den Drieëenigen Jehovah, tenzij dat | + | B: Maar eeuwige verkiezing persoonlijke | + | C: Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke | + | B: alle bezwijkingen des, harten, alle | + | C: alle bezwijkingen des harten, alle | + | B: zaak van uit wendigen aard, wat meer | + | C: zaak van uitwendigen aard, wat meer | + | B: gezondheid van geloof wandelen in de | + | C: gezondheid van geloof, wandelen in de | + | B: ordinantien lange en standvastige | + | C: ordinantiën, lange en standvastige | + | B: noch, in éên woord, eenige enkelvoudige | + | C: noch, in één woord, eenige enkelvoudige | + | B: vs. 4, 3), terwijl Saul profeteerde, | + | C: vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, | + | B: geloofde en werd gedoopt noch in | + | C: geloofde en werd gedoopt, noch in | + | B: _natuurlijke hoop_ want daar is | + | C: _natuurlijke hoop_, want daar is | + | B: godsdienst_ want „een praatachtige | + | C: godsdienst_, want „een praatachtige | + | B: Godes” (Ps. 55, 15) Om alles | + | C: Godes” (Ps. 55: 15). Om alles | + | B: het zaad gerekend.” (Rom. 9: 8), Dus | + | C: het zaad gerekend.” (Rom. 9: 8). Dus | + | B: dat zij die gezaligd, worden, | + | C: dat zij die gezaligd worden, | + | B: zij verlost geregvaardigd, levend | + | C: zij verlost, geregtvaardigd, levend | + | B: gemaakt, geheiligd bewaard en verheerlijkt | + | C: gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt | + | B: van den Driëenigen Jehovah. Hier | + | C: van den Drieëenigen Jehovah. Hier | + | B: dat eene ziel zalig maakt?” | + | C: dat eene ziel zalig maakt?” | + | B: HeiligenGeest. Dit is de erfenis | + | C: Heiligen Geest. Dit is de erfenis | + | B: er in. eenigen van hen zijn | + | C: er in. Eenigen van hen zijn | + | B: bewijzen eenigen worden al | + | C: bewijzen; eenigen worden al | + | B: en tranen: al hunne twijfelingen, vreezen. | + | C: en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, | + | B: wisselingen en veranderingen, schuld. | + | C: wisselingen en veranderingen, schuld, | + | B: hart alles, alles dient in de | + | C: hart; alles, alles dient in de | + | B: heopenbaard worden, om hen | + | C: geopenbaard worden, om hen | + | B: door de hand van God iu de | + | C: door de hand van God in de | + | B: te spijzigen worde voor hun aangezicht | + | C: te spijzigen, „worde voor hun aangezicht | + | B: onvermend met heilige vrees, | + | C: onvermengd met heilige vrees, | + | B: worden gezegd de genade te veranderen | + | C: worden gezegd „de genade te veranderen | + | B: booze werken (Jud. 4: 12). Maar om | + | C: booze werken (Jud. 4, 12). Maar om | + | B: bereiden bodem schieten De leerstellingen | + | C: bereiden bodem schieten de leerstellingen | + | B: is deeerste _bekeering_, welke | + | C: is de eerste _bekeering_, welke | + | B: eene verandering van gevoelens een | + | C: eene verandering van gevoelens, een | + | B: beeft op zijn fronselen zij ducht | + | C: beeft op zijn fronselen, zij ducht | + | B: vrucht is _Goddelijkeid droefheid_, | + | C: vrucht is _Goddelijke droefheid_, | + | B: beproefde gekwelde en verzochte | + | C: beproefde, gekwelde en verzochte | + | B: mede-erfgenamen: in liefde tot _gezanten | + | C: mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten | + | B: tot het _Woord_ Gods. dat onze | + | C: tot het _Woord_ Gods, dat onze | + | B: wrarheid; milddadigheid tot de | + | C: waarheid; milddadigheid tot de | + | B: Laat mij eens zeggen onbevreest; | + | C: Laat mij eens zeggen onbevreesd; | + | B: is on eindelijk grooter dan de | + | C: is oneindelijk grooter dan de | + | | + +---------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + +***** This file should be named 39039-0.txt or 39039-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/3/39039/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/39039-0.zip b/39039-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ce9e9c6 --- /dev/null +++ b/39039-0.zip diff --git a/39039-8.txt b/39039-8.txt new file mode 100644 index 0000000..0780622 --- /dev/null +++ b/39039-8.txt @@ -0,0 +1,2784 @@ +The Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? + zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten + predikant en den heer Easterman met een antwoord op die + gewichtige vraag + +Author: Joseph Charles Philpot + +Translator: W Rs + +Release Date: March 3, 2012 [EBook #39039] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot | + | is verplaatst naar het eind van het gedicht. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | + | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + + WAT IS HET + Dat eene Zondaar zaligmaakt? + + Zamenspraak tusschen een Kappersknecht, + Methodisten predikant en den Heer Easterman + + MET EEN + + ANTWOORD OP DIE GEWICHTIGE VRAAG + + van den WelEerw. Heer + + #J. C. PHILPOT#, + + waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten, + en daartegen over die van vrije, souvereine genade + in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste + van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd. + + + _Naar den derden Engelschen druk._ + + Vertaald door #W. Rs.# + + Met een voorwoord van den vertaler, bevattende + zijn bijzonder doel met de uitgave. + + + L. DORSMAN.--ROTTERDAM. + + + + +VOORWOORD. + + +Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1 jaar geleden, licht +in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de +meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de +godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar +geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer +letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur +kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van +alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en +zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd +mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de +waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te +zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in +zichzelf. + +Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere +blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook +moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke +onkunde voortgesproten.--Onder anderen herinner ik mij eenen strijd +voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door +het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de +Bazuin.--Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij +dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden +ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne +bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer +van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing, +roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars, +door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon. + +Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging +openlijk uit te spreken;--doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen +den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik +tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de +godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap +ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door +misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de +ellendigen en nooddruftigen te bedroeven. + +Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend +geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende +overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist +om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit +werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen +en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne +hand. + +Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan n oogmerk te kunnen +bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite +stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H. +Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken, +die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve +ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter +vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm +in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid +en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen +verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije, +souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar +integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest +wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen +terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan, +dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels +roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit +volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij +niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal +den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde +dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij +kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid +enz., het koningrijk Gods niet ingaan. + +En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van +genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun +heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet +zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) "Zoovelen Hem +aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden," +maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt: +"_namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, +noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God +geboren zijn_," opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vr +de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.--Mogten vooral de +zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften +onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen! + + DE VERTALER. + + + + + I. + + ~#Zamenspraak#~ + + OVER DE VRAAG: + + #Wat is de oorzaak van de + Zaligheid des Menschen?# + + + + +VOORREDE + + + Waarde Vrienden! + +Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had +opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet +komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? +Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen +mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, +en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel +zaligt, dan n de Methodisten Predikant n de Heer Easterman zulks +gedaan hebben.--Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid +ontvangen en behartigd worden door + + Uwen zeer verpligten Dienaar + + Een Kappersknecht. + + + + +ZAMENSPRAAK. + + +~De Kappersknecht.~ Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn +beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.--Spoedig daarop kwam de +heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen +hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te +wachten op mijns meesters terugkomst.--Even daarna kwam een Methodisten +predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus +aansprak: + +~De Predikant.~ Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat +uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt +uit! + +~De K.~ Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen +morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid +had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is +waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij +weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij +zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken +vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij +zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, +om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te +wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, +daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe +hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig +onderrigt te geven? + +~De Pred.~ Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen +onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,--maar ik ben +eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst +verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om +over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door +zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en +inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op +u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. +Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de +andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, +om van mij onderwijs te behoeven. + +~De K.~ Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet +altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het +oude spreekwoord blijft waar: "zoo lang wij leven moeten wij leeren". + +~De Pred.~ Gij hebt gelijk;--ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet +ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat +gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten? + +~De K.~ Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te +zijn: _Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf +bevrijdt?_ + +~De Pred.~ Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet +onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet +ne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele +zaken, met elkander vereenigd. + +~De K.~ Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of +twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd +in n hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om +uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn. + +~De Pred.~ Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig +mijne gedachten over zeggen. + +~De K.~ Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat +de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, +van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den +mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten +eeuwigen leven? + +~De Pred.~ Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde +de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen +uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.--Maar +wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk +beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet +alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien +overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: "als de kinderen nog +niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het +voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve," moet dat niet +verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden +en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met n blik van +eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der +zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij +al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de +verdoemenis.--Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen +van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley, +Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig +betwist wordt.--Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den +onloochenbaren standaard der waarheid te zijn. + +~De K.~ Goed, hierin versta ik u zeer wel.--Maar zijn er niet eenigen, +die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig +worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn +en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een +voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen +de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.--Hij zag +hen later de voorwaarden verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst ten +leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en +verworpen? + +~De Pred.~ Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, +dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig +zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen +en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn +"opregt geloof" zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne +gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook +voorziet dat zij wer veranderen zullen en bokken worden, haat Hij +hen.--Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, +volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien +kan.--Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is +verlossing, wedergeboorte enz. vor wij zalig kunnen gemaakt worden. + +~De K.~ Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de +verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is? + +~De Pred.~ Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven +op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de +bevrijding des menschen van de zonde. + +~De K.~ En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, +dood en opstanding? + +~De Pred.~ Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle +ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den +boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God +gebragt. "Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed." Dit is de taal der +Schrift over het einde der verlossing. + +~De K.~ En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die +verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom? + +~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk individu van het menschelijk geslacht. +"Hij gaf zich zelven voor allen," "was een rantsoen voor allen," +"stierf voor de zonden der geheele wereld," "smaakte den dood voor +alle menschen," enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo +enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van +het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat +Hij voor allen te gelijk stierf. + +~De K.~ Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij +dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: +_hoe een zondaar gezaligd wordt?_ Indien Christus voor allen stierf, hen +van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, +dan is dit zeker _de verlossing door Christus_ en regtens zullen alle +menschen zalig worden. + +~De Pred.~ Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. +Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, +de ~voorwaarden~ die door den mensch moeten volbragt worden om de +verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in +zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen +God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid +door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet +toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen +u ten gids zijn. + +~De K.~ Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om +de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen +dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij +mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het +kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor +allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen +geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden +volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon +zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. +Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden? + +~De Pred~. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door +hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne +verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door +het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen +veelvoudig vermeerderen. + +~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks +te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren +zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen +zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als +wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende +als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de +Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet +ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus +voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch +zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden +gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus +dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis +voortbrengt. + +~De Pred~. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte +voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig +worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben +willen hooren? + +~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij +herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe +gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods. + +~De Pred~. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering. + +~De K.~ En waardoor roept Hij de menschen daartoe? + +~De Pred~. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of +andere wijze geeft om winst mede te doen. + +~De K.~ En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen +in staat stelt om de geboden Gods te betrachten? + +~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben +genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden +gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade +ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen +verharden zich en blijven in hunne zonden. + +~De K.~ En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade +om hunne zielen te behouden? + +~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt +geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle +hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke +zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden. + +~De K.~ Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, +de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.--En indien zij al +deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn +het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik +zalig worden. + +~De Pred.~ Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken +deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het +andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij +ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden +ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne +aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren +weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren. + +~De K.~ Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en +twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik +bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien +kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid +ligt, Mijnheer ~Easterman~, gij zijt tot hiertoe stil geweest, +ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij +zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen? + +~De heer E.~ Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw +gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die +zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de +predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar +zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des +menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede +wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij +ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten +verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing +is. + +~De K.~ Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, z +zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind +waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand +ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren. + +~De heer E.~ Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en +ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing +door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle +menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den +vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk +verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing +ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch +ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, +indien niet, hij mist het. + +~De K.~ Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars +zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de +middelen, die Hij heeft voorgeschreven? + +~De heer E.~ Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want +hij zegt, God roept _alle_ menschen, en eenigen, wanneer zij hooren, +gelooven, zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en zaligheid van +God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets. + +In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het geval +is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid van hen +die hooren en gehoorzamen. + +~De K.~ Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen +wedergeboorte, geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest +des Heeren, zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in n woord: +zijn ware Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht +des Geestes, vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de +vereischte voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak +der zaligheid zijn. + +~De heer E.~ Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt +hebben en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods +staan, indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij +den Geest, hun geloof en hunne bekeering, de gunst van God en al het +goede dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus +deze dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo +dat, al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het +goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,--alles +wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,--al wat God de Geest +gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,--en de volbrenging der +voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, +want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden +doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de +zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: "Bij mij is het +niet." + +~De K.~ Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna tot wanhoop, want +waar zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in +eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen +Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; +en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, +want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot +de heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder +boven den Zoon achten?--Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien +van de heiligen zal ik mij wenden? + +~De heer E.~ Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen +vriend, behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter +bij huis vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt _vrije wil_; doch +hetgeen _ik_ noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer +dan dit, terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer +God geneigd is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op +de voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus +verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of +de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des +vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil +des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, +benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des +vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet +gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien +tot _deze aanbiddelijke en verhevene zaak_, de wil des vleesches. + +~De Pred.~ Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van +ons noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des +vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren +dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen +kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het +licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: "dat +een dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een +ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch +verrigten." En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel +van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, +maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee +talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God +hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, +zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de +bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt. + +~De Heer E.~ Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den +kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; +maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het +volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches +zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het _moet_ zoo +zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want +gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde +wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft +hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de +roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die +men zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest +Gods met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade +in natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een +schaap van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid tot de +verdoemenis. + +En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, +want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst +mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij +zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om +den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, +ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad +zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent +moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u +of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vr hij het +talent ontvangt? _Niets, niet met al_, gelijk door u beide beleden is, +slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het +talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt +het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; +doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en +niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet +toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches +vr hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op +aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor +u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, +dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet? + +~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de +zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons +zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen +der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling +der conditin en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles +gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen +worden. + +~De heer E.~ Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de +wijze is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, +en ik ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatin +met het andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen +en smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem +behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven +tot geloof en bekeering, genade om hen te verzoenen, te regtvaardigen, +te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen +schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid +voor het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, +moet ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, +dat het te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en +een oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het +iedereen aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, schoon +velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente eenigen +zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. Vooronderstel dat +een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om te ontvangen en +gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij de genade des +geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, heiligmaking en +verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te antwoorden in de +taal der wijze maagden tot de dwazen: "Niet alzoo, opdat er misschien +voor ons en voor u niet genoeg zij," want ik heb niet meer genade dan +om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt gij niet verpligt +zijn den armen vraager naar eene andere fontein te verwijzen om genade +te erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten wijzen, in Wien het +alleen is en uit wiens volheid het alleen kan ontvangen worden, en hem +zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest bekend maken en aan zijnen +troon wachten, tot het Hem behagen mogt te hooren en genade te geven? +Zou de man niet grootelijks teleurgesteld zich van u af moeten wenden en +zoudt gij niet gedwongen zijn, om overdekt met schaamte neder te zitten? +En zou het wel overdreven zijn indien het publiek uitriep: "die man is +een spotter, hij biedt genade en zaligheid aan en wanneer iemand het +begeert, heeft hij niets om te geven." Laat mij u raden, uwe spotternij +te laten varen en het volk op God te wijzen in Wien genade is, en Die +het alleen kan mededeelen; want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch +u de eer geven over iets te beschikken.--Neen; het is Zijne eigen regt +en Zijne eigene heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne +genade te geven aan wien en wanneer het Hem behaagt. + +~De Pred.~ Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een +Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, +die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid +is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik haat met den +grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of +iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij +prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en +gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, +prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen +vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen +in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen +ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen. + +~De Heer E.~ Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer +van mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele +pagina van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik +ben verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen +van elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in +andere opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is +niet de mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch +Fletcher, dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere +Woord der Profectie, de Schriften der Waarheid.--Ik schaam mij niet te +bekennen, dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, +vaststelde en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten +Gods zijt vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden +worden verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: "Indien zij het regt +hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben," zoo algemeen in de monden +der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt +voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien +God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig +kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt, zij kunnen +niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat +engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch +de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft +den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade +vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet +verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot +een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij +zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij +het niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog +toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch +gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in +Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot +God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te +bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz., daarom kunnen +wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne +zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene +zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: "de +vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven," en +de vrouw: "die slang heeft mij bedrogen" enz. Maar wij hooren geen van +beiden zeggen: "Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en +tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar +daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te +vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn." Tot zulk eene +diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Sime vloekte David; +toen zeide Abisai tot David: "Laat mij toch overgaan en zijnen kop +wegnemen." "Neen," zegt David, "de Heere heeft toch tot hem gezegd: +vloek David." Nu, had iemand Sime verweten den gezalfde des Heeren +gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo +mogt hij geantwoord hebben: "God besloot mij toe te laten om David te +vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God +bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, +kan ik geen onregt doen in de uitvoering." Doch wij lezen niet dat Sime +zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. +De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, +zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, +naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods +hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide +Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden +van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: +"Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, +deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon +niet uitgevoerd zijn." Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie +tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt +werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering +zijn gekomen om te zeggen: "Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen +ongelijk hebben." Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God +ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, +om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze +geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij +invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te +hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de +Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te +misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als +waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet, of beiden, +de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in het +ongelijk te zijn, "van welke het einde zal zijn naar hunne werken!" Wij +gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar hunne +eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke ketterijen +bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen zullen, door +welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de menschen zullen +zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, indien God +niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon Hij het +ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, tot +het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds +verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo _moet_ het alzoo geschieden +of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en +dan, wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het +onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde +dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen +bevonden worden. + +Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik +zonder twijfel verkeerd zal zijn. Maar, indien gij anders denkt en het +voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij +moet weten wat gij gelooft. Maar "o mensch! wie zijt gij, die tegen +God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, +zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?" + +~De Pred.~ Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer +broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij +niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten +Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, +want dewijl gij gelooft dat God zoo velen door zijne souvereine genade +zal behouden, zult gij zeggen: "Indien God mij hebben wil, zal Hij mij +wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig maken, wat ik +ook doe." Zulk eene leer kan geene andere strekking hebben, dan om den +mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij Calvinisten, zwarte +harten hebt. + +~De heer E.~ Wat betreft te gelooven aan Gods besluiten en dat Hij alles +werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn in een +gemakkelijken stoel, ik erken dat ik daar gezeten ben en gaarne wensch +af te wachten elk der dingen, die gij voorgebragt hebt om mijn geloof +te wederleggen. Wat mij ook moge halen, zoo als gij zegt, weet ik niet, +en dat God komen en mij trekken moet, indien ik ooit in den hemel zal +komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, dat Hij reeds menigeen van de +aarde ten hemel getrokken heeft. Hij beloofde zijne discipelen, dat, +wanneer Hij henen zou gegaan zijn,--Hij wederkomen zou en hen tot +zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn mogten. En indien wij +in den toestand zijn van hem, die onder de moordenaars viel, gewond +en hulpeloos, en indien gij, werkdadige Priesters en Levieten, ons +voorbij komt, ons ziet en geen bijstand aanbrengt, indien wij op uwe +roeping niet in staat zijn ons zelven te helpen of op te staan, heb dan +medelijden met ons, liever dan ons te bespotten en verwijtingen te doen! +En indien de God van alle genade den goeden Samaritaan mogt zenden, en +Hij naar zijne groote barmhartigheid den wijn en de olie der genade in +onze wonden mogt gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, +ons naar de herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te +verzorgen en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen +zijne vrije goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch +geholpen worden. Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij +uzelven kunt genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar +zijnde voor uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt +de vrijheid, help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen +kunnen, ja zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst +kunnen slaan en uitroepen: "O God, wees mij zondaar genadig!" of "Red +ons Heere! wij vergaan!" Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde +aanmoedigt, het is een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in +hunne dagen ingebragt, door hen die zeiden: "Laat ons het kwade doen, +opdat het goede daaruit voortkome." Wij verheugen ons gerangschikt te +worden onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij +onze beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn +geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door +denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in +zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk +deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van +den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen +zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden +van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt +eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat +zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate +verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. +Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant +der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat +ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de boosheid is +ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch uitwendig. +Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen gezaligd +worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de Geest der +waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op den dag +zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God in den +weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot onze +zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid alleen, want +wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont. + +~De Pred.~ Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook +de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen +stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne +woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van +Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar +welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen? + +~De K.~ Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, +geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is +althans mijn oordeel, want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens uwe +stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, want +gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet +uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus +alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de +voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij +gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. +Gij zegt; Hij geeft aan iedereen een talent of talenten van genade, en +eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, +gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met +God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder +onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan +onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des +zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, +want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; +niet in de verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle +menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de +roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij +zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het +geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal +verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze +dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. +En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des +vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude +verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat +dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken? + +~De Pred.~ Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij +thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept. + + + + + II. + + EEN ANTWOORD + + OP DE + + ~GEWICHTIGE VRAAG~: + + #Wat is het, + dat eene zondaar zalig maakt?# + + DOOR + + #J. C. PHILPOT.# + + + + +VOORREDE. + + +Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: +"Zamenspraak enz.," ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een +antwoord te geven op de gewigtige vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?" welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige +bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al +schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam +en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in +het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de +verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er +mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het +vereischte, wat ik niet kon leveren,--bladzijden uit het leven en de +bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften +van Gods beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan alle zijden +verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind, +ongezocht, verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten +Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de +letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der +genade die, f nooit spraken van de zaligheid inwendig, f indien zij er +al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, +die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij +eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog +ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die +uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat "de +wijsheid met hen sterven zoude," (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God +in zijn woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. +Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremonin, ordonantin, +bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere +uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud +en het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich +bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden +als bewijzen van genade opbouwen f aan de andere hand eene algemeene +haat tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus zag ik de +in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen werkingen, het +onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel dit bijzondere, +diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods familie wordt +betreden f nimmer aangeroerd, f indien al ondernomen dat in te gaan, +zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende ziel door al wat +hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost en bemoedigd werd. +Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de merkteekenen droegen van +hunne roeping door de genade en van hunne roeping tot de bediening (die +of rustende waren op vroegere bevinding f zoo als zij het noemden +bevestigd waren in Christus; dat mij voorkomt eene bevestiging +in zich zelf te zijn), weinig, indien iets, verschilden van de +letter-Calvinisten dezer dagen. + +Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor +zoet en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen +en den vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de +bres moesten staan, hunne zwaarden in de schede hadden gestoken en ze +nimmer uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van +vrienden komen. De vraag scheen te zijn: "Zijt gij een Arminiaan of een +Calvinist?" indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien de laatste +een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste vijanden van +levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus ontvangen, omdat +zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding van zijne soldaten +dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten struikelen, levende +godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog gewaardeerd, de +schapen van Christus ongevoed en de bokken niet gescheiden. Zoodat ik +mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan ik mij eerst voornam, +te blijven staan bij ~inwendige~ zaligheid, schoon met de diepste +bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en er tevens +mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de verdenking +mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften verbonden +zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen het +geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel mede te +vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de Wesleijanen, +met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend ik deze +zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen +overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, welke men +kennen en bezitten moet vr men het koningrijk der hemelen kan ingaan. + + J. C. PHILPOT. + + + + +WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT? + + +Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, +op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en +de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, +die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende +oordeel,--wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende +ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de +alles omvattende vraag: "Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?" +(Job. 9 vs. 2). + +Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder +twee hoofdpunten beschouwen. 1. De zaligheid beschouwd als eene daad +buiten ons; 2. de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de +eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden +voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de +Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, +mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, +"om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen +leugen is." (1 Joh. 2 vs. 27). + +1. De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten eersten als eene +handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad +voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van +het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren +ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering +van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart +van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de +wijsheid en magt van den drieenigen God, welke ooit het schepsel kan +ten uitvoer brengen. + +Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed +oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, +geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen +verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan +van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van +het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste +Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en +het uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk +machinerie, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, die +voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren het best +ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten uitslag +zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in verwarring +te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden wegens +eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een broddelaar. +In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de kennis in +twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, bewijst +magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan hebben, +evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan hebben? +Zullen wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn plan en +zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid en de +magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een zot +en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen goed +overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde werkuren, +geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen wij niet beven +om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene Manchestersche +katoenfabriek kon geene week doorwerken, indien het niet een vooraf +bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, waardoor aan ieder +spinnewiel zijn werk, aan iedere hand zijne plaats wordt aangewezen. En +toch zijn er menschen, van zulk eene stoute goddeloosheid, die aan den +alleen wijzen God eene verwarring, eene wanorde, eene nalatigheid in +het bestuur van de eeuwige bestemming des menschen toeschrijven, welke, +indien ze in een groote stad in praktijk werd gebragt, onvermijdelijk +zou ten gevolge hebben, dat hare drukke fabrieken werden gesloten, hare +uitgestrekte bevolking werd verarmd en hare opgepropte straten in eene +woning der draken en rustplaats der nachtuilen verkeerd werden. + +Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet +naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder +zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in +twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet "naar den +raad van zijnen eigen wil," zoo is het duidelijk dat de zaligheid of +verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. +Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven +kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een +deel uitmaken van Gods algemeene regering, als elk rad bedraagt tot de +beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen +zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen +bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, +maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de +onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed +geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, +een van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit +rad, deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft +hij geen acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het +werktuig en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is +gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk +van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die +loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk +deel, en haren oorsprong, voortgang en einde vindende in den wil en het +voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en schoonheid +van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er tegenwerpingen +en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den grondslag van +ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij om te ontkennen, +dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend plan is? Even goed +mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking maken op elk rad en +elke beweging der stoommachine, welker gebruik en schoonheid hij niet +begrijpen kon. Indien verlossing als n geheel, een plan is, waarin de +grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al de deelen en takken van +dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet harmonieert, en gij zegt +dat het geheel zulks niet doet, want de harmonie van het geheel hangt +af van de harmonie der deelen. Deze takken of deelen dan eischen ons +naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen aantoonen dat ze volkomen +zijn, zullen wij het doen van het geheel. + +1. De eerste tak dan van de verlossing is, _de openbaring daardoor, van +de heerlijkheid van den Drieenigen Jehovah_. Niets kan God zoo dierbaar +zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring +daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De +oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den +kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke +Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te +openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom +tot dezelfde bron worden opgespoord. "Tot prijs _der heerlijkheid zijner +genade_," zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), "door welke Hij ons begenadigd +heeft in den Geliefde," en wederom vers 12: "opdat wij zouden zijn tot +prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En +opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten +der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid," +(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des +menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en +bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid +bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het +daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, +die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand +konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, +bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar +dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij +zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En +indien wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en +te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen +erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de +teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het +ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap +verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd +kon worden, van den prijs zijner eigene heerlijkheid, zou hij nooit +deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der +aarde geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons +teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen +voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle +dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij +zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid +aan God toeschrijven, welke hij aan zijn medeschepsel niet zoude +toekennen. + +2. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als +een welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene +opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan +heeft in Hem die een eeuwig _Heden_ is, dezelfde gisteren, heden en in +eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne +eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid +en van _zijne eeuwige liefde_ als van de tweede. Maar in zijn oneindig +gemoed is noch eerste noch tweede, toekomende noch verleden, vroeger +noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de _eeuwige liefde_ een tweede +beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak +verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke +onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging van beweegredenen +in zich behelst. + +_Liefde_ dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah +volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne liefde van dezelfde natuur +zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe onveranderlijker de liefde +is, hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, +gedurig van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, +vervreemd of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te +zijn, neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in +spijt van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft, +die hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, +schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt +gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke +liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en +hare hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart +innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij +evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de +onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee +voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. +Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid +afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen +met betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot +de menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van +omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en +ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en +indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. +Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt +lief heeft dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan +alle menschen lief? Heeft Hij Ezau, Fara, Saul en Judas lief? Hij zegt +ons zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze +haat was, vr dat de kinderen geboren waren en vr zij iets goeds of +kwaads gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit +komen, dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen +beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen +kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam; verdienen niet +eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk +gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en +verdoemenis, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil zijn. Indien +eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien eenigen eeuwig +gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij naar de oorzaak +van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de personen zelf. En laat +ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij willen, indien wij eenmaal +de oorspronkelijke zonde en de val des menschen toegeven, moeten wij +altijd tot hetzelfde besluit komen, dat het verschil gemaakt tusschen +de gezaligden en de verdoemden, niet in hen maar in God gevonden wordt, +in n woord, dat Hij vrijelijk eenigen haat en vrijelijk anderen lief +heeft. + +3. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. +Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het +betrekking heeft op hen _door_ wien zij gekoesterd wordt; maar +betrekkelijk hen _tot_ wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door +uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, +even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de +andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, de andere de +uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij +doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij +ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden standaard +meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. _Verlossing_ +daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het bewijs van de +liefde van Christus; "Christus had de gemeente lief en heeft zich zelven +voor haar overgegeven." (Eph. 5: 25). "Die mij lief gehad heeft," zegt +Paulus, "en zich zelven voor mij overgegeven heeft." (Gal. 2: 20). +"Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons +gesteld heeft." (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht is van +liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde beperkt +en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en bijzonder. Het +uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de daad grooter +dan de beweegreden. + +Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het +de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd +door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt +zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en +toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den +veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? +Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij +een enkel grasscheutje doen groeijen, n haar wit of zwart maken? Is de +medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods handelingen? +Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van schepsels +werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing algemeen +ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk genoemd +worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de verlossing +algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien iemand +verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus stierf, +zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus tot hen was +te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne schuld open. +Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden. Hij had hen lief, +had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen van de hel te +bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om hunne zonden +te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en voer ten +hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak--en na dit alles kan Hij +hen niet verlossen,--na geheel deze magtige oneindige, onmetelijke +betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, doodsangst en bloed, +sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is Christus +wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der Godheid? +Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en weet Hij +alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist Hij toen +Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren zou gaan? +Dan, welk eene ijdele en nuttelooze betooning van liefde en lijden; wat +eene noodelooze opeenhoping van smarten en doodsangsten, indien het +uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van den vrijen wil des +menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken uit alles wat +Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de zonden des +ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der lieden +van Sodom en Gomorra; van het leger van Fara dat in de roode zee +verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de +zeven vervloekte volken van Canan en van allen die in den algemeenen +zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd +hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het +kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de +verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden +der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren +magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) "dat de zoodanigen zijn +voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs," +Paulus zegt: "dat zij vernield zijn van den verderver." (1 Cor. 10 vs. +10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor +deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, +er moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn +dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de +verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie +Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de +algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten +gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken +zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste +voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, +die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. +En indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen +zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te gebruiken dan +zij deden op aarde, en n uur ondervinding van den brandenden poel +heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus +behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, +als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten +hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden dezelfde aanbiedingen +van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien +Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang +ontvolkt van zijne aloude bewoners. Can, Fara, Saul, Achitofel, Dog, +Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als vijanden Gods, +zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar indien Christus +voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet algemeen, er is +eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, bijzonder. + +Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat +Christus "zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd +overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn +eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf"; en +de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam +op het hout. Gelijk de namen van de kinderen Israls op de borst des +Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven wij dat +Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, toen +Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden en +ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, +voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in +ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de +zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en +onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der +menschheid, en dus werd Immanul, God met ons, de algenoegzame +Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren. + +4. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij nog +zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van God, +zijnde tot allen en over allen, die gelooven. + +De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, +kon niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. +Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, f door den mensch +wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo +moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in +alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan +is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of +voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. +Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle +menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor +God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks +(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel +het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de +bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon _allen_ +de wet hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ behouden wordt, dan +moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die geregtvaardigd worden +voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en dat het Isral alleen +is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich zullen beroemen. (Jes. +45 vs. 25). + +2. Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad, +als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke +overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen +aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vr wij eenig aanwezen +hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk +de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den +boom, vr zij in zigtbaren groei kwamen, zoo brengt het predestinerend +voornemen van den drieenigen God ons in aanwezen, opdat wij de +voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen +wij nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah. + +En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht +_in_ ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk +en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene +werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam +wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom +was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd. + +God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame +stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige +wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van +uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. +"Met welke Hij overvloedig is geweest over ons," zegt Paulus, "in +alle wijsheid en voorzigtigheid." God stelt dus zijn volk in zijne +bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen +die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden +vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die +weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst +hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de +ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft +hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en +eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke +verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde +en dat zij innerlijk gevoelen _waarvan_ en _waartoe_ zij verlost zijn. +En gelijk de eik niet in nen dag tot zijnen vollen wasdom komt, maar +jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen +noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden +wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, +zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking +noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en +krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vr dat de ziel iets omtrent +de verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de +natuur der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. +Zij is hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker +geschud worden; levend en moet gedood worden; vol en moet ontledigd +worden; geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. +Zij is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in +wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; +vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij +haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver +verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, +vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en +onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan +alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene +uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van +wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de +gedachte van de onvernieuwde natuur des menschen. Opvoeding, zedelijk +bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van inwendig +bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden stroom van +inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal verbreken en het +land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan de menschelijke +natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een tijger. De moorman +kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard zijne vlekken (Jer. 13: +23). + +Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk +is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te +vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne +geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te +bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering +te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, +door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke +liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in n woord, alle natuurlijke +godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren +verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek +inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft +eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en +in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en +blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich +dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, +om houweel en spade te nemen en verscheidene kanalen te graven voor +de wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, +eenige weinige stroompjes in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, +verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van "bekeering, +wedergeboorte en een werk der genade." Alzoo maakt de eene een +kanaal in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor +het bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor +besliste vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor +eigengeregtigheid, onder den naam van Christelijke heiligheid. Maar +na al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de +stroomen der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, +even gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood, +even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het +koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur +te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, +te versieren, in n woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. +Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatin worden +gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit +het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken +van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan +eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende +godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft +oogen, maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij +tasten niet, voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door +hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en Evangelisch, Baptist, +Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede +werk. "De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En +de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, +dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is +goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele." +(Jes. 41: 6, 7.) + +Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van +leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van +ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel, onderzoek +des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, kerk gaan onder de waarheid, +godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in de voorschriften van het +Nieuwe Testament en een groot vertoon van uitwendige vroomheid en +heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven in de ziel gevonden +wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel op te bouwen in +goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods woord, in het lezen +van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al de onrustige drukte +en den arbeid van vereenigingen en scholen. De godsdienst van God +is, het schepsel neer te werpen in het stof van zelfvernedering en +zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst onderwijzen gelijk hij +rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet geleerd, die som +gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid overwonnen worden en +dus zal men vordering maken. Het vuur moet aangestoken, de blaasbalg +gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, de machine te werk +gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. Godsdienst is, volgens +het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch moet worden gedrongen. +Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig gemaakt worden. Hij +moet door de menschelijke beweegredenen of menschelijke overreding, +gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe gelokt of gezweept +worden. Degodsdienst wordt hem voorgesteld als de rivier tusschen zijne +ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, vermaand, gesmeekt +om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen of als het ware +er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en hij neemt de +voorgeschreven sprong, hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij +bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de zondagschool; hij vormt +zijne kleeding naar de uniform van het corps, waartoe hij behoort; hij +dankt zijn geboord overhemd af, kamt het haar gelijk, en scheert zijne +bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de belijdenis van de secte +waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij spreekt, gelooft zoo +als zij gelooft en, handelt zoo als zij handelt. En dit alles wordt +"bekeering en besliste vroomheid" genoemd, terwijl er in de ziel van den +armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje geestelijk geloof +of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, Gods weg is wijd +verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen heerschende stelsel; +Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft gesloopt; Hij verlost de ziel +niet, vr Hij haar eerst heeft doen gevoelen, dat zij verloren is. Hij +neemt niet, het hout en de stoppelen der oude natuur, om een fondament +van te leggen, ook gebruikt Hij geen slijm in plaats van kalk om een +verrot Babel op te bouwen. De wijze des menschen is, om hier een stuk +hout en daar een steen te plaatsen, de eene hoek te vullen met een +steen, de andere met een dakpan, en alzoo voortgaande, een toren te +bouwen, welks top mogt reiken tot aan den hemel. De weg Gods is om neder +te komen en hunne taal te verwarren, om iederen steen en elk stuk hout +naar de vier winden des hemels te verstrooijen en niet een steen op den +anderen te laten, die niet afgebroken zal worden. Hij is een naijverig +God en wil geen deelgenoot hebben in het werk der zaligheid. Hij wil +geen nieuwen wijn in oude lederen zakken doen, noch een nieuwen lap +op een versleten kleed zetten. De vuile kleederen van Josua (Zach. +3: 4) moesten van hem weg genomen worden, voor hij met wisselkleederen +bekleed werd. Alzoo gaat dooden vr levend maken, armoede vr +rijkdom, bedelarij en den mesthoop vr de erfenis van den troon der +heerlijkheid; het graf van alle verwachting van de heuvelen en bergen, +en het gruis van zelfverfoeijing voor de verheffing tot het zitten onder +de prinsen. (Sam. 2: 6-8). Te zaaijen met tranen gaat voor het maaijen +met gejuich, asch voor schoonheid, treuren voor de olie der vreugd en +eenen benaauwden geest voor het gewaad des lofs. Zaligheid is geen +uitwendige zaak. Het bestaat niet in de letter, maar in den geest; niet +in een gezond geloof, zoo als men meent, maar in de genieting daarvan +als een balsem in een verbroken hart. Dus wanneer wij de groote vraag +beantwoorden: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?", zoo moeten wij +vooraf wel verstaan, dat het woord "zaligmaken" in zich bevat, een +voorafgaanden staat, waarvan en waaruit het een herstelmiddel, eene +ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid veronderstelt voorafgaande +verlorenheid, verderf en ellende, en dat het eene bevrijding is van +dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt niet zoo gereedelijk +toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch niet verkondigd als +eene fondamenteele waarheid, dat het is eene _gevoelde_ verlorenheid, +eene _gevoelde_ vernietiging, eene _gevoelde_ rampzaligheid, waaruit +zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de waarheid des Bijbels belijdt, +stemt in woorden den val des menschen toe en dat zalig maken eene +bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen van dien val. Maar dat +men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; dat de ziel onder het +gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet zijn; dat de overtuiging +van schuld, toorn en gevaar door bovennatuurlijke kracht in zijne +ondervinding moet gewrocht worden en dat hij als het ware tusschen +den bovensten molensteen der wet en den ondersten molensteen van +een schuldig geweten moet worden vergruisd; deze groote en plegtige +waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen door bijna allen die +belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. "Ga naar Christus; +zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; leid eenen gelijkvormigen +wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende pligten bij; +wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een lidmaat +der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; zendt uwe +kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking aan; haat +alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het geloof in +verootmoediging;" deze en dergelijke vermaningen worden van duizende +kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid. +Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende +overtuigingen, het kermend roepen, de angstige foltering, de donkere +uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid, +de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in n woord, al deze +inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden, +worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze +dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op +gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel +verlost, zoo moeten wij den staat weten _waaruit_ hij verlost moet +worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden +noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en +predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom +van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige +ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt; +of zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun +in handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van +de noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene godvruchtige +vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en +dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in +gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, naar den aard +der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk +der genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan +verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder +zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor +hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij +ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij +trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen +welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken +over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld, +de pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven +en arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende +hoop en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de +oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid, +en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel? +Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden +van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld, +opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw en +hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende +en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze, +hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk +bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren +last der zonde, het nerdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van +ongeloof en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en +hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten, +vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en +al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch +hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in zijne +prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de +verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt +dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost +te zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn. +Daarom, indien iemand mij vraagt: "Wat is het dat eene ziel zalig +maakt?" antwoord ik: "Waarom doet gij mij die vraag?" Vr men iets van +verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te leeren. Indien +gij deze niet geleerd hebt, hebt gij met de andere niets te maken. Gij +mogt even goed de tiendeelige breuken denken te leeren, voor gij nog +lezen geleerd hebt. Maar welk is de beweegreden waarom gij een antwoord +op deze vraag verlangt? Om eenige begrippen te vormen, uw oordeel te +scherpen, om u een sterk geloof eigen te maken? Indien dit de reden is, +dan kan ik er mij met u niet over bezig houden. Gij hebt eerst eene +andere les te leeren en aleer gij deze geleerd hebt, kan ik op uwe vraag +niet antwoorden. + +De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat +de hand van een Drieenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is +een legaat, eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige +wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene berving +van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot +eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven, +de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen +gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de +tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift +altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van +"het wijf des Lams" en "de bruiloft des Lams", zoo wordt de kerk gezegd +"tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen van gouden +borduursel," gelijk in oostersche landen de bruid door haren vader +tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook van +"ondertrouw" welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging. +"Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw," +(Jer. 2: 2); "ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan +nen man voor te stellen, namelijk Christus." (2 Cor. 11: 2). Zoo was +Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1: +18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene +onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde +zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene +overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien +zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in +zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De +deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit +gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven +en het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; "Ik zal u mij +ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en +in barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij +zult den Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid +beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in +_verledene_, _tegenwoordige_ en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ +zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek des levens des +Lama, van voor de grondlegging der wereld. _Tegenwoordige_ zaligheid +bestaat in de openbaring van Christus in de ziel, waarbij Hij zich haar +ondertrouwt. En _toekomende_ zaligheid bestaat in de eeuwige genieting +van Christus, wanneer de uitverkorenen aan het bruiloftsmaal van +Christus zullen aanzitten en altijd met den Heere zullen zijn. Gelijk +nu niemand de _toekomende_ zaligheid zal genieten, die geen deel heeft +in de _verledene_ zaligheid; met andere woorden, gelijk niemand ooit +met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal zijn, wiens naam niet is +geschreven in het boek des levens van alle eeuwigheid, alzoo zal niemand +de _toekomende_ zaligheid genieten, die leeft en sterft zonder het genot +van de _tegenwoordige_ zaligheid;--met andere woorden, niemand zal voor +eeuwig met Christus in heerlijkheid leven, die Hij in dit leven niet +ondertrouwd heeft, door openbaring van zich zelf aan zijne ziel. Naar de +gewoonte der Joden gaf de man ten tijde zijner ondertrouw aan de bruid +een stuk zilver tot een getuigenis, zeggende tot haar: "Ontvang dit +stuk zilver als een onderpand dat gij op zulk een tijd mijne huisvrouw +zult worden." En daarop verwisselden de partijen hunne ringen. Deze +ontmoeting van de verloofde partijen, die dan elkander voor het eerst +zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de eerste ontmoeting der ziel +door Jezus. De jonge dochter had van den jongeling gehoord, maar tot +dien tijd had zij hem nimmer gezien, even als zoekende zielen van Jezus +hooren met het gehoor der ooren, voor hare oogen Hem zien. De sluijer +was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk als de sluijer ligt op het +hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in tween scheurt van boven tot +beneden. De bruidegom gaf zijne ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als +een onderpand, dat alles wat hij had, het hare was. En alzoo geeft +Christus aan de ziel, die hij zich ondertrouwt door zijne eigene +openbaring, een onderpand, een teeken, eene getuigenis, welke in zich +hebben, de eerstelingen en de verzekering der eeuwige heerlijkheid. De +partijen wisselden hunne ringen als onderpanden van onderlinge liefde +en eeuwige getrouwheid. En evenzoo openbaart Christus zich aan de ziel, +in zijne stervende liefde; wederkeerige verpanding, wederkeerige +beloften, wederkeerige verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde, +hebben plaats tusschen de ziel en Hem. "Deze zal zeggen ik ben des +Heeren en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met +zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren." (Jes. 45: 5). In deze tijden +"in den dag van des konings bruiloft," (Hoogl. 3: 11), is de taal der +ziel. "Ik heb grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne +vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de +liefde is zijne banier over mij." (Hoogl. 2: 3, 4). Alle leerstellingen, +begrippen geloofsbelijdenissen, ordonantin en ceremonin, bij gemis +van deze geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en +als stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden +van de openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor +de grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het +verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat +is de eeuwige liefde van den Drieenigen Jehovah, tenzij dat eeuwige +liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat is +de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in +het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in +den Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods +dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in +mijn oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te +geven, is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in +de hel. Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke verlossing, toegerekende +geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden +keten van den troon Gods nedergelaten in de ziel; de schoonheid, +heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken, +verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de +ziel en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus +alle twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle +ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen +van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten +en tranen, alle bezwijkingen des harten, alle voorgevoel van den dood +en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste +zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in +den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen +van de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een +krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En +wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben +als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde, +gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der +hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist, +of Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch +is al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan +het fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van +zijn gelaat. Iedere zaak van uitwendigen aard, wat meer is, de waarheid +zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's menschen +gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof, wandelen in de +ordinantin, lange en standvastige belijdenis en alles van slechts +uitwendigen aard, waarop duizenden tot de zaligheid berusten, kan niet +meer de zonde wegnemen, de geregtigheid Gods bevredigen en de ziel +regt op den hemel geven, dan den eed van een vloeker of de ontuchtige +redenen eener hoer. + +Indien ons dan gevraagd wordt, "wat is het dat eene ziel zalig maakt?" +antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij +gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, +die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te +stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht +bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, +gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; +noch, in n woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van +zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte +des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging +der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk +geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te +willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch +lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid +aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke +godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen. +Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in +wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid, +wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en +hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en +worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve +of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen +gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want "de +luijaard begeert en heeft niet," noch in _tranen_ want "Ezau weende met +een zeer groot en bitter geween," (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_, +want "velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen," (Luk. 13: +24), noch in _willen_ want "het is niet desgenen die wil," noch in +_loopen_, "het is niet desgenen die loopt" en "in de loopbaan loopen +allen, maar een alleen ontvangt den prijs." Ook bestaat de zaligheid +niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan "de +hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding," (Hebr. +6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van +Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in +_natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in +_natuurlijke hoop_, want daar is "de hoop des huichelaars die verdwijnen +zal;" noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een "wandelen +in de spranken van ons eigen vuur;" noch in _ijdel vertrouwen_, want +"de zot is oploopende toornig en zorgeloos;" noch in het _spreken over +de godsdienst_, want "een praatachtige dwaas zal vallen;" noch in _dat +anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van +Demas (Phillem. 24), "die de tegenwoordige wereld lief kreeg" (2 Tim. 4: +10), noch daarn, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_, +daar David "zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap +wandelde ten huize Godes" (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de +zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch, +menschelijks en natuurlijks, want "het vleesch is niet nut" (Joh. 6: +63), en "niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de +kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus +niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven +voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch +is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven +geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger +of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden, +gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, "dat Hij barmhartig is, +dien Hij barmhartig zijn wil" en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen +behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne +eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig +en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend +gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de +voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieenigen Jehovah. Hier +is dan het antwoord op de vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?" +1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, +in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God +den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den +Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als +eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit +is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze +zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken +toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de +zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de +ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende +geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op +de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden +gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen +Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder +aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen +der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich +af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde, +anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden +gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, +en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den +ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van +wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, +anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen +vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des +satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam +door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker +gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en +verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van +gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; +eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de +bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd +en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods +niet op hen ligt. + +Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan +de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in +dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene +_bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, +eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld +pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen +bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, +ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, +zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, +verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne +beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al +hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld, +veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met n woord, +al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos +hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot +dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid +van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet +geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden. + +Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier +beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, +welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er +voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing +iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem +zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond +kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden +wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de +leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de +ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren +in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar +zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. "Hunne tafel," +dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden +te spijzigen, "worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle +vergelding tot een' valstrik," (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste +belijders, van "vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf +zonder vrees." Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in, +onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en +een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters +nu worden gezegd "de genade te veranderen in ontuchtigheid en den +eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen," +dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke +menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken +tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen +waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De +stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, +en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, +zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare +natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, +omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf +uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen +der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs +natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld +is, waar het woord des levens ontvangen wordt "in een eerlijk en goed +hart" (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning +van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn +Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen +der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door +den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht +voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze +is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten, +eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een +keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije +genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot +opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis +tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende +tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht +zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne +kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht +van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit +eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke +kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen +uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke +godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van +onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden +onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, +in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en +nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_, +die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich +openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen +over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn +door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, +smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en +van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet +meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit +wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking +van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde +en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God +aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs +weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, +bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en +houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het +om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing +komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde +tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en +langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, +weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot +_Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, +als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot +de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en +mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers +van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers +onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en +ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot +de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze +harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot +tijd bemoedigd hebben. + +Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de +leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder +eenigen twijfel voortbrengen. + +Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige +zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van +eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der +waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk; +algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de +kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in +nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in n +woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des +Evangelies. + +Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de +leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden +Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, +genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne +gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem +te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, +flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem. + +En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke +zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld +op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre +van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke +vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, +uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en +alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan +bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom +hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, +die een verteerend vuur is. + + ~AMEN.~ + + + + +HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH. + + + O[1] God wat is het schoon en zoet, + Wanneer men uwen wille doet, + En van uw wegen niet en glijd, + Ter rechter noch ter linker zijd'. + + Maar ach! wat is 't een zware last, + Dat ons de zond' zoo ligt verrast, + En brengt ons, buiten ons' vermoen. + Om tegen u gebod te doen. + + Hoe zou mijn harte zijn verlicht, + Zoo mijnen weg mocht zijn gericht + Om te bewaren uwe Wet, + Die gij den mensch hebt ingezet! + + Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn + Alzoo beschaamt niet langer zijn, + Wanneer ik zoude merken, maar + Op uw geboden allegaar. + + Och! dat mij zoo de zonde boeid, + Dat ik niet vrij en ongemoeid + Hier loopen mag in mijne baan, + Ach dat ik moet zoo langzaam gaan! + + Een oprecht willen tot het goed + Bevind ik wel in mijn gemoed, + Maar aan 't volbrengen mij het schort, + En daar in koom ik veel te kort. + + Den ouden mensch noch in mij leefd, + Die mijnen geest steeds wederstreefd, + En doet mij zulk een groot geweld, + Dat ik niet weinig ben ontsteld. + + Inwendig heb ik groot vermaak + In uwe Wet; maar (droeve zaak!) + 't Vleesch tegen mijnen geest zich kant, + En neemt ook somtijds d' overhand. + + Het goede dat ik zeer bemin, + En garen wil met hart en zin, + Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad + Dat mijne ziel verfoeid en haat. + + Och ik elendig droevig mensch! + Wie zal mij geven mijnen wensch, + Dat ik eens moge zijn bevrijd + Van dezen mijnen zwaren strijd! + + O Jezus! gij die alles werkt, + En die verslagen harten sterkt; + Geeft dat den ouden mensch verhuist, + En laat mij zijn met u gekruist. + + Want gij voor ons gestorven zijt, + Opdat wij zouden 't aller tijd + Der zonder lichaam doen te niet, + En niet meer volgen haar gebied. + + Laat mij eens zeggen onbevreesd; + Nu leev' ik eenmaal na den geest, + Ik leve nu alzoo niet meer + Gelijk ik heb gedaan wel eer. + + Maar Christus zelve leefd in mij, + Die maakt mij van de zonden vrij: + Is 't vleesch schoon niet volkomen dood. + Zoo vrees ik nochthans geenen nood. + + 'k Heb Christum door 't geloof gevat, + Die mij heeft eeuwig lief gehad, + En voor mij door zijn dood voldaan: + Wat zal mij dan noch tegenstaan? + + Hier op wil ik vertrouwen vast, + Tot dat ik van des lichaams last + Zal zijn verlost, en vleesch en bloed + Niet zal ontrusten mijn gemoed. + + God heeft belooft met eige stem, + Dat in het nieuw Jeruzalem + Gerechtigheid haar wooning heeft, + En niets het welk ontuchtig leeft. + + Daar zal ik doen, mijn God! en Heere! + Al wat ik wil, na mijn begeere; + Want ik en zal dan willen niet + Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied. + + Och dat ik haast mocht komen daar! + Och dat doch haast verschenen waar + Die zal'ge lang gewenschte tijd! + Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd! + + Hoe zullen wij U dienen Heere, + Wanneer geen vleesches zwakheid meer + Ons ooit kan brengen tot den val, + Noch zonden-strijd meer wezen zal! + +[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet, +is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere +voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer +Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen +volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de +hoogste verlusting onzer zielen wezen. + + + + +BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING. + + + Ik kom, O God! voor u belijden, + Mijn zwakheid, die aan allen zijden + Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt: + 't Zijn dikwijls heel geringe zaken, + Die mij mismoedig konnen maken + En mij bestormen met gewelt. + + Ik stel mij voor, iets uit te werken, + En mij kloekmoedig te versterken, + Maar, als de minst aanvechting koomt, + Ben ik benauwt en gantsch verslagen; + En kan niet anders doen dan klagen, + Dat zoo mijn krachten zijn getoomt. + + Och wat een strijd voel ik van binnen, + Wanneer ik mijn gemoed en zinnen + Tot u omhoog te heffen meen, + Dat dan het vleesch mij komt bespringen, + om mijn gewill'ge geest te dringen + Met forsche krachten na beneen! + + En ziet eens aan met mededogen + Mijn broosheid en mijn zwak vermogen: + Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer + Haar aan het stof gevoelt te kleven, + Doch schenken nieuwe kracht en leven + Na uw getrouwe woord, o Heere! + + Wilt mijnen geest doch maken sterker, + Zoolang hij in des Lichaams kerker + Hier dus elendig leven moet; + Tot dat mij eens na deze dagen + Den ouden mensch niet meer zal plagen, + Die nu mij zoo veel moeit' aandoet. + + SLUITER. + + + + + +---------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: letterkennes en toestemming | + | C: letterkennis en toestemming | + | B: kinderen Gods te worden." | + | C: kinderen Gods te worden," | + | B: eeuwigdurend gewigt is Maar het is | + | C: eeuwigdurend gewigt is. Maar het is | + | B: ontvangen tot verniuwing des harten, | + | C: ontvangen tot vernieuwing des harten, | + | B: verkrijgen, enz die in de | + | C: verkrijgen, enz. die in de | + | B: verwerpen.--Verordneerde Hij hen eerst | + | C: verwerpen.--Verordineerde Hij hen eerst | + | B: De ~K.~ Te regt, Mijnheer! | + | C: ~De K.~ Te regt, Mijnheer! | + | B: De ~Pred.~ Verlossing is een | + | C: ~De Pred.~ Verlossing is een | + | B: De ~K.~ En waarvan wordt de | + | C: ~De K.~ En waarvan wordt de | + | B: De ~Pred.~ Van den vloek der | + | C: ~De Pred.~ Van den vloek der | + | B: De ~K.~ En inderdaad eene aangename | + | C: ~De K.~ En inderdaad eene aangename | + | B: De ~Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | C: ~De Pred.~ Tot ~allen~ en elk | + | B: menschen." enz. zoo als | + | C: menschen," enz. zoo als | + | B: De ~Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | C: ~De Pred~. Neen, Hij stierf niet | + | B: verdoemenis. Vreesselijk zal het zijn | + | C: verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn | + | B: De ~K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | C: ~De K.~ Inderdaad vreeselijk om aan | + | B: De ~Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | C: ~De Pred~. Ja! en dunkt u niet | + | B: De ~K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | C: ~De K.~ Ja, ik stem toe dat gehoorzamen | + | B: De ~Pred~. Gij meent de roeping | + | C: ~De Pred~. Gij meent de roeping | + | B: De ~K.~ En waardoor roept Hij | + | C: ~De K.~ En waardoor roept Hij | + | B: De ~Pred~. Door zijn woord en | + | C: ~De Pred~. Door zijn woord en | + | B: De ~K.~ En is deze roeping | + | C: ~De K.~ En is deze roeping | + | B: De ~Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | C: ~De Pred~. Neen, eenigen wanneer zij | + | B: De ~K.~ En verkrijgen degenen | + | C: ~De K.~ En verkrijgen degenen | + | B: De ~Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | C: ~De Pred~. Ja, zij krijgen een nieuw | + | B: ~De Pred~ Gij hebt het juist | + | C: ~De Pred.~ Gij hebt het juist | + | B: wat er verhandeld is Wilt | + | C: wat er verhandeld is. Wilt | + | B: verder e, zoodat de wil | + | C: verderve, zoodat de wil | + | B: gelooven zich bekeeren, enz. | + | C: gelooven, zich bekeeren, enz. | + | B: De ~K.~ Goed, maar zij die hooren | + | C: ~De K.~ Goed, maar zij die hooren | + | B: geloof en hnnne bekeering, de | + | C: geloof en hunne bekeering, de | + | B: niet" | + | C: niet." | + | B: De ~Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | C: ~De Pred.~ Gij moogt zeggen wat | + | B: geloof en bekeering genade om | + | C: geloof en bekeering, genade om | + | B: verzoenen, te regtvaardigen | + | C: verzoenen, te regtvaardigen, | + | B: iederen aan te bieden, die | + | C: iedereen aan te bieden, die | + | B: iets te beschikken,--Neen; het | + | C: iets te beschikken.--Neen; het | + | B: leerstelling die ik haast met den | + | C: leerstelling die ik haat met den | + | B: Profectie. de Schriften der | + | C: Profectie, de Schriften der | + | B: alzoo zijn zij regt zij kunne | + | C: alzoo zijn zij regt, zij kunne | + | B: laten handelen enz. daarom kunnen | + | C: laten handelen enz., daarom kunnen | + | B: toch twijfelen wij niet. of beiden, | + | C: toch twijfelen wij niet, of beiden, | + | B: dan. wie kan op eenig | + | C: dan, wie kan op eenig | + | B: verkeerd zal zijn Maar, indien | + | C: verkeerd zal zijn. Maar, indien | + | B: gij gelooft dat God zoo | + | C: gij gelooft dat, God zoo | + | B: ook doe. Zulk eene leer | + | C: ook doe." Zulk eene leer | + | B: ~De heer E~ Wat betreft te | + | C: ~De heer E.~ Wat betreft te | + | B: gemakkellijken stoel, ik erken | + | C: gemakkelijken stoel, ik erken | + | B: helpen of op te staan heb dan | + | C: helpen of op te staan, heb dan | + | B: goeden Samaritaan mogt zenden. en | + | C: goeden Samaritaan mogt zenden, en | + | B: Wij verheugen ons gerangschik te | + | C: Wij verheugen ons gerangschikt te | + | B: ze zoo Zijn; ja, wij zijn snoode | + | C: ze zoo zijn; ja, wij zijn snoode | + | B: althans mijn, oordeel? want hij | + | C: althans mijn, oordeel, want hij | + | B: zegt; Hij heeft aan iedereen | + | C: zegt; Hij geeft aan iedereen | + | B: beproefde familie teontmoeten. Ik zag aan | + | C: beproefde familie te ontmoeten. Ik zag aan | + | B: wezenlijkheid, onbekend, onbemind | + | C: wezenlijkheid, onbekend, onbemind, | + | B: ongezocht verwaarloosd. Eenigen | + | C: ongezocht, verwaarloosd. Eenigen | + | B: woord heeft opgebouwd. en opbouwen wat | + | C: woord heeft opgebouwd, en opbouwen wat | + | B: op vormen, ceremonin, ordonantin | + | C: op vormen, ceremonin, ordonantin, | + | B: genade opbouwen f aan de andere | + | C: genade opbouwen f aan de andere | + | B: tot de bediening. (die | + | C: tot de bediening (die | + | B: staan, hune zwaarden in de schede | + | C: staan, hunne zwaarden in de schede | + | B: Calvinist? indien de eerste, | + | C: Calvinist?" indien de eerste, | + | B: buiten ons; 2 de zaligheid | + | C: buiten ons; 2. de zaligheid | + | B: machenerie, kan berekenen. Wij | + | C: machinerie, kan berekenen. Wij | + | B: geene week doorwerken. indien het | + | C: geene week doorwerken, indien het | + | B: spinnewiel zijn werk. aan iedere | + | C: spinnewiel zijn werk, aan iedere | + | B: fabrieken werden gesloten hare | + | C: fabrieken werden gesloten, hare | + | B: en haren oorspong, voortgang en | + | C: en haren oorsprong, voortgang en | + | B: der barmhartig'heid, die Hij te | + | C: der barmhartigheid, die Hij te | + | B: prijs zijner eingene heerlijkheid, zou | + | C: prijs zijner eigene heerlijkheid, zou | + | B: aan God toeschijven, welke hij | + | C: aan God toeschrijven, welke hij | + | B: noch tweede, toekomendo noch verleden, | + | C: noch tweede, toekomende noch verleden, | + | B: volmaakt en onverandelijk is, moet zijne | + | C: volmaakt en onveranderlijk is, moet zijne | + | B: hoe onverandelijker de liefde is, | + | C: hoe onveranderlijker de liefde is, | + | B: en onverschilligheid aan haren man kleeft | + | C: en onverschilligheid aan haren man kleeft, | + | B: anderen ongehoorzaam: verdienen niet | + | C: anderen ongehoorzaam; verdienen niet | + | B: verdoemis, kan er in hen | + | C: verdoemenis, kan er in hen | + | B: voorwerp van toegenegenheid Bij denzelfden | + | C: voorwerp van toegenegenheid. Bij denzelfden | + | B: doen groeijen, n haar wit of | + | C: doen groeijen, n haar wit of | + | B: blijven hunne zonden Hij had hen | + | C: blijven hunne zonden. Hij had hen | + | B: zuchten, doodangst en bloed, | + | C: zuchten, doodsangst en bloed, | + | B: Dan, Welk eene ijdele en | + | C: Dan, welk eene ijdele en | + | B: vrijen wil beter te gebriuken dan | + | C: vrijen wil beter te gebruiken dan | + | B: Fara, Saul, Achitofelel, Dog | + | C: Fara, Saul, Achitofel, Dog, | + | B: hout, Gelijk de namen van de kinderen Israls op op | + | C: hout. Gelijk de namen van de kinderen Israls op | + | B: 4. De laatste tak der zaligheid | + | C: 4. De laatste tak der zaligheid | + | B: hebben overtreden, slecht _een gedeelte_ | + | C: hebben overtreden, slechts _een gedeelte_ | + | B: 45 vs 25). | + | C: 45 vs. 25). | + | B: als eene uitwendige daad. | + | C: als eene uitwendige daad, | + | B: kwamen, zoo breng het predestinerend | + | C: kwamen, zoo brengt het predestinerend | + | B: van den drienigen God ons | + | C: van den drieenigen God ons | + | B: en moet ontledig worden; | + | C: en moet ontledigd worden; | + | B: van de onverniewde natuur des | + | C: van de onvernieuwde natuur des | + | B: spade te nemem en verscheidene | + | C: spade te nemen en verscheidene | + | B: weinige stroomtjes in hunne naauwe | + | C: weinige stroompjes in hunne naauwe | + | B: werk der genade" Alzoo maakt de | + | C: werk der genade." Alzoo maakt de | + | B: blind, even vleeschelijk, even dood | + | C: blind, even vleeschelijk, even dood, | + | B: niet. voeten, maar zij gaan | + | C: niet, voeten, maar zij gaan | + | B: Orthodox en Evengelisch, Baptist, | + | C: Orthodox en Evangelisch, Baptist, | + | B: bestaanbaarheid van wandel. onderzoek | + | C: bestaanbaarheid van wandel, onderzoek | + | B: godsdienstige gesprekken naauwgezetheid in | + | C: godsdienstige gesprekken, naauwgezetheid in | + | B: Hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; bij | + | C: hij wordt een belijder. Hij hoort; hij leest; hij | + | B: geboord overhemd af kamt het haar | + | C: geboord overhemd af, kamt het haar | + | B: als zij gelooft zoo en, handelt | + | C: als zij gelooft en, handelt | + | B: zalig maakt? Zoo moeten wij | + | C: zalig maakt?, zoo moeten wij | + | B: verootmoediging; deze en dergelijke | + | C: verootmoediging; deze en dergelijke | + | B: overtuigingen het kermend roepen, | + | C: overtuigingen, het kermend roepen, | + | B: zij trouwden eene godvuchtige | + | C: zij trouwden eene godvruchtige | + | B: van treurig stilzwijgen afwisselend berouw | + | C: van treurig stilzwijgen, afwisselend berouw | + | B: Maakt?" Antwoord ik: "Waarom | + | C: maakt?" antwoord ik: "Waarom | + | B: die vraag?" Vr men iets | + | C: die vraag?" Vr men iets | + | B: legaat eene erfenis, eene bezitting, | + | C: legaat, eene erfenis, eene bezitting, | + | B: bruiloft des Lams" zoo wordt | + | C: bruiloft des Lams", zoo wordt | + | B: nen man voor te stellen, namelijk | + | C: nen man voor te stellen, namelijk | + | B: Heere kennen. (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | C: Heere kennen." (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien | + | B: en _toekomende_ zaligheid. _Veledene_ | + | C: en _toekomende_ zaligheid. _Verledene_ | + | B: 3, 4). alle leerstellingen, | + | C: 3, 4). Alle leerstellingen, | + | B: den Drieenigen Johovah, tenzij dat | + | C: den Drieenigen Jehovah, tenzij dat | + | B: Maar eeuwige verkiezing persoonlijke | + | C: Maar eeuwige verkiezing, persoonlijke | + | B: alle bezwijkingen des, harten, alle | + | C: alle bezwijkingen des harten, alle | + | B: zaak van uit wendigen aard, wat meer | + | C: zaak van uitwendigen aard, wat meer | + | B: gezondheid van geloof wandelen in de | + | C: gezondheid van geloof, wandelen in de | + | B: ordinantien lange en standvastige | + | C: ordinantin, lange en standvastige | + | B: noch, in n woord, eenige enkelvoudige | + | C: noch, in n woord, eenige enkelvoudige | + | B: vs. 4, 3), terwijl Saul profeteerde, | + | C: vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, | + | B: geloofde en werd gedoopt noch in | + | C: geloofde en werd gedoopt, noch in | + | B: _natuurlijke hoop_ want daar is | + | C: _natuurlijke hoop_, want daar is | + | B: godsdienst_ want "een praatachtige | + | C: godsdienst_, want "een praatachtige | + | B: Godes" (Ps. 55, 15) Om alles | + | C: Godes" (Ps. 55: 15). Om alles | + | B: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8), Dus | + | C: het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus | + | B: dat zij die gezaligd, worden, | + | C: dat zij die gezaligd worden, | + | B: zij verlost geregvaardigd, levend | + | C: zij verlost, geregtvaardigd, levend | + | B: gemaakt, geheiligd bewaard en verheerlijkt | + | C: gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt | + | B: van den Drienigen Jehovah. Hier | + | C: van den Drieenigen Jehovah. Hier | + | B: dat eene ziel zalig maakt?" | + | C: dat eene ziel zalig maakt?" | + | B: HeiligenGeest. Dit is de erfenis | + | C: Heiligen Geest. Dit is de erfenis | + | B: er in. eenigen van hen zijn | + | C: er in. Eenigen van hen zijn | + | B: bewijzen eenigen worden al | + | C: bewijzen; eenigen worden al | + | B: en tranen: al hunne twijfelingen, vreezen. | + | C: en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, | + | B: wisselingen en veranderingen, schuld. | + | C: wisselingen en veranderingen, schuld, | + | B: hart alles, alles dient in de | + | C: hart; alles, alles dient in de | + | B: heopenbaard worden, om hen | + | C: geopenbaard worden, om hen | + | B: door de hand van God iu de | + | C: door de hand van God in de | + | B: te spijzigen worde voor hun aangezicht | + | C: te spijzigen, "worde voor hun aangezicht | + | B: onvermend met heilige vrees, | + | C: onvermengd met heilige vrees, | + | B: worden gezegd de genade te veranderen | + | C: worden gezegd "de genade te veranderen | + | B: booze werken (Jud. 4: 12). Maar om | + | C: booze werken (Jud. 4, 12). Maar om | + | B: bereiden bodem schieten De leerstellingen | + | C: bereiden bodem schieten de leerstellingen | + | B: is deeerste _bekeering_, welke | + | C: is de eerste _bekeering_, welke | + | B: eene verandering van gevoelens een | + | C: eene verandering van gevoelens, een | + | B: beeft op zijn fronselen zij ducht | + | C: beeft op zijn fronselen, zij ducht | + | B: vrucht is _Goddelijkeid droefheid_, | + | C: vrucht is _Goddelijke droefheid_, | + | B: beproefde gekwelde en verzochte | + | C: beproefde, gekwelde en verzochte | + | B: mede-erfgenamen: in liefde tot _gezanten | + | C: mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten | + | B: tot het _Woord_ Gods. dat onze | + | C: tot het _Woord_ Gods, dat onze | + | B: wrarheid; milddadigheid tot de | + | C: waarheid; milddadigheid tot de | + | B: Laat mij eens zeggen onbevreest; | + | C: Laat mij eens zeggen onbevreesd; | + | B: is on eindelijk grooter dan de | + | C: is oneindelijk grooter dan de | + | | + +---------------------------------------------------------+ + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + +***** This file should be named 39039-8.txt or 39039-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/3/39039/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/39039-8.zip b/39039-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4d64d --- /dev/null +++ b/39039-8.zip diff --git a/39039-h.zip b/39039-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7a58d85 --- /dev/null +++ b/39039-h.zip diff --git a/39039-h/39039-h.htm b/39039-h/39039-h.htm new file mode 100644 index 0000000..1e2c685 --- /dev/null +++ b/39039-h/39039-h.htm @@ -0,0 +1,2895 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + + <title> + Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? by Joseph Charles Philpot—A Project Gutenberg eBook. + </title> + <style type="text/css"> + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; + font-size: 120%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; + font-size: 120%;} +h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; + font-weight: normal; font-size: 160%;} +h3.h3deel1 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; + font-weight: normal; font-size: 160%;} +h3.h3deel2a {font-weight: normal; font-size: 160%;} +h3.h3deel2b {font-weight: bold; font-size: 100%;} +big {font-size: 200%; letter-spacing: -0.1em;} + +p {text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + text-align: center; text-indent: 0em; width: 26em;} +p.tp1 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + text-align: center; text-indent: 0em; width: 26em; line-height: 3.6em;} +p.tp2 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + text-align: center; text-indent: 0em; width: 26em; line-height: 2.4em;} +p.amen {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; text-align: center; + text-indent: 0em; letter-spacing: 0.3em; margin-right: -0.3em;} + +div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center;} +div.voorwoord {margin-top: 4em; margin-bottom: 1em; text-align: center; + line-height: 1.5em; font-size: 100%;} +div.voorrede1 {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; line-height: 1.6em;} +div.voorrede2 {margin-top: 3em; margin-bottom: 3em; line-height: 1.7em;} + +/* TB */ +hr {width: 33%; clear: both; border: 1px solid black; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.hrtp {width: 6em;} +hr.double {width: 11%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; + height: 7px; border-left: 0; border-right: 0; + border-top: 2px solid black; border-bottom: 2px solid black;} +hr.single {width: 11%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} + +/* ALIGN */ +.right {text-align: right;} +.ind4 {text-indent: 4em;} +.ri1 {padding-right: 1em;} +.ri2 {padding-right: 2em;} +.ri3 {padding-right: 3em;} +.ri4 {padding-right: 4em;} +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.g {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-style: normal;} +.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +/* FOOTNOTES */ +.footnote {margin-left: 0; margin-right: 0; font-size: 75%; text-align: justify;} +.footnote .label {padding-right: 1.5em; text-decoration: none;} +.fnanchor {text-decoration: none; margin-left: 0.05em; vertical-align: 0.8em;} + +/* POETRY */ +.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} +.poem .auteur {margin: 1em 0em 1em 0em; display: block; margin-left: 14em;} +.poem div.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;} +.drop {text-indent: 0em;} +.drop:first-letter {font-size: 225%;} + +.size67 {font-size: 67%;} +.size115 {font-size: 115%;} +.size120 {font-size: 120%;} +.size140 {font-size: 140%;} +.size150 {font-size: 150%;} +.size167 {font-size: 167%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {border: 1px solid; padding: 1em; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + +@media screen +{ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em;} + .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; background-color: #dddddd;} + ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +} + +@media print +{ p {margin: 0;} + .pagenum {display: none;} + ins {border: none;} + ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +} + +@media handheld +{ body {margin-left: 2%; margin-right: 2%;} + p {margin-top: .2em; margin-bottom: .2em;} + .pagenum {display: none;} + ins.corr2 {border: none; text-decoration: none;} +} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt? + zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten + predikant en den heer Easterman met een antwoord op die + gewichtige vraag + +Author: Joseph Charles Philpot + +Translator: W Rs + +Release Date: March 3, 2012 [EBook #39039] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 296px;"> + <a href="images/cover.jpg"><img src="images/cover-th.jpg" width="296" height="472" title="Klik voor vergroting (8211310px, 174Kb)" alt="" /></a> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="1"> </span><a id="p_1"></a></p> + +<div class="title"> + + <h1>WAT IS HET<br /> + <big>Dat eene Zondaar zaligmaakt?</big></h1> + + <p class="tp size120"><a href="#I">Zamenspraak</a> tusschen een + Kappersknecht, Methodisten predikant + en den Heer Easterman</p> + + <p class="tp">MET EEN<br /> + <span class="size115"><a href="#II">ANTWOORD</a> OP DIE GEWICHTIGE VRAAG</span></p> + + <p class="tp">van den WelEerw. Heer<br /> + <span class="size167"><b>J. C. PHILPOT,</b></span></p> + + <p class="tp">waarin de leer onzer dagen in hare velerlei gedaanten, + en daartegen over die van vrije, souvereine genade + in het klaarste licht wordt geplaatst en de laatste + van de beschuldiging van antinomianisme gezuiverd.</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp"><i>Naar den derden Engelschen druk.</i></p> + + <p class="tp">Vertaald door <b>W. Rs.</b></p> + + <p class="tp">Met een <a href="#VOORWOORD">voorwoord</a> van den vertaler, bevattende + zijn bijzonder doel met de uitgave.</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp">L. DORSMAN.—ROTTERDAM.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="2"> </span><a id="p_2"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="3"><br /> </span><a id="p_3"></a></p> + +<div class="voorwoord"> + + <h2><a id="VOORWOORD"></a>VOORWOORD.</h2> + + <p>Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1 jaar geleden, licht + in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de + meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de + godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar + geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer + <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: letterkennes">letterkennis</ins> en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot + figuur kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan + zijn van alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand + en zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd + mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de + waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te + zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in + zichzelf.</p> + + <p>Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere + blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook + moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke + onkunde voortgesproten.—Onder anderen herinner ik mij eenen strijd + voor het welmeenend aanbod van <span class="pagenum" title="4"> </span><a id="p_4"></a>genade, de schenking van Christus door + het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de + Bazuin.—Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij + dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden + ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne + bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer + van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing, + roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars, + door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon.</p> + + <p>Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging + openlijk uit te spreken;—doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen + den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik + tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de + godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap + ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door + misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de + ellendigen en nooddruftigen te bedroeven.</p> + + <p>Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend + geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende + overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist + om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit + werkje, vooral het <span class="pagenum" title="5"> </span><a id="p_5"></a>gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen + en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne + hand.</p> + + <p>Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan n oogmerk te kunnen + bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite + stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H. + Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken, + die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve + ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter + vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm + in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid + en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen + verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije, + souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar + integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest + wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen + terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan, + dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels + roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit + volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij + niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal + den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde + dwaasheid <span class="pagenum" title="6"> </span><a id="p_6"></a>en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij + kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid + enz., het koningrijk Gods niet ingaan.</p> + + <p>En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van + genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun + heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet + zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) „Zoovelen Hem + aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden<ins class="corr" id="corr2" title="Bron: .">,</ins>” + maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt: + „<i>namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, + noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God + geboren zijn</i>,” opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vr + de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.—Mogten vooral de + zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften + onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen!</p> + + <p class="right ri2">DE VERTALER.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="7"> </span><a id="p_7"></a></p> + +<div class="title"> + + <h2><a id="I"></a>I.</h2> + + <p class="tp1"><span class="size120 ls2"><b>Zamenspraak</b></span><br /> + + OVER DE VRAAG:<br /> + + <span class="size150"><b>Wat is de oorzaak van de<br /> + Zaligheid des Menschen?</b></span></p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="8"> </span><a id="p_8"></a></p> + +<div class="voorrede1"> + + <h3 class="h3deel1"><a id="VOORREDE1"></a>VOORREDE</h3> + + <hr class="single" /> + + <p class="ind4">Waarde Vrienden!</p> + + <p>Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had + opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet + komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? + Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen + mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, + en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel + zaligt, dan n de Methodisten Predikant n de Heer Easterman zulks + gedaan hebben.—Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid + ontvangen en behartigd worden door</p> + + <p class="right ri1">Uwen zeer verpligten Dienaar</p> + + <p class="right ri3">Een Kappersknecht.</p> + + <hr class="double" /> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="9"> </span><a id="p_9"></a></p> + +<h3 class="h3deel1"><a id="ZAMENSPRAAK"></a>ZAMENSPRAAK.</h3> + +<hr class="double" /> + +<p><em class="g">De Kappersknecht.</em> Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn beroep +uit, en liet mij alleen in den winkel.—Spoedig daarop kwam de heer +Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen hij +van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te wachten +op mijns meesters terugkomst.—Even daarna kwam een Methodisten +predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus +aansprak:</p> + +<p><em class="g">De Predikant.</em> Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat +uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt +uit!</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen +morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid +had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is +waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij +weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij +zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken +vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij +zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, +om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te +wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, +<span class="pagenum" title="10"> </span><a id="p_10"></a>daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe +hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig +onderrigt te geven?</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen +onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,—maar ik ben +eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst +verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om +over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door +zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en +inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op u +geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. +Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de +andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, om +van mij onderwijs te behoeven.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet +altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het +oude spreekwoord blijft waar: „zoo lang wij leven moeten wij leeren”.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Gij hebt gelijk;—ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet ten +kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat gij +in de zaak der godsdienst zoudt willen weten?</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te +zijn: <i>Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf +bevrijdt?</i></p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet +onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">.</ins> Maar het is niet +ne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele +zaken, met elkander vereenigd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="11"> </span><a id="p_11"></a></p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of +twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd +in n hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om +uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig +mijne gedachten over zeggen.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat +de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, +van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den +mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten +eeuwigen leven?</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde de bron +van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen uitverkiezing +en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.—Maar wij moeten de +besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk beschouwen, maar +als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet alle dingen van den +beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien overeenkomstig; en +schoon er geschreven staat: „als de kinderen nog niet geboren waren, +noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat +naar de verkiezing is, vast bleve,” moet dat niet verstaan worden alsof +God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden en zonder dat, hen +verkoos of verwierp. Hij ziet met n blik van eeuwigheid, wie onder het +gansche geslacht van Adam de voorwaarden der zaligheid al of niet zal +volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij al de gehoorzamen tot de +zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de verdoemenis.—Dit noemen +wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen van al de groote hoofden +der Methodisten zooals de heeren <span class="pagenum" title="12"> </span><a id="p_12"></a>Wesley, Fletcher enz. wier wetenschap +in de godsdienst in onze dagen weinig betwist wordt.—Ja zelfs worden +hunne leerstellingen beschouwd den onloochenbaren standaard der waarheid +te zijn.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Goed, hierin versta ik u zeer wel.—Maar zijn er niet eenigen, die +genade ontvangen tot <ins class="corr" id="corr4" title="Bron: verniuwing">vernieuwing</ins> des harten, den H. +Geest deelachtig worden geloof en bekeering verkrijgen, enz<ins class="corr" id="corr5" title="Niet in Bron.">.</ins> die +in de liefde Gods zijn en toch weer afvallen en verloren gaan? En +handelt God dan op een voorgezigt van den tweederlei staat van de +zoodanigen? Hij zag hen de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade +verkregen.—Hij zag hen later de voorwaarden verwerpen.—<ins class="corr" id="corr6" title="Bron: Verordneerde">Verordineerde</ins> +Hij hen eerst ten leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk +uitverkoren en verworpen?</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, dat +er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig +zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen +en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn +„opregt geloof” zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne +gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook +voorziet dat zij wer veranderen zullen en bokken worden, haat Hij +hen.—Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, +volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien +kan.—Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is +verlossing, wedergeboorte enz. vor wij zalig kunnen gemaakt worden.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr7" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de +verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr8" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred.</em> Verlossing is een werk door Christus <span class="pagenum" title="13"> </span><a id="p_13"></a>volbragt in zijn leven op +aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de +bevrijding des menschen van de zonde.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr9" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, +dood en opstanding?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr10" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred.</em> Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle +ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den +boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God +gebragt. „Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed.” Dit is de taal der +Schrift over het einde der verlossing.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr11" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die +verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr12" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred.</em> Tot +<em class="g">allen</em> en elk individu van het menschelijk geslacht. „Hij +gaf zich zelven voor allen,” „was een rantsoen voor allen,” „stierf voor +de zonden der geheele wereld,” „smaakte den dood voor alle menschen<ins class="corr" id="corr13" title="Bron: .">,</ins>” +enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo enghartig om te +stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van het menschelijk +geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat Hij voor allen +te gelijk stierf.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij dunkt +ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: <i>hoe +een zondaar gezaligd wordt?</i> Indien Christus voor allen stierf, hen van +den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, dan +is dit zeker <i>de verlossing door Christus</i> en regtens zullen alle +menschen zalig worden.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. +Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, de +<em class="g">voorwaarden</em> die door den mensch moeten volbragt worden om de +verlossing deelachtig te worden. Het <span class="pagenum" title="14"> </span><a id="p_14"></a>is het werk van Christus en in +zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen +God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid +door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet +toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen +u ten gids zijn.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om de +menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen dat +Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij mogt +zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het kruis +en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor allen +van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen +geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden +volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon +zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. +Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr14" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door +hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne +verdoemenis. <ins class="corr" id="corr15" title="Bron: Vreesselijk">Vreeselijk</ins> zal het zijn voor hen die besloten zijn, +door het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne +folteringen veelvoudig vermeerderen.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr16" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks +te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren +zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen +zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als +wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende +als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van <span class="pagenum" title="15"> </span><a id="p_15"></a>de +Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet +ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus +voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch +zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden +gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus +dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis +voortbrengt.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr17" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte +voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig +worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben +willen hooren?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr18" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij +herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe +gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr19" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr20" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> En waardoor roept Hij de menschen daartoe?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr21" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of +andere wijze geeft om winst mede te doen.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr22" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen in +staat stelt om de geboden Gods te betrachten?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr23" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben +genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden +gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade +ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen +verharden zich en blijven in hunne zonden.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr24" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> En verkrijgen degenen die gelooven en <span class="pagenum" title="16"> </span><a id="p_16"></a>zich bekeeren, ware genade +om hunne zielen te behouden?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr25" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred</em>. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt +geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle +hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke +zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, +de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.—En indien zij al +deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn +het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik +zalig worden.</p> + +<p><em class="g">De Pred<ins class="corr" id="corr26" title="Niet in Bron.">.</ins></em> Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken +deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het +andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij +ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden +ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne +aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren +weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en +twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik +bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien +kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid +ligt, Mijnheer <em class="g">Easterman</em>, gij zijt tot hiertoe stil geweest, +ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is<ins class="corr" id="corr27" title="Niet in Bron.">.</ins> Wilt +gij zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen?</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw +gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die +zaken welke de <span class="pagenum" title="17"> </span><a id="p_17"></a>predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de +predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar zijn +eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des +menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede +wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij +ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten +<ins class="corr" id="corr28" title="Bron: verder e">verderve</ins>, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der +uitverkiezing is.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, z +zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind +waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand +ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren.</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en ik +denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing door +Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle +menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den +vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk +verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing +ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch +ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, +indien niet, hij mist het.</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Ja, dit schijnt onvermijdelijk. Doch dan ligt des zondaars +zaligheid ook niet in de roeping des menschen door God, maar in de +middelen, die Hij heeft voorgeschreven?</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Niet volgens de verklaring der leer van den predikant; want +hij zegt, God roept <i>alle</i> menschen, en eenigen, wanneer zij hooren, +gelooven<ins class="corr" id="corr29" title="Niet in Bron.">,</ins> zich bekeeren, enz. verkrijgen daarop genade en <span class="pagenum" title="18"> </span><a id="p_18"></a>zaligheid +van God; anderen, die het tegendeel doen, ontvangen niets.</p> + +<p>In beide gevallen is de roeping van God, dezelfde. Indien dit het +geval is, kon het niet bestaan in de roeping, maar in de gewilligheid +van hen die hooren en gehoorzamen.</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr30" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>K.</em> Goed, maar zij die hooren en gehoorzamen ontvangen wedergeboorte, +geloof in Christus, bekeering tot God en hebben den Geest des Heeren, +zijn verzoend, verlost en geregtvaardigd, in n woord: zijn ware +Christenen. Dan zou ik hunne zaligheid zoeken in de kracht des Geestes, +vereenigd met hun geloof en hunne bekeering, welke de vereischte +voorwaarden zijn. Dit moet, naar ik oordeel, de ware oorzaak der +zaligheid zijn.</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Neen, evenmin, want schoon zij de voorwaarden volbragt hebben +en den Geest hebben en werkelijk in de liefde en gunst Gods staan, +indien zij te eenigertijd ontaarden en afvallen, verwerpen zij den +Geest, hun geloof en <ins class="corr" id="corr31" title="Bron: hnnne">hunne</ins> bekeering, de gunst van God en al het goede +dat zij bezaten en gaan eindelijk nog ten verderve. Het zijn dus deze +dingen niet die hen kunnen zaligen, want eens bezaten zij ze. Zoo dat, +al wat God de Vader gedaan heeft in hen, door de voorkennis van het +goede dat Hij in hen zag, uit te verkiezen en te predestineren,—alles +wat God de Zoon gedaan heeft in hen te verlossen,—al wat God de Geest +gedaan heeft, in hunne harten te vernieuwen,—en de volbrenging der +voorwaarden, alle deze dingen te zamen genomen hen niet kunnen zaligen, +want deze afvalligen bezaten ze eenmaal, en indien zij het werk konden +doen, hadden zij het moeten doen, zoodat gij ergens elders naar de +zaligheid moet zoeken, want alle deze roepen ons toe: „Bij mij is het +niet<ins class="corr" id="corr32" title="Niet in Bron.">.</ins>”</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Inderdaad, mijnheer, gij drijft mij bijna <span class="pagenum" title="19"> </span><a id="p_19"></a>tot wanhoop, want waar +zal ik zoeken of verwachten de zaligheid te vinden, indien niet in +eenige of alle deze dingen? Ik kan niet denken dat het bij de Engelen +Gods te vinden is, schoon eenigen ook al eerbiedwaardig zijn gebleven; +en gevallene engelen indien zij de magt hadden, zij hebben den wil niet, +want zij haten beide God en den mensch. Tot wien zal ik dan gaan? Tot de +heilige maagd? ik heb toch eenigen hooren zeggen, dat zij de moeder +boven den Zoon achten?—Kan ik de zaligheid bij haar vinden of tot wien +van de heiligen zal ik mij wenden?</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Neen, neen, volgens de bovenvermelde leer van uwen vriend, +behoeft gij zooveel moeite niet te doen, gij kunt het digter bij huis +vinden, in uzelven, in hetgeen men noemt <i>vrije wil</i>; doch hetgeen <i>ik</i> +noem, de wil des vleesches, want wat bezit de mensch meer dan dit, +terwijl hij dood is in zonden en misdaden? En immers wanneer God geneigd +is om te verkiezen en te predestineren, doet hij het op de +voorwetenschap van hetgeen de wil des vleesches zal doen. Christus +verlost, maar het is de wil des vleesches die het zich moet verwerven of +de mensch moet verloren gaan; God roept maar het berust in den wil des +vleesches om de roeping te gehoorzamen of te verwerpen. En indien de wil +des vleesches zoover hoort en vervult en de nieuwe geboorte verkrijgt, +benevens al de voorvermelde zegeningen, toch blijft het nog de wil des +vleesches om deze dingen te behouden of weer weg te werpen. Hier ziet +gij de geheele kracht en het wezen der zaligheid en gij hebt op te zien +tot <i>deze aanbiddelijke en verhevene zaak</i>, de wil des vleesches.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Zijt niet te haastig, mijnheer! Gij hebt nooit iemand van ons +noch op den kansel, noch in druk hooren zeggen, dat het de wil des +vleesches is, die den zondaar zaligt. Neen, integendeel wij verklaren +<span class="pagenum" title="20"> </span><a id="p_20"></a>dat de mensch een dood zondaar is, en niets tot zijne zaligheid doen +kan, dat gij zien kunt in eene preek door Mr. Charles Wesley in het +licht gegeven. Dit zijn de woorden (Eph. 5: 14) waar hij zegt: „dat een +dood zondaar niets tot zijne zaligheid doen kan, evenmin als een +ligchamelijk doode kan opstaan en de werkzaamheden van een levend mensch +verrigten.” En Mr. Fletcher bewijst uit Gods woord, in het eerste deel +van zijn werk, dat de mensch niets doen kan, om zijne ziel te behouden, +maar dat het is, het werk der genade Gods, Die aan iedereen een of twee +talenten geeft, en indien hij er mede woekert door de middelen die God +hem beschikt, zal hij daardoor meer genade ontvangen, en indien niet, +zoo zal hij verdoemd worden; en dit is de beginnende genade Gods en de +bekwaamheid des menschen en niet de wil des vleesches, zoo als gij zegt.</p> + +<p><em class="g">De Heer E.</em> Het is waar, dat ik u nimmer hoorde zeggen, noch van den +kansel, noch door de pers, dat het de wil des vleesches is, die verlost; +maar het is te bejammeren dat gij het niet doet, want gij misleidt het +volk, door leerstellingen te verkondigen die in den wil des vleesches +zich vereenigen en den mensch leiden om daarop te rusten. Het <i>moet</i> zoo +zijn volgens uwe stelling. Niet in den wil en het welbehagen Gods, want +gij zegt; Hij zou hem verlossen indien de wil des menschen de voorwaarde +wilde volbrengen; niet in de verlossing door Christus, want Hij heeft +hen verlost, maar zij willen de verlossing niet hebben; niet in de +roeping, want velen willen niet gehoorzamen; niet in die genade, die men +zou kunnen verkrijgen, want de wil des menschen verwerpt den Geest Gods +met alle zijne genade, en verandert zich zelven weer van genade in +natuur, keert van vrede tot toorn, van liefde tot haat, van een schaap +van Christus tot een bok des satans, van de zaligheid <span class="pagenum" title="21"> </span><a id="p_21"></a>tot de +verdoemenis.</p> + +<p>En wat gij ter wederlegging voortbrengt dient slechts ter bevestiging, +want gij zegt dat God aan iedereen een talent van genade geeft om winst +mede te doen; naarmate hij er mede woekert, wint of verliest hij, is hij +zalig of verloren. Hadt gij gezegd dat God een talent van genade gaf, om +den mensch te bekeeren, zijn hart te veranderen en zijne ziel te redden, +ik zou u gaarne geloofd hebben, die genade zou den mensch inderdaad +zalig maken. Maar gij zegt met Mr. Fletcher, dat de mensch het talent +moet doen toenemen, tot hij trapsgewijze genade ontvangt. Nu laat mij u +of Mr. Fletcher vragen: wat is een mensch, of wat heeft hij vr hij het +talent ontvangt? <i>Niets, niet met al</i>, gelijk door u beide beleden is, +slechts eene zondige gevallen natuur, de wil des vleesches, om met het +talent te woekeren. Zoo komt het op hetzelfde punt neer en bevestigt +het. Indien de wil des vleesches goed en vlijtig arbeidt, ontvangt hij; +doch indien hij zich het talent onwaardig maakt en het verwaarloost en +niet ijverig werken wil heeft hij geene zaligheid; en indien hij niet +toonen kan, dat de mensch niet iets meer heeft dan den wil des vleesches +vr hij het talent ontvangt, moet immers dat het zijn, waar het op +aankomt en waar zijne zaligheid van afhangt? Zou het niet veiliger voor +u zijn te gelooven dat het talent zelf den mensch bekeert en verlost, +dan dat de mensch het talent verbeteren, behouden en bewaren moet?</p> + +<p><em class="g"><ins class="corr" id="corr33" title="Niet uitgespatierd in Bron.">De </ins>Pred.</em> Gij moogt zeggen wat ge wilt, maar wij gelooven, dat God de +zaligheid heeft bestemd voor iedereen op zijne gehoorzaamheid, en ons +zijne dienstknechten gezonden heeft om hem te roepen tot het volbrengen +der voorwaarden, iedereen de genade Gods aan te bieden op de vervulling +der conditin <span class="pagenum" title="22"> </span><a id="p_22"></a>en hen te verzekeren, dat God van zijne zijde alles +gedaan heeft en indien zij het hunne willen doen, zij gezaligd zullen +worden.</p> + +<p><em class="g">De heer E.</em> Ja, ik sta gereedelijk toe, dat wat gij gezegd hebt, de wijze +is van uwe bediening, waarover ik mij menigmaal verwonderd heb, en ik +ben nooit in staat geweest om het eene deel van uwe predikatin met het +andere overeen te brengen. In uwe gebeden tot God, gaat gij heen en +smeekt Hem, zijne genade aan zondaren te willen geven, dat het Hem +behagen moge hunne harten daardoor te veranderen, hun genade te geven +tot geloof en bekeering<ins class="corr" id="corr34" title="Niet in Bron.">,</ins> genade om hen te verzoenen, +te regtvaardigen<ins class="corr" id="corr35" title="Niet in Bron.">,</ins> +te heiligen en te verlossen. Dit alles vraagt gij aan God, hun te willen +schenken en mededeelen; kort daarop gaat gij de genade en zaligheid voor +het aangezigt Gods iedereen aanbieden. Wanneer ik dit alles hoor, moet +ik mij verbazen, want in uw gebed schijnt gij vast te stellen, dat het +te geven alleenlijk en uitsluitend het regt des Heeren is en een +oogenblik daarna spreekt gij alsof gijlieden geroepen zijt om het +<ins class="corr" id="corr36" title="Bron: iederen">iedereen</ins> aan te bieden, die gewillig is om het te ontvangen. Nu, +schoon velen het niet begeeren toch denk ik dat er in elke gemeente +eenigen zijn, die verlangen genade en zaligheid te ontvangen. +Vooronderstel dat een dezer opstond en tot u zeide: Ik ben verlangend om +te ontvangen en gij zijt gereed om te geven, wilt gij zoo goed zijn, mij +de genade des geloofs en de genade tot verzoening, regtvaardigmaking, +heiligmaking en verlossing te geven? Zoudt gij niet genoodzaakt zijn te +antwoorden in de taal der wijze maagden tot de dwazen: „Niet alzoo, +opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij,” want ik heb niet +meer genade dan om mij zelven te behouden, indien maar zooveel! Zoudt +gij niet verpligt zijn den armen vraager naar eene andere fontein te +verwijzen om genade te <span class="pagenum" title="23"> </span><a id="p_23"></a>erlangen? Zoudt gij hem niet op Christus moeten +wijzen, in Wien het alleen is en uit wiens volheid het alleen kan +ontvangen worden, en hem zeggen, dat hij zijne begeerte aan God moest +bekend maken en aan zijnen troon wachten, tot het Hem behagen mogt te +hooren en genade te geven? Zou de man niet grootelijks teleurgesteld +zich van u af moeten wenden en zoudt gij niet gedwongen zijn, om +overdekt met schaamte neder te zitten? En zou het wel overdreven zijn +indien het publiek uitriep: „die man is een spotter, hij biedt genade +en zaligheid aan en wanneer iemand het begeert, heeft hij niets om te +geven.” Laat mij u raden, uwe spotternij te laten varen en het volk +op God te wijzen in Wien genade is, en Die het alleen kan mededeelen; +want Hij zal het u niet toevertrouwen, noch u de eer geven over iets +te beschikken<ins class="corr" id="corr37" title="Bron: ,">.</ins>—Neen; het is Zijne eigen regt en Zijne eigene +heerlijkheid, barmhartig te zijn dien Hij wil en Zijne genade te geven +aan wien en wanneer het Hem behaagt.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Mij dunkt, ik begin te bemerken dat gij van gevoelen een +Calvinist zijt, en het zou mij niet verwonderen een Antinomiaan tevens, +die gelooft, dat wat ook in den tijd geschiedt, door God van eeuwigheid +is besloten en vastgesteld, een leerstelling die ik <ins class="corr" id="corr38" title="Bron: haast">haat</ins> met +den grootsten afschuw, hoewel ik niet denk dat volgens deze leer gij of +iemand anders het regt hebt ons te beschuldigen wegens hetgeen wij +prediken of doen. Want indien alle dingen door God bepaald zijn en +gebeuren moeten, dan is het ook besloten, dat wij zouden gelooven, +prediken en handelen, gelijk wij doen, en wij zoowel als anderen +vervullen slechts de besluiten Gods. Wij kunnen niet verkeerd handelen +in zijnen raad te volvoeren. Zoodat, indien gij gelijk hebt, wij geen +ongelijk kunnen hebben, dit mag ons eenigen troost verschaffen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="24"> </span><a id="p_24"></a></p> + +<p><em class="g">De Heer E.</em> Indien gij meent dat ik een Calvinist ben, weet gij meer van +mij dan ik van mijzelven, want ik heb nooit meer dan eene enkele pagina +van de werken van dien grooten Hervormer gezien of gelezen, en ik ben +verzekerd dat wij op dit punt door hem behandeld, zoover in gevoelen van +elkander verschillen als twee personen kunnen doen, schoon wij in andere +opzichten, zoover ik weet, mogen overeenstemmen. Maar het is niet de +mensch, van welk gezag ook, noch Calvijn, Luther, Wesley noch Fletcher, +dien ik in mijn geloof wensch te volgen, maar het zuivere Woord der +Profectie<ins class="corr" id="corr39" title="Bron: .">,</ins> de Schriften der Waarheid.—Ik schaam mij niet te bekennen, +dat ik geloof dat God alle dingen van eeuwigheid bepaalde, vaststelde +en verordende: ja, dat gij en alle anderen de besluiten Gods zijt +vervullende, en niettegenstaande, dat velen zullen gevonden worden +verkeerd te zijn! Zoodat dit uw wachtwoord: „Indien zij het regt +hebben, kunnen wij geen ongelijk hebben,” zoo algemeen in de monden +der Methodisten, u zooveel troost niet zal laten, als gij u moogt +voorstellen. Indien ik uwe meening wel versta, is het deze: dat indien +God alle dingen, die de menschen doen, heeft besloten, zij niet schuldig +kunnen zijn; zij vervullen zijnen raad, alzoo zijn zij regt<ins class="corr" id="corr40" title="Niet in Bron.">,</ins> zij kunnen +niet verkeerd zijn. Maar heeft God niet besloten toe te laten, dat +engelen en menschen zijne heilige wet overtraden, en daar Hij toch +de magt had het te verhinderen, is het zijnen wil geweest? God heeft +den mensch en de Engelen regt gemaakt. Hij zag dat zij vele kwade +vonden zouden uitvinden en ze evenzoo uitvoeren, indien Hij het niet +verhinderde. Daar Hij het voorzag moest Hij in zijn eigen gemoed tot +een besluit komen of Hij het zoude toelaten of verhinderen. Maar wij +zijn genoodzaakt deze onloochenbare daadzaak te gelooven, dat, daar Hij +het <span class="pagenum" title="25"> </span><a id="p_25"></a>niet belette, Hij besloot om het toe te laten; en Hij laat het nog +toe, daar Hij het ieder oogenblik konde verhinderen; en als de mensch +gewillig zondigt, laat God hem de gelegenheid om alzoo te doen, door in +Zijne Voorzienigheid zijn leven te onderhouden. Zal dan de mensch tot +God zeggen; omdat Gij besloten hebt, mijn leven en mijne gezondheid te +bewaren en mij uit eigen beweging te laten handelen enz.<ins class="corr" id="corr41" title="Niet in Bron.">,</ins> daarom kunnen +wij niet verkeerd doen? Ik weet, de mensch zal, indien hij kan, zijne +zonden op anderen schuiven en zelfs God beschuldigen, eerder dan eene +zonde of bewezen schuld te bekennen. Adam was gereed te zeggen: „de +vrouw, die Gij mij gegeven hebt die heeft mij van dien boom gegeven,” en +de vrouw: „die slang heeft mij bedrogen” enz. Maar wij hooren geen van +beiden zeggen: „Gij liet den satan toe ons te vinden en te verzoeken en +tevens ons om te vallen; hetwelk alles Gij hadt kunnen beletten; maar +daar Gij besloten hebt deze verzoeking toe te laten en ons, om er in te +vallen, kunnen wij in de uitvoering niet verkeerd zijn.” Tot zulk eene +diepte van schaamteloosheid waren zij niet gekomen. Sime vloekte David; +toen zeide Abisai tot David: „Laat mij toch overgaan en zijnen kop +wegnemen.” „Neen,” zegt David, „de Heere heeft toch tot hem gezegd: +vloek David.” Nu, had iemand Sime verweten den gezalfde des Heeren +gevloekt te hebben of gezegd dat hij schuldig was in zoo te doen, zoo +mogt hij geantwoord hebben: „God besloot mij toe te laten om David te +vloeken, ja, Hij heeft mij zulks bevolen en is het dan zonde wat God +bepaald en mij bevolen heeft? Indien God in zijn besluit regt handelt, +kan ik geen onregt doen in de uitvoering.” Doch wij lezen niet dat Sime +zoover gegaan is, in zijne goddeloosheid op Gods toelating te werpen. +De Apostel Petrus, sprekende tot degenen die Christus gekruist hadden, +<span class="pagenum" title="26"> </span><a id="p_26"></a>zeide, dat Hij, dien zij hadden gevangen genomen, gekruist en gedood, +naar den bepaalden raad en voorkennis Gods was overgegeven en dat Gods +hand en raad te voren bepaald had, dat het geschieden zoude. Zeide +Petrus hun, dat zij de besluiten Gods hadden volbragt in het vermoorden +van den Heere der heerlijkheid? Dan hadden zij kunnen antwoorden: +„Petrus, indien gij gelijk hebt dan kunnen wij geen ongelijk hebben, +deze handen waren bestemd om het te doen, of het voornemen Gods kon +niet uitgevoerd zijn.” Doch schoon wij lezen dat de Joden het Evangelie +tegenspraken en lasterden, wanneer het door Paulus en anderen gepredikt +werd, toch lezen wij niet, dat zij tot zulk een trap van Godslastering +zijn gekomen om te zeggen: „Indien gij gelijk hebt, kunnen wij geen +ongelijk hebben.” Wij lezen van een booze geest, die vrijheid van God +ontving om een leugengeest te zijn in den mond van de valsche profeten, +om Achab te misleiden en te overreden. Toch gelooven wij, dat de booze +geest bevonden zal worden, ongelijk te hebben en dat zij, op wie hij +invloed uitoefende, evenzoo zullen openbaar worden kwaad gedaan te +hebben met naar zijne voorschriften te handelen. Wij lezen dat de +Satan onder de toelating zich verandert in een engel des lichts om te +misleiden, en dat zijne dienaars tot hetzelfde einde zich veranderen als +waren zij dienaars der geregtigheid, toch twijfelen wij niet<ins class="corr" id="corr42" title="Bron: .">,</ins> of +beiden, de satan en zijne dienaars, zullen eenmaal gevonden worden in +het ongelijk te zijn, „van welke het einde zal zijn naar hunne werken!” +Wij gelooven dat in de laatste dagen spotters zullen komen, die naar +hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen; die verderfelijke +ketterijen bedektelijk invoeren zullen en velen hunne wegen navolgen +zullen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; dat de +menschen <span class="pagenum" title="27"> </span><a id="p_27"></a>zullen zijn liefhebbers van zichzelven, hoovaardigen enz. Nu, +indien God niet bepaald had, dat alle deze dingen geschieden zouden, kon +Hij het ons in zijn woord niet gezegd hebben; maar moest gewacht hebben, +tot het geschiedde en terwijl hij achttien honderd jaren geleden, reeds +verklaard heeft, dat het zoo zijn zou, zoo <i>moet</i> het alzoo geschieden +of deze gedeelten van zijn woord moeten onvervuld ter aarde vallen, en +dan<ins class="corr" id="corr43" title="Bron: .">,</ins> wie kan op eenig gedeelte daarvan staat maken? Maar het is het +onfeilbare woord der waarheid en moet regt zijn, en al de bovenvermelde +dingen zijn goddeloosheden, die wij weten dat eenmaal onregt zullen +bevonden worden.</p> + +<p>Ik beken, dat, indien ik een van de bovenvermelde karakters ben, ik +zonder twijfel verkeerd zal zijn<ins class="corr" id="corr44" title="Niet in Bron.">.</ins> Maar, indien gij anders denkt en +het voor God kunt uithouden en het gerigte Gods denkt te trotseren, gij +moet weten wat gij gelooft. Maar „o mensch! wie zijt gij, die tegen God +antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft, +zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt?”</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Ik vrees waarlijk, mijnheer! dat gij gelijk het gros uwer +broederen in een gemakkelijken stoel gezeten zijt, maar zorg dat gij +niet zacht zit, tot de duivel u haalt en gij dan ziet, wat de besluiten +Gods over u zijn; met zulk een geloof kunt gij alle werk laten varen, +want dewijl gij gelooft dat<ins class="corr2" id="corr45" title="Bron: ,"></ins> God zoo velen door zijne +souvereine genade zal behouden, zult gij zeggen: „Indien God mij hebben +wil, zal Hij mij wel halen, indien niet, zoo zal Hij mij toch niet zalig +maken, wat ik ook doe.<ins class="corr" id="corr46" title="Niet in Bron.">”</ins> Zulk eene leer kan geene andere strekking +hebben, dan om den mensch in de zonde te verharden. Geen wonder dat gij +Calvinisten, zwarte harten hebt.</p> + +<p><em class="g">De heer E<ins class="corr" id="corr47" title="Niet in Bron.">.</ins></em> Wat betreft te gelooven aan Gods +<span class="pagenum" title="28"> </span><a id="p_28"></a>besluiten en dat Hij +alles werkt naar den raad zijns willens, hetwelk gij noemt gezeten zijn +in een <ins class="corr" id="corr48" title="Bron: gemakkellijken">gemakkelijken</ins> stoel, ik erken dat ik daar +gezeten ben en gaarne wensch af te wachten elk der dingen, die gij +voorgebragt hebt om mijn geloof te wederleggen. Wat mij ook moge halen, +zoo als gij zegt, weet ik niet, en dat God komen en mij trekken moet, +indien ik ooit in den hemel zal komen, is eene waarheid. Ik ben zeker, +dat Hij reeds menigeen van de aarde ten hemel getrokken heeft. Hij +beloofde zijne discipelen, dat, wanneer Hij henen zou gegaan zijn,—Hij +wederkomen zou en hen tot zich nemen, opdat waar Hij was, zij ook zijn +mogten. En indien wij in den toestand zijn van hem, die onder de +moordenaars viel, gewond en hulpeloos, en indien gij, werkdadige +Priesters en Levieten, ons voorbij komt, ons ziet en geen bijstand +aanbrengt, indien wij op uwe roeping niet in staat zijn ons zelven te +helpen of op te staan<ins class="corr" id="corr49" title="Niet in Bron.">,</ins> heb dan medelijden met ons, liever dan ons te +bespotten en verwijtingen te doen! En indien de God van alle genade den +goeden Samaritaan mogt zenden<ins class="corr" id="corr50" title="Bron: .">,</ins> en Hij naar zijne groote +barmhartigheid den wijn en de olie der genade in onze wonden mogt +gieten, dezelve verbinden, ons zet op zijn eigen beest, ons naar de +herberg voert, de kosten betaalt, de waard last geeft ons te verzorgen +en belooft voor alle kosten in te staan, mor dan niet tegen zijne vrije +goedheid, wij kunnen zonder dat niet gelukkig zijn noch geholpen worden. +Maar indien gij sterk en ongewond zijt, of indien gij uzelven kunt +genezen of naar de herberg loopen, of indien gij, daar zijnde voor +uzelven zorg kunt dragen of de kosten betalen, gij hebt de vrijheid, +help u zoo goed gij kunt. Wij belijden dat wij niets doen kunnen, ja +zelfs, overtuigd van onzen verloren staat, niet op de borst kunnen slaan +en uitroepen: „O God, wees mij <span class="pagenum" title="29"> </span><a id="p_29"></a>zondaar genadig!” of „Red ons Heere! wij +vergaan!” Wat aangaat, dat deze onze leer de zonde aanmoedigt, het is +een oude beschuldiging tegen Paulus en anderen in hunne dagen ingebragt, +door hen die zeiden: „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit +voortkome.” Wij verheugen ons <ins class="corr" id="corr51" title="Bron: gerangschik">gerangschikt</ins> te worden +onder zulk een eerwaardig gezelschap als de Apostelen. Indien wij onze +beginselen uit dezelfde fontein hebben, door denzelfden Heere zijn +geroepen, onze oogen door dezelfde hand geopend zijn en onze harten door +denzelfden magtigen arm zijn veranderd, moeten wij onvermijdelijk in +zekere mate denzelfden laster en hetzelfde verwijt ondervinden, gelijk +deze goede menschen ondervonden van de wereld en de tegenstanders van +den Heere Jezus Christus, en wel omdat zij de eer van 's menschen +zaligheid Hem alleen toekenden en zich niet vermeten de onreine vodden +van onze geregtigheid te vereenigen, met dien grooten naam, wien toekomt +eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Indien wij in dezen staat +zijn, hebben wij inderdaad reden ons te verblijden en zijn bovenmate +verheugd, wanneer men ons voor zijne zaak met allerlei lasten bezwaart. +Maar wij gelooven dat gij u moet schamen, geschaard te zijn aan den kant +der lasteraars; en wat aangaat de zwartheid onzer harten, wij weten dat +ze zoo <ins class="corr" id="corr52" title="Bron: Zijn">zijn</ins>; ja, wij zijn snoode zondaars en niets meer, de +boosheid is ons eigen, wij kunnen geene volmaking vinden noch in- noch +uitwendig. Doch wij zullen niet wanhopen, wij weten dat zondaars kunnen +gezaligd worden zonder de werken der wet. Het bloed van Christus en de +Geest der waarheid zijn in staat ons van alle zonden te reinigen en op +den dag zijner heirkracht zullen wij een zeer gewillig volk zijn, om God +in den weg zijner eigene instellingen te gehoorzamen en te dienen. Tot +onze zaligheid zien wij uit en zoeken naar Zijne geregtigheid <span class="pagenum" title="30"> </span><a id="p_30"></a>alleen, +want wij weten dat in ons vleesch niets geen goed woont.</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Gij zult dan maar bij uw eigen systeem moeten blijven wat ook +de gevolgen mogen zijn. Al stoot men een dwaas in een mortier met eenen +stamper, zijne dwaasheid zal niet van hem wijken. Mij dunkt mijne +woorden hebben geenen invloed op den heer E. Maar wat denkt gij er van +Kapper? Gij hebt mijn geloof gehoord en zijne aanmerkingen er op, naar +welke zijde gevoelt gij uw gemoed overhellen?</p> + +<p><em class="g">De K.</em> Wel, als ik spreken zal naar de geneigdheid van mijn gemoed, +geloof ik dat de heer E. het beste op de hoogte der zaak is, dit is +althans mijn<ins class="corr2" id="corr53" title="Bron: ,"></ins> +oordeel<ins class="corr" id="corr54" title="Bron: ?">,</ins> want hij heeft aangetoond, dat achtervolgens +uwe stelling, de zaligheid niet in den wil en de werking van God ligt, +want gij zegt dat Hij de zaligheid van alle menschen wil, maar het niet +uitvoeren kan, omdat het schepsel ook niet wil. Gij zegt dat Christus +alle menschen verlost heeft, maar dit behoudt hem niet, omdat zij de +voorwaarden niet willen volbrengen om het deelachtig te worden. Gij +gelooft dat God iedereen roept, maar velen niet zullen gehoorzamen. Gij +zegt; Hij <ins class="corr" id="corr55" title="Bron: heeft">geeft</ins> aan iedereen een talent of talenten van genade, en +eenigen zijnde gehoorzamer dan anderen, vermeerderen hunne talenten, +gelooven en bekeeren zich, hebben hunne harten vernieuwd en worden met +God verzoend, en toch zijn er die deze zegeningen weder wegwerpen, weder +onder de verdoemenis komen en ten laatsten verloren gaan. Daarom kan +onmogelijk iets van hetgeen door u opgenoemd is, de oorzaak zijn van des +zondaars zaligheid, dat is te zeggen: ze kan niet in Gods wil liggen, +want gij zegt dat hij het wil en toch worden zij er niet door behouden; +niet in de <span class="pagenum" title="31"> </span><a id="p_31"></a>verlossing door Christus, want gij zegt: Hij verloste alle +menschen en toch gaan vele van deze eindelijk verloren; noch in de +roeping van God of het gegeven talent, dit hebben zij ook, zooals gij +zegt; noch in de wedergeboorte; noch in den Geest van God; noch in het +geloof in Christus; noch in de bekeering tot God; noch in hun eenmaal +verzoend en geregtvaardigd zijn; want gij beweert dat velen alle deze +dingen bezeten hebben en toch door allen te zamen niet behouden worden. +En wat bezit de mensch buiten deze dingen meer, dan de wil des +vleesches? en gij schijnt onwillig toe te staan, dat ook deze hem zoude +verlossen. Wilt gij zoo goed zijn, mij te verklaren wat het dan is dat +dit groote werk veroorzaakt en werwaarts ik moet gaan om het te zoeken?</p> + +<p><em class="g">De Pred.</em> Dat zou inderdaad geen zware taak zijn, maar ik verzoek u mij +thans te willen verschoonen, daar mijn werk mij elders roept.</p> + +<hr class="double" /> + +<p><span class="pagenum" title="32"> </span><a id="p_32"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="33"><br /> </span><a id="p_33"></a></p> + +<div class="title"> + + <h2><a id="II"></a>II.</h2> + + <p class="tp2">EEN ANTWOORD<br /> + <span class="size67">OP DE</span><br /> + <span class="ls2">GEWICHTIGE VRAAG:</span><br /> + + <span class="size140"><b>Wat is het,<br /> + dat eene zondaar zalig maakt?</b></span><br /> + + <span class="size67">DOOR</span><br /> + <b>J. C. PHILPOT.</b> + </p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="34"> </span><a id="p_34"></a></p> +<p><span class="pagenum" title="35"><br /> </span><a id="p_35"></a></p> + +<div class="voorrede2"> + + <h3 class="h3deel2a"><a id="VOORREDE2"></a>VOORREDE.</h3> + + <hr class="single" /> + + <p>Toen ik op verzoek van den Uitgever van het geschrift getiteld: + „Zamenspraak enz.,” ondernam een aanhangsel te leveren en daarin een + antwoord te geven op de gewigtige vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig + maakt?” welke vraag daar onbeslist is gelaten; dacht ik slechts weinige + bladzijden te schrijven, zonder daarbij mijn naam te vermelden; maar al + schrijvende bevond ik dat het onderwerp onder de hand in gewigt toenam + en dat gedachten en denkbeelden in mijne ziel vloeiden. Ik gevoelde, in + het bijzonder toen ik tot het tweede deel van mijn onderwerp kwam, de + verlossing en zaligheid beschouwd als een inwendig bezit, dat ik er + mij niet in weinige algemeene bewoordingen kon afmaken, maar dat het + vereischte, wat ik niet kon leveren,—bladzijden uit het leven en de + bevinding met zalving en kracht, zal het geschikt zijn om de behoeften + van Gods beproefde <span class="pagenum" title="36"> </span><a id="p_36"></a>familie + <ins class="corr" id="corr56" title="Bron: teontmoeten">te ontmoeten</ins>. Ik zag aan alle zijden + verlossing als eene inwendige wezenlijkheid, onbekend, onbemind<ins class="corr" id="corr57" title="Niet in Bron.">,</ins> + ongezocht<ins class="corr" id="corr58" title="Niet in Bron.">,</ins> verwaarloosd. Eenigen zag ik, die zich dienstknechten + Gods noemden, ijverig genoeg voor de zaligheid uitwendig, gezond in de + letter der waarheid en ernstig strijdende voor de leerstellingen der + genade die, f nooit spraken van de zaligheid inwendig, f indien zij er + al van gewaagden, er zich van af maakten met weinige magere volzinnen, + die gewoonlijk zoo met dwalingen en misslagen vermengd waren, dat zij + eenvoudige zielen slechts verwarden en aan het onderscheidende oog + ontdekten, de onwetendheid en ledigheid van den prediker. Anderen die + uit hunne opgeblazenheid en verwaandheid schenen te denken, dat „de + wijsheid met hen sterven zoude,” (Job 12 vs. 2), zag ik sloopen wat God + in zijn woord heeft opgebouwd<ins class="corr" id="corr59" title="Bron: .">,</ins> en opbouwen wat Hij heeft afgebroken. + Deze waren leermeesters gezet op vormen, ceremonin, ordonantin<ins class="corr" id="corr60" title="Niet in Bron.">,</ins> + bidstonden, kerklidmaatschap, huiselijk gebed en duizend andere + uiterlijke dingen, (allen goed op hunne plaats) alsof zij de inhoud en + het wezen der levende godzaligheid waren. Anderen weder die zich + bevindelijke predikanten noemden, zag ik of aan de eene hand de zonden + als bewijzen van genade opbouwen <ins class="corr" id="corr61" title="Bron: f">f</ins> aan de andere hand eene + algemeene haat <span class="pagenum" title="37"> </span><a id="p_37"></a>tegen de zonde, als een bewijs daarvan aanmerken. Dus + zag ik de in- en uitgangen, het vallen en opstaan, de verborgen + werkingen, het onzigtbare spoor, de innerlijke worstelingen en geheel + dit bijzondere, diepe, gedurig veranderende, golvende pad, dat door Gods + familie wordt betreden f nimmer aangeroerd, f indien al ondernomen + dat in te gaan, zoo duister en verkeerd voorgesteld, dat eene levende + ziel door al wat hij hoorde, meer bedroefd en verward dan getroost + en bemoedigd werd. Ik zag insgelijks dat zelfs leeraars, die de + merkteekenen droegen van hunne roeping door de genade en van hunne + roeping tot de bediening<ins class="corr2" id="corr62" title="Bron: ."></ins> (die of rustende waren op vroegere + bevinding f zoo als zij het noemden bevestigd waren in Christus; dat + mij voorkomt eene bevestiging in zich zelf te zijn), weinig, indien + iets, verschilden van de letter-Calvinisten dezer dagen.</p> + + <p>Alzoo terwijl eenigen goed kwaad en kwaad goed noemen, bitter voor zoet + en zoet voor bitter gevende en anderen de schaduw voor het wezen en den + vorm voor de kracht instellen, zag ik, dat degene die in de bres moesten + staan, <ins class="corr" id="corr63" title="Bron: hune">hunne</ins> zwaarden in de schede hadden gestoken en ze nimmer + uittrokken tegen de vijanden van Christus, die in het gewaad van + vrienden <span class="pagenum" title="38"> </span><a id="p_38"></a>komen. De vraag scheen te zijn: „Zijt gij een Arminiaan of een + Calvinist?<ins class="corr" id="corr64" title="Niet in Bron.">”</ins> indien de eerste, zoo zijt gij een vijand, indien + de laatste een vriend. En alzoo worden de gevaarlijkste en listigste + vijanden van levende Godzaligheid, in de legerplaats van Christus + ontvangen, omdat zij het wachtwoord kunnen noemen en de kleeding + van zijne soldaten dragen. Dus zie ik de waarheid over de straten + struikelen, levende godzaligheid verwaarloosd, uiterlijke dingen hoog + gewaardeerd, de schapen van Christus ongevoed en de bokken niet + gescheiden. Zoodat ik mij gedrongen gevoelde met meer uitgebreidheid dan + ik mij eerst voornam, te blijven staan bij <em class="g">inwendige</em> zaligheid, schoon + met de diepste bewustheid van mijne onbekwaamheid en onervarenheid, en + er tevens mijnen naam bij te voegen, opdat het niet het nadeel en de + verdenking mogt hebben, welke gewoonlijk aan naamlooze geschriften + verbonden zijn. Zonder dus eenig oordeel te vellen ten gunste of tegen + het geschrift, waarbij dit aanhangsel gevoegd is, noch er mij geheel + mede te vereenigen, schoon ik het beschouw als een antwoord aan de + Wesleijanen, met bekwaamheid en onpartijdigheid geschreven te zijn, wend + ik deze zwakke poging aan om te strijden voor het geloof, eenmaal den + heiligen <span class="pagenum" title="39"> </span><a id="p_39"></a>overgeleverd, en om de natuur dier verlossing aan te wijzen, + welke men kennen en bezitten moet vr men het koningrijk der hemelen + kan ingaan.</p> + + <p class="right ri4">J. C. PHILPOT.</p> + + <hr class="single" /> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="40"> </span><a id="p_40"></a></p> + +<h3 class="h3deel2b"><a id="GENADE"></a>WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT?</h3> + +<hr class="double" /> + +<p>Wel mag ieder overtuigd zondaar een waar voldoend antwoord verlangen, +op eene vraag van zoodanig gewigt. Wel mag iedereen, die den alsem en +de gal geproefd heeft, met den angel der zonde doorstoken is geworden, +die zucht onder den vloek der wet en beeft onder het toekomende +oordeel,—wel mag ieder dusdanige, schuldige, zelf-veroordeelende +ellendige, de lippen kussen desgenen, die een regt antwoord geeft op de +alles omvattende vraag: „Hoe zal de mensch rechtvaardig zijn bij God?” +(Job. 9 vs. 2).</p> + +<p>Om dan deze vraag regt te beantwoorden moeten wij de zaligheid onder +twee hoofdpunten beschouwen. <a href="#hoofdpunt1">1.</a> De zaligheid beschouwd als eene daad +buiten ons; <a href="#hoofdpunt2">2<ins class="corr" id="corr65" title="Niet in Bron.">.</ins></a> +de zaligheid beschouwd als eene zaak in ons. Daar de +eerste de laatste voorafgaat, zullen wij haar den verschuldigden +voorrang geven. En daar niemand onderwijst gelijk God, en Hij is de +Vader der lichten, de Fontein des levens en de alleen Wijze Jehovah, +mogen beide schrijver en lezer genade ontvangen om tot Hem op te zien, +„om de zalving die leert van alle dingen en ook waarachtig en geen +leugen is.” (1 Joh. 2 vs. 27).</p> + +<p><a id="hoofdpunt1">1.</a> De zaligheid dan, moet beschouwd worden, ten <span class="pagenum" title="41"> </span><a id="p_41"></a>eersten als eene +handeling buiten ons, als eene eeuwige onveranderlijke daad +voortvloeijende uit het gemoed van Jehovah en geheel onafhankelijk van +het schepsel. Te vooronderstellen dat eenig nieuw plan, eenig te voren +ongedacht ontwerp, eenige verandering van voornemen, eenige verbetering +van een oorspronkelijk onvolmaakt plan, plaats kunne nemen in het hart +van Jehovah, is een van de grootste beleedigingen te werpen op de +wijsheid en magt van den drieenigen God, welke ooit het schepsel kan +ten uitvoer brengen.</p> + +<p>Indien Hij Alwijs is, zoo kan geene nieuwe gedachte in zijn gemoed +oprijzen; indien Hij Almachtig is, dan kan geene onverwachte hinderpaal, +geen onvoorzien toeval, noch opkomende gebeurtenis, zijn voornemen +verijdelen en indien Hij de Bron en Oorsprong is van het geheele bestaan +van het schepsel (Rom. XI vs. 36) zoo kan noch de wil, noch de magt van +het schepsel sterker zijn dan Hij. Wij beschouwen Hem als de ervarenste +Ingenieur, die vooruit met de meeste naauwkeurigheid, de beweging en het +uitwerksel van ieder rad en van iedere tand van eenig nieuw stuk +<ins class="corr" id="corr66" title="Bron: machenerie">machinerie</ins>, kan berekenen. Wij noemen Hem de bekwaamste Generaal, +die voor den veldslag iedere beweging, welke Hij denkt te volvoeren +het best ontwerpt en die met de grootste nauwkeurigheid en den besten +uitslag zijn oorspronkelijk plan ten uitvoer legt. Te misrekenen, in +verwarring te geraken door eenige onvoorziene hinderpaal, op te houden +wegens eenige onverwachte hindernis, doet een mensch kennen als een +broddelaar. In zijne oorspronkelijke schatting mis te tasten, doet de +kennis in twijfel trekken; niet in staat te zijn zijn plan te volvoeren, +bewijst magteloosheid in een architect. Nu, zal een generaal een plan +hebben, evenzoo een ingenieur en een architect en zal God geen plan +hebben? Zullen <span class="pagenum" title="42"> </span><a id="p_42"></a>wij iemands kennis afmeten naar de wijsheid van zijn +plan en zijne magt naar deszelfs uitvoering, en zullen wij de wijsheid +en de magt Gods niet in denzelfden weg afmeten? Zullen wij hem niet een +zot en een dwaas noemen, die geen orde in zijne bezigheden heeft, geen +goed overlegd plan in de uitoefening zijner zaken, geene bepaalde +werkuren, geen vooraf beraamde reeks van werkzaamheden, en zullen +wij niet beven om al deze dwaasheid aan God toe te schrijven? Eene +Manchestersche katoenfabriek kon geene week doorwerken<ins class="corr" id="corr67" title="Bron: .">,</ins> indien het +niet een vooraf bepaald stelsel van werking, geen geregeld plan had, +waardoor aan ieder spinnewiel zijn werk<ins class="corr" id="corr68" title="Bron: .">,</ins> aan iedere hand zijne +plaats wordt aangewezen. En toch zijn er menschen, van zulk eene stoute +goddeloosheid, die aan den alleen wijzen God eene verwarring, eene +wanorde, eene nalatigheid in het bestuur van de eeuwige bestemming des +menschen toeschrijven, welke, indien ze in een groote stad in praktijk +werd gebragt, onvermijdelijk zou ten gevolge hebben, dat hare drukke +fabrieken werden gesloten<ins class="corr" id="corr69" title="Niet in Bron.">,</ins> hare uitgestrekte bevolking werd +verarmd en hare opgepropte straten in eene woning der draken en +rustplaats der nachtuilen verkeerd werden.</p> + +<p>Wij kunnen daarom niet ontkennen, dat al wat God doet, Hij zulks doet +naar een plan van eeuwigheid vastgesteld in zijn eigen gemoed, zonder +zijne wijsheid in de uitvinding, of zijne magt in de volvoering in +twijfel te trekken. Indien dan al wat God doet, Hij doet „naar den +raad van zijnen eigen wil,” zoo is het duidelijk dat de zaligheid of +verdoemenis der zielen een deel moet uitmaken van zijn eeuwig voornemen. +Indien alle dingen, die plaats hebben, vloeien in een voor hen gegraven +kanaal, elkander opvolgen achtervolgens eene bepaalde orde en zoowel een +deel uitmaken van Gods algemeene <span class="pagenum" title="43"> </span><a id="p_43"></a>regering, als elk rad bedraagt tot de +beweging van eenig zamengesteld werktuig, dan moet de zaligheid begrepen +zijn in een groot oorspronkelijk plan. Te zeggen dat God eenige dingen +bepaalt en andere dingen niet; tijdelijke gebeurtenissen vaststelt, +maar geene geestelijke; waakt over het vallen van een musch, maar de +onsterfelijke ziel des menschen overgeeft aan bloot toeval en goed +geluk, is onbeschaamder onderstelling, dan dat een onkundig landman, een +van Watt's stoomwerktuigen beziende, zoude zeggen, deze ketel, dit rad, +deze zuiger heeft Watt ontworpen, maar op al het overige heeft hij geen +acht geslagen. Zijn grootsch verstand vergat dit deel van het werktuig +en verzuimde dat; en dit keurig zamenstel en schoon geheel, is +gedeeltelijk het voortbrengsel van vinding en vernuft, en gedeeltelijk +van bloot toeval. Veel dwazer en onwetender nog spreken zij, die +loochenen de zaligheid een volmaakt plan te zijn, overeenstemmend in elk +deel, en haren <ins class="corr" id="corr70" title="Bron: oorspong">oorsprong</ins>, voortgang en einde vindende in den wil en +het voornemen van God alleen. Om reden wij de overeenstemming en +schoonheid van het groote geheel niet kunnen waarnemen, om reden er +tegenwerpingen en zwarigheden zijn, om reden wij het onderwerp en den +grondslag van ieder deel niet kunnen bevatten, zijn wij daarom vrij +om te ontkennen, dat de verlossing een groot in alles overeenstemmend +plan is? Even goed mogt de bovengenoemde onkundige landman, aanmerking +maken op elk rad en elke beweging der stoommachine, welker gebruik en +schoonheid hij niet begrijpen kon. Indien verlossing als n geheel, +een plan is, waarin de grootste harmonie heerscht, dan moeten ook al +de deelen en takken van dezelfde natuur zijn. Zeg dat een deel niet +harmonieert, en gij zegt dat het geheel zulks niet doet, want de +harmonie van het geheel hangt af van de harmonie der deelen. Deze takken +<span class="pagenum" title="44"> </span><a id="p_44"></a>of deelen dan eischen ons naauwgezet onderzoek en indien wij kunnen +aantoonen dat ze volkomen zijn, zullen wij het doen van het geheel.</p> + +<p>1. De eerste tak dan van de verlossing is, <i>de openbaring daardoor, van +de heerlijkheid van den Drieenigen Jehovah</i>. Niets kan God zoo dierbaar +zijn dan zijne eigene heerlijkheid. Niets minder dan de openbaring +daarvan, kan het verheven oogmerk zijn van alle zijne daden. De +oorsprong van alle geschapene wezens, van de verhevenste engel tot den +kruipenden worm, kan slechts worden toegeschreven aan de zucht welke +Jehovah koestert, om daardoor zijne eigene eeuwige heerlijkheid te +openbaren. De verlossing, welke de grootste daad Gods is, moet daarom +tot dezelfde bron worden opgespoord. „Tot prijs <i>der heerlijkheid zijner +genade</i>,” zegt Paulus, (Eph. 1 vs. 6), „door welke Hij ons begenadigd +heeft in den Geliefde,” en wederom vers 12: „opdat wij zouden zijn tot +prijs zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. En +opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten +der <ins class="corr" id="corr71" title="Bron: barmharti’heid">barmhartigheid</ins>, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid,” +(Rom. 9: 23). Nu, indien de zaligheid geheel rust op den wil des +menschen en tot hare eindelijke voorspoed afhangt van de magt en +bekwaamheid van het schepsel, zoo is het bewezen dat er mogelijkheid +bestond dat er geen enkele ziel behouden werd. Wat meer is, indien het +daarvan afhangt, dan is er niet de minste twijfel in het hart van hen, +die den gevallen staat des menschen ondervindelijk kennen, of niemand +konde of wilde zalig worden. Tenzij dus de zaligheid een besloten, +bepaald, onveranderlijk, onherroepelijk voornemen zij, zoo is het klaar +dat God teleurgesteld kon worden, betrekkelijk de heerlijkheid, die Hij +zich voorgesteld had, om daardoor zijnen grooten naam te verhoogen. En +indien <span class="pagenum" title="45"> </span><a id="p_45"></a>wij alleen maar toestaan, dat Hij het einde van het begin ziet en +te voren weet elke gebeurtenis die plaats zal hebben, dat de arminianen +erkennen, dan is het bewezen, dat, vooruitziende en bemerkende de +teleurstelling van al zijne ontwerpen, Hij zou opgehouden en nooit het +ontwerp verzonnen hebben. Wat meer is, om de gevolgtrekking nog een stap +verder te nemen, indien God door den tegenstand van het schepsel beroofd +kon worden, van den prijs zijner <ins class="corr" id="corr72" title="Bron: eingene">eigene</ins> heerlijkheid, zou hij nooit +deze wereld in aanwezen gebragt, noch den mensch uit het stof der aarde +geformeerd hebben. Wij maken plannen, in welker uitkomst wij ons +teleurgesteld vinden, omdat wij geene toekomende gebeurtenissen kunnen +voorzien, maar indien wij begaafd waren met de voorkennis van alle +dingen, zouden wij alleen zulke ondernemingen beginnen, van welke wij +zeker waren dat ze ons gelukken zouden. Laat dus niemand die dwaasheid +aan God <ins class="corr" id="corr73" title="Bron: toeschijven">toeschrijven</ins>, welke hij aan zijn medeschepsel +niet zoude toekennen.</p> + +<p>2. Onze zwakke vermogens niet in staat zijnde, om Gods besluit als een +welluidend geheel te beschouwen, zoo zijn wij genoodzaakt Hem eene +opvolging van handelingen toe te schrijven, welke geen wezenlijk bestaan +heeft in Hem die een eeuwig <i>Heden</i> is, dezelfde gisteren, heden en in +eeuwigheid. Alzoo spreken wij over de liefde die God heeft tot zijne +eigene heerlijkheid, als over de eerste daad in het plan der zaligheid +en van <i>zijne eeuwige liefde</i> als van de tweede. Maar in zijn oneindig +gemoed is noch eerste noch tweede, <ins class="corr" id="corr74" title="Bron: toekomendo">toekomende</ins> noch verleden, vroeger +noch later. Wanneer wij dan zeggen, dat de <i>eeuwige liefde</i> een tweede +beweegoorzaak is van zaligheid, gebruiken wij de taal door ons zwak +verstand gevorderd, en meenen daarmede niet aan God eenige zulke +onvolmaaktheid toe te schrijven, als eene opvolging <span class="pagenum" title="46"> </span><a id="p_46"></a>van beweegredenen +in zich behelst.</p> + +<p><i>Liefde</i> dan is eene tweede oorzaak der verlossing. Maar indien Jehovah +volmaakt en <ins class="corr" id="corr75" title="Bron: onverandelijk">onveranderlijk</ins> is, moet zijne liefde van dezelfde natuur +zijn. Hoe zuiverder, hoe onbewegelijker, hoe <ins class="corr" id="corr76" title="Bron: onverandelijker">onveranderlijker</ins> de liefde is, +hoe nader zij aan de volmaaktheid komt. Onstandvastig te zijn, gedurig +van voorwerp te veranderen, neerslagtig, ontmoedigd, verward, vervreemd +of in eenig opzigt door uitwendige omstandigheden verkoeld te zijn, +neemt de zuiverheid der liefde weg. De liefhebbende vrouw, die in spijt +van slechte behandeling en onverschilligheid aan haren man kleeft<ins class="corr" id="corr77" title="Niet in Bron.">,</ins> die +hem lief heeft in oneer en schande, zijn beeld op haar hart draagt, +schoon hij als een doodschuldige gevat of als een boosdoener wordt +gevonnisd, verwekt onze bewondering als een voorbeeld van echtelijke +liefde. De teedere moeder, die om haren ongebonden zoon jammert, en hare +hoofdpeluw met tranen van liefde tot hem doornat, schoon haar hart +innerlijk verscheurd is door zijnen ligtzinnigen wandel, bewonderen wij +evenzoo als een voorbeeld van moederlijke gehechtheid. De sterkte, de +onveranderlijke natuur, de zuiverheid, de belangeloosheid van deze twee +voorbeelden van menschelijke liefde, gaat ons onwillekeurig ter harte. +Zullen wij nu de zuiverheid en volmaaktheid van schepsels genegenheid +afmeten bij eenen zekeren standaard, en dien regel ter zijde werpen met +betrekking tot de goddelijke liefde? Indien de liefde Gods tot de +menschenkinderen onbestendig is, veranderlijk, afhankelijk van +omstandigheden, veroorzaakt door hun gedrag, afwisselend gegeven en +ontnomen, dan moeten wij stoutweg zeggen, dat zij onvolmaakt is, en +indien de liefde Gods onvolmaakt is, dan is God zelf evenzoo onvolmaakt. +Maar indien God hen, die Hij lief heeft, eeuwig, oneindig volmaakt lief +heeft <span class="pagenum" title="47"> </span><a id="p_47"></a>dan moet Hij hen onveranderlijk lief hebben. Heeft God dan alle +menschen lief? Heeft Hij Ezau, Fara, Saul en Judas lief? Hij zegt ons +zelf dat Hij Ezau haatte (Mal. 1: 3) en Paulus verklaart, dat deze haat +was, vr dat de kinderen geboren waren en vr zij iets goeds of kwaads +gedaan hadden. (Rom. 9: 10-13). Wij moeten dan tot dit besluit komen, +dat God eenigen lief heeft en anderen haat. Maar is er geen +beweegoorzaak in de voorwerpen zelve? Zijn niet eenigen goed en anderen +kwaad; eenigen gehoorzaam en anderen ongehoorzaam<ins class="corr" id="corr78" title="Bron: :">;</ins> verdienen niet +eenigen liefde en anderen haat? Indien alle menschen gelijkelijk +gevallen zijn, allen even slecht, even ingewikkeld in zonde en +<ins class="corr" id="corr79" title="Bron: verdoemis">verdoemenis</ins>, kan er in hen geen oorspronkelijk verschil +zijn. Indien eenigen behouden worden, anderen verloren gaan; indien +eenigen eeuwig gelukkig, anderen eeuwig rampzalig worden; moeten wij +naar de oorzaak van dit verschil zoeken, ergens elders dan in de +personen zelf. En laat ons over de zaak zoo lang redekavelen als wij +willen, indien wij eenmaal de oorspronkelijke zonde en de val des +menschen toegeven, moeten wij altijd tot hetzelfde besluit komen, dat +het verschil gemaakt tusschen de gezaligden en de verdoemden, niet in +hen maar in God gevonden wordt, in n woord, dat Hij vrijelijk eenigen +haat en vrijelijk anderen lief heeft.</p> + +<p>3. Maar het bestaan der liefde, kan enkel door daden openbaar worden. +Liefde is een verborgen beginsel in den boezem, in zoover als het +betrekking heeft op hen <i>door</i> wien zij gekoesterd wordt; maar +betrekkelijk hen <i>tot</i> wien zij gevoeld wordt, kan zij alleen door +uitwendige daden blijken. Dus is liefde de oorsprong van de zaligheid, +even als de zaligheid de vrucht van liefde is. De eene is de oorzaak, de +andere het uitwerksel; de eene de innerlijke beweegreden, <span class="pagenum" title="48"> </span><a id="p_48"></a>de andere de +uitwendige daad. Maar wij meten de liefde af bij de proeven, die zij +doorstaat; bij de opofferingen die zij doet; bij het lijden dat zij +ondergaat voor het voorwerp van toegenegenheid<ins class="corr" id="corr80" title="Niet in Bron.">.</ins> Bij denzelfden +standaard meten wij de liefde Gods af, tot de kinderen der menschen. +<i>Verlossing</i> daarom wordt bestendig in het Woord voorgesteld als het +bewijs van de liefde van Christus; „Christus had de gemeente lief en +heeft zich zelven voor haar overgegeven.” (Eph. 5: 25). „Die mij lief +gehad heeft,” zegt Paulus, „en zich zelven voor mij overgegeven heeft.” +(Gal. 2: 20). „Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven +voor ons gesteld heeft.” (1 Joh. 3: 16). Indien dan verlossing de vrucht +is van liefde, het gevolg en de uitdrukking daarvan, indien de liefde +beperkt en bijzonder is, dan is de verlossing evenzoo beperkt en +bijzonder. Het uitwerksel kan niet grooter zijn dan de oorzaak, noch de +daad grooter dan de beweegreden.</p> + +<p>Maar is verlossing eene volmaakte daad, een voleindigd werk? Indien het +de uitvoering is van een oorspronkelijk plan en te gelijk uitgevoerd +door God geopenbaard in vleesch, moet het zekerlijk zoo volmaakt +zijn als deszelfs Auteur. Doch is een werk volmaakt dat onzeker en +toevallig is, dat afhangt van de wispelturige eigenzinnigheid en den +veranderlijken wil des menschen en dat nog wel van een gevallen mensch? +Hing de schepping der wereld af van de medewerking des menschen? Kan hij +een enkel grasscheutje doen groeijen, <ins class="corr" id="corr81" title="Bron: n">n</ins> haar wit of zwart maken? +Is de medewerking des menschen gedoogd in eene enkele van Gods +handelingen? Indien zoo iets mogelijk ware, zou dan niet het mengsel van +schepsels werk het geheel bezoedelen en bederven? Indien de verlossing +algemeen ware en slechts een deel zaligde, kan het een volmaakt werk +genoemd <span class="pagenum" title="49"> </span><a id="p_49"></a>worden? Indien verlossing ontspringt uit liefde, en de +verlossing algemeen is, dan zal ook de liefde algemeen zijn; maar indien +iemand verloren gaat, indien iemand in de hel is, voor wien Christus +stierf, zal hunne verlossing ijdel zijn en al de liefde van Christus +tot hen was te vergeefs. Hij betaalde hunne schuld, en nog staat hunne +schuld open. Hij nam hunne zonden weg en nog blijven hunne zonden<ins class="corr" id="corr82" title="Niet in Bron.">.</ins> Hij +had hen lief, had magt om hen te verlossen, deed al wat Hij kon om hen +van de hel te bevrijden, kwam op aarde met het opzettelijk voornemen om +hunne zonden te dragen op het hout, stond voor hen op van den dooden en +voer ten hemel als hunnen Hoogepriester en Voorspraak—en na dit alles +kan Hij hen niet verlossen,—na geheel deze magtige oneindige, +onmetelijke betooning van liefde, lijden, tranen, zuchten, <ins class="corr" id="corr83" title="Bron: doodangst">doodsangst</ins> +en bloed, sterven zij in hunne zonden en worden in de hel geworpen. Is +Christus wezenlijk en waarachtig God? Heeft Hij al de eigenschappen der +Godheid? Is Hij alwijs en almagtig? Ziet Hij het einde van het begin, en +weet Hij alle dingen, die verleden, tegenwoordig en toekomend zijn? Wist +Hij toen Hij aan het kruis hing wie behouden zou worden en wie verloren +zou gaan? Dan, <ins class="corr" id="corr84" title="Bron: Welk">welk</ins> eene ijdele en nuttelooze betooning van +liefde en lijden; wat eene noodelooze opeenhoping van smarten en +doodsangsten, indien het uitwerksel van al wat Hij toen leed, afhing van +den vrijen wil des menschen en millioenen nimmer voordeel zouden trekken +uit alles wat Hij toen voor hen onderging. Maar stierf Christus voor de +zonden des ganschen menschelijken geslachts? Dan droeg Hij de zonden der +lieden van Sodom en Gomorra; van het leger van Fara dat in de roode zee +verdronk; van Korach, Dathan en Abiram welke de aarde verzwolg; van de +zeven vervloekte volken van Canan en van allen die <span class="pagenum" title="50"> </span><a id="p_50"></a>in den algemeenen +zondvloed omkwamen. Maar alle deze zijn in hunne zonden gestorven. Werd +hun in de hel bekeering geschonken? Droeg Christus hunne zonden aan het +kruis en ging Hij daarna in de hel met aanbiedingen van genade aan de +verdoemden? Had de vrije wil eene andere gelegenheid, een ander heden +der genade; verschaft het een ander getijde tot de uitoefening van haren +magtigen invloed? Judas zegt ons (vers 7) „dat de zoodanigen zijn +voorgesteld tot een voorbeeld, dragende de straf des eeuwigen vuurs,” +Paulus zegt: „dat zij vernield zijn van den verderver.” (1 Cor. 10 vs. +10). Maar indien Christus voor allen stierf, zoo stierf Hij ook voor +deze, en indien Hij voor deze stierf, zoo moet er eenig oogmerk zijn, er +moet iets geschieden, eenig uitwerksel moet er voortkomen uit zijn +dragen van hunne zonden. Indien Hij voor hen niet stierf, dan is de +verlossing niet langer algemeen, wij ontdekken millioenen voor wie +Christus niet gestorven is en eensklaps is er een einde gemaakt aan de +algemeenheid van al die teksten, die zoo dikwijls worden aangehaald ten +gunste der algemeene verzoening. Indien Hij voor hen stierf, dan trekken +zij al of niet eenig voordeel uit zijnen dood. Indien zij er het minste +voordeel uit trekken, dan worden er verlost, die reeds in de hel zijn, +die in hunne zonden gestorven en onder den toorn Gods zijn vergaan. En +indien eenigen, waarom niet allen? De smarten der hel zullen hen +zekerlijk geleerd hebben, om hunnen vrijen wil beter te <ins class="corr" id="corr85" title="Bron: gebriuken">gebruiken</ins> dan +zij deden op aarde, en n uur ondervinding van den brandenden poel +heeft hen doen instemmen, met de aanbiedingen van genade. Christus +behoefde zoolang niet te vergeefs aan de deur hunner harten te kloppen, +als Hij volgens de Wesleijaansche predikanten nu doet aan de harten +hunner hoorders! Zij zeggen, indien de verdoemden <span class="pagenum" title="51"> </span><a id="p_51"></a>dezelfde aanbiedingen +van genade hadden als wij hoe gaarne zouden zij die omhelzen! Nu, indien +Christus dan voor hen gestorven is, zoo is de hel reeds sedert lang +ontvolkt van zijne aloude bewoners. Can, Fara, Saul, <ins class="corr" id="corr86" title="Bron: Achitofelel">Achitofel</ins>, +Dog<ins class="corr" id="corr87" title="Niet in Bron.">,</ins> Ezau en duizend anderen, die de schrift voorstelt als +vijanden Gods, zijn nu in den hemel, zingende het lied des Lams. Maar +indien Christus voor hen niet gestorven is, dan is de verlossing niet +algemeen, er is eene beperking gemaakt en zij is wat wij belijden, +bijzonder.</p> + +<p>Dus beschouwen en gelooven wij met de schriften der waarheid, dat +Christus „zijn leven heeft afgelegd voor zijne schapen; eens werd +overgegeven om de zonden te dragen van velen; het volk reinigde met zijn +eigen bloed; de gemeente lief had en zich zelven voor haar overgaf”; en +de zonden droeg van zijn uitverkoren geslacht in zijn eigen lichaam op +het hout<ins class="corr" id="corr88" title="Bron: ,">.</ins> Gelijk de namen van de kinderen +Israls op<ins class="corr2" id="corr89" title="Bron: op"></ins> de +borst des Hoogepriesters gedragen werden, (Exod. 28: 29) zoo gelooven +wij dat Christus op zijn hart de namen droeg van zijne uitverkorenen, +toen Hij aan het kruis hing en zijn bloed stortte voor al hunne zonden +en ongeregtigheden. Hij betaalde hunne schuld tot den laatsten penning, +voldeed aan de strengste eischen der eeuwige geregtigheid, leed in +ligchaam en ziel het volle gewigt, de volle maat en het tal van de +zonden van zijn volk en liet geen enkele hunner zonden, ongeboet en +onverzoend. De Godheid gaf waarde en verdienste aan het lijden der +menschheid, en dus werd Immanul, God met ons, de algenoegzame +Zaligmaker van allen die Hem gegeven, door Hem bemind en verlost waren.</p> + +<p>4<ins class="corr" id="corr90" title="Niet in Bron."></ins>. De laatste tak der zaligheid als eene uitwendige daad, die wij +nog zullen beschouwen, is de toegerekende geregtigheid van den Zoon van +God, zijnde tot <span class="pagenum" title="52"> </span><a id="p_52"></a>allen en over allen, die gelooven.</p> + +<p>De wet van God, zijnde het afschrift van zijne eeuwige geregtigheid, kon +niet straffeloos verbroken worden, dan dat God ophield God te zijn. +Tenzij dus de wet volmaaktelijk werd gehoorzaamd, f door den mensch +wien hij gegeven was of door een Borg die in zijne plaats stond, zoo +moest die heilige en regtvaardige wet al deszelfs straffen en vloeken in +alle eeuwigheid over den overtreder uitstorten. Indien dit waar is, dan +is Christus gekomen onder de wet en gehoorzaamde haar volkomelijk, of +voor geheel het menschelijk geslacht of voor een gedeelte deszelven. +Indien voor het geheel, dan worden alle menschen geregtvaardigd, alle +menschen hebben de wet gehoorzaamd door hunnen Borg, allen staan voor +God in Christus volmaakt, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks +(Efez. 5: 27); de deuren des hemels zijn geopend voor allen, en geheel +het geslacht van Adam, zal in huwelijksgewaad nederzitten aan de +bruiloft des Lams. Maar indien dit de waarheid niet is en schoon <i>allen</i> +de wet hebben overtreden, <ins class="corr" id="corr91" title="Bron: slecht">slechts</ins> <i>een gedeelte</i> behouden +wordt, dan moeten wij tot het besluit komen, dat alleen die +geregtvaardigd worden voor wie Christus als een Borg de wet vervulde, en +dat het Isral alleen is die in den Heere geregtvaardigd worden en zich +zullen beroemen. (Jes. 45 vs<ins class="corr" id="corr92" title="Niet in Bron.">.</ins> 25).</p> + +<p><a id="hoofdpunt2">2.</a> Dusver hebben wij de verlossing geschetst als eene uitwendige daad<ins class="corr" id="corr93" title="Bron: .">,</ins> +als iets gedaan voor ons en buiten ons. In deze gemeenschappelijke +overeenkomst en onderhandeling hadden wij als werkende leden geen +aandeel. Zij werden bepaald en uitgevoerd vr wij eenig aanwezen +hadden, uitsluitend in het voorbeschikkende gemoed van Jehovah. Gelijk +de boom zijne botten uitgeeft, welke botten een bestaan hadden in den +boom, vr zij in zigtbaren groei kwamen, zoo +<span class="pagenum" title="53"> </span><a id="p_53"></a><ins class="corr" id="corr94" title="Bron: breng">brengt</ins> het predestinerend +voornemen van den <ins class="corr" id="corr95" title="Bron: drienigen">drieenigen</ins> God ons in aanwezen, opdat wij de +voordeelen mogen genieten van al hetgeen voor ons gedaan werd, toen wij +nog slechte aanwezen hadden in het gemoed van Jehovah.</p> + +<p>En dit leidt ons om te spreken over de zaligheid als een werk gewrocht +<i>in</i> ons, als eene magtige daad waardoor datgene wat oorspronkelijk +en altijd het onze was, eene persoonlijke wezenlijkheid wordt, eene +werkelijke bezitting, eene ontvangene erfenis, gelijk een erfgenaam +wanneer hij meerderjarig wordt, het vermogen aanvaardt dat zijn eigendom +was, lang voor hij in het bezit daarvan gesteld werd.</p> + +<p>God is alwijs en daarom doet Hij geene overhaaste, noch onbedachtzame +stappen. Gelijk het oorspronkelijke ontwerp der zaligheid door oneindige +wijsheid werd uitgedacht, zoo zijn ook al de volgende trappen van +uitvoering van dat plan, geregeld door dezelfde eindelooze wijsheid. +„Met welke Hij overvloedig is geweest over ons,” zegt Paulus, „in +alle wijsheid en voorzigtigheid.” God stelt dus zijn volk in zijne +bedeelingen met hen, niet op eens in het bezit van al de zegeningen +die Hij voor hen bewaard heeft. Hij heeft bij voorbeeld hunne zonden +vergeven maar Hij stelt hen niet onmiddelijk in het bezit van die +weldaad, wanneer Hij hen door zijne genade roept. Hij heeft hen eerst +hunne behoefte daaraan te leeren. Hij heeft hunne harten voor de +ontvangst daarvan te bereiden. Het is geen gemeen geschenk en Hij heeft +hen te onderwijzen, hoe het te waarderen. Zij zijn verlost van toorn en +eeuwige rampzaligheid, van zijn vreeselijk ongenoegen en schrikkelijke +verontwaardiging tegen de zonde. Zij hebben noodig dat hun getoond worde +en dat zij innerlijk gevoelen <i>waarvan</i> en <i>waartoe</i> zij verlost zijn. +En gelijk de eik niet in nen dag tot zijnen vollen <span class="pagenum" title="54"> </span><a id="p_54"></a>wasdom komt, maar +jaren van zonneschijn en onweer, van felle winden en huilende stormen +noodig heeft, om hem kracht en stevigheid, eenen diepen en uitgebreiden +wortel te geven, zoowel als eenen verheven en met takken gevulden stam, +zoo hebben Gods kinderen maanden en jaren van beproeving en verzoeking +noodig, opdat zij nederwaarts diepen wortel schieten, en gezond en +krachtig opwaarts groeijen mogen. Dus, vr dat de ziel iets omtrent de +verlossing weten kan, moet zij diep en ondervindelijk leeren, de natuur +der zonde en van zich zelve als door haar bezoedeld en onteerd. Zij is +hoogmoedig en moet vernederd worden; zorgeloos en moet wakker geschud +worden; levend en moet gedood worden; vol en moet <ins class="corr" id="corr96" title="Bron: ontledig">ontledigd</ins> worden; +geheel en moet gewond worden; bekleed en moet ontbloot worden. Zij +is van nature eigengeregtig en zelfzuchtig, diep begraven in +wereldsgezindheid en vleeschelijkheid; ten uiterste blind en onwetend; +vervuld met vooroordeel, verwaandheid, eigendunk, vijandschap en zij +haat al dat hemelsch en geestelijk is. De zonde in al derzelver +verschillende vormen, is haar natuurlijk element. Begeerlijkheid, +vleeschelijke lusten, wereldsch vermaak, zucht naar eer van menschen en +onverzadelijke dorst naar zelfbevordering; eene volkomene overgifte aan +alles wat nieuwe begeerten des harten kan streelen en bevredigen; eene +uiterste verachting en afkeer van alles wat haar dolzinnig najagen van +wat zij lief heeft, beteugelt of verijdelt, deze zijn eenige van de +gedachte van de <ins class="corr" id="corr97" title="Bron: onverniewde">onvernieuwde</ins> natuur des menschen. Opvoeding, +zedelijk bedwang of de kracht der gewoonte mogen het ontbreken van +inwendig bederf bedwingen, en een dam opwerpen tegen den woedenden +stroom van inwonende zonde, zoodat het niet al zijne grenzen zal +verbreken en het land verwoesten; maar geene zedelijke beteugeling kan +<span class="pagenum" title="55"> </span><a id="p_55"></a>de menschelijke natuur veranderen. Een geketende tijger blijft een +tijger. De moorman kan zijne huid niet veranderen, noch de luipaard +zijne vlekken (Jer. 13: 23).</p> + +<p>Den mensch juist het tegengestelde te maken van wat hij oorspronkelijk +is; te maken dat hij God lief heeft in plaats van Hem te haten; Hem te +vreezen in plaats van tegen Hem op te staan en te beven voor zijne +geduchte Majesteit, in plaats van met dik verhevene schild Hem te +bestrijden; om dit magtige werk te doen en deze wonderbare verandering +te weeg te brengen, is er noodig, de inplanting van eene nieuwe natuur, +door de onmiddelijke hand van God zelf. Natuurlijk licht, natuurlijke +liefde, natuurlijke gehoorzaamheid, in n woord, alle natuurlijke +godsdienst is hier nutteloos en krachteloos. De stroom te keeren +verandert de natuur der wateren niet. Laat de loop van de modderige beek +inplaats van naar het zuiden, naar het noorden geleid worden, het blijft +eene modderige beek. Alzoo mag de oude natuur beteugeld, gewijzigd, en +in nieuwe en in verschillende kanalen geleid worden, maar het is en +blijft de oude natuur. En dit is de bediening van honderden, die zich +dienstknechten van Christus en arbeiders in Zijnen wijngaard noemen, om +houweel en spade te <ins class="corr" id="corr98" title="Bron: nemem">nemen</ins> en verscheidene kanalen te graven voor de +wateren der oude natuur, en wanneer zij na veel moeite en arbeid, eenige +weinige <ins class="corr" id="corr99" title="Bron: stroomtjes">stroompjes</ins> in hunne naauwe kanalen hebben doen vloeijen, +verwaardigen zij de vruchten van hun werk met de namen van „bekeering, +wedergeboorte en een werk der genade<ins class="corr" id="corr100" title="Niet in Bron.">.</ins>” Alzoo maakt de eene een kanaal +in de Zondagschool, een ander graaft een breed kanaal voor het +bijbelgenootschap, een derde maakt eene nieuwe opening voor besliste +vroomheid en een vierde holt eene wijde groef uit voor +eigengeregtigheid, onder <span class="pagenum" title="56"> </span><a id="p_56"></a>den naam van Christelijke heiligheid. Maar na +al hunne moeite en na al hunnen voorspoed in het leiden van de stroomen +der natuur in deze nieuwe kanalen, is het nog de oude natuur, even +gevallen, even onwetend, even blind, even vleeschelijk, even dood<ins class="corr" id="corr101" title="Niet in Bron.">,</ins> +even vol van vijandschap tegen God en even onbekwaam als ooit om het +koningrijk der hemelen binnen te gaan. Om de buitenzijde der oude natuur +te witten, te schilderen, te vergulden, te bekleeden, op te schikken, te +versieren, in n woord, te hervormen, is de godsdienst van den dag. +Honderde kerken en kapellen worden gebouwd, duizende predikatin worden +gedaan en millioenen gelds worden besteed, alleen met het doel om uit +het ruwe blok hout der natuur, de gedaante, ledematen en gelaatstrekken +van een mensch te formeren, en al deze arbeid brengt niets voort dan +eene gedaante, een beeld, eene levenlooze gelijkenis van levende +godzaligheid, welke eenen mond heeft maar niet spreekt, het heeft oogen, +maar zij zien niet, ooren, maar zij hooren niet, handen, maar zij tasten +niet<ins class="corr" id="corr102" title="Bron: .">,</ins> voeten, maar zij gaan niet en zij geeft geen geluid door +hare keel. Kerkelijke en Dissenter, Orthodox en <ins class="corr" id="corr103" title="Bron: Evengelisch">Evangelisch</ins>, Baptist, +Independent en Methodist, allen slaan de handen ineen tot het goede +werk. „De een helpt den ander en zegt tot zijn medgezel: wees sterk! En +de werkmeester versterkt den goudsmid; die met den hamer glad maakt, +dien, die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel het is +goed: daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.” +(Jes. 41: 6, 7.)</p> + +<p>Maar hervorming is geen wedergeboorte, evenmin is eene verandering van +leven, hetzelfde als eene verandering des harten. Er kan overvloed van +ijver zijn, van vroomheid, van bestaanbaarheid van wandel<ins class="corr" id="corr104" title="Bron: .">,</ins> +onderzoek des bijbels, verborgen en huiselijk gebed, <span class="pagenum" title="57"> </span><a id="p_57"></a>kerk gaan onder de +waarheid, godsdienstige gesprekken<ins class="corr" id="corr105" title="Niet in Bron.">,</ins> naauwgezetheid in de +voorschriften van het Nieuwe Testament en een groot vertoon van +uitwendige vroomheid en heiligheid, waar geen vonk van goddelijk leven +in de ziel gevonden wordt. De godsdienst des menschen is om het schepsel +op te bouwen in goede werken, in vroomheid, in het hooren van Gods +woord, in het lezen van godvruchtige schrijvers, in werkzaamheid, in al +de onrustige drukte en den arbeid van vereenigingen en scholen. De +godsdienst van God is, het schepsel neer te werpen in het stof van +zelfvernedering en zelfverfoeijing. De mensch zoude de godsdienst +onderwijzen gelijk hij rekenen en meetkunde onderwijst. Dezen regel moet +geleerd, die som gemaakt, dit vraagstuk opgelost en die zwarigheid +overwonnen worden en dus zal men vordering maken. Het vuur moet +aangestoken, de blaasbalg gedreven worden, de stoom moet omhoog vliegen, +de machine te werk gesteld, de voorgeschreven taak gedaan worden. +Godsdienst is, volgens het aangenomen geloof, iets waartoe de mensch +moet worden gedrongen. Hij moet op de eene of andere wijze godsdienstig +gemaakt worden. Hij moet door de menschelijke beweegredenen of +menschelijke overreding, gedreven of getrokken, bepraat of bedreigd, toe +gelokt of gezweept worden. De godsdienst wordt hem voorgesteld als de +rivier tusschen zijne ziel en den hemel. Hij wordt overreed, genoodigd, +vermaand, gesmeekt om in deze rivier te springen. Hij moet er in loopen +of als het ware er in gedrongen worden. Hij wordt er toe overtuigd en +hij neemt de voorgeschreven sprong, <ins class="corr" id="corr106" title="Bron: Hij">hij</ins> wordt een belijder. Hij hoort; +hij leest; <ins class="corr" id="corr107" title="Bron: bij">hij</ins> bidt; hij ondersteunt de zaak; hij bedient de +zondagschool; hij vormt zijne kleeding naar de uniform van het corps, +waartoe hij behoort; hij dankt zijn geboord overhemd af<ins class="corr" id="corr108" title="Niet in Bron.">,</ins> kamt het haar +gelijk, en scheert <span class="pagenum" title="58"> </span><a id="p_58"></a>zijne bakkebaarden; hij voorziet zijn hoofd met de +belijdenis van de secte waarbij hij is aangesloten, spreekt zooals zij +spreekt, gelooft zoo als zij gelooft<ins class="corr2" id="corr109" title="Bron: zoo"></ins> en, handelt zoo als zij handelt. +En dit alles wordt „bekeering en besliste vroomheid” genoemd, terwijl er +in de ziel van den armen ellendige, geen spoor van genade, geen greintje +geestelijk geloof of geen vonkje goddelijk leven gevonden wordt. Doch, +Gods weg is wijd verschillend van geheel dit ellendige, zoo algemeen +heerschende stelsel; Hij bouwt niet op, voor en aleer Hij heeft +gesloopt; Hij verlost de ziel niet, vr Hij haar eerst heeft doen +gevoelen, dat zij verloren is. Hij neemt niet, het hout en de stoppelen +der oude natuur, om een fondament van te leggen, ook gebruikt Hij geen +slijm in plaats van kalk om een verrot Babel op te bouwen. De wijze des +menschen is, om hier een stuk hout en daar een steen te plaatsen, de +eene hoek te vullen met een steen, de andere met een dakpan, en alzoo +voortgaande, een toren te bouwen, welks top mogt reiken tot aan den +hemel. De weg Gods is om neder te komen en hunne taal te verwarren, om +iederen steen en elk stuk hout naar de vier winden des hemels te +verstrooijen en niet een steen op den anderen te laten, die niet +afgebroken zal worden. Hij is een naijverig God en wil geen deelgenoot +hebben in het werk der zaligheid. Hij wil geen nieuwen wijn in oude +lederen zakken doen, noch een nieuwen lap op een versleten kleed zetten. +De vuile kleederen van Josua (Zach. 3: 4) moesten van hem weg genomen +worden, voor hij met wisselkleederen bekleed werd. Alzoo gaat dooden +vr levend maken, armoede vr rijkdom, bedelarij en den mesthoop vr +de erfenis van den troon der heerlijkheid; het graf van alle verwachting +van de heuvelen en bergen, en het gruis van zelfverfoeijing voor de +verheffing tot het zitten onder de prinsen. <span class="pagenum" title="59"> </span><a id="p_59"></a>(Sam. 2: 6-8). Te zaaijen +met tranen gaat voor het maaijen met gejuich, asch voor schoonheid, +treuren voor de olie der vreugd en eenen benaauwden geest voor het +gewaad des lofs. Zaligheid is geen uitwendige zaak. Het bestaat niet in +de letter, maar in den geest; niet in een gezond geloof, zoo als men +meent, maar in de genieting daarvan als een balsem in een verbroken +hart. Dus wanneer wij de groote vraag beantwoorden: „Wat is het dat eene +ziel zalig maakt?”<ins class="corr" id="corr110" title="Niet in Bron.">,</ins> +<ins class="corr" id="corr111" title="Bron: Zoo">zoo</ins> moeten wij vooraf wel verstaan, dat het woord +„zaligmaken” in zich bevat, een voorafgaanden staat, waarvan en waaruit +het een herstelmiddel, eene ontkoming, eene bevrijding is. Dat zaligheid +veronderstelt voorafgaande verlorenheid, verderf en ellende, en dat het +eene bevrijding is van dit alles, stemt iedereen toe. Maar het wordt +niet zoo gereedelijk toegestemd, of indien al bekend in woorden, toch +niet verkondigd als eene fondamenteele waarheid, dat het is eene +<i>gevoelde</i> verlorenheid, eene <i>gevoelde</i> vernietiging, eene <i>gevoelde</i> +rampzaligheid, waaruit zaligheid eene ontkoming is. Ieder die de +waarheid des Bijbels belijdt, stemt in woorden den val des menschen toe +en dat zalig maken eene bevrijding is van de verschrikkelijke gevolgen +van dien val. Maar dat men het innerlijk kennen en diep gevoelen moet; +dat de ziel onder het gewigt daarvan ter neer gebogen en beladen moet +zijn; dat de overtuiging van schuld, toorn en gevaar door +bovennatuurlijke kracht in zijne ondervinding moet gewrocht worden en +dat hij als het ware tusschen den bovensten molensteen der wet en den +ondersten molensteen van een schuldig geweten moet worden vergruisd; +deze groote en plegtige waarheden worden vermeden, bedekt en verzwegen +door bijna allen die belijden den zondaar den weg naar Sion te wijzen. +„Ga naar Christus; zie op Jezus; wijdt u zelf den Heere toe; <span class="pagenum" title="60"> </span><a id="p_60"></a>leid eenen +gelijkvormigen wandel; leest dezen en dien schrijver; woon de bekende +pligten bij; wees werkzaam; sluit u aan bij onze vereeniging; wordt een +lidmaat der kerk; hoor onzen leeraar; houdt huisgodsdienstoefening; +zendt uwe kinderen naar de zondagschool; kweek naarstig de heiligmaking +aan; haat alle zonde; waak tegen alle kwade hartstogten; oefen het +geloof in verootmoediging;<ins class="corr" id="corr112" title="Niet in Bron.">”</ins> deze en dergelijke vermaningen worden van +duizende kansels met kwistige hand over zoekende zondaren uitgestrooid. +Maar de natuur, de diepte, de magt, de gevoelens, de snijdende +overtuigingen<ins class="corr" id="corr113" title="Niet in Bron.">,</ins> het kermend roepen, de angstige foltering, de +donkere uitzigten, de zinkende vertwijfeling, de uiterste hulpeloosheid, +de dikke duisternis, het ellendige ongeloof, in n woord, al deze +inwendige werkzaamheden, welke in een zoekend zondaar gevonden worden, +worden door al de letterpredikers van den dag voorbij gegaan. Deze +dingen worden toegestemd maar of geheel verzuimd of met minachting op +gezinspeeld. Doch, indien wij weten willen wat het is, dat eene ziel +verlost, zoo moeten wij den staat weten <i>waaruit</i> hij verlost moet +worden. Indien wij het begin niet hebben, zoo kunnen wij het midden +noch het einde hebben. Maar onze hedendaagsche regtzinnige belijders en +predikers hadden nooit een begin in hunne godsdienst. Zij waren vroom +van hunne kindschheid; of zij hadden het voorregt van godsdienstige +ouders; of zij werden op de Christelijke of Zondagschool opgebragt; of +zij zaten onder een evangelie-prediker; of een goed boek viel hun in +handen en maakte hen vroom; of zij werden ernstig en overtuigd van de +noodzakelijkheid der godsdienst; of zij trouwden eene <ins class="corr" id="corr114" title="Bron: godvuchtige">godvruchtige</ins> +vrouw of man en op die wijs werden zij ook godsdienstig. Zulke en +dergelijke verhalen worden dagelijks in vrome couranten opgedischt, in +gezelschappen of bidstonden medegedeeld en blindelings, <span class="pagenum" title="61"> </span><a id="p_61"></a>naar den aard +der liefde zoo als men het noemt, als echte bevinding en opregt werk der +genade aangenomen. Maar waar is een uit duizend te vinden, die kan +verhalen, hoe de Heere met hem begon, en wat zijne gevoelens waren onder +zijne goddelijke onderwijzingen? Wie kan het pad beschrijven, waardoor +hij geleid is geworden, de nederwerpen en de verheffingen, welke hij +ondervonden heeft, de wisselingen, welke hij is doorgegaan, hoe hij +trapsgewijze van vat in vat geledigd is geworden en de worstelingen +welke hij ondervond? Wie, van duizend belijders kan gevoelig spreken +over den alsem en de gal der zonde, den vergiftigen angel van schuld, de +pijlen Gods in de conscientie, de vuilheid van een hopeloos bedorven en +arglistig hart, het strijden, zinken en worstelen, de afwisselende hoop +en vrees, de stralen van licht en de schaduwen der duisternis, de +oogenblikken van vertrouwen en de spoedig wederkeerende moedeloosheid, +en al de verschillende ondervindingen van eene ontwaakte ziel? +Verfoeijing en walging van zich zelf in stof en asch, duistere voorboden +van eeuwige straf, schreeuwen tot God uit de diepte van schuld, +opgevolgd door tijden van treurig stilzwijgen<ins class="corr" id="corr115" title="Niet in Bron.">,</ins> afwisselend berouw en +hardheid des harten, nu overvallen door de zonde en dan weder treurende +en zuchtende over zijne zwakheid er tegen; zulke oefeningen als deze, +hoe weinigen spreken er van met gevoel, zalving en kracht, hetwelk +bewijst dat zij die allen zijn doorgegaan? Of, wederom, den zwaren last +der zonde, het nerdrukkend gevoel van bederf, de stroomen van ongeloof +en godloochening, de vloeden van vuilheid, begeerlijkheid en +hardnekkigheid, het schielijk invallen van godslasterende gedachten, +vreeselijke verbeeldingen, dwaze gedachten, ijselijke vervloekingen, en +al de opwellingen van den vuilen bodem van een zinnelijk en duivelsch +hart, welken predikant uit duizend draagt de bewijzen in <span class="pagenum" title="62"> </span><a id="p_62"></a>zijne +prediking dat zulk een pad door hem betreden is geworden? Maar indien de +verlossing eenen voorgaanden staat onderstelt waaruit men verlost wordt +dan zeg ik, dat het kinderachtige dwaasheid is, te praten van verlost te +zijn, indien wij niets bevindelijks weten waarvan wij verlost zijn. +Daarom, indien iemand mij vraagt: „Wat is het dat eene ziel zalig +<ins class="corr" id="corr116" title="Bron: Maakt">maakt</ins>?” +<ins class="corr" id="corr117" title="Bron: Antwoord">antwoord</ins> ik: „Waarom doet gij mij die vraag?” +<ins class="corr" id="corr118" title="Bron: Vr">Vr</ins> +men iets van verlossing kan kennen, is er eene voorafgaande les te +leeren. Indien gij deze niet geleerd hebt, hebt gij +met de andere niets te maken. Gij mogt even goed de tiendeelige breuken +denken te leeren, voor gij nog lezen geleerd hebt. Maar welk is de +beweegreden waarom gij een antwoord op deze vraag verlangt? Om eenige +begrippen te vormen, uw oordeel te scherpen, om u een sterk geloof eigen +te maken? Indien dit de reden is, dan kan ik er mij met u niet over +bezig houden. Gij hebt eerst eene andere les te leeren en aleer gij deze +geleerd hebt, kan ik op uwe vraag niet antwoorden.</p> + +<p>De zaligheid is een geschenk, het kostbaarste en rijkste geschenk dat de +hand van een Drieenig God wiens naam Liefde is, kan geven. Het is een +legaat<ins class="corr" id="corr119" title="Niet in Bron.">,</ins> eene erfenis, eene bezitting, een schat, eene eeuwige +wezenlijkheid. Het volle bezit, het ruim genot, de volkomene berving +van dit voorbeschikte gewigt van heerlijkheid, is inderdaad bewaard tot +eenen toekomstigen staat; maar de eerstelingen, de vroegrijpe druiven, +de eerste daauwdroppen van de eeuwige erfenis, worden den uitverkorenen +gegeven terwijl zij op aarde zijn. De eeuwigdurende genieting van de +tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus, wordt in de Schrift +altijd vergeleken bij een huwelijk. Dus lezen wij (Openb. 19: 7) van +„het wijf des Lams” en „de bruiloft des Lams”<ins class="corr" id="corr120" title="Niet in Bron.">,</ins> zoo wordt de kerk +gezegd „tot den Koning gebragt te worden in gestikte kleederen <span class="pagenum" title="63"> </span><a id="p_63"></a>van +gouden borduursel,” gelijk in oostersche landen de bruid door haren +vader tot den bruidegom geleid werd (Gen. 29: 23). Maar wij lezen ook +van „ondertrouw” welke altijd de viering van het huwelijk vooraf ging. +„Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw,” +(Jer. 2: 2); „ik heb ulieden toebereid om u als eene reine maagd, aan +<ins class="corr" id="corr121" title="Bron: nen">nen</ins> man voor te stellen, namelijk Christus.” (2 Cor. 11: 2). Zoo +was Jozef ondertrouwd met de maagd Maria eer zij zamenkwamen (Matt. 1: +18), dat is voor zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw nu was eene +onvermijdelijke voorbereiding tot het huwelijk, schoon het niet dezelfde +zaak was. En daarom werd eene verloofde maagd gestraft als eene +overspeelster, volgens de Livietische wet, (Deut. 22: 24), indien +zij ontrouw was aan haren ondertrouwden man. De ondertrouw had in +zich den aard van het huwelijk, schoon het niet dezelfde zaak was. De +deelgenooten leefden niet te zamen en werden niet in elkanders bezit +gesteld. Alzoo heeft de geestelijke ondertrouw plaats in dit leven en +het geestelijk huwelijk in het toekomende leven; „Ik zal u mij +ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt en in goedertierenheid en in +barmhartigheden en ik zal u mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den +Heere kennen.<ins class="corr" id="corr122" title="Niet in Bron.">”</ins> (Hosea 2: 18, 19). Dus, indien wij de zaligheid +beschouwen, zoo zullen wij bevinden dat zij in drie deelen bestaat, in +<i>verledene</i>, <i>tegenwoordige</i> en <i>toekomende</i> zaligheid. +<i><ins class="corr" id="corr123" title="Bron: Veledene">Verledene</ins></i> zaligheid is onze namen geschreven te hebben in het boek +des levens des Lama, van voor de grondlegging der wereld. +<i>Tegenwoordige</i> zaligheid bestaat in de openbaring van Christus in de +ziel, waarbij Hij zich haar ondertrouwt. En <i>toekomende</i> zaligheid +bestaat in de eeuwige genieting van Christus, wanneer de uitverkorenen +aan het bruiloftsmaal van Christus zullen aanzitten en <span class="pagenum" title="64"> </span><a id="p_64"></a>altijd met den +Heere zullen zijn. Gelijk nu niemand de <i>toekomende</i> zaligheid zal +genieten, die geen deel heeft in de <i>verledene</i> zaligheid; met andere +woorden, gelijk niemand ooit met Christus in de eeuwige heerlijkheid zal +zijn, wiens naam niet is geschreven in het boek des levens van alle +eeuwigheid, alzoo zal niemand de <i>toekomende</i> zaligheid genieten, die +leeft en sterft zonder het genot van de <i>tegenwoordige</i> zaligheid;—met +andere woorden, niemand zal voor eeuwig met Christus in heerlijkheid +leven, die Hij in dit leven niet ondertrouwd heeft, door openbaring van +zich zelf aan zijne ziel. Naar de gewoonte der Joden gaf de man ten +tijde zijner ondertrouw aan de bruid een stuk zilver tot een getuigenis, +zeggende tot haar: „Ontvang dit stuk zilver als een onderpand dat gij op +zulk een tijd mijne huisvrouw zult worden.” En daarop verwisselden de +partijen hunne ringen. Deze ontmoeting van de verloofde partijen, die +dan elkander voor het eerst zagen, is een liefelijk zinnebeeld van de +eerste ontmoeting der ziel door Jezus. De jonge dochter had van den +jongeling gehoord, maar tot dien tijd had zij hem nimmer gezien, even +als zoekende zielen van Jezus hooren met het gehoor der ooren, voor hare +oogen Hem zien. De sluijer was op haar aangezigt, (Gen. 24: 65), gelijk +als de sluijer ligt op het hart (2 Cor. 3: 15), tot dat Jezus die in +tween scheurt van boven tot beneden. De bruidegom gaf zijne +ondertrouwde vrouw een stuk zilver, als een onderpand, dat alles wat hij +had, het hare was. En alzoo geeft Christus aan de ziel, die hij zich +ondertrouwt door zijne eigene openbaring, een onderpand, een teeken, +eene getuigenis, welke in zich hebben, de eerstelingen en de verzekering +der eeuwige heerlijkheid. De partijen wisselden hunne ringen als +onderpanden van onderlinge <span class="pagenum" title="65"> </span><a id="p_65"></a>liefde en eeuwige getrouwheid. En evenzoo +openbaart Christus zich aan de ziel, in zijne stervende liefde; +wederkeerige verpanding, wederkeerige beloften, wederkeerige +verzekeringen en onderpanden van trouw en liefde, hebben plaats tusschen +de ziel en Hem. „Deze zal zeggen ik ben des Heeren en die zal zich +noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijne hand schrijven: Ik +ben des Heeren.” (Jes. 45: 5). In deze tijden „in den dag van des +konings bruiloft,” (Hoogl. 3: 11), is de taal der ziel. „Ik heb grooten +lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte +zoet. Hij voert mij in het wijnhuis en de liefde is zijne banier over +mij.” (Hoogl. 2: 3, 4). <ins class="corr" id="corr124" title="Bron: alle">Alle</ins> leerstellingen, begrippen +geloofsbelijdenissen, ordonantin en ceremonin, bij gemis van deze +geopenbaarde zaligheid, zijn als het stof in de weegschaal en als +stoppelen voor den wind. Wat bijv. is uitverkiezing, afgescheiden van de +openbaring aan mijne ziel, dat ik uitverkoren ben van voor de +grondlegging der wereld? Wat is verlossing voor mij, indien het +verzoenend bloed des Lams niet op mijne conscientie gesprengd is? Wat is +de eeuwige liefde van den Drieenigen <ins class="corr" id="corr125" title="Bron: Johovah">Jehovah</ins>, tenzij dat +eeuwige liefde in mijn hart door den Heiligen Geest uitgestort zij? Wat +is de volharding der heiligen, tenzij er een gezegend genot daarvan in +het geweten zij, als eene persoonlijke wezenlijkheid? Deze dingen in den +Bijbel geopenbaard te zien, is niets. Dezelve door een van Gods +dienstknechten te hooren prediken is niets. De waarheid derzelve in mijn +oordeel te ontvangen en eene onwankelbare toestemming daaraan te geven, +is niets. Duizenden hebben dit alles gedaan die God lasteren in de hel. +Maar eeuwige verkiezing<ins class="corr" id="corr126" title="Niet in Bron.">,</ins> persoonlijke verlossing, toegerekende +geregtigheid, onfeilbare liefde en al de andere schakels dezer gouden +keten van den troon Gods nedergelaten in <span class="pagenum" title="66"> </span><a id="p_66"></a>de ziel; de schoonheid, +heerlijkheid en gelukzaligheid der verlossing in al derzelver takken, +verledene, tegenwoordige en toekomende, geopenbaard te hebben in de ziel +en op het geweten verzegeld, dit is alles, in alles. En dus alle +twijfelingen en vreezen, alle overtuigingen van zonden, alle +ontdekkingen van inwendige snoodheid, alle verschrikkende beschouwingen +van God in het licht van eene verbrokene wet, alle kermingen, zuchten en +tranen, alle bezwijkingen des<ins class="corr2" id="corr127" title="Bron: ,"></ins> harten, alle voorgevoel van den +dood en het oordeel dat niet opleidt tot en uitloopt op eene toegepaste +zaligheid en geopenbaarden Jezus, voor de mensch zijne oogen sluit in +den dood, heeft niet meer met godsdienst te doen, dan het rammelen van +de ketenen van een gevangene of de huilende razernij van een +krankzinnige. De ziel des menschen moet verdoemd of gezaligd worden. En +wat de inwendige godsdienst betreft, een mensch moet de zaligheid hebben +als eene inwendige wezenlijkheid, als eene gekende, genotene, geproefde, +gevoelde en getaste bezitting of hij zal nimmer het koningrijk der +hemelen ingaan. Hij moge Kerkelijke of Afgescheidene zijn, Calvinist, of +Arminiaan, Baptist of Independent, wat het zij of wie het zij, toch is +al zijne belijdenis met betrekking tot de zaligheid niets meer, dan het +fatsoen zijner kleeding, de hoogte zijner statuur of de kleur van zijn +gelaat. Iedere zaak van <ins class="corr" id="corr128" title="Bron: uit wendigen">uitwendigen</ins> aard, wat meer is, +de waarheid zelf, is een bed te kort en een deksel te smal. En dus al 's +menschen gelijkvormigheid van leven, gezondheid van geloof<ins class="corr" id="corr129" title="Niet in Bron.">,</ins> +wandelen in de <ins class="corr" id="corr130" title="Bron: ordinantien">ordinantin,</ins> lange en standvastige +belijdenis en alles van slechts uitwendigen aard, waarop duizenden tot +de zaligheid berusten, kan niet meer de zonde wegnemen, de geregtigheid +Gods bevredigen en de ziel regt op den hemel geven, dan den eed van een +<span class="pagenum" title="67"> </span><a id="p_67"></a>vloeker of de ontuchtige redenen eener hoer.</p> + +<p>Indien ons dan gevraagd wordt, „wat is het dat eene ziel zalig maakt?” +antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij +gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, die +alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te +stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht +bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, +gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; +noch, in <ins class="corr" id="corr131" title="Bron: n">n</ins> woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte +van zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en +sterkte des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste +overtuiging der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het +natuurlijk geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade +in te willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, +noch lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke +gehechtheid aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor +bevindelijke godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te +ondersteunen. Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en +vreezen, noch in wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der +inwendige verdorvenheid, wettische verschrikkingen, aanvallen van +zwaarmoedige vertwijfeling en hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen +<i>vergezellen de zaligheid</i> en worden gevonden in de erfgenamen der +heerlijkheid; maar eenige derzelve of allen kunnen evenzoo in +huichelaars, afvalligen en verworpenen gevonden worden. Evenmin bestaat +de zaligheid in <i>begeerten</i>, want „de luijaard begeert en heeft niet,” +noch in <i>tranen</i> want „Ezau weende met een zeer groot en bitter geween,” +(Gen. 17: 34), noch in enkel <i>zoeken</i>, want „velen zullen <span class="pagenum" title="68"> </span><a id="p_68"></a>zoeken in te +gaan en zullen niet kunnen,” (Luk. 13: 24), noch in <i>willen</i> want „het +is niet desgenen die wil,” noch in <i>loopen</i>, „het is niet desgenen die +loopt” en „in de loopbaan loopen allen, maar een alleen ontvangt den +prijs.” Ook bestaat de zaligheid niet in uitwendige gaven, als preeken +en bidden want een mensch kan „de hemelsche gaven smaken en toch zijn +einde zijn tot verbranding,” (Hebr. 6 vs. 4, <ins class="corr" id="corr132" title="Bron: 3">8</ins>), terwijl Saul +profeteerde, Judas preekte en de zonen van Sceva duivelen uitwierpen in +den naam van Jezus. Noch ook bestaat in <i>natuurlijk geloof</i>, want Simon +Magus geloofde en werd gedoopt<ins class="corr" id="corr133" title="Niet in Bron.">,</ins> +noch in <i>natuurlijke hoop</i><ins class="corr" id="corr134" title="Niet in Bron.">,</ins> +want daar is „de hoop des huichelaars die verdwijnen zal;” noch in +<i>natuurlijke vertroostingen</i>, want daar is een „wandelen in de spranken +van ons eigen vuur;” noch in <i>ijdel vertrouwen</i>, want „de zot is +oploopende toornig en zorgeloos;” noch in het <i>spreken over de +godsdienst</i><ins class="corr" id="corr135" title="Niet in Bron.">,</ins> want „een praatachtige dwaas zal vallen;” noch in +<i>dat anderen wel over ons denken</i>, daar Paulus eens goede gedachten had +van Demas (Phillem. 24), „die de tegenwoordige wereld lief kreeg” (2 +Tim. 4: 10), noch daarn, <i>dat de kinderen Gods vereeniging met ons +gevoelen</i>, daar David „zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn +gezelschap wandelde ten huize Godes” (Ps. 55<ins class="corr" id="corr136" title="Bron: ,">:</ins> +15)<ins class="corr" id="corr137" title="Niet in Bron.">.</ins> Om alles +te zamen te nemen, de zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, +dat is iets aardsch, menschelijks en natuurlijks, want „het vleesch is +niet nut” (Joh. 6: 63), en „niet de kinderen des vleesches die zijn +kinderen Gods maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad +gerekend.” (Rom. 9: 8)<ins class="corr" id="corr138" title="Bron: ,">.</ins> Dus niemand kan zijne eigene ziel +verlossen, noch God een rantsoen geven voor hem zelf of voor zijnen +broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch is gras, alleen bestemd om door +den maaijer afgesneden en in den oven geworpen te worden. <span class="pagenum" title="69"> </span><a id="p_69"></a>Wij komen dan +tot dit besluit, waartoe God vroeger of later iedere uitverkorene ziel +brengt, dat zij die gezaligd<ins class="corr2" id="corr139" title="Bron: ,"></ins> worden, gezaligd worden omdat +God <i>hen zalig wil maken</i>, „dat Hij barmhartig is, dien Hij barmhartig +zijn wil” en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen behoudt niet uit +eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne eigene +onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig en +onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost<ins class="corr" id="corr140" title="Niet in Bron.">,</ins> +<ins class="corr" id="corr141" title="Bron: geregvaardigd">geregtvaardigd</ins>, +levend gemaakt, geheiligd<ins class="corr" id="corr142" title="Niet in Bron.">,</ins> bewaard en verheerlijkt worden, alleen +omdat zij de voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den +<ins class="corr" id="corr143" title="Bron: Drienigen">Drieenigen</ins> Jehovah. Hier is dan het antwoord op de +vraag: „Wat is het dat eene ziel zalig maakt?<ins class="corr" id="corr144" title="Niet in Bron.">”</ins> 1. Een aandeel te +hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, in het verlossende +bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God den Zoon, in de +levendmakende en heiligende werkingen van God den +<ins class="corr" id="corr145" title="Bron: HeiligenGeest">Heiligen Geest</ins>. Dit is de erfenis den uitverkorenen +verzegeld, als eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en +vast verbond. Dit is de zaligheid <i>uitwendig</i> en hij, die noch lot noch +deel aan deze zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den +vreeselijken toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. +ook de zaligheid <i>inwendig</i> welke bestaat in de openbaring van Jezus in +de ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, +regtvaardigende geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, +worden verzegeld op de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke +wezenlijkheden worden gemaakt. Tot deze inwendige genieting der +zaligheid zijn al de kinderen Gods voorverordineerd en niemand van hen +sterft zonder meerder of minder aandeel er in. <ins class="corr" id="corr146" title="Bron: eenigen">Eenigen</ins> van +hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen der wet gedompeld, anderen +vreezende en bevende, anderen snijden zich af als huichelaars; anderen +zijn kermende onder het gewigt der zonde, <span class="pagenum" title="70"> </span><a id="p_70"></a>anderen overwonnen door de +magt hunner begeerlijkheden, anderen worden gekweld door den duivel, +anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, en allen gewikkeld in +eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den ouden mensch der zonde. +Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van wege hunne +afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, anderen +worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen vervuld +met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des satans +en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam door +moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker +gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en +verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van +gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; +eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de +bewijzen<ins class="corr" id="corr147" title="Niet in Bron.">;</ins> eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen +gekastijd en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de +roede Gods niet op hen ligt.</p> + +<p>Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan de +zaligheid die <i>uitwendig</i> is, zoo stemmen zij allen overeen in dit punt +betrekkelijk de zaligheid die <i>inwendig</i> is, dat het eene +<i>bovennatuurlijke</i> godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, +eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld +pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen +bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, +ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, +zuchtingen, kermingen en tranen<ins class="corr" id="corr148" title="Bron: :">;</ins> al hunne twijfelingen, +vreezen<ins class="corr" id="corr149" title="Bron: .">,</ins> verschrikkingen, schuddingen, duisternis en +moedeloosheid; al hunne beschouwingen van de regtvaardigheid <span class="pagenum" title="71"> </span><a id="p_71"></a>Gods in +eene heilige wet; al hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en +veranderingen, schuld<ins class="corr" id="corr150" title="Bron: .">,</ins> veroordeeling en een pijnlijk gevoel van +wege de zonde, met n woord, al hunne bevinding van de diepten van een +hopeloos, slecht en goddeloos hart<ins class="corr" id="corr151" title="Niet in Bron.">;</ins> alles, alles dient in de hand +van den gezegenden Geest om hen tot dit punt te brengen, dat de +zaligheid is in het bloed en de geregtigheid van Christus <i>alleen</i>, en +dat deze zaligheid aan hen en in hen moet <ins class="corr" id="corr152" title="Bron: heopenbaard">geopenbaard</ins> +worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden.</p> + +<p>Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier +beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, +welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er +voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing +iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem +zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond +kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden wij: +Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de +leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God +<ins class="corr" id="corr153" title="Bron: iu">in</ins> de ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals +honderden haar leeren in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg +bewijst niet dat ze onwaar zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods +woord. „Hunne tafel,” dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, +waaraan zij belijden te spijzigen<ins class="corr" id="corr154" title="Niet in Bron.">,</ins> +<ins class="corr" id="corr155" title="Niet in Bron.">„</ins>worde voor hun +aangezicht tot een strik en tot volle vergelding tot een' valstrik,” +(Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste belijders, van „vlekken in hunne +liefdemaaltijden, weidende zich zelf zonder vrees.” Deze dronken de +leerstelling der uitverkiezing enz. in, <ins class="corr" id="corr156" title="Bron: onvermend">onvermengd</ins> met +heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en een innerlijk +ontzag <span class="pagenum" title="72"> </span><a id="p_72"></a>voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters nu worden +gezegd <ins class="corr" id="corr157" title="Niet in Bron.">„</ins>de genade te veranderen in ontuchtigheid en den eenigen +Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen,” dat is, +door booze werken (Jud. 4<ins class="corr" id="corr158" title="Bron: :">,</ins> 12). Maar om reden ongoddellijke +menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken +tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen +waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De +stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, +en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, +zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare +natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, +omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf +uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen +der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs +natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld +is, waar het woord des levens ontvangen wordt „in een eerlijk en goed +hart” (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning +van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn +Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten <ins class="corr" id="corr159" title="Bron: De">de</ins> +leerstellingen der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd +bevochtigd door den daauw en de regen van den gezegenden Geest, +overvloedige vrucht voort. Dus brengen zij voort: ten eersten <i>inwendige +vrucht</i>. Van deze is <ins class="corr" id="corr160" title="Bron: deeerste">de eerste</ins> <i>bekeering</i>, welke bestaat +in eene verandering des harten, eene verandering van genegenheden, eene +verandering van gevoelens<ins class="corr" id="corr161" title="Niet in Bron.">,</ins> een keeren van vormelijkheid tot +geestelijkheid, van vrije wil tot vrije genade, van eigengeregtigheid +tot zelfverfoeijing, van huichelarij <span class="pagenum" title="73"> </span><a id="p_73"></a>tot opregtheid, van +zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis tot kracht. De +tweede is <i>Goddelijke vrees</i>, welke Gods hartdoorzoekende +tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen<ins class="corr" id="corr162" title="Niet in Bron.">,</ins> zij +ducht zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne +kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht van +zijn aanschijn. De derde is <i>ootmoedigheid</i>, welke ontspruit uit eene +kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke kennis +van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen +uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke +godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van +onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden +onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, in +een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en +nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is <i><ins class="corr" id="corr163" title="Bron: Goddelijkeid">Goddelijke</ins> droefheid</i>, +die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich +openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen over +gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn door +driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, +smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en van +verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet meer te +zondigen. Eene vijfde vrucht is <i>hoop</i>, welke ontspringt uit wanhoop en +in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking van het +medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde en de +vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God aller +vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs +weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, +bekrompene beschouwingen van <span class="pagenum" title="74"> </span><a id="p_74"></a>God, houdt het vast als een zeker en +houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het om te +wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing komt +opdagen. Eene zesde vrucht is <i>liefde</i>, welke bestaat in liefde tot +<i>God</i>, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en +langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, +weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot +<i>Christus</i> als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, +als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot de +beproefde<ins class="corr" id="corr164" title="Niet in Bron.">,</ins> gekwelde en verzochte <i>kinderen Gods</i> als mede-lijders +en mede-erfgenamen<ins class="corr" id="corr165" title="Bron: :">;</ins> in liefde tot <i>gezanten van Christus</i> als +boodschappers van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en +uitleggers onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden +en ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde +tot de <i>waarheid</i> Gods die ons vrij maakt; tot het <i>Woord</i> Gods<ins class="corr" id="corr166" title="Bron: .">,</ins> +dat onze harten heeft ingenomen, en tot de <i>beloften</i> Gods, die ons van +tijd tot tijd bemoedigd hebben.</p> + +<p>Deze zijn slechts weinige van de <i>inwendige</i> vruchten welke de +leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder +eenigen twijfel voortbrengen.</p> + +<p>Maar behalve deze zijn er ten tweede <i>uitwendige vruchten</i>. De zoodanige +zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van eene +belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der +<ins class="corr" id="corr167" title="Bron: wrarheid">waarheid</ins>; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van +Gods volk; algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al +de kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in +nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in n +woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des +Evangelies.</p> + +<p><span class="pagenum" title="75"> </span><a id="p_75"></a></p> + +<p>Zoodanige zijn de <i>inwendige</i> en <i>uitwendige</i> vruchten welke door de +leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden +Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, +genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne +gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem +te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, +flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem.</p> + +<p>En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke +zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld op +het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre van +tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke +vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, +uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en alle +de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan +bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom +hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, +die een verteerend vuur is.</p> + +<p class="amen">AMEN.</p> + +<p><span class="pagenum" title="76"> </span><a id="p_76"></a></p> + +<h2><a id="ZUGTEN"></a>HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH.</h2> + +<hr class="single" /> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <div class="i0 drop">O<a id="FNa_A" href="#FN_A" class="fnanchor">*</a> God wat is het schoon en zoet,<br /></div> + <div class="i0">Wanneer men uwen wille doet,<br /></div> + <div class="i0">En van uw wegen niet en glijd,<br /></div> + <div class="i0">Ter rechter noch ter linker zijd'.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Maar ach! wat is 't een zware last,<br /></div> + <div class="i0">Dat ons de zond' zoo ligt verrast,<br /></div> + <div class="i0">En brengt ons, buiten ons' vermoen.<br /></div> + <div class="i0">Om tegen u gebod te doen.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Hoe zou mijn harte zijn verlicht,<br /></div> + <div class="i0">Zoo mijnen weg mocht zijn gericht<br /></div> + <div class="i0">Om te bewaren uwe Wet,<br /></div> + <div class="i0">Die gij den mensch hebt ingezet!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <span class="pagenum" title="77"> </span><a id="p_77"></a> + <div class="i0">Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn<br /></div> + <div class="i0">Alzoo beschaamt niet langer zijn,<br /></div> + <div class="i0">Wanneer ik zoude merken, maar<br /></div> + <div class="i0">Op uw geboden allegaar.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Och! dat mij zoo de zonde boeid,<br /></div> + <div class="i0">Dat ik niet vrij en ongemoeid<br /></div> + <div class="i0">Hier loopen mag in mijne baan,<br /></div> + <div class="i0">Ach dat ik moet zoo langzaam gaan!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Een oprecht willen tot het goed<br /></div> + <div class="i0">Bevind ik wel in mijn gemoed,<br /></div> + <div class="i0">Maar aan 't volbrengen mij het schort,<br /></div> + <div class="i0">En daar in koom ik veel te kort.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Den ouden mensch noch in mij leefd,<br /></div> + <div class="i0">Die mijnen geest steeds wederstreefd,<br /></div> + <div class="i0">En doet mij zulk een groot geweld,<br /></div> + <div class="i0">Dat ik niet weinig ben ontsteld.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Inwendig heb ik groot vermaak<br /></div> + <div class="i0">In uwe Wet; maar (droeve zaak!)<br /></div> + <div class="i0">'t Vleesch tegen mijnen geest zich kant,<br /></div> + <div class="i0">En neemt ook somtijds d' overhand.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Het goede dat ik zeer bemin,<br /></div> + <div class="i0">En garen wil met hart en zin,<br /></div> + <div class="i0">Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad<br /></div> + <div class="i0">Dat mijne ziel verfoeid en haat.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <span class="pagenum" title="78"> </span><a id="p_78"></a> + <div class="i0">Och ik elendig droevig mensch!<br /></div> + <div class="i0">Wie zal mij geven mijnen wensch,<br /></div> + <div class="i0">Dat ik eens moge zijn bevrijd<br /></div> + <div class="i0">Van dezen mijnen zwaren strijd!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">O Jezus! gij die alles werkt,<br /></div> + <div class="i0">En die verslagen harten sterkt;<br /></div> + <div class="i0">Geeft dat den ouden mensch verhuist,<br /></div> + <div class="i0">En laat mij zijn met u gekruist.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Want gij voor ons gestorven zijt,<br /></div> + <div class="i0">Opdat wij zouden 't aller tijd<br /></div> + <div class="i0">Der zonder lichaam doen te niet,<br /></div> + <div class="i0">En niet meer volgen haar gebied.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Laat mij eens zeggen <ins class="corr" id="corr168" title="Bron: onbevreest">onbevreesd</ins>;<br /></div> + <div class="i0">Nu leev' ik eenmaal na den geest,<br /></div> + <div class="i0">Ik leve nu alzoo niet meer<br /></div> + <div class="i0">Gelijk ik heb gedaan wel eer.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Maar Christus zelve leefd in mij,<br /></div> + <div class="i0">Die maakt mij van de zonden vrij:<br /></div> + <div class="i0">Is 't vleesch schoon niet volkomen dood.<br /></div> + <div class="i0">Zoo vrees ik nochthans geenen nood.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">'k Heb Christum door 't geloof gevat,<br /></div> + <div class="i0">Die mij heeft eeuwig lief gehad,<br /></div> + <div class="i0">En voor mij door zijn dood voldaan:<br /></div> + <div class="i0">Wat zal mij dan noch tegenstaan?<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <span class="pagenum" title="79"> </span><a id="p_79"></a> + <div class="i0">Hier op wil ik vertrouwen vast,<br /></div> + <div class="i0">Tot dat ik van des lichaams last<br /></div> + <div class="i0">Zal zijn verlost, en vleesch en bloed<br /></div> + <div class="i0">Niet zal ontrusten mijn gemoed.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">God heeft belooft met eige stem,<br /></div> + <div class="i0">Dat in het nieuw Jeruzalem<br /></div> + <div class="i0">Gerechtigheid haar wooning heeft,<br /></div> + <div class="i0">En niets het welk ontuchtig leeft.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Daar zal ik doen, mijn God! en Heere!<br /></div> + <div class="i0">Al wat ik wil, na mijn begeere;<br /></div> + <div class="i0">Want ik en zal dan willen niet<br /></div> + <div class="i0">Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Och dat ik haast mocht komen daar!<br /></div> + <div class="i0">Och dat doch haast verschenen waar<br /></div> + <div class="i0">Die zal'ge lang gewenschte tijd!<br /></div> + <div class="i0">Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Hoe zullen wij U dienen Heere,<br /></div> + <div class="i0">Wanneer geen vleesches zwakheid meer<br /></div> + <div class="i0">Ons ooit kan brengen tot den val,<br /></div> + <div class="i0">Noch zonden-strijd meer wezen zal!<br /></div> + </div> +</div> + +<div class="footnote"> + + <p><a id="FN_A" href="#FNa_A" class="label">*</a> De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille + geniet, is <ins class="corr" id="corr169" title="Bron: on eindelijk">oneindelijk</ins> grooter dan de vreugd die men + uit eenige andere voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de + volmaaktheid onzer Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest + na zijn eigen volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid + noodwendiglijk de hoogste verlusting onzer zielen wezen.</p> + +</div> + +<hr class="single" /> + +<p><span class="pagenum" title="80"> </span><a id="p_80"></a></p> + +<h2><a id="BEKENTENIS"></a>BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING.</h2> + +<hr class="single" /> + +<div class="poem"> + <div class="stanza"> + <div class="i0 drop">Ik kom, O God! voor u belijden,<br /></div> + <div class="i0">Mijn zwakheid, die aan allen zijden<br /></div> + <div class="i0">Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt:<br /></div> + <div class="i0">'t Zijn dikwijls heel geringe zaken,<br /></div> + <div class="i0">Die mij mismoedig konnen maken<br /></div> + <div class="i0">En mij bestormen met gewelt.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Ik stel mij voor, iets uit te werken,<br /></div> + <div class="i0">En mij kloekmoedig te versterken,<br /></div> + <div class="i0">Maar, als de minst aanvechting koomt,<br /></div> + <div class="i0">Ben ik benauwt en gantsch verslagen;<br /></div> + <div class="i0">En kan niet anders doen dan klagen,<br /></div> + <div class="i0">Dat zoo mijn krachten zijn getoomt.<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Och wat een strijd voel ik van binnen,<br /></div> + <div class="i0">Wanneer ik mijn gemoed en zinnen<br /></div> + <div class="i0">Tot u omhoog te heffen meen,<br /></div> + <div class="i0">Dat dan het vleesch mij komt bespringen,<br /></div> + <div class="i0">om mijn gewill'ge geest te dringen<br /></div> + <div class="i0">Met forsche krachten na beneen!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">En ziet eens aan met mededogen<br /></div> + <div class="i0">Mijn broosheid en mijn zwak vermogen:<br /></div> + <div class="i0">Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer<br /></div> + <div class="i0">Haar aan het stof gevoelt te kleven,<br /></div> + <div class="i0">Doch schenken nieuwe kracht en leven<br /></div> + <div class="i0">Na uw getrouwe woord, o Heere!<br /></div> + </div> + <div class="stanza"> + <div class="i0">Wilt mijnen geest doch maken sterker,<br /></div> + <div class="i0">Zoolang hij in des Lichaams kerker<br /></div> + <div class="i0">Hier dus elendig leven moet;<br /></div> + <div class="i0">Tot dat mij eens na deze dagen<br /></div> + <div class="i0">Den ouden mensch niet meer zal plagen,<br /></div> + <div class="i0">Die nu mij zoo veel moeit' aandoet.<br /></div> + </div> + + <div class="auteur">SLUITER.</div> +</div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. 3</a></td><td class="td4">letterkennes</td><td class="td4">letterkennis</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 6</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 10</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 12</a></td><td class="td4">verniuwing</td><td class="td4">vernieuwing</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 12</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 12</a></td><td class="td4">Verordneerde</td><td class="td4">Verordineerde</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 12</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 12</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 13</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 13</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 13</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 13</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 13</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 14</a></td><td class="td4">Vreesselijk</td><td class="td4">Vreeselijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 14</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr21">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr22">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr23">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr24">Blz. 15</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr25">Blz. 16</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr26">Blz. 16</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr27">Blz. 16</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr28">Blz. 17</a></td><td class="td4">verder e</td><td class="td4">verderve</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr29">Blz. 17</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr30">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr31">Blz. 18</a></td><td class="td4">hnnne</td><td class="td4">hunne</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr32">Blz. 18</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr33">Blz. 21</a></td><td class="td4">[<i>Niet uitgespatierd in Bron.</i>]</td><td class="td4 g">De </td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr34">Blz. 22</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr35">Blz. 22</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr36">Blz. 22</a></td><td class="td4">iederen</td><td class="td4">iedereen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr37">Blz. 23</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr38">Blz. 23</a></td><td class="td4">haast</td><td class="td4">haat</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr39">Blz. 24</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr40">Blz. 24</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr41">Blz. 25</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr42">Blz. 26</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr43">Blz. 27</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr44">Blz. 27</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr45">Blz. 27</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr46">Blz. 27</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr47">Blz. 27</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr48">Blz. 28</a></td><td class="td4">gemakkellijken</td><td class="td4">gemakkelijken</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr49">Blz. 28</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr50">Blz. 28</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr51">Blz. 29</a></td><td class="td4">gerangschik</td><td class="td4">gerangschikt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr52">Blz. 29</a></td><td class="td4">Zijn</td><td class="td4">zijn</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr53">Blz. 30</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr54">Blz. 30</a></td><td class="td4">?</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr55">Blz. 30</a></td><td class="td4">heeft</td><td class="td4">geeft</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr56">Blz. 36</a></td><td class="td4">teontmoeten</td><td class="td4">te ontmoeten</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr57">Blz. 36</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr58">Blz. 36</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr59">Blz. 36</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr60">Blz. 36</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr61">Blz. 36</a></td><td class="td4">f</td><td class="td4">f</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr62">Blz. 37</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr63">Blz. 37</a></td><td class="td4">hune</td><td class="td4">hunne</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr64">Blz. 38</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr65">Blz. 40</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr66">Blz. 41</a></td><td class="td4">machenerie</td><td class="td4">machinerie</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr67">Blz. 42</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr68">Blz. 42</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr69">Blz. 42</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr70">Blz. 43</a></td><td class="td4">oorspong</td><td class="td4">oorsprong</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr71">Blz. 44</a></td><td class="td4">barmharti’heid</td><td class="td4">barmhartigheid</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr72">Blz. 45</a></td><td class="td4">eingene</td><td class="td4">eigene</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr73">Blz. 45</a></td><td class="td4">toeschijven</td><td class="td4">toeschrijven</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr74">Blz. 45</a></td><td class="td4">toekomendo</td><td class="td4">toekomende</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr75">Blz. 46</a></td><td class="td4">onverandelijk</td><td class="td4">onveranderlijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr76">Blz. 46</a></td><td class="td4">onverandelijker</td><td class="td4">onveranderlijker</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr77">Blz. 46</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr78">Blz. 47</a></td><td class="td4">:</td><td class="td4">;</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr79">Blz. 47</a></td><td class="td4">verdoemis</td><td class="td4">verdoemenis</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr80">Blz. 48</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr81">Blz. 48</a></td><td class="td4">n</td><td class="td4">n</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr82">Blz. 49</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr83">Blz. 49</a></td><td class="td4">doodangst</td><td class="td4">doodsangst</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr84">Blz. 49</a></td><td class="td4">Welk</td><td class="td4">welk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr85">Blz. 50</a></td><td class="td4">gebriuken</td><td class="td4">gebruiken</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr86">Blz. 51</a></td><td class="td4">Achitofelel</td><td class="td4">Achitofel</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr87">Blz. 51</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr88">Blz. 51</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr89">Blz. 51</a></td><td class="td4"> op</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr90">Blz. 51</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4"></td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr91">Blz. 52</a></td><td class="td4">slecht</td><td class="td4">slechts</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr92">Blz. 52</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr93">Blz. 52</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr94">Blz. 53</a></td><td class="td4">breng</td><td class="td4">brengt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr95">Blz. 53</a></td><td class="td4">drienigen</td><td class="td4">drieenigen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr96">Blz. 54</a></td><td class="td4">ontledig</td><td class="td4">ontledigd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr97">Blz. 54</a></td><td class="td4">onverniewde</td><td class="td4">onvernieuwde</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr98">Blz. 55</a></td><td class="td4">nemem</td><td class="td4">nemen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr99">Blz. 55</a></td><td class="td4">stroomtjes</td><td class="td4">stroompjes</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr100">Blz. 55</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr101">Blz. 56</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr102">Blz. 56</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr103">Blz. 56</a></td><td class="td4">Evengelisch</td><td class="td4">Evangelisch</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr104">Blz. 56</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr105">Blz. 57</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr106">Blz. 57</a></td><td class="td4">Hij</td><td class="td4">hij</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr107">Blz. 57</a></td><td class="td4">bij</td><td class="td4">hij</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr108">Blz. 57</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr109">Blz. 58</a></td><td class="td4"> zoo</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr110">Blz. 59</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr111">Blz. 59</a></td><td class="td4">Zoo</td><td class="td4">zoo</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr112">Blz. 60</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr113">Blz. 60</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr114">Blz. 60</a></td><td class="td4">godvuchtige</td><td class="td4">godvruchtige</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr115">Blz. 61</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr116">Blz. 62</a></td><td class="td4">Maakt</td><td class="td4">maakt</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr117">Blz. 62</a></td><td class="td4">Antwoord</td><td class="td4">antwoord</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr118">Blz. 62</a></td><td class="td4">Vr</td><td class="td4">Vr</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr119">Blz. 62</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr120">Blz. 62</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr121">Blz. 63</a></td><td class="td4">nen</td><td class="td4">nen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr122">Blz. 63</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr123">Blz. 63</a></td><td class="td4">Veledene</td><td class="td4">Verledene</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr124">Blz. 65</a></td><td class="td4">alle</td><td class="td4">Alle</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr125">Blz. 65</a></td><td class="td4">Johovah</td><td class="td4">Jehovah</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr126">Blz. 65</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr127">Blz. 66</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr128">Blz. 66</a></td><td class="td4">uit wendigen</td><td class="td4">uitwendigen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr129">Blz. 66</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr130">Blz. 66</a></td><td class="td4">ordinantien</td><td class="td4">ordinantin,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr131">Blz. 67</a></td><td class="td4">n</td><td class="td4">n</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr132">Blz. 68</a></td><td class="td4">3</td><td class="td4">8</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr133">Blz. 68</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr134">Blz. 68</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr135">Blz. 68</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr136">Blz. 68</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">:</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr137">Blz. 68</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr138">Blz. 68</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr139">Blz. 69</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr140">Blz. 69</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr141">Blz. 69</a></td><td class="td4">geregvaardigd</td><td class="td4">geregtvaardigd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr142">Blz. 69</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr143">Blz. 69</a></td><td class="td4">Drienigen</td><td class="td4">Drieenigen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr144">Blz. 69</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr145">Blz. 69</a></td><td class="td4">HeiligenGeest</td><td class="td4">Heiligen Geest</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr146">Blz. 69</a></td><td class="td4">eenigen</td><td class="td4">Eenigen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr147">Blz. 70</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">;</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr148">Blz. 70</a></td><td class="td4">:</td><td class="td4">;</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr149">Blz. 70</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr150">Blz. 71</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr151">Blz. 71</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">;</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr152">Blz. 71</a></td><td class="td4">heopenbaard</td><td class="td4">geopenbaard</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr153">Blz. 71</a></td><td class="td4">iu</td><td class="td4">in</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr154">Blz. 71</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr155">Blz. 71</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr156">Blz. 71</a></td><td class="td4">onvermend</td><td class="td4">onvermengd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr157">Blz. 72</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr158">Blz. 72</a></td><td class="td4">:</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr159">Blz. 72</a></td><td class="td4">De</td><td class="td4">de</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr160">Blz. 72</a></td><td class="td4">deeerste</td><td class="td4">de eerste</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr161">Blz. 72</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr162">Blz. 73</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr163">Blz. 73</a></td><td class="td4">Goddelijkeid</td><td class="td4">Goddelijke</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr164">Blz. 74</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr165">Blz. 74</a></td><td class="td4">:</td><td class="td4">;</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr166">Blz. 74</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr167">Blz. 74</a></td><td class="td4">wrarheid</td><td class="td4">waarheid</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr169">Blz. 76 (voetnoot)</a></td><td class="td4">on eindelijk</td><td class="td4">oneindelijk</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr168">Blz. 78</a></td><td class="td4">onbevreest</td><td class="td4">onbevreesd</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?, by +Joseph Charles Philpot + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT IS HET DAT EENE ZONDAAR *** + +***** This file should be named 39039-h.htm or 39039-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/9/0/3/39039/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/39039-h/images/cover-th.jpg b/39039-h/images/cover-th.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..27ff94d --- /dev/null +++ b/39039-h/images/cover-th.jpg diff --git a/39039-h/images/cover.jpg b/39039-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5bfefe5 --- /dev/null +++ b/39039-h/images/cover.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0ec13a6 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #39039 (https://www.gutenberg.org/ebooks/39039) |
