summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38522-h
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:10:32 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:10:32 -0700
commit4b768c411c10a84b2022450ac53a769cf5afe386 (patch)
treeb96a05ab3ebc34d5059be27edbefc9dc1cd28717 /38522-h
initial commit of ebook 38522HEADmain
Diffstat (limited to '38522-h')
-rw-r--r--38522-h/38522-h.htm6890
1 files changed, 6890 insertions, 0 deletions
diff --git a/38522-h/38522-h.htm b/38522-h/38522-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..1e14f54
--- /dev/null
+++ b/38522-h/38522-h.htm
@@ -0,0 +1,6890 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<!-- $Id: header.txt 236 2009-12-07 18:57:00Z vlsimpson $ -->
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="en" lang="en">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=UTF-8" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Het leven der bijen, by Maurice Maeterlinck.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body {
+ margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+}
+
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+}
+
+p {
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+}
+
+hr {
+ width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+}
+
+table {
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+}
+
+a:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+v:link {color: #800000; text-decoration: none; }
+
+.bb {border-bottom: solid 2px;}
+
+.bl {border-left: solid 2px;}
+
+.bt {border-top: solid 2px;}
+
+.br {border-right: solid 2px;}
+
+.bbox {border: solid 2px;}
+
+.center {text-align: center;}
+
+.smcap {font-variant: small-caps;}
+
+.u {text-decoration: underline;}
+
+.caption {font-weight: bold;}
+
+
+
+/* Footnotes */
+.footnotes {border: dashed 1px;}
+
+.footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+
+.footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+
+.fnanchor {
+ vertical-align: super;
+ font-size: .8em;
+ text-decoration:
+ none;
+}
+
+
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 38522 ***</div>
+
+
+
+<h1>HET LEVEN DER BIJEN</h1>
+
+<h3>DOOR</h3>
+
+<h2>MAURICE MAETERLINCK</h2>
+
+
+<h4>VERTALING VAN</h4>
+
+<h4>MEVROUW G.M. VAN DER WISSEL-HERDERSCHEE</h4>
+
+<h5>AMSTERDAM</h5>
+
+<h5>C.L.G. VELDT</h5>
+
+<hr style="width: 95%;" />
+<p><a href="#Inhoud">Inhoud</a></p>
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="EERSTE_BOEK" id="EERSTE_BOEK"></a>EERSTE BOEK.</h3>
+
+<h3>OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ia" id="Ia"></a>I.</h3>
+
+
+<p>'t Is niet mijn bedoeling een verhandeling te schrijven over bijen of
+bijenteelt. Alle beschaafde landen bezitten er uitstekende, en 't zou
+noodelooze arbeid zijn die te verdringen. Frankrijk heeft die van
+Dadant, George de Layens en Bonnier, Bertrand, Hamet, Weber, Clément,
+abt Collin, enz. De landen waar de Engelsche taal gesproken wordt hebben
+Langstroth, Bevan, Cook, Cheshire, Cowan, Root en hunne leerlingen.
+Duitschland heeft Dzierzon, Von Berlepsch, Pollmann, Vogel en vele
+anderen.</p>
+
+<p>Evenmin zal het een wetenschappelijke monographie zijn over de <i>apis
+mellifica, ligustica, fasciata</i> enz., of een bundel nieuwe opmerkingen
+of studies. Ik zal bijna niets zeggen, wat niet een bekende zaak is voor
+allen, die zich eenigermate met de bijen hebben bezig gehouden. Om dit
+werk niet te zwaar te maken, heb ik een aantal ervaringen en
+opmerkingen, die ik gedurende de twintig jaren dat ik mijn aandacht aan
+de bijen wijd, heb opgedaan en die voor een beperkter kring van
+speciale liefhebbers interessant zijn, voor een meer technisch werk
+bewaard. Ik wil eenvoudig wat praten over de "blondes avettes" van
+Ronsard, zooals men tegen iemand, die het niet kent, spreekt over een
+voorwerp, dat men zelf kent en liefheeft. Ik hoop de waarheid niet op te
+sieren of te doen wat Réaumur terecht heeft verweten aan allen, die zich
+vóór hem hebben beziggehouden met onze honigbijen, dat ze namelijk iets
+denkbeeldig wonderbaars in de plaats stelden van het reëel wonderbare.
+Er is veel wonderbaarlijks in den bijenkorf, dat is geen reden om er nog
+meer aan toe te voegen. Bovendien heb ik het reeds lang opgegeven, in
+deze wereld een interessanter en schooner wonder te zoeken dan de
+waarheid zelve, of althans dan de poging van den mensch deze te leeren
+kennen. Laten we niet trachten de grootheid van het leven in het
+onzekere te zoeken. Alle dingen waarvan we zeer zeker zijn, zijn zeer
+groot en tot nu toe is er nog geen enkel, waar we geheel achter zijn. Ik
+zal dus niets meedeelen, wat ik niet zelf heb waargenomen, of wat zóó
+algemeen wordt erkend door de klassieke beoefenaars der bijenkunde, dat
+het noodelooze moeite zou zijn, de waarheid daarvan nog te willen
+onderzoeken. Mijne taak zal er zich toe bepalen, de feiten op een even
+stellige, doch eenigermate levendiger manier voor te stellen, er enkele
+uitvoeriger en vrijere overdenkingen tusschen te mengen, en ze te
+groepeeren op een eenigszins harmonieuser wijze dan men dat in een gids,
+een praktische handleiding of wetenschappelijke monographie doen kan.
+Wie dit boek heeft gelezen, zal nog niet in staat zijn bijen te houden,
+maar hij zal zoo ongeveer alles weten wat er zekers, interessants,
+dieps en intiems over de bewoners van den korf bekend is. 't Is maar
+weinig in vergelijking met hetgeen nog te leeren overblijft.</p>
+
+<p>Alle dwaalbegrippen, die nog altijd op het land en in vele boeken de
+fabel van de bijenteelt uitmaken, ga ik met stilzwijgen voorbij. Als er
+omtrent een of ander twijfel, verschil van meening, enkel gissingen
+bestaan, als ik aan het onbekende kom, dan zal ik het eerlijk zeggen. Ge
+zult zien, dat wij dikwijls voor het onbekende komen te staan. Behalve
+de groote waarneembare feiten van hunne staatsinrichting en hunne
+werkzaamheid, weet men weinig nauwkeurigs omtrent de fabelachtige
+dochteren van Aristaeus. Hoe langer men ze kweekt, hoe meer men leert
+inzien, dat men niets weet omtrent de diepten van hun werkelijk bestaan;
+maar dit is toch een onwetendheid, die beter is dan de onbewuste en
+welvoldane onwetendheid, welke de kern van onze kennis van het leven
+uitmaakt, en dit is waarschijnlijk al wat de mensen in deze wereld kan
+hopen te leeren.</p>
+
+<p>Bestond er reeds een dergelijk werk over de bijen? Ik persoonlijk ken,
+hoewel ik meen bijna alles te hebben gelezen wat men over hen geschreven
+heeft, al niet anders in dit genre dan het hoofdstuk, dat Michelet aan
+hen wijdt aan het slot van <i>Het insekt</i>, en de verhandeling over hen
+door Ludwig Büchner, den beroemden schrijver van <i>Kracht en Stof</i>, in
+zijn <i>Geestesleven der dieren</i>.<a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> Michelet heeft het onderwerp
+nauwelijks aangeroerd; wat Büchner betreft, zijn studie is vrij
+volledig, maar wegens zijn gewaagde mededeelingen, de legendarische
+trekken en de sedert lang verworpen praatjes, die hij verhaalt, verdenk
+ik hem, dat hij zijn studeervertrek niet heeft verlaten om zijne
+heldinnen te ondervragen, en nooit een enkelen van de honderden gonzende
+korven geopend heeft, die korven, vlammend van vleugel-geschitter, die
+men moet schenden vóór dat ons instinkt weerklank geeft op hunne
+geheimen, vóór dat men is doordrongen van de atmosfeer, den geur, den
+geest, het mysterie van deze vlijtige maagden. Het boek riekt noch naar
+honig noch naar de bij en heeft het gebrek van vele onzer geleerde
+boeken, wier conclusies dikwijls voorbarig zijn, en wier
+wetenschappelijke uitrusting bestaat uit een enorme opeenstapeling
+onzekere, van allerwege vergaarde anekdoten. Overigens zal ik bij mijn
+arbeid hem zelden ontmoeten, daar zoowel ons uitgangs- als ons
+gezichtspunt en ons doel, zeer verschillend zijn.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Wij zouden ook nog de monographie van Kirby en Spence
+kunnen noemen in hun <i>Inleiding tot de Entemologie</i>, maar deze is bijna
+uitsluitend technisch.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIa" id="IIa"></a>II.</h3>
+
+
+<p>De bibliographie over de bij (we beginnen met de boeken om er ons
+spoediger van af te maken en tot den oorsprong zelf van deze boeken te
+komen) is bijzonder uitgebreid. Van den beginne aan maakte dit vreemde
+wezentje, dat in een eigen maatschappij leefde, onder zeer ingewikkelde
+wetten, en dat in het schemerduister zulke wonderen uitvoerde, de
+nieuwsgierigheid van den mensch gaande. Aristoteles, Cato, Varro,
+Plinius, Collumelle en Palladius, hebben er zich mee bezig gehouden,
+zonder nog te spreken van den wijsgeer Aristomachus, die naar het zeggen
+van Plinius hen acht en vijftig jaren lang waarnam, en van Phyliscus van
+Thasos, die op woeste plaatsen woonde om niets dan hen te zien, en die
+"de Wilde" werd bijgenaamd.</p>
+
+<p>Maar dit behoort veeleer tot de legende van de bij en al wat men er uit
+kan halen, dat wil zeggen bijna niets, is samengevat in den vierden zang
+van Virgilius' Georgica.</p>
+
+<p>Hare geschiedenis begint eerst in de XVIIde eeuw met de ontdekkingen van
+den grooten Nederlandschen geleerde Swammerdam. Toch moeten wij hier een
+weinig bekende bijzonderheid aan toevoegen, deze namelijk, dat vóór
+Swammerdam een Vlaamsch natuuronderzoeker, Clutius namelijk, eenige
+belangrijke waarheden had uitgesproken, o.a. dat de koningin de eenige
+moeder is van haar gansche volk en dat zij de attributen der beide sexen
+bezit; doch hij had ze niet bewezen. Swammerdam vond de ware methode van
+wetenschappelijk onderzoek, schiep het mikroskoop, vond de inspuitingen
+uit als middel om ze tegen bederf te bewaren, ontleedde de bijen voor 't
+eerst, stelde definitief door de ontdekking van de eierstokken en den
+eierleider het geslacht der koningin vast, die men tot op dat oogenblik
+voor een koning gehouden had, en verlichtte op eens door een
+onverwachten lichtstraal, de gansche staatkunde van den korf, door die
+op het moederschap te baseeren. En eindelijk maakte hij schetsen en
+teekende platen van zulk een volmaaktheid, dat ze nog heden dienen om
+meer dan ééne verhandeling over bijenteelt te illustreeren. Hij leefde
+in het volle en roezige Amsterdam dier dagen, waar hij het heerlijk
+buitenleven betreurde, en stierf afgemat van zijnen arbeid op drie en
+veertigjarigen leeftijd. In een vromen en helderen stijl, met schoone en
+eenvoudige ontboezemingen van een geloof, dat vreest te wankelen en
+alles doet strekken tot eere van den Schepper, legde hij zijn
+waarnemingen neer in zijn groot werk <i>Bijbel der Natuure</i>, dat Boerhave
+een eeuw later van het Hollandsch in het Latijn liet vertalen onder den
+titel van <i>Biblia Naturae</i> (Leiden, 1737.)</p>
+
+<p>Vervolgens kwam Réaumur die, zich aan dezelfde methode houdende, een
+massa ervaringen en interessante waarnemingen verzamelde in zijne tuinen
+te Charenton en een heel deel van zijn <i>Gedenkschriften voor de
+geschiedenis der insekten</i> aan de bijen wijdde. Het laat zich met vrucht
+en zonder verveling lezen. Het is helder, eerlijk, nauwkeurig en niet
+ontbloot van zekere aantrekkelijkheid, al is hij eenigszins norsch en
+droog. Hij legde er zich voornamelijk op toe, vele oude dwaalbegrippen
+uit den weg te ruimen, verbreidde enkele nieuwe, verklaarde voor een
+deel de vorming der zwermen en het staatkundig bestuur der koningin, in
+één woord hij vond verscheidene niet voor de hand liggende waarheden en
+bracht ons op het spoor van vele andere. In 't bijzonder schonk hij de
+wijding zijner kennis aan de wonderen van den bouw der korven en al wat
+hij daarvan gezegd heeft is nog steeds onovertroffen. Hem hebben we ook
+het idee van glazen korven te danken, die nadat ze later veel
+verbeteringen hebben ondergaan, geheel het privaat leven van deze schuwe
+werksters hebben blootgelegd, welke hun werk beginnen in het verblindend
+licht der zon maar het eerst voltooien in de duisternis. Om volledig te
+zijn zou ik nog de eenigszins jongere onderzoekingen en werken van
+Charles Bonnet en Schirach (die het raadsel van het koninklijk ei
+oploste) moeten noemen; maar ik houd me aan groote lijnen en ben nu
+gekomen tot François Huber, de klassieke meester onzer hedendaagsche
+bijenkunde.</p>
+
+<p>Huber, in 1750 te Genève geboren, werd reeds in zijn vroegste jeugd
+blind. Van den beginne aan vol belangstelling voor de waarnemingen van
+Réaumur, die hij wilde controleeren, vat hij weldra een waren hartstocht
+op voor deze onderzoekingen, en met behulp van een trouwen,
+intelligenten dienaar, François Burnens, wijdt hij van nu af aan zijn
+gansche leven aan de bij. In de geschiedboeken van menschelijk leed en
+overwinning is niets zoo treffend en zoo vol nuttige wenken voor ons als
+de geschiedenis van dit geduldig samenwerken, waarbij de een, die
+slechts onstoffelijk licht opving, door zijnen geest de handen en
+blikken van den ander leidde, die het werkelijk licht mocht genieten;
+waarbij hij, die naar men verzekert nooit met eigen oogen een honigraat
+had aanschouwd, door den sluier dier doode oogen heen, door welken die
+andere sluier, waarin de natuur alles hult, dubbel dicht voor hem werd,
+de diepste geheimen ontdekte van het genie, dat die onzichtbare
+honigraat formeerde, als om ons te leeren, dat er geen toestand bestaat,
+waarin we voor goed hoeven af te zien van de hoop en van het zoeken naar
+waarheid. Ik zal niet alles opsommen wat de bijenkunde aan Huber
+verschuldigd is, 't zal mij gemakkelijker vallen te zeggen, wat ze hem
+niet verschuldigd is. Zijn <i>Nieuwe waarnemingen over de bijen</i>, waarvan
+het eerste deel in 1789 geschreven werd in den vorm van brieven aan
+Charles Bonnet, en het tweede deel eerst twintig jaar later verscheen,
+zijn nog altijd de rijke en veilige schat waaruit alle bijenkenners
+putten. Ik geef toe, dat er eenige dwaalbegrippen, enkele onvolledige
+waarheden in voorkomen: sedert hij zijn boek schreef is men veel verder
+gekomen in de micrographie, de praktische bijenteelt, de behandeling der
+koninginnen enz.; maar men heeft geen enkele zijner groote waarnemingen
+kunnen weerleggen of fouten daarin aanwijzen, ze blijven op dezelfde
+basis en onaangetast in onze hedendaagsche wetenschap voortbestaan.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIa" id="IIIa"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Na de openbaringen van Huber volgen eenige jaren van stilte; maar weldra
+ontdekt Dzierzon, pastoor te Carlsmark in Silezië, de parthenogenesis,
+d.i. maagdelijke voortteling der koninginnen en komt het eerst op het
+denkbeeld van een korf met losse honigraten, die voortaan den
+bijenkweeker in staat zal stellen zijn aandeel in den voorraad honig weg
+te nemen, zonder zijn beste kolonies te dooden, of in een enkel
+oogenblik het werk van een geheel jaar te vernietigen. Deze nog zeer
+onvolmaakte korf wordt meesterlijk verbeterd door Langstroth, die den
+eigenlijk gezegden mobielbouw uitvindt, welke met buitengewoon succes in
+Amerika wordt verbreid. Root, Quinby, Dadant, Cheshire, de Layens,
+Cowan, Heddon, Howard enz. enz. brengen nog eenige voortreffelijke
+verbeteringen daarin aan. Mehring komt, om den bijen het bewerken der
+was en het bouwen van magazijnen, wat hun veel honing en het beste deel
+van hun tijd kost, te besparen, op het denkbeeld hun honigraten aan te
+bieden, die op mechanische wijze zijn voorzien van cellen-indruk, en
+onmiddellijk aanvaarden ze die en gebruiken ze voor hun doel. De
+Hruschka vindt het Smelatorium uit, dat door toepassing van de
+middelpuntvliedende kracht den honing doet verkrijgen zonder de raten te
+breken enz. In weinige jaren wordt geheel gebroken met de routine van de
+bijenteelt. De inhoud en de vruchtbaarheid der korven worden
+verdriedubbeld. Ruime en produktieve bijenstallen verrijzen van alle
+kanten. Van dit oogenblik af neemt het noodelooze uitmoorden der
+vlijtigste bijenstaten een einde met de afschuwelijke tegennatuurlijke
+selectie, die er het gevolg van was. De mensch wordt in waarheid de
+meester der bijen, hun meester in 't geheim en zonder dat ze 't weten,
+die alles dirigeert zonder bevelen te geven, en wordt gehoorzaamd zonder
+dat men hem kent. Hij treedt op in de plaats van de lotsbestemming der
+verschillende seizoenen. Hij herstelt de onrechtvaardigheden van den
+tijd des jaars. Hij vereenigt vijandelijke republieken. Hij verdeelt den
+rijkdom gelijkelijk. Hij vermeerdert of beperkt het aantal der
+geboorten. Hij regelt de vruchtbaarheid der koningin. Hij onttroont en
+vervangt haar, nadat hij handig de zoo moeielijk te verwerven
+toestemming daartoe heeft afgeperst aan een volk, dat geheel buiten
+zichzelf raakt, waar het een onverklaarbare interventie vermoedt. Kalm
+schendt hij, indien hij dat noodig oordeelt, het geheim der gewijde
+kamers en heel de geslepen en vooruitziende staatkunde van het
+koninklijk vrouwenvertrek. Vijf of zesmaal aaneen berooft hij de zusters
+van het goede, onvermoeide klooster van de vruchten van hunnen arbeid,
+zonder hen te kwetsen, zonder hen te ontmoedigen, zonder hen te
+verarmen. Hij regelt de afmetingen der stapelplaatsen en
+voorraadschuren hunner huizen naar den oogst van bloemen, die de lente
+in hare haast zoo ongelijkmatig over de helling der heuvels verspreidt.
+Hij dwingt hen het overdreven aantal minnaars, die wachten op de
+geboorte der prinsessen, in te krimpen. In één woord, hij doet met hen
+wat hij wil en verkrijgt wat hij vraagt, mits zijn verzoek zich schikt
+naar hunne wetten en hunne deugden; want al doende den wil van den god,
+die zich zoo onverwacht hunner heeft bemachtigd,&mdash;een god te groot om te
+worden onderscheiden, en te vreemd om te worden begrepen,&mdash;zien ze nog
+verder dan deze god zelf, en denken aan niets anders dan aan dat ééne,
+in ongeschokte zelfverloochening de geheimzinnige verplichtingen van hun
+ras te vervullen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IVa" id="IVa"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>Nu de boeken ons gezegd hebben wat ze ons zakelijks te zeggen hadden
+over een overoude geschiedenis, zullen we afscheid nemen van de door
+anderen verworven kennis om met eigen oogen de bijen te gaan beschouwen.
+Een enkel uur in den bijenstand zal ons dingen te zien geven, die
+misschien minder nauwkeurig, maar oneindig levendiger en vruchtbaarder
+zijn.</p>
+
+<p>Ik heb den eersten bijenstand nog niet vergeten, dien ik te zien kreeg
+en waar ik de bijen leerde liefhebben. Het was, al jaren geleden, in een
+groot dorp van het nette en bevallige Zeeuwsch-Vlaanderen, dat nog meer
+dan Zeeland zelf, als een holle spiegel van Holland den zin voor
+levendige kleuren concentreert; het is een wellust voor de oogen even
+als mooi, degelijk speelgoed, met zijn kleurige gevels, torens en
+wagentjes, zijn blinkende kasten en klokken achter in de gang, zijn
+boompjes die langs kaden en grachten geschaard staan als in afwachting
+van een of andere aangename en eenvoudige plechtigheid, zijn booten en
+schuitjes met bewerkte achterstevens, zijn deuren en ramen die op
+bloemen gelijken, zijn keurige sluizen, zijn netjes afgewerkte,
+veelkleurige ophaalbruggen, zijn huisjes, die zijn vernist als net en
+blinkend aardewerk, en waaruit vrouwen in klokvormige kleeding en
+getooid met goud en zilver te voorschijn treden, om de koeien te gaan
+melken in weilanden omgeven door witte hekken, of het linnen te gaan
+uitspreiden op het bloemrijk, in ovalen en ruiten afgedeelde,
+angstvallig groene grastapijt.</p>
+
+<p>Een soort van ouden wijze, gelijkend op den grijsaard van Virgilius,</p>
+
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;">"Den koningen gelijk, den goden haast nabij,</span><br />
+<span style="margin-left: 2em;">En als deez' laatsten ook zoo rustig en tevreden,"</span><br />
+</p>
+
+<p>zou La Fontaine gezegd hebben, had daarheen de wijk genomen, waar het
+leven beperkter dan elders zou schijnen, indien het mogelijk ware het
+leven werkelijk te beperken. Hij had daar een wijkplaats gezocht, niet
+uit afkeer van&mdash;want de wijze kent zulk een afkeer niet,&mdash;maar een
+weinig vermoeid van het ondervragen der menschen, die minder eenvoudig
+dan dieren en planten antwoorden op de uitsluitend belangrijke vragen,
+die men stellen kan aan de natuur en de werkelijke wetten. Zijn gansche
+geluk bestond, evenals dat wan den Scythischen philosoof, in de
+schoonheden van zijn tuin, en onder deze schoonheden was de meest
+geliefkoosde en meest bezochte een bijenstand bestaande uit twaalf
+stroo-korven, die hij geverfd had, sommige hel rose, andere licht geel,
+de meeste zacht blauw, want lang vóór de onderzoekingen van Sir John
+Lubbock had hij opgemerkt, dat blauw de geliefkoosde kleur der bijen is.
+Dezen bijenstand had hij ingericht tegen den gewitten muur van het huis
+aan, in den hoek, die gevormd werd door een echte, smakelijke, frissche,
+Hollandsche keuken met hare rekken voor aardewerk, en waarin het tin en
+koper blonk, dat door de openstaande deur weerkaatst werd in een
+vreedzame gracht. En het water met deze huiselijke afbeeldingen onder
+een gordijn van populieren, voerde den blik naar den rustigen horizont
+van molens en weilanden.</p>
+
+<p>Hier op deze plaats hadden de bijenkorven, evenals overal waar men ze
+neerzet, een geheel nieuwe beteekenis gegeven aan de bloemen, de stilte,
+de zachte lucht, de zonnestralen. Hier zag men als het ware het
+zomerfeest in zijn hoogste voltooiing. Hier rustte men uit aan het
+schitterend kruispunt, waar luchtwegen samenvloeien en uiteengaan, de
+luchtwegen waarlangs alle geuren van het land, bewegelijk en als
+hoorbaar, kwamen aangetreden van den dageraad tot aan de
+avondschemering. Hier kon men ze hooren de gelukkige en zichtbaar
+geworden ziel, de intelligente en muzikale stem, het brandpunt van de
+vroolijkheid der schoone uren van den tuin. Hierheen kwam men om te
+leeren in de school der bijen, om door te dringen tot de overheerschende
+gedachte der almachtige natuur, tot de lichtende punten van aanraking
+der drie rijken, de onuitputtelijke organisatie van het leven en de
+moraal van ijverigen en belangeloozen arbeid. En wat even goed is als
+deze moraal van den arbeid, de heldhaftige werksters leerden u ook iets
+wat minder voor de hand ligt, namelijk den kostelijken smaak der vrije
+uren te waardeeren, daar zij als het ware met de gouden letteren van
+hunne duizenden kleine wiekjes, de bijna ongrijpbare bekoring dier
+ongerepte dagen onderstreepten, die in de velden der ruimte om zichzelf
+wentelen, zonder ons iets anders te brengen dan een doorschijnenden bol,
+waarin geen enkele herinnering staat opgeteekend, zoo min als in het te
+rein geluk.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Va" id="Va"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Om zoo eenvoudig mogelijk de jaarlijksche geschiedenis van den bijenkorf
+te kunnen volgen, willen we er een nemen, die in de lente ontwaakt en
+den arbeid hervat, daar we zoodoende de groote gebeurtenissen uit het
+leven der bijen zich in hun natuurlijke volgorde zullen zien afwikkelen,
+te weten: de vorming en het vertrek van den zwerm, de stichting der
+nieuwe stad, de geboorte, de gevechten en de paringsvlucht der jeugdige
+koninginnen, de moord der darren en de hernieuwde winterslaap. Ieder
+dezer voorvallen zal van zelf aanleiding geven tot de vereischte
+ophelderingen omtrent de wetten, eigenaardigheden, gewoonten,
+omstandigheden, die ze te voorschijn roepen of waarvan ze vergezeld
+gaan, zoodat we, aan 't eind van een bijenjaar gekomen, dat zelden
+langer duurt dan van April tot einde September, alle geheimen van het
+honing-huis hebben gehad. Vóór we het openen en er een vluchtigen blik
+in werpen, is het voor het oogenblik voldoende te weten, dat het bestaat
+uit een koningin, de moeder van geheel haar volk, uit duizenden
+werkbijen of geslachtloozen, onvolkomen gebleven en onvruchtbare
+wijfjes, en eindelijk uit een paar honderd darren, uit welke later de
+eenige en ongelukkige echtgenoot zal gekozen worden van de toekomstige
+heerscheres, die door de werkbijen na het meer of minder vrijwillig
+vertrek der regeerende moeder tot koningin wordt uitgeroepen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIa" id="VIa"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>De eerste maal, dat men een bijenkorf opent, gevoelt men een zelfde
+soort van emotie als bij het schenden van een onbekend voorwerp, dat
+misschien akelige verrassingen voor ons bergt, een graf b.v. De bijen
+zijn omgeven door een legende van dreigement en gevaar. We zijn al
+zenuwachtig door de herinnering aan die steken, die zulk een geheel
+eigenaardige pijn veroorzaken, dat men haast niet weet waarmee ze te
+vergelijken, een bliksemende droogte, zou men kunnen zeggen, een soort
+van woestijn-vlam, die zich over het gewonde lichaamsdeel verbreidt; 't
+is als hadden onze dochteren der zon uit de verhitte stralen van hunnen
+oorsprong een schitterend venijn getrokken, om met te beter gevolg de
+schatten van zoetigheid te kunnen verdedigen, die zij te danken hebben
+aan de welwillende uren der zon.</p>
+
+<p>'t Is waar dat een bijenkorf, zonder omzichtigheid geopend door iemand
+die het karakter en de zeden der bewoners kent noch eerbiedigt,
+onmiddellijk verandert in een brandend braambosch van toorn en
+heldenmoed. Maar niets laat zich gemakkelijker verwerven dan de kleine
+handgrepen, die vereischt worden om zulk een korf ongestraft te
+hanteeren. Men kan volstaan met een beetje rook op het juiste oogenblik
+uitgeblazen, en met veel koelbloedigheid en teerheid; en ziet, de goed
+gewapende werkbijen laten zich berooven, zonder er ook maar aan te
+denken gebruik te maken van hun angel. 't Is niet omdat ze, gelijk men
+beweerd heeft, hunnen meester herkennen, ze vreezen den mensch niet;
+maar de reuk van den rook, de kalme gebaren, die ze overal in hunne
+woning waarnemen doch die hen niet bedreigen, maken dat ze niet denken
+aan een overval of aan een geduchten vijand tegen wien men zich nog zou
+kunnen verdedigen, doch aan een natuurkracht of natuurlijke catastrophe,
+waaraan men zich wel moet onderwerpen. In plaats van een nutteloozen
+strijd aan te binden willen ze, krachtens een omzichtigheid, die zich
+hier vergist, omdat ze al te ver vooruit ziet, althans de toekomst
+redden; ze werpen zich op de honing-provisie om daaruit zooveel te
+putten en in haar lichaam te verbergen, dat ze onmiddellijk elders, waar
+dan ook, een nieuwe stad kunnen stichten, indien de oude wordt verwoest,
+of zij genoodzaakt worden die te verlaten.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIa" id="VIIa"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>De oningewijde voor wien voor 't eerst een observatie-korf<a name="FNanchor_1_2" id="FNanchor_1_2"></a><a href="#Footnote_1_2" class="fnanchor">[1]</a> geopend
+wordt, heeft aanvankelijk een gewaarwording van teleurstelling. Men had
+hem gezegd, dat dit glazen omhulsel een voorbeeldelooze werkzaamheid in
+zich besloten hield, een oneindig aantal wijze wetten, een
+verbazingwekkende som van genie, van geheimen, ervaringen, berekeningen,
+kundigheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden,
+vernuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden. En hij ontdekt er
+niets dan een verward hoopje roodachtige besjes, vrij wel gelijkend op
+gerooste koffieboonen of op krenten, die tegen de glazen zitten
+aangeplakt. Die arme besjes zijn meer dood dan levend, heel even bewegen
+ze zich met langzame, onsamenhangende en onverklaarbare bewegingen. Hij
+vindt ze er niet in terug, die bewonderenswaardige lichtdroppelen, die
+zoo even aanhoudend er uitstroomden, en weerkaatsten in den veelbewogen
+adem, vol parelen en goud, van duizenden ontloken kelken.</p>
+
+<p>Ze bibberen in de duisternis. Ze stikken in een verstijfde massa; men
+zou ze voor zieke gevangenen of van hare waardigheid vervallen
+koninginnen houden, die slechts een enkele seconde van glans hebben
+gekend te midden der lichtende bloemen van den tuin, om aldra terug te
+keeren tot de schande en ellende van hunne sombere, overvolle woning.</p>
+
+<p>Het is met hen als met alle werkelijkheid vol diepte. Men moet ze leeren
+waarnemen. Als een bewoner van een andere planeet de menschen bijna
+onmerkbaar zag komen en gaan door de straten, zich zag ophoopen rondom
+enkele gebouwen of enkele plaatsen, oogenschijnlijk bewegingloos
+wachtend op het een of ander binnen in hunne woningen, dan zou hij er
+ook uit opmaken, dat ze niets deden en er ellendig aan toe waren. Eerst
+op den langen duur onderscheidt men de veelvuldige bedrijvigheid van
+deze werkeloosheid.</p>
+
+<p>Inderdaad, ieder dezer bijna onbewegelijke besjes werkt zonder ophouden
+en oefent een verschillend handwerk uit. Geen hunner kent de rust en
+diegenen onder hen b.v. die het slaperigst lijken en als doode trossen
+tegen de ruiten hangen, hebben de geheimzinnigste en meest afmattende
+taak: door hen wordt de was gevormd en afgescheiden. Maar weldra zullen
+we de détails van deze eenparige werkzaamheid zien. Voor 't oogenblik
+kunnen we er mee volstaan, de aandacht te vestigen op den voornaamsten
+trek in de natuur der bij, waardoor de merkwaardige opeenhooping van
+dien verwarden arbeid wordt verklaard. Vóór alles is de bij, nog in
+hooger mate dan de mier, een kuddedier. Zij kan niet anders leven dan in
+de massa. Wanneer ze uit een korf komt, die zóó vol is, dat ze door
+stooten met haar kopje zich een doortocht moet banen door de levende
+muren, die haar insluiten, dan komt ze buiten haar eigenlijk element. Ze
+dompelt zich een oogenblik in de ruimte vol bloemen, zooals een zwemmer
+zich dompelt in den oceaan vol paarlen, maar op straffe des doods moet
+ze bij geregelde tusschenpoozen weer eens de menigte inademen, zooals
+een zwemmer telkens op nieuw de lucht. Afgezonderd levend zal ze,
+voorzien van overvloedig voedsel en in de gunstigste temperatuur, na
+verloop van enkele dagen sterven, niet van honger of kou, maar van
+eenzaamheid. De opeenhooping, de staat, scheidt voor haar een
+onzichtbaar voedsel af, dat even onontbeerlijk is als de honing. Tot
+deze behoefte moet men opklimmen om den geest der wetten van den korf
+vast te stellen. In den korf is het individu niets, het heeft slechts
+een voorwaardelijk bestaan, het is enkel een onbeduidende faktor, een
+gevleugeld orgaan van de soort. Zijn gansche leven is algeheele
+opoffering aan het wezen waarvan hij deel uitmaakt, dat niet is te
+tellen en altijd voortbestaat. Merkwaardig is het op te merken, dat het
+niet altijd zoo was. Nog heden vindt men onder de hymenoptera mellifera
+(honingdragende vliesvleugeligen) alle stadiën van de voortgezette
+beschaving onzer honingbij. Onder aan de ladder werkt ze alleen, in
+ellende; dikwijls zelfs ziet ze haar afstammelingen niet (de Prosopis,
+Colleta enz.), somtijds leeft ze te midden der beperkte familie, die ze
+jaarlijks schept (de Hommels). Vervolgens gaat ze tijdelijke
+verbintenissen aan (de Panurgen, Dasypoden, Halicten, enz.), om van trap
+tot trap tot de bijna volmaakte doch meedoogenlooze maatschappij onzer
+korven te komen, waarbij het individu volkomen wordt ingeslokt door de
+republiek, en waarbij de republiek op hare beurt naar vaste regelen
+wordt ten offer gebracht aan den abstrakten en onsterfelijken staat der
+toekomst.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_2" id="Footnote_1_2"></a><a href="#FNanchor_1_2"><span class="label">[1]</span></a> Observatie-korven noemt men glazen korven, voorzien van
+zwarte gordijntjes of van luiken. De beste bevatten maar één enkele
+honigraat, zoodat men deze van twee kanten kan bekijken. Zonder eenig
+gevaar of bezwaar kan men deze korven, die van een uitgang voorzien
+zijn, in een salon, een bibliotheek, enz. plaatsen. De bijen, welke
+hunne woning hebben in den korf, die te Parijs in mijn studeerkamer
+staat, verzamelen in de steen-woestijn der groote stad genoeg om te
+kunnen leven en gedijen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIIa" id="VIIIa"></a>VIII</h3>
+
+
+<p>Laat ons hier niet te vlug zijn met het maken van gevolgtrekkingen, die
+van toepassing zijn op den mensch. De mensch bezit het vermogen, zich
+al of niet aan de wetten der natuur te onderwerpen; en te weten of hij
+gelijk of ongelijk heeft als hij gebruik maakt van dit vermogen, is het
+ernstigste en nog het minst opgehelderde punt zijner moraal. Maar 't is
+daarom niet minder interessant den wil der natuur in een van de onze
+verschillende wereld te ontdekken. In den ontwikkelingsgang nu der
+vliesvleugeligen, die onmiddellijk na den mensch de meest bevoorrechte
+bewoners van onzen aardbol zijn wat het verstand aangaat, komt deze wil
+zeer duidelijk uit. Klaarblijkelijk beoogt deze verbetering der soort,
+doch toont tegelijkertijd, dat hij ze enkel wenscht of verkrijgen kan
+ten koste der vrijheid, der rechten en het geluk van het individu zelf.
+Naar mate de maatschappij georganiseerd wordt en hooger stijgt, ziet het
+bijzonder leven van ieder harer leden zijn gebied inkrimpen. Zoodra er
+ergens vooruitgang bemerkbaar wordt, is deze enkel het gevolg van een
+nog vollediger offer van het persoonlijk aan het algemeen belang. Ten
+eerste moet ieder die ondeugden afleggen, welke daden van
+onafhankelijkheid zijn. Zoo staan b.v. de hommels op den voorlaatsten
+trap van de bijenbeschaving en zijn te vergelijken met onze
+menscheneters. De volwassen werkbijen zwerven onophoudelijk om de eieren
+heen om ze te verslinden, en hardnekkig moet de moeder ze verdedigen.
+Dan, nadat ieder de gevaarlijkste ondeugden heeft afgelegd, moeten ze
+een zeker aantal steeds moeielijker te verkrijgen deugden verwerven. De
+werkbijen van de hommels b.v. denken er niet aan afstand te doen van de
+liefde, terwijl onze honingbij in voortdurende kuischheid leeft. Spoedig
+zullen we overigens zien, wat zij al niet prijs geeft in ruil voor het
+gevoel van welzijn, van veiligheid, van de bouwkundige, economische en
+staatkundige volmaaktheid van den korf, en we zullen op de verbazende
+evolutie bij de vliesvleugeligen terugkomen in het hoofdstuk gewijd aan
+den vooruitgang der soort.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="TWEEDE_BOEK" id="TWEEDE_BOEK"></a>TWEEDE BOEK.</h3>
+
+
+<h3>DE ZWERM.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ib" id="Ib"></a>I.</h3>
+
+
+<p>De bijen van den korf, dien wij hebben uitgekozen, hebben dus de
+verdooving des winters van zich afgeschud. De koningin is op nieuw
+begonnen eitjes te leggen, reeds in de eerste dagen van Februari. De
+werkbijen hebben de anemonen, de wilde vlier, de stekende brem, de
+viooltjes, de wilgen en noteboomen bezocht. Toen heeft de lente bezit
+genomen van de aarde; de zolders en kelders vloeien over van honing en
+stuifmeel, duizenden bijen worden er dagelijks geboren. De dikke, zware
+darren komen uit hun groote cellen te voorschijn, bezoeken de
+honingraten, en de volte in dezen al te voorspoedigen staat wordt van
+dien aard, dat 's avonds honderden werkbijen, die van de bloemen
+terugkeeren doch zich eenigszins hebben verlaat, geen plaats meer vinden
+en genoodzaakt zijn den nacht door te brengen voor de poort, waar de
+koude hen decimeert.</p>
+
+<p>Een zekere onrust overmeestert het geheele volk, en de oude koningin
+wordt zenuwachtig. Ze voelt, dat er iets nieuws in wording is. Zij heeft
+getrouwelijk haar plicht vervuld als goede voortbrengster, en nu zijn
+kwelling en droefheid het gevolg van het volbrengen dier taak. Een
+onweerstaanbare macht bedreigt hare rust; weldra zal ze den staat moeten
+verlaten, waarin zij heerschappij voert. En toch, deze staat is haar
+werk, is zij zelve. Zij is er niet koningin in de beteekenis, die wij
+menschen daaraan zouden hechten. Zij geeft er geen bevelen en is zelve,
+zoo goed als de geringste harer onderdanen, afhankelijk van die
+verborgen en hoogwijze macht, die wij voorloopig, in afwachting van ons
+pogen haar op het spoor te komen, "den geest van den bijenkorf" zullen
+noemen. Maar zij is er de moeder en het eenig orgaan der liefde. In
+onzekerheid en armoede heeft zij dezen staat gesticht. Zonder ophouden
+heeft zij hem telkens weer bevolkt met haar eigen substantie, en allen,
+die daar leven en zich bewegen&mdash;de werksters, darren, larven, poppen en
+de jeugdige vorstinnen, wier op handen zijnde geboorte haar vertrek zal
+verhaasten en waarvan er reeds ééne hare opvolgster is in den "geest van
+den bijenkorf"&mdash;die allen zijn uit haren schoot gesproten.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIb" id="IIb"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Waar is hij nu eigenlijk, in wien zetelt hij, deze "geest van den
+bijenkorf"? 't Is niet hetzelfde als het op zich zelf staand instinkt
+van den vogel, die behendig zijn nest weet te bouwen en andere
+hemelstreken op te zoeken, wanneer de dag van den trek wederom
+aanbreekt. 't Is evenmin een soort machinale gewoonte van de soort, die
+blindelings niets anders eischt dan te leven, en zich stoot tegen alle
+hoeken en kanten van het toeval, zoodra een onverwachte omstandigheid
+den gewonen gang van zaken verstoort. Integendeel, pas voor pas volgt
+hij de almacht der omstandigheden als een schrandere en rappe slaaf, die
+zelfs van de gevaarlijkste bevelen zijns meesters partij weet te
+trekken.</p>
+
+<p>Onmeedoogend maar met bescheidenheid en als onderworpen aan een of
+anderen hoogen plicht, beschikt hij over de rijkdommen, het genot der
+vrijheid, over het leven van gansch een gevleugeld volk. Dagelijks
+regelt hij het aantal geboorten en brengt dat nauwkeurig in
+overeenstemming met dat der bloemen, die het landschap opluisteren. Hij
+verkondigt der koningin wanneer zij is vervallen verklaard van hare
+waardigheid en noodzakelijk moet vertrekken, dwingt haar hare
+mededingsters ter wereld te brengen, voedt deze laatsten koninklijk op,
+beschermt hen tegen de politieke haat hunner moeder, en al naar den
+overvloed aan veelkleurige kelken, 't meer of minder gevorderd seizoen
+en de vermoedelijke gevaren der paring, veroorlooft of verbiedt hij, dat
+de eerstgeborene onder de maagdelijke prinsessen hare zusteren, die den
+koninginne-zang zingen, in hun wieg gaat dooden. Een andermaal, wanneer
+het seizoen reeds verder gevorderd is, en de uren van bloemengeur korter
+zijn, beveelt hij, om het tijdperk der revoluties af te sluiten en het
+hervatten van den arbeid te verhaasten, aan werkbijen zelven de gansche
+keizerlijke nakomelingschap ter dood te brengen.</p>
+
+<p>Deze geest is voorzichtig en zuinig, doch geenszins karig. Hij schijnt
+de weelderige en eenigszins dolle wetten der natuur in zake liefde te
+kennen. Hij duldt dan ook in den zomer, in de dagen des overvloeds, de
+benauwende aanwezigheid van drie of vierhonderd darren&mdash;want uit dezen
+zal de koningin, wier geboorte aanstaande is, zich een minnaar kiezen
+van die onbezonnen, onhandige, verwaande, drukke, gulzige,
+onfatsoenlijke, onzindelijke, onverzadelijke, enorm groote mannetjes,
+waarvan sommige noodeloozen arbeid verrichten en andere volstrekt en
+schandelijk lui zijn. Doch als eenmaal de koningin is bevrucht, de
+bloemen zich later openen en vroeger sluiten, dan spreekt hij op zekeren
+morgen over allen gelijktijdig het doodvonnis uit.</p>
+
+<p>Hij regelt den arbeid van ieder der bijen. Naar gelang van hun leeftijd
+draagt hij aan de verzorgsters der larven en nymphen hunne bezigheid op,
+aan de hofdames, die voorzien in het onderhoud der koningin en haar niet
+uit het oog verliezen, aan de luchtververschsters, die door het waaien
+met hun vleugeltjes den korf luchten, verkoelen of verwarmen en de
+verdamping van den te veel met water verzadigden honing bevorderen, aan
+de architekten, metselaars, wasbereidsters en bouwbijen, die de schering
+maken en de raten bouwen, aan de honingdraagsters, die daar buiten den
+nektar der bloemen, waaruit de honing worden zal, het stuifmeel, dat tot
+voedsel der larven en poppen dient, het maagdenwas, dat de gebouwen van
+den staat moet helpen kalefateren en stevig maken, het water en het
+zout, dat voor de jonkheid der natie noodig is, gaan halen. Hij geeft
+een taak op aan de scheikundigen, die voor het conserveeren van den
+honing zorgen door er met hun angel een druppel mierenzuur in te
+brengen, aan de sluitsters, die de cellen, wier inhoud rijp is met een
+deksel afsluiten, aan de schoonmaaksters, die de angstvallige
+zindelijkheid der straten en pleinen onderhouden, aan de
+lijkendraagsters, die de doode lichamen ver weg voeren, aan de amazones
+van de wacht, die dag en nacht waken over de veiligheid van den drempel,
+de komenden en gaanden ondervragen, de aankomende jeugd herkennen bij
+hun eersten uitgang, vagebonden, landloopers en roovers afschrikken,
+indringers verwijderen, met vereende krachten de gevaarlijke vijanden
+aanvallen, en zoo noodig den ingang barricadeeren.</p>
+
+<p>En eindelijk, de "geest van den bijenkorf" is het ook, die het uur
+vaststelt van het jaarlijksch offer aan den genius der soort&mdash;ik bedoel
+het zwermen,&mdash;wanneer een gansch volk, op het toppunt van zijn voorspoed
+en macht gekomen, plotseling aan het opgroeiend geslacht al zijn
+schatten, paleizen, woningen en de vruchten zijner inspanning overlaat,
+om daar ginder de onzekerheid en leegte van een nieuw vaderland te gaan
+opzoeken. Ziehier een daad, die, al of niet bewust, zeer zeker de
+menschelijke moraal te boven gaat. Ze richt somtijds de gelukkige stad
+geheel te gronde, verarmt haar altijd, en verstrooit haar zeer zeker, om
+aan een hooger wet dan het geluk van dien staat te gehoorzamen. Waar
+wordt deze wet geformuleerd, die, zoals wij weldra zullen zien, verre
+van fatalistisch en blind is, zooals men meent? Waar zetelt hij, in
+welke vergadering, welken raad, welke gemeenschaps-sfeer, deze geest,
+waaraan allen zich onderwerpen die zelf afhankelijk is van een
+heroïschen plicht en zich altijd op de toekomst richt?</p>
+
+<p>'t Is met onze bijen als met de meeste dingen dezer wereld; we hebben
+enkele hunner gewoonten opgelet, en zeggen: ze doen zus, en werken zóó,
+hunne koninginnen worden op zulk eene wijze geboren, hunne werksters
+blijven maagd, ze zwermen op dien en dien tijd. We meenen hen te kennen
+en vragen niet verder. We zien hen van bloem tot bloem ijlen; letten op
+het drukke komen en gaan van den bijenkorf; dit leven lijkt ons zeer
+eenvoudig en even als alle andere levens beperkt tot de ingeschapen zorg
+voor voedsel en voortplanting. Maar laat het oog de zaak eens van
+naderbij willen bezien, trachten zich rekenschap te geven, en daar
+verrijst voor ons de verbijsterende ingewikkeldheid der geringste
+verschijnselen, het raadsel van de intelligentie, den wil, de
+bestemming, het doel, de middelen en oorzaken, de niet te doorgronden
+organisatie van de geringste daad des levens.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIb" id="IIIb"></a>III.</h3>
+
+
+<p>In onzen korf dus is het zwermen, het groote offer aan de veeleischende
+goden van het ras, in voorbereiding. Gehoorzaam aan het bevel van den
+"geest", die ons vrij onverklaarbaar lijkt aangezien hij lijnrecht staat
+tegenover ieder instinkt en ieder gevoelen van onze soort, gaan nu
+zestig à zeventig duizend bijen van de tachtig à negentig duizend der
+gansche bevolking, op het voorgeschreven uur de moederstad verlaten. Ze
+vertrekken niet op een oogenblik van benardheid, hun vlucht is niet het
+in ontsteltenis plotseling genomen besluit, hun door hongersnood,
+oorlog of ziekte geteisterd vaderland te verlaten. Neen, deze
+verbanning is langdurig overdacht en het gunstig oogenblik geduldig
+afgewacht. Indien de korf arm is en zwaar beproefd door rampen van de
+koninklijke familie, door ziekte of roof, dan verlaten ze hem niet. Ze
+verlaten hem alleen, wanneer hij het hoogtepunt van zijn voorspoed heeft
+bereikt, wanneer na den ingespannen arbeid van de lente, het groote
+paleis van was met zijn honderd twintig duizend regelmatige cellen
+overvloeit van nieuwen honing en van dat veelkleurig meel, dat men het
+brood der bijen noemt en dat tot voedsel dient van larf en pop.</p>
+
+<p>Nimmer schooner is de korf dan aan den vooravond van deze heldhaftige
+renunciatie. Het is zonder wederga dit drukke, eenigszins koortsachtige
+en toch serene oogenblik van rijkdom en blijdschap in al hunne volheid.
+Laat ons trachten ons den korf voor oogen te roepen, niet zooals de
+bijen hem zien, want wij kunnen ons onmogelijk voorstellen op hoe
+geweldige en tooverachtige wijze de dingen zich weerkaatsen in de zes of
+zeven duizend facetten van hunne zijwaartsche oogen en het drievoudig
+cyclopisch oog op hun voorhoofd, maar zoo als wij hem zouden zien,
+indien wij van hunne grootte waren.</p>
+
+<p>Van eene hoogte nog kolossaler dan die van den St. Pieter te Rome dalen
+in grooten getale, vertikaal en parallel, reusachtige muren van was tot
+op den grond neder, geometrisch gebouwd, in de duistere en ledige ruimte
+opgehangen, en die men wat hun nauwkeurigheid, koenheid en grootte
+betreft, met geen enkel bouwwerk der menschheid kan vergelijken.</p>
+
+<p>Ieder dezer muren, wier bouwstof nog totaal versch, maagdelijk blinkend,
+ongerept en geurig is, bestaat uit duizenden cellen en bevat genoegzaam
+levensmiddelen om het gansche volk gedurende verscheidene weken te
+voeden. Hier zijn het de schitterende, roode, gele, licht-paarse en
+zwarte vlekken van het stuifmeel, de liefdessubstantie van alle bloemen
+der lente, opgezameld in de doorschijnende cellen. In lange, weelderige,
+gouden draperieën, die in stijve, onbewegelijke plooien nederhangen,
+ligt daar om heen de April-honing, de helderste en geurigste, reeds in
+zijn twintig duizend, met een deksel afgesloten cellen, die enkel in de
+dagen van uitersten nood worden aangesproken. Iets hooger rijpt de
+Mei-honing nog in zijn groote, open vaten, voor welker opening waakzame
+cohorten onafgebroken een frisschen luchtstroom toevoeren. In het
+midden, verre van het licht, wiens diamanten stralen door de eenige
+opening heendringen, in het warmste gedeelte van den bijenkorf, sluimert
+en ontwaakt de toekomst. Dit is het koninklijk domein van het broedsel,
+uitsluitend voor de koningin en hare tempeldienaars
+gereserveerd&mdash;ongeveer tien duizend woningen, waarin de eitjes liggen,
+vijftien à zestien duizend kamers met larven, veertig duizend huizen
+bewoond door witte nymphen of poppen, die door duizenden voedsters
+worden verzorgd<a name="FNanchor_1_3" id="FNanchor_1_3"></a><a href="#Footnote_1_3" class="fnanchor">[1]</a>. En eindelijk, in het heilige der heiligen dezer
+voorhoven, de drie, vier, zes of twaalf gesloten en naar verhouding zeer
+groote paleizen der jeugdige prinsessen, die in een soort van lijkkleed
+gewikkeld, bleek en onbewegelijk, in de duisternis gevoed, hunne ure
+afwachten.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_3" id="Footnote_1_3"></a><a href="#FNanchor_1_3"><span class="label">[1]</span></a> De cijfers, die we hier geven, zijn streng nauwkeurig. Ze
+zijn ontleend aan een grooten korf in vollen bloei.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IVb" id="IVb"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>Op den dag nu, die door den "geest van den bijenkorf" daartoe is
+aangewezen, laat eene gedeelte van het volk&mdash;en dit wordt nauwkeurig
+naar vaste en onveranderlijke wetten bepaald&mdash;het terrein over aan het
+geslacht, dat nog in wording is. In de sluimerende stad worden de darren
+achtergelaten, uit wier midden de koninklijke minnaar moet worden
+gekozen, verder eenige zeer jonge bijen, die moeten zorgen voor het
+broedsel, en een paar duizend werkbijen, die voortgaan met overal buit
+te verzamelen, den opgehoopten schat bewaren en de moreele tradities van
+den korf handhaven. Want iedere korf heeft zijne eigen moraal. Men vindt
+er zeer deugdzame en zeer verdorvene, en een onvoorzichtig imker kan een
+bijenvolk ten verderve leiden, hun den eerbied voor andermans eigendom
+doen verliezen, hen aanzetten tot roof, hen gewennen aan
+veroveringstochten en aan werkeloosheid, waardoor ze de schrik worden
+van alle republiekjes in den omtrek. 't Is daartoe al voldoende, dat de
+bij gelegenheid heeft gehad de ervaring op te doen, dat de arbeid, zoo
+ver weg, onder de bloemen daarbuiten, waarvan er honderden moeten
+bezocht worden voor de vorming van één druppel honing, niet het eenige
+en evenmin het snelste middel is om zich te verrijken, en dat het
+gemakkelijker is op bedriegelijke wijze in slecht bewaakte steden binnen
+te dringen, of met geweld in andere, die te zwak zijn om zich te
+verdedigen. Spoedig verliest ze het besef van den wel schitterenden doch
+meedoogenloozen plicht, die haar maakt tot de gevleugelde slavin der
+bloemkelken voor de voortplanting in de natuur, en 't is dikwijls zeer
+moeielijk een aldus gedemoraliseerden korf weer op het goede pad terug
+te brengen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Vb" id="Vb"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Alles wijst er op, dat niet de koningin doch de geest des bijenkorfs
+over het zwermen beslist. 't Is met deze koningin als met de heerschers
+onder de menschen; ze schijnen het bevel te voeren, doch gehoorzamen
+zelven aan bevelen, die nog gebiedender en onverklaarbaarder zijn dan
+die, welke zij geven aan wie van hen afhankelijk is. Wanneer de geest
+het oogenblik heeft bepaald, moet hij wel reeds bij het aanlichten van
+den dageraad, misschien zelfs den vorigen, of vóór-vorigen dag zijn
+besluit hebben kenbaar gemaakt, want nauwelijks heeft de zon de eerste
+druppels van den morgendauw ingezogen, of men bemerkt in de geheele
+omgeving van de gonzende stad een ongewone drukte, waarin de ymker zich
+maar zelden vergist. Soms zou men zelfs zeggen, dat er wordt gestreden,
+geaarzeld, dat men terugkomt op het genomen besluit. Werkelijk gebeurt
+het wel, dat verscheiden dagen achtereen deze goudgetinte en
+doorschijnende storm op nieuw opsteekt en weer gaat liggen,
+oogenschijnlijk zonder reden. Vertoont zich op zulk een oogenblik aan
+den hemel der bijen een wolkje, dat wij niet zien, of komt er spijt op
+in hun geest? Beraadslaagt men in een woelige vergadering over de
+noodzakelijkheid van vertrek? Wij weten er niets van, evenmin als we
+weten op welke wijze de geest van den bijenkorf zijn besluit aan de
+menigte kenbaar maakt. Al is het zeker, dat de bijen elkander
+mededeelingen doen, men weet niet of dit gebeurt op de wijze der
+menschen. Dat van honing geurend gegons, de bedwelmende trilling der
+mooie zomersche dagen, die een der schoonste genietingen van den ymker
+uitmaakt, den feestzang van den arbeid, die in deze kristallen ure rijst
+en daalt in de geheele omgeving van den bijenkorf en die het gemurmel
+van blijdschap schijnt te zijn van de ontloken bloemen, de hymne van hun
+geluk, de echo van hunne zoete geuren, de stem der witte anjelieren, van
+thijm en marjolijn, 't staat niet vast, dat ze dit alles hooren. Toch
+hebben ze een gansche toonladder van geluiden, die wij zelf kunnen
+onderscheiden en die loopt van innig geluk tot bedreiging, toorn,
+verdriet; ze hebben eene ode der koningin, refreinen van den overvloed,
+psalmen van droefheid, en eindelijk hebben ze de langgerekte en
+geheimzinnige oorlogskreten der jeugdige prinsessen in de gevechten en
+moorden, die de paring voorafgaan. Is deze muziek enkel iets
+bijkomstigs, dat hun innerlijke stilte onaangetast laat? Dit is zeker,
+dat ze zich niet veel schijnen aan te trekken van de geluiden, die wij
+maken rondom den korf, maar misschien zijn ze van oordeel, dat deze
+geluiden niet zijn van hunne wereld en voor hen niet van belang. 't Is
+zeer waarschijnlijk, dat wij van onzen kant slechts een zeer klein
+gedeelte hooren van wat zij zeggen, en dat zij een massa harmonieën
+voortbrengen, waarvoor onze organen ongeschikt zijn om ze op te vangen.
+In ieder geval zullen wij aanstonds zien, dat zij, soms met
+verbazingwekkende snelheid, elkaar weten te begrijpen en tot
+overeenstemming weten te komen, en wanneer b.v. de groote honing-dief,
+de enorme Sphinx Atropos of doodshoofd-vlinder, de sombere kapel, die
+op haar rug een doodshoofd draagt, den korf binnendringt onder het
+murmelen van een soort onweerstaanbaar gezang, dat haar eigen is, dan
+gaat dit bericht van den een op den ander, en van af de wachteressen aan
+den ingang tot aan de laatste werkbijen, die op de laatste raten aan den
+arbeid zijn, siddert het gansche volk.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIb" id="VIb"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>Langen tijd heeft men gemeend, dat waar ze aldus de schatten van hun
+koninkrijk prijsgeven om zich in een onzeker leven te storten, de
+verstandige honingvliegen, die gemeenlijk zoo zuinig, zoo matig en zoo
+voorzichtig zijn, aan een soort van onvermijdelijken, fatalen waanzin
+gehoor geven, aan een werktuigelijken drang, aan een wet van de soort,
+een decreet der natuur, aan die kracht, die voor alle wezens verborgen,
+ligt in den voortspoedenden tijd.</p>
+
+<p>Of het nu de bijen of ons zelven betreft, we noemen fatalistisch,
+onvermijdelijk al wat we nog niet begrijpen. Maar op dit oogenblik heeft
+de bijenkorf reeds twee of drie zijner zwaarwichtige geheimen prijs
+gegeven, en zoo heeft men geconstateerd, dat deze uittocht noch
+instinktief, noch onvermijdelijk is. 't Is geen blinde uittocht, maar
+een oogenschijnlijk wel overwogen offer van het tegenwoordig geslacht
+aan het toekomstige. 't Is al voldoende, dat de ymker de nog roerlooze
+jonge koninginnen in hun cellen doodt en tegelijkertijd, als de larven
+en poppen talrijk zijn, de stapelplaatsen en slaapvertrekken van het
+volkje vergroot, en onmiddellijk komt al dat onprofijtelijk tumult tot
+bedaren; de gewone arbeid op de bloemen wordt hervat, en de oude
+koningin, die nu onontbeerlijk is geworden en geen opvolgster te hopen
+of te duchten heeft, die bovendien weer is gerustgesteld omtrent de
+gevolgen van de bedrijvigheid, welke opnieuw begint, ziet er van af dit
+jaar het licht der zon weer te zien. Kalm hervat ze in de duisternis
+haar moederlijke taak, die daarin bestaat, dat ze volgens een
+regelmatige spiraal, van cel tot cel, zonder er een enkele over te slaan
+en zonder immer op te houden, twee of drieduizend eitjes per dag legt.</p>
+
+<p>Wat is er fatalistisch in dit alles dan de liefde van het geslacht van
+heden voor dat van morgen? Deze fataliteit bestaat ook bij het
+menschenras, maar daar schijnt ze oneindig minder macht en omvang te
+hebben. Nooit brengt ze daar zulke algeheele en eenparige offers. Aan
+welke in de toekomst schouwende fataliteit gehoorzamen wij in plaats van
+aan deze? Wij weten het niet, en kennen het wezen niet dat op ons
+neerziet zooals wij op de bijen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIb" id="VIIb"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Maar de mensch komt geen stoornis brengen in de geschiedenis van den
+bijenkorf, dien wij hebben uitgekozen, en de nog vochtige warmte van den
+schoonen dag, die met langzamen en reeds lichtenden tred schijnt voort
+te schrijden onder de boomen, verhaast het uur van vertrek. Van boven
+tot beneden staan de gouden gangen, die de evenwijdige muren scheiden,
+vol werkbijen, die de toebereidselen voor de reis voltooien. En
+allereerst belast zich ieder hunner met een voorraad honing, voldoende
+voor vijf of zes dagen. Uit dezen honing, dien ze meenemen, halen ze
+door een scheikundige bewerking, welke men nog niet voldoende heeft
+verklaard, de was, die ze noodig hebben om onmiddellijk met het
+optrekken der gebouwen te kunnen beginnen. Bovendien voorzien ze zich
+van een zekere hoeveelheid maagdenwas, een soort van hars, bestemd om de
+reten van de nieuwe woning te dichten, al wat wankelt vast te zetten,
+alle wanden te vernissen en alle licht buiten te sluiten; want ze werken
+bij voorkeur in een bijna totale duisternis, waarin ze den weg vinden
+door middel van hunne samengestelde oogen of misschien van hunne
+sprieten, die den zetel schijnen te zijn van een nog onbekend zintuig,
+dat de duisternis betast en meet.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIIb" id="VIIIb"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>Zij kunnen dus voorzien, welke ongevallen hun kunnen overkomen op dezen
+gevaarlijksten dag huns levens. En inderdaad, heden nu ze geheel opgaan
+in de zorgen en alle misschien zelfs wonderbare gebeurlijkheden van de
+groote daad, hebben ze geen tijd tuinen en weilanden te bezoeken, en
+morgen of overmorgen kan het wel waaien, regenen, hunne vleugels kunnen
+verstijven en de bloemen gesloten blijven. Kenden ze deze voorzorg niet,
+'t zou gelijkstaan met hongersnood en dood. Niemand zou hun te hulp
+komen en zij zouden niemands hulp inroepen. Van de eene stad op de
+andere kennen ze elkander niet en helpen elkaar nooit. Zelfs komt het
+wel voor, dat de ymker den korf, waarin hij de oude koningin met den
+bijentros die haar omringt heeft opgenomen, vlak naast de woning
+plaatst, welke ze pas hebben verlaten. Welk een ramp hen nu ook moge
+treffen, het lijkt wel alsof ze onherroepelijk alle herinnering verloren
+hebben aan den vrede, het werkdadig geluk, de enorme rijkdommen en de
+veiligheid daarvan, en allen, van de eerste tot de laatste, zullen
+liever in de nabijheid hunner ongelukkige meesteres van koude en honger
+sterven, dan terug te keeren naar hunne geboorteplaats, al dringt de
+welaangename geur van den overvloed, de geur van hun eigen daar
+volbrachten arbeid, tot in 't verblijf hunner ellende door.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IXb" id="IXb"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Men zal zeggen: "Dat is nu juist iets wat de menschen niet zouden doen,
+een dier feiten die bewijzen, dat hier ondanks de wonderen dezer
+organisatie, geen echt intellekt of bewustzijn voorhanden is." Wat weten
+wij er van? Nog daargelaten de mogelijkheid, dat er in andere wezens een
+intelligentie werkt van anderen aard dan de onze en die gansch andere
+uitkomsten geeft, zonder daarom nog van lager orde te zijn, zijn wij,
+als we nimmer buiten onze kleine menschelijke parochie komen, zoo
+bevoegd te oordeelen over de dingen des geestes? We behoeven maar twee
+of drie personen achter een venster te zien spreken en gesticuleeren
+zonder te hooren wat ze zeggen, en reeds dan valt het ons zeer moeielijk
+te raden welke gedachte hen leidt. Meent ge, dat een bewoner van Mars of
+Venus, die boven op een berg staande ons als zwarte stipjes in de ruimte
+zag komen en gaan langs de straten en pleinen onzer steden, zich op het
+gezicht van onze bewegingen, onze gebouwen, kanalen en machines een
+nauwkeurig denkbeeld zou vormen van ons verstand, onze zedelijkheid,
+onze wijze van liefhebben, denken, hopen, in één woord van ons dieper en
+waarachtig wezen? Hij zou er zich toe bepalen enkele vrij verrassende
+feiten te constateeren, zooals wij dat doen bij den bijenkorf, en zou er
+waarschijnlijk even onzekere, even verkeerde conclusies uit trekken als
+wij in dit geval.</p>
+
+<p>'t Zou hem althans vrij wat moeite kosten, in "onze zwarte stipjes", de
+groote zedelijke leiding, het bewonderenswaardig éénheids-gevoel te
+ontdekken, dat zich in den bijenkorf openbaart. "Waar gaan ze toch
+heen?" zou hij zich afvragen, nadat hij ons gedurende jaren of eeuwen
+had geobserveerd, "wat doen ze toch? Wat is het centrale punt en het
+doel huns levens? Gehoorzamen ze aan een of anderen god? Ik zie niets
+dat hunne schreden leidt. Den eenen dag schijnen ze kleine voorwerpen te
+bouwen en te verzamelen, en den volgenden verstrooien ze die weer. Ze
+gaan en komen, ze vergaderen en verwijderen zich, maar wat ze verlangen
+is niet te begrijpen. Ze geven een massa onverklaarbare dingen te
+aanschouwen. Men ziet er b.v. die om zoo te zeggen zich niet bewegen. Ze
+zijn te herkennen aan hun glanzen der vacht, en zijn dikwijls ook
+grooter dan de anderen. Ze wonen in huizen, die tien à twintigmaal
+grooter, vernuftiger ingericht en rijker zijn dan de gewone. Ze
+gebruiken er dagelijks maaltijden, die uren duren en zelfs vaak tot diep
+in den nacht. Al wie hen nadert, schijnt hun eer te bewijzen en uit de
+naburige huizen en zelfs ver van buiten komen menschen met
+levensmiddelen om hun geschenken te brengen. Men moet aannemen, dat zij
+onmisbaar zijn en aan de soort wezenlijke diensten bewijzen, hoewel onze
+nasporingen ons nog niet hebben in staat gesteld, den aard dezer
+verdiensten nauwkeurig te bepalen. Daarentegen ziet men er anderen, die
+in groote ruimten, vol draaiende wielen, in duistere verblijven, in de
+nabijheid der havens en op kleine vakjes grond, waarin ze wroeten van
+den opgang tot den ondergang der zon, onophoudelijk vol inspanning bezig
+zijn. Alles leidt tot het vermoeden, dat deze bezigheid strafbaar is,
+want men huisvest hen in kleine, onzindelijke en bouwvallige hutten. Ze
+zijn gedekt met een kleurlooze zelfstandigheid. Zóó groot schijnt hun
+ijver te zijn voor hun schadelijk of althans nutteloos werk, dat ze zich
+nauwelijks den tijd gunnen te eten of te slapen. Hun aantal staat tot
+dat der eersten als 1000 tegen 1. Opmerkelijk is het, dat de soort zich
+onder omstandigheden, die zóó ongunstig zijn voor hare ontwikkeling, tot
+op onze dagen heeft kunnen staande houden. Overigens moeten we hieraan
+toevoegen, dat ze afgezien van dat karakteristiek vasthouden aan hun
+moeielijk werk, onschadelijk en gedwee schijnen te zijn en zich tevreden
+stellen met de restjes dergenen, die klaarblijkelijk de hoeders en
+misschien de redders zijn van het ras."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Xb" id="Xb"></a>X.</h3>
+
+
+<p>Is 't niet verbazingwekkend, dat de bijenkorf, waarop wij uit eene
+gansch andere wereld neerzien en dien we dus niet duidelijk kunnen
+onderscheiden, ons bij den eersten blik dien we daarop werpen, een
+beslist en diepzinnig antwoord geeft? Is 't niet bewonderenswaardig, dat
+zijn gebouwen vol regelmaat, zijn gebruiken en wetten, zijn
+huishoudelijke en staatkundige inrichting, zelfs zijne deugden en
+wreedheden, ons onmiddellijk de gedachte of den god openbaren, dien de
+bijen dienen, en die niet de minst wettige of redelijke god is, dien men
+zich kan voorstellen, al is 't misschien de eenige, dien wij nog niet in
+ernst hebben aangebeden, ik bedoel de toekomst? In de geschiedenis der
+menschheid trachten we somwijlen de kracht en de zedelijke grootheid van
+een volk of een ras te peilen, en we vinden geen anderen maatstaf dan de
+vastheid en den omvang van het ideaal, dat ze najagen, en de
+zelfverloochening, waarmee ze zich daaraan wijden. Hebben wij dikwijls
+een ideaal aangetroffen, dat meer in overeenstemming is met de wenschen
+des Heelals, dat hechter, verhevener, belangeloozer en duidelijker is,
+zaagt ge dikwijls een meer algeheele en heldhaftige zelfverzaking?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIb" id="XIb"></a>XI.</h3>
+
+
+<p>Welk een vreemd republiekje, zoo ernstig en zoo logisch, zoo positief,
+zoo nauwkeurig, zoo zuinig, en toch ten prooi aan een zoo grootschen en
+zoo onzekeren droom! Klein volkje, gij zoo beslist en zoo diepzinnig,
+gevoed met warmte en lucht en met het allerpuurste in de natuur, de ziel
+der bloemen, dat wil zeggen met datgene, wat meer dan al het overige de
+glimlach der materie mag genoemd worden, haar aandoenlijkst streven naar
+geluk en schoonheid,&mdash;wie zal ons zeggen wat al vraagstukken gij hebt
+opgelost, die ons nog onverklaard blijven, wat al zekerheden gij
+verworven hebt, die wij nog moeten verwerven? En zoo het waar is, dat
+gij deze problemen hebt opgelost en deze zekerheid verkregen niet door
+middel van uw verstand, maar krachtens een of andere oorspronkelijken en
+blinden aandrang, voor welk een nog onoplosbaarder raadsel plaatst gij
+ons dan? Klein stadje vol geloof, hoop en mysterie, waarom aanvaarden
+uwe honderdduizend maagden een taak, die een menschelijke slaaf nimmer
+heeft aangedurfd? Ontzagen ze wat meer hunne krachten, vergaten ze
+zichzelven wat minder, waren ze wat minder ijverig bij den arbeid, dan
+zouden ze een nieuwe lente en een tweeden zomer aanschouwen, maar op het
+magisch oogenblik wanneer alle bloemen hen tot zich roepen, schijnen ze
+bevangen door de doodelijke bedwelming van den arbeid, en met gebroken
+vleugeltjes en een geheel uitgeput, met wonden overdekt lichaam komen ze
+bijna allen om in minder dan vijf weken.</p>
+
+<p><i>Tantus amor florum, et generandi gloria mellis,</i> roept Virgilius uit,
+die in het vierde boek der Georgica, aan de bijen gewijd, de bekoorlijke
+dwaalbegrippen der ouden heeft vereeuwigd, die de natuur beschouwden met
+oogen nog geheel verblind door de aanwezigheid van denkbeeldige goden.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIb" id="XIIb"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>Waarom doen ze afstand van den slaap, van 't genot van den honing, van
+de liefde, van de verrukkelijke vrijheid, die bij voorbeeld hun oudste
+broeder, de vlinder, zoo goed kent? Ze konden toch leven zooals hij? De
+honger kan 't niet zijn, die er hen toe noodzaakt. Twee of drie bloemen
+volstaan voor hun voedsel en ze bezoeken er ieder uur twee of drie
+honderd om een schat bijeen te garen, waarvan zij het genot niet zullen
+smaken. Waartoe zich zelven zoo te kwellen, van waar die verzekerdheid?
+Is het dan zóó zeker, dat het geslacht waarvoor ge sterft dit offer
+waard is, dat het schooner en gelukkiger zijn zal, dat het iets zal doen
+wat gij niet gedaan hebt? We zien uw doel, even duidelijk als het onze:
+ge wilt in uwe nakomelingschap leven zoolang als de aarde zelve, maar
+wat is dan het doel van dit groote doel en de taak van dit eeuwigdurend
+vernieuwd bestaan?</p>
+
+<p>Maar zijn wij het niet veeleer, die ons zelven kwellen in onze aarzeling
+en dwaling, zijn wij niet kinderachtige droomers en stellen we geen
+ijdele vragen? Al waart ge door evolutie op evolutie almachtig en
+welgelukzalig geworden, al hadt ge de laatste hoogten bestegen, van waar
+ge alle wetten der natuur zoudt beheerschen, kortom al waart ge
+onsterfelijke godinnen geworden, dan nog zouden we u ondervragen om te
+weten wat ge hoopt, waarheen ge wenscht te gaan, waar ge denkt op te
+houden en aan het eindpunt uwer wenschen gekomen te zijn. Wij zijn zoo
+geschapen, dat niets ons bevredigt, dat voor ons niets zijn doel in
+zichzelf schijnt te hebben, dat niets ons voorkomt maar eenvoudig te
+bestaan zonder meer, zonder nevengedachte. Hebben wij tot op dezen dag
+ons een enkelen onzer goden, van den primitiefsten af tot den
+verstandigsten toe, kunnen voorstellen zonder onmiddellijk beweging,
+onrust daarnaast te denken, zonder hem te noodzaken een massa wezens en
+dingen te scheppen, op duizenderlei wijzen een doel te zoeken buiten
+zichzelven, en zullen wij er ooit in berusten kalm en gedurende enkele
+uren een interessanten verschijningsvorm van de werkzaamheid der stof
+voor te stellen, om weldra zonder spijt en zonder verwondering den
+anderen vorm weer aan te nemen, den vorm van onbewustheid, onbekendheid,
+slaap, eeuwigheid?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIIb" id="XIIIb"></a>XIII.</h3>
+
+
+<p>Doch laten wij onzen bijenkorf niet vergeten, waar de zwerm al
+ongeduldig wordt, onzen korf, die al borrelt en overvloeit van zwarte,
+trillende golven, gelijk een metalen schaal onder de hitte der zon. 't
+Is de middagure en men zou meenen, dat onder de heerschende warmte de
+verzamelde boomen al hunne bladeren inhielden, zooals men den adem
+inhoudt in de tegenwoordigheid van iets zeer liefelijks maar zeer
+ernstigs.</p>
+
+<p>De bijen geven den mensch, die hen verzorgt, den honing en de geurige
+was, maar wat misschien dien honing en die was nog te boven gaat, dat is
+dit, dat ze zijn aandacht vestigen op de blijdschap van Juni, dat ze hem
+oog geven voor de harmonie der schoone maanden; dat is dit, dat alle
+gebeurtenissen, waarin zij deelnemen, onafscheidelijk zijn van een
+helderen hemel, het feest der bloemen, de gelukkigste uren van het jaar.
+Zij zijn de ziel van den zomer, de tijdwijzer van de minuten van
+overvloed, de rappe vleugelen van de zich verspreidende geuren, het
+intellekt van de zwevende stralen, het gezang der atmosfeer, die zich
+uitrekt en rust meent; en hunne vlucht is het zichtbaar teeken, de
+heldere en muzikale toon van alle onnoembare kleine genietingen, die uit
+de warmte ontspruiten en in het licht leven. Zij doen de stem verstaan,
+ook het intiemst geluid, van de heerlijke uren der natuur. Voor wie ze
+heeft gekend en liefgehad, schijnt een zomer zonder bijen even
+ongelukkig en even onvolkomen als een zonder vogels of zonder bloemen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIVb" id="XIVb"></a>XIV.</h3>
+
+
+<p>Iemand, die voor de eerste maal deze verbijsterende en wanordelijke
+gebeurtenis, het zwermen van een flink bevolkten bijenkorf, bijwoont,
+voelt zich eenigszins teleurgesteld en komt niet dan met zekere angst
+naderbij. Hij herkent ze niet meer, de ernstige, vreedzame bijen van de
+uren van arbeid. Enkele oogenblikken te voren zag hij ze uit alle hoeken
+terugkeeren van buiten, opgaande in hun werk als kleine burgervrouwtjes,
+die door niets worden afgeleid van hunne huishoudelijke aangelegenheden.
+Ze kwamen bijna onopgemerkt binnen, moe, buiten adem, druk, haastig,
+maar toch zeer bescheiden, en werden in 't voorbijgaan door de jeugdige
+amazones aan den ingang begroet met een lichte beweging der sprieten.
+Hoogstens wisselden zij enkele onontbeerlijke woorden bij het haastig
+overgeven van hun bijeengegaarden honing aan een der jeugdige
+honingdraagsters, die altijd te vinden zijn in den binnensten hof van de
+werkplaats;&mdash;of wel zelf gingen zij naar de ruime honingzolders, die de
+broedplaats omgeven, om daar de twee zware korven vol stuifmeel neer te
+zetten welke ze aan hun dijen hebben vastgehecht, en vertrokken
+onmiddellijk weer, zonder zich ook maar eenigszins te bekommeren om 't
+geen daar voorviel in de werkplaatsen, in het slaapvertrek der nymphen
+of in 't koninklijk paleis, zonder zich ook maar een enkel oogenblik te
+mengen in het gewoel op het plein, dat zich uitstrekt voor den ingang en
+dat op de uren van groote hitte geheel in beslag wordt genomen door het
+gebabbel der luchtververschsters, die daar om het vlieggat, naar de
+teekenachtige uitdrukking der ymkers "als afhangende zware baarden"
+werkeloos voorhangen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVb" id="XVb"></a>XV.</h3>
+
+
+<p>Heden is alles anders. 't Is waar, een zeker aantal arbeidsters gaat,
+alsof er niets in aantocht was, kalm naar de velden, komt weer terug en
+begeeft zich naar de kamers van de broedplaats zonder te worden
+aangestoken door de algemeene opwinding. Dat zijn degenen, die niet met
+de koningin meegaan en in de oude woning blijven om die te bewaken en te
+zorgen voor de verpleging en voeding van de negen à tienduizend eieren,
+de achttienduizend larven, de zes en dertig duizend nymphen en de zeven
+of acht prinsessen, die men in den steek laat. Ze zijn uitgekozen voor
+deze zware taak, zonder dat men weet krachtens welke regelen, noch door
+wien, noch hoe. Kalm en onwankelbaar volharden zij daarin, en hoewel ik
+er verscheidene malen de proef van heb genomen door met een kleurrijk
+poeder eenige dezer lijdelijke "asschepoestertjes" te bestrooien, die
+men onder dit feestelijk troepje vrij gemakkelijk herkent aan hun
+plechtigen en eenigszins zwaren gang, zeer zelden heb ik er een
+aangetroffen onder de opgewonden menigte der zwermende bijen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIb" id="XVIb"></a>XVI.</h3>
+
+
+<p>En toch schijnt de aantrekkingskracht bijna onweerstaanbaar. 't Is de
+misschien onbewuste waanzin der zelfopoffering, door den god bevolen; 't
+is het honingfeest, de zegepraal van het ras en van de toekomst; 't is
+de eenige dag van vreugde, vergetelheid en dwaasheid; 't is de eenige
+Zondag der bijen, 't schijnt ook de eenige dag te zijn dat ze naar
+hartelust eten en ten volle de zoetigheid van den schat, dien ze
+verzamelen, leeren kennen. Ze gelijken op gevangenen, die plotseling
+worden in vrijheid gesteld en overgebracht naar een land van overdaad en
+rust. Ze worden opgewonden, zijn geheel buiten zich zelven. Zij, die
+anders nooit eenige verkeerde of noodelooze beweging maken, komen nu en
+gaan, komen terug en gaan op nieuw heen om hunne zusters aan te drijven,
+te zien of de koningin klaar is en den tijd van afwachting te dooden. Ze
+vliegen veel hooger dan gewoonlijk en doen in de gansche omgeving van
+den korf de bladeren der groote boomen trillen. Ze kennen geen zorgen of
+vrees meer. Ze zijn niet langer woest, bemoeiziek, prikkelbaar,
+strijdlustig en ontembaar. De mensch, hun meester zonder dat ze het
+weten, dien ze nooit herkennen en die hen enkel aan zich onderwerpt door
+zich naar al hunne werkgewoonten te schikken, al hunne wetten te
+eerbiedigen, pas voor pas het spoor te volgen, in hun leven getrokken
+door hun verstand, dat zich altijd richt op het welzijn van de toekomst
+en door niets wordt ontmoedigd of afgeleid van zijn doel,&mdash;de mensch kan
+hen nu naderen, het gordijn verscheuren, dat rondom hem wordt gevormd
+door die dwarrelende, gonzende massa, ze in handen nemen, ze plukken als
+een druiventros; ze zijn even zacht en onschadelijk als een zwerm
+libellen of nachtvlinders, en op zulk een dag, zich gelukkig voelend,
+niets meer bezittend, vertrouwend op de toekomst, mits men hen niet
+scheide van hunne koningin die deze toekomst in zich draagt, onderwerpen
+ze zich aan alles en kwetsen niemand.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIb" id="XVIIb"></a>XVII.</h3>
+
+
+<p>Maar het echte signaal is nog niet gegeven. In den korf heerscht een
+onbegrijpelijke drukte en wanorde, waarin men geen gedachte kan
+ontdekken. In gewone tijden schijnen de bijen als ze thuis zijn te
+vergeten, dat ze vleugels hebben, en ieder blijft bijna onbewegelijk
+doch niet werkeloos op de raat, op de plaats, die haar is aangewezen
+door den aard van haren arbeid. En nu, als dol bewegen ze zich in
+dichte kringen langs de vertikale wanden van boven naar beneden, als een
+rijzend en zinkend deeg door onzichtbare hand beslagen. De temperatuur
+daar binnen stijgt snel, somtijds zelfs zóó, dat het was der gebouwen
+zacht wordt en uitzakt. De koningin, die in den regel de binnenste raten
+nooit verlaat, loopt nu verschrikt en hijgend over de woelige menigte
+heen, die ronddraait om haar eigen as. Doet ze dat om het vertrek te
+verhaasten of wel om het te vertragen? Geeft ze bevelen of is ze
+smeekelinge? Werkt ze die wondere opwinding in de hand of wel is ze er
+de dupe van? Na al wat wij van de algemeene psychologie der bijen weten
+is het vrij duidelijk, dat het zwermen altijd geschiedt tegen den wensch
+der oude souvereine. In den grond der zaak is de koningin in de oogen
+der ascetische werksters, hare dochters, het onmisbaar en gewijd orgaan
+der liefde, maar een beetje onbewust en dikwijls kinderachtig. Ze
+behandelen haar dan ook als eene moeder onder voogdijschap. Ze koesteren
+eerbied voor haar en een heroïsche, onbegrensde liefde. Voor haar de
+zuiverste honing, die nog extra wordt gereinigd en bijna geheel te
+verteren is. Ze heeft een hofstoet, die dag en nacht over haar waakt,
+haren moederlijken arbeid verlicht, de celletjes gereed maakt, waarin ze
+hare eitjes moet leggen, haar vertroetelt, liefkoost, voedt, reinigt, ja
+zelfs hare uitwerpselen opzuigt. Bij 't minste ongeval, dat haar treft,
+gaat het bericht van de een op de ander, en het volkje raakt in
+beroering en begint te jammeren. Indien men haar wegneemt uit den korf,
+en de bijen geen hoop kunnen koesteren haar te vervangen, 't zij omdat
+ze geen aangewezen nakroost heeft achtergelaten, 't zij dat er geen
+werkster-larven zijn jonger dan drie dagen (want iedere larf eener
+werkbij, die nog geen drie dagen oud is, kan door middel van een
+bijzondere voeding worden veranderd in een koninklijke nymph, dit is het
+groote democratische beginsel van den bijenkorf, dat opweegt tegen al de
+voorrechten van het voorbeschikte moederschap); als men onder zulke
+omstandigheden haar grijpt, opsluit, verre van hare woning brengt, en
+als dit verlies is geconstateerd,&mdash;somtijds verloopen er twee of drie
+uren vóór het bericht aan iedereen bekend is, zóó uitgebreid is de
+stad,&mdash;dan houdt de arbeid bijna overal op. Dan verlaat men de
+kleintjes, een gedeelte der bevolking zwerft rond om hare moeder op te
+sporen, een ander gedeelte gaat uit om navraag naar haar te doen, de
+slingers van werksters, die bezig waren de raten te bouwen, breken en
+laten los, de honingdraagsters bezoeken de bloemen niet langer, de
+deurwachteressen verlaten hun post, en de vreemde plunderaars, alle
+parasieten van den honing, die voortdurend loeren op een buitenkansje,
+komen en gaan vrijelijk, zonder dat iemand er aan denkt, den moeizaam
+bijeengegaarden schat te verdedigen. Langzamerhand verarmt de stad en
+wordt ontvolkt, en hare moedelooze bewoonsters sterven al spoedig van
+droefheid en ellende, hoewel alle bloemen van den zomer voor haar
+schitteren.</p>
+
+<p>Maar laat men de souvereine vervangen vóór nog haar verlies een
+voldongen en onherstelbaar feit is geworden, vóór de demoralisatie al te
+grooten omvang heeft aangenomen (de bijen zijn als de menschen, te
+langdurige vertwijfeling of rampen doen afbreuk aan hun verstand en
+verlagen hun karakter), laat men enkele uren daarna de souvereine
+vervangen, en ze bereiden deze een buitengewoon en aandoenlijk onthaal.
+Allen verdringen zich rondom haar, vormen groepjes, klimmen op en over
+elkaar, liefkoozen haar in 't voorbijgaan met hunne lange sprieten, die
+zooveel voor ons nog onverklaarde organen bezitten, brengen haar honing,
+en geleiden haar in optocht naar de koninklijke vertrekken. Onmiddellijk
+is de orde weer hersteld en 't werk wordt weer hervat van de binnenste
+raten der broedplaats tot aan de verste bijgebouwen, waar het overschot
+van den oogst wordt opgeborgen: de honingdraagsters gaan uit in dichte
+rijen en komen soms in minder dan drie minuten terug beladen met
+honingsap en stuifmeel, de plunderaars en parasieten worden uitgedreven
+of vermoord, de straten worden geveegd, en de korf weerklinkt liefelijk
+en eentonig van dat lied van geluk, iets geheel eigenaardigs, dat om zoo
+te zeggen het lied van de koninklijke presentie is.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIIb" id="XVIIIb"></a>XVIII.</h3>
+
+
+<p>Er zijn duizend voorbeelden van deze aanhankelijkheid, deze volkomen
+toewijding der werkbijen aan hunne souvereine. Bij alle rampen der
+kleine republiek, het vallen van korf of honingraat, de ruwheid of
+onkunde van den mensch, koude, hongersnood of zelfs ziekte, waarbij het
+volk in menigte omkomt, blijft de koningin bijna altijd behouden en men
+vindt haar lovend onder de lijken harer trouwe dochteren. Dat komt
+doordat allen haar beschermen, haar helpen vluchten, eene schutsmuur en
+schuilplaats voor haar vormen met hunne lichamen, en voor haar het
+gezondste voedsel en den laatsten druppel honing bewaren. En zoolang zij
+nog in leven is dringt de wanhoop niet binnen in de stad der "kuische
+dauw-drinksters", hoe groote ramp hen moge treffen. Breek tot twintig
+malen toe hunne honingraten, ontneem hun twintig malen hunne kinderen en
+levensmiddelen, ge zult er niet in slagen hen aan de toekomst te doen
+vertwijfelen: en zelfs gedecimeerd, uitgehongerd, ingeslonken tot een
+klein troepje, dat slechts met moeite de moeder voor de oogen des
+vijands kan verbergen, zullen ze de instellingen der kolonie op nieuw
+organiseeren, in het noodigste voorzien, de bezigheden onder elkaar
+verdelen volgens de nieuwe eischen van de ongunst des oogenbliks, en
+onmiddellijk den arbeid weer hervatten met een geduld, een ijver, een
+verstand en volharding, die men in dezelfde mate niet dikwijls in de
+natuur aantreft, al leggen de meeste wezens meer moed en vertrouwen aan
+den dag dan de mensch.</p>
+
+<p>Om de moedeloosheid verre te houden en hunne liefde bestendig, is de
+aanwezigheid der koningin zelfs niet eens noodzakelijk; 't is al
+voldoende dat ze op het uur van haar dood of vertrek ook maar de
+flauwste hoop op nakomelingschap heeft achtergelaten. "We hebben eene
+kolonie gezien", zegt de eerbiedwaardige Langstroth, een der vaders der
+moderne bijenteelt, "die niet genoeg bijen had om een raat van tien
+vierkante centimeter te bedekken en die toch een koningin trachtte te
+fokken. Gedurende twee gansche weken bleven ze die hoop koesteren;
+eindelijk, toen hun aantal tot op de helft verminderd was, werd hunne
+koningin geboren, maar hare vleugeltjes waren zoo onvolkomen, dat ze
+niet kon vliegen.</p>
+
+<p>Al was ze impotent, toch behandelden hare bijen haar met niet minder
+eerbied. Een week later was er niet veel meer dan een dozijn bijen
+overgebleven, en eindelijk was enkele dagen daarna de koningin verdwenen
+en liet op de honigraat eenige ontroostbare ongelukkigen achter".</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIXb" id="XIXb"></a>XIX.</h3>
+
+
+<p>Dit is weer een dier omstandigheden, ontsproten uit de ongehoorde
+beproevingen, die onze nieuwerwetsche en tyrannieke inmenging de
+ongelukkige maar onwankelbare heldinnen doet ondergaan, waarbij men
+hunne kinderlijke liefde en zelfverloochening bij hare laatste
+krachtsinspanning verrast. Ik heb meer dan eens, zooals ieder
+bijenliefhebber, bevruchte koninginnen uit Italië doen komen, want het
+Italiaansche ras is beter, sterker, vruchtbaarder, vlijtiger en zachter
+dan het onze. Ze worden verzonden in kleine, doorboorde doosjes. Men
+doet er wat levensmiddelen in en sluit er de koningin in op vergezeld
+van een zeker aantal werkbijen, die zooveel mogelijk uit de oudsten
+worden gekozen (de ouderdom der bijen is gemakkelijk op te maken uit hun
+glad, mager en bijna kaal lichaam, maar bovenal uit hun versleten en
+door den arbeid gescheurde vleugeltjes) om haar te voeden, te verzorgen
+en te bewaken tijdens de reis. Dikwijls waren bij aankomst de meeste der
+werkbijen bezweken. Eenmaal zelfs waren alle van honger gestorven; doch
+dezen keer zoowel als den voorgaanden was de koningin geheel ongedeerd
+en krachtig, en de laatste harer gezellinnen was waarschijnlijk
+gestorven door aan hare souvereine, het symbool van een kostbaarder en
+grootscher leven dan het hare, den laatsten droppel honing aan te
+bieden, dien ze nog bewaard hield in haar honingblaas.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXb" id="XXb"></a>XX.</h3>
+
+
+<p>Toen de mensch eenmaal deze hechte aanhankelijkheid had opgemerkt, wist
+hij partij te trekken van den politieken zin, de arbeidzaamheid, de
+volharding, de grootmoedigheid, den hartstocht voor de toekomst, die er
+uit voortvloeien of in liggen opgesloten. Dank zij deze aanhankelijkheid
+is hij er sedert eenige jaren in geslaagd tot op zekere hoogte en zonder
+dat zij er iets van vermoeden, deze woeste amazones te temmen, want zij
+geven zich aan geen enkele vreemde macht gevangen en in hunne onbewuste
+afhankelijkheid, schikken zij zich toch enkel naar hunne eigene,
+dienstbaar gemaakte wetten. Hij mag gelooven, dat hij met de koningin de
+ziel en het lot van den ganschen bijenkorf in handen heeft.</p>
+
+<p>Al naar het gebruik dat hij van haar maakt, van het spel, dat hij met
+haar speelt om zoo te zeggen, hitst hij aan en vermenigvuldigt, belet
+het zwermen of beperkt het, vereenigt of verdeelt de kolonies en heeft
+de leiding over den uittocht. Doch dit neemt niet weg, dat de koningin
+in den grond der zaak niets is dan een levend zinnebeeld, hetwelk even
+als alle symbolen een minder zichtbaar en grootscher principe
+vertegenwoordigt, waarmede de ymker heeft rekening te houden, wil hij
+zich niet blootstellen aan meer dan eene teleurstelling. Trouwens de
+bijen zelf bedriegen er zich niet in, en verliezen door deze zichtbare
+en vergankelijke koningin heen, hunne eigenlijke onstoffelijke en
+onvergankelijke souvereine, hun idée fixe, niet uit het oog. Laat dit
+denkbeeld bewust zijn of onbewust, dat doet er niet toe, zoolang we niet
+meer in 't bijzonder óf de bijen willen bewonderen die het koesteren, óf
+de natuur, die het in hen heeft gelegd. Waar het zich ook moge bevinden,
+in deze kleine, teedere lichaampjes of in het groote onkenbare lichaam,
+het is al onze opmerkzaamheid waardig; en in 't voorbijgaan gezegd, we
+zouden als we onze bewondering niet altijd afhankelijk maakten van
+allerlei bijkomstige omstandigheden van plaats of oorsprong, niet zoo
+dikwijls de gelegenheid laten voorbijgaan om onze oogen wijd open te
+zetten van verbazing, en niets is heilzamer dan ze aldus te openen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIb" id="XXIb"></a>XXI.</h3>
+
+
+<p>Men zal zeggen, dat dit zeer gewaagde en veel te menschelijke gissingen
+zijn, dat de bijen waarschijnlijk in 't geheel geen ideeën van dezen
+aard hebben en dat het denkbeeld van toekomst, van liefde tot hun
+geslacht en dergelijke meer, die wij hun toeschrijven, in den grond der
+zaak alleen de vorm is, dien de noodzakelijkheid van te leven, de vrees
+voor lijden en dood en de aantrekkingskracht van 't genot voor hen
+aanneemt. Ik geef het toe, zoo men wil is dat alles slechts bij manier
+van spreken, ik hecht er dan ook niet veel gewicht aan. 't Eenige wat
+vaststaat is, hierin evenals in vele andere gevallen, dat men heeft
+geconstateerd hoe de bijen in die en die omstandigheid met hunne
+koningin zus of zoo handelen. De rest is een mysterie, waaromtrent men
+slechts meer of minder welgevallige, meer of minder vernuftige gissingen
+kan maken. Maar als we over de menschen eens juist zoo spraken als 't
+misschien verstandig is over de bijen te spreken, zouden we er dan veel
+meer van kunnen zeggen? Wij ook gehoorzamen enkel aan den drang der
+noodzakelijkheid, aan de aantrekkingskracht van het genot of den afkeer
+van het lijden, en wat wij ons verstand noemen heeft denzelfden
+oorsprong en dezelfde bedoeling, als wat wij bij de dieren instinct
+noemen. Wij volbrengen zekere daden waarvan we ons vleien de oorzaak
+beter te begrijpen dan zij; maar behalve dat deze onderstelling op
+geenerlei vasten grond berust, deze daden zijn onbeduidend en gering in
+aantal vergeleken bij de enorme massa onzer andere daden, en alle, de
+meest bekende en de meest onbekende, de kleinste en de grootste, de
+naastbijliggende en de meest verwijderde, grijpen plaats in een
+stikdonkeren nacht, waarin wij waarschijnlijk ongeveer even blind zijn
+als wij dat van de bijen veronderstellen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIIb" id="XXIIb"></a>XXII.</h3>
+
+
+<p>"Men zal het met mij eens zijn", zegt Buffon&mdash;die een grappigen wrok
+tegen de bijen koestert&mdash;"men zal het met mij eens zijn, dat deze
+diertjes als men ze afzonderlijk neemt, minder geniaal zijn dan de
+hond, de aap en de meeste dieren; men zal het met mij eens zijn, dat ze
+minder leerzaam zijn, minder aanhankelijk, minder gevoelig, in één woord
+minder eigenschappen bezitten, die met de onze te vergelijken zijn;
+indien dit zoo is, moet men toegeven, dat hun schijnbaar verstand enkel
+voortspruit uit hun samen-zijn; aan deze vereeniging echter op zichzelf
+behoeft geenerlei verstand ten grondslag te liggen, want ze komen niet
+samen uit eenig moreel oogpunt, buiten hun toedoen zien ze zich bijeen.
+Deze maatschappij is dus enkel een physiek bijeenzijn, door de natuur
+verordend, onafhankelijk van alle inzicht, alle kennis en alle
+redeneering. De moeder-bij brengt tien duizend individuen voort, alle
+tegelijk en op dezelfde plaats; deze tien duizend individuen zullen, al
+waren ze duizend maal dommer dan ik aanneem, enkel reeds om te kunnen
+blijven bestaan, genoodzaakt zijn, zich op een of andere wijze naar
+elkaar te schikken; daar ze alle werken met gelijke krachten zullen ze,
+al wilden ze ook aanvankelijk elkaar afbreuk doen, juist daarom al
+spoedig elkaar zoo min mogelijk schaden, dat wil zeggen elkaar helpen;
+dan lijkt het dus alsof ze 't met elkaar eens zijn en meewerken tot
+eenzelfde doel; de toeschouwer verleent hun al spoedig allerlei
+inzichten en al het verstand, dat hun ontbreekt; hij wil rekenschap
+geven van iedere handeling, iedere beweging krijgt weldra haar motief,
+en van daar tallooze wonderbare of monsterachtige redeneeringen. Want
+deze tien duizend individuen, die alle tegelijk zijn voortgebracht, die
+samen hebben gewoond, die alle ongeveer in denzelfden tijd hunne
+gedaanteverwisseling hebben ondergaan, moeten noodzakelijk alle
+hetzelfde doen, en als ze ook maar een greintje gevoel bezitten,
+gemeenschappelijke gewoonten aannemen, zich naar elkaar schikken, op
+goeden voet met elkaar komen te staan, hunne aandacht wijden aan hunne
+woning, daarheen terugkeeren nadat ze er zich van verwijderd hebben
+enz., en daar hebben we nu de bouwkunst, de geometrie, de orde, het
+vooruitzien, de liefde voor 't vaderland, voor de republiek, wat alles
+gebaseerd is, gelijk men ziet, op de bewondering van den toeschouwer."</p>
+
+<p>Dat is nu eens een gansch andere manier om het leven der bijen te
+verklaren. Aanvankelijk kan ze natuurlijker schijnen, doch zou dat niet
+zijn om de zeer eenvoudige reden, dat ze bijna niets verklaart? De
+zakelijke dwalingen van deze bladzijde ga ik met stilzwijgen voorbij,
+maar zou dit zich voegen naar de noodzakelijkheid en het
+gemeenschappelijk leven, elkaar zoo min mogelijk benadeelend, zou dat
+niet evenzeer een zeker verstand verraden, dat des te opmerkelijker is
+als men van meer nabij beschouwt, hoe deze "tien duizend individuen" het
+aanleggen om elkaar te helpen en niet te benadeelen? En bovendien is 't
+niet onze eigen geschiedenis, en wat zegt onze oude, booze
+natuuronderzoeker, dat niet precies evengoed op onze geheele
+menschelijke maatschappij kan worden toegepast? En wederom, zoo men dan
+wil, dat onze bijen geen enkel der ideeën of gevoelens zullen bezitten,
+die wij hun toeschrijven, wat maakt het uit waarheen men onze verbazing
+verwijst? Oordeelt men het onvoorzichtig de bijen te bewonderen, dan
+zullen we de natuur bewonderen, er komt toch altijd een punt waarop men
+ons onze bewondering niet kan ontrooven, en we zullen er niets bij
+verliezen, dat we hebben uitgesteld en afgewacht.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIIIb" id="XXIIIb"></a>XXIII.</h3>
+
+
+<p>Hoe dit ook zij en om te blijven staan bij onze gissing, die althans dit
+vóór heeft, dat ze in onzen geest zekere handelingen verbindt, die in de
+werkelijkheid klaarblijkelijk verbonden zijn, veel meer dan de koningin
+zelve beminnen ze in hunne koningin de oneindige toekomst van hun
+geslacht. De bijen zijn volstrekt niet sentimenteel en wanneer een der
+hunnen zóó ernstig gekwetst van den arbeid terugkomt, dat ze niet meer
+van dienst kan zijn, dan wordt ze meedoogenloos verstoten. Toch kan men
+niet zeggen, dat ze niet een soort van persoonlijke gehechtheid voor
+hunne moeder kunnen koesteren. Ze herkennen haar altijd uit de anderen.
+Zelfs wanneer ze oud is, verminkt en haveloos, zullen toch de
+wachteressen nimmer een onbekende koningin, hoe jong, schoon en
+vruchtbaar ze ook schijnen moge, veroorloven in den korf binnen te
+dringen. Inderdaad is dit een der fundamenteele beginselen hunner
+staatkunde en maakt men er slechts een heel enkelen keer inbreuk op, in
+de tijden der groote honing-inzameling, ten gunste van een enkele
+vreemde arbeidster, die rijk met levensmiddelen beladen is.</p>
+
+<p>Als ze volkomen onvruchtbaar geworden is, vervangen ze haar door het
+aankweeken van een zeker aantal koninklijke prinsessen. Maar wat doen ze
+met de oude vorstin? Precies weet men het niet: maar 't is bij ymkers
+wel voorgekomen, dat ze op de honigraten van een bijenkorf een prachtige
+koningin vonden in de vaag der jeugd, en binnen in, in een donker
+hoekje, de oude "minnares" zooals ze in Normandië genoemd wordt, verlamd
+en vermagerd. In dit geval schijnen ze haar tot het einde toe te moeten
+beschermen tegen den haat van haar krachtige mededingster, die slechts
+peinst op haar dood: want de koninginnen koesteren onderling een
+onoverkomelijken haat, die maakt dat zoodra er zich twee onder het
+zelfde dak bevinden, ze op elkander aanvallen. Gaarne zou men aannemen,
+dat ze op deze wijze aan het oudje een soort van nederig en vreedzaam
+toevluchtsoord bereiden, om er in een afgelegen gedeelte der stad hare
+dagen te eindigen. Doch op nieuw staan we hier voor een dier duizenden
+raadsels van het wassen koninkrijk, en op nieuw biedt zich ons de
+gelegenheid te constateeren, dat de staatkunde en de gewoonten der bijen
+volstrekt niet bekrompen en fatalistisch zijn, en dat ze veel
+ingewikkelder beweegredenen hebben dan die welke wij meenen te kennen.</p>
+
+
+
+<h3><a name="XXIVb" id="XXIVb"></a>XXIV.</h3>
+
+
+<p>Wij echter verstoren ieder oogenblik de natuurwetten, die in hunne oogen
+onwrikbaar vast moeten staan. Wij brengen hen dagelijks in denzelfden
+toestand, waarin wij ons zouden bevinden, indien iemand plotseling
+rondom ons de wetten van de zwaartekracht, de ruimte, het licht of den
+dood ophief. Wat zullen ze nu doen als men door geweld of list een
+tweede koningin binnen de stad brengt? In den natuurstaat is dit geval,
+dank zij de wachteressen van den ingang, misschien nooit voorgekomen,
+zoolang ze deze wereld bewonen. Ze raken hun hoofd niet kwijt en weten
+bij zulk een wonderbaar samentreffen zoo goed mogelijk twee principes,
+die zij als goddelijke instellingen schijnen te eerbiedigen, met elkaar
+te verbinden. Het eerste is dit, dat er slechts ééne moeder mag zijn, en
+men wijkt er nooit van af behalve in 't geval (en zeer uitsluitend in
+dat geval) dat de heerschende koningin onvruchtbaar is. Het tweede is
+nog merkwaardiger, maar al mag dit niet worden overtreden, men kan het
+ten minste ontduiken, evenals de Joodsche wet. Het is het principe, dat
+aan de persoon van iedere koningin, wie ze ook zijn moge, een soort van
+onschendbaarheid verleent. 't Zou den bijen gemakkelijk vallen, de
+indringster met hunne duizend vergiftige angels te doorboren; ze zou
+onmiddellijk omkomen en ze hadden niets te doen dan haar lijk buiten den
+korf te sleepen. Maar al hebben ze hun angel altijd gereed, al gebruiken
+ze dien ieder oogenblik in hun onderlingen strijd, om de darren en
+parasieten ter dood te brengen, <i>nooit steken ze een koningin</i>, evenmin
+als een koningin ooit een mensch, een dier of een gewone bij steekt; en
+haar koninklijk wapen, dat in plaats van recht te zijn, den gebogen vorm
+heeft van een krommen sabel, wordt enkel door haar uit de scheede
+getrokken als ze strijdt tegen haars gelijke, dat wil zeggen tegen een
+andere koningin.</p>
+
+<p>Daar nu blijkbaar geen enkele bij de afschuwelijke daad van een
+regelrechten en bloedigen koningsmoord op zich wil nemen, trachten ze in
+die omstandigheden wanneer het voor de goede orde en den voorspoed der
+republiek noodzakelijk is een koningin te doen omkomen, aan dien dood
+den schijn te geven van een natuurlijken dood; ze verdeelen de misdaad
+tot in het oneindige onder elkaar, zoodat ze anoniem wordt.</p>
+
+<p>"Ze pakken dan de vreemde koningin in" om den technischen term der
+ymkers te gebruiken, wat beduidt, dat ze haar totaal omwikkelen met
+hunne ontelbare, samengestrengelde lichamen. Aldus vormen ze een soort
+van levende gevangenis, waarin de gevangene zich niet meer kan bewegen,
+en zoo noodig houden ze dat vier en twintig uur vol, totdat ze sterft
+van honger of stikt.</p>
+
+<p>Verschijnt in zulke oogenblikken de wettige koningin en schijnt ze, een
+mededingster bespeurende, geneigd haar aan te vallen, dan openen zich de
+bewegelijke muren der gevangenis onmiddellijk voor haar. De bijen vormen
+een kring rondom de beide vijandinnen, en zonder er aan deel te nemen
+wonen ze als oplettende maar onpartijdige toeschouwsters den
+zonderlingen strijd bij; want enkel eene moeder mag haren angel richten
+tegen eene moeder, alleen zij die meer dan een millioen levens in zich
+bevat, schijnt het recht te hebben door een enkelen steek duizend dooden
+te maken.</p>
+
+<p>Maar indien het vijandelijk treffen langen tijd zonder gevolg blijft,
+indien de beide kromme angels langs de zware harnassen afglijden zonder
+iets uit te richten, dan wordt die koningin, die aanstalten maakt te
+ontvluchten, de wettige zoo goed als de vreemde, beet gepakt,
+tegengehouden en omgeven door de trillende gevangenis tot ze weer
+neiging toont den strijd te hervatten. 't Is niet meer dan billijk er
+bij te voegen, dat men bij de talrijke ervaringen te dezen opzichte
+opgedaan, bijna altijd de wettige koningin heeft zien overwinnen, 't zij
+deze doordat ze zich thuis voelt en te midden der haren, meer moed en
+kamplust bezit dan de andere, 't zij de bijen, zoo ze al onpartijdig
+zijn bij den aanvang van den strijd, het niet geheel en al zijn in de
+wijze van inkerkering der beide mededingsters; want hunne moeder schijnt
+daar weinig onder te lijden te hebben, terwijl de vreemde er zichtbaar
+gekneusd en afgemat uit te voorschijn komt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXVb" id="XXVb"></a>XXV.</h3>
+
+
+<p>Een gemakkelijke proefneming toont beter dan iets anders aan, dat de
+bijen hunne koningin herkennen en een ware gehechtheid voor haar
+koesteren. Neem de koningin weg uit een bijenkorf en weldra zult ge alle
+verschijnselen van angst en verslagenheid kunnen waarnemen, die ik in
+een vorig hoofdstuk beschreven heb. Breng na enkele uren dezelfde
+koningin terug en al hare dochters zullen haar tegemoet komen en haar
+honing aanbieden. Eenige stellen zich langs haar weg op in rijen,
+anderen vormen met het hoofd naar beneden en het onderlijf in de hoogte
+groote, onbeweeglijke, maar klankgevende half-cirkels rondom haar, aldus
+ongetwijfeld den vreugdezang over hare wederkomst zingend en door deze
+plechtigheid hun eerbied of hun overgroot geluk te kennen gevend.</p>
+
+<p>Meent echter niet hen te kunnen bedriegen door voor de wettige koningin
+een vreemde moeder in de plaats te geven. Nauwelijks heeft ze eenige
+schreden in den korf gedaan of de verontwaardigde werkbijen komen van
+alle kanten toestroomen. Onmiddellijk wordt ze gegrepen, ingewikkeld en
+vastgehouden in die vreeselijke bewegelijke gevangenis, welker muren
+door gestadige aflossing tot aan haar dood zullen blijven bestaan, want
+in dit bijzonder geval zal ze maar zelden er levend uitkomen.</p>
+
+<p>Daarom blijft een der grootste moeielijkheden van de bijenteelt het
+inbrengen en vervangen der koninginnen. 't Is merkwaardig om te zien tot
+hoeveel diplomatie en ingewikkelde listen de mensch zijn toevlucht moet
+nemen om zijn wensch door te zetten en deze kleine insecten met al hun
+doorzicht maar ook onveranderlijk goed vertrouwen, om den tuin te
+leiden, die met een aandoenlijken moed de meest onverwachte
+gebeurtenissen aanvaarden, en er klaarblijkelijk enkel een nieuwe maar
+onontkoombare gril van de natuur in zien.</p>
+
+<p>In 't kort, bij al deze diplomatie en de wanhopige wanorde, die deze
+gewaagde listen meestal met zich brengen, rekent de mensch bijna
+empirisch op den bewonderenswaardigen praktischen zin der bijen, op den
+onuitputtelijken schat hunner wonderbare wetten en gewoonten, op hun zin
+voor orde, vrede en het openbaar welzijn, op hun trouw aan de toekomst,
+op de belangeloosheid en degelijkheid van hun karakter en vooral op hun
+volhardende plichtsbetrachting, die door niets schijnt te worden
+uitgeput. Maar de nadere bijzonderheden van dit optreden behooren bij
+een verhandeling over de eigenlijke gezegde bijenteelt en zouden ons
+hier te ver voeren <a name="FNanchor_1_4" id="FNanchor_1_4"></a><a href="#Footnote_1_4" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_4" id="Footnote_1_4"></a><a href="#FNanchor_1_4"><span class="label">[1]</span></a> Gewoonlijk brengt men de koningin in een korf door haar op
+te sluiten in een kooi van ijzerdraad, die men tusschen twee raten
+ophangt. De kooi is voorzien van een deur van was en honing, die door de
+werkbijen wordt opgegeten als hun toorn voorbij is, waardoor ze de
+gevangene bevrijden, die dikwijls zonder onwil wordt ontvangen. De heer
+S. Simmins, direkteur van het groote bijenpark te Rottingdeau, heeft
+onlangs een andere, hoogst eenvoudige manier uitgevonden, welke bijna
+altijd slaagt en reeds ingang vindt bij alle ymkers, die waarlijk
+belangstellen in hun vak. De groote moeielijkheid bij het invoeren is
+gewoonlijk de houding der koningin. Ze is haar hoofd kwijt, wil vluchten
+of zich verbergen, gedraagt zich als een indringster, en wekt daardoor
+vermoedens, die al spoedig door het onderzoek der werkbijen bevestigd
+worden. De heer Simmins houdt eerst de bewuste koningin geheel
+afgezonderd en laat haar een half uur vasten. Vervolgens licht hij een
+hoekje van de binnen-bedekking van den verweesden korf op en zet de
+koningin boven op een der raten. Na haar voorafgaand isolement, dat ze
+heel akelig heeft gevonden, is ze blij weer onder bijen te zijn, en
+uitgehongerd zijnde, neemt ze gretig de spijzen aan, die men haar
+aanbiedt. Door deze kalmte om den tuin geleid, doen de werkbijen geen
+onderzoek en houden het er waarschijnlijk voor, dat hun koningin is
+teruggekomen, die ze met vreugde weer opnemen. Uit deze ervaring schijnt
+op te maken, dat zij, in strijd met de meening van Huber en alle
+waarnemers, hunne koningin niet herkennen.&mdash;Hoe dit ook zij, de beide
+evenzeer aannemelijke verklaringen toonen weer eens te meer&mdash;hoewel de
+waarheid misschien gelegen is in een derde ons nog niet bekende
+verklaring&mdash;hoe ingewikkeld en hoe duister de psychologie der bijen nog
+is. En uit deze, zoowel als uit alle andere levensvragen, is maar ééne
+conclusie te trekken, en wel deze, dat in afwachting van beter,
+nieuwsgierigheid ons moet blijven bezielen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXVIb" id="XXVIb"></a>XXVI.</h3>
+
+
+<p>Wat nu de persoonlijke gehechtheid betreft waarover we spraken, en om
+daarmede nu af te rekenen: al is de waarschijnlijkheid groot, dat ze
+bestaat, even zeker is het dat ze kort is van geheugen. Indien ge na
+verloop van eenigen tijd een verbannen koningin in haar waardigheid wilt
+herstellen, dan zal ze op zulk eene wijze worden ontvangen door hare
+verbitterde kinderen, dat ge u zult moeten haasten haar te ontrukken aan
+de doodelijke inkerkering, de straf van onbekende koninginnen. De reden
+daarvan is, dat ze tijd hebben gehad om een tiental verblijven van
+werkbijen in koninklijke cellen te veranderen, en dat de toekomst van
+het ras volstrekt geen gevaar meer loopt. Men ziet dus ook zeer dikwijls
+de onderdanen eener maagdelijke koningin, wanneer deze de gevaarlijke
+plechtigheid van de "paringsuitvlucht" volbrengt, dermate beangst haar
+te verliezen, dat allen haar vergezellen op dezen tragischen en verren
+onderzoekingstocht naar de liefde, wat ze nimmer doen indien men heeft
+zorg gedragen hun een stukje raat met eenige cellen jong broedsel te
+geven, waarin voor hen de hoop ligt opgesloten, nieuwe moeders te
+kweeken. Die gehechtheid kan zelfs omslaan in woede en haat, indien
+hunne vorstin niet al hare plichten vervult tegenover die soort
+abstracte godheid, die wij de maatschappij der toekomst zouden noemen en
+waarvoor zij veel meer schijnen te voelen dan wij. 't Is b.v.
+voorgekomen, dat ymkers om verschillende redenen, de koningin beletten
+zich bij den zwerm te voegen door haar tegen te houden met een
+traliewerk, waardoor de fijne, lichte werkbijen heenvlogen zonder het te
+bespeuren, maar waar de arme slavin der liefde, die aanmerkelijk
+zwaarder en corpulenter is dan hare dochters, niet doorheen kon. Bij het
+eerste uitvliegen kwamen de bijen, als ze bespeurden, dat ze hen niet
+gevolgd had weer naar den korf terug en beknorden, schudden en
+mishandelden op duidelijk zichtbare wijze de ongelukkige gevangene, die
+ze zonder twijfel van luiheid beschuldigden of voor zwak van geest
+hielden. Bij den tweeden uittocht, als haar onwil dus duidelijk bleek,
+nam de toorn toe en werden de mishandelingen nog erger. En eindelijk na
+den derden hielden ze haar voor onverbeterlijk trouweloos tegenover haar
+bestemming en de toekomst van het ras, veroordeelden haar bijna altijd
+en brachten haar ter dood in de koninklijke gevangenis.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXVIIb" id="XXVIIb"></a>XXVII.</h3>
+
+
+<p>Zooals men ziet, wordt alles aan deze toekomst ondergeschikt gemaakt met
+een scherpheid van blik, een eenstemmigheid, een onbuigzaamheid, eene
+vaardigheid in het verklaren der omstandigheden en het partij trekken
+daarvan, die ons verbaasd doen staan, als men rekening houdt met al het
+onverwachte, al het bovennatuurlijke, dat in den laatsten tijd door onze
+inmenging onophoudelijk in hunne woningen binnendringt. Misschien zal
+men zeggen, dat ze in het laatst aangehaalde geval al een heel slechte
+verklaring geven van de onmacht hunner koningin hen te volgen. Zouden
+wij veel meer doorzicht hebben, indien een geest van een andere orde,
+die een lichaam tot zijn dispositie had zóó kolossaal, dat zijne
+bewegingen bijna even ontastbaar zouden zijn als die van een
+natuurverschijnsel, er behagen in schepte ons dergelijke strikken te
+spannen? Hebben wij niet eenige duizenden jaren noodig gehad om een
+eenigszins aannemelijke verklaring van den bliksem te vinden? Elk
+intellekt is met langzaamheid geslagen als het komt buiten zijn altijd
+beperkte sfeer, en zich geplaatst ziet tegenover gebeurtenissen, waartoe
+het niet zelf den eersten stoot heeft gegeven. Bovendien is 't niet eens
+zeker of de bijen, indien de proef met het traliewerk algemeen werd en
+eenigen tijd aanhield, niet zouden eindigen met begrijpen en aan de
+bezwaren zouden tegemoet komen. Ze hebben reeds vele andere
+proefnemingen begrepen en er op de best mogelijke wijze partij van
+getrokken, b.v. bij die van de "bewegelijke honingraten", of van de
+"secties", waardoor men hen noodzaakt hunne provisie honing op te bergen
+in symmetrisch op elkaar gestapelde doosjes; of ook bij de buitengewone
+proef met de "kunstraten voorzien van cellen-indruk," waarbij de cellen
+enkel zijn aangegeven door een dun omtrekje van was; dadelijk zien ze
+het nut daarvan in en werken ze zorgvuldig uit, zoodat ze zonder verlies
+van materiaal of arbeid, volmaakte celletjes daaruit vormen. Ontdekken
+ze niet in al die omstandigheden, die zich niet voordoen onder den vorm
+van een of anderen strik, gespannen door een soort van boosaardigen en
+geslepen godheid, de beste en de eenige menschelijke oplossing? Om maar
+eens een dergelijke natuurlijke maar gansch abnormale omstandigheid te
+noemen: laat er een slak of een muis in den korf zijn gekomen en er ter
+dood gebracht, wat doen ze dan om zich te ontdoen van het lijk, dat
+weldra de atmosfeer zou vergiftigen? Als ze het onmogelijk kunnen
+verwijderen of stuk maken, dan sluiten ze het methodisch en hermetisch
+op in een echt graf van was en maagdenwas, dat een wonderlijken indruk
+maakt te midden der gewone monumenten der stad. Verleden jaar vond ik in
+een mijner bijenkorven drie zulke graven aaneen, onderling gescheiden op
+de wijze der cellen van een honingraat door tusschenschotten, waardoor
+zoo min mogelijk was verbruikt werd. De voorzichtige lijkbezorgsters
+hadden ze gebouwd op de overblijfselen van drie kleine huisjesslakken,
+die een kind binnen hun kolonie gebracht had. Als ze met huisjesslakken
+te doen hebben, vergenoegen ze er zich gewoonlijk mee, de opening der
+schelp met was te bedekken. Maar hier vonden ze het eenvoudiger, daar de
+schelpen min of meer gebroken of gebarsten waren, ze in hun geheel te
+begraven, en om het in- en uitgaan door de poort niet te belemmeren,
+hadden ze in deze hinderlijke massa een zeker aantal galerijen weten te
+maken, geheel van de juiste afmetingen niet voor hun lichaam maar voor
+dat der darren, die ongeveer tweemaal dikker zijn dan zij. Geeft dit
+feit, en ook het volgende, ons niet het recht te meenen, dat ze ook wel
+eenmaal zouden weten te ontcijferen, wat de reden is waarom de koningin
+hen niet kan volgen door de tralies? Ze hebben een zeer juisten blik
+voor afmetingen en voor de ruimte, die eenig lichaam noodig heeft om
+zich te bewegen. In de streken, waar de afschuwelijke doodshoofdvlinder
+tiert, de <i>Acherontia Atropos</i>, maken ze aan den ingang van hun korf
+wassen pilaartjes, waar de nachtelijke roover met zijn enorm achterlijf
+niet tusschen door kan.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXVIIIb" id="XXVIIIb"></a>XXVIII.</h3>
+
+
+<p>Maar genoeg over dit punt; indien ik alle voorbeelden moest aanhalen,
+zou ik niet uitgepraat raken. Om te resumeeren welke de rol en de
+positie zijn der koningin, kan men zeggen, dat zij het hart doch tevens
+de slavin is der stad, wier intellekt haar overal omgeeft. Zij is de
+eenige souvereine, maar ook de koninklijke dienstmaagd, de gevangen
+schatbewaarster der liefde en de verantwoordelijke afgevaardigde
+daarvan. Haar volk dient en eerbiedigt haar, doch vergeet nimmer dat het
+zich niet onderwerpt aan haar persoon, maar aan de zending, die ze
+vervult en de levens, die zij vertegenwoordigt. Het zou moeite kosten
+een menschelijke republiek te vinden, wier ontwerpen zulk een
+aanmerkelijk deel der wenschen onzer planeet verwezenlijkten, een
+democratie, waarbij de onafhankelijkheid tegelijkertijd volkomener en
+redelijker was, en de onderwerping vollediger en meer beredeneerd. Maar
+men zou er evenmin een vinden, waarin zwaardere en meer algeheele offers
+werden gebracht. Meent niet, dat ik voor deze offers evenveel
+bewondering koester als voor hun gevolgen. Zeer zeker ware het
+wenschelijk, dat deze resultaten met minder lijden, minders offers
+konden verkregen worden. Maar eenmaal dat beginsel aangenomen&mdash;en
+misschien is het noodzakelijk in de gedachte die onzen aardbol
+beheerscht&mdash;is de organisatie daarvan bewonderenswaardig. Hoeveel of hoe
+weinig waarheid er moge schuilen in de menschelijke opvatting, in den
+bijenkorf wordt het leven niet beschouwd als een rij min of meer
+aangename uren, waarvan men verstandig doet er zoo min mogelijk te
+verdonkeren of te verbitteren behalve de minuten die onvermijdelijk
+zijn om het te onderhouden: doch als een groote gemeenschappelijke
+plicht tegenover een toekomst, die al maar verder wijkt sedert den
+aanvang der wereld. Ieder doet er afstand van de grootste helft van zijn
+geluk en zijne rechten. De koningin zegt vaarwel aan 't zonlicht, de
+bloemkelken en de vrijheid, de werkbijen aan de liefde, aan vier of vijf
+levensjaren en de moederweelde. De koningin ziet hare hersenen
+gereduceerd tot niets ten behoeve van de organen der voortplanting, en
+de werkbijen zien deze zelfde organen afsterven ten bate van hun
+verstand. 't Zou onbillijk zijn te beweren, dat de wil in 't geheel geen
+aandeel heeft aan deze offers. We hebben gezien, dat elke larve eener
+werkbij, als ze gevoed en gehuisvest werd op koninklijke wijze, koningin
+zou kunnen worden; en evenzoo zou iedere koninklijke larve, als men haar
+voedsel veranderde en hare cel verkleinde, in een werkbij veranderd
+worden. Zulk eene merkwaardige keuze vindt dagelijks plaats in de gouden
+schaduw van den bijenkorf. Ze is niet de vrucht van het toeval; maar een
+wijsheid, wier diepe ernst en eerlijkheid alleen de mensch kan
+miskennen, een wijsheid, die altijd waakzaam is, doet of vernietigt die
+keuze, in verband met al wat buiten de stad zoowel als binnen hare muren
+plaats grijpt. Als er zich plotseling een ongedachte menigte bloemen
+voordoet, als de koningin oud is of minder vruchtbaar, als de bevolking
+zich ophoopt en geen ruimte genoeg heeft, dan zult ge koninklijke cellen
+zien ontstaan. Deze zelfde cellen kunnen weer vernietigd worden, indien
+de oogst mislukt of de korf wordt vergroot. Dikwijls worden ze in wezen
+gehouden zoolang de jeugdige koningin haar parings-vlucht nog niet of
+nog zonder succes heeft volbracht, om vernietigd te worden zoodra ze in
+den korf terugkeert met het onbedriegelijk teeken harer bevruchting als
+een trophee achter zich aan.</p>
+
+<p>Waar is nu deze wijsheid te vinden, die aldus heden en toekomst in de
+weegschaal legt en voor welke het nog niet zichtbare zwaarder weegt dan
+al wat men aanschouwt? Waar zetelt die anonyme voorzichtigheid, die
+verwerpt en verkiest, verheft en vernedert, die van zoovele werkbijen
+evenveel koninginnen zou kunnen maken en van zoovele moeders een volk
+van maagden vormt? Elders hebben we gezegd, dat ze te vinden is in "den
+geest van den bijenkorf"; maar waar hebben we dan dien "geest van den
+korf" te zoeken, zoo niet in de vereeniging der werkbijen? Om er zich
+van te overtuigen, dat hij daar thuis behoort, was het misschien niet
+noodig geweest zoo nauwkeurig de gewoonten der koninklijke republiek na
+te gaan. Het ware voldoende geweest, even als Dujardin, Brandt, Girard,
+Vogel en andere insectenkenners gedaan hebben, het kleine, onoogelijke
+kopje vol zorgen van de maagdelijke werkbij onder het microscoop te
+plaatsen naast den eenigszins leegen schedel der koningin en den
+prachtigen kop van een dar, waarin zesentwintig duizend oogen
+schitteren. We hadden dan kunnen zien, dat in dat kleine kopje de
+kronkelingen van de grootste en volmaakste hersenen van den ganschen
+bijenkorf opgesloten liggen. 't Zijn zelfs na die van den mensch, in een
+andere orde en met verschillende organisatie, de schoonste,
+ingewikkeldste, teederste en volmaaktste hersenen, die in de natuur
+voorkomen<a name="FNanchor_1_5" id="FNanchor_1_5"></a><a href="#Footnote_1_5" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Ook hier, zoo goed als overal elders in de ons bekende wereld, is het
+gezag, de ware kracht, de wijsheid en de zegepraal daar te vinden, waar
+de hersenen zijn. Ook hier is het een bijna onzichtbaar atoom van deze
+geheimzinnige stof, dat de materie aan zich onderwerpt en organiseert en
+dat zich een duurzame en zegevierende plaats weet te scheppen te midden
+van de enorme en inerte machten van dood en niet-zijn.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_5" id="Footnote_1_5"></a><a href="#FNanchor_1_5"><span class="label">[1]</span></a> De hersenen der bijen vormen naar de berekening van
+Dujardin het 174<sup>ste</sup> deel van het totale gewicht van 't insect; die van
+de mieren het 296<sup>ste</sup>. Daarentegen zijn de <i>peduncidi cerebri</i> (een
+bundel zenuw-vezelen), die zich schijnen te ontwikkelen naar
+evenredigheid der overwinningen van het intellekt over het instinkt, van
+minder beteekenis bij de bij dan bij de mier. Daar het een tegen het
+ander opweegt, schijnt men uit deze berekeningen te kunnen opmaken, (als
+men maar niet vergeet dat het voor een deel slechts een hypothese is, en
+als men rekening houdt met de onbekendheid der materie,) dat de
+intellektueele beteekenis der mieren en die der bijen ongeveer gelijk
+moet zijn.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIXb" id="XXIXb"></a>XXIX.</h3>
+
+
+<p>Laat ons nu terugkeeren tot onze bijen, die willen gaan zwermen en niet
+hebben gewacht op het einde onzer overpeinzingen om het teeken van
+vertrek te geven. Op het oogenblik, dat dit gegeven wordt, zou men
+kunnen meenen, dat alle poorten der stad precies te gelijk door een
+plotselingen en onverstandigen duw werden geopend, en de zwarte massa
+komt er uit of liever borrelt er uit op, al naar het aantal openingen,
+in een dubbelen, drievoudigen of viervoudigen straal, eerst recht,
+trillend, gespannen, onafgebroken, maar in de ruimte dadelijk
+uiteenvloeiend en zich uitbreidend tot een gonzend net, geweven uit
+honderd duizenden van zenuwachtig trillende, doorschijnende
+vleugeltjes. Gedurende enkele minuten zweeft dat net aldus boven den
+bijenkorf onder een wonderbaar geruisch, alsof het doorschijnende zijde
+ware, door duizenden en duizenden geëlectriseerde vingeren onophoudelijk
+gescheurd en weer aaneengehecht. Het golft op en neer, aarzelt nog en
+trilt als een feest-sluier door onzichtbare handen ten hemel geheven,
+waar 't is alsof ze hem samenvouwen en weer ontplooien van af de bloemen
+tot aan het azuur, in afwachting van de aankomst of 't vertrek van een
+verheven persoonlijkheid. Eindelijk slaat één der kanten neer, een
+andere wordt opgeheven, de vier zonnige hoeken van den blinkenden mantel
+worden bijeengevoegd, en gelijk één dier met verstand bedeelde
+tafellakens<a name="FNanchor_1_6" id="FNanchor_1_6"></a><a href="#Footnote_1_6" class="fnanchor">[1]</a>, die in de feeënsprookjes door de lucht vliegen om een of
+anderen wensch te vervullen, richt hij zich, ten einde op nieuw de
+gewijde vertegenwoordigster van de toekomst te omgeven, in zijn geheel
+en reeds weer saamgevouwen naar de linde, den pereboom of den wilg,
+waarop de koningin zich zoo juist heeft neergelaten, als een gouden
+spijker, waaraan hij één voor één zijn muzikale golvingen bevestigt en
+waar hij zijn paarlkleurige stof, verlicht door die tallooze
+vleugeltjes, om heen rolt.</p>
+
+<p>Eindelijk treed weder stilte in; al dat rumoer en die vreeselijke
+sluier, die scheen gemaakt van louter bedreigingen, louter woede, die
+oorverdoovende gouden hagel, die, maar steeds daar boven blijvende
+hangen, onophoudelijk weerklonk over alle voorwerpen in de rondte, dat
+alles wordt een oogenblik later omgezet in een grooten tros,
+onschadelijk en vreedzaam hangend aan een boomtak en gevormd door
+duizenden levende maar onbewegelijke besjes, die geduldig de terugkomst
+afwachten van de verkenners, welke er op uit zijn om een toevluchtsoord
+te zoeken.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_6" id="Footnote_1_6"></a><a href="#FNanchor_1_6"><span class="label">[1]</span></a> Waarschijnlijk een toespeling op het "Tafeltje dek u."
+VERT.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXXb" id="XXXb"></a>XXX.</h3>
+
+
+<p>Dit is de eerste pleisterplaats van den zwerm, die de "primaire zwerm"
+wordt genoemd, aan welks spits zich nog altijd de oude koningin bevindt.
+Gewoonlijk zet hij zich neer op een boom of struik in de onmiddellijke
+nabijheid van den korf, want de koningin, die zich bezwaard voelt door
+hare eieren en het daglicht niet weer heeft aanschouwd sedert hare
+paring of sedert het zwermen van het vorig jaar, durft zich nog niet in
+de ruimte te wagen en schijnt het gebruik harer vleugels verloren te
+hebben.</p>
+
+<p>De ymker wacht tot de massa een dichte klomp is geworden, en dan gaat
+hij, met een grooten stroohoed op (want de kalmste bij trekt zonder feil
+haren angel, wanneer ze in de haren verward raakt, waar ze meent in een
+val gevangen te zijn) maar zonder masker en zonder sluier als hij eenige
+ervaring heeft, en nadat hij zijne bloote armen tot aan den elleboog in
+koud water heeft gedompeld, aan het overbrengen van den zwerm, door den
+tak, die dezen draagt, flink te schudden boven een omgekeerden korf.
+Zwaar valt de tros er in neer, als een rijpe vrucht. Of wel als de tak
+te sterk is, schept hij met een lepel wat van den hoop af en verspreidt
+die lepels vol levend goedje waar hij wil, precies alsof het koren was.
+Hij heeft niets te vreezen van de bijen, die om hem heen gonzen en in
+menigte zijn handen en gezicht bedekken. Hij luistert naar hun
+vreugdezang, die in 't geheel niet lijkt op het lied van hunnen toorn.
+Hij behoeft niet te duchten, dat de zwerm zich zal verdeelen, boos
+worden of ontvluchten. Ik zeide het reeds, op dien dag zijn de
+geheimzinnige arbeidsters bezield met een geest van feestelijkheid en
+goed vertrouwen, die door niets wordt verstoord. Ze hebben zich
+losgemaakt van de goederen, die zij te verdedigen hadden en kennen hun
+vijanden niet meer. Ze zijn onschadelijk krachtens dat gevoel van geluk,
+en ze zijn gelukkig zonder dat we weten waarom: ze vervullen de wet.
+Alle wezens kennen zulke oogenblikken van blind geluk, die de natuur
+voor hen heeft weggelegd, als ze haar doel wil bereiken. Laten we er
+niet verbaasd over zijn, dat de bijen er zich door laten beet nemen; wij
+zelven, die haar nu reeds zoo vele eeuwen waarnemen met behulp van
+hersenen, welke veel volmaakter zijn dan de hunne, wij zijn er ook nog
+dupe van en weten nog altijd niet of ze welwillend, onverschillig of
+laaghartig wreed is.</p>
+
+<p>De zwerm blijft waar de koningin is neergevallen, en al was ze alleen in
+den korf gevallen, dan zouden toch alle bijen, zoodra ze hare
+aanwezigheid opmerkten, zich in lange zwarte rijen naar de moederlijke
+verblijfplaats begeven; terwijl de meesten daar haast mee maken, blijven
+er een massa andere een oogenblik voor den ingang der onbekende poorten
+staan en vormen daar in statige vreugde een kring, zooals zij gewoon
+zijn bij alle blijde gebeurtenissen te doen. Zij "slaan den roffel"
+zeggen de boeren. Onmiddellijk wordt het niet verwachte toevluchtsoord
+aanvaard en in zijn minste schuilhoeken doorzocht; zijn plaats in den
+bijenstand, zijn vorm en kleur worden verkend en in duizenden
+voorzichtige en trouwe geheugentjes weggelegd. De kenmerkende punten van
+de omgeving worden met zorg opgenomen, de nieuwe stad is gesticht en
+hare plaats opgeteekend in den geest en het hart van al hare bewoners;
+men hoort binnen hare muren den liefde-zang van de koninklijke presentie
+weerklinken en de arbeid begint.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXXIb" id="XXXIb"></a>XXXI.</h3>
+
+
+<p>Indien de mensch hem niet opvangt, eindigt de geschiedenis van den zwerm
+hier niet. Hij blijft aan den boom hangen tot aan de terugkomst der
+werkbijen, die dienst doen als gevleugelde verkenners of
+kwartiermeesters en die zich dadelijk bij het begin van het zwermen in
+alle richtingen hebben verspreid om een woonplaats op te zoeken. Een
+voor een komen ze terug en geven verslag van hunne zending, en daar het
+ons onmogelijk is de gedachten der bijen te doorgronden, moeten we het
+schouwspel, dat we bijwonen, wel op menschelijke wijze verklaren.
+Waarschijnlijk dan luistert men aandachtig naar hun verslag.
+Klaarblijkelijk hemelt de een een hollen boom op, een ander roemt de
+voortreffelijkheid van een spleet in een ouden muur, een holte in een
+grot of een verlaten kuil. 't Komt dikwijls voor, dat de vergadering tot
+den volgenden morgen overweegt en besluiteloos blijft. Eindelijk echter
+is de keuze gedaan en de overeenkomst gesloten. Op een gegeven
+oogenblik raakt de heele tros in beweging, wriemelt dooreen, maakt zich
+los van elkaar, verstrooit zich en de trillende wolk richt zich met een
+onstuimige en ongestoorde vlucht, die ditmaal geen hinderpalen meer
+kent, over heggen, korenvelden, vlasakkers, hooimijten, vijvers, dorpen
+en rivieren heen, in rechte lijn naar een vast en altijd ver verwijderd
+doel. Zelden kan de mensch hen bij dezen tweeden uittocht volgen. Ze
+keeren terug tot de natuur en wij raken het spoor van hunne verdere
+lotgevallen bijster.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="DERDE_BOEK" id="DERDE_BOEK"></a>DERDE BOEK.</h3>
+
+<h3><a name="DE_STICHTING_DER_STAD" id="DE_STICHTING_DER_STAD"></a>DE STICHTING DER STAD.</h3>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ic" id="Ic"></a>I.</h3>
+
+
+<p>Laat ons liever eens zien wat de zwerm, dien de ymker in den korf heeft
+opgevangen, daarin uitvoert. En laten we dan allereerst een gedachte
+wijden aan het offer, dat er gebracht is door de vijftig duizend
+maagden, die naar het woord van Ronsard "een teeder hart in een klein
+lichaam omdragen", en nogmaals den moed bewonderen, die er toe vereischt
+wordt om een nieuw leven te beginnen in de woestijn, waarin ze zijn
+neergevallen. Ze vergeten dus de weelderige, prachtige stad, waarin ze
+geboren zijn, waar het leven zoo veilig voor hen was en zoo prachtig
+geregeld, waar het sap van alle bloemen, die een herinnering bewaren van
+de zon, hen kon doen lachen om de dreigementen des winters. Ze hebben er
+duizenden en duizenden kleintjes slapend in hun wieg achtergelaten, die
+ze niet zullen weerzien. Behalve den enormen voorraad aan was, voorwas
+en stuifmeel, die door hen was bijeengebracht, hebben ze meer dan
+honderdtwintig pond honing in den steek gelaten, dat wil zeggen twaalf
+maal het gewicht van het gansche volkje, bijna zes honderd duizend maal
+het gewicht van iedere bij, wat voor den mensch zou gelijkstaan met twee
+en veertig duizend vaten levensmiddelen, een gansche vloot van groote
+vaartuigen beladen met kostbaarder en volmaakter spijzen dan alle, die
+wij kennen; want de honing is voor de bijen een soort van vloeibaar
+leven, een soort van chyl, die onmiddellijk en bijna zonder verlies
+wordt geassimileerd.</p>
+
+<p>Hier in de nieuwe woning vinden ze niets, geen druppel honig, geen
+enkele wastafel, geen kenmerkend teeken, geen steunpunt. Een
+troostelooze naaktheid als van een geweldig gebouw met niets dan een dak
+en muren. De ronde, gladde wanden houden niets dan schaduw in zich
+besloten en daarboven welft zich de monsterachtige koepel over het
+ledig. Doch de bij kent geen ijdel geklaag, in ieder geval blijft ze er
+niet bij stilstaan. Haar ijver, wel verre van te worden uitgedoofd door
+een beproeving, die ieder ander wezen den moed zou doen verliezen, is
+grooter dan ooit. Nauwelijks is de korf opgericht en op zijn plaats
+gezet, nauwelijks begint de wanorde door dien geweldigen val veroorzaakt
+eenigszins te bekomen, of men ziet in de verwarde menigte een duidelijk
+afgescheiden en geheel onverwachte indeeling tot stand komen, Het
+grootste deel der bijen begint als een leger, dat aan een duidelijk
+geformuleerd bevel gehoorzaamt, in dichte rijen langs de vertikale
+wanden te klimmen. Tot aan den koepel genaderd klampen de eerst
+aangekomenen zich met de nagels hunner voorpooten daaraan vast; zij, die
+daarna komen, haken zich vast aam de eersten en zoo voort, totdat er
+lange ketenen gevormd zijn, die als brug dienen voor de aldoor maar
+opstijgende menigte.</p>
+
+<p>Langzamerhand als deze ketens tot in het oneindige zijn vermeerderd,
+versterkt en in elkaar vastgemaakt, worden ze tot guirlandes, die op
+hunne beurt onder het onafgebroken opklimmen van ontelbare bijen in een
+dik en driehoekig gordijn veranderen, of veeleer in een soort van
+stevigen, omgekeerden kegel, waarvan de punt aan den top van den koepel
+is vastgehecht en welks basis al breeder wordend afdaalt tot op de helft
+of twee derde van de totale hoogte van den korf. En dan, als de laatste
+bij die zich door een inwendige stem geroepen voelt deel uit te maken
+van dezen greep, het gordijn heeft bereikt, dat daar hangt in de
+duisternis, komt er een einde aan het opklimmen; langzamerhand komt alle
+beweging in den koepel tot rust, en de zonderlinge omgekeerde kegel
+wacht uren lang, onder een stilte, die men voor gewijd zou kunnen houden
+en in een onbewegelijkheid, die ons vrees zou kunnen aanjagen, op het
+wonder van de was.</p>
+
+<p>De rest der bijen, dat wil zeggen alle die onder in den korf zijn
+gebleven, zijn, zonder zich te bekommeren om de vorming van het
+wonderbaar gordijn, tusschen welks plooien een heerlijke gave zal
+neerdalen, onderwijl bezig met onderzoeken van het gebouw, en slaan de
+hand aan allen noodzakelijken arbeid.</p>
+
+<p>De grond wordt zorgvuldig geveegd en alle vergane bladeren, alle takjes,
+alle zandkorreltjes worden één voor één verwijderd; want de
+zindelijkheid der bijen grenst aan eene manie, en als in het hartje van
+den winter de strenge kou hen belet te volbrengen wat onder bijenkenners
+hun "zindelijkheids-vlucht" genoemd wordt, dan sterven ze in massa als
+slachtoffers van hevige ingewandsziekten, liever dan den korf te
+bevuilen. Alleen de darren zijn onverbeterlijk onverschillig, en
+bedekken schaamteloos de raten die zij bezoeken met vuil, zoodat de
+werkbijen verplicht zijn onophoudelijk achter hen aan schoon te maken.</p>
+
+<p>Na den schoonmaak beginnen de bijen van dezelfde profane groep, die zich
+niet bemoeit met den kegel, welke daar in een soort van extase hangt,
+zorgvuldig den binnensten omtrek der gemeenschappelijke woning te
+dichten. Dan moeten alle spleten de revue passeeren en worden gevuld en
+bestreken met voorwas, en dan begint het vernissen der wanden van boven
+tot beneden. Er wordt een wacht geplaatst bij den ingang, en weldra gaan
+een zeker aantal werkbijen naar de velden, om beladen met honingsap en
+stuifmeel terug te keeren.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIc" id="IIc"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Vóór we de plooien opheffen van het geheimzinnig gordijn in welks
+beschutting de fondamenten worden gelegd van de eigenlijke woning,
+willen we trachten er ons rekenschap van te geven, hoeveel verstand ons
+volk van uitgewekenen zal moeten ontplooien, welk een juistheid van
+blik, wat al berekeningen en hoeveel nijverheid er van hen worden
+vereischt, om zich dit oord toe te eigenen, om in het ledig de plannen
+te schetsen van de stad, er logisch de plaats in aan te geven van de
+gebouwen, die zoo zuinig mogelijk en zoo snel mogelijk moeten gebouwd
+worden, want de koningin heeft haast met het eieren leggen, en
+verspreidt ze reeds over den grond.</p>
+
+<p>Bovendien moeten ze in dezen doolhof van gebouwen, die nog slechts in de
+verbeelding bestaan en wier vorm noodwendig ongewoon is, letten op de
+wetten van luchtverversching, duurzaamheid en stevigheid; verder moeten
+ze het weerstandsvermogen der was zoowel als de natuur der
+levensmiddelen, die moeten worden opgedaan, de gemakkelijke
+toegankelijkheid, de gewoonten der souvereine, de verdeeling der
+entrepots, huizen, straten en stegen (die in zekeren zin reeds
+vaststaat, omdat ze organisch de beste is,) en nog verscheidene andere
+problemen, te veel om op te noemen, in aanmerking nemen.</p>
+
+<p>De vorm der korven, die de mensch den bijen aanbiedt, is uiterst
+verschillend, van af den hollen boom of den langwerpig steenen pot, die
+nog in Afrika en Azië in gebruik is, tot den klassieken strooien korf,
+dien men tusschen een groep zonnebloemen, phloxen en malven, onder de
+vensters of in den moestuin van de meeste onzer boerderijen ziet staan,
+en verder tot aan de formeele machines van het tegenwoordig
+mobielstelsel, waarin somtijds meer dan honderdvijftig kilogrammen
+honing zijn opgehoopt in drie of vier verdiepingen van boven elkander
+geplaatste honingtafels, omgeven door een kastje of trommel, waardoor
+men ze er uit kan nemen, ze hanteeren, den oogst er uit verwijderen door
+de middelpuntvliedende kracht met behulp van een raderwerk, en ze weer
+op hun plaats zetten, precies als een boek in een goed geordende
+bibliotheek.</p>
+
+<p>Een gril des menschen of de nijverheid brengt op zekeren dag den
+volgzamen zwerm in de eene of andere soort dezer verbijsterende
+woningen. Aan de kleine bij dan de taak zich daar op haar plaats te
+vinden, zich te oriënteeren, plannen te wijzigen die de macht der dingen
+om zoo te zeggen onveranderlijk maakte, in deze ongewone ruimte de
+plaatsing vast te stellen van de wintermagazijnen, die moeten blijven
+binnen het bereik van de warmte-zone welke door het half verdoofde
+volkje wordt ontwikkeld; aan haar de taak te overzien op welk punt de
+raten van het broedsel moeten komen, wier plaatsing op straffe van
+onheil bijna onveranderlijk dezelfde moet zijn, noch te hoog, noch te
+laag, noch te dicht bij, noch te ver van de deur. Ze komt b.v. uit den
+stam van een omgevallen boom, die enkel één lange, horizontale, nauwe en
+ineengedrongen galerij uitmaakte, en hier bevindt ze zich in een gebouw
+zoo hoog als een toren en welks dak zich in de duisternis verliest. Of
+wel om nog beter door te dringen tot hare 't meest voorkomende
+verbazing, sedert eeuwen was ze gewend onder den strooien koepel onzer
+dorps-korven te wonen, en daar brengt men haar nu in een soort van
+groote kast of kist, drie a vier maal grooter dan haar geboorte-huis en
+te midden van een warboel van raampjes boven elkaar opgehangen nu eens
+parallel, dan weer loodrecht op den ingang, en die een heele stellage
+vormen, waardoor geen der wanden harer woning meer te herkennen is.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIc" id="IIIc"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Maar dat doet er alles niets toe, er is nog geen voorbeeld van, dat ooit
+een zwerm geweigerd heeft zich aan 't werk te zetten, of zich heeft
+laten ontmoedigen en uit het veld slaan door de buitengewone
+omstandigheden, mits de woning, die men haar aanbood, maar niet was
+doortrokken van leelijke luchtjes of werkelijk onbewoonbaar was. En
+zelfs in dat geval is er nog geen sprake van moedeloosheid,
+verslagenheid of plicht-verzaking. Dan verlaten ze eenvoudig het
+ongastvrij verblijf om iets verder hun fortuin te beproeven. En men kan
+evenmin zeggen, dat men er ooit in geslaagd is hen een of ander
+kinderachtige of onlogische bezigheid te doen verrichten. Men heeft nog
+nooit geconstateerd, dat de bijen het hoofd verloren, of dat ze, als ze
+niet wisten welke partij te kiezen, zoo maar op goed geluk woest en
+onregelmatig gingen bouwen. Breng ze in een bol, een kubus, een
+pyramide, een ovalen of veelhoekigen korf, een cylinder of een spiraal,
+bezoek hen, indien ze de woning hebben betrokken eenige dagen later, en
+ge zult zien dat deze zonderlinge massa van kleine onafhankelijke
+intelligenties ommiddellijk tot overeenstemming is weten te komen en
+zonder aarzeling, volgens een methode, welker principes onwankelbaar
+vast schijnen te staan, maar welker gevolgen leven bezitten, de
+gunstigste en dikwijls eenig bruikbare plaats van de zonderlinge
+woonplaats wisten te kiezen.</p>
+
+<p>Heeft men ze in een dier groote boog-korven geplaatst waarvan we zooeven
+spraken, dan houden ze alleen rekening met die boogjes in zoover deze
+hun een uitgangspunt of gemakkelijke steunpunten voor hunne raten
+verschaffen, en 't is zeer natuurlijk, dat ze zich om de wenschen en
+bedoelingen des menschen niet bekommeren. Maar als de bijenhouder er
+voor gezorgd heeft bij enkele het bovenste plankje te voorzien van een
+klein randje was, dan begrijpen ze onmiddellijk welke voordeelen hun
+worden aangeboden door dit bij wijze van lokaas aangebracht werk; ze
+zullen dat randje voorzichtig wat uittrekken en door hun eigen was er
+aan vast te soldeeren, de raat methodisch volgens het aangegeven plan
+voortbouwen. Zoo zullen ze ook&mdash;en dat geval is niet zeldzaam in onze
+tegenwoordige bijenteelt&mdash;indien alle boogjes van den korf waarin men
+den zwerm heeft opgevangen van boven tot beneden zijn voorzien van
+kunstraat, hun tijd niet verliezen met daarnaast of daar doorheen te
+bouwen en onnoodigen honing te produceeren, maar nu ze het werk reeds
+halfweg gereed vinden, stellen ze zich er mee tevreden ieder der cellen,
+die in de kunstraat is aangegeven, dieper en langer te maken, indien 't
+noodig is de plaatsen verbeterend waar de wastafel van de streng
+vertikale lijn afwijkt; zoodoende komen ze in minder dan een week in 't
+bezit van een even weelderige en even goed gebouwde stad, als die zij
+hebben verlaten, terwijl ze indien ze aan zichzelf waren overgelaten
+twee of drie maanden hadden noodig gehad om dezelfde massa magazijnen en
+huizen van witte was te bouwen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IVc" id="IVc"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>Het heeft er wel den schijn van alsof dit vermogen van zich aan te
+passen de grenzen van het instinkt verre te buiten gaat.</p>
+
+<p>Overigens is niets zoo willekeurig als deze onderscheiding tusschen het
+instinkt en het eigenlijk gezegd verstand. Sir John Lubbock, die zulke
+persoonlijke en zoo merkwaardige waarnemingen heeft gedaan met de
+mieren, wespen en bijen, is zeer geneigd, misschien door een onbewuste
+en eenigszins onrechtvaardige voorliefde voor de mieren, die hij meer
+speciaal heeft waargenomen,&mdash;want ieder waarnemer wil, dat het insekt
+hetwelk hij bestudeert verstandiger of merkwaardiger is dan de overige,
+en 't is goed op zijne hoede te zijn tegen dit kleine zwak van onze
+eigenliefde,&mdash;sir John Lubbock, zeg ik, is zeer geneigd aan de bij alle
+onderscheidingsvermogen en alle overleg te ontzeggen, zoodra ze komt
+buiten de routine van haar gewone werk. Als bewijs geeft hij een proef,
+die ieder gemakkelijk kan nadoen. Breng in een karaf een half dozijn
+vliegen en een half dozijn bijen en keer dan de karaf, als ze
+horizontaal ligt, met den onderkant naar het raam van de kamer. De bijen
+zullen uren lang, tot ze van vermoeienis en uitputting sterven,
+voortgaan met een uitgang te zoeken door den bodem van het glas, terwijl
+de vliegen binnen de twee minuten alle aan den tegenovergestelden kant
+door den hals er uit zijn gekomen. Daaruit besluit sir John Lubbock, dat
+het verstand der bij uiterst beperkt is en dat de vlieg veel meer
+handigheid heeft om zich uit een moeielijkheid te redden en haar weg
+terug te vinden. Deze gevolgtrekking komt me echter niet geheel
+onberispelijk voor. Keer twintigmaal zoo ge wilt beurtelings den bodem
+en den hals van den doorschijnenden bol naar het licht en twintigmalen
+achtereen zullen de bijen zich tegelijk daarmee omkeeren naar het licht
+toe. Wat bij de proef van den Engelschen geleerde hun ongeluk is, dat is
+hun liefde voor het licht, en dat is hun verstand tevens.
+Klaarblijkelijk verbeelden ze zich, dat in iedere gevangenis de
+bevrijding moet komen van den kant waar het 't lichtst is, ze handelen
+in overeenstemming daarmee en volharden in het al te logisch handelen.
+Ze hebben nog nooit kennis genomen van dat bovennatuurlijk mysterie, dat
+het glas voor hen is, van deze plotseling ondoordringbaar geworden
+atmosfeer, die in de natuur niet voorkomt; en deze hinderpaal en dit
+mysterie moeten hun des te ongeoorloofder en des te onbegrijpelijker
+voorkomen, hoe verstandiger ze zijn. De domme vliegen daarentegen, die
+zich niet om logica, om den drang naar het licht en het raadsel van het
+kristal bekommeren, wentelen op goed geluk in den bol rond en, hier
+genietende van het gunstig gesternte der onnoozelen, die somtijds een
+uitweg vinden waar de wijzeren ondergaan, komen ze ten slotte
+noodzakelijk bij den goeden hals terecht, die hen bevrijdt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Vc" id="Vc"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Dezelfde natuuronderzoeker geeft een ander bewijs van hun gebrek aan
+verstand en vindt dat in de volgende bladzijde van den grooten
+Amerikaanschen bijenkenner, den eerwaardigen en vaderlijken Langstroth.
+"Daar de vlieg", zegt Langstroth, "niet bestemd is te leven van bloemen
+maar van stoffen, waarin ze gemakkelijk zou kunnen verdrinken, gaat ze
+omzichtig op den rand van de voorwerpen zitten, die een vloeibaar
+voedsel bevatten en zoo put ze voorzichtig daaruit; terwijl de arme bij
+er zich hals over kop inwerpt en er weldra in sterft. Het rampzalig lot
+hunner zusteren houdt de anderen ook geen oogenblik terug, wanneer zij
+op hunne beurt in de nabijheid van het lokaas komen, want ze gaan als
+onzinnigen op de lijken en de stervenden zitten, om hun treurig lot te
+deelen. Niemand kan zich een voorstelling maken van den omvang hunner
+dwaasheid, die niet den winkel van een banketbakker heeft belegerd
+gezien door myriaden hongerige bijen. Ik heb er duizenden uit de stropen
+zien halen, waarin ze waren verdronken, duizenden op de kokende suiker
+zien vliegen, terwijl de grond was bedekt en de ramen verduisterd door
+bijen, sommigen zich voortsleepend, andere vliegend, en nog andere zoo
+totaal vastgekleefd, dat ze konden kruipen noch vliegen; er was er niet
+één op de tien in staat de moeielijk verworven buit huiswaarts te
+dragen, en toch was de lucht vol van nieuwe legioenen aankomenden, die
+even onverstandig waren."</p>
+
+<p>Dat is geen deugdelijker bewijs dan voor een bovenmenschelijken
+waarnemer, die de grenzen van ons verstand zou willen bepalen, het
+gezicht zou zijn van de verwoestingen door den alcohol of op een
+slagveld aangericht. Misschien nog in mindere mate. De positie van de
+bij is, wanneer men die met de onze vergelijkt, zeer vreemd in deze
+wereld. Ze is daarin geplaatst om er te leven in de onbewuste en
+onverschillige natuur, en niet naast een heel buitengewoon wezen, dat om
+haar heen de meest vaste wetten onderst boven gooit en grootsche,
+onbegrijpelijke natuurverschijnselen schept. In de gewone orde van
+zaken, in het eentonig bestaan van het geboorte-woud, zou de
+verdwaasdheid door Langstroth beschreven enkel mogelijk zijn indien
+eenig toeval een korf vol honing deed breken. Maar dan zouden daar noch
+doodelijke vensters, noch kokende suiker, noch al te dikke stropen zijn,
+en bij gevolg weinig dooden en geen andere gevaren dan die welke ieder
+dier loopt bij het vervolgen van zijne prooi.</p>
+
+<p>Zouden wij beter dan zij onze koelbloedigheid bewaren, indien een
+onverwachts opduikende macht bij iedere schrede onze rede in verzoeking
+bracht? 't Is dus zeer moeielijk voor ons een oordeel te vellen over de
+bijen, die wij zelven dol maken en wier verstand er niet op is ingericht
+onze lagen te doorzien; zoo min als het onze er op is ingericht die van
+een hooger maar niettemin bestaanbaar wezen te verijdelen. Daar we hier
+niets kennen, dat over ons heerschappij voert, trekken we daaruit het
+besluit, dat wij op onze aarde het hoogtepunt van het leven innemen;
+maar alles in alles gerekend, is dat niet onbetwistbaar. Ik eisch van
+niemand te gelooven, dat wij, wanneer we buitensporige of slechte dingen
+doen, in de strikken vallen van een hooger wezen, maar onwaarschijnlijk
+is het niet, dat dit eenmaal zal blijken zoo te zijn. Van een anderen
+kant kan men niet redelijkerwijze beweren, dat de bijen ontbloot zijn
+van verstand, omdat ze er nog niet in zijn geslaagd ons te onderscheiden
+van een grooten aap of een beer, en ons behandelen zooals ze deze
+trouwhartige gasten van het oer-woud zouden behandelen. Zeker is het,
+dat er in ons en om ons heen invloeden en machten zijn, die onderling
+evenzeer verschillen, en die wij evenmin van elkaar kunnen
+onderscheiden.</p>
+
+<p>En ten slotte, om te eindigen met deze apologie, waarmee ik eenigszins
+in het zwak verval, waarvan ik sir John Lubbock een verwijt maakte, moet
+men niet verstandig zijn, om in staat te zijn tot zóó groote dwaasheid?
+Zoo gaat het altijd in het nog zoo onzekere domein van het verstand, dat
+de meest wankele en de meest wisselvallige toestand is van de materie.
+Onder hetzelfde licht als het verstand valt de hartstocht, waarvan men
+niet met zekerheid zou kunnen zeggen of het de walm of de pit is van de
+vlam. En hier is de hartstocht der bijen edel genoeg om het flikkeren
+van het verstand te verontschuldigen. Wat hen tot deze onvoorzichtigheid
+drijft, is niet de dierlijke begeerte zich vol te proppen met honing.
+Dat konden ze naar hartelust doen in de voorraadschuren hunner eigen
+woning.</p>
+
+<p>Neem hen maar eens waar en volg hen in geheel overeenkomstige
+omstandigheden; zoodra ze hun honingmaag vol hebben zult ge ze naar den
+korf zien terugkeeren, hun buit daar afzetten, en wel dertig maal in een
+uur den wonderbaren oogst zien verlaten en weer opzoeken. 't Is hier dus
+dezelfde begeerte, die zooveel bewonderenswaardigs tot stand brengt: het
+verlangen zooveel als ze maar kunnen van die goede gaven mee te brengen
+naar het huis hunner zusters en der toekomst. Wanneer de dwaasheden der
+menschen zooveel belangeloosheid tot grond hebben, geven we daaraan
+dikwijls een gansch anderen naam.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIc" id="VIc"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>Niettemin moeten wij de geheele waarheid zeggen. Naast alle wonderen van
+hunne nijverheid, staatkunde en zelfvergetelheid, zal één ding ons
+altijd verbazen en onze bewondering in toom houden: namelijk hunne
+onverschilligheid voor den dood en het lijden hunner gezellinnen.</p>
+
+<p>In het karakter der bij ligt een zonderlinge tegenstrijdigheid. In den
+korf hebben allen elkaar lief en verleenen elkander hulp. Dan zijn ze
+één als de goede gedachten eener zelfde ziel. Kwetst ge er ééne,
+duizenden zullen zich opofferen om die beleediging te wreken. Buiten den
+korf echter kennen ze elkaar niet. Vermink, verpletter&mdash;of liever doe
+het vooral niet, 't zou noodelooze wreedheid zijn, want het feit staat
+vast,&mdash;maar enfin laten we eens aannemen, dat ge op een raat, die een
+paar schreden van hunne woning verwijderd is, tien, twintig of dertig
+bijen verplettert, die uit denzelfden korf zijn gekomen; en de anderen,
+die ge niet hebt aangeraakt, kijken er niet naar om en gaan kalm voort
+door middel van hun tong, even fantastisch gevormd als een Chineesch
+wapen, de vloeistof te putten, die hun meer waard is dan het leven,
+onbekommerd om dien doodstrijd, aan welks laatste stuiptrekkingen ze
+rakelings voorbijgaan, en om de wanhoopskreten, die rondom hen worden
+geuit. En als de raat leeg is zullen ze kalm, om vooral niets verloren
+te laten gaan en ook nog den honing te verzamelen, die aan de
+slachtoffers kleeft, op de dooden en gewonden gaan zitten, zonder
+geroerd te worden door de tegenwoordigheid der eersten, of er over te
+denken, de laatsten te helpen. In dit geval hebben ze dus noch eenige
+notie van het gevaar dat ze loopen, de dood toch die rondom hen woedt
+verontrust hen niet, noch ook maar het geringste gevoel van solidariteit
+of medelijden. Wat het gevaar betreft is dit zeer verklaarbaar, de bij
+kent geen vrees en niets ter wereld jaagt haar vrees aan, behalve rook.
+Als ze den korf verlaat ademt ze met de lucht tevens lankmoedigheid en
+toegevendheid in. Ze gaat wie haar hindert uit den weg en neemt den
+schijn aan zelfs het bestaan te ignoreeren van allen, die haar niet te
+na komen. 't Is alsof ze zich bewust is in een heelal te verkeeren, dat
+allen toebehoort, waar ieder recht heeft op zijne plaats, waar men
+bescheiden en vreedzaam behoort te zijn. Maar onder deze toegevendheid
+verbergt zich een moed, die zoo zeker is van zichzelf, dat hij er niet
+aan denkt zich naar buiten te openbaren. Ze maakt een omweg als iemand
+haar bedreigt, maar neemt nooit de vlucht. In den korf echter bepaalt ze
+zich niet tot dat lijdelijk ignoreeren van het gevaar. Met ongehoorde
+woestheid werpt ze zich op elk levend wezen: mier, leeuw of mensch, die
+de heilige ark durft aan te tasten. Dat kunnen we al naar de gesteldheid
+onzes geestes, drift, domme woede of heldenmoed noemen.</p>
+
+<p>Maar over dat gebrek aan solidariteit buiten den korf en zelfs aan
+sympathie in den korf valt er niets te zeggen. Moet men gelooven, dat er
+zulke onvermoede grenzen bestaan voor ieder soort van verstand en dat
+het vlammetje, dat met groote moeite uit een schedel opstijgt, door de
+moeizame verbranding van zooveel levenlooze materie heen, altijd zóó
+iets onzekers is, dat het alleen ten koste van veel andere dingen één
+enkel ding eenigszins beter kan verlichten? Men mag aannemen, dat de
+bij, of de natuur in de bij, op volmaakter wijze dan ergens elders, den
+gemeenschappelijken arbeid, de vereering en liefde voor de toekomst
+heeft georganiseerd. Is dit de reden waarom ze al het overige uit het
+oog verliezen? Zij hebben lief vóór zich uit, en wij vooral om ons heen.
+Misschien is 't voldoende hier lief te hebben, om geen liefde meer over
+te houden voor ginds. Niets is wisselender dan de voorwerpen, waarop
+onze liefde of ons medelijden zich richt. Wij zelven zouden in vroeger
+tijd ons minder gekwetst hebben gevoeld dan tegenwoordig door deze
+onverschilligheid der bijen, en velen uit den ouden tijd zouden er niet
+over gedacht hebben, er hun eenig verwijt van te maken. En verder,
+kunnen wij inzien, wat al reden tot verbazing een wezen hebben zou, dat
+ons kon waarnemen, zooals wij de bijen?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIc" id="VIIc"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Om ons nog een juister denkbeeld te vormen van hun verstand, blijft nog
+te onderzoeken op welke wijze ze met elkander gemeenschap oefenen.
+Klaarblijkelijk verstaan ze elkaar, en zou een republiek, die zooveel
+leden telt, en wier arbeid zoo verschillend is en zoo wonderbaarlijk in
+overeenstemming met elkaar, niet kunnen bestaan, indien zooveel
+duizenden weezens in stilzwijgen en geestelijke afzondering naast
+elkander leefden. Ze moeten dus het vermogen bezitten, hunne gedachten
+of gevoelens te uiten, hetzij door middel van een woordenschat in
+klanken, hetzij en dat is waarschijnlijker door middel van een voelbare
+taal of magnetische intuïtie, die misschien in verband staat met
+zintuigen of met eigenschappen der stof, die ons totaal onbekend zijn;
+een intuïtie, die misschien zetelt in die geheimzinnige sprieten, die de
+duisternis voelen en begrijpen, en die volgens de schatting van Cheshire
+bij de werkbijen bestaan uit twaalf duizend voel-haren en vijf duizend
+reukholten. Een bewijs, dat ze niet alleen overleg plegen met elkaar
+omtrent hun gewonen arbeid, maar dat het buitengewone even goed een naam
+en een plaats heeft in hun taal, is de wijze waarop een of ander
+bericht, goed of ongunstig, gewoon of bovennatuurlijk, in den korf wordt
+verbreid; het verlies of de terugkomst hunner moeder, de val van een
+raat, de komst van een vijand, het indringen van een vreemde koningin,
+de nadering van een bende roovers, de ontdekking van een schat, enz. Bij
+ieder dezer gebeurtenissen zijn de houding en de geluiden der bijen zóó
+verschillend en zóó karakteristiek, dat een ervaren bijenhouder vrij
+gemakkelijk raadt, wat daar in de duisternis bij de verontruste menigte
+voorvalt.</p>
+
+<p>Wilt ge een duidelijk bewijs, neem dan eens eene bij waar, die op het
+kozijn van uw raam of een hoekje van uw tafel eenige droppels honing
+vindt, welke daar gemorst zijn. Dadelijk zal ze zich zóó begeerig
+daarmee volproppen, dat ge op uw gemak en zonder gevaar haar af te
+leiden, haar lijfje door een klein vlekje verf kunt merken. Maar deze
+gulzigheid is slechts schijnbaar. Die honing komt niet in de eigenlijke
+maag, in wat men haar persoonlijke maag zou kunnen noemen; hij blijft in
+de honingblaas, de voormaag, die om zoo te zeggen de maag is van de
+gemeenschap. Zoodra dit vaatje is gevuld, verwijdert zich de bij, maar
+niet in eens en niet woest, zooals een vlinder of een vlieg doen zou. Ge
+ziet haar integendeel eenige oogenblikken achteruit vliegen en met alle
+attentie in het vensterkozijn of rondom uwe tafel heen en weer gaan met
+het gelaat naar uw kamer gekeerd.</p>
+
+<p>Ze verkent de plaats en neemt opmerkzaam de juiste ligging van den
+schat in haar geheugen op. Dan begeeft ze zich naar den korf, zet daar
+haar buit af in een der cellen van de voorraadschuur, om drie of vier
+minuten later terug te keeren en een nieuw vrachtje te halen van dat
+goedgunstige venster. Alle vijf minuten zoolang er nog honing is, tot
+aan den avond toe als het moet, doet ze geregeld deze reisjes van het
+raam naar den korf en van den korf naar het raam.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIIc" id="VIIIc"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>Ik wil de waarheid niet opsieren, zooals veel schrijvers over de bijen
+wèl deden. Opmerkingen van dezen aard zijn slechts dan belangrijk als ze
+volkomen waar zijn. Indien ik had waargenomen, dat de bijen niet in
+staat zijn elkaar een uitwendige gebeurtenis mee te deelen, dan zou ik
+dunkt me tegenover deze kleine teleurstelling met eenig genoegen weer op
+nieuw constateeren, dat ten slotte de mensch toch het eenige waarlijk
+intelligente wezen is, dat onzen aardbol bewoont. En dan nog, als men op
+een zeker punt van zijn leven gekomen is, gevoelt men meer voor het
+meedeelen van dingen die waar, dan die frappant zijn. Ook hier zoo goed
+als in andere gevallen behoort men zich te houden aan het principe, dat
+zoo de naakte waarheid voor het oogenblik minder grootsch, minder edel
+of minder interessant lijkt dan de opsiering, welke onze verbeelding
+daaraan kon toevoegen, de schuld daarvan ligt aan ons, die nog niet
+weten te onderscheiden in welk een altijd opmerkelijk verband ze moet
+staan tot ons ware wezen, dat we nog niet kennen, en tot de wetten van
+het heelal; en in dit geval is het niet de waarheid, maar ons verstand,
+dat behoefte heeft aan vergrooting en veredeling.</p>
+
+<p>Ik wil dus bekennen, dat de gemerkte bijen dikwijls alleen terugkeeren.
+Waarschijnlijk bestaat bij hen hetzelfde verschil in karakter als bij de
+menschen, en zijn er onder hen gesloten en babbelachtige naturen.
+Iemand, die mijn proefnemingen bijwoonde, beweerde dat klaarblijkelijk
+zelfzucht of ijdelheid de reden is waarom velen niet graag de bron van
+hun rijkdom willen bekend maken of met een hunner zusteren den roem
+deelen van een werk, dat de korf wel wonderbaarlijk moet vinden. Dat
+zijn heel leelijke ondeugden, die niet den aangenamen geur van
+openhartigheid en frischheid ademen van het huis der duizend zusteren.
+Hoe dit ook zij, het komt ook dikwijls voor, dat de door het lot
+begunstigde bij naar den honing terugkomt vergezeld van twee of drie
+mede-arbeidsters. Ik weet, dat sir John Lubbock in het bijvoegsel van
+zijn werk over <i>mieren, bijen en wespen</i>, lange en nauwkeurige
+observatie-tabellen geeft, waaruit men kan opmaken, dat bijna nooit eene
+andere bij de gids volgt. 't Is mij onbekend met welk soort van bijen de
+geleerde natuuronderzoeker te doen had, of dat de omstandigheden
+bijzonder ongunstig waren. Doch als ik zelf mijn eigen tabellen
+raadpleeg, die met zorg zijn opgemaakt nadat ik alle mogelijke
+maatregelen genomen had, dat de bijen niet direkt door den geur van den
+honing konden worden aangelokt, dan zie ik, dat gemiddeld vier keer op
+de tien de gemerkte bij wel andere meebracht.</p>
+
+<p>Eens zelfs heb ik een heel bijzonder Italiaansch bijtje gehad, wier
+lijfje ik met een blauw vlekje gemerkt had. Al dadelijk bij haar tweeden
+tocht kwam ze met twee harer zusters. Ik sloot deze beiden op en liet
+haar ongemoeid. Ze ging weer heen, en kwam terug met drie gezellinnen,
+die ik weer opsloot, en zoo steeds door tot op het eind van den middag
+toen ik, mijne gevangenen tellende, constateerde, dat ze het nieuws aan
+achttien bijen had meegedeeld.</p>
+
+<p>In 't kort, indien ge dezelfde proeven neemt, zult ge bevinden, dat zulk
+een mededeelzaamheid zoo al niet geregeld, dan toch op zijn minst
+herhaaldelijk voorkomt. Deze eigenschap is zóó bekend bij de
+bijen-verzamelaars in Amerika, dat ze er partij van trekken om een nest
+te ontdekken. "Ze kiezen," zegt Josiah Itmery (aangehaald bij Romanus in
+zijn werk <i>Het verstand der Dieren</i> deel I, bl. 117) "ze kiezen om hunne
+operaties te beginnen, een veld of een bosch, dat ver van eenige kolonie
+van tamme bijen af ligt. Op het terrein aangekomen zien ze uit naar
+bijen, die aan 't inzamelen zijn op de bloemen, vangen ze en sluiten ze
+op in een doos met honing; als ze verzadigd zijn, laten zij ze vliegen.
+Dan volgt een oogenblik van afwachting, waarvan de lengte afhangt van
+den afstand waarop de boom met bijen zich bevindt; en met wat geduld
+krijgt de jager ten slotte altijd zijn bijen weer in 't oog, die
+terugkomen in gezelschap van verscheidene andere. Even als den eersten
+keer maakt hij zich van hen meester, trakteert hen en laat hen los ieder
+naar een ander punt, waarbij hij zorg draagt, de richting die zij nemen
+goed in het oog te houden; het punt waar ze allen schijnen samen te
+komen, wijst hem ten naasten bij de plaats van het nest aan."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IXc" id="IXc"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Bij uwe waarneming zult ge ook bemerken, dat de vriendinnen, die aan de
+oproeping voor dit buitenkansje gehoor geven, niet altijd in gezelschap
+vliegen en dat er dikwijls een tusschenpooze van verscheidene seconden
+ligt tusschen de komst van de eene en die der andere. We moeten dus wat
+dit vermogen van mededeelen betreft, de vraag stellen, die sir John
+Lubbock heeft opgelost met betrekking tot de mieren.</p>
+
+<p>Wat doen de gezellinnen, die op den schat van de eerste bij afkomen,
+enkel haar volgen of wel kunnen ze door haar hierheen gezonden zijn en
+hem zelf vinden door hare aanwijzingen en de door haar gegeven
+plaatsbeschrijving? 't Is duidelijk, dat dit een enorm onderscheid maakt
+wat den omvang en het werk van het verstand betreft. De Engelsche
+geleerde heeft met behulp van een zeer ingewikkelde en vernuftige
+inrichting van bruggetjes, gangen, slootjes met water en gierponten,
+uitgemaakt, dat in zulke gevallen de mieren eenvoudig het spoor volgden
+van hun wegwijzer. Deze proeven waren uitvoerbaar met mieren, die men
+kan dwingen te gaan waarheen men wil, maar voor de bij met hare vleugels
+staan alle wegen open. Men zou dus eenig ander middel moeten bedenken.
+Ik wil er een noemen, waarvan ik gebruik heb gemaakt, en dat wel geen
+overtuigende resultaten heeft opgeleverd, maar dat als het wat beter
+werd ingericht en onder gunstiger omstandigheden naar mijn oordeel,
+voldoende zekerheid zou geven.</p>
+
+<p>Mijn studeerkamer op mijn buiten ligt op de eerste verdieping, terwijl
+de gelijkvloersche vertrekken zelf reeds vrij hoog liggen. Behalve in
+den tijd wanneer de linde- en kastanje-boomen in bloei staan, zijn de
+bijen zóó weinig gewend zoo hoog te vliegen, dat ik langer dan een week
+vóór mijne waarneming op mijn tafel een open honingraat had laten staan,
+(d.i. eene waarvan de cellen open zijn) zonder dat ook maar een enkele
+bij door den geur was aangelokt en er een bezoek aan kwam brengen. Toen
+nam ik een Italiaansche bij uit een observatie-korf, die op eenigen
+afstand van mijn huis stond. Ik nam die mee naar mijn kamer, zette haar
+op de honingraat en merkte haar terwijl ze zich te goed deed.</p>
+
+<p>Toen ze verzadigd was, vloog ze terug naar den korf en daar ik haar
+gevolgd was, zag ik dat ze haastig over de menigte heenliep, haar kopje
+in een ledige cel stak, haar honing afzette en zich gereedmaakte te
+vertrekken. Ik loerde op haar en greep haar toen ze weer aan den ingang
+verscheen. Twintig malen aaneen herhaalde ik de proef met verschillende
+bijen, terwijl ik telkens de "aangelokte" bij achterhield, zoodat de
+anderen haar spoor niet konden volgen. Om het gemakkelijk te kunnen
+doen, had ik voor den ingang van den korf een doos geplaatst, die door
+een schuif in twee afdeelingen was verdeeld. Als de gemerkte bij er
+alleen uitkwam, sloot ik haar enkel op zooals ik met de eerste had
+gedaan en ging op mijne kamer zitten wachten op de komst der
+honingdraagsters, aan wie ze de tijding had kunnen meedeelen. Als ze er
+uitkwam met een of twee bijen, dan hield ik haar gevangen in liet
+eerste vakje van de doos om haar van hare vriendinnen te scheiden, en
+nadat ik die met een andere kleur gemerkt had, gaf ik hun de vrijheid
+doch volgde hen met mijne oogen. 't Is duidelijk, dat indien er een
+mondelinge of magnetische mededeeling had plaats gehad, een beschrijving
+van de plaats, een methode om zich te oriënteeren, enz., ik in mijn
+kamer een zeker aantal der aldus ingelichte bijen had moeten vinden. Ik
+moet erkennen, dat ik er maar één zag komen. Volgde deze de
+aanwijzingen, die ze in den korf gekregen had, of was het louter toeval?
+De waarneming was onvolledig, maar de omstandigheden lieten niet toe,
+dat ik ze voortzette. Ik liet de "aangelokte" bijen weer los, en weldra
+was mijn studeerkamer overstroomd door de gonzende menigte, aan wie zij
+volgens hun gewone methode, den weg naar den schat hadden gewezen.<a name="FNanchor_1_7" id="FNanchor_1_7"></a><a href="#Footnote_1_7" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_7" id="Footnote_1_7"></a><a href="#FNanchor_1_7"><span class="label">[1]</span></a> Ik heb de proefneming hervat in de eerste zonnige dagen van
+deze ongunstige lente. Ze heeft weer hetzelfde negatieve resultaat
+opgeleverd. Van een anderen kant schrijft mij een ymker onder mijne
+vrienden, die zeer knap en zeer eerlijk zijne waarnemingen doet, en wien
+ik dit probleem had voorgelegd, dat hij langs denzelfden weg vier
+onweerlegbare bewijzen voor mededeelingen gekregen heeft. Het feit
+vereischt nog nader bevestiging en de kwestie is nog niet opgelost. Maar
+ik ben overtuigd, dat mijn vriend zich door zijn zeer begrijpelijk
+verlangen, de proef te zien gelukken, op een dwaalspoor heeft laten
+brengen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Xc" id="Xc"></a>X.</h3>
+
+
+<p>Zonder eenige gevolgtrekking te maken uit de zeer onvolledige
+proefneming, zijn er toch verscheidene andere merkwaardige feiten, die
+ons noodzaken te erkennen, dat ze een geestelijk rapport met elkaar
+onderhouden, dat meer beduidt dan een "ja" of "neen" of eenvoudig zou
+bestaan in een gebaar of in een voorbeeld ter navolging. Men zou o.a.
+kunnen noemen de treffende harmonie van den arbeid in den korf, de
+merkwaardige verdeeling van arbeid, de geregelde afwisseling, die men er
+in aantreft. Ik heb b.v. dikwijls geconstateerd, dat de
+honingdraagsters, die ik 's morgens gemerkt had, 's middags&mdash;tenzij er
+overvloed van bloemen was&mdash;bezig waren met het verwarmen of afkoelen van
+het broedsel; of wel ik ontdekte ze tusschen de menigte, welke die
+geheimzinnige kettingen vormen, te midden waarvan de waswerksters en de
+bouwbijen arbeiden. Ik heb ook opgelet, dat de werksters, die ik
+gedurende één of twee dagen stuifmeel zag inzamelen, het den volgenden
+dag niet meebrachten doch uitsluitend op honingsap uitgingen, en zoo
+omgekeerd. Ook kan men ten opzichte van de verdeeling van arbeid nog
+aanhalen, wat de beroemde Fransche bijenkenner George de Layens de
+<i>verdeeling der bijen over de honingdragende planten</i> noemt. Iederen
+dag, dadelijk bij het eerste lichten der zon, hoort de ontwakende korf,
+bij de terugkomst van de boden, die den dageraad tegenvlogen, de
+gunstige berichten omtrent den bodem: "Heden de linden langs de gracht
+in bloei", &mdash;"de witte klaver schittert in het gras langs den weg",&mdash;"op
+de weiden ontluiken steenklaver en salie",&mdash;"de lelies en reseda's
+vloeien over van stuifmeel". Spoedig moeten ze zich organiseeren, hunne
+maatregelen nemen, den arbeid verdeelen. Vijf duizend van de sterksten
+gaan naar de linden, drie duizend van de jongsten moeten leven brengen
+op de witte klaver. Deze hier smaakten gisteren den nektar der bloemen,
+vandaag moeten ze maar, om aan hun tong en de klieren van hun
+honingblaas wat rust te gunnen, het roode stuifmeel der reseda's gaan
+inzamelen, en die anderen ginds het gele stuifmeel der groote lelies.
+Want nooit ziet ge een bij stuifmeel van verschillende kleur of soort
+met elkaar vermengen, en een der dingen, waaraan de bijen uit den korf
+de meeste zorg besteden, is het methodisch indeelen van het schoone,
+geurige meel in de voorraadschuren, volgens kleuren en soorten. Zoo
+worden de orders gegeven door den verborgen genius. Dadelijk gaan de
+werkbijen uit in lange rijen en ieder hunner vliegt recht op haar doel
+af. "'t Schijnt wel", zegt de Layens, "dat de bijen volkomen goed zijn
+ingelicht omtrent de localiteit, den betrekkelijken rijkdom aan honing
+en den afstand van alle planten, die binnen een bepaalden kring rondom
+den korf staan.</p>
+
+<p>Als men de verschillende richtingen, die de honingdraagsters inslaan,
+zorgvuldig waarneemt, en dan tot in bijzonderheden den oogst der bijen
+uit de verschillende planten van den omtrek onderzoekt, bemerkt men dat
+de werkbijen zich over de bloemen verdeelen, zoowel in verhouding tot
+het aantal der planten als tot hun rijkdom aan honing. Nog meer: ze
+weten iederen dag op nieuw nauwkeurig de waarde te schatten van de beste
+zoete vloeistof, die ze kunnen inzamelen.</p>
+
+<p>Als de bijen b.v. in de lente na den bloeitijd der wilgen, op een tijd
+dat nog niets op de velden in bloei staat, geen andere keuze hebben dan
+de eerste woudbloemen, dan kan men ze ijverig de anemonen, het
+longkruid, de stekende brem en de viooltjes zien bezoeken. Beginnen er
+enkele dagen daarna genoeg kool- en koolzaadvelden te bloeien, dan
+geven ze hunne bezoeken aan de woudbloemen, die nog in vollen bloei
+staan, zoo goed als geheel op, om zich te wijden aan den bloesem van
+kool en koolzaad.</p>
+
+<p>Zoo regelen ze dagelijks hunne verdeeling over de planten, ten einde in
+den kortst mogelijken tijd het beste zoete vocht te kunnen inzamelen.</p>
+
+<p>Men kan dus zeggen, dat de bijen-kolonie even goed bij hare inzamelingen
+als binnen in den korf een verstandige indeeling van het aantal
+werkbijen weet te treffen, terwijl ze tevens het beginsel van verdeeling
+van arbeid toepast."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIc" id="XIc"></a>XI.</h3>
+
+
+<p>Maar, zal men misschien zeggen, wat kan het ons schelen of de bijen al
+of niet verstand bezitten? Waartoe dat zorgvuldig wegen van een klein
+deeltje eener bijna onzichtbare materie, alsof het een fluïdum gold
+waarvan het lot der menschen afhing? Zonder overdrijving meen ik, dat
+wij er een onwaardeerbaar belang bij hebben. Wanneer we buiten de
+menschenwereld onmiskenbare teekenen van verstand bespeuren, dan voelen
+we iets van dezelfde aandoening als Robinson bij het ontdekken van het
+voetspoor eens menschen op het strand van zijn eiland. We schijnen
+minder eenzaam te zijn dan we meenden. Wanneer we ons rekenschap
+trachten te geven van het verstand der bijen, dan bestudeeren we in hen
+ten slotte het kostbaarste deel van onze eigen substantie, een atoom van
+die buitengewone materie, die overal waar ze zich vasthecht, de
+prachtige eigenschap bezit de blinde noodwendigheid om te scheppen, het
+leven te organiseeren, te verfraaien en te vermenigvuldigen en wat nog
+meer zegt, de onverbiddelijke macht des doods en dien redeloozen stroom,
+die bijna al wat bestaat in eeuwige onbewustheid dompelt, voor een tijd
+althans af te wenden.</p>
+
+<p>Indien alleen wij een deeltje der materie in dien bijzonderen toestand
+van ontwikkeling of verhitting dien wij verstand noemen, bezaten of
+konden onderhouden, dan zouden we ons niet zonder grond voor
+bevoorrechte wezens mogen houden, en ons verbeelden, dat de natuur in
+ons een soort van doel had bereikt; maar daar zien we een gansche
+categorie van wezens, de vliesvleugeligen, waarin ze een bijna geheel
+gelijk doel bereikt. Dat bewijst niets zoo men wil, maar niettemin neemt
+dit feit een eervolle plaats in onder de menigte kleine feiten, die er
+toe meewerken licht te verspreiden over onze plaats op deze aarde. Van
+zeker oogpunt bezien hebben wij hier een proef op de som met betrekking
+tot het meest onberekenbaar deel van ons wezen; we hebben hier te doen
+met de lotgevallen van zich opvolgende geslachten, die wij kunnen
+overzien van een hooger standpunt dan we ooit bereiken bij de
+beschouwing van de lotgevallen der menschen. Hier hebben we in 't
+verkort groote en eenvoudige lijnen, die we in onze zoo oneindig wijder
+sfeer nooit gelegenheid hebben na te sporen of te volgen. Hier hebben we
+geest en stof, soort en individu, evolutie en stilstand, verleden en
+toekomst, leven en dood alles bijeen in een verblijf, dat door onze hand
+kan worden opgenomen en dat we met één oogopslag omvatten; en men mag
+zich afvragen of de macht door de lichamen uitgeoefend en de plaats
+welke zij innemen in tijd en ruimte, wel in zoo groote mate als wij dat
+meenen de geheime idee der natuur wijzigen, die wij trachten te vatten
+in de kleine geschiedenis van den bijenkorf, waar de dagen zijn als
+eeuwen en in de groote geschiedenis der menschen, bij wie drie
+geslachten reeds den duur eener lange eeuw overschrijden.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIc" id="XIIc"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>Laten we nu de geschiedenis van onzen korf weer opvatten, waar we die
+hebben laten rusten, om zooveel doenlijk een der plooien van het gordijn
+van slingers op te lichten, waaronder die vreemde uitwaseming begint,
+die den zwerm bedekt met dat zweet bijna zoo wit als sneeuw en lichter
+dan het dons van een vleugel. Want het was gelijkt bij zijn ontstaan
+volstrekt niet op dat, wat wij kennen: het is ongerept, bijna zonder
+gewicht, en gelijkt inderdaad de ziel van den honing (welke zelf de
+geest is der bloemen) aangeroepen in een stille bezwering, om later in
+onze handen, ongetwijfeld in herinnering aan zijn oorsprong, waarbij
+zooveel azuur, zooveel geuren, zooveel gekrystalliseerde ruimte,
+gesublimeerde stralen, reinheid en pracht voorkomen, tot het geurende
+licht onzer laatste altaren te worden.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIIc" id="XIIIc"></a>XIII.</h3>
+
+
+<p>'t Is uiterst moeielijk de verschillende phases na te gaan van de
+afscheiding en het gebruik van het was in een zwerm, die begint te
+bouwen. Alles gebeurt midden in de massa, wier steeds dichter en dichter
+wordende opeenhooping de temperatuur moet verschaffen, die bevorderlijk
+is voor deze afscheiding, het voorrecht der jongste bijen. Huber, die ze
+het eerst bestudeerd heeft met ongeloofelijk geduld en dikwijls ten
+koste van ernstige gevaren, wijdt meer dan tweehonderd vijftig
+interessante, maar uiterst verwarde bladzijden aan dit verschijnsel.
+Daar ik geen technisch werk schrijf, zal ik, gebruik makende waar het
+noodig is van hetgeen hij zoo goed heeft waargenomen, er mij toe bepalen
+datgene mee te deelen, wat ieder, die een zwerm in een observatie-korf
+heeft, zien kan.</p>
+
+<p>Allereerst dan de bekentenis, dat men nog niet weet door welke chemische
+bewerking de honing verandert in was in het nog zoo raadselachtig
+lichaam van onze hangende bijen. Men kan alleen constateeren, dat na
+verloop van achttien tot vierentwintig uren wachtens, in zulk een hooge
+temperatuur, dat het is alsof er een vlam brandt onder in den korf,
+witte en doorschijnende schubjes verschijnen in de opening van vier
+kleine zakjes, die ter weerszijden aan het achterlijf van de bij liggen.</p>
+
+<p>Wanneer de meesten van al diegenen, die den omgekeerden kegel vormen,
+aldus hun lichaam zien belegd met ivoren plaatjes, ziet men er eensklaps
+een, als bezield door een plotselinge ingeving, zich losmaken uit de
+menigte, vlug over de lijdelijke massa heenklimmen tot aan den top van
+den koepel, waar ze zich stevig vasthoudt, telkens met haar kopje de
+buren wegduwend, die haar hinderen in hare bewegingen. Dan pakt ze met
+haar pooten en haar mond een der acht schubjes van haar achterlijf,
+begint er aan te knagen, te schaven, te buigen, te kneden, vermengt het
+met haar speeksel, vouwt het open en dicht, drukt het plat en vervormt
+het weer met de handigheid van een schrijnwerker, die een of ander
+paneel bewerkt. Als dan eindelijk de aldus geknede substantie naar haar
+idee de vereischte afmetingen en dichtheid heeft verkregen, maakt ze die
+vast tegen den top van den kegel en legt alzoo den eersten steen of
+liever den sluitsteen van de nieuwe stad; want hier hebben we te doen
+met een omgekeerde stad, die van den hemel neerdaalt en niet van den
+aardbodem omhoog rijst zooals de steden der menschen.</p>
+
+<p>Als dat gedaan is, legt ze tegen dezen sluitsteen, die daar in het ledig
+hangt, andere brokjes was aan, die ze gaandeweg onder haar hoornen
+ringen uit haalt; dan geeft ze aan 't geheel een laatsten lik, een
+laatsten duw met de sprieten, en haastig als ze gekomen is, gaat ze weer
+heen en verliest zich in de menigte.</p>
+
+<p>Onmiddellijk wordt ze vervangen door een andere bij, die den arbeid
+opvat op het punt waarin zij dien gelaten had, er den haren aan
+toevoegt, vervormt wat niet geheel in overeenstemming lijkt met het
+ideale plan van den stam en op hare beurt weer verdwijnt, terwijl een
+derde, vierde, vijfde haar opvolgen; een gansche serie van plotselinge,
+geïnspireerde verschijningen, die geen van allen het geheele werk
+afmaken, maar allen hun steentje bijdragen tot den eenparigen arbeid.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIVc" id="XIVc"></a>XIV.</h3>
+
+
+<p>Een nog vormeloos klompje was hangt nu tegen den top van het gewelf aan.
+Als het groot genoeg blijkt te zijn, ziet men uit den tros een andere
+bij te voorschijn komen, wier uiterlijk merkbaar verschilt van hare
+voorgangsters, die de grondslagen hebben gelegd. Als men de zekerheid
+ziet waarmede zij optreedt, en de verwachting der haar omringenden, dan
+komt men op de gedachte, dat het een soort van begaafd ingenieur is, die
+plotseling daar in het ledig de plaats aanwijst waar de eerste cel moet
+komen, van welke die van alle overige mathematisch afhangt. In ieder
+geval behoort deze tot de klasse der bouwbijen, die geen was
+voortbrengen en er zich mee tevreden stellen de materialen, die men hun
+verschaft, aan hunne bestemming te doen beantwoorden. Ze kiest dus de
+plaats van de eerste cel uit en graaft een oogenblik in den klomp,
+terwijl ze het was dat ze van binnen uithaalt, op de kanten werpt, die
+zich rondom de holte verheffen. Dan laat ze, even plotseling als de
+grondlegsters, haar werk in den steek; een ongeduldige arbeidster komt
+haar vervangen en vat haar werk op, dat weer door een derde wordt
+voltooid, terwijl anderen uit hun omgeving naar dezelfde methode van
+werken, door de een afgebroken en door de ander voortgezet, de verdere
+oppervlakte en de tegenovergestelde zijde van den muur van was ter hand
+nemen. Men zou zoo zeggen, dat een der eerste wetten van den bijenkorf
+zorgt voor verdeeling van de eer van het werk, en dat iedere arbeid er
+gemeenschappelijk en anoniem moet wezen om daardoor des te broedelijker
+te zijn.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVc" id="XVc"></a>XV.</h3>
+
+
+<p>Weldra kan men de wordende raat reeds onderscheiden. Ze is nog
+lensvormig, want de prismatische tubusjes, die haar vormen, zijn
+ongelijk van lengte en worden van het middelpunt naar de uiteinden
+regelmatig smaller. Op dit oogenblik heeft ze ongeveer het voorkomen en
+de dikte van een menschelijke tong, die aan beide kanten bestaat uit
+zeshoekige, naast en ruggelings tegen elkaar aan geplaatste cellen.</p>
+
+<p>Zoodra de eerste cellen gevormd zijn, maken de grondlegsters een tweeden
+wasklomp aan het gewelf vast en daarna gaandeweg een derden en vierden.
+Deze klompjes worden met regelmatige tusschenruimten aangebracht, die
+zóó berekend zijn, dat de bijen, als de honingraten geheel gereed zijn
+(wat eerst veel later het geval is) altijd de noodige plaats overhouden
+om zich tusschen de paralelle wanden te bewegen.</p>
+
+<p>In hun plan moeten ze dus van te voren de definitieve dikte van iedere
+raat, die twee- of drie en twintig millimeter bedraagt, en tevens de
+breedte van de gangetjes weten, die ze van elkaar scheiden en die
+ongeveer elf millimeter breed moeten zijn, namelijk de dubbele hoogte
+van een bij, daar ze rug aan rug elkaar moeten passeeren tusschen de
+raten door.</p>
+
+<p>Bovendien, onfeilbaar zijn ze niet, en hun beslistheid blijkt niet iets
+machinaals te zijns. In moeielijke omstandigheden maken ze soms vrij
+groote fouten. Soms is er óf te veel óf te weinig ruimte tusschen de
+raten. Dan voorzien ze daarin zoo goed ze kunnen, 't zij door de raat,
+die te dicht bij staat, eenigszins te doen hellen, 't zij door in de te
+groote ledige ruimte een onregelmatige raat aan te brengen.</p>
+
+<p>Naar aanleiding hiervan zegt Réaumur: "'t Overkomt hun somtijds, dat ze
+zich vergissen, en dit is blijkbaar een feit te meer om te bewijzen, dat
+ze kunnen oordeelen."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIc" id="XVIc"></a>XVI.</h3>
+
+
+<p>Men weet dat de bijen vier soorten van cellen bouwen. Ten eerste de
+koninklijke cellen, die iets geheel aparts zijn en op eikels gelijken,
+dan de groote cellen, die bestemd zijn voor het grootbrengen der darren
+en het bergen van de provisie als er buitengewoon veel bloemen zijn,
+vervolgens de kleine cellen, die voor wieg van de werkbijen en voor
+gewone magazijnen dienen, en die in een normaal geval ongeveer acht
+tiende van de bebouwde oppervlakte in den korf beslaan. Eindelijk bouwen
+ze, om zonder dat het slordig staat de groote met de kleine te
+verbinden, een zeker aantal overgangscellen. Afgezien van de
+onvermijdelijke onregelmatigheid dezer laatsten, zijn de afmetingen van
+het tweede en derde type zóó juist berekend, dat Réaumur, toen men op
+het tijdstip der invoering van het tientallig stelsel zocht naar een
+vaste maat in de natuur, die zou kunnen dienen als uitgangspunt en als
+onbetwistbare grondmaat, de cel der bijen voorsloeg<a name="FNanchor_1_8" id="FNanchor_1_8"></a><a href="#Footnote_1_8" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Ieder dezer cellen is een zeshoekig buisje, dat rust op een pyramidale
+basis, en elke raat bestaat uit twee laagjes van zulke buisjes, die zich
+van de basis naar de tegenovergestelde zijde verheffen, en wel zóó, dat
+ieder der drie ruiten, welke de pyramidale basis van een cel aan den
+rechten kant uitmaken, tegelijk de eveneens pyramidale basis vormt van
+drie cellen aan de keerzijde.</p>
+
+<p>In deze prismatische buisjes wordt de honing verzameld. Om te
+verhinderen, dat deze er uitloopt in den tijd van het rijp worden, wat
+onvermijdelijk gebeuren moest, indien ze strikt horizontaal waren,
+zooals ze lijken, zetten de bijen ze eenigszins op, onder een hoek van
+vier op vijf graden.</p>
+
+<p>Bij zijne beschouwing over het merkwaardig geheel van het wonderbare
+gebouw zegt Réaumur: "Behalve de besparing aan was, die het gevolg is
+van de plaatsing der cellen, behalve dat door deze regeling de bijen de
+raat vullen zonder dat er één leeg blijft, vloeien er nog andere
+voordeelen uit voort, wat de stevigheid van het werk betreft. De hoek
+van den bodem eener cel, de top van de pyramidale holte, wordt gesteund
+door den hoek, die twee vlakken van den zeshoek eener andere cel met
+elkaar vormen. De twee driehoeken of verlengingen van de zeshoekige
+vlakken, die een der inspringende hoeken vullen van de holte, welke
+wordt ingesloten door de drie ruiten, vormen samen een vlakken hoek aan
+de zijde waar ze elkaar raken; ieder dezer hoeken, die concaaf is binnen
+in de cel, steunt aan den kant waar hij convex is een der wanden, die
+den zeshoek eener andere cel helpen vormen, en deze wand, welke steunt
+op dien hoek, is bestand tegen de kracht, die ze naar buiten zou willen
+duwen; zoo worden de hoeken steviger. Alle voordelen die men zou kunnen
+eischen met betrekking tot de stevigheid van iedere cel, worden haar
+verschaft door haar eigen vorm en door de wijze waarop ze tegen elkander
+aangeschikt zijn."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_8" id="Footnote_1_8"></a><a href="#FNanchor_1_8"><span class="label">[1]</span></a> Niet zonder grond verwierp men deze maat. De middellijn der
+cellen is bewonderenswaardig regelmatig maar ze is, evenals al wat door
+een levend organisme wordt voortgebracht, niet <i>mathematisch</i>
+onveranderlijk in een zelfden korf. Bovendien hebben, zooals Maurice
+Gérard opmerkte, de verschillende soorten van bijen een verschillenden
+straal voor hunne cellen, zoodat de grondmaat verschillend zou zijn
+volgens den eenen korf of den anderen, al naar het soort bijen, dat er
+in wordt aangetroffen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIc" id="XVIIc"></a>XVII.</h3>
+
+
+<p>"De meetkundigen weten", zegt Dr. Reid, "dat er slechts drie soorten van
+figuren zijn, die men kan nemen, als men een oppervlak in kleine,
+gelijke deelen van regelmatigen vorm en van dezelfde grootte, zonder
+tusschenruimten wil verdeden.</p>
+
+<p>Het zijn de gelijkzijdige driehoek, het vierkant en de regelmatige
+zeshoek, die voor den cellenbouw nog beter is dan de beide andere
+figuren wat gemakkelijkheid en weerstandsvermogen betreft. En dezen
+regelmatigen zeshoek hebben nu juist de bijen aangenomen, alsof ze
+wisten al wat deze voor heeft.</p>
+
+<p>Zoo ook bestaat de bodem der cellen uit drie vlakken, die in één punt
+samenkomen, en men heeft aangetoond, dat deze bouworde een belangrijke
+besparing aan arbeid en materieel verschaft. Verder was het nog de
+vraag, te weten onder welken hoek de vlakken elkaar moeten ontmoeten om
+de grootste besparing te geven, een probleem van de hoogere wiskunde,
+dat door enkele geleerden, o.a. Maclaurin, is opgelost, welke oplossing
+men kan vinden in het verslag van de Koninklijke Academie te Londen<a name="FNanchor_1_9" id="FNanchor_1_9"></a><a href="#Footnote_1_9" class="fnanchor">[1]</a>.
+Welnu, de aldus vastgestelde hoek stemt overeen met dien, welke wordt
+aangetroffen op den bodem der cellen."</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_9" id="Footnote_1_9"></a><a href="#FNanchor_1_9"><span class="label">[1]</span></a> Réaumur had den beroemden wiskunstenaar Koenig het volgende
+probleem voorgelegd: "Onder alle zeshoekige cellen met pyramidalen bodem
+die aan te wijzen, die met het minste materiaal kan gebouwd
+worden."&mdash;Koenig bevond, dat zulk een cel een bodem had bestaande uit
+drie ruiten die ieder twee groote hoeken hadden van 109 graden 26
+minuten en twee kleine van 70 graden 32 minuten. Een ander geleerde,
+Maraldi genaamd, stelde nadat hij zoo nauwkeurig mogelijk de hoeken had
+gemeten van de door de bijen gemaakte ruiten, de grooten vast op 109
+graden 28 minuten en de kleinen op 70 graden 32 minuten. Tusschen de
+beide oplossingen was dus slechts een verschil van 2 minuten. Naar alle
+waarschijnlijkheid moet de vergissing, als het er eene is, eerder aan
+den kant van Maraldi zijn dan aan dien der bijen, want met geen enkel
+instrument kan men met onfeilbare nauwkeurigheid de hoeken der cellen
+meten, die niet scherp genoeg zijn begrensd.
+</p><p>
+Een ander mathematicus, Cramer, wien men hetzelfde vraagstuk heeft
+voorgelegd, gaf trouwens een oplossing, welke die van de bijen nog meer
+nabij komt, namelijk 109 graden 28 1/2 minuut voor de grooten, en 70
+graden 31 1/2 minuut voor de kleinen. Maclaurin corrigeert Koenig en
+geeft 70 graden 32 minuten en 109 graden 28 minuten. Leon Lalanne, 109
+graden 28 minuten 16 seconden en 70 graden 31 minuten 44 seconden. Over
+de besproken questie zie men: Maclaurin <i>Philos-Trans. of Londen</i> 1743.
+Brougham: <i>Recherches analytiques et expérimentales sur les alvéoles des
+abeilles.</i> L. Lalanne: <i>Note sur l'Arch. des abeilles</i> enz.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIIc" id="XVIIIc"></a>XVIII.</h3>
+
+
+<p>Natuurlijk geloof ik niet, dat de bijen deze ingewikkelde berekeningen
+maken, maar evenmin geloof ik, dat het toeval of de loop der dingen deze
+verrassende resultaten geeft. Voor de wespen b.v., die evenals de bijen
+raten met zeshoekige cellen vervaardigen, was het probleem hetzelfde en
+zij hebben dat op een veel minder vernuftige wijze opgelost. Hunne raten
+hebben slechts ééne laag cellen en missen dien gemeenschappelijken
+bodem, die tegelijk voor de twee tegenover elkander liggende lagen van
+de raat der bijen dienst doet. Vandaar minder stevigheid, meer
+onregelmatigheid en een verlies aan tijd, materiaal en plaats, dat men
+op een vierde van het werk en een derde van de benoodigde ruimte kan
+schatten. Zoo ook bouwen de Trigonen en de Meliponen, echte tamme bijen
+doch op een lageren trap van beschaving staande, hunne voor de eitjes
+bestemde cellen maar op één rij, en stutten hunne horizontaal en boven
+elkander geplaatste raten door vormelooze en kostbare was-pilaren. Wat
+hunne voor de provisie bestemde cellen betreft, dat zijn groote zakken,
+die ordeloos naast elkaar staan, en daar waar ze elkaar zouden kunnen
+snijden en bijgevolg de besparing aan materiaal en ruimte, waarvan de
+bijen gebruik maken, in praktijk konden brengen, lasschen de Meliponen,
+zonder op het denkbeeld van deze zuinigheid te komen, tusschen al die
+ronde, cellen met vlakke wanden in. Vergelijkt men dan ook een hunner
+nesten met de mathematische stad onzer honingbijen, dan meent men een
+gehucht met primitieve hutjes te zien naast een onzer onberispelijk
+regelmatige steden, welke het logisch, zij het dan ook niet zeer
+bevallig, resultaat zijn van het genie van den mensch, die den strijd
+tegen tijd, plaats en materie nog veel scherper heeft aangebonden dan
+vroeger.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIXc" id="XIXc"></a>XIX.</h3>
+
+
+<p>De gangbare theorie, die bovendien door Buffon weer werd opgewarmd,
+beweert, dat de bijen volstrekt geen plan hebben zeshoeken met
+pyramidale basis te maken, dat ze eenvoudig ronde cellen in de was
+willen graven, maar dat, daar hunne buurvrouwen, die aan de keerzijde
+van de raat werken, tegelijkertijd aan het graven zijn met dezelfde
+bedoelingen, de punten waar de cellen elkaar raken noodwendig een
+zeshoekigen vorm aannemen. Datzelfde, voegt men er bij, is het geval met
+de kristallen, met de schubben van sommige visschen, met zeepbellen,
+enz.; datzelfde gebeurt ook in de volgende proef, die Buffon voorslaat.
+"Vul", zegt hij, "een of ander pannetje met erwten of andere ronde
+korrels en sluit het stevig dicht, nadat ge er zooveel water in hebt
+gegoten, als de tusschenruimten tusschen de korrels kunnen bevatten;
+laat dit water koken en al deze cylinders worden lichamen met zes
+vlakken. De oorzaak hiervan, die van zuiver mechanischen aard is, is
+duidelijk: ieder korreltje, dat een ronden vorm heeft, tracht bij het
+zwellen eene zoo groot mogelijke plaats in te nemen in een gegeven
+ruimte; noodzakelijk moeten ze dus alle door de wederkeerige drukking
+zeshoekig worden. Ook iedere bij tracht een zoo ruim mogelijke plaats in
+te nemen in een gegeven ruimte; zoo moeten dus eveneens, daar het
+lichaam der bijen cylindrisch is, hunne cellen zeshoekig worden om
+diezelfde reden, de wederzijdsche belemmeringen".</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXc" id="XXc"></a>XX.</h3>
+
+
+<p>Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder
+voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een
+algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het
+menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet
+is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat
+Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben,
+dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide
+gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en
+verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen
+nog niet.</p>
+
+<p>Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om
+partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de
+harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn
+de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en
+onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe
+kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der
+kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van
+Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing
+ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in
+overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet
+voorkomen.</p>
+
+<p>Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor
+een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van
+dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best
+mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar
+'t is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn
+bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te
+ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.</p>
+
+<p>Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den
+geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op
+een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf
+ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed
+ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van
+zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen
+bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen
+stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de
+bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk,
+voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het
+genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets
+abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant
+zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje
+en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen
+geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken
+afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen
+bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig
+besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam
+er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun
+voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs,
+de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van
+dien nutteloozen afgrond.</p>
+
+<p>Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de
+noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en
+begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van
+kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden
+bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen
+ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven
+cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken.
+Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich
+aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft
+toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds
+drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste
+helft van de volgende cel schetsten.</p>
+
+<p>Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het
+tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden
+werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder
+regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de
+koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen,
+want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn
+gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele
+gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle
+gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp
+uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals
+bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking
+hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn
+van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en
+geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen.
+Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen
+dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het
+verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van
+hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de
+celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem
+hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de
+ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou
+tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te
+bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen
+enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze
+eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten
+zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort
+doorschijnend vernis.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIc" id="XXIc"></a>XXI.</h3>
+
+
+<p>Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige
+architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te
+onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den
+korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze
+cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.</p>
+
+<p>We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging
+der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der
+raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en
+daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije
+verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn
+verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En
+eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren,
+het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven
+oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de
+buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de
+bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt
+wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de
+harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine
+tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte
+symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra
+de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren
+tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat,
+zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of
+getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook
+maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees,
+dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke
+onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een
+vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor
+heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een
+bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan
+een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn;
+en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim
+van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de
+menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig
+raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer
+hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden
+bestudeerd.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIIc" id="XXIIc"></a>XXII.</h3>
+
+
+<p>Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij
+het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van
+hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat
+langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken
+om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog
+regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van
+het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de
+merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale,
+buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige
+wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te
+doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten
+der raat.</p>
+
+<p>Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het
+slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan
+de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in
+overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk
+en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat
+bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge
+daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel
+netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een
+geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men
+zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.</p>
+
+<p>Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben,
+zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen
+voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij
+geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp;
+deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en
+somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel
+gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen
+en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen
+ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter,
+waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven
+in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van
+was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en
+uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen,
+die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die
+tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar
+onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de
+dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene
+arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan
+toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van
+den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een
+niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?</p>
+
+<p>Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist
+samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar
+ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat
+geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft
+een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze
+misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner
+tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te
+voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of
+mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige
+andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten
+zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest
+ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het
+ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch
+afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder
+dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit
+geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare
+hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al
+goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet
+inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIIIc" id="XXIIIc"></a>XXIII.</h3>
+
+
+<p>Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn
+der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar.
+Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't
+oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets
+te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe.
+De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen
+doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen
+woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van
+bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te
+zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt
+geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt,
+of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt
+zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige
+bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der
+wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen,
+opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen,
+haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over
+haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te
+wenschen.</p>
+
+<p>Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort
+van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de
+middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke
+onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is
+gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd
+vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep
+nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten
+toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken
+van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken
+moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot
+onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met
+het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen
+en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te
+praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven
+betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept
+in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te
+zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet
+een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf,
+en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar
+kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze
+niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het
+gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of
+het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd
+heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen.
+Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer
+op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en
+ze slaapt&mdash;zoo dat al slapen is&mdash;al eieren leggend. Van dit oogenblik af
+is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der
+toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over
+de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd
+door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te
+stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de
+medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze
+uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de
+wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs
+de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf
+duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing
+bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen
+stonden.</p>
+
+<p>En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den
+eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen,
+waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de
+kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem
+verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen
+overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt
+inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste
+tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts
+verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze
+schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze
+klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch
+een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt
+en verteert.</p>
+
+<p>Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur,
+wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar
+geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien
+wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets
+afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien
+nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt,
+herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te
+zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te
+zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we
+niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met
+evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends
+ware.&mdash;'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te
+veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XXIVc" id="XXIVc"></a>XXIV.</h3>
+
+
+<p>We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen
+pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig
+voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud
+grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het
+liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om
+vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet
+wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te
+leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.</p>
+
+<p>De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel
+de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen
+ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de
+verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering
+niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in
+een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener
+werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen
+te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische
+kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel
+eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin
+moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te
+herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel
+waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze
+dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken
+bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op
+haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?</p>
+
+<p>Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor
+een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke
+koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan
+leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar
+willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren
+bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de
+zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze
+zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen
+schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de
+eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en
+zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van
+den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den
+vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen,
+zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de
+zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten.
+Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het
+zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de
+koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje
+openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren
+buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen
+beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is&mdash;want hoe
+verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets
+is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der
+natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op
+het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling
+doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles
+vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de
+tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit
+Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn
+verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes
+al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook
+omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen,
+indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.</p>
+
+<p>En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de
+Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der
+Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren
+het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht
+facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte,
+waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan
+te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een
+mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden
+omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst
+fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese
+ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten
+alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare
+eitjes te leggen in cellen van werkbijen.</p>
+
+<p>Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te
+beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur
+is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat
+in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als
+ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar
+gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is
+of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de
+lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te
+ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons
+niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur
+gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is,
+dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden,
+die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat
+het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen
+zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid
+van den afgrond.</p>
+
+<p>Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt
+zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering
+levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden,
+heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in
+ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood
+noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo
+behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van
+duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van
+verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer
+verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te
+wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige,
+onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze
+verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het
+onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering
+geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet
+kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en
+ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de
+vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort
+openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare
+plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de
+gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten
+ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIERDE_BOEK" id="VIERDE_BOEK"></a>VIERDE BOEK.</h3>
+
+
+<h3>DE JONGE KONINGINNEN.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Id" id="Id"></a>I.</h3>
+
+
+<p>Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn
+cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich
+vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan,
+zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons
+voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar
+voorvalt na het vertrek van den zwerm.</p>
+
+<p>Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee
+derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer,
+is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft
+gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden
+bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat,
+het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer
+vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de
+provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken,
+de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen
+bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot
+duidelijk is aangewezen.</p>
+
+<p>Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop
+en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche
+legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de
+zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het
+verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen
+in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare
+zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die
+met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van
+ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en
+doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken
+verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel
+vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige,
+door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde
+prisma's.</p>
+
+<p>Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche
+wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve
+wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister
+haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't
+waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens
+voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft
+zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden
+aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft
+opgespoord.</p>
+
+<p>Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen
+(in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te
+wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met
+twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten,
+terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk
+komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis
+verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar
+op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan.
+Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog
+eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een
+oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster
+kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot
+de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar,
+weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het
+volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd
+is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten
+cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te
+bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich
+op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar
+bestemming en haar ras.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IId" id="IId"></a>II.</h3>
+
+
+<p>De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne
+bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar
+eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare
+lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar
+van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht
+nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in
+gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige
+zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd.
+Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat
+ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en
+van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige
+eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van
+vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen,
+vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op
+de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd,
+beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling
+als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen
+ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de
+fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot
+dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten
+glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee
+strepen van staal dien afteekenden in den ether.</p>
+
+<p>Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die
+anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen
+althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is
+van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot,
+nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de
+bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die
+dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval
+slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het,
+dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie
+kilometer ver van den korf worden gebracht?</p>
+
+<p>Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde
+herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze
+dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren
+toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het <i>zintuig voor de
+richting</i> genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en
+vooral van Romanes (in de <i>Natuur</i>, 29, Oktober 1886) schijnen uit te
+maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.</p>
+
+<p>Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet
+veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze
+schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er
+gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het
+landings-plankje<a name="FNanchor_1_10" id="FNanchor_1_10"></a><a href="#Footnote_1_10" class="fnanchor">[1]</a>. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens
+de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven
+tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit
+de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den
+dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen
+overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover
+onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een
+buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den
+korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de
+voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit
+kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun
+geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf
+maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje
+zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen
+terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden
+rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar
+stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden.
+Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het
+onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje,
+waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.</p>
+
+<p>Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er
+sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en
+door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of
+tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een
+of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze
+gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw
+moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_10" id="Footnote_1_10"></a><a href="#FNanchor_1_10"><span class="label">[1]</span></a> Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de
+verlenging van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje,
+portaaltje of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIId" id="IIId"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw
+wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de
+substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene
+koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven
+à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone
+cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de
+photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van
+ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie
+of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep
+bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt
+dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de
+moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van
+den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog
+waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen,
+door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel
+uit de buurt.</p>
+
+<p>Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een
+bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen
+we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire
+methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven
+naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich
+dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en
+zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat
+de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten
+schijnt te behooren.</p>
+
+<p>Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar
+lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel
+krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in
+plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar
+haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de
+zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet
+maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch
+zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het
+stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der
+hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal
+geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht,
+en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze
+doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het
+onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal
+alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van,
+dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen&mdash;-want
+het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk&mdash;misschien zal ze
+slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar
+te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat
+organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus
+liggen opgesloten, niet in een zaadje&mdash;dat zou het gewone wonder zijn
+van plant, dier en mensch&mdash;doch in een vreemde en levenlooze substantie:
+ineen druppel honing<a name="FNanchor_1_11" id="FNanchor_1_11"></a><a href="#Footnote_1_11" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_11" id="Footnote_1_11"></a><a href="#FNanchor_1_11"><span class="label">[1]</span></a> Sommige bijenkenners beweren, dat werkbijen en koninginnen
+na het opengaan van het ei hetzelfde voedsel ontvangen, een soort melk,
+die zeer rijk is aan stikstof en wordt afgescheiden door een
+afzonderlijke klier, waarvan de kop der voedsters is voorzien. Maar na
+verloop van enkele dagen worden de larfjes der werkbijen gespeend en
+onder het grover diëet van honing en stuifmeel gesteld, terwijl
+daarentegen de toekomstige koningin tot aan hare volkomen ontwikkeling
+wordt volgepropt met de kostbare melk, die koninginne-pap genoemd wordt.
+Hoe dit ook zij, de resultaten blijven daarom evenzeer een wonder.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IVd" id="IVd"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>Ongeveer een week is verloopen sedert het vertrek der oude koningin. De
+koninklijke nymphen, die in de hulsels slapen, zijn niet allen van
+denzelfden leeftijd, want het is in 't belang der bijen, dat de
+koninklijke geboorten na elkaar plaats hebben, op de tijden dat ze
+beslissen of er een tweede, derde of zelfs wel een vierde zwerm uit den
+korf zal vertrekken. Reeds eenige uren zijn ze bezig de wanden van de
+rijpste moederwieg langzamerhand dunner te maken, en de jonge koningin,
+die van binnen uit tegelijkertijd het ronde deksel doorknaagt, steekt
+haar kopje er uit, komt halverwege te voorschijn en met behulp van de
+verpleegsters, die dadelijk komen aanloopen, haar afvegen, schoonmaken
+en liefkoozen, wikkelt ze zich los en doet hare eerste schreden op de
+raat. Evenals een pasgeboren werkbij is ze bleek en nog wankel op hare
+pootjes, maar na verloop van een minuut of tien worden deze steviger en
+daar ze wel voelt, dat ze niet de eenige is, dat ze haar rijk moet
+veroveren, dat er hier of daar mededingsters schuilen, loopt ze vol
+onrust langs de wanden van was om deze op te sporen. Hier komen de
+wijsheid en de geheimzinnige besluiten van het instinkt, van den geest
+des bijenkorfs, of van de vergaderde werkbijen tusschenbeide. 't Geen
+het meest verrast als men in een observatie-korf den loop dezer
+gebeurtenissen met de oogen volgt, is dat men nooit de minste aarzeling,
+de minste verdeeldheid waarneemt. Nergens eenig spoor van tweedracht of
+verschil van meening. Daar heerscht niets dan een reeds te voren
+ingestelde eensgezindheid, dit is de atmosfeer van dezen staat, en
+iedere bij schijnt reeds bij voorbaat te weten, wat alle anderen denken.
+Toch is dit een hoogst gewichtig oogenblik voor hen, 't is om zoo te
+zeggen de minuut waarvan leven of dood afhangen. Ze moeten weten welke
+partij te kiezen uit drie of vier mogelijkheden, die ver-reikende
+gevolgen zullen hebben, welke onderling totaal verschillen en door eene
+kleinigheid noodlottig kunnen worden. Ze moeten de passie of de
+ingeschapen plicht van het vermeerderen der soort met het behoud van den
+moederstok en diens afstammelingen weten te verzoenen. Een enkelen keer
+vergissen ze zich; ze laten drie of vier zwermen na elkaar uitvliegen,
+die den moederstaat totaal uitputten en zelf te zwak zijn om zich snel
+genoeg te organiseeren, zoodat ze worden overvallen door ons klimaat,
+dat niet het oorspronkelijk klimaat is waaraan de bijen ondanks alles de
+herinnering blijven behouden, en bezwijken bij het intreden van den
+winter. Dan vallen ze als slachtoffers van de zwerm-koorts, die even als
+onze gewone koorts een soort al te sterke reactie van het leven is, een
+reactie, die haar doel voorbijstreeft, den kring afsluit en den dood
+vindt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Vd" id="Vd"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Geen der besluiten, die ze zullen nemen, schijnt zich met dwingende
+noodzakelijkheid op te dringen, en als de mensch eenvoudig toeschouwer
+blijft, kan hij niet voorzien, wat ze zullen kiezen. Maar een bewijs dat
+er altijd overleg is bij deze keuze is hierin gelegen, dat hij daarop
+invloed kan uitoefenen, ja zelfs die keuze bepalen, door enkele
+omstandigheden te wijzigen, b.v. door de ruimte die hij toestaat kleiner
+of grooter te maken, of volle honingraten weg te nemen en er leege voor
+in de plaats te stellen, welke voorzien zijn van werkbij-cellen.</p>
+
+<p>De zaak is dus, dat ze weten, niet of ze dadelijk een tweeden en derden
+zwerm zullen uitzenden&mdash;dat zou vrij wel enkel een blind besluit zijn,
+een gevolg van den gril of het onbezonnen verlangen van een gunstig
+oogenblik de zaak is, dat ze op het oogenblik, eenparig, maatregelen
+treffen, die hen zullen vergunnen drie of vier dagen na de geboorte der
+eerste koningin een tweeden zwerm uit te zenden, en een derde drie dagen
+na het vertrek der jonge koningin aan het hoofd van dezen tweeden zwerm.
+Niemand zal kunnen ontkennen, dat we hier een geheel systeem, een
+gansche combinatie van voorzorgsmaatregelen aantreffen, die, vooral als
+men denkt aan de kortheid van hun leven, een geruimen tijd in beslag
+nemen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VId" id="VId"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>Deze maatregelen betreffen de bewaking der jonge koninginnen, die nog
+begraven liggen in hunne gevangenis van was. Ik veronderstel, dat de
+bijen het verstandiger oordeelen geen tweeden zwerm uit te zenden. Hier
+doen zich dus weer twee mogelijkheden voor. Zullen ze aan de
+eerstgeborene der koninklijke maagden, aan haar, die wij hebben zien
+uitkomen, toestaan hare vijandelijke zusteren te vernietigen, of wel
+zullen ze wachten totdat deze de gevaarlijke plechtigheid van de
+"parings-vlucht" heeft volbracht, waarvan de toekomst van het volk kan
+af hangen? Dikwijls wettigen ze den onmiddellijken moord, dikwijls ook
+verzetten zij er zich tegen, maar 't laat zich gemakkelijk begrijpen,
+dat het moeielijk is uit te maken of dit gebeurt met het oog op een
+tweeden zwerm, of op de gevaren van de "parings-vlucht"; want meer dan
+eens heeft men waargenomen, dat ze, na tot een tweeden zwerm te hebben
+besloten, plotseling daarvan afzagen en heel het voorbestemde nakroost
+vernietigden, 't zij omdat de tijden ongunstiger waren geworden, 't zij
+om eenige andere reden, die we niet kunnen opsporen. Doch stel dat ze
+het nuttig hebben geoordeeld van het zwermen af te zien en de gevaren
+van de "parings-vlucht" te aanvaarden. Wanneer nu onze jonge koningin,
+aangevuurd door haar verlangen, het gebied van de groote wiegen nadert,
+dan wijkt de wacht ter zijde om haar vrijen doortocht te laten. Ten
+prooi aan haar woedende jaloezie werpt ze zich op de eerste
+koninginne-cel, die ze aantreft en doet met tanden en pooten al haar
+best om de was te breken. Ze slaagt er in, rukt met geweld de pop er
+uit, die in die woning rust, wikkelt de slapende prinses los en als haar
+mededingster reeds kenbaar is, keert ze zich om, steekt haar angel in de
+open cel en boort als waanzinnig dezen daarin, totdat de gevangene
+bezwijkt onder de wonden van het giftig wapen. Dan komt ze tot rust, en
+vindt voldoening in den dood, het mysterie, dat aan den haat van alle
+wezens grenzen stelt, trekt haar angel in, valt op een andere cel aan,
+opent die om er echter voorbij te gaan als zeer enkel een onvolgroeide
+larf of nymph in vindt, en gaat zoo voort tot op het oogenblik, dat ze
+hijgend en uitgeput bemerkt, dat hare tanden en nagels machteloos langs
+de wanden van was afglijden.</p>
+
+<p>De bijen rondom haar zien hare woede aan zonder er in te deelen en gaan
+haar uit den weg om haar het veld vrij te laten; maar zoodra een cel is
+doorboord en verwoest komen ze aanloopen, halen het lijk, het nog
+levende larfje of de gepijnigde nymph er uit, gooien ze uit den korf, en
+proppen zich gretig vol met de kostelijke koninklijke pap, die den bodem
+van de cel overdekt. En daarna, als hunne uitgeputte moeder hare woede
+laat varen, voleindigen zij zelven den moord der onschuldigen, en het
+vorstelijk ras heeft met zijne woonplaatsen opgehouden te bestaan.</p>
+
+<p>Met de executie der darren, die overigens meer is te verontschuldigen,
+is dit de afschuwelijke ure van den bijenkorf, de eenige waarin de bijen
+aan tweedracht en dood verlof geven hunne woningen te overmeesteren.
+En, zooals het zoo vaak in de natuur voorkomt, zijn het juist de door de
+liefde bevoorrechten, die de buitengewone pijlen van een gewelddadigen
+dood op zich zien gericht.</p>
+
+<p>Enkele malen, doch uiterst zelden daar de bijen voorzorgsmaatregelen
+nemen om dit geval te voorkomen, enkele malen gebeurt het, dat twee
+koninginnen tegelijkertijd uitkomen. Dan heeft onmiddellijk bij het
+verlaten van de wieg de doodelijke kamp plaats, waarvan Huber voor het
+eerst een merkwaardige bijzonderheid heeft opgeteekend: telkens wanneer
+de beide maagdelijke koninginnen in hun curas van sits bij hun uitval
+zulk een stelling innemen, dat ze bij het steken met hun angel elkaar
+weerkeerig zouden doorboren dan is het, juist als bij de gevechten in de
+Ilyas, alsof den god of godin, wellicht de god of de godin van het ras,
+tusschen beide komt; door een zelfden schrik bevangen, gaan de beide
+strijdende partijen uiteen en ontvluchten elkaar geheel ontdaan, om kort
+daarna elkander weer te zoeken en opnieuw uiteen te gaan indien de
+dubbele ramp opnieuw de toekomst van hun volk bedreigt; totdat het aan
+een van beiden gelukt hare onvoorzichtige of onhandige mededingster te
+verrassen, en haar te dooden zonder gevaar voor zichzelve, want de wet
+van de soort eischt slechts één offer.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIId" id="VIId"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of
+hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in
+waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare
+moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te
+volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar
+weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare
+geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen
+hun verlangen een tweeden keer te zwermen.</p>
+
+<p>In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde
+voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar
+onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een
+sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en
+steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een
+doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze
+schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten,
+doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar
+terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te
+begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor
+de wet die haar aandrijft moet wijken.</p>
+
+<p>Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt
+ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen
+krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die
+gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid
+van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's
+avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den
+korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.</p>
+
+<p>Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij
+vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en
+wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar
+verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig
+vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of
+hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist
+door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de
+Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te
+doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.</p>
+
+<p>Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen
+der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten
+ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen
+op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner
+cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de
+genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan
+overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur
+tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het
+gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een
+zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die
+naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen,
+in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen,
+die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van
+binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten
+met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk
+voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een
+betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst.
+Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar
+ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze
+een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is,
+beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare
+kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze
+geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de
+velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de
+wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis
+van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIId" id="VIIId"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>Overigens is zulk een lange opsluiting gunstig voor de jonge
+koninginnen, die als ze uitkomen rijp en reeds krachtig zijn en klaar om
+hunne vlucht te nemen. Van een anderen kant heeft het wachten de vrije
+koningin sterker gemaakt en haar in staat gesteld de gevaren eener reis
+te doorstaan. De tweede zwerm of <i>nazwerm</i> verlaat dan de woning met de
+eerstgeborene onder de koninginnen aan zijn spits. Onmiddellijk na haar
+vertrek bevrijden de in den korf achtergebleven werkbijen een der
+gevangenen, die dezelfde moorddadige pogingen doet, dezelfde kreten van
+toorn uitstoot, om op hare beurt drie dagen later den korf te verlaten
+aan het hoofd van een derden zwerm en zoo maar voort ingeval van
+<i>zwerm-koorts</i>, totdat de moederstad totaal is uitgeput.</p>
+
+<p>Swammerdam haalt een korf aan, die door zijn eigen zwermen en het
+zwermen van die zwermen, dertig kolonies gaf in één enkel seizoen.</p>
+
+<p>Zulk een buitengewone vermenigvuldiging wordt vooral aangetroffen na een
+slechten winter, alsof de bijen, die altijd voeling hebben met de
+geheime wenschen der natuur, zich bewust waren van het gevaar, dat de
+soort bedreigt. In normale tijden is deze koorts echter vrij zeldzaam in
+krachtige en goed bestuurde korven. Vele zwermen maar eens en
+verscheidene zelfs in geheel niet.</p>
+
+<p>Gewoonlijk zien de bijen na den tweeden zwerm van een verdere verdeeling
+af, 't zij ze de geduchte verzwakking van den moederstok opmerken, 't
+zij het betrekken van den hemel hun voorzichtigheid voorschrijft. In dat
+geval staan ze toe, dat de derde koningin de gevangenen vermoordt, en
+het gewone leven gaat weer zijn gang en wordt met te meer ijver opgevat
+daar de werkbijen alle zeer jong zijn, de korf verarmd is en ontvolkt,
+en er voor den winter groote leemten zijn aan te vullen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IXd" id="IXd"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Het vertrek van den tweeden en derden zwerm is juist zooals die van den
+eersten en alle omstandigheden zijn gelijk, behalve dat er minder bijen
+zijn, dat de troep minder omzichtig is en geen verkenners heeft, en dat
+de jonge, maagdelijke, vurige en lichte koningin veel verder vliegt en
+reeds bij de eerste pleisterplaats haar volk tot op grooten afstand van
+den korf heeft meegevoerd. Voeg er nog bij, dat deze tweede en derde
+uittocht veel vermeteler zijn en dat het lot dezer zwervende kolonies
+zeer hachelijk is. Als vertegenwoordigster der toekomst hebben ze enkel
+een onvruchtbare koningin aan hun spits. Hun gansche bestaan hangt af
+van de op handen zijnde paringsvlucht. Een voorbijvliegende vogel,
+enkele regendruppels, een koude wind, een vergissing, en het onheil is
+onherstelbaar. Dit weten de bijen zóó goed, dat ze, wanneer ze een
+toevluchtsoord gevonden hebben, ondanks hunne reeds groote gehechtheid
+aan de woning die eerst sedert een enkelen dag de hunne is, ondanks het
+aangevangen werk, dikwijls alles in den steek laten om hunne jeugdige
+souvereine te vergezellen bij het zoeken van een minnaar, om hunne oogen
+onafgewend op haar gevestigd te houden, haar te omgeven en te omhullen
+met duizenden liefderijke vleugeltjes, of met haar te gronde te gaan
+indien de liefde haar zóó ver van den nieuwen korf doet afdwalen, dat de
+nog ongewone terugweg vervluchtigt en verdwijnt uit hun aller geheugen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Xd" id="Xd"></a>X</h3>
+
+
+<p>Zóó sterk is echter de wet der toekomst, dat geen enkele bij aarzelt met
+het oog op deze onzekerheid en dit doodsgevaar. Een zelfde geestdrift
+voor een tweeden en derden zwerm als voor een eersten. Wanneer de
+moederstaat zijn besluit beeft genomen, dan vindt ieder dezer
+gevaarlijke jonge koninginnen een troepje werkbijen gereed haar lot te
+deelen en haar te vergezellen op haar reis, waarbij veel te verliezen en
+niets te winnen is dan de hoop op voldoening van een instinkt. Wie geeft
+hun de energie, die wij nimmer bezitten, om met het verleden te breken
+als met een vijand? Wie kiest uit de massa degenen, die moeten gaan en
+wie wijst aan welke zullen achterblijven? Niet die of die klasse
+vertrekt of blijft, hier zijn het de jongsten, daar de oudsten, rondom
+iedere koningin, die heengaat om niet terug te keeren, verdringen zich
+zeer oude honingdraagsters naast kleine werkbijtjes, die zich voor het
+eerst wagen in het duizelingwekkende azuur. 't Is evenmin het toeval, de
+gelegenheid of een voorbijgaande opwelling van geestdrift of van
+ontmoediging door een gedachte, instinkt of gevoel, waardoor de
+betrekkelijke grootte van een zwerm wordt bepaald. Herhaaldelijk heb ik
+er mij op toegelegd, te berekenen welke verhouding er bestond tusschen
+het aantal bijen van den zwerm en van degenen die achterblijven; en
+hoewel de moeielijkheden aan de proef verbonden het verkrijgen van
+mathematische zekerheid beletten, heb ik toch kunnen constateeren dat
+deze verhouding, als men mede rekening houdt met het broedsel, dus met
+de op handen zijnde geboorten, constant genoeg was om een werkelijke en
+geheimzinnige berekening van den genius des bijenkorfs te doen
+vermoeden.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XId" id="XId"></a>XI.</h3>
+
+
+<p>We zullen niet alle avonturen dezer zwermen nagaan, het zijn er vele, en
+dikwijls zeer ingewikkelde. Somtijds vallen twee zwermen samen, een
+andermaal gebeurt het in de verwarring van het heengaan, dat twee of
+drie der gevangen koninginnen aan het toezicht der bewaaksters
+ontsnappen en zich voegen bij den zich vormenden tros. Weer een
+andermaal maakt een der jonge koninginnen gebruik van de zwermingsvlucht
+om, waar ze zich van darren omringd ziet, zich te laten bevruchten en
+dan voert ze heel haar volkje mee tot op een buitengewone hoogte en
+afstand. In de praktijk van de bijenteelt brengt men deze tweede en
+derde zwermen naar den moederstok terug. De koninginnen vinden elkaar
+terug in den bijenkorf, de werkbijen scharen zich rondom de strijdenden
+en wanneer de beste heeft gezegevierd, verwijderen zij in hun afkeer van
+wanorde en hun lust tot werken de lijken, sluiten de deur voor
+toekomstige daden van geweld, vergeten het verleden, keeren terug naar
+hunne cellen, en gaan op nieuw den vreedzamen weg op naar de bloemen,
+die hen wachten.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIId" id="XIId"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>Om ons verhaal te vereenvoudigen zullen we de geschiedenis van de
+koningin weer opvatten, waar we die hadden afgebroken, daar waar de
+bijen haar hadden toegestaan hare zusters in de wieg te dooden. Zooals
+ik reeds gezegd heb verzetten ze zich dikwijls tegen dezen moord, ook
+zelfs wanneer ze niet het voornemen schijnen te koesteren een tweeden
+zwerm uit te zenden. Dikwijls ook hechten zij er hunne goedkeuring aan,
+want de staatkundige geest der korven van een zelfden bijenstand is even
+verschillend als die der menschen-volken van een zelfde vastland. Doch
+zeer zeker begaan ze een onvoorzichtigheid door hem te wettigen. Komt de
+koningin om of verdwaalt ze bij hare parings-vlucht, dan blijft er
+niemand over om haar te vervangen, en de larven der werkbijen zijn al
+over den leeftijd om nog in koninklijke herschapen te kunnen worden.
+Maar enfin, de onvoorzichtigheid is begaan en dus is de eerste, die
+uitkomt, de eenige en erkende heerscheres in de gedachten haars volks.
+Toch is ze nog maagd. Om gelijk te worden aan de moeder, die zij
+vervangt, moet ze in de eerste twintig dagen na hare geboorte een
+ontmoeting hebben met het mannetje.</p>
+
+<p>Wordt door een of andere oorzaak deze ontmoeting vertraagd, dan blijft
+ze onherroepelijk maagd. Toch is ze zooals we gezien hebben niet
+onvruchtbaar, al is ze maagd. Hier staan we tegenover die groote
+anomalie, die wonderlijke voorzorgsmaatregel of gril van de natuur, die
+men parthenogenesis noemt, en die een zeker aantal insekten met elkaar
+gemeen hebben, te weten de boomluizen, de stofvleugelige insekten van
+het geslacht Psyche, de Hymenopteren van den stam der Cynipides, enz. De
+koningin-maagd kan dus eieren leggen als ware zij bevrucht, maar uit
+alle eieren die ze legt, in groote of kleine cellen, zullen enkel darren
+geboren worden, en daar deze nimmer werken, enkel op kosten der wijfjes
+leven, zelfs nooit honing gaan zoeken voor zich zelven en niet in hun
+onderhoud kunnen voorzien, volgt slechts weinige weken na den dood van
+de laatste afgetobde werkbij, de volledige ondergang der kolonie. Uit de
+maagd zullen duizenden mannetjes geboren worden, en ieder dezer
+mannetjes bezit millioenen zaadlichaampjes, waarvan er geen enkel in
+haar organisme is kunnen binnendringen. Dat is zoo men wil niet
+wonderlijker dan duizend andere analoge verschijnselen; want als men
+zich bezighoudt met deze problemen, voornamelijk met die van de
+voortplanting, waarbij het wonderlijke en verrassende van alle kanten
+opduiken, nog veel overvloediger en nog veel minder volgens menschelijke
+wetten dan in de wonderbaarlijkste tooversprookjes, dan wordt na verloop
+van korten tijd de verbazing zoo iets gewoons, dat men er vrij spoedig
+de notie van verliest. Toch was het feit de moeite waard te worden
+opgeteekend. Doch van een anderen kant, hoe in het reine te komen met de
+bedoeling der natuur, die aldus de darren, welke zoo noodlottig zijn,
+begunstigt ten koste der zoo noodzakelijke werkbijen? Is ze bang, dat
+anders het verstand der wijfjes hen er toe brengen zou het aantal dezer
+nadeelige parasieten, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn voor de
+instandhouding der soort, buitensporig te verminderen? Is het uit
+overdreven reactie tegen den ramp van een onvruchtbare koningin? Behoort
+het tot die al te geweldige en blinde voorzorgsmaatregelen, die de
+oorzaak van het kwaad niet kennen, met het geneesmiddel het doel
+voorbijschieten, en om een lastig geval te vermijden, een ramp
+teweegbrengen? In werkelijkheid&mdash;doch laat ons niet vergeten, dat het
+niet geheel en al de natuurlijke en oorspronkelijke werkelijkheid is,
+daar de kolonies in de primitieve wouden veel meer verspreid moeten
+geleefd hebben dan tegenwoordig, in werkelijkheid ligt het bijna nooit
+aan gebrek aan mannetjes, wanneer een koningin niet is bevrucht, want
+deze zijn altijd talrijk en komen van zeer verre. Veeleer hebben koude
+of regen haar te lang in den korf opgesloten gehouden, en nog vaker de
+onvolkomenheid harer vleugeltjes, waardoor ze niet in staat is tot de
+hooge vlucht, die vereischt wordt door het orgaan der darren. Nochtans
+legt de natuur, zonder rekening te houden met deze meer reëele oorzaken,
+zich met hartstocht toe op het vermenigvuldigen der darren. Ze brengt
+zelfs nog andere wetten in beroering om er te verkrijgen en somtijds
+vindt men zelfs in een verweesden korf twee of drie werkbijen, die zoo
+sterk worden geprikkeld door het verlangen naar instandhouding der
+soort, dat ze zich ondanks hunne verminkte eierstokken inspannen om
+eieren te leggen, hunne organen eenigszins zien opleven onder den drang
+van dit tot het uiterste geprikkeld gevoel, en er werkelijk in slagen
+eenige eieren voort te brengen; doch ook uit deze eieren ontstaan
+evenals uit die der maagd-moeder, enkel darren.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIId" id="XIIId"></a>XIII.</h3>
+
+
+<p>Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien
+onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand
+getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht
+tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij
+veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze
+wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men
+sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar
+daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou
+kunnen houden.</p>
+
+<p>Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag
+legt,&mdash;te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van
+den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het
+doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen
+ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is.
+Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd
+heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den
+overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij
+onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de
+geschiedenis der triongulins der <i>Sitaris Colletis</i>. Men zal trouwens
+zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd
+zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.</p>
+
+<p>Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde,
+afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest
+bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op
+de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze
+zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der
+sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder
+niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de
+algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg
+beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der
+bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van
+levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.&mdash;Maar zoodra
+er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis
+sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder
+te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in
+opsluit.</p>
+
+<p>Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de
+onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de
+triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn
+gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang
+in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een
+andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds
+overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen.
+Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen
+vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger
+heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich
+zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.</p>
+
+<p>Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare
+en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de
+door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen
+maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de
+noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is
+opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt,
+heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige
+nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel
+van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal
+van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar
+al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft
+verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is
+de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van
+het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht
+verdronkenen met één."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIVd" id="XIVd"></a>XIV.</h3>
+
+
+<p>Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig
+in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd
+tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven,
+en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat
+hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal
+maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een
+vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven
+van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn,
+indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt
+met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en
+met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten
+eischt.</p>
+
+<p>Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch
+wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt
+haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een
+misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer
+neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En
+indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?</p>
+
+<p>Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den
+vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken,
+waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te
+staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op
+dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn.
+De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in
+het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van
+dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en
+zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke
+geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de
+bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het
+onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze
+óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der
+natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij
+gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou
+ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men
+aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en
+noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een
+harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen
+en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom
+loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het
+tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit
+verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat
+het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich
+schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt
+hechten?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVd" id="XVd"></a>XV.</h3>
+
+
+<p>Hebben wij het recht uit de gevaren der parthenogenesis het besluit te
+trekken, dat de natuur niet altijd de rechte verhouding weet te treffen
+tusschen middel en doel, dat hetgeen zij wil staande houden zijn behoud
+somtijds te danken heeft aan andere voorzorgsmaatregelen, die ze genomen
+heeft tegen deze voorzorgsmaatregelen zelf, en dikwijls ook aan
+omstandigheden, die haar geheel vreemd zijn, en die ze niet heeft
+voorzien? Maar kan ze voorzien, heeft ze de bedoeling iets staande te
+houden? De natuur, zal men zeggen, is een woord, waarmee we het
+onkenbare dekken, en slechts weinige beslissende feiten geven ons het
+recht haar bedoeling of verstand toe te schrijven. Dat is waar. Hier
+leggen we de hand op de hermetisch gesloten vaten, die onze opvatting
+van het heelal kenmerken. Om er niet onveranderlijk datzelfde opschrift
+<i>Onbekend</i> op te plaatsen, dat ontmoedigt en het stilzwijgen oplegt,
+snijden wij er, al naar vorm en grootte, de woorden in: "Natuur",
+"Leven", "Dood", "Oneindigheid", "Selectie", "Geest der soort", en nog
+vele andere, evenals zij die ons zijn voorgegaan, er de namen "God",
+"Voorzienigheid", "Noodlot", "Belooning" aan hechtten. Dat is zoo, en
+niets meer zoo men wil. Maar zoo het inwendige op deze wijze al duister
+blijft, we hebben er althans dit mee gewonnen, dat we, nu de inschriften
+minder dreigend zijn, die vaten durven naderen, ze aanraken en met
+heilzame nieuwsgierigheid het oor daartegen te luisteren leggen.</p>
+
+<p>Maar welken naam men er ook aan moge geven, dit is zeker, dat althans
+één dezer vaten, het grootste, datgene dat als opschrift het woordje
+"Natuur" draagt, een zeer reëele kracht inhoudt, de meest reëele van
+alle en die op onzen aardbol een verbazend groote en wonderbaarlijke
+hoeveelheid leven weet te onderhouden, door zóó vernuftige middelen, dat
+men zonder overdrijving zeggen mag, dat ze alles overtreffen, wat het
+genie der menschen weet tot stand te brengen. Zouden deze quantiteit en
+deze qualiteit ook kunnen blijven bestaan door andere middelen?
+Vergissen <i>wij</i> ons als wij meenen voorzorgsmaatregelen te zien waar
+misschien niets anders aanwezig is dan een gelukkig toeval, dat een
+millioen ongelukkig toevallen overleeft?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVId" id="XVId"></a>XVI.</h3>
+
+
+<p>'t Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van
+bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen
+als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken
+aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en
+kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan
+bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende
+dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist
+M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil,
+verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de
+myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van
+alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de <i>Amoeba</i>, die
+met huichelachtig geduld loert op de jonge <i>Acineten</i>, als ze uit het
+moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog
+geen giftige sprieten hebben. Deze <i>Amoeba</i> nu bezit noch zenuwstelsel,
+noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de
+planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle
+gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten,
+de <i>Drosera's</i> b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de
+scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze
+eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk
+de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let
+op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de
+kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa
+pollinis (stuifmeelmassa) in de <i>Orchis Morio</i>, de nederige orchidee
+onzer velden<a name="FNanchor_1_12" id="FNanchor_1_12"></a><a href="#Footnote_1_12" class="fnanchor">[1]</a>; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee
+helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het
+insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt
+op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem
+raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de
+<i>Pedicularis Sylvatica</i> (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren
+stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in
+beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op
+onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een
+behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.</p>
+
+<p>We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn <i>Ethics of
+the Dust</i> gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen
+der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien
+een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn
+dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een
+vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over
+den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats
+ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van
+porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens
+verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het
+rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de
+ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds
+bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de
+klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken
+aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de
+zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der
+kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz.....
+Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze
+bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap
+met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of
+insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven,
+krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte
+schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen
+spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het
+verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt
+al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van
+datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt
+van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken
+spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit
+opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige
+omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn
+geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat
+bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden
+hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere,
+welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het
+niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over
+de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder
+verbazingwekkend was voorgekomen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_12" id="Footnote_1_12"></a><a href="#FNanchor_1_12"><span class="label">[1]</span></a> Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te
+geven van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier
+volgt een ruwe schets: het stuifmeel der <i>Orchis Morio</i> is niet korrelig
+maar kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of <i>massa
+pollinis</i> genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van
+onderen in een kleverig kliertje (het <i>retinaculum</i>) dat is vervat in
+een soort van vliezig zakje (het <i>Rostellum</i>), hetwelk bij de geringste
+aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt
+haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in
+aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige
+kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht
+zich het <i>pollinium</i> uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit
+bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes.
+Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op
+het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den
+vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten,
+doch ze zouden den <i>stempel</i>, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet
+worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius
+van de <i>Orchis Morio</i> heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van
+dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft
+om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op
+een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en
+schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting;
+de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van
+die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de
+bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den
+stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men
+zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld
+der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; <i>Over de bevruchting
+der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising,
+1862).</i></p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIId" id="XVIId"></a>XVII.</h3>
+
+
+<p>En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er
+geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het
+gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan
+zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven
+put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er
+zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting
+van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met
+alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd
+heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet
+dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te
+onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het
+toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven,
+dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te
+voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder
+te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.</p>
+
+<p>'t Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel
+te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal
+hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van
+voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik.
+Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de
+ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit
+gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid
+weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo
+ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen
+bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij
+begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten;
+en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter
+linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en
+omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil
+blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere
+vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch
+onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is
+met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat
+hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke
+watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en
+onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig
+schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een
+anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen
+heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en
+verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame
+wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIId" id="XVIIId"></a>XVIII.</h3>
+
+
+<p>Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te
+onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men
+dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich
+op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf,
+die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te
+weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke
+zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist
+daardoor.</p>
+
+<p>Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat
+bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons
+echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn
+als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust?
+Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en
+somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen,
+aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van
+bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en
+dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze
+onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIJFDE_BOEK" id="VIJFDE_BOEK"></a>VIJFDE BOEK.</h3>
+
+<h3>DE PARINGSVLUCHT.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ie" id="Ie"></a>I.</h3>
+
+
+<p>We komen nu tot de wijze waarop de bevruchting der bijen-koningin plaats
+heeft. Ook hier heeft de natuur buitengewone maatregelen genomen om de
+paring van mannetjes en wijfjes uit verschillende moederstokken te
+begunstigen; een vreemde wet, die ze volstrekt niet had behoeven uit te
+vaardigen, een gril of misschien het gevolg van een oorspronkelijke
+nalatigheid, waardoor ze nu allerlei merkwaardige krachten aan 't werk
+moet zetten, om die te herstellen.</p>
+
+<p>Waarschijnlijk zou het heelal, indien zij ook maar de helft van het
+genie, dat ze nu verspilt aan kruisbevruchting en sommige andere
+willekeurige wenschen, had besteed om het leven te verzekeren, het
+lijden te verlichten, den dood te verzachten en afschuwelijke rampen te
+vermijden, ons een minder onbegrijpelijk raadsel zijn geweest, minder
+erbarmelijk dan hetgeen we nu trachten te doorgronden. Maar we hebben
+niet te doen met wat had kunnen zijn, we hebben onze bewustheid en onze
+belangstelling in het bestaande te putten uit hetgeen is.</p>
+
+<p>Rondom de maagdelijke koningin en met haar levende in den korf midden in
+de massa, bewegen zich honderden mannetjes, die altijd dronken zijn van
+honing, en wier eenige reden van bestaan de vereeniging der liefde is.
+Maar hoewel hier twee verlangens, die overal elders alle hinderpalen
+omverworpen, voortdurend met elkaar in aanraking zijn, heeft de paring
+nooit plaats in den korf, en men is er nog nooit in geslaagd, een
+gevangen koningin te doen bevruchten<a name="FNanchor_1_13" id="FNanchor_1_13"></a><a href="#Footnote_1_13" class="fnanchor">[1]</a>. De minnaars, die haar omgeven,
+weten niet wat ze is, zoolang ze in hun midden woont. Zonder te
+vermoeden dat ze zoo juist van haar afkomen, dat ze met haar sliepen op
+dezelfde raten, dat ze misschien in de haast van het uitvliegen tegen
+haar aan zijn gebonsd, gaan ze haar zoeken in de ruimte, op de meest
+verborgen plaatsjes van den horizont. 't Is alsof hunne
+bewonderenswaardige oogen, die hun geheelen kop bedekken als een
+schitterende helm, haar eerst leeren kennen en begeeren, wanneer ze
+zweeft in het azuur. Dagelijks van elf tot drie uur, wanneer het licht
+zijn hoogsten glans heeft en vooral wanneer de middag tot aan de grenzen
+des hemels zijn groote blauwe vleugelen uitspreidt om de vlammen der zon
+aan te wakkeren, gaat hunne gevederde horde er haastig op uit om de
+echtgenoote op te sporen, die nog koninklijker en nog moeielijker te
+verkrijgen is dan alle ongenaakbare prinsessen uit de sprookjes, want
+twintig of dertig stammen omringen haar en komen uit alle naburige
+staten aansnellen, om een hofstoet van meer dan tien duizend
+pretendenten voor haar te vormen. Uit deze duizenden zal er één enkele
+worden uitgekozen voor één enkelen kus van ééne minuut, die hem aan het
+geluk maar tevens aan den dood zal huwen, terwijl alle overigen doelloos
+rondom het verbonden paar heenvliegen, en weldra zullen sterven zonder
+de begoochelende en noodlottige verschijning weer te zien.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_13" id="Footnote_1_13"></a><a href="#FNanchor_1_13"><span class="label">[1]</span></a> Aan Professor Mc Lain is het onlangs gelukt eenige
+koninginnen kunstmatig te bevruchten, doch eerst na eene echte,
+chirurgicale, gevaarlijke en ingewikkelde operatie. Overigens was de
+vruchtbaarheid dezer koninginnen beperkt en voorbijgaand van aard.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIe" id="IIe"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet.
+In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In
+zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend,
+want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren
+brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies
+gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in
+de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die
+kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.</p>
+
+<p>En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende
+arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de
+vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die
+in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is
+altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de
+voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en
+werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen
+al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten
+en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante
+gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er
+is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er
+zachter bij te voegen:&mdash;"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij
+niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen,
+overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de
+onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige
+weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan
+haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de
+dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die
+wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de
+geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't
+stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken
+met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten
+bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig
+onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets
+te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel
+klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den
+honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij
+staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden
+met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de
+duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke
+maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet
+één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat
+niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft
+hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen
+opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke)
+minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden
+enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft
+ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl
+de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van
+Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk,
+terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een
+voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken
+tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den
+arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het
+leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid
+waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in
+moeite en kommer.</p>
+
+<p>Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de
+trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer
+buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons
+ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter
+zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven
+onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan
+een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts
+een onzeker schijnsel zouden afwerpen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIe" id="IIIe"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der
+bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van
+een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel
+echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen
+terugkeer der echtgenoote waarnemen.</p>
+
+<p>Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter
+hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in
+de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest
+graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met
+een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende
+morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte
+des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger,
+wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar
+een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van
+den dageraad doorlaten.</p>
+
+<p>Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige
+honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel
+omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf
+achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt
+achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en
+wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze
+nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen,
+vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo
+bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich
+op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in
+hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning
+opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van
+den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige
+bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich
+om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen
+steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor
+gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar
+kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid
+van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de
+blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt
+als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide
+luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de
+ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat
+niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie
+kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar
+onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De
+zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht
+gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en
+verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts
+een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van
+hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op
+haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele
+snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner
+omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IVe" id="IVe"></a>IV.</h3>
+
+
+<p>De meeste wezens hebben een onbestemd gevoel, dat een zeer onbetrouwbaar
+toeval, een soort van doorschijnend vlies, den dood scheidt van de
+liefde, en dat de diepste gedachten der natuur verlangen, dat men
+sterven zal op 't oogenblik waarop men leven wekt. Waarschijnlijk maakt
+deze erfelijke vrees de liefde van zoo groot gewicht. Hier althans wordt
+dit denkbeeld in zijn primitieven eenvoud tot werkelijkheid, dit
+denkbeeld waarvan een herinnering blijft nazweven over den kus des
+menschen. Zoodra de paring is voltrokken opent zich de buik van den dar,
+het orgaan scheurt af en neemt de massa der ingewanden met zich mee, de
+vleugels ontspannen zich en als had dit huwelijk hem met een
+bliksemschicht gedood, draait het geledigde lichaam even rond en valt in
+den afgrond.</p>
+
+<p>Dezelfde gedachte, die straks in de parthenogenesis de toekomst van den
+korf aan de buitengemeene vermenigvuldiging der darren ten offer bracht,
+offert hier het mannetje aan de toekomst van den korf.</p>
+
+<p>Deze gedachte zet ons altijd op nieuw in verbazing; hoe meer men haar
+zoekt te doorgronden, des te minder zekerheid krijgt men, en Darwin
+b.v., om dengene te noemen die van alle menschen er de meest
+hartstochtelijke en methodische studie van heeft gemaakt, Darwin raakt
+zonder het te willen bekennen bij iedere schrede meer van de wijs en
+krabbelt achteruit tegenover het onverwachte en onvereenigbare. Zie hem
+eens, als ge getuige wilt zijn van het vernederend en toch edel
+schouwspel van het menschelijk genie, den strijd aanbindend tegen de
+oneindige macht, zie hem eens in zijn pogingen om de vreemde,
+ongelooflijke, geheimzinnige en onsamenhangende wetten van de
+onvruchtbaarheid en de vruchtbaarheid der bastaardsoorten of die van de
+variëteiten in de karakters der soorten of geslachten te ontwarren.
+Nauwelijks heeft hij een regel geformuleerd of uitzonderingen zonder tal
+dringen op hem aan, en al spoedig mag de aangevallen regel blij zijn als
+hij een boekje vindt om zich in te verschuilen en onder den naam van
+uitzondering zijn bestaan te kunnen rekken.</p>
+
+<p>Dit komt doordat in de bastaardsoorten, in de variëteiten (vooral in de
+gelijktijdige variëteiten, die men correlaties van groei noemt) in het
+instinct, in de gevallen van vitale concurrentie, in de selectie, in de
+geologische opvolging en de geographische verspreiding der bewerktuigde
+wezens, in de wederkeerige verwantschap, evenals overal elders, de
+gedachte der natuur uitvoerig en slordig, zuinig en kwistig, voorzichtig
+en onoplettend, onstandvastig en onwankelbaar, druk en onbewegelijk, één
+en ontelbaar, grootsch en popperig is uitgedrukt op hetzelfde oogenblik
+en bij hetzelfde verschijnsel. Terwijl ze het onmetelijk en maagdelijk
+veld van den eenvoud vóór zich had, bevolkt ze het met kleine
+vergissingen, tegenstrijdige wetjes, kleine lastige vraagstukken, die in
+het leven geen weg weten, even als blinde kudden. 't Is waar, zóó
+gebeurt alles in onze oogen, waarin alleen die werkelijkheid weerkaatst
+wordt, die zich aanpast aan onze bevatting en onze behoeften, en niets
+geeft ons het recht te gelooven, dat de natuur hare verkeerde oorzaken
+en gevolgen uit het oog verliest.</p>
+
+<p>In ieder geval laat ze hun zelden toe al te ver te gaan en te naderen
+tot gevaarlijke en onlogische gewesten. Ze beschikt over twee krachten,
+die nimmer hun macht verliezen, en wanneer de verschijnselen zekere
+grenzen overschrijden, dan geeft ze een wenk aan leven of dood, die dan
+weer de orde komen herstellen en onverschillig den weg weer nieuw
+afbakenen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ve" id="Ve"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels
+en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre
+beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als
+een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in
+de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel
+de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa,
+de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van
+verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote
+stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de
+moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich
+aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts
+beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte
+af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even
+goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar
+ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?</p>
+
+<p>Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door
+zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt
+hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme
+massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te
+vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen
+dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur,
+vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur
+is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog
+eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een
+enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan
+dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had
+opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo
+dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand
+en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af
+te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn
+principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek
+te onderwerpen.</p>
+
+<p>Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te
+geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken,
+leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen
+geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog
+staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg
+lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich
+beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het
+moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen,
+dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt.
+Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in
+zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen,
+dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan
+lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een
+massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij
+verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat
+hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen
+hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag
+regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het
+schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste.
+Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn
+leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen,
+even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in
+beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met
+het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij&mdash;eeuwen lang, indien
+het moet,&mdash;totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot
+andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle
+andere in zich op te nemen en te overtreffen.</p>
+
+<p>In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de
+verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat
+grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide
+te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder
+goed te handelen dan men denkt&mdash;het slechtere te zien en het betere te
+volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is
+altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons
+van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte
+waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige
+waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen
+is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en
+natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet
+op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons
+zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te
+stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere
+wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid:
+want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en
+aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of
+evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den
+grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep
+in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIe" id="VIe"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het
+voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog
+op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen
+mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward
+als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten
+onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een
+oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen
+werken.</p>
+
+<p>Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude
+wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten,
+waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet
+ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat
+gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is
+voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam
+van de echtgenoote.</p>
+
+<p>Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl
+de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan
+wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare
+thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag
+leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb
+herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken,
+dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die
+gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het
+hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een
+kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen
+buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er
+dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze
+haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze
+den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat
+punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is
+in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen
+don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de
+bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die
+blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief
+en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk
+eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil
+men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen,
+logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren,
+die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden
+tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden
+beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom
+zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen,
+die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen
+interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt
+dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen
+de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den
+waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies
+even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en
+alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er
+wonderen van te verhalen.</p>
+
+<p>Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende
+koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die
+haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle
+feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden
+binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in
+schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm
+als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en
+barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze
+bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk
+te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang
+belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de
+overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en
+weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en
+veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het
+zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar
+uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis
+van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het
+vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen
+geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het
+mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de
+paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk
+dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een
+dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich
+besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet
+meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te
+vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van
+haar dood.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIe" id="VIIe"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar
+zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate
+tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen,
+bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en
+verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de
+dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde
+ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is,
+deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van
+den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch
+altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en
+met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine,
+brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange
+toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt
+met het hem ten deel vallend tiende.</p>
+
+<p>De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere,
+voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien
+zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet
+aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen)
+zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal
+liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien
+hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om
+zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó
+bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan
+in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd
+vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen
+uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen
+dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting
+van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het
+gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die
+verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den
+grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIIe" id="VIIIe"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven
+verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"</p>
+
+<p>Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle
+dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat
+onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die
+kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of
+andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief
+dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont
+dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief
+zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter
+belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het
+bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de
+meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die
+wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en
+grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn
+in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot
+algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we
+hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren
+voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en
+gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van
+vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die
+misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen
+bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart
+en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen.
+Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het
+schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die
+hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook
+opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert,
+verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader.
+En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit
+verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid
+uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IXe" id="IXe"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen,
+aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter
+daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't
+voorbeeld, dat we bespraken,&mdash;op zichzelf is dat niets, maar we blijven
+er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en
+van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van
+waarheden,&mdash;wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische
+verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te
+houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er
+dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden
+is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende
+wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger
+en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest
+in onze dagen, die te goeder trouw is.</p>
+
+<p>Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat
+enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen,
+wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden
+weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't
+geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere
+gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat
+de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien
+we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan
+die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het
+vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't
+leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een
+vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en
+grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder
+van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven
+hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar
+huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance
+der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in
+handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar
+atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij
+hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten
+zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het
+heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.</p>
+
+<p>We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle
+andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze
+ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we
+haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een
+verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan
+zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende
+grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid
+zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te
+doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer
+we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en
+moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van
+dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat
+we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne
+naaktheid hebben ten toon gesteld.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Xe" id="Xe"></a>X.</h3>
+
+
+<p>"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen
+onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben
+de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm
+een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een
+keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij
+ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt,
+bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De
+vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt,
+de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer
+sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige,
+liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde
+laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende
+kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de
+oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt
+schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons
+binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den
+schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer
+de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde
+te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen
+daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."</p>
+
+<p>We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië,
+dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd
+park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap
+zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar
+het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk
+wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte,
+die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te
+stapelen.</p>
+
+<p>"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon.
+Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan
+alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het
+tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de
+avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden,
+een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven
+hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige
+palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden
+om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het
+azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter
+halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle
+lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is,
+en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun
+monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde
+dingen deden en nog in hun midden zijn.</p>
+
+<p>Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te
+bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in
+Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen
+genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig
+leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk
+leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt,
+zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn
+hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze
+hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het
+landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom,
+zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is
+eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in
+de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen
+onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of
+diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en
+komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid
+of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de
+waarheid wordt genoemd."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIe" id="XIe"></a>XI</h3>
+
+
+<p>"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo
+schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden
+en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden
+teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat
+men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan
+beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.</p>
+
+<p>Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de
+bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart
+dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste
+mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik
+niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den
+alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet,
+dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat
+waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de
+gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig,
+leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer
+gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene
+uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen
+bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is,
+elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen.
+Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een
+groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang
+nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang
+ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen
+wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik
+van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid,
+waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.</p>
+
+<p>Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog,
+de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij
+dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid.
+Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van
+die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de
+aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet
+dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets
+vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier
+bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de
+macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen
+dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten
+nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal
+uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn
+vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb
+de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen
+tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk
+weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij
+geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast
+had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is
+niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een
+oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt
+hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet,
+hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er
+voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou
+dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets
+achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen,
+rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met
+het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van
+de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om
+zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene
+kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat
+voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak
+is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen
+de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk
+leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de
+eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIe" id="XIIe"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens
+om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de
+werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in
+de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten
+erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter
+bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand
+houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor
+oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij
+La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des
+nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en
+wortels...."</p>
+
+<p>"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is
+mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid
+moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer
+organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we
+zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het
+overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds
+gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus
+niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden.
+Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère
+nog niet hadden.&mdash;"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat
+afschuwelijke half-beest." mompelde ik.&mdash;"Zoo spreekt ge onder den
+invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we
+gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien,
+welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en
+laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't
+geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te
+benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het
+dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich
+aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen
+te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het
+gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet
+bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel
+kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder
+afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt,
+misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich
+voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de
+afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en
+hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder
+deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn
+gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd
+dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven.
+Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons
+idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die
+men voor de hoogste houdt.</p>
+
+<p>En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo
+trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer
+verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten,
+dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die
+wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest
+reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste
+verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te
+heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik
+ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien
+vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een
+beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan
+ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe
+ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs
+niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig
+wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op
+gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge
+hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt
+voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander
+toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe
+onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze
+reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een
+wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig
+intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel
+wezenlijk goed kon doen bereiken.</p>
+
+<p>"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit
+schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even
+groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons.
+Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig
+principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe.
+Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft
+ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of
+we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het
+mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons
+heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons
+staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte.
+Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu.
+En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is
+de laatste waarheid."</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="ZESDE_BOEK" id="ZESDE_BOEK"></a>ZESDE BOEK.</h3>
+
+
+<h3>DE DARRENSLACHT.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="If" id="If"></a>I.</h3>
+
+
+<p>Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm
+blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan
+dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of
+misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke
+aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.&mdash;Deze gedragen zich in den
+korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen
+en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende,
+onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den
+doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd,
+gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke
+minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling,
+onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten
+staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun
+gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf
+van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze
+bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen
+stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en
+drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid
+trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon,
+vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte
+kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin
+fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen,
+deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de
+schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver,
+die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke,
+overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel
+drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor
+een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan
+kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze
+gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde
+drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde
+groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur,
+dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren
+krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en
+keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen
+bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIf" id="IIf"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren
+morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond
+tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen.
+Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en
+beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der
+eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is
+uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken
+af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards,
+die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de
+honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende
+maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet,
+en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid
+heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze
+verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien
+met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne
+dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de
+richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn
+voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden,
+van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm,
+marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die
+heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen
+hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend
+braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De
+geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den
+nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn,
+waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en
+wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven
+van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het
+omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der
+ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der
+gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne
+steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt,
+de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een
+opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard
+daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit
+van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de
+voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der
+aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op
+onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al
+rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot
+ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren
+ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de
+diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid
+afstaat, haastig terugkeert en&mdash;doch te vergeefs&mdash;gratie zou willen
+vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet
+der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne
+pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte
+oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur
+en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu,
+verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van
+angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden
+onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde
+begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst,
+weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar
+hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van
+gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne
+tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze,
+door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf
+om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een
+onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen
+opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld
+die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers
+wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIf" id="IIIf"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies
+van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het
+sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun
+voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud
+en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den
+winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin,
+die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan
+komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten
+en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng
+omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf
+in alle stilte omkomt.</p>
+
+<p>Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte
+en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds
+wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de
+groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden
+zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap,
+zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone
+Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren
+begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing
+opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad
+volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het
+onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal
+geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer
+en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen
+van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis
+rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche
+volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van
+Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.</p>
+
+<p>De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf
+heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de
+allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten
+vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één
+voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij
+een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven.
+Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te
+deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door
+steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de
+nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap.
+Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan
+elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten,
+waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den
+zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin,
+omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de
+verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door
+een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het
+omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen
+bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere
+afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een
+roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en
+die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar
+gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in
+tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen
+in den winter wel, doch het staat niet stil<a name="FNanchor_1_14" id="FNanchor_1_14"></a><a href="#Footnote_1_14" class="fnanchor">[1]</a>. Door de eenparige
+beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het
+zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de
+temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een
+gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze
+geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger
+tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne
+oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als
+het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten,
+bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan
+anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de
+verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft,
+en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij
+vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de
+werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele
+blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de
+werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de
+wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan
+het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en
+nieuw leven ontvangen.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_14" id="Footnote_1_14"></a><a href="#FNanchor_1_14"><span class="label">[1]</span></a> Een flinke korf verteert gewoonlijk gedurende de
+inwintering, die in onze streken ongeveer zes maanden duurt, namelijk
+van October tot begin April, twintig à dertig pond honing.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="ZEVENDE_BOEK" id="ZEVENDE_BOEK"></a>ZEVENDE BOEK.</h3>
+
+
+<h3>DE VOORUITGANG DER SOORT.</h3>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Ig" id="Ig"></a>I.</h3>
+
+
+<p>Alvorens dit boek te besluiten, zooals we den korf hebben gesloten over
+de verstijfde stilte van den winter, wil ik zelf een tegenwerping maken,
+die slechts zelden uitblijft van de zijde dergenen, voor wie men de
+verrassende staatkunde en nijverheid der bijen ontvouwt. Ja, mompelen
+zij, dat alles is nu heel wonderbaarlijk, maar zonder dat er eenige
+verandering in komt. Daar leven ze nu reeds duizenden jaren onder
+merkwaardige wetten, maar duizenden jaren zijn deze wetten dezelfde
+gebleven. Reeds duizenden jaren bouwen ze die merkwaardige raten,
+waaraan men niets heeft toe te voegen of af te nemen, en waarin men de
+kennis van den scheikundige, den landmeter, den architect en den
+ingenieur vereenigd aanschouwt; doch deze raten zijn precies gelijk aan
+die welke men in oude sarcophagen vindt of die staan afgebeeld op
+Egyptische steenen en papyrusrollen. Noem ons één enkel feit, dat wijst
+op eenigen den minsten vooruitgang, wijs ons op een of andere
+bijzonderheid, die toont dat ze iets nieuws hebben ingevoerd, een enkel
+punt, waarop ze de routine van eeuwen hebben gewijzigd: dan zullen we
+ons buigen en erkennen, dat in hen niet alleen een bewonderenswaardig
+instinct schuilt, maar een verstand, hetwelk recht heeft dat van den
+mensch ter zijde te streven, en tegelijk met hem te hopen op een of
+andere bestemming, hooger dan die van de onbewuste of afhankelijke
+materie.</p>
+
+<p>Niet alleen de leek spreekt aldus, maar bekende entomologen als Kirby en
+Spence hebben hetzelfde argument aangevoerd, om aan de bijen elk ander
+intellect te ontzeggen buiten en behalve dat hetwelk zich nauw merkbaar
+beweegt in den engen kerker van een verrassend doch onveranderlijk
+instinct. "Toon ons," zeggen zij, "één enkel geval, waarin ze, door de
+omstandigheden gedrongen, b.v. op het denkbeeld zijn gekomen de was en
+de maagdenwas te vervangen door klei of mortel, dan zullen we
+toestemmen, dat ze in staat zijn tot overleg'."</p>
+
+<p>Deze redeneering, die Romanes "The question begging argument" noemt, en
+die men ook wel de "onverzadelijke redeneering" zou kunnen noemen, is
+hoogst gevaarlijk en zou ons, op den mensch toegepast, buitengewoon ver
+doen afdwalen. Wel beschouwd spruit ze voort uit dat "eenvoudig gezond
+verstand," dat dikwijls heel wat kwaad aanricht en dat aan Galileï ten
+antwoord gaf: "Niet de aarde draait, want ik zie de zon zich aan den
+hemel bewegen, 's morgens weer opkomen en des avonds ondergaan, en niets
+gaat boven het getuigenis mijner oogen." Gezond verstand is uitstekend
+en noodig als grondslag voor onzen geest, onder voorwaarde echter, dat
+het wordt gecontroleerd door iets hoogers, dat nimmer sluimert en dat
+waar het noodig is, aan datzelfde gezond verstand herinnert, hoe
+oneindig groot nog zijne onkunde is; zoo niet, dan is 't niets meer dan
+de routine der lagere deelen van ons intellect. De bijen zelven echter
+hebben antwoord gegeven op de tegenwerping van Kirby en Spence.
+Nauwelijks was ze uitgesproken, of een ander natuuronderzoeker, Andrew
+Knight, kwam, toen hij de zieke schors van zekere boomen had bestreken
+met een soort van cement, vervaardigd uit was en terpentijn, tot de
+ontdekking, dat zijne bijen het inzamelen van maagdenwas geheel hadden
+opgegeven en uitsluitend deze hun onbekende materie gebruikten, die
+weldra beproefd werd bevonden en algemeen aangenomen, daar ze die geheel
+gereed en in overvloed vonden in de omgeving hunner woning.</p>
+
+<p>Trouwens, de helft van de theorie en de praktijk der bijenkunde is de
+kunst, vrijen loop te laten aan het initiatief der bij, aan haar
+ondernemend verstand gelegenheid te geven zich te oefenen, en echte
+ontdekkingen, wezenlijke uitvindingen te doen. Zoo gebeurt het b.v. wel,
+dat bijenhouders, wanneer het stuifmeel schaarsch is in de bloemen, een
+zekere hoeveelheid meel in de nabijheid van den bijenstand uitstrooien,
+om zoodoende mede te helpen aan het grootbrengen der larven en nymphen.
+'t Is vrij duidelijk, dat de bijen een dergelijke stof nooit hebben
+aangetroffen in hun natuurstaat, in hunne oorspronkelijke woonplaatsen,
+de bosschen of Aziatische valleien, waar zij waarschijnlijk het
+levenslicht aanschouwden in het tertiaire tijdperk. En toch, wanneer men
+zorg draagt er eenige te lokken, door ze op het uitgestrooide meel te
+zetten, dan betasten ze het, proeven het, zien in, dat het in qualiteit
+bijna gelijk staat met het stof der helmknopjes, keeren naar den korf
+terug, deelen de tijding mede aan hunne zusteren en ziet, daar komen
+alle honingdraagsters op deze onverwachte en onbegrijpelijke spijze
+aanvliegen, terwijl toch in hunne aangeboren herinneringen hun voedsel
+onafscheidelijk moet zijn van de bloemkelken, waar zij reeds sedert zoo
+vele eeuwen zulk een weelderig en overdadig onthaal vinden.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIg" id="IIg"></a>II.</h3>
+
+
+<p>Nauwelijks honderd jaar, namelijk sedert den arbeid van Huber, is men
+bezig een ernstige studie te maken van de bij en de eerste belangrijke
+waarheden te vinden, die maken, dat men ze met vrucht kan waarnemen.
+Iets meer dan vijftig jaar geleden werd, dank zij de raten en korven met
+lossen bouw van Dzierzon en Langstroth, de rationeele en praktische
+bijenkunde gegrondvest en was de korf niet langer dat onschendbaar huis,
+waarin alles gebeurde in een diep mysterie, dat men eerst eenigszins kon
+doorgronden, nadat de dood het in puin had gestort. En eindelijk, nog
+geen vijftig jaar is het geleden, dat de verbeteringen in het microscoop
+en het laboratorium van den entomoloog het juiste geheim hebben
+geopenbaard van de voornaamste organen der werkbij, koningin en darren.
+Is 't nu zoo vreemd, dat onze kennis even weinig omvattend is als onze
+ervaring? De bijen leven al duizenden jaren en wij nemen ze waar sedert
+tien of twaalf lustra. Zelfs dan, wanneer het ware uitgemaakt, dat er
+niets veranderd is in den korf sedert wij dien hebben geopend, zouden we
+dan het recht hebben daaruit op te maken, dat er ook nooit iets in
+gewijzigd is vóór wij hem hebben ondervraagd? Weten we dan niet, dat een
+eeuw in de evolutie eener soort verloren gaat als een regendruppel in
+een draaikolk, en dat een milennium voor het leven der algemeene materie
+even snel voorbij gaat als een jaar voor de geschiedenis van een volk?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IIIg" id="IIIg"></a>III.</h3>
+
+
+<p>Maar 't is volstrekt geen uitgemaakte zaak, dat er niets veranderd is in
+de gewoonten der bijen. Wanneer men ze zonder vooroordeel onderzoekt,
+zal men zonder nog het kleine veld, waarop het licht van onze
+hedendaagsche ervaring valt, te verlaten, integendeel zeer merkbare
+afwijkingen vinden. En wie zal zeggen, welke ons ontgaan? Een waarnemer,
+die ongeveer honderd vijftig maal onze grootte had en bijna zeven
+honderd duizend maal ons gewicht (dit zijn de verhoudingen tusschen onze
+gestalte en ons gewicht en die van de nederige honingbij), die onze taal
+niet verstond en geheel andere zintuigen had dan wij, zou er zich
+rekenschap van geven, dat er vrij merkwaardige materieele veranderingen
+hebben plaats gehad in de laatste twee derden dezer eeuw, doch hoe zou
+hij zich een denkbeeld vormen van de moreele, sociale, godsdienstige,
+staatkundige en economische evolutie?</p>
+
+<p>Zoo straks zal die wetenschappelijke hypothese, welke onder alle de
+grootste waarschijnlijkheid bezit, ons veroorloven onze huis-bij in
+verbinding te brengen met den grooten stam der Apiërs, waaronder zich
+waarschijnlijk hare voorouders bevinden en die alle wilde bijen
+omvat<a name="FNanchor_1_15" id="FNanchor_1_15"></a><a href="#Footnote_1_15" class="fnanchor">[1]</a>. Dan zullen we physiologische, sociale, economische,
+industrieele en bouwkundige veranderingen zien, die nog van meer belang
+zijn dan die van onze menschelijke evolutie. Voor 't oogenblik houden
+wij ons aan onze eigenlijk gezegde honingbij. Men telt daarvan ongeveer
+zestien vrij duidelijk te onderscheiden soorten; maar in den grond der
+zaak is het, of men te doen heeft met de <i>Apis Dorsata,</i> de grootste, of
+met de <i>Apis Florea</i>, de kleinste die men kent, precies hetzelfde
+insect, enkel min of meer gewijzigd door het klimaat en de
+omstandigheden, waaraan het zich heeft moeten aanpassen. Al die soorten
+verschillen onderling niet veel meer dan een Engelschman van een
+Spanjaard of een Japannees van een Europeaan. Terwijl we zoodoende onze
+eerste opmerkingen eenigszins beperken, zullen we hier enkel aanvoeren,
+wat we met onze eigen oogen en op dit zelfde oogenblik zien, zonder
+behulp van eenige hypothese, hoe waarschijnlijk en onvermijdelijk die
+zijn moge. Wij zullen niet alle feiten, die men zou kunnen opnoemen, de
+revue laten passeeren. Eenige der gewichtigste, in vlugge opsomming,
+zullen voldoende zijn.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_15" id="Footnote_1_15"></a><a href="#FNanchor_1_15"><span class="label">[1]</span></a> Ziehier de plaats, die onze gewone bij inneemt in de
+wetenschappelijke classificatie:
+</p>
+<div class="center">
+<table border="0" cellpadding="1" cellspacing="0" summary="">
+<tr><td align="left">Klasse</td><td align="left">&mdash;&mdash;</td><td align="left">Insecten</td></tr>
+<tr><td align="left">Orde</td><td align="left">&mdash;&mdash;</td><td align="left">Vliesvleugelige (Hymenoptera)</td></tr>
+<tr><td align="left">Familie</td><td align="left">&mdash;&mdash;</td><td align="left">Apiden</td></tr>
+<tr><td align="left">Geslacht</td><td align="left">&mdash;&mdash;</td><td align="left">Apis</td></tr>
+<tr><td align="left">Soort</td><td align="left">&mdash;&mdash;</td><td align="left">Honingbij (Mellifica).</td></tr>
+</table></div>
+<p>
+De term <i>Mellifica</i> behoort tot de klassen-indeeling volgens Linnaeus.
+Hij is niet zeer gelukkig, daar, enkele parasieten misschien
+uitgezonderd, alle Apiden mellifica zijn. Scopoli zegt: <i>Cerifera</i>;
+Réaumur <i>domestica;</i> Geoffroy <i>gregaria</i>. De <i>Apis ligustica</i>, de
+Italiaansche bij, is eene variëteit van de <i>Apis Mellifica</i>.</p></div>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<h3><a name="IVg" id="IVg"></a>IVf.</h3>
+
+
+<p>En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering,
+die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de
+uitwendige bescherming van de gemeenschap.</p>
+
+<p>De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel,
+overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel
+door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en
+in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven
+aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten
+hemel bouwen. De <i>Apis Dorsata</i> in Indië zoekt niet met voorliefde holle
+boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en
+de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie
+opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen
+zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot
+dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden
+in het struikgewas.<a name="FNanchor_1_16" id="FNanchor_1_16"></a><a href="#Footnote_1_16" class="fnanchor">[1]</a></p>
+
+<p>Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte
+noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot
+werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke
+warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het
+broedsel grootbrengen, dat de <i>Apis Dorsata</i> zoo aan de takken hangend,
+maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen
+stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in
+dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen
+der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke
+methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke
+teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door
+alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen
+overleven.</p>
+
+<p>Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand
+een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het
+oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk
+vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen,
+de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht
+vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of
+grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even
+gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het
+vuur voor dat van het menschelijk geslacht.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_16" id="Footnote_1_16"></a><a href="#FNanchor_1_16"><span class="label">[1]</span></a> Het geval komt zelfs vrij veelvuldig voor bij een tweeden
+en derden zwerm, omdat deze minder ervaren en minder voorzichtig zijn
+dan de oorspronkelijke zwerm. Ze hebben een jonge en wufte koningin aan
+het hoofd en bestaan bijna geheel uit zeer jonge bijen, in wie het
+oorspronkelijke instinct zich nog luider doet hooren, daar ze nog niets
+weten van de strengheid en de nukken van onzen barbaarschen hemel.
+Overigens overleeft geen dezer zwermen de eerste herfstvlagen, en zoo
+vermeerderen zij het ontelbaar aantal slachtoffer van de langzame en
+raadselachtige proefnemingen der natuur.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Vg" id="Vg"></a>V.</h3>
+
+
+<p>Na dezen grooten stap vooruit, die, al is hij oud en overgeërfd, toch
+ook aktueel is, vinden we een massa oneindig verscheiden bijzonderheden,
+die ons bewijzen, dat de nijverheid en de staatkunde van den bijenkorf
+niet zijn vastgelegd in onverbrekelijke formules. We spraken over het
+verstandig verwisselen van stuifmeel voor meel, en van de maagdenwas
+voor een kunstmatig cement. We hebben gezien, hoe knap ze de woningen,
+waarin men hen bracht, in plaats van zich daardoor uit het veld te laten
+slaan, voor hun doel geschikt wisten te maken. We hebben ook gezien, hoe
+verbazend handig ze onmiddellijk partij wisten te trekken van de
+kunstraten voorzien van cellen-indruk, die men voor hen had bedacht.
+Hier is het werkelijk iets heel buitengewoons, hoe ze een wonderbaar
+gelukkig, maar onvolmaakt verschijnsel zich ten nutte wisten te maken.
+Ze hebben werkelijk den mensch met een half woord begrepen. Stel u eens
+voor, dat wij sedert eeuwen onze steden in plaats van met hardsteen,
+kalk en baksteen, met een zekere smeedbare substantie hadden gebouwd,
+die we met moeite moesten afscheiden door speciaal daartoe bestemde
+organen van ons lichaam. Op zekeren dag zet een almachtig wezen ons neer
+midden in een fabelachtige stad. We zien al spoedig, dat deze gemaakt is
+van een zelfde stof als die, welke wij afscheiden, maar de rest is als
+een droom, waarin wel samenhang is, doch zóó vervormd en verkleind en
+saamgedrongen, dat hij ons nog meer van de wijs brengt dan het geval zou
+zijn als we er geen samenhang in bespeurden. Ons gewone bouwplan vinden
+we er in terug, alles is er wat we verwachtten, doch slechts in aanleg
+en als 't ware verpletterd door een reeds vóór zijn ontstaan daarop
+inwerkende kracht, die het heeft vastgehouden als ontwerp en verhinderd
+zich verder te ontwikkelen. De huizen, die vier of vijf meter hoog
+moeten zijn, vormen kleine verhevenheden, welke we met onze beide handen
+kunnen bedekken. Duizenden muren zijn aangegeven door een streepje, dat
+tegelijkertijd hun omtrek aangeeft en de stof, waarvan ze gebouwd zullen
+worden. Elders weer zijn groote onregelmatigheden, die we zullen moeten
+in orde brengen, afgronden om te dempen en in harmonie te brengen met
+het geheel, uitgestrekte wankelende massa's, die een stut noodig hebben.
+Want 't werk is wel verrassend, maar onzeker en gevaarlijk, Het is
+uitgedacht door een scherp verstand, dat de meeste onzer bedoelingen
+heeft geraden, doch ze slechts heel ruw heeft kunnen uitvoeren, daar
+juist zijn reusachtigheid het in den weg stond. 't Komt er dus nu maar
+op aan, dit alles te ontwarren, partij te trekken van de geringste
+bedoelingen van den bovennatuurlijken gever, in enkele dagen te bouwen,
+wat anders jaren vereischt, organische gewoonten op te geven, de
+methode van arbeid totaal onderst boven te werpen. Zeer zeker zou de
+mensch al zijn opmerkzaamheid noodig hebben om de vraagstukken op te
+lossen, die zich hier voordeden, en niets te verliezen van de hulp, die
+hem op deze wijze door een grootsche voorzienigheid werd aangeboden. En
+toch dit alles doen zoo ongeveer de bijen in onze nieuwerwetsche
+bijenkorven<a name="FNanchor_1_17" id="FNanchor_1_17"></a><a href="#Footnote_1_17" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_17" id="Footnote_1_17"></a><a href="#FNanchor_1_17"><span class="label">[1]</span></a> Daar we ons hier voor het laatst met de bouwkunst der bijen
+bezighouden, willen we in 't voorbijgaan een merkwaardige bijzonderheid
+van de <i>Apis Florea</i> aanteekenen. Enkele wanden van hare darren-cellen
+zijn cylindrisch in plaats van zeshoekig. Zij schijnt nog niet geheel in
+'t gereede te zijn met den overgang van den eenen vorm tot den anderen,
+en het definitief aannemen van den besten.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIg" id="VIg"></a>VI.</h3>
+
+
+<p>Zelfs de staatkunde der bijen, heb ik gezegd, staat waarschijnlijk niet
+onveranderlijk vast. Dit is het duisterste punt, dat ook het moeilijkst
+valt te constateeren. Ik zal niet stilstaan bij de verschillende
+manieren, waarop ze hunne koninginnen behandelen, bij de wetten van het
+zwermen, die iedere korf voor zichzelf heeft en die blijkbaar van
+geslacht op geslacht worden overgeleverd, enz. Doch naast deze feiten,
+die nog niet voldoende vaststaan, zijn er andere constante en scherp
+omlijnde, die ons doen zien, dat niet alle rassen der honingbij
+denzelfden trap van staatkundige ontwikkeling hebben bereikt en dat men
+er vindt, waar de publieke opinie zich tastend voortbeweegt en misschien
+een andere oplossing zoekt voor het probleem van het koningschap. De
+Syrische bij b.v. voedt gemeenlijk honderd twintig koninginnen op en
+dikwijls nog meer, terwijl onze <i>Apis mellifica</i> er hoogstens tien of
+twaalf groot brengt. Cheshire spreekt van een volstrekt niet abnormalen
+Syrischen korf, waarin men een en twintig doode en negentig levende en
+vrije koninginnen ontdekte. Hier staan we dus aan het aanvangs- of
+eindpunt van een tamelijk vreemde evolutie, waarvan het interessant zou
+zijn ze grondig te bestudeeren. Laat ons er nog bijvoegen, dat wat de
+koninginnen betreft, de Cyprische bij de Syrische zeer nabij komt. Is
+dit een nog eenigszins onzekere terugkeer tot de oligarchie, na de
+ervaring opgedaan met de monarchie, tot het moederschap van velen na dat
+der ééne? Dit is zeker, dat de Syrische en Cyprische bijen, nauw verwant
+met de Egyptische en Italiaansche, waarschijnlijk de eersten zijn, die
+door den mensch zijn tam gemaakt. En ten slotte doet een laatste
+waarneming ons nóg duidelijker zien, dat de zeden, evenals de
+omzichtigheid, die blijkt uit de organisatie van den korf, niet het
+resultaat zijn van een oorspronkelijken impuls, werktuigelijk
+volgehouden in den loop der eeuwen en de onderscheiden klimaten, maar
+dat de geest, die de kleine republiek regeert, alle nieuwe
+omstandigheden weet op te merken, er zich naar te voegen en er partij
+van te trekken, evenals hij vroeger reeds geleerd had gevaren af te
+wenden. Naar Australië of Californië overgebracht, verandert onze zwarte
+bij totaal van gewoonten. Reeds van het tweede of derde jaar af leeft
+ze, nu ze gezien heeft, dat het daar voortdurend zomer is en de bloemen
+haar nooit in den steek laten, van den eenen dag op den anderen,
+vergenoegt zich met een zoo geringe hoeveelheid honing en stuifmeel als
+voor het dagelijksch voedsel vereischt wordt, en doet zelfs geen
+voorraad op voor den winter; zoo winnen hare nieuwe en verstandige
+waarnemingen het van hare overgeërfde ervaring<a name="FNanchor_1_18" id="FNanchor_1_18"></a><a href="#Footnote_1_18" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Zelfs kan men haar alleen door haar gaandeweg de vruchten van haar
+arbeid af te nemen, in voortdurende werkzaamheid houden.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_18" id="Footnote_1_18"></a><a href="#FNanchor_1_18"><span class="label">[1]</span></a> Een dergelijk feit vindt men opgeteekend bij Büchner, dat
+eveneens bewijst, hoe het aanpassen aan de omstandigheden niet iets is
+van langen duur, een questie van eeuwen, iets onbewusts en gedwongens,
+maar onmiddellijk plaats heeft en met verstandig overleg: In Barbados,
+waar ze leven te midden der raffinaderijen, en dus 't geheele jaar door
+suiker in overvloed vinden, staken ze totaal het bezoeken der bloemen.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIg" id="VIIg"></a>VII.</h3>
+
+
+<p>Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven,
+dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen
+te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel
+verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk
+vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.</p>
+
+<p>Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan
+breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan
+reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is
+het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te
+zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel
+der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen,
+haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig
+fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig
+daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel
+te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar
+vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk,
+dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren
+oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze
+aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle
+vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de
+verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar
+het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al
+ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang
+er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.</p>
+
+<p>Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft
+talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op
+aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel
+zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd
+waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat
+hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd
+lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige
+eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en
+verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van
+den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen
+verdraaide katholieke overlevering.</p>
+
+<p>Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan
+komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik
+waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan
+het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang
+men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt
+de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt
+het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen
+plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te
+zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen
+dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te
+weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan,
+wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo,
+dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen.
+In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd
+aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't
+meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd.
+Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig
+gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid
+blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd
+naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is
+uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons
+dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook
+verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van
+de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar
+binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog
+strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat
+stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we
+haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid,
+die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid
+verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid
+zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog
+minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het
+probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf
+alle onderzoek te ontzeggen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="VIIIg" id="VIIIg"></a>VIII.</h3>
+
+
+<p>Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven
+ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van
+rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat
+men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien,
+de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en
+ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer
+dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren
+aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden,
+prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren,
+slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een
+vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een
+spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs
+de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik
+de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke
+honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze
+voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch
+draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in
+het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een
+verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de
+eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en
+ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot
+en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed
+zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen
+bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken,
+scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen
+sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en
+paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.</p>
+
+<p>Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de
+grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en
+violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de
+bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma
+of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand
+woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de
+Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls
+ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen
+van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert,
+de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht
+stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën
+hebben. Een hunner, de <i>Osmia papaveris</i>, vergenoegt er zich niet mee
+het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de
+bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om
+daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere
+bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische
+vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de
+rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de
+blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt
+een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle
+tot cel van een larfje dienen.</p>
+
+<p>Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en
+verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte,
+die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen
+beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de
+liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="IXg" id="IXg"></a>IX.</h3>
+
+
+<p>Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen.
+Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien
+zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en
+proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één
+menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op
+de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze
+geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het
+gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even
+groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft,
+zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde
+gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen
+een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een
+hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een
+enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging
+aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is,
+zooals we reeds weten, die der Apinen<a name="FNanchor_1_19" id="FNanchor_1_19"></a><a href="#Footnote_1_19" class="fnanchor">[1]</a>, welke zoo scherp geteekende en
+duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat
+al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.</p>
+
+<p>De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine
+wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en <i>Prosopis</i>
+genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de
+oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen,
+zouden afstammen.</p>
+
+<p>De ongelukkige <i>Prosopis</i> is tegenover de bewoonster onzer korven vrij
+wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners
+onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een
+verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas,
+gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de
+eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de
+meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt
+het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen
+zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar
+ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën
+schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk
+meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch
+deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een
+kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme
+en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor
+den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen,
+zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de
+Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze
+met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het
+inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere
+hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is
+te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen
+was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen,
+vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge
+bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een
+klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als
+hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent
+en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen
+in de wereld, evenals ze geleefd heeft.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_19" id="Footnote_1_19"></a><a href="#FNanchor_1_19"><span class="label">[1]</span></a>'t Is van belang de drie benamingen <i>Apinen, Apiden</i> en
+<i>Apiten</i> niet met elkaar te verwarren, die wij beurtelings zullen
+gebruiken en die we ontleenen aan de klassen-indeeling van Emile
+Blanchard. De stam der Apinen omvat alle families der bijen. De Apiden
+vormen de eerste dezer families en worden weder in drie groepen
+ingedeeld: De <i>Meliponiten</i>, de <i>Apiten</i> en de <i>Bombiten</i> (Hommels). De
+<i>Apiten</i> eindelijk omvatten de verschillende variëteiten van onze
+honingbij.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="Xg" id="Xg"></a>X.</h3>
+
+
+<p>We gaan heel wat overgangsvormen voorbij, bij welke we langzamerhand de
+tong konden zien langer worden om het honingsap uit de diepte van een
+grooter aantal bloemkronen te kunnen putten, het apparaat voor het
+inzamelen van stuifmeel ontstaan en zich ontwikkelen, nl. borstels en
+haartjes aan scheenbeen, tars en buik, de pootjes en kaken sterker
+worden, nuttige afscheidingen zich vormen, en den genius, die voorzit
+bij het bouwen van woningen, naar alle kanten verrassende verbeteringen
+zien zoeken en vinden. Zulk een studie zou een boekdeel vereischen. Ik
+wil er slechts een enkel hoofdstuk, en nog minder, een enkele bladzijde
+van schetsen, die ons door al de aarzelende pogingen heen van den wil om
+te leven en gelukkig te zijn, de geboorte, het ontluiken en de
+bevestiging van de sociale verstandhouding aantoont.</p>
+
+<p>We hebben de ongelukkige Prosopis zien fladderen, die haar klein eenzaam
+bestaan in dit groot heelal vol vreesaanjagende krachten, in stilte
+draagt. Een zeker aantal harer zusteren, die reeds tot beter gewapende
+en bekwamer rassen behooren, de goed gekleede Colleta's b.v. of de
+merkwaardige rozenblad-snijdster, en de lapjesdeken Megachilis, leven
+in even groote afzondering, en indien bij toeval zich een wezen aan haar
+hecht en haar woning komt deelen, dan is 't een vijand of nog
+veelvuldiger een parasiet. Want de wereld der bijen is met nog vreemder
+spooksels bevolkt dan de onze, en menige soort heeft aldus een
+geheimzinnigen en werkeloozen dubbelganger, volkomen gelijk aan het
+slachtoffer, dat hij zich kiest, behalve dat reeds sinds onheugelijke
+tijden zijn luiheid hem één voor één alle werktuigen voor den arbeid
+heeft doen verliezen, en dat hij nog enkel kan blijven bestaan ten koste
+van het werkzaam type van zijn ras<a name="FNanchor_1_20" id="FNanchor_1_20"></a><a href="#Footnote_1_20" class="fnanchor">[1]</a>.</p>
+
+<p>Toch broeit het sociaal instinkt reeds onder die bijen, die men wel wat
+al te categorisch <i>eenzame Apiden</i> genoemd heeft, als een vlam die wordt
+gedoofd onder de opeenhooping der materie, welke alle oorspronkelijk
+leven onderdrukt. Hier en daar, waar men het volstrekt niet verwachten
+zou, gelukt het dit instinct bij wijze van verkenningstocht, in
+aarzelende en somtijds vreemdsoortige uitbarstingen, den houtstapel te
+doordringen, die hem drukt en die eens door zijn zegepraal zal worden
+verteerd.</p>
+
+<p>Indien alles stof is in deze wereld, dan staat men hier wel voor de
+meest onstoffelijke verandering der materie. Het geldt hier over te gaan
+van het zelfzuchtig, onzeker en onvolmaakt leven tot het eenigszins
+veiliger en eenigszins gelukkiger leven van broederschap. Het geldt op
+ideëele wijze door den geest te vereenigen, wat in werkelijkheid is
+gescheiden door het lichaam; te bewerken, dat het individu zich zal
+opofferen voor de soort, en de dingen, die men niet ziet in de plaats
+stellen van dat wat men ziet. Is het te verwonderen, dat de bijen niet
+onmiddellijk verwezenlijken, wat wij, die staan op het bevoorrecht
+standpunt, waar het instinct van alle kanten in het bewustzijn straalt,
+nog niet eens hebben ontward? 't Is dan ook interessant, bijna
+aandoenlijk, te zien hoe de nieuwe idee nog tastend zich voortbeweegt te
+midden van de duisternis, die al wat op deze aarde ontstaat, omhult. Ze
+komt uit de materie en is aanvankelijk nog geheel stoffelijk. Ze is
+niets dan koude, honger of angst omgezet in iets, dat nog geene gestalte
+heeft. Ze kruipt onzeker rondom de groote gevaren, de lange nachten, de
+nadering des winters, en een verdachten slaap, die bijna gelijk is aan
+den dood.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_20" id="Footnote_1_20"></a><a href="#FNanchor_1_20"><span class="label">[1]</span></a> Voorbeelden.&mdash;De Hommels, die de Psithyren tot parasieten
+hebben, de Stelida's, die leven ten koste van de Anthidiën. "Men moet
+wel aannemen", zegt J. Perez (<i>De Bijen</i>) zeer terecht naar aanleiding
+van de veelvuldig voorkomende gelijkheid van den parasiet en zijn
+slachtoffer, "men moet wel aannemen, dat de beide soorten slechts twee
+vormen zijn van een zelfde type, en in de nauwste verwantschap tot
+elkaar staan. Voor de natuurkundigen, die de evolutie-leer aanhangen, is
+deze verwantschap niet zuiver ideëel maar reëel. Die woekerdieren zouden
+dan enkel een zijlijn zijn van de inzamelende soort, en zouden juist die
+organen voor de inzameling verloren hebben tengevolge van het
+parasitisch leven".</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIg" id="XIg"></a>XI.</h3>
+
+
+<p>De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest
+in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel,
+dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een
+bijzondere soort (<i>Xylocopa Cyanescens</i>) in hunne kouwelijkheid tot een
+heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er
+den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late
+seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste
+verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden.
+Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand,
+en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie
+van de liefde nog niet kunnen overschrijden.</p>
+
+<p>Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De
+Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden
+en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om
+hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit
+op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele
+gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en
+bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te
+bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen,
+die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden
+saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn
+ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders,
+die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf
+doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het
+groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."</p>
+
+<p>Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een
+lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de
+toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als
+de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de
+ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen
+geleidt, is gemeenschappelijk.</p>
+
+<p>"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het
+vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken
+gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen
+van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite
+uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te
+vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze
+voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet
+verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te
+nemen."</p>
+
+<p>Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand
+doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer
+de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar,
+afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand.
+Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet
+verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest
+den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij
+de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en
+bewerkt de eerste beslissende wonderen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIg" id="XIIg"></a>XII.</h3>
+
+
+<p>De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel
+vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen,
+leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint
+het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te
+bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort,
+waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld.
+Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de
+uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet
+ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en
+voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene
+schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis,
+en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt
+toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De
+stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich
+geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van
+dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er
+altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden
+slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk
+cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en
+kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken
+uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk
+is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde
+gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een
+spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er
+zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even
+eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden
+nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit
+bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is
+geworden.</p>
+
+<p>Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch
+getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort
+van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste
+zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een
+andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij
+onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de
+groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIIIg" id="XIIIg"></a>XIII.</h3>
+
+
+<p>Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is
+er maar ééne moeder<a name="FNanchor_1_21" id="FNanchor_1_21"></a><a href="#Footnote_1_21" class="fnanchor">[1]</a> en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs
+zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v.
+niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt
+met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten
+door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht
+doorlaat.</p>
+
+<p>Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de
+welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten
+er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te
+ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en
+prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het
+bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte
+familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie
+van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige
+inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk
+is te zien, van minder gehalte is.</p>
+
+<p>Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk
+XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten
+alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of
+voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de
+stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde
+kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige
+nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.</p>
+
+<p>Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm
+aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig
+overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen
+eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt,
+enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan
+opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen
+enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur
+overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk
+moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat
+de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben.
+En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is.
+Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan.
+Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne
+gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de
+volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden
+pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering
+doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de
+gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een
+gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen
+overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen
+komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de
+Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk
+gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de
+zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er
+partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken
+naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot
+zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen
+inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding
+dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men
+ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van
+enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige
+andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op
+heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke
+wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der
+<i>Gedenkschriften</i>, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de
+Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als
+het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in
+de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de
+April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van
+daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op
+onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en
+verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene
+seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.</p>
+
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_21" id="Footnote_1_21"></a><a href="#FNanchor_1_21"><span class="label">[1]</span></a> 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin
+of moeder streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent
+terecht, dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte
+leven, daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander
+niet zoo gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft
+men zich tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen
+wegens de groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de
+onmogelijkheid, in ons klimaat Meliponen te kweeken.</p></div>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIVg" id="XIVg"></a>XIV.</h3>
+
+
+<p>Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten
+vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles
+in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel,
+bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle
+genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren,
+Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot
+stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er
+eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte
+voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een
+eenvoudige honingraat moeten aanbieden.</p>
+
+<p>Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we
+reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog
+vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en
+werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de
+parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel,
+het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap.
+Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's
+stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard
+worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare
+tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede
+koningin, enz.</p>
+
+<p>Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd
+noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft,
+niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds
+sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den
+Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen
+heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in
+gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm
+uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun
+moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok,
+de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den
+zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft
+stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den
+herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het
+bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig
+te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de
+bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door
+andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar
+juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven
+worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van
+hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden
+praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen
+overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of
+waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te
+vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is
+verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk
+heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de
+zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van
+het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen
+bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus
+inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen,
+paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te
+meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen
+bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich
+met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en
+stuifmeel.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVg" id="XVg"></a>XV.</h3>
+
+
+<p>Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich
+klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich
+ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen
+omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den
+korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand
+hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder
+naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er
+niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in
+verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze
+blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet
+minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in
+zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude,
+den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die
+vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen
+er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder
+iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer
+gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het
+gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op,
+wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij,
+die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde
+moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een
+nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't
+Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIg" id="XVIg"></a>XVI.</h3>
+
+
+<p>Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons
+verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het
+verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van
+dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder
+genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn
+bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle
+bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het
+gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En
+toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van
+den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die
+de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de
+onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van
+wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken.
+We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle
+gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee
+of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in
+volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid
+verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden
+half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen
+voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit
+voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der
+leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden
+er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot
+een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes
+volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit
+overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons
+toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten
+er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een
+hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot
+een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd
+heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt
+opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der
+rust, het wederom wekt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIg" id="XVIIg"></a>XVII.</h3>
+
+
+<p>Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan,
+daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke
+vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde
+lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar
+inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de
+gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde
+schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de
+gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de
+trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid.
+'t Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides,
+het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in
+haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan
+wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt
+den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die
+geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden
+zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des
+tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte.
+'t Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren,
+noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te
+richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in
+de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen
+weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't
+voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op
+toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is
+veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze
+zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang,
+die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en
+welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de
+verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen,
+heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar
+hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen
+enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van
+veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien
+ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al
+hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige
+spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit
+genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie
+hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en
+toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche
+bestemming.</p>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XVIIIg" id="XVIIIg"></a>XVIII.</h3>
+
+
+<p>'t Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en
+die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken.
+'t Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van
+een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een
+beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt.
+Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren
+zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de
+aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche
+natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde
+hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan
+nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te
+wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot
+harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die
+hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen
+en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom
+ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft
+bestaan, doch 't kan <i>niet</i> zijn, dat zij die tot den einde toe hunne
+zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet
+in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en
+zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in
+niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen
+zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van
+te trekken.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h3><a name="XIXg" id="XIXg"></a>XIX.</h3>
+
+
+<p>En bovendien, laten we aan onze droomen niet die richting geven. Laten
+we de mogelijkheid eener algeheele vernietiging evenmin opnemen in de
+becijfering onzer behoeften, als de wonderbare hulp van eenig toeval.
+Tot nu toe waren we ondanks de schoone beloften onzer verbeeldingskracht
+toch altijd aan ons zelven en onze eigen hulpmiddelen overgeleverd. Door
+onze eigen nederigste pogingen hebben wij al, wat er nuttigs en
+duurzaams op deze aarde is verricht, tot stand gebracht. 't Staat ons
+vrij het beste of het ergste te verwachten van eenig buitengewoon
+voorval, doch alleen op voorwaarde, dat deze verwachting zich niet
+bemoeit met onze taak als menschen. Ook hier geven ons de bijen een
+uitstekende les, uitstekend als alle lessen der natuur. Voor hen kwam er
+werkelijk een wonderdadige tusschenkomst. Veel beslister dan wij zijn
+zij overgeleverd aan de handen van een wil, die hun geslacht kan
+vernietigen of wijzigen, en aan hun lot een andere wending geven. En
+niettemin volgen zij hun oorspronkelijken en grooten plicht. En 't zijn
+juist diegenen onder hen, welke 't best gehoor geven aan dezen plicht,
+die er het geschiktst voor zijn te profiteeren van die bovennatuurlijke
+tusschenkomst, waardoor in onze dagen het lot hunner soort aan 't
+stijgen is. Nu is het minder moeielijk dan men meent, den onafwijsbaren
+plicht van een wezen te ontdekken. Men kan dien altijd lezen uit het
+orgaan, dat juist hem onderscheidt en waaraan alle andere ondergeschikt
+zijn. En zoo goed als 't op de tong, in den mond en de maag der bijen
+geschreven staat, dat zij honing moeten voortbrengen, zoo goed is het in
+onze oogen, onze oren, ons merg, alle uitwendige organen van ons hoofd,
+in 't gansche zenuwstelsel van ons lichaam te lezen, dat wij er toe
+geschapen zijn, al wat wij in ons opnemen van de dingen der aarde, om te
+zetten in een bijzondere en geheel eenige kracht op dezen aardbol. Zoo
+ver ik weet is geen wezen zóó zeer als wij bewerktuigd om dat vreemde
+fluïdum voort te brengen, dat we noemen met den naam van gedachte,
+verstand, begrip, rede, ziel, geest, hersenvermogen, deugd, goedheid,
+kennis; want het bezit duizenden namen, al heeft het slechts één
+essence. Alles in ons werd daaraan opgeofferd. Onze spieren, onze
+gezondheid, de lenigheid onzer ledematen, het evenwicht onzer dierlijke
+functies, de rust onzes levens, dragen den steeds grooter wordenden last
+van zijn overwicht. Het is de kostelijkste en moeielijkste toestand
+waartoe men de materie kan verheffen. De vlam, de warmte, het licht, het
+leven zelf, het instinct, dat nog fijner is dan het leven, en de meeste
+der onvatbare machten, die de kroon der wereld waren vóór onze komst,
+dat alles is verbleekt bij de aanraking met het nieuwe fluïdum. We weten
+niet, waarheen het ons leidt, wat het met ons doen zal, wat wij er mee
+doen zullen. 't Zal aan hem staan ons dit te doen weten, wanneer het in
+volheid van kracht heerschen zal. Laat ons in afwachting daarvan er
+enkel aan denken daaraan te geven, al wat het van ons vraagt, daaraan
+alles ten offer te brengen, wat zijn ontwikkeling zou kunnen
+tegenhouden. 't Is wel niet twijfelachtig of dat is voor 't oogenblik
+onze eerste en duidelijkste plicht. Deze zal ons de overige bij
+toeneming leeren. Hij zal ze voeden en versterken al naardat hijzelf
+gevoed wordt, even als het water der bergen in rechte reden met het
+geheimzinnig voedsel van zijn top de beken der vlakte voedt en
+versterkt. Laten we ons niet kwellen met den wensch, te weten wie partij
+zal trekken van de kracht, die aldus ten onzen koste vermeerderd wordt.
+De bijen weten niet of zij den honing zullen eten, dien zij inzamelen.
+Evenmin weten wij, wie voordeel zal trekken van de geestelijke kracht,
+die wij in 't heelal brengen. Even als zij van bloem tot bloem gaan om
+meer honing in te zamelen dan zij zelven en hunne kinderen behoeven,
+laat ons zoo gaan van werkelijkheid tot werkelijkheid om alles bijeen te
+garen wat tot voedsel kan strekken aan deze onvatbare vlam, opdat wij op
+alles zijn voorbereid in de zekerheid onzen organischen plicht te hebben
+vervuld. Laat ons haar voeden met onze gevoelens, onze hartstochten, met
+al wat we zien, hooren, ruiken, aanraken en met haar eigen essence, dat
+is de idee, die ze haalt uit de ontdekkingen, ervaringen, opmerkingen,
+uit al wat ze bezoekt. Dan komt er een oogenblik, waarop alles zich zóó
+natuurlijk ten goede keert voor een geest, die zich heeft ondergeschikt
+gemaakt aan de eischen van den echt menschelijken plicht, dat zelfs het
+vermoeden dat al zijn krachtsinspanning misschien doelloos is, den ijver
+zijner nasporingen nog klaarder, zuiverder, belangloozer,
+onafhankelijker en edeler maakt.</p>
+
+
+<hr style="width: 95%;" />
+
+
+<p class="caption"><a name="Inhoud" id="Inhoud"></a>Inhoud</p>
+
+<p>
+<a href="#EERSTE_BOEK"><b>EERSTE BOEK.&mdash;OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF.</b></a><br />
+<a href="#Ia"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIa"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIa"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVa"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Va"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VIa"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIIa"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIIa"><b>VIII</b></a><br />
+<a href="#TWEEDE_BOEK"><b>TWEEDE BOEK.&mdash;DEN ZWERM.</b></a><br />
+<a href="#Ib"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIb"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIb"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVb"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Vb"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VIb"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIIb"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIIb"><b>VIII.</b></a><br />
+<a href="#IXb"><b>IX.</b></a><br />
+<a href="#Xb"><b>X.</b></a><br />
+<a href="#XIb"><b>XI.</b></a><br />
+<a href="#XIIb"><b>XII.</b></a><br />
+<a href="#XIIIb"><b>XIII.</b></a><br />
+<a href="#XIVb"><b>XIV.</b></a><br />
+<a href="#XVb"><b>XV.</b></a><br />
+<a href="#XVIb"><b>XVI.</b></a><br />
+<a href="#XVIIb"><b>XVII.</b></a><br />
+<a href="#XVIIIb"><b>XVIII.</b></a><br />
+<a href="#XIXb"><b>XIX.</b></a><br />
+<a href="#XXb"><b>XX.</b></a><br />
+<a href="#XXIb"><b>XXI.</b></a><br />
+<a href="#XXIIb"><b>XXII.</b></a><br />
+<a href="#XXIIIb"><b>XXIII.</b></a><br />
+<a href="#XXIVb"><b>XXV.</b></a><br />
+<a href="#XXVb"><b>XXV.</b></a><br />
+<a href="#XXVIb"><b>XXVI.</b></a><br />
+<a href="#XXVIIb"><b>XXVII.</b></a><br />
+<a href="#XXVIIIb"><b>XXVIII.</b></a><br />
+<a href="#XXIXb"><b>XXIX.</b></a><br />
+<a href="#XXXb"><b>XXX.</b></a><br />
+<a href="#XXXIb"><b>XXXI.</b></a><br />
+<a href="#DERDE_BOEK"><b>DERDE BOEK.&mdash;DE STICHTING DER STAD.</b></a><br />
+<a href="#Ic"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIc"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIc"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVc"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Vc"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VIc"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIIc"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIIc"><b>VIII.</b></a><br />
+<a href="#IXc"><b>IX.</b></a><br />
+<a href="#Xc"><b>X.</b></a><br />
+<a href="#XIc"><b>XI.</b></a><br />
+<a href="#XIIc"><b>XII.</b></a><br />
+<a href="#XIIIc"><b>XIII.</b></a><br />
+<a href="#XIVc"><b>XIV.</b></a><br />
+<a href="#XVc"><b>XV.</b></a><br />
+<a href="#XVIc"><b>XVI.</b></a><br />
+<a href="#XVIIc"><b>XVII.</b></a><br />
+<a href="#XVIIIc"><b>XVIII.</b></a><br />
+<a href="#XIXc"><b>XIX.</b></a><br />
+<a href="#XXc"><b>XX.</b></a><br />
+<a href="#XXIc"><b>XXI.</b></a><br />
+<a href="#XXIIc"><b>XXII.</b></a><br />
+<a href="#XXIIIc"><b>XXIII.</b></a><br />
+<a href="#XXIVc"><b>XXIV.</b></a><br />
+<a href="#VIERDE_BOEK"><b>VIERDE BOEK.&mdash;DE JONGE KONINGINNEN.</b></a><br />
+<a href="#Id"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IId"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIId"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVd"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Vd"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VId"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIId"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIId"><b>VIII.</b></a><br />
+<a href="#IXd"><b>IX.</b></a><br />
+<a href="#Xd"><b>X</b></a><br />
+<a href="#XId"><b>XI.</b></a><br />
+<a href="#XIId"><b>XII.</b></a><br />
+<a href="#XIIId"><b>XIII.</b></a><br />
+<a href="#XIVd"><b>XIV.</b></a><br />
+<a href="#XVd"><b>XV.</b></a><br />
+<a href="#XVId"><b>XVI.</b></a><br />
+<a href="#XVIId"><b>XVII.</b></a><br />
+<a href="#XVIIId"><b>XVIII.</b></a><br />
+<a href="#VIJFDE_BOEK"><b>VIJFDE BOEK.&mdash;DE PARINGSVLUCHT.</b></a><br />
+<a href="#Ie"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIe"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIe"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVe"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Ve"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VIe"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIIe"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIIe"><b>VIII.</b></a><br />
+<a href="#IXe"><b>IX.</b></a><br />
+<a href="#Xe"><b>X.</b></a><br />
+<a href="#XIe"><b>XI</b></a><br />
+<a href="#XIIe"><b>XII.</b></a><br />
+<a href="#ZESDE_BOEK"><b>ZESDE BOEK.&mdash;DE DARRENSLACHT.</b></a><br />
+<a href="#If"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIf"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIf"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#ZEVENDE_BOEK"><b>ZEVENDE BOEK.&mdash;DE VOORUITGANG DER SOORT.</b></a><br />
+<a href="#Ig"><b>I.</b></a><br />
+<a href="#IIg"><b>II.</b></a><br />
+<a href="#IIIg"><b>III.</b></a><br />
+<a href="#IVg"><b>IV.</b></a><br />
+<a href="#Vg"><b>V.</b></a><br />
+<a href="#VIg"><b>VI.</b></a><br />
+<a href="#VIIg"><b>VII.</b></a><br />
+<a href="#VIIIg"><b>VIII.</b></a><br />
+<a href="#IXg"><b>IX.</b></a><br />
+<a href="#Xg"><b>X.</b></a><br />
+<a href="#XIg"><b>XI.</b></a><br />
+<a href="#XIIg"><b>XII.</b></a><br />
+<a href="#XIIIg"><b>XIII.</b></a><br />
+<a href="#XIVg"><b>XIV.</b></a><br />
+<a href="#XVg"><b>XV.</b></a><br />
+<a href="#XVIg"><b>XVI.</b></a><br />
+<a href="#XVIIg"><b>XVII.</b></a><br />
+<a href="#XVIIIg"><b>XVIII.</b></a><br />
+<a href="#XIXg"><b>XIX.</b></a><br />
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 38522 ***</div>
+
+</body>
+</html>