summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--38920-0.txt4671
-rw-r--r--38920-0.zipbin0 -> 88673 bytes
-rw-r--r--38920-8.txt4671
-rw-r--r--38920-8.zipbin0 -> 88461 bytes
-rw-r--r--38920-h.zipbin0 -> 138569 bytes
-rw-r--r--38920-h/38920-h.htm4985
-rw-r--r--38920-h/images/cover.jpgbin0 -> 43099 bytes
-rw-r--r--38920-h/images/ill_ad.pngbin0 -> 585 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
11 files changed, 14343 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/38920-0.txt b/38920-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2d50526
--- /dev/null
+++ b/38920-0.txt
@@ -0,0 +1,4671 @@
+The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vonken
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlöf:
+
+Niels Holgersson's Wonderbare Reis
+
+Prijs ingenaaid ƒ =4.90=; gebonden in prachtband ƒ =5.90=
+
+=Jan Ligthart=:
+
+=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.=
+
+=Het Nieuws van den Dag=:
+
+Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische
+dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den
+voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen,
+die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt
+meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende
+verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft
+een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels
+wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan
+allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en
+beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder
+opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is
+dit te zijn.
+
+=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor
+kinderen.=
+
+=De Nederlander=:
+
+=Een mooi boek.= Het „sprookje” heeft een filosofischen ondergrond,
+zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma
+Lagerlöf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld
+gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend
+geschenk.=
+
+=De Tijd=:
+
+Dit werk van Selma Lagerlöf heeft iets wonderbaars in zich, van dat
+sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken
+meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naïeve
+bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de
+zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere
+waarde.
+
+=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer):
+
+=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer
+en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.=
+
+=De Nieuwe Arnhemsche Courant=:
+
+=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra
+populair zal worden.=
+
+=De Hofstad=:
+
+Een prachtig sprookje à la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond
+van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd
+en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n
+tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste poëzie, waar
+doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlöf's phantasie
+laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op
+vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden.
+
+
+_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_:
+
+De Wonderen van den Anti-Christ
+
+Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF
+
+DOOR
+
+MARGARETHA MEIJBOOM.
+
+TWEEDE DRUK.
+
+Prijs ingenaaid ƒ =3.90=; gebonden ƒ =4.90=
+
+
+=Eenige Bladen over „De Wonderen van den Anti-Christ”.=
+
+=De Kerkelijke Courant=:
+
+Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar
+vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar
+fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo
+gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek
+speelt op het eiland Sicilië met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het
+Socialisme tegenover het Christendom. „Hebt uw schat in den hemel,” zegt
+het laatste. „Hebt uw schat op aarde,” predikt het eerste. Het slot is,
+wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar
+trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien
+of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: „Alle menschen
+klagen.” Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop
+zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: „Alle menschen
+juichen.” Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten
+derden male uit, die terugkeerende zei: „Sommigen weenen en sommigen
+lachen.” Toen verklaarde God de wereld gereed.
+
+=Het Vaderland=:
+
+Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.
+
+=Het Nieuws van den Dag=:
+
+Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.
+
+=Nederland=:
+
+Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in
+haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer
+boeiend.
+
+=De Telegraaf=:
+
+Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm
+aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, geïnspireerd
+door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.
+
+
+
+
+VONKEN
+
+
+
+
+ VONKEN
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ GEAUTORISEERDE UITGAVE
+
+ AMSTERDAM
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ EERSTE DEEL.
+
+ Bladz.
+
+ De Doodskop 1
+
+ De Zonsverduistering 19
+
+ Iets over Landverhuizing 29
+
+ Kalle Frykstedt 38
+
+ De Legende van den Luciadag 50
+
+ De Kanonnier 87
+
+ De Geschiedenis van Zuster Olive 95
+
+
+ TWEEDE DEEL.
+
+ De Prinses van Babylonië 117
+
+ Stemmingen uit den Oorlogstijd 124
+ I. 't Schreien van Rachel 124
+ II. De verlaten Kerk 133
+ III. De Mist 139
+ IV. De jonge Zeeman 152
+ V. De Ster 161
+ VI. De Brandstapel 169
+ VII. Gustav Fröding 176
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+DE DOODSKOP.
+
+
+Er was eens een man in de gemeente Svartsjö in Wermeland, die op een
+Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond,
+maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg
+wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de
+schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te
+halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef
+dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.
+
+De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan,
+en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was
+uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij
+gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw
+was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als
+geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de
+Kersttafel?
+
+„'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen,” zei
+hij, „'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden
+om Kerstavond in mijn huis te vieren.”
+
+Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen
+van de menschen in Svartsjö,—nog nooit was het iemand in die
+gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen,
+omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook
+geen gewone doodgraver. Hij heette Anders Öster en was uit een oud
+speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers
+geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was
+geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.
+
+Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een
+betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming,
+waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.
+
+„Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't
+kerkhof moeten vragen,” mompelde hij, „die zullen zich ten minste niet
+schamen om op een feest bij den doodgraver te komen.”
+
+Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het
+kerkhof van Svartsjö loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij
+zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan
+daar ernst van te maken.
+
+Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond,
+wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat
+scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien
+wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering
+niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en
+steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven,
+en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.
+
+In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een
+mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval
+in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het
+knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets
+zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn
+hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een
+eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve
+als hij in zijn allerslechtste humeur was.
+
+„Goeden avond, goeden avond!” zei hij. „Ik ben blij dat ik u ontmoet.
+Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik
+u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen.
+Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te
+komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten
+en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen.”
+
+Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de
+hand, als om 't antwoord af te wachten.
+
+„Ja—u zegt ten minste geen: Nee,” ging hij voort, toen hij een
+behoorlijken tijd had gewacht, „dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik
+woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet
+ver te loopen.”
+
+Toen lachte Anders Öster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging
+naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.
+
+'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in
+'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't
+voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet
+geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk
+op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis.
+Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den
+natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.
+
+„Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder
+oogenblik kunnen komen,” zei de man, terwijl hij binnen kwam.
+
+Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi
+met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.
+
+„Zoo, er was niemand die komen wou,” zei ze. „Ja, dat dacht ik wel.
+Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond
+uitgaat.”
+
+„Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen
+komen,” zei hij, zóó heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was.
+„Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam,” ging hij
+onverschillig voort, „maar hij komt wat later.”
+
+„Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en
+'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar.”
+
+Maar Anders Öster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd
+werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den
+weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem
+stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de
+kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open
+haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en
+Anders Öster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets
+ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van
+geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken,
+aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote
+ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek,
+schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen
+rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en
+onverstoorbare kalmte.
+
+De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit
+zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn
+van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders Öster deftig en prettig
+voor, en hij zei tegen zijn vrouw:
+
+„Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in
+de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren
+wil.”
+
+De vrouw zag heel verschrikt op.
+
+„Wat bedoel je?” vroeg ze. „Wil je hier beneden zitten drinken met dien
+gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de
+vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten.”
+
+Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van
+de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon
+er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.
+
+Maar Anders Öster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond
+alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.
+
+„Wees nu niet lastig, Bolla!” zei hij. „Ik zeg je, dat ik hier van avond
+wil zitten met ons Kerstmaal.”
+
+'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die
+hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel
+zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats
+konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige
+mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als
+een aanzienlijk man, een groote boer, en dáár had hij behoefte aan.
+
+„Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat
+doet,” zei zijn vrouw. „Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik
+leef.”
+
+Toen zijn vrouw zich zóó beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn
+woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in
+hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij
+antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in.
+Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.
+
+Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de
+leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te
+schuren.
+
+„Bolla, Bolla,” zei hij met een stem zóó zacht en hoog, dat ze bijna
+suikerzoet klonk! „Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel
+in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?”
+
+„Ja, dat meen ik!” riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had,
+dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze
+wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't
+geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.
+
+Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook
+en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.
+
+„Almachtige God!” Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar
+buiten in 't donker.
+
+Öster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend,
+zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer
+naar boven en hing het aan den wand.
+
+Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals
+hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang
+om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor
+het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij
+legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie
+kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten
+boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden
+met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een
+schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst
+sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel
+met een kring glazen om de kraan heen.
+
+Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en
+dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.
+
+'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem zóó kwelde,
+dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het
+schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet
+anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.
+
+Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten?
+Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar
+zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan,
+en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.
+
+Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze
+tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de
+baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten.
+Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn
+huwelijk.
+
+Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje,
+toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort
+van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.
+
+Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.
+
+„Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt,” zei
+hij. „Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga
+halen.”
+
+Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam
+spoedig terug met den doodskop in de hand.
+
+Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en
+droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt
+zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.—
+
+Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die
+vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die
+probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar
+uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun
+Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof
+ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.
+
+„Hij heeft op me geschoten!” dacht ze telkens weer. „Hij heeft me willen
+vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!”
+
+Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij
+was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.
+
+Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden
+meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen
+dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid
+voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen
+hadden doorgemaakt.
+
+Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een
+paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele
+geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't
+kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.
+
+„Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de
+kerkeraadskamer,” vertelden ze. En een poos later was het: „Nu zit hij
+in den voorzittersstoel te eten en te drinken.”
+
+Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er
+iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand
+toe, dien de kinderen niet konden zien.
+
+De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders
+denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die
+beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar
+geschoten!
+
+'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was
+niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor
+een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar
+verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende
+gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier
+te overvallen.
+
+'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit
+ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd,
+was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.
+
+Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te
+roeren en de Kersttafel te dekken.
+
+„Hij heeft mij met zijn schot gedood,” dacht ze. „Het is mij dwars door
+'t hart gegaan.”
+
+Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen
+de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder
+de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar
+niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen
+maar.
+
+'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het
+waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te
+kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten
+nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en
+meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.
+
+„Er is iets met hem gebeurd,” dacht ze. „Hij is niet meer dezelfde,
+die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek
+geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot.”
+
+Ze stond op van haar plaats en zei zacht: „Ik dank jelui wel,” en ging
+naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten
+en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het
+gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep—dan hij
+zelf.
+
+Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar
+daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats.
+Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag
+alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.
+
+Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel
+stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op
+den doodskop.
+
+„Zie daar eens naar,” zei hij.
+
+Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.
+
+„Zie je wel, dat hij geschoten—vermoord is?” zei hij. „Dat is geen
+zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter
+het oor.”
+
+„Ja, dat zie ik,” zei ze en een siddering van verwachting kwam over
+haar.
+
+„Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente
+is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en
+ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd
+zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de
+eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een
+schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen.”
+
+Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.
+
+„Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den
+grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar één, die
+door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond
+bij mij.”
+
+De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.
+
+„Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met
+het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar
+toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat,
+kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon
+dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de
+duisternis buiten te laten liggen, en dan ook—ik wou iemand hebben om
+mee te spreken. En toen ik hem vóór mij op de tafel zette en een glas
+inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een
+schot was verbrijzeld.
+
+Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam
+hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen
+moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?”
+
+„Dat was zeker God,” fluisterde zij en vouwde de handen.
+
+„Ja,” antwoordde hij—ook fluisterend. „Zoo is het. Het was Gods wil.
+Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat
+het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn
+groote zonde en ellende zou inzien.”
+
+Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en
+stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als
+van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei
+hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden
+met hen had en hen wilde redden.
+
+Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De
+vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze
+had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen.
+De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis
+zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al
+hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze
+nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over
+hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke—dat ze er toe zouden
+komen elkaar te haten.
+
+God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden.
+Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten
+ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste
+geluk, dat menschen kunnen genieten.
+
+
+
+
+DE ZONSVERDUISTERING.
+
+
+Het waren Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude
+vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den
+grooten heuvel, in een streek, die zóó woest en vol steenen was, dat
+geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te
+slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere
+had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een
+heuvel, die zóó steil was, dat het een heel werk was om boven te komen.
+En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men
+er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er
+niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen
+hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar
+hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er
+allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar,
+dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel
+steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een
+schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe
+slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen
+hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg
+uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend
+tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een
+overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor
+hen in orde was gebracht.
+
+Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want
+al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun
+kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen
+kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine
+kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen
+gezelschap noemen.
+
+Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat
+ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat
+ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid
+toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn
+van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze
+daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens
+menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en
+over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren
+spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om
+die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.
+
+'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen.
+Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de
+heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden
+ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en
+suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje
+in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk
+was—dat was een aanleiding te vinden.
+
+Want allen:—Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere
+oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag
+ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met
+je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een
+slechten naam kunnen krijgen.
+
+En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een
+koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan
+hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap
+genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis
+gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den
+heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een
+heilige dag was.
+
+Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De
+meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote
+gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of
+dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen,
+die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een
+geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren
+vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te
+zetten.
+
+Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en
+eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze
+wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets
+tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat
+iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.
+
+Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is
+uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar
+familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was héél
+oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en
+ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker
+hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed
+koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een
+koffiefeest voor een kat te geven.
+
+Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar
+almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar
+bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het
+koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten
+en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door,
+zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist
+dat van daar de hulp moest komen.
+
+Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het
+1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op
+den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om
+twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren.
+
+Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in
+eens werd het helder licht in haar binnenste. „Nu weet ik wat ik doen
+zal,” zei ze.
+
+Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde.
+Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden
+lachen.
+
+Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de
+gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon
+te overleggen of zij 't niet wagen zou.
+
+Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar
+ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen
+winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen,
+die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug
+zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die
+altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen.
+Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het
+altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er
+zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was
+alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden
+zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als
+een rondwandelend lijk.
+
+Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag
+in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar
+vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke
+overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.
+
+'t Was nog maar kort vóór den 17den April; maar er was nog tijd
+genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de
+zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en
+Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmörkret koffie te drinken. Ze
+dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder
+andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had
+aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar
+daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was,
+toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag
+en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van
+'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,—toen alleen
+voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en
+toen ging het weer over.
+
+Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan
+den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit
+zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar—toen zagen ze de oude
+Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag
+neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:
+
+ Weer straalt het heldre zonnelicht!
+ Wij danken U o Heer,
+ Met kracht en moed en nieuwe hoop.
+ Zie zeegnend op ons neer!
+
+Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar
+terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar
+leven kleur en kracht wilden geven.
+
+Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei—half
+verontschuldigend: „Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en
+daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik
+vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't
+donker weer te voorschijn kwam.”
+
+Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en
+begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed
+voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was
+hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te
+leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.
+
+Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en
+vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht
+hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.
+
+ * * * * *
+
+Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende
+van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een
+geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te
+berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart
+en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit
+de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De
+couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde,
+hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de
+verduistering op 't hoogste was gekomen.
+
+Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was—ik heb niet
+gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om
+de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te
+voorschijn kwam.
+
+
+
+
+IETS OVER LANDVERHUIZING.
+
+
+Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de
+eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de
+lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.
+
+Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en
+alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en
+de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was
+benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de
+vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar
+ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van
+gedachten over een en ander te wisselen.
+
+En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op
+de quaestie van landverhuizing.
+
+En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam,
+zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.
+
+En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen
+dan iemand wist.
+
+En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente
+den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat
+groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden
+uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.
+
+En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat
+ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de
+jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet
+anders gaan.
+
+En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen,
+wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand
+ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.
+
+En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn
+meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet
+meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak
+zou zeggen.
+
+Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had,
+die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog
+zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat
+hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op
+eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost
+zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de
+kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor
+en de inspecteur van de nieuwe lijn.
+
+Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen
+werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren
+immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen
+tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven.
+Want dat de landverhuizing het land schaadde—dat was toch zeker niet
+tegen te spreken!
+
+En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen
+voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu
+een ander land ten goede zou komen.
+
+En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel,
+wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende,
+hoorde je nooit wat.
+
+En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen,
+als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te
+sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren
+juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook
+naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.
+
+En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was,
+dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan
+hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en
+onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.
+
+Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er
+een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen
+glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op,
+want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij
+kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen
+wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de
+anderen over deze zaak.
+
+En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten
+stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar
+verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een
+paar honderd.
+
+En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat
+het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar
+Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen
+wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.
+
+'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun
+vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je
+nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't
+oude land.
+
+Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den
+presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.
+
+Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel
+zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren
+vertrokken.
+
+Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er
+wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.
+
+Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen,
+die om hem heen zaten, strak aan.
+
+„Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,”
+zei hij. „Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze
+terugkwamen?”
+
+En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen
+over de borst.
+
+Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro
+dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon
+gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had,
+die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou
+hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem
+had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken.
+En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel
+werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen
+woord.
+
+De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de
+Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele
+gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan
+ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en
+daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes
+onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele
+gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er
+niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar
+te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.
+
+Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het
+sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde
+hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn
+station aankwamen, op het perron zou staan en „Hoera!” roepen. Maar toen
+dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij
+eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele
+jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was—hij zou haar toch niet graag
+ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder
+een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te
+antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard
+te zadelen.
+
+Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en
+luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat
+hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste
+zou kunnen bezorgen—dat zou heelemaal niet moeilijk zijn—kwam hem in
+de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen,
+er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo
+diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle
+huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar
+de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.
+
+En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend
+in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond
+op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een
+paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn
+dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat
+de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had
+gebracht.
+
+De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed
+oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer.
+En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die
+zendingen ophielden.
+
+De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een
+schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens
+gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist
+niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook
+op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van
+'t toeristbureau, die daar hingen.
+
+Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had
+aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon
+overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht,
+terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó
+innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel
+in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd
+gekregen had naar Amerika te gaan.
+
+De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij
+merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de
+tafel zat, wendde hij zich tot hem:
+
+„Ja, wat zegt u er van, Söderberg?”
+
+„Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.”
+
+„Ja, dat zou ik ook meenen,” zei de proost. „Ik wist wel, dat allen tot
+die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te
+denken.”
+
+
+
+
+KALLE FRYKSTEDT.
+
+
+Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost
+in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet.
+
+„Zoo was het leven in dien tijd niet,” zei ze tegen mij, kort nadat het
+boek verschenen was. „Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist
+geteekend.”
+
+Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en
+hun land zou brengen.
+
+Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had,
+dat van dien kant te hooren.
+
+De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van
+'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen
+enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen
+kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.
+
+Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over
+te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen.
+Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor
+Gösta Berling genomen had.
+
+Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was,
+waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde
+opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het
+ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.
+
+De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.
+
+„Jawel, Kalle Frykstedt,” zei ze. „Ik dacht wel, dat je aan hem had
+gedacht.”
+
+Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan
+vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.
+
+Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van
+Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.
+
+Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder
+dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest,
+nadat ze getrouwd was.
+
+„Was hij toen al door den drank gesloopt?” vroeg ik.
+
+„Kalle Frykstedt!” riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag
+mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.
+
+Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar
+eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd
+als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette,
+haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij
+hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige
+menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en
+dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof
+ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid
+kwamen.
+
+Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten.
+Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: „Wacht eens, nu zul je
+hooren hoe Kalle Frykstedt was,” zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu
+zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.
+
+„'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,” begon ze. En nu wist
+ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker
+verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar
+op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig
+hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist,
+die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die
+pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat
+ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.
+
+Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten
+had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in
+Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters
+ook predikanten moesten zijn.
+
+„Moest hij dan naar Upsala terug?” vroeg ik.
+
+„Neen, alleen maar naar Karlstad,” antwoordde mijn tante. „Toen kon je
+dat examen in Karlstad doen.”
+
+Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en
+verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't
+predikantsexamen duurde.
+
+En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.
+
+„Neen, hoe durfde hij dat te wagen?” zei ik.
+
+„Ja, het moest wel,” antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog
+te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming
+begonnen.
+
+„Maar ik zou nu niet van ons vertellen,” ging ze voort, „maar van
+Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde
+in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als
+huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem
+overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn
+brood te kunnen verdienen.”
+
+„En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als
+alle andere menschen,” zei ik.
+
+„Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.”
+
+„O!” riep ik, héél verbaasd. „En ik dacht...”
+
+„Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,” zei mijn tante. „Maar
+hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen,
+toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken—dat deed hij. Hammargren
+en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor
+een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den
+heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op
+zijn beenen kunnen staan.”
+
+Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van
+Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in
+die richting te zeggen.
+
+„Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?” vroeg ik.
+
+„Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten
+graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,” voegde
+zij er bij.
+
+Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet
+voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen
+erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten
+van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat
+Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te
+verzorgen krijgen.
+
+Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door
+zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te
+geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den
+kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het
+feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou
+drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen
+gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.
+
+'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen
+maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd
+met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de
+keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar
+eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten
+was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het
+grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en
+zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van
+vrienden en bekenden moest leenen.
+
+Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten
+vragen.
+
+'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de
+examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk
+genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.
+
+Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag
+als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest
+ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar
+verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.
+
+Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe,
+maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die
+diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets
+plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem
+gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie,
+levendige geestdrift vervuld.
+
+Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon
+zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone
+toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien
+middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden.
+Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar
+nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de
+hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij
+zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel
+'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.
+
+Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop
+Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en
+begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze
+verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken
+welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.
+
+Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks
+aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet
+veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan
+tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij
+den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest,
+dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den
+bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok
+zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed
+te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer
+en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.
+
+Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij
+ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel
+geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij,
+viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk.
+
+Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den
+tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te
+verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een
+massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en
+verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken
+goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen
+geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen
+mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle
+uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden,
+aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de
+ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet
+beter had verzorgd.
+
+Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante
+droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en
+kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje
+praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante
+onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid
+te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te
+verontschuldigen.
+
+„Ik weet 't niet recht meer...” zei hij en streek met de hand over het
+voorhoofd. „Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet
+onbehoorlijk gedragen?”
+
+„Neen,” zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag
+met haar bekoorlijken glimlach. „U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk
+gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed—dat is
+veel te weinig—die ons allen in verrukking bracht.”
+
+Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel
+gerustgesteld. „Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...”
+
+„U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,” zei mijn tante op
+stelligen toon.
+
+Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar
+stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem
+leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich
+verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.
+
+„O! wat ben ik blij!” had de arme stakker uitgeroepen. „Wat ben ik
+blij!”
+
+Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote
+aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol
+geest geworden als den vorigen dag.
+
+Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen
+bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er
+lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den
+ouden tijd.
+
+Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les
+kende, jubelde er in mij iets hoog op.
+
+„Mannen en vrouwen uit het verleden,” dacht ik, „al ontkent ge het
+zelf,—toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.”
+
+
+
+
+DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.
+
+
+Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke,
+gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een
+burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve—aan
+de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land
+stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden
+opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een
+kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van
+knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te
+betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar
+voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen,
+bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet
+anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den
+inham te gaan.
+
+Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van
+de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is
+waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar
+reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als
+zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van
+Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.
+
+Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens,
+die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die
+door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door
+den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een
+goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar
+schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk,
+dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.
+
+Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er
+iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel
+onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met
+acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden
+genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog
+niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed
+gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar
+nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen,
+dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren
+had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den
+burcht alles regelen en besturen.
+
+Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij
+was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn
+eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan
+zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken
+bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan
+zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen
+te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn
+jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat
+er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord,
+waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht
+beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood
+te gemoet ging.
+
+Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is
+verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit
+alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn
+huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die
+oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar
+boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.
+
+„Lieve Eskil,” ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was
+van de uitwerking van wat zij zei. „Ik weet, dat er nu gelegenheid is
+voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk
+genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan
+een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de
+jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.”
+
+Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een
+jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging
+voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met
+de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die
+dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu
+toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was
+daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar
+had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding
+geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.
+
+„Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,” zeide Vrouw Rangela,
+„dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van
+ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal
+niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus,
+als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.”
+
+Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen
+aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw
+Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een
+paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela
+volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in
+verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden
+toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het
+voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar
+twintigsten verjaardag had gevierd.
+
+Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest,
+omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had
+gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar
+de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog
+wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot
+over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.
+
+Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar
+maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die
+op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland
+verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren
+uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen,
+die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het
+gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten
+geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge
+bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk
+soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze
+wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.
+
+Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er
+onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen
+op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun
+tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en
+probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl
+de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken
+uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij
+werkelijk leeg waren.
+
+Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der
+armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm
+kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar
+toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit:
+„Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan
+land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien
+tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.”
+
+De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te
+spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met
+blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het
+niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het
+tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein
+kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en
+vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar
+hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met
+licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er
+was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna
+bang was haar aan te raken.
+
+Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en
+toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij
+ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol
+geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die
+gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen.
+
+Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van
+dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun
+van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze
+haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig
+moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog
+meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar
+vroegere duisternis te doen terugkeeren.
+
+Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos
+opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar
+deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten
+en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden.
+Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan
+gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis
+goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de
+bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een
+machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte
+en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed
+bezorgde.
+
+Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken,
+maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met
+Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het
+hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een
+paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters
+en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de
+vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek
+kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon
+krijgen.
+
+Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn
+kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk
+een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar
+buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.
+
+Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort
+van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.
+
+„'t Is om je arme kinderen, Eskil,” riep ze, „ze zijn in levensgevaar
+op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg
+naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit
+mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te
+waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat
+'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te
+laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!”
+
+Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen
+waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis.
+Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met
+alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm
+leidde.
+
+De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar
+was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof
+ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar
+beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan
+om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en
+riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen
+toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar
+boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.
+
+Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen,
+was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar
+gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal
+niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat
+wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een
+stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich
+met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna
+den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag.
+
+Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze
+in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela
+bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze
+hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle
+kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken
+zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.
+
+'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van
+dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op
+den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart
+gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze
+zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij
+bleef onbeweeglijk en machteloos.
+
+Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van
+veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar
+zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de
+handen klappend.
+
+Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf
+naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en
+kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam
+stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat
+zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen
+te nemen en naar zijn burcht te dragen.
+
+Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en
+hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl
+misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij
+sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar
+gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van
+zijn kinderen te kijken.
+
+Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet
+haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen.
+Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van
+haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in
+ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en
+kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge
+positie te berooven.
+
+Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want
+het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan
+de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op
+haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde
+het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed,
+wat Heer Eskil wel moest afkeuren.
+
+Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien
+van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de
+jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De
+bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De
+koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras
+en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen.
+Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij
+beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de
+hoeve neerdaalde.
+
+Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die
+goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte
+menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken
+of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder
+veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar
+zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was
+rondgetrokken—brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren
+zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand
+staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven
+hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en
+zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen
+verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de
+verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over
+wat ze hadden verloren.
+
+Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle
+levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging.
+Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den
+overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer
+over de lippen kon krijgen.
+
+Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren
+voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote
+lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles
+dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse,
+die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen
+jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar
+oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had
+om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was
+en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en
+gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat
+ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging
+te doen om te helpen.
+
+Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht
+van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een
+reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten
+vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man
+komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij
+Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig
+feest.
+
+Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien
+herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst,
+die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen
+alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand
+te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen
+geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.
+
+Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich,
+door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed
+bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters
+achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar
+bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag,
+onbegrensd aan alle zijden als een zee.
+
+Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en
+berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't
+Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst
+bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer
+teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of
+beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen
+haan had gekraaid, geen koe had geloeid.
+
+Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven,
+die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn
+gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en
+huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die
+in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden
+verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs
+of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood
+nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware
+wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam
+aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog
+verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te
+lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods
+zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste
+klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar
+land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan
+land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit
+liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij
+dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen:
+gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken,
+kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam
+de hulp als door een wonder.
+
+Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits
+in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude
+boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de
+eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe
+komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een
+kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd,
+maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de
+puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen
+te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag
+en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met
+inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te
+jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het
+niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den
+heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd
+ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw
+Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog
+verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige
+heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten.
+Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad,
+dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden
+haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen
+behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één
+geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de
+vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden
+verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif
+wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen
+daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het
+strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de
+duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze
+kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig
+hadden om den winter door te komen.
+
+Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een
+kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen
+de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog
+overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting
+gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw
+verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun
+kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet
+vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote
+ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken
+en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen
+probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind
+in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren,
+wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid,
+toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze
+beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen
+nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep
+de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.
+
+Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't
+Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te
+voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer
+te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het
+voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog
+zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't
+minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog,
+toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij
+laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond
+dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den
+heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over
+eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.
+
+„Maar nu krijgen we een drukken tijd,” ging ze voort, „morgen kunnen
+we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals
+andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en
+slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil
+terugkomt.”
+
+Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers,
+dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op
+dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.
+
+Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers
+uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks
+had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken
+paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De
+burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de
+plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was
+thuis gekomen met al zijn ruiters.
+
+Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze
+eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het
+balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet
+verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al
+op weg naar haar kamer.
+
+Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel
+meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een
+uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog,
+dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en
+dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met
+bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze
+wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen
+gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op
+Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden
+angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.
+
+„Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?” vroeg
+hij hoonend. „Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik
+en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten
+gehad. Maar morgen,” voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn
+toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, „verwachten
+wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een
+maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet
+vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten
+brengen.”
+
+Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen
+zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande,
+bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen.
+Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was,
+die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door
+hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.
+
+Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in
+'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich
+over haar heen en zei met een vreeselijke stem: „Bij het kruis van onzen
+Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet
+voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!”
+
+Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof
+haar voor zich uit de slaapkamer in.
+
+Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot
+nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar
+plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig
+had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn,
+omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij
+probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en
+hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar
+niet aan het woord komen.
+
+„Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,” zei hij, „en pas op dat je niet vóór den
+gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet
+voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je
+krachten voor noodig hebt.”
+
+Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog
+deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen
+oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe
+meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij
+daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij
+zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf
+gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had
+beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij
+verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf
+haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden,
+langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit
+zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou
+veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone
+dievegge.
+
+Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,—en dat was werkelijk het
+geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede
+gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende
+te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest
+gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik
+verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.
+
+„Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig
+man een maal voor te zetten?” dacht ze in haar wanhoop. „Ik kan even
+goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.”
+
+'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was
+onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse.
+„O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,” bad zij, „het is
+morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden
+zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het
+is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van
+hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit
+mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te
+ontkomen.”
+
+Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van
+den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het
+verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor
+het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden
+stonden met geraas op in den stal.
+
+„Nu wordt ook Heer Eskil wakker,” dacht zij. „Hij zal me dadelijk
+bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó
+onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te
+verkwikken.”
+
+Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon
+haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar
+beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar
+lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat
+honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had
+gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid
+en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit
+sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger
+had geleden en liefde gegeven.
+
+En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den
+poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het
+zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het
+volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó
+dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van
+vuur,—dat meende de wachter ten minste,—bevond zich een jong meisje,
+zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de
+hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.
+
+Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven
+slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de
+slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad
+tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een
+gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen
+gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone
+bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele
+kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de
+lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan
+iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid
+uitstraalden.
+
+In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een
+zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de
+kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal
+en bood hem die aan.
+
+Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op
+zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als
+hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem
+geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten
+droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele
+Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was
+zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd,
+voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde
+de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in
+toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.
+
+De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te
+onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al
+de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende
+krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het
+zuiden.
+
+Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid
+genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van
+streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.
+
+Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen,
+of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden
+gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar
+bedienden aan 't werk.
+
+Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils
+welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen
+moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden
+onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd,
+rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.
+
+De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe
+kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden
+gelegd.
+
+En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen.
+Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon,
+dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij
+zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de
+ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen
+was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met
+groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over
+zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en
+onteerende straf op te leggen.
+
+„Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,”
+dacht hij. „Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij
+mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar
+naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.”
+
+Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar
+de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en
+wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel
+voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.
+
+Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in;
+maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een
+maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo
+gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich
+voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.
+
+Maar toen zag zij op de tafel vóór zich de groote koperen kan, die de
+heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met
+geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming
+van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl
+ze hem vertelde hoe die naar Börtsholm was gekomen, waar hij met de
+grootste verbazing naar luisterde.
+
+Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal
+toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend,
+vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat
+Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke,
+Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: „Heer Kolbjörn is een van
+mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon
+helpen.”
+
+En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer
+Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van
+zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem
+gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia
+haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid
+haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij
+zoovelen van zijn vrienden had geholpen.
+
+Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over
+haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:
+
+„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb
+gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te
+geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef
+het mij daarom.”
+
+Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw
+zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer
+had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe
+hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had
+gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn
+hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon
+uitbrengen.
+
+Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag
+zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn
+weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta
+Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar
+in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde,
+die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die
+zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche
+aanmoediging.
+
+„Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze,
+„en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in
+verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde
+kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen
+dringen tusschen U en mij.”
+
+Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in
+hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde,
+die hij voelde, overwon zijn schaamte.
+
+Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een
+van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen.
+Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen
+naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen.
+Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang
+haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht
+ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst
+op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard
+gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw
+Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat
+Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.
+
+Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het
+schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw
+antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela
+afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken
+mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig
+werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende
+loon heeft gekregen.”
+
+Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was
+zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in
+zijn borst woonden.
+
+„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef,
+evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat
+het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in
+mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst
+treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede,
+de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle
+kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden,
+dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der
+ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid
+heet.”
+
+ * * * * *
+
+Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis
+regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de
+heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche
+rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de
+oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in
+'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de
+slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.
+
+Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur
+openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel
+willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te
+vertoonen.
+
+Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende,
+die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren
+landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.
+
+
+
+
+DE KANONNIER.
+
+
+De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt
+opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze
+moet meedeelen, roept naar binnen:
+
+„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is
+doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat
+verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet
+blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is
+zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd
+heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt
+daarheen terug te gaan.
+
+De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil
+te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich
+zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze
+heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade
+zal worden gehouden.
+
+Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar
+alle toebereidselen laten zien.
+
+„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den
+president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast
+zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier
+vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige
+menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een
+billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar
+ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken
+hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd.
+
+„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd.
+
+„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet?
+'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten
+worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet
+beginnen.”
+
+„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak
+voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar
+niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.”
+
+„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar
+een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen
+verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de
+toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten
+alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind
+het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een
+groote massa menschen staat.”
+
+Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen
+zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was.
+Ze had dus thuis moeten blijven.
+
+En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo
+trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn?
+Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is
+immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze
+voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar
+over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te
+loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching.
+Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als
+hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.
+
+„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere
+proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben
+nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de
+kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik
+heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.”
+
+„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord.
+
+„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit
+zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester.
+Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de
+proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar
+dreigt.”
+
+Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam
+te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich
+bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet
+voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.
+
+'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet
+de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die
+schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen
+ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen
+lokken.
+
+Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze
+weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.
+
+Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't
+Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats
+staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of
+verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.
+
+Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de
+politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.
+
+„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje
+midden op het veld.
+
+Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen
+ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille,
+zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen
+heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op
+en gaat haar tegemoet.
+
+„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst
+vertellen wat er gebeurd is.”
+
+Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door
+te kunnen loopen.
+
+„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. „U moet hem nog
+niet zien. U moet eerst weten...”
+
+„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft
+gegooid.”
+
+„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.”
+
+Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze
+begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog.
+Misschien is hij alleen maar gewond.
+
+„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man
+dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het
+kanon is gebouwd?”
+
+„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me
+zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde
+zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't
+geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.”
+
+„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij
+had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen
+verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de
+armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon,
+alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen,
+dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af
+en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.”
+
+Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier
+houdt haar terug.
+
+„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen
+snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was
+doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier
+getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?”
+
+„Ja,” antwoordde zij.
+
+„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en
+had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in
+het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht,
+voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen
+heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij
+geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune
+vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even
+veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk
+medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn
+eigen lichaam te ontvangen.”
+
+„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen.
+
+Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.
+
+„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien.
+Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in
+de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te
+verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om
+al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij
+allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te
+handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het
+om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel
+in zich omdragen.”
+
+
+
+
+DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.
+
+
+Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren
+menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren
+Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook
+onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke
+groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar
+Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de
+ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine
+belgische schilderes en een italiaansche diacones.
+
+Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over
+Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een
+geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste
+wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel
+hem snel in de rede.
+
+„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt ons nog niet gezegd wat het
+voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.”
+
+„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt
+U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?”
+
+„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping
+hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan
+boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het
+oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons
+afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische
+rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een
+luchttorpedo uitvinden.”
+
+„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn
+reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een
+innerlijke roeping volgen.”
+
+„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U
+is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U
+laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons
+er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.”
+
+„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, „daar kunt u gelijk aan
+hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen
+vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.”
+
+Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de
+bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en
+wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde.
+Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?”
+
+„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de
+diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn.
+Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van
+den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De
+meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen
+wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.”
+
+„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de
+Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...”
+
+Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman
+in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen.
+Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen
+volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe,
+dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en
+die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.”
+
+„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn.
+Roeping kan niet falen.”
+
+„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er
+iets wat meer bedriegelijk is?”
+
+„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij,
+Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames.
+
+„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U
+weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.”
+
+Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een
+vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken
+over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de
+wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet
+overeen stemden.
+
+„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat
+zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij
+verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij
+helaas! die niet heeft kunnen volgen.”
+
+De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder
+uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een
+veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.
+
+„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij.
+
+„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw
+landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de
+diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij
+was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde
+opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster
+Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen,
+die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een
+Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en
+gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen,
+òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive
+daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en
+vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd
+ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een
+grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive
+Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen
+paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa
+had omgegaan.
+
+Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en
+bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen
+kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een
+grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene
+maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen,
+maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon
+wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek
+had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel
+geld en ze trad op in het Theatre Français.
+
+Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te
+gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster
+Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over
+zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk
+of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive
+zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag,
+dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich
+had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was
+waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die
+eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en
+met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het
+Theatre Français te krijgen.
+
+Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was
+indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar
+positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij
+nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar
+eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen
+intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke
+kameraad, waar allen van hielden.
+
+Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had
+gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had
+begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar
+'t ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als
+waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele
+leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.
+
+'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat
+haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang
+in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer
+bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te
+houden en in de lucht te blijven zweven.
+
+Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een
+boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd
+onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze
+nooit een stad of een theater gezien.
+
+Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt
+in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en
+dochter mee naar het theater nam.
+
+Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was
+Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo.
+
+Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een
+andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam
+haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze
+trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al
+beleefd had.
+
+Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive
+Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een
+boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze
+zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone
+Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani,
+en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk,
+voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen
+werd.
+
+Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één
+gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje
+gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna
+Sol spelen.
+
+'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te
+maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar
+vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen
+man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat
+zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt,
+zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.
+
+Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken,
+kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het
+tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was
+geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over
+den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te
+houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone
+opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat
+ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor
+die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur.
+
+Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt
+had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als
+de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove
+stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.
+
+Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos
+werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde,
+had ze nooit geschreid.
+
+Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze
+nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht
+vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als
+molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als
+schoenmakersjongen begonnen.
+
+Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon.
+Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk
+gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar
+gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude,
+geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.
+
+Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor
+haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat
+vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.
+
+En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't
+verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd
+optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in
+verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met
+vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.
+
+Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing
+bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De
+directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen
+contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te
+laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar
+ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was
+verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire
+te zetten.
+
+De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor
+haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar
+de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en
+ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of
+inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze
+zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar
+spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar
+intrede deed in het huis van Molière.
+
+Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de
+voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste
+tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die
+eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden
+gebracht.
+
+Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle
+groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld,
+dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de
+tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.
+
+„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt
+spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je
+hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet
+van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet
+tot in het Theater français hoeven opwerken.”
+
+Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en
+hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich
+drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.
+
+Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze
+op een dag weer op haar klachten terug:
+
+„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij
+Donna Sol geven, Mijnheer.”
+
+Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het
+Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.
+
+„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk
+wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.”
+
+De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk
+vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't
+Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar
+taak was.
+
+„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als
+het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.”
+
+En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde,
+vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.
+
+„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag
+de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw
+leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden
+wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere
+manier haar handen moest leeren bewegen.
+
+„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op
+die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor
+een mensch.”
+
+Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over
+haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk
+op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit
+deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er
+toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't
+beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster
+Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door
+den directeur en de andere artisten.
+
+„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk.
+„Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het
+werkelijk?”
+
+„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik
+moet!”
+
+Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de
+eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche
+Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.
+
+Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te
+verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken
+en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar
+levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde
+nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met
+olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als
+adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig
+uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen
+zij de Spaansche schoone moest voorstellen.
+
+„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af
+heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die
+rol te spelen.”
+
+'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar
+dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater
+vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen
+door die levenslange liefde.
+
+„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te
+oud. Dat wordt akelig.”
+
+Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van
+haar leven scheen te wezen.
+
+Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek.
+Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te
+spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen
+was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men
+probeerde haar te vergeten.
+
+Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling
+doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren
+heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig
+verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan.
+
+„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier
+een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die
+vreeselijke rol op te treden.”
+
+Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar
+rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó
+onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna
+lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben
+en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.
+
+„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en
+ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en
+zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi,
+dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't
+zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster
+Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden.
+Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze
+aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het zóó erg?”
+dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft
+spreken?”
+
+Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive
+een bezoek.
+
+Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij
+verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.
+
+„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet.
+U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide
+handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag
+moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?”
+
+Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men
+het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het
+nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had
+niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het
+ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.
+
+Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.
+
+De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over
+iets anders te spreken.
+
+Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien
+elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?”
+
+Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde.
+Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en
+onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar
+duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen
+kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de
+directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het.
+Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was
+ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.
+
+Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen
+tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar
+ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.
+
+En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld
+had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd,
+zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te
+praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone
+Spaansche.
+
+Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een
+practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar
+ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk
+werd die haar te machtig.
+
+„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er
+blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.”
+
+Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en
+opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons.
+Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en
+ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug,
+Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw
+sierlijk huis?”
+
+Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke
+vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan
+lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar
+ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar
+heldere oogen.
+
+„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer
+door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar
+ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.””
+
+Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.
+
+„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik
+was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een
+geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?”
+
+„We kunnen er maar één ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes
+uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.”
+
+„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames.
+
+„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de
+liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets!
+En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden?
+Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?”
+
+„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.”
+
+„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook
+gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!”
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+DE PRINSES VAN BABYLONIË.
+
+
+'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de
+huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook,
+zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn
+rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik
+Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken,
+terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken,
+dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat
+dien winter vier jaar was.
+
+Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet
+bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding
+hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje
+zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist
+zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf
+kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch
+worden.
+
+Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind
+hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want
+nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd,
+in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te
+bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den
+toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid
+had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.
+
+„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen,
+en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken
+dag hooger.
+
+Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren
+bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den
+hemel te komen en te zien hoe het daar is.
+
+„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor
+'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij
+ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten
+komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af
+komt, en er nooit iets tegen kunt doen.”
+
+Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou
+zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.
+
+Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe
+hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het
+uit met dat pleizier.
+
+Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze
+in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden
+vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En
+dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.
+
+De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden,
+maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in
+plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden
+vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan:
+„Abekadabra?”
+
+Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de
+haren vlogen en begonnen te vechten.
+
+Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en
+niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen,
+zijn eigen kant uit.”
+
+Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde
+naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw
+en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort.
+Hij sprak alleen wat zachter.
+
+„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een
+koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje
+begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch
+een van de anderen er een woord van konden begrijpen.
+
+Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't
+paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote,
+wijde wereld in.
+
+Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers
+niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn
+voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze
+haar in 't oog kregen.
+
+Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.
+
+Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe,
+zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze
+wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde,
+en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.
+
+Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een
+landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar
+binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen
+hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan.
+Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven,
+kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch
+was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist
+door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.”
+
+Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te
+warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze
+ook: „Goeienavond.”
+
+Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze
+zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun
+niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.
+
+„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen.
+
+„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat
+ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze
+vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.
+
+„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze.
+
+„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut.
+
+Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven
+mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen
+konden verstaan wat ze zei.
+
+Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje
+uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze
+zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De
+Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze,
+zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.
+
+Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat
+ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde
+brengen en nuttig zijn,” zei ze.”
+
+De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en
+geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan
+zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't
+hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit
+te voren gezien had.
+
+„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk.
+„Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben
+gekomen.”
+
+Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was
+geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.
+
+„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt
+dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze.
+
+
+
+
+STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.
+
+
+I.
+
+'t Schreien van Rachel.
+
+ Augustus 1914.
+
+In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn
+huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk
+geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart
+en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst
+verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan
+kwam.
+
+Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat
+vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal
+gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de
+heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet
+in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een
+weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.
+
+'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat
+men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was.
+Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden.
+De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen
+wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen
+ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.
+
+De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag,
+heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de
+bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en
+bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande
+woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist
+gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam,
+dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet
+van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.
+
+Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden
+we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken
+waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend
+als een martelwerktuig.
+
+Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij
+waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten.
+Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had
+gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de
+verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.
+
+Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst,
+naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in
+welgevormde heuvels.
+
+Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog
+boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een
+heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel
+een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de
+plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in
+mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene
+loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van
+Wermeland en Zweden.
+
+Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de
+vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot
+klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden
+landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote
+stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op
+een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik
+herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de
+rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de
+omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen
+ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank
+zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het
+hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met
+een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van
+den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen
+voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele
+heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen
+gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een
+stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen
+voorbij komen.
+
+De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en
+hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar
+een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid
+van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit
+over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob,
+ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort
+nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen
+zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een
+zwerftocht door de woestijn.
+
+Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had
+een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan
+niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon
+Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een
+koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee
+was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar
+graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.
+
+De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen
+toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen
+was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de
+stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór
+den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord
+worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den
+avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom
+tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters.
+En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de
+Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden
+Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange
+tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den
+slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk
+bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig
+door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid
+door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend
+wezen uiten kan.
+
+Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is,
+dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle
+menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar
+kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en
+niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand
+aan haar rustplaats te slaan.
+
+Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt.
+Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is
+'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een
+langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.
+
+'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons
+trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het
+hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten,
+zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo
+heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over
+Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle
+tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan
+geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den
+wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.
+
+Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een
+Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor
+een zieken zoon.
+
+Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat
+wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen
+tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet
+hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen
+in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het
+meegevoel van de sluimerende doode te wekken.
+
+We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche
+vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit
+zullen hooren.
+
+We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag,
+den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak
+bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen
+'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord,
+hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.
+
+Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze
+zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar
+eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake
+van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij
+meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog
+was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan
+schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat
+ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den
+oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.
+
+Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in
+haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het
+geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men
+het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van
+welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld,
+was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en
+nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.
+
+Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen
+herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders,
+die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien
+ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.
+
+
+II.
+
+De verlaten Kerk.
+
+Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het
+groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer
+merkwaardige dingen waren.
+
+Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam,
+dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand
+precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van
+overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen
+aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als
+maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van
+haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien,
+dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen.
+
+Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was
+een geneeskrachtige bron.
+
+Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel
+van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg
+daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de
+lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't
+Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of
+naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren
+zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand
+zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van
+Bethesda.
+
+De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude
+verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest
+woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.
+
+Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen
+en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen
+doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat
+hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.
+
+In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was
+arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een
+grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen
+man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het
+dak te reiken.
+
+Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar
+dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en
+houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok
+was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar
+de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had
+nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar
+binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren
+gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten,
+daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met
+groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen,
+zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok
+was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.
+
+Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht
+mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De
+adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd
+van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er
+nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven.
+Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar
+nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen
+hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat
+ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden
+gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen
+daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.
+
+'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en
+getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen
+hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar
+waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen
+huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en
+al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de
+sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed
+over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.
+
+Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke
+jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige
+dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er
+gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met
+angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van
+den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er
+nooit iets gevonden.
+
+Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en
+vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in
+'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd,
+van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren
+onwaarheid te spreken.
+
+En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs
+gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht
+de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik
+het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.
+
+Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor
+dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend
+gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker,
+dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat
+niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt
+stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp
+geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken,
+had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of
+genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat
+getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele
+dorpen en streken.
+
+„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer
+gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken.
+Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De
+zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den
+grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden.
+Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens
+de uwe.
+
+Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan
+gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is
+geen spel of scherts meer.
+
+Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder
+gezang.
+
+Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden
+van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij
+weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en
+verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude
+kerk in de wildernis.”
+
+
+III.
+
+De Mist.
+
+Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog,
+breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de
+wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame
+woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin
+en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet
+doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn
+gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij
+op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.
+
+Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó
+vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets
+drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien,
+en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij
+zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.
+
+Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik
+scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen.
+Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller
+dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't
+eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te
+bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen.
+Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde
+spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren
+gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de
+schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen
+van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende
+schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.
+
+Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met
+nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met
+takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat
+hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem,
+telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn
+humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik
+in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de
+takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij
+toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware
+lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden
+kunnen dragen.
+
+Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het,
+die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan
+kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.
+
+„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten
+allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.”
+
+Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een
+paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien
+het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de
+mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam
+snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde
+hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een
+sterke, zware stem riep ergens in den mist:
+
+„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden!”
+
+Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist
+tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.
+
+„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't
+Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!”
+
+De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had
+geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je
+nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders
+wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer
+naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid
+kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als
+water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als
+riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!”
+
+'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de
+streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te
+roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar
+ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den
+mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon
+hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den
+wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.
+
+„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de
+krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!”
+
+Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte
+hij en zette zijn wandeling voort.
+
+Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op
+velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.
+
+Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele
+menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde.
+Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was,
+waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar
+dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen
+veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te
+denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den
+waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een
+maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen.
+Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te
+peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.
+
+„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer
+beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...”
+
+Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet
+stil kon blijven zitten.
+
+Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin
+gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een
+lachend en innemend beeld vóór zich.
+
+Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't
+woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met
+haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't
+Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had
+een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het
+omliggende landschap scheidde.
+
+Toen de hoeve zich daar zoo geheel geïsoleerd vertoonde, merkte hij
+eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene
+en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de
+golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die
+den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie
+geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets
+kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.
+
+Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis
+aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit.
+Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.
+
+Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij
+alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille
+leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de
+wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Zóó dicht, zóó
+ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het
+bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.
+
+De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in
+dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den
+ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets
+van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve
+naar de buitenwereld kunnen komen.
+
+De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame
+afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden
+met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude
+en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou
+toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude
+hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het
+bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken
+worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril
+werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun
+eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan.
+De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich
+zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de
+wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.
+
+Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de
+ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen
+uit en sprak tot den mist.
+
+„Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen!
+Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte
+muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat
+ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij
+en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden
+door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu
+en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief
+onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme
+waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we
+zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.
+
+Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten
+en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die
+niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met
+verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te
+genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en
+bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren
+van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen
+in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van
+nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn
+als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te
+zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet
+het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.”
+
+Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee
+verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een
+slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van
+'t gebed van de zwerfster: „Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere
+God!” Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing,
+maar hij liet zich niet terughouden.
+
+„Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,” barstte hij uit, „en nieuwe
+schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt.
+Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan
+verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen
+om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.”
+
+Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende
+iets te hooren dat leek op: „U geschiede naar uw wensch!”
+
+Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde
+oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist
+in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam
+zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist
+in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar
+het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de
+natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen
+toe te geven.
+
+Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog,
+hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet zóó kwelden als vroeger.
+Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen
+hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst
+bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.
+
+De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich
+als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht
+en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en
+voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed,
+die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den
+dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde.
+Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij
+was zóó dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om
+zich niet met een hopeloos streven te overspannen.
+
+Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om
+een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun
+spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen
+in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten
+wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid
+hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch
+hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere
+sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht
+hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en
+voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw,
+die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan.
+En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: „In uw tijd liet
+Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge
+u voor 't stormweer zoudt verbergen?”
+
+Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: „'t Was
+bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat
+ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik
+vreesde meer te schaden dan goed te doen.”
+
+Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: „Ik weet dat Ik u geen verstand
+genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht
+genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.”
+
+Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon
+stond. „Die vrouw heeft gesproken—en gesproken zonder ophouden,” zou
+hij zeggen, „en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de
+harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.”
+
+Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. „Maar mijn
+armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.”
+
+Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn
+wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot
+die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche
+stilte en alles omsluierende nevel is.
+
+
+IV.
+
+De jonge Zeeman.
+
+'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden
+tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is
+een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is
+open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om
+heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die
+zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt
+voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en
+voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk
+aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet,
+glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste
+aanbiedt wat haar huis kan opleveren.
+
+Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen.
+Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor
+ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.
+
+'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte
+kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een
+welgestelden zeeman. De beide ouden zijn zóó onder den indruk van 't
+feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat
+ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man
+voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.
+
+„Moeder en Tante!” roept hij uit, „wat is 't prettig, dat we zulk mooi
+weer hebben op dezen tocht.”
+
+„Ja, dat is heel prettig,” antwoorden de twee ouden uit één mond, en dan
+daalt de stilte weer op hen neer.
+
+Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge
+zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de
+zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er
+heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een
+genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.
+
+De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn
+buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar
+zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een
+zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man
+en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is
+niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar
+vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.
+
+„Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op
+dezen tocht!” roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.
+
+Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude
+vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke
+echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar
+eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze
+'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te
+vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze
+voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en
+naar 't gezang luisteren.
+
+Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld één keer mee heeft
+willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het
+groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in
+zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze
+vreedzame plaats trokken.
+
+Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze
+er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar
+haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit
+gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.
+
+Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt.
+De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als
+ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan
+aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem
+gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten.
+Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de
+kopjes doet—alles overvloedig.
+
+Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij
+durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten
+doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie
+gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt
+hij zóóveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat
+hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht.
+Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu
+haar onthaalt, dàt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit
+de nauwe straat te lokken.
+
+Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen
+keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de
+loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij
+eens aannemen.
+
+Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten,
+denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk
+een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om
+zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman
+is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't
+zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze
+weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij
+schenkt ieder weer een volle kop in.
+
+„Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een
+lange reis!”
+
+Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit
+kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.
+
+Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij
+zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan
+tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.
+
+„Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer
+drinken wilt!”
+
+Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden
+vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.
+
+Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij
+en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken
+rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier
+hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.
+
+„Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben
+gehad,” zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de
+zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer
+van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er
+niet verder over door.
+
+De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze
+werkelijk tot een gesprek uitlokken.
+
+„Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,” zegt hij.
+
+De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar
+oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er
+niet toe. „Ja, en wat vliegen ze mooi!” zegt ze.
+
+Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige
+een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt
+ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het
+hier zoo genoeglijk.
+
+En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het
+gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is
+volkomen met zijn lot tevreden.
+
+Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen.
+Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een
+heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen
+heerschte.
+
+Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en
+wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan
+verder.
+
+Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne
+gelaatskleur en groote, smeekende oogen.
+
+„Dag Kristenssen,” zegt ze en komt aarzelend dichterbij.
+
+De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de
+handen niet uit den zak.
+
+„Dag Anna.”
+
+„Je was van morgen niet bij 't zeilen.”
+
+„Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't
+begraven van den duitschen matroos.”
+
+„Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.”
+
+Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.
+
+„Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je
+weet wel, dat ik morgen weg moet.”
+
+„Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.”
+
+„Dag Anna.”
+
+Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer
+zachtjes te fluiten.
+
+De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht
+gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over
+hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever
+bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.
+
+Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze
+moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor
+'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder
+uit: „Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!”
+
+De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij
+blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier
+aldoor zou willen blijven.
+
+Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge
+zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde
+steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en
+steunt haar.
+
+Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij
+zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.
+
+En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt,
+maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.
+
+„Hij is bang,” denk ik. „Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken
+schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist
+als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn
+moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?”
+
+Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben
+gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel
+geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den
+man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de
+kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee
+aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten,
+hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door
+zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft
+verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige
+haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de
+zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen
+verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder
+voorbehoud geschonken wordt.
+
+
+V.
+
+De Ster.
+
+_(Brief van een Zweedsch arbeider)._
+
+ ... 20 April 1917.
+
+Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar
+beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte
+gezien. Die valt—en valt en komt elken dag nader!
+
+Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben
+ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten
+met de Openbaring voor me, om er profetieën uit te zoeken. Ik houd me
+alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die
+spreken in waanzin.
+
+Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en
+pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een
+Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche
+gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en
+rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden,
+en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik
+heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan
+verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.
+
+Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef
+niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in
+een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld,
+en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden.
+Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb
+ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van
+groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat
+alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte
+en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.
+
+Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't
+heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er
+toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want
+ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten
+zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me
+duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde
+moest komen.
+
+Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar
+een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op
+wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden,
+zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je
+denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen,
+en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare
+machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid
+is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die
+geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en
+houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij
+maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang
+en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen
+ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag
+menschen tusschen de machines raken.
+
+Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo
+kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en
+een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de
+oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe
+arbeiders wou probeeren.
+
+Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig
+geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken
+wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen.
+Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk
+moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den
+rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de
+revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht
+verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk,
+dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was
+of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog
+iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste
+had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.
+
+Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe
+celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten
+luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te
+vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige
+gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te
+worden. „Jelui moet niet zoo angstig wezen,” zeg ik tot hen. „'t Kwam
+alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo
+moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat
+we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal
+vernietigen,” maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was
+of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende
+niet vol was.
+
+En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen
+ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen,
+overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster
+naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in
+den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging,
+links en rechts.
+
+Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was
+die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.
+
+„Sta op,” zei de stem. „Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op
+aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote
+hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in
+Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal
+niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan
+de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de
+bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.
+
+Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het
+uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn
+zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.
+
+Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden
+en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal
+uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der
+aarde zullen gespaard blijven.”
+
+En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan
+elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan
+had, sprak zij opnieuw.
+
+„Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult
+dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de
+autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken
+vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered
+worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is.
+Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen
+over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om
+een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten,
+zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.”
+
+Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.
+
+Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot
+mij zelf: „Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou
+spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de
+geheele wereld?”
+
+Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan
+de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de
+sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren
+en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?
+
+Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen
+boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de
+Openbaring voor me, om er de profetieën uit te zoeken; maar sinds dien
+nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn
+lichaam.
+
+Er is geen tijd voor twijfel.
+
+Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de
+heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik
+nadert...
+
+
+VI.
+
+De Brandstapel.
+
+_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._
+
+Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik
+niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke
+gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te
+zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.
+
+Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb
+juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en
+wat men „dichtervrede” noemt—daar geniet ik niet veel van. Ik zit in
+een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberië, en ik heb
+negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.
+
+Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles
+doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen
+liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze
+niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't
+verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik
+me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.
+
+Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil
+me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde
+werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben
+over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.
+
+Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de
+gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig
+van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze
+ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten,
+die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen
+onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberië gezonden.
+
+Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen
+bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer
+opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog
+betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn
+hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde,
+toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen
+verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.
+
+Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag
+ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet
+ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?
+
+Er kan maar één bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht,
+opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen
+gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten
+zal en nooit tot een vergelijk zal komen.
+
+Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm
+te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden,
+die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak
+uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die
+niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen
+worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een
+beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter
+aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt
+zich om om te zien wat daar valt.
+
+Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in
+een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet
+schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie
+jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn zóó versleten, dat
+ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het
+venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp
+komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord,
+dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem
+smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven
+in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberië.
+
+Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische
+gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn
+velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben
+nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.
+
+Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de
+wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en
+boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven
+en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit
+vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden
+zooals vonken hooibergen aansteken.
+
+Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van
+het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En
+als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den
+oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt
+en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun
+huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle
+oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en
+met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En
+dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.
+
+Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige
+heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed:
+hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste
+ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook
+de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn
+proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden
+verteerd.
+
+En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten
+vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn
+schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en
+kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.
+
+Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot
+vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeeërs, de
+vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde
+voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het
+menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog
+bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar
+verdrukker!
+
+Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn
+woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den
+vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen.
+Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.
+
+Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet
+sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven
+wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten
+vrede-brandstapel.
+
+Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen,
+en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het
+ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn
+gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze
+hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik
+zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.
+
+Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn
+gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet
+goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberië
+is gestorven.
+
+Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de
+menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt
+voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te
+steken?
+
+Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberië. Er is
+typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.
+
+Mijn arme verzen, zullen zij leven?—Zullen zij leven, als ik uit dit
+leven zal zijn heengegaan?
+
+
+VII.
+
+Gustav Fröding.
+
+_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Fröding in 't Koninklijk
+Theater in Stockholm)._
+
+ 8 Febr. 1921.
+
+ Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,
+ Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden
+ In het land van den Klarelf,
+ Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodieën
+ En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;
+ Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig
+ En hun macht was als die van den liefdedronk,
+ Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.
+
+ Zeg mij, Wermelands dochters!
+ Gij, die dwaalt over de bergen,
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
+ Waarom is zijn harp verstomd?
+ Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek
+ In de maneschijnsnachten?
+ Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:
+ „O, waar zijt gij?”
+
+ Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,
+ Als de dans van de dochter van een grooten koning,
+ Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,
+ Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,
+ Als zonneschijn na stormvlagen,
+ Als dauw in de droogte van den zomer.
+ 't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.
+
+ Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,
+ Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;
+ Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,
+ Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans;
+ Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.
+ Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,
+ Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,
+ Waar de schuimvlokken rondvliegen
+ En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.
+
+ Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,
+ Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,
+ Hij was de speelman, die in den stroom speelt,
+ Hij was de stroomgeest met gouden harp,
+ Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,
+ Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.
+
+ En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.
+ Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;
+ Hij speelde alles wat hij gehoord had;
+ Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,
+ Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de
+ zaligheid.
+ En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;
+ Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop
+ En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,
+ Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,
+ Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,
+ Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,
+ Maar zijn harp was als die van Daniël;
+ Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van
+ smart.
+
+ Vele dagen zijn voorbijgegaan,
+ Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend,
+ bij den waterval.
+ Waarom zijn die tonen verstomd,
+ Die een lichtglans wierpen over de ziel,
+ Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?
+
+ Zeg mij, Wermelands dochters!
+ Gij, die de kudde hoedt op de bergen,
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
+ Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?
+ Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,
+ Die niemand kon doorbreken,
+ Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?
+ Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.
+ Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,
+ Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering
+ En door velen geëerd en benijd wordt.
+ Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen
+ En zich met ringen en kettingen getooid.
+ De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en
+ edelgesteenten.
+ O, gij Wermelands dochters!
+ Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?
+
+ Onze vriend was als een heel schuwe vogel;
+ Hij was teer als de bloem van den meidoorn
+ En licht te breken als de wilg aan den oever.
+ Gij, Wermelands dochters!
+ Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde,
+ als hij speelde?
+
+ Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.
+ Met groote kunst greep hij in de snaren
+ En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,
+ De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.
+ Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,
+ Zooals die komen kan over de watergeesten,
+ En zijn spel werd woest en grillig.
+
+ Zeg mij, gij Wermelands dochters!
+ Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?
+ Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?
+ Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?
+ Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,
+ Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?
+
+ Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren
+ Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:
+ „Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?
+ Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?
+ Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis
+ brengt?”
+
+ Toen zweeg de gouden harp,
+ Toen zonk de speelman neer in den waterval,
+ Toen ging een rilling door het sparrenwoud,
+ Toen bruiste de waterval toornig en woest,
+ Als wilde hij een vijand aanvallen.
+
+ Zeg mij, gij Wermelands dochters!
+ Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?
+ Hij was teer als de bloem van den meidoorn
+ En licht te breken als de wilgetak.
+ Hij was een heel schuwe vogel.
+ Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,
+ Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar
+ zaligheid?
+
+ Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?
+ Ge wacht te vergeefs aan den oever.
+ Ach! Wermelands dochters!
+ Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,
+ Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,
+ Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,
+ Met handen als vlammen snel zich bewegend,
+ Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.
+
+ Als ge hem nu nog weerziet
+ Ligt hij stil op de golven,
+ Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,
+ Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van
+ de bergen,
+ Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,
+ De vreeselijke oogen van den watergeest,
+ Die van geen hoop of verlangen weten,
+ Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.
+
+ Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,
+ Sinds we de harp van onzen vriend hoorden
+ In het land van de Klarelf,
+ Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodieën
+ En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,
+ Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!
+ Gij, die de kudden weidt op de bergen
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.
+ Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;
+ Want onze vriend was meer dan alle anderen,
+ Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels
+ En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk
+ En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLÖF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GÖSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 3.90 EN EEN
+PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG
+PAULI, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.50.
+
+=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 5.50.
+
+=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND ƒ 5.90.
+
+=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 4.50.
+
+=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
+
+=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN ƒ 4.50.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.
+
+=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB.
+ƒ 5.90.
+
+=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
+
+=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
+ƒ 4.90.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. ƒ 4.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND ƒ 3.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
+
+=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.90.
+
+=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
+ƒ 2.50.
+
+=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: |
+ | C: EERSTE DEEL. |
+ | B: van Zuster Oliva 95 |
+ | C: van Zuster Olive 95 |
+ | B: de bleek had gelegen 't Was |
+ | C: de bleek had gelegen. 't Was |
+ | B: ze allemaal: Stine en Line, en |
+ | C: ze allemaal: Stina en Lina, en |
+ | B: als je oud werdt, kwam |
+ | C: als je oud werd, kwam |
+ | B: brood te kunnen verdienen. |
+ | C: brood te kunnen verdienen.” |
+ | B: zijn beenen kunnen staan. |
+ | C: zijn beenen kunnen staan.” |
+ | B: toe ge-geroeid, en 't was |
+ | C: toe geroeid, en 't was |
+ | B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA. |
+ | C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. |
+ | B: had, daar had ik geen lust in.” |
+ | C: had, daar had ik geen lust in.”” |
+ | B: zijn eigen kant uit. |
+ | C: zijn eigen kant uit.” |
+ | B: brengen en nuttig zijn,” zei ze. |
+ | C: brengen en nuttig zijn,” zei ze.” |
+ | B: kerk in de wildernis. |
+ | C: kerk in de wildernis.” |
+ | B: hij zeggen. „en wat heeft het |
+ | C: hij zeggen, „en wat heeft het |
+ | B: in Zijn barmhartigheid: „Gij zult |
+ | C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult |
+ | B: het vervloekte land: Siberie. |
+ | C: het vervloekte land: Siberië. |
+ | B: Waar Wermeland's zonen en dochters |
+ | C: Waar Wermelands zonen en dochters |
+ | B: mij, Wermeland's dochters! |
+ | C: mij, Wermelands dochters! |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+***** This file should be named 38920-0.txt or 38920-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38920-0.zip b/38920-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..8efcd09
--- /dev/null
+++ b/38920-0.zip
Binary files differ
diff --git a/38920-8.txt b/38920-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5f87325
--- /dev/null
+++ b/38920-8.txt
@@ -0,0 +1,4671 @@
+The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vonken
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +----------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlf:
+
+Niels Holgersson's Wonderbare Reis
+
+Prijs ingenaaid f=4.90=; gebonden in prachtband f=5.90=
+
+=Jan Ligthart=:
+
+=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.=
+
+=Het Nieuws van den Dag=:
+
+Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische
+dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den
+voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen,
+die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt
+meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende
+verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft
+een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels
+wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan
+allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en
+beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder
+opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is
+dit te zijn.
+
+=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor
+kinderen.=
+
+=De Nederlander=:
+
+=Een mooi boek.= Het "sprookje" heeft een filosofischen ondergrond,
+zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma
+Lagerlf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld
+gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend
+geschenk.=
+
+=De Tijd=:
+
+Dit werk van Selma Lagerlf heeft iets wonderbaars in zich, van dat
+sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken
+meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naeve
+bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de
+zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere
+waarde.
+
+=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer):
+
+=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer
+en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.=
+
+=De Nieuwe Arnhemsche Courant=:
+
+=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra
+populair zal worden.=
+
+=De Hofstad=:
+
+Een prachtig sprookje la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond
+van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd
+en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n
+tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste pozie, waar
+doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlf's phantasie
+laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op
+vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden.
+
+
+_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_:
+
+De Wonderen van den Anti-Christ
+
+Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLF
+
+DOOR
+
+MARGARETHA MEIJBOOM.
+
+TWEEDE DRUK.
+
+Prijs ingenaaid f=3.90=; gebonden f=4.90=
+
+
+=Eenige Bladen over "De Wonderen van den Anti-Christ".=
+
+=De Kerkelijke Courant=:
+
+Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar
+vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar
+fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo
+gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek
+speelt op het eiland Sicili met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het
+Socialisme tegenover het Christendom. "Hebt uw schat in den hemel," zegt
+het laatste. "Hebt uw schat op aarde," predikt het eerste. Het slot is,
+wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar
+trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien
+of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: "Alle menschen
+klagen." Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop
+zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: "Alle menschen
+juichen." Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten
+derden male uit, die terugkeerende zei: "Sommigen weenen en sommigen
+lachen." Toen verklaarde God de wereld gereed.
+
+=Het Vaderland=:
+
+Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.
+
+=Het Nieuws van den Dag=:
+
+Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.
+
+=Nederland=:
+
+Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in
+haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer
+boeiend.
+
+=De Telegraaf=:
+
+Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm
+aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, genspireerd
+door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.
+
+
+
+
+VONKEN
+
+
+
+
+ VONKEN
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ GEAUTORISEERDE UITGAVE
+
+ AMSTERDAM
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ EERSTE DEEL.
+
+ Bladz.
+
+ De Doodskop 1
+
+ De Zonsverduistering 19
+
+ Iets over Landverhuizing 29
+
+ Kalle Frykstedt 38
+
+ De Legende van den Luciadag 50
+
+ De Kanonnier 87
+
+ De Geschiedenis van Zuster Olive 95
+
+
+ TWEEDE DEEL.
+
+ De Prinses van Babyloni 117
+
+ Stemmingen uit den Oorlogstijd 124
+ I. 't Schreien van Rachel 124
+ II. De verlaten Kerk 133
+ III. De Mist 139
+ IV. De jonge Zeeman 152
+ V. De Ster 161
+ VI. De Brandstapel 169
+ VII. Gustav Frding 176
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+DE DOODSKOP.
+
+
+Er was eens een man in de gemeente Svartsj in Wermeland, die op een
+Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond,
+maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg
+wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de
+schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te
+halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef
+dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.
+
+De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan,
+en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was
+uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij
+gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw
+was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als
+geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de
+Kersttafel?
+
+"'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen," zei
+hij, "'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden
+om Kerstavond in mijn huis te vieren."
+
+Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen
+van de menschen in Svartsj,--nog nooit was het iemand in die
+gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen,
+omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook
+geen gewone doodgraver. Hij heette Anders ster en was uit een oud
+speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers
+geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was
+geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.
+
+Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een
+betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming,
+waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.
+
+"Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't
+kerkhof moeten vragen," mompelde hij, "die zullen zich ten minste niet
+schamen om op een feest bij den doodgraver te komen."
+
+Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het
+kerkhof van Svartsj loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij
+zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan
+daar ernst van te maken.
+
+Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond,
+wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat
+scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien
+wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering
+niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en
+steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven,
+en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.
+
+In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een
+mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval
+in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het
+knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets
+zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn
+hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een
+eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve
+als hij in zijn allerslechtste humeur was.
+
+"Goeden avond, goeden avond!" zei hij. "Ik ben blij dat ik u ontmoet.
+Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik
+u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen.
+Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te
+komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten
+en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen."
+
+Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de
+hand, als om 't antwoord af te wachten.
+
+"Ja--u zegt ten minste geen: Nee," ging hij voort, toen hij een
+behoorlijken tijd had gewacht, "dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik
+woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet
+ver te loopen."
+
+Toen lachte Anders ster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging
+naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.
+
+'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in
+'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't
+voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet
+geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk
+op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis.
+Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den
+natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.
+
+"Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder
+oogenblik kunnen komen," zei de man, terwijl hij binnen kwam.
+
+Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi
+met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.
+
+"Zoo, er was niemand die komen wou," zei ze. "Ja, dat dacht ik wel.
+Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond
+uitgaat."
+
+"Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen
+komen," zei hij, z heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was.
+"Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam," ging hij
+onverschillig voort, "maar hij komt wat later."
+
+"Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en
+'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar."
+
+Maar Anders ster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd
+werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den
+weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem
+stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de
+kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open
+haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en
+Anders ster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets
+ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van
+geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken,
+aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote
+ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek,
+schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen
+rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en
+onverstoorbare kalmte.
+
+De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit
+zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn
+van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders ster deftig en prettig
+voor, en hij zei tegen zijn vrouw:
+
+"Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in
+de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren
+wil."
+
+De vrouw zag heel verschrikt op.
+
+"Wat bedoel je?" vroeg ze. "Wil je hier beneden zitten drinken met dien
+gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de
+vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten."
+
+Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van
+de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon
+er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.
+
+Maar Anders ster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond
+alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.
+
+"Wees nu niet lastig, Bolla!" zei hij. "Ik zeg je, dat ik hier van avond
+wil zitten met ons Kerstmaal."
+
+'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die
+hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel
+zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats
+konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige
+mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als
+een aanzienlijk man, een groote boer, en dr had hij behoefte aan.
+
+"Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat
+doet," zei zijn vrouw. "Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik
+leef."
+
+Toen zijn vrouw zich z beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn
+woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in
+hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij
+antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in.
+Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.
+
+Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de
+leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te
+schuren.
+
+"Bolla, Bolla," zei hij met een stem z zacht en hoog, dat ze bijna
+suikerzoet klonk! "Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel
+in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?"
+
+"Ja, dat meen ik!" riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had,
+dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze
+wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't
+geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.
+
+Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook
+en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.
+
+"Almachtige God!" Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar
+buiten in 't donker.
+
+ster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend,
+zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer
+naar boven en hing het aan den wand.
+
+Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals
+hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang
+om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor
+het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij
+legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie
+kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten
+boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden
+met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een
+schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst
+sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel
+met een kring glazen om de kraan heen.
+
+Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en
+dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.
+
+'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem z kwelde,
+dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het
+schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet
+anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.
+
+Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten?
+Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar
+zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan,
+en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.
+
+Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze
+tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de
+baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten.
+Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn
+huwelijk.
+
+Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje,
+toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort
+van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.
+
+Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.
+
+"Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt," zei
+hij. "Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga
+halen."
+
+Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam
+spoedig terug met den doodskop in de hand.
+
+Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en
+droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt
+zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.--
+
+Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die
+vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die
+probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar
+uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun
+Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof
+ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.
+
+"Hij heeft op me geschoten!" dacht ze telkens weer. "Hij heeft me willen
+vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!"
+
+Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij
+was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.
+
+Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden
+meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen
+dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid
+voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen
+hadden doorgemaakt.
+
+Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een
+paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele
+geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't
+kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.
+
+"Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de
+kerkeraadskamer," vertelden ze. En een poos later was het: "Nu zit hij
+in den voorzittersstoel te eten en te drinken."
+
+Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er
+iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand
+toe, dien de kinderen niet konden zien.
+
+De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders
+denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die
+beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar
+geschoten!
+
+'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was
+niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor
+een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar
+verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende
+gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier
+te overvallen.
+
+'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit
+ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd,
+was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.
+
+Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te
+roeren en de Kersttafel te dekken.
+
+"Hij heeft mij met zijn schot gedood," dacht ze. "Het is mij dwars door
+'t hart gegaan."
+
+Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen
+de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder
+de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar
+niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen
+maar.
+
+'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het
+waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te
+kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten
+nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en
+meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.
+
+"Er is iets met hem gebeurd," dacht ze. "Hij is niet meer dezelfde,
+die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek
+geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot."
+
+Ze stond op van haar plaats en zei zacht: "Ik dank jelui wel," en ging
+naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten
+en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het
+gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep--dan hij
+zelf.
+
+Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar
+daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats.
+Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag
+alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.
+
+Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel
+stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op
+den doodskop.
+
+"Zie daar eens naar," zei hij.
+
+Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.
+
+"Zie je wel, dat hij geschoten--vermoord is?" zei hij. "Dat is geen
+zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter
+het oor."
+
+"Ja, dat zie ik," zei ze en een siddering van verwachting kwam over
+haar.
+
+"Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente
+is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en
+ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd
+zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de
+eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een
+schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen."
+
+Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.
+
+"Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den
+grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar n, die
+door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond
+bij mij."
+
+De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.
+
+"Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met
+het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar
+toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat,
+kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon
+dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de
+duisternis buiten te laten liggen, en dan ook--ik wou iemand hebben om
+mee te spreken. En toen ik hem vr mij op de tafel zette en een glas
+inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een
+schot was verbrijzeld.
+
+Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam
+hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen
+moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?"
+
+"Dat was zeker God," fluisterde zij en vouwde de handen.
+
+"Ja," antwoordde hij--ook fluisterend. "Zoo is het. Het was Gods wil.
+Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat
+het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn
+groote zonde en ellende zou inzien."
+
+Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en
+stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als
+van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei
+hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden
+met hen had en hen wilde redden.
+
+Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De
+vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze
+had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen.
+De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis
+zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al
+hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze
+nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over
+hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke--dat ze er toe zouden
+komen elkaar te haten.
+
+God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden.
+Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten
+ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste
+geluk, dat menschen kunnen genieten.
+
+
+
+
+DE ZONSVERDUISTERING.
+
+
+Het waren Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude
+vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den
+grooten heuvel, in een streek, die z woest en vol steenen was, dat
+geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te
+slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere
+had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een
+heuvel, die z steil was, dat het een heel werk was om boven te komen.
+En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men
+er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er
+niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen
+hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar
+hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er
+allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar,
+dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel
+steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een
+schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe
+slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen
+hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg
+uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend
+tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een
+overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor
+hen in orde was gebracht.
+
+Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want
+al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun
+kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen
+kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine
+kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen
+gezelschap noemen.
+
+Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat
+ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat
+ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid
+toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn
+van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze
+daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens
+menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en
+over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren
+spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om
+die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.
+
+'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen.
+Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de
+heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden
+ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en
+suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje
+in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk
+was--dat was een aanleiding te vinden.
+
+Want allen:--Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere
+oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag
+ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met
+je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een
+slechten naam kunnen krijgen.
+
+En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een
+koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan
+hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap
+genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis
+gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den
+heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een
+heilige dag was.
+
+Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De
+meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote
+gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of
+dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen,
+die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een
+geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren
+vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te
+zetten.
+
+Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en
+eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze
+wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets
+tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat
+iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.
+
+Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is
+uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar
+familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was hl
+oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en
+ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker
+hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed
+koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een
+koffiefeest voor een kat te geven.
+
+Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar
+almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar
+bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het
+koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten
+en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door,
+zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist
+dat van daar de hulp moest komen.
+
+Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het
+1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op
+den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om
+twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren.
+
+Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in
+eens werd het helder licht in haar binnenste. "Nu weet ik wat ik doen
+zal," zei ze.
+
+Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde.
+Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden
+lachen.
+
+Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de
+gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon
+te overleggen of zij 't niet wagen zou.
+
+Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar
+ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen
+winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen,
+die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug
+zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die
+altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen.
+Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het
+altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er
+zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was
+alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden
+zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als
+een rondwandelend lijk.
+
+Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag
+in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar
+vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke
+overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.
+
+'t Was nog maar kort vr den 17den April; maar er was nog tijd
+genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de
+zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en
+Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmrkret koffie te drinken. Ze
+dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder
+andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had
+aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar
+daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was,
+toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag
+en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van
+'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,--toen alleen
+voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en
+toen ging het weer over.
+
+Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan
+den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit
+zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar--toen zagen ze de oude
+Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag
+neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:
+
+ Weer straalt het heldre zonnelicht!
+ Wij danken U o Heer,
+ Met kracht en moed en nieuwe hoop.
+ Zie zeegnend op ons neer!
+
+Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar
+terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar
+leven kleur en kracht wilden geven.
+
+Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei--half
+verontschuldigend: "Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en
+daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik
+vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't
+donker weer te voorschijn kwam."
+
+Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en
+begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed
+voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was
+hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te
+leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.
+
+Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en
+vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht
+hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.
+
+ * * * * *
+
+Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende
+van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een
+geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te
+berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart
+en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit
+de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De
+couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde,
+hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de
+verduistering op 't hoogste was gekomen.
+
+Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was--ik heb niet
+gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmrkret een feest gaf om
+de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te
+voorschijn kwam.
+
+
+
+
+IETS OVER LANDVERHUIZING.
+
+
+Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Hgbro, en de
+eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de
+lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.
+
+Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en
+alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en
+de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was
+benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de
+vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar
+ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van
+gedachten over een en ander te wisselen.
+
+En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op
+de quaestie van landverhuizing.
+
+En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam,
+zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.
+
+En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld menamen
+dan iemand wist.
+
+En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente
+den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat
+groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden
+uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.
+
+En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat
+ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de
+jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet
+anders gaan.
+
+En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen,
+wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand
+ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.
+
+En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn
+meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet
+megesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak
+zou zeggen.
+
+Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had,
+die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog
+zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat
+hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op
+eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost
+zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de
+kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor
+en de inspecteur van de nieuwe lijn.
+
+Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen
+werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren
+immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen
+tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven.
+Want dat de landverhuizing het land schaadde--dat was toch zeker niet
+tegen te spreken!
+
+En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen
+voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu
+een ander land ten goede zou komen.
+
+En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel,
+wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende,
+hoorde je nooit wat.
+
+En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen,
+als ze maar zoo verstandig waren niet die photographien naar huis te
+sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren
+juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook
+naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.
+
+En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was,
+dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan
+hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en
+onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.
+
+Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er
+een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen
+glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op,
+want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij
+kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen
+wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de
+anderen over deze zaak.
+
+En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten
+stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar
+verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een
+paar honderd.
+
+En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat
+het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar
+Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen
+wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.
+
+'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun
+vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je
+nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't
+oude land.
+
+Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den
+presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.
+
+Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel
+zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren
+vertrokken.
+
+Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er
+wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.
+
+Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen,
+die om hem heen zaten, strak aan.
+
+"Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,"
+zei hij. "Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze
+terugkwamen?"
+
+En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen
+over de borst.
+
+Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Hgbro
+dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon
+gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had,
+die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou
+hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem
+had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken.
+En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel
+werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen
+woord.
+
+De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de
+Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele
+gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan
+ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en
+daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes
+onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele
+gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er
+niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar
+te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.
+
+Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het
+sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde
+hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn
+station aankwamen, op het perron zou staan en "Hoera!" roepen. Maar toen
+dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij
+eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele
+jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was--hij zou haar toch niet graag
+ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder
+een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te
+antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard
+te zadelen.
+
+Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en
+luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat
+hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste
+zou kunnen bezorgen--dat zou heelemaal niet moeilijk zijn--kwam hem in
+de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen,
+er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo
+diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle
+huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar
+de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.
+
+En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend
+in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond
+op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een
+paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn
+dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat
+de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had
+gebracht.
+
+De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed
+oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer.
+En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die
+zendingen ophielden.
+
+De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een
+schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens
+gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist
+niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook
+op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van
+'t toeristbureau, die daar hingen.
+
+Nu zat er nog maar n van de kooplieden aan de tafel; maar hij had
+aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon
+overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht,
+terug zou komen. Want die was z knap in zaken, en had een z
+innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel
+in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd
+gekregen had naar Amerika te gaan.
+
+De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij
+merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de
+tafel zat, wendde hij zich tot hem:
+
+"Ja, wat zegt u er van, Sderberg?"
+
+"Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is."
+
+"Ja, dat zou ik ook meenen," zei de proost. "Ik wist wel, dat allen tot
+die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te
+denken."
+
+
+
+
+KALLE FRYKSTEDT.
+
+
+Mijn oude tante, Nanna Lagerlf, die met Tullius Hammargren, den proost
+in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gsta Berlingsaga niet.
+
+"Zoo was het leven in dien tijd niet," zei ze tegen mij, kort nadat het
+boek verschenen was. "Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist
+geteekend."
+
+Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en
+hun land zou brengen.
+
+Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had,
+dat van dien kant te hooren.
+
+De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van
+'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen
+enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen
+kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.
+
+Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over
+te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen.
+Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor
+Gsta Berling genomen had.
+
+Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was,
+waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde
+opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het
+ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.
+
+De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.
+
+"Jawel, Kalle Frykstedt," zei ze. "Ik dacht wel, dat je aan hem had
+gedacht."
+
+Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan
+vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.
+
+Haar ouderlijk huis op Mrbacka lag juist een mijl van de pastorie van
+Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.
+
+Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder
+dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest,
+nadat ze getrouwd was.
+
+"Was hij toen al door den drank gesloopt?" vroeg ik.
+
+"Kalle Frykstedt!" riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag
+mij z verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.
+
+Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar
+eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd
+als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette,
+haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij
+hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige
+menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en
+dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof
+ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid
+kwamen.
+
+Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten.
+Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: "Wacht eens, nu zul je
+hooren hoe Kalle Frykstedt was," zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu
+zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.
+
+"'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was," begon ze. En nu wist
+ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker
+verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar
+op de jongensschool in Aml was aangesteld en zij zoo verbazend weinig
+hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist,
+die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die
+pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat
+ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.
+
+Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten
+had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in
+Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters
+ook predikanten moesten zijn.
+
+"Moest hij dan naar Upsala terug?" vroeg ik.
+
+"Neen, alleen maar naar Karlstad," antwoordde mijn tante. "Toen kon je
+dat examen in Karlstad doen."
+
+Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Aml en
+verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't
+predikantsexamen duurde.
+
+En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.
+
+"Neen, hoe durfde hij dat te wagen?" zei ik.
+
+"Ja, het moest wel," antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog
+te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming
+begonnen.
+
+"Maar ik zou nu niet van ons vertellen," ging ze voort, "maar van
+Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde
+in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als
+huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem
+overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn
+brood te kunnen verdienen."
+
+"En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als
+alle andere menschen," zei ik.
+
+"Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter."
+
+"O!" riep ik, hl verbaasd. "En ik dacht..."
+
+"Je vroeg of hij door den drank gesloopt was," zei mijn tante. "Maar
+hij was z knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen,
+toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken--dat deed hij. Hammargren
+en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor
+een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den
+heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op
+zijn beenen kunnen staan."
+
+Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van
+Gsta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in
+die richting te zeggen.
+
+"Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?" vroeg ik.
+
+"Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten
+graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was," voegde
+zij er bij.
+
+Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet
+voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen
+erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten
+van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat
+Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te
+verzorgen krijgen.
+
+Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door
+zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te
+geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den
+kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het
+feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou
+drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen
+gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.
+
+'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen
+maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd
+met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de
+keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar
+eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten
+was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het
+grootste gedeelte van Mrbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en
+zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van
+vrienden en bekenden moest leenen.
+
+Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten
+vragen.
+
+'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de
+examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk
+genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.
+
+Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag
+als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest
+ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar
+verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.
+
+Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe,
+maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die
+diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets
+plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem
+gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie,
+levendige geestdrift vervuld.
+
+Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk genspireerd kon
+zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone
+toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien
+middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden.
+Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar
+nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de
+hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij
+zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel
+'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.
+
+Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop
+Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en
+begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze
+verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken
+welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.
+
+Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks
+aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet
+veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan
+tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij
+den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest,
+dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den
+bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok
+zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed
+te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer
+en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.
+
+Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij
+ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel
+geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij,
+viel om en trok het tafellaken me met al het glaswerk.
+
+Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den
+tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te
+verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een
+massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en
+verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken
+goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen
+geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen
+mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle
+uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden,
+aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de
+ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet
+beter had verzorgd.
+
+Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante
+droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en
+kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje
+praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante
+onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid
+te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te
+verontschuldigen.
+
+"Ik weet 't niet recht meer..." zei hij en streek met de hand over het
+voorhoofd. "Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet
+onbehoorlijk gedragen?"
+
+"Neen," zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag
+met haar bekoorlijken glimlach. "U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk
+gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed--dat is
+veel te weinig--die ons allen in verrukking bracht."
+
+Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel
+gerustgesteld. "Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was..."
+
+"U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren," zei mijn tante op
+stelligen toon.
+
+Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar
+stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem
+leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich
+verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.
+
+"O! wat ben ik blij!" had de arme stakker uitgeroepen. "Wat ben ik
+blij!"
+
+Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote
+aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol
+geest geworden als den vorigen dag.
+
+Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen
+bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er
+lag pozie over haar heele wezen, de pozie van de menschen uit den
+ouden tijd.
+
+Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les
+kende, jubelde er in mij iets hoog op.
+
+"Mannen en vrouwen uit het verleden," dacht ik, "al ontkent ge het
+zelf,--toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom."
+
+
+
+
+DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.
+
+
+Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke,
+gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een
+burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve--aan
+de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land
+stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden
+opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een
+kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van
+knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te
+betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar
+voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen,
+bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet
+anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den
+inham te gaan.
+
+Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van
+de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is
+waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar
+reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als
+zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van
+Brtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.
+
+Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens,
+die z rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die
+door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door
+den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een
+goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar
+schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk,
+dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.
+
+Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er
+iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel
+onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met
+acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden
+genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog
+niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed
+gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar
+nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Brtsholm te wezen,
+dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren
+had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den
+burcht alles regelen en besturen.
+
+Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij
+was, reed zij op een dag naar Brtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn
+eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan
+zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken
+bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan
+zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen
+te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn
+jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat
+er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in n woord,
+waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht
+beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood
+te gemoet ging.
+
+Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is
+verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit
+alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn
+huishoudster op Brtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die
+oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar
+boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.
+
+"Lieve Eskil," ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was
+van de uitwerking van wat zij zei. "Ik weet, dat er nu gelegenheid is
+voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk
+genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan
+een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de
+jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen."
+
+Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een
+jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging
+voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met
+de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die
+dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu
+toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was
+daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar
+had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding
+geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.
+
+"Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn," zeide Vrouw Rangela,
+"dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van
+ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal
+niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op rehus,
+als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt."
+
+Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen
+aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw
+Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een
+paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela
+volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in
+verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden
+toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het
+voorjaar haar intocht deed op Brtsholm, eenige maanden nadat zij haar
+twintigsten verjaardag had gevierd.
+
+Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest,
+omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had
+gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar
+de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog
+wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot
+over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.
+
+Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar
+maanden op Brtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die
+op weg waren naar de heilige Drieenheidsbron bij Stra in Westmannaland
+verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren
+uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen,
+die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het
+gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten
+geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge
+bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk
+soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze
+wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.
+
+Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er
+onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen
+op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand z hard kon wezen, hun
+tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knien en
+probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl
+de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken
+uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij
+werkelijk leeg waren.
+
+Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der
+armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Brtsholm
+kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar
+toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit:
+"Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan
+land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien
+tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot."
+
+De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te
+spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met
+blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het
+niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het
+tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein
+kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en
+vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar
+hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met
+licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er
+was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna
+bang was haar aan te raken.
+
+Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en
+toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij
+ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol
+geweest waren, ze haar boot z zouden hebben overbelast, dat die
+gezonken zou zijn vr ze weer aan wal was gekomen.
+
+Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van
+dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun
+van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze
+haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig
+moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vr ze nog
+meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar
+vroegere duisternis te doen terugkeeren.
+
+Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos
+opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Brtsholm. Daar
+deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten
+en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden.
+Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan
+gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis
+goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de
+bedienden n de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een
+machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte
+en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed
+bezorgde.
+
+Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken,
+maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met
+Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het
+hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een
+paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters
+en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de
+vrouwelijke bewoners van Brtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek
+kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon
+krijgen.
+
+Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Brtsholm was en in zijn
+kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk
+een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar
+buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.
+
+Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort
+van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.
+
+"'t Is om je arme kinderen, Eskil," riep ze, "ze zijn in levensgevaar
+op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg
+naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit
+mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te
+waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat
+'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te
+laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!"
+
+Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen
+waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis.
+Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met
+alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Brtsholm
+leidde.
+
+De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar
+was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof
+ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar
+beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan
+om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en
+riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen
+toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar
+boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.
+
+Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen,
+was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar
+gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal
+niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat
+wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een
+stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich
+met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna
+den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Brtsholm lag.
+
+Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze
+in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela
+bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze
+hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle
+kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken
+zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.
+
+'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van
+dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op
+den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart
+gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze
+zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij
+bleef onbeweeglijk en machteloos.
+
+Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van
+veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar
+zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de
+handen klappend.
+
+Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf
+naar Brtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en
+kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam
+stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat
+zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen
+te nemen en naar zijn burcht te dragen.
+
+Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en
+hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl
+misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij
+sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar
+gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van
+zijn kinderen te kijken.
+
+Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet
+haastig Brtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen.
+Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van
+haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in
+ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en
+kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge
+positie te berooven.
+
+Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want
+het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan
+de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op
+haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde
+het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed,
+wat Heer Eskil wel moest afkeuren.
+
+Dit jaar was de oogst op Brtsholm z overvloedig geweest, dat hij dien
+van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de
+jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De
+bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De
+koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras
+en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen.
+Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij
+beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de
+hoeve neerdaalde.
+
+Maar terwijl men nu op Brtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die
+goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte
+menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken
+of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder
+veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar
+zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was
+rondgetrokken--brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren
+zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand
+staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven
+hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en
+zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen
+verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de
+verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over
+wat ze hadden verloren.
+
+Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle
+levensmiddelen, die zich op Brtsholm opstapelden, haar een pijniging.
+Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den
+overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer
+over de lippen kon krijgen.
+
+Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren
+voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote
+lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vr alles
+dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse,
+die z ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen
+jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar
+oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had
+om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was
+en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en
+gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat
+ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging
+te doen om te helpen.
+
+Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht
+van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een
+reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten
+vr Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man
+komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij
+Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig
+feest.
+
+Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien
+herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst,
+die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen
+alle levensmiddelen, die op Brtsholm waren opgehoopt, naar het strand
+te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen
+geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.
+
+Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich,
+door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed
+bemand schip, en terwijl ze op Brtsholm alleen een paar oude wachters
+achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar
+bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag,
+onbegrensd aan alle zijden als een zee.
+
+Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en
+berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't
+Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst
+bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer
+teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of
+beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen
+haan had gekraaid, geen koe had geloeid.
+
+Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven,
+die Heer Kolbjrn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn
+gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en
+huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die
+in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden
+verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs
+of rust te gunnen. Daardoor was hij z verzwakt, dat hij den dood
+nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware
+wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam
+aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog
+verzwaarde, die arme Heer Kolbjrn, die geen kracht meer had de mis te
+lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods
+zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste
+klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar
+land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan
+land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit
+liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij
+dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen:
+gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken,
+kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam
+de hulp als door een wonder.
+
+Niet ver van de kerk van Heer Kolbjrn op een landtong, die spits
+in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude
+boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de
+eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve z lief, dat hij er niet toe
+komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een
+kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd,
+maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de
+puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen
+te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag
+en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met
+inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te
+jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het
+niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den
+heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd
+ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw
+Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog
+verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige
+heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten.
+Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zveel eerbied gehad,
+dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden
+haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen
+behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze n voor n
+geslacht, tot er maar n overbleef. Maar die duif was heel tam, en de
+vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden
+verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif
+wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen
+daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het
+strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de
+duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze
+kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig
+hadden om den winter door te komen.
+
+Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een
+kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen
+de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog
+overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting
+gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw
+verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun
+kind geboren. Maar daarna was de moeder z ziek geworden, dat ze niet
+vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote
+ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken
+en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen
+probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind
+in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren,
+wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid,
+toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze
+beiden weer aan land, maar 't kind was z geschrikt, dat het den heelen
+nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep
+de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.
+
+Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't
+Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te
+voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer
+te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het
+voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog
+zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't
+minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog,
+toen zij naar Brtsholm terugkeerde, den dag vr St. Luciadag, vrij
+laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond
+dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den
+heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over
+eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.
+
+"Maar nu krijgen we een drukken tijd," ging ze voort, "morgen kunnen
+we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals
+andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en
+slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil
+terugkomt."
+
+Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers,
+dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op
+dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.
+
+Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers
+uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks
+had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken
+paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De
+burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de
+plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was
+thuis gekomen met al zijn ruiters.
+
+Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze
+eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het
+balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet
+verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al
+op weg naar haar kamer.
+
+Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel
+meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een
+uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog,
+dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en
+dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met
+bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze
+wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen
+gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op
+Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden
+angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.
+
+"Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?" vroeg
+hij hoonend. "Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik
+en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten
+gehad. Maar morgen," voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn
+toorn hem z, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, "verwachten
+wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een
+maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet
+vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten
+brengen."
+
+Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen
+zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande,
+bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen.
+Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was,
+die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door
+hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.
+
+Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in
+'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich
+over haar heen en zei met een vreeselijke stem: "Bij het kruis van onzen
+Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wl, dat als deze maaltijd mij niet
+voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!"
+
+Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof
+haar voor zich uit de slaapkamer in.
+
+Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot
+nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar
+plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig
+had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn,
+omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij
+probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en
+hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar
+niet aan het woord komen.
+
+"Ga nu naar bed, Vrouw Lucia," zei hij, "en pas op dat je niet vr den
+gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet
+voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je
+krachten voor noodig hebt."
+
+Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog
+deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen
+oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe
+meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij
+daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij
+zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf
+gezien had, dat zij z verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had
+beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij
+verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf
+haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden,
+langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit
+zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou
+veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone
+dievegge.
+
+Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,--en dat was werkelijk het
+geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede
+gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende
+te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest
+gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik
+verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.
+
+"Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig
+man een maal voor te zetten?" dacht ze in haar wanhoop. "Ik kan even
+goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt."
+
+'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was
+onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse.
+"O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad zij, "het is
+morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden
+zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het
+is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van
+hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit
+mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te
+ontkomen."
+
+Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van
+den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vr zij het
+verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor
+het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden
+stonden met geraas op in den stal.
+
+"Nu wordt ook Heer Eskil wakker," dacht zij. "Hij zal me dadelijk
+bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik z
+onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te
+verkwikken."
+
+Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon
+haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar
+beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar
+lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat
+honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had
+gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid
+en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit
+sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger
+had geleden en liefde gegeven.
+
+En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den
+poorttoren van Brtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het
+zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het
+volgen kon, kwam recht op Brtsholm af, vloog voorbij den wachter, z
+dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van
+vuur,--dat meende de wachter ten minste,--bevond zich een jong meisje,
+z, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de
+hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.
+
+Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven
+slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de
+slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad
+tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een
+gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen
+gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone
+bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele
+kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de
+lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan
+iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid
+uitstraalden.
+
+In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een
+zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de
+kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal
+en bood hem die aan.
+
+Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op
+zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als
+hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem
+geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten
+droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele
+Malvasier, de eer van Sicili en de vorst van alle wijnsoorten, was
+zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd,
+voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde
+de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in
+toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.
+
+De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te
+onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al
+de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende
+krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het
+zuiden.
+
+Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid
+genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van
+streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.
+
+Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen,
+of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden
+gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar
+bedienden aan 't werk.
+
+Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils
+welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen
+moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden
+onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd,
+rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.
+
+De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe
+kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden
+gelegd.
+
+En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen.
+Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon,
+dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij
+zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de
+ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen
+was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met
+groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over
+zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en
+onteerende straf op te leggen.
+
+"Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,"
+dacht hij. "Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij
+mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar
+naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf."
+
+Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar
+de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en
+wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel
+voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.
+
+Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in;
+maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een
+maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo
+gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich
+voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.
+
+Maar toen zag zij op de tafel vr zich de groote koperen kan, die de
+heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met
+geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming
+van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl
+ze hem vertelde hoe die naar Brtsholm was gekomen, waar hij met de
+grootste verbazing naar luisterde.
+
+Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal
+toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend,
+vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat
+Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke,
+Heer Kolbjrn, vertelde, barstte hij uit: "Heer Kolbjrn is een van
+mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon
+helpen."
+
+En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer
+Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van
+zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem
+gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia
+haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid
+haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij
+zoovelen van zijn vrienden had geholpen.
+
+Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over
+haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:
+
+"Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb
+gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te
+geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef
+het mij daarom."
+
+Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw
+z vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer
+had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe
+hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had
+gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn
+hart z vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon
+uitbrengen.
+
+Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag
+zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn
+weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta
+Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar
+in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde,
+die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die
+zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche
+aanmoediging.
+
+"Nog wilde ik U n ding vragen, mijn lieve Heer en Meester," zei ze,
+"en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in
+verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde
+kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen
+dringen tusschen U en mij."
+
+Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in
+hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde,
+die hij voelde, overwon zijn schaamte.
+
+Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een
+van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen.
+Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen
+naar Brtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen.
+Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang
+haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht
+ontmoetten, door n enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst
+op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard
+gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw
+Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat
+Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.
+
+Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: "Het
+schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw
+antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela
+afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken
+mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig
+werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende
+loon heeft gekregen."
+
+Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was
+zijn stem z zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in
+zijn borst woonden.
+
+"Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef,
+evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat
+het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in
+mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst
+treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede,
+de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle
+kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden,
+dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der
+ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid
+heet."
+
+ * * * * *
+
+Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis
+regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de
+heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche
+rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog--ten minste voor de
+oogen van kleine kinderen--een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in
+'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de
+slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.
+
+Nooit zag ik in dien tijd iets z heerlijks, als wanneer de deur
+openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel
+willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te
+vertoonen.
+
+Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende,
+die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren
+landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.
+
+
+
+
+DE KANONNIER.
+
+
+De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt
+opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze
+moet meedeelen, roept naar binnen:
+
+"Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is
+doodgeschoten!" Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat
+verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet
+blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is
+zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd
+heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt
+daarheen terug te gaan.
+
+De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil
+te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich
+zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze
+heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade
+zal worden gehouden.
+
+Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar
+alle toebereidselen laten zien.
+
+"Kijk daar nu eens heen," had hij gezegd. "Dat is de tribune voor den
+president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast
+zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier
+vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige
+menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een
+billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar
+ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken
+hooren. Daar kun je mij ook zien," had hij er schertsend bijgevoegd.
+
+"Nu, waar zul jij dan staan?" had ze gevraagd.
+
+"Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet?
+'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten
+worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet
+beginnen."
+
+"Arme mijnheer Carnot!" had ze toen gezegd. "Jelui hebt het kanon vlak
+voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar
+niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden."
+
+"Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar
+een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen
+verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de
+toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten
+alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind
+het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een
+groote massa menschen staat."
+
+Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen
+zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was.
+Ze had dus thuis moeten blijven.
+
+En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo
+trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn?
+Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is
+immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze
+voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar
+over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te
+loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching.
+Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als
+hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.
+
+"Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere
+proef had afgelegd," placht hij te zeggen. "Neem nu mij maar. Ik ben
+nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de
+kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik
+heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten."
+
+"Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post," had ze geantwoord.
+
+"Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit
+zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester.
+Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de
+proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar
+dreigt."
+
+Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam
+te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich
+bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet
+voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.
+
+'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet
+de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die
+schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen
+ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen
+lokken.
+
+Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze
+weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.
+
+Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't
+Veld daarvoor is leeg--bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats
+staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of
+verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.
+
+Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de
+politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.
+
+"Ga daarheen! Daar vindt je hem," zegt hij en wijst naar het troepje
+midden op het veld.
+
+Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen
+ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille,
+zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen
+heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op
+en gaat haar tegemoet.
+
+"Wacht even," zegt hij. "Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst
+vertellen wat er gebeurd is."
+
+Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door
+te kunnen loopen.
+
+"Wacht!" zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. "U moet hem nog
+niet zien. U moet eerst weten..."
+
+"Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft
+gegooid."
+
+"Neen," zegt de officier. "U weet niets. Zoo is het heelemaal niet."
+
+Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze
+begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog.
+Misschien is hij alleen maar gewond.
+
+"Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?" zegt de officier. "U weet, dat uw man
+dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het
+kanon is gebouwd?"
+
+"Ik zag dat gisteren al, Mijnheer," snikt de vrouw. "Mijn man liet me
+zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde
+zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't
+geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden."
+
+"Welnu," zegt de officier. "Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij
+had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen
+verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de
+armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon,
+alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen,
+dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af
+en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt."
+
+Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier
+houdt haar terug.
+
+"Wacht nog even," zei hij. "U moet weten wat we zagen toen we daarheen
+snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was
+doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier
+getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?"
+
+"Ja," antwoordde zij.
+
+"Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en
+had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in
+het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht,
+voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen
+heeft hij in een oogenblik voor zich gezien--want voor denken had hij
+geen tijd--wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune
+vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even
+veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk
+medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn
+eigen lichaam te ontvangen."
+
+"O mijn God!" barst de vrouw uit en vouwt de handen.
+
+Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.
+
+"Mevrouw," zegt hij. "Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien.
+Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in
+de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te
+verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om
+al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij
+allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te
+handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het
+om 't leven gaat--dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel
+in zich omdragen."
+
+
+
+
+DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.
+
+
+Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren
+menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren
+Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook
+onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke
+groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar
+Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de
+ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine
+belgische schilderes en een italiaansche diacones.
+
+Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over
+Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een
+geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste
+wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel
+hem snel in de rede.
+
+"Neen, Mijnheer de Consul," zei ze, "U hebt ons nog niet gezegd wat het
+voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is."
+
+"Ach!" zei de oude heer, wat spotachtig, "het voornaamste verschil! Hebt
+U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?"
+
+"Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping
+hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan
+boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het
+oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons
+afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische
+rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een
+luchttorpedo uitvinden."
+
+"Nu, en wij dan," zei de consul en wierp snel een blik op zijn
+reisgenooten, "wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een
+innerlijke roeping volgen."
+
+"Pardon, Mijnheer!" zei de Belgische, "U blijft in den stand, waarin U
+is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U
+laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons
+er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden."
+
+"Nu ja," zei de andere Franschman bemiddelend, "daar kunt u gelijk aan
+hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen
+vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen."
+
+Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de
+bewering van de schilderes te ontzenuwen. "Zuster Agnes!" riep hij en
+wendde zich tot de diacones, "U hebt veel fransche zusters in uw orde.
+Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?"
+
+"Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout," antwoordde de
+diacones. "Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn.
+Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van
+den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De
+meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen
+wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was."
+
+"Maar u zelf, Mevrouw?" Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de
+Belgische. "U is schilderes; u hebt al naam gemaakt..."
+
+Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman
+in: "Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen.
+Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen
+volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe,
+dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en
+die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen."
+
+"Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn.
+Roeping kan niet falen."
+
+"Ach Mijnheer," barstte de Belgische uit. "Innerlijke roeping! Is er
+iets wat meer bedriegelijk is?"
+
+"Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij,
+Franschen die missen," zei een van de Fransche dames.
+
+"Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U
+weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt."
+
+Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een
+vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken
+over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de
+wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet
+overeen stemden.
+
+"Ik ken een groot schrijver," zei een van de dames, "die meent, dat
+zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij
+verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij
+helaas! die niet heeft kunnen volgen."
+
+De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder
+uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een
+veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.
+
+"Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?" vroeg hij.
+
+"Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw
+landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde," zei de
+diacones. "Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij
+was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde
+opgenomen, lang vr mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster
+Olive was een Fransche, maar ze leek z weinig op alle Franschen,
+die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een
+Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, f een mooie en
+gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen,
+f klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive
+daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en
+vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd
+ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een
+grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive
+Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen
+paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa
+had omgegaan.
+
+Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vr ze diacones was, en
+bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen
+kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een
+grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene
+maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen,
+maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon
+wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek
+had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel
+geld en ze trad op in het Theatre Franais.
+
+Toen ik Zuster Olive zag, had ik--zooals ik al zei--moeite om te
+gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster
+Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over
+zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk
+of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive
+zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag,
+dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich
+had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was
+waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die
+eenvoudige typen z trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en
+met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het
+Theatre Franais te krijgen.
+
+Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was
+indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar
+positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij
+nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar
+eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen
+intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke
+kameraad, waar allen van hielden.
+
+Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had
+gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had
+begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar
+'t ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als
+waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele
+leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.
+
+'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat
+haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang
+in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer
+bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te
+houden en in de lucht te blijven zweven.
+
+Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een
+boerendochter uit Normandi. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd
+onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze
+nooit een stad of een theater gezien.
+
+Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt
+in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en
+dochter mee naar het theater nam.
+
+Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was
+Hernani,--Hernani van den grooten Victor Hugo.
+
+Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een
+andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam
+haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze
+trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al
+beleefd had.
+
+Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive
+Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een
+boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze
+zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone
+Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani,
+en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk,
+voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen
+werd.
+
+Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar n
+gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje
+gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna
+Sol spelen.
+
+'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te
+maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar
+vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen
+man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat
+zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt,
+zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.
+
+Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken,
+kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het
+tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was
+geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over
+den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te
+houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone
+opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat
+ze gauw zou mogen optreden. "Och, u moest toch een geschikte rol voor
+die arme Olive zoeken," zeiden ze tegen den directeur.
+
+Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt
+had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als
+de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove
+stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.
+
+Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos
+werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde,
+had ze nooit geschreid.
+
+Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze
+nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht
+vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als
+molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als
+schoenmakersjongen begonnen.
+
+Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon.
+Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk
+gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar
+gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude,
+geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.
+
+Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor
+haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat
+vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.
+
+En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't
+verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd
+optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in
+verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met
+vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.
+
+Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing
+bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De
+directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen
+contract vr de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te
+laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar
+ze altijd succes mee had, maar Hernani--Hernani, verklaarde hij, was
+verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire
+te zetten.
+
+De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor
+haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar
+de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en
+ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of
+inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze
+zveel naam, dat de directeur van het Theatre franais kwam om haar
+spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar
+intrede deed in het huis van Molire.
+
+Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de
+voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste
+tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die
+eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden
+gebracht.
+
+Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle
+groote actrices, die deze rol op het Theatre franais hadden gespeeld,
+dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de
+tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.
+
+"Nu of nooit," zei ze tegen zich zelf. "Je weet, dat je Donna Sol kunt
+spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je
+hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet
+van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet
+tot in het Theater franais hoeven opwerken."
+
+Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en
+hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich
+drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.
+
+Toen ze volle tien jaar aan het Theater franais was aangesteld, kwam ze
+op een dag weer op haar klachten terug:
+
+"Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend," zei ze. "Nu moet u mij
+Donna Sol geven, Mijnheer."
+
+Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het
+Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.
+
+"We moeten 't Olive Miteau laten probeeren," zeiden ze. "Natuurlijk
+wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen."
+
+De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk
+vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't
+Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar
+taak was.
+
+"Ik moet het doen," dacht ze, "maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als
+het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren."
+
+En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde,
+vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.
+
+"Ach!" zei ze, "ze hebben mij te oud laten worden." Maar eigenlijk lag
+de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw
+leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden
+wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere
+manier haar handen moest leeren bewegen.
+
+"'t Is immers onzinnig," zei ze meer dan eens. "Nooit heeft iemand op
+die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor
+een mensch."
+
+Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over
+haar rol; en dan dacht ze: "Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk
+op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit
+deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er
+toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't
+beslissend oogenblik te voorschijn komen zal." Maar toch was Zuster
+Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door
+den directeur en de andere artisten.
+
+"Mademoiselle Miteau," zei de directeur op een dag, heel vriendelijk.
+"Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het
+werkelijk?"
+
+"Ik weet niet of ik het wil," antwoordde zij, "maar ik weet, dat ik
+moet!"
+
+Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de
+eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche
+Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.
+
+Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te
+verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken
+en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar
+levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde
+nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met
+olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als
+adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig
+uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen
+zij de Spaansche schoone moest voorstellen.
+
+"Maar het moet me gelukken," dacht ze. "Al van mijn zeventiende jaar af
+heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die
+rol te spelen."
+
+'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar
+dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater
+vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen
+door die levenslange liefde.
+
+"Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?" vroeg men. "Ze is te
+oud. Dat wordt akelig."
+
+Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van
+haar leven scheen te wezen.
+
+Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek.
+Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te
+spreken!--Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen
+was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men
+probeerde haar te vergeten.
+
+Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling
+doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren
+heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig
+verkeerd deed, dat ze in z hooge mate haar roeping had misverstaan.
+
+"Ze kan in ieder geval tevreden zijn," zei men. "Ze heeft op die manier
+een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die
+vreeselijke rol op te treden."
+
+Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar
+rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze z
+onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna
+lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben
+en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.
+
+"Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?" dacht ze, toen ze zwaar en
+ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en
+zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi,
+dat n de kritiek n het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't
+zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster
+Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden.
+Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze
+aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. "Was het z erg?"
+dacht ze. "Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft
+spreken?"
+
+Dien morgen bracht de directeur van het Theater Franais Zuster Olive
+een bezoek.
+
+Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij
+verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.
+
+"U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet.
+U speelde--om zoo te zeggen--met een strik om den hals en geboeide
+handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag
+moet u uitrusten; maar morgen,--wilt u 't morgen weer probeeren?"
+
+Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men
+het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het
+nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had
+niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het
+ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.
+
+Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.
+
+De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over
+iets anders te spreken.
+
+Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: "We zien
+elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?"
+
+Bij die woorden schrikte Zuster Olive z, dat zij bijna wankelde.
+Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en
+onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar
+duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen
+kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de
+directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het.
+Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was
+ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.
+
+Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen
+tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar
+ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.
+
+En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld
+had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd,
+zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te
+praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone
+Spaansche.
+
+Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een
+practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar
+ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk
+werd die haar te machtig.
+
+"Ik heb nu genoeg rollen verknoeid," zei ze tegen haar directeur. "Er
+blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan."
+
+Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en
+opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons.
+Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en
+ik vroeg haar meer dan eens: "Verlangt u niet naar de wereld terug,
+Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw
+sierlijk huis?"
+
+Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke
+vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan
+lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar
+ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar
+heldere oogen.
+
+"Waar zou ik naar verlangen?" zei ze. "'t Was immers onmogelijk langer
+door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar
+ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.""
+
+Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.
+
+"Wil ik u eens wat zeggen?" zei de consul. "Ik heb haar zien spelen. Ik
+was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een
+geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?"
+
+"We kunnen er maar n ding van zeggen," barstte de Belgische schilderes
+uit. "De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers."
+
+"Men moet haar zeker wantrouwen," zei een van de Fransche dames.
+
+"Wantrouwen! wantrouwen!" riep de consul uit. "Dan moeten we ook de
+liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets!
+En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden?
+Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?"
+
+"Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout."
+
+"Ja, vast en zeker!" zei de Consul. "En al kan dat goddelijke ook
+gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!"
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+DE PRINSES VAN BABYLONI.
+
+
+'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de
+huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook,
+zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn
+rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik
+Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken,
+terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken,
+dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat
+dien winter vier jaar was.
+
+Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet
+bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan n ding
+hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje
+zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist
+zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf
+kreeg,--dat wist Katharina wel--zou ze nooit een verstandig mensch
+worden.
+
+Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind
+hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want
+nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd,
+in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te
+bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den
+toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid
+had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.
+
+"Ja, en ze kwamen aandragen met klei," zei Jan, "en ze bakten steenen,
+en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken
+dag hooger.
+
+Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren
+bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den
+hemel te komen en te zien hoe het daar is.
+
+"Luister nu eens, menschen," zei Onze Lieve Heer, "nu zeg ik jelui voor
+'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij
+ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten
+komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af
+komt, en er nooit iets tegen kunt doen."
+
+Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou
+zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.
+
+Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe
+hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het
+uit met dat pleizier.
+
+Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: "Breng wat klei," dan zeiden ze
+in plaats daarvan: "Kolvippen, kolvappen." En als de leerjongens wilden
+vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: "Erbe, derbe, mirbe, marbe?" En
+dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.
+
+De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden,
+maar als ze wilden zeggen: "Praat toch behoorlijk," dan zeiden ze in
+plaats daarvan: "Ullen, dullen, dorf." En als de leerjongens wilden
+vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan:
+"Abekadabra?"
+
+Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de
+haren vlogen en begonnen te vechten.
+
+Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en
+niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen,
+zijn eigen kant uit."
+
+Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde
+naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw
+en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort.
+Hij sprak alleen wat zachter.
+
+"Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een
+koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje
+begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch
+een van de anderen er een woord van konden begrijpen.
+
+Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't
+paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote,
+wijde wereld in.
+
+Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers
+niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn
+voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze
+haar in 't oog kregen.
+
+Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.
+
+Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe,
+zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze
+wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde,
+en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.
+
+Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een
+landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar
+binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen
+hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan.
+Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven,
+kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch
+was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist
+door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: "Goeien avond."
+
+Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te
+warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze
+ook: "Goeienavond."
+
+Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze
+z, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun
+niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.
+
+"Hoe heet deze hut?" vroeg ze, om hen op de proef te stellen.
+
+"Die heet Skrolycka," antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat
+ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze
+vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.
+
+"Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?" vroeg ze.
+
+"Die heet de Wermelandsche taal," zeiden de menschen in de hut.
+
+Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven
+mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen
+konden verstaan wat ze zei.
+
+Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje
+uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze
+zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De
+Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze,
+zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.
+
+Maar 't prinsesje wou niet toegeven. "Nee," zei ze, "nu merk ik wel, dat
+ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde
+brengen en nuttig zijn," zei ze."
+
+De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en
+geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan
+zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't
+hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit
+te voren gezien had.
+
+"Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is," zei ze eindelijk.
+"Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben
+gekomen."
+
+Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was
+geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.
+
+"Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt
+dat ze heel wat deftigs en groots is," zei ze.
+
+
+
+
+STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.
+
+
+I.
+
+'t Schreien van Rachel.
+
+ Augustus 1914.
+
+In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn
+huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk
+geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart
+en razernij en tegelijk z vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst
+verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan
+kwam.
+
+Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat
+vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal
+gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de
+heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet
+in staat zulke kreten uit te stooten, z geweldig en ruw, dat het een
+weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.
+
+'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil--of wat
+men het ook noemen mocht--van een mensch kon komen, die gekwetst was.
+Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden.
+De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen
+wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen
+ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.
+
+De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag,
+heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de
+bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en
+bronnen en dreigde het heele dal vr ons tot een bruin verbrande
+woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist
+gehoord had, was mij z onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam,
+dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet
+van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.
+
+Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden
+we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken
+waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren--pijnigend
+als een martelwerktuig.
+
+Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij
+waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten.
+Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had
+gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de
+verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.
+
+Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst,
+naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in
+welgevormde heuvels.
+
+Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog
+boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een
+heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel
+een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de
+plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in
+mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene
+loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, hl ver van
+Wermeland en Zweden.
+
+Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de
+vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot
+klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden
+landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote
+stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op
+een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik
+herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de
+rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de
+omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen
+ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank
+zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het
+hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met
+een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van
+den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen
+voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele
+heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen
+gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een
+stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen
+voorbij komen.
+
+De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en
+hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar
+een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid
+van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit
+over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob,
+ook wel Isral genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort
+nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen
+zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een
+zwerftocht door de woestijn.
+
+Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had
+een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan
+niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vr haar zoon
+Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vr nog een
+koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee
+was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar
+graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.
+
+De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen
+toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen
+was gehoord, telkens als een ongeluk Isral zou treffen. Hier had de
+stammoeder der Judaen haar jammerkreet doen hooren in den nacht vr
+den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord
+worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den
+avond, vr dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom
+tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters.
+En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de
+Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden
+Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange
+tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den
+slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk
+bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig
+door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid
+door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend
+wezen uiten kan.
+
+Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is,
+dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle
+menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar
+kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en
+niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand
+aan haar rustplaats te slaan.
+
+Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt.
+Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is
+'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een
+langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.
+
+'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons
+trommelvlies. Er is niets menschelijks in--en ook niets dierlijks. Het
+hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten,
+zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo
+heeft Eva gejammerd, toen Kan Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over
+Isral geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle
+tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan
+geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den
+wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.
+
+Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een
+Bedounenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor
+een zieken zoon.
+
+Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat
+wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen
+tegen elkaar, dat die Bedounenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet
+hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen
+in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het
+meegevoel van de sluimerende doode te wekken.
+
+We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche
+vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit
+zullen hooren.
+
+We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag,
+den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak
+bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen
+'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord,
+hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.
+
+Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze
+zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar
+eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake
+van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij
+meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog
+was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan
+schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat
+ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den
+oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.
+
+Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in
+haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het
+geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men
+het in deze streken hoorde, z lang, dat niemand had kunnen zeggen, van
+welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld,
+was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en
+nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.
+
+Misschien zullen wij het nu z dikwijls hooren, dat allen het zullen
+herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders,
+die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien
+ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.
+
+
+II.
+
+De verlaten Kerk.
+
+Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het
+groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer
+merkwaardige dingen waren.
+
+Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, z zeldzaam,
+dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand
+precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van
+overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen
+aan den rand van een donkeren vijver--zooveel wist men er van. En als
+maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van
+haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien,
+dan zouden ze haar liever hebben dan lelin en rozen.
+
+Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was
+een geneeskrachtige bron.
+
+Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel
+van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg
+daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de
+lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't
+Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of
+naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren
+zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand
+zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van
+Bethesda.
+
+De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude
+verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest
+woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.
+
+Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen
+en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen
+doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat
+hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.
+
+In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was
+arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een
+grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen
+man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het
+dak te reiken.
+
+Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar
+dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en
+houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok
+was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar
+de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had
+nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar
+binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren
+gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten,
+daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met
+groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen,
+zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok
+was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.
+
+Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht
+mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De
+adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd
+van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er
+nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven.
+Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar
+nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen
+hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat
+ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden
+gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen
+daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.
+
+'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en
+getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen
+hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar
+waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen
+huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en
+al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de
+sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed
+over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.
+
+Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke
+jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige
+dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er
+gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met
+angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van
+den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er
+nooit iets gevonden.
+
+Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en
+vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in
+'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd,
+van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren
+onwaarheid te spreken.
+
+En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs
+gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht
+de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik
+het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.
+
+Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor
+dat oude huis geweest, waar eens zveel angstige gebeden en klagend
+gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker,
+dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat
+niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt
+stond onder te gaan, op de knien heeft gelegen en te vergeefs om hulp
+geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken,
+had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of
+genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat
+getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele
+dorpen en streken.
+
+"Verlaten kerk," zou ik willen zeggen, "de tijd van verwoesting is weer
+gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken.
+Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De
+zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den
+grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden.
+Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens
+de uwe.
+
+Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan
+gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is
+geen spel of scherts meer.
+
+Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder
+gezang.
+
+Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden
+van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij
+weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en
+verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude
+kerk in de wildernis."
+
+
+III.
+
+De Mist.
+
+Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog,
+breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de
+wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame
+woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin
+en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet
+doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn
+gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij
+op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.
+
+Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem z
+vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets
+drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien,
+en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij
+zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.
+
+Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik
+scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen.
+Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller
+dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't
+eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te
+bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen.
+Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde
+spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren
+gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de
+schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen
+van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende
+schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.
+
+Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met
+nieuwe belangstelling rond. Vr zich had hij een oude appelboom, met
+takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat
+hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem,
+telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn
+humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik
+in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de
+takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij
+toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware
+lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden
+kunnen dragen.
+
+Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het,
+die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan
+kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.
+
+"Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet," dacht hij, "is het ten
+allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen."
+
+Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een
+paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien
+het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de
+mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam
+snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde
+hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een
+sterke, zware stem riep ergens in den mist:
+
+"O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden!"
+
+Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist
+tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.
+
+"Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't
+Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!"
+
+De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had
+geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je
+nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders
+wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer
+naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid
+kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: "'t Bloed vloeit als
+water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als
+riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!"
+
+'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de
+streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te
+roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar
+ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den
+mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon
+hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den
+wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.
+
+"Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!" herhaalde de
+krankzinnige. "'t Bloed vloeit in de greppels als water!"
+
+Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte
+hij en zette zijn wandeling voort.
+
+Voorwaar, deze tijd was z, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op
+velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.
+
+Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele
+menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde.
+Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was,
+waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar
+dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen
+veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te
+denken, dat er--omdat het wezens met verstand waren, die door den
+waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een
+maatregel te vinden moest zijn--die de razernij tot staan kon brengen.
+Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te
+peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.
+
+"Wat kan ik doen?" vroeg hij zich af. "Mijn woorden zouden niet meer
+beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch..."
+
+Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet
+stil kon blijven zitten.
+
+Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin
+gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een
+lachend en innemend beeld vr zich.
+
+Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't
+woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met
+haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't
+Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had
+een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het
+omliggende landschap scheidde.
+
+Toen de hoeve zich daar zoo geheel gesoleerd vertoonde, merkte hij
+eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene
+en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de
+golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die
+den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie
+geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets
+kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.
+
+Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis
+aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit.
+Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.
+
+Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij
+alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille
+leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de
+wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Z dicht, z
+ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het
+bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.
+
+De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in
+dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den
+ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets
+van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve
+naar de buitenwereld kunnen komen.
+
+De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame
+afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden
+met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude
+en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou
+toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude
+hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het
+bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken
+worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril
+werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun
+eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan.
+De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich
+zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de
+wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.
+
+Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de
+ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen
+uit en sprak tot den mist.
+
+"Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen!
+Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte
+muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat
+ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij
+en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden
+door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu
+en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief
+onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme
+waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we
+zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.
+
+Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten
+en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die
+niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met
+verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te
+genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en
+bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren
+van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen
+in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van
+nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn
+als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te
+zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet
+het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden."
+
+Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee
+verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een
+slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van
+'t gebed van de zwerfster: "Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere
+God!" Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing,
+maar hij liet zich niet terughouden.
+
+"Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist," barstte hij uit, "en nieuwe
+schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt.
+Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan
+verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen
+om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb."
+
+Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende
+iets te hooren dat leek op: "U geschiede naar uw wensch!"
+
+Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde
+oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist
+in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam
+zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist
+in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar
+het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de
+natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen
+toe te geven.
+
+Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog,
+hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet z kwelden als vroeger.
+Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen
+hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst
+bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.
+
+De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich
+als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht
+en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en
+voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed,
+die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den
+dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde.
+Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij
+was z dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om
+zich niet met een hopeloos streven te overspannen.
+
+Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om
+een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun
+spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen
+in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten
+wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid
+hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch
+hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere
+sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht
+hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en
+voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw,
+die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan.
+En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: "In uw tijd liet
+Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge
+u voor 't stormweer zoudt verbergen?"
+
+Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: "'t Was
+bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat
+ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik
+vreesde meer te schaden dan goed te doen."
+
+Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: "Ik weet dat Ik u geen verstand
+genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht
+genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen."
+
+Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon
+stond. "Die vrouw heeft gesproken--en gesproken zonder ophouden," zou
+hij zeggen, "en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de
+harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten."
+
+Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. "Maar mijn
+armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid."
+
+Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn
+wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot
+die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche
+stilte en alles omsluierende nevel is.
+
+
+IV.
+
+De jonge Zeeman.
+
+'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden
+tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is
+een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is
+open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om
+heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die
+zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt
+voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en
+voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk
+aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet,
+glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste
+aanbiedt wat haar huis kan opleveren.
+
+Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen.
+Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor
+ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.
+
+'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte
+kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een
+welgestelden zeeman. De beide ouden zijn z onder den indruk van 't
+feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat
+ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man
+voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.
+
+"Moeder en Tante!" roept hij uit, "wat is 't prettig, dat we zulk mooi
+weer hebben op dezen tocht."
+
+"Ja, dat is heel prettig," antwoorden de twee ouden uit n mond, en dan
+daalt de stilte weer op hen neer.
+
+Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge
+zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de
+zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er
+heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een
+genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.
+
+De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn
+buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar
+zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een
+zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man
+en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is
+niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar
+vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.
+
+"Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op
+dezen tocht!" roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.
+
+Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude
+vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke
+echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar
+eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze
+'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te
+vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze
+voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en
+naar 't gezang luisteren.
+
+Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld n keer mee heeft
+willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het
+groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in
+zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze
+vreedzame plaats trokken.
+
+Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze
+er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar
+haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit
+gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.
+
+Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt.
+De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als
+ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan
+aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem
+gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten.
+Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de
+kopjes doet--alles overvloedig.
+
+Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij
+durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten
+doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie
+gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt
+hij zveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat
+hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht.
+Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu
+haar onthaalt, dt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit
+de nauwe straat te lokken.
+
+Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen
+keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de
+loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij
+eens aannemen.
+
+Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten,
+denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk
+een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om
+zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman
+is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't
+zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze
+weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij
+schenkt ieder weer een volle kop in.
+
+"Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een
+lange reis!"
+
+Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit
+kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.
+
+Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij
+zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan
+tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.
+
+"Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer
+drinken wilt!"
+
+Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden
+vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.
+
+Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij
+en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken
+rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier
+hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.
+
+"Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben
+gehad," zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de
+zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer
+van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er
+niet verder over door.
+
+De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze
+werkelijk tot een gesprek uitlokken.
+
+"Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen," zegt hij.
+
+De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar
+oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er
+niet toe. "Ja, en wat vliegen ze mooi!" zegt ze.
+
+Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige
+een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt
+ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het
+hier zoo genoeglijk.
+
+En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het
+gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is
+volkomen met zijn lot tevreden.
+
+Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen.
+Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een
+heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen
+heerschte.
+
+Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en
+wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan
+verder.
+
+Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne
+gelaatskleur en groote, smeekende oogen.
+
+"Dag Kristenssen," zegt ze en komt aarzelend dichterbij.
+
+De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de
+handen niet uit den zak.
+
+"Dag Anna."
+
+"Je was van morgen niet bij 't zeilen."
+
+"Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't
+begraven van den duitschen matroos."
+
+"Maar van avond kom je toch zeker mee dansen."
+
+Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.
+
+"Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je
+weet wel, dat ik morgen weg moet."
+
+"Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen."
+
+"Dag Anna."
+
+Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer
+zachtjes te fluiten.
+
+De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht
+gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over
+hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever
+bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.
+
+Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze
+moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor
+'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder
+uit: "Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!"
+
+De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij
+blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier
+aldoor zou willen blijven.
+
+Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge
+zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde
+steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en
+steunt haar.
+
+Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij
+zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.
+
+En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt,
+maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.
+
+"Hij is bang," denk ik. "Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken
+schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist
+als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn
+moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?"
+
+Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben
+gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel
+geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den
+man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de
+kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee
+aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten,
+hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door
+zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft
+verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige
+haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de
+zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen
+verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder
+voorbehoud geschonken wordt.
+
+
+V.
+
+De Ster.
+
+_(Brief van een Zweedsch arbeider)._
+
+ ... 20 April 1917.
+
+Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar
+beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte
+gezien. Die valt--en valt en komt elken dag nader!
+
+Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben
+ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten
+met de Openbaring voor me, om er profetien uit te zoeken. Ik houd me
+alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die
+spreken in waanzin.
+
+Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en
+pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een
+Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche
+gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en
+rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden,
+en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik
+heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan
+verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.
+
+Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef
+niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in
+een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld,
+en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden.
+Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb
+ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van
+groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat
+alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte
+en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.
+
+Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't
+heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er
+toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want
+ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten
+zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me
+duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde
+moest komen.
+
+Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar
+een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op
+wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden,
+zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je
+denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen,
+en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare
+machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid
+is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die
+geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en
+houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij
+maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang
+en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen
+ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag
+menschen tusschen de machines raken.
+
+Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo
+kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en
+een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de
+oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe
+arbeiders wou probeeren.
+
+Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig
+geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken
+wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen.
+Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk
+moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den
+rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de
+revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht
+verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk,
+dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was
+of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog
+iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste
+had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.
+
+Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe
+celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten
+luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te
+vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige
+gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te
+worden. "Jelui moet niet zoo angstig wezen," zeg ik tot hen. "'t Kwam
+alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo
+moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat
+we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal
+vernietigen," maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was
+of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende
+niet vol was.
+
+En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen
+ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen,
+overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster
+naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in
+den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging,
+links en rechts.
+
+Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was
+die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.
+
+"Sta op," zei de stem. "Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op
+aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote
+hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in
+Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal
+niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan
+de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de
+bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.
+
+Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het
+uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn
+zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.
+
+Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden
+en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal
+uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der
+aarde zullen gespaard blijven."
+
+En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan
+elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan
+had, sprak zij opnieuw.
+
+"Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult
+dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de
+autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken
+vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered
+worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is.
+Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen
+over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om
+een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten,
+zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten."
+
+Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.
+
+Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot
+mij zelf: "Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou
+spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de
+geheele wereld?"
+
+Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan
+de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de
+sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren
+en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?
+
+Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen
+boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de
+Openbaring voor me, om er de profetien uit te zoeken; maar sinds dien
+nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn
+lichaam.
+
+Er is geen tijd voor twijfel.
+
+Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de
+heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik
+nadert...
+
+
+VI.
+
+De Brandstapel.
+
+_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._
+
+Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik
+niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke
+gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te
+zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.
+
+Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb
+juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en
+wat men "dichtervrede" noemt--daar geniet ik niet veel van. Ik zit in
+een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberi, en ik heb
+negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.
+
+Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles
+doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen
+liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze
+niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't
+verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik
+me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.
+
+Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil
+me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde
+werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben
+over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.
+
+Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de
+gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig
+van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze
+ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten,
+die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen
+onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberi gezonden.
+
+Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen
+bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer
+opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog
+betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn
+hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde,
+toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen
+verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.
+
+Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag
+ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet
+ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?
+
+Er kan maar n bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht,
+opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen
+gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten
+zal en nooit tot een vergelijk zal komen.
+
+Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm
+te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden,
+die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak
+uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die
+niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen
+worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een
+beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter
+aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt
+zich om om te zien wat daar valt.
+
+Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in
+een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet
+schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie
+jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn z versleten, dat
+ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het
+venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp
+komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord,
+dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem
+smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven
+in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberi.
+
+Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische
+gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn
+velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben
+nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.
+
+Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de
+wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en
+boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven
+en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit
+vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden
+zooals vonken hooibergen aansteken.
+
+Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van
+het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En
+als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den
+oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt
+en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun
+huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle
+oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en
+met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En
+dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.
+
+Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige
+heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed:
+hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste
+ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook
+de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn
+proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden
+verteerd.
+
+En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten
+vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn
+schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en
+kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.
+
+Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot
+vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeers, de
+vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde
+voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het
+menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog
+bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar
+verdrukker!
+
+Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn
+woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den
+vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen.
+Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.
+
+Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet
+sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven
+wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten
+vrede-brandstapel.
+
+Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen,
+en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het
+ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn
+gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze
+hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik
+zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.
+
+Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn
+gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet
+goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberi
+is gestorven.
+
+Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de
+menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt
+voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te
+steken?
+
+Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberi. Er is
+typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.
+
+Mijn arme verzen, zullen zij leven?--Zullen zij leven, als ik uit dit
+leven zal zijn heengegaan?
+
+
+VII.
+
+Gustav Frding.
+
+_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Frding in 't Koninklijk
+Theater in Stockholm)._
+
+ 8 Febr. 1921.
+
+ Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,
+ Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden
+ In het land van den Klarelf,
+ Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodien
+ En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;
+ Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig
+ En hun macht was als die van den liefdedronk,
+ Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.
+
+ Zeg mij, Wermelands dochters!
+ Gij, die dwaalt over de bergen,
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
+ Waarom is zijn harp verstomd?
+ Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek
+ In de maneschijnsnachten?
+ Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:
+ "O, waar zijt gij?"
+
+ Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,
+ Als de dans van de dochter van een grooten koning,
+ Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,
+ Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,
+ Als zonneschijn na stormvlagen,
+ Als dauw in de droogte van den zomer.
+ 't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.
+
+ Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,
+ Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;
+ Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,
+ Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans;
+ Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.
+ Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,
+ Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,
+ Waar de schuimvlokken rondvliegen
+ En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.
+
+ Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,
+ Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,
+ Hij was de speelman, die in den stroom speelt,
+ Hij was de stroomgeest met gouden harp,
+ Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,
+ Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.
+
+ En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.
+ Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;
+ Hij speelde alles wat hij gehoord had;
+ Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,
+ Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de
+ zaligheid.
+ En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;
+ Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop
+ En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,
+ Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,
+ Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,
+ Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,
+ Maar zijn harp was als die van Danil;
+ Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van
+ smart.
+
+ Vele dagen zijn voorbijgegaan,
+ Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend,
+ bij den waterval.
+ Waarom zijn die tonen verstomd,
+ Die een lichtglans wierpen over de ziel,
+ Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?
+
+ Zeg mij, Wermelands dochters!
+ Gij, die de kudde hoedt op de bergen,
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,
+ Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?
+ Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,
+ Die niemand kon doorbreken,
+ Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?
+ Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.
+ Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,
+ Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering
+ En door velen geerd en benijd wordt.
+ Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen
+ En zich met ringen en kettingen getooid.
+ De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en
+ edelgesteenten.
+ O, gij Wermelands dochters!
+ Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?
+
+ Onze vriend was als een heel schuwe vogel;
+ Hij was teer als de bloem van den meidoorn
+ En licht te breken als de wilg aan den oever.
+ Gij, Wermelands dochters!
+ Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde,
+ als hij speelde?
+
+ Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.
+ Met groote kunst greep hij in de snaren
+ En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,
+ De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.
+ Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,
+ Zooals die komen kan over de watergeesten,
+ En zijn spel werd woest en grillig.
+
+ Zeg mij, gij Wermelands dochters!
+ Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?
+ Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?
+ Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?
+ Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,
+ Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?
+
+ Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren
+ Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:
+ "Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?
+ Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?
+ Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis
+ brengt?"
+
+ Toen zweeg de gouden harp,
+ Toen zonk de speelman neer in den waterval,
+ Toen ging een rilling door het sparrenwoud,
+ Toen bruiste de waterval toornig en woest,
+ Als wilde hij een vijand aanvallen.
+
+ Zeg mij, gij Wermelands dochters!
+ Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?
+ Hij was teer als de bloem van den meidoorn
+ En licht te breken als de wilgetak.
+ Hij was een heel schuwe vogel.
+ Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,
+ Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar
+ zaligheid?
+
+ Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?
+ Ge wacht te vergeefs aan den oever.
+ Ach! Wermelands dochters!
+ Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,
+ Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,
+ Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,
+ Met handen als vlammen snel zich bewegend,
+ Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.
+
+ Als ge hem nu nog weerziet
+ Ligt hij stil op de golven,
+ Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,
+ Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van
+ de bergen,
+ Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,
+ De vreeselijke oogen van den watergeest,
+ Die van geen hoop of verlangen weten,
+ Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.
+
+ Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,
+ Sinds we de harp van onzen vriend hoorden
+ In het land van de Klarelf,
+ Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodien
+ En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,
+ Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!
+ Gij, die de kudden weidt op de bergen
+ Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.
+ Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;
+ Want onze vriend was meer dan alle anderen,
+ Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels
+ En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk
+ En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. f3.90 EN EEN
+PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG
+PAULI, PRIJS IN PRACHTB. f5.50.
+
+=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND f5.50.
+
+=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND f5.90.
+
+=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. f4.50.
+
+=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50.
+
+=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN f4.50.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f4.90.
+
+=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB.
+f5.90.
+
+=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50.
+
+=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f4.90.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
+f4.90.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. f4.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND f3.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50.
+
+=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f2.90.
+
+=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f2.50.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND
+f2.50.
+
+=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50.
+
+
+
+
+ +--------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: |
+ | C: EERSTE DEEL. |
+ | B: van Zuster Oliva 95 |
+ | C: van Zuster Olive 95 |
+ | B: de bleek had gelegen 't Was |
+ | C: de bleek had gelegen. 't Was |
+ | B: ze allemaal: Stine en Line, en |
+ | C: ze allemaal: Stina en Lina, en |
+ | B: als je oud werdt, kwam |
+ | C: als je oud werd, kwam |
+ | B: brood te kunnen verdienen. |
+ | C: brood te kunnen verdienen." |
+ | B: zijn beenen kunnen staan. |
+ | C: zijn beenen kunnen staan." |
+ | B: toe ge-geroeid, en 't was |
+ | C: toe geroeid, en 't was |
+ | B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA. |
+ | C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. |
+ | B: had, daar had ik geen lust in." |
+ | C: had, daar had ik geen lust in."" |
+ | B: zijn eigen kant uit. |
+ | C: zijn eigen kant uit." |
+ | B: brengen en nuttig zijn," zei ze. |
+ | C: brengen en nuttig zijn," zei ze." |
+ | B: kerk in de wildernis. |
+ | C: kerk in de wildernis." |
+ | B: hij zeggen. "en wat heeft het |
+ | C: hij zeggen, "en wat heeft het |
+ | B: in Zijn barmhartigheid: "Gij zult |
+ | C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult |
+ | B: het vervloekte land: Siberie. |
+ | C: het vervloekte land: Siberi. |
+ | B: Waar Wermeland's zonen en dochters |
+ | C: Waar Wermelands zonen en dochters |
+ | B: mij, Wermeland's dochters! |
+ | C: mij, Wermelands dochters! |
+ | |
+ +--------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+***** This file should be named 38920-8.txt or 38920-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38920-8.zip b/38920-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..7c33829
--- /dev/null
+++ b/38920-8.zip
Binary files differ
diff --git a/38920-h.zip b/38920-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..558eff9
--- /dev/null
+++ b/38920-h.zip
Binary files differ
diff --git a/38920-h/38920-h.htm b/38920-h/38920-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..479e712
--- /dev/null
+++ b/38920-h/38920-h.htm
@@ -0,0 +1,4985 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl">
+
+<head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+
+ <title>
+ Vonken, by Selma Lagerlf
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;
+ letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-size: 350%;}
+h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; font-weight: normal; font-size: 125%;}
+h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 1.5em;
+ font-weight: normal; font-size: 100%;}
+h4 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; font-weight: normal; font-size: 100%;}
+
+h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+
+p {text-align: justify; text-indent: 1em;}
+p.tp {margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+p.subh4 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em;
+ font-variant: small-caps; font-weight: normal; font-size: 100%;}
+p.brief {margin-left: auto; margin-right: auto; text-align: center;
+ text-indent: 0; width: 80%;}
+p.datum {text-align: right; margin-right: 2em;}
+
+div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 0.5em; text-align: center;}
+div.voorblad {margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; text-align: center;
+ letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 140%;}
+div.verso {margin-top: 10em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;
+ width: 47em; font-size: 50%; text-align: center;
+ font-weight: bold; border-top: 1px solid black;}
+div.ad {width: 32em; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+div.ad2 {width: 24em; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+.boek {text-indent: 0em;}
+.adsl {display: block; letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em; font-size: 225%;}
+.krant {text-indent: 5em; margin-top: 1em; margin-bottom: .7em; font-size: 75%;}
+.recensie {text-indent: 1em; font-size: 75%;}
+
+/* TB */
+hr {width: 33%; clear: both; border: 1px solid black;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+hr.hrtp {width: 10%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;}
+hr.tb {border-style: none;}
+hr.chend {width: 19%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
+hr.chbegin {width: 14%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;}
+
+.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right;
+ font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal;
+ letter-spacing: normal; color: #888888;}
+span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";}
+
+/* TABLES */
+table {margin-left: auto; margin-right: auto;
+ padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;}
+.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; font-size:85%;}
+td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+td.tdc {text-align: center; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;
+ padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;}
+td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+
+/* ALIGN */
+sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;}
+.mixcap {font-variant: small-caps;}
+.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+.smalled {letter-spacing: -0.1em; word-spacing: -0.1em;}
+ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+ins.info {border-bottom: 1px dotted green; text-decoration: none;}
+
+/* IMAGES */
+img {border: 0;}
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+/* POETRY */
+.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;}
+.poem br {display: none;}
+.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+
+.poem div.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;}
+.poem div.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;}
+
+.adcent {text-align: center; text-indent: 0em;}
+.size60 {font-size: 60%;}
+.size67 {font-size: 67%;}
+.size75 {font-size: 75%;}
+.size85 {font-size: 85%;}
+.size125 {font-size: 125%;}
+.size140 {font-size: 140%;}
+.size150 {font-size: 150%;}
+.size225 {font-size: 225%;}
+
+/* FRACTIONS */
+.fraction {display: inline; font-size: 100%; white-space: nowrap;}
+.above {position: relative; margin: 0; padding: 0; vertical-align: 0.4em; font-size: 67%;}
+.below {position: relative; margin: 0; padding: 0; vertical-align: -0.4em; font-size: 67%;}
+
+/* Transcriber Note */
+.TNbox {border: 1px solid; padding: 1em; font-family: sans-serif; font-size: 90%;}
+.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;}
+.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;}
+.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;}
+.TNbox th {text-align: left;}
+.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;}
+td.td2 {width: 20%;}
+td.td4 {width: 40%;}
+
+@media screen
+{ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;}
+ p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em;}
+ .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; background-color: #dddddd;}
+ ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+}
+
+@media print
+{ p {margin: 0;}
+ .pagenum {display: none;}
+ ins {border: none;}
+}
+
+@media handheld
+{ body {margin-left: 2%; margin-right: 2%;}
+ p {margin-top: .2em; margin-bottom: .2em;}
+ .pagenum {display: none;}
+ ins.corr2 {border: none; text-decoration: none;}
+}
+
+ </style>
+</head>
+
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vonken
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="TNbox">
+
+ <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2>
+
+ <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.
+ Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p>
+
+ <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p>
+
+ <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
+ <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>,
+ waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
+ Variaties in spelling zijn behouden.</p>
+
+ <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p>
+
+ <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn
+ dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+</div>
+
+<div class="figcenter" style="width: 423px;">
+ <img src="images/cover.jpg" width="423" height="600" alt="" />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="-">&nbsp;</span><a id="p_ad1"></a></p>
+
+<div class="ad">
+
+ <p class="adcent size75">Bij den Uitgever van dit boek verscheen van <span class="mixcap">Selma Lagerlf</span>:</p>
+
+ <p class="adcent size150"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/29320" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #29320 beschikbaar.">Niels Holgersson's Wonderbare Reis</a></p>
+
+ <p class="adcent size75">Prijs ingenaaid &fnof;&nbsp;<b class="size125">4.90</b>;
+ gebonden in prachtband &fnof;&nbsp;<b class="size125">5.90</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>Jan Ligthart</b>:</p>
+
+ <p class="recensie"><b>Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>Het Nieuws van den Dag</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische
+ dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den
+ voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen,
+ die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt
+ meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende
+ verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft een
+ filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels wordt
+ tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan allerlei
+ beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en beter
+ geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder
+ opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is
+ dit te zijn.</p>
+
+ <p class="recensie"><b>Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor
+ kinderen.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>De Nederlander</b>:</p>
+
+ <p class="recensie"><b>Een mooi boek.</b> Het &bdquo;sprookje&rdquo; heeft een filosofischen ondergrond, zooals
+ men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma Lagerlf
+ haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld gebracht.
+ <b>Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend geschenk.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>De Tijd</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Dit werk van Selma Lagerlf heeft iets wonderbaars in zich, van dat
+ sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken
+ meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naeve
+ bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de
+ zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere
+ waarde.</p>
+
+ <p class="krant"><b>De Avondpost</b> (<span class="mixcap">H. J. Stratenmeijer</span>):</p>
+
+ <p class="recensie"><b>De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer
+ en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>De Nieuwe Arnhemsche Courant</b>:</p>
+
+ <p class="recensie"><b>Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra
+ populair zal worden.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>De Hofstad</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Een prachtig sprookje la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond
+ van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd
+ en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n
+ tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste pozie, waar
+ doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlf's phantasie
+ laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op
+ vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden. </p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="-">&nbsp;</span><a id="p_ad2"></a></p>
+
+<div class="ad">
+
+ <p class="adcent size85"><i>Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede</i>:</p>
+
+ <p class="adcent size225 smalled"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">De Wonderen van den Anti-Christ</a></p>
+
+ <p class="adcent size85 mixcap">Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLF</p>
+
+ <p class="adcent size60">DOOR</p>
+
+ <p class="adcent size85">MARGARETHA MEIJBOOM.</p>
+
+ <p class="adcent size67">TWEEDE DRUK.</p>
+
+ <p class="adcent size85">Prijs ingenaaid &fnof;&nbsp;<b class="size125">3.90</b>;
+ gebonden &fnof;&nbsp;<b class="size125">4.90</b></p>
+
+ <p class="adcent"><b>Eenige Bladen over &bdquo;De Wonderen van den Anti-Christ&rdquo;.</b></p>
+
+ <div class="figcenter" style="width: 411px;">
+ <img src="images/ill_ad.png" width="411" height="3" alt="" />
+ </div>
+
+ <p class="krant"><b>De Kerkelijke Courant</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar
+ vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar
+ fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo
+ gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek
+ speelt op het eiland Sicili met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het
+ Socialisme tegenover het Christendom. &bdquo;Hebt uw schat in den hemel,&rdquo; zegt
+ het laatste. &bdquo;Hebt uw schat op aarde,&rdquo; predikt het eerste. Het slot is,
+ wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar
+ trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien
+ of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: &bdquo;Alle menschen
+ klagen.&rdquo; Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop
+ zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: &bdquo;Alle menschen
+ juichen.&rdquo; Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten
+ derden male uit, die terugkeerende zei: &bdquo;Sommigen weenen en sommigen
+ lachen.&rdquo; Toen verklaarde God de wereld gereed.</p>
+
+ <p class="krant"><b>Het Vaderland</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.</p>
+
+ <p class="krant"><b>Het Nieuws van den Dag</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.</p>
+
+ <p class="krant"><b>Nederland</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in
+ haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer
+ boeiend.</p>
+
+ <p class="krant"><b>De Telegraaf</b>:</p>
+
+ <p class="recensie">Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm
+ aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, genspireerd
+ door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="i">&nbsp;</span><a id="p_i"></a></p>
+
+<div class="voorblad">VONKEN</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="ii">&nbsp;</span><a id="p_ii"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="iii"><br />&nbsp;</span><a id="p_iii"></a></p>
+
+<div class="title">
+
+ <h1>VONKEN</h1>
+
+ <p class="tp size85">NAAR HET ZWEEDSCH</p>
+
+ <p class="tp size60">VAN</p>
+
+ <p class="tp size140 ls2">SELMA LAGERLF</p>
+
+ <p class="tp size60">DOOR</p>
+
+ <p class="tp">MARGARETHA MEIJBOOM</p>
+
+ <p class="tp size67">GEAUTORISEERDE UITGAVE</p>
+
+ <hr class="hrtp" />
+
+ <p class="tp"><span class="size67">AMSTERDAM</span><br />
+ <span class="size85">H. J. W. BECHT</span></p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="iv">&nbsp;</span><a id="p_iv"></a></p>
+
+<div class="verso">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="v">&nbsp;</span><a id="p_v"></a></p>
+
+<h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<table class="toc" summary="">
+<tbody>
+ <tr>
+ <td class="tdc" colspan="3"><a href="#EERSTE_DEEL">EERSTE DEEL.</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl" colspan="2"></td>
+ <td class="tdr mixcap size75">Bladz.</td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#DOODSKOP">De Doodskop</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#ZONSVERDUISTERING">De Zonsverduistering</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_19">19</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#LANDVERHUIZING">Iets over Landverhuizing</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_29">29</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#KALLE_FRYKSTEDT">Kalle Frykstedt</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_38">38</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#LEGENDE">De Legende van den Luciadag</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_50">50</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#KANONNIER">De Kanonnier</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_87">87</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#OLIVE">De Geschiedenis van Zuster <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: Oliva">Olive</ins></a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_95">95</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdc" colspan="3"><a href="#TWEEDE_DEEL">TWEEDE DEEL.</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#PRINSES">De Prinses van Babyloni</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_117">117</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#STEMMINGEN">Stemmingen uit den Oorlogstijd</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_124">124</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4I">I.</a></td>
+ <td class="tdl">'t Schreien van Rachel</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_124">124</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4II">II.</a></td>
+ <td class="tdl">De verlaten Kerk</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_133">133</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4III">III.</a></td>
+ <td class="tdl">De Mist</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_139">139</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4IV">IV.</a></td>
+ <td class="tdl">De jonge Zeeman</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_152">152</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4V">V.</a></td>
+ <td class="tdl">De Ster</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_161">161</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4VI">VI.</a></td>
+ <td class="tdl">De Brandstapel</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_169">169</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td class="tdr"><a href="#h4VII">VII.</a></td>
+ <td class="tdl">Gustav Frding</td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_176">176</a></td>
+ </tr>
+
+</tbody>
+</table>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="vi">&nbsp;</span><a id="p_vi"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="1"><br />&nbsp;</span><a id="p_1"></a></p>
+
+<h2><a id="EERSTE_DEEL"></a><ins class="corr" id="corr2" title="Niet in Bron.">EERSTE DEEL.</ins></h2>
+
+<h3><a id="DOODSKOP"></a>DE DOODSKOP.</h3>
+
+<p>Er was eens een man in de gemeente Svartsj in Wermeland, die op een
+Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond,
+maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg
+wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de
+schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te
+halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef
+dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.</p>
+
+<p>De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan,
+en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was
+uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij
+gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw
+was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als
+geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de
+Kersttafel?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="2">&nbsp;</span><a id="p_2"></a></p>
+
+<p>&bdquo;'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen,&rdquo; zei
+hij, &bdquo;'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden
+om Kerstavond in mijn huis te vieren.&rdquo;</p>
+
+<p>Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen
+van de menschen in Svartsj,&mdash;nog nooit was het iemand in die
+gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen,
+omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook
+geen gewone doodgraver. Hij heette Anders ster en was uit een oud
+speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers
+geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was
+geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.</p>
+
+<p>Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een
+betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming,
+waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't
+kerkhof moeten vragen,&rdquo; mompelde hij, &bdquo;die zullen zich ten minste niet
+schamen om op een feest bij den doodgraver te komen.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="3">&nbsp;</span><a id="p_3"></a></p>
+
+<p>Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het
+kerkhof van Svartsj loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij
+zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan
+daar ernst van te maken.</p>
+
+<p>Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond,
+wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat
+scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien
+wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering
+niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en
+steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven,
+en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.</p>
+
+<p>In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een
+mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval
+in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het
+knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets
+zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn
+hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een
+eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden <span class="pagenum" title="4">&nbsp;</span><a id="p_4"></a>gebruikte, behalve
+als hij in zijn allerslechtste humeur was.</p>
+
+<p>&bdquo;Goeden avond, goeden avond!&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik ben blij dat ik u ontmoet.
+Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik
+u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen.
+Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te
+komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten
+en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de
+hand, als om 't antwoord af te wachten.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja&mdash;u zegt ten minste geen: Nee,&rdquo; ging hij voort, toen hij een
+behoorlijken tijd had gewacht, &bdquo;dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik
+woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet
+ver te loopen.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen lachte Anders ster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging
+naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.</p>
+
+<p>'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in
+'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't
+voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed <span class="pagenum" title="5">&nbsp;</span><a id="p_5"></a>zag hij iets, dat niet
+geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk
+op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis.
+Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den
+natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder
+oogenblik kunnen komen,&rdquo; zei de man, terwijl hij binnen kwam.</p>
+
+<p>Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi
+met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo, er was niemand die komen wou,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ja, dat dacht ik wel.
+Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond
+uitgaat.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen
+komen,&rdquo; zei hij, z heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was.
+&bdquo;Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam,&rdquo; ging hij
+onverschillig voort, &bdquo;maar hij komt wat later.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en
+'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar Anders ster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd
+werd. Hij bleef in de <span class="pagenum" title="6">&nbsp;</span><a id="p_6"></a>gang staan; hij stond de schurende vrouw in den
+weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem
+stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de
+kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open
+haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en
+Anders ster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets
+ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van
+geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken,
+aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote
+ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek,
+schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen
+rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en
+onverstoorbare kalmte.</p>
+
+<p>De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit
+zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn
+van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders ster deftig en prettig
+voor, en hij zei tegen zijn vrouw:</p>
+
+<p>&bdquo;Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in
+de kerkeraadskamer dekken. <span class="pagenum" title="7">&nbsp;</span><a id="p_7"></a>Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren
+wil.&rdquo;</p>
+
+<p>De vrouw zag heel verschrikt op.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat bedoel je?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Wil je hier beneden zitten drinken met dien
+gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de
+vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van
+de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon
+er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.</p>
+
+<p>Maar Anders ster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond
+alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.</p>
+
+<p>&bdquo;Wees nu niet lastig, Bolla!&rdquo; zei hij. &bdquo;Ik zeg je, dat ik hier van avond
+wil zitten met ons Kerstmaal.&rdquo;</p>
+
+<p>'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die
+hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel
+zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats
+konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige
+mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als
+een aanzienlijk man, een groote boer, en dr had hij behoefte aan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="8">&nbsp;</span><a id="p_8"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat
+doet,&rdquo; zei zijn vrouw. &bdquo;Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik
+leef.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen zijn vrouw zich z beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn
+woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in
+hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij
+antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in.
+Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.</p>
+
+<p>Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de
+leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te
+schuren.</p>
+
+<p>&bdquo;Bolla, Bolla,&rdquo; zei hij met een stem z zacht en hoog, dat ze bijna
+suikerzoet klonk! &bdquo;Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel
+in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat meen ik!&rdquo; riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had,
+dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze
+wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't
+geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.</p>
+
+<p>Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik <span class="pagenum" title="9">&nbsp;</span><a id="p_9"></a>stond de gang vol rook
+en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.</p>
+
+<p>&bdquo;Almachtige God!&rdquo; Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar
+buiten in 't donker.</p>
+
+<p>ster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend,
+zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer
+naar boven en hing het aan den wand.</p>
+
+<p>Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals hij
+'t hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang om den
+doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor het
+feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij legde
+het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie
+kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten
+boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden met
+verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een
+schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst
+sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel
+met een kring glazen om de kraan heen.</p>
+
+<p>Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel <span class="pagenum" title="10">&nbsp;</span><a id="p_10"></a>zitten, at en
+dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.</p>
+
+<p>'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem z kwelde,
+dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het
+schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet
+anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.</p>
+
+<p>Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten?
+Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar
+zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan,
+en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.</p>
+
+<p>Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze
+tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de
+baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten.
+Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn
+huwelijk.</p>
+
+<p>Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje,
+toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort
+van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="11">&nbsp;</span><a id="p_11"></a></p>
+
+<p>Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt,&rdquo; zei
+hij. &bdquo;Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga
+halen.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam
+spoedig terug met den doodskop in de hand.</p>
+
+<p>Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en
+droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt
+zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.&mdash;</p>
+
+<p>Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die
+vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die
+probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar
+uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun
+Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof
+ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij heeft op me geschoten!&rdquo; dacht ze telkens weer. &bdquo;Hij heeft me willen
+vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!&rdquo;</p>
+
+<p>Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet <span class="pagenum" title="12">&nbsp;</span><a id="p_12"></a>geteld hebben. Maar hij
+was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.</p>
+
+<p>Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden
+meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen
+dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid
+voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen
+hadden doorgemaakt.</p>
+
+<p>Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een paar
+kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele geval.
+Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't
+kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de
+kerkeraadskamer,&rdquo; vertelden ze. En een poos later was het: &bdquo;Nu zit hij
+in den voorzittersstoel te eten en te drinken.&rdquo;</p>
+
+<p>Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er
+iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand
+toe, dien de kinderen niet konden zien.</p>
+
+<p>De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders
+denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die
+<span class="pagenum" title="13">&nbsp;</span><a id="p_13"></a>beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar
+geschoten!</p>
+
+<p>'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was
+niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor
+een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar
+verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende
+gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier
+te overvallen.</p>
+
+<p>'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit
+ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd,
+was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.</p>
+
+<p>Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te
+roeren en de Kersttafel te dekken.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij heeft mij met zijn schot gedood,&rdquo; dacht ze. &bdquo;Het is mij dwars door
+'t hart gegaan.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen
+de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder
+de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar
+niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen
+maar.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="14">&nbsp;</span><a id="p_14"></a></p>
+
+<p>'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het
+waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te
+kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten
+nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en
+meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Er is iets met hem gebeurd,&rdquo; dacht ze. &bdquo;Hij is niet meer dezelfde,
+die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek
+geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze stond op van haar plaats en zei zacht: &bdquo;Ik dank jelui wel,&rdquo; en ging
+naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten
+en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het
+gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep&mdash;dan hij
+zelf.</p>
+
+<p>Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar
+daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats.
+Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag
+alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="15">&nbsp;</span><a id="p_15"></a></p>
+
+<p>Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel
+stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op
+den doodskop.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie daar eens naar,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Zie je wel, dat hij geschoten&mdash;vermoord is?&rdquo; zei hij. &bdquo;Dat is geen
+zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter
+het oor.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat zie ik,&rdquo; zei ze en een siddering van verwachting kwam over
+haar.</p>
+
+<p>&bdquo;Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente
+is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en
+ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd
+zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de
+eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een
+schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.</p>
+
+<p>&bdquo;Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den
+grond van 't kerkhof <span class="pagenum" title="16">&nbsp;</span><a id="p_16"></a>kwamen te liggen, is er misschien maar n, die
+door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond
+bij mij.&rdquo;</p>
+
+<p>De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met
+het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar
+toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat,
+kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon
+dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de
+duisternis buiten te laten liggen, en dan ook&mdash;ik wou iemand hebben om
+mee te spreken. En toen ik hem vr mij op de tafel zette en een glas
+inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een
+schot was verbrijzeld.</p>
+
+<p>Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam
+hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen
+moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat was zeker God,&rdquo; fluisterde zij en vouwde de handen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde hij&mdash;ook fluisterend. &bdquo;Zoo <span class="pagenum" title="17">&nbsp;</span><a id="p_17"></a>is het. Het was Gods wil.
+Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat
+het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn
+groote zonde en ellende zou inzien.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en
+stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als
+van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei
+hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden
+met hen had en hen wilde redden.</p>
+
+<p>Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De
+vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze
+had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen.
+De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis
+zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al
+hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze
+nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over
+hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke&mdash;dat ze er toe zouden
+komen elkaar te haten.</p>
+
+<p>God wilde hun weldoen, en daarom had Hij <span class="pagenum" title="18">&nbsp;</span><a id="p_18"></a>hun een waarschuwer gezonden.
+Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten ook
+hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste
+geluk, dat menschen kunnen genieten.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="19">&nbsp;</span><a id="p_19"></a></p>
+
+<h3><a id="ZONSVERDUISTERING"></a>DE ZONSVERDUISTERING.</h3>
+
+<p>Het waren Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude
+vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den
+grooten heuvel, in een streek, die z woest en vol steenen was, dat
+geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te
+slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere
+had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een
+heuvel, die z steil was, dat het een heel werk was om boven te komen.
+En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men er
+zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er niet
+op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen
+hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar
+hut. En dat had veel moeite gekost, <span class="pagenum" title="20">&nbsp;</span><a id="p_20"></a>want zeker was het waar, dat er
+allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar,
+dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel
+steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een
+schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe
+slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen
+hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg
+uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend
+tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een
+overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor
+hen in orde was gebracht.</p>
+
+<p>Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want
+al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun
+kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen
+kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine
+kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen
+gezelschap noemen.</p>
+
+<p>Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat
+ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat
+ze <span class="pagenum" title="21">&nbsp;</span><a id="p_21"></a>zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid
+toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn
+van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze
+daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens
+menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en
+over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren
+spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om
+die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.</p>
+
+<p>'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen.
+Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de
+heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden
+ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en
+suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje
+in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk
+was&mdash;dat was een aanleiding te vinden.</p>
+
+<p>Want allen:&mdash;Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't
+kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en
+Elin, de nieuwe vrouw in 't oude <span class="pagenum" title="22">&nbsp;</span><a id="p_22"></a>soldatenhuis, en de twee, drie andere
+oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag
+ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met
+je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een
+slechten naam kunnen krijgen.</p>
+
+<p>En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een
+koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan
+hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap
+genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis
+gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den
+heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een
+heilige dag was.</p>
+
+<p>Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De
+meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote
+gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of
+dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen,
+die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een
+geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren
+vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te
+zetten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="23">&nbsp;</span><a id="p_23"></a></p>
+
+<p>Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en
+eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze
+wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets
+tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat
+iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.</p>
+
+<p>Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is
+uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar
+familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was hl
+oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en
+ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker
+hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed
+koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een
+koffiefeest voor een kat te geven.</p>
+
+<p>Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar
+almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar
+bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het
+koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten
+en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door,
+zonder iets te vinden; maar <span class="pagenum" title="24">&nbsp;</span><a id="p_24"></a>dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist
+dat van daar de hulp moest komen.</p>
+
+<p>Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het
+1912<sup>de</sup> na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen
+op den 17<sup>den</sup> April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en
+eindigen om twee uur 49 minuten en <span class="fraction"><span class="above">9</span>/<span class="below">10</span></span> van den zonnediameter
+verduisteren.</p>
+
+<p>Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in
+eens werd het helder licht in haar binnenste. &bdquo;Nu weet ik wat ik doen
+zal,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<p>Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde. Zij
+wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden
+lachen.</p>
+
+<p>Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de
+gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon
+te overleggen of zij 't niet wagen zou.</p>
+
+<p>Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar
+ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen
+winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen,
+die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug
+zou komen. De zon was de eenige, waar ze <span class="pagenum" title="25">&nbsp;</span><a id="p_25"></a>naar verlangde, de eenige, die
+altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen.
+Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het
+altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er
+zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">.</ins> 't Was
+alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden
+zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als
+een rondwandelend lijk.</p>
+
+<p>Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag
+in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar
+vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke
+overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.</p>
+
+<p>'t Was nog maar kort vr den 17<sup>den</sup> April; maar er was nog tijd
+genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de
+zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: <ins class="corr" id="corr4" title="Bron: Stine">Stina</ins> en
+<ins class="corr" id="corr5" title="Bron: Line">Lina</ins>, en Kaisa
+en Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmrkret koffie te drinken. Ze
+dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder
+andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had
+aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar daar
+dachten <span class="pagenum" title="26">&nbsp;</span><a id="p_26"></a>ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was, toen
+de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag en
+er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van
+'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,&mdash;toen alleen
+voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en
+toen ging het weer over.</p>
+
+<p>Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan den
+hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit
+zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar&mdash;toen zagen ze de oude
+Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag
+neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Weer straalt het heldre zonnelicht!<br /></div>
+ <div class="i1">Wij danken U o Heer,<br /></div>
+ <div class="i0">Met kracht en moed en nieuwe hoop.<br /></div>
+ <div class="i1">Zie zeegnend op ons neer!<br /></div>
+</div>
+</div>
+
+<p>Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar
+terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar
+leven kleur en kracht wilden geven.</p>
+
+<p>Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan <span class="pagenum" title="27">&nbsp;</span><a id="p_27"></a>en zei&mdash;half
+verontschuldigend: &bdquo;Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en
+daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik
+vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't
+donker weer te voorschijn kwam.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en
+begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed
+voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was
+hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te
+leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.</p>
+
+<p>Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en
+vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht
+hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende
+van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een
+geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te
+berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart
+<span class="pagenum" title="28">&nbsp;</span><a id="p_28"></a>en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit
+de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De
+couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde,
+hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de
+verduistering op 't hoogste was gekomen.</p>
+
+<p>Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was&mdash;ik heb niet
+gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmrkret een feest gaf om
+de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te
+voorschijn kwam.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="29">&nbsp;</span><a id="p_29"></a></p>
+
+<h3><a id="LANDVERHUIZING"></a>IETS OVER LANDVERHUIZING.</h3>
+
+<p>Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Hgbro, en de
+eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de
+lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.</p>
+
+<p>Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en
+alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en
+de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was
+benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de
+vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar
+ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van
+gedachten over een en ander te wisselen.</p>
+
+<p>En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op
+de quaestie van landverhuizing.</p>
+
+<p>En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam,
+zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="30">&nbsp;</span><a id="p_30"></a></p>
+
+<p>En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld menamen
+dan iemand wist.</p>
+
+<p>En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente
+den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat
+groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden
+uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.</p>
+
+<p>En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat
+ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de
+jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet
+anders gaan.</p>
+
+<p>En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen,
+wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand
+ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.</p>
+
+<p>En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn
+meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet
+megesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak
+zou zeggen.</p>
+
+<p>Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had,
+die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog
+zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er <span class="pagenum" title="31">&nbsp;</span><a id="p_31"></a>toch nooit zeker van, dat
+hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op
+eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost
+zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de
+kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor
+en de inspecteur van de nieuwe lijn.</p>
+
+<p>Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen
+werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren
+immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen
+tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven.
+Want dat de landverhuizing het land schaadde&mdash;dat was toch zeker niet
+tegen te spreken!</p>
+
+<p>En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen
+voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu
+een ander land ten goede zou komen.</p>
+
+<p>En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel,
+wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende,
+hoorde je nooit wat.</p>
+
+<p>En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen,
+als ze maar zoo verstandig waren niet die photographien naar huis te
+sturen, <span class="pagenum" title="32">&nbsp;</span><a id="p_32"></a>waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren
+juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook
+naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.</p>
+
+<p>En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was,
+dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan
+hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en
+onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.</p>
+
+<p>Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er
+een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen
+glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op,
+want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij
+kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen
+wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de
+anderen over deze zaak.</p>
+
+<p>En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten
+stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar
+verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een
+paar honderd.</p>
+
+<p>En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de <span class="pagenum" title="33">&nbsp;</span><a id="p_33"></a>menschen niet begrepen, dat
+het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar
+Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen
+wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.</p>
+
+<p>'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun
+vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je nog
+jong was, maar als je oud <ins class="corr" id="corr6" title="Bron: werdt">werd</ins>, kwam toch 't verlangen
+naar 't oude land.</p>
+
+<p>Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den
+presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.</p>
+
+<p>Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel
+zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren
+vertrokken.</p>
+
+<p>Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er
+wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.</p>
+
+<p>Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen,
+die om hem heen zaten, strak aan.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,&rdquo;
+zei hij. &bdquo;Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze
+terugkwamen?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="34">&nbsp;</span><a id="p_34"></a></p>
+
+<p>En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen
+over de borst.</p>
+
+<p>Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Hgbro
+dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon
+gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had,
+die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou
+hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem
+had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken.
+En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel
+werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen
+woord.</p>
+
+<p>De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de
+Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele
+gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan
+ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en
+daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes
+onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele
+gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er
+niet toe den proost <span class="pagenum" title="35">&nbsp;</span><a id="p_35"></a>te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar
+te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.</p>
+
+<p>Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het
+sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde
+hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn
+station aankwamen, op het perron zou staan en &bdquo;Hoera!&rdquo; roepen. Maar toen
+dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij
+eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele
+jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was&mdash;hij zou haar toch niet graag
+ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder
+een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te
+antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard
+te zadelen.</p>
+
+<p>Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en
+luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat
+hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste
+zou kunnen bezorgen&mdash;dat zou heelemaal niet moeilijk zijn&mdash;kwam hem in
+de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen,
+er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en <span class="pagenum" title="36">&nbsp;</span><a id="p_36"></a>zoo
+diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle
+huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar
+de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.</p>
+
+<p>En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend
+in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond
+op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een
+paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn
+dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat
+de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had
+gebracht.</p>
+
+<p>De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed
+oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer.
+En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die
+zendingen ophielden.</p>
+
+<p>De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een
+schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens
+gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist
+niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond <span class="pagenum" title="37">&nbsp;</span><a id="p_37"></a>ook
+op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van
+'t toeristbureau, die daar hingen.</p>
+
+<p>Nu zat er nog maar n van de kooplieden aan de tafel; maar hij had
+aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon
+overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht,
+terug zou komen. Want die was z knap in zaken, en had een z
+innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel
+in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd
+gekregen had naar Amerika te gaan.</p>
+
+<p>De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij
+merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de
+tafel zat, wendde hij zich tot hem:</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, wat zegt u er van, Sderberg?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat zou ik ook meenen,&rdquo; zei de proost. &bdquo;Ik wist wel, dat allen tot
+die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te
+denken.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="38">&nbsp;</span><a id="p_38"></a></p>
+
+<h3><a id="KALLE_FRYKSTEDT"></a>KALLE FRYKSTEDT.</h3>
+
+<p>Mijn oude tante, Nanna Lagerlf, die met Tullius Hammargren, den proost
+in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gsta Berlingsaga niet.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo was het leven in dien tijd niet,&rdquo; zei ze tegen mij, kort nadat het
+boek verschenen was. &bdquo;Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist
+geteekend.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en
+hun land zou brengen.</p>
+
+<p>Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had,
+dat van dien kant te hooren.</p>
+
+<p>De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van
+'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen
+enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen
+kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.</p>
+
+<p>Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over
+te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen.
+<span class="pagenum" title="39">&nbsp;</span><a id="p_39"></a>Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor
+Gsta Berling genomen had.</p>
+
+<p>Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was,
+waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde
+opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het
+ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.</p>
+
+<p>De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.</p>
+
+<p>&bdquo;Jawel, Kalle Frykstedt,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik dacht wel, dat je aan hem had
+gedacht.&rdquo;</p>
+
+<p>Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan
+vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.</p>
+
+<p>Haar ouderlijk huis op Mrbacka lag juist een mijl van de pastorie van
+Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.</p>
+
+<p>Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder
+dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest,
+nadat ze getrouwd was.</p>
+
+<p>&bdquo;Was hij toen al door den drank gesloopt?&rdquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Kalle Frykstedt!&rdquo; riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag
+mij z verbaasd <span class="pagenum" title="40">&nbsp;</span><a id="p_40"></a>aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.</p>
+
+<p>Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar
+eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd
+als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette,
+haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij
+hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige
+menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en
+dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof
+ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid
+kwamen.</p>
+
+<p>Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten.
+Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: &bdquo;Wacht eens, nu zul je
+hooren hoe Kalle Frykstedt was,&rdquo; zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu
+zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,&rdquo; begon ze. En nu wist
+ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker
+verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar
+op de jongensschool in Aml was aangesteld en zij zoo verbazend weinig
+hadden <span class="pagenum" title="41">&nbsp;</span><a id="p_41"></a>om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist,
+die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die
+pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat
+ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.</p>
+
+<p>Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten
+had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in
+Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters
+ook predikanten moesten zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Moest hij dan naar Upsala terug?&rdquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, alleen maar naar Karlstad,&rdquo; antwoordde mijn tante. &bdquo;Toen kon je
+dat examen in Karlstad doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Aml en
+verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't
+predikantsexamen duurde.</p>
+
+<p>En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, hoe durfde hij dat te wagen?&rdquo; zei ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, het moest wel,&rdquo; antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog
+te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming
+begonnen.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar ik zou nu niet van ons vertellen,&rdquo; ging <span class="pagenum" title="42">&nbsp;</span><a id="p_42"></a>ze voort, &bdquo;maar van
+Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde
+in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als
+huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem
+overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn
+brood te kunnen verdienen.<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als
+alle andere menschen,&rdquo; zei ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O!&rdquo; riep ik, hl verbaasd. &bdquo;En ik dacht...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,&rdquo; zei mijn tante. &bdquo;Maar hij
+was z knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen,
+toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken&mdash;dat deed hij. Hammargren
+en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor
+een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den
+heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op
+zijn beenen kunnen staan.<ins class="corr" id="corr8" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van
+Gsta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in
+die richting te zeggen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="43">&nbsp;</span><a id="p_43"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?&rdquo; vroeg ik.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten
+graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,&rdquo; voegde
+zij er bij.</p>
+
+<p>Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet
+voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen
+erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten
+van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat
+Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te
+verzorgen krijgen.</p>
+
+<p>Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door
+zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te
+geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den
+kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het
+feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou
+drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen
+gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.</p>
+
+<p>'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat <span class="pagenum" title="44">&nbsp;</span><a id="p_44"></a>zij de voorbereidselen
+maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd
+met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de
+keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar
+eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten
+was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het
+grootste gedeelte van Mrbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en
+zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van
+vrienden en bekenden moest leenen.</p>
+
+<p>Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten
+vragen.</p>
+
+<p>'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de
+examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk
+genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.</p>
+
+<p>Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag
+als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest
+ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar
+verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.</p>
+
+<p>Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die <span class="pagenum" title="45">&nbsp;</span><a id="p_45"></a>eer kwam haar niet toe,
+maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die
+diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets
+plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem
+gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie,
+levendige geestdrift vervuld.</p>
+
+<p>Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk genspireerd kon
+zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone
+toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien
+middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden.
+Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar
+nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de
+hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij
+zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel
+'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.</p>
+
+<p>Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop
+Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en
+begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze
+verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken
+welsprekende en <span class="pagenum" title="46">&nbsp;</span><a id="p_46"></a>diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.</p>
+
+<p>Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks
+aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet
+veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan
+tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij
+den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest,
+dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den
+bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok
+zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed
+te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer
+en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.</p>
+
+<p>Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij
+ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel
+geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij,
+viel om en trok het tafellaken me met al het glaswerk.</p>
+
+<p>Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den
+tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te
+verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen <span class="pagenum" title="47">&nbsp;</span><a id="p_47"></a>ze hoorde, dat er een
+massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en
+verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken
+goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen
+geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen
+mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle
+uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden,
+aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de
+ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet
+beter had verzorgd.</p>
+
+<p>Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante
+droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en
+kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje
+praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante
+onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid
+te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te
+verontschuldigen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet 't niet recht meer...&rdquo; zei hij en streek met de hand over het
+voorhoofd. &bdquo;Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet
+onbehoorlijk gedragen?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="48">&nbsp;</span><a id="p_48"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag
+met haar bekoorlijken glimlach. &bdquo;U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk
+gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed&mdash;dat is
+veel te weinig&mdash;die ons allen in verrukking bracht.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel
+gerustgesteld. &bdquo;Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,&rdquo; zei mijn tante op
+stelligen toon.</p>
+
+<p>Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar
+stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem
+leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich
+verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.</p>
+
+<p>&bdquo;O! wat ben ik blij!&rdquo; had de arme stakker uitgeroepen. &bdquo;Wat ben ik
+blij!&rdquo;</p>
+
+<p>Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote
+aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol
+geest geworden als den vorigen dag.</p>
+
+<p>Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen
+bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er
+lag <span class="pagenum" title="49">&nbsp;</span><a id="p_49"></a>pozie over haar heele wezen, de pozie van de menschen uit den
+ouden tijd.</p>
+
+<p>Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les
+kende, jubelde er in mij iets hoog op.</p>
+
+<p>&bdquo;Mannen en vrouwen uit het verleden,&rdquo; dacht ik, &bdquo;al ontkent ge het
+zelf,&mdash;toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="50">&nbsp;</span><a id="p_50"></a></p>
+
+<h3><a id="LEGENDE"></a>DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.</h3>
+
+<p>Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke,
+gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een
+burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve&mdash;aan
+de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land
+stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden
+opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een
+kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van
+knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te
+betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar
+voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen,
+bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet
+anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den
+inham te gaan.</p>
+
+<p>Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van
+de reizigers te heffen, <span class="pagenum" title="51">&nbsp;</span><a id="p_51"></a>wekte veel verontwaardiging, en 't is
+waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar
+reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als
+zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van
+Brtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.</p>
+
+<p>Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens,
+die z rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die
+door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door
+den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een
+goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar
+schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk,
+dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.</p>
+
+<p>Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er
+iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel
+onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met
+acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden
+genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog
+niet oud was. Wanneer nu <span class="pagenum" title="52">&nbsp;</span><a id="p_52"></a>die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed
+gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar
+nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Brtsholm te wezen,
+dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren
+had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den
+burcht alles regelen en besturen.</p>
+
+<p>Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij
+was, reed zij op een dag naar Brtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn
+eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan
+zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken
+bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan
+zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen
+te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn
+jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat
+er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in n woord,
+waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht
+beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood
+te gemoet ging.</p>
+
+<p>Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men <span class="pagenum" title="53">&nbsp;</span><a id="p_53"></a>zijn schoonmoeder is
+verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit
+alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn
+huishoudster op Brtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die
+oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar
+boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Lieve Eskil,&rdquo; ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was
+van de uitwerking van wat zij zei. &bdquo;Ik weet, dat er nu gelegenheid is
+voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk
+genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan
+een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de
+jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.&rdquo;</p>
+
+<p>Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een
+jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging
+voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met
+de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die
+dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu
+toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was
+daar niet alleen <span class="pagenum" title="54">&nbsp;</span><a id="p_54"></a>geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar
+had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding
+geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.</p>
+
+<p>&bdquo;Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,&rdquo; zeide Vrouw Rangela,
+&bdquo;dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van
+ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal
+niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op rehus,
+als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.&rdquo;</p>
+
+<p>Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen
+aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw
+Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een
+paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela
+volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in
+verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden
+toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het
+voorjaar haar intocht deed op Brtsholm, eenige maanden nadat zij haar
+twintigsten verjaardag had gevierd.</p>
+
+<p>Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest,
+omdat ze haar tot <span class="pagenum" title="55">&nbsp;</span><a id="p_55"></a>huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had
+gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar
+de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog
+wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot
+over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.</p>
+
+<p>Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar
+maanden op Brtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die
+op weg waren naar de heilige Drieenheidsbron bij Stra in Westmannaland
+verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren
+uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen,
+die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het
+gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten
+geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge
+bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk
+soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze
+wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.</p>
+
+<p>Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er
+onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen
+op hun <span class="pagenum" title="56">&nbsp;</span><a id="p_56"></a>zieke ledematen en vroegen hoe iemand z hard kon wezen, hun
+tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knien en
+probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl
+de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken
+uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij
+werkelijk leeg waren.</p>
+
+<p>Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der
+armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Brtsholm
+kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar
+toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit:
+&bdquo;Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan
+land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien
+tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.&rdquo;</p>
+
+<p>De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te
+spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met
+blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het
+niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het
+tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein
+kind was, had zij al de heilige <span class="pagenum" title="57">&nbsp;</span><a id="p_57"></a>Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en
+vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar
+hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met
+licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er
+was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna
+bang was haar aan te raken.</p>
+
+<p>Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en
+toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij
+ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol
+geweest waren, ze haar boot z zouden hebben overbelast, dat die
+gezonken zou zijn vr ze weer aan wal was gekomen.</p>
+
+<p>Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van
+dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun
+van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze
+haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig
+moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vr ze nog
+meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar
+vroegere duisternis te doen terugkeeren.</p>
+
+<p>Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos
+opzet te verbergen, en <span class="pagenum" title="58">&nbsp;</span><a id="p_58"></a>zij bezocht haar dikwijls op Brtsholm. Daar
+deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten
+en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden.
+Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan
+gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis
+goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de
+bedienden n de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een
+machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte
+en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed
+bezorgde.</p>
+
+<p>Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken,
+maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met
+Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het
+hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een
+paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters
+en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de
+vrouwelijke bewoners van Brtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek
+kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon
+krijgen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="59">&nbsp;</span><a id="p_59"></a></p>
+
+<p>Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Brtsholm was en in zijn
+kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk
+een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar
+buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.</p>
+
+<p>Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort
+van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is om je arme kinderen, Eskil,&rdquo; riep ze, &bdquo;ze zijn in levensgevaar
+op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg
+naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit
+mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te
+waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat
+'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te
+laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!&rdquo;</p>
+
+<p>Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen
+waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis.
+Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met
+alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Brtsholm
+leidde.</p>
+
+<p>De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen <span class="pagenum" title="60">&nbsp;</span><a id="p_60"></a>meegeweest, maar
+was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof
+ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar
+beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan
+om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en
+riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen
+toe <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: ge-geroeid">geroeid</ins>, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik
+in haar boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.</p>
+
+<p>Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen,
+was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar
+gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal niet
+zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat
+wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een
+stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich
+met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna
+den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Brtsholm lag.</p>
+
+<p>Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze
+in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela
+bezochten, <span class="pagenum" title="61">&nbsp;</span><a id="p_61"></a>was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze
+hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle
+kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken
+zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.</p>
+
+<p>'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van
+dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op
+den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart
+gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze
+zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij
+bleef onbeweeglijk en machteloos.</p>
+
+<p>Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van
+veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar
+zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de
+handen klappend.</p>
+
+<p>Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf
+naar Brtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en
+kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam
+stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat
+zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar <span class="pagenum" title="62">&nbsp;</span><a id="p_62"></a>in zijn armen
+te nemen en naar zijn burcht te dragen.</p>
+
+<p>Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en
+hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl
+misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij
+sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar
+gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van
+zijn kinderen te kijken.</p>
+
+<p>Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet
+haastig Brtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen.
+Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van
+haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in
+ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en
+kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge
+positie te berooven.</p>
+
+<p>Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want
+het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan
+de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op
+haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde
+het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar <span class="pagenum" title="63">&nbsp;</span><a id="p_63"></a>nichtje iets deed,
+wat Heer Eskil wel moest afkeuren.</p>
+
+<p>Dit jaar was de oogst op Brtsholm z overvloedig geweest, dat hij dien
+van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de
+jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De
+bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De
+koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras
+en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen.
+Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij
+beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de
+hoeve neerdaalde.</p>
+
+<p>Maar terwijl men nu op Brtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die
+goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte
+menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken
+of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder
+veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar
+zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was
+rondgetrokken&mdash;brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren
+zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in <span class="pagenum" title="64">&nbsp;</span><a id="p_64"></a>brand
+staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven
+hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en
+zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen
+verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de
+verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over
+wat ze hadden verloren.</p>
+
+<p>Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle
+levensmiddelen, die zich op Brtsholm opstapelden, haar een pijniging.
+Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den
+overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer
+over de lippen kon krijgen.</p>
+
+<p>Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren
+voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote
+lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vr alles
+dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse,
+die z ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen
+jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar
+oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had
+om hem te genezen van <span class="pagenum" title="65">&nbsp;</span><a id="p_65"></a>zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was
+en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en
+gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat
+ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging
+te doen om te helpen.</p>
+
+<p>Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht
+van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een
+reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten
+vr Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man
+komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij
+Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig
+feest.</p>
+
+<p>Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien
+herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst,
+die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen
+alle levensmiddelen, die op Brtsholm waren opgehoopt, naar het strand
+te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen
+geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.</p>
+
+<p>Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich,
+door haar kinderen en <span class="pagenum" title="66">&nbsp;</span><a id="p_66"></a>dienstboden gevolgd, aan boord van een goed
+bemand schip, en terwijl ze op Brtsholm alleen een paar oude wachters
+achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar
+bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag,
+onbegrensd aan alle zijden als een zee.</p>
+
+<p>Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en
+berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't
+Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst
+bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer
+teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of
+beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen
+haan had gekraaid, geen koe had geloeid.</p>
+
+<p>Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven,
+die Heer Kolbjrn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn
+gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en
+huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die
+in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden
+verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs
+of rust te gunnen. Daardoor was hij z verzwakt, dat hij den dood
+<span class="pagenum" title="67">&nbsp;</span><a id="p_67"></a>nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware
+wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam
+aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog
+verzwaarde, die arme Heer Kolbjrn, die geen kracht meer had de mis te
+lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods
+zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste
+klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar
+land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan
+land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit
+liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij
+dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen:
+gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken,
+kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam
+de hulp als door een wonder.</p>
+
+<p>Niet ver van de kerk van Heer Kolbjrn op een landtong, die spits
+in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude
+boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de
+eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve z lief, dat hij er niet toe
+komen <span class="pagenum" title="68">&nbsp;</span><a id="p_68"></a>kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een
+kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd,
+maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de
+puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen
+te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag
+en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met
+inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te
+jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het
+niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den
+heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd
+ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw
+Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog
+verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige
+heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten.
+Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zveel eerbied gehad,
+dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden
+haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen
+behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze n voor n
+geslacht, <span class="pagenum" title="69">&nbsp;</span><a id="p_69"></a>tot er maar n overbleef. Maar die duif was heel tam, en de
+vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden
+verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif
+wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen
+daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het
+strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de
+duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze
+kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig
+hadden om den winter door te komen.</p>
+
+<p>Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een
+kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen
+de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog
+overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting
+gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw
+verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun
+kind geboren. Maar daarna was de moeder z ziek geworden, dat ze niet
+vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote
+ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te <span class="pagenum" title="70">&nbsp;</span><a id="p_70"></a>denken
+en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen
+probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind
+in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren,
+wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid,
+toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze
+beiden weer aan land, maar 't kind was z geschrikt, dat het den heelen
+nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep
+de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.</p>
+
+<p>Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't
+Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te
+voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer
+te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het
+voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog
+zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't
+minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog,
+toen zij naar Brtsholm terugkeerde, den dag vr St. Luciadag, vrij
+laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond
+dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten <span class="pagenum" title="71">&nbsp;</span><a id="p_71"></a>over den
+heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over
+eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar nu krijgen we een drukken tijd,&rdquo; ging ze voort, &bdquo;morgen kunnen
+we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals
+andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en
+slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil
+terugkomt.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers,
+dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op
+dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.</p>
+
+<p>Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers
+uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks
+had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken
+paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De
+burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de
+plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was
+thuis gekomen met al zijn ruiters.</p>
+
+<p>Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze
+eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het
+<span class="pagenum" title="72">&nbsp;</span><a id="p_72"></a>balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet
+verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al
+op weg naar haar kamer.</p>
+
+<p>Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel
+meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een
+uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog,
+dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en
+dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met
+bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze
+wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen
+gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op
+Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden
+angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.</p>
+
+<p>&bdquo;Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?&rdquo; vroeg
+hij hoonend. &bdquo;Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik
+en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten
+gehad. Maar morgen,&rdquo; voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn
+toorn hem z, dat hij met de hand op de trapleuning <span class="pagenum" title="73">&nbsp;</span><a id="p_73"></a>sloeg, &bdquo;verwachten
+wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een
+maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet
+vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten
+brengen.&rdquo;</p>
+
+<p>Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen
+zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande,
+bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen.
+Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was,
+die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door
+hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.</p>
+
+<p>Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in
+'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich
+over haar heen en zei met een vreeselijke stem: &bdquo;Bij het kruis van onzen
+Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wl, dat als deze maaltijd mij niet
+voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!&rdquo;</p>
+
+<p>Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof
+haar voor zich uit de slaapkamer in.</p>
+
+<p>Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw <span class="pagenum" title="74">&nbsp;</span><a id="p_74"></a>Lucia, alsof iets wat tot
+nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar
+plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig
+had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn,
+omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij
+probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en
+hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar
+niet aan het woord komen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,&rdquo; zei hij, &bdquo;en pas op dat je niet vr den
+gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet
+voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je
+krachten voor noodig hebt.&rdquo;</p>
+
+<p>Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog
+deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen
+oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe
+meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij
+daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij
+zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf
+gezien had, dat zij z verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela <span class="pagenum" title="75">&nbsp;</span><a id="p_75"></a>had
+beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij
+verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf
+haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden,
+langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit
+zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou
+veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone
+dievegge.</p>
+
+<p>Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,&mdash;en dat was werkelijk het
+geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede
+gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende
+te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest
+gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik
+verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig
+man een maal voor te zetten?&rdquo; dacht ze in haar wanhoop. &bdquo;Ik kan even
+goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.&rdquo;</p>
+
+<p>'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was
+onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse.
+&bdquo;O <span class="pagenum" title="76">&nbsp;</span><a id="p_76"></a>Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,&rdquo; bad zij, &bdquo;het is
+morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden
+zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het
+is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van
+hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit
+mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te
+ontkomen.&rdquo;</p>
+
+<p>Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van
+den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vr zij het
+verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor
+het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden
+stonden met geraas op in den stal.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu wordt ook Heer Eskil wakker,&rdquo; dacht zij. &bdquo;Hij zal me dadelijk
+bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik z
+onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te
+verkwikken.&rdquo;</p>
+
+<p>Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon
+haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar
+beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar
+lust tot helpen niet langer <span class="pagenum" title="77">&nbsp;</span><a id="p_77"></a>bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat
+honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had
+gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid
+en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit
+sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger
+had geleden en liefde gegeven.</p>
+
+<p>En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den
+poorttoren van Brtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het
+zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het
+volgen kon, kwam recht op Brtsholm af, vloog voorbij den wachter, z
+dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van
+vuur,&mdash;dat meende de wachter ten minste,&mdash;bevond zich een jong meisje,
+z, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de
+hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.</p>
+
+<p>Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven
+slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de
+slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad
+tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een
+gewaad, zoo <span class="pagenum" title="78">&nbsp;</span><a id="p_78"></a>wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen
+gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone
+bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele
+kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de
+lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan
+iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid
+uitstraalden.</p>
+
+<p>In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een
+zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de
+kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal
+en bood hem die aan.</p>
+
+<p>Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op
+zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als
+hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem
+geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten
+droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele
+Malvasier, de eer van Sicili en de vorst van alle wijnsoorten, was
+zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd,
+voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde
+de schoone heilige maagd de kamer uit, <span class="pagenum" title="79">&nbsp;</span><a id="p_79"></a>en liet Vrouw Lucia achter in
+toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.</p>
+
+<p>De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te
+onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al
+de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende
+krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het
+zuiden.</p>
+
+<p>Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid
+genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van
+streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.</p>
+
+<p>Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen,
+of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden
+gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar
+bedienden aan 't werk.</p>
+
+<p>Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils
+welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen
+moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden
+onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd,
+rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.</p>
+
+<p>De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare <span class="pagenum" title="80">&nbsp;</span><a id="p_80"></a>waskaarsen uit diepe
+kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden
+gelegd.</p>
+
+<p>En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen.
+Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon,
+dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij
+zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de
+ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen
+was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met
+groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over
+zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en
+onteerende straf op te leggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,&rdquo;
+dacht hij. &bdquo;Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij
+mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar
+naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar
+de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en
+wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen <span class="pagenum" title="81">&nbsp;</span><a id="p_81"></a>tasten. Want de tafel
+voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.</p>
+
+<p>Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in;
+maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een
+maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo
+gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich
+voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.</p>
+
+<p>Maar toen zag zij op de tafel vr zich de groote koperen kan, die de
+heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met
+geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming
+van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl
+ze hem vertelde hoe die naar Brtsholm was gekomen, waar hij met de
+grootste verbazing naar luisterde.</p>
+
+<p>Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal
+toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend,
+vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat
+Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke,
+Heer Kolbjrn, vertelde, barstte hij uit: &bdquo;Heer <span class="pagenum" title="82">&nbsp;</span><a id="p_82"></a>Kolbjrn is een van
+mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon
+helpen.&rdquo;</p>
+
+<p>En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer
+Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van
+zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem
+gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia
+haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid
+haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij
+zoovelen van zijn vrienden had geholpen.</p>
+
+<p>Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over
+haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:</p>
+
+<p>&bdquo;Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb
+gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te
+geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef
+het mij daarom.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw
+z vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer
+had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe
+hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar <span class="pagenum" title="83">&nbsp;</span><a id="p_83"></a>had
+gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn
+hart z vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon
+uitbrengen.</p>
+
+<p>Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag
+zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn
+weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta
+Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar
+in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde,
+die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die
+zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche
+aanmoediging.</p>
+
+<p>&bdquo;Nog wilde ik U n ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,&rdquo; zei ze,
+&bdquo;en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in
+verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde
+kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen
+dringen tusschen U en mij.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in
+hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde,
+die hij voelde, overwon zijn schaamte.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="84">&nbsp;</span><a id="p_84"></a></p>
+
+<p>Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een
+van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen.
+Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen
+naar Brtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen.
+Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang
+haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht
+ontmoetten, door n enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst
+op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard
+gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw
+Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat
+Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.</p>
+
+<p>Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: &bdquo;Het
+schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw
+antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela
+afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken
+mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig
+werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende
+loon heeft gekregen.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="85">&nbsp;</span><a id="p_85"></a></p>
+
+<p>Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was
+zijn stem z zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in
+zijn borst woonden.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef,
+evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat
+het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in
+mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst
+treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede,
+de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle
+kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden,
+dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der
+ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid
+heet.&rdquo;</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis
+regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de
+heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche
+rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog&mdash;ten minste voor de
+oogen van kleine kinderen&mdash;een gewaad, wit van sterrenlicht. <span class="pagenum" title="86">&nbsp;</span><a id="p_86"></a>Ze had in
+'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de
+slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.</p>
+
+<p>Nooit zag ik in dien tijd iets z heerlijks, als wanneer de deur
+openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel
+willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te
+vertoonen.</p>
+
+<p>Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende,
+die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren
+landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="87">&nbsp;</span><a id="p_87"></a></p>
+
+<h3><a id="KANONNIER"></a>DE KANONNIER.</h3>
+
+<p>De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt
+opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze
+moet meedeelen, roept naar binnen:</p>
+
+<p>&bdquo;Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is
+doodgeschoten!&rdquo; Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat
+verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet
+blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is
+zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd
+heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt
+daarheen terug te gaan.</p>
+
+<p>De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil
+te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich
+zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze
+heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade
+zal worden gehouden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="88">&nbsp;</span><a id="p_88"></a></p>
+
+<p>Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar
+alle toebereidselen laten zien.</p>
+
+<p>&bdquo;Kijk daar nu eens heen,&rdquo; had hij gezegd. &bdquo;Dat is de tribune voor den
+president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast
+zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier
+vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige
+menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een
+billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar
+ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken
+hooren. Daar kun je mij ook zien,&rdquo; had hij er schertsend bijgevoegd.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu, waar zul jij dan staan?&rdquo; had ze gevraagd.</p>
+
+<p>&bdquo;Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet?
+'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten
+worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet
+beginnen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Arme mijnheer Carnot!&rdquo; had ze toen gezegd. &bdquo;Jelui hebt het kanon vlak
+voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar
+niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen <span class="pagenum" title="89">&nbsp;</span><a id="p_89"></a>krijgsman, die Carnot, maar
+een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen
+verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de
+toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten
+alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind
+het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een
+groote massa menschen staat.&rdquo;</p>
+
+<p>Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen
+zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was.
+Ze had dus thuis moeten blijven.</p>
+
+<p>En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo
+trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn?
+Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is
+immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze
+voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar
+over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te
+loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching.
+Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als
+hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="90">&nbsp;</span><a id="p_90"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere
+proef had afgelegd,&rdquo; placht hij te zeggen. &bdquo;Neem nu mij maar. Ik ben
+nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de
+kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik
+heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,&rdquo; had ze geantwoord.</p>
+
+<p>&bdquo;Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit
+zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester.
+Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de
+proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar
+dreigt.&rdquo;</p>
+
+<p>Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam
+te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich
+bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet
+voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.</p>
+
+<p>'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet
+de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die
+schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen
+ellendige grappenmaker, die haar <span class="pagenum" title="91">&nbsp;</span><a id="p_91"></a>aan 't schrikken wou maken en hierheen
+lokken.</p>
+
+<p>Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze
+weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.</p>
+
+<p>Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't
+Veld daarvoor is leeg&mdash;bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats
+staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of
+verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.</p>
+
+<p>Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de
+politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.</p>
+
+<p>&bdquo;Ga daarheen! Daar vindt je hem,&rdquo; zegt hij en wijst naar het troepje
+midden op het veld.</p>
+
+<p>Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen
+ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille,
+zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen
+heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op
+en gaat haar tegemoet.</p>
+
+<p>&bdquo;Wacht even,&rdquo; zegt hij. &bdquo;Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst
+vertellen wat er gebeurd is.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door
+te kunnen loopen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wacht!&rdquo; zegt hij en vat haar krachtig bij den <span class="pagenum" title="92">&nbsp;</span><a id="p_92"></a>arm. &bdquo;U moet hem nog
+niet zien. U moet eerst weten...&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft
+gegooid.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zegt de officier. &bdquo;U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.&rdquo;</p>
+
+<p>Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze
+begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog.
+Misschien is hij alleen maar gewond.</p>
+
+<p>&bdquo;Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?&rdquo; zegt de officier. &bdquo;U weet, dat uw man
+dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het
+kanon is gebouwd?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,&rdquo; snikt de vrouw. &bdquo;Mijn man liet me
+zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde
+zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't
+geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Welnu,&rdquo; zegt de officier. &bdquo;Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij
+had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen
+verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de
+armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon,
+<span class="pagenum" title="93">&nbsp;</span><a id="p_93"></a>alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen,
+dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af
+en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier
+houdt haar terug.</p>
+
+<p>&bdquo;Wacht nog even,&rdquo; zei hij. &bdquo;U moet weten wat we zagen toen we daarheen
+snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was
+doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier
+getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde zij.</p>
+
+<p>&bdquo;Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en
+had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in
+het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht,
+voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen
+heeft hij in een oogenblik voor zich gezien&mdash;want voor denken had hij
+geen tijd&mdash;wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune
+vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even
+veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk
+medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren <span class="pagenum" title="94">&nbsp;</span><a id="p_94"></a>om de lading in zijn
+eigen lichaam te ontvangen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;O mijn God!&rdquo; barst de vrouw uit en vouwt de handen.</p>
+
+<p>Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.</p>
+
+<p>&bdquo;Mevrouw,&rdquo; zegt hij. &bdquo;Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien.
+Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in
+de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te
+verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om
+al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij
+allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te
+handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het
+om 't leven gaat&mdash;dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel
+in zich omdragen.&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="95">&nbsp;</span><a id="p_95"></a></p>
+
+<h3><a id="OLIVE"></a>DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: OLIVA">OLIVE</ins>.</h3>
+
+<p>Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren
+menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren
+Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook
+onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke
+groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar
+Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de
+ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine
+belgische schilderes en een italiaansche diacones.</p>
+
+<p>Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over
+Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een
+geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste
+wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel
+hem snel in de rede.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, Mijnheer de Consul,&rdquo; zei ze, &bdquo;U hebt <span class="pagenum" title="96">&nbsp;</span><a id="p_96"></a>ons nog niet gezegd wat het
+voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ach!&rdquo; zei de oude heer, wat spotachtig, &bdquo;het voornaamste verschil! Hebt
+U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping
+hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan
+boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het
+oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons
+afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische
+rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een
+luchttorpedo uitvinden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nu, en wij dan,&rdquo; zei de consul en wierp snel een blik op zijn
+reisgenooten, &bdquo;wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een
+innerlijke roeping volgen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Pardon, Mijnheer!&rdquo; zei de Belgische, &bdquo;U blijft in den stand, waarin U
+is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U
+laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons
+er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nu ja,&rdquo; zei de andere Franschman bemiddelend, <span class="pagenum" title="97">&nbsp;</span><a id="p_97"></a>&bdquo;daar kunt u gelijk aan
+hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen
+vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de
+bewering van de schilderes te ontzenuwen. &bdquo;Zuster Agnes!&rdquo; riep hij en
+wendde zich tot de diacones, &bdquo;U hebt veel fransche zusters in uw orde.
+Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,&rdquo; antwoordde de
+diacones. &bdquo;Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn.
+Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van
+den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De
+meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen
+wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar u zelf, Mevrouw?&rdquo; Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de
+Belgische. &bdquo;U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...&rdquo;</p>
+
+<p>Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman
+in: &bdquo;Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen.
+Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, <span class="pagenum" title="98">&nbsp;</span><a id="p_98"></a>die hun aanleg willen
+volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe,
+dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en
+die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn.
+Roeping kan niet falen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ach Mijnheer,&rdquo; barstte de Belgische uit. &bdquo;Innerlijke roeping! Is er
+iets wat meer bedriegelijk is?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij,
+Franschen die missen,&rdquo; zei een van de Fransche dames.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U
+weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.&rdquo;</p>
+
+<p>Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een
+vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken
+over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de
+wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet
+overeen stemden.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ken een groot schrijver,&rdquo; zei een van de dames, &bdquo;die meent, dat
+zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij
+verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping <span class="pagenum" title="99">&nbsp;</span><a id="p_99"></a>was en dat hij
+helaas! die niet heeft kunnen volgen.&rdquo;</p>
+
+<p>De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder
+uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een
+veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?&rdquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw
+landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,&rdquo; zei de
+diacones. &bdquo;Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij
+was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde
+opgenomen, lang vr mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster
+Olive was een Fransche, maar ze leek z weinig op alle Franschen,
+die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een
+Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, f een mooie en
+gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen,
+f klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive
+daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en
+vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd
+ik verwonderd <span class="pagenum" title="100">&nbsp;</span><a id="p_100"></a>over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een
+grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive
+Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen
+paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa
+had omgegaan.</p>
+
+<p>Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vr ze diacones was, en
+bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen
+kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een
+grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene
+maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen,
+maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon
+wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek
+had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel
+geld en ze trad op in het Theatre Franais.</p>
+
+<p>Toen ik Zuster Olive zag, had ik&mdash;zooals ik al zei&mdash;moeite om te
+gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster
+Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over
+zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk
+of <span class="pagenum" title="101">&nbsp;</span><a id="p_101"></a>betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive
+zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag,
+dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich
+had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was
+waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die
+eenvoudige typen z trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en
+met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het
+Theatre Franais te krijgen.</p>
+
+<p>Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was
+indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar
+positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij
+nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar
+eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen
+intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke
+kameraad, waar allen van hielden.</p>
+
+<p>Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had
+gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had
+begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar
+'t ongeluk was, dat <span class="pagenum" title="102">&nbsp;</span><a id="p_102"></a>Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als
+waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele
+leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.</p>
+
+<p>'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat
+haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang
+in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer
+bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te
+houden en in de lucht te blijven zweven.</p>
+
+<p>Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een
+boerendochter uit Normandi. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd
+onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze
+nooit een stad of een theater gezien.</p>
+
+<p>Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt
+in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en
+dochter mee naar het theater nam.</p>
+
+<p>Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was
+Hernani,&mdash;Hernani van den grooten Victor Hugo.</p>
+
+<p>Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een
+andere wereld en leefde <span class="pagenum" title="103">&nbsp;</span><a id="p_103"></a>met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam
+haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze
+trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al
+beleefd had.</p>
+
+<p>Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive
+Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een
+boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze
+zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone
+Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani,
+en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk,
+voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen
+werd.</p>
+
+<p>Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar n
+gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje
+gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna
+Sol spelen.</p>
+
+<p>'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te
+maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar
+vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen
+man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, <span class="pagenum" title="104">&nbsp;</span><a id="p_104"></a>dat
+zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt,
+zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.</p>
+
+<p>Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken,
+kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het
+tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was
+geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over
+den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te
+houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone
+opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat
+ze gauw zou mogen optreden. &bdquo;Och, u moest toch een geschikte rol voor
+die arme Olive zoeken,&rdquo; zeiden ze tegen den directeur.</p>
+
+<p>Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt
+had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als
+de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove
+stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.</p>
+
+<p>Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos
+werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde,
+had ze nooit geschreid.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="105">&nbsp;</span><a id="p_105"></a></p>
+
+<p>Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze
+nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht
+vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als
+molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als
+schoenmakersjongen begonnen.</p>
+
+<p>Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon.
+Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk
+gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar
+gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude,
+geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.</p>
+
+<p>Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor
+haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat
+vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.</p>
+
+<p>En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't
+verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd
+optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in
+verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met
+vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.</p>
+
+<p>Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing
+bij een ander tooneel. 't Viel <span class="pagenum" title="106">&nbsp;</span><a id="p_106"></a>haar niet moeilijk die te krijgen. De
+directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen
+contract vr de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te
+laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar
+ze altijd succes mee had, maar Hernani&mdash;Hernani, verklaarde hij, was
+verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire
+te zetten.</p>
+
+<p>De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor
+haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar
+de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en
+ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of
+inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze
+zveel naam, dat de directeur van het Theatre franais kwam om haar
+spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar
+intrede deed in het huis van Molire.</p>
+
+<p>Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de
+voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste
+tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die
+eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden
+gebracht.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="107">&nbsp;</span><a id="p_107"></a></p>
+
+<p>Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle
+groote actrices, die deze rol op het Theatre franais hadden gespeeld,
+dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de
+tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu of nooit,&rdquo; zei ze tegen zich zelf. &bdquo;Je weet, dat je Donna Sol kunt
+spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je
+hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet
+van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet
+tot in het Theater franais hoeven opwerken.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en
+hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich
+drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.</p>
+
+<p>Toen ze volle tien jaar aan het Theater franais was aangesteld, kwam ze
+op een dag weer op haar klachten terug:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,&rdquo; zei ze. &bdquo;Nu moet u mij
+Donna Sol geven, Mijnheer.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het
+Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="108">&nbsp;</span><a id="p_108"></a></p>
+
+<p>&bdquo;We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,&rdquo; zeiden ze. &bdquo;Natuurlijk
+wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.&rdquo;</p>
+
+<p>De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk
+vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't
+Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar
+taak was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik moet het doen,&rdquo; dacht ze, &bdquo;maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als
+het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.&rdquo;</p>
+
+<p>En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde,
+vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach!&rdquo; zei ze, &bdquo;ze hebben mij te oud laten worden.&rdquo; Maar eigenlijk lag
+de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw
+leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden
+wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere
+manier haar handen moest leeren bewegen.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is immers onzinnig,&rdquo; zei ze meer dan eens. &bdquo;Nooit heeft iemand op
+die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor
+een mensch.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van <span class="pagenum" title="109">&nbsp;</span><a id="p_109"></a>de oude verrukking over
+haar rol; en dan dacht ze: &bdquo;Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk
+op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit
+deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er
+toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't
+beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.&rdquo; Maar toch was Zuster
+Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door
+den directeur en de andere artisten.</p>
+
+<p>&bdquo;Mademoiselle Miteau,&rdquo; zei de directeur op een dag, heel vriendelijk.
+&bdquo;Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het
+werkelijk?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik weet niet of ik het wil,&rdquo; antwoordde zij, &bdquo;maar ik weet, dat ik
+moet!&rdquo;</p>
+
+<p>Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de
+eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche
+Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.</p>
+
+<p>Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te
+verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken
+en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar
+levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde
+nauwgezetheid en blankette <span class="pagenum" title="110">&nbsp;</span><a id="p_110"></a>zich als proef nu eens met rood dan weer met
+olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als
+adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig
+uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen
+zij de Spaansche schoone moest voorstellen.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar het moet me gelukken,&rdquo; dacht ze. &bdquo;Al van mijn zeventiende jaar af
+heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die
+rol te spelen.&rdquo;</p>
+
+<p>'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar
+dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater
+vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen
+door die levenslange liefde.</p>
+
+<p>&bdquo;Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?&rdquo; vroeg men. &bdquo;Ze is te
+oud. Dat wordt akelig.&rdquo;</p>
+
+<p>Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van
+haar leven scheen te wezen.</p>
+
+<p>Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek.
+Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te
+spreken!&mdash;Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen
+was de belangstelling <span class="pagenum" title="111">&nbsp;</span><a id="p_111"></a>weg. Men luisterde en keek niet meer; men
+probeerde haar te vergeten.</p>
+
+<p>Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling
+doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren
+heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig
+verkeerd deed, dat ze in z hooge mate haar roeping had misverstaan.</p>
+
+<p>&bdquo;Ze kan in ieder geval tevreden zijn,&rdquo; zei men. &bdquo;Ze heeft op die manier
+een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die
+vreeselijke rol op te treden.&rdquo;</p>
+
+<p>Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar
+rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze z
+onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna
+lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben
+en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?&rdquo; dacht ze, toen ze zwaar en
+ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en
+zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi,
+dat n de kritiek n het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't
+zoo <span class="pagenum" title="112">&nbsp;</span><a id="p_112"></a>gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster
+Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden.
+Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze
+aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. &bdquo;Was het z erg?&rdquo;
+dacht ze. &bdquo;Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft
+spreken?&rdquo;</p>
+
+<p>Dien morgen bracht de directeur van het Theater Franais Zuster Olive
+een bezoek.</p>
+
+<p>Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij
+verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.</p>
+
+<p>&bdquo;U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet.
+U speelde&mdash;om zoo te zeggen&mdash;met een strik om den hals en geboeide
+handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag
+moet u uitrusten; maar morgen,&mdash;wilt u 't morgen weer probeeren?&rdquo;</p>
+
+<p>Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men
+het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het
+nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had
+niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het
+ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="113">&nbsp;</span><a id="p_113"></a></p>
+
+<p>Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.</p>
+
+<p>De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over
+iets anders te spreken.</p>
+
+<p>Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: &bdquo;We zien
+elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?&rdquo;</p>
+
+<p>Bij die woorden schrikte Zuster Olive z, dat zij bijna wankelde.
+Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en
+onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar
+duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen
+kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de
+directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het.
+Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was
+ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.</p>
+
+<p>Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen
+tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar
+ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.</p>
+
+<p>En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld
+had, werd ze koud als <span class="pagenum" title="114">&nbsp;</span><a id="p_114"></a>ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd,
+zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te
+praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone
+Spaansche.</p>
+
+<p>Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een
+practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar
+ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk
+werd die haar te machtig.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,&rdquo; zei ze tegen haar directeur. &bdquo;Er
+blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.&rdquo;</p>
+
+<p>Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en
+opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons.
+Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en
+ik vroeg haar meer dan eens: &bdquo;Verlangt u niet naar de wereld terug,
+Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw
+sierlijk huis?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke
+vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan
+lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht <span class="pagenum" title="115">&nbsp;</span><a id="p_115"></a>was grof en gerimpeld, maar
+ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar
+heldere oogen.</p>
+
+<p>&bdquo;Waar zou ik naar verlangen?&rdquo; zei ze. &bdquo;'t Was immers onmogelijk langer
+door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar
+ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.&rdquo;<ins class="corr" id="corr11" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.</p>
+
+<p>&bdquo;Wil ik u eens wat zeggen?&rdquo; zei de consul. &bdquo;Ik heb haar zien spelen. Ik
+was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een
+geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;We kunnen er maar n ding van zeggen,&rdquo; barstte de Belgische schilderes
+uit. &bdquo;De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Men moet haar zeker wantrouwen,&rdquo; zei een van de Fransche dames.</p>
+
+<p>&bdquo;Wantrouwen! wantrouwen!&rdquo; riep de consul uit. &bdquo;Dan moeten we ook de
+liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets!
+En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden?
+Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="116">&nbsp;</span><a id="p_116"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, vast en zeker!&rdquo; zei de Consul. &bdquo;En al kan dat goddelijke ook
+gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!&rdquo;</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="117">&nbsp;</span><a id="p_117"></a></p>
+
+<h2><a id="TWEEDE_DEEL"></a>TWEEDE DEEL.</h2>
+
+<h3><a id="PRINSES"></a>DE PRINSES VAN BABYLONI.</h3>
+
+<p>'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de
+huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook,
+zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn
+rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik
+Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken,
+terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken,
+dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat
+dien winter vier jaar was.</p>
+
+<p>Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet
+bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan n ding
+hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje
+zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist
+zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf
+kreeg,&mdash;dat wist Katharina wel&mdash;zou ze nooit een verstandig mensch
+worden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="118">&nbsp;</span><a id="p_118"></a></p>
+
+<p>Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind
+hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want
+nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd,
+in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te
+bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den
+toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid
+had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, en ze kwamen aandragen met klei,&rdquo; zei Jan, &bdquo;en ze bakten steenen,
+en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken
+dag hooger.</p>
+
+<p>Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren
+bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den
+hemel te komen en te zien hoe het daar is.</p>
+
+<p>&bdquo;Luister nu eens, menschen,&rdquo; zei Onze Lieve Heer, &bdquo;nu zeg ik jelui voor
+'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij
+ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten
+komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af
+komt, en er nooit iets tegen kunt doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de menschen dachten zeker, dat Onze <span class="pagenum" title="119">&nbsp;</span><a id="p_119"></a>Lieve Heer wel lankmoedig zou
+zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.</p>
+
+<p>Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe
+hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het
+uit met dat pleizier.</p>
+
+<p>Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: &bdquo;Breng wat klei,&rdquo; dan zeiden ze
+in plaats daarvan: &bdquo;Kolvippen, kolvappen.&rdquo; En als de leerjongens wilden
+vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: &bdquo;Erbe, derbe, mirbe, marbe?&rdquo; En
+dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.</p>
+
+<p>De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden,
+maar als ze wilden zeggen: &bdquo;Praat toch behoorlijk,&rdquo; dan zeiden ze in
+plaats daarvan: &bdquo;Ullen, dullen, dorf.&rdquo; En als de leerjongens wilden
+vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan:
+&bdquo;Abekadabra?&rdquo;</p>
+
+<p>Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de
+haren vlogen en begonnen te vechten.</p>
+
+<p>Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en
+niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen,
+zijn eigen kant uit.<ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="120">&nbsp;</span><a id="p_120"></a></p>
+
+<p>Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde
+naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw
+en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort.
+Hij sprak alleen wat zachter.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een
+koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje
+begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch
+een van de anderen er een woord van konden begrijpen.</p>
+
+<p>Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't
+paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote,
+wijde wereld in.</p>
+
+<p>Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers
+niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn
+voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze
+haar in 't oog kregen.</p>
+
+<p>Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.</p>
+
+<p>Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe,
+zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze
+wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan <span class="pagenum" title="121">&nbsp;</span><a id="p_121"></a>van wat ze antwoordde,
+en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.</p>
+
+<p>Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een
+landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar
+binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen
+hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan.
+Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven,
+kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch
+was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist
+door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: &bdquo;Goeien avond.&rdquo;</p>
+
+<p>Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te
+warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze
+ook: &bdquo;Goeienavond.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze
+z, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun
+niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe heet deze hut?&rdquo; vroeg ze, om hen op de proef te stellen.</p>
+
+<p>&bdquo;Die heet Skrolycka,&rdquo; antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat
+ze haar verstonden. Ze was <span class="pagenum" title="122">&nbsp;</span><a id="p_122"></a>buiten zich zelf van blijdschap; maar ze
+vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Die heet de Wermelandsche taal,&rdquo; zeiden de menschen in de hut.</p>
+
+<p>Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven
+mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen
+konden verstaan wat ze zei.</p>
+
+<p>Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje
+uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze
+zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De
+Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze,
+zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.</p>
+
+<p>Maar 't prinsesje wou niet toegeven. &bdquo;Nee,&rdquo; zei ze, &bdquo;nu merk ik wel, dat
+ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde
+brengen en nuttig zijn,&rdquo; zei ze.<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en
+geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan
+zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't
+hoofdje links en rechts en bekeek <span class="pagenum" title="123">&nbsp;</span><a id="p_123"></a>alles in de kamer, alsof zij 't nooit
+te voren gezien had.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,&rdquo; zei ze eindelijk.
+&bdquo;Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben
+gekomen.&rdquo;</p>
+
+<p>Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was
+geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt
+dat ze heel wat deftigs en groots is,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<hr class="chend" />
+
+<p><span class="pagenum" title="124">&nbsp;</span><a id="p_124"></a></p>
+
+<h3><a id="STEMMINGEN"></a>STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.</h3>
+
+<hr class="chbegin" />
+
+<h4><a id="h4I"></a>I.</h4>
+
+<p class="subh4">'t Schreien van Rachel.</p>
+
+<p class="datum">Augustus 1914.</p>
+
+<p>In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn
+huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk
+geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart
+en razernij en tegelijk z vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst
+verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan
+kwam.</p>
+
+<p>Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat
+vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal
+gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de
+heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet in
+staat zulke kreten uit te stooten, z geweldig en ruw, dat het een
+weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="125">&nbsp;</span><a id="p_125"></a></p>
+
+<p>'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil&mdash;of wat
+men het ook noemen mocht&mdash;van een mensch kon komen, die gekwetst was.
+Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden.
+De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen
+wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen
+ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.</p>
+
+<p>De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag,
+heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de
+bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en
+bronnen en dreigde het heele dal vr ons tot een bruin verbrande
+woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist
+gehoord had, was mij z onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam,
+dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet
+van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.</p>
+
+<p>Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden we
+nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken
+waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren&mdash;pijnigend
+als een martelwerktuig.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="126">&nbsp;</span><a id="p_126"></a></p>
+
+<p>Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij
+waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten.
+Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had
+gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de
+verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.</p>
+
+<p>Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst,
+naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in
+welgevormde heuvels.</p>
+
+<p>Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog
+boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een
+heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel
+een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de
+plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in
+mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene
+loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, hl ver van
+Wermeland en Zweden.</p>
+
+<p>Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de
+vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot
+klaarheid. <span class="pagenum" title="127">&nbsp;</span><a id="p_127"></a>Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden
+landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote
+stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op
+een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik
+herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de
+rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de
+omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen
+ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank
+zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het
+hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met
+een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van
+den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen
+voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele
+heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen
+gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een
+stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen
+voorbij komen.</p>
+
+<p>De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en
+hij verzekert ons ook, dat <span class="pagenum" title="128">&nbsp;</span><a id="p_128"></a>dit niet maar een bloot vermoeden is, maar
+een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid
+van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit
+over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob,
+ook wel Isral genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort
+nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen
+zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een
+zwerftocht door de woestijn.</p>
+
+<p>Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had
+een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan
+niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vr haar zoon
+Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vr nog een
+koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee
+was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar
+graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.</p>
+
+<p>De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen
+toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen
+was gehoord, telkens als een ongeluk Isral zou treffen. Hier had de
+stammoeder der Judaen haar <span class="pagenum" title="129">&nbsp;</span><a id="p_129"></a>jammerkreet doen hooren in den nacht vr
+den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord
+worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den
+avond, vr dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom
+tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters.
+En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de
+Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden
+Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange
+tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den
+slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk
+bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig
+door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid
+door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend
+wezen uiten kan.</p>
+
+<p>Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is,
+dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle
+menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar
+kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en
+niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft <span class="pagenum" title="130">&nbsp;</span><a id="p_130"></a>het ooit gewaagd de hand
+aan haar rustplaats te slaan.</p>
+
+<p>Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt.
+Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is
+'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een
+langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.</p>
+
+<p>'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons
+trommelvlies. Er is niets menschelijks in&mdash;en ook niets dierlijks. Het
+hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten,
+zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo
+heeft Eva gejammerd, toen Kan Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over
+Isral geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle
+tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan
+geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den
+wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.</p>
+
+<p>Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een
+Bedounenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor
+een zieken zoon.</p>
+
+<p>Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden <span class="pagenum" title="131">&nbsp;</span><a id="p_131"></a>ons bijna verbeeld, dat
+wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen
+tegen elkaar, dat die Bedounenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet
+hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen
+in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het
+meegevoel van de sluimerende doode te wekken.</p>
+
+<p>We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche
+vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit
+zullen hooren.</p>
+
+<p>We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag,
+den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak
+bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen
+'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord,
+hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.</p>
+
+<p>Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze
+zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar
+eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake
+van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij
+<span class="pagenum" title="132">&nbsp;</span><a id="p_132"></a>meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog
+was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan
+schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat
+ze zoo had <i>moeten</i> schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den
+oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.</p>
+
+<p>Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in
+haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het
+geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men
+het in deze streken hoorde, z lang, dat niemand had kunnen zeggen, van
+welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld,
+was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en
+nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.</p>
+
+<p>Misschien zullen wij het nu z dikwijls hooren, dat allen het zullen
+herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders,
+die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien
+ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="133">&nbsp;</span><a id="p_133"></a></p>
+
+<h4><a id="h4II"></a>II.</h4>
+
+<p class="subh4">De verlaten Kerk.</p>
+
+<p>Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het
+groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer
+merkwaardige dingen waren.</p>
+
+<p>Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, z zeldzaam,
+dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand
+precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van
+overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen
+aan den rand van een donkeren vijver&mdash;zooveel wist men er van. En als
+maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van
+haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien,
+dan zouden ze haar liever hebben dan lelin en rozen.</p>
+
+<p>Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was
+een geneeskrachtige bron.</p>
+
+<p>Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel
+van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg
+daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de
+lammen waren met <span class="pagenum" title="134">&nbsp;</span><a id="p_134"></a>gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't
+Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of
+naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren
+zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand
+zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van
+Bethesda.</p>
+
+<p>De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude
+verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest
+woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.</p>
+
+<p>Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen
+en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen
+doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat
+hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.</p>
+
+<p>In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was
+arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een
+grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen
+man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het
+dak te reiken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="135">&nbsp;</span><a id="p_135"></a></p>
+
+<p>Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar
+dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en
+houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok
+was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar
+de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had
+nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar
+binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren
+gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten,
+daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met
+groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen,
+zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok
+was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.</p>
+
+<p>Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht
+mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De
+adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd
+van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er
+nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven.
+Ze was alleen <span class="pagenum" title="136">&nbsp;</span><a id="p_136"></a>overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar
+nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen
+hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat
+ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden
+gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen
+daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.</p>
+
+<p>'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en
+getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen
+hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar
+waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen
+huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en
+al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de
+sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed
+over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.</p>
+
+<p>Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke
+jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige
+dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er
+gezocht achter steenblokken <span class="pagenum" title="137">&nbsp;</span><a id="p_137"></a>en beneden in de kloven; dan liep men met
+angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van
+den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er
+nooit iets gevonden.</p>
+
+<p>Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en
+vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in
+'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd,
+van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren
+onwaarheid te spreken.</p>
+
+<p>En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs
+gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht
+de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik
+het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.</p>
+
+<p>Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor
+dat oude huis geweest, waar eens zveel angstige gebeden en klagend
+gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker,
+dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat
+niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt
+stond onder te gaan, op <span class="pagenum" title="138">&nbsp;</span><a id="p_138"></a>de knien heeft gelegen en te vergeefs om hulp
+geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken,
+had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of
+genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat
+getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele
+dorpen en streken.</p>
+
+<p>&bdquo;Verlaten kerk,&rdquo; zou ik willen zeggen, &bdquo;de tijd van verwoesting is weer
+gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken.
+Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De
+zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den
+grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden.
+Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens
+de uwe.</p>
+
+<p>Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan
+gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is
+geen spel of scherts meer.</p>
+
+<p>Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder
+gezang.</p>
+
+<p>Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden
+van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij
+weet <span class="pagenum" title="139">&nbsp;</span><a id="p_139"></a>geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en
+verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude
+kerk in de wildernis.<ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<h4><a id="h4III"></a>III.</h4>
+
+<p class="subh4">De Mist.</p>
+
+<p>Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog,
+breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de
+wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame
+woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin
+en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet
+doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn
+gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij
+op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.</p>
+
+<p>Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem z
+vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets
+drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien,
+en toen hij zijn gewone <span class="pagenum" title="140">&nbsp;</span><a id="p_140"></a>morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij
+zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.</p>
+
+<p>Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik
+scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen.
+Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller
+dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't
+eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te
+bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen.
+Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde
+spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren
+gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de
+schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen
+van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende
+schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.</p>
+
+<p>Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met
+nieuwe belangstelling rond. Vr zich had hij een oude appelboom, met
+takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat
+hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom <span class="pagenum" title="141">&nbsp;</span><a id="p_141"></a>hem,
+telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn
+humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik
+in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de
+takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij
+toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware
+lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden
+kunnen dragen.</p>
+
+<p>Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het,
+die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan
+kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.</p>
+
+<p>&bdquo;Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,&rdquo; dacht hij, &bdquo;is het ten
+allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.&rdquo;</p>
+
+<p>Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een
+paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien
+het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de
+mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam
+snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde
+hij voor het eerst op dien morgen <span class="pagenum" title="142">&nbsp;</span><a id="p_142"></a>een geluid uit de buitenwereld. Een
+sterke, zware stem riep ergens in den mist:</p>
+
+<p>&bdquo;O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden!&rdquo;</p>
+
+<p>Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist
+tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja,
+wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't
+Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!&rdquo;</p>
+
+<p>De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had
+geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je
+nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders
+wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer
+naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid
+kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: &bdquo;'t Bloed vloeit als
+water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als
+riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!&rdquo;</p>
+
+<p>'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die <span class="pagenum" title="143">&nbsp;</span><a id="p_143"></a>altijd rondzwierf in de
+streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te
+roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar
+ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den
+mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon
+hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den
+wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.</p>
+
+<p>&bdquo;Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!&rdquo; herhaalde de
+krankzinnige. &bdquo;'t Bloed vloeit in de greppels als water!&rdquo;</p>
+
+<p>Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte
+hij en zette zijn wandeling voort.</p>
+
+<p>Voorwaar, deze tijd was z, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op
+velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.</p>
+
+<p>Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele
+menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde.
+Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was,
+waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar
+dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen
+veroorzaakt, door menschen aanbevolen <span class="pagenum" title="144">&nbsp;</span><a id="p_144"></a>was. Dan hoefde je ook niet te
+denken, dat er&mdash;omdat het wezens met verstand waren, die door den
+waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een
+maatregel te vinden moest zijn&mdash;die de razernij tot staan kon brengen.
+Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te
+peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat kan ik doen?&rdquo; vroeg hij zich af. &bdquo;Mijn woorden zouden niet meer
+beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...&rdquo;</p>
+
+<p>Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet
+stil kon blijven zitten.</p>
+
+<p>Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin
+gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een
+lachend en innemend beeld vr zich.</p>
+
+<p>Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't
+woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met
+haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't
+Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had
+een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het
+omliggende landschap scheidde.</p>
+
+<p>Toen de hoeve zich daar zoo geheel gesoleerd <span class="pagenum" title="145">&nbsp;</span><a id="p_145"></a>vertoonde, merkte hij
+eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene
+en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de
+golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die
+den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie
+geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets
+kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.</p>
+
+<p>Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis
+aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit.
+Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.</p>
+
+<p>Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij
+alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille
+leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de
+wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Z dicht, z
+ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het
+bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.</p>
+
+<p>De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in
+dien verbijsterenden <span class="pagenum" title="146">&nbsp;</span><a id="p_146"></a>mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den
+ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets
+van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve
+naar de buitenwereld kunnen komen.</p>
+
+<p>De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame
+afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden
+met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude
+en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou
+toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude
+hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het
+bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken
+worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril
+werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun
+eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan.
+De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich
+zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de
+wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.</p>
+
+<p>Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat <span class="pagenum" title="147">&nbsp;</span><a id="p_147"></a>hij op die manier aan de
+ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen
+uit en sprak tot den mist.</p>
+
+<p>&bdquo;Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen!
+Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte
+muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat
+ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij
+en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden
+door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu
+en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief
+onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme
+waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we
+zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.</p>
+
+<p>Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten
+en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die
+niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met
+verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te
+genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en
+bloedvergieten. Onze harten zijn niet <span class="pagenum" title="148">&nbsp;</span><a id="p_148"></a>hopeloos geworden door te hooren
+van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen
+in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van
+nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn
+als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te
+zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet
+het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee
+verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een
+slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van
+'t gebed van de zwerfster: &bdquo;Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere
+God!&rdquo; Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing,
+maar hij liet zich niet terughouden.</p>
+
+<p>&bdquo;Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,&rdquo; barstte hij uit, &bdquo;en nieuwe
+schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt.
+Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan
+verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen
+om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen <span class="pagenum" title="149">&nbsp;</span><a id="p_149"></a>door den mist. Hij meende
+iets te hooren dat leek op: &bdquo;U geschiede naar uw wensch!&rdquo;</p>
+
+<p>Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde
+oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist
+in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam
+zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist
+in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar
+het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de
+natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen
+toe te geven.</p>
+
+<p>Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog,
+hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet z kwelden als vroeger.
+Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen
+hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst
+bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.</p>
+
+<p>De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich
+als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht
+en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en
+voorzichtigheid. Alle lust om een middel <span class="pagenum" title="150">&nbsp;</span><a id="p_150"></a>te vinden om den zondvloed,
+die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den
+dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde.
+Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij
+was z dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om
+zich niet met een hopeloos streven te overspannen.</p>
+
+<p>Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om
+een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun
+spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen
+in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten
+wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid
+hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch
+hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere
+sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht
+hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en
+voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw,
+die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan.
+En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: &bdquo;In uw tijd liet
+<span class="pagenum" title="151">&nbsp;</span><a id="p_151"></a>Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge
+u voor 't stormweer zoudt verbergen?&rdquo;</p>
+
+<p>Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: &bdquo;'t Was
+bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat
+ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik
+vreesde meer te schaden dan goed te doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: &bdquo;Ik weet dat Ik u geen verstand
+genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht
+genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.&rdquo;</p>
+
+<p>Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon
+stond. &bdquo;Die vrouw heeft gesproken&mdash;en gesproken zonder ophouden,&rdquo; zou
+hij zeggen<ins class="corr" id="corr15" title="Bron: .">,</ins> &bdquo;en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben
+geenszins de harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.&rdquo;</p>
+
+<p>Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. &bdquo;Maar mijn
+armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.&rdquo;</p>
+
+<p>Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn
+wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper <span class="pagenum" title="152">&nbsp;</span><a id="p_152"></a>tot
+die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche
+stilte en alles omsluierende nevel is.</p>
+
+<h4><a id="h4IV"></a>IV.</h4>
+
+<p class="subh4">De jonge Zeeman.</p>
+
+<p>'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden
+tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is
+een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is
+open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om
+heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die
+zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt
+voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en
+voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk
+aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet,
+glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste
+aanbiedt wat haar huis kan opleveren.</p>
+
+<p>Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen.
+Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor
+ik <span class="pagenum" title="153">&nbsp;</span><a id="p_153"></a>ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.</p>
+
+<p>'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte
+kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een
+welgestelden zeeman. De beide ouden zijn z onder den indruk van 't
+feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat
+ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man
+voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Moeder en Tante!&rdquo; roept hij uit, &bdquo;wat is 't prettig, dat we zulk mooi
+weer hebben op dezen tocht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat is heel prettig,&rdquo; antwoorden de twee ouden uit n mond, en dan
+daalt de stilte weer op hen neer.</p>
+
+<p>Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge
+zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de
+zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er
+heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een
+genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.</p>
+
+<p>De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn
+buitengewoon leelijk. Ze zien <span class="pagenum" title="154">&nbsp;</span><a id="p_154"></a>er niet eens vriendelijk uit, maar
+zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een
+zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man
+en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is
+niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar
+vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op
+dezen tocht!&rdquo; roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.</p>
+
+<p>Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude
+vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke
+echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar
+eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze
+'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te
+vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze
+voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en
+naar 't gezang luisteren.</p>
+
+<p>Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld n keer mee heeft
+willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het
+groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er <span class="pagenum" title="155">&nbsp;</span><a id="p_155"></a>pleizier in
+zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze
+vreedzame plaats trokken.</p>
+
+<p>Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze
+er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar
+haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit
+gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.</p>
+
+<p>Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt.
+De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als
+ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan
+aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem
+gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten.
+Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de
+kopjes doet&mdash;alles overvloedig.</p>
+
+<p>Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij
+durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten
+doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie
+gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt
+hij zveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. <span class="pagenum" title="156">&nbsp;</span><a id="p_156"></a>Dan gaat
+hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht.
+Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu
+haar onthaalt, dt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit
+de nauwe straat te lokken.</p>
+
+<p>Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen
+keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de
+loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij
+eens aannemen.</p>
+
+<p>Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten,
+denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk
+een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om
+zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman
+is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't
+zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze
+weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij
+schenkt ieder weer een volle kop in.</p>
+
+<p>&bdquo;Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een
+lange reis!&rdquo;</p>
+
+<p>Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit
+kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="157">&nbsp;</span><a id="p_157"></a></p>
+
+<p>Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij
+zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan
+tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer
+drinken wilt!&rdquo;</p>
+
+<p>Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden
+vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.</p>
+
+<p>Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij
+en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken
+rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier
+hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben
+gehad,&rdquo; zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de
+zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer
+van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er
+niet verder over door.</p>
+
+<p>De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze
+werkelijk tot een gesprek uitlokken.</p>
+
+<p>&bdquo;Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,&rdquo; zegt hij.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="158">&nbsp;</span><a id="p_158"></a></p>
+
+<p>De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar
+oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er
+niet toe. &bdquo;Ja, en wat vliegen ze mooi!&rdquo; zegt ze.</p>
+
+<p>Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige
+een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt
+ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het
+hier zoo genoeglijk.</p>
+
+<p>En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het
+gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is
+volkomen met zijn lot tevreden.</p>
+
+<p>Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen.
+Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een
+heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen
+heerschte.</p>
+
+<p>Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en
+wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan
+verder.</p>
+
+<p>Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne
+gelaatskleur en groote, smeekende oogen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Kristenssen,&rdquo; zegt ze en komt aarzelend dichterbij.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="159">&nbsp;</span><a id="p_159"></a></p>
+
+<p>De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de
+handen niet uit den zak.</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Anna.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je was van morgen niet bij 't zeilen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't
+begraven van den duitschen matroos.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je
+weet wel, dat ik morgen weg moet.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dag Anna.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer
+zachtjes te fluiten.</p>
+
+<p>De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht
+gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over
+hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever
+bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.</p>
+
+<p>Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze
+moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel <span class="pagenum" title="160">&nbsp;</span><a id="p_160"></a>voor
+'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder
+uit: &bdquo;Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!&rdquo;</p>
+
+<p>De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij
+blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier
+aldoor zou willen blijven.</p>
+
+<p>Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge
+zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde
+steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en
+steunt haar.</p>
+
+<p>Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij
+zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.</p>
+
+<p>En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt,
+maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij is bang,&rdquo; denk ik. &bdquo;Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken
+schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist
+als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn
+moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?&rdquo;</p>
+
+<p>Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben
+gezeten. Zijn er eigenlijk <span class="pagenum" title="161">&nbsp;</span><a id="p_161"></a>niet vier gasten aan die kleine koffietafel
+geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den
+man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de
+kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee
+aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten,
+hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door
+zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft
+verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige
+haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de
+zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen
+verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder
+voorbehoud geschonken wordt.</p>
+
+<h4><a id="h4V"></a>V.</h4>
+
+<p class="subh4">De Ster.</p>
+
+<p class="brief"><i>(Brief van een Zweedsch arbeider).</i></p>
+
+<p class="datum">... 20 April 1917.</p>
+
+<p>Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar
+beneden, naar onzen <span class="pagenum" title="162">&nbsp;</span><a id="p_162"></a>aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte
+gezien. Die valt&mdash;en valt en komt elken dag nader!</p>
+
+<p>Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben
+ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten
+met de Openbaring voor me, om er profetien uit te zoeken. Ik houd me
+alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die
+spreken in waanzin.</p>
+
+<p>Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en
+pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een
+Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche
+gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en
+rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden,
+en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik
+heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan
+verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.</p>
+
+<p>Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef
+niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in
+een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld,
+en dat kon niet met <span class="pagenum" title="163">&nbsp;</span><a id="p_163"></a>minder dan drie maanden opsluiting geboet worden.
+Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb
+ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van
+groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat
+alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte
+en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.</p>
+
+<p>Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't
+heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er
+toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want
+ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten
+zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me
+duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde
+moest komen.</p>
+
+<p>Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar
+een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op
+wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden,
+zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je
+denkt aan de groote wereldmachinerie met <span class="pagenum" title="164">&nbsp;</span><a id="p_164"></a>al die loopende drijfriemen,
+en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare
+machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid
+is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die
+geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en
+houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij
+maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang
+en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen
+ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag
+menschen tusschen de machines raken.</p>
+
+<p>Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo
+kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en
+een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de
+oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe
+arbeiders wou probeeren.</p>
+
+<p>Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig
+geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken
+wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen.
+Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk
+moeten <span class="pagenum" title="165">&nbsp;</span><a id="p_165"></a>vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den
+rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de
+revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht
+verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk,
+dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was
+of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog
+iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste
+had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.</p>
+
+<p>Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe
+celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten
+luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te
+vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige
+gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te
+worden. &bdquo;Jelui moet niet zoo angstig wezen,&rdquo; zeg ik tot hen. &bdquo;'t Kwam
+alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo
+moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat
+we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal
+vernietigen,&rdquo; maar mijn gedachten willen <span class="pagenum" title="166">&nbsp;</span><a id="p_166"></a>niet tot rust komen. Het was
+of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende
+niet vol was.</p>
+
+<p>En eergisteren, in den nacht tusschen den 18<sup>den</sup> en 19<sup>den</sup> April,
+toen ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij
+bevolen, overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn
+venster naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg,
+hoog in den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer
+ging, links en rechts.</p>
+
+<p>Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was
+die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.</p>
+
+<p>&bdquo;Sta op,&rdquo; zei de stem. &bdquo;Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op aan
+in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote hitte
+komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in
+Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal
+niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan
+de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de
+bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.</p>
+
+<p>Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het
+uitroepen, dat het oude Europa <span class="pagenum" title="167">&nbsp;</span><a id="p_167"></a>voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn
+zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.</p>
+
+<p>Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden
+en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal
+uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der
+aarde zullen gespaard blijven.&rdquo;</p>
+
+<p>En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan
+elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan
+had, sprak zij opnieuw.</p>
+
+<p>&bdquo;Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid:
+<ins class="corr2" id="corr16" title="Bron: &bdquo;"></ins>Gij zult
+dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de
+autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken
+vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered
+worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is.
+Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen
+over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om
+een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten,
+zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.&rdquo;</p>
+
+<p>Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="168">&nbsp;</span><a id="p_168"></a></p>
+
+<p>Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot mij
+zelf: &bdquo;Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou
+spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de
+geheele wereld?&rdquo;</p>
+
+<p>Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan
+de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de
+sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren
+en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?</p>
+
+<p>Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen
+boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de
+Openbaring voor me, om er de profetien uit te zoeken; maar sinds dien
+nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn
+lichaam.</p>
+
+<p>Er is geen tijd voor twijfel.</p>
+
+<p>Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de
+heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik
+nadert...</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="169">&nbsp;</span><a id="p_169"></a></p>
+
+<h4><a id="h4VI"></a>VI.</h4>
+
+<p class="subh4">De Brandstapel.</p>
+
+<p class="brief"><i>(Brief van een Deensch krijgsgevangene).</i></p>
+
+<p>Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik
+niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke
+gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te
+zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.</p>
+
+<p>Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb
+juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en
+wat men &bdquo;dichtervrede&rdquo; noemt&mdash;daar geniet ik niet veel van. Ik zit in
+een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberi, en ik heb
+negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.</p>
+
+<p>Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles
+doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen
+liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze
+niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't
+verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, <span class="pagenum" title="170">&nbsp;</span><a id="p_170"></a>zooals ik
+me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.</p>
+
+<p>Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil
+me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde
+werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben
+over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.</p>
+
+<p>Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de
+gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig
+van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze
+ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten,
+die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen
+onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberi gezonden.</p>
+
+<p>Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen
+bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer
+opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog
+betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn
+hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde,
+toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen
+verrader, <span class="pagenum" title="171">&nbsp;</span><a id="p_171"></a>ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.</p>
+
+<p>Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag
+ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet
+ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?</p>
+
+<p>Er kan maar n bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht,
+opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen
+gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten
+zal en nooit tot een vergelijk zal komen.</p>
+
+<p>Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm
+te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden,
+die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak
+uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die
+niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen
+worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een
+beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter
+aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt
+zich om om te zien wat daar valt.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="172">&nbsp;</span><a id="p_172"></a></p>
+
+<p>Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in
+een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet
+schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie
+jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn z versleten, dat
+ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het
+venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp
+komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord,
+dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem
+smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven
+in een gevangenbarak in het vervloekte land: <ins class="corr" id="corr17" title="Bron: Siberie">Siberi</ins>.</p>
+
+<p>Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische
+gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn
+velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben
+nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.</p>
+
+<p>Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de
+wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en
+boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven
+en aan de gevangenen en <span class="pagenum" title="173">&nbsp;</span><a id="p_173"></a>de in den oorlog verminkten. Er komt nooit
+vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden
+zooals vonken hooibergen aansteken.</p>
+
+<p>Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van
+het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En
+als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den
+oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt
+en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun
+huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle
+oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en
+met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En
+dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.</p>
+
+<p>Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige
+heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed:
+hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste
+ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook
+de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn
+proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden
+verteerd.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="174">&nbsp;</span><a id="p_174"></a></p>
+
+<p>En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten
+vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn
+schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en
+kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.</p>
+
+<p>Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot
+vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeers, de
+vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde
+voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het
+menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog
+bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar
+verdrukker!</p>
+
+<p>Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn
+woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den
+vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen.
+Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.</p>
+
+<p>Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet
+sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven
+wil, en <span class="pagenum" title="175">&nbsp;</span><a id="p_175"></a>den oorlog tot asch verbranden op den grooten
+vrede-brandstapel.</p>
+
+<p>Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen,
+en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het
+ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn
+gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze
+hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik
+zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.</p>
+
+<p>Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn
+gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet
+goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberi
+is gestorven.</p>
+
+<p>Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de
+menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt
+voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te
+steken?</p>
+
+<p>Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberi. Er is
+typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.</p>
+
+<p>Mijn arme verzen, zullen zij leven?&mdash;Zullen zij leven, als ik uit dit
+leven zal zijn heengegaan?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="176">&nbsp;</span><a id="p_176"></a></p>
+
+<h4><a id="h4VII"></a>VII.</h4>
+
+<p class="subh4">Gustav Frding.</p>
+
+<p class="brief"><i>(Proloog op het feest ter eere van den dichter Frding in 't Koninklijk
+Theater in Stockholm).</i></p>
+
+<p class="datum">8 Febr. 1921.</p>
+
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,<br /></div>
+ <div class="i0">Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden<br /></div>
+ <div class="i0">In het land van den Klarelf,<br /></div>
+ <div class="i0">Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodien<br /></div>
+ <div class="i0">En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;<br /></div>
+ <div class="i0">Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig<br /></div>
+ <div class="i0">En hun macht was als die van den liefdedronk,<br /></div>
+ <div class="i0">Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zeg mij, Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Gij, die dwaalt over de bergen,<br /></div>
+ <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,<br /></div>
+ <div class="i0">Waarom is zijn harp verstomd?<br /></div>
+ <div class="i0">Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek<br /></div>
+ <div class="i0">In de maneschijnsnachten?<br /></div>
+<span class="pagenum" title="177">&nbsp;</span><a id="p_177"></a>
+ <div class="i0">Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:<br /></div>
+ <div class="i0">&bdquo;O, waar zijt gij?&rdquo;<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,<br /></div>
+ <div class="i0">Als de dans van de dochter van een grooten koning,<br /></div>
+ <div class="i0">Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,<br /></div>
+ <div class="i0">Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,<br /></div>
+ <div class="i0">Als zonneschijn na stormvlagen,<br /></div>
+ <div class="i0">Als dauw in de droogte van den zomer.<br /></div>
+ <div class="i0">'t Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,<br /></div>
+ <div class="i0">Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;<br /></div>
+ <div class="i0">Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,<br /></div>
+ <div class="i0">Waar <ins class="corr" id="corr18" title="Bron: Wermeland's">Wermelands</ins> zonen en dochters samenkomen ten dans;<br /></div>
+ <div class="i0">Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.<br /></div>
+ <div class="i0">Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,<br /></div>
+ <div class="i0">Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,<br /></div>
+ <div class="i0">Waar de schuimvlokken rondvliegen<br /></div>
+ <div class="i0">En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+<span class="pagenum" title="178">&nbsp;</span><a id="p_178"></a>
+ <div class="i0">Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was de speelman, die in den stroom speelt,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was de stroomgeest met gouden harp,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,<br /></div>
+ <div class="i0">Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.<br /></div>
+ <div class="i0">Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;<br /></div>
+ <div class="i0">Hij speelde alles wat hij gehoord had;<br /></div>
+ <div class="i0">Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de zaligheid.<br /></div>
+ <div class="i0">En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;<br /></div>
+ <div class="i0">Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop<br /></div>
+ <div class="i0">En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,<br /></div>
+ <div class="i0">Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,<br /></div>
+ <div class="i0">Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,<br /></div>
+ <div class="i0">Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,<br /></div>
+ <div class="i0">Maar zijn harp was als die van Danil;<br /></div>
+ <div class="i0">Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van smart.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+<span class="pagenum" title="179">&nbsp;</span><a id="p_179"></a>
+ <div class="i0">Vele dagen zijn voorbijgegaan,<br /></div>
+ <div class="i0">Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend, bij den waterval.<br /></div>
+ <div class="i0">Waarom zijn die tonen verstomd,<br /></div>
+ <div class="i0">Die een lichtglans wierpen over de ziel,<br /></div>
+ <div class="i0">Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zeg mij, <ins class="corr" id="corr19" title="Bron: Wermeland's">Wermelands</ins> dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Gij, die de kudde hoedt op de bergen,<br /></div>
+ <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,<br /></div>
+ <div class="i0">Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?<br /></div>
+ <div class="i0">Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,<br /></div>
+ <div class="i0">Die niemand kon doorbreken,<br /></div>
+ <div class="i0">Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?<br /></div>
+ <div class="i0">Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.<br /></div>
+ <div class="i0">Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,<br /></div>
+ <div class="i0">Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering<br /></div>
+ <div class="i0">En door velen geerd en benijd wordt.<br /></div>
+ <div class="i0">Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen<br /></div>
+ <div class="i0">En zich met ringen en kettingen getooid.<br /></div>
+<span class="pagenum" title="180">&nbsp;</span><a id="p_180"></a>
+ <div class="i0">De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en edelgesteenten.<br /></div>
+ <div class="i0">O, gij Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Onze vriend was als een heel schuwe vogel;<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was teer als de bloem van den meidoorn<br /></div>
+ <div class="i0">En licht te breken als de wilg aan den oever.<br /></div>
+ <div class="i0">Gij, Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde, als hij speelde?<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.<br /></div>
+ <div class="i0">Met groote kunst greep hij in de snaren<br /></div>
+ <div class="i0">En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,<br /></div>
+ <div class="i0">De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.<br /></div>
+ <div class="i0">Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,<br /></div>
+ <div class="i0">Zooals die komen kan over de watergeesten,<br /></div>
+ <div class="i0">En zijn spel werd woest en grillig.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zeg mij, gij Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?<br /></div>
+ <div class="i0">Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?<br /></div>
+<span class="pagenum" title="181">&nbsp;</span><a id="p_181"></a>
+ <div class="i0">Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?<br /></div>
+ <div class="i0">Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,<br /></div>
+ <div class="i0">Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren<br /></div>
+ <div class="i0">Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:<br /></div>
+ <div class="i0">&bdquo;Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?<br /></div>
+ <div class="i0">Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?<br /></div>
+ <div class="i0">Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis brengt?&rdquo;<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Toen zweeg de gouden harp,<br /></div>
+ <div class="i0">Toen zonk de speelman neer in den waterval,<br /></div>
+ <div class="i0">Toen ging een rilling door het sparrenwoud,<br /></div>
+ <div class="i0">Toen bruiste de waterval toornig en woest,<br /></div>
+ <div class="i0">Als wilde hij een vijand aanvallen.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Zeg mij, gij Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was teer als de bloem van den meidoorn<br /></div>
+<span class="pagenum" title="182">&nbsp;</span><a id="p_182"></a>
+ <div class="i0">En licht te breken als de wilgetak.<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was een heel schuwe vogel.<br /></div>
+ <div class="i0">Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,<br /></div>
+ <div class="i0">Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar zaligheid?<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?<br /></div>
+ <div class="i0">Ge wacht te vergeefs aan den oever.<br /></div>
+ <div class="i0">Ach! Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,<br /></div>
+ <div class="i0">Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,<br /></div>
+ <div class="i0">Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,<br /></div>
+ <div class="i0">Met handen als vlammen snel zich bewegend,<br /></div>
+ <div class="i0">Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+ <div class="i0">Als ge hem nu nog weerziet<br /></div>
+ <div class="i0">Ligt hij stil op de golven,<br /></div>
+ <div class="i0">Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,<br /></div>
+ <div class="i0">Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van de bergen,<br /></div>
+ <div class="i0">Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,<br /></div>
+ <div class="i0">De vreeselijke oogen van den watergeest,<br /></div>
+ <div class="i0">Die van geen hoop of verlangen weten,<br /></div>
+ <div class="i0">Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.<br /></div>
+</div>
+<div class="stanza">
+<span class="pagenum" title="183">&nbsp;</span><a id="p_183"></a>
+ <div class="i0">Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,<br /></div>
+ <div class="i0">Sinds we de harp van onzen vriend hoorden<br /></div>
+ <div class="i0">In het land van de Klarelf,<br /></div>
+ <div class="i0">Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodien<br /></div>
+ <div class="i0">En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,<br /></div>
+ <div class="i0">Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!<br /></div>
+ <div class="i0">Gij, die de kudden weidt op de bergen<br /></div>
+ <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.<br /></div>
+ <div class="i0">Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;<br /></div>
+ <div class="i0">Want onze vriend was meer dan alle anderen,<br /></div>
+ <div class="i0">Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels<br /></div>
+ <div class="i0">En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk<br /></div>
+ <div class="i0">En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.<br /></div>
+</div>
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="-">&nbsp;</span><a id="p_ad3"></a></p>
+
+<div class="ad2">
+
+ <p class="boek">VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ <span class="adsl">SELMA LAGERLF</span>
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></b>,
+ ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. &fnof;&nbsp;3.90 EN EEN
+ PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG
+ PAULI, PRIJS IN PRACHTB. &fnof;&nbsp;5.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>DE BANNELING</b>, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;5.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>JERUZALEM</b>, 3<sup>E</sup> DRUK, IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;5.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>HERINNERINGEN</b>, PRIJS IN PRACHTB. &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>MACHTEN EN MENSCHEN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>DE KEIZER VAN PORTUGAL</b>, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>CHRISTUSLEGENDEN</b>, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/29320" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #29320 beschikbaar.">NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS</a></b>,
+ VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. &fnof;&nbsp;5.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>DE VOERMAN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>HET HUIS VAN LILJECRONA</b>, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST</a></b>,
+ DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>ONZICHTBARE KETENEN</b>, IN PRACHTB. &fnof;&nbsp;4.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>LEVENSGEHEIMEN</b>, IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;3.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/38422" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #38422 beschikbaar.">OUD EN NIEUW</a></b>,
+ PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>INGRID</b>, 5<sup>E</sup> DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;2.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>ELSA</b>, 2<sup>E</sup> DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;2.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA</b>, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;2.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>VONKEN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;4.50.</p>
+
+</div>
+
+<div class="TNbox">
+<a id="correctie"></a>
+
+<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2>
+
+<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table summary="correcties in tekst">
+ <thead>
+ <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr>
+ </thead>
+ <tbody>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. v</a></td><td class="td4">Oliva</td><td class="td4">Olive</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 1</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">EERSTE DEEL.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 25</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 26</a></td><td class="td4">Stine</td><td class="td4">Stina</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 26</a></td><td class="td4">Line</td><td class="td4">Lina</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 33</a></td><td class="td4">werdt</td><td class="td4">werd</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 42</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 42</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 60</a></td><td class="td4">ge-geroeid</td><td class="td4">geroeid</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 95</a></td><td class="td4">OLIVA</td><td class="td4">OLIVE</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 115</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 119</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 123</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 139</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 151</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 167</a></td><td class="td4">&bdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 173</a></td><td class="td4">Siberie</td><td class="td4">Siberi</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 178</a></td><td class="td4">Wermeland's</td><td class="td4">Wermelands</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 180</a></td><td class="td4">Wermeland's</td><td class="td4">Wermelands</td></tr>
+ </tbody>
+</table>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN ***
+
+***** This file should be named 38920-h.htm or 38920-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/38920-h/images/cover.jpg b/38920-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b38fed6
--- /dev/null
+++ b/38920-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/38920-h/images/ill_ad.png b/38920-h/images/ill_ad.png
new file mode 100644
index 0000000..628f8ad
--- /dev/null
+++ b/38920-h/images/ill_ad.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..f4d28be
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #38920 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38920)