summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38449-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '38449-8.txt')
-rw-r--r--38449-8.txt9984
1 files changed, 9984 insertions, 0 deletions
diff --git a/38449-8.txt b/38449-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..196cfdd
--- /dev/null
+++ b/38449-8.txt
@@ -0,0 +1,9984 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Stoomhuis, by Jules Verne
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Stoomhuis
+ De Waanzinnige der Nerbudda
+
+Author: Jules Verne
+
+Release Date: December 31, 2011 [EBook #38449]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET STOOMHUIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Wonderreizen.
+
+ JULES VERNE.
+
+
+
+ HET STOOMHUIS.
+ De Waanzinnige der Nerbudda.
+
+ Gevolgd door
+ DOKTER OX.
+
+
+
+ Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.
+
+
+
+
+
+
+HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA.
+
+
+I.
+
+DE KRAAL.
+
+
+De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons
+gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de
+beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland,
+is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die
+jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].
+
+Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique
+geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd,
+toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen
+behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen
+zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig,
+en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.
+
+Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif
+snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen
+vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep
+was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.
+
+Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van
+Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging
+werd gretig aangenomen.
+
+Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier
+bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van
+»kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van
+Zuidelijk-Afrika.
+
+Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het
+woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis
+van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven
+door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was
+om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een
+lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal
+tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld,
+ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde
+der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich
+gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de
+vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit
+was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de
+wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht
+op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.
+
+De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het
+was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens
+terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar
+werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over
+Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.
+
+De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van
+lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der
+wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.
+
+Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias
+van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren
+er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten,
+maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De
+vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem,
+de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen
+door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste
+streek der Himalaya een ongezond oord.
+
+En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd
+in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan
+als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij
+voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben
+kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein
+Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den
+overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken,
+die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.
+
+Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De
+deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.
+
+Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.
+
+»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting
+beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het
+slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi"
+noemen."
+
+Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend,
+die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er
+alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester,
+een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke
+kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal,
+die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias
+van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand
+en verdiende met recht de benaming van houddi.
+
+Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren
+behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der
+viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.
+
+Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed
+eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan
+de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak
+inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven
+een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer
+voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje,
+te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met
+bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep
+van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek
+om de loge te bestormen.
+
+Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen
+rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks
+hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in
+de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het
+in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij
+te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt,
+is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."
+
+De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen
+stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie
+afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten,
+die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren,
+naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene
+afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers,
+twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.
+
+Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan
+gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een
+leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het
+dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting
+naar Bombay inslaan.
+
+De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan,
+waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden
+gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit
+merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen
+en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de
+geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen
+verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.
+
+Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder
+dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.
+
+»Arme dieren!" zei kapitein Hod.
+
+»Arme dieren!" herhaalde Fox.
+
+»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge
+doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.
+
+»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten
+vangen!" antwoordde kapitein Hod.
+
+Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als
+in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam
+zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de
+gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus,
+wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen,
+tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun
+de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze
+hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de
+bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is
+hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.
+
+Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede
+de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op
+zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.
+
+Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude
+zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde
+buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers
+hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een
+schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog
+van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte
+der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch,
+met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert
+men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt,
+de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te
+trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.
+
+Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar
+zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche
+lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en
+dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo
+goed als verloren is.
+
+Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den
+korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens,
+den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen
+stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en
+die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal
+vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt,
+bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor
+iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.
+
+Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de
+roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de
+chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij
+voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te
+voorschijn haalden.
+
+Overigens gaf de leverancier, als een man die zijn vak verstond, zijnen
+gasten slechts spaarzaam te eten. Eens per dag, te twaalf uur, werd
+hun vier of vijf pond vleesch uitgedeeld en niets meer. En zelfs,--het
+was toch zeker niet om den Zondag?--liet hij ze van Zaterdag tot
+Maandag vasten. Een hongerige Zondag voor de arme dieren! Als zij
+dan ook na acht en veertig uren hun bescheiden aandeel ontvingen,
+was het een moeielijk in te houden woede, een ontzettend gehuil,
+gepaard met geduchte sprongen, die de rollende kooien heen en weer
+schudden en deden vreezen dat ze totaal vernield zouden worden.
+
+Jawel, arme dieren! is men geneigd met kapitein Hod te herhalen. Doch
+Matthias van Guitt handelde zoo niet zonder reden. Deze onthouding in
+hun toestand van opsluiting bespaarde zijnen wilden dieren allerlei
+huidaandoeningen en verhoogde den prijs op de markten van Europa.
+
+Men kan zich intusschen gemakkelijk voorstellen, dat, terwijl
+Matthias van Guitt ons zijne verzameling vertoonde, meer als
+natuurkundige dan als dierenvertooner, hij zijn mond geen oogenblik
+stil hield. Integendeel. Hij sprak, hij vertelde, hij schilderde,
+en, daar de roofdieren van Tarryani het voornaamste onderwerp zijner
+wijdloopige redeneeringen uitmaakten, hoorden wij hem niet zonder
+belangstelling aan. Wij zouden de kraal dan ook niet verlaten,
+dan nadat ons de diepste geheimen van de zoölogie der Himalaya
+ontsluierd waren.
+
+»Maar, mijnheer van Guitt," zeide Banks, »hoe is het gesteld met de
+voordeelen van het vak, staan ze in verhouding tot de gevaren?"
+
+»Mijnheer," antwoordde de leverancier, »de voordeelen waren vroeger
+zeer aanzienlijk. Evenwel ben ik verplicht te erkennen, dat de wilde
+dieren in daling verkeeren. U kunt er zelf over oordeelen door de
+marktprijzen van de laatste koersnoteering. Onze voornaamste markt
+is de zoölogische tuin van Antwerpen. Gevogelte, slangvormige dieren,
+exemplaren van de familie der apen en hagedissen, vertegenwoordigers
+van de roofdieren der twee werelden, daarheen verzend ik gewoonlijk
+de opbrengst onzer avontuurlijke drijfjachten in de wouden van het
+schiereiland. Hoe het zij, de smaak van het publiek schijnt zich
+te wijzigen en de verkoopsprijzen zullen weldra minder bedragen
+dan de inkoopsprijzen! Zoo werd onlangs een mannetjes-struisvogel
+verkocht voor slechts elf honderd franken en het wijfje voor slechts
+achthonderd. Een zwarte panter heeft slechts tegen zestien honderd
+franken een kooper gevonden, een tijgerin van Java tegen twee duizend
+vierhonderd, en een familie van leeuwen,--de vader, de moeder, een
+oom, twee veelbelovende jonge leeuwtjes,--tegen zeven duizend franken
+te zamen!"
+
+»Dat is waarlijk voor niets!" antwoordde Banks.
+
+»Wat de proboscidea betreft...." hernam Matthias van Guitt.
+
+»Proboscidea?" zei kapitein Hod.
+
+»We geven dien wetenschappelijken naam aan de dikhuiden, die door de
+natuur met een snuit voorzien zijn."
+
+»De olifanten dus!"
+
+»Ja, olifanten, sedert het quaternaire tijdperk, mastodonten in de
+voorhistorische tijden...."
+
+»Ik dank u," antwoordde kapitein Hod.
+
+»Wat dus de proboscidea aangaat," hernam Matthias van Guitt,
+»men moet de vangst van die dieren opgeven, of men zou ze alleen
+moeten vangen om hunne slagtanden, want het verbruik van het ivoor
+is niet verminderd. Maar, sedert dramatische schrijvers, teneinde
+raad, verzonnen hebben ze in hunne stukken op te voeren, voeren de
+impressario's ze van stad tot stad en dezelfde olifant, het land met
+den reizenden troep afloopende, voldoet aan de nieuwsgierigheid van
+een geheel land. De olifanten zijn dan ook minder gezocht dan vroeger."
+
+»Maar," vroeg ik, »levert u dan alleen aan de Europeesche menagerieën
+die exemplaren van de Hindoesche dierenwereld?"
+
+»U zult me toestaan," antwoordde Matthias van Guitt, »dat ik me ten
+dezen opzichte, mijnheer, veroorloof, zonder nieuwsgierig te zijn,
+u een eenvoudige vraag te doen."
+
+Ik boog ten teeken van toestemming.
+
+»Ge zijt Franschman, mijnheer," hernam de leverancier. »Dat merkt men
+niet alleen aan uw accent, maar ook aan uw type, dat een aangenaam
+mengsel is van het gallo-romeinsche en het keltische ras. Als
+Franschman nu zult ge weinig neiging hebben tot het doen van verre
+reizen en ongetwijfeld hebt ge een reis om de wereld niet gemaakt?"
+
+Hier maakte Matthias van Guitt het gebaar van een der groote cirkels
+van den aardbol.
+
+»Ik heb dat genoegen nog niet gehad!" antwoordde ik.
+
+»Ik moet u dus vragen, mijnheer," hernam de leverancier, »niet of ge
+naar de Indiën gegaan zijt, want ge zijt er, maar of ge het Indisch
+schiereiland in den grond kent?"
+
+»Nog onvolkomen," antwoordde ik. »'k Heb Bombay, Calcutta, Bénarès,
+Allahabad, de vallei van den Ganges reeds bezocht. 'k Heb hunne
+monumenten gezien en bewonderd, 'k heb...."
+
+»Welnu! wat geeft dat, mijnheer, wat geeft dat!" antwoordde Matthias
+van Guitt, het hoofd afwendende, terwijl zijn hand, in koortsachtige
+beweging, de grootste minachting uitdrukte.
+
+Daarna gaf hij een levendige en aanschouwelijke voorstelling van
+hetgeen in zijne herinnering opkwam en stroomden de woorden over
+zijne lippen.
+
+»Ja, wat geeft het als ge de menagerieën niet bezocht hebt van
+die machtige rajahs, die de vereering bewaard hebben der prachtige
+dieren waarop het heilige grondgebied van Indië met recht trotsch mag
+zijn! Neem dan, mijnheer, den staf van den toerist weder op! Ga in
+Guicowar den koning van Baroda hulde bewijzen! Zie zijne menagerieën,
+die aan mij de meesten hunner gasten, leeuwen van Kattyawar, beren,
+panters, tchitas, losschen, tijgers, verschuldigd zijn! Woon de viering
+bij van het huwelijk zijner zestig duizend duiven, dat elk jaar met
+de grootste staatsie word ingezegend. Bewonder zijne vijfhonderd
+»boulbouls", nachtegalen van het schiereiland, wier opvoeding men
+behartigt alsof ze de erfgenamen van den troon waren! Aanschouw
+die olifanten, waarvan een, belast met de betrekking van beul,
+de taak is opgedragen het hoofd van den veroordeelde op het blok te
+verpletteren! Begeef u vervolgens naar het verblijf van den rajah van
+Maïssour, den rijksten souverein van Azië! Treed het paleis binnen
+waar de rhinocerossen, de olifanten, de tijgers en al de wilde beesten
+van hoogen rang, die tot de dierenaristocratie van Indië behooren, bij
+honderden geteld worden! En wanneer gij dat alles zult gezien hebben,
+mijnheer, zult ge niet meer van onwetendheid kunnen beschuldigd worden
+ten opzichte van de wonderen van dat onvergelijkelijke land!"
+
+Ik had slechts te buigen voor de opmerkingen van Matthias van Guitt. De
+hartstochtelijke wijze waarop hij de zaken voordroeg, liet niet toe
+ze rijpelijk te bespreken.
+
+Evenwel ondervroeg kapitein Hod hem meer rechtstreeks omtrent de
+bijzondere fauna van deze streek van Tarryani.
+
+»Eenige inlichtingen, als 't u blieft," vroeg hij hem, »betreffende de
+roofdieren, die ik in dit gedeelte van Indië ben komen opzoeken. Hoewel
+ik slechts een jager ben, zal ik u niet in de wielen rijden, mijnheer
+van Guitt en zelfs wil ik u gaarne de hand reiken als ik u kan helpen
+om de tijgers te vangen, die nog aan uwe verzameling ontbreken. Maar,
+is eenmaal uw menagerie voltallig, dan zult ge 't mij niet euvel
+duiden dat ik me voor mijn persoonlijk genoegen aan de vernieling
+dezer dieren wijd!"
+
+Matthias van Guitt nam de houding aan van iemand, die zich getroost
+te ondergaan wat hij anders afkeurt, maar niet kan beletten. Hij
+stemde overigens toe, dat Tarryani een aanzienlijk aantal boosaardige
+dieren bevatte, die gewoonlijk weinig gevraagd worden op de markten
+van Europa en waarvan de uitroeiïng hem geoorloofd toescheen.
+
+»Dood de wilde zwijnen, 'k heb er vrede mee," antwoordde hij. »Hoewel
+deze zwijnen, van de orde der dikhuidigen, geen vleeschetende dieren
+zijn...."
+
+»Vleeschetende dieren?" zei kapitein Hod.
+
+»'k Meen daarmee dat zij plantetende dieren zijn; ze zijn zoo woest,
+dat zij de jagers, die de stoutmoedigheid hebben ze aan te vallen,
+aan het grootste gevaar blootstellen!"
+
+»En de wolven?"
+
+De wolven zijn talrijk door het gansche schiereiland verspreid
+en zeer te duchten, als ze in troepen op een eenzame landhoeve
+losstormen. Die dieren gelijken op den vaalrooden wolf van Polen en
+ze zijn mij evenveel waard als de jakhalzen of de wilde honden. Ik
+ontken trouwens de verwoestingen niet, die ze aanrichten, maar, daar
+ze geen waarde hebben en niet waard zijn onder de hoogere klassen
+der zoogdieren te worden opgenomen, laat ik u die ook, kapitein Hod."
+
+»En de beren?" vroeg ik.
+
+»De beren hebben veel goeds, mijnheer," antwoordde de leverancier,
+toestemmend met het hoofd knikkende. »Al mogen de Indische beren
+niet zoo gretig gezocht zijn als hunne stamgenooten onder andere
+hemelstreken, zoo bezitten zij toch een zekere handelswaarde, die
+hen aan de welwillende aandacht der kenners aanbeveelt. De smaak kan
+verschillen tusschen de twee typen uit de valleien van Cashmir en
+de heuvels van Raymahal. Doch, uitgenomen misschien in het tijdperk
+van overwintering, zijn deze dieren genoegzaam onschadelijk en kunnen
+zij het jagersinstinct van een echten jager, zooals kapitein Hod mij
+toeschijnt, niet in verzoeking brengen."
+
+De kapitein boog met een veelbeteekend air, te kennen gevende, dat
+hij met of zonder toestemming van Matthias van Guitt, zelf in die
+bijzondere quaesties zou beslissen.
+
+»Daarbij komt," voegde de leverancier er bij, »dat ook deze beren
+plantetende dieren zijn en niets dan kruiden eten en dus niets
+gemeen hebben met de woeste soorten, waarop het schiereiland met
+recht roem draagt."
+
+»Rekent ge het luipaard onder deze wilde dieren?" vroeg kapitein Hod.
+
+»Ongetwijfeld, mijnheer. Dit tot het kattengeslacht behoorende dier
+is vlug, stoutmoedig, klimt in de boomen en is daardoor somtijds
+geduchter dan de tijger...."
+
+»Kom!" zei kapitein Hod.
+
+»Mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt op drogen toon, »als een
+jager niet meer verzekerd is een schuilplaats in de boomen te vinden,
+dan scheelt het niet veel of hij wordt op zijn beurt gejaagd!"
+
+»En de panter?" vroeg kapitein Hod, die een einde aan dit gesprek
+wilde maken.
+
+»Prachtig, de panter," antwoordde Matthias van Guitt, »en u kunt
+u overtuigen, mijne heeren, dat ik er heerlijke exemplaren van
+heb! Verwonderlijke dieren, die door een zonderlinge tegenstrijdigheid,
+een antilogie, om een minder gewoon woord te gebruiken, voor de jacht
+kunnen afgericht worden! Ja, mijne heeren, vooral in Guicowar oefenen
+de rajahs de panters in deze edele lichaamsoefening! Men vervoert ze
+in een palankijn, de kop in een kap gehuld als een giervalk of een
+krem! 't Zijn echte valken met vier pooten! Zoodra de jagers in de
+verte een kudde antilopen zien, wordt den panter de kap afgenomen en
+werpt hij zich op de vreesachtige dieren, wier vlugge beenen ze niet
+aan hunne vreeselijke klauwen kunnen onttrekken. Ja, ja, mijnheer de
+kapitein, ge zult panters in Tarryani vinden! Ge zult er meer vinden,
+dan u misschien lief is, maar 'k voeg er de christelijke waarschuwing
+bij, dat die niet tam gemaakt zijn!"
+
+»'k Hoop het van harte," antwoordde kapitein Hod.
+
+»Evenmin als de leeuwen, trouwens," voegde de leverancier er bij,
+die dit antwoord niet goed kon verkroppen.
+
+»De leeuwen!" zei kapitein Hod. »Wees zoo goed en vertel ons eens
+wat van de leeuwen!"
+
+»Welnu mijnheer," hernam Matthias van Guitt, »'k beschouw die gewaande
+koningen van het dierenrijk als beneden hunne stamgenooten van het
+oude Lybië. Hier dragen de mannetjes de manen niet, die de trots
+uitmaken van den Afrikaanschen leeuw en 't zijn, naar 't mij voorkomt,
+slechts jammerlijk geschoren Samsons! Ze zijn trouwens bijna geheel uit
+Centraal-Indië verdwenen om een schuilplaats te zoeken in Kattyawar,
+de woestijn van Theil, en in Tarryani. Deze ontaarde dieren, nu als
+kluizenaars levende, kunnen in den omgang met hunne gelijken, de oude
+geestkracht niet terug erlangen. Ik plaats ze dan ook niet op den
+eersten rang onder de viervoetige dieren, want, dat verzeker ik u,
+mijne heeren, den leeuw kan men ontsnappen, maar den tijger, nooit!"
+
+»O! die tijgers!" riep kapitein Hod uit.
+
+»Ja! die tijgers!" herhaalde Fox.
+
+»Den tijger de kroon," antwoordde Matthias van Guitt, zich
+opwindende. »Men spreekt van den koningstijger en niet van
+den koningsleeuw, en dat is juist. Indië hoort hem geheel toe
+en gaat in hem op! Is hij niet de eerste bewoner van den bodem
+geweest? Heeft hij het recht niet, niet alleen de vertegenwoordigers
+van het Anglo-Saksische ras, maar ook de zonen van het zonneras
+als veroveraars te beschouwen? Is hij het echte kind niet van het
+heilige land der Argavarta? Ook ziet men die prachtige dieren over
+de gansche oppervlakte van het schiereiland verspreid en hebben zij
+geen enkel distrikt hunner voorvaderen verlaten, van kaap Comorin af
+tot de Himalaya-keten toe!"
+
+En, nadat Matthias van Guitt met zijn arm in de richting van het
+Zuiden een vooruitstekend voorgebergte had beschreven, wendde hij
+hem naar het noorden om een heele reeks bergen af te teekenen.
+
+»In den Sonderbund," hernam hij, »zijn zij thuis! Daar heerschen
+zij als meesters, en wee hem die hun dit grondgebied zou willen
+betwisten! In de Nilgheries zwerven ze in menigte rond, als wilde
+katten,
+
+
+»Si parva licet componere magnis!" [2]
+
+
+»Ge zult daarom licht begrijpen, waarom deze prachtige, tot het
+kattengeslacht behoorende dieren op al de markten van Europa zoo
+sterk gevraagd zijn en den trots uitmaken der dierentemmers. Wat is
+het voorwerp der grootste belangstelling in de openbare of bijzondere
+menagerieën? De tijger! Wanneer siddert ge voor het leven van den
+dierentemmer? Als hij in het hok van den tijger treedt? Welk dier
+betalen de rajahs zijn gewicht aan goud voor de versiering hunner
+koninklijke tuinen? De tijger! Welk dier wordt het duurste betaald
+op de beurzen van Londen, Antwerpen en Hamburg? De tijger! Bij
+welke jachten onderscheiden zich de Indische jagers, officieren
+van het koninklijke leger of die van de inlandsche armée? Bij de
+tijgerjachten! Weet ge, mijne heeren, welk genot de vorsten van
+het onafhankelijk Indië hunnen gasten verschaffen? Men voert een
+koninklijken tijger in een hok aan. Het hok wordt geplaatst te
+midden van een uitgestrekte vlakte. De rajah, zijne genoodigden,
+zijne officieren, zijne wachters, zijn gewapend met lansen, revolvers
+en karabijnen en berijden meestal vurige solidungula [3]."
+
+»Solidungula?" zei kapitein Hod.
+
+»Hunne paarden, als ge de voorkeur geeft aan dit wel wat alledaagsche
+woord. Doch deze solidungula, verschrikt door de nabijheid van den
+tijger, den eigenaardigen reuk dien het dier afgeeft, zijne vurige
+oogen, steigeren, en de berijders hebben al hun behendigheid noodig
+om ze te bedwingen. Plotseling wordt de deur van het hok geopend. Het
+monster springt te voorschijn, hij vliegt, hij werpt zich op de hier
+en daar verspreide groepen, hij offert een menigte slachtoffers aan
+zijn woede op. Moge het hem een enkele maal gelukken door den kring
+van ijzer en vuur, die hem omvat, heen te breken, meestal bezwijkt
+hij, een tegen honderd! Maar zijn dood is althans roemrijk en is
+vooruit gewroken!"
+
+»Bravo! mijnheer Matthias van Guitt," riep kapitein Hod uit, die
+op zijn beurt vuurvatte! »Ja, dat moet een prachtig schouwspel
+zijn. Ja! de tijger is de koning der dieren!"
+
+»Een koningschap dat de omwentelingen tart!" voegde de leverancier
+er bij.
+
+»En gij moogt er gevangen hebben, mijnheer van Guitt," antwoordde
+kapitein Hod, »ik heb er gedood en 'k hoop Tarryani niet te verlaten,
+voordat de vijftigste onder mijne schoten gevallen is!"
+
+»Kapitein," zei de leverancier, de wenkbrauwen fronsende, »'k heb
+u de wilde zwijnen, de wolven, de beren, de buffels gelaten! Is dat
+dan nog niet genoeg om uw jagerswoede te koelen?"
+
+Ik merkte, dat onze vriend Hod zich met evenveel vuur als Matthias
+van Guitt over die netelige vraag ging uitlaten.
+
+Had de een meer tijgers gevangen dan de andere er gedood had, welk
+een stof ter bespreking! Was het beter ze te vangen dan ze om te
+brengen? Wie zou deze quaestie beslissen!
+
+Beiden, de kapitein en de leverancier, begonnen reeds driftige woorden
+met elkander te wisselen, en zelfs tegelijk te spreken zonder elkander
+meer te begrijpen.
+
+Banks kwam nu tusschenbeiden.
+
+»De tijgers," zeide hij, »zijn de koningen der schepping, dat is
+zeker, mijne heeren, maar 'k ben zoo vrij er bij te voegen dat het
+zeer gevaarlijke koningen voor hunne onderdanen zijn. In 1862 als ik
+me niet bedrieg, hebben deze lieve diertjes al de telegrafisten op het
+eiland Sangor verslonden. Men verhaalt ook van een tijgerin, die in
+drie jaren niet minder dan honderdachttien slachtoffers gemaakt heeft,
+en van een ander, die in hetzelfde tijdsverloop honderdzevenentwintig
+personen heeft omgebracht. Dat is te veel, zelfs voor koninginnen! Ja
+zelfs zijn sedert de ontwapening der Sipayers, in een tijdvak van
+drie jaren, twaalfduizend vijfhonderd vierenvijftig individus onder
+den aanval van tijgers bezweken."
+
+»Maar, mijnheer," antwoordde Matthias van Guitt, »u schijnt te
+vergeten, dat deze dieren omophagen zijn."
+
+»Omophagen?" zei kapitein Hod.
+
+»Ja eters van rauw vleesch, en zelfs beweren de Hindoes dat, zoo
+zij eens menschenvleesch geproefd hebben, ze geen ander vleesch
+meer willen!"
+
+»Welnu, mijnheer?..." zei Banks.
+
+»Welnu, mijnheer?" antwoordde glimlachend Matthias van Guitt, »het
+is hun aard! ... Zij moeten immers eten!"
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+EEN KONINGIN VAN TARRYANI.
+
+
+Deze opmerking van den leverancier eindigde ons bezoek aan de
+kraal. Het was tijd om het Stoomhuis weder op te zoeken.
+
+Om de waarheid te zeggen, scheidden kapitein Hod en Matthias van Guitt
+niet als de twee beste vrienden van de wereld. De een toch wilde de
+roofdieren van Tarryani ombrengen, terwijl de ander ze wilde vangen
+en evenwel waren er genoeg om beiden tevreden te stellen.
+
+Men kwam niettemin overeen, dat de bewoners van de kraal en het
+sanitarium elkander druk zouden bezoeken. Men zou elkander waarschuwen
+als er een mooie slag te slaan was. De chikaris van Matthias van Guitt,
+goed op de hoogte van deze soort van tochten, bekend met de omwegen en
+schuilhoeken van Tarryani, konden kapitein Hod veel diensten bewijzen,
+door hem de sporen van dieren aan te wijzen. De leverancier stelde hen
+welwillend ter zijne beschikking en meer bijzonder Kâlagani. Hoewel
+deze Hindoe eerst onlangs in het personeel der kraal was opgenomen,
+deed hij zich als zeer kundig kennen en kon men vast op hem rekenen.
+
+Kapitein Hod van zijn kant beloofde, zooveel hem mogelijk was, bij
+de vangst der wilde dieren, die nog aan den voorraad van Matthias
+van Guitt ontbraken, zijn hulp te verleenen.
+
+Alvorens de kraal te verlaten, bedankte Sir Edward Munro, die
+waarschijnlijk geen plan had er drukke bezoeken te maken, nogmaals
+Kâlagani, wiens tusschenkomst hem gered had. Hij zeide hem, dat hij
+altijd welkom in het Stoomhuis zoude zijn.
+
+De Hindoe boog zich koel. Welk gevoel van voldoening hem ook bezielde
+den man, die hem het leven verschuldigd was, zoo te hooren spreken,
+liet hij er niets van blijken.
+
+Wij hadden gezorgd vóór het etensuur thuis te zijn. Men kan zich
+voorstellen, dat Matthias van Guitt de stof tot het gesprek leverde.
+
+»Sakkerloot! wat maakt die leverancier mooie gebaren!" herhaalde
+kapitein Hod »Welk een woordenschat! Welke uitgezochte
+uitdrukkingen! Maar als hij nu in de wilde beesten niet anders ziet
+dan voorwerpen om te laten zien, dan bedriegt hij zich!"
+
+De volgende dagen, 27, 28 en 29 Juni regende het zoo hard, dat de
+jagers, hoe verzot op de jacht ze ook waren, het Stoomhuis niet konden
+verlaten. Bij zulk vreeselijk weer zijn trouwens de sporen onmogelijk
+te herkennen en verlaten de roofdieren, die evenmin van water houden
+als de katten, niet gaarne hunne schuilplaatsen.
+
+Den 30n Juli was het weer gunstiger en zag de lucht er beter
+uit. Dinsdag maakten kapitein Hod, Fox, Goûmi en ik onze toebereidselen
+om naar de kraal af te zakken.
+
+In den loop van den morgen, kwamen eenige bergbewoners ons een bezoek
+brengen. Zij hadden vernomen, dat een wonderbaarlijke pagode in het
+Himalayagebergte verschenen was en werden nu door een levendig gevoel
+van nieuwsgierigheid naar het Stoomhuis gedreven.
+
+Het waren recht schoone menschen, van het ras op de grenzen van Thibet,
+krijgshaftige inboorlingen, eerlijk en getrouw, op ruime schaal de
+gastvrijheid beoefenende en zedelijk en lichamelijk verheven boven
+de Hindoes der vlakte.
+
+De gewaande pagode verbaasde hen wel is waar, maar de IJzeren Reus
+maakte zulk een overweldigenden indruk op hen, dat zij zich in
+aanbidding voor hem nederbogen. Hij bevond zich evenwel in rust. Wat
+zouden de goede lieden opgekeken hebben, als zij gezien hadden, hoe
+hij rook en vlammen uitspuwende, met vasten tred de ruwe hellingen
+hunner bergen beklom!
+
+Kolonel Munro bereidde dezen inboorlingen, waarvan eenigen gewoonlijk
+het grondgebied van Népaul, op de Indo-Chineesche grens doorloopen,
+een goede ontvangst. Het gesprek liep een oogenblik over dat gedeelte
+der grenzen waar Nana Sahib een schuilplaats gezocht had, na de
+nederlaag der Sipayers, toen hij over het geheele grondgebied van
+Indië werd nagezeten.
+
+Deze bergbewoners wisten eigenlijk niets meer dan 't geen wij
+zelven wisten. Ook tot hen was het gerucht van den dood van den
+nabob doorgedrongen en zij schenen hem niet te betwijfelen. Wat de
+metgezellen betreft, die hem overleefd hadden, zij waren spoorloos
+verdwenen. Misschien hadden zij een schuilplaats tot Thibet opgezocht,
+maar het zou moeilijk geweest zijn hen daar te achterhalen.
+
+Indien kolonel Munro, met zijn reis naar het noorden van het
+schiereiland, werkelijk het plan gehad had alles op te helderen wat
+van verre of dichtbij aan Nana Sahib herinnerde, was dit antwoord wel
+geschikt er hem af te brengen. Evenwel bleef hij, na deze bergbewoners
+gehoord te hebben, in gedachten verdiept en nam hij geen deel meer
+aan de gesprekken.
+
+Wat kapitein Hod aangaat, deze stelde hun eenige vragen, maar met
+geheel andere beweegredenen. Zij meldden hem dat werkelijk door wilde
+dieren, en meer bijzonder door tijgers, vreeselijke verwoestingen in
+de onderste streek der Himalaya werden aangericht. Landhoeven en zelfs
+geheele dorpen waren door de bewoners verlaten moeten worden. Reeds
+waren verscheidene kudden geiten en schapen verslonden, en men telde
+ook talrijke slachtoffers onder de inlanders. Niettegenstaande de
+aanzienlijke premie, door het gouvernement uitgeloofd,--driehonderd
+ropijen per tijgerkop,--scheen toch het aantal dezer dieren niet te
+verminderen, en men vroeg zich af, of de mensch niet weldra verplicht
+zou zijn plaats voor hen te maken.
+
+De bergbewoners voegden er ook nog deze bijzonderheid bij: dat namelijk
+de tijgers zich niet alleen tot in Tarryani terugtrokken. Overal waar
+de vlakte hun hoog gras, jungles, struikgewas aanbood waarin zij op
+de loer konden gaan liggen, ontmoette men ze in grooten getale.
+
+»Kwaadaardige dieren!" zeiden zij.
+
+Die brave menschen koesterden, en met recht, zooals men ziet, ten
+opzichte der tijgers niet dezelfde denkbeelden als de leverancier
+Matthias van Guitt en onze vriend kapitein Hod.
+
+De bergbewoners gingen heen, zeer ingenomen met de ontvangst door
+hen genoten en beloofden hun bezoek aan het Stoomhuis te herhalen.
+
+Na hun vertrek waren wij weldra met onze toebereidselen gereed en
+daalden wij, kapitein Hod, onze beide metgezellen en ik, goed gewapend,
+op elke ontmoeting voorbereid, naar Tarryani af.
+
+Op de open plek in het bosch, waar de val gesteld was, waaruit wij
+Matthias van Guitt zoo gelukkig verlost hadden, deed deze zich,
+niet zonder eenige plechtigheid aan ons voor.
+
+Vijf of zes zijner lieden, waaronder Kâlagani, hielden zich bezig
+met uit den val een tijger, die zich des nachts had laten vangen,
+in een rollend hok te doen overgaan.
+
+Werkelijk een prachtig dier, dat door kapitein Hod met wangunst
+werd aangezien!
+
+»Één minder in Tarryani!" mompelde hij met een zucht, die een weerklank
+vond in de borst van Fox.
+
+»Eén meer in de menagerie," antwoordde de leverancier. »Nog twee
+tijgers, een leeuw, twee luipaarden en 'k zal vóór het einde der
+campagne aan mijne verplichtingen kunnen voldoen. Gaat ge met mij
+mede naar de kraal, mijne heeren?"
+
+»We zeggen u dank," zei kapitein Hod, »maar van daag jagen we voor
+eigen rekening."
+
+»Kâlagani is ter uwe beschikking gereed, kapitein Hod", antwoordde
+de leverancier. »Hij kent het bosch en kan u nuttig zijn."
+
+»We nemen hem gaarne als gids aan."
+
+»Nu, mijne heeren," voegde Matthias van Guitt er bij, »veel geluk! Maar
+beloof me niet alles te dooden!"
+
+»Wees gerust, we zullen u nog wat overlaten!" antwoordde kapitein Hod.
+
+En Matthias van Guitt verdween, ons deftig groetende, onder de boomen,
+het rollend hok na.
+
+»Op marsch," zei kapitein Hod, »op marsch, mijne vrienden. Naar mijn
+twee en veertigsten!"
+
+»Naar mijn acht en dertigsten!" antwoordde Fox.
+
+»Naar mijn eersten!" voegde ik er bij.
+
+Maar de toon waarop ik deze woorden sprak deed den kapitein
+glimlachen. Blijkbaar miste ik de noodige bezieling.
+
+Hod had zich naar Kâlagani omgewend.
+
+»Ken je Tarryani goed?" vroeg hij hem.
+
+»'k Heb het twintigmaal doorkruist, nacht en dag, in alle richtingen,"
+antwoordde de Hindoe.
+
+»Heb je hooren zeggen, dat een tijger meer bijzonder gezien is in
+den omtrek van de kraal?"
+
+»Ja, maar die tijger is een tijgerin. Men heeft haar op twee mijlen
+van hier gezien, boven in het bosch en sedert eenige dagen tracht
+men zich van haar meester te maken. Wilt u dat...."
+
+»Of we willen!" antwoordde kapitein Hod, zonder den Hindoe den tijd
+te laten den zin te eindigen.
+
+Wij hadden inderdaad niets beters te doen dan Kâlagani te volgen,
+hetgeen dan ook gedaan werd.
+
+Het is niet twijfelachtig dat de wilde dieren zeer talrijk zijn in
+Tarryani en daar, gelijk elders, hebben zij niet minder dan twee
+runderen per week noodig voor hun bijzonder gebruik! Ga eens na wat
+dit »onderhoud" het geheele schiereiland kost!
+
+Maar al zijn de tijgers er in menigte voorhanden, moet men zich daarom
+niet voorstellen, dat zij zonder noodzaak het land doorloopen. Zoolang
+de honger ze niet aandrijft, blijven ze in hunne schuilhoeken
+verborgen en men zou zich vergissen als men denkt, dat men ze bij
+elken voetstap ontmoet. Hoevele reizigers hebben niet de bosschen of
+de jungles doorloopen, zonder er ooit een ontmoet te hebben! Is er
+dus een jacht op touw, dan moet men beginnen met de gewone toegangen
+dezer dieren op te sporen en vooral de beek of de bron ontdekken
+waarin zij gewoonlijk hun dorst gaan lesschen.
+
+En dit is dikwijls nog niet voldoende, men moet ze nog lokken. Men
+doet dit vrij gemakkelijk door een stuk ossenvleesch, aan een paal
+gebonden, op een open plek te brengen, omringd door boomen of rotsen,
+die den jagers ter beschutting kunnen dienen. Op deze wijze gaat men
+althans in het bosch te werk.
+
+Op de vlakte gaat het anders toe en wordt de olifant de nuttigste
+helper van den mensch bij de gevaarlijke drijfjachten. Doch deze
+dieren moeten hiertoe volkomen afgericht zijn en toch in weerwil
+hiervan worden zij soms door een paniek overvallen, hetgeen den
+toestand der jagers, die op hun rug zitten, somtijds zeer gevaarlijk
+maakt. Ook moet hier gezegd worden, dat de tijger niet aarzelt zich
+op den olifant te werpen. De worsteling tusschen den mensch en hem
+heeft dan plaats op den rug van het reusachtige dikhuidige dier,
+dat zich driftig maakt en het is zeldzaam, dat zij niet ten voordeele
+van het wilde dier beslist wordt.
+
+Op die wijze evenwel hebben de groote jachten der rajahs en der rijke
+sportsmen van Indië plaats, waardig om in de jaarboeken der jacht te
+worden opgenomen.
+
+Doch dit was de wijze niet waarop kapitein Hod wilde tewerkgaan. Te
+voet ging hij de tijgers opzoeken, te voet was hij gewoon ze te
+bestrijden.
+
+Intusschen volgden wij Kâlagani, die flink doorstapte. Terughoudend
+als een Hindoe, praatte hij weinig en bepaalde hij zich kort te
+antwoorden op de vragen, die hem gedaan werden.
+
+Een uur later, hielden wij halt bij een schuimende beek, welker boorden
+de nog versche sporen van dieren vertoonden. Te midden eener kleine
+open plek in het bosch was een paal opgericht waaraan een groot stuk
+rundvleesch was vastgebonden.
+
+Het lokaas was niet geheel gespaard gebleven. De jakhalzen,
+de gauwdieven der Indische dierenwereld, altijd op eenige prooi
+uit, al is de prooi niet voor hen bestemd, hadden er juist even van
+geproefd. Een dozijn van die roofdieren ging bij onze nadering op de
+vlucht en liet ons volle vrijheid.
+
+»Kapitein," zei Kâlagani, »hier zullen we de tijgerin afwachten. U
+ziet dat de plek gunstig is."
+
+Werkelijk was het gemakkelijk zich in de boomen of achter de rotsen
+te verschuilen, zoodanig, dat men zijn vuur op de alleenstaande paal
+in het midden der open plek kon kruisen.
+
+Dit werd dan ook onmiddellijk gedaan. Goûmi en ik hadden op denzelfden
+tak plaatsgenomen. Kapitein Hod en Fox, beiden op de eerste vertakking
+van twee groote groene eiken geplaatst, zaten recht tegenover elkander.
+
+Kâlagani had zich half verscholen achter een hooge rots, die hij
+ingeval van dreigend gevaar kon beklimmen.
+
+Het dier zou dus van alle kanten bestookt worden en het moeielijk
+kunnen ontloopen. Alle kansen waren dus tegen hem, alhoewel men
+rekening met onvoorziene omstandigheden moest houden.
+
+Wij hadden nu niets anders te doen dan te wachten.
+
+De jakhalzen, hier en daar verspreid, deden altijd hun schor geblaf
+in het naburig kreupelhout hooren, maar zij dorsten zich niet meer
+aan het stuk vleesch te wagen.
+
+Nauwelijks was er een uur verloopen, of dit geblaf eindigde
+plotseling. Bijna op hetzelfde oogenblik, sprongen twee of drie
+jakhalzen uit het kreupelhout voor den dag, doorkruisten de open plek
+en verdwenen in het dichtst van het woud.
+
+Een teeken van Kâlagani, die op het punt stond om de rots te beklimmen,
+waarschuwde ons op te passen.
+
+Inderdaad was geen andere oorzaak voor deze overhaaste vlucht der
+jakhalzen te vinden dan de nadering van een wild dier,--de tijgerin
+ongetwijfeld,--en elk oogenblik kon men verwachten haar op een of
+ander punt der open plek in het bosch te zien verschijnen.
+
+Onze wapenen waren gereed. De karabijnen van kapitein Hod en zijn
+oppasser, reeds gericht naar de plek van het kreupelbosch waaruit de
+jakhalzen ontvlucht waren, wachtten slechts op een vingerdruk om los
+te branden.
+
+Weldra meende ik de bovenste takken van het kreupelhout even te zien
+bewegen. Op hetzelfde oogenblik deed zich een gekraak van droog hout
+vernemen. Duidelijk hoorde men nu een dier, welk dan ook, naderen,
+maar voorzichtig, zonder zich te haasten. Van de jagers, die, onder
+dicht gebladerte verscholen, hem beloerden, kon hij blijkbaar niets
+zien. Nochtans moest zijn instinct hem doen gevoelen, dat de plaats
+niet veilig voor hem was. Zeer zeker zou, indien hij niet door den
+honger ware gedrongen en het stuk vleesch hem door den reuk niet had
+verlokt, zich niet verder gewaagd hebben.
+
+Hij vertoonde zich evenwel, half door de takken van een struik
+verborgen en bleef zich alleen nog uit een gevoel van wantrouwen
+ophouden.
+
+Het was wel degelijk een tijgerin, groot van stuk, met een prachtigen
+kop en een lenig lichaam. Zij kwam langzaam langs den grond
+voortglijdende, met de golvende beweging van een kruipend dier vooruit.
+
+Algemeen kwam men daarin overeen, haar tot aan de paal te laten
+naderen. Zij rook den grond, ze richtte zich op, kromde den rug als
+een énorme kat, die niet van plan is een sprong te nemen.
+
+Eensklaps barstten twee karabijnschoten los.
+
+»Twee en veertig!" riep kapitein Hod.
+
+»Acht en dertig!" riep Fox.
+
+De kapitein en zijn oppasser hadden te gelijkertijd geschoten, en zoo
+juist, dat de tijgerin, getroffen door een, zoo niet door twee kogels,
+over den grond rolde.
+
+Kâlagani was op het dier toegesneld en ook wij waren op den grond
+gesprongen.
+
+De tijgerin bewoog zich niet meer.
+
+Doch wien kwam de eer toe haar doodelijk getroffen te hebben? Den
+kapitein of Fox? Men kan zich voorstellen, dat dit een punt van
+gewicht was!
+
+Het dier werd geopend. Het hart was door twee kogels doorboord.
+
+»Kom," zei kapitein Hod, niet zonder eenigen spijt, »ieder de helft!"
+
+»De helft, kapitein!" antwoordde Fox op denzelfden toon.
+
+En ik geloof, dat noch de een nog de ander gaarne het deel had
+afgestaan, dat hem toekwam.
+
+Dit was het merkwaardige schot, waarvan het beste resultaat was, dat
+het dier zonder worsteling bezweken was en bijgevolg zonder gevaar
+voor de aanvallers,--een resultaat, dat bij de jachten dezer soort
+zelden voorkomt.
+
+Fox en Goûmi bleven op het slagveld achter, om het dier van zijn
+prachtige huid te ontdoen, terwijl Hod en ik naar het Stoomhuis
+terugkeerden.
+
+Het is mijn voornemen niet de voorvallen onzer tochten in Tarryani tot
+in de minste bijzonderheden te vermelden, tenzij zij iets merkwaardigs
+opleveren. Het zij genoeg al dadelijk te zeggen, dat kapitein Hod en
+Fox zich niet te beklagen hadden.
+
+Den 10n Juli, bij een jacht uit de houddi, namelijk uit de hut,
+hadden zij opnieuw een gelukkige kans, zonder dat zij werkelijk gevaar
+geloopen hadden. De houddi, trouwens, is zeer geschikt om de groote
+roofdieren te belagen. Het is een soort van gecreneleerd fortje, welks
+muren, door schietgaten doorboord, de oevers van een beek beheerschen,
+waar de dieren gewoon zijn te gaan drinken. Gewoon aan het gezicht
+dezer kleine gebouwen, hebben zij geen wantrouwen en stellen zij zich
+rechtstreeks aan het moorddadig lood bloot. Maar ook daar als overal,
+komt het er op aan hen doodelijk met het eerste schot te treffen,
+of de worsteling wordt gevaarlijk, want de houddi behoedt den jager
+niet altijd voor de geduchte sprongen dezer dieren, die gewond,
+woedend zijn geworden.
+
+Dit was het nu juist wat gebeurde, zooals men weldra zien zal.
+
+Matthias van Guitt vergezelde ons. Misschien hoopte hij wel, dat een
+licht gewonde tijger naar de kraal medegenomen zou kunnen worden,
+waar hij dan de zorg op zich zou nemen hem te verzorgen en te genezen.
+
+Nu had onze troep jagers dien dag met drie tijgers te doen, die
+door de eerste losbranding niet weerhouden werden de muren van de
+houddi te bespringen. De twee eerste werden, tot groot verdriet
+van den leverancier, met een tweeden kogel gedood, toen zij over de
+gecreneleerde omheining sprongen. Wat den derden betreft, hij nam een
+sprong tot in het inwendige van het gebouwtje, den schouder gewond,
+maar overigens niet doodelijk getroffen.
+
+»Dien zullen we dan toch hebben!" riep Matthias van Guitt uit, die
+zoo sprekende wel wat veel waagde, »we zullen hem levend hebben!...."
+
+Nauwelijks had hij deze onvoorzichtige woorden gesproken, of het dier
+stortte zich op hem, wierp hem omver en het ware gedaan geweest met
+den leverancier, had een kogel van kapitein Hod den kop des tijgers
+niet geraakt, die als door den bliksem getroffen neerzeeg.
+
+Matthias van Guitt was weder snel op de been.
+
+»Hé! kapitein," riep hij uit, in plaats van onzen vriend te bedanken,
+»u hadt wel kunnen wachten!...."
+
+»Wachten.... wat?...." antwoordde kapitein Hod, »totdat het dier je
+de borst met zijn klauwen had opengereten?"
+
+»Zoo'n krab is nog niet doodelijk!..."
+
+»Goed!" antwoordde bedaard kapitein Hod. »Een andermaal zal ik
+wachten!"
+
+Wat er van zij, het dier was buiten staat in de menagerie der
+kraal te figureeren en had alleen om zijn vel nog eenige waarde;
+maar deze gelukkige tocht bracht het getal der door den kapitein en
+zijn oppasser gedoode tijgers op twee en veertig en acht en dertig,
+zonder de reeds vermelde halve tijgerin mede te rekenen.
+
+Men denke nu niet dat deze groote jachten ons de kleine deden
+vergeten. Daar zorgde »Monsieur" Parazard wel voor. Een groote
+verscheidenheid van allerlei wild, zooals patrijzen, hazen,
+antilopen, gemzen, trapganzen, dat in den omtrek van het Stoomhuis
+rijk vertegenwoordigd was, prijkte op onze tafel.
+
+Zelden gebeurde het dat Banks ons bij onze tochten in Tarryani
+vergezelde. Mochten die tochten mij belang beginnen in te boezemen,
+hem bevielen ze niet bijzonder. Voor hem hadden de hoogere streken
+der Himalaya meer aantrekkelijkheid, vooral als kolonel Munro hem
+wilde vergezellen.
+
+Maar een of twee malen slechts hadden de wandelingen van den ingenieur
+op deze wijze plaats. Hij had opgemerkt, dat Sir Edward Munro in den
+laatsten tijd weer meer in zich zelven gekeerd en bezorgder geworden
+was. Hij sprak minder, hield zich meer afgezonderd en had somtijds
+drukke gesprekken met sergeant Mac Neil. Zouden zij met hun beiden
+eenig nieuw plan beramen, dat ze wilden verbergen, zelfs voor Banks?
+
+Den 13n Juli kwam Matthias van Guitt ons een bezoek brengen. Hij
+was minder gelukkig geweest dan kapitein Hod en had zijn menagerie
+met geen nieuwen gast kunnen verrijken. Geen tijgers, noch leeuwen,
+noch luipaarden schenen geneigd te zijn zich te laten vangen. De
+gedachte zich in het verre westen te laten tentoonstellen lachte
+hun ongetwijfeld niet toe. Vandaar dat de leverancier een ergernis
+gevoelde, die hij niet trachtte te ontveinzen.
+
+Kâlagani en twee chikaris van het personeel vergezelden Matthias van
+Guitt bij dit bezoek.
+
+De vestiging van het sanitarium in die bekoorlijke streek behaagde
+hem buitengemeen. Kolonel Munro noodigde hem te blijven eten. Hij
+nam het gretig aan en beloofde onze tafel eer aan te doen.
+
+Voor het diner wenschte Matthias van Guitt het Stoom-House te
+bezoeken, waarvan de geriefelijke inrichting zoo oneindig verschilde
+met de eenvoudigheid zijner kraal. De twee rollende huizen lokten
+een kompliment van hem uit, maar ik moet bekennen, dat de IJzeren
+Reus hem onverschillig liet. Een natuurkundige, zooals hij, moest wel
+ongevoelig blijven voor dit meesterstuk van werktuigkunde. Hoe kon hij
+de schepping van dit kunstmatige dier, hoe merkwaardig ook, goedkeuren.
+
+»Denk geen kwaad van onzen olifant, mijnheer van Guitt!" zeide
+Banks tot hem. »'t Is een machtig dier, en als het moest, zou hij
+er volstrekt niet over in zitten om tegelijk met onze twee wagens,
+al de hokken uwer rollende menagerie voort te trekken."
+
+»Daarvoor heb ik mijn buffels," antwoordde de leverancier, »en ik
+geef de voorkeur aan hun bedaarden en zekeren stap."
+
+»De IJzeren Reus vreest noch de klauwen, noch de tanden der
+tijgers!" riep kapitein Hod uit.
+
+»Dat moge waar zijn, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt,
+»maar waarom zouden de wilde dieren hem aanvallen? Ze geven niet veel
+om vleesch van plaatijzer!"
+
+Mocht de natuurkundige zijn onverschilligheid voor onzen olifant niet
+ontveinzen, zijne Hindoes en vooral Kâlagani hielden daarentegen
+niet op hem met de oogen te verslinden. Men gevoelde, dat hunne
+bewondering van het reusachtige dier gemengd was met een zekere dosis
+bijgeloovigen eerbied.
+
+Kâlagani scheen zelfs zeer verbaasd toen de ingenieur herhaalde, dat
+de IJzeren Reus machtiger was dan de geheele bespanning der kraal. Dit
+gaf kapitein Hod aanleiding, niet zonder eenige fierheid ons avontuur
+met de drie »proboscidea" van prins Gourou Singh te vertellen.
+
+Een ongeloovig glimlachje speelde om de lippen van den leverancier,
+maar hij wachtte zich wel het feit te betwisten.
+
+Het diner liep in de beste orde af en vooral Matthias van Guitt
+deed het alle eer aan. Het menu was uitmuntend en bestond uit de
+voortbrengselen onzer laatste jachten; werkelijk mag men zeggen,
+dat »Monsieur" Parazard zich zelven overtroffen had.
+
+Ook de wijnkelder van het Stoomhuis bleek goed voorzien te zijn en
+vooral schenen een paar glazen Franschen wijn onzen gast uitmuntend
+te smaken, want elk slokje werd gevolgd door een eigenaardig gesmak
+van de tong tegen het verhemelte.
+
+Na den maaltijd, op het oogenblik van scheiden, kon men uit de
+onzekerheid van zijn gang opmaken, dat de wijn hem niet alleen naar
+het hoofd gestegen, maar ook naar zijne beenen gezakt was.
+
+Bij het vallen van den avond, scheidde men als de beste vrienden van
+de wereld, en dank zij zijne tochtgenooten, kwam Matthias van Guitt
+zonder ongelukken in zijn kraal terug.
+
+Evenwel had er den 16n Juli een voorval plaats, die de goede
+verstandhouding tusschen den leverancier en kapitein Hod dreigde
+te verstoren.
+
+Op het oogenblik dat een tijger in een der wipvallen zou gevangen
+worden, werd hij door den kapitein gedood. Maar, mocht deze al zijn
+drie en veertigste zijn, hij was niet de achtste van den leverancier.
+
+Nochtans werd na eenige wederzijdsche ophelderingen, waarbij het
+vrij scherp toeging, de zaak in der minne geschikt, dank zij de
+tusschenkomst van kolonel Munro, en kwamen zij overeen, dat kapitein
+Hod de wilde dieren zou eerbiedigen, die »van plan waren" zich in de
+vallen van Matthias van Guitt te laten vangen.
+
+De volgende dagen was het afschuwelijk slecht weder. Men moest tegen
+wil en dank in het Stoomhuis blijven. Wij verlangden naar het einde
+van den regentijd, die niet lang meer kon duren, daar hij reeds voor
+meer dan drie maanden begonnen was. Indien het programma van onze
+reis gevolgd werd, zooals Banks het van te voren had vastgesteld,
+bleven ons nog slechts zes weken verblijf in het sanitarium over.
+
+Den 23n Juli kwamen eenige bergbewoners van de grenzen den kolonel
+Munro een tweede bezoek brengen. Hun dorp, Souari genaamd, was
+slechts vijf mijlen van ons kamp verwijderd, bijna aan de bovenste
+grens van Tarryani.
+
+Een van hen deelde ons mede, dat een tijgerin sedert eenige weken
+vreeselijke verwoestingen in die streken aanrichtte. De kudden werden
+vernield en men sprak er reeds van om Souari, onbewoonbaar geworden,
+te verlaten. Er was geen zekerheid meer, noch voor de huisdieren, noch
+voor de menschen. Allerlei middelen om het dier te belagen, vallen,
+strikken, drijfjachten, niets had het wreede dier, dat reeds onder
+de geduchtste roofdieren begon te tellen waarvan de oude bergbewoners
+ooit hadden hooren spreken, kunnen verjagen of dooden.
+
+Men kan zich voorstellen, dat dit verhaal zeer geschikt was om
+kapitein Hod in koortsachtige spanning te brengen. Hij bood dadelijk
+den bergbewoners aan hen naar het dorp van Souari te vergezellen,
+volkomen bereid zijn ondervinding als jager en de zekerheid van
+zijn blik ter beschikking van die goede menschen te stellen, die,
+naar het mij toescheen, wel een weinig op dit aanbod rekenden.
+
+»Ga je mee, Maucler?" vroeg kapitein Hod mij, op den toon van iemand,
+die geen invloed op een eenmaal genomen besluit wenscht uit te oefenen.
+
+»Wel zeker," antwoordde ik. »'k Zou niet gaarne zulk een merkwaardigen
+tocht mankeeren!"
+
+»Ook ik wilde je ditmaal vergezellen," zei de ingenieur.
+
+»Dat is een heerlijk idée van je, Banks."
+
+»Ja, Hod! 'k Wensch zeer je daar eens aan 't werk te zien."
+
+»Mag ik niet van de partij zijn, kapitein?" vroeg Fox.
+
+»O! die intrigant?" riep kapitein Hod uit. »Hij zou gaarne zijn halve
+tijgerin willen aanvullen! Ja, Fox! ja! je kunt meegaan!"
+
+Daar men nu dus voor een drie of vier dagen het Stoomhuis ging
+verlaten, vroeg Banks den kolonel of ook hij ons niet naar het dorp
+Souari zou vergezellen.
+
+Sir Edward Munro bedankte hem, daar hij van plan was van onze
+afwezigheid gebruik te maken om met Goûmi en den sergeant Mac Neil de
+middelste streek of zone van de Himalaya, boven Tarryani te bezoeken.
+
+Banks drong niet verder aan.
+
+Er werd dus bepaald, dat wij denzelfden dag naar de kraal zouden
+vertrekken, om van Matthias van Guitt eenigen zijner chikaris te
+leenen, die ons nuttig zouden kunnen zijn.
+
+Een uur later, tegen twaalf uren, waren wij aangekomen. De leverancier
+werd op de hoogte onzer plannen gebracht. Toen hij de heldendaden
+van die tijgerin vernam, kon hij zijne geheime voldoening niet
+verbergen. Dat dier toch, zeide hij, was wel geschikt om bij de kenners
+den roem der dieren van het schiereiland te verhoogen. Daarna stelde
+hij drie zijner Hindoes ter onze beschikking zonder Kâlagani mede te
+rekenen, die altijd gereed was zich in het gevaar te begeven.
+
+Het werd evenwel goed afgesproken met kapitein Hod, dat, zoo onverhoopt
+de tijgerin zich levend liet vangen, zij rechtens tot de menagerie
+van Matthias van Guitt zou behooren. Welk een uitlokkend bericht,
+dat, aan de traliën van het hok gehangen, in welsprekende cijfers
+de heldendaden zou vermelden van »een der koninginnen van Tarryani,
+die niet minder dan honderd acht en dertig personen van beide seksen
+verslonden heeft!"
+
+Onze kleine troep verliet de kraal tegen twee uren van den
+namiddag. Voor vier uren, kwam hij, na schuins naar het oosten
+bergopwaarts te zijn gegaan, zonder ongelukken te Souari aan.
+
+De paniek was daar tot het hoogste geklommen. Dien zelfden morgen
+was een ongelukkige Hindoesche vrouw, onverwacht bij een beek door
+de tijgerin verrast, naar het bosch medegesleept.
+
+Een der bergbewoners, een rijke Engelsche landeigenaar, nam ons
+gastvrij in zijne woning op. Onze gastheer had meer dan een ander
+zich over het geduchte dier te beklagen gehad en gaarne had hij zijn
+huid met vele duizenden ropijen betaald.
+
+»U moet weten, kapitein Hod," zeide hij, »dat eenige jaren geleden
+een tijgerin in de centrale provinciën de bewoners van dertien dorpen
+verplicht heeft op de vlucht te gaan, zoodat twee honderd vijftig
+vierkante mijlen beste grond braak moesten blijven liggen!"
+
+»Heb je alle mogelijke middelen beproefd om het dier te dooden?" vroeg
+Banks.
+
+»Alles, mijnheer de ingenieur, vallen, kuilen en zelfs lokazen met
+strychnine toebereid! Niets heeft geholpen!"
+
+»Mijn goede vriend," zei kapitein Hod, »ik verzeker niet, dat het
+ons zal gelukken je te voldoen, maar we zullen ons best doen!"
+
+Zoodra we ons te Souari eenigszins hadden ingericht, werd dien
+zelfden dag een drijfjacht ondernomen. Een twintigtal bergbewoners,
+die het grondgebied waarop we ons zouden bewegen, volkomen goed kenden,
+voegden zich bij ons, bij onze lieden en bij de chikaris der kraal.
+
+Hoe weinig jager Banks ook ware, scheen het mij toe, dat ook hij
+onzen tocht met de meeste belangstelling zou medemaken.
+
+Drie dagen achtereen, den 24n, 25n en 26n Juli, werd dit geheele
+gedeelte der bergachtige streek doorzocht, zonder dat onze nasporingen
+eenig resultaat hadden opgeleverd, geen ander immers dan dat twee
+andere tijgers, waaraan men weinig dacht, door den kapitein werden
+neergeveld.
+
+»Vijf en veertig!" vergenoegde zich Hod te zeggen, zonder er anders
+eenig gewicht aan te hechten.
+
+Eindelijk, den 27n, deed de tijgerin door een nieuwe wandaad van zijn
+tegenwoordigheid blijken. Een buffel, die onzen gastheer toebehoorde,
+verdween uit een bij Souari gelegen weide en men vond er een kwart
+mijl van het dorp niets meer dan de overblijfselen van terug. De
+moord,--moord met voorbedachten rade, zou een rechtskundige gezegd
+hebben,--had even voor het opkomen der zon plaats gehad, zoodat de
+moordenaar onmogelijk ver af kon zijn.
+
+Doch zou de bedrijver van de misdaad wel de tijgerin zijn, die men
+tot nog toe tevergeefs had trachten op te sporen?
+
+De Hindoes van Souari twijfelden er niet aan.
+
+»'t Is mijn oom, niemand anders dan hij kan de dood bedreven
+hebben!" zei een der bergbewoners tot ons.
+
+»Mijn oom!" Zoo noemen de Hindoes in de meeste streken van het
+schiereiland gewoonlijk den tijger. Zij gelooven namelijk, dat ieder
+hunner voorouders voor eeuwig verblijf houdt in het lichaam van een
+dezer leden van de familie van het kattengeslacht.
+
+In dit geval zouden zij juister hebben kunnen zeggen: »'t Is mijn
+tante!"
+
+Onmiddellijk werd het besluit genomen het dier te gaan opzoeken,
+zonder zelfs den nacht af te wachten, omdat hij zich 's nachts beter
+aan de nasporingen zou kunnen onttrekken. Hij moest trouwens verzadigd
+zijn en zou zijn leger niet voor twee of drie dagen verlaten.
+
+Men ging op marsch. Van de plek waar de buffel door de tijgerin gedood
+was, toonden bloedige sporen den weg aan, door haar ingeslagen. Deze
+sporen voerden naar een klein kreupelbosch, dat reeds meermalen was
+afgeloopen, zonder dat men er iets kon ontdekken. Men besloot dus dit
+kreupelbosch te omringen, teneinde op die wijze een kring te vormen,
+die niet door het dier zou kunnen overschreden worden, althans niet
+zonder gezien te worden.
+
+De bergbewoners verspreidden zich nu eerst, om zich langzamerhand naar
+het midden terug te trekken, hun kring daarbij verkleinende. Kapitein
+Hod, Kâlagani en ik bevonden zich aan een kant, Banks en Fox aan den
+anderen, doch in voortdurende gemeenschap met de lieden van de kraal
+en met die van het dorp. Elk punt van dezen omtrek was natuurlijk
+gevaarlijk, daar de tijgerin op elk punt kon trachten hem te verbreken.
+
+Het leed overigens geen twijfel of het dier bevond zich wel degelijk
+in het kreupelbosch. Inderdaad werden de sporen, die er aan eenen
+kant op uitliepen, aan den anderen kant niet teruggevonden. Dat daar
+haar gewone schuilplaats was, was niet bewezen, want men had er haar
+tevergeefs gezocht, doch op dit oogenblik was het algemeene vermoeden,
+dat dit kreupelbosch haar werkelijk tot schuilplaats diende.
+
+Het was toen acht uren 's morgens. Nadat alle voorzorgen genomen waren,
+gingen we langzaam in stilte vooruit, den kring van insluiting allengs
+vernauwende. Een half uur later, bevonden wij ons bij de eerste boomen.
+
+Tot nog toe was er niets bijzonders voorgevallen, niets verkondigde de
+tegenwoordigheid van het dier en wat mij aangaat, begon ik te gelooven,
+dat al onze moeite tevergeefs was.
+
+Op dit oogenblik was het niet meer mogelijk elkander te zien dan voor
+hen, die in elkander's onmiddellijke nabijheid waren en evenwel was
+het van belang den onderlingen samenhang niet te verliezen.
+
+Men was dus vooraf overeengekomen, dat een geweerschot het oogenblik
+zou aankondigen waarop de eerste van ons het bosch zou binnentreden.
+
+Het teeken werd gegeven door kapitein Hod, die altijd vooraan was en
+de zoom van het bosch werd overschreden. Mijn horloge raadplegende,
+zag ik dat het toen acht uren vijf en dertig minuten was.
+
+Een kwartier later, toen de kring zich vernauwd had, raakte men
+elkander met de elbogen aan en hield men halt in het dichtste gedeelte
+van het kreupelhout, zonder iets ontmoet te hebben.
+
+Tot nog toe had niets de stilte gestoord dan het gekraak der droge
+takken, die niettegenstaande al onze voorzorgen onder het gaan
+verbroken werden.
+
+Op dit oogenblik deed zich een gehuil hooren.
+
+»Daar is het dier!" riep kapitein Hod uit, naar de opening van een
+hol wijzende in een opeenhooping van rotsen, die door een groep hooge
+boomen bekroond werd.
+
+Kapitein Hod bedroog zich niet. Al was het niet het gewone leger der
+tijgerin, was het althans daar dat zij de wijk genomen had toen zij
+zich door een talrijke bende jagers vervolgd zag.
+
+Wij allen, Hod, Banks, Fox, Kâlagani, verscheidene lieden der kraal,
+wij waren de nauwe opening genaderd, waar de bloedige sporen eindigden.
+
+»We moeten daarin doordringen," zei kapitein Hod.
+
+»Een gevaarlijke onderneming!" deed Banks opmerken. »De eerste,
+die binnentreedt, loopt gevaar ernstig verwond te worden..."
+
+»Niets zal mij toch weerhouden naar binnen te gaan," zei Hod, zich
+verzekerende, dat zijn karabijn gereed was vuur te geven.
+
+»Na mij, kapitein!" antwoordde Fox, die zich naar de opening van het
+hol bukte.
+
+»Neen, Fox, neen!" riep Hod uit. »Dat gaat mij aan!"
+
+»Och, kapitein!" antwoordde Fox zacht, op verwijtenden toon, »'k ben
+er zes ten achteren!..."
+
+Op zulk een oogenblik telden zij waarlijk het aantal tijgers, die
+zij geschoten hadden!
+
+»Geen van beiden zult ge daar binnen gaan!" riep Banks. »Neen! Nooit
+zal ik toestaan..."
+
+»Er zou misschien wel een middel zijn," zeide Kâlagani toen, den
+ingenieur in de rede vallende.
+
+»Welk?"
+
+»Het dier door rook trachten te verdrijven," antwoordde de Hindoe. »We
+zouden dan minder gevaar loopen en het gemakkelijker buiten kunnen
+dooden."
+
+»Kâlagani heeft gelijk," zeide Banks. »Komt, mijne vrienden, dood
+hout, droog gras en gebladerte! Stopt de opening behoorlijk dicht! De
+wind zal de vlammen en den rook naar binnen jagen. Het beest zal zich
+moeten laten roosteren of trachten te ontvluchten!"
+
+»Het zal zich willen redden," hernam de Hindoe.
+
+»Goed!" antwoordde kapitein Hod. »We zullen het in het voorbijgaan
+onze groeten overbrengen!"
+
+In een oogwenk was een groote hoop brandbare zelfstandigheden, als
+bladeren, droog gras, dood hout, waaraan in dit kreupelbosch geen
+gebrek was, voor den ingang van het hol opgehoopt.
+
+Niets had zich tot nog toe in het inwendige bewogen. Niets vertoonde
+zich in den donkeren gang, die vrij diep moest zijn. Toch hadden
+onze ooren ons niet kunnen bedriegen en was het gehuil stellig van
+daar gekomen.
+
+Nu werden al die droge zaken in brand gestoken en stond weldra alles in
+vlam. Tegelijk ontwikkelde zich een scherpe, dichte rook, die door den
+wind werd nedergeslagen en de lucht van binnen verstikkend moest maken.
+
+Nu deed zich een tweede gebrul, woedender dan het eerste hooren. Het
+dier gevoelde zich tot in zijn laatsten schuilhoek teruggedrongen en
+om niet te stikken zou hij spoedig gedwongen worden zich naar buiten
+te storten.
+
+Wij wachtten hem af, tegen de zijdelingsche helling van de rots
+geplaatst, gedekt door boomstammen, teneinde den schok van den eersten
+sprong te vermijden.
+
+Wat de kapitein betreft, deze had een andere plaats gekozen en, het
+moet erkend worden, de gevaarlijkste. Deze bevond zich namelijk bij
+den ingang van een opening in het kreupelhout, de eenige waardoor
+de tijgerin kon ontvluchten. Hod zat met één knie op den grond,
+teneinde zekerder van zijn schot te zijn, terwijl hij zijn karabijn
+stevig tegen den schouder had aangedrukt; zijn geheele wezen had de
+onbeweeglijkheid van een marmeren beeld aangenomen.
+
+Er waren nauwlijks drie minuten verloopen sedert het oogenblik dat de
+hoop hout in brand was gestoken, toen voor de derde maal een gehuil
+of liever ditmaal een gereutel van verstikking aan de opening van
+het hol weerklonk. In een oogwenk werden de brandbare voorwerpen
+terzijde geworpen en verscheen er een énorm lichaam te midden van de
+dwarrelende rookkolommen.
+
+Het was de tijgerin.
+
+»Vuur!" schreeuwde Banks.
+
+Tien geweren brandden los, maar later konden wij ons verzekeren,
+dat geen enkele kogel het dier getroffen had. Zijn verschijning was
+te kort geweest. Hoe had men te midden van den rook, die het omgaf,
+met eenige juistheid kunnen mikken?
+
+Doch, als de tijgerin na haar eersten sprong, den grond had aangeraakt,
+was dit slechts geweest om een steunpunt te zoeken voor een tweeden
+nog verderen sprong, die haar in het kreupelhout zou brengen.
+
+Kapitein Hod wachtte het dier met de grootste koelbloedigheid af en
+als in de vlucht zond hij het een kogel na, die het slechts in het
+dikke van den schouder raakte.
+
+Snel als de bliksem, was de tijgerin op onzen metgezel toegesprongen,
+had hem omver geworpen en was op het punt hem met een slag van zijn
+ontzaglijke klauwen den schedel te verpletteren, toen Kâlagani met
+een groot mes in de hand op hem toevloog.
+
+De schreeuw, dien wij uitten, was nog niet verstomd of de moedige
+Hindoe had het woeste dier bij de keel gepakt op het oogenblik dat
+zijn rechterklauw op het hoofd van den kapitein zou nederkomen.
+
+Het dier, door dien plotselingen aanval afgeleid, wierp den Hindoe
+met een zijdelingsche beweging omver en viel woedend op hem aan.
+
+Maar kapitein Hod was met één sprong op de been en het mes, dat
+Kâlagani had laten vallen, oprapende, stak hij het met vaste hand
+tot aan het heft in het hart van het dier.
+
+De tijgerin rolde op den grond.
+
+Niet langer dan vijf minuten had dit gansche ontzettende tooneel ons
+in koortsachtige spanning gehouden.
+
+Kapitein Hod lag nog steeds geknield toen wij bij hem kwamen. Kâlagani
+had zich met bebloeden schouder zoo even opgericht.
+
+»Bag mahryaga! Bag mahryaga!" schreeuwden de Hindoes,--'t geen
+beteekende: de tijgerin is dood!
+
+Ja, werkelijk dood! Welk een prachtig dier! Tien voet lang van den
+snuit tot het uiteinde van den staart, grootte naar verhouding,
+ontzaglijke pooten, gewapend met lange, scherpe klauwen.
+
+Terwijl wij het roofdier bewonderden, overlaadden de Hindoes, die
+zeer haatdragend van aard zijn, hem met scheldwoorden. Wat Kâlagani
+aangaat, hij was kapitein Hod genaderd.
+
+»Bedankt, kapitein!" zeide hij.
+
+»Hoe! bedankt?" riep Hod uit. »Als iemand danken moet, dan ben ik het,
+want zonder je hulp was het gedaan geweest met een der kapiteins van
+het 1e eskadron der karabiniers van de koninklijke armée."
+
+»Zonder u zou ik dood geweest zijn!" antwoordde de Hindoe koud.
+
+»Wel, bij alle duivels! Heb je niet, met het mes in de hand je op
+de tijgerin geworpen, op het oogenblik dat zij me den schedel zou
+verpletteren!"
+
+»U hebt haar gedood, kapitein, en dat is dus uw zes-en-veertigste!"
+
+»Hoera! hoera!" riepen de Hindoes! »Hoera voor kapitein Hod!"
+
+En inderdaad had de kapitein wel het recht de tijgerin op zijn rekening
+te schrijven, maar hij betaalde Kâlagani met een stevigen handdruk.
+
+»Kom mee naar het Stoomhuis," zei Banks tot Kâlagani. »Je schouder
+is deerlijk gehavend, maar we zullen in onze reisapotheek wel iets
+vinden om je wond te verzorgen."
+
+Kâlagani boog ten teeken van goedkeuring en allen richtten we ons,
+na afscheid genomen te hebben van de bergbewoners van Souari, die
+hunne dankzeggingen niet spaarden, naar het sanitarium.
+
+De chikaris verlieten ons om naar de kraal terug te keeren. Ook
+ditmaal kwamen zij met ledige handen weder, en indien Matthias van
+Guitt gerekend had op deze »koningin van Tarryani," moest hij rouw
+voor haar dragen. Het is zeker, dat het onder deze omstandigheden
+onmogelijk zou geweest zijn, haar levend te vangen.
+
+Tegen twaalf uren, waren wij in het Stoomhuis terug. Daar had zich
+iets onverwachts voorgedaan. Tot onze groote teleurstelling waren
+kolonel Munro, sergeant Mac Neil en Goûmi vertrokken.
+
+Een briefje, aan Banks gericht, meldde hem zich niet over hunne
+afwezigheid te verontrusten, dat, Edward Munro, een verkenning naar
+de grens van Népaul begeerende te maken, nog eenige twijfelachtige
+omstandigheden wilde ophelderen betrekkelijk de metgezellen van Nana
+Sahib en dat hij terug wilde zijn vóór het tijdperk waarop wij de
+Himalaya moesten verlaten.
+
+Bij het lezen van dit briefje, kwam het mij voor, dat aan Kâlagani
+een teeken van bijna onwillekeurige teleurstelling ontsnapte.
+
+Waarom die teleurstelling? Ik vergiste mij ongetwijfeld.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+NACHTELIJKE AANVAL.
+
+
+Wij maakten ons zeer ongerust over het vertrek van den kolonel. Het
+had blijkbaar betrekking op een verleden, dat wij voor altijd voorbij
+hadden gewaand. Maar wat te doen? Het voetspoor van Sir Edward Munro
+volgen? Wij wisten niet welken weg hij was ingeslagen en welk punt
+van de Népaulsche grens hij zich voorstelde te bereiken. Wij konden
+ons van den anderen kant niet ontveinzen dat, zoo hij zich niet aan
+Banks had uitgelaten, dit was omdat hij de aanmerkingen van zijn
+vriend vreesde, waaraan hij zich wilde onttrekken. Het speet Banks
+zeer ons op dezen tocht gevolgd te zijn.
+
+Men moest er dus in berusten en afwachten. Kolonel Munro zou zeker vóór
+het einde van Augustus terug zijn, want die maand was de laatste,
+die wij in het sanitarium zouden doorbrengen, alvorens door het
+zuidwesten, den weg naar Bombay te kiezen.
+
+Kâlagani werd zoo goed door Banks verzorgd, dat hij slechts
+vierentwintig uren in het Stoomhuis bleef. Zijn wond was spoedig
+genezen en hij verliet ons om zijn dienst in de kraal te gaan
+hervatten.
+
+Ook de maand Augustus begon onder hevige regenbuien,--een weer om
+kikkers verkouden te maken,--zei kapitein Hod, maar toch zou het
+minder regenachtig zijn dan in Juli en bijgevolg gunstiger voor onze
+tochten in Tarryani.
+
+Evenwel was de gemeenschap met de kraal zeer druk. Matthias van
+Guitt was niet bijzonder in zijn schik. Ook hij rekende het kamp
+in de eerste dagen van September op te breken. Nu ontbraken er nog
+altijd een leeuw, twee tijgers en twee luipaarden aan zijn menagerie
+en hij wist niet of hij zijn troep voltallig zou kunnen maken.
+
+Om hem nog meer uit zijn humeur te maken kwamen inplaats van de
+acteurs, die hij voor rekening zijner lastgevers wilde aannemen, zich
+anderen aan zijn agentschap aanbieden, waarmede hij geen raad wist.
+
+Zoo liet zich den 4n Augustus een prachtige beer in een zijner
+vallen vangen.
+
+Wij bevonden ons juist in de kraal, toen zijne chikaris hem in het
+beweegbare hok een gevangene brachten van aanzienlijk lengte met een
+zwarte vacht, scherpe klauwen, lange ooren met haren voorzien,--wat
+eigenaardig is aan deze vertegenwoordigers van het geslacht der beren
+in Indië.
+
+»Wat heb ik aan zoo'n onnutten zooltreder!" riep de leverancier,
+de schouders ophalende.
+
+»Broeder Ballon! broeder Ballon!" riepen telkens de Hindoes.
+
+Het schijnt wel, dat, zoo de Hindoes zich slechts de neven der tijgers,
+zij zich de broeders der beren noemen.
+
+Matthias van Guitt evenwel, ontving broeder Ballon, niettegenstaande
+dezen graad van bloedverwantschap, met een gevoel van slecht verborgen
+tegenzin. Beren te vangen, als hij tijgers noodig had, dat beviel
+hem niet. Wat zou hij met dat lastige dier uitvoeren. Het leek hem
+niets het te voeden zonder hoop zijne kosten vergoed te zien. De
+Indische beer is weinig gevraagd op de markten van Europa en heeft
+niet de handelswaarde van den grijzen Amerikaanschen beer, noch die
+van den poolbeer. Daarom gaf dan ook Matthias van Guitt als een goed
+koopman niets om een lastig dier, waarvan hij zich slechts moeilijk
+zou kunnen ontdoen!
+
+»Wilt u hem hebben?" vroeg hij kapitein Hod.
+
+»En wat zou ik er mee doen?" vroeg de kapitein.
+
+»U kunt er beefsteaks van maken," zei de leverancier, »indien ik
+althans deze catachrese [4] mag gebruiken!"
+
+»Mijnheer van Guitt," antwoordde Banks ernstig, »de catachrese is een
+geschikt woord, wanneer het uit gebrek aan iedere andere uitdrukking
+de gedachte behoorlijk wedergeeft.
+
+»Zoo denk ik er ook over," hernam de leverancier.
+
+»Welnu, Hod," zei Banks, »neemt ge of neemt ge niet den beer van
+mijnheer van Guitt?"
+
+»Welzeker niet!" antwoordde kapitein Hod. »Beren-beefsteak te eten,
+wanneer de beer gedood is, laat ik nog daar, maar den beer te
+dooden alleen met het doel om zijn beefsteak te eten, bezorgt me
+geen eetlust!"
+
+»Geeft dan den zooltreder de vrijheid," zeide Matthias van Guitt,
+zich tot zijne chikaris wendende.
+
+Men gehoorzaamde den leverancier. Het hok werd buiten de kraal
+gebracht. Een der Hindoes opende de deur en broeder Ballon, die zeer
+beschaamd scheen over zijn toestand, liet het zich geen tweemalen
+zeggen. Hij verliet bedaard het hok, gaf een klein knikje met het
+hoofd, dat men voor een bedankje kon houden en maakte zich onder een
+geknor van voldoening uit de voeten.
+
+»U hebt daar een goede daad verricht," zeide Banks. »Dat zal u geluk
+aanbrengen, mijnheer van Guitt."
+
+Banks had niet gedacht zoo juist gesproken te hebben. De dag van den
+9n Augustus moest den leverancier beloonen, want hij schonk hem een
+der wilde dieren, die hem nog ontbrak.
+
+Ziehier onder welke omstandigheden:
+
+Matthias van Guitt, kapitein Hod en ik, vergezeld van Fox, den
+machinist Storr en Kâlagani, we doorkruisten, van zonsopgang af een
+dicht kreupelbosch van cactus en mastikboomen, toen zich een half
+gesmoord gehuil deed hooren.
+
+Dadelijk hielden we onze geweren gereed om te vuren, alle zes goed
+geplaatst, teneinde ons voor elken afzonderlijken aanval gedekt te
+houden, en richtten we ons naar de verdachte plek.
+
+Vijftig schreden verder liet de leverancier ons halt houden. Aan den
+aard van het gebrul scheen hij herkend te hebben wat er van de zaak
+was en, zich bijzonder tot kapitein Hod wendende, zeide hij:
+
+»Vooral geen nutteloos schot."
+
+Vervolgens eenige schreden vooruit makende, terwijl wij op een wenk
+van hem achterbleven, riep hij uit:
+
+»Een leeuw!"
+
+En werkelijk deed een dier, dat aan het uiteinde van een sterk touw
+was vastgemaakt, wanhopige pogingen om los te komen.
+
+Het was wel degelijk een leeuw, een van de soort zonder manen,--die
+zich door deze bijzonderheid van zijne stamgenooten van Afrika
+onderscheidde,--maar overigens een werkelijke leeuw, de leeuw waarnaar
+Matthias van Guitt zoo vurig gehaakt had.
+
+Het woeste dier, dat aan een zijner voorpooten, omkneld door de
+schuiflis van het touw, was opgehangen, deed vreeselijke rukken,
+zonder dat het hem mocht gelukken zich los te wringen.
+
+In weerwil van de aanbeveling van den leverancier was de eerste
+beweging van den kapitein, vuur te geven.
+
+»Schiet niet, kapitein!" riep Matthias van Guitt. »'k Bezweer u,
+schiet niet!"
+
+»Maar...."
+
+»Neen, neen! zeg ik u! Die leeuw is in een mijner strikken gevangen
+en hij hoort mij toe!"
+
+'t Was inderdaad een strik, een zoogenaamde galgstrik, tegelijk zeer
+eenvoudig en zeer vernuftig.
+
+Aan een sterken en buigzamen tak is een stevig touw bevestigd. Deze
+tak wordt naar den grond toe gebogen, totdat het van een schuiflis
+voorziene benedeneinde van het touw in de inkeping van een stevig in
+den grond geheiden paal kan geslagen worden. Op deze paal nu plaatst
+men een lokaas, zoodanig, dat ieder dier dat het wil aanraken, met
+den kop of een zijner pooten in de lis gevangen wordt. Doch nauwelijks
+heeft het dit gedaan of het lokaas, hoe zacht de aanraking ook geweest
+zij, schuift het touw uit de inkeping los, de tak richt zich weder
+op, het dier medesleurende, terwijl op hetzelfde oogenblik een zwaar
+cilindervormig stuk hout, langs het touw naar beneden glijdende, op
+de lis valt, haar vaster aandrukt en belet dat zij onder de pogingen
+van den gehangene losgaat.
+
+Deze soort van strik wordt dikwijls in de bosschen van Indië gespannen
+en de roofdieren laten er zich veel meer in vangen, dan men geneigd
+zou zijn te gelooven.
+
+Het meest gebeurt het, dat het dier om den hals gepakt en bijna
+onmiddellijk geworgd wordt, terwijl zijn kop half door den zwaren
+houten cilinder verpletterd wordt. Maar de leeuw, die onder onze
+oogen hing te spartelen, was slechts bij zijn poot gevangen en was
+dus levend, springlevendig en waardig zich onder de gasten van den
+leverancier te vertoonen.
+
+Matthias van Guitt was verrukt over het avontuur en zond Kâlagani
+naar de kraal, met de order het beweegbare hok onder het geleide van
+een voerman te gaan halen. Inmiddels konden wij het dier, welks woede
+door onze tegenwoordigheid verdubbelde, op ons gemak gadeslaan.
+
+Ook de leverancier verloor hem niet uit het oog. Hij draaide om den
+boom heen, daarbij evenwel zorgdragende zich buiten het bereik der
+klauwen van het woedende dier te houden.
+
+Een half uur later kwam het hok aan, door twee buffels getrokken. Men
+liet er den gehangene, niet zonder eenige moeite in neder, waarna
+wij den weg naar de kraal insloegen.
+
+»Ik begon werkelijk te wanhopen," zeide Matthias van Guitt tot
+ons. »De leeuwen maken geen belangrijk cijfer uit onder de nemorale
+dieren van Indië...."
+
+»Némorale?" zei kapitein Hod.
+
+Ja, de dieren, die de bosschen bewonen, en 'k wensch mijzelven geluk
+dit roofdier te hebben kunnen vangen, dat mijne menagerie eer zal
+aandoen!"
+
+Trouwens had Matthias van Guitt van dezen dag af aan, geen reden meer
+zich over zijn tegenspoed te beklagen.
+
+Den 11n Augustus werden twee luipaarden tegelijk in den tijgerval
+gevangen, waaruit wij den leverancier verlost hadden.
+
+Het waren twee tchitas, gelijk aan dien, die zoo stoutmoedig den
+IJzeren Reus in de vlakten van Rohilkhande had aangetast en waarvan
+wij ons niet hadden kunnen meester maken.
+
+Er ontbraken nog slechts twee tijgers aan den voorraad van Matthias
+van Guitt.
+
+Het was de 15e Augustus. Kolonel Munro was nog niet weder te voorschijn
+gekomen en ook hadden wij niet de minste tijding van hem gehoord. Banks
+maakte zich meer ongerust dan hij het wilde doen voorkomen. Hij
+ondervroeg Kâlagani, die de Népaulsche grens kende, naar de gevaren,
+die Sir Edward Munro kon loopen in die onafhankelijke landstreken. De
+Hindoe verzekerde hem, dat er geen enkele partijganger van Nana Sahib
+op de grenzen van Thibet overbleef. Nochtans scheen het hem te spijten,
+dat de kolonel hem niet tot gids gekozen had. In een land welks minste
+voetpaden hem bekend waren, zouden zijne diensten hem zeer nuttig
+geweest zijn. Doch nu was er niet aan te denken hem op te zoeken.
+
+Intusschen zetten kapitein Hod en Fox meer bijzonder hunne tochten in
+Tarryani voort. Met behulp van de chikaris der kraal gelukte het hem
+niet zonder groot gevaar nog drie tijgers van gemiddelde grootte te
+dooden. Twee van die roofdieren werden op rekening van den kapitein,
+de derde op die van den oppasser geschreven.
+
+»Acht en veertig!" zeide Hod, die gaarne, alvorens de Himalaya te
+verlaten, het ronde cijfer van vijftig had willen bereiken.
+
+»Negen en dertig!" had Fox gezegd, zonder een geduchten panter te
+rekenen, die onder zijn schot gevallen was.
+
+Den 20n Augustus liet de voorlaatste der tijgers, door Matthias van
+Guitt benoodigd, zich in een der kuilen vangen, waaraan zij tot nog
+toe, hetzij uit instinct, hetzij bij toeval ontkomen waren. Zooals
+meestal gebeurt, verwondde zich het dier in zijn val, ofschoon de wond
+volstrekt niet ernstig was. Eenige dagen van rust zouden voldoende zijn
+om zijne genezing te verzekeren en op het tijdstip dat de levering
+voor rekening van Hagenbeck van Hamburg moest plaats hebben, zou er
+niets meer van blijken.
+
+Het gebruik dezer kuilen wordt door de deskundigen als een barbaarsche
+methode beschouwd. Als het slechts te doen is om de dieren te dooden,
+zijn natuurlijk alle middelen goed, maar als men ze levend wil vangen,
+is de dood maar al te dikwijls het gevolg van hun val, vooral als ze
+in de vijftien tot twintig voeten diepe kuilen vallen, die bestemd
+zijn voor de vangst van olifanten. Op tien kan men er nauwlijks
+een vinden, die niet doodelijk verwond wordt. In Mysore, waar dit
+systeem vooral in zwang was, zooals de leverancier ons mededeelde,
+begint men er van af te zien.
+
+Er ontbrak nu nog slechts één tijger aan de menagerie der kraal en
+Matthias van Guitt wenschte meer dan ooit hem goed en wel in zijn bezit
+te hebben, want hij had groote haast om naar Bombay te vertrekken.
+
+Weldra zou hij zich ook van dezen tijger meester maken, maar tegen
+welken prijs! Dit dient eenigszins breedvoerig vermeld te worden,
+want het dier werd duur,--te duur,--betaald.
+
+Door de bijzondere zorg van kapitein Hod zou in den nacht van den
+26n Augustus een tocht georganiseerd worden. Het was te voorzien,
+dat de jacht onder gunstige omstandigheden zou plaats hebben, een
+heldere lucht, een kalme atmosfeer en een afnemende maan. Bij groote
+duisternis, verlaten de roofdieren minder gaarne hun leger, terwijl
+een halve duisternis ze er toe uitnoodigt. Juist nu zou de meniscus
+of bolronde schijf der maan,--een woord van Matthias van Guitt,--na
+middernacht nog eenig schijnsel geven.
+
+Kapitein Hod en ik, Fox en Storr, die er mede smaak in begon te
+krijgen, wij vormden de kern dezer expeditie, waarbij zich de
+leverancier, Kâlagani en eenigen zijner Hindoes zouden voegen.
+
+Toen dus de maaltijd was afgeloopen, verlieten wij, na afscheid genomen
+te hebben van Banks, die voor de uitnoodiging om ons te vergezellen
+bedankt had, het Stoomhuis tegen zeven uren des 's avonds en te acht
+uur kwamen wij zonder eenige bijzondere ontmoeting aan de kraal aan.
+
+Matthias van Guitt had juist gesoupeerd. Hij ontving ons met zijn
+gewone komplimenten. Men raadpleegde met elkander en dadelijk werd
+het plan van de jacht ontworpen.
+
+Men zou op de loer gaan liggen aan den oever van een stroom, op den
+bodem van een dier bergkloven, die men »nallah" noemt, op twee mijlen
+van de kraal verwijderd, op een plek, die vrij geregeld 's nachts
+door een paar tijgers bezocht werd. Er was daar vooraf geen lokaas
+geplaatst, daar dit naar het zeggen der Hindoes onnoodig was. Een
+drijfjacht, die onlangs in dit gedeelte van Tarryani gehouden was,
+bewees dat de behoefte om hun dorst te lesschen voldoende was om de
+tijgers, op den bodem dezer nallah te lokken. Men wist ook, dat het
+gemakkelijk zoude zijn er zich met voordeel te plaatsen.
+
+Wij zouden de kraal niet vóór middernacht verlaten en daar het nog
+pas zeven uur was, moesten wij dus zonder ons te veel te vervelen
+het oogenblik van vertrek afwachten.
+
+»Mijne heeren," zei Matthias van Guitt, »mijn woning staat geheel
+ter uwe beschikking. Ik raad u aan om te doen zooals ik en zoolang
+naar bed te gaan. We zullen zeer vroeg op moeten staan en eenige uren
+slaap zullen ons des te beter voor den strijd voorbereiden."
+
+»Heb je lust om te gaan slapen, Maucler?" vroeg mij de kapitein.
+
+»Neen," antwoordde ik, »en 'k wacht liever al wandelende den tijd af,
+dan gedwongen te zijn midden in mijn slaap op te staan."
+
+»Zooals u wilt, mijne heeren," antwoordde de leverancier. »Wat
+mij aangaat, 'k voel reeds het krampachtige knippen der oogleden,
+dat door de behoefte tot slapen wordt teweeggebracht. Ge ziet het,
+'k begin me al uit te rekken!"
+
+En Matthias van Guitt lichtte de armen in de hoogte, wierp het hoofd
+en den tronk door een onwillekeurige uitrekking der buikspieren naar
+achteren en liet een veel beteekenend gegeeuw hooren.
+
+Toen hij zich dus op zijn gemak uitgerekt had, bracht hij ons zijn
+laatsten afscheidsgroet, trad in zijn kooi en sliep ongetwijfeld
+weldra in.
+
+»En wat gaan wij nu uitvoeren?" vroeg ik.
+
+»Laten we gaan wandelen, Maucler," antwoordde mij kapitein Hod,
+»Laten we in de kraal gaan wandelen. 't Is een prachtige nacht en
+'k zal frisscher zijn als het tijd is te vertrekken, dan wanneer 'k
+een uur of wat sliep. De slaap moge bovendien onze beste vriend zijn,
+dikwijls is 't een vriend, die op zich laat wachten."
+
+Zoo schreden wij dan langzaam door de kraal, nu eens in gedachten
+verdiept, dan weder druk pratende. Storr »dien zijn beste vriend niet
+gewoon was te laten wachten," lag aan den voet van een boom en sliep
+reeds. Ook de chikaris en de voerlieden zaten in hun hoek neergehurkt,
+zoodat niemand binnen de omheining nog wakker was.
+
+Dit was trouwens ook niet noodig, daar de kraal, door stevige
+palissaden omgeven, volkomen gesloten was.
+
+Kâlagani overtuigde zich zelf, dat de deur zorgvuldig gesloten was;
+vervolgens begaf hij zich, na ons in het voorbijgaan goeden avond
+gewenscht te hebben, naar de algemeene woning voor hem en zijne
+metgezellen.
+
+Kapitein Hod en ik waren nu geheel alleen.
+
+Niet alleen de lieden van van Guitt, maar ook de huisdieren en de
+wilde dieren sliepen, deze in hunne hokken, gene in groepen onder
+de groote boomen, aan het uiteinde der kraal, uitgestrekt. Volkomen
+stilte, zoowel van binnen als van buiten.
+
+Het eerst bracht onze wandeling ons bij de plek door de buffels
+ingenomen. Deze prachtige herkauwers, zoo zacht en gehoorzaam,
+waren zelfs niet eens gekluisterd. Gewoon onder het gebladerte van
+reusachtige ahornboomen te rusten, zagen we ze daar rustig uitgestrekt,
+met de pooten onder zich gevouwen terwijl een langzame en luide
+ademhaling uit die enorme massa's voortkomende, tot ons oor doordrong.
+
+Zij ontwaakten niet eens bij onze nadering. Een van hen slechts
+lichtte een oogenblik zijn grooten kop op, wierp den aan de dieren
+van dit geslacht eigenaardigen onzekeren blik op ons en was weldra
+weder in de slapende massa verloren.
+
+»Zie tot welk een staat van tamheid deze dieren gebracht zijn,"
+zei ik tot den kapitein.
+
+»Ja," antwoordde Hod, »en toch zijn deze buffels vreeselijke dieren,
+als ze in 't wild leven. Maar zij bezitten wel kracht, doch geen
+levendigheid en wat vermogen hunne horens tegen het gebit der leeuwen
+of de klauwen der tijgers? Ongetwijfeld ligt het voordeel aan de
+zijde der roofdieren."
+
+Al pratende waren wij bij de hokken teruggekomen. Ook daar doodsche
+stilte. Tijgers, leeuwen, panters, luipaarden, sliepen allen in hunne
+afzonderlijke afdeelingen. Matthias van Guitt vereenigde ze slechts
+als ze door eenige weken gevangenschap tam geworden waren en hij had
+gelijk. Zeer zeker toch zouden deze woeste dieren in de eerste dagen
+hunner opsluiting elkander verslonden hebben.
+
+De drie leeuwen, volkomen onbeweeglijk, lagen in een halven cirkel
+gebogen als groote katten. Men zag niets van hun kop, die als verloren
+was in een dikken mof van zwart bont, en ook zij sliepen den slaap
+des rechtvaardigen.
+
+In de hokken der tijgers was de slaap zoo vast niet. Vurige oogen
+schitterden in het duister. Van tijd tot tijd werd er een groote poot
+uitgestoken, welks klauwen de ijzeren staven omklemden. Het was een
+slaap van roofdieren, die hun leed verkropten.
+
+»Ze hebben benauwde droomen en ik begrijp het!" zei de medelijdende
+kapitein.
+
+Ook de drie panters werden ongetwijfeld door eenige wroeging, of
+althans eenig berouw bezield. Op dit uur immers, zouden zij vrij van
+alle banden door de bosschen gezworven, of de weiden doorloopen hebben,
+naar levend vee zoekende.
+
+Wat de vier luipaarden aangaat, geen nachtmerrie stoorde hun slaap. Zij
+waren in diepe rust. Twee van die tot het kattengeslacht behoorende
+dieren, het mannetje en het wijfje, bewoonden dezelfde slaapkamer en
+bevonden zich daar even goed als in hun hol.
+
+Een enkele afsluiting was nog ledig,--die welke moest bezet worden
+door den zesden en onneembaren tijger, op welks vangst Matthias van
+Guitt alleen nog maar wachtte om Tarryani te verlaten.
+
+Onze wandeling duurde nagenoeg een uur. Na de kraal van binnen te zijn
+rondgewandeld, zetten we ons neder aan den voet van een enorme mimosa.
+
+Ook in het geheele woud heerschte een diepe stilte. De wind, die bij
+het vallen van den avond nog door het gebladerte ruischte, was gaan
+liggen. Geen blad bewoog zich. Beneden aan de oppervlakte der aarde,
+zoowel als in de hooge luchtstreken, waar de halve maan haren loop
+volbracht, overal was het even kalm.
+
+Kapitein Hod en ik, bij elkander gezeten, ook wij zwegen. Geen
+slaap maakte zich evenwel van hem meester. Het was eerder die meer
+geestelijke dan lichamelijke afgetrokkenheid, onder welker invloed
+men gedurende de volkomen rust in de natuur verkeert. Men denkt,
+maar men kleedt zijne gedachte niet in. Men droomt als iemand zou
+droomen, die niet slaapt, terwijl de blik, die door de oogleden nog
+niet overschaduwd wordt, zich in fantastische droombeelden verliest.
+
+Toch was er een bijzonderheid, die den kapitein verwonderde en, zacht
+sprekende, zooals men het bijna onbewust doet, als alles om ons heen
+zwijgt, zeide hij tot mij:
+
+»Maucler, een dergelijke stilte verrast me! De wilde dieren brullen
+gewoonlijk in het duister en des nachts is er leven in het bosch. Uit
+gebrek van tijgers of panters zijn het jakhalzen, die zich nooit
+stilhouden. Deze kraal, met levende wezens opgevuld, moest ze bij
+honderden aantrekken en toch hooren we niets, niet het minste gekraak
+van dood hout, niet het minste gehuil in de wildernis. Als Matthias
+van Guitt wakker was, zou hij stellig niet minder verrast zijn dan
+ik en met de een of andere zonderlinge uitdrukking zijn verbazing te
+kennen geven."
+
+»Je aanmerking komt me juist voor, waarde Hod," antwoordde ik, »en
+'k weet waarlijk niet waaraan de afwezigheid van die nachtelijke
+zwervers moet toegeschreven worden. Maar we mogen wel oppassen of
+anders vallen we temidden van die kalmte ook in slaap!"
+
+»Wakker blijven, wakker blijven!" antwoordde kapitein Hod, zich
+uitrekkende. »'t Is nu haast tijd om te vertrekken."
+
+En we sleepten het gesprek voort in door lange tusschenpoozen
+afgebroken zinnen.
+
+Hoe lang die droomende toestand duurde, zou ik niet hebben kunnen
+zeggen, maar eensklaps werden wij uit onze slaperigheid gewekt door
+een dof geruisch, dat ons beiden tegelijk deed opspringen.
+
+Al spoedig bleek het dat het geruisch voortkwam uit het hok der
+wilde dieren.
+
+Leeuwen, tijgers, panters, luipaarden, straks nog zoo vreedzaam, deden
+nu een toornachtig gebrom hooren. Overeind in hunne hokken, met kleine
+schreden heen en weer loopende, snoven zij met kracht eenige lucht van
+buiten op en richtten zich op tegen de ijzeren stangen hunner hokken.
+
+»Wat scheelt ze toch?" vroeg ik.
+
+»'k Weet het niet," antwoordde kapitein Hod, »maar ik vrees, dat ze
+de nabijheid geroken hebben van..."
+
+Eensklaps barstte een vreeselijk gebrul om de omheining van de
+kraal los.
+
+»Tijgers!" riep kapitein Hod uit, naar het slaapvertrek van Matthias
+van Guitt snellende.
+
+Maar, zoo geweldig was het gebrul geweest, dat het gansche personeel
+der kraal reeds op de been was en de leverancier met al zijn bedienden
+naar buiten kwam stuiven.
+
+»Een aanval!" riep hij uit.
+
+»'k Geloof het ook," antwoordde Hod.
+
+»Wacht! We zullen zien!..."
+
+»En zonder den volzin te eindigen, greep Matthias van Guitt een ladder
+en plaatste ze overeind tegen de palissade. In een oogenblik had hij
+er den hoogsten sport van bereikt.
+
+»Tien tijgers en een dozijn panters!" schreeuwde hij.
+
+»Dat kan ernstig genoeg worden," antwoordde Kapitein Hod. »Wij wilden
+ze gaan jagen en zij komen jacht op ons maken!"
+
+»De geweren! de geweren!" riep de leverancier.
+
+En allen waren op zijn bevel binnen twintig seconden gereed om vuur
+te geven.
+
+Deze aanvallen van een bende wilde dieren zijn in Indië geenszins
+zeldzaam. Hoe dikwijls zijn niet de bewoners der door de tijgers
+bezochte streken en meer bijzonder die der Sunderbunds, in hunne
+woningen belegerd geworden! Een dergelijke gebeurtenis behoort niet
+tot de zeldzaamheden en maar al te vaak blijft het voordeel aan
+de aanvallers!
+
+Intusschen had zich bij het gehuil van buiten, het gebrul van binnen
+gevoegd! De kraal beantwoordde het bosch. Men kon elkander binnen de
+omheining niet meer verstaan.
+
+»Naar de palissaden!" schreeuwde Matthias van Guitt, die zich meer
+door gebaren dan door de stem deed begrijpen.
+
+En allen snelden naar de omheining.
+
+Op dit oogenblik deden de buffels, ten prooi aan den hevigsten schrik,
+wanhopige pogingen om de plek waar ze opgesloten waren met geweld te
+verlaten. De voerlieden beproefden te vergeefs ze te bedwingen.
+
+Plotseling werd de deur, waarvan de houten boom zeker slecht bevestigd
+was, met geweld opengebroken en stormde een bende wilde dieren de
+kraal binnen.
+
+Evenwel had Kâlagani die deur met de grootste zorg gesloten, zooals
+hij elken avond deed!
+
+»Naar de hut! Naar de hut!" schreeuwde Matthias van Guitt, naar het
+huis snellende, dat alleen nog een schuilplaats kan aanbieden.
+
+Maar hadden we den tijd er nog te komen?
+
+Reeds waren twee chikaris, door de tijgers bereikt, op den grond
+geworpen. De anderen, die de hut niet meer konden bereiken, liepen
+door de kraal en zochten een schuilplaats waar ze haar vinden konden.
+
+De leverancier, Storr en zes Hindoes waren reeds in het huis, waarvan
+de deur gesloten werd op het oogenblik dat twee panters er zich in
+wilden werpen.
+
+Kâlagani, Fox en de anderen, hadden zich langs de boomen tot in de
+eerste takken opgeheschen.
+
+Kapitein Hod en ik hadden noch den tijd, noch de mogelijkheid gehad
+zich bij Matthias van Guitt te voegen.
+
+»Maucler! Maucler!" schreeuwde kapitein Hod, wiens rechterarm door
+den slag van een klauw verscheurd was.
+
+Een énorme tijger had mij met een slag van zijn staart ter aarde
+geworpen. Ik richtte mij weder op juist op het oogenblik dat het dier
+weder op mij toekwam en ik snelde naar kapitein Hod om hem ter hulp
+te komen.
+
+Een enkele schuilplaats bleef ons toen nog over: het was de ledige
+afdeeling van het zesde hok. In een ommezien hadden we er ons
+in geworpen en stelde de onmiddellijk gesloten deur ons voor het
+oogenblik buiten het bereik der woedende dieren, die zich huilende
+tegen de ijzeren stangen wierpen.
+
+Zoo groot was de verbittering dier razende beesten, gevoegd bij de
+woede der in de naaste afdeelingen gevangen tijgers, dat het hok,
+op de wielen waggelde en op het punt was om te slaan.
+
+Doch gelukkig verlieten de tijgers het weldra om zich op een zekerder
+prooi te werpen.
+
+Welk een tooneel, waarvan geen enkele bijzonderheid voor ons verloren
+ging, daar wij het tusschen de stangen onzer afdeeling gadesloegen!
+
+»'t Is de omgekeerde wereld!" riep kapitein Hod, die zich zat te
+verbijten. »Zij buiten en wij binnen!"
+
+»En je wond?" vroeg ik.
+
+»Dat's niets!"
+
+Vijf of zes geweren brandden op dit oogenblik los. Zij kwamen uit de
+hut van Matthias van Guitt, die hardnekkig door twee tijgers en drie
+panters belegerd werd.
+
+Een van die dieren viel doodelijk getroffen door een ontplofbaren
+kogel, waarschijnlijk uit de karabijn van Storr.
+
+Wat de anderen aangaat, zij hadden zich dadelijk op de groep der
+buffels geworpen en deze ongelukkige herkauwers zouden zich weldra
+zonder verdediging tegen zulke tegenstanders bevinden.
+
+Fox, Kâlagani en de Hindoes, die, om sneller in de boomen te klimmen,
+hunne wapens hadden moeten wegwerpen, konden hen niet ter hulp komen.
+
+Kapitein Hod evenwel gaf tusschen de stangen van ons hok door
+vuur. Alhoewel zijn rechterarm, half verlamd door zijn wond, hem niet
+toeliet met zijn gewone juistheid te schieten, had hij toch het geluk
+zijn negen en veertigsten tijger te vellen.
+
+Op dit oogenblik vlogen de buffels, razend van angst en schrik, loeiend
+door de omheining. Tevergeefs beproefden zij den tijgers het hoofd te
+bieden, die door geduchte sprongen aan hunne horens ontsnapten. Een
+van hen, met een panter op den rug, die hem met zijn klauwen den nek
+verscheurde, snelde, voor de deur aangekomen, naar buiten.
+
+Vijf of zes anderen, door de wilde dieren achtervolgd, joegen hen na
+en verdwenen.
+
+Enkele tijgers vervolgden hen, maar de buffels, die de kraal niet
+hadden kunnen verlaten, lagen met opengereten buik, op den grond.
+
+Intusschen werden er nog andere geweerschoten door de vensters van
+het houten huis gelost. Van onzen kant, deden wij, kapitein Hod en ik,
+ons best toen een nieuw gevaar ons kwam bedreigen.
+
+De dieren, in de hokken opgesloten, razend door de hardnekkige
+worsteling, den reuk van het bloed, het gehuil hunner natuurgenooten,
+trachtten zich met onstuimig geweld te bevrijden. Zou het hun gelukken
+de traliën te verbreken? We moesten het werkelijk vreezen.
+
+Inderdaad werd een der hokken omvergeworpen. Ik geloofde een oogenblik,
+dat onze vrees zich bewaarheid had en ze werkelijk ontvlucht waren,
+maar gelukkig was het niet zoo en konden zelfs de vluchtelingen niet
+meer zien wat er buiten voorviel, omdat het hok met de getraliede
+zijde op den grond was nedergekomen.
+
+»Er zijn er bepaald te veel!" mompelde kapitein Hod, terwijl hij zijn
+karabijn opnieuw laadde.
+
+Op dit oogenblik nam een tijger een vervaarlijken sprong en met behulp
+zijner klauwen gelukte het hem zich aan den ondersten tak van een boom
+vast te klemmen, waarop twee chikaris een schuilplaats gezocht hadden.
+
+Een dier ongelukkigen, bij de keel gepakt, beproefde te vergeefs
+weerstand te bieden en werd op den grond geworpen.
+
+Een panter betwistte den tijger dit reeds van het leven beroofde
+lichaam, welks beenderen te midden van een plas bloed kraakten.
+
+»Maar schiet dan toch, in Godsnaam!" schreeuwde kapitein Hod, alsof
+hij zich door Matthias van Guitt en zijne metgezellen had kunnen
+doen hooren.
+
+Wat ons betreft, het was ons onmogelijk nu tusschenbeiden te
+komen! Onze voorraad patronen was uitgeput en we konden ons slechts
+bepalen tot de rol van onmachtige toeschouwers der worsteling! Maar
+zie, daar gelukt het een tijger, in het naast ons gelegen vak, die
+trachtte zijn traliën te verbreken, door het geven van een hevigen
+schok, het evenwicht van het hok te verstoren. Het wankelde even en
+viel bijna onmiddellijk omver.
+
+Licht gekneusd door den val, hadden wij ons op de knieën opgericht. De
+wanden hadden weerstand geboden, maar wij konden niets meer zien van
+hetgeen buiten voorviel.
+
+Mochten wij niets meer zien, wij hoorden althans! Welk een akelig
+gehuil binnen de omheining der kraal! Welk een reuk van bloed
+bezwangerde den dampkring! Het scheen dat de worsteling een heviger
+karakter had aangenomen. Wat was er toch voorgevallen? Waren de
+gevangenen der andere hokken ontsnapt? Vielen zij het houten verblijf
+van Matthias van Guitt aan? Wierpen de tijgers en panters zich op de
+boomen om de Hindoes er uit te rukken?
+
+»En geen kans te zien om uit die doos te komen!" riep kapitein Hod
+woedend uit.
+
+Een kwartier ongeveer,--een kwartier waarvan wij de eindelooze minuten
+telden, verliep in dezen toestand.
+
+Toen nam het geraas der worsteling allengs af. Het gehuil
+verzwakte. De sprongen der tijgers in de afdeelingen van ons hok
+werden zeldzamer. Zou de moord een einde genomen hebben?
+
+Eensklaps hoorde ik dat de deur der kraal met geweld gesloten
+werd. Daarna riep Kâlagani ons met luide stem. Bij zijn stem voegde
+zich die van Fox, herhalende:
+
+»Kapitein! kapitein!"
+
+»Hier!" antwoordde Hod.
+
+Hij werd gehoord en bijna dadelijk daarop voelde ik dat het hok werd
+opgelicht. Een oogenblik later waren wij vrij.
+
+»Fox! Storr!" riep de kapitein, wiens eerste gedachte aan zijne
+metgezellen gewijd was.
+
+»Present!" antwoordden de machinist en de oppasser.
+
+Zij waren wonderdadig behouden gebleven en zelfs niet eens gewond. Ook
+Matthias van Guitt en Kâlagani waren ongedeerd. Twee tijgers en een
+panter lagen levenloos op den grond uitgestrekt. De anderen hadden de
+kraal verlaten, waarvan Kâlagani de deur gesloten had. Wij bevonden
+ons allen in veiligheid.
+
+Het was geen van de wilde dieren der menagerie gelukt onder de
+worsteling te ontsnappen en zelfs telde de leverancier een gevangene
+meer. Het was een jonge tijger, zittende in het kleine rollende
+hok, dat over hem heen was gevallen en waaronder hij als in een val
+gevangen was.
+
+De voorraad van Matthias van Guitt was dus eindelijk voltallig; maar
+het kostte hem duur! Vijf zijner buffels waren gedood, de anderen
+hadden de vlucht genomen en drie Hindoes, vreeselijk verminkt,
+zwommen in hun bloed op den bodem der kraal.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+HET AFSCHEID VAN MATTHIAS VAN GUITT.
+
+
+Gedurende het overige van den nacht deed zich niets bijzonders meer
+voor, noch binnen, noch buiten de omheining. De deur werd ditmaal
+stevig bevestigd. Hoe had zij geopend kunnen worden op het oogenblik
+dat de bende wilde dieren de pâlissaden bestormde? Dit was inderdaad
+iets onverklaarbaars, daar Kâlagani zelf haar met de zware dwarsboomen
+gesloten had.
+
+De wond van kapitein Hod veroorzaakte hem veel pijn, hoewel het
+slechts een ontvelling was. Maar het scheelde weinig of hij had het
+gebruik van den rechterarm verloren.
+
+Wat mij betreft, ik voelde niets meer van den hevigen slag met den
+staart, die mij ter aarde had geworpen.
+
+Wij besloten dus met het krieken van den dag naar het Stoomhuis terug
+te keeren.
+
+Wat Matthias van Guitt aangaat, behalve zijn oprecht gemeend verdriet
+over het verlies van drie zijner lieden, maakte hij zich overigens
+volstrekt niet ongerust over zijn toestand, alhoewel het verlies zijner
+buffels op het oogenblik van zijn vertrek hem in groote verlegenheid
+moest brengen.
+
+»Dat zijn de kansen van het vak," zeide hij, »en 'k had een soort
+van voorgevoel, dat me iets dergelijks zou overkomen."
+
+Daarna bezorgde hij de begrafenis der drie Hindoes, wier overblijfselen
+in een hoek ter aarde werden besteld, en wel diep genoeg om niet door
+de wilde dieren opgegraven te kunnen worden.
+
+Intusschen verlichtte de dageraad weldra het benedenste gedeelte van
+Tarryani en na hartelijke handdrukken gewisseld te hebben, namen wij
+afscheid van Matthias van Guitt.
+
+Om ons, althans op onzen tocht door het bosch niet onvergezeld te
+laten gaan, drong de leverancier er op aan Kâlagani en twee zijner
+Hindoes ter onze beschikking te stellen. Zijn aanbod werd aangenomen
+en te zes uur verlieten wij de kraal.
+
+Geen enkel ongelukkig toeval kenmerkte onzen terugkeer. Van tijgers
+en panters was geen spoor meer te vinden. De volkomen verzadigde
+roofdieren hadden ongetwijfeld hunne schuilhoeken opgezocht en het
+was nu de tijd niet ze daar op te gaan sporen.
+
+Wat de uit de kraal ontsnapte buffels betreft, ze waren of gedood en
+lagen in het hooge gras, of wel, verdwaald in de dichte wouden van
+Tarryani, mocht men er niet op rekenen, dat hun instinct hen naar
+de kraal zou terugvoeren. Zij moesten dus beschouwd worden voor den
+leverancier verloren te zijn.
+
+Aan den zoom van het bosch, verlieten Kâlagani en de twee Hindoes
+ons. Een uur later kondigden Phann en Black door hun geblaf onze
+terugkomst aan het Stoomhuis aan.
+
+Ik deed Banks het verhaal onzer avonturen. Hij wenschte ons hartelijk
+geluk er zoo goed te zijn afgekomen. Maar al te vaak kon niemand der
+aangevallenen bij dergelijke gevechten de heldendaden der aanvallers
+verhalen!
+
+Wat kapitein Hod betreft, hij moest tegen wil en dank zijn arm in een
+draagband houden, maar overigens vond de ingenieur, die eigenlijk
+de dokter der expeditie was, de wond volstrekt niet ernstig en hij
+verzekerde, dat hij er over eenige dagen niet den minsten last meer
+van zou hebben.
+
+In zijn binnenste was kapitein Hod zeer uit zijn humeur, dat hij
+zich een wond had laten toebrengen, zonder haar te hebben kunnen
+wreken. Maar toch had hij een tijger gevoegd bij de acht-en-veertig
+die op zijn actief stonden aangeteekend.
+
+Den volgenden dag, 27 Augustus, op den namiddag, deed zich een
+krachtig, maar vroolijk hondengeblaf hooren.
+
+Het waren kolonel Munro, Mac Neil en Goûmi, die in het sanitarium
+waren teruggekeerd. Hunne terugkomst was een ware verlichting voor
+ons. Had Sir Edward Munro zijn tocht tot een goed einde geleid? wij
+wisten het nog niet. Hij kwam gezond terug en dat was het voornaamste.
+
+Dadelijk liep Banks hem te gemoet, drukte hem de hand en ondervroeg
+hem met de oogen.
+
+»Niets!" vergenoegde kolonel Munro zich met een eenvoudige beweging
+van het hoofd te antwoorden.
+
+Dit woord beteekende niet alleen dat zijne nasporingen op de grenzen
+van Népaul niet het minste resultaat hadden opgeleverd, maar ook dat
+alle gesprekken over dit onderwerp nutteloos waren. Hij scheen er mede
+te kennen willen geven, dat het niet noodig was er over te spreken.
+
+Mac Neil en Goûmi, die Banks dien avond ondervroeg, lieten zich
+wat meer uit. Zij deelden hem mede, dat kolonel Munro inderdaad dat
+gedeelte van Hindostan had willen terug zien, waar Nana Sahib vóór
+zijn wederverschijning in het presidentschap Bombay zich verscholen
+had. Zich verzekeren wat er van de metgezellen van den nabob geworden
+was, onderzoeken of op dit punt van de Indo-Chineesche grens geen
+sporen meer van hen overig waren, trachten te vernemen of in plaats
+van Nana Sahib, zijn broeder Balao Rao zich niet in dat land, dat nog
+niet onder Engelsche heerschappij stond, verborgen hield, ziehier
+het doel dat Sir Edward Munro zich voor oogen had gesteld. Nu was
+het resultaat zijner nasporingen, dat de opstandelingen ongetwijfeld
+het land verlaten hadden. Van hun kamp, waar de gewaande begrafenis,
+bestemd om aan den dood van Nana Sahib geloof te doen slaan, was
+gevierd geworden, was geen spoor meer overig. Van Balao Kae niet de
+minste tijding, noch ook van zijne metgezellen iets, dat aanleiding
+kon geven hun spoor te zoeken. Nu de nabob in de bergpassen van
+Sautpourra den dood gevonden had en de zijnen zeer waarschijnlijk aan
+gene zijde der grenzen van het schiereiland verspreid waren, bleef er
+voor den handhaver van het recht niets meer te doen over. Er stond
+ons dus niets anders te doen dan de grens der Himalaya te verlaten
+en eerst zuidelijk te gaan, om eindelijk onzen voorgestelden reisweg
+van Calcutta naar Bombay te vervolgen.
+
+Het vertrek werd dus bepaald en tot over acht dagen, den 3n September,
+vastgesteld. Wij behoorden aan kapitein Hod den noodigen tijd te
+laten ter volkomen genezing zijner wond. Van den anderen kant had
+kolonel Munro, die zichtbaar vermoeid was van den lastigen tocht
+langs ongebaande wegen, eenige dagen rust noodig.
+
+Gedurende dien tijd zou Banks beginnen met het maken zijner
+toebereidselen. Het in order brengen van onzen trein om in de
+vlakte af te dalen en den weg op te zoeken van de Himalaya naar het
+presidentschap van Bombay, zou ons wel een geheele week bezig houden.
+
+Wij begonnen met te bepalen, dat het reisplan nogmaals gewijzigd
+zou worden, in dien zin dat de groote steden van het noord-oosten,
+Mirat, Delhi, Agra, Gwalior, Jansie en anderen, waar de opstand
+van 1857 maar al te veel onheilen had nagelaten, zouden vermeden
+worden. Met de laatste opstandelingen van het oproer moest alles
+verdwijnen wat de herinnering er van in het geheugen van kolonel Munro
+kon terugroepen. Onze rollende woningen zouden dus door de provinciën
+gaan, zonder zich in de voornaamste steden op te houden, doch het
+land was de moeite waard bezocht te worden al was het alleen om zijne
+natuurlijke schoonheden. Het onmetelijk koninkrijk Scindia geeft aan
+geen ander land der wereld in dit opzicht iets toe. Onze IJzeren Reus
+zou dus de schilderachtigste punten van het schiereiland bezoeken.
+
+De moesson was geëindigd met het regenseizoen, dat niet langer duurt
+dan de maand Augustus. De eerste dagen van September beloofden een
+aangename temperatuur, die dit tweede gedeelte minder moeielijk
+moest maken.
+
+Gedurende de tweede week van ons verblijf in het sanitarium moesten
+Fox en Goûmi dagelijks in de behoefte der keuken voorzien. Vergezeld
+van de beide honden, doorliepen zij deze middelste streek der Himalaya,
+waar het wemelt van patrijzen, faisanten en trapganzen. Dit gevogelte,
+dat bewaard werd in de ijskamer van het Stoomhuis, moest later op
+weg een uitmuntend wild verschaffen.
+
+Nog twee- of driemaal bracht men een bezoek aan de kraal. Daar
+hield ook Matthias van Guitt in eigen persoon zich bezig met de
+toebereidselen voor zijn vertrek naar Bombay, terwijl hij zijne
+tegenspoeden opnam als een philosoof, die zich verheft boven de kleine
+of groote kwellingen van ons bestaan.
+
+Men weet, dat de menagerie door het vangen van den tienden tijger,
+die zooveel gekost had, voltallig was. Matthias van Guitt had dus nog
+slechts te zorgen, dat zijne buffelbespanningen in order waren. Geen
+der herkauwers, die gedurende den aanval ontvlucht waren, waren
+in de kraal teruggekeerd. Zeer waarschijnlijk waren zij, door het
+bosch verspreid, een gewelddadigen dood gestorven. Hij moest ze dus
+vervangen,--hetgeen in deze omstandigheden tamelijk moeielijk was. Met
+dit doel had de leverancier Kâlagani naar de naburige landhoeven en
+gehuchten gezonden en hij wachtte met ongeduld op zijn terugkomst.
+
+Deze laatste week van ons verblijf in het sanitarium ging zonder
+bijzondere voorvallen voorbij. De wond van kapitein Hod genas
+langzamerhand. Hij dacht er half over om nog eens op expeditie
+uit te gaan, maar op aandringen van kolonel Munro moest hij het
+opgeven. Waarom zich bloot te stellen nu zijn hand niet zoo vast
+was? Mocht hij op het overige gedeelte der reis een wild dier
+ontmoeten, dan was hij immers in de gelegenheid revanche te nemen.
+
+»Daarbij komt, kapitein," deed Banks hem opmerken, »dat ge nog in leven
+zijt, en negen-en-veertig tijgers door uwe hand gedood zijn, zonder
+de gewonden te rekenen. De weegschaal hangt dus in uw voordeel over!"
+
+»Ja, negen en veertig!" antwoordde kapitein Hod met een zucht, »maar
+'k had zoo gaarne het vijftigtal willen vol maken!"
+
+Het ging hem blijkbaar ter harte.
+
+De 2e September brak aan en wij zouden den volgenden dag vertrekken,
+toen Goûmi op den morgen van dien dag ons het bezoek van den
+leverancier aankondigde.
+
+En werkelijk vervoegde zich Matthias van Guitt, vergezeld van Kâlagani
+aan het Stoomhuis. Ongetwijfeld wilde hij op het oogenblik van zijn
+vertrek, ons volgens de regelen der étiquette vaarwel komen zeggen.
+
+Kolonel Munro ontving hem zeer hartelijk. Matthias van Guitt verviel
+zooals gewoonlijk in een reeks van breedsprakige volzinnen, maar
+het scheen mij toe dat er achter zijne komplimenten een bijbedoeling
+school, waarmede hij aarzelde voor den dag te komen.
+
+En toevallig roerde Banks de rechte snaar aan, toen hij Matthias
+van Guitt vroeg of hij het geluk gehad had zijne bespanningen te
+vernieuwen.
+
+»Neen, mijnheer Banks," antwoordde de leverancier, »Kâlagani heeft te
+vergeefs de dorpen afgeloopen en hoewel hij van mijn volmacht voorzien
+was, heeft hij zich geen enkel span van die nuttige herkauwers kunnen
+verschaffen. Ik ben dus tot mijn spijt verplicht te bekennen, dat,
+om mijne menagerie naar het dichtstbijzijnde station te verzenden,
+de beweegkracht mij ten eenenmale ontbreekt. De verspreiding mijner
+buffels tengevolge van den plotselingen nachtelijken aanval van den 25n
+op den 26n Augustus, brengt mij dus in een zekere verlegenheid... Mijne
+hokken, met hunne vierbeenige gasten zijn zwaar... en..."
+
+»En op welke wijze zult u ze dan naar 't station brengen?" vroeg
+de ingenieur.
+
+»'k Weet het waarlijk niet," antwoordde Matthias van Guitt. »Ik
+zoek... ik overweeg... ik aarzel... en intusschen... is het uur
+van vertrek aangebroken en moet ik den 20n September, dat is binnen
+achttien dagen mijne bestelling te Bombay afleveren..."
+
+»Over achttien dagen!" antwoordde Banks, »maar dan hebt u geen uur
+te verliezen!"
+
+»'k Weet het, mijnheer de ingenieur. Daarom ken ik slechts een middel,
+een enkel!..."
+
+»En dat is?"
+
+»Dat is, zonder hem in het minst lastig te willen vallen, een zeer
+onbescheiden vraag... zeer zeker, tot den kolonel te richten..."
+
+»Spreek vrij uit, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro, »en als ik
+u kan verplichten, geloof me dat ik het met pleizier zal doen."
+
+Matthias van Guitt boog, en zijn rechterhand aan de lippen brengende,
+geraakte het bovenste gedeelte van zijn lichaam in een zachte beweging,
+terwijl zijn geheele houding die was van een mensch, die zich door
+onverwachte goedheden bezwaard gevoelt.
+
+Om kort te gaan, de ingenieur vroeg of het met het oog op het
+trekvermogen van den IJzeren Reus, niet mogelijk zijn zou, zijne
+rollende hokken achter aan onzen trein te spannen en ze op sleeptouw
+te nemen tot Etawah, het naaste station van den spoorweg van Delhi
+naar Allahabad.
+
+Het was een afstand van ongeveer drie honderd vijftig kilometers,
+op een vrij goeden weg.
+
+»Zou 't mogelijk zijn mijnheer van Guitt te voldoen?" vroeg de kolonel
+den ingenieur.
+
+»'k Zie er niet de minste zwarigheid in," antwoordde Banks, »en de
+IJzeren Reus zal zelfs niet eens iets van den meerderen last merken."
+
+»Toegestaan dus, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro. »We zullen
+uw gansche materieel naar Etawah overbrengen. Onder buren moet men
+elkander helpen, zelfs in de Himalaya."
+
+»Kolonel," antwoordde Matthias van Guitt, »ik kende uw goedheid, en,
+om de waarheid te zeggen had ik, om mij uit mijne netelige positie
+te redden, wel een weinig op uw dienstvaardigheid gerekend!"
+
+»U hadt gelijk," antwoordde kolonel Munro.
+
+Nadat dus alles overwogen en bepaald was, maakte Matthias van Guitt
+zich gereed om naar de kraal terug te keeren, teneinde een gedeelte
+van zijn personeel, dat nu overbodig werd, te ontslaan. Hij dacht
+niet meer dan vier chikaris bij zich te houden, die noodig waren de
+hokken te onderhouden.
+
+»Tot morgen dus," zei kolonel Munro.
+
+»Tot morgen, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt. »'k Zal
+in de kraal de aankomst van uw IJzeren Reus afwachten!"
+
+En de leverancier, zeer gelukkig met den goeden uitslag van zijn
+bezoek aan het Stoomhuis, ging heen, niet zonder zijn afscheid
+genomen te hebben op de manier van een acteur, die geheel volgens de
+overleveringen der moderne komedie, tusschen de schermen treedt.
+
+Kâlagani had een langdurigen blik op kolonel Munro geworpen, wiens reis
+naar de Népaulsche grens hem veel belang scheen te hebben ingeboezemd,
+en volgde den leverancier.
+
+Onze laatste toebereidselen waren gereed. Het materieel was op
+zijn plaats gebracht. Van het Stoomhuis-sanitarium, was niets meer
+overgebleven. De twee wagens wachtten nog slechts op onzen IJzeren
+Reus. Eerst moest de olifant ze naar de vlakte doen afdalen, daarna
+naar de kraal gaan om de hokken te gaan halen en ze terug te brengen
+ten einde den trein te vormen. Dan eerst zou hij zich rechtstreeks
+door de vlakte van Rohilkhande begeven.
+
+Den volgenden dag, den 2n September, te zeven uur 's morgens, was de
+IJzeren Reus gereed om de taak te hervatten, die hij tot nog toe met
+zooveel ijver en zorg vervuld had. Doch op dit oogenblik had er tot
+verbazing van allen een zeer onverwacht voorval plaats.
+
+De vuurhaard van den stoomketel, in den schoot van het dier bevat,
+was met brandstof opgevuld, die door Kâlouth werd ontstoken, waarna
+hij op de gedachte kwam de rookkast te openen,--aan welker wand de
+buizen bevestigd zijn, bestemd om de producten der verbranding door
+den stoomketel te leiden,--teneinde zich te overtuigen dat niets het
+trekken belette.
+
+Maar nauwelijks had hij de deuren dezer kast geopend, of hij trok zich
+snel terug en een twintigtal smalle riemen werden met een zonderling
+gefluit naar buiten geworpen.
+
+Banks, Storr en ik, wij keken zonder iets van dit vreemde verschijnsel
+te begrijpen.
+
+»Wel! Kâlouth, wat is dat toch?" vroeg Banks.
+
+»Een slangenregen, mijnheer!" riep de stoker.
+
+En inderdaad waren deze riemen slangen, die de buizen van den
+stoomketel tot woning gekozen hadden, zeker om er beter te slapen. De
+eerste vlammen van den vuurhaard hadden ze juist bereikt en eenige
+van die kruipende dieren, reeds verbrand, waren op den grond gevallen;
+als Kâlouth de rookkast niet bij toeval geopend had, zouden ze allen
+in een oogenblik gebraden geweest zijn.
+
+»Wat!" riep kapitein Hod uit, die kwam toesnellen, »heeft onze IJzeren
+Reus een nest met slangen in zijn ingewanden?"
+
+»Ja, waarlijk! en van de gevaarlijkste, 't zijn »whip snakes"
+of zweepslangen, »goulabis," zwarte cobras, bril-najas, tot de
+vergiftigste soorten behoorende.
+
+En op hetzelfde oogenblik stak een prachtige tijger-python
+of reuzenslang, van de familie der boa's, zijn spitsen kop uit
+de bovenste opening van den schoorsteen, dat is te zeggen uit het
+bovenste uiteinde van den snuit des olifants, die zich te midden der
+eerste rookkolommen ontrolde.
+
+De slangen, die levend uit de buizen gekomen waren, hadden zich snel
+en vlug tusschen het struikgewas verspreid, voordat wij tijd hadden
+ze te dooden.
+
+Maar de python kon zoo gemakkelijk niet uit den ijzeren cilinder
+ontsnappen. Ook haastte zich kapitein Hod zijn karabijn te gaan halen,
+waarmede hij op hem aanlegde en den kop van het dier verbrijzelde.
+
+Goûmi klom toen op den IJzeren Reus, heesch zich tot de bovenste
+opening van den tromp en met behulp van Kâlouth en Storr gelukte het
+hem er het énorme dier uit te trekken.
+
+Niets prachtiger dan deze boa, met zijn blauwachtig groen vel,
+versierd met regelmatig geplaatste ringen en die uit een tijgervel
+schenen gesneden te zijn. Zijne lengte bedroeg niet minder dan vijf
+meters bij een dikte als die van den arm.
+
+Het was dus een prachtexemplaar uit de Indische slangenwereld en zou
+een voortreffelijk figuur gemaakt hebben in de menagerie van Matthias
+van Guitt, in aanmerking genomen den naam van tijger-python, dien
+men hem geeft. Evenwel moet ik bekennen, dat kapitein Hod hem niet
+onder de door hem gevelde tijgers meetelde.
+
+Na aldus de machine van dit ongedierte bevrijd te hebben, sloot
+Kâlouth de rookkast, begon het vuur van den vuurhaard, door den
+tochtwind aangewakkerd, goed te branden, de stoomketel deed weldra
+zijn dof gebrom hooren en drie kwartier later wees de manometer een
+voldoenden stoomdruk aan. Wij konden dus nu vertrekken.
+
+De twee wagens werden aan elkander gespannen en de IJzeren Reus stelde
+zich aan het hoofd van den trein.
+
+Nog een laatsten blik geworpen op het bewonderenswaardige panorama, dat
+zich in het Zuiden ontrolde, voor het laatst het oog gewend naar die
+trotsche keten welker profiel als kantwerk tegen den helderen blauwen
+hemel in het Noorden afstak, een laatsten groet aan den Dawalaghiri,
+die met zijn top het geheele grondgebied van Noordelijk-Indië
+beheerschte en daarna gaf de stoomfluit het sein tot vertrek.
+
+De daling langs den bochtigen weg ging zonder de minste
+moeielijkheid. De atmosfeerische remtoestel hield op de al te steile
+hellingen de wielen onweerstaanbaar terug. Een uur later hield onze
+trein aan de onderste grens van Tarryani, aan den rand der vlakte stil.
+
+De IJzeren Reus werd toen losgemaakt en onder geleide van Banks,
+den machinist en den stoker ging hij langzaam een der breede wegen
+van het bosch op.
+
+Twee uren later liet zijn gebriesch zich hooren en kwam hij uit het
+dichte geboomte te voorschijn, de zes hokken der menagerie achter
+zich aan sleepende.
+
+Zoodra Matthias van Guitt was aangekomen, hernieuwde hij zijne
+dankzeggingen aan kolonel Munro. De hokken, voorafgegaan door een
+rijtuig met den leverancier en zijne lieden, werden aan onzen trein
+gespannen,--een wezenlijk konvooi, samengesteld uit acht wagens.
+
+Nadat Banks wederom een signaal gegeven had en de stoomfluit zich
+op nieuw had laten hooren, stelde zich de IJzeren Reus in beweging
+en ging majestueus voorwaarts op den prachtigen weg, die naar het
+Zuiden afdaalde. Het Stoomhuis en de hokken van Matthias van Guitt,
+met wilde dieren beladen, schenen voor hem niet zwaarder te zijn dan
+een eenvoudige verhuiswagen.
+
+»Welnu, wat dunkt u er van, mijnheer de leverancier?" vroeg kapitein
+Hod.
+
+»Me dunkt, kapitein," antwoordde niet geheel ten onrechte Matthias
+van Guitt, »dat die olifant nog buitengewoner zou zijn, als hij van
+vleesch en beenderen was!"
+
+Deze weg was niet die, welke ons naar den voet der Himalaya had
+gebracht. Hij liep schuin naar het zuidwesten naar Philibit, een
+klein stadje, dat honderdvijftig kilometers gelegen was van het punt
+waarvan we vertrokken waren.
+
+Deze afstand werd rustig, met matige snelheid, zonder eenige
+onaangename ontmoeting afgelegd.
+
+Matthias van Guitt zat dagelijks mede aan de tafel van het Stoomhuis,
+waar zijn gezonde eetlust de keuken van »mijnheer" Parazard alle
+eer aandeed.
+
+Ter voorziening van de keuken moesten dan ook weldra de gewone
+spijsbezorgers weder in functie treden, zoodat ook kapitein Hod,
+nu goed van zijn wond genezen,--het schot op den python had het
+bewezen,--zijn jachtgeweer weder ter hand moest nemen.
+
+Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de
+talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris
+opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani,
+die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden
+voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een
+bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was,
+behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet
+tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.
+
+Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op
+te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes
+hem een bezoek kwamen brengen.
+
+Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe
+merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet
+doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken
+en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.
+
+De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië
+voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste
+steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen,
+bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte
+Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door
+kreupelbosschen van doornachtige acacia's, van twee tot drie meters
+hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush" genoemd. Daar werden in
+groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige
+bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet
+zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke
+dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani
+gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen,
+die er twee buitengewone jagers van maakten.
+
+Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte
+van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke
+bijstroomen, den Kali-Nadi.
+
+Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het
+Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op
+de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen
+overgebracht.
+
+Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men
+moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de
+beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen
+overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote
+moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van
+dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis
+naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.
+
+Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den
+17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd
+schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.
+
+Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd
+waren weder samen te komen.
+
+Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte
+koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het
+presidentschap Bombay te bereiken.
+
+Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis
+naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der
+Indische Zee.
+
+Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden
+morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het
+zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende,
+nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.
+
+Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden
+van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon
+gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den
+dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou
+duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen,
+waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping
+van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.
+
+Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het
+bijzonder Kâlagani.
+
+Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht
+hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod
+had bewezen.
+
+Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, meende Banks
+op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg
+hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.
+
+Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den
+ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf
+hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De
+Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken
+en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons
+zeer nuttig zijn.
+
+Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele
+reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus
+bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich
+gereed te houden.
+
+Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier
+te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van
+de zijne was het natuurlijk meer theatraal.
+
+De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem
+door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij
+»speelde" dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het
+groote afscheidstooneel.
+
+Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn
+rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den
+grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit
+zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien
+de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste
+schuilplaats in zijn hart zou vinden.
+
+Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie,
+dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven,
+hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij
+hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van
+dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou
+kunnen afdoen.
+
+Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger
+manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van
+Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+DE OVERTOCHT VAN DE BETWA.
+
+
+Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van
+het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September.
+
+1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;
+
+2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers;
+
+3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.
+
+Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog
+niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in
+het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den
+tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden
+den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij,
+zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.
+
+Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit
+om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren
+geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het
+zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk
+Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen
+hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was
+dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.
+
+Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het
+personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker
+maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte
+van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag
+kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel
+Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo
+dikwijls deze provinciën bezocht had.
+
+»'k Maakte deel uit," antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke
+karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement,
+hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan
+vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van
+Centraal- en Noord-Indië getrokken."
+
+»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het
+schiereiland?" vroeg de ingenieur.
+
+»Ja, mijnheer," antwoordde Kâlagani, »'t zou me zeer verwonderen,
+als we in dezen tijd van 't jaar geen troep Banjaris ontmoeten op
+marsch naar het noorden."
+
+»Welnu, Kâlagani," hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal
+ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk
+Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult
+onze gids zijn."
+
+»Gaarne, mijnheer," antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem
+eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.
+
+Daarna voegde hij er bij:
+
+»Wilt u, dat ik u in 't breede de richting aanwijs, die we moeten
+nemen?"
+
+»Als 't u blieft."
+
+Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit
+gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der
+inlichtingen van Kâlagani na te gaan.
+
+»Niets eenvoudigers," hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen
+we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te
+Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van
+Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn
+over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen,
+nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren
+tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen,
+zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den
+eenen oever naar den anderen over te steken?"
+
+»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven," antwoordde de ingenieur,
+»en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen..."
+
+»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een
+toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen
+marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de
+Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt."
+
+»Zou overal waar paarden kunnen gaan," zei ik, »onze IJzeren Reus
+niet kunnen passeeren?"
+
+»Zeker kan hij dat," antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van
+de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas
+niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?"
+
+»Daar zijn de steden talrijk," antwoordde Kâlagani, »'t zal
+moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den
+onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden."
+
+Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van
+»onafhankelijkheidsoorlog," die Kâlagani aan den opstand van 1857
+gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen
+Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani
+deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd
+waaruit het was op te maken.
+
+»Goed," hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen
+laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons
+toegang tot een begaanbaren weg verleent..."
+
+»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer
+Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg
+uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore."
+
+»Inderdaad," antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe
+gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?..."
+
+»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te
+zeggen langs den spoorweg naar Bombay."
+
+»Begrepen," antwoordde Banks. »'k Zie geen enkele ernstige reden
+waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt
+ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt,
+Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten."
+
+Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den
+ingenieur toetrad.
+
+»Wilde je me iets vragen?" zei Banks.
+
+»Ja, mijnheer," antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u
+er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund
+te ontwijken?"
+
+Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets
+omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte
+van den toestand des kolonels gebracht.
+
+Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem
+mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering
+verried:
+
+»Kolonel Munro," zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana
+Sahib, althans in deze provincies."
+
+»Noch in deze provincies, noch ergens anders," antwoordde
+Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?""
+
+»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het
+presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft,"
+zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag
+hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw
+de Indo-Chineesche grens overschreden heeft."
+
+Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het
+Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei
+ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den
+pâl van Tandit was gedood geworden.
+
+»'k Zie, Kâlagani," zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet
+gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!"
+
+De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand,
+die niet begrijpt.
+
+»Ja," hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is."
+
+»Is Nana Sahib dood?" riep Kâlagani uit.
+
+»Ongetwijfeld," antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen
+weten onder welke omstandigheden hij gedood is."
+
+»Gedood?" zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib
+dan gedood zijn?"
+
+»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen."
+
+»En wanneer?..."
+
+»Reeds bijna vier maanden geleden," antwoordde de ingenieur, »den
+25n Mei ll."
+
+Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen,
+had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.
+
+»Heb je redenen," vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib
+te gelooven?"
+
+»Geene, mijne heeren," vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »'k
+Geloof wat u me zegt."
+
+Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde
+er niet zonder reden bij:
+
+»'t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der
+opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die
+bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze 'm niet hebben
+zien ophangen!"
+
+»'t Is met hen," antwoordde ik, »als met de oude »grognards" van het
+Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon
+nog altijd leefde!"
+
+Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor
+veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige
+wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den
+hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging
+bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke
+jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze
+van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door
+Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder
+in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk
+dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging
+brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste
+christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.
+
+De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het
+landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer
+fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis,
+alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks
+beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der
+plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels
+getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze
+rollende huizen!
+
+Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de
+Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van
+het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan,
+af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.
+
+Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De
+stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een
+weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks
+nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te
+landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis
+den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen
+zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is
+dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid
+van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de
+twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de
+schoonste macadamwegen van het schiereiland.
+
+Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van Rajasthan een
+zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne
+van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan
+den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met
+haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort
+der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen
+oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar
+kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat
+Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van
+Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet,
+dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der
+koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met
+een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van
+dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat
+van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten
+snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne
+herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!
+
+Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri
+en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen
+met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van
+een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt
+en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels
+met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo,
+het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,--'twelk alles te zamen de
+hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den
+noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van
+Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah
+een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.
+
+Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand
+van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het
+belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het
+mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi
+is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in
+inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen
+monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van
+de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel
+te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben
+kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een
+buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste
+vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de
+stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in
+vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die
+niet minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van
+zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering,
+Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel
+ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen
+door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der
+Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald
+had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den
+laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi,
+meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen,
+moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden
+van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!
+
+Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende
+eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen
+rechtvaardigen.
+
+Het was elf uren 's morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen
+nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda,
+anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich
+tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd
+door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden
+met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende
+zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen
+dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest
+zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei,
+maakte het ons somtijds vrij lastig.
+
+Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van
+twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken
+vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de
+Lybische woestijn had kunnen opwaaien.
+
+»'k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan," zei Banks,
+»omdat er zulk een licht windje waait."
+
+»Kâlagani zal ons dat verklaren," antwoordde kolonel Munro.
+
+Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en
+zonder aarzelen zeide:
+
+»'t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt," zeide hij,
+»en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer
+waarschijnlijk een karavaan van Banjaris."
+
+»Welnu, Kâlagani," zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude
+bekenden onder aantreffen?"
+
+»Zeer mogelijk, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder
+die zwervende stammen geleefd heb."
+
+»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?" vroeg
+kapitein Hod.
+
+»Volstrekt niet," antwoordde Kâlagani.
+
+De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren
+Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor
+een muur van herkauwende dieren.
+
+Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het
+schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard
+gadegeslagen te worden.
+
+Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg
+naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd
+had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.
+
+»De Banjaris," vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van
+Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats,
+des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de
+lastdragers van het schiereiland en 'k heb ze gedurende den opstand
+van 1857 aan 't werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst
+tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door
+den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de
+voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke
+leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt
+ergens in Indië 't huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en
+meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze
+voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer
+ik je deze Banjaris eens goed op te nemen."
+
+Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten
+weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de
+wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet
+hebben kunnen opwerken.
+
+Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht
+gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen,
+dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen
+teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene
+bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris,
+die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.
+
+Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;--de
+eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus,
+gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en
+den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den
+grooten degen;--de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen,
+fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf,
+het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden
+rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een
+sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om
+den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud,
+ivoor of schelpen.
+
+Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden
+stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode
+eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om den nek deden
+weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die
+het koren of andere graansoorten bevat.
+
+Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur
+van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik,"
+wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan
+hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust
+te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.
+
+Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met
+schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere
+sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke
+taak dat prachtige dier had te vervullen.
+
+»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen," antwoordde de
+ingenieur. »Waar is hij toch?"
+
+Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht
+hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.
+
+»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken," zei kolonel Munro,
+»maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn."
+
+Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in
+de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet
+van eenige bezorgdheid onthouden.
+
+»Welnu," zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de
+karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij
+heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar
+'t zou me niet verwonderen, dat hij in 't geheim aan de ingeving van
+den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst
+dezer zwervende stammen saamgevat."
+
+Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet
+aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor
+ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type
+behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich
+tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het
+meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten
+lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land,
+dat de reizende stam doorkruist had,--het land, dat ook wij onder de
+leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.
+
+De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was,
+hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met
+belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant
+en naar het mij voorkwam, nam hij meer in 't bijzonder kolonel Munro
+op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani,
+voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.
+
+Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel
+Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide
+alleen:
+
+»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst
+van de karavaan staat."
+
+Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra
+rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede
+sporen van de hoeven dier duizenden ossen.
+
+Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht
+door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan
+den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.
+
+Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude
+hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der
+zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant,
+de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe,
+waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden
+van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren
+tot een ellendige schuilplaats verstrekt.
+
+Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden
+opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op
+zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom,
+sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn
+oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te
+bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon
+Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden
+dag uitstellen.
+
+Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta,
+onze vertrekken op en legden ons ter ruste.
+
+Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij
+'s nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende
+huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn
+zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de
+mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze
+provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd
+er geen wacht gehouden 's nachts, dan hadden wij toch onze honden
+Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden
+verwittigd hebben.
+
+En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren
+'s morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op
+en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.
+
+»Wat is er toch?" vroeg kolonel Munro.
+
+»De honden blaffen," antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet
+zonder reden."
+
+»'t Zal een panter zijn, die in 't naburige kreupelbosch gehoest
+heeft," zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het
+bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen."
+
+Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten
+het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat
+er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen.
+
+»Welnu," zei kapitein Hod, »'t zijn zeker een paar dieren, die hun
+dorst zijn komen lesschen?"
+
+»Kâlagani denkt het niet," antwoordde Mac Neil.
+
+»Wat denkt ge dan dat het is?" vroeg kolonel Munro den Hindoe.
+
+»'k Weet het niet, kolonel Munro," antwoordde Kâlagani, »maar stellig
+hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. 'k
+Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden."
+
+»We zullen 't gauw weten!" riep kapitein Hod, steeds denkende aan
+den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.
+
+»Wacht Hod," zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te
+wachten voor nachtelijke zwervers."
+
+»We zijn talrijk en goed gewapend!" antwoordde kapitein Hod. »'k Wil
+er het mijne van weten!"
+
+»Mij goed!" zei Banks.
+
+De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van
+de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben
+opgewekt.
+
+»Munro," zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de
+anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning
+uit."
+
+»Ga je mee?" riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om
+hem te vergezellen.
+
+Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men
+had ze slechts te volgen.
+
+Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen
+deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom
+van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen,
+die de vlucht door het kreupelbosch namen.
+
+De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons
+uit heen en weder.
+
+»Werda?" riep kapitein Hod.
+
+Geen antwoord.
+
+»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden," zei Banks,
+»of zij verstaan geen Engelsch."
+
+»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch," antwoordde ik.
+
+»Kâlagani," zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet
+antwoorden, we vuur geven."
+
+Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van
+Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.
+
+Evenmin een antwoord als de eerste keer.
+
+Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op
+goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen
+door uit de voeten maakte.
+
+Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn
+teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van welke
+soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden
+werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren,
+bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.
+
+»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers," zei kapitein Hod,
+»die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!"
+
+»Dat schijnt zoo," antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders
+over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg,
+zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt."
+
+Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen
+teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij
+beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder
+naar onze vertrekken begaven.
+
+De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om
+te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende,
+het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.
+
+Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot
+het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod,
+Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch
+onderzoeken.
+
+Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den
+vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de
+minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.
+
+Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den
+overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten
+hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle
+vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk
+en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver
+stroomafwaarts medegevoerd te worden.
+
+De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste
+plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend,
+trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou
+te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren
+loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water
+zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.
+
+»Maar," vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het
+aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden
+opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen
+kunnen weerstaan."
+
+»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken
+niet over."
+
+»Ja wel," antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner
+beschikking hebben."
+
+»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?"
+
+»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat," antwoordde de
+ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze....."
+
+»Proboscidea!..." zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van
+Guitt te spreken.
+
+»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven," hernam
+Banks. »In 't eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch
+hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet
+zich aan 't zwemmen en steekt flink de rivier over. 't Gebeurt evenwel,
+dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze
+door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor."
+
+»Nu, goed!" zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten," we
+hebben er toch een....."
+
+»En met dien eenen hopen we 't te volbrengen," antwoordde Banks. »Hij
+is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan,
+die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen
+nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr
+in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.
+
+Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen,
+alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de
+IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten
+werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland
+op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.
+
+Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot
+ons over.
+
+Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten
+trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.
+
+»Wel drommels! 't Waren apen!" riep kapitein Hod uit, hartelijk
+lachende.
+
+En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers
+van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.
+
+»Wat willen ze?" vroeg Mac Neil.
+
+»Ons aanvallen, zeker!" antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter
+verdediging gereed hield.
+
+»Neen! Er is niets te vreezen," zei Kâlagani, die den tijd gehad had
+de bende apen waar te nemen.
+
+»Maar wat willen ze dan toch?" vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden
+male.
+
+»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!" antwoordde
+de Hindoe.
+
+Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met
+lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der
+aristocratische familie" die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren
+apen van de soort der Langours, de grootste van het schiereiland,
+lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat,
+omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude
+mannen. Wat hunne vreemde houdingen en onnatuurlijke gebaren aangaat,
+overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het
+Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl
+zij den staart opgericht droegen.
+
+Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië
+als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van
+de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber
+bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk
+door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de
+overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren
+het leven gekost.
+
+Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn
+zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn,
+doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid
+niet onder voor hyena's of panters.
+
+Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen
+en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.
+
+Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den
+fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig
+wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?
+
+Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.
+
+De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu
+in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem
+na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand
+water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.
+
+De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe
+water rond, dat de helling van den oever bedekte.
+
+Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen
+ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen
+makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein
+springende, die hen scheen af te wachten.
+
+Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op
+ieder der huizen, in 't geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam,
+men zou haast zeggen praatachtig,--althans onder elkander,--en
+ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te
+hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.
+
+De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts
+wendende, zette hij zich er tegen in.
+
+Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein
+misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers,
+maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de
+grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er
+op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan
+het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt
+niet verschrikt door den stoom, die er zich met het bekende zuchtend
+geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken
+onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten,
+terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart
+hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige
+inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor
+het buitengewone overwicht te duchten.
+
+Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij
+had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen
+in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun
+de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed
+overladen hebben, zoo »mijnheer" Parazard, geërgerd dat hij zich in
+zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.
+
+Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die
+het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende,
+volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou
+brengen.
+
+Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij
+aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever
+en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.
+
+»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!" riep Fox uit, ontevreden over
+de lompheid van zijn vrienden.
+
+Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser,
+die niets meer verdiende.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+HOD TEGEN BANKS.
+
+
+De Betwa was overgetrokken. Reeds honderd kilometers waren wij van
+het station van Etawah verwijderd.
+
+Vier dagen gingen zonder bijzondere avonturen voorbij,--zelfs zonder
+jachtavonturen, want wilde beesten waren niet talrijk in dit gedeelte
+van Scindia.
+
+»'k Vrees maar al te zeer," herhaalde kapitein Hod niet zonder groote
+spijt, »dat ik te Bombay zal aankomen, zonder mijn vijftigsten gedood
+te hebben!"
+
+Kâlagani geleidde ons met bewonderenswaardige schranderheid door dit
+minst bevolkte gedeelte van het grondgebied, welks topographie hij
+zeer goed kende, en, den 29n September begon de trein de noordelijke
+helling der Vindhyas te beklimmen, teneinde door den pas van Sirgour
+de reis voort te zetten.
+
+Tot zoover was onze tocht door Bundelkund zonder hindernis
+volbracht. Dit land, evenwel, is een der meest verdachte van Indië. De
+misdadigers zoeken er gaarne een schuilplaats, en landloopers worden er
+in overvloed aangetroffen. Daar ook geven de Dacoits zich bij voorkeur
+aan hun dubbel bedrijf van gifmengers en dieven over. Het is dus
+voorzichtig, ernstig op zijn hoede te zijn, als men dit land bereist.
+
+Het slechtste gedeelte nu van Bundelkund is juist deze bergachtige
+streek der Vindhyas, waarin het Stoomhuis nu zou doordringen. De
+afstand was niet groot,--honderd kilometer hoogstens,--tot
+Jubbulpore, het dichtstbijzijnde station van den spoorweg van
+Bombay naar Allahabad. Doch wij konden niet rekenen, zoo snel
+en gemakkelijk vooruit te komen, als wij gedaan hadden door de
+vlakte van Scindia. Vrij steile hellingen, half gebaande wegen,
+een steenachtige bodem, plotselinge krommingen, zekere smalle
+gedeelten van den weg, alles liep samen onze snelheid tot beneden het
+gemiddelde te verminderen. Banks dacht niet meer te verkrijgen dan
+vijftien tot twintig kilometers in de tien uren, die onze reisdagen
+uitmaakten. Daarbij kwam, dat de toegangen tot de wegen en kampementen
+dag en nacht met de uiterste zorg moesten bewaakt worden.
+
+Kâlagani was de eerste geweest om ons dezen raad te geven. Nu waren
+wij talrijk genoeg en daarbij goed gewapend. Onze kleine troep,
+met zijn twee huizen en het torentje,--een echte kazemat, door den
+IJzeren Reus op den rug gedragen, bood een zeker »weerstandsvermogen"
+aan, om een uitdrukking naar de mode te gebruiken. Straatroovers,
+Dacoits of andere, zelfs Thugs,--indien er in dit woeste gedeelte van
+Bundelkund nog waren overgebleven,--zouden ongetwijfeld geaarzeld
+hebben ons aan te vallen. Doch, het kan nooit kwaad voorzichtig te
+zijn en het was beter dat wij op alle mogelijkheden gewapend waren.
+
+Des morgens van dezen dag werd de Sirgourpas bereikt, waarin de
+trein zonder veel moeite zich een weg baande. Enkele malen, bij het
+bestijgen van steile hellingen, moest men den stoom versterken, maar
+de IJzeren Reus ontwikkelde onder de hand van Storr onmiddellijk het
+noodige vermogen, en beklom enkele hellingen van twaalf tot vijftien
+centimeters per meter.
+
+Ook behoefde men niet te vreezen zich in den weg te vergissen. Kâlagani
+was volkomen bekend met de bochtige bergpassen der Vindhyas en meer
+bijzonder met den Sirgourpas. Hij twijfelde dan ook nooit, zelfs
+als verscheidene wegen op een kruisweg ergens tusschen hooge rotsen,
+in diepe bergkloven, uitliepen, te midden van dichte bosschen, die
+den blik tot twee of driehonderd schreden beperkten. Verliet hij
+ons tusschenbeiden eens en ging hij nu eens alleen, dan vergezeld
+door Banks, door mij of door een ander onzer metgezellen vooruit,
+dan was dit om niet den weg, maar zijn begaanbaarheid te verkennen.
+
+Inderdaad hadden de regens, gedurende het regenseizoen, dat nauwelijks
+geëindigd was, de paden bedorven, den bodem omgewoeld,--omstandigheden
+waarvan rekening moest gehouden worden, alvorens zich op wegen te
+begeven, waarop de terugkeer hoogst moeielijk zou geweest zijn.
+
+Ten opzichte alleen van ons vervoer, ging dus alles zoo goed
+mogelijk. De regen had geheel opgehouden. De hemel, half door lichte
+nevels bedekt, die de zonnestralen lieten doorschemeren, dreigde niet
+met een van die donderbuien, waarvan men in het centrale gedeelte van
+het schiereiland de vreeselijke hevigheid ducht. Ofschoon de hitte
+niet hevig was, deed zij toch gedurende eenige uren van den dag vrij
+sterk aan; maar, over het geheel bleef het een gemiddelde temperatuur,
+zeer goed te verdragen voor reizigers, die zich in de schaduw aan
+haren invloed konden onttrekken. Aan klein wild was geen gebrek en
+onze jagers voorzagen in de behoefte der tafel, zonder zich ver van
+het Stoomhuis te verwijderen.
+
+Alleen kapitein Hod,--en ook Fox zeker,--betreurde misschien
+de afwezigheid der wilde beesten, die in Tarryani zoo overvloedig
+werden aangetroffen. Maar konden zij ook verwachten leeuwen, tijgers,
+panters te ontmoeten in streken waar aan de voor hun voedsel benoodigde
+herkauwende dieren gebrek was?
+
+Doch, mochten deze roofdieren al aan de fauna der Vindhyas ontbreken,
+zoo kwamen wij in de gelegenheid om op ruimer schaal kennis te maken
+met de olifanten van Indië,--ik meen met de wilde olifanten, waarvan
+wij tot nog toe slechts enkele exemplaren gezien hadden.
+
+Den 30n September, tegen twaalf uren zagen wij voor den trein uit
+een paar van die prachtige dieren. Bij onze nadering wierpen zij
+zich ter zijde van den weg, teneinde de voor hen nieuwe equipage,
+die hun zeker schrik aanjoeg, te laten voorbijgaan.
+
+Waartoe ze zonder noodzaak uit loutere liefhebberij te dooden? Kapitein
+Hod dacht er zelfs niet aan. Hij vergenoegde zich die heerlijke dieren
+te bewonderen, die in volle vrijheid tusschen de bergen rondliepen,
+waar beken, stroomen en weiden in al hunne behoeften voorzagen.
+
+»Wat een schoone gelegenheid," zei hij, »voor onzen vriend van Guitt,
+om ons een les in de zoölogie te geven!"
+
+Men weet, dat Indië bij uitnemendheid het land der olifanten is. Deze
+dikhuiden behooren allen tot een zelfde soort, die een weinig beneden
+die der Afrikaansche olifanten staat,--zoowel zij die de verschillende
+provincies van het schiereiland bewonen, als die waarvan men de sporen
+in Birmanië, in het koninkrijk Siam en in al de streken ten oosten
+van de golf van Bengalen kan vinden.
+
+Hoe vangt men ze? Meestal in een »kiddah," een ruimte door palissaden
+omgeven. Wil men een geheele kudde vangen, dan drijven de jagers,
+ten getale van een drie à vierhonderd, aangevoerd door een »djawadar"
+of inlandschen sergeant, ze langzamerhand in de kiddah, sluiten ze
+er in op, scheiden ze met behulp van opzettelijk daartoe afgerichte
+tamme olifanten van elkander af, kluisteren de achterpooten, en de
+vangst is gemaakt.
+
+Doch deze methode, die tijd en een zekere machtsontwikkeling vordert,
+is meestal vruchteloos, als men zich van de groote mannetjes wil
+meestermaken. Deze toch zijn meer bij de hand en schrander genoeg
+om den kring der drijvers te verbreken en hunne gevangenneming in de
+kiddah te vermijden. In dat geval worden tamgemaakte wijfjes belast
+deze mannetjes gedurende eenige dagen te volgen. Zij dragen hunne
+mahouts op den rug in donker gekleurde dekkleeden gehuld en, als de
+olifanten, die niets merken, zich aan een gerusten slaap overgeven,
+maakt men zich van hen meester, worden zij geketend en medegevoerd,
+zonder zelfs den tijd gehad te hebben tot zich zelve te komen.
+
+Zooals ik reeds vroeger gelegenheid had te zeggen, ving men de
+olifanten in kuilen, op hun spoor gegraven, en een vijftiental voet
+diep, maar in zijn val verwondde of doodde zich het dier en heeft
+men daarom bijna algemeen dit barbaarsche middel opgegeven.
+
+Eindelijk wordt in Bengalen en Népaul de lasso nog gebruikt. Dit is
+een ware jacht, somtijds vol belangwekkende avonturen. Men gebruikt
+daartoe goed afgerichte olifanten, die door drie mannen bereden
+worden. Op hun nek zit een mahout, die ze bestuurt, op het kruis een
+drijver, die ze met den hamer of met den haak aanport; op den rug,
+de Hindoe, die belast is met het werpen van den lasso, voorzien van
+een schuifknoop. Zoo uitgerust, vervolgen deze dikhuiden den wilden
+olifant uren achtereen, somtijds door vlakten, door bosschen tot
+groot nadeel somtijds van hen, die ze berijden en eindelijk als het
+beest den lasso om den kop geslingerd is, valt hij plomp op den grond,
+aan de jagers overgeleverd.
+
+Op deze verschillende wijzen worden er jaarlijks in Indië een groot
+aantal olifanten gevangen. Het is geen slechte speculatie. Een wijfje
+wordt verkocht tegen zeven duizend franken, een mannetje tegen twintig
+duizend en zelfs tegen vijftig duizend franken als hij van zuiver
+bloed is.
+
+Zijn ze nu werkelijk nuttig, die dieren, dat men ze tegen zulke hooge
+prijzen betaalt? Ja, en als men ze maar behoorlijk voedt,--namelijk
+zes à zeven honderd pond groen voeder in de achttien uren geeft,
+dat is nagenoeg het gewicht, dat ze op een gewoon traject kunnen
+dragen,--bewijzen ze werkelijk goede diensten, waaronder vervoer van
+artillerie in bergachtige landen, of in de voor paarden ontoegankelijke
+jungles, zwaar werk voor rekening der particulieren, die ze gebruiken,
+als trekdieren. Deze machtige en zachte reuzen, gemakkelijk en
+snel te dresseeren, tengevolge van een bijzonder instinct, dat ze
+tot gehoorzaamheid aanzet, zijn in de verschillende provinciën van
+Hindostan algemeen gezocht. Daar zij zich nu in tammen toestand niet
+vermenigvuldigen, moet men onophoudelijk jacht op hen maken, om aan
+de aanvraag van het schiereiland en van den vreemde te voldoen.
+
+Ook vervolgt men ze, sluit men ze in, vangt men ze op de zooeven
+vermelde wijzen. En toch schijnt hun getal, niettegenstaande hun
+verbruik, niet te verminderen; nog altijd blijft er in de verschillende
+streken van Indië een aanzienlijk getal ever.
+
+Zelfs moet ik er bijvoegen dat er »te veel" overblijven, zooals men
+weldra zien zal.
+
+De twee olifanten hadden zich, zooals ik reeds zeide, terzijde van den
+weg geschaard, teneinde onzen trein te laten passeeren, waarna zij hun
+een oogenblik afgebroken marsch hervat hadden. Bijna dadelijk daarop
+kwamen andere olifanten in de achterhoede te voorschijn en voegden
+zich, hunne schreden versnellende, bij de twee, die wij voorbij gegaan
+waren. Een kwartier later, kon men er een dozijn tellen. Zij hielden
+het Stoomhuis in het oog, zij volgden ons, zich op een afstand van
+hoogstens vijftig meters houdende. Zij schenen evenmin begeerig ons
+in te halen, als ons te verlaten. Nu was dit hun gemakkelijk, omdat
+de IJzeren Reus op de hellende wegen, die om de voornaamste toppen
+der Vindhyas heen loopen, zijn gang niet kon versnellen.
+
+Een olifant kan trouwens sneller loopen dan men wel denken zou,--en
+wel met een snelheid, die, volgens Sanderson, een zeer bevoegde
+beoordeelaar in deze zaak, somtijds vijf en twintig kilometers per
+uur overtreft. Voor hen dus, die ons op dat oogenblik volgden, was
+niets gemakkelijker dan of ons te bereiken, of ons vooruit te komen.
+
+Doch dit scheen niet in hun plan te liggen,--op dit oogenblik
+althans. Zeker wilden zij zich eerst in grooter getale vereenigen,
+en werkelijk deden zij uit hun enorme keel zekere kreten hooren, als
+een sein, dat door kreten van achterblijvers, denzelfden weg volgende,
+beantwoord werd.
+
+Tegen een uur na den middag werden wij door een troep van een dertigtal
+olifanten achtervolgd. Het was een geduchte bende geworden. Niets
+bewees, dat hun aantal niet nog zou aangroeien. Gewoonlijk bestaat
+een troep van die dikhuiden uit dertig of veertig individus, die een
+familie vormen van meer of minder naverwante leden, maar niet zelden
+ontmoet men verzamelingen van een honderdtal dier dieren, iets wat
+den reizigers wel eenige ongerustheid inboezemt.
+
+Kolonel Munro, Banks, Hod, de sergeant, Kâlagani en ik, waren onder
+de veranda van het tweede rijtuig gezeten en letten op 't geen achter
+ons plaatsgreep.
+
+»Hun aantal neemt steeds toe," zei Banks en zal ongetwijfeld aangroeien
+met al de olifanten uit de geheele streek!"
+
+»Maar," deed ik opmerken, »ze kunnen toch elkander niet zoo bijzonder
+ver hooren."
+
+»Dat is waar," antwoordde de ingenieur, »maar ze ruiken elkander en
+ze hebben zulk een fijnen reuk, dat tamme olifanten de wilde zelfs
+drie of vier mijlen ver weten te ontdekken."
+
+»'t Is een wezenlijke verhuizing," zei toen kolonel Munro. »Zie
+eens! Er is daar achter onzen trein een gansche kudde, in groepen
+van tien tot twaalf olifanten van elkander gescheiden en die groepen
+zullen spoedig aan de algemeene beweging deelnemen. We zullen ons
+wat dienen te haasten, Banks."
+
+»De IJzeren Reus doet wat hij kan, Munro," antwoordde de ingenieur. »We
+hebben al vijf atmosfeeren drukking en de weg is zeer steil!"
+
+»Maar waarom ons zoo gehaast?" riep kapitein Hod uit, die bij
+dergelijke voorvallen altijd vroolijk werd. »Laat die lieve beestjes
+ons vergezellen! 't Is een stoet, onzen trein waardig! Het land was
+eenzaam en verlaten, dat kunnen we nu niet meer zeggen, want we worden
+nu geëscorteerd als een rajah op reis!"
+
+»We zullen ze hun zin wel moeten laten," antwoordde Banks, »want ik
+zie niet in hoe we ze zouden kunnen beletten ons te volgen!"
+
+»Maar wat vrees je eigenlijk toch?" vroeg kapitein Hod. »Je weet
+toch wel, dat een kudde altijd minder geducht is dan een enkele
+olifant! 't Zijn werkelijk lieve dieren!... Schapen, groote schapen,
+voorzien van een tromp, anders niet!"
+
+»Komaan! Hod windt zich op!" zei kolonel Munro. »'k Geef gaarne toe
+dat, als de kudde maar op een respectabelen afstand blijft, we niets te
+duchten hebben; maar als ze 't in den zin krijgt ons op dien smallen
+weg voorbij te komen, zou er voor het Stoomhuis meer dan één nadeel
+uit kunnen voortvloeien!"
+
+»Zonder nog te rekenen," voegde ik er bij, »dat, als ze zich voor den
+eersten keer tegenover onzen IJzeren Reus bevinden, 'k niet weet hoe
+ze hem zullen ontvangen!"
+
+»Ze zullen hem groeten, voor den drommel!" riep kapitein Hod uit. »Ze
+zullen hem groeten zooals de olifanten van prins Gourou Singh hem
+gegroet hebben!"
+
+»Dat waren tamme olifanten," merkte sergeant Mac Neil terecht aan.
+
+»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »ook deze zullen tam worden,
+of liever, ze zullen voor onzen reus verstomd staan van verbazing,
+die spoedig in eerbied zal overgaan!"
+
+Men ziet dat onze vriend niets van zijn enthusiasme verloren had
+voor den kunstmatigen olifant, »dat meesterstuk van mechanisme,
+voortgebracht door de hand van een Engelschen ingenieur!"
+
+»Trouwens," voegde hij er bij, »deze proboscideën,--hij was werkelijk
+op dat woord gesteld,--deze proboscideën zijn zeer schrander, ze
+redeneeren, ze oordeelen, ze vergelijken, ze denken aaneengeschakeld
+en geven bewijzen van een menschelijk verstand!"
+
+»Dat is op zijn minst zeer overdreven," antwoordde Banks.
+
+»Wat, overdreven!" riep kapitein Hod uit. »Hij, die zoo spreekt,
+heeft niet in Indië gewoond! Laat men de schrandere dieren niet
+allerlei huiswerk verrichten? Is er een met hen te vergelijken? Is de
+olifant in het huis van zijn meester niet gereed tot het verrichten van
+allerlei diensten? Weet je dan niet, Maucler, wat de schrijvers, die
+hem het best gekend hebben, van hem zeggen? Volgens hen is de olifant
+voorkomend voor hen die hij liefheeft, hij ontheft ze van hunne lasten,
+hij gaat bloemen of vruchten voor hen plukken, hij zamelt aalmoezen in
+voor de armen als de olifanten voor de beroemde pagode van Willenoor,
+bij Pondicherie, hij betaalt in de bazars den suiker, de bananen of de
+mango's, die hij voor eigen rekening koopt, hij beschermt in Sunderbund
+de kudden en de woning van zijn meester tegen de wilde dieren, hij
+pompt water uit de putten, hij past met meer zorg op de kinderen, die
+men hem toevertrouwt, dan de beste kindermeid van gansch Engeland! En
+menschelijk, dankbaar, want hij heeft een verbazend geheugen, vergeet
+hij evenmin de weldaden als het onrecht, dat hem gedaan wordt! Ja,
+mijne vrienden, die menschelijke reuzen,--'k zeg menschelijke reuzen,
+zullen niet licht een onschadelijk insect verpletteren! Een mijner
+vrienden,--en dat zijn trekken, die men niet licht vergeet,--zag dat
+men een lievenheersbeestje op een steen zette en een tammen olifant
+beval het te verpletteren! En wat deed de goede dikhuid? Hij lichtte,
+telkens als hij over den steen heen ging, zijn poot op en noch bevelen,
+noch slagen zouden hem er toe gebracht hebben hem op het insect te
+plaatsen! In tegendeel, toen men hem beval het op te nemen en aan
+te reiken, nam hij het met die soort van wonderhand, die hij aan de
+punt van zijn snuit heeft, op en stelde het in vrijheid! Zeg nu nog
+eens, Banks, dat de olifant niet goed, niet edelmoedig en niet boven
+alle anderen dieren verheven is, zelfs boven den aap, zelfs boven
+den hond en moeten we niet erkennen, dat de Hindoes gelijk hebben,
+als zij hem bijna evenveel verstand toekennen als den mensch!"
+
+Nadat hij met vuur deze woorden had uitgesproken, vond kapitein Hod
+niets beters te doen dan zijn hoed af te nemen om de geduchte kudde,
+die ons met afgemeten schreden volgde, te groeten.
+
+»Goed gesproken, kapitein Hod!" antwoordde kolonel Munro
+glimlachende. »De olifanten hebben in u een warmen verdediger!"
+
+»En heb ik dan niet volkomen gelijk, kolonel?" vroeg kapitein Hod.
+
+»'t Is mogelijk, dat kapitein Hod gelijk heeft," antwoordde Banks,
+»maar ik hecht meer aan het oordeel van Sanderson, een olifantenjager
+en een volleerde meester in alles wat hen betreft."
+
+»En wat zegt die Sanderson dan toch?" riep de kapitein op vrij
+minachtenden toon uit.
+
+»Hij beweert, dat de olifant slechts een zeer middelmatig verstand
+heeft en dat de verwonderlijkste zaken, die men die dieren ziet
+volbrengen, slechts het resultaat zijn van een vrij slaafsche
+gehoorzaamheid aan de bevelen, die hunne cornac's meer of minder in
+'t geheim hun geven!"
+
+»Nu, die is mooi!" antwoordde kapitein Hod, die zich begon warm
+te maken.
+
+»Zoo doet hij ook opmerken," hernam Banks, »dat de Hindoes nooit den
+olifant als een zinnebeeld van verstand, voor hun beeldhouwwerk of
+hunne heilige teekeningen gekozen hebben en de voorkeur gaven aan
+den vos, den raaf, en den aap!"
+
+»'k Protesteer!" riep kapitein Hod uit, wiens arm de golvende beweging
+van een tromp nabootste.
+
+»Protesteer, kapitein, maar hoor me aan!" hernam Banks. »Sanderson
+voegt er nog bij, dat, wat den olifant meer bijzonder onderscheidt,
+de knobbel der gehoorzaamheid is, die een uitwas van belang op
+zijn schedel moet vormen. Hij merkt ook aan, dat de olifant zich op
+een zeer gemakkelijke manier laat vangen,--dat is het juiste woord,
+zooals in kuilen met bladeren bedekt, en dat hij niet de minste moeite
+doet om er uit te komen! Hij doet verder uitkomen, dat hij zich in
+omheiningen laat drijven, waartoe met geen mogelijkheid andere wilde
+dieren zouden te brengen zijn! Eindelijk is het volgens hem een feit,
+dat de gevangen olifanten, wien het gelukte te ontkomen, zich met
+een gemakkelijkheid laten hernemen, die hun schranderheid geen eer
+aandoet! De ondervinding leert hun niet eens voorzichtig te zijn!"
+
+»Arme dieren!" antwoordde kapitein Hod op komieken toon, »wat takelt
+die ingenieur je toe!"
+
+»Als een laatste bewijsgrond ten gunste van mijn stelling, moet ik er
+nog bijvoegen," antwoordde Banks, »dat de olifanten niet zelden zeer
+moeielijk zijn tam te maken, uit gebrek aan voldoende verstandelijke
+vermogens en dikwijls is het zeer moeilijk ze te bedwingen, vooral
+als ze jong zijn of tot de zwakke sekse behooren!"
+
+»Dat is een overeenkomst te meer met de menschelijke
+wezens!" antwoordde kapitein Hod. »Zijn de mannen niet veel
+gemakkelijker te leiden dan de kinderen en de vrouwen?"
+
+»Me dunkt, kapitein, dat we beiden al te zeer celibatair zijn om in
+een dergelijke aangelegenheid juist te oordeelen!"
+
+»Goed geantwoord!"
+
+»Om er een eind aan te maken," voegde Banks er nog bij, »ik beweer,
+dat men niet te veel moet vertrouwen op de al te zeer geroemde goedheid
+van den olifant en dat het onmogelijk zou zijn een troep van die reuzen
+weerstand te bieden, als de een of andere reden ze woedend maakte en
+'k had wel zoo lief, dat zij, die ons op dit oogenblik vergezellen,
+iets in het noorden te doen hadden, omdat wij zuidelijk gaan!"
+
+»Zooveel te meer nog, Banks," antwoordde kolonel Munro, »omdat,
+terwijl ge 't zamen zoo druk hadt, Hod en gij, hun aantal onrustbarend
+is toegenomen!"
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+HONDERD TEGEN EEN.
+
+
+Sir Edward Munro vergiste zich niet. Onze trein werd nu door een massa
+van vijftig of zestig olifanten gevolgd. Zij liepen in dichte rijen
+en reeds bevonden zich de eerste zoo dicht achter het Stoomhuis--op
+een afstand van minder dan tien meters,--dat het mogelijk was ze
+nauwkeurig waar te nemen.
+
+Aan het hoofd liep toen een van de grootste uit de groep, ofschoon
+zijn grootte, vertikaal tot aan den schouder gemeten, stellig niet
+meer dan drie meters bedroeg. Zooals ik reeds zeide, is dit een
+grootte beneden die van de Afrikaansche olifanten, waarvan eenige
+vier meters bereiken. Zijne slagtanden ook, niet zoo lang als die
+van zijn Afrikaanschen stamgenoot, waren niet langer dan een meter
+vijftig aan de buitenste kromming, en veertig van de beenachtige spil
+af, die tot basis dient. Op het eiland Ceilon ontmoet men een zeker
+aantal dezer dieren zonder slagtanden, overigens een geducht wapen
+waarvan zij zich met behendigheid bedienen, doch in Hindostan komen
+deze »mucknas,"--zoo worden ze genoemd--zeer zelden voor.
+
+Achter dezen olifant kwamen verscheidene wijfjes, die de eigenlijke
+bestuursters der karavaan zijn. Ware het Stoomhuis er niet geweest,
+dan zouden zij de voorhoede hebben uitgemaakt en ware dit mannetje
+stellig achter in de rijen zijner metgezellen gebleven. Inderdaad
+verstaan de mannetjes niets van de leiding der kudde. Zij hebben niet
+voor hunne jongen te zorgen en kunnen niet weten wanneer het noodig
+is halt te houden voor de behoeften dezer »zuigelingen" en ook niet
+welk soort van kampementen ze noodig hebben. Het zijn dus zedelijk
+de wijfjes, die de »slagtanden" in het huisgezin dragen en de groote
+verhuizingen besturen.
+
+Om nu de vraag te beantwoorden waarom die geheele troep nu zoo opbrak,
+of de behoefte uitgeputte weilanden te verlaten, de noodzakelijkheid
+den steek van zekere noodlottige vliegen te ontvluchten, of misschien
+de lust onze vreemde equipage te volgen, ze door de bergengten der
+Vindhyas dreef, zou moeielijk geweest zijn te beantwoorden. Het land
+was tamelijk vlak en volgens hunne gewoonten reisden deze olifanten,
+zoodra zij zich niet meer in boschachtige streken bevinden, op
+klaarlichten dag. Zouden zij ophouden bij het aanbreken van den nacht,
+zooals wij zelven verplicht waren het te doen? De tijd zou het leeren.
+
+»Kapitein Hod," vroeg ik onzen vriend, »je ziet die achterhoede van
+olifanten, die steeds in aantal toeneemt! Blijf je er bij, geen vrees
+te hebben?....."
+
+»Kom!" riep kapitein Hod. »Waarom zouden die beesten ons kwaad
+willen? 't Zijn geen tijgers, niet waar, Fox?"
+
+»En niet eens panters!" antwoordde de oppasser, die het natuurlijk
+eens met zijn meester was.
+
+Doch bij dit antwoord zag ik Kâlagani het hoofd schudden ten teeken
+van afkeuring. Hij scheen de volkomen gerustheid der beide jagers
+niet te deelen.
+
+»Je schijnt niet gerust te zijn, Kâlagani," zei Banks tot hem, die
+hem op hetzelfde oogenblik aankeek.
+
+»Zou de gang van den trein niet een beetje te verhaasten
+zijn?" vergenoegde de Hindoe zich te antwoorden.
+
+»Dat zal niet gemakkelijk gaan," hernam Banks. »We kunnen 't evenwel
+beproeven."
+
+En Banks begaf zich van de achterveranda naar het torentje waar
+Storr zich bevond. Bijna op hetzelfde oogenblik deed het gebriesch
+van den IJzeren Reus zich sneller hooren en verhaastte zich de gang
+van den trein.
+
+Maar al had men den gang van den trein verdubbeld, zou er toch
+geen verandering in den toestand der reizigers gekomen zijn. De
+kudde olifanten zou eenvoudig hare schreden verhaast hebben. Dit
+geschiedde ook werkelijk en de afstand tusschen haar en het Stoomhuis
+bleef dezelfde.
+
+Verscheidene uren gingen op deze wijze voorbij, zonder belangrijke
+verandering. Na het diner hernamen wij onze zitplaatsen onder de
+veranda van het tweede rijtuig.
+
+Op dit oogenblik bood de weg van achteren een rechtlijnige richting
+van minstens twee mijlen aan, en was de blik dus niet begrensd door
+plotselinge bochten.
+
+Tot onze ernstige ongerustheid zagen wij dat het aantal olifanten
+sedert een uur al weer was toegenomen! Wij konden er nu minstens een
+honderd tellen.
+
+Deze dieren liepen toen in twee- of driedubbele gelederen, al naar de
+breedte van den weg, in alle stilte, met gelijken pas, zou men zeggen,
+deze met opgerichten tromp, gene met de slagtanden in de lucht. Het
+was als het geklots der baren, die door groote grondgolven worden
+opgelicht. Niets bruischte nog op, om de gelijkenis voort te zetten,
+maar als een storm deze bewegelijke massa met woest geweld deed
+uiteenspatten, zou het gevaar waaraan we bloot stonden, vreeselijk
+zijn.
+
+Intusschen begon de nacht langzamerhand te vallen,--een nacht waaraan
+het licht van de maan en de glans der sterren zouden ontbreken, want
+een soort van nevel hulde de hoogere hemelstreken in diepe duisternis.
+
+Zooals Banks voorspeld had, zou men in zulk een donkeren nacht
+onmogelijk op deze moeielijke wegen kunnen voortgaan, men zou wel
+moeten stilhouden. De ingenieur besloot dus halt te houden, zoodra een
+verwijding der vallei of een uitholling in een minder nauwe bergengte
+de dreigende kudde zou toelaten ter zijde van den trein heen te gaan,
+en haar verhuizing naar het zuiden voort te zetten.
+
+Maar zou de kudde dit doen, en zou zij niet liever kampeeren op de
+plek waar wij zelve zouden kampeeren?
+
+Dat was de groote quaestie.
+
+Het werd trouwens merkbaar, dat de olifanten met het vallen van
+den nacht eenige vrees uitten, waarvan wij op den dag geen enkel
+verschijnsel hadden waargenomen. Een soort van machtig maar dof geloei
+ontsnapte aan hunne enorme longen. Op dit verontrustend leven volgde
+een ander geluid van bijzonderen aard.
+
+»Welk geluid is dat nu?" vroeg kolonel Munro.
+
+»Dat is het geluid, dat deze dieren voortbrengen," antwoordde Kâlagani,
+»als ze zich in tegenwoordigheid van een vijand bevinden."
+
+»En dat zijn wij, 't kan niet anders zijn dan wij, die ze als zoodanig
+beschouwen?" vroeg Banks.
+
+»Ik vrees het!" antwoordde de Hindoe.
+
+Het was alsof het in de verte donderde en het herinnerde aan het
+geluid, dat men achter de schermen van een tooneel voortbrengt door een
+stuk opgehangen ijzerblik in trilling te brengen. Terwijl de olifanten
+het uiteinde hunner tromp op den grond wreven, ontlastten zij zich van
+énorme hoeveelheden lucht, die zij door een langdurige opsnuiving in
+hunne longen geborgen hadden. Dat was de oorzaak van dien machtigen
+en diepen klank, die het hart toekneep als het gerommel van den donder.
+
+Het was toen negen uren 's avonds.
+
+Op deze plek diende een soort van kleine, bijna ronde vlakte, een
+halve mijl in omtrek, tot uitgang van den weg, die naar het Puturia
+meer geleidde, in welks nabijheid Kâlagani ons kamp meende op te
+slaan. Maar dit meer bevond zich nog op een afstand van vijftien
+kilometers, en wij moesten opgeven het voor den nacht te bereiken.
+
+Banks liet nu halt houden. De IJzeren Reus bleef staan, maar men
+spande hem niet uit. De vuren werden zelfs niet uitgedoofd en Storr
+kreeg bevel zich altijd onder drukking te houden, teneinde den trein
+op het eerste signaal te kunnen doen vertrekken. Men moest zich op
+alle mogelijkheden voorbereid houden.
+
+Kolonel Munro trok zich in zijn kamer terug. Wat Banks en kapitein
+Hod aangaat, zij wilden liever niet naar bed gaan en ik verkoos bij
+hen te blijven. Het geheele personeel was trouwens op de been. Doch
+wat vermochten wij, als het den olifanten in den zin kwam zich op
+het Stoomhuis te werpen?
+
+Gedurende het eerste uur van ons waken hield een dof geruisch om het
+kamp aan. Blijkbaar verspreidden de groote massa's zich over de kleine
+vlakte. Zouden ze haar oversteken en hun weg naar het zuiden vervolgen?
+
+»'t Blijft altijd mogelijk," zei Banks.
+
+»'t Is zelfs waarschijnlijk," voegde kapitein Hod er bij, die er
+altijd het beste van bleef denken.
+
+Tegen omstreeks elf uren, nam het geraas allengs af en tien minuten
+later, had het geheel opgehouden.
+
+De nacht was toen volkomen stil. Het minste vreemde geluid zou ons
+oor getroffen hebben. Men hoorde niets dan het doffe gerommel van
+den IJzeren Reus in het donker. Men zag niets dan den vonkenregen,
+die nu en dan uit zijn tromp ontsnapte.
+
+»Welnu," zei kapitein Hod, »had ik geen gelijk? Zij zijn vertrokken,
+die goede olifanten!"
+
+»Goede reis!" antwoordde ik.
+
+»Vertrokken!" antwoordde Banks, het hoofd schuddende. »Dat zullen we
+gauw te weten komen!"
+
+Daarna den machinist roepende, zeide hij:
+
+»Storr, de lichten."
+
+»Dadelijk, mijnheer Banks!"
+
+Twintig seconden later sprongen twee electrische bundels stralen uit
+de oogen van den IJzeren Reus, die door een zelfwerkend mechanisme
+alle punten van den horizont in vollen gloed zette.
+
+En tot hunne ontsteltenis zagen zij nu, dat de olifanten in een wijden
+kring om het Stoomhuis gelegerd waren, onbeweeglijk, als ingeslapen,
+slapende misschien. Het electrische vuur, dat hunne dichte massa's
+onduidelijk verlichtte, scheen ze met een bovennatuurlijk leven
+te bezielen. Door een eenvoudig gezichtsbedrog namen die monsters,
+welke meer rechtstreeks door de schitterende stralen getroffen werden,
+reusachtige afmetingen aan, waardig om met die van den IJzeren Reus
+te wedijveren. Verschrikt vlogen ze op, alsof ze door een vurigen
+prikkel waren gestoken geworden. Hun tromp stak naar voren uit,
+hunne slagtanden richtten zich op. Men zou gezegd hebben, dat zij den
+trein gingen bestormen. Een schor gebrom ontsnapte aan hun énormen
+muil. Spoedig zelfs deelde zich deze plotselinge woede aan allen mede
+en klonk een oorverdoovend concert ons kampement in het rond, alsof
+honderd klaroenen tegelijk een wijdklinkend appél hadden aangeheven.
+
+»Doof uit!" schreeuwde Banks.
+
+De electrische stroom werd plotseling afgebroken en het getier hield
+bijna onmiddellijk op.
+
+»Ze zijn in een kring gelegerd," zei de ingenieur, »en zullen zich
+daar morgen ochtend nog bevinden!"
+
+Uit de gelaatstrekken van kapitein Hod meende ik op te maken, dat
+zijn vertrouwen nu toch eenigszins aan het wankelen gebracht was.
+
+Hoe te handelen? Kâlagani werd geraadpleegd en deze verborg zijne
+ongerustheid niet.
+
+Kon men er aan denken het kampement in het midden van dezen donkeren
+nacht te verlaten? Dat was onmogelijk. Waartoe zou dat trouwens ook
+gediend hebben? De troep olifanten zou ons zeker gevolgd hebben en
+stellig waren de moeielijkheden grooter dan op den dag.
+
+Men kwam dus overeen, dat men eerst met het krieken van den dag op weg
+zou gaan. Men zou met de grootst mogelijke voorzichtigheid en snelheid
+vooruitgaan, maar zonder den geduchten stoet vrees aan te jagen.
+
+»En als nu die dieren ons hardnekkig blijven volgen?" vroeg ik.
+
+»Dan zullen we beproeven een plek te bereiken waar het Stoomhuis zich
+buiten hun bereik kan stellen," antwoordde Banks.
+
+»Zullen we die plek vinden, voordat we de Vindhyas verlaten
+hebben?" zei kapitein Hod.
+
+»Er is er een," antwoordde de Hindoe.
+
+»Welke?" vroeg Banks.
+
+»Het Puturiameer."
+
+»Hoe ver is dat nog?"
+
+»Nog ongeveer negen mijlen."
+
+»Maar de olifanten zwemmen," antwoordde Banks, »en misschien beter
+dan één ander viervoetig dier! Men heeft er gezien, die meer dan een
+halven dag lang op de oppervlakte van het water verbleven! Is het
+daarom niet te vreezen, dat ze ons op het Puturiameer volgen en dat
+het Stoomhuis daardoor nog meer in gevaar wordt gebracht?"
+
+»'k Zie geen ander middel om ons aan hun aanval te onttrekken!" zei
+de Hindoe.
+
+»We zullen het dan beproeven!" antwoordde de ingenieur.
+
+Het was werkelijk het eenige wat we doen konden. Misschien zouden de
+olifanten het niet durven wagen, om in deze omstandigheden te zwemmen
+en misschien ook konden we 't in snelheid van hen winnen!
+
+Men verbeidde met ongeduld den dag, die dan ook eindelijk aanbrak. Men
+had niet de minste vijandige beweging gedurende het overige van den
+nacht bespeurd; maar bij het opgaan der zon was geen enkele olifant
+van plaats veranderd en het Stoomhuis van alle kanten ingesloten.
+
+Er had toen een algemeene opschudding op de plek van het
+kamp plaats. Het was alsof de olifanten aan een wachtwoord
+gehoorzaamden. Zij schudden hun snuit, wreven hunne slagtanden tegen
+den grond, maakten hun toilet, door zich met water te besproeien,
+haastten zich nog hier en daar eenige mondvollen gras tot zich te
+nemen, waarmede de bodem dik bezet was en begaven zich eindelijk
+dichter bij het Stoomhuis, zoo dicht zelfs, dat men ze uit de vensters
+met pieken zou hebben kunnen verwonden.
+
+Banks beval ons evenwel ten sterkste aan, ze niet te tergen. Het
+kwam er vooral op aan geen voorwendsel tot een plotselingen aanval
+van hunne zijde te geven.
+
+Intusschen begonnen enkele olifanten onzen IJzeren Reus al meer en
+meer op de hielen te zitten. Blijkbaar wilden zij te weten komen
+wat dat énorme dier was, dat zich tot nog toe onbeweeglijk gehouden
+had. Beschouwden zij het als een hunner stamgenooten? Vermoedden
+zij, dat er een verwonderlijke macht in hem school? Den vorigen dag
+hadden zij geen gelegenheid gehad hem aan 't werk te zien, omdat
+hunne eerste rangen zich altijd op een zekeren afstand achter den
+trein hadden gehouden.
+
+Maar wat zouden zij doen als zij hem hoorden zuchten, als zijn tromp
+wolken stoom uitwierp, als zij hem zijne dikke gelede pooten zagen
+oplichten en weder neerzetten, voortloopen en de twee rollende wagens
+achter zich aan sleepen?
+
+Kolonel Munro, kapitein Hod, Kâlagani en ik hadden voor op den trein
+plaatsgenomen. Sergeant Mac Neil en zijne metgezellen bleven achter.
+
+Kâlouth stond voor den vuurhaard van zijn stoomketel, dien hij
+met brandstof bleef voorzien, niettegenstaande de stoom reeds vijf
+atmosfeeren drukking bereikt had.
+
+Banks, in het torentje bij Storr, hield de hand aan den regulateur.
+
+Het oogenblik van vertrek was daar. Op een wenk van Banks, liet de
+machinist de stoomfluit haar doordringend schel geluid hooren.
+
+De olifanten spitsten het oor; daarna, een weinig achteruitgaande,
+lieten zij den weg eenige passen ver open.
+
+De stoom werd in de cilinders gelaten, en met geweld baande hij zich
+door den tromp een weg naar buiten, de wielen der machine brachten de
+pooten van den IJzeren Reus en daardoor den geheelen trein in beweging.
+
+Men zal mij wel willen gelooven als ik verzeker, dat er zich in het
+eerst een levendige verbazing openbaarde bij de dieren, die elkander
+in de eerste rangen verdrongen. De doorgang tusschen hen in verwijdde
+zich en de weg scheen nu vrij genoeg om het Stoomhuis een snelheid
+te doen aannemen, die gelijk kon gesteld worden met die van een paard
+in den draf.
+
+Maar onmiddellijk zette zich ook de geheele »proboscideaansche
+massa,"--een uitdrukking van kapitein Hod,--zoowel voor als achter,
+in beweging. De eerste groepen stelden zich aan het hoofd van den
+stoet, de laatste volgden den trein. Allen schenen vastbesloten hen
+niet te verlaten.
+
+Terzelfder tijd werden wij aan de zijde van den weg, die hier breeder
+was, door andere olifanten vergezeld, als ruiters aan de portieren van
+een staatsiekoets. Mannetjes en wijfjes, alles liep door elkander. Er
+waren er van allerlei grootte, van allerlei leeftijd, jongelingen
+van vijfentwintig jaren, volwassenen van zestig, oude dikhuiden van
+meer dan honderd jaren, zuigelingen bij hunne moeders, die met de
+lippen aan hunne borsten en niet met hun tromp--zooals men het wel
+eens geloofd heeft,--onder het loopen, zogen. De geheele troep hield
+hierbij een zekere orde in acht, haastte zich niet meer dan noodig
+was en regelde zijne schreden naar die van den IJzeren Reus.
+
+»'k Heb er vrede mee, dat ze op ons die wijze tot aan het meer
+vergezellen," zei kolonel Munro.
+
+»Ja," antwoordde Kâlagani, »maar hoe zal 't gaan als de weg weder
+smaller wordt?"
+
+Daarin was het gevaar gelegen.
+
+Niets bijzonders had er plaats in de drie uren, die besteed werden om
+twaalf kilometers af te leggen van de vijftien, die de afstand bedroeg
+van het kamp naar het Puturiameer. Twee of drie keeren slechts,
+hadden zich eenige olifanten dwars op den weg gesteld, alsof het
+hun plan was geweest hem te versperren, maar de IJzeren Reus liep
+met zijn slagtanden in horizontale richting vooruit op hen toe,
+spuwde hun zijn stoom in het gezicht en dwong hen te wijken om hem
+den doorgang vrij te laten.
+
+Ten tien ure 's morgens bleven nog vier à vijf kilometers over om
+het meer te bereiken. Daar,--men hoopte het althans,--zouden wij
+betrekkelijk in veiligheid zijn.
+
+Het spreekt van zelf, dat, indien de houding van de énorme kudde niet
+vijandiger werd vóór onze komst aan het meer, Banks dit westelijk liet
+liggen, zonder er zich op te houden, teneinde den volgenden morgen uit
+de streek der Vindhyas te komen. Van daar naar het station Jubbulpore
+zou het dan nog slechts een quaestie van eenige uren zijn.
+
+Ik voeg hier nog bij, dat het land niet alleen zeer woest,
+maar volkomen verlaten was. Geen enkel dorp, geen enkele
+landhoeve,--tengevolge van het gebrek aan weiden,--geen enkele
+karavaan, zelfs geen reiziger. Sedert onze komst in dit bergachtige
+gedeelte van Bundelkund, hadden wij geen levende ziel ontmoet.
+
+Tegen elf uren begon de vallei, door het Stoomhuis gevolgd, tusschen
+twee machtige zijgebergten der keten, zich te vernauwen en zooals
+Kâlagani gezegd had zou de weg zeer smal worden tot de plaats waar
+hij op het meer uitliep.
+
+Onze toestand, die reeds zeer verontrustend was, zou zich dus nog
+verergeren.
+
+Inderdaad zou, indien de rijen olifanten zich voor en achter den trein
+eenvoudig verlengden, de moeielijkheid niet toegenomen zijn. Maar
+de dieren die aan de zijden liepen, konden er niet blijven, want
+zij zouden tegen de rotsachtige wanden van den weg verpletterd zijn
+geworden, of in den afgrond, die hem op vele plaatsen begrensde,
+gestort zijn. Uit instinct beproefden zij dus zich òf voor- òf
+achteraan te plaatsen. Het gevolg was, dat het al spoedig niet meer
+mogelijk was noch achteruit, noch vooruit te gaan.
+
+»Nu wordt de zaak ingewikkeld," zei kolonel Munro.
+
+»Ja," antwoordde Banks, »en nu zijn we in de noodzakelijkheid die
+massa overhoop te werpen."
+
+»Welnu, 't zij zoo!" riep kapitein Hod uit. »Wat duivel! De stalen
+slagtanden van onzen reus zijn opgewassen tegen de ivoren slagtanden
+van die malle beesten!"
+
+Dus waren nu die proboscideaansche dieren al niet meer dan »malle
+beesten" voor den levendigen en veranderlijken kapitein!
+
+»Ongetwijfeld," antwoordde sergeant Mac Neil, »maar we zijn een
+tegen honderd!"
+
+»Vooruit, in allen gevalle!" riep Banks uit, »anders gaat de gansche
+kudde over ons heen!"
+
+Eenige stoomslagen deelden den IJzeren Reus een snellere beweging
+mede. Zijne slagtanden bereikten het achterdeel van een der olifanten,
+die zich vóór hem bevonden.
+
+Het dier slaakte een kreet van pijn, die beantwoord werd door het
+woeste geschreeuw van den ganschen troep. Nu zou het dan toch eindelijk
+tot een worsteling komen, waarvan men den uitslag niet voorzien kon.
+
+Wij hadden onze wapenen ter hand genomen, de geweren met puntkogels
+geladen, de karabijnen met ontplofbare kogels, de revolvers voorzien
+van hunne patronen. Wij moesten ons op alles gereed houden.
+
+De eerste aanval kwam van een reusachtig mannetje, van een woest
+voorkomen, die met de slagtanden vooruit, de achterpooten stevig op
+den grond geschoord, zich tegen den IJzeren Reus keerde.
+
+»Een »gunesh"," riep Kâlagani uit.
+
+»Kom! hij heeft maar één slagtand!" merkte kapitein Hod aan, die ten
+teeken van minachting de schouders ophaalde.
+
+»Hij is er slechts te vreeselijker om!" antwoordde de Hindoe.
+
+Kâlagani had dezen olifant met den naam bestempeld, dien de jagers hem
+geven om de mannetjes met één slagtand aan te duiden. Het zijn dieren,
+die bijzonder door de Hindoes geëerd worden, vooral als de rechter
+slagtand hun ontbreekt. Zoodanig een nu was deze, en werkelijk was
+hij, zooals Kâlagani terecht gezegd had, zeer geducht, zooals allen
+zijner soort.
+
+Men zag het dadelijk. Deze gunesh stootte een langen trompettoon uit,
+boog zijn tromp terug, waarvan de olifanten zich nooit bedienen om
+te vechten, en stortte zich op den IJzeren Reus.
+
+Zijn slagtand trof het plaatijzer van de borst en doorboorde het
+geheel; maar toen hij tegen het dikke bekleedsel van den inwendigen
+haard aanstootte, brak hij door den schok glad af.
+
+De geheele trein schudde, maar de eenmaal medegedeelde beweging dreef
+hem vooruit en duwde den gunesh terug, die, hem het hoofd biedende,
+te vergeefs beproefde weerstand te bieden.
+
+Maar zijn oorlogskreet was gehoord en begrepen. De geheele voorste
+massa der kudde bleef staan en bood een onoverkomelijken hinderpaal
+van levend vleesch. Op hetzelfde oogenblik drongen de groepen van
+achteren, hun marsch voortzettende, met geweld tegen de veranda
+aan. Hoe een dergelijke verpletterende kracht te weerstaan!
+
+Terzelfder tijd klemden zich eenigen van hen, die ter zijde liepen,
+met opgerichte trompen, aan de rijtuigen vast, die zij met geweld
+heen en weer schudden.
+
+Men moest niet ophouden, of het was met den trein gedaan, doch men
+moest zich verdedigen. Er viel nu niet meer te aarzelen. Geweren en
+karabijnen werden op de aanvallers aangelegd.
+
+»Laat geen enkel schot verloren gaan!" riep kapitein Hod. »Mijne
+vrienden, mikt op het punt waar de tromp begint, of op de holte onder
+het oog. Dat is 't best!"
+
+De raad van kapitein Hod werd gevolgd. Er vielen verscheidene
+geweerschoten, die door kreten van smart gevolgd werden.
+
+Drie of vier olifanten, op de goede plek geraakt, waren gevallen,
+zoowel achter als terzijde,--een gelukkige omstandigheid, omdat hunne
+lijken nu den weg niet versperden. De eerste groepen waren een weinig
+achteruit gegaan en de trein kon zijn weg vervolgen.
+
+»Laadt weder en wacht af!" riep kapitein Hod.
+
+Indien wat hij kommandeerde »af te wachten" de aanval was der geheele
+kudde, dan werd hun geduld niet op de proef gesteld. Hij kwam en met
+zulk een geweld, dat we ons verloren waanden.
+
+Een concert van woedende en schorre kreten barstte eensklaps los. Men
+zou gezegd hebben, dat het de olifanten waren, die de Hindoes door
+een bijzondere behandeling ten strijde africhten en tot een onkenbare
+woede, »musth" genaamd, weten op te hitsen. Niets vreeselijkers en
+de stoutmoedigste olifantendooders, die in Guicowar worden afgericht
+om tegen deze geduchte dieren te strijden, zouden voor de aanvallers
+van het Stoomhuis stellig teruggedeinsd zijn.
+
+»Vooruit!" schreeuwde Banks.
+
+»Vuur!" schreeuwde Hod.
+
+En met het snellere zuchten der machine paarden zich de losbarstingen
+der vuurwapenen. Nu werd het in deze verwarde massa moeilijk juist
+te mikken, zooals de kapitein had aanbevolen. Iedere kogel vond wel
+een stuk vleesch te doorboren, maar hij trof niet doodelijk. Ook nam
+de woede der gekwetste olifanten nog toe en zij beantwoordden onze
+geweerschoten met nieuwe slagen hunner slagtanden, die de wanden van
+het Stoomhuis aan flarden scheurden.
+
+Intusschen voegde zich bij de losbarstingen der karabijnen, die van
+voren en achter aan den trein werden afgeschoten, bij de ontploffing
+der springkogels in het lichaam der dieren, het gefluit van den
+stoom, vreeselijk verhit door de kunstmatige trekking. Steeds klom
+de drukking. De IJzeren Reus stormde op den hoop toe en dreef hem
+uit een. Terzelfder tijd deed zijn beweeglijke tromp dienst als
+een geduchte knods en sloeg op de vleeschmassa los, die door zijn
+slagtanden verscheurd werd.
+
+En op die wijze ging men op den smallen weg vooruit. Een enkele maal
+draaiden de wielen rond zonder vooruit te gaan, maar weldra sloegen
+zij met hunne gegroefde vellingen weder in den weg en kwamen wij in
+de richting van het meer vooruit.
+
+»Hoera!" schreeuwde dan kapitein Hod, als een soldaat, die zich in
+het dichtst van den strijd stortte.
+
+»Hoera! hoera!" herhaalden we na hem.
+
+Maar nu daalt een tromp op de voorveranda neder en ik zie het oogenblik
+aankomen, dat kolonel Munro, door den levenden lasso opgenomen, onder
+de pooten der olifanten geworpen wordt. En werkelijk zou dit gebeurd
+zijn, zonder de tusschenkomst van Kâlagani, die met een krachtigen
+bijlslag den tromp doorhakte.
+
+Terwijl dus de Hindoe, met ijver aan de algemeene verdediging deelnam,
+verloor hij Sir Edward Munro niet uit het oog. Bij de toewijding aan
+den persoon van den kolonel, die zich nooit verloochend had, scheen hij
+te begrijpen, dat hij het was, dien men boven allen moest beschermen.
+
+Nu eerst bleek het welk een macht onze IJzeren Reus in zijn schoot
+verborgen hield! Met welk een zekerheid hij zich een weg in de
+levende massa maakte als een wig waarvan het doordringingsvermogen
+om zoo te zeggen oneindig is! En daar tegelijkertijd de olifanten
+der achterhoede ons met den kop vooruitduwden, ging de trein zonder
+ophouden, zooal niet zonder schokken vooruit, en wel sneller dan wij
+het hadden kunnen hopen.
+
+Eensklaps deed zich te midden van het ontzettende rumoer een nieuw
+geraas hooren.
+
+Het was het tweede rijtuig, dat een groep olifanten tegen de rotsen
+van den weg verbrijzelde.
+
+»Springt over! springt over!" riep Banks onzen makkers toe, die het
+Stoomhuis van achteren verdedigden.
+
+En gelukkig waren Goûmi en sergeant Fox in allerijl van het tweede
+rijtuig in het eerste overgegaan.
+
+»En Parazard?" zei kapitein Hod.
+
+»Hij wil zijn keuken niet verlaten," antwoordde Fox.
+
+»Ontvoert hem! ontvoert hem!"
+
+Onze kok dacht zeker dat het schande voor hem was den post te verlaten,
+die hem was toevertrouwd. Maar weerstand te bieden aan de krachtige
+armen van Goûmi, als deze armen zich aan het werk zetten, zou even
+vruchteloos geweest zijn als zich te willen ontwringen aan de kaken
+van een kaaiman. »Mijnheer" Parazard werd dus eenvoudig in de eetzaal
+nedergezet.
+
+»Allen present?" schreeuwde Banks.
+
+»Ja, mijnheer," antwoordde Goûmi.
+
+»Snijdt de verbindingsstrengen door!"
+
+»Wat! de helft van den trein achterlaten!...." riep kapitein Hod uit.
+
+»Het moet!" antwoordde Banks.
+
+Nadat de verbinding verbroken, het brugje met bijlslagen vernield was,
+bleef ons tweede rijtuig achter.
+
+Het was tijd. Dit rijtuig werd heen en weer geslingerd, opgelicht,
+toen op zijde geworpen, waarna de olifanten er zich met hunne gansche
+zwaarte op wierpen en het eindelijk totaal verbrijzelden. Het was niets
+meer dan een vormlooze massa, die nu den weg van achteren versperde.
+
+»Wat blieft je!" zei kapitein Hod, op een toon waarom we gelachen
+zouden hebben als de toestand anders geweest ware, »en nu zeggen
+ze nog, dat die dieren zelfs geen lievenheersbeestje kwaad zouden
+gedaan hebben!"
+
+Indien die olifanten, woest geworden, het eerste rijtuig behandelden,
+zooals zij het tweede behandeld hadden, dan hadden we ons geen illusie
+te maken over het lot, dat ons wachtte.
+
+»Stook op, Kâlouth!" schreeuwde de ingenieur.
+
+Nog een halven kilometer, een laatste krachtsinspanning en het
+Puturiameer was misschien bereikt!
+
+En die laatste krachtsinspanning, die men van den IJzeren Reus
+verwachtte, werd door het machtige dier door de hand van Storr
+verricht, die den regulateur geheel opende. Hij baande zich een
+weg door dat bolwerk van olifanten, waarvan de achtergestellen zich
+boven de massa afteekenden als die der paarden op de schilderijen van
+Salvator Rosa. Daarenboven vergenoegde hij zich niet hen met zijne
+slagtanden toe te takelen, hij overstelpte ze met stralen brandenden
+stoom, zooals hij de pelgrims van Phalgou gedaan had, hij zweepte ze
+met stroomen kokend water!... In een woord, hij was prachtig!
+
+Eindelijk vertoonde zich het meer bij de laatste kromming van den weg.
+
+Als onze trein het nu nog tien minuten kon uithouden, zou hij er
+betrekkelijk in zekerheid zijn.
+
+De olifanten merkten dit zeker,--'t geen een bewijs was hunner
+schranderheid, waarvoor kapitein Hod partij had getrokken. Een laatste
+maal trachtten zij ons rijtuig omver te werpen.
+
+Maar opnieuw donderden de vuurwapenen. Als hagel sloegen de kogels
+op de eerste groepen neder. Nauwlijks versperden nog vijf of zes
+olifanten den doorgang. De meesten vielen en de raderen knersten op
+den met bloed gedrenkten grond.
+
+Op honderd schreden van het meer verwijderd, moest men de dieren,
+die een laatsten hinderpaal in den weg stelden, met geweld wegduwen.
+
+»Stoom! stoom!" riep Banks den machinist toe.
+
+De IJzeren Reus snorde alsof hij een werkplaats mechanische
+garenwinders in zijn schoot verborgen droeg. De stoom spoot uit de
+veiligheidskleppen onder een drukking van acht atmosfeeren. Ze te
+belasten, met hoe weinig ook, zou den ketel, wiens wanden trilden,
+hebben doen springen. Het was gelukkig onnoodig. De kracht van den
+IJzeren Reus was nu onweerstaanbaar. Wat van den trein overbleef,
+sleepte hem na en verbrijzelde de ledematen der op den grond geworpen
+olifanten, op gevaar af zelf omver te vallen. Indien een dergelijk
+ongeluk gebeurd was, ware het met al de gasten van het Stoomhuis
+gedaan geweest.
+
+Het ongeluk gebeurde evenwel niet, de oever van het meer werd eindelijk
+bereikt en de trein dreef weldra op de stille wateren.
+
+»God zij geloofd!" zei kolonel Munro.
+
+Twee of drie olifanten, verblind van woede, stortten zich mede in het
+meer en beproefden hen, die zij op vasten grond niet hadden kunnen
+vernietigen, te vervolgen.
+
+Maar de pooten van den Reus volbrachten hunne taak. De trein
+verwijderde zich langzamerhand van den oever en eenige laatste, goed
+gerichte kogels verlosten ons van de woedende dieren op het oogenblik
+dat hunne trompen op de achterveranda zouden neder komen.
+
+»Wel, kapitein," riep Banks uit, »wat zeg je nu van de zachtaardigheid
+der Indische olifanten?"
+
+»Nu, 't zou wat!" zei kapitein Hod, »met verscheurende dieren zou
+'t toch nog heel wat anders geweest zijn! Stel eens een dertigtal
+tijgers maar, in de plaats van die honderd dikhuiden en 'k mag mijn
+aanstelling verliezen, als er op dit oogenblik nog een van ons over
+was om het avontuur te vertellen!"
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+HET PUTURIAMEER.
+
+
+Het meer Puturia, waarop het Stoomhuis voorloopig een schuilplaats
+gevonden had, is ongeveer veertig kilometers gelegen ten oosten van
+Dumoh. Deze stad, hoofdplaats van de Engelsche provincie waaraan zij
+haar naam gegeven heeft, neemt in bloei toe en beheerscht met haar
+twaalf duizend inwoners, nog versterkt door een klein garnizoen, dit
+gevaarlijk gedeelte van Bundelkund. Maar buiten hare muren, vooral
+naar het oostelijk gedeelte van het land, toe, in de meest onbebouwde
+streek der Vindhyas, waarvan het meer het middelpunt inneemt, doet
+haar invloed zich slechts moeielijk gevoelen.
+
+Wat kon ons nu ook erger overkomen dan deze ontmoeting met olifanten,
+waaruit we ons heelhuids hadden gered?
+
+Toch was onze toestand ver van geruststellend, daar het grootste
+gedeelte van ons materieel verloren was gegaan. Een der rijtuigen,
+die den trein van het Stoomhuis uitmaakten, was vernietigd. Er was
+geen middel het te »kalefateren," om een zeeterm te gebruiken. Omver
+gevallen, tegen de rotsen verbrijzeld, moest er van zijn karkas,
+waarover de gansche massa olifanten had moeten heen gaan, niets dan
+vormlooze overblijfselen zijn overgebleven.
+
+Ongelukkig bevatte dit rijtuig, behalve dat het diende om het personeel
+der expeditie te herbergen, niet alleen de keuken en de voorraadkamer,
+maar ook de bergplaats van het voedsel en de ammunitie. Van deze
+laatste bleef ons niets meer over dan een dozijn patronen, maar het
+was niet waarschijnlijk, dat we van onze vuurwapenen gebruik behoefden
+te maken, vóór onze aankomst te Jubbulpore.
+
+Wat het voedsel betreft was het een andere vraag, die niet zoo
+gemakkelijk was op te lossen.
+
+Inderdaad was er niets meer over dan de eetwaren der
+provisiekamer. Aannemende, dat wij den avond van den volgenden dag
+het nog zeventig mijlen verwijderde station konden bereiken, zouden
+wij ons vier en twintig uren van eten moeten onthouden.
+
+Welnu, men zou zich ook dit getroosten!
+
+Hij, die in deze omstandigheid het meest hiervan wist, was natuurlijk
+»mijnheer" Parazard. Het verlies van zijn provisiekamer, de verwoesting
+van zijn laboratorium, de verspreiding van al zijn voorraad, hadden
+hem tot in de ziel getroffen. Hij verborg zijn wanhoop niet en was
+slechts bezorgd over den persoonlijken toestand, waarin hij zich
+gebracht zag, terwijl hij de gevaren vergat, waaraan wij bijna
+wonderdadig ontsnapt waren.
+
+Op het oogenblik dus dat wij, in het salon vereenigd, zouden gaan
+overwegen wat ons in deze omstandigheden te doen stond, verscheen de
+altijd deftige »mijnheer" Parazard op den drempel en verzocht »een
+mededeeling van het uiterste belang te doen."
+
+»Spreek, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro hem, hem
+uitnoodigende binnen te treden.
+
+»Mijne heeren," zei onze zwarte chef ernstig, »het is u bekend
+dat het geheele materieel, door de tweede woning van het Stoomhuis
+medegevoerd, door deze ramp vernietigd is geworden! In het geval
+zelfs dat er eenige levensmiddelen voor ons overgebleven waren, zou
+ik uit gebrek aan een keuken, zeer in de verlegenheid geweest zijn,
+u een maaltijd te bereiden, hoe eenvoudig ook.
+
+»We weten het, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro. »Dat
+is zeker te betreuren, maar we zullen doen zooals we kunnen, en we
+zullen vasten als er gevast moet worden."
+
+»Het is inderdaad dáárom nog te meer te bejammeren, mijneheeren,"
+hernam onze chef, »omdat op het gezicht van die groepen olifanten,
+die ons aantastten en waarvan er meer dan een onder uw moordend lood
+gevallen is...."
+
+»Prachtig uitgedrukt, mijnheer Parazard!" zei kapitein Hod. »Met
+eenige lessen, zoudt u je al gauw even sierlijk kunnen uitdrukken,
+als onze vriend Matthias van Guitt."
+
+»Mijnheer" Parazard boog bij dit kompliment, dat hij zeer ernstig
+opnam, en ging na een zucht, op deze wijze verder:
+
+»'k Zei dus, mijneheeren, dat mij een gelegenheid was aangeboden,
+eenig in haar soort, om mij te onderscheiden. Het vleesch van den
+olifant, is, wat men er zich ook van moge voorstellen, niet goed
+in al zijn deelen, waarvan eenige ontegenzeglijk hard en taai zijn;
+maar het schijnt dat de Schepper van alle dingen, in die vleeschmassa
+twee stukken heeft willen uitkiezen, van bijzondere hoedanigheid,
+waardig te verschijnen op de tafel van den onderkoning van Indië. Ik
+meen de tong van het dier, die buitengewoon smakelijk is, indien ze
+wordt toebereid volgens een recept, dat niemand anders dan ik kan
+klaarmaken en verder de pooten van den pachydermus...."
+
+»Pachydermus?... wel, zeer goed, ofschoon proboscideër sierlijker is,"
+zei kapitein Hod, zijne goedkeuring met een gebaar te kennen gevende.
+
+»....De pooten," hernam »mijnheer" Parazard, »waarmede men een
+der beste schotels maakt in de edele kookkunst, waarvan ik de
+vertegenwoordiger ben in het Stoomhuis."
+
+»U doet ons watertanden, mijnheer Parazard," antwoordde
+Banks. »Ongelukkig aan den eenen kant, gelukkig aan den anderen,
+hebben de olifanten ons niet op het meer gevolgd, en ik vrees maar
+al te zeer, dat we, althans voor eenigen tijd, die fijne schotels
+zullen moeten missen."
+
+»Zou 't niet mogelijk zijn," hernam de chef, even naar den oever
+terug te keeren, om ons te proviandeeren!"
+
+»Dat is niet mogelijk, mijnheer Parazard. Hoe volmaakt uwe schotels
+ook zouden geweest zijn, zoo iets mogen we niet wagen."
+
+»Welnu, mijneheeren," hernam onze chef, »ontvangt dan de uitdrukking
+van mijn innigen spijt, dien ik gevoel over dit betreurenswaardige
+avontuur."
+
+»We nemen gaarne uwe gevoelens van spijt aan, mijnheer Parazard,"
+hernam kolonel Munro, »en zeggen er u dank voor. Wat het diner en
+het déjeuner betreft, maak er u niet bezorgd over voor onze aankomst
+te Jubbulpore."
+
+»Er blijft me dus niet anders over dan me te verwijderen," zei
+»mijnheer" Parazard, zich buigende, zonder iets van zijn gewonen
+ernst te verliezen.
+
+Wij zouden gaarne over de houding van onzen chef gelachen hebben,
+indien wij geen andere zorgen gehad hadden.
+
+Er deed zich namelijk een omstandigheid op, die onzen toestand
+nog hachelijker maakte. Banks meldde ons, dat niet het gebrek aan
+levensmiddelen, noch aan ammunitie op dit oogenblik het meest te
+betreuren was, maar het gebrek aan brandstof. En werkelijk was hier
+niets vreemds in gelegen, want het was sedert acht en veertig uren
+niet mogelijk geweest het voor de voeding der machine noodige hout
+te vernieuwen. De geheele voorraad was bij onze aankomst aan het
+meer uitgeput. Een uur later zou het onmogelijk geweest zijn het te
+bereiken, en het eerste rijtuig van het Stoomhuis zou hetzelfde lot
+gedeeld hebben van het tweede.
+
+»En nu," voegde Banks er bij, »hebben we niets meer te verbranden,
+de drukking vermindert, ze is reeds tot twee atmosfeeren gedaald,
+en er is geen middel haar te verhoogen!"
+
+»Is dan werkelijk de toestand zoo ernstig als u schijnt te meenen,
+Banks?" vroeg kolonel Munro.
+
+»We zouden wel naar den oever kunnen terugkeeren, waarvan we niet ver
+meer af zijn," antwoordde Banks. »Binnen een kwartier zouden we er
+zijn, maar 't zou toch al te onvoorzichtig zijn naar de plek terug te
+keeren, waar de kudde olifanten ongetwijfeld nog vereenigd is. Neen,
+we moeten in tegendeel het meer oversteken en aan den zuidelijken
+oever een punt opzoeken waar we kunnen ontschepen."
+
+»Hoe groot is de breedte van het meer op deze plaats?" vroeg kolonel
+Munro.
+
+»Kâlagani schat dezen afstand op zeven of acht mijlen ongeveer. In
+de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, zouden we verscheidene
+uren noodig hebben dezen afstand af te leggen, maar 'k zeg nog eens,
+voordat er veertig minuten verloopen zijn, is de machine niet meer
+in staat te werken."
+
+»Welnu," antwoordde Sir Edward Munro, »laten we gerust den nacht op
+het meer doorbrengen, we zijn er in zekerheid, dan kunnen we morgen
+raad schaffen."
+
+Er was op dit oogenblik niets beters te doen en we hadden overigens
+zeer rust noodig. Op de laatste rustplaats, omringd door dien kring
+van olifanten, had niemand in het Stoomhuis kunnen slapen en was dus
+de nacht wakende doorgebracht.
+
+En zou ook dezen nacht de lang gewenschte rust genoten worden?
+
+Tegen zeven uren begon een lichte mist zich over het meer te
+verspreiden. Men herinnert zich, dat den voorgaanden nacht reeds
+dikke nevelen de hoogere streken der lucht bezochten. Hier nu
+was een wijziging voorgevallen tengevolge van het verschil van
+plaats. Mochten op de plaats waar de olifanten kampeerden deze dampen
+op eenige honderden voeten boven den grond zijn blijven hangen, dit
+was niet het geval op de oppervlakte van het Puturiameer, dank zij de
+uitwaseming van het water. Na een vrij warmen dag, was er vermenging
+van de hooge en lage luchtlagen en weldra was het geheele meer in een
+mist verdwenen, niet dik in het begin, maar die toch elk oogenblik
+dikker werd.
+
+Dit was dus, zooals Banks gezegd had, een van die omstandigheden
+waarvan rekening moest gehouden worden.
+
+Zooals hij mede had aangekondigd, deden tegen half acht uur, de
+laatste zuchten van den IJzeren Reus zich hooren, de zuigerslagen
+werden minder snel, de gelede pooten hielden op het water te slaan,
+de drukking daalde beneden een atmosfeer. Geen brandstof meer en geen
+middel het zich te verschaffen.
+
+De IJzeren Reus en het eenige rijtuig, dat hij nog op sleeptouw had,
+dreven vreedzaam op de wateren van het meer, doch verplaatsten zich
+niet meer.
+
+In deze omstandigheden zou het te midden van den nevel moeielijk
+geweest zijn onze positie nauwkeurig te bepalen. Gedurende den
+korten tijd dat de machine gewerkt had, had de trein zich naar den
+zuidoostelijken oever van het meer gericht, teneinde er een punt van
+ontscheping op te zoeken. Daar nu het meer de gedaante van een vrij
+verlengd ovaal heeft, was het mogelijk, dat het Stoomhuis niet ver
+van den een of anderen oever verwijderd was.
+
+Het spreekt van zelf, dat het geschreeuw der olifanten, dat ons
+omstreeks gedurende een uur vervolgd had, zich nu niet meer deed
+hooren.
+
+Wij spraken dus over de verschillende mogelijkheden, die deze nieuwe
+toestand ons konde brengen. Banks liet Kâlagani roepen, dien hij
+wilde raadplegen.
+
+De Hindoe verscheen dadelijk en werd verzocht zijne meening te zeggen.
+
+Wij waren toen bijeen in de eetzaal, die, het licht van boven
+krijgende, geen zijdelingsche vensters had. Op deze wijze kon het licht
+der lampen niet naar buiten uitstralen. Dit was een nuttige voorzorg,
+want het was beter, dat de positie van het Stoomhuis onbekend bleef
+voor de zwervers, die misschien de oevers van het meer bezochten.
+
+Het scheen mij toe dat Kâlagani in het eerst aarzelde de vragen,
+die hem gesteld werden, te beantwoorden. Het gold de bepaling van de
+positie, die de drijvende trein dat oogenblik op de wateren van het
+Puturiameer innam, en ik moet zeggen, dat het antwoord wel eenigszins
+moeielijk was. Misschien had een zwakke bries uit het noordwesten
+haren invloed op de massa van het Stoomhuis doen gelden? Misschien
+voerde een lichte strooming ons naar de onderste punt van het meer?
+
+»Kom, Kâlagani," zei Banks, aandringende, »je bent volkomen bekend
+met de uitgestrektheid van het Puturiameer?"
+
+»Wel zeker, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »maar 't is moeielijk,
+te midden van dien dikken mist....."
+
+»Kunt ge bij benadering den afstand bepalen, waarop we ons op dit
+oogenblik van den dichtst bij zijnde oever bevinden?"
+
+»Ja," antwoordde de Hindoe, na eenigen tijd nagedacht te hebben. »Die
+afstand moet niet verder zijn dan een en een halve mijl."
+
+»Oostelijk?" vroeg Banks.
+
+»Oostelijk."
+
+»Zoo we dus aan dezen oever aanlandden, zouden we dichter bij
+Jubbulpore dan bij Dumoh zijn?"
+
+»Voorzeker."
+
+»We zouden ons dus te Jubbulpore moeten proviandeeren," zei
+Banks. »Doch, wie weet wanneer en hoe we den oever zullen kunnen
+bereiken! Dat kan een, twee dagen duren en onze voorraad is uitgeput!"
+
+»Maar," zei Kâlagani, »zou men niet kunnen beproeven nog dezen zelfden
+nacht aan wal te komen?"
+
+»En hoe?"
+
+»Door zwemmende den oever te bereiken."
+
+»Anderhalve mijl, te midden van dien dikken mist!" antwoordde
+Banks. »Dat zou te gewaagd zijn...."
+
+»Dat is geen reden om het niet te probeeren," antwoordde de Hindoe.
+
+Ik weet niet waarom, maar het kwam me op nieuw voor, dat de stem van
+Kâlagani niet zoo rond was als gewoonlijk.
+
+»Zoudt ge willen beproeven het meer zwemmende over te steken?" vroeg
+kolonel Munro, die den Hindoe aandachtig gadesloeg.
+
+»Ja, kolonel, en 'k heb alle reden te gelooven, dat het me zou
+gelukken."
+
+»Wel, mijn vriend," hernam Banks, »je zoudt ons een grooten dienst
+daarmede bewijzen! Eenmaal aan wal, zou 't je makkelijk vallen het
+station van Jubbulpore te bereiken en er de hulp te halen, die we
+noodig hebben."
+
+»'k Ben gereed om te vertrekken!" antwoordde Kâlagani eenvoudig.
+
+Ik wachtte totdat kolonel Munro onzen gids bedankte, die zich aanbood
+om zulk een gevaarlijke taak te ondernemen; maar, na hem met nog meer
+aandacht te hebben aangekeken, riep hij Goûmi.
+
+Goûmi verscheen dadelijk.
+
+»Goûmi," zeide Sir Edward Munro, »je kunt goed zwemmen?"
+
+»Ja, kolonel."
+
+»Zou je kans zien om dezen nacht een anderhalve mijl op het meer
+zwemmende af te leggen?"
+
+»Wel twee, kolonel."
+
+»Welnu," hernam kolonel Munro, »Kâlagani hier biedt zich aan om
+zwemmende den naasten oever bij Jubbulpore te bereiken. Nu hebben,
+zoowel op het meer als in dit gedeelte van Bundelkund, twee schrandere
+en stoutmoedige mannen, die elkander hulp kunnen verleenen, meer kans
+op slagen.--Wil je Kâlagani vergezellen?"
+
+»Dadelijk, kolonel," antwoordde Goûmi.
+
+»'k Heb niemand noodig," antwoordde Kâlagani, »maar als kolonel Munro
+er op staat, neem ik gaarne Goûmi als metgezel aan."
+
+»Gaat dan, mijne vrienden," zei Banks, »en laat je moed je niet tot
+onvoorzichtige stappen leiden!"
+
+Nadat dit was afgesproken, gaf kolonel Munro, die Goûmi ter zijde nam,
+hem eenige korte aanbevelingen. Vijf minuten later, lieten de twee
+Hindoes, met een bundel kleeren op het hoofd, zich in het water van
+het meer glijden. De mist was toen zeer dik en eenige vademen ver
+waren zij reeds buiten het gezicht.
+
+Ik vroeg toen kolonel Munro waarom hij er zoo op gesteld was geweest
+Kâlagani een metgezel mede te geven.
+
+»Mijne vrienden," antwoordde Sir Edward Munro, »de antwoorden van
+dezen Hindoe, wiens getrouwheid ik tot nog toe nooit betwijfeld had,
+kwamen me niet oprecht voor!"
+
+»'k Heb denzelfden indruk gehad," zei ik.
+
+»Wat mij betreft, ik heb niets opgemerkt..." zei de ingenieur.
+
+»Hoor eens, Banks," hernam kolonel Munro. »Toen hij zich aanbood aan
+land te gaan, had Kâlagani daar eenig doel mede."
+
+»Welk?"
+
+»'k Weet het niet, maar stellig had hij met zijn vraag om naar den
+wal te gaan, het doel niet hulp te Jubbulpore te gaan vragen!"
+
+»Wat zeg je!" riep kapitein Hod uit.
+
+Banks keek den kolonel aan, de wenkbrauwen fronsende. Vervolgens
+zei hij:
+
+»Munro, tot nog toe heeft die Hindoe zich zeer welwillend en getrouw
+betoond en meer bijzonder jegens u! Heden beweer je, dat Kâlagani
+ons verraadt! Welk bewijs heb je er voor?"
+
+»Terwijl Kâlagani sprak," antwoordde kolonel Munro, »heb ik gezien, dat
+zijn huid zwart werd, en als de menschen met koperkleurige huid zwart
+worden, liegen ze! Twintigmaal heb ik daardoor Hindoes en Bengalis
+kunnen ontmaskeren en nooit heb ik me er bedrogen in gezien. 'k Zeg
+dus nog eens dat Kâlagani, niettegenstaande de schijn vóór hem is,
+de waarheid niet gezegd heeft."
+
+Deze opmerking van Sir Edward Munro was,--'k heb er mij dikwijls van
+overtuigd,--werkelijk gegrond.
+
+Wanneer de Hindoes liegen, worden zij een weinig zwart, even als de
+blanken rood worden. Dit verschijnsel had den scherpzinnigen kolonel
+niet kunnen ontgaan en men moest zijn opmerking niet in den wind slaan.
+
+»Maar welke plannen zou die Kâlagani dan toch hebben," vroeg Banks,
+»en waarom zou hij ons verraden?"
+
+»Dat zullen we later weten..." antwoordde kolonel Munro, »te laat
+misschien!"
+
+»Te laat, kolonel!" riep kapitein Hod uit! »Wel, we verkeeren toch
+niet in gevaar, verbeeld ik me!"
+
+»In alle geval, Munro," hernam de ingenieur, »heb je goed gehandeld hem
+Goûmi mede te geven. Die toch is ons getrouw tot in den dood. Behendig,
+schrander, zal hij, zoo hij eenig gevaar vermoedt, weten...."
+
+»Zooveel te meer," antwoordde kolonel Munro, »nu hij gewaarschuwd is
+en zijn metgezel in 't oog zal houden."
+
+»Goed," zei Banks. »Nu hebben we niets anders te doen dan den dag af
+te wachten. De mist zal zeker met de zon wel optrekken en dan kunnen
+we zien, wat we doen zullen."
+
+Wachten, inderdaad! Ook deze nacht zou dus geheel slapeloos worden
+doorgebracht.
+
+De mist was wel dikker geworden, maar niets voorspelde slecht weder. En
+dat was gelukkig, want al kon onze trein drijven, hij was niet gemaakt
+om »zee te bouwen!" We moesten dus hopen, dat al die blaasjes damp
+zich bij het opgaan der zon zouden verdichten, wat voor den volgenden
+dag prachtig weer zou beloven.
+
+Terwijl ons personeel dus in de eetzaal plaatsnam, vleiden wij ons op
+de divans van het salon neder, weinig pratende, maar het oor leenende
+aan al de geruchten van buiten.
+
+Eensklaps, tegen twee uren na middernacht, verstoorde een concert
+van wilde dieren de stilte van den nacht.
+
+Daar was dus de oever, in de richting van het zuidoosten, maar hij
+moest nog vrij ver af zijn. Dit gehuil was nog zeer verzwakt door den
+afstand, en Banks schatte dezen afstand op niet minder dan een goede
+mijl. Een troep wilde beesten was zeker hun dorst komen lesschen aan
+de uiterste punt van het meer.
+
+Maar weldra ook bleek het, dat onder den invloed eener lichte bries, de
+drijvende trein langzaam en gestadig naar den oever afdreef. Werkelijk
+kwamen die kreten niet alleen duidelijk tot ons gehoor, maar men
+onderscheidde reeds het statige gebrul van den tijger van het schorre
+gehuil der panters.
+
+»Sakkerloot!" kon kapitein Hod niet nalaten te zeggen, »wat een
+prachtige gelegenheid om daar zijn vijftigsten te dooden!"
+
+»Een anderen keer, kapitein!" antwoordde Banks. »Als de dag aanbreekt,
+zal, op het oogenblik dat we aanlanden, die troep wilde dieren wel
+plaats voor ons gemaakt hebben!"
+
+»Zou er iets tegen zijn," vroeg ik, »de electrische vuren te
+ontsteken?"
+
+»Me dunkt, niet," antwoordde Banks. »Dit gedeelte van den oever
+wordt zeer waarschijnlijk slechts bezocht door dieren, die willen
+drinken. Er is dus geen reden om niet te beproeven het te verkennen."
+
+En op bevel van Banks werden twee lichtbundels in de richting van het
+zuidoosten uitgeworpen. Maar het electrische licht, niet bij machte
+den dikken nevel te doorboren, kon slechts een klein eind voor het
+Stoomhuis verlichten, zoodat de oever volkomen voor onze blikken
+verborgen bleef.
+
+Intusschen nam de hevigheid van het gehuil allengs toe, waaruit
+bleek dat de trein voortging op de oppervlakte van het meer af te
+drijven. Zeker moesten de op die plaats verzamelde dieren zeer talrijk
+zijn, en dit was ook niet te verwonderen, omdat het Puturiameer voor
+de wilde beesten van dit gedeelte van Bundelkund tot een natuurlijke
+drinkplaats diende.
+
+»Als Goûmi en Kâlagani maar niet te midden van den troep verzeild
+zijn!" zei kapitein Hod.
+
+»De tijgers vrees ik niet voor Goûmi!" antwoordde kolonel Munro.
+
+Toen eenmaal de vermoedens in het hart van den kolonel waren wakker
+geschud, was er geen houden meer aan en wat mij betreft, ik begon ze
+te deelen. En toch de goede diensten van Kâlagani sedert onze komst in
+het Himalayagebergte, zijne onbetwistbare verdiensten, zijne toewijding
+in de twee omstandigheden waarbij hij zijn leven voor Sir Edward Munro
+en kapitein Hod gewaagd had, alles getuigde in zijn voordeel. Maar,
+als eenmaal de geest zich door kwade vermoedens laat medesleepen,
+neemt de waarde der vroeger gebeurde feiten af en veranderen zij van
+voorkomen, men vergeet het verledene, men vreest de toekomst.
+
+En toch, welke drijfveer bewoog dien Hindoe om ons te verraden? Had
+hij redenen van persoonlijken haat tegen de gasten van het
+Stoomhuis? Voorzeker niet! Waarom ze dan in een hinderlaag gelokt? 't
+Was onverklaarbaar. Iedereen gaf zich dus aan zeer duistere gedachten
+over en met ongeduld wachtten wij de ontknooping van dezen toestand af.
+
+Tegen vier uren van den ochtend hielden de dieren plotseling met
+hun gehuil op en hetgeen ons allen trof, was, dat zij zich niet
+langzamerhand schenen verwijderd te hebben, het een na het ander,
+na een laatste teug een laatst gehuil doende hooren. Neen, het
+was oogenblikkelijk. Men zou gezegd hebben, dat een onvoorziene
+omstandigheid ze in hun bezigheid gestoord had en ze op de vlucht had
+gedreven. Blijkbaar zochten ze hunne holen weder op, niet als dieren,
+die ze rustig weder betreden, maar als dieren, die op de vlucht gaan.
+
+De stilte was dus zonder overgang op al dat leven gevolgd. Het was
+een feit waarvan de oorzaak ons nog niet helder was, maar dat onze
+ongerustheid nog slechts deed toenemen.
+
+Uit voorzichtigheid deed Banks de lichten uitdooven. Mochten de dieren
+op de vlucht zijn gegaan voor een bende landloopers, die Bundelkund
+en de Vindhyas bezoeken, dan moest men zorgvuldig de tegenwoordigheid
+van het Stoomhuis verborgen houden.
+
+De stilte werd nu niet eens meer gestoord door het lichte gekabbel der
+golfjes. De bries was gaan liggen. Het was onmogelijk te weten of de
+trein onder den invloed van een stroom bleef afdrijven. Maar spoedig
+zou nu de dag aanbreken, die ongetwijfeld de nevelen zou verdrijven,
+welke slechts de onderste lagen van den dampkring innamen.
+
+Ik keek op mijn horloge. Het was vijf uren en zonder den mist, zou
+de dageraad den gezichtskring reeds tot een omtrek van eenige mijlen
+verwijd hebben. De oever zou dus in het gezicht geweest zijn, maar
+de nevelsluier scheurde niet vaneen en--men moest nog geduld hebben.
+
+Kolonel Munro, Mac Neil en ik, voor in het salon, Fox, Kâlouth en
+»mijnheer" Parazard, achter in de eetzaal, Banks en Storr in het
+torentje, kapitein Hod op den rug van het reusachtige dier, bij de
+tromp, als een matroos op den uitkijk voor in een schip, we wachtten
+allen totdat een onzer de kreet deed hooren van: land!
+
+Tegen zes uren stak er een kleine bries op, nauwlijks voelbaar, maar
+ze wakkerde weldra aan. De eerste zonnestralen doorboorden den nevel
+en de horizont lag voor onze blikken open.
+
+De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Hij vormde aan het
+uiteinde van het meer een soort van scherpen inham, zeer boschrijk
+op den achtergrond. De dampen stegen langzamerhand op en lieten in
+de verte een rij bergen zien, welker toppen zich snel tegen de lucht
+afteekenden.
+
+»Land!" had kapitein Hod geroepen.
+
+De drijvende trein bevond zich toen nog slechts op twee honderd meters
+van den achtergrond der kreek van het Puturiameer en hij dreef af,
+voortgestuwd door de bries, die uit het noordwesten woei.
+
+Niets was er op dezen oever te zien, noch dier, noch menschelijk
+wezen. Hij scheen volkomen verlaten te zijn. Geen woning overigens,
+geen landhoeve onder het dichte gebladerte der eerste boomen. Men
+scheen dus zonder gevaar te kunnen landen.
+
+Met den wind van achteren ging de landing gemakkelijk op den platten,
+zandigen oever. Doch, uit gebrek aan stoom, was het niet mogelijk
+er tegen op te komen, noch ons vooruit te begeven op een weg, die,
+na de richting door het kompas aangegeven, geraadpleegd te hebben,
+de weg naar Jubbulpore moest zijn.
+
+Zonder een oogenblik te verliezen, hadden wij kapitein Hod gevolgd,
+die het eerst op den oever gesprongen was.
+
+Nu, dadelijk aan het verzamelen van brandstof! »Binnen een uur,"
+riep Banks, »zijn we onder stoom en op weg!"
+
+De oogst was gemakkelijk. Overal op den grond was hout in overvloed
+verspreid, en het was droog genoeg om onmiddellijk gebruikt te
+worden. Het was dus meer dan genoeg om er den vuurhaard mede te vullen
+en er den tender mede vol te laden.
+
+Iedereen ging aan het werk. Kâlouth alleen bleef voor zijn stoomketel,
+terwijl wij voor vier en twintig uren brandstof inzamelden. Het
+was meer dan genoeg om het station van Jubbulpore te bereiken, waar
+steenkool ons niet zou ontbreken. Wat het voedsel betreft, waaraan
+de behoefte zich deed gevoelen, welnu!--het was immers den jagers
+der expeditie niet verboden er onderweg in te voorzien. »Mijnheer"
+Parazard zou gebruik maken van het vuur van Kâlouth en we zouden zoo
+goed mogelijk onzen honger stillen.
+
+Drie uren later had de stoom de noodige drukking, de IJzeren Reus
+stelde zich in beweging, klom tegen de helling van den oever op en
+bevond zich aan den ingang van den weg.
+
+»Naar Jubbulpore!" riep Banks.
+
+Maar Storr had den tijd niet gehad den regulator half om te draaien of
+woeste kreten deden zich aan den zoom van het bosch hooren. Een bende
+van minstens honderd vijftig Hindoes stortte zich op het Stoomhuis. Het
+torentje van den IJzeren Reus, het rijtuig, van voren en van achteren,
+werden overmeesterd, voordat wij den tijd gehad hadden tot ons zelve
+te komen!
+
+Bijna onmiddellijk voerden de Hindoes ons tot op vijftig schreden van
+den trein mede en werden wij in de onmogelijkheid gesteld te vluchten!
+
+Men stelle zich onzen toorn, onze woede voor bij het tooneel van
+verwoesting en plundering, dat nu volgde. De Hindoes bestormden met
+de bijl in de hand het Stoomhuis. Alles werd geplunderd, verwoest,
+vernietigd. Van het ameublement bleef weldra niets meer over! Toen
+voltooide het vuur het werk der verwoesting en binnen eenige minuten
+was alles wat van ons laatste rijtuig overbleef, door de vlammen
+vernield!
+
+»Die deugnieten, die schoeljes!" schreeuwde kapitein Hod, dien
+verscheidene Hindoes moeite hadden te bedwingen.
+
+Maar, zooals ons, bleven ook hem slechts nuttelooze beleedigingen
+over, welke die Hindoes niet eens schenen te begrijpen. En, om hun,
+die ons bewaakten, te ontkomen, daar was geen denken aan.
+
+De laatste vlammen waren uitgedoofd en weldra bleef er niets meer
+over dan het vormlooze geraamte van de rollende pagode, die de helft
+van het schiereiland had afgelegd!
+
+Vervolgens hadden de Hindoes zich op onzen IJzeren Reus geworpen. Ook
+hem wilden ze vernielen, maar daartoe waren zij onmachtig. Noch
+de bijl, noch het vuur vermochten iets tegen het dikke harnas van
+plaatijzer, dat het lichaam van den kunstmatigen olifant vormde,
+noch tegen de machine, die hij in zich droeg. Niettegenstaande al
+hunne pogingen, bleef hij ongedeerd, tot verrukking van kapitein Hod,
+die hoera's van pleizier en van woede te gelijk uitbracht.
+
+Op dit oogenblik kwam er een man te voorschijn. Hij moest het
+opperhoofd dezer Hindoes zijn.
+
+De geheele bende schaarde zich dadelijk om hem heen.
+
+Een andere man vergezelde hem. Alles werd duidelijk. Die man was onze
+gids, het was Kâlagani.
+
+Van Goûmi geen spoor. De getrouwe was verdwenen, de verrader
+was overgebleven. Ongetwijfeld hadden de trouw en opoffering van
+onzen braven dienaar hem het leven gekost en zouden wij hem niet
+terugzien! Kâlagani liep op kolonel Munro toe en koel, zonder de
+oogen neer te slaan, zeide hij, op hem wijzende:
+
+»Deze!"
+
+Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept, en hij verdween
+te midden der bende, die den weg naar het zuiden weder insloeg,
+zonder ons nog voor de laatste maal de hand te hebben kunnen drukken,
+noch ons een laatst vaarwel te hebben kunnen toeroepen!
+
+Kapitein Hod, Banks, de sergeant, Fox, allen, we hadden hem zoo gaarne
+aan die Hindoes willen ontrukken, maar vijftig armen hielden ons aan
+den grond gekluisterd en ééne beweging meer was voldoende om ons het
+leven te benemen.
+
+»Geen wederstand!" zeide Banks.
+
+De ingenieur had gelijk. Wij vermochten op dit oogenblik niets om
+kolonel Munro te verlossen. Beter was het dus zich in te houden met
+het oog op latere gebeurtenissen.
+
+Een kwartier later, verlieten de Hindoes ons op hunne beurt en
+volgden de sporen van de eerste bende. Hen te volgen zou een ramp
+teweeggebracht hebben, zonder eenig voordeel voor kolonel Munro op
+te leveren en toch was onze eerste opwelling hem te volgen...
+
+»Geen stap verder," zei Banks.
+
+Men gehoorzaamde hem.
+
+Het was dan ten slotte wel degelijk kolonel Munro en hem alleen dien
+deze Hindoes, door Kâlagani gewaarschuwd, op het oog hadden. Wat was
+het plan van dezen verrader? Hij handelde blijkbaar niet op eigen
+gezag. Maar wien gehoorzaamde hij dan?... Daar kwam plotseling de
+naam van Nana-Sahib bij mij op!...
+
+
+
+Hier houdt het handschrift op, door Maucler bezorgd. De jonge
+Franschman zou niets meer zien van de gebeurtenissen, die
+de ontknooping van dit treurspel zouden verhaasten. Doch deze
+gebeurtenissen zijn later bekend geworden en, vereenigd onder den
+vorm van een verhaal, voltooien zij de beschrijving van deze reis
+door Noord-Indië.
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
+
+
+De Thugs, bloediger gedachtenis, waarvan Hindostan verlost schijnt
+te zijn, hebben evenwel opvolgers nagelaten hunner waardig. Het zijn
+de Dacoits, een soort van Thugs in een andere gedaante. De wijze van
+executie dezer boosdoeners is veranderd, het doel der moordenaars
+moge niet meer hetzelfde zijn, het resultaat is het wel: het is de
+moord met voorbedachten rade.
+
+Er wordt nu niet meer, zooals vroeger, een slachtoffer aan de wreede
+Kâli, de godin van den dood aangeboden. Deze nieuwe dweepers gaan nu
+niet meer door worging te werk, zij vergiftigen om te stelen. Op de
+worgers zijn meer praktische, doch even geduchte misdadigers gevolgd.
+
+De Dacoits, die in zekere streken van het schiereiland afzonderlijke
+benden vormen, nemen alles op wat de Engelsch-Indische rechtspleging
+aan moordenaars door de mazen van haar net doet ontsnappen. Zij zwerven
+dag en nacht langs de groote wegen, vooral in de meest afgelegen woeste
+streken en men weet, dat in Bundelkund de geschiktste plaatsen gevonden
+worden voor zulke tooneelen van geweld en plundering. Niet zelden
+vereenigen deze bandieten zich in grooten getale om een afgelegen dorp
+aan te tasten. Het eenige wat dan voor die bevolking overblijft, is de
+vlucht te nemen, maar de pijniging met al hare verfijnde wreedheden,
+wacht hen, die in de handen der Dacoits achterblijven. Onder hen zijn
+de overleveringen in zwang gebleven van de voetschroeiers uit het
+verre westen. Volgens Louis Rousselet overtreffen de »listen dier
+ellendigen, de wijze waarop zij te werk gaan, alles wat ooit in het
+meest fantastische brein eens romanschrijvers is opgekomen!"
+
+En het was nu in handen van zulk een bende Dacoits, door Kâlagani
+overgehaald, dat kolonel Munro gevallen was. Voordat hij tijd gehad had
+tot bezinning te komen, gewelddadig van zijne metgezellen gescheiden,
+was hij op den weg naar Jubbulpore medegevoerd.
+
+Het gedrag van Kâlagani was van den dag af aan, dat hij met de
+bewoners van het Stoomhuis betrekkingen had aangeknoopt, slechts
+dat van een verrader geweest. Nana Sahib was de man geweest, die
+hem had afgezonden, hij alleen had hem uitgekozen om zijn wraak voor
+te bereiden.
+
+Men herinnert zich, dat de nabob den 24n Mei ll., te Bhopal, gedurende
+de laatste feesten van Moharum, die hij de stoutmoedigheid gehad had
+bij te wonen, het vertrek van Sir Edward Munro naar de noordelijke
+provinciën van Indië vernomen had. Op zijn bevel had Kâlagani, een
+der aan zijne zaak en zijn persoon innig verknochte Hindoes, Bhopal
+verlaten. Den kolonel op het spoor te komen, hem weder te vinden,
+hem te volgen, hem niet meer uit het oog te verliezen, zijn leven,
+als het moest, te wagen om zich in de omgeving te doen aannemen van
+den onverzoenbaren vijand van Nana Sahib, dat was zijn zending.
+
+Kâlagani was onmiddellijk vertrokken in de richting van de noordelijke
+streken. Te Cawnpore had hij den trein van het Stoomhuis kunnen
+achterhalen. Sedert dat oogenblik had hij, zonder zich ooit te
+laten zien, naar gelegenheden gezocht, die zich niet voordeden. Toen
+kolonel Munro en zijne metgezellen zich in het sanitarium van het
+Himalayagebergte vestigden, besloot hij in dienst te treden van
+Matthias van Guitt.
+
+Het instinct van Kâlagani zeide hem, dat tusschen de kraal en
+het Stoomhuis noodzakelijk bijna dagelijksche betrekkingen zouden
+aangeknoopt worden. Dit was ook werkelijk het geval en van den eersten
+dag af aan was hij zoo gelukkig, niet alleen dat de aandacht van
+kolonel Munro op hem viel, maar ook, dat hij zich het recht op zijne
+dankbaarheid verwierf.
+
+Hij was dus door het ergste heen. Men weet het overige. De Hindoe
+kwam dikwijls het Stoomhuis bezoeken. Hij werd op de hoogte van
+de latere plannen zijner meesters gebracht, hij was bekend met den
+reisweg, dien Banks zich voorstelde te volgen en van dat oogenblik
+af aan beheerschte een enkel denkbeeld al zijne daden: zich te doen
+aannemen als gids der expeditie, als deze naar het zuiden zou afzakken.
+
+Ter bereiking van dit doel, verzuimde Kâlagani niets. Hij aarzelde
+niet alleen niet het leven van anderen te wagen, maar ook het zijne. In
+welke omstandigheden? Men heeft het nog niet vergeten.
+
+De gedachte toch was bij hem opgekomen dat, indien hij de expeditie
+dadelijk na het begin der reis vergezelde en onderwijl in dienst
+van Matthias van Guitt bleef, dit alle verdenking zou verijdelen en
+kolonel Munro misschien aanleiding zou geven hem aan te bieden wat
+hij juist wilde verkrijgen.
+
+Doch, om daartoe te geraken, moest de leverancier, van zijne
+buffelbespanningen beroofd, in de noodzakelijkheid gebracht worden
+de hulp van den IJzeren Reus in te roepen. Van daar dien aanval
+der wilde dieren,--een onverwachte aanval, weliswaar,--maar waarvan
+Kâlagani partij wist te trekken. Op gevaar af een groot onheil te
+doen ontstaan, ontzag hij zich niet, ongemerkt de slagboomen, die
+de deur der kraal gesloten hielden, te verwijderen. De tijgers, de
+panters, snelden nu binnen de omheining, de buffels werden verspreid
+of vernietigd, verscheidene Hindoes bezweken, maar het plan van
+Kâlagani was gelukt. Matthias van Guitt zou nu wel genoodzaakt zijn
+zijn toevlucht te zoeken bij kolonel Munro, teneinde met zijn rollende
+menagerie Bombay te bereiken.
+
+En inderdaad, in deze bijna verlaten streek van het Himalayagebergte
+zijne bespanningen te vernieuwen, zou moeielijk geweest zijn. In alle
+geval was het Kâlagani, die zich voor rekening van den leverancier
+met deze zaak belastte. Het spreekt van zelf, dat hij hierin niet
+slaagde en zoo geschiedde het, dat Matthias van Guitt, door den
+IJzeren Reus op sleeptouw genomen, met zijn geheele personeel tot
+het station Etawah afdaalde.
+
+Daar zou de spoorweg het materieel der menagerie verder vervoeren. De
+chikaris werden dus afgedankt en Kâlagani, wiens diensten mede
+vervielen, zou hun lot deelen. Toen zat hij er zeer over in, wat er
+verder van hem worden zou. Banks liep er in. Het kwam bij hem op,
+dat die schrandere en trouwe Hindoe, zoo door en door bekend met dit
+gedeelte van Indië, wezenlijke diensten zou kunnen bewijzen. Hij bood
+hem dus aan tot Bombay hun gids te zijn, en van dien dag af aan lag
+het lot der expeditie in de handen van Kâlagani.
+
+Wie zou in dien Hindoe, altijd gereed zijn leven te wagen, een verrader
+gezocht hebben.
+
+Een oogenblik had Kâlagani zich bijna verraden. Dit was, toen Banks
+hem over den dood van Nana Sahib sprak. Het was hem onmogelijk zijn
+twijfel te verbergen en hij schudde het hoofd als iemand, die er niet
+aan kon gelooven. Maar zou dit niet met elken Hindoe het geval zijn
+geweest, voor wien de nabob een van die bovennatuurlijke wezens was,
+dien de dood niet kon bereiken!
+
+Kreeg Kâlagani hieromtrent de bevestiging dezer tijding, toen,--het
+was geen toeval,--hij een zijner oude metgezellen in de karavaan der
+Banjaris ontmoette? Men weet het niet, maar men mag veronderstellen,
+dat hij nauwkeurig op de hoogte was, waaraan zich te houden.
+
+Hoe het zij, de verrader verloor geen oogenblik zijne verfoeielijke
+plannen uit het oog, alsof hij de ondernemingen van den nabob voor
+zijn rekening had willen ten uitvoer brengen.
+
+Daarom zette het Stoomhuis zijn weg door de bergpassen der Vindhyas
+voort en na de vermelde avonturen kwamen de reizigers aan de oevers
+van het Puturiameer aan, waar men een schuilplaats moest zoeken.
+
+Toen Kâlagani daar den drijvenden trein wilde verlaten, onder
+voorwendsel zich naar Jubbulpore te begeven, liet hij zich
+doorgronden. Hoezeer hij zich zelven ook kon beheerschen, had een
+eenvoudig physiologisch verschijnsel, dat niet aan de scherpzinnigheid
+van den kolonel kon ontsnappen, hem verdacht gemaakt en men weet nu,
+dat het wantrouwen van Sir Edward Munro maar al te zeer gerechtvaardigd
+was.
+
+Men liet hem vertrekken, maar gaf hem Goûmi mede. Beiden stortten zich
+in het meer en hadden een uur later den zuidoostelijken oever bereikt.
+
+Nu vervolgden zij in dien donkeren nacht te zamen hun weg, de een den
+ander wantrouwende, deze niet wetende, dat hij gewantrouwd werd. Het
+voordeel was dus toen aan de zijde van Goûmi, dezen tweeden Mac Neil
+van kolonel Munro.
+
+Gedurende drie uren bewandelden de twee Hindoes op die wijze den
+grooten weg, die de zuidelijke ketens der Vindhyas doorkruist om uit
+te komen aan het station van Jubbulpore. De mist was veel minder dik
+in het open veld dan op het meer. Goûmi hield steeds een wakend oog
+op zijn metgezel gevestigd. Hij droeg een flink mes in zijn gordel
+en, vrij driftig van aard had hij zich voorgekomen om bij de eerste
+verdachte beweging zich op Kâlagani te werpen en hem buiten staat te
+stellen zijne kwade voornemens in praktijk te brengen.
+
+Ongelukkig had de getrouwe Hindoe den tijd niet om te doen zooals
+hij hoopte.
+
+De nacht was, zonder maan, zeer duister. Op twintig passen afstand
+was geen loopend mensch te onderscheiden.
+
+Daar liet zich, aan een der krommingen van den weg gekomen, eensklaps
+een stem hooren, Kâlagani roepende.
+
+»Ja, Nassim!" antwoordde de Hindoe.
+
+En op hetzelfde oogenblik weerklonk links van den weg een scherpe,
+zeer vreemde kreet.
+
+Deze kreet was de »kisri" van de woeste stammen van Gondwana, dien
+Goûmi wel kende!
+
+Goûmi stond verbaasd en kon niet handelen. En wat had hij ook, al
+was Kâlagani dood, kunnen uitvoeren tegen een geheele bende Hindoes,
+voor wie deze kreet tot wachtwoord moest strekken. Een voorgevoel gaf
+hem in op de vlucht te gaan, teneinde te beproeven zijne metgezellen
+te waarschuwen. Ja! trachten vrij te blijven, daarna naar het meer
+terugkeeren en beproeven zwemmende den IJzeren Reus te bereiken om
+hem te beletten aan wal te gaan, er was op dat oogenblik niets anders
+te doen.
+
+Goûmi aarzelde niet. Op het oogenblik dat Kâlagani zich bij den Nassim
+vervoegde, die hem geantwoord had, sprong hij op zijde en verdween
+in de jungles, die den weg bezoomden.
+
+En toen Kâlagani met zijn medeplichtige terugkwam, om zich van den
+metgezel te ontdoen, hem door kolonel opgedrongen, was Goûmi er
+niet meer.
+
+Nassim was het opperhoofd van een bende Dacoits, de zaak van Nana Sahib
+toegedaan. Toen hij de verdwijning van Goûmi vernam, liet hij zijne
+lieden de jungles doorzoeken. Tot elken prijs wilde hij zich weder
+meester maken van den stoutmoedigen dienaar, die zooeven ontsnapt was.
+
+De nasporingen waren vruchteloos. Goûmi had zich òf door de duisternis
+begunstigd òf door zich in een of ander hol te verschuilen, uit de
+voeten kunnen maken en men moest het zoeken opgeven.
+
+Maar wat hadden ook die Dacoits van Goûmi te vreezen, van Goûmi,
+aan zich zelven overgeleverd te midden van dat woeste land, drie uren
+gaans reeds van het Puturiameer verwijderd, dat hij, hoe groot zijn
+spoed ook was, niet vóór hen zou kunnen bereiken?
+
+Kâlagani berustte er dan ook in. Hij beraadslaagde een oogenblik
+met het opperhoofd der Dacoits, die zijne bevelen scheen af te
+wachten. Daarna sloegen allen denzelfden weg weder in en liepen met
+groote schreden in de richting van het meer.
+
+En waarom had nu deze troep de bergpassen der Vindhyas verlaten,
+waar zij sedert eenigen tijd kampeerden? Eenvoudig omdat Kâlagani de
+aanstaande komst van kolonel Munro in de omstreken van het Puturiameer
+had kunnen boodschappen. Door wien? Door dien Hindoe, die niemand
+anders was dan Nassim en die deel uitmaakte van de karavaan der
+Banjaris. Aan wien? Aan hem, wiens hand den geheelen aanslag in het
+duister leidde!
+
+Want, wat reeds voorgevallen was en toen nog voorviel, was het
+resultaat van een vooraf beraamd plan, dat kolonel Munro en zijne
+metgezellen niet konden verijdelen. Daarom konden op het oogenblik
+dat de trein aan de zuidelijke punt van het meer aanlandde, de Dacoits
+hem onder de bevelen van Nassim en van Kâlagani aanvallen.
+
+Maar men had het op kolonel Munro gemunt, op hem alleen. Zijne
+metgezellen, aan hun lot overgelaten en wier laatste huis vernield
+was, waren niet meer te vreezen. Hij werd dus medegevoerd, en te
+zeven uur 's morgens, was hij reeds een afstand van zes mijlen van
+het Puturiameer verwijderd.
+
+Dat Sir Edward Munro door Kâlagani naar het station van Jubbulpore
+zou geleid worden, was niet aan te nemen. Hij zeide dan ook bij zich
+zelven, dat hij de streek der Vindhyas niet zou verlaten en dat,
+eenmaal in de macht zijner vijanden, hij er misschien nooit uit
+zou geraken.
+
+Evenwel had de moedige man niets van zijn koelbloedigheid verloren. Hij
+hield zich te midden van die woeste Hindoes op elke gebeurtenis
+voorbereid. Hij deed zelfs alsof hij Kâlagani niet opmerkte. De
+verrader had zich aan het hoofd van den troep gesteld en hij was
+er inderdaad het hoofd van. Vluchten was niet mogelijk. Hoewel niet
+geboeid, zag kolonel Munro noch voor, noch achter, noch op de flanken
+van zijn geleide, een enkele opening, die hem een doortocht had kunnen
+verleenen. Trouwens zou hij ook onmiddellijk weder gevat zijn.
+
+Hij dacht dus na over de gevolgen van zijn toestand. Moest hij
+gelooven, dat Nana Sahib de hand in dit alles had? Neen, hij dacht
+niet anders of de nabob was wel werkelijk dood. Maar had niet een
+vriend of bloedverwant van het oude opperhoofd der opstandelingen,
+Balao Rao misschien, besloten zijn haat te koelen, door deze wraak
+te volvoeren, waaraan zijn broeder zijn leven gewijd had? Sir Edward
+Munro vermoedde een streek van dezen aard.
+
+Terzelfdertijd dacht hij aan den ongelukkigen Goûmi, die geen gevangene
+der Dacoits was. Had hij kunnen ontsnappen? het was mogelijk. Was hij
+niet dadelijk bezweken? het was waarschijnlijker. Kon men op zijn hulp
+rekenen, in geval hij zich gezond en wel bevond? het was moeielijk.
+
+Indien Goûmi toch eerst naar het station van Jubbulpore had gemeend
+te moeten gaan om er hulp te zoeken, zou hij te laat komen.
+
+Indien hij daarentegen zich bij Banks en zijne metgezellen aan
+de zuidelijke punt van het meer was gaan vervoegen, wat zouden zij
+beginnen bijna geheel van ammunitie ontbloot? Zouden zij den weg naar
+Jubbulpore inslaan?... Maar, voordat zij hem hadden kunnen bereiken,
+zou de gevangene reeds naar een ontoegankelijken schuilhoek der
+Vindhyas gevankelijk zijn weggevoerd!
+
+Van deze zijde dus geen straal hoop!
+
+Kolonel Munro zag zijn toestand koelbloedig in. Hij wanhoopte niet,
+want hij was geen man om zich te laten neerslaan, maar hij zag de
+dingen liever in de werkelijkheid, inplaats van zich over te geven
+aan een illusie, onwaardig een geest dien niets kon ontstellen.
+
+Intusschen ging de troep met groote snelheid voorwaarts. Blijkbaar
+wilden Nassim en Kâlagani vóór het ondergaan der zon een voorafbepaald
+rendez-vous bereiken, waar het lot van den kolonel zou beslist
+worden. Niet alleen de verrader had haast, maar ook Sir Edward Munro
+was niet minder gejaagd er een eind aan te maken en ongeduldig te
+weten, welk het einde was dat hem wachtte.
+
+Een enkele maal, tegen twaalf uren, liet Kâlagani gedurende een half
+uur halt houden. De Dacoits waren van levensmiddelen voorzien en aten
+aan den rand eener kleine beek.
+
+Een weinig brood en gedroogd vleesch werd ter beschikking van den
+kolonel gesteld, die niet weigerde er iets van te gebruiken. Sedert
+den vorigen dag had hij niets genomen en hij gunde zijnen vijanden
+het genoegen niet hem in het laatste oogenblik lichamelijk te zien
+verzwakken.
+
+Op dit oogenblik had men bij dezen geforceerden marsch ongeveer zestien
+mijlen afgelegd. Op bevel van Kâlagani, ging men weder op weg, steeds
+in de richting van Jubbulpore.
+
+Eerst ten vijf ure 's avonds, verliet de bende der Dacoits den grooten
+weg, om links een zijpad in te slaan. Mocht dus kolonel Munro nog
+een schijn van hoop bewaard hebben, zoolang hij den grooten weg bleef
+houden, toen begreep hij, dat hij zich in de hand van God bevond.
+
+Een kwartier later trokken Kâlagani en de zijnen door een nauwen
+bergpas, die de uiterste grens vormde van de vallei der Nerbudda,
+naar het meest woeste gedeelte van Bundelkund toe.
+
+De plaats was gelegen op drie honderd vijftig kilometers ongeveer
+van den pâl van Tandit af, in het oosten der Sautpourrabergen, die
+men kan beschouwen als de westelijke verlenging der Vindhyas.
+
+Daar verhief zich op een der laatste zijbergen de oude sterkte van
+Ripore, sedert lang verlaten, omdat zij niet geproviandeerd kon worden,
+bijaldien de bergpassen van het westen door den vijand bezet waren.
+
+Deze sterkte bestreek een der laatste vooruitspringende bergen der
+keten, een soort van natuurlijk bolwerk, vijf honderd voet hoog,
+dat over een aanzienlijke verwijding van den bergpas, te midden der
+naburige bergruggen hing. Het was niet te genaken dan langs een smal
+voetpad, dat kronkelend in de rotsmassa was uitgehouwen, een pad,
+nauwelijks voor voetgangers toegankelijk.
+
+Op dat bergvlak bevonden zich nog eenige bouwvallen van
+vestingwerken. Op het midden der vlakte, door een steenen borstwering
+van den afgrond afgesloten, stond een half verwoest gebouw, dat
+vroeger voor het kleine garnizoen van Ripore tot kazerne diende en
+nu als stal zelfs niet bruikbaar meer zou geweest zijn.
+
+Op het midden van het centrale vlak, was nog een stuk geschut
+overgebleven van de velen, die vroeger door de schietgaten der
+borstwering te voorschijn kwamen. Het was een enorm kanon, gericht
+naar de voorzijde der vlakte. Te zwaar om te worden afgelaten, te
+sterk beschadigd overigens om nog eenige waarde te hebben, had men
+het daar laten liggen op zijn affuit, overgeleverd aan den roest,
+die zijn ijzeren omhulsel verteerde.
+
+Het mocht wel, door zijn lengte en dikte, de waardige tegenhanger
+heeten van het vermaarde bronzen kanon van Bhilza, dat ten tijde
+van Jehanghir gegoten werd, een enorm stuk, van zes meters lang, met
+een kaliber van vier en veertig. Men had het ook kunnen vergelijken
+met het niet minder beroemde kanon van Bidjapour, welks ontbranding,
+volgens het zeggen der inlanders, geen enkel van de monumenten der
+stad overeind had gelaten.
+
+Dit was de sterkte van Ripore, waarheen de gevangene door den troep
+van Kâlagani gevoerd werd. Het was vijf uren 's avonds, toen hij er
+aankwam, na een dagmarsch van meer dan vijf en twintig mijlen.
+
+Tegenover wien zijner vijanden zou kolonel Munro zich eindelijk
+bevinden? Hij zou het maar al te spoedig weten.
+
+Een groep Hindoes bewoonde toen het vervallen gebouwtje, dat zich te
+midden van het bergvlak verhief. Deze groep kwam er uit te voorschijn,
+terwijl de bende der Dacoits zich in een kring langs de borstwering
+plaatste.
+
+Kolonel Munro nam het midden van dezen kring in. Met gekruiste armen
+wachtte hij.
+
+Kâlagani verliet de plaats, die hij in de rij innam en deed eenige
+stappen vooruit.
+
+Een Hindoe, eenvoudig gekleed, liep aan het hoofd.
+
+Kâlagani bleef voor hem staan en boog zich. De Hindoe reikte hem
+een hand, die Kâlagani eerbiedig kuste. Een beweging van het hoofd
+betuigde hem dat men over zijne diensten tevreden was.
+
+Daarna stapte de Hindoe op den gevangene toe, langzaam, maar het
+oog in vuur, met al de verschijnselen van een nauwlijks ingehouden
+toorn. Het was als een roofdier, dat op zijn prooi los ging.
+
+Kolonel Munro liet hem naderen, zonder een stap terug te treden,
+hem even strak aankijkende, als hij zelf aangekeken werd.
+
+Toen de Hindoe nog slechts vijf schreden van hem af was, zei de
+kolonel, op een toon, die de diepste minachting te kennen gaf:
+
+»'t Is Balao Rao maar, de broeder van den nabob!"
+
+»Kijk beter!" antwoordde de Hindoe.
+
+»Nana Sahib!" riep kolonel Munro uit, ditmaal ondanks zich zei ven
+terugtredende. »Nana Sahib in leven!..."
+
+Ja, de nabob zelf, het oude opperhoofd van den opstand der Sipayers,
+de onverzoenbare vijand van Munro!
+
+Doch wie was dan bij de ontmoeting in den pâl van Tandît bezweken? Het
+was Balao Rao, zijn broeder.
+
+De buitengewone gelijkenis dezer twee mannen, beiden in het gelaat
+door de pokken geschonden, beiden denzelfden vinger van dezelfde hand
+missende, had de soldaten van Lucknow en van Cawnpore bedrogen. Dezen
+hadden niet geaarzeld den nabob te herkennen in hem, die slechts zijn
+broeder was, en het zou onmogelijk geweest zijn deze vergissing niet
+te maken. Toen dan ook aan de regeering bericht van den dood des
+nabobs gezonden werd, leefde Nana Sahib nog en was het Balao Rao,
+die gedood was.
+
+Nana Sahib had zich gehaast van deze nieuwe omstandigheid
+partij te trekken. Opnieuw bezorgde zij hem een bijna volstrekte
+veiligheid. Immers zou zijn broeder door de Engelsche politie niet
+met dezelfde hardnekkigheid vervolgd worden, en werd het ook werkelijk
+niet. Niet alleen werd de moord van Cawnpore hem niet geweten, maar hij
+had ook op de Hindoes van het centrum niet den noodlottigen invloed,
+dien de nabob bezat.
+
+Toen Nana Sahib zag, dat men hem zoo dicht op de hielen zat, nam hij
+het besluit zich dood te houden tot het oogenblik, dat hij eindelijk
+zou kunnen handelen, en tijdelijk zijne revolutionnaire plannen
+latende rusten, had hij zich geheel aan zijne wraak gewijd. Nooit,
+trouwens, waren de omstandigheden zoo gunstig geweest. Kolonel Munro,
+steeds door zijne agenten bespied, had Calcutta verlaten om een reis
+te ondernemen, die hem naar Bombay zou brengen. Zou het niet mogelijk
+zijn hem in de streek der Vindhyas te lokken, door de provinciën van
+Bundelkund? Nana Sahib dacht er over na en zond hem met dit doel den
+schranderen Kâlagani.
+
+De nabob verliet toen den pâl van Tandît, die hem geen zekere
+schuilplaats meer toescheen. Hij drong door tot de vallei der Nerbudda,
+tot de laatste bergengten der Vindhyas. Daar verhief zich de sterkte
+van Ripore, die hem een schuilplaats voorkwam, waar de politie hem
+niet licht zou opsporen, omdat zij wel moest aannemen dat hij dood was.
+
+Nana Sahib vestigde er zich dus met de weinige aan zijn persoon
+verknochte Hindoes. Hij versterkte deze weldra met een bende Dacoits,
+waardig zich onder de bevelen van zulk een opperhoofd te stellen,
+en wachtte nu op de dingen, die komen zouden.
+
+Maar wat wachtte hij sedert vier maanden? Dat Kâlagani zijn taak
+vervuld had en hem de op handen zijnde komst van kolonel Munro in dit
+gedeelte der Vindhyas, alwaar hij zich in zijn macht zou bevinden,
+boodschapte.
+
+Eene vrees, evenwel, maakte zich van Nana Sahib meester. Deze, dat
+de tijding van zijn dood, door het geheele schiereiland verspreid,
+ook ter oore van Kâlagani kwam. Zou deze er geen geloof aanslaan en
+zijn verraderlijke plannen tegen kolonel Munro laten varen?
+
+Van daar dus de zending van een anderen Hindoe naar Bundelkund,
+van dien Nassim, die, deel uitmakende van de karavaan der Banjaris,
+den trein van het Stoomhuis op den weg van Scindia ontmoette, zich
+in gemeenschap met Kâlagani stelde, en hem met den waren staat van
+zaken bekend maakte.
+
+Nadat dit geschied was, keerde Nassim, zonder een uur te verliezen
+naar de sterkte van Ripore terug en berichtte Nana Sahib alles wat er
+gebeurd was sedert den dag toen Kâlagani Bhopal verlaten had. Kolonel
+Munro en zijne metgezellen begaven zich in kleine dagmarschen naar
+de Vindhyas, Kâlagani leidde hen, en het was in de omgeving van het
+Puturiameer, dat men hen moest afwachten.
+
+Alles was dus gegaan, zooals de nabob het gewenscht had. Zijn wraak
+kon hem niet meer ontsnappen.
+
+En werkelijk bevond zich kolonel Munro dienzelfden avond, alleen,
+ontwapend, in zijn tegenwoordigheid, aan zijne genade overgeleverd.
+
+Na de eerste gewisselde woorden, keken deze twee mannen elkander een
+oogenblik aan, zonder een enkel woord te uiten.
+
+Maar plotseling kwam levendiger dan ooit het beeld van lady Munro bij
+den kolonel op en steeg hem het bloed naar het hoofd. Hij sprong op
+den moordenaar van de gevangenen van Cawnpore toe!....
+
+Nana Sahib vergenoegde zich twee schreden achterwaarts te doen.
+
+Drie Hindoes wierpen zich onmiddellijk op den kolonel, die hem niet
+zonder moeite bedwongen.
+
+Intusschen was Sir Edward Munro weder meester van zich zelf
+geworden. De nabob begreep het ongetwijfeld, want met een wenk
+verwijderde hij de Hindoes.
+
+Opnieuw bevonden zich de twee vijanden van aangezicht tot aangezicht
+tegenover elkander.
+
+»Munro," zei Nana Sahib, »de uwen hebben voor den mond hunner kanonnen
+de honderd twintig gevangenen van Peschawar vastgebonden en sedert dien
+dag zijn meer dan twaalf honderd Sipayers op die vreeselijke wijze
+ter dood gebracht! De uwen hebben onmeedoogend de vluchtelingen van
+Lahore vermoord, zij hebben na de inneming van Delhi, drie prinsen en
+negen en twintig leden der koninklijke familie gedood, zij hebben te
+Lucknow zes duizend der onzen om het leven gebracht en drie duizend
+na den veldtocht van Pentjab! In het geheel hebben door het kanon, het
+geweer, de galg of de sabel, honderd twintig officieren of inlandsche
+soldaten en twee honderd duizend inlanders met hun leven dezen opstand
+voor de nationale onafhankelijkheid betaald!
+
+»Dat ook hij sterve!" riepen de Dacoits en de Hindoes om Nana Sahib
+geschaard.
+
+De nabob lag hun met de hand het stilzwijgen op en wachtte totdat
+kolonel Munro hem op deze beschuldigingen antwoordde.
+
+De kolonel antwoordde niet.
+
+»Wat u aangaat, Munro," hernam de nabob, »ge hebt met eigen hand
+de Rani van Jansi, mijn getrouwe gezellin gedood... en ze is nog
+niet gewroken!"
+
+Geen antwoord van kolonel Munro.
+
+»Eindelijk, voor vier maanden," zei Nana Sahib, »is mijn broeder Balao
+Rao gevallen onder de Engelsche kogels, tegen mij gericht... en mijn
+broeder is nog niet gewroken!"
+
+»Dat hij sterve! Dat hij sterve!"
+
+Deze kreten barstten met steeds meerdere hevigheid los en de geheele
+bende maakte een beweging om zich op den gevangene te werpen.
+
+»Stilte!" riep Nana Sahib uit. »Wacht het uur der gerechtigheid af!"
+
+Allen zwegen.
+
+»Munro," hernam de nabob, »het is een uwer voorouders, het is Hector
+Munro, die voor het eerst deze verschrikkelijke straf heeft durven
+opleggen, waarvan de uwen in den oorlog van 1857 zulk een vreeselijk
+gebruik gemaakt hebben! Hij is het, die het bevel gaf, Hindoes, onze
+bloedverwanten, onze broeders, levend voor den mond zijner kanonnen
+vast te binden..."
+
+Nieuwe kreten, nieuwe blijken den gevangene te lijf te willen, die
+Nana Sahib ditmaal niet zoo licht had kunnen verhoeden. Ook voegde
+hij er bij.
+
+»Wraak roept wraak! Munro, ge zult sterven, zooals zoovelen onzer
+gestorven zijn!"
+
+Zich toen omkeerende:
+
+»Zie dat kanon!" zeide hij.
+
+En de nabob wees op het enorme stuk, meer dan vijf meters lang,
+dat het midden van het bergvlak innam.
+
+»Ge zult vastgebonden worden voor den mond van dat kanon! Het is
+geladen, en morgen bij het opgaan der zon, zal zijn losbarsting,
+die tot in de verre bergpassen der Vindhyas zal weergalmen, iedereen
+verkondigen, dat de wraak van Nana Sahib eindelijk gekoeld is!"
+
+Kolonel Munro keek den nabob strak aan met een kalmte, die de
+aankondiging van zijn op handen zijnde dood, niet kon verstoren.
+
+»Het is goed," zeide hij, »ge handelt zooals ik zou gehandeld hebben,
+als ge in mijn handen gevallen waart!"
+
+En uit eigen beweging ging kolonel Munro zich voor den mond van het
+kanon plaatsen, waaraan hij met de handen op den rug met sterke touwen
+werd vastgebonden.
+
+En toen kwam, een heel uur achtereen, de gansche bende Dacoits
+en Hindoes hem op laffe wijze beleedigen. Men zou gezegd hebben,
+dat het Sioux waren uit Noord-Amerika, om een gevangene geschaard,
+die aan den martelpaal was vastgeklonken.
+
+Kolonel Munro bleef ongevoelig voor smaad, zooals hij ongevoelig voor
+den dood wilde zijn.
+
+Toen daarna de avond viel, trokken Nana Sahib, Kâlagani en Nassim zich
+in de oude kazerne terug. De geheele bende, eindelijk moede geworden,
+verliet de plaats en voegde zich bij hare opperhoofden.
+
+Sir Edward Munro bleef alleen, in tegenwoordigheid van den dood en
+van God.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+VOOR DEN MOND VAN EEN KANON.
+
+
+De stilte hield niet lang aan. Niet alleen waren levensmiddelen ter
+beschikking van de bende der Dacoits gesteld, maar zij maakten ook
+een bovenmatig gebruik van sterke arak, onder welker invloed men ze
+kon hooren schreeuwen en vloeken.
+
+Doch al dat leven hield allengs op. Het zou niet lang duren of de
+slaap zou zich meester maken van die dieren in menschengedaante,
+die daarenboven reeds afgemat waren door een langen, vermoeienden dag.
+
+Zou Sir Edward Munro dan nu zonder wachter gelaten worden tot het
+oogenblik dat zijn doodsuur zou slaan? Zou Nana Sahib zijn gevangene
+niet laten bewaken, al was hij stevig vastgebonden met driedubbele
+dikke koorden, die armen en borst omgaven en hij daardoor volkomen
+buiten staat was de minste beweging te maken?
+
+De kolonel vroeg het zich af, toen hij tegen acht uren een Hindoe de
+kazerne zag verlaten en zich naar het bergvlak begeven.
+
+Deze Hindoe had het bevel, den geheelen nacht in het gezelschap van
+kolonel Munro te blijven.
+
+Na schuin het bergvlak te zijn overgestoken, kwam hij recht op het
+kanon af, teneinde zich te overtuigen, dat de gevangene zich nog
+altijd daar bevond. Met krachtige hand onderzocht hij de touwen,
+die hem stevig genoeg voorkwamen. Daarna, zonder zich rechtstreeks
+tot den kolonel te wenden, maar in zich zelven sprekende, zeide hij:
+
+»Tien pond kruit! In langen tijd liet het oude kanon van Ripore niets
+van zich hooren, maar morgen zal het spreken!..."
+
+Deze opmerking bracht een glimlach van minachting op het fiere
+gelaat van kolonel Munro. De dood kon hem niet versagen, onder welken
+verschrikkelijken vorm hij hem ook zou genaken.
+
+De Hindoe bekeek eerst het voorste gedeelte van den vuurmond, trad
+toen een paar stappen terug, streek met de hand over den dikken kulas,
+terwijl hij den vinger een oogenblik op het zundgat liet rusten,
+dat tot aan den rand toe met slagkruit gevuld was.
+
+Daarna bleef de Hindoe dood op zijn gemak, tegen de druif aangeleund
+staan. Hij scheen geheel vergeten te hebben, dat de gevangene zich
+daar nog bevond als een lijder aan den voet der galg, wachtende,
+dat het valluik zich aan zijne voeten onttrok.
+
+Hetzij uit onverschilligheid, hetzij als een gevolg van de arak, die
+hij dien avond gedronken had, neuriede de Hindoe half binnensmonds een
+oud refrein van Goundwana. Hij brak telkens af en begon dan opnieuw,
+als iemand, die, onder den invloed van een half dronken toestand,
+langzamerhand zijne gedachten begon te verliezen.
+
+Een kwartier later, richtte de Hindoe zich weder op. Zijn hand gleed
+over het achterste gedeelte van het stuk. Hij ging er om heen en voor
+kolonel Munro blijvende staan, keek hij hem aan, onder het prevelen
+van onsamenhangende woorden. Uit instinct grepen zijne vingers een
+laatste maal de touwen, als om ze nog vaster aan te trekken; daarna
+ging hij met het hoofd knikkende, als iemand die gerust is, een tiental
+schreden verder, links van den vuurmond, over de borstwering leunen.
+
+Gedurende nog tien minuten, bleef de Hindoe in deze positie, nu eens
+naar het bergvlak gekeerd, dan weder naar buiten over de borstwering
+heen gebogen en zijne blikken gericht in den afgrond aan den voet
+der sterkte.
+
+Duidelijk deed hij een laatste, wanhopige poging om niet voor den
+slaap te bukken. Maar eindelijk was hij door vermoeidheid overwonnen
+en liet hij zich op den grond zakken, strekte er zich op uit en was
+nu volkomen onzichtbaar door de schaduw der borstwering.
+
+Het was intusschen reeds zeer donker geworden. Dikke, onbeweeglijke
+wolken strekten zich over den hemel uit. De dampkring was zoo stil
+alsof de luchtmoleculen aan elkander gesoldeerd waren. De geluiden
+uit de vallei drongen niet tot op deze hoogte door. Het was doodstil.
+
+Hoe kolonel Munro dien benauwden nacht doorbracht, moet ter eere van
+dien man vol geestkracht hier vermeld worden. Geen oogenblik dacht hij
+aan die laatste seconde van zijn leven waarin de weefsels van zijn
+lichaam, met geweld vaneen gescheurd, zijne vreeselijk verspreide
+ledematen zich in de ruimte zouden verliezen. Het zou slechts een
+bliksemslag zijn en dat was niet iets, dat in staat was hem van
+zijn stuk te brengen en hem zijne gewone koelbloedigheid te doen
+verliezen. Eenige uren slechts had hij nog te leven; zij behoorden nog
+tot dat bestaan, dat voor het grootste gedeelte zoo gelukkig geweest
+was. Zijn leven ging tot in de minste bijzonderheden voor hem voorbij,
+zijn geheele verleden doemde in zijn geest op.
+
+Het beeld van lady Munro stond voor hem. Hij zag haar weder, hij
+hoorde haar, de ongelukkige, die hij nog als in de eerste dagen
+beweende, niet meer met de oogen, maar met het hart! Hij vond haar
+terug als jong meisje, te midden dier noodlottige stad Cawnpore, in
+die woning waar hij haar voor het eerst gekend, bewonderd, bemind
+had! Die weinige jaren van geluk, zoo plotseling afgebroken door
+de vreeselijkste der rampen, herlevendigden zich in zijn geest. Al
+de bijzonderheden dier jaren, hoe gering ook, kwamen zoo juist
+in zijn geheugen terug, dat ze niet door de werkelijkheid hadden
+kunnen overtroffen worden! Reeds was de halve nacht verstreken,
+zonder dat Sir Edward Munro er iets van gemerkt had. Hij had geheel
+in zijne herinneringen geleefd, daar, bij zijn aangebeden vrouw,
+zonder dat iets er hem van had kunnen afbrengen. In drie uren had
+hij als in een droom de drie jaren doorleefd, die hij bij haar had
+doorgebracht! Ja! zijn verbeelding had hem onweerstaanbaar van het
+bergvlak der sterkte van Ripore weggetooverd, zij had hem losgerukt
+van den mond van dat kanon, waarvan de eerste zonnestraal, om zoo te
+zeggen, de lont zou doen ontvlammen!
+
+Maar toen kwam de vreeselijke ontknooping van het beleg van Cawnpore
+hem voor den geest, de gevangenneming van lady Munro en hare moeder
+in Bibi-Ghar, de moord hunner ongelukkige gezellinnen en eindelijk
+die put, het graf van twee honderd slachtoffers, waarop hij vier
+maanden geleden, een laatste maal was gaan weenen.
+
+En die verfoeielijke Nana Sahib, die zich daar op eenige schreden van
+hem af, achter de muren van die bouwvallige kazerne ophield, hij,
+de lastgever van die moorden, de moordenaar van lady Munro en van
+zoovele andere ongelukkigen! En in zijne handen was hij gevallen,
+hij, die als rechter had willen optreden van den moordenaar, dien
+het gerecht niet had kunnen bemachtigen!
+
+Sir Edward Munro, door een blinde woede bezield, deed een
+bovenmenschelijke poging om zijn banden te verbreken. De touwen
+kraakten en de nog vaster gesnoerde knoopen drongen hem in het
+vleesch. Hij uitte een kreet, niet van smart, maar van onmachtige
+woede.
+
+Bij dien kreet lichtte de Hindoe, in de schaduw der borstwering
+uitgestrekt, het hoofd op. Het gevoel van zijn toestand kwam bij hem
+terug. Hij herinnerde zich, dat hij de bewaker van den gevangene was.
+
+Hij stond dus op, trad aarzelend op kolonel Munro toe, legde hem de
+hand op den schouder, om zich te verzekeren, dat hij zich nog altijd
+daar bevond en zeide op den toon van iemand in half slapenden toestand:
+
+»Morgen, bij het opgaan der zon... Boem!"
+
+Daarna ging hij naar de borstwering terug, teneinde er zijn steunpunt
+te hernemen. Zoodra hij haar had teruggevonden, strekte hij zich
+weder op den grond uit en sliep spoedig geheel in.
+
+Na deze vergeefsche poging had kolonel Munro zijn gewone kalmte
+teruggekregen. Zijne gedachten namen een andere richting, zonder dat
+hij meer dacht aan het lot dat hem wachtte. Door een natuurlijken
+samenloop van gedachten, kwamen hem zijne vrienden, zijne metgezellen
+voor den geest. Hij vroeg zich af of zij ook in de handen eener andere
+bende van Dacoits gevallen waren, waarvan het in de Vindhyas wemelt,
+of men hun geen dergelijk lot als het zijne voorbereidde, en die
+gedachte deed hem het hart ineenkrimpen.
+
+Maar bijna onmiddellijk daarop, zeide hij zich zelven, dat dit
+niet kon zijn. Immers, indien de nabob ook hun dood had gewild, zou
+hij ze met hem in dezelfde straf vereenigd hebben. Neen! aan hem,
+aan hem alleen,--hij beproefde het te hopen,--wilde Nana Sahib zijn
+hart koelen!
+
+En evenwel, indien het mocht zijn, dat Banks, kapitein Hod, Maucler
+reeds vrij waren, wat deden ze dan nu? Waren zij op weg naar Jubbulpore
+met den IJzeren Reus, dien de Dacoits niet hadden kunnen vernielen? Aan
+hulp zou het hun daar niet ontbreken! Maar waartoe? Hoe zouden zij
+geweten hebben waar kolonel Munro zich bevond? Niemand kende het fort
+van Ripore, den schuilhoek van Nana Sahib. En buitendien, waarom zou
+de naam van den nabob hun in de gedachte gekomen zijn? Was Nana Sahib
+niet dood voor hen? Was hij niet bezweken bij den aanval van den pâl
+van Tandît? Neen, ze konden werkelijk niets voor den gevangene doen!
+
+Van de zijde van Goûmi was evenmin hoop te verwachten. Kâlagani had
+er alle belang bij gehad zich van dien getrouwen dienaar te ontdoen en
+hoogst waarschijnlijk was Goûmi zijn meester in den dood vooruitgegaan!
+
+Het ware dus nutteloos geweest op eenig reddingsmiddel te
+rekenen. Kolonel Munro was de man niet zich daaromtrent eenige illusie
+te maken. Hij bekeek de dingen in het ware licht en kwam geleidelijk
+tot zijne eerste gedachten terug, tot de herinnering der gelukkige
+dagen, die zijn hart vervulde.
+
+Het zou hem moeielijk geweest zijn te berekenen hoeveel uren er
+verloopen waren sedert hij zich op die wijze in zijne herinneringen
+verdiept had. De nacht was altijd donker. Niets vertoonde zich nog
+op de toppen der bergen in het oosten, dat de eerste stralen der
+opgaande zon verkondigde.
+
+Evenwel zal het omstreeks vier uren van den morgen geweest zijn,
+toen de aandacht van kolonel Munro gewekt werd op een vrij zonderling
+verschijnsel. Tot op dat oogenblik, gedurende dat terugkeeren tot zijn
+verleden, had hij meer een blik in zijn binnenste dan wel in de wereld
+buiten hem geslagen. De uitwendige voorwerpen, die zich te midden van
+die diepe duisternis slechts onduidelijk aan hem voordeden, zouden
+hem niet hebben kunnen aftrekken, maar toen vestigden zijne oogen
+zich op één punt, en al de beelden, in zijne herinnering opdoemende,
+verdwenen eensklaps voor een soort van verschijning, even onverwacht
+als onverklaarbaar.
+
+Kolonel Munro toch was niet meer alleen op het bergvlak van Ripore. Het
+was alsof er zich een licht, onzeker, weifelend nog, aan het uiteinde
+van het pad, aan de poort van het fort vertoonde. Het kwam en ging
+ongestadig, dof, dreigende uit te gaan, dan weder opflikkerende,
+alsof het door een onvaste hand werd gedragen.
+
+Alles in den toestand van den gevangene kon van belang zijn. Zijne
+oogen waren dus onafgewend op deze vlam gericht en hij merkte op, dat
+zij een dikken damp van zich gaf en beweeglijk was. Hij besloot dus,
+dat de vlam niet in een lantaarn was opgesloten.
+
+»Een mijner metgezellen zeker," zei kolonel Munro in zich
+zelven. »... Goûmi misschien! Maar neen! Die zou met geen licht
+rondloopen, dat hem zou verraden.... Wat kan 't dan zijn?"
+
+Het licht kwam langzamerhand dichter bij. Eerst gleed het langs den
+muur der oude kazerne en Sir Edward mocht met recht vreezen, dat het
+door eenigen der daar binnen slapende Hindoes zou opgemerkt worden.
+
+Gelukkig was dit niet het geval en het licht ging voorbij zonder
+opgemerkt te worden. Somtijds, als de hand, die het droeg in
+koortsachtige beweging geraakte, flikkerde het op en schitterde met
+levendiger glans.
+
+Weldra had het licht den muur der borstwering bereikt en liep er langs,
+als het St.-Elmusvuur in een stormachtigen nacht.
+
+Toen begon kolonel Munro een soort van spooksel te onderscheiden,
+zonder duidelijken vorm, een »schaduw", die onduidelijk door dat
+licht beschenen werd. Het wezen, welk dan ook, dat zich op die wijze
+voorwaarts spoedde, moest gehuld zijn in een lang overkleed, waaronder
+zich de armen en het hoofd verborgen.
+
+De gevangene bewoog zich niet. Hij hield zijn adem in. Hij vreesde
+de verschijning schrik aan te jagen, de vlam te zien uitdooven,
+waarvan het licht haar in het donker geleidde. Hij hield zich even
+onbeweeglijk als het zware stuk metaal, dat hem in zijn enormen mond
+scheen te bevatten.
+
+Intusschen gleed het spooksel steeds langs de borstwering voort. Zou
+het niet kunnen gebeuren, dat het tegen het lichaam van den slapenden
+Hindoe aanstootte? Neen. De Hindoe lag links van het kanon uitgestrekt
+en de verschijning kwam van de rechterzijde, nu eens stilstaande,
+dan weder met kleine schreden voortgaande.
+
+Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat kolonel Munro haar
+duidelijker kon onderscheiden.
+
+Het was een wezen van gemiddelde lengte, welks lichaam werkelijk geheel
+door een lang overkleed bedekt was. Van onder dit overkleed kwam een
+hand te voorschijn, die een brandenden harsachtigen tak vasthield.
+
+»Zeker een gek, die gewoon is de kampementen der Dacoits te bezoeken,"
+zei kolonel Munro in zich zelven, »en waarop men geen acht meer
+slaat! Waarom heeft hij geen dolk in de hand, in plaats van een
+fakkel!... Misschien zou ik dan?..."
+
+Het was wel geen gek, maar toch had Sir Edward Munro het nagenoeg
+geraden.
+
+Het was de waanzinnige van de vallei der Nerbudda, het in hare
+geestvermogens gekrenkte schepsel, dat sedert vier maanden door de
+Vindhyas ronddwaalde, altijd gevierd en gastvrij ontvangen door de
+bijgeloovige Gounds. Noch Nana Sahib, noch een zijner metgezellen
+wisten welk deel de »Dwalende Vlam" aan den aanval van den pâl
+van Tandît genomen had. Dikwijls hadden zij haar ontmoet in het
+bergachtige gedeelte van Bundelkund, en zij hadden zich nooit over
+hare tegenwoordigheid bekommerd. Meermalen reeds had zij op hare
+dagelijksche tochten hare schreden gericht naar het fort van Ripore en
+niemand was het in de gedachte gekomen haar er uit te verjagen. Alleen
+het toeval harer nachtelijke omzwervingen had er haar dezen zelfden
+nacht heen geleid.
+
+Kolonel Munro wist niets van de waanzinnige af. Hij had nooit van
+de Dwalende Vlam hooren spreken en toch deed dat onbekende wezen,
+dat hem misschien zou aanraken, misschien tot hem zou spreken, zijn
+hart met een onverklaarbare hevigheid slaan.
+
+Langzamerhand was de waanzinnige het kanon genaderd. Haar fakkel gaf
+nog slechts een zwak licht van zich en zij scheen den gevangene niet
+te zien, hoewel zij zich vlak voor hem bevond en hare oogen door het
+overkleed heen, dat als het boetkleed eens boetvaardigen door gaten
+doorboord was, bijna zichtbaar waren.
+
+Sir Edward Munro hield zich doodstil. Noch door een beweging met
+het hoofd, noch door een woord beproefde hij de aandacht van dit
+zonderlinge schepsel te trekken.
+
+Trouwens keerde zij bijna dadelijk op hare schreden terug, teneinde
+om het enorme stuk geschut heen te gaan, op welks oppervlakte haar
+fakkel kleine zwevende schaduwen afteekende.
+
+Begreep ze, de krankzinnige, waartoe dit kanon, dat daar als een
+monster lag uitgestrekt, moest dienen, waarom die man voor den mond
+was vastgebonden, die bij de eerste stralen der opgaande zon bliksem
+en donder zou uitbraken?
+
+Neen, ongetwijfeld. De Dwalende Vlam was daar, zooals ze overal was,
+zonder het zelve te weten. Zij dwaalde dien nacht, zooals zij het
+reeds zoo dikwijls gedaan had, over het bergvlak van Ripore. Daarna
+zou zij het verlaten, zij zou langs het kronkelende voetpad afdalen,
+zij zou de vallei weder bereiken en hare schreden daarheen richten,
+waar hare grillige verbeelding haar brengen zou.
+
+Kolonel Munro, die vrij het hoofd kon omkeeren, volgde al hare
+bewegingen. Hij zag haar achter om het stuk heengaan. Van daar begaf
+zij zich in de richting van den muur der borstwering, zeker om deze
+te volgen tot het punt waar zij zich aan de poort aansloot.
+
+En werkelijk liep de Dwalende Vlam juist zooals de kolonel vermoedde,
+doch op eenige schreden van den slapenden Hindoe af zich omgekeerd
+hebbende, keerde zij zich om. Belette een onzichtbare band haar verder
+te gaan? Hoe het zij, een onverklaarbaar instinct voerde haar naar
+kolonel Munro terug en wederom bleef zij onbeweeglijk voor hem staan.
+
+Ditmaal sloeg het hart van Sir Edward Munro zoo onstuimig, dat hij
+het met de hand tot bedaren had willen brengen.
+
+De Dwalende Vlam was naderbij gekomen. Zij had haar fakkel op de
+hoogte van het gelaat van den gevangene gebracht, alsof zij hem beter
+had willen zien. Door de gaten van haar boethemd heen, kon men hare
+oogen zien schitteren.
+
+Kolonel Munro, onwillekeurig door die vurige oogen als betooverd,
+verslond haar met zijn blikken.
+
+Toen trok de waanzinnige langzamerhand de plooien van haar overkleed
+van een. Weldra vertoonde zich haar gelaat ontbloot en op dit
+oogenblik schudde ze met de rechterhand de fakkel heen en weder,
+die een helderder glans verspreidde.
+
+Een kreet!--een half gesmoorde kreet,--ontsnapte aan de borst van
+den gevangene.
+
+»Laurence! Laurence!"
+
+Hij meende op zijn beurt krankzinnig te worden!... Zijne oogen sloten
+zich een oogenblik.
+
+Het was lady Munro! Ja! lady Munro zelve,--die daar voor hem stond!
+
+»Laurence... gij... gij!" herhaalde hij.
+
+Lady Munro antwoordde niets. Zij herkende hem. Zij scheen hem zelfs
+niet te hooren.
+
+»Laurence! Krankzinnig! krankzinnig, ja!... maar levend!"
+
+Sir Edward Munro had zich niet kunnen vergissen door een gewaande
+gelijkenis. Het beeld zijner jonge vrouw was te diep in zijn hart
+gegrift. Neen! zelfs na een scheiding van negen jaren, die hij niet
+anders dacht dan dat eeuwig zou zijn, was het ongetwijfeld lady Munro,
+veranderd zeker, maar nog schoon, het was lady Munro, als door een
+wonder aan de beulen van Nana Sahib ontsnapt, die daar voor hem stond!
+
+De ongelukkige, na al het mogelijke gedaan te hebben om hare moeder,
+onder hare oogen gedood, te redden, was gevallen. Gewond, maar niet
+doodelijk en onder zoovele anderen gemengd, werd zij een van de laatste
+in de put van Cawnpore geworpen, op de opgehoopte slachtoffers, die
+haar reeds vulden. Toen de nacht was aangebroken, deed een laatst
+instinct van zelfbehoud haar tot den rand der put voortsleepen,--het
+instinct alleen, want toen reeds had zij haar verstand tengevolge
+dezer vreeselijke tooneelen verloren. Na alles wat zij geleden had
+sedert het begin van het beleg, in de gevangenis van Bibi-Ghar, op
+het tooneel van den moord, na hare moeder te hebben zien ombrengen,
+had zij het hoofd verloren. Zij was krankzinnig, maar levend! zooals
+Munro er zich zooeven van overtuigd had. Krankzinnig had zij zich
+buiten de put gesleept, had in den omtrek rondgezworven, was zij
+buiten de stad kunnen komen, op het oogenblik dat Nana Sahib en de
+zijnen haar na de bloedigen executie verlieten. Krankzinnig had zij
+zich in het duister gered, steeds voor zich heen gaande, dwars over
+de velden. De steden vermijdende, de bewoonde streken ontvluchtende,
+hier en daar door arme raïots opgenomen, geëerbiedigd als een wezen
+van verstand beroofd, was de arme waanzinnige op die wijze tot de
+Sautpourrabergen, tot de Vindhyas gedwaald! En, sedert negen jaren
+dood voor allen, maar de geest altijd getroffen door de herinnering
+aan de verschrikkingen van het beleg, zwierf zij steeds overal rond!
+
+Ja, zij was het wel!
+
+Nogmaals riep kolonel Munro haar... Zij antwoordde niet. Wat zou hij
+niet hebben willen geven om haar te omarmen, haar op te nemen, mede
+te voeren, een nieuw leven met haar te beginnen, haar het verstand
+terug te geven door tal van zorgen en liefdeblijken!... En hij stond
+daar gebonden aan die metaalmassa, het bloed vloeide uit zijne armen
+door de diepe insnijdingen der touwen en niets kon hem met haar aan
+die gevloekte plek ontrukken!
+
+Welk een foltering, zoo wreed als zelfs de verbeelding van een Nana
+Sahib niet had kunnen uitdenken! O! indien dat monster daar geweest
+was, als hij geweten had dat lady Munro in zijn macht was, welk
+een vreeselijk genot zou hij gesmaakt hebben! Met welke verfijnde
+martelingen zou hij ongetwijfeld de wanhoop van den gevangene nog
+slechts vergroot hebben!
+
+»Laurence! Laurence!" herhaalde Sir Edward Munro.
+
+En hij riep haar met luide stem, op gevaar af den eenige schreden
+verder slapenden Hindoe te wekken, op gevaar af de Dacoits te lokken,
+in de oude kazerne gelegerd en Nana Sahib zelven!
+
+Doch lady Munro bleef hem, zonder te begrijpen, met verwilderde
+oogen aanzien. Zij zag niets van het verschrikkelijk lijden van den
+ongelukkige, die haar terugvond op het oogenblik, dat hij zelf ging
+sterven! Haar hoofd schudde heen en weder alsof zij niet had willen
+antwoorden!
+
+Eenige minuten verliepen op deze wijze; toen liet zij haar hand zakken,
+de kap viel weder over haar gelaat, en ze trad een schrede achteruit.
+
+Kolonel Munro dacht, dat zij ging ontvluchten!
+
+»Laurence!" riep hij een laatste maal, alsof hij haar voor eeuwig
+een afscheidsgroet toewierp.
+
+Doch neen! Lady Munro dacht er niet aan het bergvlak van Ripore te
+verlaten en de toestand, hoe verschrikkelijk zij reeds ware, zou zich
+nog verergeren.
+
+Werkelijk, lady Munro bleef staan. Blijkbaar had dit kanon haar
+aandacht getrokken. Misschien gloorde er een duistere herinnering aan
+het beleg van Cawnpore bij haar op! Zij keerde dus terug, met langzame
+schreden. Haar hand, waarin zij de fakkel hield, liet de vlam langs
+de metalen buis gaan en een vonk was genoeg om het slagkruit te doen
+ontvlammen en het stuk te doen afgaan!
+
+Zou Munro dan door deze hand sterven?
+
+Dit denkbeeld kon hij niet verdragen! Dan was het honderdmaal beter
+onder de oogen van Nana Sahib en de zijnen te sterven!
+
+Munro was op het punt zijne beulen te roepen, hen wakker te maken!
+
+Plotseling voelde hij uit het binnenste van het kanon een hand
+zijn handen op den rug gebonden, drukken. Het was de drukking van
+een vriendenhand, die zijne banden trachtte los te maken. Weldra
+waarschuwde hem de koude aanraking van een stalenlemmer, dat met
+voorzichtigheid tusschen de koorden en zijn polsen werd gestoken, dat
+zich in de ziel zelve van dit enorme stuk, maar door welk wonder! een
+bevrijder ophield.
+
+Hij kon er zich niet in vergissen! Men sneed de touwen door, die hem
+vastgebonden hielden!...
+
+Binnen een seconde was het verricht! Hij kon een schrede voorwaarts
+doen. Hij was vrij!
+
+Hoezeer meester van zich zelven, zou een kreet hem in het verderf
+storten!...
+
+Een hand strekte zich buiten het stuk uit... Munro vatte haar,
+trok haar naar zich toe en een man, die zich door een laatste
+krachtsinspanning uit de opening van het kanon ontwrongen had, viel
+aan zijne voeten neder.
+
+Het was Goûmi!
+
+De getrouwe dienaar was, na ontsnapt te zijn, den weg naar Jubbulpore
+blijven houden, inplaats van naar het meer terug te keeren, waarheen
+de troep van Nassim zich wendde. Aan den weg van Ripore aangekomen,
+had hij zich een tweede maal moeten verbergen. Er bevond zich daar
+een groep Hindoes, sprekende over kolonel Munro, dien de Dacoits,
+aangevoerd door Kâlagani naar de sterkte zouden brengen, waar Nana
+Sahib hem den dood door het kanon had toegezegd. Zonder een oogenblik
+te verliezen, was Goûmi in het donker naar het kronkelend voetpad
+geslopen en had het op dit oogenblik verlaten bergvlak bereikt. En
+toen was het heldhaftige plan bij hem opgekomen in het enorme kanon
+te kruipen, met de gedachte zijn meester te verlossen, indien de
+omstandigheden zich er toe leenden, of, zoo hij hem niet kon redden,
+met hem te sterven!
+
+»De dag breekt aan!" zei Goûmi zacht. »Laat ons vluchten!"
+
+»En lady Munro?"
+
+De kolonel wees op de waanzinnige, overeind, onbeweeglijk. Haar hand
+lag op dit oogenblik op den kulas van het kanon.
+
+»In onze armen... meester..." antwoordde Goûmi, zonder nadere
+verklaring te vragen.
+
+Het was te laat!
+
+Op het oogenblik, dat de kolonel en Goûmi haar naderden om haar op
+te nemen, hield lady Munro, hun willende ontsnappen, zich even met
+de hand aan het stuk vast, haar fakkel viel op het slagkruit en een
+vreeselijke losbarsting, weerkaatst door de echo's der Vindhyas,
+klonk als een donderslag door de geheele vallei der Nerbudda.
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+IJZEREN REUS.
+
+
+Bij het geweld dezer ontploffing was lady Munro in de armen van haar
+man in onmacht gevallen.
+
+Zonder een oogenblik te verliezen, snelde de kolonel over het plein,
+door Goûmi gevolgd. De Hindoe, gewapend met zijn groot mes, had in
+een oogwenk den verbijsterden bewaker, dien de losbranding op de been
+had gebracht, onschadelijk gemaakt. Daarna wierpen zij zich beiden
+op het smalle voetpad, dat naar den weg van Ripore voerde.
+
+Nauwelijks waren Sir Edward Munro en Goûmi de poort gepasseerd of
+de troep van Nana Sahib, plotseling uit hun slaap gewekt, ijlde over
+het bergvlak.
+
+Een oogenblik van aarzeling, dat den vluchtelingen misschien gunstig
+was, hield de Hindoes terug.
+
+Nana Sahib toch bracht zelden den geheelen nacht in het fort door. Na
+den vorigen dag kolonel Munro voor den mond van het kanon te hebben
+laten vastbinden, had hij zich naar eenige hoofden van stammen uit
+Goundwana begeven, die hij nooit op klaarlichten dag bezocht. Maar het
+was het uur waarop hij gewoonlijk weder naar zijn verblijf terugkeerde
+en het kon niet lang duren of hij zou werkelijk verschijnen.
+
+Kâlagani, Nassim, de Hindoes, de Dacoits, meer dan honderd mannen,
+stonden gereed den gevangene te vervolgen, doch ééne zaak hield hen
+nog terug, namelijk de volstrekte onwetendheid waarin zij verkeerden
+omtrent hetgeen er gebeurd was. Het lijk van den Hindoe, die gesteld
+was ter bewaking van den kolonel, kon hun niets leeren.
+
+Van al de waarschijnlijkheden nu, moest dit voor hen het resultaat
+zijn: dat, door een toevallige omstandigheid het kanon was afgeschoten
+vóór het uur, voor de strafoefening bepaald en dat er van den gevangene
+op dit oogenblik niets meer bestond dan vormlooze overblijfselen!
+
+De woede van Kâlagani en de anderen uitte zich door een concert van
+vervloekingen. Noch Nana Sahib, noch iemand hunner zou dus het genot
+hebben de laatste oogenblikken van kolonel Munro bij te wonen!
+
+Maar de Nabob was niet ver meer af. Ook hij had de losbranding moeten
+hooren. In allerijl zou hij naar de sterkte komen toesnellen. Wat zoude
+men hem antwoorden, als hij hun rekenschap vroeg van den gevangene,
+die hij er had achtergelaten?
+
+Van daar bij allen een aarzeling, die den vluchteling den tijd had
+gegeven iets vooruit te komen, voordat zij werden opgemerkt.
+
+Sir Edward Munro en Goûmi waren dan ook na deze verwonderlijke
+verlossing vol hoop en daalden snel het kronkelend voetpad af naar
+beneden. Lady Munro lag in zwijm, maar woog toch niet zwaar in de
+sterke armen van den kolonel. Zijn dienaar stond trouwens ieder
+oogenblik gereed hem te helpen.
+
+Vijf minuten na door de poort gegaan te zijn, bevonden beiden zich
+halfweg van het bergvlak naar de vallei. Maar de dag begon aan te
+breken en de eerste stralen der zon drongen door tot in de diepste
+schuilhoeken van den nauwen bergpas.
+
+Op dat oogenblik barstten luide kreten boven hun hoofd los.
+
+Over de borstwering heen gebogen, kon Kâlagani juist nog even het
+profiel van het gelaat der twee mannen die vluchtten onderscheiden. Een
+van die mannen kon niemand anders zijn dan de gevangene van Nana Sahib!
+
+»Munro, 't is Munro!" riep Kâlagani woedend.
+
+En, de poort uitsnellende, vloog hij ze na, gevolgd door de geheele
+bende.
+
+»Ze hebben ons gezien!" zei de kolonel, zonder zijn schreden in
+te houden.
+
+»'k Zal de eersten ophouden!" antwoordde Goûmi. »Ze zullen me dooden,
+maar dat zal u misschien den tijd geven den weg te bereiken!"
+
+»Ze zullen ons beiden dooden, of we zullen hun samen ontkomen!" riep
+Munro uit.
+
+Kolonel Munro en Goûmi hadden hun loop nog versneld. Toen zij onder op
+het voetpad waren aangekomen, konden zij met alle macht voortijlen. Nog
+een veertig schreden en zij hadden den weg van Ripore bereikt, die
+op den grooten weg uitliep en waarop het hun gemakkelijker zou vallen
+te vluchten.
+
+Doch gemakkelijker zou dan ook de vervolging zijn. Een schuilplaats te
+zoeken was onnoodig, want zij zouden dadelijk ontdekt zijn. Het was
+dus van het meeste belang de Hindoes vooruit te komen en bovendien
+vóór hen uit den laatsten bergpas der Vindhyas te komen.
+
+Oogenblikkelijk nam kolonel Munro het besluit niet opnieuw levend in
+de handen van Nana Sahib te vallen. Haar, die hem was teruggegeven,
+zou hij liever met den dolk van Goûmi dooden, dan haar den nabob
+overleveren en met dien zelfden dolk zou hij daarna zich zelven
+treffen!
+
+De vluchtelingen hadden toen bijna vijf minuten op hunne vervolgers
+gewonnen. Op het oogenblik dat de eerste Hindoes de poort uitsnelden,
+zagen kolonel Munro en Goûmi van verre reeds den weg waarop het
+voetpad uitliep, terwijl de groote weg nog slechts een kwart mijl
+verwijderd was.
+
+»Moed gehouden, meester!" zeide Goûmi, gereed den kolonel tot bolwerk
+van zijn lichaam te strekken. »Nog vijf minuten en we zijn op den
+weg naar Jubbulpore!"
+
+»God geve, dat we er hulp vinden!" mompelde kolonel Munro.
+
+De kreten der Hindoes werden allengs duidelijker.
+
+Op het oogenblik dat de vluchtelingen den weg opsnelden, kwamen twee
+mannen, die snel liepen, onder aan het voetpad aan.
+
+Het was toen licht genoeg om elkaar te onderscheiden en twee namen,
+met doodelijken haat uitgesproken, beantwoordden elkander tegelijk:
+
+»Munro!"
+
+»Nana Sahib!"
+
+De nabob was op het geluid der losbarsting toegesneld en besteeg in
+allerijl het pad naar het fort. Hij begreep niet waarom zijne bevelen
+vóór den door hem bepaalden tijd waren uitgevoerd.
+
+Een Hindoe vergezelde hem, doch voordat deze Hindoe een stap verder
+en zelfs een gebaar had kunnen doen, viel hij voor de voeten van
+Goûmi neder, doodelijk getroffen door het mes, dat de banden van den
+kolonel had losgesneden.
+
+»Help!" schreeuwde Nana Sahib tot den troep, die het voetpad afdaalde.
+
+»Ja, wacht!" antwoordde Goûmi.
+
+En sneller dan de bliksem, wierp hij zich op den nabob.
+
+Zijn plan was geweest, als het hem althans niet mocht gelukken hem
+dadelijk te dooden, dan toch zoolang met hem te worstelen, dat kolonel
+Munro den tijd zou hebben den weg te bereiken, maar de ijzeren hand
+van den nabob had de zijne afgewend en zijn mes was hem ontvallen.
+
+Woedend zich ontwapend te zien greep nu Goûmi zijn tegenstander bij
+den gordel en hem tegen zich aan drukkende, nam hij hem in zijne
+krachtige armen op, vast besloten zich met hem in den eersten den
+besten afgrond te storten.
+
+Intusschen waren Kâlagani en zijne metgezellen naderbij gekomen,
+ze hadden het onderste gedeelte van het voetpad bereikt en dan was
+er geen hoop meer hun te kunnen ontsnappen!
+
+»Nog een poging!" herhaalde Goûmi. »'k Zal 't nog eenige minuten zien
+uit te houden en me van hun nabob als een schild bedienen! Vlucht,
+meester, vlucht zonder mij!"
+
+Maar nauwlijks drie minuten waren nu de vluchtelingen van hunne
+vervolgers verwijderd en de nabob riep Kâlagani met gesmoorde stem.
+
+Plotseling klonken twintig passen verder kreten van:
+
+»Munro! Munro!"
+
+Daar was Banks, op den weg naar Ripore, met kapitein Hod, Maucler,
+sergeant Mac Neil, Fox, Parazard en honderd schreden van hen af,
+op den grooten weg, de IJzeren Reus, die wolken damp uitwerpende,
+hen met Storr en Kâlouth opwachtte!
+
+Na de vernieling van het laatste huis van het Stoomhuis, hadden de
+ingenieur en zijn metgezellen slechts een besluit te nemen, den olifant
+namelijk, dien de bende der Dacoits niet had kunnen vernietigen,
+als voertuig te gebruiken. Dadelijk hadden zij dus op den rug van
+den IJzeren Reus het Puturiameer verlaten en waren zij den weg naar
+Jubbulpore ingeslagen. Maar juist op het oogenblik dat zij den weg,
+die naar het fort leidde, voorbijgingen, had een geduchte losbranding
+boven hunne hoofden weerklonken en hadden zij dadelijk halt gehouden.
+
+Een voorgevoel, een instinct, als men wil, had hen aangezet dezen weg
+te volgen. Wat hoopten zij? Zij zouden het niet hebben kunnen zeggen.
+
+Zeker is het, dat eenige minuten later de kolonel voor hen stond,
+hun toeroepende:
+
+»Red lady Munro!"
+
+»En help me Nana Sahib overmeesteren, ditmaal den echten!" riep
+Goûmi uit.
+
+Met een laatste wanhopige krachtsinspanning had hij den nabob ter
+aarde geworpen, die nu verder door kapitein Hod, Mac Neil en Fox
+bedwongen werd.
+
+Vervolgens begaven Banks en de zijnen zonder verder eenige verklaring
+te vragen, zich naar den IJzeren Reus op den weg.
+
+Op bevel van den kolonel, die hem aan de Engelsche rechtspleging wilde
+overleveren, werd Nana Sahib aan den hals van den olifant gebonden. Wat
+lady Munro betreft, men bracht haar in het torentje, alwaar haar
+man aan haar zijde plaatsnam. Geheel met de zorg voor zijne vrouw
+vervuld, die weder tot bewustzijn scheen te komen, trachtte hij eenige
+schemering van licht in hare verstandelijke vermogens te ontdekken.
+
+De ingenieur en zijne metgezellen waren haastig op den rug van den
+IJzeren Reus geklommen.
+
+»En nu »fullspeed" vooruit!" riep Banks.
+
+Het was toen dag geworden. Een honderd schreden achterwaarts verscheen
+reeds een eerste groep Hindoes. Tot elken prijs moest men vóór hen den
+vooruitgeschoven post van het militaire kantonnement van Jubbulpore,
+die den laatsten bergpas der Vindhyas bezet houdt, bereiken.
+
+De IJzeren Reus had nu in overvloed water, brandstof, alles wat
+noodig was de noodige drukking te onderhouden en hem zijn maximum
+van snelheid te verleenen. Maar op dezen weg met zijne plotselinge
+krommingen, kon hij zich niet blindelings voortbewegen.
+
+De kreten der Hindoes verdubbelden toen en de geheele troep won
+zichtbaar op hem.
+
+»We zullen ons moeten verdedigen," zei sergeant Mac Neil.
+
+»Welnu, we zullen ons verdedigen!" antwoordde kapitein Hod.
+
+Er bleef nog een twaalftal schoten over. Het was dus noodzakelijk
+geen enkelen kogel te verliezen, want de Hindoes waren gewapend en
+men moest ze vooral op een afstand houden.
+
+Kapitein Hod en Fox plaatsten zich met de karabijn in de hand op
+het kruis van den olifant, achter het torentje. Goûmi voor, had zich
+zoodanig geplaatst, dat hij in schuinsche richting kon vuren. Mac Neil,
+bij Nana Sahib, in de eene hand een revolver, in de andere een dolk,
+hield zich gereed hem te dooden, als de Hindoes hem mochten naderen,
+Kâlouth en Parazard voor den vuurhaard, voorzagen hem onophoudelijk
+met brandstof. Banks en Storr bestuurden den gang van den IJzeren Reus.
+
+De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Twee honderd schreden
+op zijn hoogst, scheidden de Hindoes van Banks en de zijnen. Mochten
+zij sneller gaan, de kunstmatige olifant kon het langer uithouden dan
+zij. De geheele tactiek bestond dus daarin, hen te beletten vooruit
+te komen.
+
+Op dit oogenblik barstten er een tiental geweerschoten los. De kogels
+passeerden fluitende boven den IJzeren Reus, uitgenomen een, die hem
+tegen het uiteinde van zijn tromp trof.
+
+»Schiet niet, en als ge schiet, wees dan zeker van uw schot!" riep
+kapitein Hod. »Laten we onze kogels sparen! Ze zijn nog te ver af!"
+
+Toen Banks nu een eind weg bijna in rechte lijn voor zich zag, draaide
+hij den regulateur wijd open, waarna de IJzeren Reus, zijn snelheid
+verdubbelende, de bende verscheidene honderd passen achter zich liet.
+
+»Hoera! hoera! leve onze Reus!" riep kapitein Hod uit, die zich niet
+meer kon inhouden! »O! die schelmen, ze zullen hem niet hebben!"
+
+Doch aan het einde van dit rechte gedeelte van den weg, zou een
+soort van opstijgenden en bochtigen hollen weg, laatste bergpas van
+de zuidelijke helling der Vindhyas, noodzakelijk den gang van Banks
+en zijne metgezellen vertragen. Kâlagani en de anderen wisten deze
+bijzonderheid en gaven de vervolging niet op.
+
+De IJzeren Reus had snel deze vernauwing van den weg bereikt, die
+tusschen twee hooge hellende rotsen doorliep.
+
+Men moest toen wel minder snel en slechts met de grootste
+voorzichtigheid vooruitgaan. Tengevolge van deze vertraging, wonnen
+de Hindoes het geheele verloren terrein terug. Al hadden zij de hoop
+opgegeven Nana Sahib te redden, althans wilden zij zijn dood wreken.
+
+Weldra barstten nieuwe geweerschoten los, doch zonder een der berijders
+van den IJzeren Reus te treffen.
+
+»Nu begint het ernstig te worden!" zei kapitein Hod, zijn karabijn
+aanleggende. »Attentie!"
+
+Goûmi en hij vuurden tegelijk af. Twee der naastbijzijnde Hindoes,
+beiden in de borst getroffen, vielen neder.
+
+»Twee minder!" zei Goûmi, zijn wapen opnieuw ladende.
+
+»Twee percent!" riep kapitein Hod uit. »'t Is nog niet genoeg. We
+dienen ze nog meer af te nemen!"
+
+En de karabijnen van den kapitein en van Goûmi, waarbij zich het
+geweer van Fox voegde, troffen doodelijk drie andere Hindoes.
+
+Maar men kwam niet snel vooruit in den bochtigen bergpas. Niet alleen
+dat de weg zich vernauwde, men weet dat hij ook sterk helde. Evenwel
+nog een halve mijl en de laatste berghelling der Vindhyas was voorbij
+en de IJzeren Reus kwam uit op honderd passen van een post, bijna in
+het gezicht van het station van Jubbulpore!
+
+De Hindoes waren de menschen niet om voor het vuur van kapitein Hod
+en zijne metgezellen terug te deinzen. Zij gaven niets om hun leven
+als het er op aan kwam Nana Sahib te redden of te wreken! Tien,
+twintig van hen zouden misschien sneuvelen, maar tachtig bleven
+er nog over om zich op den IJzeren Reus te werpen en den kleinen
+troep te overmeesteren wien hij tot een rollend bolwerk diende! Ook
+verdubbelden zij hunne pogingen hen, die ze vervolgden te bereiken.
+
+Kâlagani wist trouwens, dat kapitein Hod en de zijnen aan hunne
+laatste patronen waren en dat weldra geweren en karabijnen slechts
+nuttelooze wapenen in hunne handen zouden zijn.
+
+En werkelijk hadden de vluchtelingen de helft der ammunitie verbruikt,
+die hun nog overbleef, zoodat zij weldra in de onmogelijkheid zouden
+zijn zich te verdedigen.
+
+Evenwel weerklonken nog vier geweerschoten en vier Hindoes beten in
+het stof.
+
+Er bleven kapitein Hod en Fox nog slechts twee schoten over.
+
+Op dit oogenblik kwam Kâlagani, die zich tot nog toe een weinig
+had schuil gehouden, meer naar voren dan met de voorzichtigheid
+overeenkwam.
+
+»Hoera! nu heb ik hem!" riep kapitein Hod uit, terwijl hij met de
+grootste kalmte op hem mikte.
+
+De kogel uit de karabijn van den kapitein trof den verrader midden
+op het voorhoofd. Zijne handen tastten een oogenblik in de ruimte,
+hij draaide in het rond en viel.
+
+Op dit oogenblik kwam het zuidelijk uiteinde van den bergpas in het
+gezicht. De IJzeren Reus deed een laatste poging. Voor het laatst liet
+de karabijn van Fox zich hooren en een laatste Hindoe mat den bodem.
+
+Maar ook bijna dadelijk daarop bemerkten de Hindoes, dat het vuren
+had opgehouden en als wanhopigen snelden zij ter bestorming van den
+olifant, waarvan zij slechts vijftig schreden verwijderd waren.
+
+»Op den grond! op den grond!" schreeuwde Banks.
+
+En werkelijk was het in de gegeven omstandigheden beter den IJzeren
+Reus te verlaten en naar den post te loopen, die niet veraf meer was.
+
+Kolonel Munro, zijne vrouw in zijn armen nemende, zette den voet op
+den weg.
+
+Ook kapitein Hod, Maucler, de sergeant en de anderen waren onmiddellijk
+op den grond gesprongen.
+
+Banks alleen was in het torentje gebleven.
+
+»En die schoelje daar!" riep kapitein Hod uit, op Nana Sahib wijzende,
+die nog altijd aan den hals van den olifant was vastgebonden.
+
+»Laat me mijn gang eens gaan, kapitein!" antwoordde Banks op vreemden
+toon.
+
+Daarna, voor het laatst den regulateur omdraaiende, klom hij op zijn
+beurt af.
+
+Allen gingen toen op de vlucht, met den dolk in de hand, gereed om
+zoo duur mogelijk hun leven te verkoopen.
+
+Intusschen bleef de IJzeren Reus, door den stoom voortgedreven,
+hoewel nu aan zich zelven overgelaten, tegen de helling opklimmen;
+doch, niet meer bestuurd wordende, stootte hij met vreeselijk geweld
+tegen de linker helling van den weg aan en plotseling stil blijvende
+staan, versperde hij den weg bijna in zijn geheele breedte.
+
+Banks en de zijnen waren reeds een dertig schreden van hem af, toen
+de Hindoes zich in massa op den IJzeren Reus wierpen, om Nana Sahib
+te verlossen.
+
+Eensklaps bracht een ontzettend geraas, gelijk aan de geweldigste
+donderslagen, de luchtlagen met een onbeschrijfelijke hevigheid
+in beweging.
+
+Banks had, alvorens het torentje te verlaten, de veiligheidskleppen
+zwaar belast. De stoom bereikte dus zijn maximum van spanning en
+toen de IJzeren Reus tegen den rotswand aanbotste, deed deze stoom,
+zich niet meer door de cilinders kunnende ontlasten, den stoomketel
+springen, welks overblijfselen naar alle richtingen heen verspreid
+werden.
+
+»Arme Reus!" riep kapitein Hod uit, »verloren om ons te redden!"
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+DE VIJFTIGSTE TIJGER VAN KAPITEIN HOD.
+
+
+Kolonel Munro, zijne vrienden, zijne metgezellen, hadden niets meer te
+vreezen, noch van den nabob, noch van de Hindoes, die hem aanhingen,
+noch van de Dacoits, waarvan hij in dit gedeelte van Bundelkund een
+geduchte bende gevormd had.
+
+Op het geraas der ontploffing waren de soldaten van den post van
+Jubbulpore in aanzienlijken getale naar buiten gesneld. Wat van de
+metgezellen van Nana Sahib overbleef, zich zonder chef bevindende,
+was dadelijk op de vlucht gegaan.
+
+Kolonel Munro maakte zich bekend. Een half uur later, bevonden allen
+zich aan het station, alwaar zij in overvloed vonden wat hun ontbrak
+en vooral de levensmiddelen, die zij het dringendst noodig hadden.
+
+Lady Munro werd tijdelijk geherbergd in een comfortabel hotel, totdat
+de gelegenheid zich voordeed haar naar Bombay te vervoeren. Daar hoopte
+Sir Edward Munro haar, die nog slechts een lichamelijk leven leidde,
+het zieleleven terug te geven, want zoolang zij haar verstand niet
+had teruggekregen, zou zij immers altijd dood voor hem zijn!
+
+Trouwens, niemand zijner vrienden wanhoopte aan de aanstaande genezing
+van lady Munro. Allen wachtten met vertrouwen een gebeurtenis af,
+die alleen in staat was een omkeering in het leven van den kolonel
+te brengen.
+
+Men besloot, reeds den volgenden dag naar Bombay te vertrekken. De
+eerste trein zou al de gasten van het Stoomhuis naar de hoofdstad van
+West-Indië terugbrengen. Ditmaal zou het de gewone locomotief zijn, die
+hen zou medevoeren en niet meer de onvermoeide IJzeren Reus, waarvan
+nu nog slechts vormlooze overblijfselen hier en daar verspreid lagen.
+
+Maar, noch kapitein Hod, zijn dweepende bewonderaar, noch Banks,
+zijn schrandere maker, noch iemand van de leden der expeditie, zouden
+ooit het »getrouwe dier" vergeten, wien zij eindelijk een werkelijk
+leven hadden toegekend. Nog lang zou het geraas der ontploffing,
+die hem vernietigd had, in hunne herinnering nablijven.
+
+Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat Banks, kapitein Hod,
+Maucler, Fox, Goûmi, alvorens Jubbulpore te verlaten, eerst nog eens
+naar het tooneel der ramp wilden terugkeeren.
+
+Er was blijkbaar niets meer van de bende der Dacoits te
+vreezen. Nochtans, toen de ingenieur en zijn metgezellen aan den post
+der Vindhyas kwamen, voegde zich uit overmaat van voorzichtigheid een
+detachement soldaten bij hen, waarmede zij tegen elf uren den ingang
+van den bergpas bereikten.
+
+Al dadelijk vonden zij vijf of zes verminkte lijken over den grond
+verspreid. Het waren die der aanvallers, die zich op den IJzeren Reus
+geworpen hadden, om Nana Sahib te bevrijden.
+
+Maar dat was ook alles. Van het overige der bende was geen spoor meer
+te vinden. Inplaats van naar hun oude schuilplaats van Ripore terug
+te keeren, die trouwens nu bekend was, hadden de laatste aanhangers
+van Nana Sahib zich overal door de vallei der Nerbudda verspreid.
+
+Wat den IJzeren Reus betreft, deze was geheel door de ontploffing
+van den stoomketel vernield. Een zijner groote pooten was tot op
+verren afstand weggeslingerd. Een gedeelte van zijn snuit, tegen
+de berghelling geworpen, was er in vast blijven zitten en stak er
+uit als een reusachtige arm. Overal geblakerde stukken plaatijzer,
+krammen, klinkbouten, roosters, overblijfselen van cilinders,
+stukken geledingen. Op het oogenblik der ontploffing, toen de belaste
+veiligheidskleppen den stoom geen uitweg meer konden verschaffen,
+moet zijn spanning zeker vreeselijk geweest zijn en misschien twintig
+atmosfeeren hebben overtroffen.
+
+En nu, van den kunstmatigen olifant waarop de gasten van het Stoomhuis
+zoo trotsch waren, van dien kolos, die de bijgeloovige bewondering der
+Hindoes uitlokte, van het mechanische meesterstuk van den ingenieur
+Banks, van dien verwezenlijkten droom van den fantastischen rajah
+van Bouthan, bleef niets meer over dan een onherkenbaar karkas,
+zonder eenige de minste waarde!
+
+»Arm dier!" kon kapitein Hod zich niet weerhouden uit te roepen bij
+het lijk van zijn waarden IJzeren Reus.
+
+»We kunnen een ander vervaardigen... een ander, die nog machtiger
+zal zijn!" zeide Banks.
+
+»Ongetwijfeld," antwoordde de kapitein, een diepe zucht loozende,
+»maar onze IJzeren Reus zal het toch niet meer zijn!"
+
+Terwijl zij zich met dit onderzoek bezighielden, kwam het den ingenieur
+en zijnen metgezellen in de gedachte rond te zien of niet hier of daar
+eenige overblijfselen van Nana Sahib zouden te vinden zijn. Bij gebrek
+van het gelaat van den nabob, overigens zoo gemakkelijk te herkennen,
+zou de hand waaraan een vinger ontbrak hun voldoende geweest zijn om
+de identiteit te bevestigen. Zij zouden dit onbetwistbare bewijsstuk
+van den dood van hem, dien men niet meer met zijn broeder Balao Rao
+kon verwarren, wel in hun bezit gehad willen hebben.
+
+Maar geen der bloedige overblijfselen, die over den grond verspreid
+lagen, scheen hem te hebben toebehoord, die Nana Sahib was. Hadden
+zijne dweepzieke volgelingen tot het laatste spoor zijner
+overblijfselen medegenomen? Het was meer dan waarschijnlijk.
+
+Het gevolg hiervan zoude zijn dat, daar er geen enkel zeker bewijs
+was van den dood van Nana Sahib, de legende hare rechten wederom zou
+doen gelden en dat, in den geest der bevolking van Centraal-Indië,
+de nabob altijd voor levend zou doorgaan, in afwachting dat men een
+onsterfelijken god van het oude opperhoofd der Sipayers maakte.
+
+Doch Banks en de zijnen konden moeielijk gelooven, dat Nana Sahib de
+ontploffing had kunnen overleven.
+
+Zij kwamen aan het station terug, evenwel niet zonder dat kapitein
+Hod een stuk van een der slagtanden van den IJzeren Reus had
+opgeraapt,--een kostbaar overblijfsel, dat hij als een souvenir
+wilde bewaren.
+
+Den volgenden dag, 4 October, verlieten allen Jubbulpore in een waggon,
+die ter beschikking van kolonel Munro en zijn personeel gesteld
+was. Vier en twintig uren later passeerden zij de westelijke Ghâtes,
+deze Hindostansche Andes, die zich over een lengte van drie honderd
+zestig mijlen uitstrekken, te midden van dichte bosschen vijgeboomen,
+ahornboomen, teks, vermengd met palmboomen, kokosboomen, areks of
+pinangpalmen, peperboomen, sandelboomen, bamboes. Eenige uren later,
+zette de trein hen af op het eiland Bombay, dat met de eilanden
+Salcetti, Elephanta en anderen een prachtige reede vormt, aan welker
+zuidoostelijk uiteinde de hoofdstad van het Presidentschap gelegen is.
+
+Kolonel Munro zou niet in deze groote stad blijven, waar Arabieren,
+Perziërs, Banyanen, Abyssiniërs, Passis of Guèbres, Scindiërs,
+Europeanen van alle landen, en zelfs,--naar het schijnt,--Hindoes
+elkander verdringen.
+
+De geneeskundigen, geraadpleegd over den toestand van lady Munro,
+rieden aan haar naar een villa in de omstreken te brengen, waar de
+kalmte, gevoegd bij hunne dagelijksche zorgen en de onophoudelijke
+toewijding van haren echtgenoot, ongetwijfeld een heilzame uitwerking
+moest tengevolge hebben.
+
+Een maand ging op deze wijze voorbij. Geen enkele van de metgezellen
+van den kolonel, geen enkele zijner bedienden had er aan gedacht hem
+te verlaten. Op het tijdstip, dat niet ver meer verwijderd was en
+waarop zich verschijnselen van genezing bij de jonge vrouw begonnen
+voor te doen, wilden ze allen tegenwoordig zijn.
+
+Eindelijk was die lang gewenschte dag daar. Langzamerhand kreeg lady
+Munro hare vermogens terug. Die rijk begaafde geest begon weder te
+denken. Van hetgeen eens de Dwalende Vlam geweest was, bleef niets
+meer over, zelfs niet de herinnering.
+
+»Laurence! Laurence!" had de kolonel uitgeroepen, en lady Munro,
+hem eindelijk herkennende, was in zijne armen gevallen.
+
+Een week later, waren de gasten van het Stoomhuis in den bungalow te
+Calcutta vereenigd. Daar zou een leven beginnen, zeer verschillend
+van dat, hetwelk tot nog toe in de weelderige woning geleid was. Banks
+moest er den tijd doorbrengen, dien zijne werkzaamheden hem vrij lieten
+en kapitein Hod de verloftijden waarover hij zou kunnen beschikken. Wat
+Mac Neil en Goûmi betreft, zij behoorden tot het huis en zouden zich
+nooit meer van kolonel Munro scheiden.
+
+Op dit tijdstip was Maucler verplicht Calcutta te verlaten om naar
+Europa terug te keeren. Hij deed dit terzelfdertijd als kapitein
+Hod, wiens verlof om was en dien de getrouwe Fox naar de militaire
+kantonnementen van Madras ging volgen.
+
+»Vaarwel, kapitein," zei kolonel Munro tot hem. »Het doet me genoegen,
+dat ge geen berouw hebt over uw reis door Noord-Indië, of het zou
+moeten zijn dat ge uw vijftigsten tijger niet geschoten hebt!"
+
+»Wel, hij is geschoten, kolonel."
+
+»Wat! Is hij geschoten?"
+
+»Wel zeker," antwoordde kapitein Hod. »Negen en veertig tijgers
+en... Kâlagani... is dat geen vijftig?"
+
+
+
+
+
+
+
+DOKTER OX.
+
+I.
+
+Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft op te zoeken,
+zelfs niet op de beste kaarten.
+
+
+Zoo ge het stadje Quiquendone op een kaart van Vlaanderen mocht willen
+opzoeken, hetzij een oude of een nieuwe, zoudt ge het waarschijnlijk
+niet vinden. Is Quiquendone dan een van die steden, welke van
+de aarde verdwenen zijn? Niet? Een stad in haar opkomst dan? Ook
+niet. De stad bestaat, wat de aardrijkskundigen ook mogen beweren,
+en ze bestaat wel al acht of negen eeuwen. Ze telt zelfs twee duizend
+drie honderd drie en negentig zielen, aannemende dat ieder inwoner
+een ziel heeft. Quiquendone ligt dertien en een halve kilometer ten
+Noordwesten van Oudenaarde en vijftien en een kwart kilometer ten
+Zuid-oosten van Brugge, in 't hartje van Vlaanderen dus. De Vaar,
+een bijriviertje van de Schelde, loopt er midden door, en er zijn
+drie bruggen over geslagen in middeleeuwschen stijl, zooals men er
+ook te Doornik vindt. Verder kan men er een oud kasteel bewonderen,
+waarvan de eerste steen gelegd werd in 1197 door Graaf Boudewijn,
+den toekomstigen Keizer van het Ottomanische Rijk, en een stadhuis
+met gothische vensters, versierd met kanteelen en prijkende met
+een kolossalen klokketoren van drie honderd zeven en vijftig voet
+hoogte. Elk uur laat zich daar een klokkenspel van vijf octaven
+hooren; dat is een ware luchtpiano, nog vermaarder dan het beroemde
+carillon van Brugge. Als er vreemdelingen komen in Quiquendone--zoo
+dat al ooit gebeurd is--verzuimen zij nooit de zaal der stadhouders te
+bezoeken, waar het portret van Willem den Zwijger prijkt, door Brandon
+geschilderd; de kerk, een meesterstuk van bouwkunst uit de zestiende
+eeuw; de drinkwaterput met een bewonderenswaardig ijzeren hek van
+Quinten Metsys; het graf, vroeger bestemd voor Maria van Bourgogne,
+die thans in de Notre Dame te Brugge rust, en andere merkwaardigheden
+meer. De voornaamste tak van nijverheid te Quiquendone bestaat in de
+vervaardiging van zeker roomgebak, waarvoor zij beroemd is, en van
+suikerwerkjes op groote schaal. Sedert eeuwen staat de stad onder
+bestuur van de familie Van Tricasse, in welke familie die waardigheid
+van vader op zoon overgaat. Toch komt Quiquendone op de kaarten van
+Vlaanderen maar niet voor! Hebben de aardrijkskundigen haar vergeten,
+of misschien met opzet weggelaten? Dat zou ik u niet kunnen zeggen,
+maar wel weet ik, dat het stadje met zijn nauwe straten, zijn
+wallen, zijn Spaansche huizen, zijn stadhuis en zijn burgemeester
+bestaat,--en, wat boven alles bewijst dat het bestaat, is dat er
+zich onlangs verrassende, buitengewone, even onwaarschijnlijke als
+waarachtige tooneelen voordeden, waarvan ik u thans een getrouw
+verhaal zal leveren.
+
+Men moet me geen kwaad spreken van de Vlamingen in West-Vlaanderen! Het
+zijn welgezeten, brave, spaarzame, gezellige, gastvrije lieden;
+misschien zijn ze niet erg rad van tong en vlug van geest, maar dat
+is nog geen reden, waarom een van hun meest belangwekkende steden
+nog altijd op een plaatsje in den atlas moet wachten.
+
+Dat is een betreurenswaardig verzuim! Spraken nu nog maar de
+geschiedenis, of althans de kronieken, of zelfs maar de gewestelijke
+overleveringen van Quiquendone! Maar neen, noch atlassen, noch
+gidsen, noch reisbeschrijvingen spreken er van. Ieder gevoelt,
+hoe zeer dit den handel en de nijverheid eener stad moet benadeelen,
+doch we dienen gauw op te merken, dat Quiquendone noch nijverheid noch
+handel bezit en er best buiten kan. Ook 't suikerwerk en het roomgebak,
+die het vervaardigt, vinden hun man op de plaats zelve en gaan niet
+naar buiten. Kortom, de Quiquendoners hebben geen mensch noodig. Ze
+hebben maar weinig wenschen, ze leven zeer eenvoudig, ze zijn kalm,
+matig, koel, flegmatisch, in een woord, echte Vlamingers!
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder Niklausse over
+de belangen der stad spreken.
+
+
+»Zoudt ge dat denken?" vroeg de burgemeester.
+
+»Ja, dat denk ik," antwoordde de wethouder na eenige minuten zwijgens.
+
+»Maar 't zou zeer bedenkelijk zijn lichtvaardig een besluit te nemen,"
+hernam de burgemeester.
+
+»Ja, dat is zoo, waarde Van Tricasse," gaf de wethouder Niklausse
+ten antwoord. »Ik wil u wel zeggen, we zijn nu tien jaren over de
+gewichtige zaak bezig, maar ik kan er nog niet toe komen een besluit
+te nemen."
+
+»Ik kan mij zeer goed verklaren, dat gij aarzelt," antwoordde de
+burgemeester, na zich een goed kwartier bedacht te hebben. »Ik kan
+mij verklaren dat ge aarzelt, en ik zelf aarzel ook. We zullen het
+best doen door nog niet te beslissen en eerst de zaak eens nauwkeurig
+te overwegen."
+
+»Zeker is het," hernam Niklausse, »dat de plaats van commissaris van
+politie in een zoo rustige stad als Quiquendone overbodig is."
+
+»Onze voorganger," gaf Van Tricasse op ernstigen toon ten antwoord,
+»onze voorganger zeide nimmer, zou nimmer hebben durven zeggen, dat
+dit of dat zeker was. 't Is altijd mogelijk, dat het later berouwt
+zoo iets stelligs gezegd te hebben."
+
+De wethouder trok met een bevestigend gebaar de wenkbrauwen op
+en liet zich in ongeveer een half uur niet hooren. Al dien tijd
+verroerden de wethouder en de burgemeester geen vin. Daarna vroeg
+Niklausse aan Van Tricasse, of zijn voorganger, die een twintig jaar
+geleden gestorven was, ook nooit eens op de gedachte gekomen was,
+die commissaris-betrekking op te heffen, welke toch elk jaar de stad
+Quiquendone met een uitgaaf van dertien honderd vijf en zeventig
+frank en eenige centimes bezwaarde.
+
+»Welzeker," antwoordde de burgemeester, die met een gewichtig gebaar
+de hand aan zijn voorhoofd bracht, »welzeker, maar die waardige man
+stierf voordat hij een besluit genomen had, hetzij ten opzichte
+van deze zaak, hetzij ten opzichte van eenige andere zaak van
+administratieven aard. Hij deed wijs. Waarom zou ik ook zoo niet doen?"
+
+De wethouder Niklausse kon geen enkele reden bedenken, waarom de
+burgemeester niet ook zoo zou doen.
+
+»De man die als hij sterft, zeggen kan nooit in zijn leven tot een
+besluit gekomen te zijn," ging Van Tricasse op deftigen toon voort,
+»heeft in dit ondermaansche bijna het volmaakte bereikt."
+
+Toen de burgemeester dit gezegd had, drukte hij op de veer eener schel,
+die een nauw hoorbaar geluid gaf. Bijna op hetzelfde oogenblik gleed
+iemand met zachte schreden over de vloersteenen. Een muis had op een
+dik tapijt niet minder leven kunnen maken. De kamerdeur had op hare
+goedgesmeerde hengsels gedraaid, en een jong meisje met lange blonde
+vlechten was binnengekomen. Het was Suze Van Tricasse, de eenige
+dochter van den burgemeester. Zij gaf haren vader een gestopte pijp
+en zette een koperen komfoortje neer; zonder een woord te spreken
+verdween zij weder, even onhoorbaar als zij gekomen was.
+
+De burgervader stak den eerbiedwaardigen inhoud van zijn rooktoestel
+aan en hulde zich weldra in een wolk van blauwen rook, terwijl de
+wethouder Niklausse in diep gepeins verzonken bleef.
+
+Het vertrek, waarin deze beide bestuurders van Quiquendone hun gesprek
+voerden, was een spreekkamer, waarin rijke versierselen van snijwerk
+in donker hout waren aangebracht. Een geheele wand werd ingenomen door
+een geweldigen vuurhaard, waarop een os gebraden had kunnen worden;
+daartegenover bevond zich een venster met in lood gevatte ruitjes,
+welker schilderwerk het daglicht temperde. Boven den schoorsteen hing
+in een ouderwetsche lijst een portret, naar men zeide van Hemlïng,
+dat een der voorvaderen der Van Tricasses moest voorstellen, een
+geslacht, dat stellig opklimt tot de veertiende eeuw, in den tijd
+toen de Vlamingen strijd moesten voeren met Keizer Rudolf van Habsburg.
+
+Die spreekkamer was een vertrek in het huis van den burgemeester, dat
+een der aangenaamste woningen van de stad was. Het was naar Vlaamschen
+trant gebouwd en had al het verrassende, grillige, schilderachtige
+van den spitsbogenstijl; het behoorde dan ook tot de merkwaardigste
+monumenten der stad.
+
+In een klooster van Karthuizer monniken of een instituut voor
+doofstommen had het niet stiller kunnen zijn dan in dat huis. Niets
+verstoorde er de stilte; men liep niet, maar gleed over den vloer;
+men praatte niet, maar lispelde. Toch waren er vrouwen in huis, en
+wel de vrouw van den burgemeester, Mevrouw Brigitta Van Tricasse, hare
+dochter, Suze Van Tricasse, en een dienstmeisje, Lotje Janssen. Voorts
+woonde er nog de zuster van den burgemeester, Tante Hermance, een
+oude-jongejuffrouw, die nog luisterde naar den naam van tantetje,
+zooals haar nichtje Suze, toen die nog een klein meisje was, haar
+noemde. Niettegenstaande er dus bouwstoffen te over waren voor
+oneenigheid, gedruisch en gebabbel, was het in de woning van den
+burgemeester rustig als in de woestijn.
+
+De burgemeester was iemand van een vijftig jaren, niet dik en
+niet mager, niet groot en niet klein, niet blozend en niet bleek,
+niet vroolijk en niet somber, niet tevreden en niet pruilerig, niet
+ferm en niet flauw, niet trotsch en niet nederig, niet goed en niet
+kwaad, niet mild en niet gierig, niet dapper en niet laf, niet te
+veel en niet te weinig,--ne quid nimis,--een man die in alles de maat
+hield. De burgemeester Van Tricasse was het flegma in eigen persoon;
+dat had een gelaatskenner dadelijk gezien aan de onverstoorbare
+langzaamheid van zijne bewegingen, aan zijne eenigszins hangende
+benedenkaak, aan zijn voortdurend opgetrokken wenkbrauwen, aan zijn
+glad rimpeloos voorhoofd. Nimmer had, hetzij door toorn, hetzij door
+hartstocht, eenige aandoening dezen man het hart sneller doen kloppen
+of zijn gelaat doen kleuren, nooit waren zijne wenkbrauwen door drift
+samengetrokken, al ware het ook slechts voor een oogenblik. Hij had
+altijd goede kleeren aan, niet te wijd en niet te nauw, en kon ze ook
+niet verslijten. Hij droeg altijd groote schoenen met zilveren gespen
+en driedubbele zolen, die door hun groote duurzaamheid zijn schoenmaker
+tot wanhoop brachten. Zijn hoofd was bedekt met een breeden hoed, die
+nog dagteekende van den tijd toen Vlaanderen voor goed van Nederland
+gescheiden werd, zoodat dit hoofddeksel den achtenswaardigen leeftijd
+van veertig jaren bereikt had.
+
+Hoe kon het ook anders? Hartstochten doen het lichaam zoowel als de
+ziel slijten, en de kleedingstukken zoowel als het lichaam, en onze
+kalme, rustige, onverschillige burgemeester had geen hartstochten. Hij
+zorgde wel, dat hij niet versleet en hij zorgde er ook wel voor, dat
+hij niet sleet; daardoor kwam hij zich zelf uiterst geschikt voor,
+om de stad Quiquendone en haar rustige inwoners te besturen.
+
+De stad toch was niet minder rustig dan de woning van haar
+burgemeester, en in dat vreedzame verblijf dacht de waardige Van
+Tricasse zoolang mogelijk het einde zijner dagen af te wachten, in elk
+geval zoolang tot de goede Mevrouw Brigitta Van Tricasse, zijn vrouw,
+hem in het graf was voorgegaan, waar zeker haar rust niet grooter
+kon zijn dan die zij nu reeds sinds zestig jaren hier op aarde smaakte.
+
+Dit vereischt een nadere uitlegging.
+
+Ieder kent de geschiedenis van den man, die al wel vijfentwintig
+jaren éen mes gebruikt had, maar ook het hecht vernieuwde zoodra
+het niet meer deugde, en een ander lemmer nam als dit niet goed meer
+was. Precies iets dergelijks gebeurde ook sedert onheuglijke tijden
+in de familie Van Tricasse, en de natuur had er zich met zeldzame
+welwillendheid in gevoegd.
+
+Sedert het jaar 1340 was het onveranderlijk gebeurd, dat een Van
+Tricasse, zoodra hij weduwnaar was geworden, hertrouwd was met
+een jongere Van Tricasse, die, zoodra zij weduwe was geworden, een
+nieuw huwelijk aanging met een jongeren Van Tricasse, die, werd hij
+weduwnaar... enz. enz. in een oneindige reeks door. Ieder lid der
+familie stierf als het zijn beurt was.
+
+Nu was de thans levende Van Tricasse reeds de tweede man van de
+waardige Mevrouw Brigitta Van Tricasse, die, wilde zij niet in al hare
+plichten tekortschieten, haar tien jaren jongeren echtgenoot naar
+de andere wereld moest voorgaan, teneinde plaats te maken voor een
+nieuwe Van Tricasse. Daar rekende de achtbare burgemeester stellig op,
+opdat de overleveringen der familie niet geschonden zouden worden.
+
+Zoo zag het er uit in dat vreedzame en stille huis, waar de deuren
+niet piepten, de vensters niet rammelden, de vloeren niet kraakten,
+de schoorsteenen niet snorden, de windhanen niet knersten, de meubels
+niet knapten, de sloten niet klepperden, en waar de bewoners niet
+meer gedruisch maakten dan hun schaduw. Harpocrates, de God der
+stilzwijgendheid, had dit verblijf zeker voor den tempel der rust
+verkozen.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als onverwachte
+manier komt binnenvallen.
+
+
+'t Was kwart vóor drie, toen het hiervoren vermelde gewichtige gesprek
+tusschen den wethouder en den burgemeester begon, 't was kwart vóor
+vier, toen Van Tricasse zijn gewone pijp opstak, waarin een kwart ons
+tabak ging. Vijf minuten over half zes had hij haar opgerookt, en al
+dien tijd was tusschen beide personen geen woord gewisseld. Tegen zes
+uren maakte de wethouder, die zijn onderwerp niet gemakkelijk losliet,
+de opmerking:
+
+»Besluiten we dus?..."
+
+»Met niets te besluiten, ja," was het antwoord van den burgemeester.
+
+»'k Zou wel denken, dat ge 't bij het rechte eind hadt, Van Tricasse."
+
+»Mij dunkt het ook, Niklausse. We zullen ten opzichte van den
+commissaris van politie wel eens een besluit nemen als wij beter op
+de hoogte zijn... later... 't Komt er toch op geen maand aan..."
+
+»O, zelfs op een jaar niet," gaf Niklausse ten antwoord, terwijl
+hij langzaam zijn zakdoek ontvouwde, waarvan hij overigens een bijna
+onmerkbaar gebruik maakte.
+
+Het stilzwijgen werd wederom gedurende een uur tijds niet
+afgebroken. De rust werd door niets verstoord, zelfs niet door het
+binnenkomen van den hond Lento, die, even bedaard als zijn meester,
+zich door de kamer bewoog. Dat was een hond! Een waar model voor al
+zijn rasgenooten. Als hij van bordpapier geweest was met rolletjes
+onder de pooten, zou hij niet minder leven hebben kunnen maken.
+
+Tegen acht uren, toen Lotje de ouderwetsche lamp had binnengebracht,
+zeide de burgemeester tot den wethouder:
+
+»Is er geen andere dringende zaak af te doen, Niklausse?"
+
+»Neen, Van Tricasse, zoover ik weet niet."
+
+»Wat ik zeggen wil; heb ik niet gehoord, dat de Oudenaardesche poort
+op inzakken stond?"
+
+»Juist," antwoordde de wethouder, »en wezenlijk, 't zou mij niet
+verwonderen, als zij op den een of anderen dag boven een voorbijganger
+instortte."
+
+»Nu," was het antwoord, »voordat dit gebeurt zullen we, hoop ik,
+daaromtrent wel een beslissing genomen hebben."
+
+»Dat hoop ik ook, Van Tricasse."
+
+»Er zijn zaken die meer haast hebben."
+
+»Zeker," gaf de wethouder ten antwoord, »bijv. de zaak van het
+ledermagazijn."
+
+»Brandt dat nog altijd?" was de vraag.
+
+»Nog altijd, sedert drie weken."
+
+»Hebben we in den Raad niet besloten het te laten branden?"
+
+»Zeker, Van Tricasse, op uw voorstel nog wel."
+
+»Was dat niet het beste en eenvoudigste middel om den brand meester
+te worden?"
+
+»Daar kan niemand iets tegen zeggen."
+
+»Wel, dan kunnen we ook wachten. Is dat alles?"
+
+»Ja, dat is alles," zeide de wethouder, met peinzend gelaat het hoofd
+krabbend, als om zich te vergewissen, dat hij niet de een of andere
+gewichtige zaak vergat.
+
+»Wacht eens," hernam de burgemeester, »hebt ge ook niet hooren spreken
+van een doorbraak, waardoor de laaggelegen wijk van St. Jacob dreigt
+onder te loopen?"
+
+»Ja, juist," was het antwoord. »Hoe jammer dat die doorbraak niet
+ontstond vlak boven het ledermagazijn! Dan was natuurlijk de brand
+gebluscht en bespaarde het ons vrij wat hoofdbrekens."
+
+»Och, die ongelukken kunnen zoo wonderlijk loopen," sprak de waardige
+burgemeester. »Daar is hoegenaamd geen verband tusschen, en men kan
+maar niet van het eene gebruik maken om het andere te bestrijden."
+
+De wethouder had eenigen tijd noodig om ten volle het fijne van die
+opmerking te beseffen.
+
+»Maar hoe is het mogelijk," riep een poos later de wethouder Niklausse
+uit, »hoe is het mogelijk, dat wij niet eens over de groote zaak
+spreken!"
+
+»Welke groote zaak? Hebben wij dan een groote zaak?" vroeg de
+burgemeester.
+
+»Wel zeker. De quaestie van de stedelijke verlichting immers!"
+
+»O ja," gaf de burgemeester ten antwoord. »Als mijn geheugen me niet
+bedriegt, bedoelt ge de verlichting door dien dokter Ox."
+
+»Juist."
+
+»Zoo; en hoe staat het er meê?"
+
+»Best. De zaak marcheert goed. Men begint de buizen reeds te leggen;
+de fabriek is al klaar. Maar me dunkt, we haasten ons wel wat met
+die zaak," zeide de wethouder, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
+
+»'t Kan zijn," antwoordde de burgemeester, »maar we moeten niet
+vergeten, dat dokter Ox de proef geheel voor zijn rekening neemt. 't
+Kost ons geen duit."
+
+»Ja, dat zegt heel veel. Men moet toch ook met zijn eeuw medegaan. Als
+de proef gelukt, zal Quiquendone de eerste stad van Vlaanderen zijn,
+die verlicht wordt met hydro-oxy.... Hoe heet dat gas ook weer?"
+
+»Hydro-oxygeengas."
+
+»Nu, hydro-oxygeengas dan."
+
+Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam Lotje den burgemeester
+zeggen, dat het avondmaal gereed stond. De wethouder Niklausse stond
+op om afscheid te nemen van den burgemeester, dien het nemen van
+zoovele besluiten en het behandelen van zoovele zaken geducht hongerig
+gemaakt hadden. Men besloot ten slotte over een vrij geruimen tijd
+den raad van notabelen bijeen te roepen, om te beslissen of men ook
+voorloopig eene beslissing zou nemen ten aanzien van den toren der
+Oudenaardesche poort.
+
+Daarna gingen de beide waardige magistraatspersonen naar de deur,
+die op de straat uitkwam en liet de burgemeester den wethouder
+uit. Deze ontstak zijn lantaarntje, dat hem veilig door de donkere
+straten van Quiquendone moest brengen, die nog niet verlicht waren
+door het nieuwe gas van dokter Ox. 't Was een donkere Octobernacht
+en er hing een lichte nevel over de stad.
+
+'t Duurde een goed kwartier, voordat de wethouder Niklausse gereed
+was tot vertrekken, want nadat hij zijn lantaarn had ontstoken, moest
+hij nog zijn slobkousen aandoen en zijn dikke wollen handschoenen
+aantrekken. Vervolgens zette hij den gevoerden kraag van zijn overjas
+op, sloeg de klep van zijn muts neer, nam zijn stevigen parapluie in
+de hand en was toen eindelijk klaar.
+
+Juist toen Lotje den sluitboom van de deur zou nemen, werd plotseling
+eenig gedruisch van buiten hoorbaar.
+
+Ja, dat klinkt nu wel onwaarschijnlijk, maar er was toch gedruisch,
+zooals misschien in de gansche stad niet gehoord was sedert de
+bezetting door de Spanjaarden in 1563, en dat gedruisch riep al
+de slapende echo's in het oude huis Van Tricasse wakker. Men duwde
+tegen de deur, die tot dusver nog nooit door eene hand onbehoorlijk
+was aangeraakt! Men klopte herhaaldelijk met een klinkend voorwerp,
+waarschijnlijk een knoestigen stok door een krachtige hand in beweging
+gebracht! Tusschen de slagen hoorde men roepen, schreeuwen en duidelijk
+kon men deze woorden verstaan:
+
+»Mijnheer Van Tricasse! Mijnheer de burgemeester! Doe open, doe eens
+gauw open!"
+
+De burgemeester was al even onthutst als de wethouder, en beiden keken
+elkander aan zonder een woord te spreken. Van zoo iets hadden zij
+geen begrip. Als men vlak vóor hen de oude veldslang had afgeschoten
+die op het kasteel stond en sedert 1385 niet gebruikt was, zouden de
+bewoners in het huis van Van Tricasse niet meer uit de lijken geslagen
+zijn dan nu.
+
+Het geklop en het geschreeuw werd inmiddels steeds sterker. Eindelijk
+was Lotje zichzelve genoeg meester geworden om te durven roepen:
+
+»Wie is daar?"
+
+»Ik ben het! Ik!"
+
+»Wie is ik?"
+
+»De commissaris Passauf!"
+
+Dat leven werd dus gemaakt door den commissaris van politie, terwijl er
+al tien jaar van gesproken was of die betrekking eigenlijk wel noodig
+was! Wat was er dan toch gebeurd? Hadden de inwoners van Bourguignon
+de stad Quiquendone bestormd, evenals in de 14e eeuw? Minstens zoo
+iets moest er gebeurd zijn om den commissaris Passauf zoodanig op te
+winden, want anders was hij al niet minder kalm en flegmatiek dan de
+Burgemeester zelf.
+
+Van Tricasse gaf een teeken, want spreken kon de waardige man niet,
+en de sluitboom werd weggenomen en de deur geopend.
+
+De commissaris kwam als een hoos de kamer binnenstormen.
+
+»Wat is er toch, mijnheer de commissaris?" vroeg Lotje, een flinke
+meid, die zelfs in de bangste oogenblikken het hoofd niet verloor.
+
+»Wat er is!" riep de commissaris, wiens groote ronde oogen van
+ontroering schitterden. »Wat er is? Ik kom van de woning van dokter
+Ox; daar was partij, en daar..."
+
+»Nu, en daar?" vroeg de wethouder.
+
+»Daar ben ik getuige geweest van een woordenwisseling die... Mijnheer
+de burgemeester, er is daar over politiek gesproken!"
+
+»Over politiek," herhaalde Van Tricasse, terwijl hij de kuif van zijn
+pruik opstreek.
+
+»Over politiek," hernam de commissaris, waarmede hij iets berichtte,
+dat stellig in geen honderd jaar te Quiquendone gebeurd was. »Het
+gesprek is steeds levendiger geworden. De advocaat André Schut en de
+geneesheer Dominicus Custos hebben zulk een heftige woordenwisseling
+gehad, dat misschien een uitdaging...."
+
+»Wat! een uitdaging!" riep de wethouder uit. »Een duel! Een duel te
+Quiquendone! En wat hebben de advocaat Schut en de geneesheer Custos
+wel gezegd?"
+
+»Woordelijk dit: »Mijnheer de advocaat," heeft de geneesheer tot zijn
+tegenpartij gezegd, »gij gaat eenigszins te ver, dunkt mij, en het
+schijnt, dat gij er niet genoeg op bedacht zijt uwe woorden te wegen!""
+
+De burgemeester Van Tricasse sloeg de handen ineen. De wethouder werd
+bleek en liet zijn lantaarn vallen. Zulke krasse woorden, en dat door
+twee van de notabelste inwoners!
+
+»Die geneesheer Custos," mompelde Van Tricasse, »is zonder twijfel
+een gevaarlijk man, een heethoofd; laat ons de zaak overwegen,
+mijne heeren!"
+
+Hierop begaven de wethouder Niklausse en de commissaris zich met den
+burgemeester in de spreekkamer.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige is en stoute
+proeven neemt.
+
+
+Wie is toch die man met dien zonderlingen naam, die dokter Ox? Een
+zonderling stellig, maar tegelijkertijd ook een stout geleerde, een
+natuurkundige, wiens talent door gansch Europa gewaardeerd wordt,
+een gelukkig mededinger van mannen als Davy, Dalton, Bostock,
+Menzie, Godwin, Vierordt, kortom van al die knappe menschen, die
+de natuurkunde tot een van de voornaamste vakken der hedendaagsche
+wetenschap verheven hebben.
+
+Dokter Ox was een vrij gezet man van middelbare grootte; hij
+telde... neen, hoeveel jaren hij telde, zouden wij niet precies
+kunnen opgeven, ook niet waar hij vandaan kwam. Dat komt er ook
+trouwens minder op aan. Hij was, en dat is voldoende, een ongewoon
+personage, warmbloedig, snel in zijn bewegingen, in één woord een
+levende tegenstelling van de bewoners van Quiquendone.
+
+In zich zelf en in zijn leer stelde hij een onverstoorbaar
+vertrouwen. 't Was een lust hem te zien loopen met zijn eeuwigen
+glimlach, met opgerichten hoofde, de borst flink en vrij met elke
+ademhaling zoo krachtig uitzettende. Levendig was hij, zeer levendig
+zelfs; kwikzilver had hij in de aderen, en hij liep als op spelden. Hij
+trippelde altijd heen en weer en sprak haastig en met veel beweging.
+
+Was die dokter Ox dan rijk, dat hij op zijn kosten een gansche stad
+ging verlichten?
+
+Misschien wel, anders doet men zulke uitgaven niet. Meer kunnen we
+op die onbescheiden vraag niet antwoorden.
+
+'t Zal een vijf maanden geleden zijn, dat de dokter te Quiquendone
+kwam; hij was vergezeld van zijn assistent, luisterende naar den
+naam van Gideon Ygeen. Dat was een lange, magere man, die echter even
+levendig was als zijn patroon.
+
+Maar waarom had dokter Ox aangenomen op zijne kosten de stad te
+verlichten? En waarom had hij nu juist de vreedzame Quiquendoners
+gekozen, de rustigste aller Vlamingen; waarom wilde hij hunne stad de
+weldaden doen genieten van een uitstekende gasverlichting? Kon het
+ook zijn, dat hij een of andere groote natuurkundige proef op het
+oog had en die in anima vili wilde uitvoeren? Wat wilde die man toch?
+
+Hierop moeten wij het antwoord schuldig blijven, want dokter Ox had
+maar één vertrouwde, zijn assistent Ygeen, en die gehoorzaamde hem
+blindelings.
+
+Naar het schijnt, had dokter Ox aangenomen de stad te verlichten;
+zij had er behoefte aan, vooral 's nachts, zooals de commissaris
+Passauf zeer ter snede opgemerkt had. De inrichting was bijna klaar,
+en gasbuizen waren gereed het gas te doen stroomen in de sierlijke
+gasbekken, die in eenige openbare gebouwen en in de woningen van
+eenige vrienden van den vooruitgang aangebracht waren.
+
+Van Tricasse, als burgemeester, en Niklausse, als wethouder, hadden
+gemeend in hunne woningen die nieuwe verlichting te moeten doen
+aanleggen, en eenige andere autoriteiten hadden gemeend hun voorbeeld
+te moeten volgen.
+
+Dat gas toch was iets nieuws; het was geen gewoon koolwaterstofgas,
+gas dat uit steenkool gestookt wordt, neen, het hydro-oxygeengas
+was twintig maal helderder en werd gevormd door eene vermenging van
+hydrogenium en oxygenium, dus waterstof met zuurstof.
+
+De dokter had als bekwaam scheikundige en vernuftig natuurkundige er
+een middel op gevonden, om het gas op groote schaal te verkrijgen
+en langs veel goedkooper weg dan de gewone manier. Heel eenvoudig
+ontleedde hij het water, waarin een zwak zuur was opgelost, met een
+door hem uitgedachte batterij, uit nieuwe elementen bestaande. De dure
+hulpmiddelen waren dus vermeden; zoo waren geen platina, geen retorten,
+geen brandstoffen, geen fijnbewerkte toestel om de beide gassen
+afzonderlijk daar te stellen, meer noodig. Een electrische stroom liep
+door groote bakken vol water, en de vloeistof werd ontleed in hare
+samenstellende deelen: oxygenium en hydrogenium. Het oxygenium ging
+langs den eenen weg, het hydrogenium, welks volume dubbel zoo groot
+was als dat van zijn ouden makker, ging den anderen kant uit. Beide
+gassen werden in afzonderlijke reservoirs opgevangen, dat was noodig,
+want anders zou er een verschrikkelijke ontploffing gevolgd zijn,
+als het eens in vlam geraakte. Door pijpen werden ze vervolgens naar
+de verschillende gasbekken gevoerd, die zoo zouden ingericht zijn,
+dat er geen ontploffing kon ontstaan. Dat alles zou een prachtige vlam
+geven, minstens gelijk aan het electrisch licht, dat, zooals iedereen
+uit de proeven van Casselmann weet, een lichtkracht heeft van niet
+meer en niet minder dan elf honderd een en zeventig waskaarsen.
+
+Zonder twijfel zou de stad Quiquendone door deze edelmoedige
+onderneming een heerlijke verlichting rijk worden; maar daar was het
+dokter Ox en zijn assistent toch minder om te doen, gelijk uit het
+volgende blijken zal.
+
+Juist den dag nadat de commissaris Passauf op zoo luidruchtige wijze
+bij den burgemeester was komen binnenstuiven, waren Gideon Ygeen en
+dokter Ox aan het praten in hun gemeenschappelijk werkvertrek in de
+benedenverdieping van de fabriek.
+
+»Wel Ygeen, wat zegt ge er van?" riep dokter Ox uit, terwijl hij zich
+tevreden in de handen wreef. »Ge hebt gisteren op de partij die goede,
+koudbloedige Quiquendoners eens gezien, die, wat hartstochtelijkheid
+betreft, het midden houden tusschen sponzen en koraalgewassen. Ge
+hebt nu gezien, dat ze al beginnen te redetwisten en elkander met
+woorden en gebaren uitdagen. In geestelijk en lichamelijk opzicht
+waren ze reeds veranderd. Dat is nog maar een begin! Wacht nu eerst
+totdat we hun een grootere dosis geven!"
+
+»Ik kan niet anders zeggen, dokter," antwoordde Gideon Ygeen, terwijl
+hij met den wijsvinger langs zijn spitsen neus wreef, »dan dat de
+proef goed begint, en als ik niet zoo voorzichtig was geweest om de
+kraan te sluiten, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn."
+
+»Ge hebt gehoord wat die advocaat Schut en die geneesheer Custos
+zeiden," hernam dokter Ox. »Op zichzelf waren de woorden zoo erg
+niet, maar voor een Quiquendoner zijn ze wel zoo kras als de gansche
+reeks van vloeken, die de helden van Homerus elkander naar het hoofd
+wierpen voordat ze van leer trokken. Ha, die Vlamingen, ge zult eens
+zien wat we daar nog van maken!"
+
+»We zullen hen tot ondankbaren maken," antwoordde Gideon Ygeen,
+op den toon van iemand die de menschheid op haar rechte waarde schat.
+
+»Kom, kom!" was het antwoord van den dokter, »wat kan het ons schelen
+of ze er ons dankbaar voor zijn of niet, als onze proef maar gelukt."
+
+»Maar dan is het nog de vraag," voegde zijn assistent er glimlachend
+bij, »of wij, door hunne ademhalingswerktuigen zoo in opschudding
+te brengen, niet de longen van die brave bewoners van Quiquendone
+eenigszins van streek maken.
+
+»Des te erger voor hen," gaf de dokter ten antwoord. »Het is in het
+belang van de wetenschap. Stel u eens voor, dat honden of kikvorschen
+zich eens niet langer tot de vivisectie wilden leenen!"
+
+Hoogstwaarschijnlijk zouden de honden en kikvorschen, als ze
+geraadpleegd werden, wel eenige bezwaren inbrengen tegen de
+verrichtingen der heeren vivisectionisten; dokter Ox bekreunde zich
+evenwel om die gissing niet veel en gaf een zucht van voldoening over
+zijn onwederlegbaar argument.
+
+»Alles wèl beschouwd, dokter, hebt ge gelijk," gaf Gideon Ygeen met
+berusting ten antwoord. »We konden eigenlijk nergens beter terechtkomen
+dan bij deze inwoners van Quiquendone."
+
+»Neen, dat konden we zeker niet," zeide de dokter met eenigen nadruk
+op elke lettergreep.
+
+»Hebt ge den pols van die menschen wel eens gevoeld?"
+
+»Wel honderd maal."
+
+»En hoeveel slagen gemiddeld?"
+
+»Geen vijftig in de minuut. Maar begrijp ook eens; een stad waar sedert
+een eeuw geen schijn of schaduw van woordenwisseling bestond, een stad
+waar de karrelui niet vloeken, waar de koetsiers niet schelden, waar
+de paarden niet hollen, waar de honden niet bijten, waar de katten
+niet krabben! Een stad waar het kantongerecht het eene jaar in,
+het andere uit, geen politieovertredingen te behandelen heeft! Een
+stad waar men zich om geen enkele zaak warm maakt, om geen kunsten,
+om geen zaken! Een stad waar gendarmes tot de mythe behooren, waar in
+geen honderd jaar een procesverbaal is opgemaakt! Een stad ten slotte,
+waar in de laatste drie eeuwen geen klap of stomp toegediend is! Ge
+begrijpt nu toch, Ygeen, dat zoo iets niet langer kan voortduren,
+en dat wij daarin eens verandering zullen brengen."
+
+»Prachtig! Overheerlijk!" gaf de assistent met geestdrift ten
+antwoord. »Maar de lucht, dokter, hebt ge die onderzocht?"
+
+»Natuurlijk. Negen en zeventig deelen stikstof en twintig deelen
+zuurstof, koolzuur en waterdamp in veranderlijke hoeveelheid. Dat
+zijn de gewone verhoudingen."
+
+»Best, dokter, best," antwoordde Ygeen. »De proef zal grootsch zijn
+en beslissend."
+
+»En als ze beslissend is," voegde dokter Ox er met een zegepralend
+lachje bij, »dan herscheppen wij de wereld!"
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek brengen aan dokter
+Ox en hetgeen daaruit voortvloeit.
+
+
+De wethouder Niklausse en de burgemeester Van Tricasse wisten nu eens
+wat een onrustige nacht was. Ze hadden letterlijk niet kunnen slapen
+van het ernstige voorval ten huize van dokter Ox. Welke gevolgen kon
+die zaak wel hebben? Ze konden het zich niet voorstellen. Moest er een
+besluit genomen worden? Zou het gemeentebestuur, in hunne personen
+vertegenwoordigd, genoodzaakt zijn tusschenbeide te komen? Moesten
+er besluiten afgevaardigd worden, om te zorgen dat een dergelijk
+schandaal niet meer voorkwam?
+
+Die twijfel bracht natuurlijk een groote stoornis in hun vreedzaam
+karakter teweeg. Voordat zij scheidden evenwel, hadden de beide
+notabelen »besloten" er morgen nog eens over te praten.
+
+Den volgenden dag, nog vóór tafel, begaf de burgemeester Van Tricasse
+zich in persoon naar den wethouder Niklausse. Hij trof zijn vriend
+in veel bedaarder gemoedstoestand aan. Hij zelf had weer al zijn
+waardigheid hernomen.
+
+»Iets nieuws?" was zijn vraag.
+
+»Sinds gisteren niet," antwoordde Niklausse.
+
+»Hoe is het met den geneesheer Dominicus Custos?"
+
+»Ik heb er evenmin iets van gehoord als van den advocaat André Schut."
+
+Na een gesprek van een uur, waarvan de inhoud in drie regels zou
+te vermelden zijn en dat daarom nutteloos zou zijn over te brengen,
+hadden de burgemeester en de wethouder wezenlijk besloten dokter Ox
+een bezoek te gaan brengen, teneinde ongemerkt eenige inlichtingen
+uit hem te trekken.
+
+Nadat, geheel tegen hunne gewoonte in, dit besluit genomen was, vonden
+de twee notabelen zich verplicht, het onmiddellijk uit te voeren. Zij
+verlieten het huis en richtten zich naar de fabriek van dokter Ox,
+buiten de stad, bij de poort van Oudenaarde gelegen,--dezelfde waarvan
+de toren bijna inviel.
+
+De burgemeester en de wethouder liepen niet gearmd, maar zij liepen
+passibus aequis, met langzame en deftige schreden, die hen nauwelijks
+dertien duim per seconde vooruitbracht. 't Was trouwens de gewone
+gang hunner onderhoorigen, die bij menschen geheugen, nooit iemand
+hard hadden zien loopen in de straten van Quiquendone.
+
+Van tijd tot tijd hielden de twee notabelen op den hoek van een stille
+straat eens op om de menschen te groeten.
+
+»Goeden dag, mijnheer de burgemeester," zei de een.
+
+»Goeden dag, mijn vriend", antwoordde Van Tricasse.
+
+»Niets nieuws, mijnheer de wethouder?" vroeg de ander.
+
+»Niets nieuws," antwoordde Niklausse.
+
+Maar toch kon men aan zekere verwonderde gezichten, aan zekere
+vragende blikken merken, dat de woordenwisseling van den vorigen
+avond in de stad bekend was. Alleen reeds aan de door Van Tricasse
+gevolgde richting, kon de domste inwoner van Quiquendone raden, dat
+de burgemeester een ernstigen stap ging nemen. De zaak Custos en Schut
+hield aller gedachten bezig, maar men was er nog niet aan toe om partij
+voor den een of ander te trekken. Die advocaat en die geneesheer waren
+toch inderdaad beiden zeer geachte personages. De advocaat Schut,
+die nooit in de gelegenheid geweest was te pleiten in een stad, waar
+de prokureurs en de deurwaarders slechts voor de leus bestonden, had
+dus ook nooit een proces verloren. Wat den geneesheer Custos betreft,
+'t was een achtenswaardige prakticus, die, op het voetspoor zijner
+collega's, hunne zieken van alle ziekten genazen, uitgenomen van die
+waaraan zij stierven. 't Was een noodlottige gewoonte, die, ongelukkig
+genoeg, aangenomen is door al de leden van al de Faculteiten, in welk
+land ze ook praktiseeren.
+
+Toen ze bij de poort van Oudenaarde waren aangekomen, namen de
+wethouder en de burgemeester voorzichtig een klein omwegje om niet
+te dicht in den omtrek van den toren te komen, die dreigde omver te
+vallen; daarna bekeken ze hem met aandacht.
+
+»'k Denk dat hij vallen zal," zei Van Tricasse.
+
+»'k Denk het ook," antwoordde Niklausse.
+
+»Of men moet hem stutten," voegde Van Tricasse erbij. »Maar moeten we
+'m stutten? Dat is de vraag."
+
+»Dat is juist de vraag," antwoordde Niklausse.
+
+Eenige oogenblikken later meldden ze zich aan de fabriek aan.
+
+»Is dokter Ox te spreken?" vroegen zij.
+
+Dokter Ox was voor de eerste magistraatspersonen der stad altijd te
+spreken en deze werden dan ook dadelijk in de spreekkamer van den
+beroemden natuurkundige ontvangen.
+
+Het kan wel een uur zijn dat de twee notabelen moesten wachten,
+voordat de dokter verscheen. Er bestaat althans alle grond het te
+gelooven, want de burgemeester--en dit was hem nog nooit in zijn
+leven gebeurd--toonde zich wel een beetje ongeduldig, waarvan zijn
+collega ook niet was vrij te pleiten!
+
+Eindelijk trad dokter Ox binnen en begon met zich te verontschuldigen
+de heeren te hebben laten wachten, maar een nieuw model van een
+gasmeter, het verbeteren van een vertakking van gasbuizen... Overigens,
+alles ging goed! De geleidingen voor het oxygenium waren al
+gesteld. Over eenige maanden zou de stad het voorrecht genieten eener
+prachtige verlichting. De twee notabelen konden de monden der buizen
+reeds zien, die in de spreekkamer van den dokter uitkwamen.
+
+Daarna verzocht de dokter de reden te mogen weten van de eer, die
+hij genoot den burgemeester en den wethouder bij zich aan huis te
+mogen ontvangen.
+
+»Maar, enkel u eens te zien, dokter, u eens te zien," antwoordde Van
+Tricasse. »'t Is al zoo lang geleden, dat we dat genoegen niet mochten
+smaken. We gaan weinig uit in ons goede Quiquendone. We tellen onze
+passen en meten onze schreden af. Gelukkig als niets de eentoonigheid
+komt verstoren..."
+
+Niklausse keek ter sluiks zijn vriend eens aan. Zijn vriend had
+nooit zoo lang achtereen gesproken,--althans zonder tusschenpoozen en
+oogenblikken van plechtige stilte. Hij vond dat Van Tricasse zich met
+een zekere radheid van tong uitdrukte als hij nog nooit van hem gehoord
+had. Niklausse zelf gevoelde een onweerstaanbaren lust tot spreken.
+
+Dokter Ox van zijn kant keek den burgemeester guitig aan.
+
+Van Tricasse, die nooit redeneerde of hij moest zich eerst gemakkelijk
+in een goeden leunstoel gezet hebben, was ditmaal opgestaan. Een zekere
+zenuwachtige overspanning, geheel in strijd met zijn gewone kalme
+gemoedsstemming, had zich van hem meester gemaakt. Hij gesticuleerde
+nog wel niet, maar ook dat zou niet lang uitblijven. Wat den wethouder
+aangaat, hij wreef zich de kuiten en haalde lang en diep adem. Zijn
+oog verhelderde zich langzamerhand en hij was werkelijk »besloten"
+om, als het moest, zijn getrouwen vriend den burgemeester, het mocht
+gaan zoo het wilde, bij te staan.
+
+Van Tricasse was opgestaan, hij had eenige schreden gedaan en was
+toen weder tegenover den dokter gaan zitten.
+
+»En over hoeveel maanden," vroeg hij hem met zekeren nadruk, »over
+hoeveel maanden denkt u met uw werkzaamheden gereed te zijn?"
+
+»Over drie of vier maanden, mijnheer de burgemeester," antwoordde
+dokter Ox.
+
+»Over drie of vier maanden, dat is veel!" zeide Van Tricasse.
+
+»Veel te veel!" riep Niklausse, die het op zijn plaats niet langer
+kon uithouden en bij hem was komen staan.
+
+»Ja, zooveel tijd hebben wij noodig om met ons werk gereed te komen,"
+antwoordde de dokter. »We hebben onze werklieden hier uit de stad
+moeten halen, en die zijn niet vlug."
+
+»Wat, niet vlug!" schreeuwde de burgemeester, die dat woord als een
+persoonlijke beleediging scheen op te vatten.
+
+»Neen, mijnheer de burgemeester," hield dokter Ox vol. »Een Fransch
+werkman werkt op éen dag zoo hard als tien van de uwen. U begrijpt,
+'t zijn echte Vlamingen!..."
+
+»Vlamingen!" riep de wethouder Niklausse uit, wiens vingers begonnen
+te jeuken. »In welken zin, Mijnheer, vat gij dat woord op?"
+
+»Wel, in den zelfden... vleienden zin als ieder ander," gaf de dokter
+met een glimlach ten antwoord.
+
+»Hoor eens, Mijnheer!" zeide de burgemeester, terwijl hij met groote
+stappen heen en weer liep, »'k houd niet van die draaierijen. De
+werklieden van Quiquendone doen niet onder voor de werklieden uit
+welke stad ter wereld ook, begrijpt u, en Londen noch Parijs hebben
+we ons tot voorbeeld te stellen! Overigens verzoek ik u met het werk,
+dat u onderhanden hebt, haast te maken. Onze straten zijn opgebroken
+voor het leggen der gasbuizen; dat hindert het verkeer. De handel zal
+er over klagen, en ik, de verantwoordelijke bestuurder, verkies niet
+verwijten te hooren, waarvoor maar al te veel reden zou bestaan!"
+
+Flink gesproken, burgemeester. Daar hoort moed toe, van handel, van
+verkeer te spreken, als men aan die woorden niet gewoon is. Maar wat
+scheelde hem toch?
+
+»En dan," voegde Niklausse er bij, »kan de stad ook niet langer van
+verlichting verstoken blijven."
+
+»Acht of negen eeuwen lang heeft men het toch wel zonder gedaan,"
+antwoordde de dokter.
+
+»Reden te meer, Mijnheer," sprak de burgemeester met veel nadruk:
+»Andere tijden, andere zeden! De wereld gaat vooruit, en wij willen
+niet achter blijven! Binnen een maand dienen onze straten verlicht
+te zijn, of ge zult voor elken dag vertraging een aanzienlijke
+schadeloosstelling te betalen hebben! Waar zou het heen, als in die
+duisternis eens ruzie ontstond?"
+
+»Verschrikkelijk!" riep Niklausse. »Er is maar een kleinigheid noodig
+om den strijdlust van een Vlaming te doen ontvlammen! Vlam--Vlaming!"
+
+»En wat dat betreft," viel de burgemeester hierop in, »is ons door
+onzen commissaris van politie Passauf gerapporteerd, dat gisterenavond
+in uwe salons, mijnheer de dokter, een woordenwisseling gevoerd is. Is
+het zoo, dat het een gesprek over staatkunde was?"
+
+»Zoo was het, mijnheer de burgemeester," antwoordde dokter Ox, die
+moeite had een zucht van voldoening te smoren.
+
+»En werd die woordenwisseling niet gevoerd tusschen den geneesheer
+Dominicus Custos en den advocaat André Schut?"
+
+»Ja, mijnheer de wethouder, maar de woordenwisseling was nog al
+niet scherp."
+
+»Niet scherp!" riep de burgemeester uit, »is dat niet scherp als de
+eene man tot den ander zegt, dat hij zijn woorden niet schijnt te
+wegen! Maar van welk deeg zijt gij dan wel gebakken, Mijnheer? Weet
+gij dan niet, dat hier in Quiquendone niets meer noodig is om uiterst
+betreurenswaardige gevolgen te veroorzaken? Zie, Mijnheer, als gij
+of iemand anders zóo tegen mij durfdet spreken..."
+
+»Of tegen mij..." riep ook Niklausse, en beide notabelen stonden
+met gekruiste armen en te bergen gerezen haren vlak voor dokter Ox,
+die slecht van de reis zou gekomen zijn, als hij het ongeluk gehad
+had met een enkele beweging, of, nog minder, met een blik slechts de
+bedoeling te verraden hun het geringste in den weg te willen leggen.
+
+Gelukkig vertrok de dokter geen spier.
+
+»In alle geval, Mijnheer," liet de burgemeester er op volgen, »stel
+ik u aansprakelijk voor hetgeen in uwe woning voorvalt. Aan mij is
+de rust in deze stad toevertrouwd, en ik zal niet dulden dat zij
+verstoord worde. Hetgeen gisteren gebeurd is moet zich niet herhalen,
+of ik zal weten wat mij te doen staat. Begrepen? Maar geef dan toch
+antwoord, Mijnheer!"
+
+Terwijl de burgemeester zich zoo door een buitengewone opgewondenheid
+had laten medesleepen, was zijn spreken in bulderen overgegaan. Hij
+was woedend, de waardige Van Tricasse, en buiten zou men hem stellig
+kunnen hooren. Toen hij eindelijk buiten adem was en zag dat de dokter
+op zijne uittartingen niet antwoordde, zeide hij tot den wethouder:
+
+»Ga mede, Niklausse."
+
+De deur werd zoo hard dichtgeslagen, dat het huis dreunde, en de
+burgemeester was met den wethouder vertrokken.
+
+Langzamerhand, toen zij een twintig pas geloopen hadden, kwamen de
+waardige vrienden tot bedaren. Zij liepen langzamer, hun stap werd
+gematigder. Hun gelaat schitterde niet meer zoo; van rood werd het
+blozend.
+
+Een kwartier nadat zij de fabriek verlaten hadden, zeide Van Tricasse
+vriendelijk tot den wethouder:
+
+»Wat een aardig man, die dokter Ox! 'k Zie hem altijd met het grootste
+genoegen."
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes voor de
+toekomst maken.
+
+
+De lezers weten, dat de burgemeester eene dochter had, Suze
+geheeten. Voor hoe scherpzinnig ik hen nu ook houd, hebben zij toch
+zeker niet kunnen raden, dat de wethouder Niklausse een zoon had,
+die Frans heette, en dat die zoon de aanstaande was van Suze. Deze
+beide jongelieden waren trouwens voor elkaar geschapen, en ze beminden
+elkaar zooals men te Quiquendone bemint.
+
+Men moet niet denken, dat in deze buitengewone stad de jonge hartjes
+niet klopten; ze klopten alleen maar wat langzaam. Men trouwde er even
+goed als in alle andere steden van de wereld, maar men overhaastte
+zich niet. De verloofden wilden, voordat zij die vreeselijke banden
+smeedden, elkander leeren kennen en die studie duurde minstens
+tien jaren.
+
+Tien jaren vrijde men, ja! Is dat dan te veel, als men zich voor
+het leven wil verbinden? Men studeert soms wel zoo lang om dokter
+of advocaat te worden, en zou men dan in minder tijd de kundigheden
+willen verkrijgen die een echtgenoot noodig heeft? Dat mag men niet
+aannemen, en of het nu wegens het temperament geschiedt of na rijpelijk
+nadenken, het komt ons voor, dat de Quiquendoners met hun lange studie
+geen ongelijk hebben. Als men in andere, vrije en vurige steden soms
+in enkele maanden een huwelijk ziet sluiten, moet men de schouders
+ophalen, en men zou wel doen, zijn jongens naar het college en zijne
+meisjes naar de kostschool te Quiquendone te zenden.
+
+In een halve eeuw was het slechts eens voorgekomen, dat een huwelijk
+binnen de twee jaren tot stand kwam, en dat liep nog bijna slecht af!
+
+Frans Niklausse beminde dus Suze Van Tricasse, maar kalmpjes, zooals
+men bemint, wanneer men tien jaren vóor zich heeft om het beminde
+voorwerp eenmaal het zijne te mogen noemen. Eenmaal 's weeks kwam
+Frans op een bepaald uur zijn Suze afhalen, en ging met haar naar
+de oevers van de Vaar. Frans nam zijn hengel mede, en Suze vergat
+nooit haar stremien mede te nemen, waarop haar lieve vingeren de
+onmogelijkste bloemen tooverden.
+
+We dienen ook nog te zeggen, dat Frans een jonkman van twee en twintig
+jaar was, dat zijne wangen zich met een licht perzikkendons begonnen
+te bedekken en ten slotte dat zijne stem nauwelijks meer dan een
+octaaf omvang had.
+
+Suze was blond en had een rozenkleurtje. Zij telde pas zeventien zomers
+en had toch geen hekel aan het hengelen, welk een zonderling genoegen
+het ook moge zijn om de vischjes met een weerhaak te verschalken. Maar
+het kwam doordat Frans er van hield; 't was juist een vermaak naar
+zijn aard. Hij was zoo geduldig als 't maar kan, mocht gaarne een
+weinig droomerig op zijn dobber staren en had geduld genoeg om te
+wachten totdat, misschien na zes uren zittens, een voorntje zoo goed
+was, misschien uit medelijden met hem, zich te laten vangen; dan was
+hij gelukkig, maar altijd met gematigdheid.
+
+Dien zelfden dag hadden de beide aanstaanden zich op den
+begroeiden oever neergevleid; eenige voeten beneden hen kabbelde de
+vreedzame Vaar. Suze trok achteloos haar naald heen en weer door het
+stremien. Frans slingerde werktuiglijk zijn sim van rechts naar links,
+en liet haar dan met den stroom van links naar rechts drijven. De
+vorentjes sprongen lustig rond nabij den dobber, terwijl de haak,
+nog vrij, dieper in het water lag.
+
+Nadat het een poos geduurd had, zei Frans:
+
+»Ik geloof dat ik beet heb, Suze," maar hij keek haar niet aan.
+
+»Zoudt ge denken, Frans?" gaf Suze ten antwoord, terwijl ze voor een
+oogenblik haar werk liet rusten, en met bewogen oog den dobber van
+haar aanstaande volgde.
+
+»Neen, toch niet," zeide Frans weer, »ik dacht maar dat ik voelde
+trekken. Ik heb mij vergist."
+
+Eenigen tijd daarna merkte Suze met haar lieve, zachte stem op:
+
+»Ze zullen wel bijten, Frans, maar vergeet niet tijdig op te halen. Ge
+zijt altijd eenige seconden te laat, en dan ontsnapt de visch."
+
+»Wilt gij den hengel eens houden, Suze?"
+
+»Gaarne, Frans."
+
+»Geef mij dan uw tappiseriewerk. Ik zal zien of ik beter slaag met
+de naald dan met den angel."
+
+Nu nam het meisje met bevende hand den hengel, en de jongman haalde
+ijverig de naald door het stremien.
+
+Zoo wisselden zij uren lang vriendelijke woordjes, en hunne harten
+klopten als er beweging in den dobber kwam. O, dat ze nooit de
+heerlijke uren mogen vergeten, waarin ze onder het gekabbel der
+golfjes bij elkander zaten!
+
+De zon was dien dag reeds een goed eind gedaald, en ondanks de
+vereenigde talenten van Suze en Frans, had de visch nog maar niet
+gebeten. De vorentjes hadden ditmaal geen medelijden en lachten wat om
+de jongelieden, die trouwens veel te redelijk dachten om hun ongelijk
+te geven.
+
+»Een ander maal zullen we gelukkiger zijn, Frans," zeide Suze, toen
+de jonge visscher zijn haak weder op het plankje stak.
+
+»Dat zullen we hopen, Suze," gaf Frans ten antwoord.
+
+Daarna sloegen beiden naast elkaar den weg naar huis in zonder een
+woord te spreken, even zwijgend als de lange schaduwen, die voor hen
+uitgingen. Suze werd groot, heel groot onder de schuine stralen der
+ondergaande zon; Frans werd mager, zoo mager als de hengel, dien hij
+in de hand hield.
+
+Nu had men de woning van den burgemeester bereikt. Tusschen de
+straatsteenen wiesen geheele grasstruiken, maar men trok ze niet uit,
+want ze dempten het geluid der voetstappen.
+
+Toen de deur stond geopend te worden, meende Frans tot zijn beminde
+te moeten zeggen:
+
+»Denkt ge er wel eens aan, Suze, dat de groote dag nadert?"
+
+»Ja, hij nadert zeker, Frans," antwoordde het meisje met neergeslagen
+blik.
+
+»Ja," hernam Frans, »binnen vijf of zes jaar...."
+
+»Tot ziens, Frans," zeide Suze.
+
+»Tot ziens, Suze," antwoordde Frans.
+
+Daarop werd de deur gesloten, en de jonkman vervolgde met kalmen tred
+zijn weg naar het huis van den wethouder Niklausse.
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de »allegro's" in »vivaces"
+overgaan.
+
+
+De gemoederen waren bedaard na het voorgevallene tusschen den advocaat
+Schut en den geneesheer Custos. De zaak had geene gevolgen gehad. Men
+had dus reden om te hopen, dat Quiquendone tot zijn gewone kalmte
+zou terugkeeren, die een oogenblik door een onverklaarbaar voorval
+was gestoord.
+
+Inmiddels vorderde men snel met het leggen der buizen voor het
+hydro-oxygeengas naar de voornaamste gebouwen der stad. Hoofdbuizen
+en zijbuizen werden onder de straten van Quiquendone steeds
+verder voortgeschoven. Branders waren er nog niet, want hunne
+vervaardiging vereischte bijzonder veel zorg en moest in het buitenland
+geschieden. Dokter Ox was hier en daar en overal, hij en zijn assistent
+Ygeen lieten geen oogenblik verloren gaan; zij spoorden onophoudelijk
+de werklieden aan, werkten aan de voltooiing der gasmeters en hielden
+dag en nacht de reusachtige electrische batterijen in werking waarmede
+het water ontleed werd.
+
+De dokter was namelijk al aan het maken van zijn gas, ofschoon het
+buizennet nog niet voltooid was, iets wat, tusschen ons gezegd,
+wel wat vreemd scheen. Maar het zou niet lang duren, ten minste dat
+mocht men hopen, of dokter Ox zou voor het eerst in den schouwburg
+zijn prachtig licht laten schijnen.
+
+Quiquendone bezat werkelijk een schouwburg, en inderdaad een fraai
+gebouw ook. In- en uitwendig had het iets van alle bouwstijlen; het
+had gelijkertijd iets van den Byzantijnschen, van den Romaanschen,
+van den Gothischen en van den Renaissance-stijl; deuren met rondbogen,
+spitsboogvensters, ster-rosetten, fantasie-klokketorentjes, kortom,
+het was een staalkaart van alle mogelijke stijlen. Verwonderen
+doet het niet, als men weet, dat het gebouw begonnen werd onder
+den burgemeester Lodewijk Van Tricasse in 1175 en voltooid in 1837
+onder den burgemeester Natalis Van Tricasse. Het bouwen had zeven
+eeuwen geduurd, en achtereenvolgens hadden verschillende modes haar
+invloed laten gelden. Toch was en bleef het een mooi gebouw, en bij de
+Romaansche zuilen en Byzantijnsche gewelven, zou het nieuwe lichtgas
+in het geheel niet misstaan.
+
+In dien schouwburg van Quiquendone werd zoo wat van alles gespeeld,
+vooral opera en opera-comique. 't Zou evenwel de vraag zijn, of de
+componisten er wel hun eigen werk herkend zouden hebben, zoo zeer
+had men het tempo veranderd.
+
+In Quiquendone werd niets haastig gedaan, en dus moesten ook de
+dramatische werken naar het karakter der Quiquendoners geschikt
+worden. De schouwburg opende zijne deuren gewoonlijk te vier uren en
+sloot ze te tien uren, maar in die zes uren tijds waren er nooit meer
+dan twee bedrijven gespeeld. Voor Robert le diable, les Huguenots,
+Guillaume Tell, enz. had men gewoonlijk drie avonden noodig, vanwege
+de langzame wijze waarop die werken uitgevoerd werden. De vivaces
+ontaardden in den schouwburg van Quiquendone in ware adagio's; de
+allegro's werden tot in het oneindige gerekt. De vier en zestigste
+wonnen het van de heele noten in andere landen. Een vlugge roulade
+had, als ze naar den smaak der Quiquendoners uitgevoerd werd, den
+gang van een plechtige kerkmis. Een losse triller moest uiterst
+bedaard en volkomen gelijkmatig gespeeld worden, wilde hij de ooren
+der dilettanten niet kwetsen. Om een voorbeeld te noemen: het vlugge
+air, dat Figaro in de eerste acte van den Barbier de Séville bij
+zijn optreden zingt, werd genomen met nommer 33 van den metronoom;
+het duurde acht en vijftig minuten, en dan nog heette het, dat de
+zanger er flink achter heenzat.
+
+De artisten, die van buiten de stad kwamen, hadden zich natuurlijk
+naar die mode moeten schikken, maar men betaalde hen goed en dus
+klaagden zij niet; zij gehoorzaamden stipt aan den strijkstok van den
+orkestdirecteur, die in een allegro nooit meer dan acht maten in de
+minuut sloeg.
+
+Maar welke toejuichingen wachtten ook niet de artisten, die het
+publiek van Quiquendone in verrukking brachten, zonder zich ooit te
+vermoeien! Het geheele publiek sloeg met geregelde tusschenpoozen de
+handen in elkaar, hetgeen dan in de couranten »daverende toejuichingen"
+heette. Een of twee malen zelfs zou wellicht de zaal onder die
+bijvalsbewijzen ingestort zijn, indien men er niet in de twaalfde
+eeuw geenszins tegen opgezien had flinke fondamenten te leggen.
+
+Om voorts die levendige Vlamingen niet al te zeer op te winden, werd er
+maar eens in den schouwburg gespeeld; dat gaf den acteurs gelegenheid
+dieper in hunne rollen door te dringen, en aan het publiek om langer
+te teren op de schoonheden der meesterwerken van dramatische kunst.
+
+Op die manier ging het al langen tijd. De artisten van buiten waren
+gewoon te Quiquendone een contract te sluiten, als zij wilden uitrusten
+van de vermoeienis op andere tooneelen. Niets scheen eene wijziging
+in die ingewortelde gewoonte aan te duiden, toen twee weken na de
+zaak Schut-Custos een onverwachte gebeurtenis opnieuw de rust der
+bevolking kwam storen.
+
+Het was op een Zaterdag, dag van de opera. Er was nog geen sprake
+van de inwijding van de nieuwe verlichting, zooals men allicht zou
+denken; volstrekt niet, de pijpen kwamen wel reeds in de zaal uit,
+maar er stonden nog geen branders op, en daarom wierpen nog altijd
+waskaarsen haar zacht licht op het talrijk publiek dat de zaal
+vulde. Te half een waren de deuren geopend en te vier uren was de zaal
+reeds vol. Eén oogenblik was er een queue, die zich uitstrekte tot het
+einde van het Stefanusplein, voor den winkel van den apotheker Josse
+Liefrink. Zooveel belangstelling deed een prachtigen avond verwachten.
+
+»Gaat ge van avond naar de comedie?" had dienzelfden ochtend de
+wethouder aan den burgemeester gevraagd.
+
+»Wel zeker," had Van Tricasse geantwoord, »en mevrouw Van Tricasse
+gaat mee, en ook onze dochter Suze en de oude tante, die allen dol
+zijn op muziek."
+
+»Komt mejuffrouw Suze dus ook?" vroeg de wethouder.
+
+»Zonder twijfel, Niklausse."
+
+»Dan zal mijn zoon Frans wel maken, dat hij een van de eersten is,"
+hernam Niklausse.
+
+»Een vurig jongeling, Niklausse," merkte de burgemeester met waardigen
+ernst op; »een heethoofd! Ge moogt wel oppassen met dien jonkman."
+
+»Hij bemint, Van Tricasse; hij bemint uw bekoorlijke Suze."
+
+»Welnu, Niklausse; hij zal haar krijgen, zoodra wij besloten hebben
+dat dit huwelijk tot stand zal komen! Wat kan hij meer verlangen?"
+
+»Hij verlangt niets, Van Tricasse; hij verlangt zeker niets, die
+beste jongen! Maar dat is zeker, en meer zal ik er niet van zeggen,
+dat hij niet de laatste zal zijn, die een plaatsbiljet haalt!"
+
+»Ach, die ongeduldige, vurige jeugd!" riep de burgemeester, met een
+glimlach aan zijn verleden terugdenkend. »Zoo zijn wij ook geweest,
+waarde vriend! Ook wij hebben eenmaal bemind! Wij hebben in onzen
+tijd ook queue gemaakt! Tot van avond dus, tot van avond! Zeg eens,
+dat is een groot artist, die Fioravanti! Hij is hier dan ook prachtig
+ontvangen. Die toejuichingen van Quiquendone zal hij niet licht
+vergeten!"
+
+Er was inderdaad sprake van den beroemden tenor Fioravanti, die door
+zijn uitnemend talent, zijn volmaakte methode, zijn sympathieke stem
+bij alle kunstliefhebbers in de stad ware geestdrift wekte.
+
+In de laatste drie weken had Fioravanti met de Hugenoten een
+ontzaglijk succes behaald. De eerste acte, opgevoerd naar den
+smaak der Quiquendoners, had in de eerste week van deze maand een
+ganschen avond ingenomen. De week daarna had de volgende acte, door
+eindelooze andantes verlengd, den beroemden zanger een ware ovatie
+bezorgd. Met de derde acte van Meyerbeer's meesterwerk was het succes
+nog toegenomen. Nu had men er zich echter op gespitst Fioravanti in de
+vierde acte te hooren, en die vierde acte zou hij dezen eigen avond
+spelen voor een publiek, dat van ongeduld brandde. Dat was de acte
+met het duo van Raoul en Valentine! Ach, die liefdezang voor twee
+stemmen, breed en statig voorgedragen, dit bruisend hartstochtelijke
+duet met zijn crescendo's zijn stringendo's, zijn animato's, zijn piu
+crescendo's, langzaam, regelmatig, sleepend gezongen, welk een genot!
+
+Te vier uren dan, was de zaal vol. Loges, parterre, galerijen waren
+om 't meest bezet. Vooraan zaten de burgemeester Van Tricasse,
+mejuffrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse en de goede oude
+tante met een lichtgroene muts op. Een klein eind verder zat de
+wethouder Niklausse met zijn familie, natuurlijk niet zonder den
+verliefden Frans. Men zag er ook nog de familie van den geneesheer
+Custos, van den advocaat Schut, van Honoré Syntax, de opperrechter,
+van Norbert Soutman, directeur der verzekeringmaatschappij, van den
+dikken bankier Collaert, die dol was op Duitsche muziek en ook zelf
+wat aan muziek deed, van den ontvanger Rupp, van den directeur der
+Academie, Jerome Resh, van den commissaris van politie en van tal van
+andere achtenswaardige personen uit de stad, die hier evenwel niet
+allen opgenoemd kunnen worden, als wij den lezer niet willen vervelen.
+
+Gewoonlijk wachtten de Quiquendoners rustig het ophalen van het gordijn
+af, hetzij onder het lezen der courant, hetzij dat ze zachtjes eenige
+woorden onder elkander spraken; anderen weer zochten langzaam en zonder
+gedruisch hunne plaats op, en enkelen wierpen een beschroomden blik
+op de lieftallige schoonheden in het rond.
+
+Op dezen avond echter, zou het voor een waarnemer duidelijk geweest
+zijn, dat zelfs voor het ophalen van het gordijn een ongewone
+levendigheid in de zaal heerschte. Men zag personen bewegingen maken
+die zich anders nooit bewogen. De waaiers der dames werden met zeldzame
+levendigheid gebruikt. Al die borsten schenen met een prikkelende
+lucht gevuld te zijn, men ademde dieper en langer. Bij sommigen
+schitterden de oogen, zelfs, om de waarheid getrouw te blijven, bijna
+even sterk als de lichten, die dezen avond al bijzonder helder waren;
+tenminste men zag helderder, ofschoon de verlichting niet sterker
+was dan anders. Ja, als de verlichting van dokter Ox nu al werkte,
+maar die werkte nog niet!
+
+Het orkest was thans op zijn post en geheel voltallig. De eerste
+viool had bij de verschillende lessenaars de ronde gedaan en een
+bescheiden »a" aangegeven. De strijk- en de blaasinstrumenten
+stemmen. De orkestdirecteur wacht slechts op het schelletje om de
+eerste maat te slaan.
+
+Daar klinkt de schel. De vierde acte begint. Het Allegro appassionato
+van de entr'acte is volgens gewoonte gespeeld, zoo majestueus langzaam,
+dat 't voor Meyerbeer zou geweest zijn om razend te worden, maar de
+kunstliefhebbers van Quiquendone genoten er al de majesteit van.
+
+'t Duurt niet lang, of de orkest-directeur gevoelt dat hij zijne
+executanten niet meer geheel meester is. Hij heeft moeite hen in te
+toomen, dezelfde menschen die anders zoo gehoorzaam, zoo kalm zijn. De
+blaasinstrumenten leggen eene neiging aan den dag om de beweging te
+versnellen; ze moeten met vaste hand ingehouden worden, want anders
+zouden ze de strijkinstrumenten vooruitgeraken, 'tgeen aan de harmonie
+nog al zou schaden. De fagottist zelfs, de zoon van den apotheker
+Liefrinck, anders zoo'n welopgevoed jongmensch, wil ook jagen.
+
+Inmiddels heeft Valentine haar recitatief begonnen:
+
+
+ »Je suis seule chez moi..."
+
+
+maar ze haast. De orkest-directeur en al zijne muzikanten volgen
+haar--misschien zonder het te weten--in haar cantabile, dat breed
+genomen moest worden want het is een 12/8 maat. Raoul verschijnt in
+de deur op den achtergrond, maar nu verloopt tusschen het oogenblik
+waarop Valentine naar hem toegaat, en dat waarop zij hem in hare kamer
+ter zijde verbergt, geen kwartier, terwijl anders in den schouwburg
+van Quiquendone dit recitatief van zeven en dertig maten ook juist
+zeven en dertig minuten moest duren.
+
+Saint-Bris, Nevers, Cavannes en de catholieke heeren zijn opgekomen,
+misschien wel wat haastig. Allegro pomposo teekende de componist bij
+dat gedeelte aan; nu gaan de heeren en het orkest wel allegro, maar in
+het geheel niet pomposo, en in het ensemble-gedeelte van de prachtige
+»samenzwering en zegening der wapenen" is er van geen matigen van het
+allegro sprake. Zangers en muzikanten houden een wedren. De directeur
+denkt er niet meer aan hen in te houden. Het publiek verlangt dat
+trouwens ook niet; integendeel. Het is medegesleept, het neemt deel
+aan de beweging, en die beweging komt overeen met de wenschen van
+zijn hart.
+
+
+ »Des troubles renaissants et d'une guerre impie,
+ Voulez-vous, comme moi, délivrer le pays?"
+
+
+Men belooft, men zweert het. Ternauwernood heeft Nevers tijd om
+te protesteeren en te zingen, »dat hij onder zijn voorvaderen wel
+soldaten telt, maar geen moordenaars." Men arresteert hem. Schout
+en schepenen komen aanloopen en zweren inderhaast »allen tegelijk te
+treffen." Saint-Bris maakt een relletje van het recitatief, waarbij de
+catholieken tot wraakneming worden opgeroepen. De drie monniken, zwarte
+mantels dragende met witte sjerpen, komen de deur van het vertrek
+van Nevers binnenstormen, met verwaarloozing van de lessen van den
+regisseur, die hun leerde zacht voort te schrijden. Al de aanwezigen
+hebben reeds degens en ponjaarden getrokken, en het zegenen houdt
+de monniken maar een ommezien bezig. De sopranen, tenoren en bassen
+schreeuwen het allegro furioso. Daarop vertrekken zij, al brullende:
+
+
+ A minuit
+ Point de bruit!
+ Dieu le veut!
+ Oui,
+ A minuit!
+
+
+Het gansche publiek is opgerezen. In loges, parterre en galerijen
+is het erg woelig. Al de toeschouwers, met den burgemeester aan het
+hoofd, schijnen zich op het tooneel te willen storten, teneinde
+met de samenzweerders mee te doen en de Hugenoten te verdelgen,
+niettegenstaande zij de godsdienstige begrippen van deze deelen. Men
+juicht, men roept terug, men gilt. De oude tante trekt zenuwachtig
+aan haar lichtgroene muts. Het licht in de zaal straalt hoe langer
+zoo helderder.
+
+Raoul komt weer op, en tilt niet zachtkens het gordijn op, maar
+scheurt het met een kloeke beweging vaneen en staat dan vlak tegenover
+Valentine.
+
+Nu begint het groote duo, en wel allegro vivace. Raoul wacht de vragen
+van Valentine niet af, en Valentine wacht niet op de antwoorden van
+Raoul. De heerlijke passage:
+
+
+ »Le danger presse
+ Et le temps vole..."
+
+
+wordt een van die snelle 2/4 maten, waarmede Offenbach naam gemaakt
+heeft als hij deze of gene samenzweerders laat dansen; het andante
+amoroso:
+
+
+ »Tu l'as dit!
+ Oui, tu m'aimes!"
+
+
+is ten slotte een vivace furioso, en de violoncel in het orkest
+streeft er in de verste verte niet meer naar, om mede te gaan met de
+stem van den zanger, zooals zijne partij aangeeft.
+
+Daar slaat de klok, maar welk een hijgend, gejaagd geluid! Degeen die
+slaat, is stellig zich zelf niet meer meester. Het is een donderende
+stormklok, welke in geweld wedijvert met het razend orkest.
+
+Eindelijk komt het air, waarmede deze heerlijke acte eindigt:
+
+
+ »Plus d'amour, plus d'ivresse
+ O remords qui m'oppresse!"
+
+
+door den componist als allegro con moto aangeduid, maar hier in een
+ontembaar prestissimo genomen. 't Is alsof er een express-trein voorbij
+suist. Daar begint de stormklok weer. Valentine valt in zwijm. Raoul
+springt uit het venster!....
+
+'t Was wel tijd. Het orkest, dat volslagen dronken scheen, had het
+niet langer kunnen volhouden. De dirigeerstok is tot op een klein
+gedeelte na stukgeslagen op het hokje van den souffleur. De snaren
+der violen zijn gesprongen, de halzen verwrongen! De paukenslager
+heeft zoo woedend op zijn pauken geslagen, dat ze gebarsten zijn! De
+contrabassist is boven op zijn welluidend gebouw gekropen! De eerste
+klarinet zit op zijn mondstuk te bijten, en de tweede hobo heeft zijn
+rieten tongetje ingeslikt! De schuif van de trombone is vol bulten, en
+de ongelukkige hoornist eindelijk kan zijn hand niet meer loskrijgen,
+daar hij ze te ver in zijn instrument geduwd heeft!
+
+En het publiek?--Het publiek hijgt, schreeuwt en brult! Ieder ziet
+vuurrood, alsof zijn lichaam van binnen in brand staat! Men stoot,
+men verdringt elkander om naar buiten te komen, de mannen zonder hoed,
+de vrouwen zonder mantel! In de gangen verdringt men elkander, bij de
+deuren drukt men elkander plat; men twist, men geraakt handgemeen! Geen
+sprake meer van autoriteiten, van burgemeester! Allen zijn gelijk
+voor deze helsche opgewondenheid...
+
+Weinige oogenblikken later, terwijl allen buiten op de straat zijn,
+herneemt ieder zijn gewone kalmte en keert bedaard naar huis, met
+een onbestemde herinnering aan 'tgeen er gebeurd is.
+
+De vierde acte van de Hugenoten, die anders op de klok af zes uren
+duurde, was nu begonnen te half vijf en afgeloopen twaalf minuten
+vóór vijven.
+
+Ze had achttien minuten geduurd!
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt.
+
+
+Wel herkregen de toeschouwers, nadat ze den schouwburg verlaten
+hadden, hun gewone kalmte; wel gingen ze rustig naar huis, alleen
+onder den indruk van een voorbijgaande versuftheid, maar toch had
+de buitengewone opgewondenheid hen geweldig van streek gebracht,
+en ze vielen in bed alsof zij bijzonder zwaar getafeld hadden.
+
+Den volgenden dag was er voor ieder nog een souvenir van het gebeurde
+van den vorigen dag: van den een toch was de hoed bij het standje
+verdwenen, een ander miste een slip van zijn jas; deze dame had haar
+satijnen laarsje verloren, een andere haar zondagschen mantel. De
+herinnering aan het voorval werd bij die eenvoudige menschen wakker,
+en met die herinnering zeker schaamtegevoel over hun onvergeeflijke
+buitensporigheid. 't Was alsof zij aan een overdadig festijn hadden
+deelgenomen en er onbewust de helden van geweest waren! Zij spraken
+er niet over en wilden er liefst niet meer aan denken.
+
+Niemand was evenwel zoo verbijsterd als de burgemeester Van
+Tricasse. Toen de waardige man den volgenden ochtend opstond, was hij
+zijn pruik kwijt. Lotje had overal gezocht, maar 't hielp niets, de
+pruik was op het slagveld achtergebleven. Men zou haar kunnen doen
+uitroepen door Jan Mistrol, den beëedigden omroeper van de stad,
+maar dat ging niet; dan was het maar beter het hoofddeksel in den
+steek te laten, dan zich zoo ten toon te stellen, voor iemand die de
+eer had de eerste overheidspersoon van de stad te zijn.
+
+Zoo nu peinsde de waardige Van Tricasse, terwijl hij met een zwaar
+hoofd, dikke tong en hijgende borst onder de dekens lag. Hij had
+geen den minsten lust om op te staan, wel het tegendeel, en in
+zijn hersenen ging dien morgen meer om dan anders in veertig jaren
+tijds. De achtbare magistraat overdacht nog eens alles wat bij die
+onverklaarbare voorstelling gebeurd was. Hij bracht het in verband
+met het voorgevallene op de partij ten huize van dokter Ox. Hij zocht
+naar de redenen van die zonderlinge opgewondenheid, die zich nu ten
+tweede male bij zijne rustige ingezetenen had voorgedaan.
+
+»Maar wat gebeurt er dan toch?" vroeg hij zich zelf. »Hoe komen in
+mijn stille stad de zinnen zoo verbijsterd? Staan we op het punt
+gek te worden en moet de gansche stad een groot hospitaal worden? De
+gansche stad, want alle notabelen, wethouders, rechters, advocaten,
+geneesheeren, gestudeerden, allen waren er, en als ik mij goed
+herinner, zijn we allen even dol geweest! En hoe kwam het, dat die
+muziek zoo'n helsch spektakel maakte? Onbegrijpelijk! Ik voor mij
+weet zeker, dat ik niets gegeten, niets gedronken had, dat mij zoo kon
+opwinden! Och neen, gisteren at ik een doorgaar sneedje kalfsvleesch,
+een paar schepjes spinazie met suiker, geklutste eieren en ik dronk een
+paar glaasjes onschuldig bier. Dat stijgt niet naar het hoofd! Neen,
+er is iets onverklaarbaars in de geheele zaak, en daar ik toch de
+verantwoordelijke man ben voor hetgeen de ingezetenen van mijne stad
+doen, zal ik een onderzoek doen instellen."
+
+De stedelijke raad kon zich met dat onderzoek vereenigen, maar het
+leidde tot niets. De feiten waren niet te loochenen, de oorzaken
+echter gingen boven het verstand van de magistraten. Overigens waren
+alle gemoederen nu weer tot kalmte gekomen, en de buitensporigheden
+geraakten in het vergeetboek. De dagbladen vermeden ook er over te
+spreken, en in het verslag der voorstelling, dat in de stadscourant
+verscheen, werd niet eens een toespeling gemaakt op de koortsachtige
+opgewondenheid van de geheele zaal.
+
+Evenwel, de stad had wel weer haar gewone bedaardheid herkregen, en ze
+werd wel weer even Vlaamsch als te voren, maar toch was het merkbaar,
+dat het karakter en de geaardheid der bewoners langzamerhand eene
+wijziging ondergingen. 't Was of ze meer zenuwen hadden gekregen,
+zooals de geneesheer Dominicus Custos opmerkte.
+
+Dat vereischt eenige toelichting. De verandering, die onloochenbaar
+was en ook niet geloochend werd, openbaarde zich slechts in sommige
+gevallen. Wanneer de Quiquendoners op de straat waren of langs
+de Vaar wandelden, waren zij dezelfde kalme, geregelde menschen
+van vroeger. Zoo ook in hunne woningen, waar de een een handwerk
+uitoefende, de ander met het hoofd werkte, nog een ander niets deed en
+een vierde zelfs niet dacht. In hun privaat leven waren ze zwijgend,
+stil en leidden ze een plantenleven als voorheen. Geen twist, geen
+verwijt in huis; hun hart klopte niet sneller, hunne hersenen werden
+door niets aangedaan. De gemiddelde polsslag kwam overeen met dien
+uit den goeden ouden tijd: vijftig a twee en vijftig in de minuut.
+
+Een volkomen onverklaarbaar verschijnsel was het evenwel, een
+verschijnsel waarop de knapste physiologen der eeuw zich stomp
+zouden gedacht hebben, dat de Quiquendoners, in hun particulier leven
+onveranderd dezelfden, merkbaar veranderden zoodra zij in het openbaar
+te zamen kwamen.
+
+Zoodra zij zich in een openbaar lokaal vereenigden, »was het mis,"
+zooals de commissaris Passauf verklaarde. Op de beurs, op het
+stadhuis, in de academie, zoowel in raadsvergaderingen als in de
+bijeenkomsten van geleerden, kwam er meer leven onder de aanwezigen,
+werden ze aangetast door een vreemde opgewondenheid. Geen uur waren
+ze daar, of ze waren reeds scherp jegens elkander. Na twee uren
+was een beraadslaging een dispuut geworden; men werd warm en wierp
+elkaar persoonlijkheden naar het hoofd. In de kerk, zelfs onder de
+preek, konden de geloovigen niet meer bedaard naar dominé Van Stabel
+luisteren, die trouwens van zijn kant zich in zijn preekstoel niet
+meer zoo rustig als vroeger hield en zijn gehoor krachtiger toesprak
+dan anders.
+
+In dezen stand van zaken ontstonden helaas nog ernstiger
+woordenwisselingen dan tusschen den geneesheer Custos en den advocaat
+Schut, en dat nooit de tusschenkomst der autoriteit werd vereischt, was
+alleen daaraan te danken, dat de twistenden, zoodra zij thuisgekomen
+waren, er rust vonden en weldra de beleedigingen van weerskanten
+vergaten.
+
+Die bijzonderheid had echter nooit in het oog kunnen vallen aan
+menschen, die volstrekt niet konden waarnemen hetgeen met hen
+gebeurde. Slechts één persoon in de gansche stad, en wel degeen wiens
+betrekking al sinds dertig jaren lang op de nominatie stond opgeheven
+te worden, de commissaris van politie Passauf, had de opmerking
+gemaakt, dat de opgewondenheid, die in de particuliere woningen niet
+bestond, zich spoedig in publieke gebouwen openbaarde. Nu dacht hij
+er met zekere bezorgdheid over wat toch wel gebeuren zou, indien
+deze prikkelbaarheid eens tot de huizen der ingezetenen doordrong
+en indien de epidemie--want zoo noemde hij haar--zich tot de straat
+uitbreidde. Dan werden geen beleedigingen meer vergeten, dan waren er
+geen oogenblikken van kalmte meer in den waanzin, maar dan zou men
+voortdurend in de hoogste opgewondenheid verkeeren en met elkander
+in botsing komen.
+
+»Wat dan?" vroeg de commissaris Passauf met schrik. »Hoe moesten
+die aanvallen van wilde woede te keer gegaan worden? Hoe moesten
+die prikkelbare gestellen in toom worden gehouden? Dan zal mijne
+betrekking waarlijk geen sinecure meer zijn, en dan zal de Raad mijne
+wedde wel dienen te verdubbelen,--tenminste, als hij mij niet laat
+oppakken... wegens inbreuk op de openbare orde!"
+
+Die zeer rechtmatige vrees begon zich meer en meer te
+verwezenlijken. Van de beurs, de kerk, den schouwburg, de raadzaal
+was het kwaad tot de woningen der particulieren doorgedrongen, en
+wel twee weken na de verschrikkelijke voorstellingen van de Hugenoten.
+
+In de woning van den bankier Collaert werden de eerste verschijnselen
+der epidemie waargenomen.
+
+Deze rijke bankier gaf aan de notabelen der stad een bal, of althans
+een soirée dansante. Eenige maanden te voren was hij er gelukkig in
+geslaagd eene leening van f 15,000 voor drievierden te plaatsen, en ter
+viering van dit finantieel succes gaf hij zijn stadgenooten dit feest.
+
+Een feest in Vlaanderen loopt gewoonlijk bedaard en kalm af; bier en
+eenige zoetigheden vormen het onthaal. Men praat wat over het weer,
+over den stand van den oogst, over de bloemen in den tuin en vooral
+over de tulpen; van tijd tot tijd waagt men heel langzaam en bedaard
+een dansje, maakt een menuet, soms ook een wals, maar dan een van die
+Duitsche walsjes, waarbij men anderhalven keer omdraait in de minuut,
+terwijl onder den dans de walsers zoover van elkander afblijven als
+hunne armen gedoogen. Zoo gaat het gewoonlijk toe op een bal onder
+de voorname lieden van Quiquendone. Men had getracht er de polka in
+te voeren en ze daartoe in vier tempo's gedanst, maar de dansende
+paren kwamen nog altijd bij het orkest achter, hoe langzaam men de
+maat ook nam, en daarom had men er van moeten afzien.
+
+Deze vreedzame bijeenkomsten, waar jonkmannen en jongedochters zich
+eerlijk en rustig konden vermaken, hadden nooit eenige schadelijke
+gevolgen gehad. Maar hoe kwam het dan nu, dat dien avond bij den
+bankier Collaert die zoete dranken veranderd schenen te zijn in
+schuimenden wijn, bruisenden champagne, vlammende punch? Hoe kwam het,
+dat tegen het midden van de partij alle gasten dronken schenen te
+zijn? Waarom werd de eerzame menuet een rondedans? Waarom verhaastten
+de muzikanten de maat zoo? Hoe kwam het, dat de kaarsen dien avond,
+evenals in den schouwburg, zulk een ongewonen glans hadden? Welke
+electrische stroom liep toch door de salons van den rijken bankier? Hoe
+kwam het, dat de paren veel dichter bij elkander kwamen, dat de handen
+elkander hartstochtelijker drukten, dat de »cavaliers seul" ditmaal
+eenige gewaagde sprongen vertoonden, hoewel ze anders zoo deftig,
+zoo ernstig, zoo majestueus waren?
+
+Helaas, wie zou het antwoord kunnen geven op al die vragen? De
+commissaris Passauf was op de partij aanwezig, hij zag den storm
+aankomen, maar hij kon hem niet bedwingen, hij kon hem niet ontgaan,
+en zelfs hij voelde zich bevangen! Zijne begeerten en hartstochten
+werden gedurig sterker; men zag hem herhaaldelijk een aanval doen op
+het suikerwerk, men zag hem verscheidene schotels ledigen, alsof hij
+ik weet niet hoelang gevast had!
+
+Inmiddels werd het bal hoe langer hoe geanimeerder. Men begon nu
+eerst met volle teugen van het dansen te genieten, want het mocht
+nu werkelijk dansen heeten. De voeten bewogen zich met koortsachtige
+snelheid. De gezichten werden rood van inspanning, de oogen glinsterden
+als vurige kolen. De algemeene opgewondenheid had haar hoogste
+toppunt bereikt.
+
+En toen het orkest de wals uit den Freyschutz aanhief, toen die echt
+Duitsche en statige wals met dolle woestheid door de muziekanten
+gespeeld werd, was het meer een met onzinnige snelheid in de rondte
+draaien, een duizelingwekkende omwenteling van razende wezens. Daarna
+verviel alles in een helschen galop, die niet kon gestuit worden en
+een uur lang duurde en niet alleen de salons maar al de vertrekken
+van het prachtige huis in opschudding bracht, waarin allen met
+hartstochtelijkheid deelden, jongelieden van beide seksen, oudere
+van iederen leeftijd, de dikke bankier Collaert en Mevr. Collaert,
+raadslieden, overheidspersonen, de kantonrechter en Niklausse en
+Mevr. Van Tricasse en de burgemeester Van Tricasse en de commissaris
+Passauf in eigen persoon, die zich daarna nooit kon herinneren,
+wie in dien dollen nacht zijne danseres geweest was.
+
+Maar »zij" ze vergat het niet. En sedert dien nacht, zag »zij" in haar
+droomen den vurigen commissaris weder, haar met hartstochtelijkheid
+omkneld houdende! En »zij", was niemand anders dan de oude tante!
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander slechts enkele
+woorden zeggen.
+
+
+»Wel, Ygeen?"
+
+»Wel, meester, alles is klaar! De buizen zijn gelegd."
+
+»Kom! Dan gaan we nu in het groot en op de massa's werken!"
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad aantast en welke
+uitwerking zij teweegbrengt.
+
+
+In de nu volgende maanden werd het van kwaad tot erger en breidde
+de epidemie zich van uit de huizen tot op de straat uit. De stad
+Quiquendone was onherkenbaar geworden.
+
+En, wat nog het vreemdste natuurverschijnsel was, niet alleen het
+dierenrijk, maar ook het plantenrijk ontsnapte niet aan den algemeenen
+invloed.
+
+Volgens den gewonen loop der dingen, zijn de epidemieën speciaal,
+want zij die den mensch treffen tasten de dieren niet aan en zij die de
+dieren treffen, verschoonen de planten. Heeft men ooit gezien, dat een
+paard door de pokken werd aangetast of een mensch door de runderpest en
+krijgen de schapen de aardappelziekte? Maar hier schenen al de wetten
+der natuur omgekeerd. Niet alleen waren het karakter, het temperament,
+de denkbeelden der bewoners en bewoonsters van Quiquendone veranderd,
+maar ook de huisdieren, honden of katten, koeien of paarden, ezels
+of geiten, alles verkeerde onder dezen epidemischen invloed, en 't
+scheen dat zij volkomen van aard veranderd waren. De planken zelve
+»emancipeerden" zich, als men ons deze uitdrukking wel wil veroorloven.
+
+In de tuinen, de moestuinen, de boomgaarden toch deden zich
+allervreemdste verschijnselen op. De klimplanten klommen met meer
+stoutmoedigheid. De struiken werden boomen. De zaden, nauwelijks
+gezaaid, vertoonden kleine groene puntjes en in hetzelfde tijdsverloop,
+wonnen ze in duimen wat vroeger, onder de gunstigste omstandigheden,
+ze in strepen wonnen. De asperges werden twee voet hoog; de artisjokken
+werden zoo groot als meloenen, de meloenen zoo groot als pompoenen,
+de pompoenen zoo groot als de groote klok uit den toren, die negen
+voet in diameter mat. De kolen waren kreupelboschjes en de paddestoelen
+parapluies.
+
+Met de vruchten ging het denzelfden weg op als met de groenten. Één
+aardbei was genoeg voor twee menschen en één peer voor vier. De
+trossen druiven waren zoo groot als de enorme tros, die voorkomt
+op het zoo prachtig beschilderde doek van Poussin »de terugkeer der
+afgezondenen naar het beloofde land."
+
+Hetzelfde was het geval met de bloemen: de groote viooltjes
+verspreidden doordringerder geuren, de buitengewoon groote rozen
+schitterden met levendiger kleuren, de seringen vormden binnen
+weinige dagen ondoordringbare kreupelbosschen; geraniums, madelieven,
+dahlia's, camelia's, rhododendrons, maakten zich van de paden meester
+en verstikten elkander! Het snoeimes schoot hier te kort. En de
+tulpen, de vreugde der Vlamingen, wat brachten ze de liefhebbers in
+verrukking! De waardige Van Bistrom viel op zekeren dag van louter
+ontroering bijna omver, toen hij in zijn tuin een eenvoudige tulipa
+gesneriana van enorme, monsterachtige, reusachtige grootte zag, waarvan
+de bloemkelk tot nest diende van een gansche familie roodborstjes!
+
+De geheele stad kwam toeloopen om die wonderbaarlijke bloem te zien
+en gaf haar den naam van tulipa quiquendonia.
+
+Maar, helaas! al kwamen die planten, die vruchten, die bloemen
+zichtbaar vooruit, al toonden alle gewassen een voorliefde kolossale
+afmetingen aan te nemen, al bedwelmden de glans hunner kleuren en het
+doordringende hunner geuren den reuk en de blikken, zoo verwelkten
+zij daarentegen snel. De lucht, die zij opslorpten, verbrandde ze
+maar al te spoedig en ze stierven weldra, uitgeput, verwelkt, verteerd.
+
+Dat was het lot van de vermaarde tulp, die na eenige dagen van glans
+en luister verkwijnde!
+
+Op dezelfde wijze ging het al spoedig met de huisdieren, van den
+huishond tot de zwijnen in den stal, van het kanarievogeltje in de
+kooi tot den kalkoen in den hof.
+
+Nu waren die dieren in gewone tijden al even flegmatiek als hunne
+meesters. Honden en katten leidden meer een plantenleven dan dat ze
+werkelijk leefden. Nooit sprongen ze in 't rond van blijdschap, nooit
+werden ze door een aandoening van toorn in hunne kalmte gestoord. De
+staarten bewogen zich niet levendiger, dan alsof ze uit brons waren
+gegoten geweest. Sedert onheuglijke tijden had men van geen krabben of
+bijten gehoord. Wat de dolle honden betreft, deze beschouwde men als
+denkbeeldige dieren, die onder de griffoenen en andere fantastische
+dieren uit de Openbaring moesten gerangschikt worden.
+
+Maar welk een verandering in die weinige maanden, waarvan we de
+geringste voorvallen trachten op te teekenen! Honden en katten begonnen
+hunne tanden en klauwen te laten zien. Men was verplicht, tengevolge
+van herhaalde aanvallen, eenigen af te maken. Men zag voor het eerst
+in de straten van Quiquendone een paard op hol gaan, een os zich met
+de horens naar omlaag op een zijner natuurgenooten werpen, een ezel
+omvervallen met de pooten in de lucht en een gebalk uitgalmen, dat
+niets »dierlijks" meer had, een schaap, zelfs een schaap tegen het mes
+van den slager dapper de karbonaden verdedigen, die het in zich droeg!
+
+De burgemeester Van Tricasse was verplicht politie-verordeningen
+uit te vaardigen tegen de huisdieren die, door razernij aangetast,
+de straten van Quiquendone onveilig maakten.
+
+Maar, helaas! zoo de dieren gek waren, de menschen waren niet wijs
+meer!
+
+Geen leeftijd was van de plaag verschoond.
+
+De zuigelingen werden zeer spoedig onverdraaglijk, die wezentjes die
+tot nog toe zoo gemakkelijk waren groot te brengen en voor het eerst
+moest de kantonrechter Honoré Syntax zijn kroost met de roede straffen.
+
+Op de school ging het ook vrij oproerig toe en wierpen de jongens
+elkander met dictionnaires naar het hoofd. Men kon ze niet meer op de
+banken houden en zelfs de onderwijzers, die ze met allerlei taakwerk
+overlaadden, deelden in de algemeene overprikkeling.
+
+Nog een ander vreemd verschijnsel was het, dat al die inwoners
+van Quiquendone, die tot nog toe altijd zoo matig waren, en wier
+voornaamste voedsel uit melkspijzen en zoetigheidjes bestond, zich nu
+werkelijk in eten en drinken te buiten gingen. Hun gewone leefregel
+was hun niet genoeg meer. Iedere maag was een afgrond geworden, dien
+men met enorme hoeveelheden spijzen en dranken moest trachten te
+dempen. Het verbruik der inwoners was verdriedubbeld. In plaats van
+twee maaltijden, nam men er zes. De stoornissen in de spijsvertering
+waren ontelbaar. De wethouder Niklausse kon zich niet verzadigen. De
+burgemeester Van Tricasse kon zijn dorst niet stillen en was altijd
+half dronken.
+
+Kortom, dagelijks openbaarden zich de meest verontrustende
+verschijnselen en deed zich de toekomst donker voor.
+
+Onophoudelijk kwam men dronken menschen tegen en onder deze dronken
+lieden, dikwijls notabelen.
+
+De geneesheer Dominicus Custos had het verschrikkelijk druk met
+allerlei maagstoornissen en zenuwachtige aandoeningen, wel een bewijs
+van de groote prikkelbaarheid, waaraan de zenuwen der bevolking leden.
+
+De vroeger zoo stille straten van Quiquendone, die tegenwoordig zoo
+druk waren, want niemand kon thuis blijven, waren nu het tooneel van
+dagelijksche woordenwisselingen en zelfs twisten.
+
+De politie moest versterkt worden, teneinde de rustverstoorders in
+toom te houden.
+
+Er moest een gevangenis in het gemeentehuis ingericht worden, die
+dag en nacht met oproermakers was opgevuld. De commissaris Passauf
+was bekaf.
+
+Er gebeurde iets, dat nog nooit gebeurd was,--binnen den tijd van twee
+maanden werd er een huwelijk gesloten. Een ongehoord feit! De zoon
+van den ontvanger Rupp huwde met de dochter van de schoone Augustine
+de Rovère en dat binnen slechts zevenenvijftig dagen na haar hand
+gevraagd te hebben!
+
+Nog andere huwelijken werden beslist, die anders jaren lang zouden
+uitgesteld zijn. De burgemeester kon er zich geen begrip van vormen
+en ook zijn dochter, de lieve Suze, leed aan dezelfde kwaal en zou
+spoedig aan zijn handen ontsnappen.
+
+Wat onze waarde oude tante betreft, ze had waarlijk den commissaris
+Passauf durven polsen over een vereeniging, die haar toescheen alle
+elementen in zich te bevatten van geluk, fortuin, wederzijdsche
+achting, jeugd!...
+
+Om de maat vol te meten, had er tot overmaat van ijselijkheid,
+een duel plaats! Een wezenlijk duel met pistolen, en nog wel met
+ruiterpistolen, op vijf en twintig pas! En tusschen wie? Onze lezers
+zullen 't nauwlijks kunnen gelooven!
+
+Tusschen den heer Frans Niklausse, den zachtaardigen hengelaar en
+den zoon van den rijken bankier, den jongen Simon Collaert.
+
+En de onschuldige oorzaak van dit duel was niemand anders dan de
+dochter van den burgemeester, op wie Simon dol verliefd was en die
+hij aan niemand ter wereld wilde afstaan.
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig besluit nemen.
+
+
+Men ziet in welk een betreurenswaardigen toestand de bevolking van
+Quiquendone zich bevond. De hoofden verkeerden in een onnatuurlijke
+gisting. Men kende en herkende elkander niet meer. De vreedzaamste
+menschen waren twistziek geworden. Men moest hen niet met den nek
+aanzien, of ze zonden dadelijk getuigen op uw dak. Velen lieten
+hun snorren staan en enkele echte vechtersbazen krulden ze aan de
+punten om.
+
+Onder dergelijke omstandigheden werd het moeielijk de stad te besturen
+en de orde op de straten en in de openbare gebouwen te handhaven,
+want de dienst was voor zulk een stand van zaken niet ingericht. De
+burgemeester, onze waardige Van Tricasse, dien we zoo zacht, zoo kalm
+en vreedzaam en zoo besluiteloos gekend hebben, was nu niet meer tot
+bedaren te brengen. Zijn huis weerklonk den ganschen dag van zijn
+bevelen. Onophoudelijk beknorde hij zijne agenten en zag in eigen
+persoon nauwkeurig toe dat zijne orders strikt werden uitgevoerd.
+
+Helaas! Welk een verandering! Waar was de kalmte, die vroeger in het
+vriendelijke en rustige huis van den burgemeester, die goede Vlaamsche
+woning, heerschte? Welke treurige huiselijke tooneelen hadden daar nu
+plaats! Mevrouw Van Tricasse was kregelig, twistziek en kwalijknemend
+geworden. Mocht het haar man al gelukken haar te overschreeuwen,
+tot zwijgen kon hij haar niet brengen. De goede vrouw had met haar
+prikkelbaar humeur op alles en allen wat aan te merken. 't Ging alles
+verkeerd! Niets werd op zijn tijd gedaan! Zij gaf Lotje en zelfs tante,
+haar schoonzuster de schuld, die, niet minder slecht gehumeurd, haar
+scherpe antwoorden gaf. Natuurlijk hield Van Tricasse zijn dienstbode
+Lotje de hand boven het hoofd, zooals men dat meermalen in de beste
+huishoudens ziet. Van daar dan voortdurende verbittering van mevrouw
+de burgemeesteres, hevige verwijten, woordenwisselingen, twisten,
+tooneelen tot in het oneindige!
+
+»Maar wat scheelt ons toch?" riep dan de ongelukkige burgemeester
+uit. »Door welk vuur worden we toch verteerd? Zijn we dan van den
+duivel bezeten? O! mevrouw Van Tricasse, mevrouw Van Tricasse! Je
+verhaast mijn dood en zult maken, dat ik vóór u naar het graf gedragen
+word en hoe zullen dan de overleveringen der familie worden nagekomen!"
+
+Want de lezer zal zeker de vreemde bijzonderheid niet vergeten hebben,
+dat de heer Van Tricasse weduwnaar moest worden en hertrouwen, om de
+eenmaal tot wet geworden gewoonte niet te breken.
+
+Evenwel bracht die eigenaardige gesteldheid der gemoederen nog
+andere vrij zonderlinge uitwerkselen teweeg, die der vermelding
+over waardig zijn. Die zenuwachtige overspanning, waarvan de
+oorzaak voor als nog voor ons in het duister ligt, geleidde tot
+allervreemdste physiologische verschijnselen, die men niet zou
+verwacht hebben. Talenten, die anders verborgen zouden gebleven zijn,
+kwamen nu voor den dag. Bij velen openbaarde zich een bijzondere
+aanleg hier- of daarvoor. Kunstenaars met tot nog toe middelmatige
+talenten, stelden zich onverwacht in een nieuw licht. Zoowel in de
+politiek als in de letteren stonden eensklaps tot nog toe onbekende
+mannen op. Redenaars behandelden de belangrijkste en moeielijkste
+quaesties en deden een gehoor ontvlammen, dat trouwens zeer vatbaar
+was om ontvlamd te worden. Uit de zittingen van den raad, ging de
+beweging over in de openbare bijeenkomsten: er vormde zich een club
+te Quiquendone, terwijl twintig dagbladen, de Guetteur de Quiquendone,
+de Impartial van Quiquendone, de Radical de Quiquendone, de Outrancier
+de Quiquendone, met vuur geschreven, de gewichtigste maatschappelijke
+vraagpunten behandelden.
+
+Maar naar aanleiding waarvan? vraagt men niet zonder reden. Naar
+aanleiding van alles en van niets; naar aanleiding van den toren van
+Oudenaarde, die overhing en dien sommigen wilden afbreken en anderen
+wilden herstellen; naar aanleiding van de politieverordeningen,
+door den raad uitgevaardigd en die kwaadgezinde hoofden trachtten
+tegen te werken, naar aanleiding van het uitdiepen der beken en het
+schoonhouden der riolen, enz. En als die onstuimige redenaars nu
+alleen het stedelijk bestuur nog maar hadden aangevallen! Maar neen,
+door den stroom medegesleept, holden zij maar voort en zouden ze, als
+de Voorzienigheid niet tusschenbeide was gekomen, hunne stadgenooten,
+een oorlog op den hals hebben gehaald.
+
+Wat was het geval? Sedert acht of negen honderd jaar smeulde er
+in de archieven van Quiquendone een zeldzaam schoone casus belli;
+maar zij bewaarde hem met de grootste zorg, als een reliquie, en
+werkelijk scheen hij eenige kans te hebben te verschimmelen en zijn
+kracht te verliezen.
+
+Ziehier hoe die casus belli was in de wereld gekomen.
+
+Het is niet algemeen bekend, dat Quiquendone, in dat hoekje van
+Vlaanderen, dicht bij de kleine stad Virgamen gelegen is. Het
+grondgebied beider gemeenten grenst aan elkander.
+
+Nu gebeurde het in 1135, eenigen tijd voor het vertrek van graaf
+Baudouin naar het Heilige Land, dat een koe van Virgamen--wel
+te verstaan, geen koe van een inwoner, maar een koe der
+gemeente--zich verstoutte op het grondgebied van Quiquendone te gaan
+weiden. Nauwelijks had het ongelukkige dier drie mondjes vol gras
+verorberd, maar het wanbedrijf, de misdaad als men wil, was bedreven
+en geconstateerd bij procesverbaal van dien tijd, want te dien tijde
+begonnen de overheidspersonen de kunst van schrijven te leeren.
+
+»Ter rechter tijd zullen we ons wreken," zei eenvoudig Natalis Van
+Tricasse, de twee en dertigste voorganger van den tegenwoordigen
+burgemeester, »en uitstel is geen afstel!"
+
+De inwoners van Virgamen waren bij tijds onderricht. Zij wachtten en
+dachten niet zonder reden, dat de tijd de herinnering der beleediging
+wel zou uitwisschen en werkelijk leefden zij gedurende verscheidene
+eeuwen in de beste verstandhouding met hunne buren van Quiquendone.
+
+Maar zij hadden buiten den waard gerekend, of liever buiten die
+zonderlinge epidemie, die, terwijl zij het karakter hunner buren ten
+eenenmale veranderde, het uitgedoofde vuur der wraak in die harten
+weder oprakelde.
+
+Het was in de club van de Monstrelet-straat, dat de vurige advocaat
+Schut eensklaps de quaestie te berde bracht, en zijne toehoorders
+electriseerde door de uitdrukkingen en schilderingen te gebruiken, die
+in deze omstandigheden in zwang zijn. Hij herinnerde de overtreding,
+hij herinnerde het ongelijk, der gemeente Quiquendone aangedaan,
+en waarvoor een natie »naijverig op haar rechten" geen verjaring
+kon dulden; hij wees op de nog altijd gevoelde beleediging, op de nog
+altijd bloedende wond; hij sprak van zekere eigenaardige bewegingen van
+het hoofd der inwoners van Virgamen en die aantoonden hoezeer zij de
+inwoners van Quiquendone verachtten; hij smeekte zijne landgenooten,
+die misschien »onbewust" gedurende lange eeuwen die doodelijke
+beleediging verdragen hadden, hij bezwoer »de kinderen der oude
+stad" geen ander doel meer voor oogen te houden dan een schitterende
+voldoening te verkrijgen! Eindelijk deed hij een beroep op de levende
+strijdkrachten der natie!
+
+Het is onmogelijk in woorden weer te geven met welk een geestdrift
+deze taal, die voor Quiquendonsche ooren zoo nieuw was, ontvangen
+werd. Het geheele auditorium was opgestaan en met luide kreten, de
+armen uitgestrekt, vroegen alle toehoorders den oorlog. Nooit had
+de advocaat Schut zulk een succes gehad en het moet erkend worden,
+dat hij prachtig geweest was.
+
+De burgemeester, de wethouder, al de notabelen, die deze gedenkwaardige
+zitting bijwoonden, zouden zich vruchteloos tegen die vervoering
+van het volk hebben kunnen verzetten. Trouwens hadden zij er ook
+niet den minsten lust toe en, zooal niet harder, dan toch even hard,
+schreeuwden ook zij:
+
+»Naar de grenzen! Naar de grenzen!"
+
+Daar nu deze grenzen slechts drie kilometers van de muren van
+Quiquendone verwijderd waren, is het zeker, dat de inwoners van
+Virgamen werkelijk gevaar liepen, want zij konden overmeesterd zijn,
+alvorens den tijd gehad te hebben tot bezinning te komen.
+
+Inmiddels scheen de achtbare apotheker Josse Liefrinck, onder deze
+ernstige omstandigheden, alleen zijn zinnen bij elkander gehouden te
+hebben, want hij maakte de opmerking dat er gebrek was aan geweren,
+kanonnen en generaals.
+
+Men antwoordde hem en liet dit antwoord van eenige handtastelijke
+bewijsgronden vergezeld gaan, dat men die generaals, die kanonnen en
+geweren wel zou vinden en dat het goed recht en de liefde voor het
+vaderland voldoende waren en een volk onwederstaanbaar maakten.
+
+Daarop nam de burgemeester zelf het woord en brak in een sierlijke,
+voor de vuist uitgesproken redevoering den staf over die kinderachtige
+zielen, die achter het masker der voorzichtigheid de vrees verbergen
+en dit masker rukte hij af met een vaderlandslievende hand.
+
+Men zou op dit oogenblik gezegd hebben, dat de zaal onder de
+toejuichingen inviel.
+
+Men vroeg stemming.
+
+De stemming geschiedde bij acclamatie, en de kreten verdubbelden:
+
+»Naar Virgamen! Naar Virgamen!"
+
+De burgemeester nam op zich om het leger mobiel te maken en in den
+naam der stad beloofde hij dengenen zijner aanstaande generaals,
+die als overwinnaar zou terugkeeren, de eerbewijzingen der zegepraal,
+zooals dit ten tijde der Romeinen plaatsgreep.
+
+Evenwel wilde de apotheker Josse Liefrinck, die een eigen hoofd had,
+en zich niet voor geslagen hield, ofschoon hij het werkelijk was,
+nog een opmerking maken. Hij zei namelijk, dat te Rome de overwinnende
+generaals niet in triomf werden ingehaald, of ze moesten vijf duizend
+vijanden gedood hebben.
+
+»Welnu! welnu!" schreeuwde het publiek in de grootste opgewondenheid.
+
+»... En dat, daar de bevolking der gemeente Virgamen niet meer
+beloopt dan drie duizend vijf honderd vijf en zeventig inwoners,
+het moeielijk zou zijn, of men moest verscheidene keeren denzelfden
+persoon dooden..."
+
+Maar men liet den ongelukkigen logischen apotheker niet uitpraten en
+gestompt en geslagen werd hij de deur uitgesmeten.
+
+»Burgers," zei daarop Sylvester Pulmacker, een klein kruideniertje,
+»burgers, laat dien laffen apotheker maar zeggen wat hij wil, ik
+neem aan vijf duizend Virgamenaars te dooden, als ge mijne diensten
+wilt aannemen."
+
+»Vijf duizend vijf honderd!" schreeuwde een nog onversaagder
+vaderlander.
+
+»Zes duizend zes honderd!" hernam de kruidenier.
+
+»Zeven duizend!" riep de banketbakker uit de Hemlingstraat, Jan
+Orbideck, die op weg was zijn fortuin in de roomgebakjes te maken.
+
+»Toegewezen!" riep burgemeester Van Tricasse uit, toen hij zag,
+dat niemand hooger bood.
+
+En zoo kwam het dat de banketbakker Jan Orbideck, de generaal,
+opperbevelhebber der troepen van Quiquendone werd.
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft, die driftig
+door Dr. Ox wordt van de hand gewezen.
+
+
+»Wel! meester," zei de assistent Ygeen den volgenden dag, terwijl hij
+emmers met zwavelzuur in den bak zijner enorme batterijen uitstortte.
+
+»Wel!" hernam dokter Ox, »had ik geen gelijk? Daarvan hangt nu niet
+alleen de physische ontwikkeling van een geheele natie af, maar haar
+zedelijkheid, haar waardigheid, haar talenten, haar politieke zin! 't
+Is maar een quaestie van moleculen."
+
+»Zeker, maar..."
+
+»Maar?..."
+
+»Vindt u niet, dat het nu al wel zoo is en dat die arme duivels nu
+genoeg overprikkeld zijn?"
+
+»Neen! neen!" riep de dokter uit, »neen! 'k houd tot het einde
+toe vol."
+
+»Zooals u wilt, meester, ofschoon de proef, naar 't me voorkomt,
+genoeg bewijst en daarom dunkt me, zou het tijd zijn om..."
+
+»Om?..."
+
+»De kraan te sluiten."
+
+»Nu nog mooier!" riep dokter Ox uit. » Probeer het eens als je 't
+hart hebt!"
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats alle
+menschelijke nietigheden beheerscht.
+
+
+»Wat zeg je?" vroeg burgemeester Van Tricasse den wethouder Niklausse.
+
+»'k Zeg, dat deze oorlog noodzakelijk is," antwoordde de wethouder
+op vasten toon, »en dat het tijd is om onze beleediging te wreken."
+
+»En ik," antwoordde de burgemeester kwaad, »ik zeg, dat als de
+bevolking van Quiquendone niet van deze gelegenheid gebruik maakte
+om haar recht te handhaven, ze onwaardig zou zijn haar naam te dragen."
+
+»En ik, 'k houd staande, dat we onmiddellijk onze troepenmassa moeten
+verzamelen en haar vooruit moeten brengen."
+
+»Ei! mijnheer, ei!" antwoordde Van Tricasse, »en spreekt u zoo
+tegen mij?"
+
+»Tegen u, mijnheer de burgemeester, en u zult de waarheid hooren,
+hoe hard ze ook zij."
+
+»En u zult haar zelf hooren, mijnheer de wethouder," gaf Van Tricasse
+buiten zich zelven ten antwoord, »want ze zal beter uit mijn mond
+komen dan uit den uwe! Ja! mijnheer, ja, nog langer te wachten zou
+schande zijn. Sedert negen honderd jaar wacht de stad Quiquendone
+op het oogenblik van weerwraak en zeg nu wat je wilt, of 't je kan
+schelen of niet, maar we gaan op den vijand los."
+
+»O! praat je zoo?" antwoordde de wethouder Niklausse
+heftig. »Welnu! mijnheer, als 't je niet bevalt mee te gaan, zullen
+we zonder u er op los gaan."
+
+»De plaats van een burgemeester is voorop, mijnheer."
+
+»En die van een wethouder ook, mijnheer."
+
+»Je beleedigt me met je woorden en werkt me onophoudelijk tegen,"
+riep de burgemeester uit, wiens vuisten zich balden.
+
+»En je beleedigt wederkeerig door aan mijn vaderlandsliefde te
+twijfelen," riep Niklausse uit, die zich ook slagvaardig stelde.
+
+»'k Zeg u, mijnheer, dat het Quiquendonsche leger binnen twee dagen
+marschvaardig zal zijn!"
+
+»En ik zeg nog eens, ik, mijnheer, dat er geen achtenveertig uren
+zullen verloopen, voordat we tegen den vijand optrekken!"
+
+Men zal uit dit gesprek gemakkelijk zien, dat beide sprekers juist
+hetzelfde denkbeeld voorstonden. Beiden wilden den veldslag, doch hun
+overspannen gemoedstoestand bracht hen aan 't twisten en Niklausse
+verstond Van Tricasse niet en Tricasse verstond Niklausse niet. Ware
+hunne meening omtrent deze ernstige aangelegenheid verdeeld geweest
+en de burgemeester had liever oorlog, de wethouder daarentegen liever
+vrede gehad, zou de twist niet heviger hebben kunnen zijn. De twee
+oude vrienden keken elkander verwoed aan. Aan de versnelde beweging
+van hun hart, aan hun rood gelaat, aan hunne vernauwde pupillen, aan
+het trillen hunner spieren, aan hun stem, bevende van ingehouden toorn,
+begreep men dat ze op het punt stonden zich op elkander te werpen.
+
+Maar een groote klok, die sloeg deed gelukkig de tegenstanders tot
+bezinning komen op het oogenblik dat zij handgemeen zouden worden.
+
+»Daar slaat het eindelijk," riep de burgemeester uit.
+
+»Wat slaat er?" vroeg de wethouder.
+
+»Wel, het uur om naar den klokketoren te gaan."
+
+»'t Is waar en of 't u bevalt of niet, ik ga, mijnheer!"
+
+»Ik ook."
+
+»Laat ons gaan!"
+
+»Laat ons gaan!"
+
+Uit deze laatste woorden zou men allicht hebben opgemaakt, dat er een
+ontmoeting zou plaats hebben en de twee tegenstanders zich naar het
+terrein zouden begeven, maar dat was volstrekt het geval niet. Men
+was overeengekomen, dat de burgemeester en de wethouder--werkelijk de
+twee voornaamste notabelen uit de stad--zich naar het stadhuis zouden
+begeven, dat zij daar den zeer hoogen toren zouden beklimmen en van
+den omloop het omliggende land zouden verkennen, teneinde zoodanige
+strategische beschikkingen te nemen als dienstig zouden zijn voor de
+beweging hunner troepen.
+
+Alhoewel zij het nu hieromtrent volkomen eens waren, hielden zij niet
+op elkander onderweg de grootste hatelijkheden toe te voegen. Men
+hoorde op straat hunne twistende stemmen, maar al de voorbijgangers
+verkeerden in dezelfde driftige stemming als zij en daarom lette men
+er niet op. In deze omstandigheden zou een bedaard mensch als een
+monster beschouwd zijn.
+
+Toen de burgemeester en de wethouder in het portaal van den toren
+waren aangekomen, was hun woede ten top gestegen. Zij waren nu niet
+rood meer, maar bleek. Hoewel zij het steeds eens waren, had die
+vijandige woordenwisseling hun krampen in het lijf bezorgd en men
+weet dat bleekheid het bewijs is van een grenzenloozen toorn.
+
+Onder aan den smallen trap had er een ware uitbarsting plaats. Wie
+zou voorgaan? Wie zou het eerst den wenteltrap beklimmen? De waarheid
+verplicht ons te zeggen, dat er een kleine schermutseling plaats had
+en dat de wethouder Niklausse, geheel uit het oog verliezende wat hij
+zijn meerdere, den eersten overheidspersoon der stad verschuldigd was,
+Van Tricasse ruw op zijde duwde en het eerst den smallen trap opvloog.
+
+Beiden klommen nu naar boven, eerst vier treden tegelijk, elkander de
+gemeenste scheldwoorden naar het hoofd werpende. Men had waarlijk alle
+reden om te vreezen, dat boven op dien toren, die drie honderd zeven
+en vijftig voet hoog was, een noodlottige ontknooping zou plaatshebben.
+
+Maar de twee vijanden waren spoedig buiten adem, en klommen na
+een minuut, bij de tachtigste trede, nog slechts met moeite, en
+al hijgende.
+
+En toen,--'t was misschien een gevolg hunner kortademigheid,--was
+hun toorn nog wel niet bedaard, maar uitte ze zich niet meer in een
+stroom van onbehoorlijke benamingen. Zij zwegen nu, en vreemd genoeg,
+scheen het wel, dat hun drift bedaarde naarmate zij hooger klommen. Een
+zekere kalmte maakte zich van hun geest meester. Het opbruisen hunner
+hersenen bedaarde als dat van een koffiekan, die men van het vuur
+neemt. Hoe kwam dat?
+
+Wij kunnen geen antwoord hierop geven, maar waar is het, dat, toen
+de twee tegenstanders, op twee honderd zes en zestig voet boven
+het niveau, een zeker portaal bereikt hadden, zij gingen zitten en
+werkelijk veel bedaarder geworden, elkander niet meer boos aankeken.
+
+»Wat is dat hoog!" zei de burgemeester, zijn rood gelaat met zijn
+zakdoek afvegende.
+
+»Zeer hoog!" antwoordde de wethouder. »U weet, dat we veertien voet
+hooger zijn dan de St. Michiel van Hamburg?"
+
+»Welzeker weet ik dat," antwoordde de burgemeester op hoogmoedigen
+toon, te vergeven aan den eersten magistraatspersoon van Quiquendone.
+
+Na eenige oogenblikken zetten de twee notabelen hun reis naar boven
+voort, onderwijl nieuwsgierige blikken door de schietgaten in den
+muur van den toren werpende. De burgemeester had zich aan het hoofd
+van de karavaan gesteld, zonder dat de wethouder de minste aanmerking
+gemaakt had. Toen Van Tricasse bij de drie honderd vierde trede geheel
+afgemat was, gebeurde het zelfs, dat Niklausse hem zeer dienstwillig
+een douwtje in de lendenen gaf. De burgemeester liet hem zijn gang gaan
+en boven op den omloop van den toren aangekomen, zei hij vriendelijk:
+
+»Dank je, Niklausse, tot wederdienst bereid."
+
+Zooeven nog onder aan den toren, waren het twee wilde beesten, gereed
+elkander te verscheuren en nu boven gekomen, waren het twee vrienden.
+
+Het was prachtig weer en men was in de Meimaand! De zon had alle dampen
+verdreven. Welk een reine, heldere lucht! De blik kon in een wijden
+omtrek de kleine voorwerpen onderscheiden. Op weinige mijlen slechts
+zag men de glinsterend witte muren van Virgamen, hare roode daken,
+en hare in den glans der zon schitterende torens. En dat was de stad,
+bij voorbaat gewijd aan al de verschrikkingen van plundering en brand!
+
+De burgemeester en de wethouder zaten bij elkander op een klein bankje,
+als twee goede luidjes, wier zielen door nauwe vriendschapsbanden
+innig met elkander verbonden waren. Al hijgende, keken zij en toen
+riep na eenige oogenblikken van stilte de burgemeester uit:
+
+»Hoe schoon!" waarop de wethouder antwoordde:
+
+»Ja! 't is prachtig. Dunkt u ook niet, mijn waarde Van Tricasse,
+dat het veeleer de bestemming is van de menschheid op zulke hoogten
+te wonen, dan op de korst van onzen aardbol rond te kruipen?"
+
+»Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Niklausse," antwoordde de
+burgemeester. »Men gevoelt hier beter de uitingen der natuur. Men
+geniet haar met zijn gansche wezen! Op zulke hoogten moesten
+philosophen gevormd worden en daar, verheven boven de nietigheden
+dezer wereld moesten de wijzen wonen!
+
+»Willen we den omloop eens rondgaan?" vroeg de wethouder.
+
+»Laten we den omloop eens rondgaan," antwoordde de burgemeester.
+
+En de twee vrienden wandelden gearmd rond en, even als vroeger,
+elkanders vragen eerst na lange tusschenpoozen beantwoordende,
+richtten zij hunne blikken naar alle punten van den horizont.
+
+»'t Zal minstens zeventien jaar geleden zijn, dat ik hier boven op
+den toren geweest ben," zei Van Tricasse.
+
+»'k Geloof niet, dat ik er ooit geweest ben," antwoordde de wethouder
+Niklausse, »en 't spijt me, want het gezicht is prachtig van deze
+hoogte! Ziet ge hoe bekoorlijk de Vaar zich daar tusschen de boomen
+heen slingert?"
+
+»En verderop de heuvels van St.-Hermandad! Hoe schoon vertoonen
+ze zich in het verre verschiet! Ziet ge daar die boomen, door de
+natuur zoo schilderachtig gegroepeerd! O! de natuur, de natuur,
+Niklausse! Kunnen menschenhanden ooit met haar wedijveren!"
+
+»'t Is een verrukkelijk gezicht, mijn beste vriend," antwoordde de
+wethouder. »Zie de kudden in de groene weiden grazen, die ossen,
+koeien, schapen..."
+
+»En de landlieden, zich naar de velden spoedende, als herders van
+Arcadië. Er ontbreekt hun slechts een schalmei!"
+
+»En boven dat uitgestrekte, vruchtbare land, welft zich de schoone,
+blauwe, onbewolkte hemel! O! Niklausse, men zou hier dichter worden! 'k
+Begrijp waarlijk niet dat St.-Simeon, de pilaarheilige, niet een van
+de grootste dichters der wereld geweest is."
+
+»Dat komt misschien omdat zijn zuil niet hoog genoeg geweest
+is!" antwoordde de wethouder met een zacht glimlachje.
+
+Op dit oogenblik stelde zich het klokkespel in beweging. De
+helderklinkende klokken speelden een harer meest welluidende
+liederen. De twee vrienden waren verrukt.
+
+Toen sprak de burgemeester op zijn ouden, bedaarden toon, »wat zijn
+we ook boven op den toren komen doen?"
+
+»'k Geloof waarlijk," antwoordde de wethouder, »dat we ons door onze
+droomerijen laten wegsleepen..."
+
+»Wat zijn we hier toch komen doen?" herhaalde de burgemeester.
+
+»We zijn hier de zuivere lucht komen inademen, die nog niet door de
+menschelijke zwakheden bedorven is," antwoordde Niklausse.
+
+»Welnu, willen we dan nu maar weder naar beneden gaan, vriend
+Niklausse?"
+
+»Goed, vriend Van Tricasse, laten we weer naar beneden gaan."
+
+De twee notabelen sloegen nog een laatsten blik op het prachtige
+panorama, dat zich voor hunne oogen ontrolde; toen ging de burgemeester
+vooruit en begon met langzamen en afgemeten tred af te klimmen. De
+wethouder volgde eenige treden achter hem. De twee notabelen kwamen
+op het portaal waar ze zich bij het naar boven klimmen hadden
+opgehouden. Daar reeds begonnen hunne wangen te gloeien. Zij hielden
+een oogenblik stil en hernamen hunne afgebroken nederdaling.
+
+Na verloop van een minuut, verzocht Van Tricasse Niklausse wat
+langzamer te loopen, aangezien hij voelde dat hij op zijn hielen zat
+en »hem dit hinderde."
+
+Het deed hem zelfs meer dan hinderen, want twintig treden lager,
+beval hij den wethouder te blijven staan, omdat hij eerst een beetje
+vooruit wilde gaan.
+
+De wethouder antwoordde, dat hij geen lust had om voor het pleizier
+van den burgemeester te blijven staan wachten.
+
+Van Tricasse van zijn kant antwoordde hierop niet zeer vriendelijk.
+
+De wethouder maakte nu een beleedigende zinspeling op den leeftijd
+van den burgemeester, door familieoverleveringen bestemd om een tweede
+huwelijk aan te gaan.
+
+De burgemeester klom nog twintig trappen naar beneden en waarschuwde
+Niklausse driftig, dat dat maar zoo niet ging.
+
+Niklausse antwoordde, dat hij dan in alle geval vooruit zou gaan,
+en, daar nu de trap zeer smal was, had er een botsing tusschen de
+twee notabelen plaats, die zich nu in diepe duisternis bevonden.
+
+De woorden domoor en lomperd waren nog de zachtste, die toen gewisseld
+werden.
+
+»We zullen eens zien," schreeuwde de burgemeester, »we zullen eens
+zien, welk figuur je in dien oorlog maken zult; 'k geloof niet,
+dat je een van de voorsten zijn zult!"
+
+»In alle geval vóór jou, ingebeelde gek!" antwoordde Niklausse.
+
+Op deze wijze ging het nog eenigen tijd voort en eindelijk was het
+alsof ze aan het vechten waren...
+
+Wat gebeurde er toch weder? Hoe waren die gemoederen zoo schielijk
+veranderd? Waarom waren de schapen van den omloop twee honderd voet
+lager tijgers geworden?
+
+Hoe het zij, toen de bewaarder van den toren zulk een helsch leven
+hoorde, opende hij de benedendeur, juist op het oogenblik dat
+de tegenstanders, gekneusd, met de oogen uit het hoofd, elkander
+wederkeerig de haren uittrokken, of liever de pruiken afrukten.
+
+»Je zult me voldoening geven!" riep de burgemeester uit, met de
+gebalde vuist onder den neus van zijn tegenstander.
+
+»Wanneer je maar wilt!" gilde de wethouder het uit, in dreigende
+houding.
+
+De bewaarder, die zelf woedend was,--waarom is niet bekend,--vond
+niets vreemds in dit twisttooneel. 'k Weet niet welke persoonlijke
+overprikkeling hem drong partij te kiezen. Maar hij hield zich in
+en verspreidde in de gansche buurt de tijding, dat er spoedig een
+ontmoeting zou plaats hebben tusschen den burgemeester Van Tricasse
+en den wethouder Niklausse.
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart nemen,
+dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver een onmiddellijke
+ontknooping vorderen.
+
+
+Dit laatste voorval doet zien tot welk een hoogte de opgewondenheid van
+de Quiquendonsche bevolking gestegen was. Wie had ooit kunnen denken,
+dat de twee oudste vrienden der stad en daarbij de vreedzaamste,--vóór
+de treurige bezoeking,--zoo op elkander gebeten konden worden! En dat
+eenige minuten slechts nadat hunne oude sympathie, hun zacht karakter,
+hun kalme levensbeschouwing daarboven op den toren weder de overhand
+hadden gekregen!
+
+Toen dokter Ox hoorde wat er al zoo in het stadje omging, kon hij zijn
+blijdschap niet inhouden. Hij was het volstrekt niet eens met zijn
+assistent, die zag dat het niet goed ging. Ook zij, trouwens, deelden
+in de algemeene overspanning. Zij waren niet minder overprikkeld dan
+de overige bevolking en geraakten waarlijk ook, evenals de burgemeester
+en de wethouder, aan het kibbelen.
+
+Evenwel moet erkend worden, dat de voorname quaestie, de quaestie
+van den dag al de andere verdrong en de voorgenomen duels verschoof
+totdat de zaak met de inwoners van Virgamen was uitgemaakt. Niemand
+had het recht zijn bloed nutteloos te vergieten, want het behoorde
+immers tot den laatsten druppel aan het bedreigde vaderland.
+
+Want inderdaad waren de omstandigheden ernstig en kon men niet
+teruggaan.
+
+Niettegenstaande al het oorlogsvuur, dat in hem brandde, meende de
+burgemeester Van Tricasse den vijand niet te moeten aanvallen zonder
+hem te waarschuwen. Hij had dus den veldwachter, heer Hottering naar
+Virgamen gezonden en de inwoners gerechtelijk aangemaand hun voldoening
+te geven voor de overtreding in den jare 1195 op het grondgebied van
+Quiquendone begaan.
+
+De overheid van Virgamen had er in het eerst geen flauw begrip van
+gehad, waarvan er toch eigenlijke sprake was en den veldwachter,
+in weerwil van zijn officieel karakter zonder complimenten buiten de
+gemeente laten brengen.
+
+Toen zond Van Tricasse een der aides-de-camp van den
+generaal-banketbakker, den burger Hildevert Shuman, een flinken vent,
+vol geestkracht, die aan de overheid van Virgamen het origineel bracht
+van het procesverbaal, opgemaakt in 1195 door den burgemeester Natalis
+Van Tricasse.
+
+De regeering van Virgamen barstte uit in lachen en het ging met den
+aide-de-camp precies op dezelfde manier als met den veldwachter.
+
+De burgemeester belegde toen een vergadering van de notabelen der
+stad. In deze vergadering werd besloten in den vorm van een ultimatum
+een flinken brief op te maken, waarin de casus belli duidelijk
+werd uiteengezet en een uitstel van vier en twintig uren aan de
+schuldige stad gegeven werd om de beleediging, Quiquendone aangedaan,
+te herstellen.
+
+De brief werd verzonden en kwam eenige uren later terug, in kleine
+stukjes verscheurd, die als zoovele beleedigingen beschouwd werden. De
+inwoners van Virgamen kenden van langen datum de lankmoedigheid der
+Quiquendoners en gaven geen zier om hunne vorderingen, hun casus
+belli en hun ultimatum.
+
+Er bleef dus nu niets anders over dan het lot der wapenen te laten
+beslissen, den god der veldslagen aan te roepen en, volgens Pruisische
+manier, de inwoners van Virgamen aan te tasten voordat zij nog geheel
+gereed waren.
+
+Dit was het besluit van den raad in een plechtige zitting, waar het
+met ongekende hevigheid toeging, zoo zelfs, dat het in een vergadering
+van gekken, een vereeniging van bezetenen of een club van razenden
+niet oproeriger had kunnen toegaan.
+
+Zoodra de oorlogsverklaring bekend was, verzamelde de generaal Jan
+Orbideck zijne troepen, twee duizend drie honderd drie en negentig
+zielen, want de vrouwen, de kinderen en de grijsaards hadden
+zich bij de strijdbare mannen gevoegd. Alle scherpe of kneuzende
+voorwerpen waren wapenen geworden. Al de geweren uit de stad waren
+opgevorderd. Men was er vijf meester geworden waarvan twee zonder hanen
+en zij werden aan de voorhoede uitgedeeld. De artillerie bestond uit
+de oude veldslang van het kasteel, genomen in 1339 bij den aanval op
+Quesnoy, een der eerste vuurmonden, in de geschiedenis vermeld, en
+die sedert vijf eeuwen geen schot gelost had. Gelukkig evenwel voor
+hen die het stuk zouden bedienen, waren er geen projectielen om het
+te laden, maar, zooals het daar was, kon dit oorlogstuig den vijand
+nog genoeg vrees aanjagen. Wat de blanke wapenen aangaat, deze waren
+geput uit het museum van oudheden, steenen strijdbijlen, knodsen,
+werpspiesen, pertizanen, enz. en mede uit de bijzondere arsenalen,
+algemeen bekend onder den naam van keukens. Doch de moed, het gevoel
+van recht, de haat jegens den vreemdeling, de wraakzucht moesten in
+de plaats treden van tot meerdere volkomenheid gebracht oorlogstuig
+en--men hoopte het althans--de mitrailleuses en de achterlaadkanonnen
+van den tegenwoordigen tijd vervangen.
+
+Bij de revue die gehouden werd, ontbrak geen enkele burger aan het
+appel. Generaal Orbideck, niet zeer vast op zijn paard, dat niet te
+vertrouwen was, viel driemaal voor het front van het leger er af,
+maar hij stond weder op zonder zich bezeerd te hebben, hetgeen als een
+gunstig voorteeken beschouwd werd. De burgemeester, de wethouder, de
+commissaris van politie, de vrederechter, de ontvanger, de bankier, de
+rektor, kortom al de notabelen der stad marcheerden aan het hoofd. Er
+werd geen traan gestort, noch door de moeders, noch door de zusters,
+noch door de dochters. Zij zetten hunne mannen, hunne vaders, hunne
+broeders tot den strijd aan en volgden hen zelfs in de achterhoede,
+onder kommando van de moedige Mevr. Van Tricasse.
+
+De trompet van den omroeper Jan Mistrol klonk; het leger stelde zich
+in beweging, verliet het plein onder het uiten van woeste kreten en
+richtte zich naar de poort van Oudenaarde.
+
+
+
+Op het oogenblik dat het hoofd der colonne buiten de muren der stad
+zou treden, vloog hem een man tegemoet.
+
+»Houdt op! houdt op! gij dwazen!" riep hij. »Houdt de wapens op! Laat
+me de kraan sluiten! Gij dorscht nu naar bloed! Ge zijt goede,
+vredelievende burgers! Dat ge zoo vol vuur zijt, is alleen de schuld
+van mijn meester, dokter Ox! 't Is een proefneming! Onder voorwendsel
+u een verlichting met oxy-hydrogeengas te geven, heeft hij...."
+
+De assistent was buiten zich zelven, maar hij kon niet uitspreken. Op
+het oogenblik dat het geheim van den dokter hem zou ontsnappen,
+stortte zich dokter Ox zelf, in onbeschrijfelijke woede, op den
+ongelukkigen Ygeen en sloot hem den mond met vuistslagen.
+
+Dat gaf een gevecht. De burgemeester, de wethouder, de notabelen,
+die op het gezicht van Ygeen waren blijven staan, op hunne beurt door
+hunne verbittering medegesleept, wierpen zich op de twee vreemdelingen,
+zonder een van beiden te willen hooren. Dokter Ox en zijn assistent,
+getrokken, geslagen, mishandeld, zouden op bevel Van Tricasse zoo
+naar de gevangenis gesleept worden, toen....
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+Waarin de ontknooping losbarst.
+
+
+.... toen een vreeselijke ontploffing weerklonk. De geheele atmosfeer
+om Quiquendone scheen in vuur en vlam te staan. Een buitengewoon
+heldere, schitterende vlam steeg als een luchtverschijnsel tot in
+de wolken. Als het nacht geweest was, zou deze vuurgloed tien mijlen
+ver in het rond gezien zijn.
+
+De gansche Quiquendonsche armee werd ter aarde geworpen... Gelukkig
+was er geen enkel slachtoffer gevallen, eenige krabben en bulten
+en anders niet. Alleen de pluim van den steek des banketbakkers,
+die bij toeval nu niet van zijn paard was gevallen, was geschroeid,
+maar overigens was hij er goed van afgekomen.
+
+Wat was er gebeurd?
+
+Heel eenvoudig was, zooals men spoedig hoorde, de gasfabriek in
+de lucht gesprongen. Waarschijnlijk was er in de afwezigheid van
+den dokter en zijn assistent, de een of andere onvoorzichtigheid
+begaan. Men weet niet hoe, noch waarom het reservoir met oxygenium
+met dat hetwelk het hydrogenium bevatte, in gemeenschap gekomen is,
+maar dat is zeker dat uit de vereeniging dezer beide gassen een
+ontploffend mengsel ontstaan is, dat bij vergissing met vuur in
+aanraking is gekomen.
+
+Dit gaf een heele omkeering;--doch toen het leger weder op de been
+kwam, waren dokter Ox en zijn assistent Ygeen verdwenen.
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed geraden had,
+niettegenstaande al de voorzorgen van den schrijver.
+
+
+Na de ontploffing was Quiquendone onmiddellijk weder de vreedzame,
+flegmatische en Vlaamsche stad van vroeger geworden.
+
+Na de ontploffing, die trouwens geen bijzonder diepe ontroering
+teweegbracht, sloeg iedereen, zonder te weten waarom, werktuiglijk
+den weg naar huis weder in, de burgemeester gearmd met den wethouder,
+de advocaat Schut met den geneesheer Custos, Frans Niklausse met
+zijn medeminnaar Simon Collaert, allen even bedaard en rustig,
+onbewust zelfs van 't geen er was voorgevallen, en Virgamen en de
+wraak reeds vergeten hebbende. De generaal was tot zijn confituren
+en zijn aide-de-camp tot zijn suikergoed teruggekeerd.
+
+Alles was dus weder tot kalmte gekomen, alles had het gewone leven
+hervat, menschen en dieren, dieren en planten, zelfs de toren van
+de Oudenaardsche poort, die de ontploffing,--die ontploffingen zijn
+dikwijls zulke verwonderlijke zaken,--die de ontploffing weder had
+opgericht!
+
+En van dien tijd af aan, nooit één woord luider dan het andere,
+nooit een woordenwisseling in de stad Quiquendone. Geen politiek,
+geen club, geen proces, geen politieagenten meer! De betrekking
+van den commissaris Passauf was even als vroeger een sinecure, en
+dat men hem zijn honorarium niet onttrok, had hij alleen daaraan te
+danken, dat de burgemeester en de wethouder niet konden besluiten
+een beslissing ten zijnen opzichte te nemen. Overigens bleef hij,
+maar zonder er iets van te weten, van tijd tot tijd het onderwerp
+van de droomen der oude tante.
+
+Wat den medeminnaar van Frans betreft, hij zag edelmoedig van de
+bekoorlijke Suze af ten behoeve van haren beminde, die zich, vijf of
+zes jaren na deze gebeurtenissen, haastte haar te huwen.
+
+En wat Mevr. Van Tricasse aangaat, zij stierf tien jaren later juist
+op den gewenschten termijn en de burgemeester trouwde nu met Mejuffrouw
+Pélagie Van Tricasse, zijne nicht.
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt.
+
+
+Wat had die geheimzinnige dokter Ox dan toch gedaan? Niets meer of
+minder dan een fantastische proef.
+
+Na zijn gasbuizen gelegd te hebben, had hij de openbare gebouwen,
+daarna de bijzondere huizen en eindelijk de straten van Quiquendone
+met zuiver oxygenium verzadigd, doch zonder ze ooit met een atoom
+hydrogenium te voorzien.
+
+Dit gas, overigens zonder smaak of reuk, in zulk een groote hoeveelheid
+in den dampkring verspreid, brengt ingeademd, de ernstigste stoornissen
+in het organisme teweeg. Door in een met oxygenium verzadigde ruimte
+te leven, wordt men opgewekt, overspannen, men brandt!
+
+Nauwelijks in den gewonen dampkring teruggekomen, wordt men weder
+wat men vroeger was, zooals in het geval van den wethouder en den
+burgemeester, toen zij boven in den klokketoren gekomen, zich wederom
+in de gewone dampkringslucht bevonden, daar het oxygenium door zijn
+meerdere zwaarte in de onderste lagen bleef hangen.
+
+Maar door in zulk een toestand te leven, door dit gas in te ademen,
+dat het lichaam zoowel als de ziel physiologisch verandert, sterft
+men spoedig, evenals de dwazen, die te sterk leven!
+
+Het was dus gelukkig voor de Quiquendoners, dat een door de
+Voorzienigheid bewerkte ontploffing een eind aan deze gevaarlijke
+proefneming gemaakt had, door de fabriek van dokter Ox te vernietigen.
+
+Maar zouden nu, om te besluiten, deugd, moed, talent, verstand,
+verbeeldingskracht, al die hoedanigheden of vermogens, afhangen van
+een meerdere of mindere hoeveelheid oxygenium in de atmosfeer?
+
+Dat is de theorie van dokter Ox, maar men heeft het recht haar niet
+aan te nemen en wat ons betreft, we verwerpen haar in alle opzichten,
+niettegenstaande de fantastische proefneming, waarvan de achtbare
+stad Quiquendone het tooneel was.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ I. De kraal 1
+ II. Een koningin van Tarryani 14
+ III. Nachtelijke aanval 35
+ IV. Het afscheid van Matthias van Guitt 51
+ V. De overtocht van de Betwa 64
+ VI. Hod tegen Banks 83
+ VII. Honderd tegen een 94
+ VIII. Het Puturiameer 108
+ IX. Van aangezicht tot aangezicht 124
+ X. Voor den mond van een kanon 138
+ XI. IJzeren reus 150
+ XII. De vijftigste tijger van kapitein Hod 160
+
+
+ DOKTER OX.
+
+ I. Waarom men het stadje Quiquendone nergens behoeft
+ op te zoeken, zelfs niet op de beste kaarten 167
+ II. Waarin de burgemeester Van Tricasse en de wethouder
+ Niklausse over de belangen der stad spreken 170
+ III. Waarin de commissaris Passauf op even luidruchtige als
+ onverwachte manier komt binnenvallen 174
+ IV. Waarin blijkt, dat dokter Ox een bekwaam natuurkundige
+ is en stoute proeven neemt 179
+ V. Waarin de burgemeester en de wethouder een bezoek
+ brengen aan dokter Ox en hetgeen daaruit voortvloeit 184
+ VI. Waarin Frans Niklausse en Suze Van Tricasse plannetjes
+ voor de toekomst maken 190
+ VII. Waarin de »andantes" »allegro's" worden en de
+ »allegro's" in »vivaces" overgaan 194
+ VIII. Waarin de oude, deftige wals een stormwind gelijk wordt 202
+ IX. Waarin dokter Ox en zijn assistent Ygeen elkander
+ slechts enkele woorden zeggen 208
+ X. Waarin men zien zal, dat de epidemie de geheele stad
+ aantast en welke uitwerking zij teweegbrengt 208
+ XI. Waarin de bewoners van Quiquendone een heldhaftig
+ besluit nemen 212
+ XII. Waarin de assistent Ygeen een verstandigen raad geeft,
+ die driftig door Dr. Ox wordt van de hand gewezen 219
+ XIII. Waaruit opnieuw blijkt, dat men van een verheven plaats
+ alle menschelijke nietigheden beheerscht 219
+ XIV. Waarin de gebeurtenissen te Quiquendone zulk een vaart
+ nemen, dat de inwoners, de lezers en zelfs de schrijver
+ een onmiddellijke ontknooping vorderen 227
+ XV. Waarin de ontknooping losbarst 230
+ XVI. Waarin de schrandere lezer wel ziet, dat hij goed
+ geraden had, niettegenstaande al de voorzorgen van den
+ schrijver 230
+ XVII. Waarin de theorie van dokter Ox verklaard wordt 231
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] In 1877 zijn 1677 menschelijke wezens door den beet van slangen
+omgekomen. Uit de door het gouvernement betaalde premieën voor de
+uitroeiing dezer kruipende dieren blijkt, dat er in datzelfde jaar
+127,295 gedood zijn.
+
+[2] Als het kleine met het groote mag vergeleken worden.
+
+[3] Eenhoevigen.
+
+[4] Catachresis is een redekunstige figuur waarbij men een woord
+gebruikt in den tegengestelden zin van zijn eigenlijke beteekenis.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Stoomhuis, by Jules Verne
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET STOOMHUIS ***
+
+***** This file should be named 38449-8.txt or 38449-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/4/38449/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.