diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:10:32 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:10:32 -0700 |
| commit | 4b768c411c10a84b2022450ac53a769cf5afe386 (patch) | |
| tree | b96a05ab3ebc34d5059be27edbefc9dc1cd28717 /38522-h | |
Diffstat (limited to '38522-h')
| -rw-r--r-- | 38522-h/38522-h.htm | 6890 |
1 files changed, 6890 insertions, 0 deletions
diff --git a/38522-h/38522-h.htm b/38522-h/38522-h.htm new file mode 100644 index 0000000..1e14f54 --- /dev/null +++ b/38522-h/38522-h.htm @@ -0,0 +1,6890 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ --> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=UTF-8" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Het leven der bijen, by Maurice Maeterlinck. + </title> + <style type="text/css"> + +body { + margin-left: 10%; + margin-right: 10%; +} + + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; +} + +p { + margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; +} + +hr { + width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; +} + +table { + margin-left: auto; + margin-right: auto; +} + +a:link {color: #800000; text-decoration: none; } +v:link {color: #800000; text-decoration: none; } + +.bb {border-bottom: solid 2px;} + +.bl {border-left: solid 2px;} + +.bt {border-top: solid 2px;} + +.br {border-right: solid 2px;} + +.bbox {border: solid 2px;} + +.center {text-align: center;} + +.smcap {font-variant: small-caps;} + +.u {text-decoration: underline;} + +.caption {font-weight: bold;} + + + +/* Footnotes */ +.footnotes {border: dashed 1px;} + +.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + +.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + +.fnanchor { + vertical-align: super; + font-size: .8em; + text-decoration: + none; +} + + + </style> + </head> +<body> + + +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 38522 ***</div> + + + +<h1>HET LEVEN DER BIJEN</h1> + +<h3>DOOR</h3> + +<h2>MAURICE MAETERLINCK</h2> + + +<h4>VERTALING VAN</h4> + +<h4>MEVROUW G.M. VAN DER WISSEL-HERDERSCHEE</h4> + +<h5>AMSTERDAM</h5> + +<h5>C.L.G. VELDT</h5> + +<hr style="width: 95%;" /> +<p><a href="#Inhoud">Inhoud</a></p> +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="EERSTE_BOEK" id="EERSTE_BOEK"></a>EERSTE BOEK.</h3> + +<h3>OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ia" id="Ia"></a>I.</h3> + + +<p>'t Is niet mijn bedoeling een verhandeling te schrijven over bijen of +bijenteelt. Alle beschaafde landen bezitten er uitstekende, en 't zou +noodelooze arbeid zijn die te verdringen. Frankrijk heeft die van +Dadant, George de Layens en Bonnier, Bertrand, Hamet, Weber, Clément, +abt Collin, enz. De landen waar de Engelsche taal gesproken wordt hebben +Langstroth, Bevan, Cook, Cheshire, Cowan, Root en hunne leerlingen. +Duitschland heeft Dzierzon, Von Berlepsch, Pollmann, Vogel en vele +anderen.</p> + +<p>Evenmin zal het een wetenschappelijke monographie zijn over de <i>apis +mellifica, ligustica, fasciata</i> enz., of een bundel nieuwe opmerkingen +of studies. Ik zal bijna niets zeggen, wat niet een bekende zaak is voor +allen, die zich eenigermate met de bijen hebben bezig gehouden. Om dit +werk niet te zwaar te maken, heb ik een aantal ervaringen en +opmerkingen, die ik gedurende de twintig jaren dat ik mijn aandacht aan +de bijen wijd, heb opgedaan en die voor een beperkter kring van +speciale liefhebbers interessant zijn, voor een meer technisch werk +bewaard. Ik wil eenvoudig wat praten over de "blondes avettes" van +Ronsard, zooals men tegen iemand, die het niet kent, spreekt over een +voorwerp, dat men zelf kent en liefheeft. Ik hoop de waarheid niet op te +sieren of te doen wat Réaumur terecht heeft verweten aan allen, die zich +vóór hem hebben beziggehouden met onze honigbijen, dat ze namelijk iets +denkbeeldig wonderbaars in de plaats stelden van het reëel wonderbare. +Er is veel wonderbaarlijks in den bijenkorf, dat is geen reden om er nog +meer aan toe te voegen. Bovendien heb ik het reeds lang opgegeven, in +deze wereld een interessanter en schooner wonder te zoeken dan de +waarheid zelve, of althans dan de poging van den mensch deze te leeren +kennen. Laten we niet trachten de grootheid van het leven in het +onzekere te zoeken. Alle dingen waarvan we zeer zeker zijn, zijn zeer +groot en tot nu toe is er nog geen enkel, waar we geheel achter zijn. Ik +zal dus niets meedeelen, wat ik niet zelf heb waargenomen, of wat zóó +algemeen wordt erkend door de klassieke beoefenaars der bijenkunde, dat +het noodelooze moeite zou zijn, de waarheid daarvan nog te willen +onderzoeken. Mijne taak zal er zich toe bepalen, de feiten op een even +stellige, doch eenigermate levendiger manier voor te stellen, er enkele +uitvoeriger en vrijere overdenkingen tusschen te mengen, en ze te +groepeeren op een eenigszins harmonieuser wijze dan men dat in een gids, +een praktische handleiding of wetenschappelijke monographie doen kan. +Wie dit boek heeft gelezen, zal nog niet in staat zijn bijen te houden, +maar hij zal zoo ongeveer alles weten wat er zekers, interessants, +dieps en intiems over de bewoners van den korf bekend is. 't Is maar +weinig in vergelijking met hetgeen nog te leeren overblijft.</p> + +<p>Alle dwaalbegrippen, die nog altijd op het land en in vele boeken de +fabel van de bijenteelt uitmaken, ga ik met stilzwijgen voorbij. Als er +omtrent een of ander twijfel, verschil van meening, enkel gissingen +bestaan, als ik aan het onbekende kom, dan zal ik het eerlijk zeggen. Ge +zult zien, dat wij dikwijls voor het onbekende komen te staan. Behalve +de groote waarneembare feiten van hunne staatsinrichting en hunne +werkzaamheid, weet men weinig nauwkeurigs omtrent de fabelachtige +dochteren van Aristaeus. Hoe langer men ze kweekt, hoe meer men leert +inzien, dat men niets weet omtrent de diepten van hun werkelijk bestaan; +maar dit is toch een onwetendheid, die beter is dan de onbewuste en +welvoldane onwetendheid, welke de kern van onze kennis van het leven +uitmaakt, en dit is waarschijnlijk al wat de mensen in deze wereld kan +hopen te leeren.</p> + +<p>Bestond er reeds een dergelijk werk over de bijen? Ik persoonlijk ken, +hoewel ik meen bijna alles te hebben gelezen wat men over hen geschreven +heeft, al niet anders in dit genre dan het hoofdstuk, dat Michelet aan +hen wijdt aan het slot van <i>Het insekt</i>, en de verhandeling over hen +door Ludwig Büchner, den beroemden schrijver van <i>Kracht en Stof</i>, in +zijn <i>Geestesleven der dieren</i>.<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> Michelet heeft het onderwerp +nauwelijks aangeroerd; wat Büchner betreft, zijn studie is vrij +volledig, maar wegens zijn gewaagde mededeelingen, de legendarische +trekken en de sedert lang verworpen praatjes, die hij verhaalt, verdenk +ik hem, dat hij zijn studeervertrek niet heeft verlaten om zijne +heldinnen te ondervragen, en nooit een enkelen van de honderden gonzende +korven geopend heeft, die korven, vlammend van vleugel-geschitter, die +men moet schenden vóór dat ons instinkt weerklank geeft op hunne +geheimen, vóór dat men is doordrongen van de atmosfeer, den geur, den +geest, het mysterie van deze vlijtige maagden. Het boek riekt noch naar +honig noch naar de bij en heeft het gebrek van vele onzer geleerde +boeken, wier conclusies dikwijls voorbarig zijn, en wier +wetenschappelijke uitrusting bestaat uit een enorme opeenstapeling +onzekere, van allerwege vergaarde anekdoten. Overigens zal ik bij mijn +arbeid hem zelden ontmoeten, daar zoowel ons uitgangs- als ons +gezichtspunt en ons doel, zeer verschillend zijn.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Wij zouden ook nog de monographie van Kirby en Spence +kunnen noemen in hun <i>Inleiding tot de Entemologie</i>, maar deze is bijna +uitsluitend technisch.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIa" id="IIa"></a>II.</h3> + + +<p>De bibliographie over de bij (we beginnen met de boeken om er ons +spoediger van af te maken en tot den oorsprong zelf van deze boeken te +komen) is bijzonder uitgebreid. Van den beginne aan maakte dit vreemde +wezentje, dat in een eigen maatschappij leefde, onder zeer ingewikkelde +wetten, en dat in het schemerduister zulke wonderen uitvoerde, de +nieuwsgierigheid van den mensch gaande. Aristoteles, Cato, Varro, +Plinius, Collumelle en Palladius, hebben er zich mee bezig gehouden, +zonder nog te spreken van den wijsgeer Aristomachus, die naar het zeggen +van Plinius hen acht en vijftig jaren lang waarnam, en van Phyliscus van +Thasos, die op woeste plaatsen woonde om niets dan hen te zien, en die +"de Wilde" werd bijgenaamd.</p> + +<p>Maar dit behoort veeleer tot de legende van de bij en al wat men er uit +kan halen, dat wil zeggen bijna niets, is samengevat in den vierden zang +van Virgilius' Georgica.</p> + +<p>Hare geschiedenis begint eerst in de XVIIde eeuw met de ontdekkingen van +den grooten Nederlandschen geleerde Swammerdam. Toch moeten wij hier een +weinig bekende bijzonderheid aan toevoegen, deze namelijk, dat vóór +Swammerdam een Vlaamsch natuuronderzoeker, Clutius namelijk, eenige +belangrijke waarheden had uitgesproken, o.a. dat de koningin de eenige +moeder is van haar gansche volk en dat zij de attributen der beide sexen +bezit; doch hij had ze niet bewezen. Swammerdam vond de ware methode van +wetenschappelijk onderzoek, schiep het mikroskoop, vond de inspuitingen +uit als middel om ze tegen bederf te bewaren, ontleedde de bijen voor 't +eerst, stelde definitief door de ontdekking van de eierstokken en den +eierleider het geslacht der koningin vast, die men tot op dat oogenblik +voor een koning gehouden had, en verlichtte op eens door een +onverwachten lichtstraal, de gansche staatkunde van den korf, door die +op het moederschap te baseeren. En eindelijk maakte hij schetsen en +teekende platen van zulk een volmaaktheid, dat ze nog heden dienen om +meer dan ééne verhandeling over bijenteelt te illustreeren. Hij leefde +in het volle en roezige Amsterdam dier dagen, waar hij het heerlijk +buitenleven betreurde, en stierf afgemat van zijnen arbeid op drie en +veertigjarigen leeftijd. In een vromen en helderen stijl, met schoone en +eenvoudige ontboezemingen van een geloof, dat vreest te wankelen en +alles doet strekken tot eere van den Schepper, legde hij zijn +waarnemingen neer in zijn groot werk <i>Bijbel der Natuure</i>, dat Boerhave +een eeuw later van het Hollandsch in het Latijn liet vertalen onder den +titel van <i>Biblia Naturae</i> (Leiden, 1737.)</p> + +<p>Vervolgens kwam Réaumur die, zich aan dezelfde methode houdende, een +massa ervaringen en interessante waarnemingen verzamelde in zijne tuinen +te Charenton en een heel deel van zijn <i>Gedenkschriften voor de +geschiedenis der insekten</i> aan de bijen wijdde. Het laat zich met vrucht +en zonder verveling lezen. Het is helder, eerlijk, nauwkeurig en niet +ontbloot van zekere aantrekkelijkheid, al is hij eenigszins norsch en +droog. Hij legde er zich voornamelijk op toe, vele oude dwaalbegrippen +uit den weg te ruimen, verbreidde enkele nieuwe, verklaarde voor een +deel de vorming der zwermen en het staatkundig bestuur der koningin, in +één woord hij vond verscheidene niet voor de hand liggende waarheden en +bracht ons op het spoor van vele andere. In 't bijzonder schonk hij de +wijding zijner kennis aan de wonderen van den bouw der korven en al wat +hij daarvan gezegd heeft is nog steeds onovertroffen. Hem hebben we ook +het idee van glazen korven te danken, die nadat ze later veel +verbeteringen hebben ondergaan, geheel het privaat leven van deze schuwe +werksters hebben blootgelegd, welke hun werk beginnen in het verblindend +licht der zon maar het eerst voltooien in de duisternis. Om volledig te +zijn zou ik nog de eenigszins jongere onderzoekingen en werken van +Charles Bonnet en Schirach (die het raadsel van het koninklijk ei +oploste) moeten noemen; maar ik houd me aan groote lijnen en ben nu +gekomen tot François Huber, de klassieke meester onzer hedendaagsche +bijenkunde.</p> + +<p>Huber, in 1750 te Genève geboren, werd reeds in zijn vroegste jeugd +blind. Van den beginne aan vol belangstelling voor de waarnemingen van +Réaumur, die hij wilde controleeren, vat hij weldra een waren hartstocht +op voor deze onderzoekingen, en met behulp van een trouwen, +intelligenten dienaar, François Burnens, wijdt hij van nu af aan zijn +gansche leven aan de bij. In de geschiedboeken van menschelijk leed en +overwinning is niets zoo treffend en zoo vol nuttige wenken voor ons als +de geschiedenis van dit geduldig samenwerken, waarbij de een, die +slechts onstoffelijk licht opving, door zijnen geest de handen en +blikken van den ander leidde, die het werkelijk licht mocht genieten; +waarbij hij, die naar men verzekert nooit met eigen oogen een honigraat +had aanschouwd, door den sluier dier doode oogen heen, door welken die +andere sluier, waarin de natuur alles hult, dubbel dicht voor hem werd, +de diepste geheimen ontdekte van het genie, dat die onzichtbare +honigraat formeerde, als om ons te leeren, dat er geen toestand bestaat, +waarin we voor goed hoeven af te zien van de hoop en van het zoeken naar +waarheid. Ik zal niet alles opsommen wat de bijenkunde aan Huber +verschuldigd is, 't zal mij gemakkelijker vallen te zeggen, wat ze hem +niet verschuldigd is. Zijn <i>Nieuwe waarnemingen over de bijen</i>, waarvan +het eerste deel in 1789 geschreven werd in den vorm van brieven aan +Charles Bonnet, en het tweede deel eerst twintig jaar later verscheen, +zijn nog altijd de rijke en veilige schat waaruit alle bijenkenners +putten. Ik geef toe, dat er eenige dwaalbegrippen, enkele onvolledige +waarheden in voorkomen: sedert hij zijn boek schreef is men veel verder +gekomen in de micrographie, de praktische bijenteelt, de behandeling der +koninginnen enz.; maar men heeft geen enkele zijner groote waarnemingen +kunnen weerleggen of fouten daarin aanwijzen, ze blijven op dezelfde +basis en onaangetast in onze hedendaagsche wetenschap voortbestaan.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIa" id="IIIa"></a>III.</h3> + + +<p>Na de openbaringen van Huber volgen eenige jaren van stilte; maar weldra +ontdekt Dzierzon, pastoor te Carlsmark in Silezië, de parthenogenesis, +d.i. maagdelijke voortteling der koninginnen en komt het eerst op het +denkbeeld van een korf met losse honigraten, die voortaan den +bijenkweeker in staat zal stellen zijn aandeel in den voorraad honig weg +te nemen, zonder zijn beste kolonies te dooden, of in een enkel +oogenblik het werk van een geheel jaar te vernietigen. Deze nog zeer +onvolmaakte korf wordt meesterlijk verbeterd door Langstroth, die den +eigenlijk gezegden mobielbouw uitvindt, welke met buitengewoon succes in +Amerika wordt verbreid. Root, Quinby, Dadant, Cheshire, de Layens, +Cowan, Heddon, Howard enz. enz. brengen nog eenige voortreffelijke +verbeteringen daarin aan. Mehring komt, om den bijen het bewerken der +was en het bouwen van magazijnen, wat hun veel honing en het beste deel +van hun tijd kost, te besparen, op het denkbeeld hun honigraten aan te +bieden, die op mechanische wijze zijn voorzien van cellen-indruk, en +onmiddellijk aanvaarden ze die en gebruiken ze voor hun doel. De +Hruschka vindt het Smelatorium uit, dat door toepassing van de +middelpuntvliedende kracht den honing doet verkrijgen zonder de raten te +breken enz. In weinige jaren wordt geheel gebroken met de routine van de +bijenteelt. De inhoud en de vruchtbaarheid der korven worden +verdriedubbeld. Ruime en produktieve bijenstallen verrijzen van alle +kanten. Van dit oogenblik af neemt het noodelooze uitmoorden der +vlijtigste bijenstaten een einde met de afschuwelijke tegennatuurlijke +selectie, die er het gevolg van was. De mensch wordt in waarheid de +meester der bijen, hun meester in 't geheim en zonder dat ze 't weten, +die alles dirigeert zonder bevelen te geven, en wordt gehoorzaamd zonder +dat men hem kent. Hij treedt op in de plaats van de lotsbestemming der +verschillende seizoenen. Hij herstelt de onrechtvaardigheden van den +tijd des jaars. Hij vereenigt vijandelijke republieken. Hij verdeelt den +rijkdom gelijkelijk. Hij vermeerdert of beperkt het aantal der +geboorten. Hij regelt de vruchtbaarheid der koningin. Hij onttroont en +vervangt haar, nadat hij handig de zoo moeielijk te verwerven +toestemming daartoe heeft afgeperst aan een volk, dat geheel buiten +zichzelf raakt, waar het een onverklaarbare interventie vermoedt. Kalm +schendt hij, indien hij dat noodig oordeelt, het geheim der gewijde +kamers en heel de geslepen en vooruitziende staatkunde van het +koninklijk vrouwenvertrek. Vijf of zesmaal aaneen berooft hij de zusters +van het goede, onvermoeide klooster van de vruchten van hunnen arbeid, +zonder hen te kwetsen, zonder hen te ontmoedigen, zonder hen te +verarmen. Hij regelt de afmetingen der stapelplaatsen en +voorraadschuren hunner huizen naar den oogst van bloemen, die de lente +in hare haast zoo ongelijkmatig over de helling der heuvels verspreidt. +Hij dwingt hen het overdreven aantal minnaars, die wachten op de +geboorte der prinsessen, in te krimpen. In één woord, hij doet met hen +wat hij wil en verkrijgt wat hij vraagt, mits zijn verzoek zich schikt +naar hunne wetten en hunne deugden; want al doende den wil van den god, +die zich zoo onverwacht hunner heeft bemachtigd,—een god te groot om te +worden onderscheiden, en te vreemd om te worden begrepen,—zien ze nog +verder dan deze god zelf, en denken aan niets anders dan aan dat ééne, +in ongeschokte zelfverloochening de geheimzinnige verplichtingen van hun +ras te vervullen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IVa" id="IVa"></a>IV.</h3> + + +<p>Nu de boeken ons gezegd hebben wat ze ons zakelijks te zeggen hadden +over een overoude geschiedenis, zullen we afscheid nemen van de door +anderen verworven kennis om met eigen oogen de bijen te gaan beschouwen. +Een enkel uur in den bijenstand zal ons dingen te zien geven, die +misschien minder nauwkeurig, maar oneindig levendiger en vruchtbaarder +zijn.</p> + +<p>Ik heb den eersten bijenstand nog niet vergeten, dien ik te zien kreeg +en waar ik de bijen leerde liefhebben. Het was, al jaren geleden, in een +groot dorp van het nette en bevallige Zeeuwsch-Vlaanderen, dat nog meer +dan Zeeland zelf, als een holle spiegel van Holland den zin voor +levendige kleuren concentreert; het is een wellust voor de oogen even +als mooi, degelijk speelgoed, met zijn kleurige gevels, torens en +wagentjes, zijn blinkende kasten en klokken achter in de gang, zijn +boompjes die langs kaden en grachten geschaard staan als in afwachting +van een of andere aangename en eenvoudige plechtigheid, zijn booten en +schuitjes met bewerkte achterstevens, zijn deuren en ramen die op +bloemen gelijken, zijn keurige sluizen, zijn netjes afgewerkte, +veelkleurige ophaalbruggen, zijn huisjes, die zijn vernist als net en +blinkend aardewerk, en waaruit vrouwen in klokvormige kleeding en +getooid met goud en zilver te voorschijn treden, om de koeien te gaan +melken in weilanden omgeven door witte hekken, of het linnen te gaan +uitspreiden op het bloemrijk, in ovalen en ruiten afgedeelde, +angstvallig groene grastapijt.</p> + +<p>Een soort van ouden wijze, gelijkend op den grijsaard van Virgilius,</p> + +<p> +<span style="margin-left: 2em;">"Den koningen gelijk, den goden haast nabij,</span><br /> +<span style="margin-left: 2em;">En als deez' laatsten ook zoo rustig en tevreden,"</span><br /> +</p> + +<p>zou La Fontaine gezegd hebben, had daarheen de wijk genomen, waar het +leven beperkter dan elders zou schijnen, indien het mogelijk ware het +leven werkelijk te beperken. Hij had daar een wijkplaats gezocht, niet +uit afkeer van—want de wijze kent zulk een afkeer niet,—maar een +weinig vermoeid van het ondervragen der menschen, die minder eenvoudig +dan dieren en planten antwoorden op de uitsluitend belangrijke vragen, +die men stellen kan aan de natuur en de werkelijke wetten. Zijn gansche +geluk bestond, evenals dat wan den Scythischen philosoof, in de +schoonheden van zijn tuin, en onder deze schoonheden was de meest +geliefkoosde en meest bezochte een bijenstand bestaande uit twaalf +stroo-korven, die hij geverfd had, sommige hel rose, andere licht geel, +de meeste zacht blauw, want lang vóór de onderzoekingen van Sir John +Lubbock had hij opgemerkt, dat blauw de geliefkoosde kleur der bijen is. +Dezen bijenstand had hij ingericht tegen den gewitten muur van het huis +aan, in den hoek, die gevormd werd door een echte, smakelijke, frissche, +Hollandsche keuken met hare rekken voor aardewerk, en waarin het tin en +koper blonk, dat door de openstaande deur weerkaatst werd in een +vreedzame gracht. En het water met deze huiselijke afbeeldingen onder +een gordijn van populieren, voerde den blik naar den rustigen horizont +van molens en weilanden.</p> + +<p>Hier op deze plaats hadden de bijenkorven, evenals overal waar men ze +neerzet, een geheel nieuwe beteekenis gegeven aan de bloemen, de stilte, +de zachte lucht, de zonnestralen. Hier zag men als het ware het +zomerfeest in zijn hoogste voltooiing. Hier rustte men uit aan het +schitterend kruispunt, waar luchtwegen samenvloeien en uiteengaan, de +luchtwegen waarlangs alle geuren van het land, bewegelijk en als +hoorbaar, kwamen aangetreden van den dageraad tot aan de +avondschemering. Hier kon men ze hooren de gelukkige en zichtbaar +geworden ziel, de intelligente en muzikale stem, het brandpunt van de +vroolijkheid der schoone uren van den tuin. Hierheen kwam men om te +leeren in de school der bijen, om door te dringen tot de overheerschende +gedachte der almachtige natuur, tot de lichtende punten van aanraking +der drie rijken, de onuitputtelijke organisatie van het leven en de +moraal van ijverigen en belangeloozen arbeid. En wat even goed is als +deze moraal van den arbeid, de heldhaftige werksters leerden u ook iets +wat minder voor de hand ligt, namelijk den kostelijken smaak der vrije +uren te waardeeren, daar zij als het ware met de gouden letteren van +hunne duizenden kleine wiekjes, de bijna ongrijpbare bekoring dier +ongerepte dagen onderstreepten, die in de velden der ruimte om zichzelf +wentelen, zonder ons iets anders te brengen dan een doorschijnenden bol, +waarin geen enkele herinnering staat opgeteekend, zoo min als in het te +rein geluk.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Va" id="Va"></a>V.</h3> + + +<p>Om zoo eenvoudig mogelijk de jaarlijksche geschiedenis van den bijenkorf +te kunnen volgen, willen we er een nemen, die in de lente ontwaakt en +den arbeid hervat, daar we zoodoende de groote gebeurtenissen uit het +leven der bijen zich in hun natuurlijke volgorde zullen zien afwikkelen, +te weten: de vorming en het vertrek van den zwerm, de stichting der +nieuwe stad, de geboorte, de gevechten en de paringsvlucht der jeugdige +koninginnen, de moord der darren en de hernieuwde winterslaap. Ieder +dezer voorvallen zal van zelf aanleiding geven tot de vereischte +ophelderingen omtrent de wetten, eigenaardigheden, gewoonten, +omstandigheden, die ze te voorschijn roepen of waarvan ze vergezeld +gaan, zoodat we, aan 't eind van een bijenjaar gekomen, dat zelden +langer duurt dan van April tot einde September, alle geheimen van het +honing-huis hebben gehad. Vóór we het openen en er een vluchtigen blik +in werpen, is het voor het oogenblik voldoende te weten, dat het bestaat +uit een koningin, de moeder van geheel haar volk, uit duizenden +werkbijen of geslachtloozen, onvolkomen gebleven en onvruchtbare +wijfjes, en eindelijk uit een paar honderd darren, uit welke later de +eenige en ongelukkige echtgenoot zal gekozen worden van de toekomstige +heerscheres, die door de werkbijen na het meer of minder vrijwillig +vertrek der regeerende moeder tot koningin wordt uitgeroepen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIa" id="VIa"></a>VI.</h3> + + +<p>De eerste maal, dat men een bijenkorf opent, gevoelt men een zelfde +soort van emotie als bij het schenden van een onbekend voorwerp, dat +misschien akelige verrassingen voor ons bergt, een graf b.v. De bijen +zijn omgeven door een legende van dreigement en gevaar. We zijn al +zenuwachtig door de herinnering aan die steken, die zulk een geheel +eigenaardige pijn veroorzaken, dat men haast niet weet waarmee ze te +vergelijken, een bliksemende droogte, zou men kunnen zeggen, een soort +van woestijn-vlam, die zich over het gewonde lichaamsdeel verbreidt; 't +is als hadden onze dochteren der zon uit de verhitte stralen van hunnen +oorsprong een schitterend venijn getrokken, om met te beter gevolg de +schatten van zoetigheid te kunnen verdedigen, die zij te danken hebben +aan de welwillende uren der zon.</p> + +<p>'t Is waar dat een bijenkorf, zonder omzichtigheid geopend door iemand +die het karakter en de zeden der bewoners kent noch eerbiedigt, +onmiddellijk verandert in een brandend braambosch van toorn en +heldenmoed. Maar niets laat zich gemakkelijker verwerven dan de kleine +handgrepen, die vereischt worden om zulk een korf ongestraft te +hanteeren. Men kan volstaan met een beetje rook op het juiste oogenblik +uitgeblazen, en met veel koelbloedigheid en teerheid; en ziet, de goed +gewapende werkbijen laten zich berooven, zonder er ook maar aan te +denken gebruik te maken van hun angel. 't Is niet omdat ze, gelijk men +beweerd heeft, hunnen meester herkennen, ze vreezen den mensch niet; +maar de reuk van den rook, de kalme gebaren, die ze overal in hunne +woning waarnemen doch die hen niet bedreigen, maken dat ze niet denken +aan een overval of aan een geduchten vijand tegen wien men zich nog zou +kunnen verdedigen, doch aan een natuurkracht of natuurlijke catastrophe, +waaraan men zich wel moet onderwerpen. In plaats van een nutteloozen +strijd aan te binden willen ze, krachtens een omzichtigheid, die zich +hier vergist, omdat ze al te ver vooruit ziet, althans de toekomst +redden; ze werpen zich op de honing-provisie om daaruit zooveel te +putten en in haar lichaam te verbergen, dat ze onmiddellijk elders, waar +dan ook, een nieuwe stad kunnen stichten, indien de oude wordt verwoest, +of zij genoodzaakt worden die te verlaten.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIa" id="VIIa"></a>VII.</h3> + + +<p>De oningewijde voor wien voor 't eerst een observatie-korf<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> geopend +wordt, heeft aanvankelijk een gewaarwording van teleurstelling. Men had +hem gezegd, dat dit glazen omhulsel een voorbeeldelooze werkzaamheid in +zich besloten hield, een oneindig aantal wijze wetten, een +verbazingwekkende som van genie, van geheimen, ervaringen, berekeningen, +kundigheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden, +vernuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden. En hij ontdekt er +niets dan een verward hoopje roodachtige besjes, vrij wel gelijkend op +gerooste koffieboonen of op krenten, die tegen de glazen zitten +aangeplakt. Die arme besjes zijn meer dood dan levend, heel even bewegen +ze zich met langzame, onsamenhangende en onverklaarbare bewegingen. Hij +vindt ze er niet in terug, die bewonderenswaardige lichtdroppelen, die +zoo even aanhoudend er uitstroomden, en weerkaatsten in den veelbewogen +adem, vol parelen en goud, van duizenden ontloken kelken.</p> + +<p>Ze bibberen in de duisternis. Ze stikken in een verstijfde massa; men +zou ze voor zieke gevangenen of van hare waardigheid vervallen +koninginnen houden, die slechts een enkele seconde van glans hebben +gekend te midden der lichtende bloemen van den tuin, om aldra terug te +keeren tot de schande en ellende van hunne sombere, overvolle woning.</p> + +<p>Het is met hen als met alle werkelijkheid vol diepte. Men moet ze leeren +waarnemen. Als een bewoner van een andere planeet de menschen bijna +onmerkbaar zag komen en gaan door de straten, zich zag ophoopen rondom +enkele gebouwen of enkele plaatsen, oogenschijnlijk bewegingloos +wachtend op het een of ander binnen in hunne woningen, dan zou hij er +ook uit opmaken, dat ze niets deden en er ellendig aan toe waren. Eerst +op den langen duur onderscheidt men de veelvuldige bedrijvigheid van +deze werkeloosheid.</p> + +<p>Inderdaad, ieder dezer bijna onbewegelijke besjes werkt zonder ophouden +en oefent een verschillend handwerk uit. Geen hunner kent de rust en +diegenen onder hen b.v. die het slaperigst lijken en als doode trossen +tegen de ruiten hangen, hebben de geheimzinnigste en meest afmattende +taak: door hen wordt de was gevormd en afgescheiden. Maar weldra zullen +we de détails van deze eenparige werkzaamheid zien. Voor 't oogenblik +kunnen we er mee volstaan, de aandacht te vestigen op den voornaamsten +trek in de natuur der bij, waardoor de merkwaardige opeenhooping van +dien verwarden arbeid wordt verklaard. Vóór alles is de bij, nog in +hooger mate dan de mier, een kuddedier. Zij kan niet anders leven dan in +de massa. Wanneer ze uit een korf komt, die zóó vol is, dat ze door +stooten met haar kopje zich een doortocht moet banen door de levende +muren, die haar insluiten, dan komt ze buiten haar eigenlijk element. Ze +dompelt zich een oogenblik in de ruimte vol bloemen, zooals een zwemmer +zich dompelt in den oceaan vol paarlen, maar op straffe des doods moet +ze bij geregelde tusschenpoozen weer eens de menigte inademen, zooals +een zwemmer telkens op nieuw de lucht. Afgezonderd levend zal ze, +voorzien van overvloedig voedsel en in de gunstigste temperatuur, na +verloop van enkele dagen sterven, niet van honger of kou, maar van +eenzaamheid. De opeenhooping, de staat, scheidt voor haar een +onzichtbaar voedsel af, dat even onontbeerlijk is als de honing. Tot +deze behoefte moet men opklimmen om den geest der wetten van den korf +vast te stellen. In den korf is het individu niets, het heeft slechts +een voorwaardelijk bestaan, het is enkel een onbeduidende faktor, een +gevleugeld orgaan van de soort. Zijn gansche leven is algeheele +opoffering aan het wezen waarvan hij deel uitmaakt, dat niet is te +tellen en altijd voortbestaat. Merkwaardig is het op te merken, dat het +niet altijd zoo was. Nog heden vindt men onder de hymenoptera mellifera +(honingdragende vliesvleugeligen) alle stadiën van de voortgezette +beschaving onzer honingbij. Onder aan de ladder werkt ze alleen, in +ellende; dikwijls zelfs ziet ze haar afstammelingen niet (de Prosopis, +Colleta enz.), somtijds leeft ze te midden der beperkte familie, die ze +jaarlijks schept (de Hommels). Vervolgens gaat ze tijdelijke +verbintenissen aan (de Panurgen, Dasypoden, Halicten, enz.), om van trap +tot trap tot de bijna volmaakte doch meedoogenlooze maatschappij onzer +korven te komen, waarbij het individu volkomen wordt ingeslokt door de +republiek, en waarbij de republiek op hare beurt naar vaste regelen +wordt ten offer gebracht aan den abstrakten en onsterfelijken staat der +toekomst.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> Observatie-korven noemt men glazen korven, voorzien van +zwarte gordijntjes of van luiken. De beste bevatten maar één enkele +honigraat, zoodat men deze van twee kanten kan bekijken. Zonder eenig +gevaar of bezwaar kan men deze korven, die van een uitgang voorzien +zijn, in een salon, een bibliotheek, enz. plaatsen. De bijen, welke +hunne woning hebben in den korf, die te Parijs in mijn studeerkamer +staat, verzamelen in de steen-woestijn der groote stad genoeg om te +kunnen leven en gedijen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIIa" id="VIIIa"></a>VIII</h3> + + +<p>Laat ons hier niet te vlug zijn met het maken van gevolgtrekkingen, die +van toepassing zijn op den mensch. De mensch bezit het vermogen, zich +al of niet aan de wetten der natuur te onderwerpen; en te weten of hij +gelijk of ongelijk heeft als hij gebruik maakt van dit vermogen, is het +ernstigste en nog het minst opgehelderde punt zijner moraal. Maar 't is +daarom niet minder interessant den wil der natuur in een van de onze +verschillende wereld te ontdekken. In den ontwikkelingsgang nu der +vliesvleugeligen, die onmiddellijk na den mensch de meest bevoorrechte +bewoners van onzen aardbol zijn wat het verstand aangaat, komt deze wil +zeer duidelijk uit. Klaarblijkelijk beoogt deze verbetering der soort, +doch toont tegelijkertijd, dat hij ze enkel wenscht of verkrijgen kan +ten koste der vrijheid, der rechten en het geluk van het individu zelf. +Naar mate de maatschappij georganiseerd wordt en hooger stijgt, ziet het +bijzonder leven van ieder harer leden zijn gebied inkrimpen. Zoodra er +ergens vooruitgang bemerkbaar wordt, is deze enkel het gevolg van een +nog vollediger offer van het persoonlijk aan het algemeen belang. Ten +eerste moet ieder die ondeugden afleggen, welke daden van +onafhankelijkheid zijn. Zoo staan b.v. de hommels op den voorlaatsten +trap van de bijenbeschaving en zijn te vergelijken met onze +menscheneters. De volwassen werkbijen zwerven onophoudelijk om de eieren +heen om ze te verslinden, en hardnekkig moet de moeder ze verdedigen. +Dan, nadat ieder de gevaarlijkste ondeugden heeft afgelegd, moeten ze +een zeker aantal steeds moeielijker te verkrijgen deugden verwerven. De +werkbijen van de hommels b.v. denken er niet aan afstand te doen van de +liefde, terwijl onze honingbij in voortdurende kuischheid leeft. Spoedig +zullen we overigens zien, wat zij al niet prijs geeft in ruil voor het +gevoel van welzijn, van veiligheid, van de bouwkundige, economische en +staatkundige volmaaktheid van den korf, en we zullen op de verbazende +evolutie bij de vliesvleugeligen terugkomen in het hoofdstuk gewijd aan +den vooruitgang der soort.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="TWEEDE_BOEK" id="TWEEDE_BOEK"></a>TWEEDE BOEK.</h3> + + +<h3>DE ZWERM.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ib" id="Ib"></a>I.</h3> + + +<p>De bijen van den korf, dien wij hebben uitgekozen, hebben dus de +verdooving des winters van zich afgeschud. De koningin is op nieuw +begonnen eitjes te leggen, reeds in de eerste dagen van Februari. De +werkbijen hebben de anemonen, de wilde vlier, de stekende brem, de +viooltjes, de wilgen en noteboomen bezocht. Toen heeft de lente bezit +genomen van de aarde; de zolders en kelders vloeien over van honing en +stuifmeel, duizenden bijen worden er dagelijks geboren. De dikke, zware +darren komen uit hun groote cellen te voorschijn, bezoeken de +honingraten, en de volte in dezen al te voorspoedigen staat wordt van +dien aard, dat 's avonds honderden werkbijen, die van de bloemen +terugkeeren doch zich eenigszins hebben verlaat, geen plaats meer vinden +en genoodzaakt zijn den nacht door te brengen voor de poort, waar de +koude hen decimeert.</p> + +<p>Een zekere onrust overmeestert het geheele volk, en de oude koningin +wordt zenuwachtig. Ze voelt, dat er iets nieuws in wording is. Zij heeft +getrouwelijk haar plicht vervuld als goede voortbrengster, en nu zijn +kwelling en droefheid het gevolg van het volbrengen dier taak. Een +onweerstaanbare macht bedreigt hare rust; weldra zal ze den staat moeten +verlaten, waarin zij heerschappij voert. En toch, deze staat is haar +werk, is zij zelve. Zij is er niet koningin in de beteekenis, die wij +menschen daaraan zouden hechten. Zij geeft er geen bevelen en is zelve, +zoo goed als de geringste harer onderdanen, afhankelijk van die +verborgen en hoogwijze macht, die wij voorloopig, in afwachting van ons +pogen haar op het spoor te komen, "den geest van den bijenkorf" zullen +noemen. Maar zij is er de moeder en het eenig orgaan der liefde. In +onzekerheid en armoede heeft zij dezen staat gesticht. Zonder ophouden +heeft zij hem telkens weer bevolkt met haar eigen substantie, en allen, +die daar leven en zich bewegen—de werksters, darren, larven, poppen en +de jeugdige vorstinnen, wier op handen zijnde geboorte haar vertrek zal +verhaasten en waarvan er reeds ééne hare opvolgster is in den "geest van +den bijenkorf"—die allen zijn uit haren schoot gesproten.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIb" id="IIb"></a>II.</h3> + + +<p>Waar is hij nu eigenlijk, in wien zetelt hij, deze "geest van den +bijenkorf"? 't Is niet hetzelfde als het op zich zelf staand instinkt +van den vogel, die behendig zijn nest weet te bouwen en andere +hemelstreken op te zoeken, wanneer de dag van den trek wederom +aanbreekt. 't Is evenmin een soort machinale gewoonte van de soort, die +blindelings niets anders eischt dan te leven, en zich stoot tegen alle +hoeken en kanten van het toeval, zoodra een onverwachte omstandigheid +den gewonen gang van zaken verstoort. Integendeel, pas voor pas volgt +hij de almacht der omstandigheden als een schrandere en rappe slaaf, die +zelfs van de gevaarlijkste bevelen zijns meesters partij weet te +trekken.</p> + +<p>Onmeedoogend maar met bescheidenheid en als onderworpen aan een of +anderen hoogen plicht, beschikt hij over de rijkdommen, het genot der +vrijheid, over het leven van gansch een gevleugeld volk. Dagelijks +regelt hij het aantal geboorten en brengt dat nauwkeurig in +overeenstemming met dat der bloemen, die het landschap opluisteren. Hij +verkondigt der koningin wanneer zij is vervallen verklaard van hare +waardigheid en noodzakelijk moet vertrekken, dwingt haar hare +mededingsters ter wereld te brengen, voedt deze laatsten koninklijk op, +beschermt hen tegen de politieke haat hunner moeder, en al naar den +overvloed aan veelkleurige kelken, 't meer of minder gevorderd seizoen +en de vermoedelijke gevaren der paring, veroorlooft of verbiedt hij, dat +de eerstgeborene onder de maagdelijke prinsessen hare zusteren, die den +koninginne-zang zingen, in hun wieg gaat dooden. Een andermaal, wanneer +het seizoen reeds verder gevorderd is, en de uren van bloemengeur korter +zijn, beveelt hij, om het tijdperk der revoluties af te sluiten en het +hervatten van den arbeid te verhaasten, aan werkbijen zelven de gansche +keizerlijke nakomelingschap ter dood te brengen.</p> + +<p>Deze geest is voorzichtig en zuinig, doch geenszins karig. Hij schijnt +de weelderige en eenigszins dolle wetten der natuur in zake liefde te +kennen. Hij duldt dan ook in den zomer, in de dagen des overvloeds, de +benauwende aanwezigheid van drie of vierhonderd darren—want uit dezen +zal de koningin, wier geboorte aanstaande is, zich een minnaar kiezen +van die onbezonnen, onhandige, verwaande, drukke, gulzige, +onfatsoenlijke, onzindelijke, onverzadelijke, enorm groote mannetjes, +waarvan sommige noodeloozen arbeid verrichten en andere volstrekt en +schandelijk lui zijn. Doch als eenmaal de koningin is bevrucht, de +bloemen zich later openen en vroeger sluiten, dan spreekt hij op zekeren +morgen over allen gelijktijdig het doodvonnis uit.</p> + +<p>Hij regelt den arbeid van ieder der bijen. Naar gelang van hun leeftijd +draagt hij aan de verzorgsters der larven en nymphen hunne bezigheid op, +aan de hofdames, die voorzien in het onderhoud der koningin en haar niet +uit het oog verliezen, aan de luchtververschsters, die door het waaien +met hun vleugeltjes den korf luchten, verkoelen of verwarmen en de +verdamping van den te veel met water verzadigden honing bevorderen, aan +de architekten, metselaars, wasbereidsters en bouwbijen, die de schering +maken en de raten bouwen, aan de honingdraagsters, die daar buiten den +nektar der bloemen, waaruit de honing worden zal, het stuifmeel, dat tot +voedsel der larven en poppen dient, het maagdenwas, dat de gebouwen van +den staat moet helpen kalefateren en stevig maken, het water en het +zout, dat voor de jonkheid der natie noodig is, gaan halen. Hij geeft +een taak op aan de scheikundigen, die voor het conserveeren van den +honing zorgen door er met hun angel een druppel mierenzuur in te +brengen, aan de sluitsters, die de cellen, wier inhoud rijp is met een +deksel afsluiten, aan de schoonmaaksters, die de angstvallige +zindelijkheid der straten en pleinen onderhouden, aan de +lijkendraagsters, die de doode lichamen ver weg voeren, aan de amazones +van de wacht, die dag en nacht waken over de veiligheid van den drempel, +de komenden en gaanden ondervragen, de aankomende jeugd herkennen bij +hun eersten uitgang, vagebonden, landloopers en roovers afschrikken, +indringers verwijderen, met vereende krachten de gevaarlijke vijanden +aanvallen, en zoo noodig den ingang barricadeeren.</p> + +<p>En eindelijk, de "geest van den bijenkorf" is het ook, die het uur +vaststelt van het jaarlijksch offer aan den genius der soort—ik bedoel +het zwermen,—wanneer een gansch volk, op het toppunt van zijn voorspoed +en macht gekomen, plotseling aan het opgroeiend geslacht al zijn +schatten, paleizen, woningen en de vruchten zijner inspanning overlaat, +om daar ginder de onzekerheid en leegte van een nieuw vaderland te gaan +opzoeken. Ziehier een daad, die, al of niet bewust, zeer zeker de +menschelijke moraal te boven gaat. Ze richt somtijds de gelukkige stad +geheel te gronde, verarmt haar altijd, en verstrooit haar zeer zeker, om +aan een hooger wet dan het geluk van dien staat te gehoorzamen. Waar +wordt deze wet geformuleerd, die, zoals wij weldra zullen zien, verre +van fatalistisch en blind is, zooals men meent? Waar zetelt hij, in +welke vergadering, welken raad, welke gemeenschaps-sfeer, deze geest, +waaraan allen zich onderwerpen die zelf afhankelijk is van een +heroïschen plicht en zich altijd op de toekomst richt?</p> + +<p>'t Is met onze bijen als met de meeste dingen dezer wereld; we hebben +enkele hunner gewoonten opgelet, en zeggen: ze doen zus, en werken zóó, +hunne koninginnen worden op zulk eene wijze geboren, hunne werksters +blijven maagd, ze zwermen op dien en dien tijd. We meenen hen te kennen +en vragen niet verder. We zien hen van bloem tot bloem ijlen; letten op +het drukke komen en gaan van den bijenkorf; dit leven lijkt ons zeer +eenvoudig en even als alle andere levens beperkt tot de ingeschapen zorg +voor voedsel en voortplanting. Maar laat het oog de zaak eens van +naderbij willen bezien, trachten zich rekenschap te geven, en daar +verrijst voor ons de verbijsterende ingewikkeldheid der geringste +verschijnselen, het raadsel van de intelligentie, den wil, de +bestemming, het doel, de middelen en oorzaken, de niet te doorgronden +organisatie van de geringste daad des levens.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIb" id="IIIb"></a>III.</h3> + + +<p>In onzen korf dus is het zwermen, het groote offer aan de veeleischende +goden van het ras, in voorbereiding. Gehoorzaam aan het bevel van den +"geest", die ons vrij onverklaarbaar lijkt aangezien hij lijnrecht staat +tegenover ieder instinkt en ieder gevoelen van onze soort, gaan nu +zestig à zeventig duizend bijen van de tachtig à negentig duizend der +gansche bevolking, op het voorgeschreven uur de moederstad verlaten. Ze +vertrekken niet op een oogenblik van benardheid, hun vlucht is niet het +in ontsteltenis plotseling genomen besluit, hun door hongersnood, +oorlog of ziekte geteisterd vaderland te verlaten. Neen, deze +verbanning is langdurig overdacht en het gunstig oogenblik geduldig +afgewacht. Indien de korf arm is en zwaar beproefd door rampen van de +koninklijke familie, door ziekte of roof, dan verlaten ze hem niet. Ze +verlaten hem alleen, wanneer hij het hoogtepunt van zijn voorspoed heeft +bereikt, wanneer na den ingespannen arbeid van de lente, het groote +paleis van was met zijn honderd twintig duizend regelmatige cellen +overvloeit van nieuwen honing en van dat veelkleurig meel, dat men het +brood der bijen noemt en dat tot voedsel dient van larf en pop.</p> + +<p>Nimmer schooner is de korf dan aan den vooravond van deze heldhaftige +renunciatie. Het is zonder wederga dit drukke, eenigszins koortsachtige +en toch serene oogenblik van rijkdom en blijdschap in al hunne volheid. +Laat ons trachten ons den korf voor oogen te roepen, niet zooals de +bijen hem zien, want wij kunnen ons onmogelijk voorstellen op hoe +geweldige en tooverachtige wijze de dingen zich weerkaatsen in de zes of +zeven duizend facetten van hunne zijwaartsche oogen en het drievoudig +cyclopisch oog op hun voorhoofd, maar zoo als wij hem zouden zien, +indien wij van hunne grootte waren.</p> + +<p>Van eene hoogte nog kolossaler dan die van den St. Pieter te Rome dalen +in grooten getale, vertikaal en parallel, reusachtige muren van was tot +op den grond neder, geometrisch gebouwd, in de duistere en ledige ruimte +opgehangen, en die men wat hun nauwkeurigheid, koenheid en grootte +betreft, met geen enkel bouwwerk der menschheid kan vergelijken.</p> + +<p>Ieder dezer muren, wier bouwstof nog totaal versch, maagdelijk blinkend, +ongerept en geurig is, bestaat uit duizenden cellen en bevat genoegzaam +levensmiddelen om het gansche volk gedurende verscheidene weken te +voeden. Hier zijn het de schitterende, roode, gele, licht-paarse en +zwarte vlekken van het stuifmeel, de liefdessubstantie van alle bloemen +der lente, opgezameld in de doorschijnende cellen. In lange, weelderige, +gouden draperieën, die in stijve, onbewegelijke plooien nederhangen, +ligt daar om heen de April-honing, de helderste en geurigste, reeds in +zijn twintig duizend, met een deksel afgesloten cellen, die enkel in de +dagen van uitersten nood worden aangesproken. Iets hooger rijpt de +Mei-honing nog in zijn groote, open vaten, voor welker opening waakzame +cohorten onafgebroken een frisschen luchtstroom toevoeren. In het +midden, verre van het licht, wiens diamanten stralen door de eenige +opening heendringen, in het warmste gedeelte van den bijenkorf, sluimert +en ontwaakt de toekomst. Dit is het koninklijk domein van het broedsel, +uitsluitend voor de koningin en hare tempeldienaars +gereserveerd—ongeveer tien duizend woningen, waarin de eitjes liggen, +vijftien à zestien duizend kamers met larven, veertig duizend huizen +bewoond door witte nymphen of poppen, die door duizenden voedsters +worden verzorgd<a name="FNanchor_1_3" id="FNanchor_1_3"></a><a href="#Footnote_1_3" class="fnanchor">[1]</a>. En eindelijk, in het heilige der heiligen dezer +voorhoven, de drie, vier, zes of twaalf gesloten en naar verhouding zeer +groote paleizen der jeugdige prinsessen, die in een soort van lijkkleed +gewikkeld, bleek en onbewegelijk, in de duisternis gevoed, hunne ure +afwachten.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_3" id="Footnote_1_3"></a><a href="#FNanchor_1_3"><span class="label">[1]</span></a> De cijfers, die we hier geven, zijn streng nauwkeurig. Ze +zijn ontleend aan een grooten korf in vollen bloei.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IVb" id="IVb"></a>IV.</h3> + + +<p>Op den dag nu, die door den "geest van den bijenkorf" daartoe is +aangewezen, laat eene gedeelte van het volk—en dit wordt nauwkeurig +naar vaste en onveranderlijke wetten bepaald—het terrein over aan het +geslacht, dat nog in wording is. In de sluimerende stad worden de darren +achtergelaten, uit wier midden de koninklijke minnaar moet worden +gekozen, verder eenige zeer jonge bijen, die moeten zorgen voor het +broedsel, en een paar duizend werkbijen, die voortgaan met overal buit +te verzamelen, den opgehoopten schat bewaren en de moreele tradities van +den korf handhaven. Want iedere korf heeft zijne eigen moraal. Men vindt +er zeer deugdzame en zeer verdorvene, en een onvoorzichtig imker kan een +bijenvolk ten verderve leiden, hun den eerbied voor andermans eigendom +doen verliezen, hen aanzetten tot roof, hen gewennen aan +veroveringstochten en aan werkeloosheid, waardoor ze de schrik worden +van alle republiekjes in den omtrek. 't Is daartoe al voldoende, dat de +bij gelegenheid heeft gehad de ervaring op te doen, dat de arbeid, zoo +ver weg, onder de bloemen daarbuiten, waarvan er honderden moeten +bezocht worden voor de vorming van één druppel honing, niet het eenige +en evenmin het snelste middel is om zich te verrijken, en dat het +gemakkelijker is op bedriegelijke wijze in slecht bewaakte steden binnen +te dringen, of met geweld in andere, die te zwak zijn om zich te +verdedigen. Spoedig verliest ze het besef van den wel schitterenden doch +meedoogenloozen plicht, die haar maakt tot de gevleugelde slavin der +bloemkelken voor de voortplanting in de natuur, en 't is dikwijls zeer +moeielijk een aldus gedemoraliseerden korf weer op het goede pad terug +te brengen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Vb" id="Vb"></a>V.</h3> + + +<p>Alles wijst er op, dat niet de koningin doch de geest des bijenkorfs +over het zwermen beslist. 't Is met deze koningin als met de heerschers +onder de menschen; ze schijnen het bevel te voeren, doch gehoorzamen +zelven aan bevelen, die nog gebiedender en onverklaarbaarder zijn dan +die, welke zij geven aan wie van hen afhankelijk is. Wanneer de geest +het oogenblik heeft bepaald, moet hij wel reeds bij het aanlichten van +den dageraad, misschien zelfs den vorigen, of vóór-vorigen dag zijn +besluit hebben kenbaar gemaakt, want nauwelijks heeft de zon de eerste +druppels van den morgendauw ingezogen, of men bemerkt in de geheele +omgeving van de gonzende stad een ongewone drukte, waarin de ymker zich +maar zelden vergist. Soms zou men zelfs zeggen, dat er wordt gestreden, +geaarzeld, dat men terugkomt op het genomen besluit. Werkelijk gebeurt +het wel, dat verscheiden dagen achtereen deze goudgetinte en +doorschijnende storm op nieuw opsteekt en weer gaat liggen, +oogenschijnlijk zonder reden. Vertoont zich op zulk een oogenblik aan +den hemel der bijen een wolkje, dat wij niet zien, of komt er spijt op +in hun geest? Beraadslaagt men in een woelige vergadering over de +noodzakelijkheid van vertrek? Wij weten er niets van, evenmin als we +weten op welke wijze de geest van den bijenkorf zijn besluit aan de +menigte kenbaar maakt. Al is het zeker, dat de bijen elkander +mededeelingen doen, men weet niet of dit gebeurt op de wijze der +menschen. Dat van honing geurend gegons, de bedwelmende trilling der +mooie zomersche dagen, die een der schoonste genietingen van den ymker +uitmaakt, den feestzang van den arbeid, die in deze kristallen ure rijst +en daalt in de geheele omgeving van den bijenkorf en die het gemurmel +van blijdschap schijnt te zijn van de ontloken bloemen, de hymne van hun +geluk, de echo van hunne zoete geuren, de stem der witte anjelieren, van +thijm en marjolijn, 't staat niet vast, dat ze dit alles hooren. Toch +hebben ze een gansche toonladder van geluiden, die wij zelf kunnen +onderscheiden en die loopt van innig geluk tot bedreiging, toorn, +verdriet; ze hebben eene ode der koningin, refreinen van den overvloed, +psalmen van droefheid, en eindelijk hebben ze de langgerekte en +geheimzinnige oorlogskreten der jeugdige prinsessen in de gevechten en +moorden, die de paring voorafgaan. Is deze muziek enkel iets +bijkomstigs, dat hun innerlijke stilte onaangetast laat? Dit is zeker, +dat ze zich niet veel schijnen aan te trekken van de geluiden, die wij +maken rondom den korf, maar misschien zijn ze van oordeel, dat deze +geluiden niet zijn van hunne wereld en voor hen niet van belang. 't Is +zeer waarschijnlijk, dat wij van onzen kant slechts een zeer klein +gedeelte hooren van wat zij zeggen, en dat zij een massa harmonieën +voortbrengen, waarvoor onze organen ongeschikt zijn om ze op te vangen. +In ieder geval zullen wij aanstonds zien, dat zij, soms met +verbazingwekkende snelheid, elkaar weten te begrijpen en tot +overeenstemming weten te komen, en wanneer b.v. de groote honing-dief, +de enorme Sphinx Atropos of doodshoofd-vlinder, de sombere kapel, die +op haar rug een doodshoofd draagt, den korf binnendringt onder het +murmelen van een soort onweerstaanbaar gezang, dat haar eigen is, dan +gaat dit bericht van den een op den ander, en van af de wachteressen aan +den ingang tot aan de laatste werkbijen, die op de laatste raten aan den +arbeid zijn, siddert het gansche volk.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIb" id="VIb"></a>VI.</h3> + + +<p>Langen tijd heeft men gemeend, dat waar ze aldus de schatten van hun +koninkrijk prijsgeven om zich in een onzeker leven te storten, de +verstandige honingvliegen, die gemeenlijk zoo zuinig, zoo matig en zoo +voorzichtig zijn, aan een soort van onvermijdelijken, fatalen waanzin +gehoor geven, aan een werktuigelijken drang, aan een wet van de soort, +een decreet der natuur, aan die kracht, die voor alle wezens verborgen, +ligt in den voortspoedenden tijd.</p> + +<p>Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch, +onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft +de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs +gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch +instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar +een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht +aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze +jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven +en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het +volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot +bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude +koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen +of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de +gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit +jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis +haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een +regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan +en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.</p> + +<p>Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van +heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het +menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te +hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan +welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van +aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons +neerziet zooals wij op de bijen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIb" id="VIIb"></a>VII.</h3> + + +<p>Maar de mensch komt geen stoornis brengen in de geschiedenis van den +bijenkorf, dien wij hebben uitgekozen, en de nog vochtige warmte van den +schoonen dag, die met langzamen en reeds lichtenden tred schijnt voort +te schrijden onder de boomen, verhaast het uur van vertrek. Van boven +tot beneden staan de gouden gangen, die de evenwijdige muren scheiden, +vol werkbijen, die de toebereidselen voor de reis voltooien. En +allereerst belast zich ieder hunner met een voorraad honing, voldoende +voor vijf of zes dagen. Uit dezen honing, dien ze meenemen, halen ze +door een scheikundige bewerking, welke men nog niet voldoende heeft +verklaard, de was, die ze noodig hebben om onmiddellijk met het +optrekken der gebouwen te kunnen beginnen. Bovendien voorzien ze zich +van een zekere hoeveelheid maagdenwas, een soort van hars, bestemd om de +reten van de nieuwe woning te dichten, al wat wankelt vast te zetten, +alle wanden te vernissen en alle licht buiten te sluiten; want ze werken +bij voorkeur in een bijna totale duisternis, waarin ze den weg vinden +door middel van hunne samengestelde oogen of misschien van hunne +sprieten, die den zetel schijnen te zijn van een nog onbekend zintuig, +dat de duisternis betast en meet.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIIb" id="VIIIb"></a>VIII.</h3> + + +<p>Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen +gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan +in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de +groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en +morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen +verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet, +'t zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp +komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de +andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het +wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den +bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning +plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge +treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren +hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de +veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen +liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger +sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de +welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar +volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IXb" id="IXb"></a>IX.</h3> + + +<p>Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen, +een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer +organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten +wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een +intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere +uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij, +als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo +bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee +of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren +zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk +te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of +Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte +zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het +gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een +nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid, +onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en +waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende +feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er +waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als +wij in dit geval.</p> + +<p>'t Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de +groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te +ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch +heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen +had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het +doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets +dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te +bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze +gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen +is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te +aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze +zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook +grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal +grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze +gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep +in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de +naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met +levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij +onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze +nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer +verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die +in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de +nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van +den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig +zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is, +want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze +zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun +ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich +nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot +dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich +onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot +op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan +toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun +moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden +stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en +misschien de redders zijn van het ras."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Xb" id="Xb"></a>X.</h3> + + +<p>Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene +gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen +onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een +beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat +zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn +huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en +wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de +bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men +zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in +ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der +menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van +een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de +vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de +zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls +een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen +des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is, +zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIb" id="XIb"></a>XI.</h3> + + +<p>Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief, +zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en +zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig, +gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel +der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de +glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar +geluk en schoonheid,—wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt +opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij +verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat +gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door +middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en +blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij +ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden +uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer +heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze +zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan +zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het +magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze +bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken +vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze +bijna allen om in minder dan vijf weken.</p> + +<p><i>Tantus amor florum, et generandi gloria mellis,</i> roept Virgilius uit, +die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke +dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met +oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIb" id="XIIb"></a>XII.</h3> + + +<p>Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van +de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste +broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De +honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen +volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie +honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen +smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid? +Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer +waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen +wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze: +ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar +wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend +vernieuwd bestaan?</p> + +<p>Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling +en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen +ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en +welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar +ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge +onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te +weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te +houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo +geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in +zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te +bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag +ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den +verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging, +onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en +dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten +zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele +uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof +voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den +anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid, +slaap, eeuwigheid?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIIb" id="XIIIb"></a>XIII.</h3> + + +<p>Doch laten wij onzen bijenkorf niet vergeten, waar de zwerm al +ongeduldig wordt, onzen korf, die al borrelt en overvloeit van zwarte, +trillende golven, gelijk een metalen schaal onder de hitte der zon. 't +Is de middagure en men zou meenen, dat onder de heerschende warmte de +verzamelde boomen al hunne bladeren inhielden, zooals men den adem +inhoudt in de tegenwoordigheid van iets zeer liefelijks maar zeer +ernstigs.</p> + +<p>De bijen geven den mensch, die hen verzorgt, den honing en de geurige +was, maar wat misschien dien honing en die was nog te boven gaat, dat is +dit, dat ze zijn aandacht vestigen op de blijdschap van Juni, dat ze hem +oog geven voor de harmonie der schoone maanden; dat is dit, dat alle +gebeurtenissen, waarin zij deelnemen, onafscheidelijk zijn van een +helderen hemel, het feest der bloemen, de gelukkigste uren van het jaar. +Zij zijn de ziel van den zomer, de tijdwijzer van de minuten van +overvloed, de rappe vleugelen van de zich verspreidende geuren, het +intellekt van de zwevende stralen, het gezang der atmosfeer, die zich +uitrekt en rust meent; en hunne vlucht is het zichtbaar teeken, de +heldere en muzikale toon van alle onnoembare kleine genietingen, die uit +de warmte ontspruiten en in het licht leven. Zij doen de stem verstaan, +ook het intiemst geluid, van de heerlijke uren der natuur. Voor wie ze +heeft gekend en liefgehad, schijnt een zomer zonder bijen even +ongelukkig en even onvolkomen als een zonder vogels of zonder bloemen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIVb" id="XIVb"></a>XIV.</h3> + + +<p>Iemand, die voor de eerste maal deze verbijsterende en wanordelijke +gebeurtenis, het zwermen van een flink bevolkten bijenkorf, bijwoont, +voelt zich eenigszins teleurgesteld en komt niet dan met zekere angst +naderbij. Hij herkent ze niet meer, de ernstige, vreedzame bijen van de +uren van arbeid. Enkele oogenblikken te voren zag hij ze uit alle hoeken +terugkeeren van buiten, opgaande in hun werk als kleine burgervrouwtjes, +die door niets worden afgeleid van hunne huishoudelijke aangelegenheden. +Ze kwamen bijna onopgemerkt binnen, moe, buiten adem, druk, haastig, +maar toch zeer bescheiden, en werden in 't voorbijgaan door de jeugdige +amazones aan den ingang begroet met een lichte beweging der sprieten. +Hoogstens wisselden zij enkele onontbeerlijke woorden bij het haastig +overgeven van hun bijeengegaarden honing aan een der jeugdige +honingdraagsters, die altijd te vinden zijn in den binnensten hof van de +werkplaats;—of wel zelf gingen zij naar de ruime honingzolders, die de +broedplaats omgeven, om daar de twee zware korven vol stuifmeel neer te +zetten welke ze aan hun dijen hebben vastgehecht, en vertrokken +onmiddellijk weer, zonder zich ook maar eenigszins te bekommeren om 't +geen daar voorviel in de werkplaatsen, in het slaapvertrek der nymphen +of in 't koninklijk paleis, zonder zich ook maar een enkel oogenblik te +mengen in het gewoel op het plein, dat zich uitstrekt voor den ingang en +dat op de uren van groote hitte geheel in beslag wordt genomen door het +gebabbel der luchtververschsters, die daar om het vlieggat, naar de +teekenachtige uitdrukking der ymkers "als afhangende zware baarden" +werkeloos voorhangen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVb" id="XVb"></a>XV.</h3> + + +<p>Heden is alles anders. 't Is waar, een zeker aantal arbeidsters gaat, +alsof er niets in aantocht was, kalm naar de velden, komt weer terug en +begeeft zich naar de kamers van de broedplaats zonder te worden +aangestoken door de algemeene opwinding. Dat zijn degenen, die niet met +de koningin meegaan en in de oude woning blijven om die te bewaken en te +zorgen voor de verpleging en voeding van de negen à tienduizend eieren, +de achttienduizend larven, de zes en dertig duizend nymphen en de zeven +of acht prinsessen, die men in den steek laat. Ze zijn uitgekozen voor +deze zware taak, zonder dat men weet krachtens welke regelen, noch door +wien, noch hoe. Kalm en onwankelbaar volharden zij daarin, en hoewel ik +er verscheidene malen de proef van heb genomen door met een kleurrijk +poeder eenige dezer lijdelijke "asschepoestertjes" te bestrooien, die +men onder dit feestelijk troepje vrij gemakkelijk herkent aan hun +plechtigen en eenigszins zwaren gang, zeer zelden heb ik er een +aangetroffen onder de opgewonden menigte der zwermende bijen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIb" id="XVIb"></a>XVI.</h3> + + +<p>En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de +misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't +is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is +de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige +Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar +hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze +verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling +worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en +rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die +anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en +gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven, +te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze +vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van +den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of +vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar, +strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het +weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door +zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te +eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken +door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst +en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,—de mensch kan +hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd +door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als +een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm +libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend, +niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet +scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen +ze zich aan alles en kwetsen niemand.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIb" id="XVIIb"></a>XVII.</h3> + + +<p>Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een +onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan +ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te +vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk +doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen +door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in +dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een +rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur +daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen +zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten +nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte +heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te +verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze +smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er +de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten +is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch +der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen +der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan +der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze +behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren +eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de +zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te +verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt, +haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze +hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja +zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft, +gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in +beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf, +en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat +ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen +werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener +werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een +bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het +groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de +voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke +omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en +als dit verlies is geconstateerd,—somtijds verloopen er twee of drie +uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de +stad,—dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de +kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te +sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de +slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en +laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de +deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle +parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje, +komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam +bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en +wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van +droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar +schitteren.</p> + +<p>Maar laat men de souvereine vervangen vóór nog haar verlies een +voldongen en onherstelbaar feit is geworden, vóór de demoralisatie al te +grooten omvang heeft aangenomen (de bijen zijn als de menschen, te +langdurige vertwijfeling of rampen doen afbreuk aan hun verstand en +verlagen hun karakter), laat men enkele uren daarna de souvereine +vervangen, en ze bereiden deze een buitengewoon en aandoenlijk onthaal. +Allen verdringen zich rondom haar, vormen groepjes, klimmen op en over +elkaar, liefkoozen haar in 't voorbijgaan met hunne lange sprieten, die +zooveel voor ons nog onverklaarde organen bezitten, brengen haar honing, +en geleiden haar in optocht naar de koninklijke vertrekken. Onmiddellijk +is de orde weer hersteld en 't werk wordt weer hervat van de binnenste +raten der broedplaats tot aan de verste bijgebouwen, waar het overschot +van den oogst wordt opgeborgen: de honingdraagsters gaan uit in dichte +rijen en komen soms in minder dan drie minuten terug beladen met +honingsap en stuifmeel, de plunderaars en parasieten worden uitgedreven +of vermoord, de straten worden geveegd, en de korf weerklinkt liefelijk +en eentonig van dat lied van geluk, iets geheel eigenaardigs, dat om zoo +te zeggen het lied van de koninklijke presentie is.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIIb" id="XVIIIb"></a>XVIII.</h3> + + +<p>Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen +toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der +kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of +onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het +volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men +vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt +doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en +schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het +gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij +nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische +dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig +malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en +levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen +vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een +klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des +vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw +organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar +verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en +onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een +verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de +natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan +den dag dan de mensch.</p> + +<p>Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de +aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al +voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de +flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene +kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der +moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien +vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te +fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren; +eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne +koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze +niet kon vliegen.</p> + +<p>Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder +eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen +overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen +en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIXb" id="XIXb"></a>XIX.</h3> + + +<p>Dit is weer een dier omstandigheden, ontsproten uit de ongehoorde +beproevingen, die onze nieuwerwetsche en tyrannieke inmenging de +ongelukkige maar onwankelbare heldinnen doet ondergaan, waarbij men +hunne kinderlijke liefde en zelfverloochening bij hare laatste +krachtsinspanning verrast. Ik heb meer dan eens, zooals ieder +bijenliefhebber, bevruchte koninginnen uit Italië doen komen, want het +Italiaansche ras is beter, sterker, vruchtbaarder, vlijtiger en zachter +dan het onze. Ze worden verzonden in kleine, doorboorde doosjes. Men +doet er wat levensmiddelen in en sluit er de koningin in op vergezeld +van een zeker aantal werkbijen, die zooveel mogelijk uit de oudsten +worden gekozen (de ouderdom der bijen is gemakkelijk op te maken uit hun +glad, mager en bijna kaal lichaam, maar bovenal uit hun versleten en +door den arbeid gescheurde vleugeltjes) om haar te voeden, te verzorgen +en te bewaken tijdens de reis. Dikwijls waren bij aankomst de meeste der +werkbijen bezweken. Eenmaal zelfs waren alle van honger gestorven; doch +dezen keer zoowel als den voorgaanden was de koningin geheel ongedeerd +en krachtig, en de laatste harer gezellinnen was waarschijnlijk +gestorven door aan hare souvereine, het symbool van een kostbaarder en +grootscher leven dan het hare, den laatsten droppel honing aan te +bieden, dien ze nog bewaard hield in haar honingblaas.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXb" id="XXb"></a>XX.</h3> + + +<p>Toen de mensch eenmaal deze hechte aanhankelijkheid had opgemerkt, wist +hij partij te trekken van den politieken zin, de arbeidzaamheid, de +volharding, de grootmoedigheid, den hartstocht voor de toekomst, die er +uit voortvloeien of in liggen opgesloten. Dank zij deze aanhankelijkheid +is hij er sedert eenige jaren in geslaagd tot op zekere hoogte en zonder +dat zij er iets van vermoeden, deze woeste amazones te temmen, want zij +geven zich aan geen enkele vreemde macht gevangen en in hunne onbewuste +afhankelijkheid, schikken zij zich toch enkel naar hunne eigene, +dienstbaar gemaakte wetten. Hij mag gelooven, dat hij met de koningin de +ziel en het lot van den ganschen bijenkorf in handen heeft.</p> + +<p>Al naar het gebruik dat hij van haar maakt, van het spel, dat hij met +haar speelt om zoo te zeggen, hitst hij aan en vermenigvuldigt, belet +het zwermen of beperkt het, vereenigt of verdeelt de kolonies en heeft +de leiding over den uittocht. Doch dit neemt niet weg, dat de koningin +in den grond der zaak niets is dan een levend zinnebeeld, hetwelk even +als alle symbolen een minder zichtbaar en grootscher principe +vertegenwoordigt, waarmede de ymker heeft rekening te houden, wil hij +zich niet blootstellen aan meer dan eene teleurstelling. Trouwens de +bijen zelf bedriegen er zich niet in, en verliezen door deze zichtbare +en vergankelijke koningin heen, hunne eigenlijke onstoffelijke en +onvergankelijke souvereine, hun idée fixe, niet uit het oog. Laat dit +denkbeeld bewust zijn of onbewust, dat doet er niet toe, zoolang we niet +meer in 't bijzonder óf de bijen willen bewonderen die het koesteren, óf +de natuur, die het in hen heeft gelegd. Waar het zich ook moge bevinden, +in deze kleine, teedere lichaampjes of in het groote onkenbare lichaam, +het is al onze opmerkzaamheid waardig; en in 't voorbijgaan gezegd, we +zouden als we onze bewondering niet altijd afhankelijk maakten van +allerlei bijkomstige omstandigheden van plaats of oorsprong, niet zoo +dikwijls de gelegenheid laten voorbijgaan om onze oogen wijd open te +zetten van verbazing, en niets is heilzamer dan ze aldus te openen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIb" id="XXIb"></a>XXI.</h3> + + +<p>Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen +zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen +aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun +geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der +zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees +voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen +aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier +van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat +vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft +geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne +koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men +slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen +kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't +misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel +meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der +noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer +van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden +oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct +noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak +beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op +geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in +aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de +meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de +naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een +stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn +als wij dat van de bijen veronderstellen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIIb" id="XXIIb"></a>XXII.</h3> + + +<p>"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon—die een grappigen wrok +tegen de bijen koestert—"men zal het met mij eens zijn, dat deze +diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de +hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze +minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord +minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn; +indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel +voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf +behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet +samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen. +Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur +verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle +redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle +tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al +waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen +blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar +elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze, +al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al +spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen; +dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot +eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei +inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap +geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief, +en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want +deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die +samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne +gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle +hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten, +gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op +goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne +woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben +enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het +vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles +gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."</p> + +<p>Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te +verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet +zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De +zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij, +maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het +gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat +niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is +als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het +aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't +niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze +natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele +menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan +wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten, +die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing +verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan +zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men +ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij +verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIIIb" id="XXIIIb"></a>XXIII.</h3> + + +<p>Hoe dit ook zij en om te blijven staan bij onze gissing, die althans dit +vóór heeft, dat ze in onzen geest zekere handelingen verbindt, die in de +werkelijkheid klaarblijkelijk verbonden zijn, veel meer dan de koningin +zelve beminnen ze in hunne koningin de oneindige toekomst van hun +geslacht. De bijen zijn volstrekt niet sentimenteel en wanneer een der +hunnen zóó ernstig gekwetst van den arbeid terugkomt, dat ze niet meer +van dienst kan zijn, dan wordt ze meedoogenloos verstoten. Toch kan men +niet zeggen, dat ze niet een soort van persoonlijke gehechtheid voor +hunne moeder kunnen koesteren. Ze herkennen haar altijd uit de anderen. +Zelfs wanneer ze oud is, verminkt en haveloos, zullen toch de +wachteressen nimmer een onbekende koningin, hoe jong, schoon en +vruchtbaar ze ook schijnen moge, veroorloven in den korf binnen te +dringen. Inderdaad is dit een der fundamenteele beginselen hunner +staatkunde en maakt men er slechts een heel enkelen keer inbreuk op, in +de tijden der groote honing-inzameling, ten gunste van een enkele +vreemde arbeidster, die rijk met levensmiddelen beladen is.</p> + +<p>Als ze volkomen onvruchtbaar geworden is, vervangen ze haar door het +aankweeken van een zeker aantal koninklijke prinsessen. Maar wat doen ze +met de oude vorstin? Precies weet men het niet: maar 't is bij ymkers +wel voorgekomen, dat ze op de honigraten van een bijenkorf een prachtige +koningin vonden in de vaag der jeugd, en binnen in, in een donker +hoekje, de oude "minnares" zooals ze in Normandië genoemd wordt, verlamd +en vermagerd. In dit geval schijnen ze haar tot het einde toe te moeten +beschermen tegen den haat van haar krachtige mededingster, die slechts +peinst op haar dood: want de koninginnen koesteren onderling een +onoverkomelijken haat, die maakt dat zoodra er zich twee onder het +zelfde dak bevinden, ze op elkander aanvallen. Gaarne zou men aannemen, +dat ze op deze wijze aan het oudje een soort van nederig en vreedzaam +toevluchtsoord bereiden, om er in een afgelegen gedeelte der stad hare +dagen te eindigen. Doch op nieuw staan we hier voor een dier duizenden +raadsels van het wassen koninkrijk, en op nieuw biedt zich ons de +gelegenheid te constateeren, dat de staatkunde en de gewoonten der bijen +volstrekt niet bekrompen en fatalistisch zijn, en dat ze veel +ingewikkelder beweegredenen hebben dan die welke wij meenen te kennen.</p> + + + +<h3><a name="XXIVb" id="XXIVb"></a>XXIV.</h3> + + +<p>Wij echter verstoren ieder oogenblik de natuurwetten, die in hunne oogen +onwrikbaar vast moeten staan. Wij brengen hen dagelijks in denzelfden +toestand, waarin wij ons zouden bevinden, indien iemand plotseling +rondom ons de wetten van de zwaartekracht, de ruimte, het licht of den +dood ophief. Wat zullen ze nu doen als men door geweld of list een +tweede koningin binnen de stad brengt? In den natuurstaat is dit geval, +dank zij de wachteressen van den ingang, misschien nooit voorgekomen, +zoolang ze deze wereld bewonen. Ze raken hun hoofd niet kwijt en weten +bij zulk een wonderbaar samentreffen zoo goed mogelijk twee principes, +die zij als goddelijke instellingen schijnen te eerbiedigen, met elkaar +te verbinden. Het eerste is dit, dat er slechts ééne moeder mag zijn, en +men wijkt er nooit van af behalve in 't geval (en zeer uitsluitend in +dat geval) dat de heerschende koningin onvruchtbaar is. Het tweede is +nog merkwaardiger, maar al mag dit niet worden overtreden, men kan het +ten minste ontduiken, evenals de Joodsche wet. Het is het principe, dat +aan de persoon van iedere koningin, wie ze ook zijn moge, een soort van +onschendbaarheid verleent. 't Zou den bijen gemakkelijk vallen, de +indringster met hunne duizend vergiftige angels te doorboren; ze zou +onmiddellijk omkomen en ze hadden niets te doen dan haar lijk buiten den +korf te sleepen. Maar al hebben ze hun angel altijd gereed, al gebruiken +ze dien ieder oogenblik in hun onderlingen strijd, om de darren en +parasieten ter dood te brengen, <i>nooit steken ze een koningin</i>, evenmin +als een koningin ooit een mensch, een dier of een gewone bij steekt; en +haar koninklijk wapen, dat in plaats van recht te zijn, den gebogen vorm +heeft van een krommen sabel, wordt enkel door haar uit de scheede +getrokken als ze strijdt tegen haars gelijke, dat wil zeggen tegen een +andere koningin.</p> + +<p>Daar nu blijkbaar geen enkele bij de afschuwelijke daad van een +regelrechten en bloedigen koningsmoord op zich wil nemen, trachten ze in +die omstandigheden wanneer het voor de goede orde en den voorspoed der +republiek noodzakelijk is een koningin te doen omkomen, aan dien dood +den schijn te geven van een natuurlijken dood; ze verdeelen de misdaad +tot in het oneindige onder elkaar, zoodat ze anoniem wordt.</p> + +<p>"Ze pakken dan de vreemde koningin in" om den technischen term der +ymkers te gebruiken, wat beduidt, dat ze haar totaal omwikkelen met +hunne ontelbare, samengestrengelde lichamen. Aldus vormen ze een soort +van levende gevangenis, waarin de gevangene zich niet meer kan bewegen, +en zoo noodig houden ze dat vier en twintig uur vol, totdat ze sterft +van honger of stikt.</p> + +<p>Verschijnt in zulke oogenblikken de wettige koningin en schijnt ze, een +mededingster bespeurende, geneigd haar aan te vallen, dan openen zich de +bewegelijke muren der gevangenis onmiddellijk voor haar. De bijen vormen +een kring rondom de beide vijandinnen, en zonder er aan deel te nemen +wonen ze als oplettende maar onpartijdige toeschouwsters den +zonderlingen strijd bij; want enkel eene moeder mag haren angel richten +tegen eene moeder, alleen zij die meer dan een millioen levens in zich +bevat, schijnt het recht te hebben door een enkelen steek duizend dooden +te maken.</p> + +<p>Maar indien het vijandelijk treffen langen tijd zonder gevolg blijft, +indien de beide kromme angels langs de zware harnassen afglijden zonder +iets uit te richten, dan wordt die koningin, die aanstalten maakt te +ontvluchten, de wettige zoo goed als de vreemde, beet gepakt, +tegengehouden en omgeven door de trillende gevangenis tot ze weer +neiging toont den strijd te hervatten. 't Is niet meer dan billijk er +bij te voegen, dat men bij de talrijke ervaringen te dezen opzichte +opgedaan, bijna altijd de wettige koningin heeft zien overwinnen, 't zij +deze doordat ze zich thuis voelt en te midden der haren, meer moed en +kamplust bezit dan de andere, 't zij de bijen, zoo ze al onpartijdig +zijn bij den aanvang van den strijd, het niet geheel en al zijn in de +wijze van inkerkering der beide mededingsters; want hunne moeder schijnt +daar weinig onder te lijden te hebben, terwijl de vreemde er zichtbaar +gekneusd en afgemat uit te voorschijn komt.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXVb" id="XXVb"></a>XXV.</h3> + + +<p>Een gemakkelijke proefneming toont beter dan iets anders aan, dat de +bijen hunne koningin herkennen en een ware gehechtheid voor haar +koesteren. Neem de koningin weg uit een bijenkorf en weldra zult ge alle +verschijnselen van angst en verslagenheid kunnen waarnemen, die ik in +een vorig hoofdstuk beschreven heb. Breng na enkele uren dezelfde +koningin terug en al hare dochters zullen haar tegemoet komen en haar +honing aanbieden. Eenige stellen zich langs haar weg op in rijen, +anderen vormen met het hoofd naar beneden en het onderlijf in de hoogte +groote, onbeweeglijke, maar klankgevende half-cirkels rondom haar, aldus +ongetwijfeld den vreugdezang over hare wederkomst zingend en door deze +plechtigheid hun eerbied of hun overgroot geluk te kennen gevend.</p> + +<p>Meent echter niet hen te kunnen bedriegen door voor de wettige koningin +een vreemde moeder in de plaats te geven. Nauwelijks heeft ze eenige +schreden in den korf gedaan of de verontwaardigde werkbijen komen van +alle kanten toestroomen. Onmiddellijk wordt ze gegrepen, ingewikkeld en +vastgehouden in die vreeselijke bewegelijke gevangenis, welker muren +door gestadige aflossing tot aan haar dood zullen blijven bestaan, want +in dit bijzonder geval zal ze maar zelden er levend uitkomen.</p> + +<p>Daarom blijft een der grootste moeielijkheden van de bijenteelt het +inbrengen en vervangen der koninginnen. 't Is merkwaardig om te zien tot +hoeveel diplomatie en ingewikkelde listen de mensch zijn toevlucht moet +nemen om zijn wensch door te zetten en deze kleine insecten met al hun +doorzicht maar ook onveranderlijk goed vertrouwen, om den tuin te +leiden, die met een aandoenlijken moed de meest onverwachte +gebeurtenissen aanvaarden, en er klaarblijkelijk enkel een nieuwe maar +onontkoombare gril van de natuur in zien.</p> + +<p>In 't kort, bij al deze diplomatie en de wanhopige wanorde, die deze +gewaagde listen meestal met zich brengen, rekent de mensch bijna +empirisch op den bewonderenswaardigen praktischen zin der bijen, op den +onuitputtelijken schat hunner wonderbare wetten en gewoonten, op hun zin +voor orde, vrede en het openbaar welzijn, op hun trouw aan de toekomst, +op de belangeloosheid en degelijkheid van hun karakter en vooral op hun +volhardende plichtsbetrachting, die door niets schijnt te worden +uitgeput. Maar de nadere bijzonderheden van dit optreden behooren bij +een verhandeling over de eigenlijke gezegde bijenteelt en zouden ons +hier te ver voeren <a name="FNanchor_1_4" id="FNanchor_1_4"></a><a href="#Footnote_1_4" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_4" id="Footnote_1_4"></a><a href="#FNanchor_1_4"><span class="label">[1]</span></a> Gewoonlijk brengt men de koningin in een korf door haar op +te sluiten in een kooi van ijzerdraad, die men tusschen twee raten +ophangt. De kooi is voorzien van een deur van was en honing, die door de +werkbijen wordt opgegeten als hun toorn voorbij is, waardoor ze de +gevangene bevrijden, die dikwijls zonder onwil wordt ontvangen. De heer +S. Simmins, direkteur van het groote bijenpark te Rottingdeau, heeft +onlangs een andere, hoogst eenvoudige manier uitgevonden, welke bijna +altijd slaagt en reeds ingang vindt bij alle ymkers, die waarlijk +belangstellen in hun vak. De groote moeielijkheid bij het invoeren is +gewoonlijk de houding der koningin. Ze is haar hoofd kwijt, wil vluchten +of zich verbergen, gedraagt zich als een indringster, en wekt daardoor +vermoedens, die al spoedig door het onderzoek der werkbijen bevestigd +worden. De heer Simmins houdt eerst de bewuste koningin geheel +afgezonderd en laat haar een half uur vasten. Vervolgens licht hij een +hoekje van de binnen-bedekking van den verweesden korf op en zet de +koningin boven op een der raten. Na haar voorafgaand isolement, dat ze +heel akelig heeft gevonden, is ze blij weer onder bijen te zijn, en +uitgehongerd zijnde, neemt ze gretig de spijzen aan, die men haar +aanbiedt. Door deze kalmte om den tuin geleid, doen de werkbijen geen +onderzoek en houden het er waarschijnlijk voor, dat hun koningin is +teruggekomen, die ze met vreugde weer opnemen. Uit deze ervaring schijnt +op te maken, dat zij, in strijd met de meening van Huber en alle +waarnemers, hunne koningin niet herkennen.—Hoe dit ook zij, de beide +evenzeer aannemelijke verklaringen toonen weer eens te meer—hoewel de +waarheid misschien gelegen is in een derde ons nog niet bekende +verklaring—hoe ingewikkeld en hoe duister de psychologie der bijen nog +is. En uit deze, zoowel als uit alle andere levensvragen, is maar ééne +conclusie te trekken, en wel deze, dat in afwachting van beter, +nieuwsgierigheid ons moet blijven bezielen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXVIb" id="XXVIb"></a>XXVI.</h3> + + +<p>Wat nu de persoonlijke gehechtheid betreft waarover we spraken, en om +daarmede nu af te rekenen: al is de waarschijnlijkheid groot, dat ze +bestaat, even zeker is het dat ze kort is van geheugen. Indien ge na +verloop van eenigen tijd een verbannen koningin in haar waardigheid wilt +herstellen, dan zal ze op zulk eene wijze worden ontvangen door hare +verbitterde kinderen, dat ge u zult moeten haasten haar te ontrukken aan +de doodelijke inkerkering, de straf van onbekende koninginnen. De reden +daarvan is, dat ze tijd hebben gehad om een tiental verblijven van +werkbijen in koninklijke cellen te veranderen, en dat de toekomst van +het ras volstrekt geen gevaar meer loopt. Men ziet dus ook zeer dikwijls +de onderdanen eener maagdelijke koningin, wanneer deze de gevaarlijke +plechtigheid van de "paringsuitvlucht" volbrengt, dermate beangst haar +te verliezen, dat allen haar vergezellen op dezen tragischen en verren +onderzoekingstocht naar de liefde, wat ze nimmer doen indien men heeft +zorg gedragen hun een stukje raat met eenige cellen jong broedsel te +geven, waarin voor hen de hoop ligt opgesloten, nieuwe moeders te +kweeken. Die gehechtheid kan zelfs omslaan in woede en haat, indien +hunne vorstin niet al hare plichten vervult tegenover die soort +abstracte godheid, die wij de maatschappij der toekomst zouden noemen en +waarvoor zij veel meer schijnen te voelen dan wij. 't Is b.v. +voorgekomen, dat ymkers om verschillende redenen, de koningin beletten +zich bij den zwerm te voegen door haar tegen te houden met een +traliewerk, waardoor de fijne, lichte werkbijen heenvlogen zonder het te +bespeuren, maar waar de arme slavin der liefde, die aanmerkelijk +zwaarder en corpulenter is dan hare dochters, niet doorheen kon. Bij het +eerste uitvliegen kwamen de bijen, als ze bespeurden, dat ze hen niet +gevolgd had weer naar den korf terug en beknorden, schudden en +mishandelden op duidelijk zichtbare wijze de ongelukkige gevangene, die +ze zonder twijfel van luiheid beschuldigden of voor zwak van geest +hielden. Bij den tweeden uittocht, als haar onwil dus duidelijk bleek, +nam de toorn toe en werden de mishandelingen nog erger. En eindelijk na +den derden hielden ze haar voor onverbeterlijk trouweloos tegenover haar +bestemming en de toekomst van het ras, veroordeelden haar bijna altijd +en brachten haar ter dood in de koninklijke gevangenis.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXVIIb" id="XXVIIb"></a>XXVII.</h3> + + +<p>Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met +een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene +vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken +daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het +onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze +inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal +men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte +verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden +wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde, +die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne +bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een +natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te +spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een +eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk +intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd +beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe +het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens +zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en +eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de +bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere +proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van +getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de +"secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen +in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone +proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen +enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze +het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies +van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken +ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm +van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en +geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar +eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te +noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter +dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat +weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen +verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch +op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk +maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in +een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op +de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor +zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters +hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken, +die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken +te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der +schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de +schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te +begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren, +hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te +maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor +dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit +feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel +eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin +hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik +voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om +zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder +tiert, de <i>Acherontia Atropos</i>, maken ze aan den ingang van hun korf +wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf +niet tusschen door kan.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXVIIIb" id="XXVIIIb"></a>XXVIII.</h3> + + +<p>Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen, +zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de +positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens +de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de +eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen +schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde +daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het +zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze +vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten +een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een +aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een +democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en +redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar +men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers +werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel +bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het +wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers +konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen—en +misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol +beheerscht—is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe +weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den +bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer +aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te +verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk +zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke +plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den +aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn +geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de +bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf +levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen +gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en +de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun +verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen +aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener +werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin +zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar +voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd +worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden +schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een +wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan +miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die +keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren +plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen +voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking +zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen +zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien +de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen +gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of +nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in +den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als +een trophee achter zich aan.</p> + +<p>Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de +weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan +al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die +verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen +evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk +van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den +geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den +korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich +van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet +noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na +te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard, +Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke +kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te +plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den +prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen +schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de +kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen +bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een +andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste, +ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur +voorkomen<a name="FNanchor_1_5" id="FNanchor_1_5"></a><a href="#Footnote_1_5" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het +gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar +de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze +geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en +dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden +van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_5" id="Footnote_1_5"></a><a href="#FNanchor_1_5"><span class="label">[1]</span></a> De hersenen der bijen vormen naar de berekening van +Dujardin het 174<sup>ste</sup> deel van het totale gewicht van 't insect; die van +de mieren het 296<sup>ste</sup>. Daarentegen zijn de <i>peduncidi cerebri</i> (een +bundel zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar +evenredigheid der overwinningen van het intellekt over het instinkt, van +minder beteekenis bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het +ander opweegt, schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als +men maar niet vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en +als men rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de +intellektueele beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk +moet zijn.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIXb" id="XXIXb"></a>XXIX.</h3> + + +<p>Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet +hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van +vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men +kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een +plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa +komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen, +in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht, +trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk +uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit +honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende +vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den +bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde +ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk +gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en +trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven, +waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen +tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een +verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een +andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel +worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde +tafellakens<a name="FNanchor_1_6" id="FNanchor_1_6"></a><a href="#Footnote_1_6" class="fnanchor">[1]</a>, die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of +anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de +gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel +en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg, +waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden +spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en +waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze +vleugeltjes, om heen rolt.</p> + +<p>Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke +sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die +oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende +hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat +alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros, +onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door +duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst +afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord +te zoeken.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_6" id="Footnote_1_6"></a><a href="#FNanchor_1_6"><span class="label">[1]</span></a> Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u." +VERT.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXXb" id="XXXb"></a>XXX.</h3> + + +<p>Dit is de eerste pleisterplaats van den zwerm, die de "primaire zwerm" +wordt genoemd, aan welks spits zich nog altijd de oude koningin bevindt. +Gewoonlijk zet hij zich neer op een boom of struik in de onmiddellijke +nabijheid van den korf, want de koningin, die zich bezwaard voelt door +hare eieren en het daglicht niet weer heeft aanschouwd sedert hare +paring of sedert het zwermen van het vorig jaar, durft zich nog niet in +de ruimte te wagen en schijnt het gebruik harer vleugels verloren te +hebben.</p> + +<p>De ymker wacht tot de massa een dichte klomp is geworden, en dan gaat +hij, met een grooten stroohoed op (want de kalmste bij trekt zonder feil +haren angel, wanneer ze in de haren verward raakt, waar ze meent in een +val gevangen te zijn) maar zonder masker en zonder sluier als hij eenige +ervaring heeft, en nadat hij zijne bloote armen tot aan den elleboog in +koud water heeft gedompeld, aan het overbrengen van den zwerm, door den +tak, die dezen draagt, flink te schudden boven een omgekeerden korf. +Zwaar valt de tros er in neer, als een rijpe vrucht. Of wel als de tak +te sterk is, schept hij met een lepel wat van den hoop af en verspreidt +die lepels vol levend goedje waar hij wil, precies alsof het koren was. +Hij heeft niets te vreezen van de bijen, die om hem heen gonzen en in +menigte zijn handen en gezicht bedekken. Hij luistert naar hun +vreugdezang, die in 't geheel niet lijkt op het lied van hunnen toorn. +Hij behoeft niet te duchten, dat de zwerm zich zal verdeelen, boos +worden of ontvluchten. Ik zeide het reeds, op dien dag zijn de +geheimzinnige arbeidsters bezield met een geest van feestelijkheid en +goed vertrouwen, die door niets wordt verstoord. Ze hebben zich +losgemaakt van de goederen, die zij te verdedigen hadden en kennen hun +vijanden niet meer. Ze zijn onschadelijk krachtens dat gevoel van geluk, +en ze zijn gelukkig zonder dat we weten waarom: ze vervullen de wet. +Alle wezens kennen zulke oogenblikken van blind geluk, die de natuur +voor hen heeft weggelegd, als ze haar doel wil bereiken. Laten we er +niet verbaasd over zijn, dat de bijen er zich door laten beet nemen; wij +zelven, die haar nu reeds zoo vele eeuwen waarnemen met behulp van +hersenen, welke veel volmaakter zijn dan de hunne, wij zijn er ook nog +dupe van en weten nog altijd niet of ze welwillend, onverschillig of +laaghartig wreed is.</p> + +<p>De zwerm blijft waar de koningin is neergevallen, en al was ze alleen in +den korf gevallen, dan zouden toch alle bijen, zoodra ze hare +aanwezigheid opmerkten, zich in lange zwarte rijen naar de moederlijke +verblijfplaats begeven; terwijl de meesten daar haast mee maken, blijven +er een massa andere een oogenblik voor den ingang der onbekende poorten +staan en vormen daar in statige vreugde een kring, zooals zij gewoon +zijn bij alle blijde gebeurtenissen te doen. Zij "slaan den roffel" +zeggen de boeren. Onmiddellijk wordt het niet verwachte toevluchtsoord +aanvaard en in zijn minste schuilhoeken doorzocht; zijn plaats in den +bijenstand, zijn vorm en kleur worden verkend en in duizenden +voorzichtige en trouwe geheugentjes weggelegd. De kenmerkende punten van +de omgeving worden met zorg opgenomen, de nieuwe stad is gesticht en +hare plaats opgeteekend in den geest en het hart van al hare bewoners; +men hoort binnen hare muren den liefde-zang van de koninklijke presentie +weerklinken en de arbeid begint.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXXIb" id="XXXIb"></a>XXXI.</h3> + + +<p>Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm +hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der +werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of +kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in +alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een +voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het +ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het +schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren. +Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag. +Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de +voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een +grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot +den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter +is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven +oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich +los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een +onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer +kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen +en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd +doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze +keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere +lotgevallen bijster.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="DERDE_BOEK" id="DERDE_BOEK"></a>DERDE BOEK.</h3> + +<h3><a name="DE_STICHTING_DER_STAD" id="DE_STICHTING_DER_STAD"></a>DE STICHTING DER STAD.</h3> + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ic" id="Ic"></a>I.</h3> + + +<p>Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft +opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte +wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend +maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein +lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt +wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn +neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze +geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig +geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van +de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er +duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die +ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas +en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan +honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf +maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal +het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee +en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote +vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die +wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar +leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies +wordt geassimileerd.</p> + +<p>Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen +enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een +troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak +en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich +besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het +ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er +niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door +een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is +grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats +gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt +eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk +afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het +grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk +geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale +wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst +aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die +daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er +lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar +opstijgende menigte.</p> + +<p>Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd, +versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op +hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een +dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van +stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel +is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft +of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste +bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken +van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de +duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle +beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel +wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden +en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het +wonder van de was.</p> + +<p>De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn +gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het +wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal +neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de +hand aan allen noodzakelijken arbeid.</p> + +<p>De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes, +alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de +zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van +den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners +hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als +slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te +bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en +bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de +werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.</p> + +<p>Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich +niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt, +zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te +dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en +bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven +tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan +een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en +stuifmeel terug te keeren.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIc" id="IIc"></a>II.</h3> + + +<p>Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks +beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning, +willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons +volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van +blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden +vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen +te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de +gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd +worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en +verspreidt ze reeds over den grond.</p> + +<p>Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de +verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de +wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten +ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der +levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke +toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der +entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds +vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere +problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.</p> + +<p>De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst +verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die +nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf, +dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de +vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan, +en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig +mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen +honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander +geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor +men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door +de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer +op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende +bibliotheek.</p> + +<p>Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den +volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende +woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te +vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen +om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de +plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven +binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde +volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de +raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van +onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te +laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den +stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en +ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw +zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of +wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende +verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer +dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van +groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en +te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens +parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage +vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIc" id="IIIc"></a>III.</h3> + + +<p>Maar dat doet er alles niets toe, er is nog geen voorbeeld van, dat ooit +een zwerm geweigerd heeft zich aan 't werk te zetten, of zich heeft +laten ontmoedigen en uit het veld slaan door de buitengewone +omstandigheden, mits de woning, die men haar aanbood, maar niet was +doortrokken van leelijke luchtjes of werkelijk onbewoonbaar was. En +zelfs in dat geval is er nog geen sprake van moedeloosheid, +verslagenheid of plicht-verzaking. Dan verlaten ze eenvoudig het +ongastvrij verblijf om iets verder hun fortuin te beproeven. En men kan +evenmin zeggen, dat men er ooit in geslaagd is hen een of ander +kinderachtige of onlogische bezigheid te doen verrichten. Men heeft nog +nooit geconstateerd, dat de bijen het hoofd verloren, of dat ze, als ze +niet wisten welke partij te kiezen, zoo maar op goed geluk woest en +onregelmatig gingen bouwen. Breng ze in een bol, een kubus, een +pyramide, een ovalen of veelhoekigen korf, een cylinder of een spiraal, +bezoek hen, indien ze de woning hebben betrokken eenige dagen later, en +ge zult zien dat deze zonderlinge massa van kleine onafhankelijke +intelligenties ommiddellijk tot overeenstemming is weten te komen en +zonder aarzeling, volgens een methode, welker principes onwankelbaar +vast schijnen te staan, maar welker gevolgen leven bezitten, de +gunstigste en dikwijls eenig bruikbare plaats van de zonderlinge +woonplaats wisten te kiezen.</p> + +<p>Heeft men ze in een dier groote boog-korven geplaatst waarvan we zooeven +spraken, dan houden ze alleen rekening met die boogjes in zoover deze +hun een uitgangspunt of gemakkelijke steunpunten voor hunne raten +verschaffen, en 't is zeer natuurlijk, dat ze zich om de wenschen en +bedoelingen des menschen niet bekommeren. Maar als de bijenhouder er +voor gezorgd heeft bij enkele het bovenste plankje te voorzien van een +klein randje was, dan begrijpen ze onmiddellijk welke voordeelen hun +worden aangeboden door dit bij wijze van lokaas aangebracht werk; ze +zullen dat randje voorzichtig wat uittrekken en door hun eigen was er +aan vast te soldeeren, de raat methodisch volgens het aangegeven plan +voortbouwen. Zoo zullen ze ook—en dat geval is niet zeldzaam in onze +tegenwoordige bijenteelt—indien alle boogjes van den korf waarin men +den zwerm heeft opgevangen van boven tot beneden zijn voorzien van +kunstraat, hun tijd niet verliezen met daarnaast of daar doorheen te +bouwen en onnoodigen honing te produceeren, maar nu ze het werk reeds +halfweg gereed vinden, stellen ze zich er mee tevreden ieder der cellen, +die in de kunstraat is aangegeven, dieper en langer te maken, indien 't +noodig is de plaatsen verbeterend waar de wastafel van de streng +vertikale lijn afwijkt; zoodoende komen ze in minder dan een week in 't +bezit van een even weelderige en even goed gebouwde stad, als die zij +hebben verlaten, terwijl ze indien ze aan zichzelf waren overgelaten +twee of drie maanden hadden noodig gehad om dezelfde massa magazijnen en +huizen van witte was te bouwen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IVc" id="IVc"></a>IV.</h3> + + +<p>Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te +passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.</p> + +<p>Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het +instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke +persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de +mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste +en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer +speciaal heeft waargenomen,—want ieder waarnemer wil, dat het insekt +hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige, +en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze +eigenliefde,—sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle +onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt +buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef, +die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn +vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze +horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen +zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven, +voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl +de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant +door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat +het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer +handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg +terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel +onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem +en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen +achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht +toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is +hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens. +Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de +bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen +in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen. +Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat +het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden +atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit +mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker +voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die +zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het +kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier +genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een +uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte +noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Vc" id="Vc"></a>V.</h3> + + +<p>Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan +verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten +Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth. +"Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen +maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze +omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar +voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij +er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot +hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij +op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als +onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te +deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner +dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd +gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen +zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker +zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door +bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo +totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet +één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te +dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die +even onverstandig waren."</p> + +<p>Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken +waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het +gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een +slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de +bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze +wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en +onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om +haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche, +onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van +zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de +verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien +eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch +doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn, +en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder +dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.</p> + +<p>Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een +onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking +bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de +bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht +onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van +een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier +niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het +besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen; +maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van +niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen +doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk +is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen +kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn +van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden +van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze +trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het, +dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling +evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen +onderscheiden.</p> + +<p>En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins +in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet +men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid? +Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat +de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie. +Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men +niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de +vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren +van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid +drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing. +Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen +woning.</p> + +<p>Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige +omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den +korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een +uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus +dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het +verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen +naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der +menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan +dikwijls een gansch anderen naam.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIc" id="VIc"></a>VI.</h3> + + +<p>Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van +hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons +altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne +onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.</p> + +<p>In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den +korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze +één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne, +duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den +korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter—of liever doe +het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat +vast,—maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een +paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig +bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen, +die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort +door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch +wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven, +onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze +rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden +geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren +te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de +slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder +geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te +denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige +notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt +verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit +of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij +kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook. +Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en +toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den +schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te +na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat +allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men +bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid +verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet +aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand +haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze +zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde +woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die +de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid +onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.</p> + +<p>Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan +sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er +zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat +het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de +moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó +iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één +enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de +bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den +gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst +heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het +oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen. +Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over +te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop +onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger +tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze +onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet +over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder, +kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat +ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIc" id="VIIc"></a>VII.</h3> + + +<p>Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog +te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen. +Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel +leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in +overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel +duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast +elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten +of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in +klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare +taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met +zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn; +een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de +duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire +bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend +reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar +omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam +en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander +bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt +verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een +raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin, +de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij +ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó +verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij +gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte +voorvalt.</p> + +<p>Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het +kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing +vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig +daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te +leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze +gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke +maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in +de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de +gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar +niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge +ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle +attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met +het gelaat naar uw kamer gekeerd.</p> + +<p>Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den +schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar +haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier +minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat +goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot +aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het +raam naar den korf en van den korf naar het raam.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIIc" id="VIIIc"></a>VIII.</h3> + + +<p>Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen +wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze +volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in +staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik +dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op +nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk +intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op +een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het +meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed +als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat +zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel +of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding +daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet +weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet +staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van +het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand, +dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.</p> + +<p>Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren. +Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de +menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen. +Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk +zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van +hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem +deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat +zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van +openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren. +Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot +begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie +mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van +zijn werk over <i>mieren, bijen en wespen</i>, lange en nauwkeurige +observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene +andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de +geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden +bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen +raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke +maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den +honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op +de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.</p> + +<p>Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier +lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden +tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet +haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen, +die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag +toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan +achttien bijen had meegedeeld.</p> + +<p>In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk +een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst +herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de +bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest +te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in +zijn werk <i>Het verstand der Dieren</i> deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne +operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie +van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar +bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze +op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen. +Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van +den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld +krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die +terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten +keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder +naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen +goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te +komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IXc" id="IXc"></a>IX.</h3> + + +<p>Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de +oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap +vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden +ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat +dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John +Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.</p> + +<p>Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen, +enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en +hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven +plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt +wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche +geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige +inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten, +uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden +van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men +kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels +staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken. +Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen +overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter +werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel, +voldoende zekerheid zou geven.</p> + +<p>Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl +de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in +den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de +bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week +vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan, +(d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele +bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen +nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen +afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar +op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.</p> + +<p>Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar +gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje +in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te +vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang +verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende +bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de +anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen +doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door +een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er +alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had +gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der +honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er +uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet +eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en +nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid +doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een +mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving +van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn +kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik +moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de +aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval? +De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe, +dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra +was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij +volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a></p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van +deze ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat +opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne +vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien +ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier +onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit +vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar +ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk +verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten +brengen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Xc" id="Xc"></a>X.</h3> + + +<p>Zonder eenige gevolgtrekking te maken uit de zeer onvolledige +proefneming, zijn er toch verscheidene andere merkwaardige feiten, die +ons noodzaken te erkennen, dat ze een geestelijk rapport met elkaar +onderhouden, dat meer beduidt dan een "ja" of "neen" of eenvoudig zou +bestaan in een gebaar of in een voorbeeld ter navolging. Men zou o.a. +kunnen noemen de treffende harmonie van den arbeid in den korf, de +merkwaardige verdeeling van arbeid, de geregelde afwisseling, die men er +in aantreft. Ik heb b.v. dikwijls geconstateerd, dat de +honingdraagsters, die ik 's morgens gemerkt had, 's middags—tenzij er +overvloed van bloemen was—bezig waren met het verwarmen of afkoelen van +het broedsel; of wel ik ontdekte ze tusschen de menigte, welke die +geheimzinnige kettingen vormen, te midden waarvan de waswerksters en de +bouwbijen arbeiden. Ik heb ook opgelet, dat de werksters, die ik +gedurende één of twee dagen stuifmeel zag inzamelen, het den volgenden +dag niet meebrachten doch uitsluitend op honingsap uitgingen, en zoo +omgekeerd. Ook kan men ten opzichte van de verdeeling van arbeid nog +aanhalen, wat de beroemde Fransche bijenkenner George de Layens de +<i>verdeeling der bijen over de honingdragende planten</i> noemt. Iederen +dag, dadelijk bij het eerste lichten der zon, hoort de ontwakende korf, +bij de terugkomst van de boden, die den dageraad tegenvlogen, de +gunstige berichten omtrent den bodem: "Heden de linden langs de gracht +in bloei", —"de witte klaver schittert in het gras langs den weg",—"op +de weiden ontluiken steenklaver en salie",—"de lelies en reseda's +vloeien over van stuifmeel". Spoedig moeten ze zich organiseeren, hunne +maatregelen nemen, den arbeid verdeelen. Vijf duizend van de sterksten +gaan naar de linden, drie duizend van de jongsten moeten leven brengen +op de witte klaver. Deze hier smaakten gisteren den nektar der bloemen, +vandaag moeten ze maar, om aan hun tong en de klieren van hun +honingblaas wat rust te gunnen, het roode stuifmeel der reseda's gaan +inzamelen, en die anderen ginds het gele stuifmeel der groote lelies. +Want nooit ziet ge een bij stuifmeel van verschillende kleur of soort +met elkaar vermengen, en een der dingen, waaraan de bijen uit den korf +de meeste zorg besteden, is het methodisch indeelen van het schoone, +geurige meel in de voorraadschuren, volgens kleuren en soorten. Zoo +worden de orders gegeven door den verborgen genius. Dadelijk gaan de +werkbijen uit in lange rijen en ieder hunner vliegt recht op haar doel +af. "'t Schijnt wel", zegt de Layens, "dat de bijen volkomen goed zijn +ingelicht omtrent de localiteit, den betrekkelijken rijkdom aan honing +en den afstand van alle planten, die binnen een bepaalden kring rondom +den korf staan.</p> + +<p>Als men de verschillende richtingen, die de honingdraagsters inslaan, +zorgvuldig waarneemt, en dan tot in bijzonderheden den oogst der bijen +uit de verschillende planten van den omtrek onderzoekt, bemerkt men dat +de werkbijen zich over de bloemen verdeelen, zoowel in verhouding tot +het aantal der planten als tot hun rijkdom aan honing. Nog meer: ze +weten iederen dag op nieuw nauwkeurig de waarde te schatten van de beste +zoete vloeistof, die ze kunnen inzamelen.</p> + +<p>Als de bijen b.v. in de lente na den bloeitijd der wilgen, op een tijd +dat nog niets op de velden in bloei staat, geen andere keuze hebben dan +de eerste woudbloemen, dan kan men ze ijverig de anemonen, het +longkruid, de stekende brem en de viooltjes zien bezoeken. Beginnen er +enkele dagen daarna genoeg kool- en koolzaadvelden te bloeien, dan +geven ze hunne bezoeken aan de woudbloemen, die nog in vollen bloei +staan, zoo goed als geheel op, om zich te wijden aan den bloesem van +kool en koolzaad.</p> + +<p>Zoo regelen ze dagelijks hunne verdeeling over de planten, ten einde in +den kortst mogelijken tijd het beste zoete vocht te kunnen inzamelen.</p> + +<p>Men kan dus zeggen, dat de bijen-kolonie even goed bij hare inzamelingen +als binnen in den korf een verstandige indeeling van het aantal +werkbijen weet te treffen, terwijl ze tevens het beginsel van verdeeling +van arbeid toepast."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIc" id="XIc"></a>XI.</h3> + + +<p>Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al +of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein +deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold +waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat +wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de +menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen +we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het +voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen +minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap +trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen +ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van +die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de +prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het +leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog +meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom, +die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd +althans af te wenden.</p> + +<p>Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand +van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of +konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor +bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in +ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche +categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel +gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt +dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er +toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van +zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking +tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen +met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen +overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de +beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't +verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder +sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we +geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en +toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand +kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag +zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats +welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat +meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten +in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als +eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie +geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIc" id="XIIc"></a>XII.</h3> + + +<p>Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die +hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn +van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint, +die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter +dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan +volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder +gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de +geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in +onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij +zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte, +gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende +licht onzer laatste altaren te worden.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIIc" id="XIIIc"></a>XIII.</h3> + + +<p>'t Is uiterst moeielijk de verschillende phases na te gaan van de +afscheiding en het gebruik van het was in een zwerm, die begint te +bouwen. Alles gebeurt midden in de massa, wier steeds dichter en dichter +wordende opeenhooping de temperatuur moet verschaffen, die bevorderlijk +is voor deze afscheiding, het voorrecht der jongste bijen. Huber, die ze +het eerst bestudeerd heeft met ongeloofelijk geduld en dikwijls ten +koste van ernstige gevaren, wijdt meer dan tweehonderd vijftig +interessante, maar uiterst verwarde bladzijden aan dit verschijnsel. +Daar ik geen technisch werk schrijf, zal ik, gebruik makende waar het +noodig is van hetgeen hij zoo goed heeft waargenomen, er mij toe bepalen +datgene mee te deelen, wat ieder, die een zwerm in een observatie-korf +heeft, zien kan.</p> + +<p>Allereerst dan de bekentenis, dat men nog niet weet door welke chemische +bewerking de honing verandert in was in het nog zoo raadselachtig +lichaam van onze hangende bijen. Men kan alleen constateeren, dat na +verloop van achttien tot vierentwintig uren wachtens, in zulk een hooge +temperatuur, dat het is alsof er een vlam brandt onder in den korf, +witte en doorschijnende schubjes verschijnen in de opening van vier +kleine zakjes, die ter weerszijden aan het achterlijf van de bij liggen.</p> + +<p>Wanneer de meesten van al diegenen, die den omgekeerden kegel vormen, +aldus hun lichaam zien belegd met ivoren plaatjes, ziet men er eensklaps +een, als bezield door een plotselinge ingeving, zich losmaken uit de +menigte, vlug over de lijdelijke massa heenklimmen tot aan den top van +den koepel, waar ze zich stevig vasthoudt, telkens met haar kopje de +buren wegduwend, die haar hinderen in hare bewegingen. Dan pakt ze met +haar pooten en haar mond een der acht schubjes van haar achterlijf, +begint er aan te knagen, te schaven, te buigen, te kneden, vermengt het +met haar speeksel, vouwt het open en dicht, drukt het plat en vervormt +het weer met de handigheid van een schrijnwerker, die een of ander +paneel bewerkt. Als dan eindelijk de aldus geknede substantie naar haar +idee de vereischte afmetingen en dichtheid heeft verkregen, maakt ze die +vast tegen den top van den kegel en legt alzoo den eersten steen of +liever den sluitsteen van de nieuwe stad; want hier hebben we te doen +met een omgekeerde stad, die van den hemel neerdaalt en niet van den +aardbodem omhoog rijst zooals de steden der menschen.</p> + +<p>Als dat gedaan is, legt ze tegen dezen sluitsteen, die daar in het ledig +hangt, andere brokjes was aan, die ze gaandeweg onder haar hoornen +ringen uit haalt; dan geeft ze aan 't geheel een laatsten lik, een +laatsten duw met de sprieten, en haastig als ze gekomen is, gaat ze weer +heen en verliest zich in de menigte.</p> + +<p>Onmiddellijk wordt ze vervangen door een andere bij, die den arbeid +opvat op het punt waarin zij dien gelaten had, er den haren aan +toevoegt, vervormt wat niet geheel in overeenstemming lijkt met het +ideale plan van den stam en op hare beurt weer verdwijnt, terwijl een +derde, vierde, vijfde haar opvolgen; een gansche serie van plotselinge, +geïnspireerde verschijningen, die geen van allen het geheele werk +afmaken, maar allen hun steentje bijdragen tot den eenparigen arbeid.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIVc" id="XIVc"></a>XIV.</h3> + + +<p>Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan. +Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere +bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare +voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid +ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan +komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die +plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet +komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder +geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was +voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun +verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de +plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp, +terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die +zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de +grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt +haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt +voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van +werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere +oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand +nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf +zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er +gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker +te zijn.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVc" id="XVc"></a>XV.</h3> + + +<p>Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog +lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn +ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden +regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en +de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit +zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.</p> + +<p>Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden +wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden. +Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die +zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn +(wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden +om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.</p> + +<p>In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere +raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de +breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die +ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte +van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de +raten door.</p> + +<p>Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets +machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij +groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de +raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat, +die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te +groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.</p> + +<p>Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze +zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat +ze kunnen oordeelen."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIc" id="XVIc"></a>XVI.</h3> + + +<p>Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de +koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken, +dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren +en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn, +vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor +gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht +tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen +ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te +verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de +onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van +het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op +het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een +vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als +onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale +basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich +van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat +ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den +rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van +drie cellen aan de keerzijde.</p> + +<p>In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te +verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat +onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren, +zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van +vier op vijf graden.</p> + +<p>Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare +gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is +van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de +raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere +voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek +van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund +door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met +elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige +vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke +wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan +de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen +in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die +den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt +op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen +duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen +eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar +verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander +aangeschikt zijn."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der +cellen is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door +een levend organisme wordt voortgebracht, niet <i>mathematisch</i> +onveranderlijk in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice +Gérard opmerkte, de verschillende soorten van bijen een verschillenden +straal voor hunne cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn +volgens den eenen korf of den anderen, al naar het soort bijen, dat er +in wordt aangetroffen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIc" id="XVIIc"></a>XVII.</h3> + + +<p>"De meetkundigen weten", zegt Dr. Reid, "dat er slechts drie soorten van +figuren zijn, die men kan nemen, als men een oppervlak in kleine, +gelijke deelen van regelmatigen vorm en van dezelfde grootte, zonder +tusschenruimten wil verdeden.</p> + +<p>Het zijn de gelijkzijdige driehoek, het vierkant en de regelmatige +zeshoek, die voor den cellenbouw nog beter is dan de beide andere +figuren wat gemakkelijkheid en weerstandsvermogen betreft. En dezen +regelmatigen zeshoek hebben nu juist de bijen aangenomen, alsof ze +wisten al wat deze voor heeft.</p> + +<p>Zoo ook bestaat de bodem der cellen uit drie vlakken, die in één punt +samenkomen, en men heeft aangetoond, dat deze bouworde een belangrijke +besparing aan arbeid en materieel verschaft. Verder was het nog de +vraag, te weten onder welken hoek de vlakken elkaar moeten ontmoeten om +de grootste besparing te geven, een probleem van de hoogere wiskunde, +dat door enkele geleerden, o.a. Maclaurin, is opgelost, welke oplossing +men kan vinden in het verslag van de Koninklijke Academie te Londen<a name="FNanchor_1_9" id="FNanchor_1_9"></a><a href="#Footnote_1_9" class="fnanchor">[1]</a>. +Welnu, de aldus vastgestelde hoek stemt overeen met dien, welke wordt +aangetroffen op den bodem der cellen."</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_9" id="Footnote_1_9"></a><a href="#FNanchor_1_9"><span class="label">[1]</span></a> Réaumur had den beroemden wiskunstenaar Koenig het volgende +probleem voorgelegd: "Onder alle zeshoekige cellen met pyramidalen bodem +die aan te wijzen, die met het minste materiaal kan gebouwd +worden."—Koenig bevond, dat zulk een cel een bodem had bestaande uit +drie ruiten die ieder twee groote hoeken hadden van 109 graden 26 +minuten en twee kleine van 70 graden 32 minuten. Een ander geleerde, +Maraldi genaamd, stelde nadat hij zoo nauwkeurig mogelijk de hoeken had +gemeten van de door de bijen gemaakte ruiten, de grooten vast op 109 +graden 28 minuten en de kleinen op 70 graden 32 minuten. Tusschen de +beide oplossingen was dus slechts een verschil van 2 minuten. Naar alle +waarschijnlijkheid moet de vergissing, als het er eene is, eerder aan +den kant van Maraldi zijn dan aan dien der bijen, want met geen enkel +instrument kan men met onfeilbare nauwkeurigheid de hoeken der cellen +meten, die niet scherp genoeg zijn begrensd. +</p><p> +Een ander mathematicus, Cramer, wien men hetzelfde vraagstuk heeft +voorgelegd, gaf trouwens een oplossing, welke die van de bijen nog meer +nabij komt, namelijk 109 graden 28 1/2 minuut voor de grooten, en 70 +graden 31 1/2 minuut voor de kleinen. Maclaurin corrigeert Koenig en +geeft 70 graden 32 minuten en 109 graden 28 minuten. Leon Lalanne, 109 +graden 28 minuten 16 seconden en 70 graden 31 minuten 44 seconden. Over +de besproken questie zie men: Maclaurin <i>Philos-Trans. of Londen</i> 1743. +Brougham: <i>Recherches analytiques et expérimentales sur les alvéoles des +abeilles.</i> L. Lalanne: <i>Note sur l'Arch. des abeilles</i> enz.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIIc" id="XVIIIc"></a>XVIII.</h3> + + +<p>Natuurlijk geloof ik niet, dat de bijen deze ingewikkelde berekeningen +maken, maar evenmin geloof ik, dat het toeval of de loop der dingen deze +verrassende resultaten geeft. Voor de wespen b.v., die evenals de bijen +raten met zeshoekige cellen vervaardigen, was het probleem hetzelfde en +zij hebben dat op een veel minder vernuftige wijze opgelost. Hunne raten +hebben slechts ééne laag cellen en missen dien gemeenschappelijken +bodem, die tegelijk voor de twee tegenover elkander liggende lagen van +de raat der bijen dienst doet. Vandaar minder stevigheid, meer +onregelmatigheid en een verlies aan tijd, materiaal en plaats, dat men +op een vierde van het werk en een derde van de benoodigde ruimte kan +schatten. Zoo ook bouwen de Trigonen en de Meliponen, echte tamme bijen +doch op een lageren trap van beschaving staande, hunne voor de eitjes +bestemde cellen maar op één rij, en stutten hunne horizontaal en boven +elkander geplaatste raten door vormelooze en kostbare was-pilaren. Wat +hunne voor de provisie bestemde cellen betreft, dat zijn groote zakken, +die ordeloos naast elkaar staan, en daar waar ze elkaar zouden kunnen +snijden en bijgevolg de besparing aan materiaal en ruimte, waarvan de +bijen gebruik maken, in praktijk konden brengen, lasschen de Meliponen, +zonder op het denkbeeld van deze zuinigheid te komen, tusschen al die +ronde, cellen met vlakke wanden in. Vergelijkt men dan ook een hunner +nesten met de mathematische stad onzer honingbijen, dan meent men een +gehucht met primitieve hutjes te zien naast een onzer onberispelijk +regelmatige steden, welke het logisch, zij het dan ook niet zeer +bevallig, resultaat zijn van het genie van den mensch, die den strijd +tegen tijd, plaats en materie nog veel scherper heeft aangebonden dan +vroeger.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIXc" id="XIXc"></a>XIX.</h3> + + +<p>De gangbare theorie, die bovendien door Buffon weer werd opgewarmd, +beweert, dat de bijen volstrekt geen plan hebben zeshoeken met +pyramidale basis te maken, dat ze eenvoudig ronde cellen in de was +willen graven, maar dat, daar hunne buurvrouwen, die aan de keerzijde +van de raat werken, tegelijkertijd aan het graven zijn met dezelfde +bedoelingen, de punten waar de cellen elkaar raken noodwendig een +zeshoekigen vorm aannemen. Datzelfde, voegt men er bij, is het geval met +de kristallen, met de schubben van sommige visschen, met zeepbellen, +enz.; datzelfde gebeurt ook in de volgende proef, die Buffon voorslaat. +"Vul", zegt hij, "een of ander pannetje met erwten of andere ronde +korrels en sluit het stevig dicht, nadat ge er zooveel water in hebt +gegoten, als de tusschenruimten tusschen de korrels kunnen bevatten; +laat dit water koken en al deze cylinders worden lichamen met zes +vlakken. De oorzaak hiervan, die van zuiver mechanischen aard is, is +duidelijk: ieder korreltje, dat een ronden vorm heeft, tracht bij het +zwellen eene zoo groot mogelijke plaats in te nemen in een gegeven +ruimte; noodzakelijk moeten ze dus alle door de wederkeerige drukking +zeshoekig worden. Ook iedere bij tracht een zoo ruim mogelijke plaats in +te nemen in een gegeven ruimte; zoo moeten dus eveneens, daar het +lichaam der bijen cylindrisch is, hunne cellen zeshoekig worden om +diezelfde reden, de wederzijdsche belemmeringen".</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXc" id="XXc"></a>XX.</h3> + + +<p>Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder +voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een +algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het +menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet +is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat +Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben, +dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide +gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en +verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen +nog niet.</p> + +<p>Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om +partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de +harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn +de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en +onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe +kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der +kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van +Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing +ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in +overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet +voorkomen.</p> + +<p>Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor +een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van +dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best +mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar +'t is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn +bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te +ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.</p> + +<p>Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den +geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op +een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf +ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed +ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van +zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen +bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen +stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de +bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk, +voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het +genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets +abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant +zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje +en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen +geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken +afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen +bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig +besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam +er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun +voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs, +de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van +dien nutteloozen afgrond.</p> + +<p>Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de +noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en +begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van +kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden +bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen +ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven +cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken. +Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich +aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft +toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds +drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste +helft van de volgende cel schetsten.</p> + +<p>Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het +tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden +werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder +regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de +koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen, +want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn +gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele +gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle +gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp +uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals +bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking +hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn +van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en +geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen. +Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen +dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het +verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van +hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de +celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem +hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de +ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou +tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te +bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen +enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze +eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten +zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort +doorschijnend vernis.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIc" id="XXIc"></a>XXI.</h3> + + +<p>Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige +architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te +onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den +korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze +cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.</p> + +<p>We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging +der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der +raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en +daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije +verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn +verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En +eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren, +het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven +oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de +buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de +bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt +wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de +harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine +tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte +symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra +de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren +tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat, +zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of +getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook +maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees, +dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke +onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een +vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor +heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een +bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan +een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn; +en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim +van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de +menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig +raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer +hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden +bestudeerd.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIIc" id="XXIIc"></a>XXII.</h3> + + +<p>Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij +het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van +hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat +langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken +om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog +regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van +het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de +merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale, +buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige +wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te +doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten +der raat.</p> + +<p>Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het +slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan +de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in +overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk +en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat +bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge +daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel +netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een +geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men +zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.</p> + +<p>Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben, +zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen +voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij +geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp; +deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en +somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel +gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen +en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen +ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter, +waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven +in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van +was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en +uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen, +die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die +tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar +onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de +dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene +arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan +toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van +den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een +niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?</p> + +<p>Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist +samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar +ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat +geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft +een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze +misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner +tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te +voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of +mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige +andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten +zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest +ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het +ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch +afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder +dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit +geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare +hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al +goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet +inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIIIc" id="XXIIIc"></a>XXIII.</h3> + + +<p>Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn +der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar. +Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't +oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets +te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe. +De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen +doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen +woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van +bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te +zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt +geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt, +of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt +zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige +bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der +wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen, +opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen, +haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over +haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te +wenschen.</p> + +<p>Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort +van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de +middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke +onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is +gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd +vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep +nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten +toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken +van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken +moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot +onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met +het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen +en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te +praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven +betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept +in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te +zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet +een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf, +en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar +kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze +niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het +gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of +het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd +heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen. +Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer +op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en +ze slaapt—zoo dat al slapen is—al eieren leggend. Van dit oogenblik af +is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der +toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over +de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd +door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te +stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de +medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze +uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de +wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs +de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf +duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing +bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen +stonden.</p> + +<p>En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den +eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen, +waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de +kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem +verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen +overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt +inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste +tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts +verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze +schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze +klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch +een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt +en verteert.</p> + +<p>Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur, +wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar +geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien +wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets +afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien +nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt, +herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te +zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te +zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we +niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met +evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends +ware.—'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te +veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XXIVc" id="XXIVc"></a>XXIV.</h3> + + +<p>We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen +pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig +voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud +grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het +liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om +vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet +wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te +leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.</p> + +<p>De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel +de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen +ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de +verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering +niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in +een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener +werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen +te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische +kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel +eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin +moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te +herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel +waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze +dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken +bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op +haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?</p> + +<p>Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor +een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke +koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan +leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar +willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren +bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de +zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze +zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen +schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de +eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en +zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van +den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den +vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen, +zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de +zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten. +Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het +zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de +koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje +openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren +buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen +beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is—want hoe +verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets +is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der +natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op +het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling +doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles +vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de +tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit +Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn +verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes +al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook +omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen, +indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.</p> + +<p>En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de +Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der +Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren +het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht +facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte, +waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan +te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een +mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden +omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst +fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese +ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten +alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare +eitjes te leggen in cellen van werkbijen.</p> + +<p>Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te +beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur +is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat +in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als +ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar +gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is +of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de +lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te +ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons +niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur +gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is, +dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden, +die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat +het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen +zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid +van den afgrond.</p> + +<p>Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt +zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering +levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden, +heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in +ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood +noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo +behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van +duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van +verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer +verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te +wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige, +onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze +verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het +onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering +geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet +kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en +ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de +vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort +openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare +plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de +gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten +ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIERDE_BOEK" id="VIERDE_BOEK"></a>VIERDE BOEK.</h3> + + +<h3>DE JONGE KONINGINNEN.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Id" id="Id"></a>I.</h3> + + +<p>Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn +cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich +vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan, +zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons +voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar +voorvalt na het vertrek van den zwerm.</p> + +<p>Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee +derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer, +is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft +gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden +bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat, +het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer +vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de +provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken, +de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen +bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot +duidelijk is aangewezen.</p> + +<p>Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop +en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche +legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de +zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het +verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen +in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare +zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die +met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van +ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en +doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken +verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel +vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige, +door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde +prisma's.</p> + +<p>Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche +wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve +wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister +haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't +waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens +voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft +zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden +aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft +opgespoord.</p> + +<p>Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen +(in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te +wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met +twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten, +terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk +komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis +verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar +op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan. +Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog +eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een +oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster +kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot +de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar, +weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het +volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd +is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten +cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te +bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich +op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar +bestemming en haar ras.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IId" id="IId"></a>II.</h3> + + +<p>De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne +bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar +eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare +lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar +van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht +nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in +gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige +zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd. +Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat +ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en +van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige +eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van +vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen, +vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op +de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd, +beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling +als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen +ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de +fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot +dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten +glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee +strepen van staal dien afteekenden in den ether.</p> + +<p>Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die +anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen +althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is +van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot, +nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de +bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die +dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval +slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het, +dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie +kilometer ver van den korf worden gebracht?</p> + +<p>Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde +herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze +dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren +toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het <i>zintuig voor de +richting</i> genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en +vooral van Romanes (in de <i>Natuur</i>, 29, Oktober 1886) schijnen uit te +maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.</p> + +<p>Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet +veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze +schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er +gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het +landings-plankje<a name="FNanchor_1_10" id="FNanchor_1_10"></a><a href="#Footnote_1_10" class="fnanchor">[1]</a>. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens +de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven +tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit +de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den +dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen +overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover +onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een +buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den +korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de +voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit +kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun +geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf +maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje +zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen +terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden +rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar +stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden. +Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het +onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje, +waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.</p> + +<p>Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er +sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en +door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of +tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een +of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze +gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw +moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_10" id="Footnote_1_10"></a><a href="#FNanchor_1_10"><span class="label">[1]</span></a> Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de +verlenging van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje, +portaaltje of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIId" id="IIId"></a>III.</h3> + + +<p>Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw +wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de +substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene +koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven +à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone +cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de +photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van +ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie +of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep +bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt +dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de +moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van +den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog +waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen, +door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel +uit de buurt.</p> + +<p>Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een +bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen +we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire +methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven +naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich +dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en +zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat +de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten +schijnt te behooren.</p> + +<p>Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar +lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel +krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in +plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar +haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de +zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet +maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch +zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het +stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der +hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal +geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht, +en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze +doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het +onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal +alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van, +dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen—-want +het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk—misschien zal ze +slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar +te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat +organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus +liggen opgesloten, niet in een zaadje—dat zou het gewone wonder zijn +van plant, dier en mensch—doch in een vreemde en levenlooze substantie: +ineen druppel honing<a name="FNanchor_1_11" id="FNanchor_1_11"></a><a href="#Footnote_1_11" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_11" id="Footnote_1_11"></a><a href="#FNanchor_1_11"><span class="label">[1]</span></a> Sommige bijenkenners beweren, dat werkbijen en koninginnen +na het opengaan van het ei hetzelfde voedsel ontvangen, een soort melk, +die zeer rijk is aan stikstof en wordt afgescheiden door een +afzonderlijke klier, waarvan de kop der voedsters is voorzien. Maar na +verloop van enkele dagen worden de larfjes der werkbijen gespeend en +onder het grover diëet van honing en stuifmeel gesteld, terwijl +daarentegen de toekomstige koningin tot aan hare volkomen ontwikkeling +wordt volgepropt met de kostbare melk, die koninginne-pap genoemd wordt. +Hoe dit ook zij, de resultaten blijven daarom evenzeer een wonder.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IVd" id="IVd"></a>IV.</h3> + + +<p>Ongeveer een week is verloopen sedert het vertrek der oude koningin. De +koninklijke nymphen, die in de hulsels slapen, zijn niet allen van +denzelfden leeftijd, want het is in 't belang der bijen, dat de +koninklijke geboorten na elkaar plaats hebben, op de tijden dat ze +beslissen of er een tweede, derde of zelfs wel een vierde zwerm uit den +korf zal vertrekken. Reeds eenige uren zijn ze bezig de wanden van de +rijpste moederwieg langzamerhand dunner te maken, en de jonge koningin, +die van binnen uit tegelijkertijd het ronde deksel doorknaagt, steekt +haar kopje er uit, komt halverwege te voorschijn en met behulp van de +verpleegsters, die dadelijk komen aanloopen, haar afvegen, schoonmaken +en liefkoozen, wikkelt ze zich los en doet hare eerste schreden op de +raat. Evenals een pasgeboren werkbij is ze bleek en nog wankel op hare +pootjes, maar na verloop van een minuut of tien worden deze steviger en +daar ze wel voelt, dat ze niet de eenige is, dat ze haar rijk moet +veroveren, dat er hier of daar mededingsters schuilen, loopt ze vol +onrust langs de wanden van was om deze op te sporen. Hier komen de +wijsheid en de geheimzinnige besluiten van het instinkt, van den geest +des bijenkorfs, of van de vergaderde werkbijen tusschenbeide. 't Geen +het meest verrast als men in een observatie-korf den loop dezer +gebeurtenissen met de oogen volgt, is dat men nooit de minste aarzeling, +de minste verdeeldheid waarneemt. Nergens eenig spoor van tweedracht of +verschil van meening. Daar heerscht niets dan een reeds te voren +ingestelde eensgezindheid, dit is de atmosfeer van dezen staat, en +iedere bij schijnt reeds bij voorbaat te weten, wat alle anderen denken. +Toch is dit een hoogst gewichtig oogenblik voor hen, 't is om zoo te +zeggen de minuut waarvan leven of dood afhangen. Ze moeten weten welke +partij te kiezen uit drie of vier mogelijkheden, die ver-reikende +gevolgen zullen hebben, welke onderling totaal verschillen en door eene +kleinigheid noodlottig kunnen worden. Ze moeten de passie of de +ingeschapen plicht van het vermeerderen der soort met het behoud van den +moederstok en diens afstammelingen weten te verzoenen. Een enkelen keer +vergissen ze zich; ze laten drie of vier zwermen na elkaar uitvliegen, +die den moederstaat totaal uitputten en zelf te zwak zijn om zich snel +genoeg te organiseeren, zoodat ze worden overvallen door ons klimaat, +dat niet het oorspronkelijk klimaat is waaraan de bijen ondanks alles de +herinnering blijven behouden, en bezwijken bij het intreden van den +winter. Dan vallen ze als slachtoffers van de zwerm-koorts, die even als +onze gewone koorts een soort al te sterke reactie van het leven is, een +reactie, die haar doel voorbijstreeft, den kring afsluit en den dood +vindt.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Vd" id="Vd"></a>V.</h3> + + +<p>Geen der besluiten, die ze zullen nemen, schijnt zich met dwingende +noodzakelijkheid op te dringen, en als de mensch eenvoudig toeschouwer +blijft, kan hij niet voorzien, wat ze zullen kiezen. Maar een bewijs dat +er altijd overleg is bij deze keuze is hierin gelegen, dat hij daarop +invloed kan uitoefenen, ja zelfs die keuze bepalen, door enkele +omstandigheden te wijzigen, b.v. door de ruimte die hij toestaat kleiner +of grooter te maken, of volle honingraten weg te nemen en er leege voor +in de plaats te stellen, welke voorzien zijn van werkbij-cellen.</p> + +<p>De zaak is dus, dat ze weten, niet of ze dadelijk een tweeden en derden +zwerm zullen uitzenden—dat zou vrij wel enkel een blind besluit zijn, +een gevolg van den gril of het onbezonnen verlangen van een gunstig +oogenblik de zaak is, dat ze op het oogenblik, eenparig, maatregelen +treffen, die hen zullen vergunnen drie of vier dagen na de geboorte der +eerste koningin een tweeden zwerm uit te zenden, en een derde drie dagen +na het vertrek der jonge koningin aan het hoofd van dezen tweeden zwerm. +Niemand zal kunnen ontkennen, dat we hier een geheel systeem, een +gansche combinatie van voorzorgsmaatregelen aantreffen, die, vooral als +men denkt aan de kortheid van hun leven, een geruimen tijd in beslag +nemen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VId" id="VId"></a>VI.</h3> + + +<p>Deze maatregelen betreffen de bewaking der jonge koninginnen, die nog +begraven liggen in hunne gevangenis van was. Ik veronderstel, dat de +bijen het verstandiger oordeelen geen tweeden zwerm uit te zenden. Hier +doen zich dus weer twee mogelijkheden voor. Zullen ze aan de +eerstgeborene der koninklijke maagden, aan haar, die wij hebben zien +uitkomen, toestaan hare vijandelijke zusteren te vernietigen, of wel +zullen ze wachten totdat deze de gevaarlijke plechtigheid van de +"parings-vlucht" heeft volbracht, waarvan de toekomst van het volk kan +af hangen? Dikwijls wettigen ze den onmiddellijken moord, dikwijls ook +verzetten zij er zich tegen, maar 't laat zich gemakkelijk begrijpen, +dat het moeielijk is uit te maken of dit gebeurt met het oog op een +tweeden zwerm, of op de gevaren van de "parings-vlucht"; want meer dan +eens heeft men waargenomen, dat ze, na tot een tweeden zwerm te hebben +besloten, plotseling daarvan afzagen en heel het voorbestemde nakroost +vernietigden, 't zij omdat de tijden ongunstiger waren geworden, 't zij +om eenige andere reden, die we niet kunnen opsporen. Doch stel dat ze +het nuttig hebben geoordeeld van het zwermen af te zien en de gevaren +van de "parings-vlucht" te aanvaarden. Wanneer nu onze jonge koningin, +aangevuurd door haar verlangen, het gebied van de groote wiegen nadert, +dan wijkt de wacht ter zijde om haar vrijen doortocht te laten. Ten +prooi aan haar woedende jaloezie werpt ze zich op de eerste +koninginne-cel, die ze aantreft en doet met tanden en pooten al haar +best om de was te breken. Ze slaagt er in, rukt met geweld de pop er +uit, die in die woning rust, wikkelt de slapende prinses los en als haar +mededingster reeds kenbaar is, keert ze zich om, steekt haar angel in de +open cel en boort als waanzinnig dezen daarin, totdat de gevangene +bezwijkt onder de wonden van het giftig wapen. Dan komt ze tot rust, en +vindt voldoening in den dood, het mysterie, dat aan den haat van alle +wezens grenzen stelt, trekt haar angel in, valt op een andere cel aan, +opent die om er echter voorbij te gaan als zeer enkel een onvolgroeide +larf of nymph in vindt, en gaat zoo voort tot op het oogenblik, dat ze +hijgend en uitgeput bemerkt, dat hare tanden en nagels machteloos langs +de wanden van was afglijden.</p> + +<p>De bijen rondom haar zien hare woede aan zonder er in te deelen en gaan +haar uit den weg om haar het veld vrij te laten; maar zoodra een cel is +doorboord en verwoest komen ze aanloopen, halen het lijk, het nog +levende larfje of de gepijnigde nymph er uit, gooien ze uit den korf, en +proppen zich gretig vol met de kostelijke koninklijke pap, die den bodem +van de cel overdekt. En daarna, als hunne uitgeputte moeder hare woede +laat varen, voleindigen zij zelven den moord der onschuldigen, en het +vorstelijk ras heeft met zijne woonplaatsen opgehouden te bestaan.</p> + +<p>Met de executie der darren, die overigens meer is te verontschuldigen, +is dit de afschuwelijke ure van den bijenkorf, de eenige waarin de bijen +aan tweedracht en dood verlof geven hunne woningen te overmeesteren. +En, zooals het zoo vaak in de natuur voorkomt, zijn het juist de door de +liefde bevoorrechten, die de buitengewone pijlen van een gewelddadigen +dood op zich zien gericht.</p> + +<p>Enkele malen, doch uiterst zelden daar de bijen voorzorgsmaatregelen +nemen om dit geval te voorkomen, enkele malen gebeurt het, dat twee +koninginnen tegelijkertijd uitkomen. Dan heeft onmiddellijk bij het +verlaten van de wieg de doodelijke kamp plaats, waarvan Huber voor het +eerst een merkwaardige bijzonderheid heeft opgeteekend: telkens wanneer +de beide maagdelijke koninginnen in hun curas van sits bij hun uitval +zulk een stelling innemen, dat ze bij het steken met hun angel elkaar +weerkeerig zouden doorboren dan is het, juist als bij de gevechten in de +Ilyas, alsof den god of godin, wellicht de god of de godin van het ras, +tusschen beide komt; door een zelfden schrik bevangen, gaan de beide +strijdende partijen uiteen en ontvluchten elkaar geheel ontdaan, om kort +daarna elkander weer te zoeken en opnieuw uiteen te gaan indien de +dubbele ramp opnieuw de toekomst van hun volk bedreigt; totdat het aan +een van beiden gelukt hare onvoorzichtige of onhandige mededingster te +verrassen, en haar te dooden zonder gevaar voor zichzelve, want de wet +van de soort eischt slechts één offer.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIId" id="VIId"></a>VII.</h3> + + +<p>Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of +hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in +waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare +moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te +volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar +weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare +geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen +hun verlangen een tweeden keer te zwermen.</p> + +<p>In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde +voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar +onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een +sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en +steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een +doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze +schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten, +doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar +terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te +begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor +de wet die haar aandrijft moet wijken.</p> + +<p>Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt +ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen +krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die +gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid +van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's +avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den +korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.</p> + +<p>Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij +vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en +wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar +verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig +vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of +hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist +door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de +Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te +doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.</p> + +<p>Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen +der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten +ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen +op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner +cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de +genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan +overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur +tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het +gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een +zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die +naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen, +in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen, +die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van +binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten +met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk +voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een +betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst. +Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar +ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze +een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is, +beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare +kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze +geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de +velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de +wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis +van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIId" id="VIIId"></a>VIII.</h3> + + +<p>Overigens is zulk een lange opsluiting gunstig voor de jonge +koninginnen, die als ze uitkomen rijp en reeds krachtig zijn en klaar om +hunne vlucht te nemen. Van een anderen kant heeft het wachten de vrije +koningin sterker gemaakt en haar in staat gesteld de gevaren eener reis +te doorstaan. De tweede zwerm of <i>nazwerm</i> verlaat dan de woning met de +eerstgeborene onder de koninginnen aan zijn spits. Onmiddellijk na haar +vertrek bevrijden de in den korf achtergebleven werkbijen een der +gevangenen, die dezelfde moorddadige pogingen doet, dezelfde kreten van +toorn uitstoot, om op hare beurt drie dagen later den korf te verlaten +aan het hoofd van een derden zwerm en zoo maar voort ingeval van +<i>zwerm-koorts</i>, totdat de moederstad totaal is uitgeput.</p> + +<p>Swammerdam haalt een korf aan, die door zijn eigen zwermen en het +zwermen van die zwermen, dertig kolonies gaf in één enkel seizoen.</p> + +<p>Zulk een buitengewone vermenigvuldiging wordt vooral aangetroffen na een +slechten winter, alsof de bijen, die altijd voeling hebben met de +geheime wenschen der natuur, zich bewust waren van het gevaar, dat de +soort bedreigt. In normale tijden is deze koorts echter vrij zeldzaam in +krachtige en goed bestuurde korven. Vele zwermen maar eens en +verscheidene zelfs in geheel niet.</p> + +<p>Gewoonlijk zien de bijen na den tweeden zwerm van een verdere verdeeling +af, 't zij ze de geduchte verzwakking van den moederstok opmerken, 't +zij het betrekken van den hemel hun voorzichtigheid voorschrijft. In dat +geval staan ze toe, dat de derde koningin de gevangenen vermoordt, en +het gewone leven gaat weer zijn gang en wordt met te meer ijver opgevat +daar de werkbijen alle zeer jong zijn, de korf verarmd is en ontvolkt, +en er voor den winter groote leemten zijn aan te vullen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IXd" id="IXd"></a>IX.</h3> + + +<p>Het vertrek van den tweeden en derden zwerm is juist zooals die van den +eersten en alle omstandigheden zijn gelijk, behalve dat er minder bijen +zijn, dat de troep minder omzichtig is en geen verkenners heeft, en dat +de jonge, maagdelijke, vurige en lichte koningin veel verder vliegt en +reeds bij de eerste pleisterplaats haar volk tot op grooten afstand van +den korf heeft meegevoerd. Voeg er nog bij, dat deze tweede en derde +uittocht veel vermeteler zijn en dat het lot dezer zwervende kolonies +zeer hachelijk is. Als vertegenwoordigster der toekomst hebben ze enkel +een onvruchtbare koningin aan hun spits. Hun gansche bestaan hangt af +van de op handen zijnde paringsvlucht. Een voorbijvliegende vogel, +enkele regendruppels, een koude wind, een vergissing, en het onheil is +onherstelbaar. Dit weten de bijen zóó goed, dat ze, wanneer ze een +toevluchtsoord gevonden hebben, ondanks hunne reeds groote gehechtheid +aan de woning die eerst sedert een enkelen dag de hunne is, ondanks het +aangevangen werk, dikwijls alles in den steek laten om hunne jeugdige +souvereine te vergezellen bij het zoeken van een minnaar, om hunne oogen +onafgewend op haar gevestigd te houden, haar te omgeven en te omhullen +met duizenden liefderijke vleugeltjes, of met haar te gronde te gaan +indien de liefde haar zóó ver van den nieuwen korf doet afdwalen, dat de +nog ongewone terugweg vervluchtigt en verdwijnt uit hun aller geheugen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Xd" id="Xd"></a>X</h3> + + +<p>Zóó sterk is echter de wet der toekomst, dat geen enkele bij aarzelt met +het oog op deze onzekerheid en dit doodsgevaar. Een zelfde geestdrift +voor een tweeden en derden zwerm als voor een eersten. Wanneer de +moederstaat zijn besluit beeft genomen, dan vindt ieder dezer +gevaarlijke jonge koninginnen een troepje werkbijen gereed haar lot te +deelen en haar te vergezellen op haar reis, waarbij veel te verliezen en +niets te winnen is dan de hoop op voldoening van een instinkt. Wie geeft +hun de energie, die wij nimmer bezitten, om met het verleden te breken +als met een vijand? Wie kiest uit de massa degenen, die moeten gaan en +wie wijst aan welke zullen achterblijven? Niet die of die klasse +vertrekt of blijft, hier zijn het de jongsten, daar de oudsten, rondom +iedere koningin, die heengaat om niet terug te keeren, verdringen zich +zeer oude honingdraagsters naast kleine werkbijtjes, die zich voor het +eerst wagen in het duizelingwekkende azuur. 't Is evenmin het toeval, de +gelegenheid of een voorbijgaande opwelling van geestdrift of van +ontmoediging door een gedachte, instinkt of gevoel, waardoor de +betrekkelijke grootte van een zwerm wordt bepaald. Herhaaldelijk heb ik +er mij op toegelegd, te berekenen welke verhouding er bestond tusschen +het aantal bijen van den zwerm en van degenen die achterblijven; en +hoewel de moeielijkheden aan de proef verbonden het verkrijgen van +mathematische zekerheid beletten, heb ik toch kunnen constateeren dat +deze verhouding, als men mede rekening houdt met het broedsel, dus met +de op handen zijnde geboorten, constant genoeg was om een werkelijke en +geheimzinnige berekening van den genius des bijenkorfs te doen +vermoeden.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XId" id="XId"></a>XI.</h3> + + +<p>We zullen niet alle avonturen dezer zwermen nagaan, het zijn er vele, en +dikwijls zeer ingewikkelde. Somtijds vallen twee zwermen samen, een +andermaal gebeurt het in de verwarring van het heengaan, dat twee of +drie der gevangen koninginnen aan het toezicht der bewaaksters +ontsnappen en zich voegen bij den zich vormenden tros. Weer een +andermaal maakt een der jonge koninginnen gebruik van de zwermingsvlucht +om, waar ze zich van darren omringd ziet, zich te laten bevruchten en +dan voert ze heel haar volkje mee tot op een buitengewone hoogte en +afstand. In de praktijk van de bijenteelt brengt men deze tweede en +derde zwermen naar den moederstok terug. De koninginnen vinden elkaar +terug in den bijenkorf, de werkbijen scharen zich rondom de strijdenden +en wanneer de beste heeft gezegevierd, verwijderen zij in hun afkeer van +wanorde en hun lust tot werken de lijken, sluiten de deur voor +toekomstige daden van geweld, vergeten het verleden, keeren terug naar +hunne cellen, en gaan op nieuw den vreedzamen weg op naar de bloemen, +die hen wachten.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIId" id="XIId"></a>XII.</h3> + + +<p>Om ons verhaal te vereenvoudigen zullen we de geschiedenis van de +koningin weer opvatten, waar we die hadden afgebroken, daar waar de +bijen haar hadden toegestaan hare zusters in de wieg te dooden. Zooals +ik reeds gezegd heb verzetten ze zich dikwijls tegen dezen moord, ook +zelfs wanneer ze niet het voornemen schijnen te koesteren een tweeden +zwerm uit te zenden. Dikwijls ook hechten zij er hunne goedkeuring aan, +want de staatkundige geest der korven van een zelfden bijenstand is even +verschillend als die der menschen-volken van een zelfde vastland. Doch +zeer zeker begaan ze een onvoorzichtigheid door hem te wettigen. Komt de +koningin om of verdwaalt ze bij hare parings-vlucht, dan blijft er +niemand over om haar te vervangen, en de larven der werkbijen zijn al +over den leeftijd om nog in koninklijke herschapen te kunnen worden. +Maar enfin, de onvoorzichtigheid is begaan en dus is de eerste, die +uitkomt, de eenige en erkende heerscheres in de gedachten haars volks. +Toch is ze nog maagd. Om gelijk te worden aan de moeder, die zij +vervangt, moet ze in de eerste twintig dagen na hare geboorte een +ontmoeting hebben met het mannetje.</p> + +<p>Wordt door een of andere oorzaak deze ontmoeting vertraagd, dan blijft +ze onherroepelijk maagd. Toch is ze zooals we gezien hebben niet +onvruchtbaar, al is ze maagd. Hier staan we tegenover die groote +anomalie, die wonderlijke voorzorgsmaatregel of gril van de natuur, die +men parthenogenesis noemt, en die een zeker aantal insekten met elkaar +gemeen hebben, te weten de boomluizen, de stofvleugelige insekten van +het geslacht Psyche, de Hymenopteren van den stam der Cynipides, enz. De +koningin-maagd kan dus eieren leggen als ware zij bevrucht, maar uit +alle eieren die ze legt, in groote of kleine cellen, zullen enkel darren +geboren worden, en daar deze nimmer werken, enkel op kosten der wijfjes +leven, zelfs nooit honing gaan zoeken voor zich zelven en niet in hun +onderhoud kunnen voorzien, volgt slechts weinige weken na den dood van +de laatste afgetobde werkbij, de volledige ondergang der kolonie. Uit de +maagd zullen duizenden mannetjes geboren worden, en ieder dezer +mannetjes bezit millioenen zaadlichaampjes, waarvan er geen enkel in +haar organisme is kunnen binnendringen. Dat is zoo men wil niet +wonderlijker dan duizend andere analoge verschijnselen; want als men +zich bezighoudt met deze problemen, voornamelijk met die van de +voortplanting, waarbij het wonderlijke en verrassende van alle kanten +opduiken, nog veel overvloediger en nog veel minder volgens menschelijke +wetten dan in de wonderbaarlijkste tooversprookjes, dan wordt na verloop +van korten tijd de verbazing zoo iets gewoons, dat men er vrij spoedig +de notie van verliest. Toch was het feit de moeite waard te worden +opgeteekend. Doch van een anderen kant, hoe in het reine te komen met de +bedoeling der natuur, die aldus de darren, welke zoo noodlottig zijn, +begunstigt ten koste der zoo noodzakelijke werkbijen? Is ze bang, dat +anders het verstand der wijfjes hen er toe brengen zou het aantal dezer +nadeelige parasieten, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn voor de +instandhouding der soort, buitensporig te verminderen? Is het uit +overdreven reactie tegen den ramp van een onvruchtbare koningin? Behoort +het tot die al te geweldige en blinde voorzorgsmaatregelen, die de +oorzaak van het kwaad niet kennen, met het geneesmiddel het doel +voorbijschieten, en om een lastig geval te vermijden, een ramp +teweegbrengen? In werkelijkheid—doch laat ons niet vergeten, dat het +niet geheel en al de natuurlijke en oorspronkelijke werkelijkheid is, +daar de kolonies in de primitieve wouden veel meer verspreid moeten +geleefd hebben dan tegenwoordig, in werkelijkheid ligt het bijna nooit +aan gebrek aan mannetjes, wanneer een koningin niet is bevrucht, want +deze zijn altijd talrijk en komen van zeer verre. Veeleer hebben koude +of regen haar te lang in den korf opgesloten gehouden, en nog vaker de +onvolkomenheid harer vleugeltjes, waardoor ze niet in staat is tot de +hooge vlucht, die vereischt wordt door het orgaan der darren. Nochtans +legt de natuur, zonder rekening te houden met deze meer reëele oorzaken, +zich met hartstocht toe op het vermenigvuldigen der darren. Ze brengt +zelfs nog andere wetten in beroering om er te verkrijgen en somtijds +vindt men zelfs in een verweesden korf twee of drie werkbijen, die zoo +sterk worden geprikkeld door het verlangen naar instandhouding der +soort, dat ze zich ondanks hunne verminkte eierstokken inspannen om +eieren te leggen, hunne organen eenigszins zien opleven onder den drang +van dit tot het uiterste geprikkeld gevoel, en er werkelijk in slagen +eenige eieren voort te brengen; doch ook uit deze eieren ontstaan +evenals uit die der maagd-moeder, enkel darren.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIId" id="XIIId"></a>XIII.</h3> + + +<p>Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien +onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand +getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht +tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij +veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze +wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men +sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar +daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou +kunnen houden.</p> + +<p>Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag +legt,—te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van +den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het +doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen +ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is. +Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd +heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den +overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij +onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de +geschiedenis der triongulins der <i>Sitaris Colletis</i>. Men zal trouwens +zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd +zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.</p> + +<p>Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde, +afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest +bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op +de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze +zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der +sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder +niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de +algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg +beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der +bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van +levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.—Maar zoodra +er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis +sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder +te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in +opsluit.</p> + +<p>Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de +onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de +triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn +gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang +in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een +andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds +overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen. +Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen +vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger +heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich +zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.</p> + +<p>Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare +en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de +door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen +maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de +noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is +opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt, +heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige +nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel +van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal +van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar +al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft +verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is +de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van +het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht +verdronkenen met één."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIVd" id="XIVd"></a>XIV.</h3> + + +<p>Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig +in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd +tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven, +en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat +hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal +maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een +vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven +van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn, +indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt +met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en +met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten +eischt.</p> + +<p>Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch +wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt +haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een +misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer +neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En +indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?</p> + +<p>Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den +vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken, +waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te +staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op +dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn. +De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in +het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van +dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en +zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke +geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de +bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het +onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze +óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der +natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij +gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou +ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men +aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en +noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een +harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen +en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom +loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het +tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit +verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat +het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich +schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt +hechten?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVd" id="XVd"></a>XV.</h3> + + +<p>Hebben wij het recht uit de gevaren der parthenogenesis het besluit te +trekken, dat de natuur niet altijd de rechte verhouding weet te treffen +tusschen middel en doel, dat hetgeen zij wil staande houden zijn behoud +somtijds te danken heeft aan andere voorzorgsmaatregelen, die ze genomen +heeft tegen deze voorzorgsmaatregelen zelf, en dikwijls ook aan +omstandigheden, die haar geheel vreemd zijn, en die ze niet heeft +voorzien? Maar kan ze voorzien, heeft ze de bedoeling iets staande te +houden? De natuur, zal men zeggen, is een woord, waarmee we het +onkenbare dekken, en slechts weinige beslissende feiten geven ons het +recht haar bedoeling of verstand toe te schrijven. Dat is waar. Hier +leggen we de hand op de hermetisch gesloten vaten, die onze opvatting +van het heelal kenmerken. Om er niet onveranderlijk datzelfde opschrift +<i>Onbekend</i> op te plaatsen, dat ontmoedigt en het stilzwijgen oplegt, +snijden wij er, al naar vorm en grootte, de woorden in: "Natuur", +"Leven", "Dood", "Oneindigheid", "Selectie", "Geest der soort", en nog +vele andere, evenals zij die ons zijn voorgegaan, er de namen "God", +"Voorzienigheid", "Noodlot", "Belooning" aan hechtten. Dat is zoo, en +niets meer zoo men wil. Maar zoo het inwendige op deze wijze al duister +blijft, we hebben er althans dit mee gewonnen, dat we, nu de inschriften +minder dreigend zijn, die vaten durven naderen, ze aanraken en met +heilzame nieuwsgierigheid het oor daartegen te luisteren leggen.</p> + +<p>Maar welken naam men er ook aan moge geven, dit is zeker, dat althans +één dezer vaten, het grootste, datgene dat als opschrift het woordje +"Natuur" draagt, een zeer reëele kracht inhoudt, de meest reëele van +alle en die op onzen aardbol een verbazend groote en wonderbaarlijke +hoeveelheid leven weet te onderhouden, door zóó vernuftige middelen, dat +men zonder overdrijving zeggen mag, dat ze alles overtreffen, wat het +genie der menschen weet tot stand te brengen. Zouden deze quantiteit en +deze qualiteit ook kunnen blijven bestaan door andere middelen? +Vergissen <i>wij</i> ons als wij meenen voorzorgsmaatregelen te zien waar +misschien niets anders aanwezig is dan een gelukkig toeval, dat een +millioen ongelukkig toevallen overleeft?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVId" id="XVId"></a>XVI.</h3> + + +<p>'t Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van +bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen +als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken +aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en +kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan +bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende +dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist +M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil, +verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de +myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van +alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de <i>Amoeba</i>, die +met huichelachtig geduld loert op de jonge <i>Acineten</i>, als ze uit het +moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog +geen giftige sprieten hebben. Deze <i>Amoeba</i> nu bezit noch zenuwstelsel, +noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de +planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle +gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten, +de <i>Drosera's</i> b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de +scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze +eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk +de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let +op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de +kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa +pollinis (stuifmeelmassa) in de <i>Orchis Morio</i>, de nederige orchidee +onzer velden<a name="FNanchor_1_12" id="FNanchor_1_12"></a><a href="#Footnote_1_12" class="fnanchor">[1]</a>; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee +helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het +insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt +op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem +raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de +<i>Pedicularis Sylvatica</i> (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren +stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in +beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op +onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een +behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.</p> + +<p>We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn <i>Ethics of +the Dust</i> gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen +der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien +een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn +dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een +vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over +den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats +ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van +porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens +verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het +rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de +ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds +bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de +klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken +aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de +zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der +kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz..... +Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze +bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap +met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of +insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven, +krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte +schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen +spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het +verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt +al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van +datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt +van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken +spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit +opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige +omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn +geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat +bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden +hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere, +welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het +niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over +de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder +verbazingwekkend was voorgekomen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_12" id="Footnote_1_12"></a><a href="#FNanchor_1_12"><span class="label">[1]</span></a> Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te +geven van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier +volgt een ruwe schets: het stuifmeel der <i>Orchis Morio</i> is niet korrelig +maar kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of <i>massa +pollinis</i> genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van +onderen in een kleverig kliertje (het <i>retinaculum</i>) dat is vervat in +een soort van vliezig zakje (het <i>Rostellum</i>), hetwelk bij de geringste +aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt +haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in +aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige +kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht +zich het <i>pollinium</i> uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit +bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes. +Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op +het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den +vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten, +doch ze zouden den <i>stempel</i>, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet +worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius +van de <i>Orchis Morio</i> heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van +dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft +om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op +een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en +schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting; +de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van +die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de +bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den +stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men +zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld +der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; <i>Over de bevruchting +der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising, +1862).</i></p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIId" id="XVIId"></a>XVII.</h3> + + +<p>En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er +geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het +gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan +zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven +put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er +zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting +van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met +alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd +heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet +dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te +onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het +toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven, +dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te +voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder +te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.</p> + +<p>'t Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel +te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal +hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van +voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik. +Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de +ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit +gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid +weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo +ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen +bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij +begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten; +en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter +linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en +omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil +blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere +vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch +onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is +met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat +hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke +watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en +onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig +schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een +anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen +heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en +verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame +wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIId" id="XVIIId"></a>XVIII.</h3> + + +<p>Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te +onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men +dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich +op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf, +die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te +weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke +zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist +daardoor.</p> + +<p>Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat +bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons +echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn +als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust? +Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en +somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen, +aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van +bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en +dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze +onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIJFDE_BOEK" id="VIJFDE_BOEK"></a>VIJFDE BOEK.</h3> + +<h3>DE PARINGSVLUCHT.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ie" id="Ie"></a>I.</h3> + + +<p>We komen nu tot de wijze waarop de bevruchting der bijen-koningin plaats +heeft. Ook hier heeft de natuur buitengewone maatregelen genomen om de +paring van mannetjes en wijfjes uit verschillende moederstokken te +begunstigen; een vreemde wet, die ze volstrekt niet had behoeven uit te +vaardigen, een gril of misschien het gevolg van een oorspronkelijke +nalatigheid, waardoor ze nu allerlei merkwaardige krachten aan 't werk +moet zetten, om die te herstellen.</p> + +<p>Waarschijnlijk zou het heelal, indien zij ook maar de helft van het +genie, dat ze nu verspilt aan kruisbevruchting en sommige andere +willekeurige wenschen, had besteed om het leven te verzekeren, het +lijden te verlichten, den dood te verzachten en afschuwelijke rampen te +vermijden, ons een minder onbegrijpelijk raadsel zijn geweest, minder +erbarmelijk dan hetgeen we nu trachten te doorgronden. Maar we hebben +niet te doen met wat had kunnen zijn, we hebben onze bewustheid en onze +belangstelling in het bestaande te putten uit hetgeen is.</p> + +<p>Rondom de maagdelijke koningin en met haar levende in den korf midden in +de massa, bewegen zich honderden mannetjes, die altijd dronken zijn van +honing, en wier eenige reden van bestaan de vereeniging der liefde is. +Maar hoewel hier twee verlangens, die overal elders alle hinderpalen +omverworpen, voortdurend met elkaar in aanraking zijn, heeft de paring +nooit plaats in den korf, en men is er nog nooit in geslaagd, een +gevangen koningin te doen bevruchten<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>. De minnaars, die haar omgeven, +weten niet wat ze is, zoolang ze in hun midden woont. Zonder te +vermoeden dat ze zoo juist van haar afkomen, dat ze met haar sliepen op +dezelfde raten, dat ze misschien in de haast van het uitvliegen tegen +haar aan zijn gebonsd, gaan ze haar zoeken in de ruimte, op de meest +verborgen plaatsjes van den horizont. 't Is alsof hunne +bewonderenswaardige oogen, die hun geheelen kop bedekken als een +schitterende helm, haar eerst leeren kennen en begeeren, wanneer ze +zweeft in het azuur. Dagelijks van elf tot drie uur, wanneer het licht +zijn hoogsten glans heeft en vooral wanneer de middag tot aan de grenzen +des hemels zijn groote blauwe vleugelen uitspreidt om de vlammen der zon +aan te wakkeren, gaat hunne gevederde horde er haastig op uit om de +echtgenoote op te sporen, die nog koninklijker en nog moeielijker te +verkrijgen is dan alle ongenaakbare prinsessen uit de sprookjes, want +twintig of dertig stammen omringen haar en komen uit alle naburige +staten aansnellen, om een hofstoet van meer dan tien duizend +pretendenten voor haar te vormen. Uit deze duizenden zal er één enkele +worden uitgekozen voor één enkelen kus van ééne minuut, die hem aan het +geluk maar tevens aan den dood zal huwen, terwijl alle overigen doelloos +rondom het verbonden paar heenvliegen, en weldra zullen sterven zonder +de begoochelende en noodlottige verschijning weer te zien.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> Aan Professor Mc Lain is het onlangs gelukt eenige +koninginnen kunstmatig te bevruchten, doch eerst na eene echte, +chirurgicale, gevaarlijke en ingewikkelde operatie. Overigens was de +vruchtbaarheid dezer koninginnen beperkt en voorbijgaand van aard.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIe" id="IIe"></a>II.</h3> + + +<p>Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet. +In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In +zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend, +want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren +brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies +gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in +de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die +kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.</p> + +<p>En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende +arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de +vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die +in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is +altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de +voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en +werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen +al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten +en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante +gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er +is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er +zachter bij te voegen:—"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij +niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen, +overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de +onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige +weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan +haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de +dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die +wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de +geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't +stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken +met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten +bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig +onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets +te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel +klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den +honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij +staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden +met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de +duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke +maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet +één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat +niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft +hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen +opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke) +minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden +enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft +ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl +de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van +Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk, +terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een +voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken +tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den +arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het +leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid +waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in +moeite en kommer.</p> + +<p>Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de +trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer +buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons +ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter +zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven +onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan +een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts +een onzeker schijnsel zouden afwerpen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIe" id="IIIe"></a>III.</h3> + + +<p>Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der +bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van +een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel +echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen +terugkeer der echtgenoote waarnemen.</p> + +<p>Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter +hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in +de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest +graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met +een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende +morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte +des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger, +wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar +een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van +den dageraad doorlaten.</p> + +<p>Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige +honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel +omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf +achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt +achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en +wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze +nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen, +vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo +bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich +op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in +hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning +opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van +den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige +bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich +om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen +steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor +gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar +kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid +van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de +blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt +als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide +luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de +ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat +niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie +kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar +onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De +zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht +gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en +verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts +een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van +hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op +haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele +snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner +omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IVe" id="IVe"></a>IV.</h3> + + +<p>De meeste wezens hebben een onbestemd gevoel, dat een zeer onbetrouwbaar +toeval, een soort van doorschijnend vlies, den dood scheidt van de +liefde, en dat de diepste gedachten der natuur verlangen, dat men +sterven zal op 't oogenblik waarop men leven wekt. Waarschijnlijk maakt +deze erfelijke vrees de liefde van zoo groot gewicht. Hier althans wordt +dit denkbeeld in zijn primitieven eenvoud tot werkelijkheid, dit +denkbeeld waarvan een herinnering blijft nazweven over den kus des +menschen. Zoodra de paring is voltrokken opent zich de buik van den dar, +het orgaan scheurt af en neemt de massa der ingewanden met zich mee, de +vleugels ontspannen zich en als had dit huwelijk hem met een +bliksemschicht gedood, draait het geledigde lichaam even rond en valt in +den afgrond.</p> + +<p>Dezelfde gedachte, die straks in de parthenogenesis de toekomst van den +korf aan de buitengemeene vermenigvuldiging der darren ten offer bracht, +offert hier het mannetje aan de toekomst van den korf.</p> + +<p>Deze gedachte zet ons altijd op nieuw in verbazing; hoe meer men haar +zoekt te doorgronden, des te minder zekerheid krijgt men, en Darwin +b.v., om dengene te noemen die van alle menschen er de meest +hartstochtelijke en methodische studie van heeft gemaakt, Darwin raakt +zonder het te willen bekennen bij iedere schrede meer van de wijs en +krabbelt achteruit tegenover het onverwachte en onvereenigbare. Zie hem +eens, als ge getuige wilt zijn van het vernederend en toch edel +schouwspel van het menschelijk genie, den strijd aanbindend tegen de +oneindige macht, zie hem eens in zijn pogingen om de vreemde, +ongelooflijke, geheimzinnige en onsamenhangende wetten van de +onvruchtbaarheid en de vruchtbaarheid der bastaardsoorten of die van de +variëteiten in de karakters der soorten of geslachten te ontwarren. +Nauwelijks heeft hij een regel geformuleerd of uitzonderingen zonder tal +dringen op hem aan, en al spoedig mag de aangevallen regel blij zijn als +hij een boekje vindt om zich in te verschuilen en onder den naam van +uitzondering zijn bestaan te kunnen rekken.</p> + +<p>Dit komt doordat in de bastaardsoorten, in de variëteiten (vooral in de +gelijktijdige variëteiten, die men correlaties van groei noemt) in het +instinct, in de gevallen van vitale concurrentie, in de selectie, in de +geologische opvolging en de geographische verspreiding der bewerktuigde +wezens, in de wederkeerige verwantschap, evenals overal elders, de +gedachte der natuur uitvoerig en slordig, zuinig en kwistig, voorzichtig +en onoplettend, onstandvastig en onwankelbaar, druk en onbewegelijk, één +en ontelbaar, grootsch en popperig is uitgedrukt op hetzelfde oogenblik +en bij hetzelfde verschijnsel. Terwijl ze het onmetelijk en maagdelijk +veld van den eenvoud vóór zich had, bevolkt ze het met kleine +vergissingen, tegenstrijdige wetjes, kleine lastige vraagstukken, die in +het leven geen weg weten, even als blinde kudden. 't Is waar, zóó +gebeurt alles in onze oogen, waarin alleen die werkelijkheid weerkaatst +wordt, die zich aanpast aan onze bevatting en onze behoeften, en niets +geeft ons het recht te gelooven, dat de natuur hare verkeerde oorzaken +en gevolgen uit het oog verliest.</p> + +<p>In ieder geval laat ze hun zelden toe al te ver te gaan en te naderen +tot gevaarlijke en onlogische gewesten. Ze beschikt over twee krachten, +die nimmer hun macht verliezen, en wanneer de verschijnselen zekere +grenzen overschrijden, dan geeft ze een wenk aan leven of dood, die dan +weer de orde komen herstellen en onverschillig den weg weer nieuw +afbakenen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ve" id="Ve"></a>V.</h3> + + +<p>Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels +en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre +beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als +een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in +de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel +de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa, +de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van +verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote +stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de +moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich +aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts +beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte +af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even +goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar +ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?</p> + +<p>Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door +zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt +hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme +massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te +vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen +dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur, +vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur +is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog +eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een +enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan +dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had +opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo +dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand +en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af +te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn +principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek +te onderwerpen.</p> + +<p>Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te +geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken, +leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen +geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog +staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg +lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich +beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het +moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen, +dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt. +Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in +zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen, +dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan +lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een +massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij +verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat +hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen +hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag +regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het +schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste. +Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn +leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen, +even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in +beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met +het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij—eeuwen lang, indien +het moet,—totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot +andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle +andere in zich op te nemen en te overtreffen.</p> + +<p>In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de +verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat +grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide +te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder +goed te handelen dan men denkt—het slechtere te zien en het betere te +volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is +altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons +van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte +waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige +waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen +is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en +natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet +op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons +zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te +stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere +wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid: +want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en +aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of +evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den +grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep +in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIe" id="VIe"></a>VI.</h3> + + +<p>We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het +voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog +op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen +mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward +als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten +onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een +oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen +werken.</p> + +<p>Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude +wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten, +waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet +ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat +gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is +voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam +van de echtgenoote.</p> + +<p>Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl +de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan +wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare +thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag +leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb +herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken, +dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die +gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het +hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een +kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen +buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er +dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze +haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze +den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat +punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is +in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen +don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de +bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die +blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief +en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk +eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil +men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen, +logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren, +die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden +tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden +beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom +zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen, +die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen +interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt +dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen +de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den +waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies +even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en +alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er +wonderen van te verhalen.</p> + +<p>Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende +koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die +haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle +feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden +binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in +schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm +als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en +barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze +bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk +te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang +belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de +overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en +weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en +veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het +zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar +uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis +van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het +vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen +geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het +mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de +paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk +dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een +dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich +besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet +meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te +vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van +haar dood.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIe" id="VIIe"></a>VII.</h3> + + +<p>Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar +zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate +tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen, +bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en +verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de +dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde +ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is, +deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van +den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch +altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en +met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine, +brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange +toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt +met het hem ten deel vallend tiende.</p> + +<p>De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere, +voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien +zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet +aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen) +zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal +liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien +hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om +zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó +bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan +in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd +vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen +uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen +dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting +van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het +gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die +verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den +grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIIe" id="VIIIe"></a>VIII.</h3> + + +<p>"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven +verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"</p> + +<p>Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle +dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat +onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die +kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of +andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief +dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont +dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief +zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter +belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het +bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de +meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die +wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en +grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn +in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot +algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we +hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren +voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en +gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van +vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die +misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen +bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart +en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen. +Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het +schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die +hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook +opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert, +verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader. +En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit +verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid +uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IXe" id="IXe"></a>IX.</h3> + + +<p>Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen, +aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter +daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't +voorbeeld, dat we bespraken,—op zichzelf is dat niets, maar we blijven +er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en +van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van +waarheden,—wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische +verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te +houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er +dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden +is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende +wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger +en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest +in onze dagen, die te goeder trouw is.</p> + +<p>Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat +enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen, +wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden +weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't +geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere +gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat +de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien +we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan +die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het +vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't +leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een +vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en +grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder +van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven +hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar +huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance +der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in +handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar +atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij +hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten +zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het +heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.</p> + +<p>We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle +andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze +ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we +haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een +verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan +zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende +grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid +zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te +doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer +we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en +moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van +dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat +we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne +naaktheid hebben ten toon gesteld.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Xe" id="Xe"></a>X.</h3> + + +<p>"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen +onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben +de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm +een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een +keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij +ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt, +bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De +vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt, +de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer +sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige, +liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde +laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende +kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de +oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt +schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons +binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den +schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer +de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde +te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen +daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."</p> + +<p>We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië, +dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd +park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap +zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar +het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk +wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte, +die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te +stapelen.</p> + +<p>"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon. +Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan +alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het +tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de +avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden, +een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven +hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige +palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden +om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het +azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter +halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle +lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is, +en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun +monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde +dingen deden en nog in hun midden zijn.</p> + +<p>Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te +bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in +Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen +genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig +leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk +leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt, +zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn +hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze +hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het +landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom, +zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is +eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in +de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen +onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of +diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en +komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid +of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de +waarheid wordt genoemd."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIe" id="XIe"></a>XI</h3> + + +<p>"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo +schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden +en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden +teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat +men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan +beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.</p> + +<p>Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de +bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart +dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste +mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik +niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den +alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet, +dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat +waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de +gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig, +leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer +gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene +uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen +bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is, +elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen. +Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een +groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang +nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang +ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen +wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik +van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid, +waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.</p> + +<p>Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog, +de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij +dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid. +Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van +die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de +aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet +dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets +vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier +bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de +macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen +dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten +nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal +uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn +vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb +de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen +tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk +weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij +geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast +had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is +niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een +oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt +hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet, +hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er +voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou +dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets +achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen, +rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met +het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van +de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om +zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene +kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat +voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak +is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen +de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk +leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de +eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIe" id="XIIe"></a>XII.</h3> + + +<p>"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens +om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de +werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in +de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten +erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter +bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand +houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor +oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij +La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des +nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en +wortels...."</p> + +<p>"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is +mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid +moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer +organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we +zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het +overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds +gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus +niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden. +Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère +nog niet hadden.—"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat +afschuwelijke half-beest." mompelde ik.—"Zoo spreekt ge onder den +invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we +gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien, +welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en +laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't +geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te +benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het +dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich +aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen +te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het +gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet +bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel +kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder +afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt, +misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich +voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de +afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en +hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder +deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn +gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd +dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven. +Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons +idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die +men voor de hoogste houdt.</p> + +<p>En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo +trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer +verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten, +dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die +wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest +reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste +verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te +heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik +ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien +vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een +beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan +ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe +ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs +niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig +wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op +gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge +hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt +voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander +toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe +onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze +reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een +wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig +intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel +wezenlijk goed kon doen bereiken.</p> + +<p>"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit +schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even +groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons. +Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig +principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe. +Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft +ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of +we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het +mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons +heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons +staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte. +Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu. +En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is +de laatste waarheid."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="ZESDE_BOEK" id="ZESDE_BOEK"></a>ZESDE BOEK.</h3> + + +<h3>DE DARRENSLACHT.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="If" id="If"></a>I.</h3> + + +<p>Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm +blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan +dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of +misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke +aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.—Deze gedragen zich in den +korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen +en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende, +onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den +doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd, +gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke +minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling, +onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten +staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun +gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf +van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze +bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen +stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en +drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid +trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon, +vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte +kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin +fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen, +deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de +schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver, +die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke, +overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel +drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor +een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan +kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze +gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde +drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde +groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur, +dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren +krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en +keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen +bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIf" id="IIf"></a>II.</h3> + + +<p>Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren +morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond +tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen. +Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en +beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der +eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is +uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken +af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards, +die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de +honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende +maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet, +en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid +heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze +verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien +met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne +dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de +richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn +voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden, +van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm, +marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die +heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen +hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend +braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De +geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den +nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn, +waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en +wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven +van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het +omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der +ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der +gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne +steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt, +de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een +opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard +daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit +van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de +voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der +aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op +onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al +rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot +ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren +ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de +diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid +afstaat, haastig terugkeert en—doch te vergeefs—gratie zou willen +vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet +der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne +pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte +oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur +en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu, +verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van +angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden +onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde +begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst, +weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar +hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van +gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne +tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze, +door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf +om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een +onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen +opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld +die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers +wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIf" id="IIIf"></a>III.</h3> + + +<p>Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies +van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het +sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun +voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud +en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den +winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin, +die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan +komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten +en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng +omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf +in alle stilte omkomt.</p> + +<p>Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte +en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds +wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de +groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden +zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap, +zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone +Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren +begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing +opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad +volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het +onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal +geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer +en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen +van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis +rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche +volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van +Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.</p> + +<p>De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf +heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de +allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten +vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één +voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij +een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven. +Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te +deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door +steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de +nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap. +Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan +elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten, +waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den +zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin, +omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de +verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door +een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het +omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen +bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere +afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een +roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en +die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar +gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in +tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen +in den winter wel, doch het staat niet stil<a name="FNanchor_1_14" id="FNanchor_1_14"></a><a href="#Footnote_1_14" class="fnanchor">[1]</a>. Door de eenparige +beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het +zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de +temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een +gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze +geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger +tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne +oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als +het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten, +bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan +anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de +verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft, +en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij +vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de +werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele +blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de +werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de +wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan +het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en +nieuw leven ontvangen.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_14" id="Footnote_1_14"></a><a href="#FNanchor_1_14"><span class="label">[1]</span></a> Een flinke korf verteert gewoonlijk gedurende de +inwintering, die in onze streken ongeveer zes maanden duurt, namelijk +van October tot begin April, twintig à dertig pond honing.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="ZEVENDE_BOEK" id="ZEVENDE_BOEK"></a>ZEVENDE BOEK.</h3> + + +<h3>DE VOORUITGANG DER SOORT.</h3> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Ig" id="Ig"></a>I.</h3> + + +<p>Alvorens dit boek te besluiten, zooals we den korf hebben gesloten over +de verstijfde stilte van den winter, wil ik zelf een tegenwerping maken, +die slechts zelden uitblijft van de zijde dergenen, voor wie men de +verrassende staatkunde en nijverheid der bijen ontvouwt. Ja, mompelen +zij, dat alles is nu heel wonderbaarlijk, maar zonder dat er eenige +verandering in komt. Daar leven ze nu reeds duizenden jaren onder +merkwaardige wetten, maar duizenden jaren zijn deze wetten dezelfde +gebleven. Reeds duizenden jaren bouwen ze die merkwaardige raten, +waaraan men niets heeft toe te voegen of af te nemen, en waarin men de +kennis van den scheikundige, den landmeter, den architect en den +ingenieur vereenigd aanschouwt; doch deze raten zijn precies gelijk aan +die welke men in oude sarcophagen vindt of die staan afgebeeld op +Egyptische steenen en papyrusrollen. Noem ons één enkel feit, dat wijst +op eenigen den minsten vooruitgang, wijs ons op een of andere +bijzonderheid, die toont dat ze iets nieuws hebben ingevoerd, een enkel +punt, waarop ze de routine van eeuwen hebben gewijzigd: dan zullen we +ons buigen en erkennen, dat in hen niet alleen een bewonderenswaardig +instinct schuilt, maar een verstand, hetwelk recht heeft dat van den +mensch ter zijde te streven, en tegelijk met hem te hopen op een of +andere bestemming, hooger dan die van de onbewuste of afhankelijke +materie.</p> + +<p>Niet alleen de leek spreekt aldus, maar bekende entomologen als Kirby en +Spence hebben hetzelfde argument aangevoerd, om aan de bijen elk ander +intellect te ontzeggen buiten en behalve dat hetwelk zich nauw merkbaar +beweegt in den engen kerker van een verrassend doch onveranderlijk +instinct. "Toon ons," zeggen zij, "één enkel geval, waarin ze, door de +omstandigheden gedrongen, b.v. op het denkbeeld zijn gekomen de was en +de maagdenwas te vervangen door klei of mortel, dan zullen we +toestemmen, dat ze in staat zijn tot overleg'."</p> + +<p>Deze redeneering, die Romanes "The question begging argument" noemt, en +die men ook wel de "onverzadelijke redeneering" zou kunnen noemen, is +hoogst gevaarlijk en zou ons, op den mensch toegepast, buitengewoon ver +doen afdwalen. Wel beschouwd spruit ze voort uit dat "eenvoudig gezond +verstand," dat dikwijls heel wat kwaad aanricht en dat aan Galileï ten +antwoord gaf: "Niet de aarde draait, want ik zie de zon zich aan den +hemel bewegen, 's morgens weer opkomen en des avonds ondergaan, en niets +gaat boven het getuigenis mijner oogen." Gezond verstand is uitstekend +en noodig als grondslag voor onzen geest, onder voorwaarde echter, dat +het wordt gecontroleerd door iets hoogers, dat nimmer sluimert en dat +waar het noodig is, aan datzelfde gezond verstand herinnert, hoe +oneindig groot nog zijne onkunde is; zoo niet, dan is 't niets meer dan +de routine der lagere deelen van ons intellect. De bijen zelven echter +hebben antwoord gegeven op de tegenwerping van Kirby en Spence. +Nauwelijks was ze uitgesproken, of een ander natuuronderzoeker, Andrew +Knight, kwam, toen hij de zieke schors van zekere boomen had bestreken +met een soort van cement, vervaardigd uit was en terpentijn, tot de +ontdekking, dat zijne bijen het inzamelen van maagdenwas geheel hadden +opgegeven en uitsluitend deze hun onbekende materie gebruikten, die +weldra beproefd werd bevonden en algemeen aangenomen, daar ze die geheel +gereed en in overvloed vonden in de omgeving hunner woning.</p> + +<p>Trouwens, de helft van de theorie en de praktijk der bijenkunde is de +kunst, vrijen loop te laten aan het initiatief der bij, aan haar +ondernemend verstand gelegenheid te geven zich te oefenen, en echte +ontdekkingen, wezenlijke uitvindingen te doen. Zoo gebeurt het b.v. wel, +dat bijenhouders, wanneer het stuifmeel schaarsch is in de bloemen, een +zekere hoeveelheid meel in de nabijheid van den bijenstand uitstrooien, +om zoodoende mede te helpen aan het grootbrengen der larven en nymphen. +'t Is vrij duidelijk, dat de bijen een dergelijke stof nooit hebben +aangetroffen in hun natuurstaat, in hunne oorspronkelijke woonplaatsen, +de bosschen of Aziatische valleien, waar zij waarschijnlijk het +levenslicht aanschouwden in het tertiaire tijdperk. En toch, wanneer men +zorg draagt er eenige te lokken, door ze op het uitgestrooide meel te +zetten, dan betasten ze het, proeven het, zien in, dat het in qualiteit +bijna gelijk staat met het stof der helmknopjes, keeren naar den korf +terug, deelen de tijding mede aan hunne zusteren en ziet, daar komen +alle honingdraagsters op deze onverwachte en onbegrijpelijke spijze +aanvliegen, terwijl toch in hunne aangeboren herinneringen hun voedsel +onafscheidelijk moet zijn van de bloemkelken, waar zij reeds sedert zoo +vele eeuwen zulk een weelderig en overdadig onthaal vinden.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIg" id="IIg"></a>II.</h3> + + +<p>Nauwelijks honderd jaar, namelijk sedert den arbeid van Huber, is men +bezig een ernstige studie te maken van de bij en de eerste belangrijke +waarheden te vinden, die maken, dat men ze met vrucht kan waarnemen. +Iets meer dan vijftig jaar geleden werd, dank zij de raten en korven met +lossen bouw van Dzierzon en Langstroth, de rationeele en praktische +bijenkunde gegrondvest en was de korf niet langer dat onschendbaar huis, +waarin alles gebeurde in een diep mysterie, dat men eerst eenigszins kon +doorgronden, nadat de dood het in puin had gestort. En eindelijk, nog +geen vijftig jaar is het geleden, dat de verbeteringen in het microscoop +en het laboratorium van den entomoloog het juiste geheim hebben +geopenbaard van de voornaamste organen der werkbij, koningin en darren. +Is 't nu zoo vreemd, dat onze kennis even weinig omvattend is als onze +ervaring? De bijen leven al duizenden jaren en wij nemen ze waar sedert +tien of twaalf lustra. Zelfs dan, wanneer het ware uitgemaakt, dat er +niets veranderd is in den korf sedert wij dien hebben geopend, zouden we +dan het recht hebben daaruit op te maken, dat er ook nooit iets in +gewijzigd is vóór wij hem hebben ondervraagd? Weten we dan niet, dat een +eeuw in de evolutie eener soort verloren gaat als een regendruppel in +een draaikolk, en dat een milennium voor het leven der algemeene materie +even snel voorbij gaat als een jaar voor de geschiedenis van een volk?</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IIIg" id="IIIg"></a>III.</h3> + + +<p>Maar 't is volstrekt geen uitgemaakte zaak, dat er niets veranderd is in +de gewoonten der bijen. Wanneer men ze zonder vooroordeel onderzoekt, +zal men zonder nog het kleine veld, waarop het licht van onze +hedendaagsche ervaring valt, te verlaten, integendeel zeer merkbare +afwijkingen vinden. En wie zal zeggen, welke ons ontgaan? Een waarnemer, +die ongeveer honderd vijftig maal onze grootte had en bijna zeven +honderd duizend maal ons gewicht (dit zijn de verhoudingen tusschen onze +gestalte en ons gewicht en die van de nederige honingbij), die onze taal +niet verstond en geheel andere zintuigen had dan wij, zou er zich +rekenschap van geven, dat er vrij merkwaardige materieele veranderingen +hebben plaats gehad in de laatste twee derden dezer eeuw, doch hoe zou +hij zich een denkbeeld vormen van de moreele, sociale, godsdienstige, +staatkundige en economische evolutie?</p> + +<p>Zoo straks zal die wetenschappelijke hypothese, welke onder alle de +grootste waarschijnlijkheid bezit, ons veroorloven onze huis-bij in +verbinding te brengen met den grooten stam der Apiërs, waaronder zich +waarschijnlijk hare voorouders bevinden en die alle wilde bijen +omvat<a name="FNanchor_1_15" id="FNanchor_1_15"></a><a href="#Footnote_1_15" class="fnanchor">[1]</a>. Dan zullen we physiologische, sociale, economische, +industrieele en bouwkundige veranderingen zien, die nog van meer belang +zijn dan die van onze menschelijke evolutie. Voor 't oogenblik houden +wij ons aan onze eigenlijk gezegde honingbij. Men telt daarvan ongeveer +zestien vrij duidelijk te onderscheiden soorten; maar in den grond der +zaak is het, of men te doen heeft met de <i>Apis Dorsata,</i> de grootste, of +met de <i>Apis Florea</i>, de kleinste die men kent, precies hetzelfde +insect, enkel min of meer gewijzigd door het klimaat en de +omstandigheden, waaraan het zich heeft moeten aanpassen. Al die soorten +verschillen onderling niet veel meer dan een Engelschman van een +Spanjaard of een Japannees van een Europeaan. Terwijl we zoodoende onze +eerste opmerkingen eenigszins beperken, zullen we hier enkel aanvoeren, +wat we met onze eigen oogen en op dit zelfde oogenblik zien, zonder +behulp van eenige hypothese, hoe waarschijnlijk en onvermijdelijk die +zijn moge. Wij zullen niet alle feiten, die men zou kunnen opnoemen, de +revue laten passeeren. Eenige der gewichtigste, in vlugge opsomming, +zullen voldoende zijn.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_15" id="Footnote_1_15"></a><a href="#FNanchor_1_15"><span class="label">[1]</span></a> Ziehier de plaats, die onze gewone bij inneemt in de +wetenschappelijke classificatie: +</p> +<div class="center"> +<table border="0" cellpadding="1" cellspacing="0" summary=""> +<tr><td align="left">Klasse</td><td align="left">——</td><td align="left">Insecten</td></tr> +<tr><td align="left">Orde</td><td align="left">——</td><td align="left">Vliesvleugelige (Hymenoptera)</td></tr> +<tr><td align="left">Familie</td><td align="left">——</td><td align="left">Apiden</td></tr> +<tr><td align="left">Geslacht</td><td align="left">——</td><td align="left">Apis</td></tr> +<tr><td align="left">Soort</td><td align="left">——</td><td align="left">Honingbij (Mellifica).</td></tr> +</table></div> +<p> +De term <i>Mellifica</i> behoort tot de klassen-indeeling volgens Linnaeus. +Hij is niet zeer gelukkig, daar, enkele parasieten misschien +uitgezonderd, alle Apiden mellifica zijn. Scopoli zegt: <i>Cerifera</i>; +Réaumur <i>domestica;</i> Geoffroy <i>gregaria</i>. De <i>Apis ligustica</i>, de +Italiaansche bij, is eene variëteit van de <i>Apis Mellifica</i>.</p></div> + +<hr style="width: 65%;" /> + +<h3><a name="IVg" id="IVg"></a>IVf.</h3> + + +<p>En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering, +die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de +uitwendige bescherming van de gemeenschap.</p> + +<p>De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel, +overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel +door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en +in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven +aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten +hemel bouwen. De <i>Apis Dorsata</i> in Indië zoekt niet met voorliefde holle +boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en +de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie +opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen +zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot +dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden +in het struikgewas.<a name="FNanchor_1_16" id="FNanchor_1_16"></a><a href="#Footnote_1_16" class="fnanchor">[1]</a></p> + +<p>Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte +noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot +werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke +warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het +broedsel grootbrengen, dat de <i>Apis Dorsata</i> zoo aan de takken hangend, +maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen +stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in +dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen +der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke +methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke +teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door +alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen +overleven.</p> + +<p>Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand +een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het +oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk +vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen, +de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht +vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of +grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even +gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het +vuur voor dat van het menschelijk geslacht.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_16" id="Footnote_1_16"></a><a href="#FNanchor_1_16"><span class="label">[1]</span></a> Het geval komt zelfs vrij veelvuldig voor bij een tweeden +en derden zwerm, omdat deze minder ervaren en minder voorzichtig zijn +dan de oorspronkelijke zwerm. Ze hebben een jonge en wufte koningin aan +het hoofd en bestaan bijna geheel uit zeer jonge bijen, in wie het +oorspronkelijke instinct zich nog luider doet hooren, daar ze nog niets +weten van de strengheid en de nukken van onzen barbaarschen hemel. +Overigens overleeft geen dezer zwermen de eerste herfstvlagen, en zoo +vermeerderen zij het ontelbaar aantal slachtoffer van de langzame en +raadselachtige proefnemingen der natuur.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Vg" id="Vg"></a>V.</h3> + + +<p>Na dezen grooten stap vooruit, die, al is hij oud en overgeërfd, toch +ook aktueel is, vinden we een massa oneindig verscheiden bijzonderheden, +die ons bewijzen, dat de nijverheid en de staatkunde van den bijenkorf +niet zijn vastgelegd in onverbrekelijke formules. We spraken over het +verstandig verwisselen van stuifmeel voor meel, en van de maagdenwas +voor een kunstmatig cement. We hebben gezien, hoe knap ze de woningen, +waarin men hen bracht, in plaats van zich daardoor uit het veld te laten +slaan, voor hun doel geschikt wisten te maken. We hebben ook gezien, hoe +verbazend handig ze onmiddellijk partij wisten te trekken van de +kunstraten voorzien van cellen-indruk, die men voor hen had bedacht. +Hier is het werkelijk iets heel buitengewoons, hoe ze een wonderbaar +gelukkig, maar onvolmaakt verschijnsel zich ten nutte wisten te maken. +Ze hebben werkelijk den mensch met een half woord begrepen. Stel u eens +voor, dat wij sedert eeuwen onze steden in plaats van met hardsteen, +kalk en baksteen, met een zekere smeedbare substantie hadden gebouwd, +die we met moeite moesten afscheiden door speciaal daartoe bestemde +organen van ons lichaam. Op zekeren dag zet een almachtig wezen ons neer +midden in een fabelachtige stad. We zien al spoedig, dat deze gemaakt is +van een zelfde stof als die, welke wij afscheiden, maar de rest is als +een droom, waarin wel samenhang is, doch zóó vervormd en verkleind en +saamgedrongen, dat hij ons nog meer van de wijs brengt dan het geval zou +zijn als we er geen samenhang in bespeurden. Ons gewone bouwplan vinden +we er in terug, alles is er wat we verwachtten, doch slechts in aanleg +en als 't ware verpletterd door een reeds vóór zijn ontstaan daarop +inwerkende kracht, die het heeft vastgehouden als ontwerp en verhinderd +zich verder te ontwikkelen. De huizen, die vier of vijf meter hoog +moeten zijn, vormen kleine verhevenheden, welke we met onze beide handen +kunnen bedekken. Duizenden muren zijn aangegeven door een streepje, dat +tegelijkertijd hun omtrek aangeeft en de stof, waarvan ze gebouwd zullen +worden. Elders weer zijn groote onregelmatigheden, die we zullen moeten +in orde brengen, afgronden om te dempen en in harmonie te brengen met +het geheel, uitgestrekte wankelende massa's, die een stut noodig hebben. +Want 't werk is wel verrassend, maar onzeker en gevaarlijk, Het is +uitgedacht door een scherp verstand, dat de meeste onzer bedoelingen +heeft geraden, doch ze slechts heel ruw heeft kunnen uitvoeren, daar +juist zijn reusachtigheid het in den weg stond. 't Komt er dus nu maar +op aan, dit alles te ontwarren, partij te trekken van de geringste +bedoelingen van den bovennatuurlijken gever, in enkele dagen te bouwen, +wat anders jaren vereischt, organische gewoonten op te geven, de +methode van arbeid totaal onderst boven te werpen. Zeer zeker zou de +mensch al zijn opmerkzaamheid noodig hebben om de vraagstukken op te +lossen, die zich hier voordeden, en niets te verliezen van de hulp, die +hem op deze wijze door een grootsche voorzienigheid werd aangeboden. En +toch dit alles doen zoo ongeveer de bijen in onze nieuwerwetsche +bijenkorven<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> Daar we ons hier voor het laatst met de bouwkunst der bijen +bezighouden, willen we in 't voorbijgaan een merkwaardige bijzonderheid +van de <i>Apis Florea</i> aanteekenen. Enkele wanden van hare darren-cellen +zijn cylindrisch in plaats van zeshoekig. Zij schijnt nog niet geheel in +'t gereede te zijn met den overgang van den eenen vorm tot den anderen, +en het definitief aannemen van den besten.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIg" id="VIg"></a>VI.</h3> + + +<p>Zelfs de staatkunde der bijen, heb ik gezegd, staat waarschijnlijk niet +onveranderlijk vast. Dit is het duisterste punt, dat ook het moeilijkst +valt te constateeren. Ik zal niet stilstaan bij de verschillende +manieren, waarop ze hunne koninginnen behandelen, bij de wetten van het +zwermen, die iedere korf voor zichzelf heeft en die blijkbaar van +geslacht op geslacht worden overgeleverd, enz. Doch naast deze feiten, +die nog niet voldoende vaststaan, zijn er andere constante en scherp +omlijnde, die ons doen zien, dat niet alle rassen der honingbij +denzelfden trap van staatkundige ontwikkeling hebben bereikt en dat men +er vindt, waar de publieke opinie zich tastend voortbeweegt en misschien +een andere oplossing zoekt voor het probleem van het koningschap. De +Syrische bij b.v. voedt gemeenlijk honderd twintig koninginnen op en +dikwijls nog meer, terwijl onze <i>Apis mellifica</i> er hoogstens tien of +twaalf groot brengt. Cheshire spreekt van een volstrekt niet abnormalen +Syrischen korf, waarin men een en twintig doode en negentig levende en +vrije koninginnen ontdekte. Hier staan we dus aan het aanvangs- of +eindpunt van een tamelijk vreemde evolutie, waarvan het interessant zou +zijn ze grondig te bestudeeren. Laat ons er nog bijvoegen, dat wat de +koninginnen betreft, de Cyprische bij de Syrische zeer nabij komt. Is +dit een nog eenigszins onzekere terugkeer tot de oligarchie, na de +ervaring opgedaan met de monarchie, tot het moederschap van velen na dat +der ééne? Dit is zeker, dat de Syrische en Cyprische bijen, nauw verwant +met de Egyptische en Italiaansche, waarschijnlijk de eersten zijn, die +door den mensch zijn tam gemaakt. En ten slotte doet een laatste +waarneming ons nóg duidelijker zien, dat de zeden, evenals de +omzichtigheid, die blijkt uit de organisatie van den korf, niet het +resultaat zijn van een oorspronkelijken impuls, werktuigelijk +volgehouden in den loop der eeuwen en de onderscheiden klimaten, maar +dat de geest, die de kleine republiek regeert, alle nieuwe +omstandigheden weet op te merken, er zich naar te voegen en er partij +van te trekken, evenals hij vroeger reeds geleerd had gevaren af te +wenden. Naar Australië of Californië overgebracht, verandert onze zwarte +bij totaal van gewoonten. Reeds van het tweede of derde jaar af leeft +ze, nu ze gezien heeft, dat het daar voortdurend zomer is en de bloemen +haar nooit in den steek laten, van den eenen dag op den anderen, +vergenoegt zich met een zoo geringe hoeveelheid honing en stuifmeel als +voor het dagelijksch voedsel vereischt wordt, en doet zelfs geen +voorraad op voor den winter; zoo winnen hare nieuwe en verstandige +waarnemingen het van hare overgeërfde ervaring<a name="FNanchor_1_18" id="FNanchor_1_18"></a><a href="#Footnote_1_18" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Zelfs kan men haar alleen door haar gaandeweg de vruchten van haar +arbeid af te nemen, in voortdurende werkzaamheid houden.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_18" id="Footnote_1_18"></a><a href="#FNanchor_1_18"><span class="label">[1]</span></a> Een dergelijk feit vindt men opgeteekend bij Büchner, dat +eveneens bewijst, hoe het aanpassen aan de omstandigheden niet iets is +van langen duur, een questie van eeuwen, iets onbewusts en gedwongens, +maar onmiddellijk plaats heeft en met verstandig overleg: In Barbados, +waar ze leven te midden der raffinaderijen, en dus 't geheele jaar door +suiker in overvloed vinden, staken ze totaal het bezoeken der bloemen.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIg" id="VIIg"></a>VII.</h3> + + +<p>Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven, +dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen +te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel +verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk +vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.</p> + +<p>Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan +breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan +reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is +het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te +zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel +der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen, +haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig +fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig +daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel +te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar +vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk, +dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren +oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze +aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle +vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de +verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar +het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al +ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang +er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.</p> + +<p>Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft +talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op +aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel +zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd +waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat +hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd +lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige +eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en +verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van +den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen +verdraaide katholieke overlevering.</p> + +<p>Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan +komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik +waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan +het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang +men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt +de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt +het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen +plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te +zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen +dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te +weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan, +wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo, +dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen. +In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd +aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't +meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd. +Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig +gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid +blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd +naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is +uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons +dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook +verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van +de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar +binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog +strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat +stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we +haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid, +die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid +verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid +zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog +minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het +probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf +alle onderzoek te ontzeggen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="VIIIg" id="VIIIg"></a>VIII.</h3> + + +<p>Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven +ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van +rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat +men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien, +de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en +ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer +dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren +aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden, +prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren, +slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een +vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een +spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs +de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik +de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke +honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze +voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch +draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in +het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een +verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de +eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en +ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot +en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed +zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen +bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken, +scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen +sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en +paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.</p> + +<p>Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de +grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en +violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de +bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma +of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand +woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de +Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls +ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen +van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert, +de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht +stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën +hebben. Een hunner, de <i>Osmia papaveris</i>, vergenoegt er zich niet mee +het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de +bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om +daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere +bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische +vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de +rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de +blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt +een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle +tot cel van een larfje dienen.</p> + +<p>Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en +verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte, +die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen +beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de +liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="IXg" id="IXg"></a>IX.</h3> + + +<p>Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen. +Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien +zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en +proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één +menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op +de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze +geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het +gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even +groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft, +zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde +gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen +een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een +hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een +enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging +aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is, +zooals we reeds weten, die der Apinen<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a>, welke zoo scherp geteekende en +duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat +al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.</p> + +<p>De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine +wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en <i>Prosopis</i> +genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de +oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen, +zouden afstammen.</p> + +<p>De ongelukkige <i>Prosopis</i> is tegenover de bewoonster onzer korven vrij +wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners +onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een +verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas, +gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de +eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de +meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt +het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen +zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar +ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën +schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk +meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch +deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een +kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme +en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor +den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen, +zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de +Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze +met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het +inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere +hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is +te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen +was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen, +vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge +bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een +klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als +hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent +en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen +in de wereld, evenals ze geleefd heeft.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a>'t Is van belang de drie benamingen <i>Apinen, Apiden</i> en +<i>Apiten</i> niet met elkaar te verwarren, die wij beurtelings zullen +gebruiken en die we ontleenen aan de klassen-indeeling van Emile +Blanchard. De stam der Apinen omvat alle families der bijen. De Apiden +vormen de eerste dezer families en worden weder in drie groepen +ingedeeld: De <i>Meliponiten</i>, de <i>Apiten</i> en de <i>Bombiten</i> (Hommels). De +<i>Apiten</i> eindelijk omvatten de verschillende variëteiten van onze +honingbij.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="Xg" id="Xg"></a>X.</h3> + + +<p>We gaan heel wat overgangsvormen voorbij, bij welke we langzamerhand de +tong konden zien langer worden om het honingsap uit de diepte van een +grooter aantal bloemkronen te kunnen putten, het apparaat voor het +inzamelen van stuifmeel ontstaan en zich ontwikkelen, nl. borstels en +haartjes aan scheenbeen, tars en buik, de pootjes en kaken sterker +worden, nuttige afscheidingen zich vormen, en den genius, die voorzit +bij het bouwen van woningen, naar alle kanten verrassende verbeteringen +zien zoeken en vinden. Zulk een studie zou een boekdeel vereischen. Ik +wil er slechts een enkel hoofdstuk, en nog minder, een enkele bladzijde +van schetsen, die ons door al de aarzelende pogingen heen van den wil om +te leven en gelukkig te zijn, de geboorte, het ontluiken en de +bevestiging van de sociale verstandhouding aantoont.</p> + +<p>We hebben de ongelukkige Prosopis zien fladderen, die haar klein eenzaam +bestaan in dit groot heelal vol vreesaanjagende krachten, in stilte +draagt. Een zeker aantal harer zusteren, die reeds tot beter gewapende +en bekwamer rassen behooren, de goed gekleede Colleta's b.v. of de +merkwaardige rozenblad-snijdster, en de lapjesdeken Megachilis, leven +in even groote afzondering, en indien bij toeval zich een wezen aan haar +hecht en haar woning komt deelen, dan is 't een vijand of nog +veelvuldiger een parasiet. Want de wereld der bijen is met nog vreemder +spooksels bevolkt dan de onze, en menige soort heeft aldus een +geheimzinnigen en werkeloozen dubbelganger, volkomen gelijk aan het +slachtoffer, dat hij zich kiest, behalve dat reeds sinds onheugelijke +tijden zijn luiheid hem één voor één alle werktuigen voor den arbeid +heeft doen verliezen, en dat hij nog enkel kan blijven bestaan ten koste +van het werkzaam type van zijn ras<a name="FNanchor_1_20" id="FNanchor_1_20"></a><a href="#Footnote_1_20" class="fnanchor">[1]</a>.</p> + +<p>Toch broeit het sociaal instinkt reeds onder die bijen, die men wel wat +al te categorisch <i>eenzame Apiden</i> genoemd heeft, als een vlam die wordt +gedoofd onder de opeenhooping der materie, welke alle oorspronkelijk +leven onderdrukt. Hier en daar, waar men het volstrekt niet verwachten +zou, gelukt het dit instinct bij wijze van verkenningstocht, in +aarzelende en somtijds vreemdsoortige uitbarstingen, den houtstapel te +doordringen, die hem drukt en die eens door zijn zegepraal zal worden +verteerd.</p> + +<p>Indien alles stof is in deze wereld, dan staat men hier wel voor de +meest onstoffelijke verandering der materie. Het geldt hier over te gaan +van het zelfzuchtig, onzeker en onvolmaakt leven tot het eenigszins +veiliger en eenigszins gelukkiger leven van broederschap. Het geldt op +ideëele wijze door den geest te vereenigen, wat in werkelijkheid is +gescheiden door het lichaam; te bewerken, dat het individu zich zal +opofferen voor de soort, en de dingen, die men niet ziet in de plaats +stellen van dat wat men ziet. Is het te verwonderen, dat de bijen niet +onmiddellijk verwezenlijken, wat wij, die staan op het bevoorrecht +standpunt, waar het instinct van alle kanten in het bewustzijn straalt, +nog niet eens hebben ontward? 't Is dan ook interessant, bijna +aandoenlijk, te zien hoe de nieuwe idee nog tastend zich voortbeweegt te +midden van de duisternis, die al wat op deze aarde ontstaat, omhult. Ze +komt uit de materie en is aanvankelijk nog geheel stoffelijk. Ze is +niets dan koude, honger of angst omgezet in iets, dat nog geene gestalte +heeft. Ze kruipt onzeker rondom de groote gevaren, de lange nachten, de +nadering des winters, en een verdachten slaap, die bijna gelijk is aan +den dood.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_20" id="Footnote_1_20"></a><a href="#FNanchor_1_20"><span class="label">[1]</span></a> Voorbeelden.—De Hommels, die de Psithyren tot parasieten +hebben, de Stelida's, die leven ten koste van de Anthidiën. "Men moet +wel aannemen", zegt J. Perez (<i>De Bijen</i>) zeer terecht naar aanleiding +van de veelvuldig voorkomende gelijkheid van den parasiet en zijn +slachtoffer, "men moet wel aannemen, dat de beide soorten slechts twee +vormen zijn van een zelfde type, en in de nauwste verwantschap tot +elkaar staan. Voor de natuurkundigen, die de evolutie-leer aanhangen, is +deze verwantschap niet zuiver ideëel maar reëel. Die woekerdieren zouden +dan enkel een zijlijn zijn van de inzamelende soort, en zouden juist die +organen voor de inzameling verloren hebben tengevolge van het +parasitisch leven".</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIg" id="XIg"></a>XI.</h3> + + +<p>De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest +in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel, +dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een +bijzondere soort (<i>Xylocopa Cyanescens</i>) in hunne kouwelijkheid tot een +heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er +den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late +seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste +verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden. +Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand, +en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie +van de liefde nog niet kunnen overschrijden.</p> + +<p>Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De +Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden +en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om +hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit +op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele +gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en +bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te +bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen, +die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden +saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn +ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders, +die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf +doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het +groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."</p> + +<p>Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een +lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de +toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als +de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de +ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen +geleidt, is gemeenschappelijk.</p> + +<p>"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het +vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken +gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen +van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite +uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te +vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze +voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet +verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te +nemen."</p> + +<p>Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand +doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer +de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar, +afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand. +Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet +verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest +den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij +de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en +bewerkt de eerste beslissende wonderen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIg" id="XIIg"></a>XII.</h3> + + +<p>De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel +vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen, +leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint +het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te +bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort, +waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld. +Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de +uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet +ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en +voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene +schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis, +en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt +toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De +stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich +geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van +dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er +altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden +slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk +cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en +kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken +uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk +is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde +gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een +spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er +zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even +eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden +nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit +bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is +geworden.</p> + +<p>Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch +getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort +van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste +zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een +andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij +onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de +groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIIIg" id="XIIIg"></a>XIII.</h3> + + +<p>Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is +er maar ééne moeder<a name="FNanchor_1_21" id="FNanchor_1_21"></a><a href="#Footnote_1_21" class="fnanchor">[1]</a> en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs +zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v. +niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt +met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten +door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht +doorlaat.</p> + +<p>Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de +welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten +er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te +ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en +prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het +bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte +familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie +van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige +inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk +is te zien, van minder gehalte is.</p> + +<p>Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk +XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten +alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of +voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de +stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde +kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige +nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.</p> + +<p>Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm +aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig +overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen +eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt, +enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan +opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen +enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur +overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk +moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat +de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben. +En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is. +Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan. +Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne +gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de +volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden +pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering +doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de +gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een +gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen +overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen +komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de +Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk +gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de +zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er +partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken +naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot +zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen +inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding +dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men +ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van +enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige +andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op +heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke +wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der +<i>Gedenkschriften</i>, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de +Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als +het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in +de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de +April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van +daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op +onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en +verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene +seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.</p> + + +<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_21" id="Footnote_1_21"></a><a href="#FNanchor_1_21"><span class="label">[1]</span></a> 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin +of moeder streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent +terecht, dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte +leven, daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander +niet zoo gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft +men zich tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen +wegens de groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de +onmogelijkheid, in ons klimaat Meliponen te kweeken.</p></div> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIVg" id="XIVg"></a>XIV.</h3> + + +<p>Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten +vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles +in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel, +bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle +genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren, +Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot +stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er +eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte +voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een +eenvoudige honingraat moeten aanbieden.</p> + +<p>Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we +reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog +vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en +werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de +parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel, +het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap. +Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's +stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard +worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare +tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede +koningin, enz.</p> + +<p>Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd +noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft, +niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds +sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den +Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen +heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in +gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm +uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun +moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok, +de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den +zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft +stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den +herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het +bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig +te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de +bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door +andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar +juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven +worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van +hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden +praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen +overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of +waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te +vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is +verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk +heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de +zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van +het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen +bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus +inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen, +paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te +meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen +bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich +met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en +stuifmeel.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVg" id="XVg"></a>XV.</h3> + + +<p>Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich +klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich +ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen +omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den +korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand +hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder +naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er +niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in +verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze +blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet +minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in +zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude, +den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die +vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen +er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder +iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer +gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het +gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op, +wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij, +die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde +moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een +nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't +Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIg" id="XVIg"></a>XVI.</h3> + + +<p>Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons +verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het +verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van +dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder +genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn +bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle +bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het +gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En +toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van +den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die +de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de +onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van +wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken. +We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle +gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee +of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in +volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid +verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden +half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen +voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit +voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der +leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden +er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot +een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes +volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit +overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons +toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten +er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een +hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot +een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd +heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt +opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der +rust, het wederom wekt.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIg" id="XVIIg"></a>XVII.</h3> + + +<p>Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan, +daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke +vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde +lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar +inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de +gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde +schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de +gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de +trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid. +'t Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides, +het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in +haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan +wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt +den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die +geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden +zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des +tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte. +'t Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren, +noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te +richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in +de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen +weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't +voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op +toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is +veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze +zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang, +die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en +welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de +verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen, +heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar +hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen +enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van +veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien +ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al +hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige +spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit +genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie +hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en +toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche +bestemming.</p> + + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XVIIIg" id="XVIIIg"></a>XVIII.</h3> + + +<p>'t Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en +die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken. +'t Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van +een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een +beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt. +Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren +zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de +aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche +natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde +hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan +nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te +wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot +harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die +hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen +en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom +ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft +bestaan, doch 't kan <i>niet</i> zijn, dat zij die tot den einde toe hunne +zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet +in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en +zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in +niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen +zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van +te trekken.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h3><a name="XIXg" id="XIXg"></a>XIX.</h3> + + +<p>En bovendien, laten we aan onze droomen niet die richting geven. Laten +we de mogelijkheid eener algeheele vernietiging evenmin opnemen in de +becijfering onzer behoeften, als de wonderbare hulp van eenig toeval. +Tot nu toe waren we ondanks de schoone beloften onzer verbeeldingskracht +toch altijd aan ons zelven en onze eigen hulpmiddelen overgeleverd. Door +onze eigen nederigste pogingen hebben wij al, wat er nuttigs en +duurzaams op deze aarde is verricht, tot stand gebracht. 't Staat ons +vrij het beste of het ergste te verwachten van eenig buitengewoon +voorval, doch alleen op voorwaarde, dat deze verwachting zich niet +bemoeit met onze taak als menschen. Ook hier geven ons de bijen een +uitstekende les, uitstekend als alle lessen der natuur. Voor hen kwam er +werkelijk een wonderdadige tusschenkomst. Veel beslister dan wij zijn +zij overgeleverd aan de handen van een wil, die hun geslacht kan +vernietigen of wijzigen, en aan hun lot een andere wending geven. En +niettemin volgen zij hun oorspronkelijken en grooten plicht. En 't zijn +juist diegenen onder hen, welke 't best gehoor geven aan dezen plicht, +die er het geschiktst voor zijn te profiteeren van die bovennatuurlijke +tusschenkomst, waardoor in onze dagen het lot hunner soort aan 't +stijgen is. Nu is het minder moeielijk dan men meent, den onafwijsbaren +plicht van een wezen te ontdekken. Men kan dien altijd lezen uit het +orgaan, dat juist hem onderscheidt en waaraan alle andere ondergeschikt +zijn. En zoo goed als 't op de tong, in den mond en de maag der bijen +geschreven staat, dat zij honing moeten voortbrengen, zoo goed is het in +onze oogen, onze oren, ons merg, alle uitwendige organen van ons hoofd, +in 't gansche zenuwstelsel van ons lichaam te lezen, dat wij er toe +geschapen zijn, al wat wij in ons opnemen van de dingen der aarde, om te +zetten in een bijzondere en geheel eenige kracht op dezen aardbol. Zoo +ver ik weet is geen wezen zóó zeer als wij bewerktuigd om dat vreemde +fluïdum voort te brengen, dat we noemen met den naam van gedachte, +verstand, begrip, rede, ziel, geest, hersenvermogen, deugd, goedheid, +kennis; want het bezit duizenden namen, al heeft het slechts één +essence. Alles in ons werd daaraan opgeofferd. Onze spieren, onze +gezondheid, de lenigheid onzer ledematen, het evenwicht onzer dierlijke +functies, de rust onzes levens, dragen den steeds grooter wordenden last +van zijn overwicht. Het is de kostelijkste en moeielijkste toestand +waartoe men de materie kan verheffen. De vlam, de warmte, het licht, het +leven zelf, het instinct, dat nog fijner is dan het leven, en de meeste +der onvatbare machten, die de kroon der wereld waren vóór onze komst, +dat alles is verbleekt bij de aanraking met het nieuwe fluïdum. We weten +niet, waarheen het ons leidt, wat het met ons doen zal, wat wij er mee +doen zullen. 't Zal aan hem staan ons dit te doen weten, wanneer het in +volheid van kracht heerschen zal. Laat ons in afwachting daarvan er +enkel aan denken daaraan te geven, al wat het van ons vraagt, daaraan +alles ten offer te brengen, wat zijn ontwikkeling zou kunnen +tegenhouden. 't Is wel niet twijfelachtig of dat is voor 't oogenblik +onze eerste en duidelijkste plicht. Deze zal ons de overige bij +toeneming leeren. Hij zal ze voeden en versterken al naardat hijzelf +gevoed wordt, even als het water der bergen in rechte reden met het +geheimzinnig voedsel van zijn top de beken der vlakte voedt en +versterkt. Laten we ons niet kwellen met den wensch, te weten wie partij +zal trekken van de kracht, die aldus ten onzen koste vermeerderd wordt. +De bijen weten niet of zij den honing zullen eten, dien zij inzamelen. +Evenmin weten wij, wie voordeel zal trekken van de geestelijke kracht, +die wij in 't heelal brengen. Even als zij van bloem tot bloem gaan om +meer honing in te zamelen dan zij zelven en hunne kinderen behoeven, +laat ons zoo gaan van werkelijkheid tot werkelijkheid om alles bijeen te +garen wat tot voedsel kan strekken aan deze onvatbare vlam, opdat wij op +alles zijn voorbereid in de zekerheid onzen organischen plicht te hebben +vervuld. Laat ons haar voeden met onze gevoelens, onze hartstochten, met +al wat we zien, hooren, ruiken, aanraken en met haar eigen essence, dat +is de idee, die ze haalt uit de ontdekkingen, ervaringen, opmerkingen, +uit al wat ze bezoekt. Dan komt er een oogenblik, waarop alles zich zóó +natuurlijk ten goede keert voor een geest, die zich heeft ondergeschikt +gemaakt aan de eischen van den echt menschelijken plicht, dat zelfs het +vermoeden dat al zijn krachtsinspanning misschien doelloos is, den ijver +zijner nasporingen nog klaarder, zuiverder, belangloozer, +onafhankelijker en edeler maakt.</p> + + +<hr style="width: 95%;" /> + + +<p class="caption"><a name="Inhoud" id="Inhoud"></a>Inhoud</p> + +<p> +<a href="#EERSTE_BOEK"><b>EERSTE BOEK.—OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.</b></a><br /> +<a href="#Ia"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIa"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIa"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVa"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Va"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VIa"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIIa"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIIa"><b>VIII</b></a><br /> +<a href="#TWEEDE_BOEK"><b>TWEEDE BOEK.—DEN ZWERM.</b></a><br /> +<a href="#Ib"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIb"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIb"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVb"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Vb"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VIb"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIIb"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIIb"><b>VIII.</b></a><br /> +<a href="#IXb"><b>IX.</b></a><br /> +<a href="#Xb"><b>X.</b></a><br /> +<a href="#XIb"><b>XI.</b></a><br /> +<a href="#XIIb"><b>XII.</b></a><br /> +<a href="#XIIIb"><b>XIII.</b></a><br /> +<a href="#XIVb"><b>XIV.</b></a><br /> +<a href="#XVb"><b>XV.</b></a><br /> +<a href="#XVIb"><b>XVI.</b></a><br /> +<a href="#XVIIb"><b>XVII.</b></a><br /> +<a href="#XVIIIb"><b>XVIII.</b></a><br /> +<a href="#XIXb"><b>XIX.</b></a><br /> +<a href="#XXb"><b>XX.</b></a><br /> +<a href="#XXIb"><b>XXI.</b></a><br /> +<a href="#XXIIb"><b>XXII.</b></a><br /> +<a href="#XXIIIb"><b>XXIII.</b></a><br /> +<a href="#XXIVb"><b>XXV.</b></a><br /> +<a href="#XXVb"><b>XXV.</b></a><br /> +<a href="#XXVIb"><b>XXVI.</b></a><br /> +<a href="#XXVIIb"><b>XXVII.</b></a><br /> +<a href="#XXVIIIb"><b>XXVIII.</b></a><br /> +<a href="#XXIXb"><b>XXIX.</b></a><br /> +<a href="#XXXb"><b>XXX.</b></a><br /> +<a href="#XXXIb"><b>XXXI.</b></a><br /> +<a href="#DERDE_BOEK"><b>DERDE BOEK.—DE STICHTING DER STAD.</b></a><br /> +<a href="#Ic"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIc"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIc"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVc"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Vc"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VIc"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIIc"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIIc"><b>VIII.</b></a><br /> +<a href="#IXc"><b>IX.</b></a><br /> +<a href="#Xc"><b>X.</b></a><br /> +<a href="#XIc"><b>XI.</b></a><br /> +<a href="#XIIc"><b>XII.</b></a><br /> +<a href="#XIIIc"><b>XIII.</b></a><br /> +<a href="#XIVc"><b>XIV.</b></a><br /> +<a href="#XVc"><b>XV.</b></a><br /> +<a href="#XVIc"><b>XVI.</b></a><br /> +<a href="#XVIIc"><b>XVII.</b></a><br /> +<a href="#XVIIIc"><b>XVIII.</b></a><br /> +<a href="#XIXc"><b>XIX.</b></a><br /> +<a href="#XXc"><b>XX.</b></a><br /> +<a href="#XXIc"><b>XXI.</b></a><br /> +<a href="#XXIIc"><b>XXII.</b></a><br /> +<a href="#XXIIIc"><b>XXIII.</b></a><br /> +<a href="#XXIVc"><b>XXIV.</b></a><br /> +<a href="#VIERDE_BOEK"><b>VIERDE BOEK.—DE JONGE KONINGINNEN.</b></a><br /> +<a href="#Id"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IId"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIId"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVd"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Vd"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VId"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIId"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIId"><b>VIII.</b></a><br /> +<a href="#IXd"><b>IX.</b></a><br /> +<a href="#Xd"><b>X</b></a><br /> +<a href="#XId"><b>XI.</b></a><br /> +<a href="#XIId"><b>XII.</b></a><br /> +<a href="#XIIId"><b>XIII.</b></a><br /> +<a href="#XIVd"><b>XIV.</b></a><br /> +<a href="#XVd"><b>XV.</b></a><br /> +<a href="#XVId"><b>XVI.</b></a><br /> +<a href="#XVIId"><b>XVII.</b></a><br /> +<a href="#XVIIId"><b>XVIII.</b></a><br /> +<a href="#VIJFDE_BOEK"><b>VIJFDE BOEK.—DE PARINGSVLUCHT.</b></a><br /> +<a href="#Ie"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIe"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIe"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVe"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Ve"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VIe"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIIe"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIIe"><b>VIII.</b></a><br /> +<a href="#IXe"><b>IX.</b></a><br /> +<a href="#Xe"><b>X.</b></a><br /> +<a href="#XIe"><b>XI</b></a><br /> +<a href="#XIIe"><b>XII.</b></a><br /> +<a href="#ZESDE_BOEK"><b>ZESDE BOEK.—DE DARRENSLACHT.</b></a><br /> +<a href="#If"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIf"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIf"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#ZEVENDE_BOEK"><b>ZEVENDE BOEK.—DE VOORUITGANG DER SOORT.</b></a><br /> +<a href="#Ig"><b>I.</b></a><br /> +<a href="#IIg"><b>II.</b></a><br /> +<a href="#IIIg"><b>III.</b></a><br /> +<a href="#IVg"><b>IV.</b></a><br /> +<a href="#Vg"><b>V.</b></a><br /> +<a href="#VIg"><b>VI.</b></a><br /> +<a href="#VIIg"><b>VII.</b></a><br /> +<a href="#VIIIg"><b>VIII.</b></a><br /> +<a href="#IXg"><b>IX.</b></a><br /> +<a href="#Xg"><b>X.</b></a><br /> +<a href="#XIg"><b>XI.</b></a><br /> +<a href="#XIIg"><b>XII.</b></a><br /> +<a href="#XIIIg"><b>XIII.</b></a><br /> +<a href="#XIVg"><b>XIV.</b></a><br /> +<a href="#XVg"><b>XV.</b></a><br /> +<a href="#XVIg"><b>XVI.</b></a><br /> +<a href="#XVIIg"><b>XVII.</b></a><br /> +<a href="#XVIIIg"><b>XVIII.</b></a><br /> +<a href="#XIXg"><b>XIX.</b></a><br /> +</p> + + + + + + + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 38522 ***</div> + +</body> +</html> |
