diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 38920-0.txt | 4671 | ||||
| -rw-r--r-- | 38920-0.zip | bin | 0 -> 88673 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38920-8.txt | 4671 | ||||
| -rw-r--r-- | 38920-8.zip | bin | 0 -> 88461 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38920-h.zip | bin | 0 -> 138569 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38920-h/38920-h.htm | 4985 | ||||
| -rw-r--r-- | 38920-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 43099 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38920-h/images/ill_ad.png | bin | 0 -> 585 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
11 files changed, 14343 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/38920-0.txt b/38920-0.txt new file mode 100644 index 0000000..2d50526 --- /dev/null +++ b/38920-0.txt @@ -0,0 +1,4671 @@ +The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Vonken + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + +Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlöf: + +Niels Holgersson's Wonderbare Reis + +Prijs ingenaaid ƒ =4.90=; gebonden in prachtband ƒ =5.90= + +=Jan Ligthart=: + +=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.= + +=Het Nieuws van den Dag=: + +Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische +dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den +voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen, +die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt +meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende +verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft +een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels +wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan +allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en +beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder +opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is +dit te zijn. + +=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor +kinderen.= + +=De Nederlander=: + +=Een mooi boek.= Het „sprookje” heeft een filosofischen ondergrond, +zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma +Lagerlöf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld +gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend +geschenk.= + +=De Tijd=: + +Dit werk van Selma Lagerlöf heeft iets wonderbaars in zich, van dat +sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken +meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naïeve +bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de +zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere +waarde. + +=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer): + +=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer +en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.= + +=De Nieuwe Arnhemsche Courant=: + +=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra +populair zal worden.= + +=De Hofstad=: + +Een prachtig sprookje à la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond +van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd +en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n +tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste poëzie, waar +doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlöf's phantasie +laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op +vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden. + + +_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_: + +De Wonderen van den Anti-Christ + +Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF + +DOOR + +MARGARETHA MEIJBOOM. + +TWEEDE DRUK. + +Prijs ingenaaid ƒ =3.90=; gebonden ƒ =4.90= + + +=Eenige Bladen over „De Wonderen van den Anti-Christ”.= + +=De Kerkelijke Courant=: + +Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar +vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar +fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo +gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek +speelt op het eiland Sicilië met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het +Socialisme tegenover het Christendom. „Hebt uw schat in den hemel,” zegt +het laatste. „Hebt uw schat op aarde,” predikt het eerste. Het slot is, +wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar +trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien +of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: „Alle menschen +klagen.” Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop +zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: „Alle menschen +juichen.” Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten +derden male uit, die terugkeerende zei: „Sommigen weenen en sommigen +lachen.” Toen verklaarde God de wereld gereed. + +=Het Vaderland=: + +Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken. + +=Het Nieuws van den Dag=: + +Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon. + +=Nederland=: + +Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in +haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer +boeiend. + +=De Telegraaf=: + +Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm +aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, geïnspireerd +door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel. + + + + +VONKEN + + + + + VONKEN + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLÖF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + GEAUTORISEERDE UITGAVE + + AMSTERDAM + H. J. W. BECHT + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM. + + + + +INHOUD. + + + EERSTE DEEL. + + Bladz. + + De Doodskop 1 + + De Zonsverduistering 19 + + Iets over Landverhuizing 29 + + Kalle Frykstedt 38 + + De Legende van den Luciadag 50 + + De Kanonnier 87 + + De Geschiedenis van Zuster Olive 95 + + + TWEEDE DEEL. + + De Prinses van Babylonië 117 + + Stemmingen uit den Oorlogstijd 124 + I. 't Schreien van Rachel 124 + II. De verlaten Kerk 133 + III. De Mist 139 + IV. De jonge Zeeman 152 + V. De Ster 161 + VI. De Brandstapel 169 + VII. Gustav Fröding 176 + + + + +EERSTE DEEL. + + + + +DE DOODSKOP. + + +Er was eens een man in de gemeente Svartsjö in Wermeland, die op een +Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond, +maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg +wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de +schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te +halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef +dan onverrichter zake weer naar huis te gaan. + +De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan, +en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was +uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij +gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw +was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als +geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de +Kersttafel? + +„'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen,” zei +hij, „'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden +om Kerstavond in mijn huis te vieren.” + +Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen +van de menschen in Svartsjö,—nog nooit was het iemand in die +gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen, +omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook +geen gewone doodgraver. Hij heette Anders Öster en was uit een oud +speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers +geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was +geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen. + +Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een +betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming, +waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven. + +„Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't +kerkhof moeten vragen,” mompelde hij, „die zullen zich ten minste niet +schamen om op een feest bij den doodgraver te komen.” + +Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het +kerkhof van Svartsjö loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij +zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan +daar ernst van te maken. + +Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond, +wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat +scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien +wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering +niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en +steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven, +en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag. + +In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een +mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval +in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het +knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets +zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn +hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een +eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve +als hij in zijn allerslechtste humeur was. + +„Goeden avond, goeden avond!” zei hij. „Ik ben blij dat ik u ontmoet. +Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik +u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen. +Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te +komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten +en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen.” + +Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de +hand, als om 't antwoord af te wachten. + +„Ja—u zegt ten minste geen: Nee,” ging hij voort, toen hij een +behoorlijken tijd had gewacht, „dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik +woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet +ver te loopen.” + +Toen lachte Anders Öster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging +naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden. + +'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in +'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't +voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet +geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk +op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis. +Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den +natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil. + +„Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder +oogenblik kunnen komen,” zei de man, terwijl hij binnen kwam. + +Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi +met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden. + +„Zoo, er was niemand die komen wou,” zei ze. „Ja, dat dacht ik wel. +Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond +uitgaat.” + +„Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen +komen,” zei hij, zóó heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was. +„Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam,” ging hij +onverschillig voort, „maar hij komt wat later.” + +„Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en +'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar.” + +Maar Anders Öster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd +werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den +weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem +stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de +kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open +haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en +Anders Öster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets +ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van +geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken, +aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote +ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek, +schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen +rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en +onverstoorbare kalmte. + +De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit +zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn +van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders Öster deftig en prettig +voor, en hij zei tegen zijn vrouw: + +„Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in +de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren +wil.” + +De vrouw zag heel verschrikt op. + +„Wat bedoel je?” vroeg ze. „Wil je hier beneden zitten drinken met dien +gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de +vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten.” + +Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van +de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon +er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt. + +Maar Anders Öster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond +alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd. + +„Wees nu niet lastig, Bolla!” zei hij. „Ik zeg je, dat ik hier van avond +wil zitten met ons Kerstmaal.” + +'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die +hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel +zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats +konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige +mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als +een aanzienlijk man, een groote boer, en dáár had hij behoefte aan. + +„Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat +doet,” zei zijn vrouw. „Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik +leef.” + +Toen zijn vrouw zich zóó beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn +woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in +hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij +antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in. +Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand. + +Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de +leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te +schuren. + +„Bolla, Bolla,” zei hij met een stem zóó zacht en hoog, dat ze bijna +suikerzoet klonk! „Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel +in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?” + +„Ja, dat meen ik!” riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had, +dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze +wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't +geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd. + +Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook +en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond. + +„Almachtige God!” Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar +buiten in 't donker. + +Öster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend, +zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer +naar boven en hing het aan den wand. + +Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals +hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang +om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor +het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij +legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie +kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten +boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden +met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een +schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst +sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel +met een kring glazen om de kraan heen. + +Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en +dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot. + +'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem zóó kwelde, +dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het +schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet +anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld. + +Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten? +Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar +zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan, +en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig. + +Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze +tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de +baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten. +Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn +huwelijk. + +Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje, +toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort +van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden. + +Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin. + +„Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt,” zei +hij. „Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga +halen.” + +Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam +spoedig terug met den doodskop in de hand. + +Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en +droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt +zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.— + +Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die +vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die +probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar +uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun +Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof +ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten. + +„Hij heeft op me geschoten!” dacht ze telkens weer. „Hij heeft me willen +vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!” + +Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij +was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid. + +Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden +meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen +dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid +voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen +hadden doorgemaakt. + +Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een +paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele +geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't +kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden. + +„Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de +kerkeraadskamer,” vertelden ze. En een poos later was het: „Nu zit hij +in den voorzittersstoel te eten en te drinken.” + +Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er +iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand +toe, dien de kinderen niet konden zien. + +De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders +denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die +beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar +geschoten! + +'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was +niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor +een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar +verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende +gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier +te overvallen. + +'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit +ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd, +was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen. + +Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te +roeren en de Kersttafel te dekken. + +„Hij heeft mij met zijn schot gedood,” dacht ze. „Het is mij dwars door +'t hart gegaan.” + +Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen +de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder +de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar +niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen +maar. + +'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het +waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te +kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten +nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en +meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan. + +„Er is iets met hem gebeurd,” dacht ze. „Hij is niet meer dezelfde, +die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek +geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot.” + +Ze stond op van haar plaats en zei zacht: „Ik dank jelui wel,” en ging +naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten +en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het +gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep—dan hij +zelf. + +Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar +daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats. +Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag +alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen. + +Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel +stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op +den doodskop. + +„Zie daar eens naar,” zei hij. + +Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan. + +„Zie je wel, dat hij geschoten—vermoord is?” zei hij. „Dat is geen +zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter +het oor.” + +„Ja, dat zie ik,” zei ze en een siddering van verwachting kwam over +haar. + +„Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente +is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en +ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd +zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de +eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een +schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen.” + +Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort. + +„Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den +grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar één, die +door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond +bij mij.” + +De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen. + +„Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met +het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar +toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat, +kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon +dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de +duisternis buiten te laten liggen, en dan ook—ik wou iemand hebben om +mee te spreken. En toen ik hem vóór mij op de tafel zette en een glas +inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een +schot was verbrijzeld. + +Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam +hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen +moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?” + +„Dat was zeker God,” fluisterde zij en vouwde de handen. + +„Ja,” antwoordde hij—ook fluisterend. „Zoo is het. Het was Gods wil. +Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat +het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn +groote zonde en ellende zou inzien.” + +Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en +stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als +van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei +hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden +met hen had en hen wilde redden. + +Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De +vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze +had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen. +De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis +zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al +hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze +nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over +hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke—dat ze er toe zouden +komen elkaar te haten. + +God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden. +Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten +ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste +geluk, dat menschen kunnen genieten. + + + + +DE ZONSVERDUISTERING. + + +Het waren Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude +vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den +grooten heuvel, in een streek, die zóó woest en vol steenen was, dat +geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te +slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere +had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een +heuvel, die zóó steil was, dat het een heel werk was om boven te komen. +En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men +er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er +niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen +hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar +hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er +allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar, +dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel +steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een +schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe +slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen +hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg +uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend +tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een +overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor +hen in orde was gebracht. + +Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want +al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun +kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen +kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine +kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen +gezelschap noemen. + +Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat +ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat +ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid +toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn +van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze +daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens +menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en +over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren +spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om +die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken. + +'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen. +Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de +heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden +ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en +suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje +in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk +was—dat was een aanleiding te vinden. + +Want allen:—Stina van Buåsen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmörkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere +oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag +ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met +je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een +slechten naam kunnen krijgen. + +En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een +koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan +hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap +genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis +gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den +heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een +heilige dag was. + +Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De +meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote +gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of +dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen, +die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een +geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren +vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te +zetten. + +Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en +eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze +wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets +tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat +iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon. + +Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is +uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar +familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was héél +oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en +ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker +hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed +koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een +koffiefeest voor een kat te geven. + +Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar +almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar +bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het +koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten +en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door, +zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist +dat van daar de hulp moest komen. + +Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het +1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op +den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om +twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren. + +Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in +eens werd het helder licht in haar binnenste. „Nu weet ik wat ik doen +zal,” zei ze. + +Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde. +Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden +lachen. + +Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de +gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon +te overleggen of zij 't niet wagen zou. + +Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar +ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen +winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen, +die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug +zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die +altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen. +Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het +altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er +zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was +alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden +zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als +een rondwandelend lijk. + +Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag +in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar +vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke +overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht. + +'t Was nog maar kort vóór den 17den April; maar er was nog tijd +genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de +zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en +Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmörkret koffie te drinken. Ze +dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder +andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had +aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar +daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was, +toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag +en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van +'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,—toen alleen +voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en +toen ging het weer over. + +Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan +den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit +zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar—toen zagen ze de oude +Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag +neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen: + + Weer straalt het heldre zonnelicht! + Wij danken U o Heer, + Met kracht en moed en nieuwe hoop. + Zie zeegnend op ons neer! + +Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar +terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar +leven kleur en kracht wilden geven. + +Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei—half +verontschuldigend: „Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en +daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik +vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't +donker weer te voorschijn kwam.” + +Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en +begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed +voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was +hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te +leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen. + +Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en +vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht +hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon. + + * * * * * + +Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende +van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een +geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te +berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart +en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit +de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De +couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde, +hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de +verduistering op 't hoogste was gekomen. + +Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was—ik heb niet +gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om +de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te +voorschijn kwam. + + + + +IETS OVER LANDVERHUIZING. + + +Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de +eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de +lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden. + +Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en +alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en +de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was +benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de +vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar +ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van +gedachten over een en ander te wisselen. + +En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op +de quaestie van landverhuizing. + +En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam, +zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten. + +En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen +dan iemand wist. + +En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente +den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat +groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden +uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan. + +En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat +ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de +jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet +anders gaan. + +En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen, +wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand +ons overwinnen, zoodra hij maar wilde. + +En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn +meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet +meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak +zou zeggen. + +Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had, +die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog +zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat +hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op +eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost +zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de +kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor +en de inspecteur van de nieuwe lijn. + +Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen +werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren +immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen +tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven. +Want dat de landverhuizing het land schaadde—dat was toch zeker niet +tegen te spreken! + +En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen +voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu +een ander land ten goede zou komen. + +En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel, +wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende, +hoorde je nooit wat. + +En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen, +als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te +sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren +juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook +naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven. + +En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was, +dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan +hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en +onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren. + +Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er +een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen +glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op, +want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij +kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen +wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de +anderen over deze zaak. + +En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten +stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar +verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een +paar honderd. + +En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat +het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar +Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen +wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden. + +'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun +vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je +nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't +oude land. + +Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den +presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist. + +Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel +zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren +vertrokken. + +Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er +wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren. + +Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen, +die om hem heen zaten, strak aan. + +„Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,” +zei hij. „Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze +terugkwamen?” + +En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen +over de borst. + +Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro +dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon +gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had, +die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou +hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem +had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken. +En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel +werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen +woord. + +De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de +Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele +gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan +ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en +daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes +onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele +gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er +niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar +te zoeken, alsof hij heen wilde gaan. + +Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het +sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde +hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn +station aankwamen, op het perron zou staan en „Hoera!” roepen. Maar toen +dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij +eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele +jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was—hij zou haar toch niet graag +ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder +een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te +antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard +te zadelen. + +Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en +luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat +hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste +zou kunnen bezorgen—dat zou heelemaal niet moeilijk zijn—kwam hem in +de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen, +er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo +diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle +huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar +de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken. + +En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend +in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond +op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een +paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn +dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat +de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had +gebracht. + +De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed +oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer. +En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die +zendingen ophielden. + +De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een +schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens +gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist +niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook +op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van +'t toeristbureau, die daar hingen. + +Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had +aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon +overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht, +terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó +innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel +in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd +gekregen had naar Amerika te gaan. + +De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij +merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de +tafel zat, wendde hij zich tot hem: + +„Ja, wat zegt u er van, Söderberg?” + +„Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.” + +„Ja, dat zou ik ook meenen,” zei de proost. „Ik wist wel, dat allen tot +die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te +denken.” + + + + +KALLE FRYKSTEDT. + + +Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost +in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet. + +„Zoo was het leven in dien tijd niet,” zei ze tegen mij, kort nadat het +boek verschenen was. „Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist +geteekend.” + +Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en +hun land zou brengen. + +Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had, +dat van dien kant te hooren. + +De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van +'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen +enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen +kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven. + +Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over +te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen. +Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor +Gösta Berling genomen had. + +Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was, +waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde +opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het +ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte. + +De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde. + +„Jawel, Kalle Frykstedt,” zei ze. „Ik dacht wel, dat je aan hem had +gedacht.” + +Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan +vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd. + +Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van +Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond. + +Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder +dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest, +nadat ze getrouwd was. + +„Was hij toen al door den drank gesloopt?” vroeg ik. + +„Kalle Frykstedt!” riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag +mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei. + +Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar +eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd +als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette, +haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij +hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige +menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en +dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof +ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid +kwamen. + +Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten. +Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: „Wacht eens, nu zul je +hooren hoe Kalle Frykstedt was,” zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu +zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend. + +„'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,” begon ze. En nu wist +ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker +verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar +op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig +hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist, +die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die +pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat +ik bewogen werd en toch lust tot lachen had. + +Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten +had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in +Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters +ook predikanten moesten zijn. + +„Moest hij dan naar Upsala terug?” vroeg ik. + +„Neen, alleen maar naar Karlstad,” antwoordde mijn tante. „Toen kon je +dat examen in Karlstad doen.” + +Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en +verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't +predikantsexamen duurde. + +En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven. + +„Neen, hoe durfde hij dat te wagen?” zei ik. + +„Ja, het moest wel,” antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog +te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming +begonnen. + +„Maar ik zou nu niet van ons vertellen,” ging ze voort, „maar van +Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde +in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als +huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem +overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn +brood te kunnen verdienen.” + +„En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als +alle andere menschen,” zei ik. + +„Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.” + +„O!” riep ik, héél verbaasd. „En ik dacht...” + +„Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,” zei mijn tante. „Maar +hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen, +toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken—dat deed hij. Hammargren +en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor +een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den +heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op +zijn beenen kunnen staan.” + +Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van +Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in +die richting te zeggen. + +„Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?” vroeg ik. + +„Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten +graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,” voegde +zij er bij. + +Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet +voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen +erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten +van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat +Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te +verzorgen krijgen. + +Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door +zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te +geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den +kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het +feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou +drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen +gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen. + +'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen +maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd +met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de +keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar +eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten +was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het +grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en +zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van +vrienden en bekenden moest leenen. + +Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten +vragen. + +'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de +examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk +genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd. + +Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag +als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest +ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar +verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd. + +Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe, +maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die +diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets +plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem +gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie, +levendige geestdrift vervuld. + +Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon +zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone +toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien +middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden. +Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar +nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de +hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij +zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel +'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel. + +Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop +Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en +begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze +verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken +welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij. + +Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks +aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet +veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan +tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij +den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest, +dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den +bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok +zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed +te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer +en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd. + +Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij +ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel +geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij, +viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk. + +Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den +tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te +verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een +massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en +verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken +goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen +geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen +mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle +uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden, +aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de +ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet +beter had verzorgd. + +Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante +droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en +kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje +praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante +onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid +te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te +verontschuldigen. + +„Ik weet 't niet recht meer...” zei hij en streek met de hand over het +voorhoofd. „Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet +onbehoorlijk gedragen?” + +„Neen,” zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag +met haar bekoorlijken glimlach. „U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk +gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed—dat is +veel te weinig—die ons allen in verrukking bracht.” + +Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel +gerustgesteld. „Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...” + +„U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,” zei mijn tante op +stelligen toon. + +Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar +stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem +leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich +verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist. + +„O! wat ben ik blij!” had de arme stakker uitgeroepen. „Wat ben ik +blij!” + +Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote +aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol +geest geworden als den vorigen dag. + +Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen +bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er +lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den +ouden tijd. + +Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les +kende, jubelde er in mij iets hoog op. + +„Mannen en vrouwen uit het verleden,” dacht ik, „al ontkent ge het +zelf,—toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.” + + + + +DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG. + + +Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke, +gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een +burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve—aan +de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land +stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden +opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een +kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van +knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te +betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar +voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen, +bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet +anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den +inham te gaan. + +Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van +de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is +waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar +reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als +zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van +Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde. + +Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens, +die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die +door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door +den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een +goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar +schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk, +dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen. + +Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er +iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel +onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met +acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden +genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog +niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed +gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar +nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen, +dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren +had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den +burcht alles regelen en besturen. + +Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij +was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn +eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan +zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken +bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan +zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen +te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn +jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat +er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord, +waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht +beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood +te gemoet ging. + +Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is +verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit +alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn +huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die +oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar +boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn. + +„Lieve Eskil,” ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was +van de uitwerking van wat zij zei. „Ik weet, dat er nu gelegenheid is +voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk +genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan +een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de +jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.” + +Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een +jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging +voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met +de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die +dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu +toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was +daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar +had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding +geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen. + +„Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,” zeide Vrouw Rangela, +„dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van +ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal +niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus, +als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.” + +Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen +aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw +Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een +paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela +volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in +verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden +toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het +voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar +twintigsten verjaardag had gevierd. + +Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest, +omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had +gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar +de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog +wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot +over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen. + +Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar +maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die +op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland +verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren +uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen, +die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het +gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten +geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge +bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk +soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze +wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken. + +Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er +onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen +op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun +tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en +probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl +de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken +uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij +werkelijk leeg waren. + +Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der +armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm +kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar +toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit: +„Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan +land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien +tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.” + +De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te +spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met +blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het +niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het +tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein +kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en +vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar +hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met +licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er +was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna +bang was haar aan te raken. + +Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en +toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij +ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol +geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die +gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen. + +Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van +dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun +van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze +haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig +moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog +meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar +vroegere duisternis te doen terugkeeren. + +Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos +opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar +deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten +en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden. +Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan +gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis +goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de +bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een +machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte +en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed +bezorgde. + +Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken, +maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met +Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het +hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een +paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters +en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de +vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek +kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon +krijgen. + +Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn +kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk +een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar +buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken. + +Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort +van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil. + +„'t Is om je arme kinderen, Eskil,” riep ze, „ze zijn in levensgevaar +op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg +naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit +mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te +waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat +'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te +laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!” + +Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen +waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis. +Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met +alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm +leidde. + +De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar +was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof +ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar +beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan +om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en +riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen +toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar +boot over te brengen uit het zinkende vaartuig. + +Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen, +was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar +gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal +niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat +wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een +stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich +met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna +den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag. + +Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze +in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela +bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze +hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle +kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken +zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was. + +'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van +dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op +den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart +gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze +zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij +bleef onbeweeglijk en machteloos. + +Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van +veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar +zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de +handen klappend. + +Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf +naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en +kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam +stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat +zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen +te nemen en naar zijn burcht te dragen. + +Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en +hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl +misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij +sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar +gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van +zijn kinderen te kijken. + +Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet +haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen. +Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van +haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in +ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en +kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge +positie te berooven. + +Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want +het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan +de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op +haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde +het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed, +wat Heer Eskil wel moest afkeuren. + +Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien +van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de +jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De +bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De +koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras +en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen. +Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij +beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de +hoeve neerdaalde. + +Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die +goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte +menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken +of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder +veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar +zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was +rondgetrokken—brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren +zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand +staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven +hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en +zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen +verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de +verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over +wat ze hadden verloren. + +Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle +levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging. +Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den +overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer +over de lippen kon krijgen. + +Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren +voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote +lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles +dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse, +die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen +jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar +oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had +om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was +en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en +gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat +ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging +te doen om te helpen. + +Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht +van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een +reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten +vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man +komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij +Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig +feest. + +Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien +herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst, +die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen +alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand +te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen +geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners. + +Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich, +door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed +bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters +achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar +bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag, +onbegrensd aan alle zijden als een zee. + +Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en +berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't +Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst +bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer +teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of +beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen +haan had gekraaid, geen koe had geloeid. + +Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven, +die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn +gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en +huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die +in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden +verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs +of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood +nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware +wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam +aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog +verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te +lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods +zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste +klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar +land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan +land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit +liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij +dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen: +gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken, +kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam +de hulp als door een wonder. + +Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits +in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude +boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de +eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe +komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een +kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd, +maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de +puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen +te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag +en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met +inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te +jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het +niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den +heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd +ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw +Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog +verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige +heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. +Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad, +dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden +haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen +behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één +geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de +vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden +verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif +wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen +daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het +strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de +duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze +kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig +hadden om den winter door te komen. + +Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een +kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen +de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog +overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting +gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw +verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun +kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet +vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote +ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken +en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen +probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind +in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren, +wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid, +toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze +beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen +nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep +de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden. + +Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't +Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te +voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer +te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het +voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog +zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't +minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog, +toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij +laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond +dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den +heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over +eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd. + +„Maar nu krijgen we een drukken tijd,” ging ze voort, „morgen kunnen +we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals +andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en +slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil +terugkomt.” + +Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers, +dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op +dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel. + +Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers +uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks +had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken +paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De +burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de +plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was +thuis gekomen met al zijn ruiters. + +Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze +eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het +balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet +verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al +op weg naar haar kamer. + +Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel +meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een +uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog, +dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en +dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met +bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze +wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen +gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op +Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden +angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach. + +„Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?” vroeg +hij hoonend. „Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik +en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten +gehad. Maar morgen,” voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn +toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, „verwachten +wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een +maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet +vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten +brengen.” + +Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen +zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande, +bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen. +Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was, +die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door +hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan. + +Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in +'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich +over haar heen en zei met een vreeselijke stem: „Bij het kruis van onzen +Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet +voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!” + +Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof +haar voor zich uit de slaapkamer in. + +Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot +nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar +plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig +had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn, +omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij +probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en +hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar +niet aan het woord komen. + +„Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,” zei hij, „en pas op dat je niet vóór den +gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet +voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je +krachten voor noodig hebt.” + +Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog +deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen +oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe +meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij +daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij +zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf +gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had +beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij +verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf +haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden, +langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit +zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou +veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone +dievegge. + +Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,—en dat was werkelijk het +geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede +gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende +te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest +gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik +verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen. + +„Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig +man een maal voor te zetten?” dacht ze in haar wanhoop. „Ik kan even +goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.” + +'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was +onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse. +„O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,” bad zij, „het is +morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden +zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het +is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van +hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit +mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te +ontkomen.” + +Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van +den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het +verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor +het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden +stonden met geraas op in den stal. + +„Nu wordt ook Heer Eskil wakker,” dacht zij. „Hij zal me dadelijk +bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó +onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te +verkwikken.” + +Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon +haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar +beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar +lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat +honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had +gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid +en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit +sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger +had geleden en liefde gegeven. + +En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den +poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het +zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het +volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó +dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van +vuur,—dat meende de wachter ten minste,—bevond zich een jong meisje, +zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de +hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte. + +Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven +slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de +slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad +tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een +gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen +gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone +bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele +kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de +lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan +iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid +uitstraalden. + +In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een +zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de +kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal +en bood hem die aan. + +Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op +zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als +hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem +geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten +droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele +Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was +zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd, +voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde +de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in +toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop. + +De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te +onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al +de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende +krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het +zuiden. + +Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid +genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van +streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten. + +Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen, +of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden +gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar +bedienden aan 't werk. + +Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils +welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen +moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden +onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd, +rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken. + +De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe +kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden +gelegd. + +En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen. +Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon, +dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij +zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de +ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen +was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met +groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over +zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en +onteerende straf op te leggen. + +„Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,” +dacht hij. „Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij +mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar +naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.” + +Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar +de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en +wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel +voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen. + +Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in; +maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een +maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo +gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich +voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken. + +Maar toen zag zij op de tafel vóór zich de groote koperen kan, die de +heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met +geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming +van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl +ze hem vertelde hoe die naar Börtsholm was gekomen, waar hij met de +grootste verbazing naar luisterde. + +Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal +toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend, +vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat +Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke, +Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: „Heer Kolbjörn is een van +mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon +helpen.” + +En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer +Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van +zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem +gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia +haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid +haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij +zoovelen van zijn vrienden had geholpen. + +Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over +haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem: + +„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb +gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te +geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef +het mij daarom.” + +Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw +zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer +had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe +hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had +gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn +hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon +uitbrengen. + +Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag +zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn +weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta +Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar +in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde, +die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die +zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche +aanmoediging. + +„Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze, +„en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in +verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde +kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen +dringen tusschen U en mij.” + +Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in +hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde, +die hij voelde, overwon zijn schaamte. + +Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een +van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen. +Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen +naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen. +Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang +haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht +ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst +op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard +gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw +Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat +Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen. + +Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het +schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw +antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela +afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken +mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig +werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende +loon heeft gekregen.” + +Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was +zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in +zijn borst woonden. + +„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef, +evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat +het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in +mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst +treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede, +de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle +kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden, +dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der +ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid +heet.” + + * * * * * + +Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis +regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de +heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche +rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de +oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in +'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de +slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan. + +Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur +openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel +willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te +vertoonen. + +Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende, +die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren +landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt. + + + + +DE KANONNIER. + + +De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt +opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze +moet meedeelen, roept naar binnen: + +„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is +doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat +verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet +blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is +zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd +heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt +daarheen terug te gaan. + +De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil +te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich +zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze +heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade +zal worden gehouden. + +Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar +alle toebereidselen laten zien. + +„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den +president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast +zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier +vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige +menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een +billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar +ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken +hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd. + +„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd. + +„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet? +'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten +worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet +beginnen.” + +„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak +voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar +niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.” + +„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar +een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen +verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de +toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten +alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind +het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een +groote massa menschen staat.” + +Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen +zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was. +Ze had dus thuis moeten blijven. + +En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo +trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn? +Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is +immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze +voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar +over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te +loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching. +Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als +hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam. + +„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere +proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben +nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de +kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik +heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.” + +„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord. + +„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit +zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester. +Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de +proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar +dreigt.” + +Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam +te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich +bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet +voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders. + +'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet +de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die +schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen +ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen +lokken. + +Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze +weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken. + +Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't +Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats +staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of +verschrikte gebaren maken, zooals de anderen. + +Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de +politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar. + +„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje +midden op het veld. + +Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen +ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille, +zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen +heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op +en gaat haar tegemoet. + +„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst +vertellen wat er gebeurd is.” + +Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door +te kunnen loopen. + +„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. „U moet hem nog +niet zien. U moet eerst weten...” + +„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft +gegooid.” + +„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.” + +Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze +begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog. +Misschien is hij alleen maar gewond. + +„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man +dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het +kanon is gebouwd?” + +„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me +zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde +zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't +geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.” + +„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij +had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen +verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de +armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon, +alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen, +dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af +en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.” + +Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier +houdt haar terug. + +„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen +snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was +doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier +getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?” + +„Ja,” antwoordde zij. + +„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en +had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in +het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht, +voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen +heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij +geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune +vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even +veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk +medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn +eigen lichaam te ontvangen.” + +„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen. + +Op dat oogenblik laat de officier haar arm los. + +„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien. +Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in +de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te +verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om +al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij +allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te +handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het +om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel +in zich omdragen.” + + + + +DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. + + +Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren +menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren +Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook +onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke +groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar +Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de +ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine +belgische schilderes en een italiaansche diacones. + +Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over +Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een +geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste +wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel +hem snel in de rede. + +„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt ons nog niet gezegd wat het +voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.” + +„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt +U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?” + +„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping +hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan +boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het +oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons +afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische +rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een +luchttorpedo uitvinden.” + +„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn +reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een +innerlijke roeping volgen.” + +„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U +is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U +laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons +er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.” + +„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, „daar kunt u gelijk aan +hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen +vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.” + +Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de +bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en +wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde. +Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?” + +„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de +diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn. +Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van +den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De +meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen +wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.” + +„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de +Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...” + +Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman +in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen. +Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen +volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe, +dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en +die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.” + +„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn. +Roeping kan niet falen.” + +„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er +iets wat meer bedriegelijk is?” + +„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij, +Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames. + +„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U +weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.” + +Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een +vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken +over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de +wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet +overeen stemden. + +„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat +zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij +verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij +helaas! die niet heeft kunnen volgen.” + +De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder +uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een +veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen. + +„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij. + +„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw +landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de +diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij +was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde +opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster +Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen, +die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een +Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en +gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen, +òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive +daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en +vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd +ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een +grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive +Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen +paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa +had omgegaan. + +Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en +bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen +kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een +grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene +maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen, +maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon +wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek +had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel +geld en ze trad op in het Theatre Français. + +Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te +gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster +Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over +zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk +of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive +zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag, +dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich +had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was +waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die +eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en +met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het +Theatre Français te krijgen. + +Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was +indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar +positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij +nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar +eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen +intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke +kameraad, waar allen van hielden. + +Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had +gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had +begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar +'t ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als +waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele +leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven. + +'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat +haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang +in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer +bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te +houden en in de lucht te blijven zweven. + +Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een +boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd +onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze +nooit een stad of een theater gezien. + +Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt +in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en +dochter mee naar het theater nam. + +Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was +Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo. + +Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een +andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam +haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze +trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al +beleefd had. + +Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive +Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een +boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze +zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone +Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani, +en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk, +voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen +werd. + +Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één +gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje +gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna +Sol spelen. + +'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te +maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar +vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen +man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat +zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt, +zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap. + +Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken, +kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het +tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was +geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over +den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te +houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone +opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat +ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor +die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur. + +Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt +had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als +de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove +stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten. + +Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos +werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde, +had ze nooit geschreid. + +Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze +nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht +vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als +molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als +schoenmakersjongen begonnen. + +Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon. +Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk +gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar +gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude, +geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen. + +Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor +haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat +vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond. + +En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't +verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd +optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in +verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met +vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd. + +Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing +bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De +directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen +contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te +laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar +ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was +verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire +te zetten. + +De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor +haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar +de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en +ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of +inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze +zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar +spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar +intrede deed in het huis van Molière. + +Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de +voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste +tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die +eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden +gebracht. + +Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle +groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld, +dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de +tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden. + +„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt +spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je +hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet +van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet +tot in het Theater français hoeven opwerken.” + +Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en +hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich +drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af. + +Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze +op een dag weer op haar klachten terug: + +„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij +Donna Sol geven, Mijnheer.” + +Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het +Theater bijeen, en legde hun de zaak voor. + +„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk +wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.” + +De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk +vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't +Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar +taak was. + +„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als +het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.” + +En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde, +vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk. + +„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag +de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw +leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden +wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere +manier haar handen moest leeren bewegen. + +„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op +die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor +een mensch.” + +Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over +haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk +op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit +deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er +toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't +beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster +Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door +den directeur en de andere artisten. + +„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk. +„Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het +werkelijk?” + +„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik +moet!” + +Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de +eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche +Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk. + +Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te +verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken +en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar +levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde +nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met +olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als +adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig +uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen +zij de Spaansche schoone moest voorstellen. + +„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af +heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die +rol te spelen.” + +'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar +dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater +vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen +door die levenslange liefde. + +„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te +oud. Dat wordt akelig.” + +Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van +haar leven scheen te wezen. + +Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek. +Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te +spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen +was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men +probeerde haar te vergeten. + +Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling +doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren +heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig +verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan. + +„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier +een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die +vreeselijke rol op te treden.” + +Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar +rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó +onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna +lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben +en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking. + +„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en +ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en +zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi, +dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't +zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster +Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden. +Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze +aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het zóó erg?” +dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft +spreken?” + +Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive +een bezoek. + +Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij +verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter. + +„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet. +U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide +handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag +moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?” + +Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men +het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het +nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had +niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het +ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was. + +Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde. + +De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over +iets anders te spreken. + +Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien +elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?” + +Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde. +Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en +onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar +duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen +kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de +directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het. +Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was +ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was. + +Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen +tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar +ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor. + +En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld +had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd, +zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te +praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone +Spaansche. + +Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een +practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar +ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk +werd die haar te machtig. + +„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er +blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.” + +Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en +opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons. +Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en +ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug, +Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw +sierlijk huis?” + +Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke +vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan +lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar +ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar +heldere oogen. + +„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer +door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar +ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.”” + +Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal. + +„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik +was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een +geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?” + +„We kunnen er maar één ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes +uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.” + +„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames. + +„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de +liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets! +En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden? +Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?” + +„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.” + +„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook +gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!” + + + + +TWEEDE DEEL. + + + + +DE PRINSES VAN BABYLONIË. + + +'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de +huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook, +zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn +rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik +Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken, +terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken, +dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat +dien winter vier jaar was. + +Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet +bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding +hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje +zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist +zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf +kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch +worden. + +Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind +hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want +nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd, +in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te +bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den +toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid +had met een van zijn gewone domme streken aan te komen. + +„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen, +en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken +dag hooger. + +Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren +bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den +hemel te komen en te zien hoe het daar is. + +„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor +'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij +ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten +komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af +komt, en er nooit iets tegen kunt doen.” + +Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou +zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger. + +Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe +hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het +uit met dat pleizier. + +Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze +in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden +vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En +dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan. + +De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden, +maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in +plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden +vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan: +„Abekadabra?” + +Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de +haren vlogen en begonnen te vechten. + +Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en +niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen, +zijn eigen kant uit.” + +Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde +naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw +en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort. +Hij sprak alleen wat zachter. + +„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een +koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje +begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch +een van de anderen er een woord van konden begrijpen. + +Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't +paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote, +wijde wereld in. + +Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers +niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn +voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze +haar in 't oog kregen. + +Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad. + +Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe, +zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze +wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde, +en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar. + +Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een +landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar +binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen +hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan. +Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven, +kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch +was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist +door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.” + +Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te +warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze +ook: „Goeienavond.” + +Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze +zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun +niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden. + +„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen. + +„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat +ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze +vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen. + +„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze. + +„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut. + +Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven +mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen +konden verstaan wat ze zei. + +Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje +uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze +zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De +Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze, +zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde. + +Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat +ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde +brengen en nuttig zijn,” zei ze.” + +De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en +geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan +zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't +hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit +te voren gezien had. + +„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk. +„Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben +gekomen.” + +Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was +geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord. + +„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt +dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze. + + + + +STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD. + + +I. + +'t Schreien van Rachel. + + Augustus 1914. + +In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn +huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk +geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart +en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst +verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan +kwam. + +Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat +vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal +gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de +heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet +in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een +weerklank leek uit den lang vergeten oertijd. + +'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat +men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was. +Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden. +De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen +wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen +ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd. + +De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag, +heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de +bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en +bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande +woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist +gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam, +dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet +van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden. + +Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden +we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken +waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend +als een martelwerktuig. + +Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij +waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten. +Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had +gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de +verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen. + +Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst, +naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in +welgevormde heuvels. + +Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog +boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een +heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel +een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de +plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in +mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene +loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van +Wermeland en Zweden. + +Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de +vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot +klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden +landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote +stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op +een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik +herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de +rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de +omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen +ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank +zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het +hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met +een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van +den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen +voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele +heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen +gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een +stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen +voorbij komen. + +De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en +hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar +een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid +van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit +over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob, +ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort +nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen +zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een +zwerftocht door de woestijn. + +Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had +een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan +niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon +Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een +koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee +was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar +graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest. + +De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen +toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen +was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de +stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór +den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord +worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den +avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom +tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters. +En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de +Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden +Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange +tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den +slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk +bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig +door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid +door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend +wezen uiten kan. + +Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is, +dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle +menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar +kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en +niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand +aan haar rustplaats te slaan. + +Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt. +Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is +'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een +langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een. + +'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons +trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het +hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten, +zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo +heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over +Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle +tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan +geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den +wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug. + +Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een +Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor +een zieken zoon. + +Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat +wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen +tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet +hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen +in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het +meegevoel van de sluimerende doode te wekken. + +We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche +vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit +zullen hooren. + +We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag, +den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak +bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen +'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord, +hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen. + +Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze +zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar +eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake +van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij +meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog +was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan +schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat +ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den +oorlog moest gaan en worden doodgeschoten. + +Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in +haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het +geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men +het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van +welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld, +was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en +nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten. + +Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen +herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders, +die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien +ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden. + + +II. + +De verlaten Kerk. + +Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het +groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer +merkwaardige dingen waren. + +Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam, +dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand +precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van +overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen +aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als +maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van +haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien, +dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen. + +Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was +een geneeskrachtige bron. + +Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel +van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg +daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de +lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't +Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of +naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren +zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand +zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van +Bethesda. + +De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude +verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest +woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere. + +Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen +en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen +doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat +hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen. + +In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was +arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een +grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen +man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het +dak te reiken. + +Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar +dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en +houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok +was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar +de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had +nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar +binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren +gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten, +daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met +groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen, +zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok +was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt. + +Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht +mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De +adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd +van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er +nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven. +Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar +nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen +hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat +ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden +gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen +daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden. + +'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en +getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen +hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar +waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen +huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en +al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de +sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed +over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid. + +Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke +jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige +dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er +gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met +angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van +den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er +nooit iets gevonden. + +Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en +vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in +'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd, +van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren +onwaarheid te spreken. + +En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs +gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht +de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik +het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel. + +Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor +dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend +gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker, +dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat +niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt +stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp +geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken, +had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of +genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat +getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele +dorpen en streken. + +„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer +gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken. +Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De +zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den +grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden. +Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens +de uwe. + +Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan +gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is +geen spel of scherts meer. + +Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder +gezang. + +Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden +van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij +weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en +verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude +kerk in de wildernis.” + + +III. + +De Mist. + +Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog, +breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de +wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame +woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin +en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet +doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn +gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij +op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde. + +Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó +vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets +drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien, +en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij +zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd. + +Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik +scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen. +Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller +dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't +eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te +bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen. +Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde +spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren +gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de +schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen +van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende +schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen. + +Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met +nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met +takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat +hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem, +telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn +humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik +in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de +takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij +toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware +lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden +kunnen dragen. + +Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het, +die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan +kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen. + +„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten +allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.” + +Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een +paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien +het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de +mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam +snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde +hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een +sterke, zware stem riep ergens in den mist: + +„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God, +wees genadig voor de oorlogvoerenden!” + +Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist +tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn. + +„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, +wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't +Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!” + +De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had +geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je +nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders +wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer +naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid +kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als +water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als +riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!” + +'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de +streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te +roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar +ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den +mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon +hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den +wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren. + +„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de +krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!” + +Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte +hij en zette zijn wandeling voort. + +Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op +velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen. + +Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele +menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde. +Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was, +waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar +dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen +veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te +denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den +waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een +maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen. +Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te +peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken. + +„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer +beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...” + +Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet +stil kon blijven zitten. + +Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin +gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een +lachend en innemend beeld vóór zich. + +Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't +woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met +haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't +Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had +een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het +omliggende landschap scheidde. + +Toen de hoeve zich daar zoo geheel geïsoleerd vertoonde, merkte hij +eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene +en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de +golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die +den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie +geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets +kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats. + +Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis +aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit. +Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien. + +Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij +alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille +leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de +wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Zóó dicht, zóó +ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het +bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag. + +De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in +dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den +ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets +van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve +naar de buitenwereld kunnen komen. + +De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame +afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden +met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude +en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou +toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude +hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het +bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken +worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril +werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun +eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan. +De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich +zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de +wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden. + +Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de +ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen +uit en sprak tot den mist. + +„Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen! +Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte +muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat +ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij +en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden +door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu +en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief +onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme +waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we +zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden. + +Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten +en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die +niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met +verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te +genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en +bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren +van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen +in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van +nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn +als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te +zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet +het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.” + +Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee +verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een +slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van +'t gebed van de zwerfster: „Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere +God!” Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing, +maar hij liet zich niet terughouden. + +„Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,” barstte hij uit, „en nieuwe +schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt. +Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan +verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen +om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.” + +Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende +iets te hooren dat leek op: „U geschiede naar uw wensch!” + +Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde +oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist +in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam +zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist +in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar +het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de +natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen +toe te geven. + +Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog, +hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet zóó kwelden als vroeger. +Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen +hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst +bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan. + +De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich +als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht +en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en +voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed, +die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den +dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde. +Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij +was zóó dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om +zich niet met een hopeloos streven te overspannen. + +Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om +een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun +spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen +in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten +wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid +hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch +hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere +sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht +hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en +voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw, +die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan. +En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: „In uw tijd liet +Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge +u voor 't stormweer zoudt verbergen?” + +Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: „'t Was +bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat +ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik +vreesde meer te schaden dan goed te doen.” + +Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: „Ik weet dat Ik u geen verstand +genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht +genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.” + +Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon +stond. „Die vrouw heeft gesproken—en gesproken zonder ophouden,” zou +hij zeggen, „en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de +harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.” + +Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. „Maar mijn +armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.” + +Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn +wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot +die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche +stilte en alles omsluierende nevel is. + + +IV. + +De jonge Zeeman. + +'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden +tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is +een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is +open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om +heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die +zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt +voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en +voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk +aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet, +glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste +aanbiedt wat haar huis kan opleveren. + +Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen. +Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor +ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord. + +'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte +kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een +welgestelden zeeman. De beide ouden zijn zóó onder den indruk van 't +feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat +ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man +voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen. + +„Moeder en Tante!” roept hij uit, „wat is 't prettig, dat we zulk mooi +weer hebben op dezen tocht.” + +„Ja, dat is heel prettig,” antwoorden de twee ouden uit één mond, en dan +daalt de stilte weer op hen neer. + +Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge +zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de +zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er +heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een +genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht. + +De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn +buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar +zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een +zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man +en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is +niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar +vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen. + +„Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op +dezen tocht!” roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe. + +Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude +vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke +echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar +eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze +'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te +vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze +voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en +naar 't gezang luisteren. + +Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld één keer mee heeft +willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het +groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in +zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze +vreedzame plaats trokken. + +Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze +er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar +haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit +gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen. + +Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt. +De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als +ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan +aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem +gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten. +Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de +kopjes doet—alles overvloedig. + +Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij +durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten +doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie +gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt +hij zóóveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat +hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht. +Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu +haar onthaalt, dàt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit +de nauwe straat te lokken. + +Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen +keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de +loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij +eens aannemen. + +Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten, +denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk +een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om +zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman +is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't +zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze +weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij +schenkt ieder weer een volle kop in. + +„Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een +lange reis!” + +Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit +kunnen doen, dat moest hij toch wel weten. + +Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij +zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan +tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over. + +„Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer +drinken wilt!” + +Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden +vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen. + +Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij +en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken +rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier +hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten. + +„Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben +gehad,” zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de +zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer +van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er +niet verder over door. + +De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze +werkelijk tot een gesprek uitlokken. + +„Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,” zegt hij. + +De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar +oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er +niet toe. „Ja, en wat vliegen ze mooi!” zegt ze. + +Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige +een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt +ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het +hier zoo genoeglijk. + +En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het +gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is +volkomen met zijn lot tevreden. + +Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen. +Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een +heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen +heerschte. + +Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en +wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan +verder. + +Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne +gelaatskleur en groote, smeekende oogen. + +„Dag Kristenssen,” zegt ze en komt aarzelend dichterbij. + +De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de +handen niet uit den zak. + +„Dag Anna.” + +„Je was van morgen niet bij 't zeilen.” + +„Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't +begraven van den duitschen matroos.” + +„Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.” + +Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem. + +„Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je +weet wel, dat ik morgen weg moet.” + +„Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.” + +„Dag Anna.” + +Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer +zachtjes te fluiten. + +De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht +gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over +hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever +bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken. + +Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze +moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor +'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder +uit: „Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!” + +De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij +blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier +aldoor zou willen blijven. + +Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge +zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde +steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en +steunt haar. + +Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij +zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen. + +En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt, +maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun. + +„Hij is bang,” denk ik. „Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken +schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist +als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn +moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?” + +Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben +gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel +geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den +man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de +kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee +aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten, +hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door +zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft +verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige +haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de +zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen +verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder +voorbehoud geschonken wordt. + + +V. + +De Ster. + +_(Brief van een Zweedsch arbeider)._ + + ... 20 April 1917. + +Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar +beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte +gezien. Die valt—en valt en komt elken dag nader! + +Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben +ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten +met de Openbaring voor me, om er profetieën uit te zoeken. Ik houd me +alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die +spreken in waanzin. + +Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en +pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een +Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche +gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en +rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden, +en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik +heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan +verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg. + +Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef +niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in +een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld, +en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden. +Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb +ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van +groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat +alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte +en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven. + +Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't +heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er +toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want +ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten +zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me +duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde +moest komen. + +Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar +een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op +wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden, +zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je +denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen, +en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare +machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid +is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die +geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en +houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij +maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang +en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen +ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag +menschen tusschen de machines raken. + +Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo +kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en +een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de +oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe +arbeiders wou probeeren. + +Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig +geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken +wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen. +Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk +moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den +rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de +revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht +verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk, +dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was +of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog +iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste +had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden. + +Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe +celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten +luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te +vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige +gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te +worden. „Jelui moet niet zoo angstig wezen,” zeg ik tot hen. „'t Kwam +alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo +moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat +we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal +vernietigen,” maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was +of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende +niet vol was. + +En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen +ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen, +overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster +naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in +den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging, +links en rechts. + +Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was +die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte. + +„Sta op,” zei de stem. „Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op +aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote +hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in +Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal +niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan +de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de +bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur. + +Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het +uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn +zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid. + +Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden +en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal +uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der +aarde zullen gespaard blijven.” + +En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan +elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan +had, sprak zij opnieuw. + +„Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult +dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de +autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken +vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered +worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is. +Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen +over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om +een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten, +zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.” + +Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap. + +Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot +mij zelf: „Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou +spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de +geheele wereld?” + +Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan +de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de +sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren +en zien of die haar vorige baan heeft verlaten? + +Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen +boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de +Openbaring voor me, om er de profetieën uit te zoeken; maar sinds dien +nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn +lichaam. + +Er is geen tijd voor twijfel. + +Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de +heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik +nadert... + + +VI. + +De Brandstapel. + +_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._ + +Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik +niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke +gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te +zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen. + +Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb +juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en +wat men „dichtervrede” noemt—daar geniet ik niet veel van. Ik zit in +een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberië, en ik heb +negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer. + +Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles +doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen +liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze +niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't +verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik +me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen. + +Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil +me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde +werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben +over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan. + +Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de +gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig +van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze +ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten, +die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen +onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberië gezonden. + +Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen +bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer +opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog +betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn +hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde, +toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen +verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd. + +Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag +ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet +ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen? + +Er kan maar één bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht, +opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen +gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten +zal en nooit tot een vergelijk zal komen. + +Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm +te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden, +die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak +uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die +niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen +worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een +beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter +aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt +zich om om te zien wat daar valt. + +Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in +een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet +schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie +jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn zóó versleten, dat +ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het +venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp +komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord, +dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem +smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven +in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberië. + +Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische +gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn +velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben +nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik. + +Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de +wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en +boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven +en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit +vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden +zooals vonken hooibergen aansteken. + +Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van +het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En +als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den +oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt +en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun +huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle +oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en +met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En +dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden. + +Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige +heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed: +hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste +ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook +de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn +proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden +verteerd. + +En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten +vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn +schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en +kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren. + +Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot +vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeeërs, de +vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde +voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het +menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog +bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar +verdrukker! + +Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn +woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken. + + * * * * * + +Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den +vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen. +Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis. + +Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet +sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven +wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten +vrede-brandstapel. + +Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen, +en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het +ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn +gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze +hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik +zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen. + +Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn +gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet +goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberië +is gestorven. + +Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de +menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt +voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te +steken? + +Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberië. Er is +typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan. + +Mijn arme verzen, zullen zij leven?—Zullen zij leven, als ik uit dit +leven zal zijn heengegaan? + + +VII. + +Gustav Fröding. + +_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Fröding in 't Koninklijk +Theater in Stockholm)._ + + 8 Febr. 1921. + + Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan, + Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden + In het land van den Klarelf, + Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodieën + En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel; + Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig + En hun macht was als die van den liefdedronk, + Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht. + + Zeg mij, Wermelands dochters! + Gij, die dwaalt over de bergen, + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, + Waarom is zijn harp verstomd? + Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek + In de maneschijnsnachten? + Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen: + „O, waar zijt gij?” + + Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide, + Als de dans van de dochter van een grooten koning, + Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter, + Als het ruischen van een beek onder de sneeuw, + Als zonneschijn na stormvlagen, + Als dauw in de droogte van den zomer. + 't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden. + + Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen, + Als de avond daalde en de schaduwen lang werden; + Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten, + Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans; + Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid. + Op de teenen sloop ik over de zandvlakten, + Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist, + Waar de schuimvlokken rondvliegen + En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen. + + Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters, + Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels, + Hij was de speelman, die in den stroom speelt, + Hij was de stroomgeest met gouden harp, + Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond, + Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen. + + En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde. + Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle; + Hij speelde alles wat hij gehoord had; + Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier, + Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de + zaligheid. + En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen; + Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop + En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen, + Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen, + Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul, + Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo, + Maar zijn harp was als die van Daniël; + Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van + smart. + + Vele dagen zijn voorbijgegaan, + Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend, + bij den waterval. + Waarom zijn die tonen verstomd, + Die een lichtglans wierpen over de ziel, + Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld? + + Zeg mij, Wermelands dochters! + Gij, die de kudde hoedt op de bergen, + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, + Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde? + Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag, + Die niemand kon doorbreken, + Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd? + Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf. + Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar, + Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering + En door velen geëerd en benijd wordt. + Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen + En zich met ringen en kettingen getooid. + De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en + edelgesteenten. + O, gij Wermelands dochters! + Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde? + + Onze vriend was als een heel schuwe vogel; + Hij was teer als de bloem van den meidoorn + En licht te breken als de wilg aan den oever. + Gij, Wermelands dochters! + Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde, + als hij speelde? + + Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde. + Met groote kunst greep hij in de snaren + En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water, + De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels. + Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was, + Zooals die komen kan over de watergeesten, + En zijn spel werd woest en grillig. + + Zeg mij, gij Wermelands dochters! + Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt? + Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen? + Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen? + Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters, + Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde? + + Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren + Klonk in onze ooren een wreede menschenstem: + „Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning? + Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt? + Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis + brengt?” + + Toen zweeg de gouden harp, + Toen zonk de speelman neer in den waterval, + Toen ging een rilling door het sparrenwoud, + Toen bruiste de waterval toornig en woest, + Als wilde hij een vijand aanvallen. + + Zeg mij, gij Wermelands dochters! + Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was? + Hij was teer als de bloem van den meidoorn + En licht te breken als de wilgetak. + Hij was een heel schuwe vogel. + Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was, + Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar + zaligheid? + + Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren? + Ge wacht te vergeefs aan den oever. + Ach! Wermelands dochters! + Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen, + Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen, + Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd, + Met handen als vlammen snel zich bewegend, + Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen. + + Als ge hem nu nog weerziet + Ligt hij stil op de golven, + Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos, + Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van + de bergen, + Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren, + De vreeselijke oogen van den watergeest, + Die van geen hoop of verlangen weten, + Die enkel vragen en smeeken om vernietiging. + + Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan, + Sinds we de harp van onzen vriend hoorden + In het land van de Klarelf, + Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodieën + En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel, + Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters! + Gij, die de kudden weidt op de bergen + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg. + Houdt de herinnering aan onzen vriend levend; + Want onze vriend was meer dan alle anderen, + Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels + En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk + En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing. + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLÖF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GÖSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 3.90 EN EEN +PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG +PAULI, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.50. + +=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 5.50. + +=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND ƒ 5.90. + +=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 4.50. + +=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50. + +=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN ƒ 4.50. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90. + +=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. +ƒ 5.90. + +=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50. + +=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND +ƒ 4.90. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. ƒ 4.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND ƒ 3.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50. + +=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.90. + +=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND +ƒ 2.50. + +=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50. + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: | + | C: EERSTE DEEL. | + | B: van Zuster Oliva 95 | + | C: van Zuster Olive 95 | + | B: de bleek had gelegen 't Was | + | C: de bleek had gelegen. 't Was | + | B: ze allemaal: Stine en Line, en | + | C: ze allemaal: Stina en Lina, en | + | B: als je oud werdt, kwam | + | C: als je oud werd, kwam | + | B: brood te kunnen verdienen. | + | C: brood te kunnen verdienen.” | + | B: zijn beenen kunnen staan. | + | C: zijn beenen kunnen staan.” | + | B: toe ge-geroeid, en 't was | + | C: toe geroeid, en 't was | + | B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA. | + | C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. | + | B: had, daar had ik geen lust in.” | + | C: had, daar had ik geen lust in.”” | + | B: zijn eigen kant uit. | + | C: zijn eigen kant uit.” | + | B: brengen en nuttig zijn,” zei ze. | + | C: brengen en nuttig zijn,” zei ze.” | + | B: kerk in de wildernis. | + | C: kerk in de wildernis.” | + | B: hij zeggen. „en wat heeft het | + | C: hij zeggen, „en wat heeft het | + | B: in Zijn barmhartigheid: „Gij zult | + | C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult | + | B: het vervloekte land: Siberie. | + | C: het vervloekte land: Siberië. | + | B: Waar Wermeland's zonen en dochters | + | C: Waar Wermelands zonen en dochters | + | B: mij, Wermeland's dochters! | + | C: mij, Wermelands dochters! | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + +***** This file should be named 38920-0.txt or 38920-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38920-0.zip b/38920-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8efcd09 --- /dev/null +++ b/38920-0.zip diff --git a/38920-8.txt b/38920-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5f87325 --- /dev/null +++ b/38920-8.txt @@ -0,0 +1,4671 @@ +The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Vonken + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +----------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +----------------------------------------------------------------+ + + + + +Bij den Uitgever van dit boek verscheen van Selma Lagerlf: + +Niels Holgersson's Wonderbare Reis + +Prijs ingenaaid f=4.90=; gebonden in prachtband f=5.90= + +=Jan Ligthart=: + +=Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.= + +=Het Nieuws van den Dag=: + +Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische +dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den +voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen, +die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt +meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende +verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft +een filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels +wordt tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan +allerlei beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en +beter geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder +opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is +dit te zijn. + +=Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor +kinderen.= + +=De Nederlander=: + +=Een mooi boek.= Het "sprookje" heeft een filosofischen ondergrond, +zooals men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma +Lagerlf haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld +gebracht. =Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend +geschenk.= + +=De Tijd=: + +Dit werk van Selma Lagerlf heeft iets wonderbaars in zich, van dat +sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken +meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naeve +bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de +zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere +waarde. + +=De Avondpost= (H. J. Stratenmeijer): + +=De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer +en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.= + +=De Nieuwe Arnhemsche Courant=: + +=Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra +populair zal worden.= + +=De Hofstad=: + +Een prachtig sprookje la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond +van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd +en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n +tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste pozie, waar +doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlf's phantasie +laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op +vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden. + + +_Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede_: + +De Wonderen van den Anti-Christ + +Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLF + +DOOR + +MARGARETHA MEIJBOOM. + +TWEEDE DRUK. + +Prijs ingenaaid f=3.90=; gebonden f=4.90= + + +=Eenige Bladen over "De Wonderen van den Anti-Christ".= + +=De Kerkelijke Courant=: + +Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar +vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar +fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo +gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek +speelt op het eiland Sicili met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het +Socialisme tegenover het Christendom. "Hebt uw schat in den hemel," zegt +het laatste. "Hebt uw schat op aarde," predikt het eerste. Het slot is, +wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar +trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien +of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: "Alle menschen +klagen." Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop +zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: "Alle menschen +juichen." Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten +derden male uit, die terugkeerende zei: "Sommigen weenen en sommigen +lachen." Toen verklaarde God de wereld gereed. + +=Het Vaderland=: + +Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken. + +=Het Nieuws van den Dag=: + +Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon. + +=Nederland=: + +Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in +haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer +boeiend. + +=De Telegraaf=: + +Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm +aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, genspireerd +door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel. + + + + +VONKEN + + + + + VONKEN + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + GEAUTORISEERDE UITGAVE + + AMSTERDAM + H. J. W. BECHT + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM. + + + + +INHOUD. + + + EERSTE DEEL. + + Bladz. + + De Doodskop 1 + + De Zonsverduistering 19 + + Iets over Landverhuizing 29 + + Kalle Frykstedt 38 + + De Legende van den Luciadag 50 + + De Kanonnier 87 + + De Geschiedenis van Zuster Olive 95 + + + TWEEDE DEEL. + + De Prinses van Babyloni 117 + + Stemmingen uit den Oorlogstijd 124 + I. 't Schreien van Rachel 124 + II. De verlaten Kerk 133 + III. De Mist 139 + IV. De jonge Zeeman 152 + V. De Ster 161 + VI. De Brandstapel 169 + VII. Gustav Frding 176 + + + + +EERSTE DEEL. + + + + +DE DOODSKOP. + + +Er was eens een man in de gemeente Svartsj in Wermeland, die op een +Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond, +maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg +wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de +schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te +halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef +dan onverrichter zake weer naar huis te gaan. + +De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan, +en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was +uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij +gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw +was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als +geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de +Kersttafel? + +"'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen," zei +hij, "'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden +om Kerstavond in mijn huis te vieren." + +Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen +van de menschen in Svartsj,--nog nooit was het iemand in die +gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen, +omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook +geen gewone doodgraver. Hij heette Anders ster en was uit een oud +speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers +geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was +geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen. + +Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een +betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming, +waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven. + +"Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't +kerkhof moeten vragen," mompelde hij, "die zullen zich ten minste niet +schamen om op een feest bij den doodgraver te komen." + +Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het +kerkhof van Svartsj loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij +zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan +daar ernst van te maken. + +Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond, +wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat +scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien +wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering +niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en +steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven, +en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag. + +In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een +mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval +in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het +knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets +zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn +hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een +eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden gebruikte, behalve +als hij in zijn allerslechtste humeur was. + +"Goeden avond, goeden avond!" zei hij. "Ik ben blij dat ik u ontmoet. +Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik +u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen. +Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te +komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten +en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen." + +Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de +hand, als om 't antwoord af te wachten. + +"Ja--u zegt ten minste geen: Nee," ging hij voort, toen hij een +behoorlijken tijd had gewacht, "dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik +woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet +ver te loopen." + +Toen lachte Anders ster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging +naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden. + +'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in +'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't +voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed zag hij iets, dat niet +geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk +op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis. +Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den +natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil. + +"Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder +oogenblik kunnen komen," zei de man, terwijl hij binnen kwam. + +Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi +met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden. + +"Zoo, er was niemand die komen wou," zei ze. "Ja, dat dacht ik wel. +Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond +uitgaat." + +"Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen +komen," zei hij, z heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was. +"Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam," ging hij +onverschillig voort, "maar hij komt wat later." + +"Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en +'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar." + +Maar Anders ster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd +werd. Hij bleef in de gang staan; hij stond de schurende vrouw in den +weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem +stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de +kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open +haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en +Anders ster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets +ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van +geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken, +aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote +ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek, +schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen +rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en +onverstoorbare kalmte. + +De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit +zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn +van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders ster deftig en prettig +voor, en hij zei tegen zijn vrouw: + +"Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in +de kerkeraadskamer dekken. Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren +wil." + +De vrouw zag heel verschrikt op. + +"Wat bedoel je?" vroeg ze. "Wil je hier beneden zitten drinken met dien +gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de +vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten." + +Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van +de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon +er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt. + +Maar Anders ster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond +alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd. + +"Wees nu niet lastig, Bolla!" zei hij. "Ik zeg je, dat ik hier van avond +wil zitten met ons Kerstmaal." + +'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die +hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel +zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats +konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige +mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als +een aanzienlijk man, een groote boer, en dr had hij behoefte aan. + +"Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat +doet," zei zijn vrouw. "Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik +leef." + +Toen zijn vrouw zich z beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn +woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in +hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij +antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in. +Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand. + +Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de +leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te +schuren. + +"Bolla, Bolla," zei hij met een stem z zacht en hoog, dat ze bijna +suikerzoet klonk! "Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel +in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?" + +"Ja, dat meen ik!" riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had, +dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze +wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't +geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd. + +Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik stond de gang vol rook +en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond. + +"Almachtige God!" Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar +buiten in 't donker. + +ster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend, +zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer +naar boven en hing het aan den wand. + +Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals +hij 't hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang +om den doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor +het feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij +legde het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie +kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten +boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden +met verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een +schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst +sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel +met een kring glazen om de kraan heen. + +Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel zitten, at en +dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot. + +'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem z kwelde, +dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het +schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet +anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld. + +Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten? +Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar +zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan, +en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig. + +Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze +tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de +baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten. +Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn +huwelijk. + +Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje, +toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort +van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden. + +Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin. + +"Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt," zei +hij. "Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga +halen." + +Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam +spoedig terug met den doodskop in de hand. + +Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en +droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt +zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.-- + +Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die +vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die +probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar +uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun +Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof +ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten. + +"Hij heeft op me geschoten!" dacht ze telkens weer. "Hij heeft me willen +vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!" + +Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet geteld hebben. Maar hij +was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid. + +Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden +meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen +dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid +voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen +hadden doorgemaakt. + +Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een +paar kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele +geval. Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't +kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden. + +"Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de +kerkeraadskamer," vertelden ze. En een poos later was het: "Nu zit hij +in den voorzittersstoel te eten en te drinken." + +Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er +iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand +toe, dien de kinderen niet konden zien. + +De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders +denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die +beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar +geschoten! + +'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was +niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor +een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar +verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende +gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier +te overvallen. + +'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit +ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd, +was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen. + +Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te +roeren en de Kersttafel te dekken. + +"Hij heeft mij met zijn schot gedood," dacht ze. "Het is mij dwars door +'t hart gegaan." + +Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen +de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder +de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar +niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen +maar. + +'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het +waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te +kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten +nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en +meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan. + +"Er is iets met hem gebeurd," dacht ze. "Hij is niet meer dezelfde, +die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek +geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot." + +Ze stond op van haar plaats en zei zacht: "Ik dank jelui wel," en ging +naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten +en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het +gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep--dan hij +zelf. + +Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar +daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats. +Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag +alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen. + +Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel +stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op +den doodskop. + +"Zie daar eens naar," zei hij. + +Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan. + +"Zie je wel, dat hij geschoten--vermoord is?" zei hij. "Dat is geen +zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter +het oor." + +"Ja, dat zie ik," zei ze en een siddering van verwachting kwam over +haar. + +"Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente +is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en +ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd +zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de +eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een +schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen." + +Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort. + +"Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den +grond van 't kerkhof kwamen te liggen, is er misschien maar n, die +door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond +bij mij." + +De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen. + +"Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met +het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar +toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat, +kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon +dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de +duisternis buiten te laten liggen, en dan ook--ik wou iemand hebben om +mee te spreken. En toen ik hem vr mij op de tafel zette en een glas +inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een +schot was verbrijzeld. + +Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam +hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen +moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?" + +"Dat was zeker God," fluisterde zij en vouwde de handen. + +"Ja," antwoordde hij--ook fluisterend. "Zoo is het. Het was Gods wil. +Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat +het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn +groote zonde en ellende zou inzien." + +Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en +stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als +van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei +hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden +met hen had en hen wilde redden. + +Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De +vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze +had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen. +De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis +zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al +hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze +nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over +hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke--dat ze er toe zouden +komen elkaar te haten. + +God wilde hun weldoen, en daarom had Hij hun een waarschuwer gezonden. +Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten +ook hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste +geluk, dat menschen kunnen genieten. + + + + +DE ZONSVERDUISTERING. + + +Het waren Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude +vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den +grooten heuvel, in een streek, die z woest en vol steenen was, dat +geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te +slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere +had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een +heuvel, die z steil was, dat het een heel werk was om boven te komen. +En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men +er zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er +niet op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen +hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar +hut. En dat had veel moeite gekost, want zeker was het waar, dat er +allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar, +dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel +steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een +schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe +slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen +hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg +uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend +tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een +overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor +hen in orde was gebracht. + +Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want +al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun +kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen +kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine +kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen +gezelschap noemen. + +Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat +ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat +ze zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid +toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn +van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze +daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens +menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en +over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren +spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om +die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken. + +'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen. +Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de +heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden +ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en +suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje +in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk +was--dat was een aanleiding te vinden. + +Want allen:--Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis, en de twee, drie andere +oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag +ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met +je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een +slechten naam kunnen krijgen. + +En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een +koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan +hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap +genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis +gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den +heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een +heilige dag was. + +Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De +meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote +gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of +dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen, +die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een +geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren +vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te +zetten. + +Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en +eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze +wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets +tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat +iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon. + +Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is +uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar +familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was hl +oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en +ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker +hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed +koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een +koffiefeest voor een kat te geven. + +Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar +almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar +bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het +koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten +en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door, +zonder iets te vinden; maar dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist +dat van daar de hulp moest komen. + +Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het +1912de na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen op +den 17den April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en eindigen om +twee uur 49 minuten en 9/10 van den zonnediameter verduisteren. + +Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in +eens werd het helder licht in haar binnenste. "Nu weet ik wat ik doen +zal," zei ze. + +Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde. +Zij wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden +lachen. + +Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de +gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon +te overleggen of zij 't niet wagen zou. + +Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar +ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen +winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen, +die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug +zou komen. De zon was de eenige, waar ze naar verlangde, de eenige, die +altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen. +Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het +altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er +zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen. 't Was +alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden +zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als +een rondwandelend lijk. + +Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag +in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar +vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke +overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht. + +'t Was nog maar kort vr den 17den April; maar er was nog tijd +genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de +zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: Stina en Lina, en Kaisa en +Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmrkret koffie te drinken. Ze +dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder +andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had +aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar +daar dachten ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was, +toen de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag +en er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van +'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,--toen alleen +voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en +toen ging het weer over. + +Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan +den hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit +zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar--toen zagen ze de oude +Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag +neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen: + + Weer straalt het heldre zonnelicht! + Wij danken U o Heer, + Met kracht en moed en nieuwe hoop. + Zie zeegnend op ons neer! + +Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar +terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar +leven kleur en kracht wilden geven. + +Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei--half +verontschuldigend: "Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en +daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik +vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't +donker weer te voorschijn kwam." + +Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en +begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed +voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was +hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te +leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen. + +Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en +vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht +hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon. + + * * * * * + +Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende +van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een +geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te +berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart +en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit +de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De +couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde, +hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de +verduistering op 't hoogste was gekomen. + +Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was--ik heb niet +gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmrkret een feest gaf om +de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te +voorschijn kwam. + + + + +IETS OVER LANDVERHUIZING. + + +Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Hgbro, en de +eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de +lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden. + +Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en +alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en +de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was +benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de +vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar +ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van +gedachten over een en ander te wisselen. + +En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op +de quaestie van landverhuizing. + +En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam, +zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten. + +En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld menamen +dan iemand wist. + +En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente +den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat +groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden +uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan. + +En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat +ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de +jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet +anders gaan. + +En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen, +wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand +ons overwinnen, zoodra hij maar wilde. + +En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn +meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet +megesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak +zou zeggen. + +Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had, +die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog +zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat +hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op +eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost +zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de +kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor +en de inspecteur van de nieuwe lijn. + +Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen +werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren +immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen +tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven. +Want dat de landverhuizing het land schaadde--dat was toch zeker niet +tegen te spreken! + +En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen +voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu +een ander land ten goede zou komen. + +En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel, +wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende, +hoorde je nooit wat. + +En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen, +als ze maar zoo verstandig waren niet die photographien naar huis te +sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren +juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook +naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven. + +En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was, +dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan +hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en +onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren. + +Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er +een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen +glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op, +want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij +kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen +wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de +anderen over deze zaak. + +En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten +stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar +verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een +paar honderd. + +En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat +het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar +Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen +wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden. + +'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun +vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je +nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't +oude land. + +Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den +presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist. + +Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel +zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren +vertrokken. + +Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er +wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren. + +Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen, +die om hem heen zaten, strak aan. + +"Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen," +zei hij. "Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze +terugkwamen?" + +En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen +over de borst. + +Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Hgbro +dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon +gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had, +die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou +hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem +had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken. +En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel +werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen +woord. + +De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de +Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele +gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan +ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en +daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes +onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele +gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er +niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar +te zoeken, alsof hij heen wilde gaan. + +Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het +sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde +hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn +station aankwamen, op het perron zou staan en "Hoera!" roepen. Maar toen +dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij +eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele +jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was--hij zou haar toch niet graag +ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder +een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te +antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard +te zadelen. + +Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en +luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat +hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste +zou kunnen bezorgen--dat zou heelemaal niet moeilijk zijn--kwam hem in +de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen, +er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo +diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle +huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar +de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken. + +En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend +in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond +op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een +paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn +dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat +de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had +gebracht. + +De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed +oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer. +En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die +zendingen ophielden. + +De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een +schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens +gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist +niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook +op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van +'t toeristbureau, die daar hingen. + +Nu zat er nog maar n van de kooplieden aan de tafel; maar hij had +aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon +overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht, +terug zou komen. Want die was z knap in zaken, en had een z +innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel +in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd +gekregen had naar Amerika te gaan. + +De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij +merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de +tafel zat, wendde hij zich tot hem: + +"Ja, wat zegt u er van, Sderberg?" + +"Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is." + +"Ja, dat zou ik ook meenen," zei de proost. "Ik wist wel, dat allen tot +die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te +denken." + + + + +KALLE FRYKSTEDT. + + +Mijn oude tante, Nanna Lagerlf, die met Tullius Hammargren, den proost +in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gsta Berlingsaga niet. + +"Zoo was het leven in dien tijd niet," zei ze tegen mij, kort nadat het +boek verschenen was. "Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist +geteekend." + +Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en +hun land zou brengen. + +Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had, +dat van dien kant te hooren. + +De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van +'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen +enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen +kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven. + +Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over +te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen. +Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor +Gsta Berling genomen had. + +Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was, +waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde +opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het +ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte. + +De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde. + +"Jawel, Kalle Frykstedt," zei ze. "Ik dacht wel, dat je aan hem had +gedacht." + +Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan +vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd. + +Haar ouderlijk huis op Mrbacka lag juist een mijl van de pastorie van +Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond. + +Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder +dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest, +nadat ze getrouwd was. + +"Was hij toen al door den drank gesloopt?" vroeg ik. + +"Kalle Frykstedt!" riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag +mij z verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei. + +Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar +eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd +als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette, +haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij +hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige +menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en +dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof +ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid +kwamen. + +Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten. +Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: "Wacht eens, nu zul je +hooren hoe Kalle Frykstedt was," zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu +zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend. + +"'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was," begon ze. En nu wist +ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker +verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar +op de jongensschool in Aml was aangesteld en zij zoo verbazend weinig +hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist, +die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die +pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat +ik bewogen werd en toch lust tot lachen had. + +Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten +had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in +Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters +ook predikanten moesten zijn. + +"Moest hij dan naar Upsala terug?" vroeg ik. + +"Neen, alleen maar naar Karlstad," antwoordde mijn tante. "Toen kon je +dat examen in Karlstad doen." + +Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Aml en +verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't +predikantsexamen duurde. + +En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven. + +"Neen, hoe durfde hij dat te wagen?" zei ik. + +"Ja, het moest wel," antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog +te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming +begonnen. + +"Maar ik zou nu niet van ons vertellen," ging ze voort, "maar van +Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde +in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als +huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem +overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn +brood te kunnen verdienen." + +"En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als +alle andere menschen," zei ik. + +"Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter." + +"O!" riep ik, hl verbaasd. "En ik dacht..." + +"Je vroeg of hij door den drank gesloopt was," zei mijn tante. "Maar +hij was z knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen, +toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken--dat deed hij. Hammargren +en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor +een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den +heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op +zijn beenen kunnen staan." + +Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van +Gsta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in +die richting te zeggen. + +"Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?" vroeg ik. + +"Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten +graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was," voegde +zij er bij. + +Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet +voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen +erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten +van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat +Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te +verzorgen krijgen. + +Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door +zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te +geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den +kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het +feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou +drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen +gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen. + +'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen +maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd +met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de +keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar +eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten +was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het +grootste gedeelte van Mrbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en +zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van +vrienden en bekenden moest leenen. + +Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten +vragen. + +'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de +examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk +genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd. + +Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag +als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest +ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar +verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd. + +Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe, +maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die +diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets +plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem +gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie, +levendige geestdrift vervuld. + +Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk genspireerd kon +zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone +toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien +middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden. +Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar +nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de +hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij +zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel +'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel. + +Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop +Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en +begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze +verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken +welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij. + +Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks +aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet +veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan +tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij +den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest, +dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den +bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok +zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed +te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer +en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd. + +Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij +ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel +geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij, +viel om en trok het tafellaken me met al het glaswerk. + +Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den +tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te +verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een +massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en +verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken +goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen +geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen +mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle +uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden, +aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de +ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet +beter had verzorgd. + +Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante +droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en +kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje +praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante +onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid +te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te +verontschuldigen. + +"Ik weet 't niet recht meer..." zei hij en streek met de hand over het +voorhoofd. "Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet +onbehoorlijk gedragen?" + +"Neen," zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag +met haar bekoorlijken glimlach. "U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk +gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed--dat is +veel te weinig--die ons allen in verrukking bracht." + +Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel +gerustgesteld. "Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was..." + +"U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren," zei mijn tante op +stelligen toon. + +Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar +stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem +leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich +verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist. + +"O! wat ben ik blij!" had de arme stakker uitgeroepen. "Wat ben ik +blij!" + +Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote +aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol +geest geworden als den vorigen dag. + +Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen +bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er +lag pozie over haar heele wezen, de pozie van de menschen uit den +ouden tijd. + +Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les +kende, jubelde er in mij iets hoog op. + +"Mannen en vrouwen uit het verleden," dacht ik, "al ontkent ge het +zelf,--toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom." + + + + +DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG. + + +Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke, +gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een +burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve--aan +de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land +stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden +opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een +kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van +knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te +betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar +voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen, +bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet +anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den +inham te gaan. + +Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van +de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is +waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar +reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als +zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van +Brtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde. + +Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens, +die z rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die +door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door +den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een +goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar +schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk, +dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen. + +Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er +iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel +onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met +acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden +genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog +niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed +gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar +nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Brtsholm te wezen, +dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren +had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den +burcht alles regelen en besturen. + +Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij +was, reed zij op een dag naar Brtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn +eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan +zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken +bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan +zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen +te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn +jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat +er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in n woord, +waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht +beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood +te gemoet ging. + +Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is +verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit +alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn +huishoudster op Brtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die +oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar +boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn. + +"Lieve Eskil," ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was +van de uitwerking van wat zij zei. "Ik weet, dat er nu gelegenheid is +voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk +genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan +een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de +jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen." + +Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een +jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging +voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met +de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die +dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu +toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was +daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar +had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding +geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen. + +"Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn," zeide Vrouw Rangela, +"dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van +ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal +niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op rehus, +als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt." + +Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen +aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw +Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een +paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela +volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in +verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden +toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het +voorjaar haar intocht deed op Brtsholm, eenige maanden nadat zij haar +twintigsten verjaardag had gevierd. + +Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest, +omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had +gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar +de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog +wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot +over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen. + +Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar +maanden op Brtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die +op weg waren naar de heilige Drieenheidsbron bij Stra in Westmannaland +verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren +uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen, +die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het +gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten +geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge +bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk +soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze +wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken. + +Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er +onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen +op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand z hard kon wezen, hun +tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knien en +probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl +de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken +uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij +werkelijk leeg waren. + +Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der +armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Brtsholm +kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar +toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit: +"Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan +land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien +tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot." + +De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te +spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met +blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het +niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het +tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein +kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en +vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar +hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met +licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er +was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna +bang was haar aan te raken. + +Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en +toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij +ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol +geweest waren, ze haar boot z zouden hebben overbelast, dat die +gezonken zou zijn vr ze weer aan wal was gekomen. + +Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van +dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun +van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze +haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig +moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vr ze nog +meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar +vroegere duisternis te doen terugkeeren. + +Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos +opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Brtsholm. Daar +deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten +en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden. +Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan +gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis +goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de +bedienden n de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een +machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte +en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed +bezorgde. + +Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken, +maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met +Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het +hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een +paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters +en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de +vrouwelijke bewoners van Brtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek +kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon +krijgen. + +Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Brtsholm was en in zijn +kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk +een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar +buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken. + +Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort +van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil. + +"'t Is om je arme kinderen, Eskil," riep ze, "ze zijn in levensgevaar +op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg +naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit +mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te +waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat +'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te +laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!" + +Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen +waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis. +Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met +alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Brtsholm +leidde. + +De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar +was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof +ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar +beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan +om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en +riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen +toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar +boot over te brengen uit het zinkende vaartuig. + +Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen, +was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar +gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal +niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat +wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een +stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich +met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna +den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Brtsholm lag. + +Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze +in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela +bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze +hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle +kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken +zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was. + +'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van +dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op +den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart +gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze +zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij +bleef onbeweeglijk en machteloos. + +Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van +veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar +zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de +handen klappend. + +Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf +naar Brtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en +kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam +stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat +zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen +te nemen en naar zijn burcht te dragen. + +Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en +hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl +misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij +sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar +gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van +zijn kinderen te kijken. + +Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet +haastig Brtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen. +Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van +haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in +ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en +kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge +positie te berooven. + +Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want +het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan +de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op +haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde +het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed, +wat Heer Eskil wel moest afkeuren. + +Dit jaar was de oogst op Brtsholm z overvloedig geweest, dat hij dien +van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de +jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De +bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De +koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras +en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen. +Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij +beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de +hoeve neerdaalde. + +Maar terwijl men nu op Brtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die +goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte +menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken +of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder +veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar +zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was +rondgetrokken--brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren +zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand +staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven +hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en +zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen +verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de +verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over +wat ze hadden verloren. + +Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle +levensmiddelen, die zich op Brtsholm opstapelden, haar een pijniging. +Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den +overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer +over de lippen kon krijgen. + +Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren +voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote +lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vr alles +dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse, +die z ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen +jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar +oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had +om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was +en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en +gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat +ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging +te doen om te helpen. + +Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht +van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een +reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten +vr Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man +komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij +Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig +feest. + +Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien +herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst, +die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen +alle levensmiddelen, die op Brtsholm waren opgehoopt, naar het strand +te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen +geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners. + +Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich, +door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed +bemand schip, en terwijl ze op Brtsholm alleen een paar oude wachters +achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar +bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag, +onbegrensd aan alle zijden als een zee. + +Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en +berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't +Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst +bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer +teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of +beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen +haan had gekraaid, geen koe had geloeid. + +Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven, +die Heer Kolbjrn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn +gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en +huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die +in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden +verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs +of rust te gunnen. Daardoor was hij z verzwakt, dat hij den dood +nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware +wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam +aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog +verzwaarde, die arme Heer Kolbjrn, die geen kracht meer had de mis te +lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods +zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste +klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar +land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan +land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit +liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij +dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen: +gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken, +kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam +de hulp als door een wonder. + +Niet ver van de kerk van Heer Kolbjrn op een landtong, die spits +in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude +boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de +eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve z lief, dat hij er niet toe +komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een +kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd, +maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de +puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen +te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag +en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met +inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te +jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het +niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den +heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd +ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw +Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog +verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige +heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. +Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zveel eerbied gehad, +dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden +haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen +behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze n voor n +geslacht, tot er maar n overbleef. Maar die duif was heel tam, en de +vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden +verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif +wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen +daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het +strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de +duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze +kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig +hadden om den winter door te komen. + +Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een +kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen +de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog +overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting +gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw +verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun +kind geboren. Maar daarna was de moeder z ziek geworden, dat ze niet +vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote +ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken +en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen +probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind +in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren, +wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid, +toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze +beiden weer aan land, maar 't kind was z geschrikt, dat het den heelen +nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep +de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden. + +Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't +Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te +voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer +te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het +voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog +zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't +minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog, +toen zij naar Brtsholm terugkeerde, den dag vr St. Luciadag, vrij +laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond +dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den +heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over +eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd. + +"Maar nu krijgen we een drukken tijd," ging ze voort, "morgen kunnen +we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals +andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en +slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil +terugkomt." + +Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers, +dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op +dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel. + +Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers +uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks +had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken +paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De +burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de +plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was +thuis gekomen met al zijn ruiters. + +Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze +eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het +balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet +verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al +op weg naar haar kamer. + +Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel +meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een +uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog, +dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en +dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met +bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze +wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen +gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op +Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden +angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach. + +"Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?" vroeg +hij hoonend. "Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik +en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten +gehad. Maar morgen," voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn +toorn hem z, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, "verwachten +wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een +maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet +vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten +brengen." + +Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen +zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande, +bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen. +Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was, +die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door +hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan. + +Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in +'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich +over haar heen en zei met een vreeselijke stem: "Bij het kruis van onzen +Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wl, dat als deze maaltijd mij niet +voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!" + +Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof +haar voor zich uit de slaapkamer in. + +Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot +nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar +plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig +had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn, +omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij +probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en +hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar +niet aan het woord komen. + +"Ga nu naar bed, Vrouw Lucia," zei hij, "en pas op dat je niet vr den +gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet +voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je +krachten voor noodig hebt." + +Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog +deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen +oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe +meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij +daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij +zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf +gezien had, dat zij z verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had +beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij +verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf +haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden, +langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit +zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou +veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone +dievegge. + +Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,--en dat was werkelijk het +geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede +gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende +te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest +gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik +verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen. + +"Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig +man een maal voor te zetten?" dacht ze in haar wanhoop. "Ik kan even +goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt." + +'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was +onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse. +"O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder," bad zij, "het is +morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden +zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het +is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van +hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit +mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te +ontkomen." + +Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van +den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vr zij het +verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor +het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden +stonden met geraas op in den stal. + +"Nu wordt ook Heer Eskil wakker," dacht zij. "Hij zal me dadelijk +bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik z +onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te +verkwikken." + +Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon +haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar +beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar +lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat +honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had +gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid +en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit +sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger +had geleden en liefde gegeven. + +En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den +poorttoren van Brtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het +zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het +volgen kon, kwam recht op Brtsholm af, vloog voorbij den wachter, z +dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van +vuur,--dat meende de wachter ten minste,--bevond zich een jong meisje, +z, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de +hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte. + +Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven +slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de +slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad +tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een +gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen +gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone +bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele +kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de +lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan +iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid +uitstraalden. + +In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een +zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de +kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal +en bood hem die aan. + +Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op +zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als +hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem +geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten +droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele +Malvasier, de eer van Sicili en de vorst van alle wijnsoorten, was +zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd, +voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde +de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in +toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop. + +De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te +onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al +de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende +krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het +zuiden. + +Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid +genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van +streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten. + +Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen, +of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden +gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar +bedienden aan 't werk. + +Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils +welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen +moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden +onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd, +rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken. + +De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe +kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden +gelegd. + +En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen. +Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon, +dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij +zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de +ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen +was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met +groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over +zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en +onteerende straf op te leggen. + +"Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft," +dacht hij. "Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij +mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar +naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf." + +Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar +de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en +wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel +voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen. + +Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in; +maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een +maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo +gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich +voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken. + +Maar toen zag zij op de tafel vr zich de groote koperen kan, die de +heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met +geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming +van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl +ze hem vertelde hoe die naar Brtsholm was gekomen, waar hij met de +grootste verbazing naar luisterde. + +Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal +toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend, +vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat +Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke, +Heer Kolbjrn, vertelde, barstte hij uit: "Heer Kolbjrn is een van +mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon +helpen." + +En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer +Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van +zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem +gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia +haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid +haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij +zoovelen van zijn vrienden had geholpen. + +Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over +haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem: + +"Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb +gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te +geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef +het mij daarom." + +Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw +z vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer +had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe +hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had +gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn +hart z vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon +uitbrengen. + +Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag +zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn +weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta +Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar +in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde, +die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die +zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche +aanmoediging. + +"Nog wilde ik U n ding vragen, mijn lieve Heer en Meester," zei ze, +"en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in +verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde +kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen +dringen tusschen U en mij." + +Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in +hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde, +die hij voelde, overwon zijn schaamte. + +Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een +van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen. +Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen +naar Brtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen. +Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang +haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht +ontmoetten, door n enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst +op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard +gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw +Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat +Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen. + +Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: "Het +schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw +antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela +afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken +mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig +werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende +loon heeft gekregen." + +Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was +zijn stem z zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in +zijn borst woonden. + +"Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef, +evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat +het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in +mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst +treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede, +de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle +kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden, +dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der +ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid +heet." + + * * * * * + +Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis +regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de +heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche +rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog--ten minste voor de +oogen van kleine kinderen--een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in +'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de +slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan. + +Nooit zag ik in dien tijd iets z heerlijks, als wanneer de deur +openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel +willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te +vertoonen. + +Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende, +die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren +landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt. + + + + +DE KANONNIER. + + +De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt +opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze +moet meedeelen, roept naar binnen: + +"Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is +doodgeschoten!" Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat +verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet +blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is +zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd +heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt +daarheen terug te gaan. + +De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil +te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich +zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze +heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade +zal worden gehouden. + +Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar +alle toebereidselen laten zien. + +"Kijk daar nu eens heen," had hij gezegd. "Dat is de tribune voor den +president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast +zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier +vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige +menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een +billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar +ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken +hooren. Daar kun je mij ook zien," had hij er schertsend bijgevoegd. + +"Nu, waar zul jij dan staan?" had ze gevraagd. + +"Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet? +'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten +worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet +beginnen." + +"Arme mijnheer Carnot!" had ze toen gezegd. "Jelui hebt het kanon vlak +voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar +niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden." + +"Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar +een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen +verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de +toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten +alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind +het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een +groote massa menschen staat." + +Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen +zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was. +Ze had dus thuis moeten blijven. + +En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo +trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn? +Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is +immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze +voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar +over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te +loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching. +Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als +hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam. + +"Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere +proef had afgelegd," placht hij te zeggen. "Neem nu mij maar. Ik ben +nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de +kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik +heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten." + +"Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post," had ze geantwoord. + +"Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit +zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester. +Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de +proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar +dreigt." + +Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam +te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich +bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet +voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders. + +'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet +de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die +schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen +ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen +lokken. + +Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze +weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken. + +Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't +Veld daarvoor is leeg--bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats +staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of +verschrikte gebaren maken, zooals de anderen. + +Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de +politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar. + +"Ga daarheen! Daar vindt je hem," zegt hij en wijst naar het troepje +midden op het veld. + +Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen +ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille, +zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen +heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op +en gaat haar tegemoet. + +"Wacht even," zegt hij. "Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst +vertellen wat er gebeurd is." + +Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door +te kunnen loopen. + +"Wacht!" zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. "U moet hem nog +niet zien. U moet eerst weten..." + +"Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft +gegooid." + +"Neen," zegt de officier. "U weet niets. Zoo is het heelemaal niet." + +Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze +begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog. +Misschien is hij alleen maar gewond. + +"Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?" zegt de officier. "U weet, dat uw man +dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het +kanon is gebouwd?" + +"Ik zag dat gisteren al, Mijnheer," snikt de vrouw. "Mijn man liet me +zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde +zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't +geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden." + +"Welnu," zegt de officier. "Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij +had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen +verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de +armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon, +alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen, +dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af +en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt." + +Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier +houdt haar terug. + +"Wacht nog even," zei hij. "U moet weten wat we zagen toen we daarheen +snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was +doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier +getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?" + +"Ja," antwoordde zij. + +"Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en +had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in +het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht, +voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen +heeft hij in een oogenblik voor zich gezien--want voor denken had hij +geen tijd--wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune +vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even +veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk +medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn +eigen lichaam te ontvangen." + +"O mijn God!" barst de vrouw uit en vouwt de handen. + +Op dat oogenblik laat de officier haar arm los. + +"Mevrouw," zegt hij. "Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien. +Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in +de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te +verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om +al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij +allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te +handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het +om 't leven gaat--dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel +in zich omdragen." + + + + +DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. + + +Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren +menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren +Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook +onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke +groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar +Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de +ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine +belgische schilderes en een italiaansche diacones. + +Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over +Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een +geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste +wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel +hem snel in de rede. + +"Neen, Mijnheer de Consul," zei ze, "U hebt ons nog niet gezegd wat het +voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is." + +"Ach!" zei de oude heer, wat spotachtig, "het voornaamste verschil! Hebt +U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?" + +"Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping +hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan +boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het +oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons +afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische +rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een +luchttorpedo uitvinden." + +"Nu, en wij dan," zei de consul en wierp snel een blik op zijn +reisgenooten, "wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een +innerlijke roeping volgen." + +"Pardon, Mijnheer!" zei de Belgische, "U blijft in den stand, waarin U +is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U +laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons +er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden." + +"Nu ja," zei de andere Franschman bemiddelend, "daar kunt u gelijk aan +hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen +vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen." + +Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de +bewering van de schilderes te ontzenuwen. "Zuster Agnes!" riep hij en +wendde zich tot de diacones, "U hebt veel fransche zusters in uw orde. +Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?" + +"Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout," antwoordde de +diacones. "Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn. +Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van +den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De +meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen +wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was." + +"Maar u zelf, Mevrouw?" Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de +Belgische. "U is schilderes; u hebt al naam gemaakt..." + +Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman +in: "Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen. +Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen +volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe, +dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en +die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen." + +"Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn. +Roeping kan niet falen." + +"Ach Mijnheer," barstte de Belgische uit. "Innerlijke roeping! Is er +iets wat meer bedriegelijk is?" + +"Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij, +Franschen die missen," zei een van de Fransche dames. + +"Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U +weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt." + +Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een +vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken +over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de +wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet +overeen stemden. + +"Ik ken een groot schrijver," zei een van de dames, "die meent, dat +zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij +verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij +helaas! die niet heeft kunnen volgen." + +De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder +uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een +veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen. + +"Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?" vroeg hij. + +"Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw +landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde," zei de +diacones. "Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij +was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde +opgenomen, lang vr mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster +Olive was een Fransche, maar ze leek z weinig op alle Franschen, +die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een +Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, f een mooie en +gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen, +f klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive +daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en +vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd +ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een +grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive +Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen +paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa +had omgegaan. + +Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vr ze diacones was, en +bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen +kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een +grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene +maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen, +maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon +wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek +had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel +geld en ze trad op in het Theatre Franais. + +Toen ik Zuster Olive zag, had ik--zooals ik al zei--moeite om te +gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster +Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over +zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk +of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive +zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag, +dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich +had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was +waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die +eenvoudige typen z trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en +met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het +Theatre Franais te krijgen. + +Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was +indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar +positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij +nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar +eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen +intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke +kameraad, waar allen van hielden. + +Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had +gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had +begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar +'t ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als +waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele +leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven. + +'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat +haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang +in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer +bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te +houden en in de lucht te blijven zweven. + +Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een +boerendochter uit Normandi. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd +onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze +nooit een stad of een theater gezien. + +Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt +in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en +dochter mee naar het theater nam. + +Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was +Hernani,--Hernani van den grooten Victor Hugo. + +Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een +andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam +haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze +trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al +beleefd had. + +Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive +Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een +boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze +zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone +Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani, +en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk, +voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen +werd. + +Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar n +gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje +gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna +Sol spelen. + +'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te +maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar +vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen +man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat +zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt, +zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap. + +Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken, +kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het +tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was +geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over +den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te +houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone +opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat +ze gauw zou mogen optreden. "Och, u moest toch een geschikte rol voor +die arme Olive zoeken," zeiden ze tegen den directeur. + +Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt +had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als +de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove +stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten. + +Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos +werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde, +had ze nooit geschreid. + +Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze +nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht +vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als +molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als +schoenmakersjongen begonnen. + +Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon. +Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk +gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar +gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude, +geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen. + +Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor +haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat +vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond. + +En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't +verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd +optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in +verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met +vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd. + +Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing +bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De +directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen +contract vr de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te +laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar +ze altijd succes mee had, maar Hernani--Hernani, verklaarde hij, was +verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire +te zetten. + +De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor +haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar +de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en +ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of +inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze +zveel naam, dat de directeur van het Theatre franais kwam om haar +spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar +intrede deed in het huis van Molire. + +Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de +voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste +tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die +eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden +gebracht. + +Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle +groote actrices, die deze rol op het Theatre franais hadden gespeeld, +dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de +tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden. + +"Nu of nooit," zei ze tegen zich zelf. "Je weet, dat je Donna Sol kunt +spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je +hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet +van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet +tot in het Theater franais hoeven opwerken." + +Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en +hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich +drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af. + +Toen ze volle tien jaar aan het Theater franais was aangesteld, kwam ze +op een dag weer op haar klachten terug: + +"Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend," zei ze. "Nu moet u mij +Donna Sol geven, Mijnheer." + +Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het +Theater bijeen, en legde hun de zaak voor. + +"We moeten 't Olive Miteau laten probeeren," zeiden ze. "Natuurlijk +wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen." + +De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk +vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't +Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar +taak was. + +"Ik moet het doen," dacht ze, "maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als +het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren." + +En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde, +vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk. + +"Ach!" zei ze, "ze hebben mij te oud laten worden." Maar eigenlijk lag +de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw +leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden +wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere +manier haar handen moest leeren bewegen. + +"'t Is immers onzinnig," zei ze meer dan eens. "Nooit heeft iemand op +die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor +een mensch." + +Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over +haar rol; en dan dacht ze: "Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk +op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit +deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er +toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't +beslissend oogenblik te voorschijn komen zal." Maar toch was Zuster +Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door +den directeur en de andere artisten. + +"Mademoiselle Miteau," zei de directeur op een dag, heel vriendelijk. +"Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het +werkelijk?" + +"Ik weet niet of ik het wil," antwoordde zij, "maar ik weet, dat ik +moet!" + +Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de +eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche +Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk. + +Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te +verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken +en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar +levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde +nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met +olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als +adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig +uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen +zij de Spaansche schoone moest voorstellen. + +"Maar het moet me gelukken," dacht ze. "Al van mijn zeventiende jaar af +heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die +rol te spelen." + +'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar +dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater +vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen +door die levenslange liefde. + +"Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?" vroeg men. "Ze is te +oud. Dat wordt akelig." + +Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van +haar leven scheen te wezen. + +Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek. +Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te +spreken!--Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen +was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men +probeerde haar te vergeten. + +Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling +doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren +heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig +verkeerd deed, dat ze in z hooge mate haar roeping had misverstaan. + +"Ze kan in ieder geval tevreden zijn," zei men. "Ze heeft op die manier +een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die +vreeselijke rol op te treden." + +Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar +rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze z +onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna +lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben +en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking. + +"Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?" dacht ze, toen ze zwaar en +ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en +zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi, +dat n de kritiek n het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't +zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster +Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden. +Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze +aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. "Was het z erg?" +dacht ze. "Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft +spreken?" + +Dien morgen bracht de directeur van het Theater Franais Zuster Olive +een bezoek. + +Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij +verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter. + +"U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet. +U speelde--om zoo te zeggen--met een strik om den hals en geboeide +handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag +moet u uitrusten; maar morgen,--wilt u 't morgen weer probeeren?" + +Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men +het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het +nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had +niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het +ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was. + +Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde. + +De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over +iets anders te spreken. + +Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: "We zien +elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?" + +Bij die woorden schrikte Zuster Olive z, dat zij bijna wankelde. +Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en +onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar +duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen +kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de +directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het. +Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was +ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was. + +Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen +tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar +ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor. + +En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld +had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd, +zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te +praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone +Spaansche. + +Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een +practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar +ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk +werd die haar te machtig. + +"Ik heb nu genoeg rollen verknoeid," zei ze tegen haar directeur. "Er +blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan." + +Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en +opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons. +Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en +ik vroeg haar meer dan eens: "Verlangt u niet naar de wereld terug, +Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw +sierlijk huis?" + +Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke +vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan +lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar +ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar +heldere oogen. + +"Waar zou ik naar verlangen?" zei ze. "'t Was immers onmogelijk langer +door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar +ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in."" + +Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal. + +"Wil ik u eens wat zeggen?" zei de consul. "Ik heb haar zien spelen. Ik +was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een +geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?" + +"We kunnen er maar n ding van zeggen," barstte de Belgische schilderes +uit. "De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers." + +"Men moet haar zeker wantrouwen," zei een van de Fransche dames. + +"Wantrouwen! wantrouwen!" riep de consul uit. "Dan moeten we ook de +liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets! +En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden? +Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?" + +"Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout." + +"Ja, vast en zeker!" zei de Consul. "En al kan dat goddelijke ook +gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!" + + + + +TWEEDE DEEL. + + + + +DE PRINSES VAN BABYLONI. + + +'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de +huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook, +zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn +rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik +Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken, +terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken, +dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat +dien winter vier jaar was. + +Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet +bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan n ding +hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje +zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist +zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf +kreeg,--dat wist Katharina wel--zou ze nooit een verstandig mensch +worden. + +Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind +hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want +nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd, +in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te +bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den +toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid +had met een van zijn gewone domme streken aan te komen. + +"Ja, en ze kwamen aandragen met klei," zei Jan, "en ze bakten steenen, +en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken +dag hooger. + +Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren +bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den +hemel te komen en te zien hoe het daar is. + +"Luister nu eens, menschen," zei Onze Lieve Heer, "nu zeg ik jelui voor +'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij +ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten +komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af +komt, en er nooit iets tegen kunt doen." + +Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou +zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger. + +Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe +hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het +uit met dat pleizier. + +Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: "Breng wat klei," dan zeiden ze +in plaats daarvan: "Kolvippen, kolvappen." En als de leerjongens wilden +vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: "Erbe, derbe, mirbe, marbe?" En +dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan. + +De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden, +maar als ze wilden zeggen: "Praat toch behoorlijk," dan zeiden ze in +plaats daarvan: "Ullen, dullen, dorf." En als de leerjongens wilden +vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan: +"Abekadabra?" + +Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de +haren vlogen en begonnen te vechten. + +Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en +niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen, +zijn eigen kant uit." + +Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde +naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw +en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort. +Hij sprak alleen wat zachter. + +"Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een +koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje +begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch +een van de anderen er een woord van konden begrijpen. + +Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't +paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote, +wijde wereld in. + +Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers +niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn +voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze +haar in 't oog kregen. + +Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad. + +Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe, +zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze +wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde, +en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar. + +Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een +landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar +binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen +hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan. +Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven, +kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch +was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist +door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: "Goeien avond." + +Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te +warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze +ook: "Goeienavond." + +Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze +z, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun +niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden. + +"Hoe heet deze hut?" vroeg ze, om hen op de proef te stellen. + +"Die heet Skrolycka," antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat +ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze +vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen. + +"Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?" vroeg ze. + +"Die heet de Wermelandsche taal," zeiden de menschen in de hut. + +Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven +mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen +konden verstaan wat ze zei. + +Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje +uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze +zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De +Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze, +zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde. + +Maar 't prinsesje wou niet toegeven. "Nee," zei ze, "nu merk ik wel, dat +ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde +brengen en nuttig zijn," zei ze." + +De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en +geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan +zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't +hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit +te voren gezien had. + +"Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is," zei ze eindelijk. +"Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben +gekomen." + +Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was +geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord. + +"Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt +dat ze heel wat deftigs en groots is," zei ze. + + + + +STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD. + + +I. + +'t Schreien van Rachel. + + Augustus 1914. + +In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn +huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk +geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart +en razernij en tegelijk z vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst +verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan +kwam. + +Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat +vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal +gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de +heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet +in staat zulke kreten uit te stooten, z geweldig en ruw, dat het een +weerklank leek uit den lang vergeten oertijd. + +'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil--of wat +men het ook noemen mocht--van een mensch kon komen, die gekwetst was. +Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden. +De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen +wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen +ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd. + +De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag, +heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de +bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en +bronnen en dreigde het heele dal vr ons tot een bruin verbrande +woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist +gehoord had, was mij z onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam, +dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet +van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden. + +Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden +we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken +waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren--pijnigend +als een martelwerktuig. + +Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij +waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten. +Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had +gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de +verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen. + +Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst, +naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in +welgevormde heuvels. + +Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog +boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een +heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel +een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de +plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in +mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene +loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, hl ver van +Wermeland en Zweden. + +Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de +vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot +klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden +landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote +stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op +een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik +herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de +rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de +omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen +ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank +zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het +hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met +een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van +den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen +voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele +heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen +gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een +stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen +voorbij komen. + +De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en +hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar +een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid +van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit +over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob, +ook wel Isral genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort +nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen +zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een +zwerftocht door de woestijn. + +Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had +een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan +niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vr haar zoon +Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vr nog een +koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee +was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar +graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest. + +De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen +toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen +was gehoord, telkens als een ongeluk Isral zou treffen. Hier had de +stammoeder der Judaen haar jammerkreet doen hooren in den nacht vr +den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord +worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den +avond, vr dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom +tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters. +En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de +Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden +Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange +tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den +slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk +bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig +door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid +door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend +wezen uiten kan. + +Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is, +dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle +menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar +kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en +niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand +aan haar rustplaats te slaan. + +Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt. +Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is +'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een +langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een. + +'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons +trommelvlies. Er is niets menschelijks in--en ook niets dierlijks. Het +hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten, +zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo +heeft Eva gejammerd, toen Kan Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over +Isral geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle +tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan +geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den +wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug. + +Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een +Bedounenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor +een zieken zoon. + +Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat +wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen +tegen elkaar, dat die Bedounenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet +hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen +in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het +meegevoel van de sluimerende doode te wekken. + +We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche +vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit +zullen hooren. + +We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag, +den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak +bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen +'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord, +hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen. + +Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze +zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar +eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake +van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij +meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog +was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan +schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat +ze zoo had _moeten_ schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den +oorlog moest gaan en worden doodgeschoten. + +Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in +haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het +geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men +het in deze streken hoorde, z lang, dat niemand had kunnen zeggen, van +welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld, +was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en +nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten. + +Misschien zullen wij het nu z dikwijls hooren, dat allen het zullen +herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders, +die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien +ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden. + + +II. + +De verlaten Kerk. + +Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het +groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer +merkwaardige dingen waren. + +Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, z zeldzaam, +dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand +precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van +overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen +aan den rand van een donkeren vijver--zooveel wist men er van. En als +maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van +haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien, +dan zouden ze haar liever hebben dan lelin en rozen. + +Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was +een geneeskrachtige bron. + +Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel +van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg +daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de +lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't +Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of +naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren +zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand +zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van +Bethesda. + +De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude +verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest +woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere. + +Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen +en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen +doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat +hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen. + +In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was +arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een +grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen +man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het +dak te reiken. + +Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar +dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en +houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok +was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar +de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had +nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar +binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren +gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten, +daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met +groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen, +zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok +was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt. + +Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht +mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De +adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd +van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er +nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven. +Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar +nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen +hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat +ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden +gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen +daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden. + +'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en +getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen +hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar +waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen +huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en +al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de +sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed +over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid. + +Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke +jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige +dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er +gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met +angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van +den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er +nooit iets gevonden. + +Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en +vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in +'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd, +van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren +onwaarheid te spreken. + +En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs +gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht +de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik +het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel. + +Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor +dat oude huis geweest, waar eens zveel angstige gebeden en klagend +gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker, +dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat +niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt +stond onder te gaan, op de knien heeft gelegen en te vergeefs om hulp +geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken, +had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of +genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat +getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele +dorpen en streken. + +"Verlaten kerk," zou ik willen zeggen, "de tijd van verwoesting is weer +gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken. +Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De +zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den +grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden. +Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens +de uwe. + +Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan +gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is +geen spel of scherts meer. + +Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder +gezang. + +Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden +van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij +weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en +verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude +kerk in de wildernis." + + +III. + +De Mist. + +Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog, +breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de +wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame +woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin +en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet +doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn +gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij +op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde. + +Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem z +vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets +drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien, +en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij +zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd. + +Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik +scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen. +Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller +dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't +eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te +bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen. +Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde +spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren +gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de +schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen +van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende +schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen. + +Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met +nieuwe belangstelling rond. Vr zich had hij een oude appelboom, met +takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat +hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem, +telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn +humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik +in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de +takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij +toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware +lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden +kunnen dragen. + +Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het, +die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan +kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen. + +"Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet," dacht hij, "is het ten +allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen." + +Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een +paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien +het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de +mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam +snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde +hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een +sterke, zware stem riep ergens in den mist: + +"O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God, +wees genadig voor de oorlogvoerenden!" + +Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist +tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn. + +"Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, +wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't +Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!" + +De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had +geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je +nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders +wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer +naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid +kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: "'t Bloed vloeit als +water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als +riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!" + +'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de +streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te +roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar +ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den +mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon +hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den +wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren. + +"Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!" herhaalde de +krankzinnige. "'t Bloed vloeit in de greppels als water!" + +Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte +hij en zette zijn wandeling voort. + +Voorwaar, deze tijd was z, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op +velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen. + +Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele +menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde. +Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was, +waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar +dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen +veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te +denken, dat er--omdat het wezens met verstand waren, die door den +waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een +maatregel te vinden moest zijn--die de razernij tot staan kon brengen. +Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te +peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken. + +"Wat kan ik doen?" vroeg hij zich af. "Mijn woorden zouden niet meer +beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch..." + +Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet +stil kon blijven zitten. + +Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin +gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een +lachend en innemend beeld vr zich. + +Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't +woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met +haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't +Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had +een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het +omliggende landschap scheidde. + +Toen de hoeve zich daar zoo geheel gesoleerd vertoonde, merkte hij +eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene +en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de +golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die +den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie +geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets +kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats. + +Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis +aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit. +Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien. + +Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij +alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille +leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de +wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Z dicht, z +ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het +bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag. + +De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in +dien verbijsterenden mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den +ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets +van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve +naar de buitenwereld kunnen komen. + +De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame +afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden +met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude +en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou +toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude +hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het +bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken +worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril +werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun +eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan. +De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich +zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de +wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden. + +Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat hij op die manier aan de +ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen +uit en sprak tot den mist. + +"Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen! +Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte +muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat +ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij +en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden +door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu +en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief +onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme +waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we +zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden. + +Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten +en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die +niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met +verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te +genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en +bloedvergieten. Onze harten zijn niet hopeloos geworden door te hooren +van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen +in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van +nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn +als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te +zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet +het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden." + +Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee +verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een +slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van +'t gebed van de zwerfster: "Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere +God!" Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing, +maar hij liet zich niet terughouden. + +"Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist," barstte hij uit, "en nieuwe +schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt. +Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan +verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen +om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb." + +Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen door den mist. Hij meende +iets te hooren dat leek op: "U geschiede naar uw wensch!" + +Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde +oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist +in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam +zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist +in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar +het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de +natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen +toe te geven. + +Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog, +hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet z kwelden als vroeger. +Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen +hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst +bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan. + +De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich +als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht +en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en +voorzichtigheid. Alle lust om een middel te vinden om den zondvloed, +die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den +dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde. +Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij +was z dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om +zich niet met een hopeloos streven te overspannen. + +Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om +een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun +spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen +in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten +wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid +hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch +hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere +sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht +hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en +voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw, +die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan. +En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: "In uw tijd liet +Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge +u voor 't stormweer zoudt verbergen?" + +Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: "'t Was +bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat +ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik +vreesde meer te schaden dan goed te doen." + +Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: "Ik weet dat Ik u geen verstand +genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht +genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen." + +Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon +stond. "Die vrouw heeft gesproken--en gesproken zonder ophouden," zou +hij zeggen, "en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben geenszins de +harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten." + +Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. "Maar mijn +armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid." + +Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn +wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper tot +die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche +stilte en alles omsluierende nevel is. + + +IV. + +De jonge Zeeman. + +'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden +tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is +een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is +open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om +heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die +zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt +voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en +voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk +aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet, +glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste +aanbiedt wat haar huis kan opleveren. + +Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen. +Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor +ik ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord. + +'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte +kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een +welgestelden zeeman. De beide ouden zijn z onder den indruk van 't +feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat +ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man +voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen. + +"Moeder en Tante!" roept hij uit, "wat is 't prettig, dat we zulk mooi +weer hebben op dezen tocht." + +"Ja, dat is heel prettig," antwoorden de twee ouden uit n mond, en dan +daalt de stilte weer op hen neer. + +Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge +zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de +zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er +heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een +genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht. + +De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn +buitengewoon leelijk. Ze zien er niet eens vriendelijk uit, maar +zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een +zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man +en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is +niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar +vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen. + +"Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op +dezen tocht!" roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe. + +Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude +vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke +echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar +eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze +'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te +vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze +voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en +naar 't gezang luisteren. + +Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld n keer mee heeft +willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het +groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er pleizier in +zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze +vreedzame plaats trokken. + +Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze +er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar +haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit +gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen. + +Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt. +De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als +ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan +aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem +gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten. +Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de +kopjes doet--alles overvloedig. + +Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij +durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten +doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie +gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt +hij zveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. Dan gaat +hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht. +Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu +haar onthaalt, dt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit +de nauwe straat te lokken. + +Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen +keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de +loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij +eens aannemen. + +Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten, +denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk +een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om +zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman +is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't +zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze +weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij +schenkt ieder weer een volle kop in. + +"Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een +lange reis!" + +Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit +kunnen doen, dat moest hij toch wel weten. + +Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij +zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan +tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over. + +"Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer +drinken wilt!" + +Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden +vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen. + +Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij +en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken +rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier +hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten. + +"Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben +gehad," zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de +zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer +van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er +niet verder over door. + +De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze +werkelijk tot een gesprek uitlokken. + +"Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen," zegt hij. + +De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar +oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er +niet toe. "Ja, en wat vliegen ze mooi!" zegt ze. + +Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige +een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt +ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het +hier zoo genoeglijk. + +En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het +gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is +volkomen met zijn lot tevreden. + +Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen. +Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een +heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen +heerschte. + +Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en +wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan +verder. + +Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne +gelaatskleur en groote, smeekende oogen. + +"Dag Kristenssen," zegt ze en komt aarzelend dichterbij. + +De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de +handen niet uit den zak. + +"Dag Anna." + +"Je was van morgen niet bij 't zeilen." + +"Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't +begraven van den duitschen matroos." + +"Maar van avond kom je toch zeker mee dansen." + +Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem. + +"Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je +weet wel, dat ik morgen weg moet." + +"Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen." + +"Dag Anna." + +Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer +zachtjes te fluiten. + +De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht +gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over +hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever +bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken. + +Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze +moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel voor +'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder +uit: "Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!" + +De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij +blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier +aldoor zou willen blijven. + +Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge +zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde +steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en +steunt haar. + +Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij +zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen. + +En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt, +maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun. + +"Hij is bang," denk ik. "Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken +schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist +als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn +moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?" + +Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben +gezeten. Zijn er eigenlijk niet vier gasten aan die kleine koffietafel +geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den +man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de +kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee +aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten, +hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door +zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft +verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige +haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de +zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen +verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder +voorbehoud geschonken wordt. + + +V. + +De Ster. + +_(Brief van een Zweedsch arbeider)._ + + ... 20 April 1917. + +Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar +beneden, naar onzen aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte +gezien. Die valt--en valt en komt elken dag nader! + +Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben +ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten +met de Openbaring voor me, om er profetien uit te zoeken. Ik houd me +alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die +spreken in waanzin. + +Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en +pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een +Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche +gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en +rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden, +en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik +heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan +verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg. + +Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef +niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in +een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld, +en dat kon niet met minder dan drie maanden opsluiting geboet worden. +Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb +ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van +groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat +alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte +en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven. + +Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't +heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er +toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want +ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten +zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me +duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde +moest komen. + +Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar +een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op +wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden, +zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je +denkt aan de groote wereldmachinerie met al die loopende drijfriemen, +en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare +machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid +is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die +geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en +houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij +maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang +en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen +ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag +menschen tusschen de machines raken. + +Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo +kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en +een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de +oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe +arbeiders wou probeeren. + +Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig +geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken +wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen. +Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk +moeten vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den +rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de +revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht +verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk, +dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was +of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog +iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste +had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden. + +Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe +celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten +luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te +vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige +gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te +worden. "Jelui moet niet zoo angstig wezen," zeg ik tot hen. "'t Kwam +alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo +moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat +we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal +vernietigen," maar mijn gedachten willen niet tot rust komen. Het was +of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende +niet vol was. + +En eergisteren, in den nacht tusschen den 18den en 19den April, toen +ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij bevolen, +overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn venster +naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, hoog in +den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer ging, +links en rechts. + +Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was +die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte. + +"Sta op," zei de stem. "Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op +aan in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote +hitte komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in +Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal +niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan +de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de +bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur. + +Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het +uitroepen, dat het oude Europa voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn +zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid. + +Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden +en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal +uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der +aarde zullen gespaard blijven." + +En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan +elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan +had, sprak zij opnieuw. + +"Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: Gij zult +dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de +autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken +vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered +worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is. +Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen +over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om +een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten, +zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten." + +Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap. + +Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot +mij zelf: "Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou +spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de +geheele wereld?" + +Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan +de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de +sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren +en zien of die haar vorige baan heeft verlaten? + +Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen +boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de +Openbaring voor me, om er de profetien uit te zoeken; maar sinds dien +nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn +lichaam. + +Er is geen tijd voor twijfel. + +Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de +heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik +nadert... + + +VI. + +De Brandstapel. + +_(Brief van een Deensch krijgsgevangene)._ + +Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik +niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke +gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te +zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen. + +Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb +juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en +wat men "dichtervrede" noemt--daar geniet ik niet veel van. Ik zit in +een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberi, en ik heb +negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer. + +Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles +doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen +liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze +niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't +verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, zooals ik +me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen. + +Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil +me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde +werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben +over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan. + +Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de +gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig +van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze +ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten, +die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen +onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberi gezonden. + +Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen +bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer +opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog +betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn +hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde, +toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen +verrader, ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd. + +Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag +ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet +ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen? + +Er kan maar n bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht, +opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen +gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten +zal en nooit tot een vergelijk zal komen. + +Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm +te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden, +die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak +uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die +niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen +worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een +beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter +aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt +zich om om te zien wat daar valt. + +Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in +een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet +schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie +jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn z versleten, dat +ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het +venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp +komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord, +dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem +smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven +in een gevangenbarak in het vervloekte land: Siberi. + +Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische +gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn +velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben +nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik. + +Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de +wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en +boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven +en aan de gevangenen en de in den oorlog verminkten. Er komt nooit +vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden +zooals vonken hooibergen aansteken. + +Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van +het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En +als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den +oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt +en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun +huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle +oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en +met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En +dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden. + +Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige +heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed: +hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste +ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook +de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn +proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden +verteerd. + +En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten +vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn +schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en +kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren. + +Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot +vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeers, de +vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde +voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het +menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog +bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar +verdrukker! + +Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn +woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken. + + * * * * * + +Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den +vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen. +Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis. + +Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet +sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven +wil, en den oorlog tot asch verbranden op den grooten +vrede-brandstapel. + +Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen, +en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het +ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn +gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze +hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik +zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen. + +Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn +gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet +goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberi +is gestorven. + +Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de +menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt +voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te +steken? + +Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberi. Er is +typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan. + +Mijn arme verzen, zullen zij leven?--Zullen zij leven, als ik uit dit +leven zal zijn heengegaan? + + +VII. + +Gustav Frding. + +_(Proloog op het feest ter eere van den dichter Frding in 't Koninklijk +Theater in Stockholm)._ + + 8 Febr. 1921. + + Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan, + Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden + In het land van den Klarelf, + Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodien + En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel; + Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig + En hun macht was als die van den liefdedronk, + Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht. + + Zeg mij, Wermelands dochters! + Gij, die dwaalt over de bergen, + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, + Waarom is zijn harp verstomd? + Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek + In de maneschijnsnachten? + Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen: + "O, waar zijt gij?" + + Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide, + Als de dans van de dochter van een grooten koning, + Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter, + Als het ruischen van een beek onder de sneeuw, + Als zonneschijn na stormvlagen, + Als dauw in de droogte van den zomer. + 't Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden. + + Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen, + Als de avond daalde en de schaduwen lang werden; + Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten, + Waar Wermelands zonen en dochters samenkomen ten dans; + Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid. + Op de teenen sloop ik over de zandvlakten, + Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist, + Waar de schuimvlokken rondvliegen + En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen. + + Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters, + Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels, + Hij was de speelman, die in den stroom speelt, + Hij was de stroomgeest met gouden harp, + Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond, + Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen. + + En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde. + Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle; + Hij speelde alles wat hij gehoord had; + Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier, + Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de + zaligheid. + En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen; + Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop + En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen, + Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen, + Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul, + Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo, + Maar zijn harp was als die van Danil; + Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van + smart. + + Vele dagen zijn voorbijgegaan, + Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend, + bij den waterval. + Waarom zijn die tonen verstomd, + Die een lichtglans wierpen over de ziel, + Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld? + + Zeg mij, Wermelands dochters! + Gij, die de kudde hoedt op de bergen, + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg, + Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde? + Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag, + Die niemand kon doorbreken, + Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd? + Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf. + Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar, + Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering + En door velen geerd en benijd wordt. + Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen + En zich met ringen en kettingen getooid. + De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en + edelgesteenten. + O, gij Wermelands dochters! + Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde? + + Onze vriend was als een heel schuwe vogel; + Hij was teer als de bloem van den meidoorn + En licht te breken als de wilg aan den oever. + Gij, Wermelands dochters! + Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde, + als hij speelde? + + Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde. + Met groote kunst greep hij in de snaren + En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water, + De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels. + Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was, + Zooals die komen kan over de watergeesten, + En zijn spel werd woest en grillig. + + Zeg mij, gij Wermelands dochters! + Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt? + Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen? + Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen? + Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters, + Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde? + + Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren + Klonk in onze ooren een wreede menschenstem: + "Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning? + Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt? + Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis + brengt?" + + Toen zweeg de gouden harp, + Toen zonk de speelman neer in den waterval, + Toen ging een rilling door het sparrenwoud, + Toen bruiste de waterval toornig en woest, + Als wilde hij een vijand aanvallen. + + Zeg mij, gij Wermelands dochters! + Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was? + Hij was teer als de bloem van den meidoorn + En licht te breken als de wilgetak. + Hij was een heel schuwe vogel. + Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was, + Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar + zaligheid? + + Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren? + Ge wacht te vergeefs aan den oever. + Ach! Wermelands dochters! + Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen, + Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen, + Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd, + Met handen als vlammen snel zich bewegend, + Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen. + + Als ge hem nu nog weerziet + Ligt hij stil op de golven, + Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos, + Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van + de bergen, + Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren, + De vreeselijke oogen van den watergeest, + Die van geen hoop of verlangen weten, + Die enkel vragen en smeeken om vernietiging. + + Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan, + Sinds we de harp van onzen vriend hoorden + In het land van de Klarelf, + Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodien + En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel, + Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters! + Gij, die de kudden weidt op de bergen + Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg. + Houdt de herinnering aan onzen vriend levend; + Want onze vriend was meer dan alle anderen, + Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels + En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk + En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing. + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GSTA BERLING=, ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. f3.90 EN EEN +PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG +PAULI, PRIJS IN PRACHTB. f5.50. + +=DE BANNELING=, PRIJS IN PRACHTBAND f5.50. + +=JERUZALEM=, 3E DRUK, IN PRACHTBAND f5.90. + +=HERINNERINGEN=, PRIJS IN PRACHTB. f4.50. + +=MACHTEN EN MENSCHEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50. + +=DE KEIZER VAN PORTUGAL=, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN f4.50. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f4.90. + +=NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. +f5.90. + +=DE VOERMAN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50. + +=HET HUIS VAN LILJECRONA=, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f4.90. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND +f4.90. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, IN PRACHTB. f4.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, IN PRACHTBAND f3.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50. + +=INGRID=, 5E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f2.90. + +=ELSA=, 2E DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND f2.50. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA=, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND +f2.50. + +=VONKEN=, PRIJS IN PRACHTBAND f4.50. + + + + + +--------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: | + | C: EERSTE DEEL. | + | B: van Zuster Oliva 95 | + | C: van Zuster Olive 95 | + | B: de bleek had gelegen 't Was | + | C: de bleek had gelegen. 't Was | + | B: ze allemaal: Stine en Line, en | + | C: ze allemaal: Stina en Lina, en | + | B: als je oud werdt, kwam | + | C: als je oud werd, kwam | + | B: brood te kunnen verdienen. | + | C: brood te kunnen verdienen." | + | B: zijn beenen kunnen staan. | + | C: zijn beenen kunnen staan." | + | B: toe ge-geroeid, en 't was | + | C: toe geroeid, en 't was | + | B: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVA. | + | C: GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE. | + | B: had, daar had ik geen lust in." | + | C: had, daar had ik geen lust in."" | + | B: zijn eigen kant uit. | + | C: zijn eigen kant uit." | + | B: brengen en nuttig zijn," zei ze. | + | C: brengen en nuttig zijn," zei ze." | + | B: kerk in de wildernis. | + | C: kerk in de wildernis." | + | B: hij zeggen. "en wat heeft het | + | C: hij zeggen, "en wat heeft het | + | B: in Zijn barmhartigheid: "Gij zult | + | C: in Zijn barmhartigheid: Gij zult | + | B: het vervloekte land: Siberie. | + | C: het vervloekte land: Siberi. | + | B: Waar Wermeland's zonen en dochters | + | C: Waar Wermelands zonen en dochters | + | B: mij, Wermeland's dochters! | + | C: mij, Wermelands dochters! | + | | + +--------------------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + +***** This file should be named 38920-8.txt or 38920-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38920-8.zip b/38920-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7c33829 --- /dev/null +++ b/38920-8.zip diff --git a/38920-h.zip b/38920-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..558eff9 --- /dev/null +++ b/38920-h.zip diff --git a/38920-h/38920-h.htm b/38920-h/38920-h.htm new file mode 100644 index 0000000..479e712 --- /dev/null +++ b/38920-h/38920-h.htm @@ -0,0 +1,4985 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + + <title> + Vonken, by Selma Lagerlf + </title> + <style type="text/css"> + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; + letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-weight: normal; font-size: 350%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; font-weight: normal; font-size: 125%;} +h3 {text-align: center; clear: both; margin-top: 4em; margin-bottom: 1.5em; + font-weight: normal; font-size: 100%;} +h4 {text-align: center; clear: both; margin-top: 3em; font-weight: normal; font-size: 100%;} + +h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} + +p {text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.subh4 {margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; text-align: center; text-indent: 0em; + font-variant: small-caps; font-weight: normal; font-size: 100%;} +p.brief {margin-left: auto; margin-right: auto; text-align: center; + text-indent: 0; width: 80%;} +p.datum {text-align: right; margin-right: 2em;} + +div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 0.5em; text-align: center;} +div.voorblad {margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; text-align: center; + letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 140%;} +div.verso {margin-top: 10em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 47em; font-size: 50%; text-align: center; + font-weight: bold; border-top: 1px solid black;} +div.ad {width: 32em; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +div.ad2 {width: 24em; margin-top: 3em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +.boek {text-indent: 0em;} +.adsl {display: block; letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em; font-size: 225%;} +.krant {text-indent: 5em; margin-top: 1em; margin-bottom: .7em; font-size: 75%;} +.recensie {text-indent: 1em; font-size: 75%;} + +/* TB */ +hr {width: 33%; clear: both; border: 1px solid black; + margin-top: 1em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.hrtp {width: 10%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;} +hr.tb {border-style: none;} +hr.chend {width: 19%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} +hr.chbegin {width: 14%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; font-size:85%;} +td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} +td.tdc {text-align: center; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em; + padding-top: 1em; padding-bottom: 1em;} +td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + +/* ALIGN */ +sup {vertical-align: 0.3em; font-size: 75%;} +.mixcap {font-variant: small-caps;} +.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +.smalled {letter-spacing: -0.1em; word-spacing: -0.1em;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +ins.info {border-bottom: 1px dotted green; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +/* POETRY */ +.poem {margin-left: 10%; margin-right: 10%; text-align: left;} +.poem br {display: none;} +.poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + +.poem div.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;} +.poem div.i1 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 8em; text-indent: -8em;} + +.adcent {text-align: center; text-indent: 0em;} +.size60 {font-size: 60%;} +.size67 {font-size: 67%;} +.size75 {font-size: 75%;} +.size85 {font-size: 85%;} +.size125 {font-size: 125%;} +.size140 {font-size: 140%;} +.size150 {font-size: 150%;} +.size225 {font-size: 225%;} + +/* FRACTIONS */ +.fraction {display: inline; font-size: 100%; white-space: nowrap;} +.above {position: relative; margin: 0; padding: 0; vertical-align: 0.4em; font-size: 67%;} +.below {position: relative; margin: 0; padding: 0; vertical-align: -0.4em; font-size: 67%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {border: 1px solid; padding: 1em; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + +@media screen +{ body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em;} + .TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; background-color: #dddddd;} + ins.corr2 {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} +} + +@media print +{ p {margin: 0;} + .pagenum {display: none;} + ins {border: none;} +} + +@media handheld +{ body {margin-left: 2%; margin-right: 2%;} + p {margin-top: .2em; margin-bottom: .2em;} + .pagenum {display: none;} + ins.corr2 {border: none; text-decoration: none;} +} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Vonken + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: February 18, 2012 [EBook #38920] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + + <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn + dat deze links voor u niet werken.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 423px;"> + <img src="images/cover.jpg" width="423" height="600" alt="" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_ad1"></a></p> + +<div class="ad"> + + <p class="adcent size75">Bij den Uitgever van dit boek verscheen van <span class="mixcap">Selma Lagerlf</span>:</p> + + <p class="adcent size150"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/29320" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #29320 beschikbaar.">Niels Holgersson's Wonderbare Reis</a></p> + + <p class="adcent size75">Prijs ingenaaid ƒ <b class="size125">4.90</b>; + gebonden in prachtband ƒ <b class="size125">5.90</b></p> + + <p class="krant"><b>Jan Ligthart</b>:</p> + + <p class="recensie"><b>Een boek voor jonge menschen en om ouden jong te maken.</b></p> + + <p class="krant"><b>Het Nieuws van den Dag</b>:</p> + + <p class="recensie">Het heele boek is eigenlijk een sprookje, vol van het fantastische + dat in de latere werken van de groote schrijfster steeds meer op den + voorgrond treedt. In het kort de geschiedenis van een stouten jongen, + die in een kabouter verandert en dan op den rug van een ganzerik wordt + meegevoerd, door heel Zweden tot in het verre Lapland. Dit boeiende + verhaal vol fraaie legenden en prachtige natuurbeschrijvingen, heeft een + filosofischen en paedagogischen achtergrond. De ondeugende Niels wordt + tot straf voor zijn harteloosheid tegen menschen en dieren aan allerlei + beproevingen onderworpen, en als hij eindelijk, gelouterd en beter + geworden, tot zijn ouders terugkeert, dan is hij vanzelf weder + opgegroeid van kabouter tot menschenkind, omdat hij nu eerst waard is + dit te zijn.</p> + + <p class="recensie"><b>Zoo is dit boek in werkelijkheid zoowel voor groote menschen als voor + kinderen.</b></p> + + <p class="krant"><b>De Nederlander</b>:</p> + + <p class="recensie"><b>Een mooi boek.</b> Het „sprookje” heeft een filosofischen ondergrond, zooals + men licht begrijpt, en op heel eigenaardige manier heeft Selma Lagerlf + haar gedachten in een verhaal van dieren en menschen in beeld gebracht. + <b>Voor volwassenen en kinderen is dit boek een uitstekend geschenk.</b></p> + + <p class="krant"><b>De Tijd</b>:</p> + + <p class="recensie">Dit werk van Selma Lagerlf heeft iets wonderbaars in zich, van dat + sprookjesachtige, dat fantastische, zooals men het in haar werken + meer vindt. Het boek is vlot geschreven en dikwijls met naeve + bekoorlijkheid, die zoo prettig aandoet. De juiste woordenkeus met de + zachtheid van den zinbouw vereenigd, geven aan het werk een bijzondere + waarde.</p> + + <p class="krant"><b>De Avondpost</b> (<span class="mixcap">H. J. Stratenmeijer</span>):</p> + + <p class="recensie"><b>De trek met Niels Holgersson over het Zweedsche land zal ook ons wijzer + en gelukkiger kunnen maken, zoo wij willen verstaan.</b></p> + + <p class="krant"><b>De Nieuwe Arnhemsche Courant</b>:</p> + + <p class="recensie"><b>Wij durven dan ook veilig voorspellen, dat Niels Holgersson weldra + populair zal worden.</b></p> + + <p class="krant"><b>De Hofstad</b>:</p> + + <p class="recensie">Een prachtig sprookje la Andersen, met den diepzinnigen achtergrond + van Gulliver's reizen. Een stoute jongen wordt in een kabouter veranderd + en door een gans naar een vreemd land gedragen. De natuur is met 'n + tooverroede aangeraakt, alles spreekt in de heerlijkste pozie, waar + doorheen de heerlijke Noorsche atmosfeer ademt. Lagerlf's phantasie + laat zich hier weer bewonderen als een groot schrijftalent, dat zich op + vele momenten ook in dit werk dichterverwant toont met Fr. v. Eeden. </p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_ad2"></a></p> + +<div class="ad"> + + <p class="adcent size85"><i>Bij den Uitgever van dit boek verscheen mede</i>:</p> + + <p class="adcent size225 smalled"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">De Wonderen van den Anti-Christ</a></p> + + <p class="adcent size85 mixcap">Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLF</p> + + <p class="adcent size60">DOOR</p> + + <p class="adcent size85">MARGARETHA MEIJBOOM.</p> + + <p class="adcent size67">TWEEDE DRUK.</p> + + <p class="adcent size85">Prijs ingenaaid ƒ <b class="size125">3.90</b>; + gebonden ƒ <b class="size125">4.90</b></p> + + <p class="adcent"><b>Eenige Bladen over „De Wonderen van den Anti-Christ”.</b></p> + + <div class="figcenter" style="width: 411px;"> + <img src="images/ill_ad.png" width="411" height="3" alt="" /> + </div> + + <p class="krant"><b>De Kerkelijke Courant</b>:</p> + + <p class="recensie">Wie een gewoon boek van de Zweedsche schrijfster verwacht, heeft haar + vorige boeken niet gelezen. Bij haar is alles ongewoon; aan haar + fantasie laat zij, of het vanzelf spreekt, den vrijen teugel, en zoo + gaat er een wondere bekoring uit van haar ongemeene verhalen. Dit boek + speelt op het eiland Sicili met zijn berg Etna. De Anti-Christ is het + Socialisme tegenover het Christendom. „Hebt uw schat in den hemel,” zegt + het laatste. „Hebt uw schat op aarde,” predikt het eerste. Het slot is, + wat de schrijfster noemt een Siciliaansche geschiedenis, echt in haar + trant: God was bezig de wereld te scheppen en zond Petrus uit om te zien + of er nog veel te doen was. Petrus keerde terug en zei: „Alle menschen + klagen.” Dan is de wereld nog niet gereed, meende God en kort daarop + zond hij Petrus weder uit, die terugkeerende zei: „Alle menschen + juichen.” Dan was de wereld nog niet gereed, en God zond Petrus ten + derden male uit, die terugkeerende zei: „Sommigen weenen en sommigen + lachen.” Toen verklaarde God de wereld gereed.</p> + + <p class="krant"><b>Het Vaderland</b>:</p> + + <p class="recensie">Een groote bekoring gaat daarvan uit en het geeft veel te denken.</p> + + <p class="krant"><b>Het Nieuws van den Dag</b>:</p> + + <p class="recensie">Een roman uit het Italiaansche leven, spannend en hoog van toon.</p> + + <p class="krant"><b>Nederland</b>:</p> + + <p class="recensie">Het geldt hier een Italiaansche geschiedenis, kleurig, tragisch en in + haar mengeling van mystiek en romantiek, van wonder en moderniteit, zeer + boeiend.</p> + + <p class="krant"><b>De Telegraaf</b>:</p> + + <p class="recensie">Dit nieuwe werk is een zeer ongemeen boek, waarvan de lezing warm + aanbevolen verdient te worden. Dit is zeer gevoelige kunst, genspireerd + door 't warme land met den smetteloos-blauwen hemel.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"> </span><a id="p_i"></a></p> + +<div class="voorblad">VONKEN</div> + +<p><span class="pagenum" title="ii"> </span><a id="p_ii"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="iii"><br /> </span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <h1>VONKEN</h1> + + <p class="tp size85">NAAR HET ZWEEDSCH</p> + + <p class="tp size60">VAN</p> + + <p class="tp size140 ls2">SELMA LAGERLF</p> + + <p class="tp size60">DOOR</p> + + <p class="tp">MARGARETHA MEIJBOOM</p> + + <p class="tp size67">GEAUTORISEERDE UITGAVE</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp"><span class="size67">AMSTERDAM</span><br /> + <span class="size85">H. J. W. BECHT</span></p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iv"> </span><a id="p_iv"></a></p> + +<div class="verso">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN-ARNHEM.</div> + +<p><span class="pagenum" title="v"> </span><a id="p_v"></a></p> + +<h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2> + +<hr class="chbegin" /> + +<table class="toc" summary=""> +<tbody> + <tr> + <td class="tdc" colspan="3"><a href="#EERSTE_DEEL">EERSTE DEEL.</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl" colspan="2"></td> + <td class="tdr mixcap size75">Bladz.</td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#DOODSKOP">De Doodskop</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#ZONSVERDUISTERING">De Zonsverduistering</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_19">19</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#LANDVERHUIZING">Iets over Landverhuizing</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_29">29</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#KALLE_FRYKSTEDT">Kalle Frykstedt</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_38">38</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#LEGENDE">De Legende van den Luciadag</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_50">50</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#KANONNIER">De Kanonnier</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_87">87</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#OLIVE">De Geschiedenis van Zuster <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: Oliva">Olive</ins></a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_95">95</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdc" colspan="3"><a href="#TWEEDE_DEEL">TWEEDE DEEL.</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#PRINSES">De Prinses van Babyloni</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_117">117</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdl mixcap" colspan="2"><a href="#STEMMINGEN">Stemmingen uit den Oorlogstijd</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_124">124</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4I">I.</a></td> + <td class="tdl">'t Schreien van Rachel</td> + <td class="tdr"><a href="#p_124">124</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4II">II.</a></td> + <td class="tdl">De verlaten Kerk</td> + <td class="tdr"><a href="#p_133">133</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4III">III.</a></td> + <td class="tdl">De Mist</td> + <td class="tdr"><a href="#p_139">139</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4IV">IV.</a></td> + <td class="tdl">De jonge Zeeman</td> + <td class="tdr"><a href="#p_152">152</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4V">V.</a></td> + <td class="tdl">De Ster</td> + <td class="tdr"><a href="#p_161">161</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4VI">VI.</a></td> + <td class="tdl">De Brandstapel</td> + <td class="tdr"><a href="#p_169">169</a></td> + </tr> + <tr> + <td class="tdr"><a href="#h4VII">VII.</a></td> + <td class="tdl">Gustav Frding</td> + <td class="tdr"><a href="#p_176">176</a></td> + </tr> + +</tbody> +</table> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="vi"> </span><a id="p_vi"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="1"><br /> </span><a id="p_1"></a></p> + +<h2><a id="EERSTE_DEEL"></a><ins class="corr" id="corr2" title="Niet in Bron.">EERSTE DEEL.</ins></h2> + +<h3><a id="DOODSKOP"></a>DE DOODSKOP.</h3> + +<p>Er was eens een man in de gemeente Svartsj in Wermeland, die op een +Kerstavond het dorp was rondgegaan om gasten te vragen voor dien avond, +maar hij had niemand kunnen vinden, die dien dag uit zijn huis weg +wilde gaan. Hij liep lang en ver in 't rond, maar eindelijk, toen de +schemering begon te vallen, zonder dat het hem gelukt was iemand over te +halen om bij hem te komen, begreep hij, dat hem niet anders overbleef +dan onverrichter zake weer naar huis te gaan.</p> + +<p>De man had toch werkelijk wel kunnen begrijpen, dat het zoo moest gaan, +en hij had dat kalm moeten opnemen. Maar dat deed hij niet: hij was +uitermate verontwaardigd over al de afwijzende antwoorden, die hij +gekregen had: hij had lekkernijen en brandewijn gehaald en zijn vrouw +was druk bezig het feest voor te bereiden. Maar wat was daar nu aan, als +geen enkele vroolijke kameraad hem gezelschap wou komen houden aan de +Kersttafel?</p> + +<p><span class="pagenum" title="2"> </span><a id="p_2"></a></p> + +<p>„'t Is natuurlijk, omdat ze te trotsch zijn om bij mij te komen,” zei +hij, „'t is omdat ik doodgraver ben, dat ze 't niet deftig genoeg vinden +om Kerstavond in mijn huis te vieren.”</p> + +<p>Die aanklacht was heel onrechtvaardig, want wat men ook kon zeggen +van de menschen in Svartsj,—nog nooit was het iemand in die +gemeente in zijn hoofd opgekomen een uitnoodiging niet aan te nemen, +omdat de gastheer een te onaanzienlijk man was. En die man was ook +geen gewone doodgraver. Hij heette Anders ster en was uit een oud +speelmansgeslacht. Zelfs was hij muzikant bij de Wermelandsche jagers +geweest, en eerst nadat hij eervol uit den krijgsdienst ontslagen was +geworden, had hij de betrekking als doodgraver aangenomen.</p> + +<p>Bovendien was hij niet alleen doodgraver, maar ook koster, een +betrekking, die niets afschrikwekkends heeft, maar in de stemming, +waarin hij nu was, dacht hij alleen aan de donkere zijden van het leven.</p> + +<p>„Nu niemand anders bij mij wil komen, zal ik wel een paar gasten van 't +kerkhof moeten vragen,” mompelde hij, „die zullen zich ten minste niet +schamen om op een feest bij den doodgraver te komen.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="3"> </span><a id="p_3"></a></p> + +<p>Hij ging toen juist voorbij den ouden grijzen steenen muur, die om het +kerkhof van Svartsj loopt, en natuurlijk was het daardoor, dat hij +zulke gedachten in zijn hoofd kreeg, maar hij had toen zeker geen plan +daar ernst van te maken.</p> + +<p>Toen hij nog een paar stappen gedaan had, ontdekte hij, dat een rond, +wit voorwerp door het dorre gras aan den kant van den weg schemerde. Dat +scheen veel witter dan een gewone steen, en hij bleef staan om te zien +wat het voor een ding kon zijn. Toen zag hij in de bleeke schemering +niets minder dan een doodskop. Die was waarschijnlijk met gras en +steenen uit een graf gekomen, dat hij den vorigen dag had opgegraven, +en nu had een of ander dier hem hierheen gesleept tot waar hij nu lag.</p> + +<p>In gewone dagen zou de man zeker dit overschot hebben opgeraapt van een +mensch, dat een van zijn voorvaderen had kunnen zijn, en in ieder geval +in dezelfde gemeente als hij geleefd had en gestorven was, en 't in het +knekelhuisje hebben gebracht; maar nu was hij niet in een bui om iets +zoo eenvoudigs en natuurlijks te doen. In plaats daarvan nam hij zijn +hoed af, boog glimlachend voor den doodskop en sprak dien aan met een +eigenaardige zachte en hooge stem, die hij zelden <span class="pagenum" title="4"> </span><a id="p_4"></a>gebruikte, behalve +als hij in zijn allerslechtste humeur was.</p> + +<p>„Goeden avond, goeden avond!” zei hij. „Ik ben blij dat ik u ontmoet. +Ja, nu moet ik u eerst een gelukkig Kerstfeest wenschen en dan moet ik +u zeggen, dat ik er op uit ben om gasten voor een feest uit te noodigen. +Ik zou wel willen weten of u zich verwaardigen wilt van avond bij mij te +komen. 't Is geen groot feestmaal, weet u, maar u zult wel zooveel eten +en brandewijn krijgen, dat u 't er mee kunt doen.”</p> + +<p>Toen hij de uitnoodiging gedaan had, bleef hij staan met den hoed in de +hand, als om 't antwoord af te wachten.</p> + +<p>„Ja—u zegt ten minste geen: Nee,” ging hij voort, toen hij een +behoorlijken tijd had gewacht, „dus ik durf wel hopen dat u komt. Ik +woon daar in dat groote huis, midden op het Kerkplein, dus u hoeft niet +ver te loopen.”</p> + +<p>Toen lachte Anders ster hard en woest, zette zijn hoed weer op en ging +naar huis, zonder zich verder op zijn weg op te houden.</p> + +<p>'t Was waar, dat hij de naaste buur van het kerkhof was. Hij woonde in +'t kerkeraadsgebouw in een paar kleine zolderkamers. Toen hij nu door 't +voorportaal gegaan was en de huisdeur opendeed <span class="pagenum" title="5"> </span><a id="p_5"></a>zag hij iets, dat niet +geschikt was zijn slecht humeur te verbeteren. Zijn vrouw lag namelijk +op den grond, vlak bij de deur en schuurde de gang in 't benedenhuis. +Een klein dun vetkaarsje stond in een koperen kandelaar voor haar op den +natten vloer en verlichtte schuurlap, emmer en dweil.</p> + +<p>„Ja, dat past mooi, dat je hier nog ligt te schuren, nu de gasten ieder +oogenblik kunnen komen,” zei de man, terwijl hij binnen kwam.</p> + +<p>Zij hief het hoofd op zag hem snel aan. Haar gezicht was verrassend mooi +met zuivere, fijne trekken. Ze begreep dadelijk hoe de zaken stonden.</p> + +<p>„Zoo, er was niemand die komen wou,” zei ze. „Ja, dat dacht ik wel. +Niemand heeft er ooit van gehoord, dat een mensch op Kerstavond +uitgaat.”</p> + +<p>„Nee, ze hadden 't allemaal veel te pleizierig om bij ons te willen +komen,” zei hij, z heftig alsof dat een beschuldiging tegen haar was. +„Ja toch! Er was een, die de uitnoodiging aannam,” ging hij +onverschillig voort, „maar hij komt wat later.”</p> + +<p>„Ga dan maar vast naar boven om hem op te wachten. De tafel is gedekt en +'t licht is aan. Ik ben hier dadelijk klaar.”</p> + +<p>Maar Anders ster had heelemaal geen lust om te doen wat hem gevraagd +werd. Hij bleef in de <span class="pagenum" title="6"> </span><a id="p_6"></a>gang staan; hij stond de schurende vrouw in den +weg en daar vond hij een bitter soort voldoening in. Rechts van hem +stond de deur naar de kerkeraadskamer open, een groote kamer, waar de +kerkeraadsleden hun vergaderingen en bijeenkomsten hielden. In den open +haard brandde een groot vlammend vuur, dat de heele kamer verlichtte, en +Anders ster bleef staan en keek naar binnen. De kamer was ouderwets +ingericht, met grove houten wanden, zonder versiering, een vloer van +geweldig groote planken en een zoldering van balken. Sterke banken, +aan de wanden vast, liepen langs de heele kamer in 't rond; een groote +ongeschilderde tafel met gedraaide pooten stond rechts in den hoek, +schuin over den ingang en voor de tafel een leeren stoel met hoogen +rug voor den voorzitter, een sprekend zinnebeeld van rustig gedrag en +onverstoorbare kalmte.</p> + +<p>De vrouw had den vloer daar binnen ook geschuurd en dien toen met wit +zeezand en gehakte eenbestakken bestrooid. In den flikkerenden schijn +van 't vlammende vuur kwam die kamer Anders ster deftig en prettig +voor, en hij zei tegen zijn vrouw:</p> + +<p>„Als je klaar bent, moest je ons Kerstmaal naar beneden halen en hier in +de kerkeraadskamer dekken. <span class="pagenum" title="7"> </span><a id="p_7"></a>Ik geloof, dat ik ons Kerstfeest hier vieren +wil.”</p> + +<p>De vrouw zag heel verschrikt op.</p> + +<p>„Wat bedoel je?” vroeg ze. „Wil je hier beneden zitten drinken met dien +gast, dien je wacht? Er zijn immers geen gordijnen of luiken voor de +vensters. Als iemand voorbijkomt, zien ze je immers zitten.”</p> + +<p>Ze was verontwaardigd. De kerkeraadskamer, net als de kerk hoorden van +de gemeente, en ze beschouwde die bijna als een heilige plaats. Ze kon +er zich niet indenken, dat die voor een drinkgelag zou worden gebruikt.</p> + +<p>Maar Anders ster kon er geen vrede mee hebben, dat hem dien avond +alles, wat hij begeerde, zou worden ontzegd.</p> + +<p>„Wees nu niet lastig, Bolla!” zei hij. „Ik zeg je, dat ik hier van avond +wil zitten met ons Kerstmaal.”</p> + +<p>'t Was de groote tafel, met den grooten stoel en de groote kamer, die +hem bekoorde. Als hij zijn Kerstfeest vierde in zoo'n eerwaardigen stoel +zittende, en at aan een tafel, waar een twintig, dertig man plaats +konden vinden naast hem, en uitzag over een kamer, waar al de machtige +mannen in de gemeente gewoonlijk vergaderden, zou hij zich voelen als +een aanzienlijk man, een groote boer, en dr had hij behoefte aan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="8"> </span><a id="p_8"></a></p> + +<p>„Je kunt er van op aan, dat je je betrekking verliest, als je dat +doet,” zei zijn vrouw. „Je zult zulke gekheid niet uithalen, zoolang ik +leef.”</p> + +<p>Toen zijn vrouw zich z beslist tegen zijn wensch verzette, kende zijn +woede geen grenzen. Al de mismoedigheid, die heel den langen dag in +hem was opgekomen, kwam ziedend naar boven en wilde zich uiten, hij +antwoordde niet, maar vloog de trap op naar den zolder en hun kamers in. +Daar rukte hij zijn jachtgeweer van den wand.</p> + +<p>Toen sloop hij met lichten tred terug naar de trap en boog zich over de +leuning, zoodat hij zijn vrouw kon zien, die nog aldoor de gang lag te +schuren.</p> + +<p>„Bolla, Bolla,” zei hij met een stem z zacht en hoog, dat ze bijna +suikerzoet klonk! „Meen je dat, dat ik mijn Kerstmaal niet aan de tafel +in de kerkeraadskamer zal eten, zoolang jij leeft?”</p> + +<p>„Ja, dat meen ik!” riep ze snel terug; maar zoodra ze dat gezegd had, +dacht ze er aan, dat die booze stem nooit veel goeds voorspelde. Ze +wierp een snellen blik naar boven en kreeg den blinkenden loop van 't +geweer in 't oog, een paar el boven haar hoofd.</p> + +<p>Ze wierp zich achterover. Op 't zelfde oogenblik <span class="pagenum" title="9"> </span><a id="p_9"></a>stond de gang vol rook +en vuur, en een kogel sloeg vlak voor haar in den grond.</p> + +<p>„Almachtige God!” Ze liet dweil en emmer staan en vloog de stoep af naar +buiten in 't donker.</p> + +<p>ster deed geen poging haar te vervolgen. Hij lachte koud en snijdend, +zooals te voren buiten op den weg. Toen ging hij kalm met het geweer +naar boven en hing het aan den wand.</p> + +<p>Daarna begon hij heel vlug en behendig alles in te richten, zooals hij +'t hebben wou. Hij schoof het schuurgerei in een hoek van de gang om den +doorgang vrij te maken en haalde toen alles wat zijn vrouw voor het +feest in orde had gemaakt naar beneden in de kerkeraadskamer. Hij legde +het tafellaken over de groote vergadertafel, zette er twee mooie +kandelaars met verscheiden armen op, en daar tusschen in een grooten +boterkoek, die zorgvuldig opgemaakt was, kwam toen naar beneden met +verschillende soorten versch brood, kaas, vette en magere, een +schapenbout, een kroes kerstbier en messen en borden. 't Allerlaatst +sleepte hij 't vaatje brandewijn naar beneden, zette dat midden op tafel +met een kring glazen om de kraan heen.</p> + +<p>Toen alles in orde was, ging hij in den voorzittersstoel <span class="pagenum" title="10"> </span><a id="p_10"></a>zitten, at en +dronk in alle kalmte met een gevoel van groot genot.</p> + +<p>'t Was zeker zoo, dat de in hem opgehoopte boosheid, die hem z kwelde, +dat hij die in alle ledematen voelde, tot uiting was gekomen in het +schot, dat hij had gelost. Hij voelde zich zoo verlicht, dat hij niet +anders dacht, dan dat hij goed had gehandeld.</p> + +<p>Waarom moest zijn vrouw zich tegen zoo'n onschuldigen wensch verzetten? +Het paste haar immers haar man onderdanig te zijn. Nu ging 't haar +zooals ze verdiend had. 't Was heel rechtvaardig wat hij had gedaan, +en zelfs niet alleen rechtvaardig, maar ook verstandig.</p> + +<p>Terwijl hij daar zat, herinnerde hij zich veel gevallen, waarin ze +tegengestribbeld had. Nu zou dat wel uit zijn. Nu had ze begrepen wie de +baas in huis was. 't Was een goede inval geweest op haar te schieten. +Van nu af aan zou hij betere dagen hebben en meer genoegen van zijn +huwelijk.</p> + +<p>Hij was moe en had honger en het maal smaakte hem goed. Na een poosje, +toen hij zich verzadigd begon te voelen, dacht hij er toch met een soort +van gemis aan, dat hij niet in staat was geweest gezelschap te vinden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="11"> </span><a id="p_11"></a></p> + +<p>Toen kwam hem op eens de doodskop weer in den zin.</p> + +<p>„Ik geloof dat hij van plan is te doen als de anderen en niet komt,” zei +hij. „Misschien is er niets anders op te vinden dan dat ik hem ga +halen.”</p> + +<p>Hij zette zijn hoed op, ging naar 't kerkhof, dat dicht bij was en kwam +spoedig terug met den doodskop in de hand.</p> + +<p>Veel aarde kleefde er aan en hij doopte hem meermalen in den emmer en +droogde hem af met de dweil. Toen hij hem zoo mooi mogelijk had gemaakt +zette hij hem op de tafel, vlak voor zich.—</p> + +<p>Zijn vrouw zat intusschen ontdaan en in tranen op een boerderij, die +vlak bij de kerk lag. Zij was bij haar buren en goede vrienden, die +probeerden haar te troosten, en omdat het Kerstavond was deed ze haar +uiterste best ten minste op te houden met schreien, opdat ze hun +Kerstvreugde met haar verdriet niet zou storen. Maar het was haar, alsof +ze in een afgrond zat te staren, waar ze eens in moest neerstorten.</p> + +<p>„Hij heeft op me geschoten!” dacht ze telkens weer. „Hij heeft me willen +vermoorden! Wat moet er toch van ons worden!”</p> + +<p>Was hij dronken geweest, dan zou ze dit niet <span class="pagenum" title="12"> </span><a id="p_12"></a>geteld hebben. Maar hij +was nuchter en hij had haar willen dooden om zoo'n kleinigheid.</p> + +<p>Ze dacht aan den langen tijd, dien ze samen hadden doorleefd. Ze hadden +meer dan twintig jaar lief en leed gedeeld en nu was het er toe gekomen +dat hij op haar had willen schieten. Er was dus geen spoor van teerheid +voor haar in zijn hart na al den nood en al de zorgen, die ze samen +hadden doorgemaakt.</p> + +<p>Hier, op de hoeve, waar ze haar toevlucht had gezocht, waren een paar +kleine jongens, die buitengewoon belang stelden in dit heele geval. +Ze liepen telkens naar buiten, keken door het venster van 't +kerkeraadsgebouw en vertelden haar wat ze gezien hadden.</p> + +<p>„Nu haalt hij het eten naar beneden en dekt de tafel in de +kerkeraadskamer,” vertelden ze. En een poos later was het: „Nu zit hij +in den voorzittersstoel te eten en te drinken.”</p> + +<p>Den volgenden keer kwamen ze vertellen, dat hij zat te praten, alsof er +iemand bij hem in de kamer was. Hij hief zijn glas op en dronk iemand +toe, dien de kinderen niet konden zien.</p> + +<p>De vrouw vroeg er niet naar wat haar man deed. Zij kon aan niets anders +denken, dan dat hij op haar had geschoten. Denk eens aan! De man, die +<span class="pagenum" title="13"> </span><a id="p_13"></a>beloofd had haar lief te hebben in nood en vreugd, had op haar +geschoten!</p> + +<p>'t Kwam haar onmogelijk voor ooit weer naar hem terug te gaan. 't Was +niet zoozeer de gedachte in een voortdurenden angst te zullen leven voor +een man, die naar 't geweer greep bij de minste tegenspraak, die haar +verhinderde weer in zijn huis te wonen. 't Was meer het verlammende +gevoel, dat hij haar moest haten, nu hij in staat was haar op die manier +te overvallen.</p> + +<p>'t Was niet te verhelpen. Dit kon nooit weer worden goedgemaakt, nooit +ongedaan gemaakt. De grondslag zelf, waarop ze hun geluk hadden gebouwd, +was weggezonken. Nu was er niets meer, waar ze op konden steunen.</p> + +<p>Telkens rilde ze en beefde, terwijl ze de boerin hielp in de brij te +roeren en de Kersttafel te dekken.</p> + +<p>„Hij heeft mij met zijn schot gedood,” dacht ze. „Het is mij dwars door +'t hart gegaan.”</p> + +<p>Ze had juist plaats genomen tusschen de anderen aan de Kersttafel, toen +de deur zachtjes openging en haar man binnenkwam. Hij kwam niet verder +de kamer in, maar bleef in de schaduw bij de deur staan. Hij wenkte haar +niet om bij hem te komen; hij bewoog zich niet. Hij stond daar alleen +maar.</p> + +<p><span class="pagenum" title="14"> </span><a id="p_14"></a></p> + +<p>'t Eerste oogenblik voelde zij niet anders dan ergernis, omdat hij het +waagde weer op haar weg te komen, en ze dwong zich niet naar hem te +kijken en te doen of hij er niet was. Maar natuurlijk kon ze niet laten +nu en dan snel een blik naar de deur te richten, en ze werd er meer en +meer verwonderd over dat hij daar zoo stil bleef staan.</p> + +<p>„Er is iets met hem gebeurd,” dacht ze. „Hij is niet meer dezelfde, +die hij een poos geleden was. Hij ziet zoo bleek. Hij is zeker ziek +geworden. Misschien had hij wel koorts, toen hij op mij schoot.”</p> + +<p>Ze stond op van haar plaats en zei zacht: „Ik dank jelui wel,” en ging +naar de deur. De man deed die open en ging voor haar uit naar buiten +en op 't kerkeraadsgebouw toe. Hij sprak niet onderweg en zij had het +gevoel alsof meer zijn geestverschijning voor haar uit liep—dan hij +zelf.</p> + +<p>Ze wist immers, dat hij de tafel in de kerkeraadskamer gedekt had, maar +daarvan was nu geen spoor meer te zien; alles was weer op zijn plaats. +Hij liep voor haar uit naar hun eigen kamers op den zolder. Ook daar zag +alles er uit als op het oogenblik, dat zij was weggeloopen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="15"> </span><a id="p_15"></a></p> + +<p>Het eenige, wat haar vreemd aandeed, was een doodskop, die op een tafel +stond, in een hoek van de kamer. De man ging daar naast staan en wees op +den doodskop.</p> + +<p>„Zie daar eens naar,” zei hij.</p> + +<p>Dat deed ze, maar ze vond er niets merkwaardigs aan.</p> + +<p>„Zie je wel, dat hij geschoten—vermoord is?” zei hij. „Dat is geen +zelfmoordenaar geweest. Hij is van achteren geschoten hier, dicht achter +het oor.”</p> + +<p>„Ja, dat zie ik,” zei ze en een siddering van verwachting kwam over +haar.</p> + +<p>„Herinner je je, dat je van iemand hebt gehoord, die hier in de gemeente +is doodgeschoten? Neen, zooiets is hier in onzen tijd niet gebeurd, en +ook niet in den tijd van onze ouders. 't Zal wel niet dikwijls gebeurd +zijn, dat iemand hier in de streek is vermoord. Misschien is hij de +eenige van allen, die hier op 't kerkhof begraven zijn, die door een +schot is geveld, en die is juist van avond bij mij gekomen.”</p> + +<p>Hij knikte haar toe, als om zijn woorden kracht te geven, en ging voort.</p> + +<p>„Denk daar eens over! Van de vele duizenden doodskoppen, die onder den +grond van 't kerkhof <span class="pagenum" title="16"> </span><a id="p_16"></a>kwamen te liggen, is er misschien maar n, die +door een moordenaarskogel getroffen werd, en die kwam juist van avond +bij mij.”</p> + +<p>De vrouw stond nog altijd stil, zonder een woord te zeggen.</p> + +<p>„Die lag mij in den weg, toen ik van avond thuiskwam, juist deze met +het schot achter het oor. Hij wilde zich zeker aan mij vertoonen, maar +toen heb ik niet veel naar hem gekeken. Later toen ik hier alleen zat, +kwam hij mij juist in de gedachte, zoodat ik eindelijk niet anders kon +dan hem gaan halen. Ik vond, dat het jammer was hem in de kou en de +duisternis buiten te laten liggen, en dan ook—ik wou iemand hebben om +mee te spreken. En toen ik hem vr mij op de tafel zette en een glas +inschonk om hem toe te drinken, zag ik, dat hij gedeeltelijk door een +schot was verbrijzeld.</p> + +<p>Wat zeg je daarvan, Bolla? Waar is hij vandaan gekomen, en waarom kwam +hij juist van avond op mijn weg? Hoe kwam het, dat ik hem hier binnen +moest halen, dadelijk nadat ik op jou geschoten had?”</p> + +<p>„Dat was zeker God,” fluisterde zij en vouwde de handen.</p> + +<p>„Ja,” antwoordde hij—ook fluisterend. „Zoo <span class="pagenum" title="17"> </span><a id="p_17"></a>is het. Het was Gods wil. +Hij wilde, dat ik juist dit zou zien. Die doodskop moest me toonen, wat +het was, wat ik had willen doen. Hij werd me toegezonden, opdat ik mijn +groote zonde en ellende zou inzien.”</p> + +<p>Ze kwamen naar elkaar toe. Onwillekeurig vatten ze elkaars handen en +stonden voor den doodskop stil, met een uitdrukking op hun gezicht als +van onschuldige kinderen. Hij was hun zeker door God gezonden. Hij zei +hun door zijn tegenwoordigheid, dat God hen behoedde, dat Hij medelijden +met hen had en hen wilde redden.</p> + +<p>Ze voelden op eens, dat al het andere van geen beteekenis meer was. De +vrouw begeerde niet, dat de man haar zou zeggen, dat hij berouw had. Ze +had heelemaal vergeten, dat ze niet meer met hem het leven wilde deelen. +De man dacht er niet meer aan, wie van hen beiden nu de macht in huis +zou hebben. Al waren ze nog duizendmaal boozer op elkaar geweest, al +hadden ze elkaar nog duizendmaal meer te verwijten gehad, dan zouden ze +nog alles vergeten hebben voor die zalige zekerheid, dat God zich over +hen had ontfermd en hen gered van dat vreeselijke—dat ze er toe zouden +komen elkaar te haten.</p> + +<p>God wilde hun weldoen, en daarom had Hij <span class="pagenum" title="18"> </span><a id="p_18"></a>hun een waarschuwer gezonden. +Bij zooiets groots vergaten ze niet alleen hun boosheid; ze vergaten ook +hun armoede, hun zorgen voor de toekomst. Zij voelden het grootste +geluk, dat menschen kunnen genieten.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="19"> </span><a id="p_19"></a></p> + +<h3><a id="ZONSVERDUISTERING"></a>DE ZONSVERDUISTERING.</h3> + +<p>Het waren Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude soldatenhuis en twee, drie andere oude +vrouwen. Ze woonden allen aan 't uiteinde van de gemeente, onderaan den +grooten heuvel, in een streek, die z woest en vol steenen was, dat +geen van de groote grondbezitters lust hadden om er de handen aan te +slaan. Een van haar had haar hutje op een kale berghelling, een andere +had het aan den rand van een moeras, een derde woonde boven op een +heuvel, die z steil was, dat het een heel werk was om boven te komen. +En als een van de anderen een hut had op een gunstige plaats, kon men er +zeker van zijn, dat die zoo dicht onder den berg lag, dat de zon er niet +op schijnen kon van af de herfstmarkt tot Maria Lichtmis toe. Allen +hadden ze op een klein stukje land aardappelen verbouwd, dicht bij haar +hut. En dat had veel moeite gekost, <span class="pagenum" title="20"> </span><a id="p_20"></a>want zeker was het waar, dat er +allerlei soort grond was daar onder aan den berg, maar het was ook waar, +dat alle akkers moeilijk te bewerken waren. Sommigen hadden zooveel +steenen uit haar akker moeten halen, dat er genoeg waren om er een +schuur op een heerenhoeve van te bouwen, anderen hadden zulke diepe +slooten moeten maken, dat ze voor graven hadden kunnen dienen, anderen +hadden aarde in zakken naar boven moeten dragen en die op den kalen berg +uitspreiden. Zij, die het 't beste hadden, moesten toch voortdurend +tegen distels en melde strijden, die met zulk een kracht, en in zulk een +overvloed opschoten, alsof ze meenden, dat het heele aardappelveld voor +hen in orde was gebracht.</p> + +<p>Al die vrouwen zaten alleen in haar hutjes den heelen langen dag; want +al hadden ze een man, dan ging hij iederen morgen naar zijn werk en hun +kinderen gingen naar school. Enkelen waren oud en hadden volwassen +kinderen, maar die waren naar Amerika gegaan. Weer anderen hadden kleine +kinderen, en die bleven wel den heelen dag thuis, maar die kon men geen +gezelschap noemen.</p> + +<p>Omdat ze zoo alleen in haar huisjes zaten, was het bijna noodig, dat +ze elkaar nu en dan eens ontmoetten bij een kopje koffie. Niet omdat +ze <span class="pagenum" title="21"> </span><a id="p_21"></a>zoo goed bij elkaar pasten of elkaar een bizondere genegenheid +toedroegen; maar enkelen vonden 't prettig om op de hoogte te zijn +van wat de anderen deden, en enkelen werden zwaarmoedig, zooals ze +daar dicht aan den onderkant van den berg zaten, wanneer ze niet eens +menschen ontmoetten, en anderen hadden behoeften hun hart te luchten en +over den laatsten brief uit Amerika te spreken, en anderen weer waren +spraakzaam en hielden van scherts, en verlangden naar een gelegenheid om +die groote en goede gaven Gods te kunnen gebruiken.</p> + +<p>'t Was ook niet zoo moeilijk een koffiefeestje tot stand te brengen. +Koffiekannen en kopjes hadden ze allemaal, room konden ze op de +heerenhoeve koopen, als ze niet zelf een melkkoe hadden, broodjes konden +ze aan huis krijgen van de gemeentebakkerij, en winkels, waar koffie en +suiker verkocht werd, waren overal te vinden. Neen, een koffiepartijtje +in orde te maken was zoo gemakkelijk mogelijk, maar wat moeilijk +was—dat was een aanleiding te vinden.</p> + +<p>Want allen:—Stina van Busen, en Lina van Vogelsang, en Kaisa van 't +kleine moeras, en Maja van den grooten heuvel, en Beda in Finnmrkret en +Elin, de nieuwe vrouw in 't oude <span class="pagenum" title="22"> </span><a id="p_22"></a>soldatenhuis, en de twee, drie andere +oude vrouwen waren het er over eens, dat zoo maar op een gewonen dag +ging 't niet aan een koffiepartijtje te geven. Als je zoo onzuinig met +je tijd omging, die kostelijke tijd, die nooit weeromkomt, zou je een +slechten naam kunnen krijgen.</p> + +<p>En ook hadden ze allen de opvatting, dat 't onmogelijk was een +koffiefeest te vieren op Zondag of op de groote feestdagen. Want dan +hadden de getrouwde vrouwen man en kinderen thuis, zoodat ze gezelschap +genoeg hadden, en de anderen wilden naar de kerk of naar 't bedehuis +gaan en sommigen wilden hun familie bezoeken, en enkelen wilden 't den +heelen dag doodstil in huis hebben om echt te voelen, dat het een +heilige dag was.</p> + +<p>Maar des te meer moest men alle overige aanleidingen aangrijpen. De +meesten gaven een koffiepartij op hun naamdag, anderen konden de groote +gebeurtenis vieren, dat het kleinste kind zijn eerste tand kreeg, of +dat het jongste zoover gekomen was, dat het begon te loopen. Voor hen, +die gewoon waren brieven met geld uit Amerika te krijgen, was dit een +geschikte aanleiding, en ook kon het wel gebeuren, dat men de buren +vroeg te helpen om een deken te stikken of een weefsel op touw te +zetten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="23"> </span><a id="p_23"></a></p> + +<p>Maar toch waren er lang niet zooveel aanleidingen als noodig waren, en +eens gebeurde het, dat een van de oude vrouwen bijna radeloos werd. Ze +wist, dat het haar beurt was om een feest te geven en ze had er niets +tegen te doen, wat men van haar verlangde, maar ze was niet in staat +iets te bedenken, waarom ze feestvieren kon.</p> + +<p>Ze kon haar naamdag niet vieren, want ze heette Beda, en die naam is +uit den kalender geschrapt, en ze kon ook geen naamdag van een van haar +familieleden vieren, want die lagen allen op het kerkhof. Ze was hl +oud en de deken, waar ze onder sliep, zou 't haar tijd wel uithouden, en +ze kreeg nooit een brief uit Amerika. Ze had een kat in huis en zeker +hield ze heel veel van dat dier, en 't was ook waar, dat die even goed +koffie dronk als zij zelf, maar ze kon er toch niet toe komen een +koffiefeest voor een kat te geven.</p> + +<p>Terwijl ze over dit alles liep te peinzen, las ze meer dan eens haar +almanak weer door, omdat ze meende, dat ze daar een goeden raad in haar +bekommeringen moest kunnen vinden. Ze begon van voren af aan, met het +koninklijke huis en de verklaring der teekens en ze las zelfs de markten +en postzendingen van 't jaar 1912. Keer op keer las zij het boek door, +zonder iets te vinden; maar <span class="pagenum" title="24"> </span><a id="p_24"></a>dan begon ze weer op nieuw, alsof ze wist +dat van daar de hulp moest komen.</p> + +<p>Toen ze voor de zevende maal het boek doorlas las ze dat dit jaar, het +1912<sup>de</sup> na de geboorte van Christus, een zonsverduistering zou komen +op den 17<sup>den</sup> April. Die zou beginnen 20 minuten over twaalf en +eindigen om twee uur 49 minuten en <span class="fraction"><span class="above">9</span>/<span class="below">10</span></span> van den zonnediameter +verduisteren.</p> + +<p>Dat had ze al meermalen gelezen zonder er bij stil te staan, maar nu in +eens werd het helder licht in haar binnenste. „Nu weet ik wat ik doen +zal,” zei ze.</p> + +<p>Maar 't was maar een enkel oogenblik, dat zij zich zoo zeker voelde. Zij +wees die gedachte af. Ze was bang, dat de anderen haar uit zouden +lachen.</p> + +<p>Maar de volgende dagen moest ze telkens weer denken aan wat haar in de +gedachten gekomen was, toen zij in den almanak las, en eindelijk begon +te overleggen of zij 't niet wagen zou.</p> + +<p>Want als zij nadacht.... Wat had ze in deze wereld voor een vriend, waar +ze meer van hield dan van de zon. Zooals haar hut lag, kon ze den heelen +winter geen zon in de kamer krijgen, maar ze liep de dagen te tellen, +die moesten voorbijgaan voor de zon in 't voorjaar weer bij haar terug +zou komen. De zon was de eenige, waar ze <span class="pagenum" title="25"> </span><a id="p_25"></a>naar verlangde, de eenige, die +altijd zacht en lief voor haar was, van wie ze nooit genoeg kon krijgen. +Ze voelde zich oud, en ze was oud. Haar handen beefden, alsof ze het +altijd door koud had, en als ze in den spiegel keek, vond ze, dat ze er +zoo wit en kleurloos uitzag, alsof ze op de bleek had gelegen<ins class="corr" id="corr3" title="Niet in Bron.">.</ins> 't Was +alleen, als ze in den sterken warmen, aan alle kanten haar omringenden +zonneschijn stond, dat ze zich als een levend wezen voelde en niet als +een rondwandelend lijk.</p> + +<p>Hoe meer ze er over dacht, hoe zekerder ze zich voelde, dat er geen dag +in 't jaar was dien ze liever zou willen vieren, dan dien dag, dat haar +vriend, de zon, met de duisternis zou strijden en na een heerlijke +overwinning te voorschijn zou komen in nieuwe pracht en kracht.</p> + +<p>'t Was nog maar kort vr den 17<sup>den</sup> April; maar er was nog tijd +genoeg om een koffiefeest aan te richten en toen de dag van de +zonsverduistering kwam, zaten ze allemaal: <ins class="corr" id="corr4" title="Bron: Stine">Stina</ins> en +<ins class="corr" id="corr5" title="Bron: Line">Lina</ins>, en Kaisa +en Maja, en alle anderen bij Beda in Finnmrkret koffie te drinken. Ze +dronken 't eene kopje na 't andere, en praatten over allerlei, onder +andere ook over 't feit, dat ze niet wisten, waarom Beda dit feest had +aangericht. Intusschen ging de zonsverduistering rustig voort; maar daar +dachten <span class="pagenum" title="26"> </span><a id="p_26"></a>ze niet bizonder over na. Alleen toen die op 't ergst was, toen +de hemel zwartgrauw werd en alles in de natuur er loodblauw uitzag en +er een huilende wind kwam aanzetten, die klonk als de bazuinen van +'t laatste oordeel en 't gejammer van den laatsten dag,—toen alleen +voelden ze zich wat griezelig, maar ze namen een extra kopje koffie en +toen ging het weer over.</p> + +<p>Toen alles voorbij was, toen de zon haar strijd gestreden had en aan den +hemel stond zoo glanzend helder, dat de vrouwen vonden, dat ze nooit +zoo'n kracht en gloed had gehad in 't heele jaar—toen zagen ze de oude +Beda naar 't venster gaan, en daar stilstaan met gevouwen handen. Ze zag +neer op de zonnige berghellingen en toen begon ze te zingen:</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Weer straalt het heldre zonnelicht!<br /></div> + <div class="i1">Wij danken U o Heer,<br /></div> + <div class="i0">Met kracht en moed en nieuwe hoop.<br /></div> + <div class="i1">Zie zeegnend op ons neer!<br /></div> +</div> +</div> + +<p>Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar +terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar +leven kleur en kracht wilden geven.</p> + +<p>Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan <span class="pagenum" title="27"> </span><a id="p_27"></a>en zei—half +verontschuldigend: „Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en +daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik +vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't +donker weer te voorschijn kwam.”</p> + +<p>Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en +begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed +voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was +hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te +leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.</p> + +<p>Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en +vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht +hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende +van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een +geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te +berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart +<span class="pagenum" title="28"> </span><a id="p_28"></a>en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit +de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De +couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde, +hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de +verduistering op 't hoogste was gekomen.</p> + +<p>Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was—ik heb niet +gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmrkret een feest gaf om +de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te +voorschijn kwam.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="29"> </span><a id="p_29"></a></p> + +<h3><a id="LANDVERHUIZING"></a>IETS OVER LANDVERHUIZING.</h3> + +<p>Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Hgbro, en de +eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de +lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.</p> + +<p>Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en +alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en +de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was +benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de +vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar +ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van +gedachten over een en ander te wisselen.</p> + +<p>En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op +de quaestie van landverhuizing.</p> + +<p>En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam, +zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="30"> </span><a id="p_30"></a></p> + +<p>En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld menamen +dan iemand wist.</p> + +<p>En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente +den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat +groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden +uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.</p> + +<p>En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat +ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de +jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet +anders gaan.</p> + +<p>En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen, +wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand +ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.</p> + +<p>En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn +meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet +megesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak +zou zeggen.</p> + +<p>Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had, +die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog +zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er <span class="pagenum" title="31"> </span><a id="p_31"></a>toch nooit zeker van, dat +hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op +eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost +zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de +kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor +en de inspecteur van de nieuwe lijn.</p> + +<p>Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen +werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren +immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen +tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven. +Want dat de landverhuizing het land schaadde—dat was toch zeker niet +tegen te spreken!</p> + +<p>En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen +voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu +een ander land ten goede zou komen.</p> + +<p>En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel, +wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende, +hoorde je nooit wat.</p> + +<p>En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen, +als ze maar zoo verstandig waren niet die photographien naar huis te +sturen, <span class="pagenum" title="32"> </span><a id="p_32"></a>waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren +juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook +naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.</p> + +<p>En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was, +dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan +hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en +onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.</p> + +<p>Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er +een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen +glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op, +want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij +kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen +wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de +anderen over deze zaak.</p> + +<p>En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten +stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar +verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een +paar honderd.</p> + +<p>En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de <span class="pagenum" title="33"> </span><a id="p_33"></a>menschen niet begrepen, dat +het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar +Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen +wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.</p> + +<p>'t Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun +vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je nog +jong was, maar als je oud <ins class="corr" id="corr6" title="Bron: werdt">werd</ins>, kwam toch 't verlangen +naar 't oude land.</p> + +<p>Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den +presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.</p> + +<p>Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel +zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren +vertrokken.</p> + +<p>Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er +wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.</p> + +<p>Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen, +die om hem heen zaten, strak aan.</p> + +<p>„Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,” +zei hij. „Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze +terugkwamen?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="34"> </span><a id="p_34"></a></p> + +<p>En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen +over de borst.</p> + +<p>Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Hgbro +dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon +gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had, +die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou +hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem +had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken. +En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel +werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen +woord.</p> + +<p>De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de +Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele +gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan +ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en +daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes +onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele +gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er +niet toe den proost <span class="pagenum" title="35"> </span><a id="p_35"></a>te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar +te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.</p> + +<p>Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het +sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde +hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn +station aankwamen, op het perron zou staan en „Hoera!” roepen. Maar toen +dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij +eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele +jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was—hij zou haar toch niet graag +ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder +een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te +antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard +te zadelen.</p> + +<p>Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en +luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat +hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste +zou kunnen bezorgen—dat zou heelemaal niet moeilijk zijn—kwam hem in +de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen, +er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en <span class="pagenum" title="36"> </span><a id="p_36"></a>zoo +diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle +huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar +de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.</p> + +<p>En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend +in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond +op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een +paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn +dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat +de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had +gebracht.</p> + +<p>De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed +oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer. +En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die +zendingen ophielden.</p> + +<p>De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een +schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens +gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist +niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond <span class="pagenum" title="37"> </span><a id="p_37"></a>ook +op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van +'t toeristbureau, die daar hingen.</p> + +<p>Nu zat er nog maar n van de kooplieden aan de tafel; maar hij had +aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon +overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht, +terug zou komen. Want die was z knap in zaken, en had een z +innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel +in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd +gekregen had naar Amerika te gaan.</p> + +<p>De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij +merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de +tafel zat, wendde hij zich tot hem:</p> + +<p>„Ja, wat zegt u er van, Sderberg?”</p> + +<p>„Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.”</p> + +<p>„Ja, dat zou ik ook meenen,” zei de proost. „Ik wist wel, dat allen tot +die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te +denken.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="38"> </span><a id="p_38"></a></p> + +<h3><a id="KALLE_FRYKSTEDT"></a>KALLE FRYKSTEDT.</h3> + +<p>Mijn oude tante, Nanna Lagerlf, die met Tullius Hammargren, den proost +in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gsta Berlingsaga niet.</p> + +<p>„Zoo was het leven in dien tijd niet,” zei ze tegen mij, kort nadat het +boek verschenen was. „Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist +geteekend.”</p> + +<p>Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en +hun land zou brengen.</p> + +<p>Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had, +dat van dien kant te hooren.</p> + +<p>De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van +'t vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen +enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen +kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.</p> + +<p>Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over +te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen. +<span class="pagenum" title="39"> </span><a id="p_39"></a>Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor +Gsta Berling genomen had.</p> + +<p>Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was, +waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde +opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het +ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.</p> + +<p>De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.</p> + +<p>„Jawel, Kalle Frykstedt,” zei ze. „Ik dacht wel, dat je aan hem had +gedacht.”</p> + +<p>Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan +vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.</p> + +<p>Haar ouderlijk huis op Mrbacka lag juist een mijl van de pastorie van +Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.</p> + +<p>Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder +dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest, +nadat ze getrouwd was.</p> + +<p>„Was hij toen al door den drank gesloopt?” vroeg ik.</p> + +<p>„Kalle Frykstedt!” riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag +mij z verbaasd <span class="pagenum" title="40"> </span><a id="p_40"></a>aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.</p> + +<p>Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar +eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd +als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette, +haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij +hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige +menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en +dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof +ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid +kwamen.</p> + +<p>Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten. +Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: „Wacht eens, nu zul je +hooren hoe Kalle Frykstedt was,” zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu +zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.</p> + +<p>„'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,” begon ze. En nu wist +ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker +verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar +op de jongensschool in Aml was aangesteld en zij zoo verbazend weinig +hadden <span class="pagenum" title="41"> </span><a id="p_41"></a>om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist, +die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die +pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat +ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.</p> + +<p>Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten +had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in +Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters +ook predikanten moesten zijn.</p> + +<p>„Moest hij dan naar Upsala terug?” vroeg ik.</p> + +<p>„Neen, alleen maar naar Karlstad,” antwoordde mijn tante. „Toen kon je +dat examen in Karlstad doen.”</p> + +<p>Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Aml en +verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't +predikantsexamen duurde.</p> + +<p>En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.</p> + +<p>„Neen, hoe durfde hij dat te wagen?” zei ik.</p> + +<p>„Ja, het moest wel,” antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog +te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming +begonnen.</p> + +<p>„Maar ik zou nu niet van ons vertellen,” ging <span class="pagenum" title="42"> </span><a id="p_42"></a>ze voort, „maar van +Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde +in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als +huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem +overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn +brood te kunnen verdienen.<ins class="corr" id="corr7" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als +alle andere menschen,” zei ik.</p> + +<p>„Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.”</p> + +<p>„O!” riep ik, hl verbaasd. „En ik dacht...”</p> + +<p>„Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,” zei mijn tante. „Maar hij +was z knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen, +toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken—dat deed hij. Hammargren +en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor +een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den +heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op +zijn beenen kunnen staan.<ins class="corr" id="corr8" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van +Gsta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in +die richting te zeggen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="43"> </span><a id="p_43"></a></p> + +<p>„Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?” vroeg ik.</p> + +<p>„Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten +graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,” voegde +zij er bij.</p> + +<p>Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet +voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen +erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten +van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat +Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te +verzorgen krijgen.</p> + +<p>Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door +zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te +geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den +kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het +feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou +drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen +gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.</p> + +<p>'t Was niet met een gevoel van blijdschap, dat <span class="pagenum" title="44"> </span><a id="p_44"></a>zij de voorbereidselen +maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd +met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de +keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar +eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten +was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het +grootste gedeelte van Mrbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en +zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van +vrienden en bekenden moest leenen.</p> + +<p>Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten +vragen.</p> + +<p>'t Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de +examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk +genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.</p> + +<p>Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag +als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest +ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar +verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.</p> + +<p>Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die <span class="pagenum" title="45"> </span><a id="p_45"></a>eer kwam haar niet toe, +maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die +diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets +plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem +gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie, +levendige geestdrift vervuld.</p> + +<p>Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk genspireerd kon +zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone +toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien +middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden. +Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar +nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de +hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij +zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel +'t genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.</p> + +<p>Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop +Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en +begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze +verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken +welsprekende en <span class="pagenum" title="46"> </span><a id="p_46"></a>diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.</p> + +<p>Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks +aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet +veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan +tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij +den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest, +dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den +bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok +zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed +te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer +en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.</p> + +<p>Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij +ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel +geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij, +viel om en trok het tafellaken me met al het glaswerk.</p> + +<p>Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den +tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te +verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen <span class="pagenum" title="47"> </span><a id="p_47"></a>ze hoorde, dat er een +massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en +verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken +goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen +geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen +mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle +uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden, +aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de +ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet +beter had verzorgd.</p> + +<p>Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante +droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en +kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje +praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante +onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid +te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te +verontschuldigen.</p> + +<p>„Ik weet 't niet recht meer...” zei hij en streek met de hand over het +voorhoofd. „Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet +onbehoorlijk gedragen?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="48"> </span><a id="p_48"></a></p> + +<p>„Neen,” zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag +met haar bekoorlijken glimlach. „U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk +gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed—dat is +veel te weinig—die ons allen in verrukking bracht.”</p> + +<p>Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel +gerustgesteld. „Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...”</p> + +<p>„U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,” zei mijn tante op +stelligen toon.</p> + +<p>Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar +stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem +leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich +verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.</p> + +<p>„O! wat ben ik blij!” had de arme stakker uitgeroepen. „Wat ben ik +blij!”</p> + +<p>Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote +aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol +geest geworden als den vorigen dag.</p> + +<p>Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen +bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er +lag <span class="pagenum" title="49"> </span><a id="p_49"></a>pozie over haar heele wezen, de pozie van de menschen uit den +ouden tijd.</p> + +<p>Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les +kende, jubelde er in mij iets hoog op.</p> + +<p>„Mannen en vrouwen uit het verleden,” dacht ik, „al ontkent ge het +zelf,—toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="50"> </span><a id="p_50"></a></p> + +<h3><a id="LEGENDE"></a>DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.</h3> + +<p>Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke, +gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een +burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve—aan +de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land +stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden +opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een +kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van +knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te +betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar +voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen, +bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet +anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den +inham te gaan.</p> + +<p>Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van +de reizigers te heffen, <span class="pagenum" title="51"> </span><a id="p_51"></a>wekte veel verontwaardiging, en 't is +waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar +reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als +zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van +Brtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.</p> + +<p>Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens, +die z rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die +door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door +den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een +goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar +schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk, +dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.</p> + +<p>Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er +iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel +onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met +acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden +genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog +niet oud was. Wanneer nu <span class="pagenum" title="52"> </span><a id="p_52"></a>die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed +gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar +nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Brtsholm te wezen, +dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren +had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den +burcht alles regelen en besturen.</p> + +<p>Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij +was, reed zij op een dag naar Brtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn +eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan +zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken +bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan +zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen +te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn +jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat +er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in n woord, +waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht +beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood +te gemoet ging.</p> + +<p>Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men <span class="pagenum" title="53"> </span><a id="p_53"></a>zijn schoonmoeder is +verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit +alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn +huishoudster op Brtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die +oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar +boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.</p> + +<p>„Lieve Eskil,” ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was +van de uitwerking van wat zij zei. „Ik weet, dat er nu gelegenheid is +voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk +genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan +een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de +jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.”</p> + +<p>Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een +jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging +voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met +de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die +dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu +toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was +daar niet alleen <span class="pagenum" title="54"> </span><a id="p_54"></a>geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar +had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding +geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.</p> + +<p>„Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,” zeide Vrouw Rangela, +„dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van +ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal +niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op rehus, +als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.”</p> + +<p>Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen +aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw +Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een +paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela +volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in +verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden +toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het +voorjaar haar intocht deed op Brtsholm, eenige maanden nadat zij haar +twintigsten verjaardag had gevierd.</p> + +<p>Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest, +omdat ze haar tot <span class="pagenum" title="55"> </span><a id="p_55"></a>huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had +gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar +de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog +wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot +over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.</p> + +<p>Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar +maanden op Brtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die +op weg waren naar de heilige Drieenheidsbron bij Stra in Westmannaland +verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren +uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen, +die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het +gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten +geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge +bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk +soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze +wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.</p> + +<p>Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er +onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen +op hun <span class="pagenum" title="56"> </span><a id="p_56"></a>zieke ledematen en vroegen hoe iemand z hard kon wezen, hun +tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knien en +probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl +de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken +uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij +werkelijk leeg waren.</p> + +<p>Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der +armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Brtsholm +kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar +toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit: +„Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan +land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien +tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.”</p> + +<p>De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te +spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met +blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het +niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het +tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein +kind was, had zij al de heilige <span class="pagenum" title="57"> </span><a id="p_57"></a>Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en +vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar +hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met +licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er +was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna +bang was haar aan te raken.</p> + +<p>Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en +toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij +ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol +geweest waren, ze haar boot z zouden hebben overbelast, dat die +gezonken zou zijn vr ze weer aan wal was gekomen.</p> + +<p>Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van +dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun +van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze +haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig +moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vr ze nog +meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar +vroegere duisternis te doen terugkeeren.</p> + +<p>Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos +opzet te verbergen, en <span class="pagenum" title="58"> </span><a id="p_58"></a>zij bezocht haar dikwijls op Brtsholm. Daar +deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten +en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden. +Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan +gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis +goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de +bedienden n de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een +machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte +en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed +bezorgde.</p> + +<p>Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken, +maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met +Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het +hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een +paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters +en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de +vrouwelijke bewoners van Brtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek +kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon +krijgen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="59"> </span><a id="p_59"></a></p> + +<p>Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Brtsholm was en in zijn +kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk +een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar +buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.</p> + +<p>Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort +van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.</p> + +<p>„'t Is om je arme kinderen, Eskil,” riep ze, „ze zijn in levensgevaar +op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg +naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit +mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te +waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat +'t leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te +laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!”</p> + +<p>Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen +waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis. +Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met +alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Brtsholm +leidde.</p> + +<p>De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen <span class="pagenum" title="60"> </span><a id="p_60"></a>meegeweest, maar +was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof +ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar +beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan +om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en +riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen +toe <ins class="corr" id="corr9" title="Bron: ge-geroeid">geroeid</ins>, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik +in haar boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.</p> + +<p>Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen, +was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar +gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal niet +zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat +wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een +stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich +met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna +den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Brtsholm lag.</p> + +<p>Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze +in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela +bezochten, <span class="pagenum" title="61"> </span><a id="p_61"></a>was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze +hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle +kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken +zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.</p> + +<p>'t Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van +dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op +den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart +gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze +zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij +bleef onbeweeglijk en machteloos.</p> + +<p>Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van +veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar +zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de +handen klappend.</p> + +<p>Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf +naar Brtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en +kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam +stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat +zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar <span class="pagenum" title="62"> </span><a id="p_62"></a>in zijn armen +te nemen en naar zijn burcht te dragen.</p> + +<p>Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en +hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl +misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij +sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar +gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van +zijn kinderen te kijken.</p> + +<p>Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet +haastig Brtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen. +Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van +haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in +ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en +kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge +positie te berooven.</p> + +<p>Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want +het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan +de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op +haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde +het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar <span class="pagenum" title="63"> </span><a id="p_63"></a>nichtje iets deed, +wat Heer Eskil wel moest afkeuren.</p> + +<p>Dit jaar was de oogst op Brtsholm z overvloedig geweest, dat hij dien +van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de +jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De +bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De +koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras +en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen. +Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij +beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de +hoeve neerdaalde.</p> + +<p>Maar terwijl men nu op Brtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die +goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte +menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken +of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder +veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar +zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was +rondgetrokken—brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren +zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in <span class="pagenum" title="64"> </span><a id="p_64"></a>brand +staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven +hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en +zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen +verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de +verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over +wat ze hadden verloren.</p> + +<p>Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle +levensmiddelen, die zich op Brtsholm opstapelden, haar een pijniging. +Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den +overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer +over de lippen kon krijgen.</p> + +<p>Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren +voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote +lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vr alles +dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse, +die z ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen +jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar +oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had +om hem te genezen van <span class="pagenum" title="65"> </span><a id="p_65"></a>zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was +en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en +gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat +ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging +te doen om te helpen.</p> + +<p>Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht +van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een +reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten +vr Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man +komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij +Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig +feest.</p> + +<p>Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien +herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst, +die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen +alle levensmiddelen, die op Brtsholm waren opgehoopt, naar het strand +te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen +geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.</p> + +<p>Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich, +door haar kinderen en <span class="pagenum" title="66"> </span><a id="p_66"></a>dienstboden gevolgd, aan boord van een goed +bemand schip, en terwijl ze op Brtsholm alleen een paar oude wachters +achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar +bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag, +onbegrensd aan alle zijden als een zee.</p> + +<p>Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en +berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't +Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst +bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer +teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of +beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen +haan had gekraaid, geen koe had geloeid.</p> + +<p>Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven, +die Heer Kolbjrn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn +gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en +huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die +in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden +verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs +of rust te gunnen. Daardoor was hij z verzwakt, dat hij den dood +<span class="pagenum" title="67"> </span><a id="p_67"></a>nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware +wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam +aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog +verzwaarde, die arme Heer Kolbjrn, die geen kracht meer had de mis te +lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods +zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste +klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar +land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan +land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit +liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij +dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen: +gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken, +kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam +de hulp als door een wonder.</p> + +<p>Niet ver van de kerk van Heer Kolbjrn op een landtong, die spits +in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude +boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de +eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve z lief, dat hij er niet toe +komen <span class="pagenum" title="68"> </span><a id="p_68"></a>kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een +kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd, +maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de +puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen +te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag +en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met +inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te +jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het +niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den +heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd +ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw +Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog +verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige +heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. +Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zveel eerbied gehad, +dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden +haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen +behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze n voor n +geslacht, <span class="pagenum" title="69"> </span><a id="p_69"></a>tot er maar n overbleef. Maar die duif was heel tam, en de +vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden +verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif +wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen +daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het +strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de +duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze +kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig +hadden om den winter door te komen.</p> + +<p>Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een +kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen +de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog +overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting +gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw +verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun +kind geboren. Maar daarna was de moeder z ziek geworden, dat ze niet +vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote +ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te <span class="pagenum" title="70"> </span><a id="p_70"></a>denken +en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen +probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind +in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren, +wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid, +toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze +beiden weer aan land, maar 't kind was z geschrikt, dat het den heelen +nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep +de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.</p> + +<p>Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't +Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te +voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer +te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het +voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog +zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't +minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog, +toen zij naar Brtsholm terugkeerde, den dag vr St. Luciadag, vrij +laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond +dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten <span class="pagenum" title="71"> </span><a id="p_71"></a>over den +heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over +eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.</p> + +<p>„Maar nu krijgen we een drukken tijd,” ging ze voort, „morgen kunnen +we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals +andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en +slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil +terugkomt.”</p> + +<p>Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers, +dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op +dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.</p> + +<p>Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers +uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks +had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken +paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De +burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de +plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was +thuis gekomen met al zijn ruiters.</p> + +<p>Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze +eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het +<span class="pagenum" title="72"> </span><a id="p_72"></a>balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet +verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al +op weg naar haar kamer.</p> + +<p>Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel +meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een +uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog, +dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en +dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met +bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze +wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen +gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op +Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden +angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.</p> + +<p>„Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?” vroeg +hij hoonend. „Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik +en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten +gehad. Maar morgen,” voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn +toorn hem z, dat hij met de hand op de trapleuning <span class="pagenum" title="73"> </span><a id="p_73"></a>sloeg, „verwachten +wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een +maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet +vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten +brengen.”</p> + +<p>Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen +zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande, +bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen. +Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was, +die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door +hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.</p> + +<p>Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in +'t minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich +over haar heen en zei met een vreeselijke stem: „Bij het kruis van onzen +Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wl, dat als deze maaltijd mij niet +voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!”</p> + +<p>Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof +haar voor zich uit de slaapkamer in.</p> + +<p>Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw <span class="pagenum" title="74"> </span><a id="p_74"></a>Lucia, alsof iets wat tot +nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar +plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig +had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn, +omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij +probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en +hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar +niet aan het woord komen.</p> + +<p>„Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,” zei hij, „en pas op dat je niet vr den +gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet +voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je +krachten voor noodig hebt.”</p> + +<p>Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog +deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen +oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe +meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij +daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij +zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf +gezien had, dat zij z verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela <span class="pagenum" title="75"> </span><a id="p_75"></a>had +beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij +verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf +haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden, +langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit +zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou +veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone +dievegge.</p> + +<p>Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,—en dat was werkelijk het +geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede +gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende +te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest +gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik +verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.</p> + +<p>„Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig +man een maal voor te zetten?” dacht ze in haar wanhoop. „Ik kan even +goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.”</p> + +<p>'t Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was +onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse. +„O <span class="pagenum" title="76"> </span><a id="p_76"></a>Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,” bad zij, „het is +morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden +zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het +is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van +hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit +mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te +ontkomen.”</p> + +<p>Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van +den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vr zij het +verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor +het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden +stonden met geraas op in den stal.</p> + +<p>„Nu wordt ook Heer Eskil wakker,” dacht zij. „Hij zal me dadelijk +bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik z +onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te +verkwikken.”</p> + +<p>Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon +haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar +beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar +lust tot helpen niet langer <span class="pagenum" title="77"> </span><a id="p_77"></a>bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat +honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had +gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid +en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit +sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger +had geleden en liefde gegeven.</p> + +<p>En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den +poorttoren van Brtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het +zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het +volgen kon, kwam recht op Brtsholm af, vloog voorbij den wachter, z +dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van +vuur,—dat meende de wachter ten minste,—bevond zich een jong meisje, +z, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de +hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.</p> + +<p>Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven +slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de +slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad +tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een +gewaad, zoo <span class="pagenum" title="78"> </span><a id="p_78"></a>wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen +gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone +bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele +kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de +lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan +iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid +uitstraalden.</p> + +<p>In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een +zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de +kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal +en bood hem die aan.</p> + +<p>Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op +zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als +hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem +geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten +droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele +Malvasier, de eer van Sicili en de vorst van alle wijnsoorten, was +zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd, +voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde +de schoone heilige maagd de kamer uit, <span class="pagenum" title="79"> </span><a id="p_79"></a>en liet Vrouw Lucia achter in +toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.</p> + +<p>De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te +onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al +de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende +krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het +zuiden.</p> + +<p>Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid +genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van +streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.</p> + +<p>Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen, +of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden +gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar +bedienden aan 't werk.</p> + +<p>Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils +welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen +moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden +onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd, +rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.</p> + +<p>De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare <span class="pagenum" title="80"> </span><a id="p_80"></a>waskaarsen uit diepe +kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden +gelegd.</p> + +<p>En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen. +Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon, +dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij +zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de +ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen +was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met +groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over +zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en +onteerende straf op te leggen.</p> + +<p>„Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,” +dacht hij. „Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij +mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar +naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.”</p> + +<p>Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar +de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en +wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen <span class="pagenum" title="81"> </span><a id="p_81"></a>tasten. Want de tafel +voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.</p> + +<p>Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in; +maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een +maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo +gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich +voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.</p> + +<p>Maar toen zag zij op de tafel vr zich de groote koperen kan, die de +heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met +geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming +van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl +ze hem vertelde hoe die naar Brtsholm was gekomen, waar hij met de +grootste verbazing naar luisterde.</p> + +<p>Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal +toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend, +vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat +Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke, +Heer Kolbjrn, vertelde, barstte hij uit: „Heer <span class="pagenum" title="82"> </span><a id="p_82"></a>Kolbjrn is een van +mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon +helpen.”</p> + +<p>En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer +Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van +zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem +gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia +haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid +haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij +zoovelen van zijn vrienden had geholpen.</p> + +<p>Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over +haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:</p> + +<p>„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb +gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te +geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef +het mij daarom.”</p> + +<p>Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw +z vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer +had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe +hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar <span class="pagenum" title="83"> </span><a id="p_83"></a>had +gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn +hart z vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon +uitbrengen.</p> + +<p>Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag +zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn +weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta +Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar +in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde, +die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die +zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche +aanmoediging.</p> + +<p>„Nog wilde ik U n ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze, +„en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in +verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde +kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen +dringen tusschen U en mij.”</p> + +<p>Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in +hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde, +die hij voelde, overwon zijn schaamte.</p> + +<p><span class="pagenum" title="84"> </span><a id="p_84"></a></p> + +<p>Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een +van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen. +Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen +naar Brtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen. +Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang +haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht +ontmoetten, door n enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst +op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard +gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw +Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat +Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.</p> + +<p>Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het +schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw +antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela +afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken +mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig +werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende +loon heeft gekregen.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="85"> </span><a id="p_85"></a></p> + +<p>Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was +zijn stem z zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in +zijn borst woonden.</p> + +<p>„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef, +evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat +het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in +mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst +treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede, +de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle +kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden, +dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der +ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid +heet.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis +regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de +heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche +rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de +oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. <span class="pagenum" title="86"> </span><a id="p_86"></a>Ze had in +'t haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de +slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.</p> + +<p>Nooit zag ik in dien tijd iets z heerlijks, als wanneer de deur +openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel +willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te +vertoonen.</p> + +<p>Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende, +die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren +landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="87"> </span><a id="p_87"></a></p> + +<h3><a id="KANONNIER"></a>DE KANONNIER.</h3> + +<p>De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt +opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze +moet meedeelen, roept naar binnen:</p> + +<p>„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is +doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat +verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet +blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is +zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd +heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt +daarheen terug te gaan.</p> + +<p>De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil +te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich +zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze +heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade +zal worden gehouden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="88"> </span><a id="p_88"></a></p> + +<p>Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar +alle toebereidselen laten zien.</p> + +<p>„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den +president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast +zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier +vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige +menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een +billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar +ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken +hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd.</p> + +<p>„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd.</p> + +<p>„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet? +'t Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten +worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet +beginnen.”</p> + +<p>„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak +voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar +niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.”</p> + +<p>„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen <span class="pagenum" title="89"> </span><a id="p_89"></a>krijgsman, die Carnot, maar +een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen +verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de +toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten +alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind +het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een +groote massa menschen staat.”</p> + +<p>Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen +zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was. +Ze had dus thuis moeten blijven.</p> + +<p>En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo +trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn? +Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is +immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze +voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar +over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te +loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching. +Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als +hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.</p> + +<p><span class="pagenum" title="90"> </span><a id="p_90"></a></p> + +<p>„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere +proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben +nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de +kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik +heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.”</p> + +<p>„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord.</p> + +<p>„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit +zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester. +Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de +proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar +dreigt.”</p> + +<p>Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam +te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich +bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet +voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.</p> + +<p>'t Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet +de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die +schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen +ellendige grappenmaker, die haar <span class="pagenum" title="91"> </span><a id="p_91"></a>aan 't schrikken wou maken en hierheen +lokken.</p> + +<p>Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze +weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.</p> + +<p>Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't +Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats +staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of +verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.</p> + +<p>Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de +politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.</p> + +<p>„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje +midden op het veld.</p> + +<p>Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen +ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille, +zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen +heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op +en gaat haar tegemoet.</p> + +<p>„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst +vertellen wat er gebeurd is.”</p> + +<p>Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door +te kunnen loopen.</p> + +<p>„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den <span class="pagenum" title="92"> </span><a id="p_92"></a>arm. „U moet hem nog +niet zien. U moet eerst weten...”</p> + +<p>„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft +gegooid.”</p> + +<p>„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.”</p> + +<p>Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze +begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog. +Misschien is hij alleen maar gewond.</p> + +<p>„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man +dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het +kanon is gebouwd?”</p> + +<p>„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me +zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde +zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't +geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.”</p> + +<p>„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij +had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen +verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de +armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon, +<span class="pagenum" title="93"> </span><a id="p_93"></a>alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen, +dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af +en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.”</p> + +<p>Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier +houdt haar terug.</p> + +<p>„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen +snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was +doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier +getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?”</p> + +<p>„Ja,” antwoordde zij.</p> + +<p>„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en +had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in +het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht, +voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen +heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij +geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune +vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even +veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk +medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren <span class="pagenum" title="94"> </span><a id="p_94"></a>om de lading in zijn +eigen lichaam te ontvangen.”</p> + +<p>„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen.</p> + +<p>Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.</p> + +<p>„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien. +Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in +de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te +verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om +al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij +allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te +handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het +om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel +in zich omdragen.”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="95"> </span><a id="p_95"></a></p> + +<h3><a id="OLIVE"></a>DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: OLIVA">OLIVE</ins>.</h3> + +<p>Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren +menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren +Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook +onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke +groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar +Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de +ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine +belgische schilderes en een italiaansche diacones.</p> + +<p>Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over +Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een +geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste +wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel +hem snel in de rede.</p> + +<p>„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt <span class="pagenum" title="96"> </span><a id="p_96"></a>ons nog niet gezegd wat het +voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.”</p> + +<p>„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt +U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?”</p> + +<p>„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping +hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan +boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het +oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons +afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische +rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een +luchttorpedo uitvinden.”</p> + +<p>„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn +reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een +innerlijke roeping volgen.”</p> + +<p>„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U +is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U +laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons +er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.”</p> + +<p>„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, <span class="pagenum" title="97"> </span><a id="p_97"></a>„daar kunt u gelijk aan +hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen +vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.”</p> + +<p>Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de +bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en +wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde. +Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?”</p> + +<p>„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de +diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn. +Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van +den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De +meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen +wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.”</p> + +<p>„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de +Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...”</p> + +<p>Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman +in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen. +Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, <span class="pagenum" title="98"> </span><a id="p_98"></a>die hun aanleg willen +volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe, +dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en +die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.”</p> + +<p>„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn. +Roeping kan niet falen.”</p> + +<p>„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er +iets wat meer bedriegelijk is?”</p> + +<p>„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij, +Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames.</p> + +<p>„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U +weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.”</p> + +<p>Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een +vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken +over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de +wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet +overeen stemden.</p> + +<p>„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat +zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij +verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping <span class="pagenum" title="99"> </span><a id="p_99"></a>was en dat hij +helaas! die niet heeft kunnen volgen.”</p> + +<p>De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder +uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een +veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.</p> + +<p>„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij.</p> + +<p>„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw +landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de +diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij +was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde +opgenomen, lang vr mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster +Olive was een Fransche, maar ze leek z weinig op alle Franschen, +die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een +Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, f een mooie en +gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen, +f klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive +daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en +vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd +ik verwonderd <span class="pagenum" title="100"> </span><a id="p_100"></a>over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een +grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive +Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen +paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa +had omgegaan.</p> + +<p>Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vr ze diacones was, en +bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen +kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een +grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene +maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen, +maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon +wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek +had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel +geld en ze trad op in het Theatre Franais.</p> + +<p>Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te +gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster +Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over +zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk +of <span class="pagenum" title="101"> </span><a id="p_101"></a>betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive +zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag, +dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich +had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was +waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die +eenvoudige typen z trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en +met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het +Theatre Franais te krijgen.</p> + +<p>Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was +indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar +positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij +nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar +eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen +intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke +kameraad, waar allen van hielden.</p> + +<p>Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had +gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had +begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar +'t ongeluk was, dat <span class="pagenum" title="102"> </span><a id="p_102"></a>Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als +waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele +leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.</p> + +<p>'t Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat +haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang +in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer +bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te +houden en in de lucht te blijven zweven.</p> + +<p>Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een +boerendochter uit Normandi. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd +onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze +nooit een stad of een theater gezien.</p> + +<p>Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt +in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en +dochter mee naar het theater nam.</p> + +<p>Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was +Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo.</p> + +<p>Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een +andere wereld en leefde <span class="pagenum" title="103"> </span><a id="p_103"></a>met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam +haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze +trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al +beleefd had.</p> + +<p>Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive +Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een +boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze +zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone +Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani, +en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk, +voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen +werd.</p> + +<p>Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar n +gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje +gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna +Sol spelen.</p> + +<p>'t Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te +maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar +vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen +man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, <span class="pagenum" title="104"> </span><a id="p_104"></a>dat +zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt, +zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.</p> + +<p>Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken, +kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het +tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was +geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over +den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te +houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone +opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat +ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor +die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur.</p> + +<p>Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt +had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als +de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove +stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.</p> + +<p>Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos +werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde, +had ze nooit geschreid.</p> + +<p><span class="pagenum" title="105"> </span><a id="p_105"></a></p> + +<p>Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze +nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht +vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als +molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als +schoenmakersjongen begonnen.</p> + +<p>Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon. +Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk +gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar +gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude, +geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.</p> + +<p>Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor +haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat +vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.</p> + +<p>En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't +verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd +optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in +verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met +vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.</p> + +<p>Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing +bij een ander tooneel. 't Viel <span class="pagenum" title="106"> </span><a id="p_106"></a>haar niet moeilijk die te krijgen. De +directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen +contract vr de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te +laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar +ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was +verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire +te zetten.</p> + +<p>De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor +haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar +de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en +ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of +inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze +zveel naam, dat de directeur van het Theatre franais kwam om haar +spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar +intrede deed in het huis van Molire.</p> + +<p>Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de +voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste +tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die +eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden +gebracht.</p> + +<p><span class="pagenum" title="107"> </span><a id="p_107"></a></p> + +<p>Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle +groote actrices, die deze rol op het Theatre franais hadden gespeeld, +dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de +tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.</p> + +<p>„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt +spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je +hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet +van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet +tot in het Theater franais hoeven opwerken.”</p> + +<p>Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en +hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich +drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.</p> + +<p>Toen ze volle tien jaar aan het Theater franais was aangesteld, kwam ze +op een dag weer op haar klachten terug:</p> + +<p>„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij +Donna Sol geven, Mijnheer.”</p> + +<p>Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het +Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.</p> + +<p><span class="pagenum" title="108"> </span><a id="p_108"></a></p> + +<p>„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk +wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.”</p> + +<p>De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk +vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't +Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar +taak was.</p> + +<p>„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als +het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.”</p> + +<p>En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde, +vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.</p> + +<p>„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag +de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw +leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden +wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere +manier haar handen moest leeren bewegen.</p> + +<p>„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op +die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor +een mensch.”</p> + +<p>Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van <span class="pagenum" title="109"> </span><a id="p_109"></a>de oude verrukking over +haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk +op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit +deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er +toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't +beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster +Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door +den directeur en de andere artisten.</p> + +<p>„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk. +„Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het +werkelijk?”</p> + +<p>„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik +moet!”</p> + +<p>Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de +eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche +Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.</p> + +<p>Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te +verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken +en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar +levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde +nauwgezetheid en blankette <span class="pagenum" title="110"> </span><a id="p_110"></a>zich als proef nu eens met rood dan weer met +olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als +adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig +uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen +zij de Spaansche schoone moest voorstellen.</p> + +<p>„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af +heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die +rol te spelen.”</p> + +<p>'t Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar +dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater +vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen +door die levenslange liefde.</p> + +<p>„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te +oud. Dat wordt akelig.”</p> + +<p>Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van +haar leven scheen te wezen.</p> + +<p>Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek. +Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te +spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen +was de belangstelling <span class="pagenum" title="111"> </span><a id="p_111"></a>weg. Men luisterde en keek niet meer; men +probeerde haar te vergeten.</p> + +<p>Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling +doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren +heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig +verkeerd deed, dat ze in z hooge mate haar roeping had misverstaan.</p> + +<p>„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier +een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die +vreeselijke rol op te treden.”</p> + +<p>Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar +rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze z +onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna +lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben +en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.</p> + +<p>„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en +ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en +zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi, +dat n de kritiek n het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't +zoo <span class="pagenum" title="112"> </span><a id="p_112"></a>gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster +Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden. +Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze +aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het z erg?” +dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft +spreken?”</p> + +<p>Dien morgen bracht de directeur van het Theater Franais Zuster Olive +een bezoek.</p> + +<p>Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij +verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.</p> + +<p>„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet. +U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide +handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag +moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?”</p> + +<p>Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men +het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het +nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had +niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het +ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.</p> + +<p><span class="pagenum" title="113"> </span><a id="p_113"></a></p> + +<p>Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.</p> + +<p>De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over +iets anders te spreken.</p> + +<p>Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien +elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?”</p> + +<p>Bij die woorden schrikte Zuster Olive z, dat zij bijna wankelde. +Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en +onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar +duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen +kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de +directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het. +Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was +ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.</p> + +<p>Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen +tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar +ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.</p> + +<p>En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld +had, werd ze koud als <span class="pagenum" title="114"> </span><a id="p_114"></a>ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd, +zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te +praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone +Spaansche.</p> + +<p>Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een +practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar +ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk +werd die haar te machtig.</p> + +<p>„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er +blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.”</p> + +<p>Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en +opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons. +Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en +ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug, +Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw +sierlijk huis?”</p> + +<p>Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke +vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan +lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht <span class="pagenum" title="115"> </span><a id="p_115"></a>was grof en gerimpeld, maar +ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar +heldere oogen.</p> + +<p>„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer +door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar +ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.”<ins class="corr" id="corr11" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.</p> + +<p>„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik +was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een +geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?”</p> + +<p>„We kunnen er maar n ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes +uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.”</p> + +<p>„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames.</p> + +<p>„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de +liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets! +En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden? +Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="116"> </span><a id="p_116"></a></p> + +<p>„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.”</p> + +<p>„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook +gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!”</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="117"> </span><a id="p_117"></a></p> + +<h2><a id="TWEEDE_DEEL"></a>TWEEDE DEEL.</h2> + +<h3><a id="PRINSES"></a>DE PRINSES VAN BABYLONI.</h3> + +<p>'t Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de +huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook, +zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn +rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik +Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken, +terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken, +dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat +dien winter vier jaar was.</p> + +<p>Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet +bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan n ding +hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje +zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist +zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf +kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch +worden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="118"> </span><a id="p_118"></a></p> + +<p>Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind +hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want +nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd, +in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te +bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den +toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid +had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.</p> + +<p>„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen, +en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken +dag hooger.</p> + +<p>Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren +bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den +hemel te komen en te zien hoe het daar is.</p> + +<p>„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor +'t laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij +ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten +komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af +komt, en er nooit iets tegen kunt doen.”</p> + +<p>Maar de menschen dachten zeker, dat Onze <span class="pagenum" title="119"> </span><a id="p_119"></a>Lieve Heer wel lankmoedig zou +zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.</p> + +<p>Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe +hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het +uit met dat pleizier.</p> + +<p>Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze +in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden +vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En +dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.</p> + +<p>De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden, +maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in +plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden +vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan: +„Abekadabra?”</p> + +<p>Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de +haren vlogen en begonnen te vechten.</p> + +<p>Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en +niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen, +zijn eigen kant uit.<ins class="corr" id="corr12" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p><span class="pagenum" title="120"> </span><a id="p_120"></a></p> + +<p>Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde +naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw +en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort. +Hij sprak alleen wat zachter.</p> + +<p>„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een +koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje +begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch +een van de anderen er een woord van konden begrijpen.</p> + +<p>Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't +paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote, +wijde wereld in.</p> + +<p>Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers +niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn +voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze +haar in 't oog kregen.</p> + +<p>Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.</p> + +<p>Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe, +zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze +wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan <span class="pagenum" title="121"> </span><a id="p_121"></a>van wat ze antwoordde, +en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.</p> + +<p>Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een +landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar +binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen +hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan. +Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven, +kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch +was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist +door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.”</p> + +<p>Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te +warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze +ook: „Goeienavond.”</p> + +<p>Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze +z, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun +niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.</p> + +<p>„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen.</p> + +<p>„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat +ze haar verstonden. Ze was <span class="pagenum" title="122"> </span><a id="p_122"></a>buiten zich zelf van blijdschap; maar ze +vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.</p> + +<p>„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze.</p> + +<p>„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut.</p> + +<p>Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven +mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen +konden verstaan wat ze zei.</p> + +<p>Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje +uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze +zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De +Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze, +zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.</p> + +<p>Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat +ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde +brengen en nuttig zijn,” zei ze.<ins class="corr" id="corr13" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en +geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan +zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't +hoofdje links en rechts en bekeek <span class="pagenum" title="123"> </span><a id="p_123"></a>alles in de kamer, alsof zij 't nooit +te voren gezien had.</p> + +<p>„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk. +„Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben +gekomen.”</p> + +<p>Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was +geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.</p> + +<p>„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt +dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze.</p> + +<hr class="chend" /> + +<p><span class="pagenum" title="124"> </span><a id="p_124"></a></p> + +<h3><a id="STEMMINGEN"></a>STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.</h3> + +<hr class="chbegin" /> + +<h4><a id="h4I"></a>I.</h4> + +<p class="subh4">'t Schreien van Rachel.</p> + +<p class="datum">Augustus 1914.</p> + +<p>In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn +huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk +geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart +en razernij en tegelijk z vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst +verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan +kwam.</p> + +<p>Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat +vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal +gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de +heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet in +staat zulke kreten uit te stooten, z geweldig en ruw, dat het een +weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="125"> </span><a id="p_125"></a></p> + +<p>'t Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat +men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was. +Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden. +De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen +wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen +ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.</p> + +<p>De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag, +heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de +bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en +bronnen en dreigde het heele dal vr ons tot een bruin verbrande +woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist +gehoord had, was mij z onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam, +dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet +van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.</p> + +<p>Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden we +nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken +waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend +als een martelwerktuig.</p> + +<p><span class="pagenum" title="126"> </span><a id="p_126"></a></p> + +<p>Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij +waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten. +Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had +gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de +verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.</p> + +<p>Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst, +naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in +welgevormde heuvels.</p> + +<p>Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog +boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een +heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel +een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de +plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in +mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene +loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, hl ver van +Wermeland en Zweden.</p> + +<p>Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de +vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot +klaarheid. <span class="pagenum" title="127"> </span><a id="p_127"></a>Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden +landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote +stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op +een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik +herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de +rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de +omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen +ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank +zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het +hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met +een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van +den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen +voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele +heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen +gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een +stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen +voorbij komen.</p> + +<p>De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en +hij verzekert ons ook, dat <span class="pagenum" title="128"> </span><a id="p_128"></a>dit niet maar een bloot vermoeden is, maar +een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid +van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit +over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob, +ook wel Isral genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort +nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen +zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een +zwerftocht door de woestijn.</p> + +<p>Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had +een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan +niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vr haar zoon +Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vr nog een +koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee +was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar +graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.</p> + +<p>De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen +toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen +was gehoord, telkens als een ongeluk Isral zou treffen. Hier had de +stammoeder der Judaen haar <span class="pagenum" title="129"> </span><a id="p_129"></a>jammerkreet doen hooren in den nacht vr +den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord +worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den +avond, vr dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom +tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters. +En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de +Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden +Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange +tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den +slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk +bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig +door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid +door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend +wezen uiten kan.</p> + +<p>Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is, +dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle +menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar +kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en +niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft <span class="pagenum" title="130"> </span><a id="p_130"></a>het ooit gewaagd de hand +aan haar rustplaats te slaan.</p> + +<p>Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt. +Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is +'t geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een +langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.</p> + +<p>'t Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons +trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het +hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten, +zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo +heeft Eva gejammerd, toen Kan Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over +Isral geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle +tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan +geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den +wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.</p> + +<p>Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een +Bedounenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor +een zieken zoon.</p> + +<p>Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden <span class="pagenum" title="131"> </span><a id="p_131"></a>ons bijna verbeeld, dat +wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen +tegen elkaar, dat die Bedounenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet +hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen +in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het +meegevoel van de sluimerende doode te wekken.</p> + +<p>We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche +vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit +zullen hooren.</p> + +<p>We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag, +den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak +bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen +'t gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord, +hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.</p> + +<p>Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze +zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar +eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake +van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij +<span class="pagenum" title="132"> </span><a id="p_132"></a>meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog +was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan +schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat +ze zoo had <i>moeten</i> schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den +oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.</p> + +<p>Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in +haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het +geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men +het in deze streken hoorde, z lang, dat niemand had kunnen zeggen, van +welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld, +was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en +nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.</p> + +<p>Misschien zullen wij het nu z dikwijls hooren, dat allen het zullen +herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders, +die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien +ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="133"> </span><a id="p_133"></a></p> + +<h4><a id="h4II"></a>II.</h4> + +<p class="subh4">De verlaten Kerk.</p> + +<p>Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het +groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer +merkwaardige dingen waren.</p> + +<p>Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, z zeldzaam, +dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand +precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van +overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen +aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als +maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van +haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien, +dan zouden ze haar liever hebben dan lelin en rozen.</p> + +<p>Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was +een geneeskrachtige bron.</p> + +<p>Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel +van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg +daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de +lammen waren met <span class="pagenum" title="134"> </span><a id="p_134"></a>gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't +Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of +naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren +zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand +zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van +Bethesda.</p> + +<p>De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude +verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest +woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.</p> + +<p>Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen +en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen +doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat +hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.</p> + +<p>In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was +arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een +grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen +man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het +dak te reiken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="135"> </span><a id="p_135"></a></p> + +<p>Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar +dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en +houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok +was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar +de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had +nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar +binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren +gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten, +daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met +groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen, +zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok +was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.</p> + +<p>Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht +mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De +adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd +van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er +nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven. +Ze was alleen <span class="pagenum" title="136"> </span><a id="p_136"></a>overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar +nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen +hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat +ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden +gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen +daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.</p> + +<p>'t Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en +getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen +hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar +waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen +huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en +al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de +sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed +over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.</p> + +<p>Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke +jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige +dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er +gezocht achter steenblokken <span class="pagenum" title="137"> </span><a id="p_137"></a>en beneden in de kloven; dan liep men met +angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van +den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er +nooit iets gevonden.</p> + +<p>Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en +vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in +'t bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd, +van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren +onwaarheid te spreken.</p> + +<p>En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs +gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht +de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik +het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.</p> + +<p>Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor +dat oude huis geweest, waar eens zveel angstige gebeden en klagend +gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker, +dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat +niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt +stond onder te gaan, op <span class="pagenum" title="138"> </span><a id="p_138"></a>de knien heeft gelegen en te vergeefs om hulp +geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken, +had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of +genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat +getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele +dorpen en streken.</p> + +<p>„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer +gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken. +Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De +zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den +grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden. +Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens +de uwe.</p> + +<p>Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan +gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is +geen spel of scherts meer.</p> + +<p>Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder +gezang.</p> + +<p>Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden +van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij +weet <span class="pagenum" title="139"> </span><a id="p_139"></a>geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en +verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude +kerk in de wildernis.<ins class="corr" id="corr14" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<h4><a id="h4III"></a>III.</h4> + +<p class="subh4">De Mist.</p> + +<p>Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog, +breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de +wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame +woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin +en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet +doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn +gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij +op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.</p> + +<p>Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem z +vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets +drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien, +en toen hij zijn gewone <span class="pagenum" title="140"> </span><a id="p_140"></a>morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij +zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.</p> + +<p>Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik +scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen. +Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller +dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't +eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te +bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen. +Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde +spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren +gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de +schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen +van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende +schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.</p> + +<p>Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met +nieuwe belangstelling rond. Vr zich had hij een oude appelboom, met +takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat +hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom <span class="pagenum" title="141"> </span><a id="p_141"></a>hem, +telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn +humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik +in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de +takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij +toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware +lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden +kunnen dragen.</p> + +<p>Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het, +die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan +kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.</p> + +<p>„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten +allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.”</p> + +<p>Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een +paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien +het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de +mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam +snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde +hij voor het eerst op dien morgen <span class="pagenum" title="142"> </span><a id="p_142"></a>een geluid uit de buitenwereld. Een +sterke, zware stem riep ergens in den mist:</p> + +<p>„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God, +wees genadig voor de oorlogvoerenden!”</p> + +<p>Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist +tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.</p> + +<p>„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, +wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't +Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!”</p> + +<p>De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had +geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je +nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders +wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer +naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid +kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als +water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als +riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!”</p> + +<p>'t Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die <span class="pagenum" title="143"> </span><a id="p_143"></a>altijd rondzwierf in de +streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te +roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar +ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den +mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon +hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den +wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.</p> + +<p>„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de +krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!”</p> + +<p>Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte +hij en zette zijn wandeling voort.</p> + +<p>Voorwaar, deze tijd was z, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op +velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.</p> + +<p>Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele +menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde. +Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was, +waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar +dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen +veroorzaakt, door menschen aanbevolen <span class="pagenum" title="144"> </span><a id="p_144"></a>was. Dan hoefde je ook niet te +denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den +waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een +maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen. +Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te +peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.</p> + +<p>„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer +beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...”</p> + +<p>Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet +stil kon blijven zitten.</p> + +<p>Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin +gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een +lachend en innemend beeld vr zich.</p> + +<p>Van hier uit verhief zich het veld in langzame stijging tot aan 't +woonhuis. De vreedzame zag heel zijn oude hoeve voor zich liggen met +haar roode gebouwen, en al het loof in verschillende herfstkleuren. 't +Was eigenlijk niet anders dan wat hij elken dag zag, maar de plaats had +een heel ander aanzien dan gewoonlijk, omdat de nevel het van het +omliggende landschap scheidde.</p> + +<p>Toen de hoeve zich daar zoo geheel gesoleerd <span class="pagenum" title="145"> </span><a id="p_145"></a>vertoonde, merkte hij +eerst recht op hoe mooi het roode woonhuis daarboven paste in de groene +en gele boomkronen er om heen bij de lagere vleugelgebouwen, en de +golvende struiken beneden, en de krans pas geplante vruchtboomen, die +den voet van den heuvel omgaven. Nooit was in dit alles zoo'n harmonie +geweest als vandaag, nu de mist het omsloot en alle leegten vulde. Niets +kon gemist worden. Alles moest er zijn, alles was op de rechte plaats.</p> + +<p>Zoo nauwer ineengevoegd door den mist en het groen, werd zijn thuis +aantrekkelijker dan ooit. Het straalde veiligheid en gezelligheid uit. +Hij voelde zich rustig en gelukkig, alleen al door er naar te zien.</p> + +<p>Plotseling viel hem iets vreemds in. Hij stelde zich voor, dat hij +alleen met zijn oude hoeve was, dat hij en de hoeve hun eigen stille +leven hadden, en dat de mist hen in haar muren sloot en hen voor de +wereld verborg. Die zou hen bewaken, dag en nacht. Z dicht, z +ondoordringbaar, dat niet eens de voorbijgangers, die den weg naar het +bosch opreden, weten zouden, dat ze zoo dichtbij lag.</p> + +<p>De postbode met zijn zwarte tasch zou niet in de hoeve kunnen komen in +dien verbijsterenden <span class="pagenum" title="146"> </span><a id="p_146"></a>mist. Geen gasten, geen vreemdelingen zouden den +ingang van de laan kunnen vinden, die naar het woonhuis leidde. Niets +van de buitenwereld zou de hoeve kunnen bereiken, en niets van de hoeve +naar de buitenwereld kunnen komen.</p> + +<p>De winter zou komen na den herfst, en de zomer na de lente in langzame +afwisseling. Sneeuw zou neerdalen en wegdooien, veld en boomen zouden +met groen worden bekleed, en 't groen zou verdorren en verdwijnen. Koude +en warmte zouden beurtelings tot hen doordringen, maar de dikke mist zou +toch blijven staan. Als in een droom zouden ze leven: hij en de oude +hoeve. 't Eene werk volgde op het andere: de oogst op het zaaien, het +bakken op het brouwen in langzame volgorde. De koeien zouden gemolken +worden, de schapen geschoren, garen gesponnen, doeken van glanzend dril +werden op den weefstoel getooverd. Ze zouden gedwongen worden van hun +eigen werk te leven. Niets zou er binnenkomen en niets zou er uitgaan. +De smart, die hen drukte zou hun eigen smart zijn. Ze zouden alleen zich +zelf hebben om op te vertrouwen. Ze zouden op een eiland wonen in de +wereldzee, waarheen geen vaartuig den weg wist te vinden.</p> + +<p>Wat den vreedzame 't meest bekoorde, was dat <span class="pagenum" title="147"> </span><a id="p_147"></a>hij op die manier aan de +ontzetting van den grooten oorlog kon ontkomen. Hij strekte zijn armen +uit en sprak tot den mist.</p> + +<p>„Blijf hier, mist, blijf hier! 't Zijn vreeselijke tijden, die komen! +Laat mij ze niet doorleven. Sta op wacht om mijn hoeve met uw witte +muren. Laat mij hier leven op de oude hoeve van mijn vaderen, zonder dat +ik hoef te weten wat daar gebeurt aan geweld en bloedvergieten. Laat mij +en mijn volk hier stil aan den arbeid blijven, zonder gestoord te worden +door het gerucht van 't ongeluk van vreemde menschen! Vogels zullen nu +en dan tot ons komen, maar we zullen niet onderzoeken of ze een brief +onder de vleugels brengen. Nu en dan in den morgen zullen wij de arme +waanzinnige hooren, die onder luide gebeden hier voorbijgaat. Maar we +zullen niet luisteren of ze nog bidt voor de oorlogvoerenden.</p> + +<p>Eens, als alles voorbij is en de menschen hebben opgehouden te vechten +en elkaar te vernielen, moet ge u oplossen en verdwijnen. En wij, die +niets weten van al het vreeselijke dat is gebeurd, wij zullen met +verrukking de wereld ingaan om het eeuwige feest van het leven te +genieten. Onze zinnen zijn niet besmet met de verhalen van geweld en +bloedvergieten. Onze harten zijn niet <span class="pagenum" title="148"> </span><a id="p_148"></a>hopeloos geworden door te hooren +van ongelukken, die we niet bij machte waren te verhelpen. We zullen +in de wereld terugkeeren in de overtuiging, dat de menschen zacht van +nature zijn en het vredige en stichtelijke liefhebben. Wij zullen zijn +als de vrome slapers, die gered werden in den tijd van geweld, om te +zien, dat vrede en geluk terug kunnen komen, dat nood en ellende niet +het eenige is, wat de aarde haar arme kinderen kan aanbieden.”</p> + +<p>Toen de vreedzame deze woorden had uitgesproken, hoorde hij twee +verschillende geluiden. Een windvlaag kwam door den mist, met een +slangachtig sissen. Dat was het eene. 't Andere was een zwakke echo van +'t gebed van de zwerfster: „Help de oorlogvoerenden aan vrede, Heere +God!” Dat klonk als van heel ver. 't Klonk bijna als een waarschuwing, +maar hij liet zich niet terughouden.</p> + +<p>„Laat me hier zijn in mijn tuin, o mist,” barstte hij uit, „en nieuwe +schoonheden ontdekken! Leer mij te letten op wat het dichtste bij ligt. +Laat mij op mijn eigen wijze werken, bezig zijn met dingen, die ik kan +verzorgen. Bewaar mij er voor als een waanzinnige door 't land te dwalen +om te trachten te herstellen waar ik geen macht over heb.”</p> + +<p>Toen dit gezegd was, ging opnieuw een suizen <span class="pagenum" title="149"> </span><a id="p_149"></a>door den mist. Hij meende +iets te hooren dat leek op: „U geschiede naar uw wensch!”</p> + +<p>Maar dat was natuurlijk alleen maar zelfbedrog. Bijna op 't zelfde +oogenblik woei een frissche wind om hem heen. Die verscheurde den mist +in kleine vlokken en slingerde die weg naar alle kanten. Alles hernam +zijn gewone gestalte en hij glimlachte bij de gedachten, die de mist +in hem had gewekt, en die nooit tot werkelijkheid zouden worden. Maar +het is gevaarlijk wenschen als de zijnen te uiten. Soms hebben de +natuurmachten er een boosaardig genoegen in aan onze slechte invallen +toe te geven.</p> + +<p>Van dien dag af merkte de vreedzame, dat de berichten over den oorlog, +hoewel ze steeds vreeselijker werden, hem niet z kwelden als vroeger. +Alles wat er gebeurde was voor hem als iets vreemds, ver weg en scheen +hem niet aan te gaan. Hij deed zijn gewone werk, zonder door angst +bezwaard te worden, omdat de wereld te gronde scheen te gaan.</p> + +<p>De man, die niet begreep dat de mist zijn gebed verhoord en zich +als een domper over zijn ziel gelegd had, meende dat hij in evenwicht +en wijsheid was toegenomen. Hij prees zijn eigen verstand en +voorzichtigheid. Alle lust om een middel <span class="pagenum" title="150"> </span><a id="p_150"></a>te vinden om den zondvloed, +die over de wereld was losgebroken, te stuiten, verdronk ook in den +dichten nevel, die, zonder dat hij 't merkte, zijn verstand omhulde. +Alle lust om te handelen werd neergeslagen door radeloosheid, maar hij +was z dof, dat hij zich gelukkig prees, omdat hij wijs genoeg was om +zich niet met een hopeloos streven te overspannen.</p> + +<p>Hij zag, dat anderen, die niet beter waren dan hij, naar voren traden om +een woord te zeggen, maar hij merkte niet, dat ze iets bereikten met hun +spreken. Hij vergeleek ze met de vrouw, die hij God had hooren aanroepen +in den mistigen herfstmorgen. Hij meende, dat hun zielen verward moesten +wezen, omdat ze iets ondernamen, waarvoor ze geen macht of bevoegdheid +hadden. Maar heel binnen in de diepte van zijn ziel had hij toch +hun handelingen met brandenden angst gevolgd. In mooie, heldere +sterrennachten verloor de mist haar macht over zijn ziel, en dan dacht +hij met wanhoop aan de ure, dat hij dit aardsche zou moeten verlaten en +voor zijn Rechter worden gebracht. En hij wist, dat in dat uur de vrouw, +die op den weg liep te schreeuwen, naast hem voor Gods troon zou staan. +En tot hem zou God de Vader met strenge stem zeggen: „In uw tijd liet +<span class="pagenum" title="151"> </span><a id="p_151"></a>Ik een storm los over de aarde. Hoe kwam de gedachte in uw ziel, dat ge +u voor 't stormweer zoudt verbergen?”</p> + +<p>Dan zou de vreedzame zich verdedigen en zeggen: „'t Was +bovenmenschelijk, wat Gij verlangdet, dat ik zou doen. Ik zweeg, omdat +ik geen uitweg zag. 't Was niet mijn werk Uw storm te beteugelen. Ik +vreesde meer te schaden dan goed te doen.”</p> + +<p>Dan zou de Hoogste Rechter zeggen: „Ik weet dat Ik u geen verstand +genoeg had gegeven om den storm te beteugelen. Maar Ik heb u kracht +genoeg gegeven om medelijden te toonen en barmhartigheid te bewijzen.”</p> + +<p>Dan zou de vreedzame op de vrouw wijzen, die naast hem voor Gods troon +stond. „Die vrouw heeft gesproken—en gesproken zonder ophouden,” zou +hij zeggen<ins class="corr" id="corr15" title="Bron: .">,</ins> „en wat heeft het geholpen? Haar kreten hebben +geenszins de harten van de machthebbers op aarde kunnen verzachten.”</p> + +<p>Dan zou Hij antwoorden, die over hemel en aarde regeert. „Maar mijn +armen hebben zich voor haar geopend, en de weg tot heerlijkheid.”</p> + +<p>Dan zou de vreedzame weten, dat er voor hem geen hoop was, en in zijn +wanhoop zou hij neerzinken van voor Gods troon, al dieper en dieper <span class="pagenum" title="152"> </span><a id="p_152"></a>tot +die sferen, waar alleen koude en duisternis en versteening en doodsche +stilte en alles omsluierende nevel is.</p> + +<h4><a id="h4IV"></a>IV.</h4> + +<p class="subh4">De jonge Zeeman.</p> + +<p>'t Is een mooie Zondagmiddag en ik zit alleen op een bank in den ouden +tuin van een landgoed buiten een kleine stad aan de westkust. 't Is +een heel vredige en stille plaats, hoewel die nu voor het publiek is +open gesteld. Hier en daar staan een paar tafeltjes met stoelen er om +heen onder de boomen. Hier en daar zitten een paar kalme gasten, die +zachtjes, bijna fluisterend samen praten. Een enkele oude vrouw zorgt +voor de bediening. Ze neemt de bestellingen kalm en vriendelijk aan en +voert ze met zorg uit, maar zonder eenige haast. Als ze dan eindelijk +aankomt met een volgeladen koffieblad, en het voor een gast neerzet, +glimlacht ze welwillend als een gastvrouw, die haar gasten 't beste +aanbiedt wat haar huis kan opleveren.</p> + +<p>Niet ver achter mij hebben drie personen om een tafel plaats genomen. +Ze zitten zoo zwijgend en onbeweeglijk, dat het een poosje duurt voor +ik <span class="pagenum" title="153"> </span><a id="p_153"></a>ze opmerk. Alleen met groote tusschenpoozen zeggen ze een woord.</p> + +<p>'t Kleine gezelschap bestaat uit twee oude vrouwen in stemmige zwarte +kleeren en een jongen man van ongeveer twintig jaar, gekleed als een +welgestelden zeeman. De beide ouden zijn z onder den indruk van 't +feit, dat ze buiten zitten onder vreemde mooi gekleede menschen, dat +ze absoluut niets kunnen bedenken om over te praten; maar de jonge man +voelt het klaarblijkelijk als zijn plicht nu en dan iets te zeggen.</p> + +<p>„Moeder en Tante!” roept hij uit, „wat is 't prettig, dat we zulk mooi +weer hebben op dezen tocht.”</p> + +<p>„Ja, dat is heel prettig,” antwoorden de twee ouden uit n mond, en dan +daalt de stilte weer op hen neer.</p> + +<p>Ik ga wat anders op de bank zitten, om beter te kunnen zien. De jonge +zeeman zit wat zelfvoldaan achterover geleund, met de handen in de +zakken van zijn broek, met zijn stoel te schommelen. Hij ziet er +heelemaal niet uit alsof hij zich verveelt. Integendeel, hij heeft een +genoeglijke uitdrukking op zijn jongensachtig gezicht.</p> + +<p>De beide oude vrouwen, die ieder aan een kant van hem zitten, zijn +buitengewoon leelijk. Ze zien <span class="pagenum" title="154"> </span><a id="p_154"></a>er niet eens vriendelijk uit, maar +zitten daar stijf en somber, gestempeld door vermoeiend werk en een +zwaarmoedige vreugdelooze levensopvatting. Maar telkens als de jonge man +en zij elkaar aanzien, klaart zijn gezicht op en glimlacht hij. 't Is +niet alleen de mooie middag, die hem zoo in zijn schik maakt, maar +vooral de tegenwoordigheid van deze oude vrouwen.</p> + +<p>„Wat is het prettig, Moeder en Tante, dat we zulk mooi weer hebben op +dezen tocht!” roept hij weer, en de beide ouden stemmen dat weer toe.</p> + +<p>Ik voor mij denk, dat het nog zoo zeker niet is, dat de twee oude +vrouwen zoo tevreden over dezen tocht zijn. Ze zijn waarschijnlijk zulke +echte stadsmenschen, dat ze zich 't beste op haar gemak voelen in haar +eigen kamertjes, in haar welbekende straat. Waarschijnlijk vinden ze +'t niet recht prettig zich op zulk een openbare vermakelijkheid te +vertoonen. Al kun je daar ook maar alleen koffie en thee krijgen, ze +voelen zich toch onveilig. Ze zouden veel liever in de kerk zitten en +naar 't gezang luisteren.</p> + +<p>Natuurlijk is het de jongen, die ze met alle geweld n keer mee heeft +willen hebben, hij heeft ze een pleizier willen doen door ze in het +groen en bij de bloemen te brengen, hij meende, dat ze er <span class="pagenum" title="155"> </span><a id="p_155"></a>pleizier in +zouden hebben al die deftige menschen te zien, die meestal naar deze +vreedzame plaats trokken.</p> + +<p>Als de oude vrouw met een zwaar blad naar die kleine groep komt, ziet ze +er nog vergenoegder en vriendelijker uit dan anders. Dit is iets naar +haar hart: een zoon, die met zijn moeder en nog een oud familielid uit +gaat om haar een genoeglijk uurtje te bezorgen.</p> + +<p>Nu wordt het groepje wat levendiger, terwijl de koffie gedronken wordt. +De jonge man is gastheer en de beide vrouwen moeten bijna lachen, als +ze zien, hoe vastbesloten hij opstaat en met vaste hand de koffiekan +aanpakt. Dit is immers de verkeerde wereld! Zij ontvangen hem +gewoonlijk, zij zetten hem 't beste voor en verzoeken hem toe te tasten. +Nu moeten zij toelaten, dat hij koffie schenkt, en suiker en room in de +kopjes doet—alles overvloedig.</p> + +<p>Hij is er misschien niet zeker van hoeveel er in de kan gaat, want hij +durft zich zelf niet in te schenken. Niettegenstaande alle protesten +doet hij het niet. Hij heeft vandaag al zoo ongeloofelijk veel koffie +gedronken. En hij neemt ook geen broodjes. Maar voor zijn gasten zoekt +hij zveel gebakjes uit, dat ze rondom 't schoteltje liggen. <span class="pagenum" title="156"> </span><a id="p_156"></a>Dan gaat +hij zitten en kijkt naar de beide oude vrouwen met een stralend gezicht. +Hij doet geen moeite te verbergen hoe trotsch hij er op is, dat hij nu +haar onthaalt, dt het hem gelukt is haar uit huis te krijgen, haar uit +de nauwe straat te lokken.</p> + +<p>Tot nu toe hadden ze aldoor voor hem gewerkt en gezwoegd, maar dezen +keer was hij met hoog loon thuis gekomen. Nu, in den oorlog waren de +loonen immers meer dan verdubbeld. Nu kan hij goed leven en moeten zij +eens aannemen.</p> + +<p>Terwijl hij achterover leunt om zoo gemakkelijk mogelijk te zitten, +denkt hij er aan, dat zijn Moeder en Tante misschien vroeger nooit zulk +een genoegen hebben gehad. Als hij weer op zee is, zal hij er blij om +zijn, dat hij haar zulk een heerlijk uur heeft bezorgd. De jonge zeeman +is wat verstrooid geweest, terwijl de ouden aten en dronken; maar op 't +zelfde oogenblik, dat zij de koppen neer zetten, staat hij snel op om ze +weer aan te bieden. De oude vrouwtjes protesteeren een beetje, maar hij +schenkt ieder weer een volle kop in.</p> + +<p>„Moeder en Tante moeten nu maar toetasten. Morgen ga ik weer op een +lange reis!”</p> + +<p>Maar een derde kop weigeren de oude vrouwen beslist. Dat hebben ze nooit +kunnen doen, dat moest hij toch wel weten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="157"> </span><a id="p_157"></a></p> + +<p>Zoodra hij overtuigd is, dat zij werkelijk voldaan zijn, schenkt hij +zichzelf in en drinkt den eenen kop na den anderen. Hij ledigt de kan +tot den laatsten druppel en in 't koekmandje blijft geen kruimel over.</p> + +<p>„Ja, jij bent ook een mooie! Je zegt, dat je vandaag geen koffie meer +drinken wilt!”</p> + +<p>Hij lacht en is in zijn schik over die kleine list, en de beide ouden +vergeten zich zoover, dat ze ook glimlachen.</p> + +<p>Maar als 't koffieblad weggenomen wordt, is de vroolijkheid weer voorbij +en de stilte daalt weer over hen neer. De beide oude vrouwen kijken +rond, alsof ze bang zijn, dat iemand gemerkt zou hebben, dat ze pleizier +hadden. Ze richten zich op en zetten weer hun strenge kerkgezichten.</p> + +<p>„Dat was toch maar heerlijk, dat we zulk mooi weer op dezen tocht hebben +gehad,” zegt de zoon. Hij zegt dat met een gezicht, alsof hij voor de +zon en de warmte en de pracht van den zomer heeft gezorgd en daar de eer +van wil hebben. En dat begrijpen ze en ze prijzen hem, maar spreken er +niet verder over door.</p> + +<p>De jonge zeeman is levendig geworden na de koffie en hij wil ze +werkelijk tot een gesprek uitlokken.</p> + +<p>„Kijk eens Moeder, wat een zwaluwen,” zegt hij.</p> + +<p><span class="pagenum" title="158"> </span><a id="p_158"></a></p> + +<p>De Moeder heft het hoofd op, maar kijkt den verkeerden kant uit. Haar +oogen zijn grijs van de staar en ze ziet geen zwaluwen; maar dat doet er +niet toe. „Ja, en wat vliegen ze mooi!” zegt ze.</p> + +<p>Na een poosje is er sprake van naar huis te gaan, en aan dit prettige +een eind te maken. De ouden stellen dit voor, maar de jonge man verzoekt +ze met sterken aandrang, nog een oogenblik te blijven. Hij heeft het +hier zoo genoeglijk.</p> + +<p>En hij zit heen en weer te schommelen en zachtjes te fluiten, nadat het +gesprek weer gestaakt is. Hij verlangt niet weg te komen. Hij is +volkomen met zijn lot tevreden.</p> + +<p>Daar komt een groep van vijf, zes jonge menschen door den tuin wandelen. +Ze spreken luider dan de gasten, die er tot nu toe waren; ze brengen een +heel andere stemming mee dan tot dusverre onder de hemelhooge boomen +heerschte.</p> + +<p>Ze komen dicht voorbij de tafel, waar de jonge zeeman zit; ze knikken en +wenken om zijn aandacht te trekken, maar spreken hem niet aan. Ze gaan +verder.</p> + +<p>Een van hen blijft staan, een flink meisje, mooi, met een fijne +gelaatskleur en groote, smeekende oogen.</p> + +<p>„Dag Kristenssen,” zegt ze en komt aarzelend dichterbij.</p> + +<p><span class="pagenum" title="159"> </span><a id="p_159"></a></p> + +<p>De jonge zeeman knikt glimlachend, maar staat niet op en haalt de +handen niet uit den zak.</p> + +<p>„Dag Anna.”</p> + +<p>„Je was van morgen niet bij 't zeilen.”</p> + +<p>„Neen, je begrijpt wel, dat ik naar 't kerkhof wou gaan en zien naar 't +begraven van den duitschen matroos.”</p> + +<p>„Maar van avond kom je toch zeker mee dansen.”</p> + +<p>Ze spreekt verlegen en moedeloos en heeft tranen in haar stem.</p> + +<p>„Neen, dank je, Anna. Ik heb van avond nog zooveel te doen thuis. Je +weet wel, dat ik morgen weg moet.”</p> + +<p>„Ja. Nu dan, 't beste, Kristenssen.”</p> + +<p>„Dag Anna.”</p> + +<p>Hij laat haar heengaan, en schommelt daar met zijn stoel, en begint weer +zachtjes te fluiten.</p> + +<p>De twee ouden hebben dit kleine tooneeltje met gespannen aandacht +gevolgd. Nu 't meisje heengaat, glijdt de schaduw van een glimlach over +hun gezichten. Ze konden niet laten blij te zijn, omdat de jongen liever +bij haar blijven wil, hoewel jeugd en liefde hem willen lokken.</p> + +<p>Beide vrouwen staan nu vastbesloten op. Nu zijn ze heelemaal voldaan. Ze +moeten naar huis om het avondeten. Ze danken hem heel ceremonieel <span class="pagenum" title="160"> </span><a id="p_160"></a>voor +'t feest, maar midden onder de conventioneele woorden, barst de moeder +uit: „Dezen avond zal ik tot mijn dood toe niet vergeten!”</p> + +<p>De jonge zeeman heeft zeker geen lust om 't feest af te breken. Hij +blijft het langste zitten; men ziet aan zijn gezicht, dat hij hier +aldoor zou willen blijven.</p> + +<p>Terwijl ze heengaan, zie ik ze na door de laan in den tuin. De jonge +zeeman loopt naast zijn moeder. Ze moeten over een plek, waar een gladde +steenen drempel ligt. Daar slaat hij de armen om zijn moeder heen en +steunt haar.</p> + +<p>Maar ook, toen ze die gevaarlijke plek al lang voorbij zijn, blijft hij +zoo loopen, met de armen om zijn moeder heen.</p> + +<p>En nu komt het me voor, alsof eigenlijk de jonge man haar niet steunt, +maar meer zich aan haar vast houdt. Hij grijpt naar haar om steun.</p> + +<p>„Hij is bang,” denk ik. „Je kunt 't zien aan zijn samengetrokken +schouders, dat hij bang is. Hij is buiten zich zelf van angst, en juist +als vroeger, toen hij nog een kindje was, kruipt hij dicht bij zijn +moeder om bescherming te zoeken. Maar waar is hij bang voor?”</p> + +<p>Ik zie bijna verschrikt naar de stoelen, waarop die drie menschen hebben +gezeten. Zijn er eigenlijk <span class="pagenum" title="161"> </span><a id="p_161"></a>niet vier gasten aan die kleine koffietafel +geweest? Heeft niet de bleeke schim, van den Duitschen matroos, den +man van de klip van Horn, van wien 't lijk tusschen de klippen op de +kust is gevonden, en naar de stad gebracht om begraven te worden, mee +aangezeten? Heeft de jonge zeeman hem daar niet voortdurend zien zitten, +hem schrik aanjagend met de gevaren op zee? Was hij het niet, die door +zijn griezelige tegenwoordigheid den jongen van vreugde en spel heeft +verdreven en hem genoodzaakt bescherming te zoeken in de oude, veilige +haven? Hij heeft gewild, dat zijn moeder voor hem zal bidden met de +zekerheid van zijn onverdeelde liefde. Hij heeft de bescherming willen +verwerven, die de zegen van een moeder geven kan, als die rijk en zonder +voorbehoud geschonken wordt.</p> + +<h4><a id="h4V"></a>V.</h4> + +<p class="subh4">De Ster.</p> + +<p class="brief"><i>(Brief van een Zweedsch arbeider).</i></p> + +<p class="datum">... 20 April 1917.</p> + +<p>Er is een ster op weg. Een groote planeet is in beweging gekomen, naar +beneden, naar onzen <span class="pagenum" title="162"> </span><a id="p_162"></a>aardbol. Ik heb haar ver weg in de wereldruimte +gezien. Die valt—en valt en komt elken dag nader!</p> + +<p>Ik hoor niet tot de menschen, die gewoonlijk gezichten zien en ik ben +ook geen boetpredikant. Ik heb nooit de moeite genomen om te gaan zitten +met de Openbaring voor me, om er profetien uit te zoeken. Ik houd me +alleen aan wat ik zelf heb ondervonden. Ik hoor niet tot de menschen die +spreken in waanzin.</p> + +<p>Ik zal u vertellen wie ik ben. Ik ben een arbeider op een werkplaats en +pas kort geleden weer thuis gekomen in Zweden na tien jaar bij een +Duitsche firma gewerkt te hebben en daarna drie maanden in een Duitsche +gevangenis geweest te zijn. Ik heb geleefd van soep, van wikkemeel en +rapen gekookt, en van een soort vocht, dat koffie genoemd moest worden, +en niet meer dan een halve boterham kreeg ik als rantsoen per dag. Ik +heb zelfs geen bijbel gezien om in te lezen en ik kreeg niets dan +verwijten en scheldwoorden ten antwoord, als ik om een courant vroeg.</p> + +<p>Ik ben een eerlijke Zweed. Ik heb nooit iemand te kort gedaan en ik hoef +niet te verbergen, waarvoor ik gevangen gezeten heb. Ik was een nacht in +een hotel in Keulen, zonder me bij de autoriteiten te hebben aangemeld, +en dat kon niet met <span class="pagenum" title="163"> </span><a id="p_163"></a>minder dan drie maanden opsluiting geboet worden. +Ik heb tien jaar lang in Duitschland gewoond. Bij een Duitsche firma heb +ik de beste jaren van mijn leven gediend, en ik heb getuigschriften van +groote bekwaamheid, onverdeelde vlijt en goed gedrag. Ik kreeg voor dat +alles mijn loon op de reis naar huis, toen de politie in Keulen me pakte +en me drie maanden lang van wikke en rapen liet leven.</p> + +<p>Maar ik spreek van dit alles niet om mij te beklagen, want, Goddank 't +heeft mijn gezondheid niet geschaad. Ik wil alleen verklaren hoe ik er +toe kwam zooveel na te denken en me over zooveel te verwonderen. Want +ik dacht aan alles tusschen hemel en aarde, terwijl ik daar opgesloten +zat, en 't meest van alles dacht ik aan de wereldorde zelf. 't Werd me +duidelijk, dat er aan den tegenwoordigen ellendigen toestand een einde +moest komen.</p> + +<p>Dat weet iedereen, die een poos in een werkplaats is geweest, wat daar +een orde en oplettendheid noodig is en hoe vlug ieder moet passen op +wat hem te doen gegeven is, wil het alles aan den gang gehouden worden, +zonder dat er ongelukken gebeuren. Maar wat moet je dan zeggen, als je +denkt aan de groote wereldmachinerie met <span class="pagenum" title="164"> </span><a id="p_164"></a>al die loopende drijfriemen, +en draaiende wielen en gevaarlijke krachtbronnen en ontelbare +machineonderdeelen. Iedereen ziet, dat daar niets dan lichtzinnigheid +is en onverstand. Er zijn fouten bij de leiders en fouten bij hen, die +geleid moeten worden. Niemand houdt behoorlijk orde onder de menschen en +houdt ze aan hun plichten, maar ieder zorgt voor zich zelf, zoo goed hij +maar kan. En als alles wat gedaan moet worden, gaat met onwil en dwang +en tegenzin en verveling, is het waarachtig geen wonder, dat allen +ontevreden zijn en er telkens uitbarstingen komen, en dat er elken dag +menschen tusschen de machines raken.</p> + +<p>Ik zag zoo duidelijk, toen ik in de gevangenis zat, dat het niet zoo +kon doorgaan. Ik begreep dat de Directie haar geduld verloren had en +een massa van de tegenwoordige arbeiders wilde ontslaan, dat zij de +oude fabrieksgebouwen wilde wegdoen en 't met nieuwe methoden en nieuwe +arbeiders wou probeeren.</p> + +<p>Dat kan ik de Directie niet kwalijk nemen, want die had niet weinig +geduld gehad. Maar als die ooit de zaak aanpakt en schoon schip maken +wil, dan is er geen sprake van halve maatregelen en zachte schikkingen. +Dan roept ze den wereldoorlog op met zijn houwende bijl, en dadelijk +moeten <span class="pagenum" title="165"> </span><a id="p_165"></a>vele millioenen menschen in vliegende haast de ransels op den +rug nemen en de reis naar de andere wereld aanvaarden. En ze roept de +revolutie op met haar geweldigen veger, die met een zwaai het slecht +verzorgde wegveegt en de oude fabrieken omgooit. Ik zag het duidelijk, +dat het niet kon doorgaan, zooals het tot nu toe ging. Maar de vraag was +of 't zou blijven bij de verwoesting die al gebeurd was, of er niet nog +iets ergers zou komen, zoodat de landen waar 't krijgsvuur het sterkste +had gebrand, heelemaal vernietigd zouden worden.</p> + +<p>Maar nu ik in mijn geliefd vaderland ben teruggekomen en de nauwe +celwanden niet meer om me heen heb, nu ik er niet meer naar hoef zitten +luisteren hoe de celwachter door de gang heen en weer loopt, of me af te +vragen of ik ooit weer vrij man zal worden, nu probeer ik mijn onrustige +gedachten, die in de gevangenis zijn losgebroken, weer meester te +worden. „Jelui moet niet zoo angstig wezen,” zeg ik tot hen. „'t Kwam +alleen door 't opgesloten zijn en den slechten kost, dat jelui zoo +moedeloos en verlamd van schrik zijn geworden. Laat ons nu hopen dat +we spoedig vrede krijgen en dat de Directie ons niet heelemaal zal +vernietigen,” maar mijn gedachten willen <span class="pagenum" title="166"> </span><a id="p_166"></a>niet tot rust komen. Het was +of er diep in mijn ziel iets was, dat wist, dat de maat van onze ellende +niet vol was.</p> + +<p>En eergisteren, in den nacht tusschen den 18<sup>den</sup> en 19<sup>den</sup> April, +toen ik slapeloos neerlag en streed met mijn gedachten, werd mij +bevolen, overeind te komen in mijn bed en uit de middelste ruit van mijn +venster naar buiten te zien. En toen ik gehoorzaamde, zag ik ver weg, +hoog in den hemel een ster, die in een cirkel rond bewoog, en op en neer +ging, links en rechts.</p> + +<p>Ik hoorde de stem zeggen, dat dit de groote planeet Jupiter was. Nu was +die van zijn plaats los gekomen en op weg door de wereldruimte.</p> + +<p>„Sta op,” zei de stem. „Sta op en verkondig dit: Nu komt het er op aan +in het oude Europa. Want als de ster nadert zal er een groote hitte +komen over de aarde. De zee rondom Engeland zal uitdrogen; in +Duitschland zal al wat leeft tot asch verbranden en van Rusland zal +niets meer overblijven dan droog woestijnzand. In de schoone landen aan +de Middellandsche Zee zullen de rivieren met kokend water stroomen en de +bergen zullen smelten en wegvloeien als vlietend vuur.</p> + +<p>Dat is de wraak Gods, dat is Zijn rechtvaardige straf. Ge moet het +uitroepen, dat het oude Europa <span class="pagenum" title="167"> </span><a id="p_167"></a>voorbijgaat. Het zal vergaan met al zijn +zonden, met zijn vele oorlogen en zijn groote ijdelheid.</p> + +<p>Er zal groote jammer over het oude Europa komen, over haar groote steden +en vruchtdragende velden, en millioenen menschen; want het zal +uitgebrand worden als een etterende wonde. Maar de andere landen der +aarde zullen gespaard blijven.”</p> + +<p>En de stem zeide tot mij, dat ik neerknielen moest en de handen aan +elkaar brengen, zoodat de vingers elkaar raakten. En toen ik dat gedaan +had, sprak zij opnieuw.</p> + +<p>„Dit beveelt u de Allerhoogste in Zijn barmhartigheid: +<ins class="corr2" id="corr16" title="Bron: „"></ins>Gij zult +dit alles neerschrijven zooals gij het gezien hebt, en het aan de +autoriteiten en het volk verkondigen, zoodat zij, die op het teeken +vertrouwen en uw woorden gelooven mogen, kunnen vluchten en gered +worden. Gij zult zeggen, dat er geen dag is die voor de ster bepaald is. +Die zweeft heen en weer. Die kan over een maand komen; die kan komen +over een jaar. Maar alle vorsten en regeerders moeten zich haasten om +een eind aan den wereldoorlog te maken en de menschen vrij te laten, +zoodat ze uit het oude Europa kunnen vluchten.”</p> + +<p>Meer hoorde en zag ik dien nacht niet. Ik viel in een diepen slaap.</p> + +<p><span class="pagenum" title="168"> </span><a id="p_168"></a></p> + +<p>Maar dien morgen, toen ik wakker werd, kwam de twijfel. Ik zei tot mij +zelf: „Wie ben ik, dat ik tot de autoriteiten en de volkeren zou +spreken? Wie ben ik, dat ik mijn stem zou kunnen doen hooren over de +geheele wereld?”</p> + +<p>Daarom wend ik mij tot u, edele schrijfster. Wil gij mijn visioen aan +de autoriteiten en de volkeren openbaren; wil gij hen vermanen, die de +sterrenwereld doorvorschen, dat zij de groote planeet Jupiter naspeuren +en zien of die haar vorige baan heeft verlaten?</p> + +<p>Ik behoor niet tot de menschen, die gezichten zien en ook ben ik geen +boetprediker. Ik heb niet de moeite genomen om te gaan zitten met de +Openbaring voor me, om er de profetien uit te zoeken; maar sinds dien +nacht, dat ik de ster zag, is er een verstijvende schrik in mijn +lichaam.</p> + +<p>Er is geen tijd voor twijfel.</p> + +<p>Moge hij, die spreken kan, zijn stem verheffen. Het is hoog tijd, dat de +heele wereld weet wat voor gast nadert, wat voor gast van vuur en schrik +nadert...</p> + +<p><span class="pagenum" title="169"> </span><a id="p_169"></a></p> + +<h4><a id="h4VI"></a>VI.</h4> + +<p class="subh4">De Brandstapel.</p> + +<p class="brief"><i>(Brief van een Deensch krijgsgevangene).</i></p> + +<p>Vroeger heb ik nauwlijks twee rijmende regels geschreven, maar nu doe ik +niet anders dan verzen schrijven. Ik wil de kunst leeren onvergetelijke +gedichten te schrijven. Ik wil leeren dien machtigen tooverstaf te +zwaaien, die de heele wereld tot luisteren zal dwingen.</p> + +<p>Ik vind het merkwaardig, dat ik kan schrijven zooals ik doe, want ik heb +juist geen geschikte werkkamer. Om mij heen heerscht de stilte niet en +wat men „dichtervrede” noemt—daar geniet ik niet veel van. Ik zit in +een gevangenbarak in Irkutsk in het gevloekte land Siberi, en ik heb +negen en twintig kameraden om me heen hier in de kamer.</p> + +<p>Ze maken voortdurend een geweldig geraas, en ik geloof, dat ze alles +doen wat ze kunnen om mij te storen. Ze gaan naast me zitten en zingen +liedjes en ze schreeuwen me Duitsch vlak in mijn ooren. 't Is alsof ze +niet kunnen verdragen, dat ik verzen zit te schrijven. 't Is alsof 't +verboden zou zijn verzen te schrijven in een gevangenbarak, <span class="pagenum" title="170"> </span><a id="p_170"></a>zooals ik +me verbeeld, dat het verboden is psalmen in de hel te zingen.</p> + +<p>Maar ik schrijf toch, omdat ik een wapen in handen wil krijgen. Ik wil +me oefenen, zoodat ik den oorlog kan neerhouwen. Ik wil dien ter aarde +werpen, ik wil hem den voet op den nek zetten. Hij zal berouw hebben +over het onrecht, dat hij mij heeft aangedaan.</p> + +<p>Ik zeg niet anders, dan dat ze ongelukkig zijn allen hier die in de +gevangenbarak zijn opgesloten. Ik weet, dat een paar van hen krankzinnig +van heimwee zijn geworden, en de anderen wachten maar op den dag, dat ze +ineen zullen zinken door typhus of cholera. Maar 't zijn allen soldaten, +die zijn uitgetrokken om te vechten en te dooden en hun geschiedde geen +onrecht, toen ze gevangen werden genomen en naar Siberi gezonden.</p> + +<p>Maar tegenover mij beging men een groote zonde, toen men mij hierheen +bracht, want ik ben een vreedzame Deen. Ik heb nooit een geweer +opgeheven om te mikken, en mijn land is niet in den wereldoorlog +betrokken. Ik weet tot op dezen dag niet, waarom het groote Rusland zijn +hand op mij legde in 't kleine stadje in West-Pruisen, waar ik woonde, +toen ik mijn verwanten daar bezocht. Ik was geen spion, ik was geen +verrader, <span class="pagenum" title="171"> </span><a id="p_171"></a>ik weet niet waarom ik in gevangenschap werd weggevoerd.</p> + +<p>Ik weet niet waarom men weigert mij in vrijheid te stellen. Waarom mag +ik niet naar Denemarken teruggaan en voor mijn gezin werken? Waarom moet +ik mijn beste jaren in tobberij en werkeloosheid doorbrengen?</p> + +<p>Er kan maar n bedoeling met dit alles zijn. Ik ben hierheen gebracht, +opdat ik de ergste ellende van den oorlog voelen zou. Ik ben hierheen +gebracht opdat de oorlog een vijand zou hebben, die nooit vrede sluiten +zal en nooit tot een vergelijk zal komen.</p> + +<p>Ik schrijf en schrijf, ik wil de schoone kunst leeren gedachten op rijm +te brengen. Ik wil, dat mijn gedachten als harde tangen zullen worden, +die de oorlogszucht der menschen zullen grijpen en met wortel en tak +uitrukken. Ik wil, dat ze als zeventienjarige maagden zullen worden, die +niemand kan weerstaan. Ik wil, dat ze als gonzende muggenzwermen zullen +worden, die alle slapenden in hun rust zullen storen. Maar ik ben een +beginner en ik zie, dat mijn gedachten machteloos zijn. Zij vallen ter +aarde als dorre bladeren. 't Ritselt als ze vallen, maar niemand wendt +zich om om te zien wat daar valt.</p> + +<p><span class="pagenum" title="172"> </span><a id="p_172"></a></p> + +<p>Als iemand wist... als iemand wist wat het zeggen wil te zitten in +een gevangenbarak en gedichten te schrijven. Nu en dan kan ik niet +schrijven, omdat ik mijn oude jas moet verstellen. We hebben al drie +jaar achter elkaar dezelfde kleeren aan en ze zijn z versleten, dat +ze aan flarden uit elkaar vallen. Soms is het zoo koud hier bij het +venster, dat mijn vingers verstijven en soms kan ik niet bij de lamp +komen. Maar ik schrijf altijd door. Ik zoek naar 't gevaarlijke woord, +dat zich om den oorlog heen kan slingeren als een geweldige slang en hem +smoren. Ik wil hem in een modderpoel stoppen. Ik wil hem laten sterven +in een gevangenbarak in het vervloekte land: <ins class="corr" id="corr17" title="Bron: Siberie">Siberi</ins>.</p> + +<p>Ik schrijf maar altijd door. 't Is geen wonder, dat de Russische +gevangenbewaarders met me spotten en denken dat ik gek ben. Er zijn +velen die zich zonderling gedragen in de gevangenkampen, maar ze hebben +nog niemand gezien, die zoo'n wonderlijken inval had als ik.</p> + +<p>Maar ik weet, dat het nooit vrede wordt voor ik met mijn liedjes de +wereld in mag gaan, voor ik vrij kom en ze voorlezen ga aan visschers en +boeren, aan vrouwen en kinderen, aan allen, die vechten in de loopgraven +en aan de gevangenen en <span class="pagenum" title="173"> </span><a id="p_173"></a>de in den oorlog verminkten. Er komt nooit +vrede, voor mijn verzen rond kunnen vliegen en harten doen ontbranden +zooals vonken hooibergen aansteken.</p> + +<p>Als ik in een stad kom, zal ik op de markt gaan staan, op de trappen van +het raadhuis, en mannen en vrouwen zullen zich om me heen verdringen. En +als ze mijn woorden hooren, zal er in hen een vreeslijke toorn tegen den +oorlog ontwaken. Ze zullen stroo en brandhout bijeenbrengen op de markt +en ze zullen een grooten brandstapel aansteken. Ze zullen naar hun +huizen snellen en terugkomen met alle vernielende wapens, met alle +oorlogs-boeken en oorlogs-schilderijen. Ze zullen komen met uniformen en +met trommels, met de schallende trompetten en de wapperende vlaggen. En +dat alles zullen ze op den brandstapel werpen en verbranden.</p> + +<p>Ja, het vuur van den vrede zal opvlammen. Oude gedichten van bloedige +heldendaden zullen verbranden en kinderen zullen hun oorlogsspeelgoed: +hun kleine helmen en houten zwaarden verbranden. Verroeste +ridderharnassen zullen uit de musea geworpen en versmolten worden; ook +de sabels en vuurwapenen. Alle eereteekenen van den oorlog, al zijn +proclamaties, al zijn bezittingen zullen door de vlammen worden +verteerd.</p> + +<p><span class="pagenum" title="174"> </span><a id="p_174"></a></p> + +<p>En de kazernen zullen worden afgebroken om dien grooten +vrede-brandstapel te voeden; muren en vestingwerken zullen bij zijn +schijnsel neerstorten, de loopgraven zullen vernietigd worden en +kanonnen en mortieren zullen in puinhoopen verkeeren.</p> + +<p>Laat den brandstapel van den vrede branden! Laat hem branden tot +vreugde van de menschen. Werp er de oorlogsschepen, de onderzeers, de +vliegmachines in! Laat hem vlammen en vonken schieten, tot vreugde +voor God en menschen. Werp er den haat in, en al 't booze uit het +menschenhart, werp er den overmoed in en de wreedheid. Dan zal de oorlog +bang worden en de menschelijkheid vrij komen uit de klauwen van haar +verdrukker!</p> + +<p>Ik schreef altijd door. Ik zoek naar de vlammende kracht, die mijn +woorden zal maken tot gloeiende vuurvonken.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Ik heb opgehouden met schrijven. Er kwam niets van 't aansteken van den +vrede-brandstapel; de Russische gevangenbewaarders hebben me meegenomen. +Nu ik dit schrijf lig ik in het ziekenhuis.</p> + +<p>Maar ik heb geen typhus, zooals de anderen om mij heen. Ik zal niet +sterven, zooals die anderen. Ik heb alleen koorts, omdat ik schrijven +wil, en <span class="pagenum" title="175"> </span><a id="p_175"></a>den oorlog tot asch verbranden op den grooten +vrede-brandstapel.</p> + +<p>Ik heb gehoord, dat er een Zweedsch gezantschap naar Irkutsk is gekomen, +en vandaag heb ik een Zweedsche zuster van het Roode Kruis in het +ziekenhuis gezien. Ik denk er over haar te vragen voor mijn verzen, mijn +gebrekkige liedjes te zorgen. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat ze +hier in 't ziekenhuis achterblijven en als prullen verbrand worden. Ik +zal haar vragen ze mee naar haar vaderland te nemen.</p> + +<p>Hoe zal het mijn verzen gaan, als ze thuis komen? Zal iemand mijn +gedichten opnemen en ze verder brengen? Ik weet dat ze zwak zijn en niet +goed, maar 't is de nalatenschap van een krijgsgevangene, die in Siberi +is gestorven.</p> + +<p>Zal iemand ze drukken? Zal iemand er waarde aan hechten? Zullen de +menschen ze met voeten treden en ze verachten? Zullen ze op de markt +voorgelezen worden? Zullen ze in staat zijn den vrede-brandstapel aan te +steken?</p> + +<p>Ik lig in 't lazaret in Irkutsk in 't vervloekte land: Siberi. Er is +typhus. Gewoonlijk komt niemand hier levend vandaan.</p> + +<p>Mijn arme verzen, zullen zij leven?—Zullen zij leven, als ik uit dit +leven zal zijn heengegaan?</p> + +<p><span class="pagenum" title="176"> </span><a id="p_176"></a></p> + +<h4><a id="h4VII"></a>VII.</h4> + +<p class="subh4">Gustav Frding.</p> + +<p class="brief"><i>(Proloog op het feest ter eere van den dichter Frding in 't Koninklijk +Theater in Stockholm).</i></p> + +<p class="datum">8 Febr. 1921.</p> + +<div class="poem"> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zie, vele dagen zijn voorbij gegaan,<br /></div> + <div class="i0">Sinds wij de harp van onzen vriend hoorden<br /></div> + <div class="i0">In het land van den Klarelf,<br /></div> + <div class="i0">Sinds hij ons in boeien smeedde met zijn dansmelodien<br /></div> + <div class="i0">En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel;<br /></div> + <div class="i0">Want heerlijk waren zijn tonen, als de geur van wilden honig<br /></div> + <div class="i0">En hun macht was als die van den liefdedronk,<br /></div> + <div class="i0">Dien een tooverheks met zorg bereidde in een Donderdagnacht.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zeg mij, Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Gij, die dwaalt over de bergen,<br /></div> + <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,<br /></div> + <div class="i0">Waarom is zijn harp verstomd?<br /></div> + <div class="i0">Waarom is het zoo stil op den bodem van de beek<br /></div> + <div class="i0">In de maneschijnsnachten?<br /></div> +<span class="pagenum" title="177"> </span><a id="p_177"></a> + <div class="i0">Waarom bruist de waterval toornig, alsof hij wil vragen:<br /></div> + <div class="i0">„O, waar zijt gij?”<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zie, het spel van onzen vriend was als dans over de weide,<br /></div> + <div class="i0">Als de dans van de dochter van een grooten koning,<br /></div> + <div class="i0">Vol van vreugde als vogelgekweel in het bosch in den winter,<br /></div> + <div class="i0">Als het ruischen van een beek onder de sneeuw,<br /></div> + <div class="i0">Als zonneschijn na stormvlagen,<br /></div> + <div class="i0">Als dauw in de droogte van den zomer.<br /></div> + <div class="i0">'t Was beter geneesmiddel dan alle geneeskrachtige kruiden.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Ik sloop naar buiten om onzen vriend te hooren spelen,<br /></div> + <div class="i0">Als de avond daalde en de schaduwen lang werden;<br /></div> + <div class="i0">Maar ik zocht hem niet waar de wegen elkaar kruisten,<br /></div> + <div class="i0">Waar <ins class="corr" id="corr18" title="Bron: Wermeland's">Wermelands</ins> zonen en dochters samenkomen ten dans;<br /></div> + <div class="i0">Ik zocht hem op smalle boschpaden met dennenaalden bestrooid.<br /></div> + <div class="i0">Op de teenen sloop ik over de zandvlakten,<br /></div> + <div class="i0">Tot ik hem vond, waar de waterval voorbij bruist,<br /></div> + <div class="i0">Waar de schuimvlokken rondvliegen<br /></div> + <div class="i0">En de golven ten dans gaan over de grauwe steenen.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> +<span class="pagenum" title="178"> </span><a id="p_178"></a> + <div class="i0">Zie, onze vriend was de grootste van alle Meesters,<br /></div> + <div class="i0">Hij was als de Nachtegaal onder de zangvogels,<br /></div> + <div class="i0">Hij was de speelman, die in den stroom speelt,<br /></div> + <div class="i0">Hij was de stroomgeest met gouden harp,<br /></div> + <div class="i0">Hij zat in den maneschijn met waterlelies gekroond,<br /></div> + <div class="i0">Zijn handen zweefden over de snaren als vlammen.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">En ik zette mij neer bij den waterval en luisterde.<br /></div> + <div class="i0">Onze vriend speelde vol vreugde als een meerle;<br /></div> + <div class="i0">Hij speelde alles wat hij gehoord had;<br /></div> + <div class="i0">Maar onze vriend was een stroomgeest in de rivier,<br /></div> + <div class="i0">Hij was van 't geslacht der watergeesten, die smachten naar de zaligheid.<br /></div> + <div class="i0">En ik hoorde hem spelen van heel zijn groot verlangen;<br /></div> + <div class="i0">Hij sleepte mij naar beneden tot in de hel met zijn wanhoop<br /></div> + <div class="i0">En met zijn trots joeg hij mij ver op de hemelhooge bergen,<br /></div> + <div class="i0">Alsof hij de poorten des hemels wilde bestormen,<br /></div> + <div class="i0">Zijn hart was vol weemoed als dat van Saul,<br /></div> + <div class="i0">Zijn hoofd vol gepeinzen als dat van Salomo,<br /></div> + <div class="i0">Maar zijn harp was als die van Danil;<br /></div> + <div class="i0">Die was zijn troost, zijn vriend en zijn toevlucht in uren van smart.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> +<span class="pagenum" title="179"> </span><a id="p_179"></a> + <div class="i0">Vele dagen zijn voorbijgegaan,<br /></div> + <div class="i0">Sinds ik voor 't eerst luisterde naar de harp van onzen vriend, bij den waterval.<br /></div> + <div class="i0">Waarom zijn die tonen verstomd,<br /></div> + <div class="i0">Die een lichtglans wierpen over de ziel,<br /></div> + <div class="i0">Zooals avondrood gouden glans giet over woud en veld?<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zeg mij, <ins class="corr" id="corr19" title="Bron: Wermeland's">Wermelands</ins> dochters!<br /></div> + <div class="i0">Gij, die de kudde hoedt op de bergen,<br /></div> + <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg,<br /></div> + <div class="i0">Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend, als hij speelde?<br /></div> + <div class="i0">Stondt ge om hem heen als een hooge doornhaag,<br /></div> + <div class="i0">Die niemand kon doorbreken,<br /></div> + <div class="i0">Als een breede muur, die door veel krijgslieden wordt verdedigd?<br /></div> + <div class="i0">Het spel van onzen vriend gaf glans aan het land van den Klarelf.<br /></div> + <div class="i0">Het prijkte als de roem van een machtig overwinnaar,<br /></div> + <div class="i0">Als een hoofdman, die vooraan zit in de raadsvergadering<br /></div> + <div class="i0">En door velen geerd en benijd wordt.<br /></div> + <div class="i0">Het had zijn bedelaarskleed afgeworpen<br /></div> + <div class="i0">En zich met ringen en kettingen getooid.<br /></div> +<span class="pagenum" title="180"> </span><a id="p_180"></a> + <div class="i0">De tonen van de harp van onzen vriend waren als paarlen en edelgesteenten.<br /></div> + <div class="i0">O, gij Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Hieldt ge trouw de wacht bij onzen vriend als hij speelde?<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Onze vriend was als een heel schuwe vogel;<br /></div> + <div class="i0">Hij was teer als de bloem van den meidoorn<br /></div> + <div class="i0">En licht te breken als de wilg aan den oever.<br /></div> + <div class="i0">Gij, Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Hebt ge er trouw voor gewaakt, dat niemand onzen vriend stoorde, als hij speelde?<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Er kwam een nacht, dat onze vriend vroolijk speelde.<br /></div> + <div class="i0">Met groote kunst greep hij in de snaren<br /></div> + <div class="i0">En de golven dansten, de sparren bogen luisterend over het water,<br /></div> + <div class="i0">De sterren gingen zachtkens ten dans in de zaal des hemels.<br /></div> + <div class="i0">Toen kwam de speelmansroes over hem, die ons zoo lief was,<br /></div> + <div class="i0">Zooals die komen kan over de watergeesten,<br /></div> + <div class="i0">En zijn spel werd woest en grillig.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zeg mij, gij Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Heeft het spel van onzen vriend u zeer verschrikt?<br /></div> + <div class="i0">Zijt ge gevlucht met de handen voor de oogen?<br /></div> +<span class="pagenum" title="181"> </span><a id="p_181"></a> + <div class="i0">Hebt ge uw schaamroode wangen verborgen achter de boomstammen?<br /></div> + <div class="i0">Hebt ge toen opgehouden, Wermelands dochters,<br /></div> + <div class="i0">Hebt ge toen opgehouden te waken over onzen vriend, als hij speelde?<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Want reeds in dienzelfden nacht, onder het licht van de sterren<br /></div> + <div class="i0">Klonk in onze ooren een wreede menschenstem:<br /></div> + <div class="i0">„Waarom verstoren uw tonen den vrede van den nacht, Stroomkoning?<br /></div> + <div class="i0">Weet ge niet, dat uw spel zondig is en anderen tot zonde verleidt?<br /></div> + <div class="i0">Weet ge niet, dat ge zelf verdoemd zijt en anderen tot verdoemenis brengt?”<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Toen zweeg de gouden harp,<br /></div> + <div class="i0">Toen zonk de speelman neer in den waterval,<br /></div> + <div class="i0">Toen ging een rilling door het sparrenwoud,<br /></div> + <div class="i0">Toen bruiste de waterval toornig en woest,<br /></div> + <div class="i0">Als wilde hij een vijand aanvallen.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Zeg mij, gij Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Waarom hieldt gij op te waken over hem, die ons zoo lief was?<br /></div> + <div class="i0">Hij was teer als de bloem van den meidoorn<br /></div> +<span class="pagenum" title="182"> </span><a id="p_182"></a> + <div class="i0">En licht te breken als de wilgetak.<br /></div> + <div class="i0">Hij was een heel schuwe vogel.<br /></div> + <div class="i0">Hebt ge vergeten hoe edel zijn ziel was,<br /></div> + <div class="i0">Dat hij aan de watergeesten verwant was, die smachten naar zaligheid?<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Meendet ge, dat hij een andren nacht zou terugkeeren?<br /></div> + <div class="i0">Ge wacht te vergeefs aan den oever.<br /></div> + <div class="i0">Ach! Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Nooit meer zal zijn hand de gouden harp bespelen,<br /></div> + <div class="i0">Nooit meer zult ge hem zien met waterlelies om de slapen,<br /></div> + <div class="i0">Met zwarte lokken over zijn dichtervoorhoofd,<br /></div> + <div class="i0">Met handen als vlammen snel zich bewegend,<br /></div> + <div class="i0">Met halfopen mond en sterrenlicht in de oogen.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> + <div class="i0">Als ge hem nu nog weerziet<br /></div> + <div class="i0">Ligt hij stil op de golven,<br /></div> + <div class="i0">Drijft op den stroom, oud, grijs en willoos,<br /></div> + <div class="i0">Ge ziet hem misschien aan voor een grooten den, die afdrijft van de bergen,<br /></div> + <div class="i0">Tot ge zijn oogen ziet, die naar het sterrenlicht staren,<br /></div> + <div class="i0">De vreeselijke oogen van den watergeest,<br /></div> + <div class="i0">Die van geen hoop of verlangen weten,<br /></div> + <div class="i0">Die enkel vragen en smeeken om vernietiging.<br /></div> +</div> +<div class="stanza"> +<span class="pagenum" title="183"> </span><a id="p_183"></a> + <div class="i0">Zie, vele dagen zijn voorbijgegaan,<br /></div> + <div class="i0">Sinds we de harp van onzen vriend hoorden<br /></div> + <div class="i0">In het land van de Klarelf,<br /></div> + <div class="i0">Sinds hij ons in boeien smeedde met dansmelodien<br /></div> + <div class="i0">En ons tot slaven maakte met zijn snarenspel,<br /></div> + <div class="i0">Maar ik bezweer u, gij Wermelands dochters!<br /></div> + <div class="i0">Gij, die de kudden weidt op de bergen<br /></div> + <div class="i0">Of keuvelend neerzit aan den kant van den weg.<br /></div> + <div class="i0">Houdt de herinnering aan onzen vriend levend;<br /></div> + <div class="i0">Want onze vriend was meer dan alle anderen,<br /></div> + <div class="i0">Hij was als de nachtegaal onder de zangvogels<br /></div> + <div class="i0">En zijn tonen hadden de macht van een liefdedronk<br /></div> + <div class="i0">En hun heerlijkheid was als de geur van wilden honing.<br /></div> +</div> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="-"> </span><a id="p_ad3"></a></p> + +<div class="ad2"> + + <p class="boek">VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + <span class="adsl">SELMA LAGERLF</span> + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></b>, + ZESDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 3.90 EN EEN + PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN VAN GEORG + PAULI, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.50.</p> + + <p class="boek"><b>DE BANNELING</b>, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 5.50.</p> + + <p class="boek"><b>JERUZALEM</b>, 3<sup>E</sup> DRUK, IN PRACHTBAND ƒ 5.90.</p> + + <p class="boek"><b>HERINNERINGEN</b>, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 4.50.</p> + + <p class="boek"><b>MACHTEN EN MENSCHEN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.</p> + + <p class="boek"><b>DE KEIZER VAN PORTUGAL</b>, TWEEDE DRUK, PRIJS GEBONDEN ƒ 4.50.</p> + + <p class="boek"><b>CHRISTUSLEGENDEN</b>, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/29320" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #29320 beschikbaar.">NIELS HOLGERSSON'S WONDERBARE REIS</a></b>, + VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTB. ƒ 5.90.</p> + + <p class="boek"><b>DE VOERMAN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.</p> + + <p class="boek"><b>HET HUIS VAN LILJECRONA</b>, TWEEDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST</a></b>, + DERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.90.</p> + + <p class="boek"><b>ONZICHTBARE KETENEN</b>, IN PRACHTB. ƒ 4.90.</p> + + <p class="boek"><b>LEVENSGEHEIMEN</b>, IN PRACHTBAND ƒ 3.90.</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/38422" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #38422 beschikbaar.">OUD EN NIEUW</a></b>, + PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.</p> + + <p class="boek"><b>INGRID</b>, 5<sup>E</sup> DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.90.</p> + + <p class="boek"><b>ELSA</b>, 2<sup>E</sup> DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.</p> + + <p class="boek"><b>DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA</b>, VIERDE DRUK, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 2.50.</p> + + <p class="boek"><b>VONKEN</b>, PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 4.50.</p> + +</div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. v</a></td><td class="td4">Oliva</td><td class="td4">Olive</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 1</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">EERSTE DEEL.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 25</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 26</a></td><td class="td4">Stine</td><td class="td4">Stina</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 26</a></td><td class="td4">Line</td><td class="td4">Lina</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 33</a></td><td class="td4">werdt</td><td class="td4">werd</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 42</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 42</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 60</a></td><td class="td4">ge-geroeid</td><td class="td4">geroeid</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 95</a></td><td class="td4">OLIVA</td><td class="td4">OLIVE</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 115</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 119</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 123</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 139</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 151</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">,</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 167</a></td><td class="td4">„</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 173</a></td><td class="td4">Siberie</td><td class="td4">Siberi</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 178</a></td><td class="td4">Wermeland's</td><td class="td4">Wermelands</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 180</a></td><td class="td4">Wermeland's</td><td class="td4">Wermelands</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Vonken, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VONKEN *** + +***** This file should be named 38920-h.htm or 38920-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/9/2/38920/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/38920-h/images/cover.jpg b/38920-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b38fed6 --- /dev/null +++ b/38920-h/images/cover.jpg diff --git a/38920-h/images/ill_ad.png b/38920-h/images/ill_ad.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..628f8ad --- /dev/null +++ b/38920-h/images/ill_ad.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..f4d28be --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #38920 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38920) |
