diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-0.txt | 5623 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-0.zip | bin | 0 -> 104291 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38422-8.txt | 5623 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-8.txt.bin | 27 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-8.txt.bin.bak | 26 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-8.txt.bk1 | 5623 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-8.txt.bk2 | 5623 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-8.zip | bin | 0 -> 104019 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38422-h.zip | bin | 0 -> 218716 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38422-h/38422-h.htm | 5888 | ||||
| -rw-r--r-- | 38422-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 87283 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 38422-h/images/rug.jpg | bin | 0 -> 21382 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
15 files changed, 28449 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/38422-0.txt b/38422-0.txt new file mode 100644 index 0000000..3ab3a16 --- /dev/null +++ b/38422-0.txt @@ -0,0 +1,5623 @@ +Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oud en nieuw + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +---------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +---------------------------------------------------------------+ + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLÖF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND +ƒ 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR +TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE +ƒ 3.90. + +=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN +PRACHTBAND ƒ 1.—. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; +IN PRACHTBAND ƒ 1.—. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; +IN PRACHTBAND ƒ 3.50. + +=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 4.50; IN +PRACHTBANDEN ƒ 5.50. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 3.50; IN PRACHTBAND ƒ 3.90. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; IN PRACHTBAND ƒ 3.50. + +=ELSA=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50. + + + GOEDKOOPE UITGAAF + + VAN + + GÖSTA BERLING + + Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF + + Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM + + Prijs ingenaaid ƒ =1.50=, in prachtband ƒ =1.90= + + * * * * * + +=Het Algemeen Handelsblad:= + +Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen +en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende +phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, +van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van +meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, +geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen +Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en +beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving +van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk. + +=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij +het geheel genoten heeft.= + +=Het Vaderland:= + +Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere +mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en +verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat +en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder +en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van +Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta +Berling” is een boek om tweemaal te lezen.= + +=De Kerkelijke Courant:= + +Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand +dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten +predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden +en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of +men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster +Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster +vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó +aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en +haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, +wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met +vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in +de schaduw staat. + + + + +OUD EN NIEUW + + + + + OUD EN NIEUW + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLÖF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + AMSTERDAM + + H. J. W. BECHT + + 1907 + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De Kerstroos 1 + + In de Gerechtszaal 26 + + Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37 + + De Kerstvrede 47 + + Het Grafschrift 65 + + De beide Broeders 80 + + Romeinsch Bloed 89 + + De oude Agneta 113 + + De Ring van den Visscher 123 + + Santa Catharina van Siëna 151 + + De zeven Doodzonden 170 + + De Schatkist van de Keizerin 180 + + + + +DE KERSTROOS. + + +De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde, +was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was +een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de +loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud +waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch +woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens +gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn +vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van +pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, +zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, +durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed +om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als +ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren +erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te +rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in +'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of +kinderen wat overkwam. + +Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te +bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een +klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de +portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde +brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen. + +Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de +kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten +teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de +rooversvrouw ging snel met hem meê. + +'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't +kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de +rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen +zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed. + +Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een +plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen +plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen. + +In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't +Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen, +dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er +in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van +de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel +kleine bloembedjes liep. + +In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. +Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den +mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle +vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe +en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze +liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën, +die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen +den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den +leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar +bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de +rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem +achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar +bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op. + +„Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch,” zei ze, „en raak me nu +eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even +zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, +dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw +haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd +toesprak. + +„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en +dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet +weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur +te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin +weg.” + +Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar +'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen +bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond. + +Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te +loopen om hulp te halen. + +Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag +nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad +staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij +zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, +zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar +hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden +krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze +wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook. + +De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet +anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen. + +Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten +zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een +geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw +van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg +konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen. + +Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun +hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon +hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar +den tuin. + +Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen +de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist +zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar +ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort +vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude +kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer +gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd. + +De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke +dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon +niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om +dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar +zachtmoedig of zij den tuin mooi vond. + +De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet +anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren +en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig: + +„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien +had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien +ik ken.” + +De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de +rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde +een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen. + +De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te +berispen. + +„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite +de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij +weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van +Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste +bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.” + +„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw, +„ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan +denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid +weggooien.” + +Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de +abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen. + +„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi praat om ons te +plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, +tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn +ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van +een tuin geweest ben.” + +De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, +en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een +tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, +moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht +in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te +vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, +en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet +gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.” + +Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen +op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet +anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus +vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij +en je man.” + +„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in +den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.” + +De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk +te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, +dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er +vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij +begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met +Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van +haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij +daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel +hen beloonen zooveel maar in zijn macht was. + +Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het +gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen +werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, +schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf. + +„Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag +ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een +heilig man is.” + +Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt +gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze +overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden +toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als +zij iets van zijn plan ontdekten. + +Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken. +Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn +reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef. + +Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek +van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, +hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die +veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief +voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen +kon leiden. + +„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger +misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele +rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.” + +Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover +niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor +allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef. + +De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, +dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het +roovershol heen. + +„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor +hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn +om bij de menschen genade te vinden.” + +Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel +wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den +dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u +een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen +wilt.” + +De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het +verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. +Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem +zeker zou zenden. + + * * * * * + +De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet +thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de +woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had +hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had. + +De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu +heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het +heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet +graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te +beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te +zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik +was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den +abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou. + +Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat +er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder +boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm +zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden +massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer +kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid +moesten worden. + +Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de +koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die +zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het +klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met +stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de +kloosterpoort gekregen hadden. + +Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer +haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan +een van de anderen zou mogen vieren. + +Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de +kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en +smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan +de handen van den roover over te geven. + +Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te +storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in +de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd +steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen +over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en +diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt. + +'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile +en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige +velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist +toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over +een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene +naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin +zagen zij een deur van dikke planken. + +Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren +en steeg van zijn paard. + +'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele +berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, +dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van +dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen. + +„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te +staan, „en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van +de nachtkou.” + +De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't +Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De +rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. +Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er +was niets in dan een waterachtige soep. + +Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten +boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als +u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch +klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, +moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang +te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur +zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u +gekomen is.” + +De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was +zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op +het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed +aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat +hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den +abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, +zoodat hij insliep. + +Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en +nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij +hen.—'t Was een lange magere man—hij zag er moe en zwaarmoedig uit. +Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten +wilde, dat hij naar het gesprek luisterde. + +De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het +Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't +Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan +had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde. + +„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de +anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de +abt. + +De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand +sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht. + +Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist +voor het gezicht. + +„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen +van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch +niet uit mag komen?” + +De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te +bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij. + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid +te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had +van bisschop Absalom!—„Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei +de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,—zelfs geen +gans.” + +De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om +den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd. + +De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de +monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was. + +Maar opeens stond de rooversmoeder op.—„U zit hier zoo te praten, abt +Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs +hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.” + +Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten. + +Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het +eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd +aangedragen door een zachten zuidenwind. + +„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt. +Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, +nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou +opbloeien. + +Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een +lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even +duister,—maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als +een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het +uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd. + +Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een +mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;—massa's slangen +kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De +erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in +'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes +zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende +knoppen, die al een zweempje kleur hadden. + +'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't +ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen +zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen. + +Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke +duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen. + +Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een +bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen +aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren +komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen +de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken +heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de +splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, +streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren +prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als +de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen. + +Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, +warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die +arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan +land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden +kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond +raakten, takken en loten. + +Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe +ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun +nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen. + +Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te +denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren +en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht +den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de +veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den +en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen +glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik +van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het +heelemaal wit en blauw en goud werd. + +De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer +oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats +met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, +krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar +jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde +naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en +ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten +van de kleine vogels heen met haar ei in den bek. + +De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij +verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot +als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een +ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen +waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en +slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. +Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak +een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je +aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer +achteruit en liep een anderen kant uit. + +Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten +zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld +stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende +lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, +dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan +het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den +bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo +groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor +bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op +dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen. + +De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol +licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van +den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter +vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle +aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik +niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.” + +Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het +iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche +lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat +nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in +aantocht was. + +De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen +speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op. + +De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, +de oogen schreiden, zonder dat men het wist,—de ziel verlangde weg te +mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen, +en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren. + +De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van +zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds +in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen +Kerstliederen te hooren zingen. + +Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was. +Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, +omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte +hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God +zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in +eere hielden. + +Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder +zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat +kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier +gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons +behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.” + +In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, +dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons +verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van +daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.” + +Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten +zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag +hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het +toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den +nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te +beter de christenen te kunnen bedriegen. + +Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij +had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den +leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang +speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat +de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den +leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat +het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. +Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't +bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen +bent!” + +Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels +hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. +Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang +plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. +En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken +schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister +zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten +op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der +watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen. + +De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, +zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit +kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij zóó nabij waren en +verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de +vlucht werden gejaagd.” + +Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en +hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog +iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde +bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam +aanglijden over het veld. + +Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar +bleef op het veld liggen. + +Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe +duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij +namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem +dood in de sneeuw liggen. + +En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, +dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de +lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst. + + * * * * * + +Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen +voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, +dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand +eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had +vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't +loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de +bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt +Hans. + +Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden +opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen +eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, +wachtte hij niet langer. + +Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans, +dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij +nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond +gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren +opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen. + +Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit +plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, +begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in +het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, +dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen +aan bisschop Absalom moesten zenden. + +Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de +bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die +hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch.” + +Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde +waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij +een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak +hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne +houden.” + +En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn +jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan +den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het +roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met +opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik +er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het +Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.” + +„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil +graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.” + +En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met +hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan +het perkament hing. + +„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en +Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,” +zeide hij. + +Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit +zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man +ook zijn woord houden.” + +Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de +leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij +bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand +mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich +bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet +gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur +van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het +plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd +en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de +aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens +gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof. + + + + +IN DE GERECHTSZAAL. + + +We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel +achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd +man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig +geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een +sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit +te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem +kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die +alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en +onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn. + +Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag +behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het +onderhoud van een onecht kind. + +Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan +worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse +een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is. + +Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, +dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft +aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse +eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd +geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, +hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring +volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde +opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld +wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven. + +Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene +tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. +Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een +opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft +zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze +zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend +heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen. + +Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man +in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en +vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich +heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, +daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het +minst bezwaart. + +Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, +en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed +af te leggen. + +Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint +te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant +voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en +niets hem verhindert om dien af te leggen. + +Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt +onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond +gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde +in het aangezicht heeft kunnen zien. + +Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar +stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer +staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij +kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben. + +Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de +gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te +krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen. + +De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. +Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, +en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift. + +Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich +opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de +rechter moet het hem immers beletten. + +De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen +denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen +waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze +wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo +iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de +rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over +zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke +ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk +hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken +er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel +begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd +hebben, als zij daar geen recht toe had. + +De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat +ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand +anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. + +Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant +een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan +is in te grijpen. + +Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een +paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van +ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. +Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al +spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de +rechter kan geen belangstelling voor haar voelen. + +Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed +en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten +zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en +ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop +moet hebben. + +Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat +hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een +valschen eed heeft overwogen. + +De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door +getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid. + +De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze +maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen. + +Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd +met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, +maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen. + +Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, +niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen. + +Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, +maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in +het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan +ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen +versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in +het hoofd. + +Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen. + +Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille +van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan +moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen. + +Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets +geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en +geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de +naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar +oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden +met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt. + +Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, +heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel +moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het +eedsformulier te vinden. + +Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap +naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn +hand wegstooten. + +Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij +nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden. + +De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht +heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan +houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te +spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij +vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen. + +Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van +plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal +voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar +hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft +aangeklaagd. + +Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat +haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te +krijgen? + +Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan. + +Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de +daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit +meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen. + +Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar +voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den +Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk +moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen +eed, dat zal hij niet. + +De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te +nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken +angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in +haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis +zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, +hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, +springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet +zich ook tegen hem. + +„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.” + +Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek +dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te +staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te +voorkomen, dat hij omgegooid wordt. + +Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven +onbeweeglijk staan. + +„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de +rechter met dezelfde harde en strenge stem. + +Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar +verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan. + +„Hij zal den eed niet doen.” + +„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter. + +Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij +zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid. + +„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met +steeds scherper stem. + +„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, +snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.” + +„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand +verloren?” + +Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze +schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze +niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in +om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar. + +Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: +„Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, +maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal +doen.” + +Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en +blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide +handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van +haar af. + +Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al. + +Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en +zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt. + +Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij +niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de +geringsten te vinden is. + +Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan +slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich +heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij +van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, +dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt +En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets +heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun +ziel. + +En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle +menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord +hebben, waar ze het allermeest naar verlangden. + +Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen. + +De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje. + +„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” +zegt hij tegen den griffier. + +De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen. + +„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?” + +De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: +„Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.” + +De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam +zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse +toe. + +„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand. + +Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar +tranen met den opgerolden zakdoek. + +„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo +zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. + + + + +HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG. + + +Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem +volstrekt niet hebben. + +Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en +overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte +paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi. + +Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te +denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur +over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer +wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van +Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader +was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In +zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had +den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat +hij nooit wanten gebruikt had. + +Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen +hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, +zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij +niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger +zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een +predikant. + +Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was +aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam +zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een +stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar +moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en +ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls +Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de +eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden +roover op den preekstoel te laten. + +Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was +verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel +kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht +en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en +roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had +ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht. + +Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat +Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of +op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze +niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te +liggen om haar te schaken. + +Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie +om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet +gebruiken. + +Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij +was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide +ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove +vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten. + +Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij +iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten +schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader +zweeg en beklaagde zich niet. + +'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al +haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in +den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder +opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje +kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op +het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader +in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote +armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte. + +'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje +van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met +hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar +er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder +graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund +en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't +hooge koren en had de oogen niet van haar af. + +Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude +proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en +dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat +hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den +bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den +inhoud van den brief meê te deelen. + +Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam. + +Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief +aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, +toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel +wegsloot. + +De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom +was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't +eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader +was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden. + +Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had +altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den +weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe +hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant +te worden om te mogen preeken naar hartelust. + +De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, +de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan +was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden +had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met +aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en +spreken in Gods huis. + +Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den +bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats +daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te +schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord +te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang +niet slecht! + +En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te +voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden. + +Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan +toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden. + +Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met +Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor +Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was. + +Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie +was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't +naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest +zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er +geen knecht of meisje in de heele pastorie was. + +Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat +hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet +alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij +genoodzaakt zou zijn heen te gaan. + +Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door +een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de +eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen +vond, vroeg hij haar ten huwelijk. + +Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te +smeeken of aan te dringen. + +En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was. + +Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een +pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om +den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou. + +Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat +hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die +schreide in de aangrenzende kamer. + +Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal +binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien +heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal +was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht +Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't +hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen +mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze +duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats +bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar +gevraagd had. + +Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter +verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de +plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou +ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan. + +'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van +haar. Maar ze zag niemand. + +'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg +en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. +Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet +neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de +onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. +Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met +krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van +ontzetting. + +Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de +gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het +venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,” +zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze +zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er +was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel. + +Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest +hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. +'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een +verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen +troosten, die zóó schreide. + +Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. +Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten +schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest. + +Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, +die uit den hemel verbannen werd. + +En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van +de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den +kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld +tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu +blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest +zijn, als ze iemand had kunnen roepen. + +Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het +geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon +te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen. + +Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk +vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond +gesnoerd werd en ze kon niets zeggen. + +„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest +het hooren.” + +Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben? + +Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld +verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk +vreemd voor. + +Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en +hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had +zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid. + +„Waarover sprak hij dan?” + +„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het +paradijs gesloten werden.” + +Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof +ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken. + +Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met +hem mee in de vestibule. + +„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder. +„Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?” + +„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.” + +Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo +wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot +was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond +het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere +aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm +Grootvader was. + +„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer +dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te +houden.” + + + + +DE KERSTVREDE. + + +Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, +grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een +scherpe wind uit het noorden. + +Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk +hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. +Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en +massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de +door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve. + +Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als +een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het +Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag +te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den +emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het +Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de +bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was. + +Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide +Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het +groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote +kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de +tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op +elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig +haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om +den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op +Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet +zien kon hoe leelijk ze was. + +Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, +die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden +gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne +berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte +twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een +lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht +uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de +berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het +meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men +ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't +ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde. + +Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man +binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, +de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om +te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het +met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud +was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de +badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er +zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren. + +Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een +leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, +zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor +een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer +even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van +oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want +dat wilde wat zeggen:—tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. +Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was +toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de +machtigste van een geheele gemeente te wezen. + +Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de +berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En +dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel +en een ander op 't groote bed. + +„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes +gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je +velletje?” + +Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze +wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te +binden. + +„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar, +want hij was echt in Kersthumeur. + +Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen +en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen +om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het +Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide +schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de +plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg +te gaan. + +Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats +over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand +op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande +weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig +iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn +zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude +menschen willen 't liefst hun eigen zin doen. + +Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar +het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een +paar berketakken van een jaar oud te vinden. + +Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den +heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken +losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep +sneeuwvlokken achter zich aan. + +Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje +afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op +hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind +een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol +sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer +ronddraaide als een tol. + +Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn +jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een +sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka +gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den +verkeerden kant uit. + +Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het +berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de +richting van de hoeve in te slaan. + +De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant +bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij +tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want +er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de +hoeve leidde. + +Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, +de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam +werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren. + +Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat +hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar +geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke +richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den +anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen +weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer +zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij +merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was +toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen +avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide +zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef +even verward in 't hoofd als te voren. + +Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te +verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, +dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen +gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd +had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het +veld en hij had het weer zien opgroeien. + +Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu +maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook +liep, steeds kwam hij dieper het bosch in. + +Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij +begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij +te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar +die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer +vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en +diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en +hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest. + +Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij +op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om +te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom +probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon. + +Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij +meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon +al moest het zijn leven kosten. + +Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van +den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij +de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de +kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost +over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van +hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in +'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een +aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid +spreken. + +Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd +wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte +Ingmarson zijn. + +En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist +geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't +woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis +verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang +stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij +zich begon te bewegen. + +Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood +kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en +al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen. + +Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede +verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den +burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den +majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om +den hals. + +Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de +vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis +tot aan de kerk. + +Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de +begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt. + +Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. +Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, +zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten. + +'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, +alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst +opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een +marktdag. + +Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten +aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de +burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?” + +En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar +zeker wel schuld aan gehad zouden hebben. + +En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. +Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam +geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij +nauwelijks staan kon. + +Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu +op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren. + +Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar +met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!— + +En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op +sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook +geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in +slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een +deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets +warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij. + +Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. +Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem +gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten. + +Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een +schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij +in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna +sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen. + + * * * * * + +Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men +had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht. + +Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze +hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de +naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd. + +Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten +de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar +de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend +onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen +uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. +Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen +zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze +den vermiste wilden vinden. + +Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, +en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. +Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de +groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging +ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. +En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als +dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die +op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel. + +Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den +barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en +kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar +en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want +allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden +roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze +konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een +strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof +alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot +de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard +waren dan anderen. + +Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij +vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes +gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof +ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het +geslacht behoorde, een ongeluk trof. + +De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag: + +„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had +kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen. + +„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit +voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid +bewezen had. + + * * * * * + +Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las +in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, +en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar +Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het +bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de +plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook +vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij +toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier. + +Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst +over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon +ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt +werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een +welbehagen.” + +Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. +Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: +„Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.” + +De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden +langzaam uitsprak. + +„Moeder,” zei hij heel zacht. + +Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je +niet meê naar 't bosch gegaan?” + +„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben meê geweest.” + +„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.” + +Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij +moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen +houden. + +„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer. + +Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd. + +De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar +zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op +zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze +naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er +gebeurd is, mijn jongen.” + +De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als +hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon +te schreien. + +„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze. + +„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon. + +„Is het erger dan dat?” + +De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn +macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn +breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.” + +„Heeft dit er iets meê te maken?” vroeg ze. + +„Ja,” antwoordde hij. + +„De Kerstvrede?” + +„Ja.” + +„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?” + +„Ja.” + +„En God heeft ons gestraft?” + +„God heeft ons gestraft.” + +En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van +den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop +takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te +maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op +hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar +Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, +alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen +iets, maar liep hen voorbij het bosch in. + + * * * * * + +Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den +proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude +huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als +een steenen beeld. + +De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn +boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het +wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen +de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. +De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost +zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren +eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve. + +Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon: + +„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede +wilden laten houden over Vader.” + +De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw +tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk +als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de +handen. + +„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon. + +„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De +oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De +kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar +'t graf volgde. + +„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten +weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.” + +„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist +wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te +doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen +getroost had. + +„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê.” + +De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk +goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij +zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen +dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen +zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken +het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.” + +Nu sprak de vrouw ook. „Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht +doen.” + +De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort: + +„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan +tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had +moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen +hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand +en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft +God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield +Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe +Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan +en opzien wekken.” + +De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat +ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En +onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn +kranige menschen, de Ingmarsons.” + +De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag +in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij +begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de +macht gegeven had de geheele gemeente te leiden. + +„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,” +zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.” + + + + +HET GRAFSCHRIFT. + + +Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het +kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder +het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand +het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de +armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite +het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook +bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten +ze nog tot woorden samen te voegen. + +Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel +wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de +voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te +gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij +op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich. + +Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap +verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog +ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te +vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet +geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet +er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De +kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, +kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land +bezitten als de rijkste boer. + +De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen +verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. +Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men +ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den +kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te +vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het +van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu +één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders +dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek +wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan. + +Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine +hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen +onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige +liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in +de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met +bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo +gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn +ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet +voornamer dan een ander. + +Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar +de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw +uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg +trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die +gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, +te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen +den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het +graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen +te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo +oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze +begraven zijn. + +Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar +dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men +ze niet van elkander kan onderscheiden. + +Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den +ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de +kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en +werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de +aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt. + +Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en +den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt +het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen +ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar +Sander op Lerum. + +Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas +een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, +al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand +gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat +een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene +woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien +zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken +wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw: + +„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.” + +Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de +grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. +Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar +zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels. + +Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen +opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te +beven, alsof ze een felle kou voelt. + +„Wat zeg je?—Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die +klappertandt van kou. + +„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder +liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind +daar liggen zal.” + +„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist +wel, dat je je eindelijk wreken zou.” + +Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, +groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil +door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo +staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, +onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon. + +„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik +kan dit alleen niet verdragen.” + +„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed +naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor +hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!” + +„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet +verdragen.” + +Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden +noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt +onmogelijk is hem te bewegen. + +„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom +liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.” + +Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, +dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de +buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in +het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan +die van Vader en Moeder en ons beiden.” + +„En denk je, dat ze dat gelooven?” + +„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij. + +Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan +hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de +armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. +Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is +dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen +komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, +toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. +Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon. + +En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht? + +Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, +toen ze bij hem kwam en hem alles bekende. + +„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden +als zijn vrouw. + +Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar +genoeg vallen het werkelijk te doen. + +Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die +niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart +blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te +verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw +altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden +was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen +worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond +als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar +iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En +nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren! + + * * * * * + +De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien +hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de +begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk +te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze +schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder +het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, +de doodsangst versteent haar. + +Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê +naar het kerkhof—mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, +dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het +groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat +ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met +de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een +onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door +den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat +kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, +losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch +een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof +verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat +helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht +daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan +gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te +ruimen. + +De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de +gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen +zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. +Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de +lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte +doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den +stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen. + +Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om +een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen. + +Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen +voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen +krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen +is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele +kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een +luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten. + +De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in +beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom +heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den +dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof +moeten gaan. Een doode is immers niets waard. + +Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze +mogen den doode leggen, waar ze willen,—alleen niet op het kerkhof. Er +gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, +zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is +door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang +maken als kinderen. + +Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd +vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet +ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze +ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En +de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen +naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet +eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat +de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het +familiegraf rusten zal. + +Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet +alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn. + +„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker +niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders +vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.” + +En nu begrijpt ze, dat ze gered is. + +Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. +„'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet +ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en +levensgevaar is gered. + +Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone +plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich +op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te +luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te +spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door +de leden. „Het is immers dood? Dood!”— + +Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den +eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. +Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk +regeert over alle uren van den dag en van den nacht. + +Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare +meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het +leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te +winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden +worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was. + +De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, +dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de +weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit +alles. + +En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken +en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij +zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien +niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. +Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt +ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen. + +Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn +verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen. + +'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat +nooit begrepen, terwijl hij leefde. + +Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich +door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, +geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes +geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi. + +En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker +wordt—kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.—Denk eens +aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder +het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht +mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die +ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het +wezenlijke kleine menschjes. + +En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat +het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó +dicht genaderd zou zijn als nu. + +Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt +heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt +ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang +geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht +heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich +geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te +begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker. + +Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal +nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit +haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem +nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze. + +En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met +verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het +barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn +graf komen en met hem spreken kan. + +Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf +met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, +lang kunnen zitten. + +Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers +niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze +verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren +zitten. Wat zal ze hun zeggen? + +Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote +familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos +zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij +zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen +zal. + +Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is +toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij +zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een +brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem +daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles +te boven ging. + + * * * * * + +Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het +sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien +een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat +de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij +verlangt zoo! + +Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's +winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen. +Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij +te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan +nooit onder de aarde komen? + +Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar +heele leven lang. + +En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar +sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den +doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan +naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten +en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes +weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen +kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft +ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal. + +Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte +letters: + + _Hier rust mijn kind._ + +En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om +of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, +het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden +op het graf van haar kind. + + + + +DE BEIDE BROEDERS. + + +Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven +zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den +lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze +moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze +geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en +zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie +rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn. + +Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de +menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de +lange rust in de aarde gebracht worden. + +Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo +goed als in Svartsjö in Wermeland. + +Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen +precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, +als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want +dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen +een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook—want dat hebt +ge immers als zoo dikwijls gezien,—dat ge naar de kerk wordt gereden +op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge +behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar +niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en +dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar. + +Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult +krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort +zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken. + +En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg +zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult +ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er +wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk +van Svartsjö staan. + +Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den +dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te +zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte +schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa +menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben +den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken +zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. +Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet +zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden +schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, +dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor +hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in +Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de +gewoonte daar is. + +Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en +machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in +de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw +kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin +den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, +dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is. + +Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt +worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag +begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. +Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest +mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden +geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine +jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, +en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit +groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar +zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden +werdt. + +Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er +niemand, die er niet op toeziet. + +Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben. +Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft +kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is +tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags +heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er +werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. +En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den +rouwstaf. + +'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. +Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat +verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen? + +Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant +en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle +kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van +zijn. + +Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo +eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. +Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er +maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, +die dood zijt. + +De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk +gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde +kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt +en verootmoedigd worden door hun armoede. + +Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger +worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de +gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen +kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de +kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te +verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman +nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet +voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten +op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen. + +Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar +het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de +witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. +Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de +draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de +losse aardhoopen en laten u zakken. + +En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en +begint te zingen: + + „Ik ga den dood te gemoet.” + +Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de +omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de +noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij +zingt. + +De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, +dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen +zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, +omdat het bij zijn werk hoort. + +Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest +hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede +vervallen. + +Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en +luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden +zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men +niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men +nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen. + +Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet +alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt +zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één +waren. + +De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een +langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt +wat hij kan, om hem te helpen. + +En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den +koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te +verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude +man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat +ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de +kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom +hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de +wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet +gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat +het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft. + +En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat +lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit +voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem. + +Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft +altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen +geven. + +Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo +arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont. + +Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, +niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! +nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij +daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de +koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu +helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan. + +Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, +omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat +hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken +buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar +het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt +zijn broer met zijn ellendige stem. + +De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de +anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet +hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij +een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof +lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit +de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht +om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De +koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer +lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den +Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht. + +Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk +niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in +Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang? + +Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als +nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar +geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven +is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt +het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn +toespraak. + +Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij +zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en +klagender, hoe langer ze zingen. + +Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop +in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt. + +Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw +en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat +armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw +hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw +ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel. + + + + +ROMEINSCH BLOED. + + +Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren +buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men +kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het +jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, +een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; +en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen +en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen. + +En dan om wat te verdienen,—want groente en kippen brengen geen +schitterend inkomen op—koopt men een paar groote vaten romeinsche +slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer +dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met +literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en +de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels. + +Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en +onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met +wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En +eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de +kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is +de osteria klaar. + +Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria +geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef +om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. +Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en +dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten +den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't +huis, liefhad. + +Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het +graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. +Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een +heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een +woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen +waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede. + +Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en +verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is +Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon +Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de +soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters +die voorgediend hadden. + +Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat +was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij +was? + +Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria +kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te +vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het +balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan +was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het +zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige +histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij +hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar +verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, +dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun +beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken. + +De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, +en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa +wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch +hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze +zou nooit trouwen dan met een signor. + +Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop +ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,—en +aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en +een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in +het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van +veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed +neerhing. + +Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. +Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was. + +Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een +Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te +veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe +tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als +oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu +het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar +durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat +was waarlijk geen klein geluk. + +De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. +'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met +maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente +voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar +huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen +drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van +haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag +was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren +ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van +gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes +snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze +elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als +soldaten, die samen ten strijde trekken. + +Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te +vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de +geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze +graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van +de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich +van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder +omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere +keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, +verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten +haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den +hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden. + +Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, +dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi +meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi? + +Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk +bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, +maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige +schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? +Nino werd bijna bang, toen hij het zag. + +Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! +Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een +zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was +al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En +zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij +van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen? + +De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië +voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, +dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een +vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al +ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel +laten de menschen ongelukkig te maken. + +Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad +hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië +moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land +des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat +onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren +Nino's woorden. + +Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde +adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der +leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij +thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger +afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put +stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde +over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen +belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen +gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die +naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest +den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen. + +Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van +de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen +glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon +liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een +afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze +een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen +te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held. + +Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig +over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon +niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten +tot na de bruiloft. + +Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na +haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag +de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven +zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een +monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor +hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor +Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij +hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem +en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of +niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn. + +'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in +die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo +gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. +Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld +gevoeld. + +Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat +hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino +hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang +was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan +zou het er wel anders gaan.” + +Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het +daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met +troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik +en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was +alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen +en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat +er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan +zwermen. + +Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, +dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. +Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot +overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden. + +Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't +Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. +Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken +geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had +een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag +geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond: + +„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!” en +andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan +het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe +krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat +Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem +niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te +vertrouwen. + +Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten +ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook +de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte +lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de +kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de +anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den +soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's +vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.” + +Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man +had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem +liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, +moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in +'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar +aderen. + +Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar +Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het +station. + +Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. +Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en +enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en +verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: +„Leve Italië!”—er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen +gestrooid. + +Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht +hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan +de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge +krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van +Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar +terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo +scheidden zij. + +Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog +niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de +groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die +was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid +geworden. + +Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan +aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel +volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de +laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen +over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En +den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag +verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek. + +Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen +troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, +maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de +hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! +geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd. + +Teresa kwam geheel verslagen bij Nino. + +„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht +gaan?” + +En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer +door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. +Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als +de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar +men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke +scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo +weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, +die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten. + +Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar +men muilezels moest eten! + +Neen, dat vond Nino ook. + +En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe +vreeselijk de oorlog was. + +Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, +die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al +zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood +tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren +schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit +hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten. + +Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. +Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en +na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te +verscheuren. + +Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder +lezen. + +Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, +dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men +daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit +in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen +zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen. + +Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel +zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van +den volgenden dag vertrekken. + +Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar +doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn +vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het +niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben. + +Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant +in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar +zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam +zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een +lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen +band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op +schoten. + +Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan +den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen +koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij +snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een +bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe +laat het was. + +Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat +van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer +te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor +zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag. +Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had +ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen +en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken +verscheurden. + +Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. +Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich +wel weren tegen de barbaren. + +Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen +lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien +blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet +rood als bloed! + +Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. +Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar +zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten +zou, den heelen dag niet. + +„Neen, zeker niet, Teresa.” + +En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem +naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem +haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was +dan de andere. + +Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem +liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf +wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu +hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets +kwaads zou overkomen. + +Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en +daar aten zij met hun drieën. + +In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis +in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde +zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan +veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, +zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino +zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu +en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten +gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe +onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant +vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem +bepaald bij zich houden. + +Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, +zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof +of blind te maken. + +Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf +moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en +vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. +Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika +hoefde? + +Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe. + +Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging +niet. + +Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden +kunnen trouwen? + +De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij +daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen. + +Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van +ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op +reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen +voorwendsel vinden om te kunnen blijven? + +„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.” + +„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers +niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je +niet kan laten gaan.” + +De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders +dan een plotselingen inval te zien. + +Toen begon ze over wat anders. + +Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te +schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen. + +Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde +de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput +het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid +uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest +was. + +Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze +van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten +gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den +hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat +het niet waar was. + +Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen +verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen +in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. +Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de +officieren. + +„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een +Romeinsche?” + +Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit +toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu +moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze +zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood +voor zich! Dood en verscheurd! + +Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al +haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte, +bad. + +Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij +Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn +horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de +tijd om was en heengaan. + +„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet +anders dan heengaan.” + +„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is +slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en +hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.” + +„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.” + +„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons +gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten +wij het hunne hebben?” + +„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals +laatst in Rome. Nu moet ik weg.” + +„_Moet_ je?” + +„Ja.” + +„Ga dan maar.” + +„Teresa.” + +„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor +me.” + +Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens +aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. +Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging +werkelijk heen. + +Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa +toevertrouwde. + +Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote +stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa +booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige +duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen. + +Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den +afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan +boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, +en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten +hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat +vervloekte barbarenland konden voeren. + +De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg +wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!—Uit de menigte +van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men +bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker +van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen. + +Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,” +zei ze. „Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden +weggevoerd en door de barbaren geslacht.” + +Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de +menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen +om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino +zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen +dirigeeren. + +Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag +hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste +haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te +stappen. + +Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar +hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde +omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil. + +Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en +trok haar midden tusschen de menschen. + +„Blijf hier stil staan.” + +Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis +gaan, Nino,” zei ze. + +Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast, +dat het pijn deed. + +„De politie mag anders gerust....” + +Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg. + +'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino +hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot +vluchten. + +„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe. + +„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen +Napolitaner zal jelui verraden.” + +Op eens begon Teresa te snikken. + +„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.” + +En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino +wilde. Hij had de macht in handen. + +Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen. + +De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en +Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht? +Heeft iemand haar gezien?” + +'t Was een lange signora!—neen een kleine?—had men haar gezien,—neen, +daar;—ze was naar 't station gevlucht;—neen, naar Santa Lucia.—En de +politieagenten verspreidden zich rechts en links. + +Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig +naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou +aangeven. + +Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard +had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien. + +De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van +hem aan Teresa. + +Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten +leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem. + +„Lees dien, Nino,” vroeg ze. + +Hij maakte den brief open en bleef bevend staan. + +„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze. + +Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar +doodvonnis in handen. + +„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op. + +En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn +liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij. + +Ze trok verachtelijk de schouders op. + +„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze. + +„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het +vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, +je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je +zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te +veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude +Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden +geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te +beletten zijn plicht te doen.” + +Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei +ze. + +Nino zweeg. + +„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou hij nu dood zijn. Ik +begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. +Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu +laten gaan!” + +„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik +geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?” + +Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi +en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad +en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, +hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven +lang;—zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, +dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de +heerschappij hernemen. + +„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde +dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?” + +Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe +weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor +alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf +geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen +Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed. + + + + +DE OUDE AGNETA. + + +Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze +was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet +hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't +Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek. + +Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. +Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn +ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal +voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren +overleden. + +Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij +was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. +De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig +konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich +herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der +onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop +boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die +zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den +ijskouden bergwind werden voortgejaagd. + +Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat +haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar +rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij +woonde daar zoo heel alleen! + +Bij dat woord „alleen” namen haar gedachten een noch somberder tint aan. +Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. +Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn. + +„Oude Agneta,” zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in +haar eenzaamheid, „je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je +moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te +sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand +in de wereld, oude Agneta? + +Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo +zijn.—Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand +plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat +houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen +opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta. +Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water +kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.” + +Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar +garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd +eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden +doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den +predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien +zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. „Ik ben +als een doode,” zei ze. „Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed +sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn +hart is bevroren—dat is het! + +Ach ja, ach ja,” zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, „als er +maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de +oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken +breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,” zei ze en +balde de vuist tegen den hemel, „je moet me iemand geven, die me noodig +heeft! of anders wil ik sterven.” + +Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het +bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd +was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in +haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou +worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven. + +„Dat kan God wel doen,” zei de monnik. + +„Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?” zei de oude +Agneta. „Hier is immers niets dan de koude, kale velden.” + +Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, +bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met +kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven +hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag +de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher. + +„Ach!” zei hij, „woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je +gezelschap genoeg. Zie maar!” De monnik legde den wijsvinger tegen den +pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar +tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta +beefde en sloot de oogen. + +„Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,” zei ze. „De +hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.” + +„Nu—goedendag dan,” zei de monnik. „Het zal je niet meer aangeboden +worden zoo iets te zien.” + +De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het +sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich +daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat +zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs +gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd. + +Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't +in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in +eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, +maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! +Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen +fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten +over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot +bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude +sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat +warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, +verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof +de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten +hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen +stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, +want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun +bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar +dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze +werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen +eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over +het ijs snelden,—dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat +rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en +zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare +kou. + +Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd +in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al +hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, +als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken +schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door +te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als +groote ijspegels aan de rotsen hingen. + +Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de +leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar +verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op +de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat +lichte sneeuwvlokken op, anders niet. + +Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik: + +„Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?” + +Hij antwoordde: „Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid +te bewijzen of te troosten?” + +Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en +zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij +die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de +gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken. + +Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was +opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer. + +„De dooden,” zei ze tot zich zelf, „vragen niet naar roode wangen en +lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat +warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja—maar +hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude +van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?” + +Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en +bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te +betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen +den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar +moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer +zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had +voorgenomen. + +Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste +stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't +venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze +wijd open en toen begaf zij zich te bed. + +Ze lag in het donker te luisteren. + +Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den +gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet +binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude +Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer +in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en +bloed kon dit niet verdragen. + +Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van +pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs +op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil. + +Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. „Je bent laf, +oude ziel,” zei ze. „'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat +alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?” + +En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met +klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam +toch in de kamer en de deur kreeg ze open. + +Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden +komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt +had, dat ze niet meer durfden te komen. + +Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als +ze met de kudde uitging. + +„Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden +uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?” + +Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze +hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek +en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk +waarschuwde: „Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet +verschrikt.” + +Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich +tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof +zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te +krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: „Sst! sst! maak +haar niet verschrikt.” + +Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen +en sliep in. + +Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was +nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen +ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar. + + * * * * * + +Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de +dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur +kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig +had. + +Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk +zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat +noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om +het te begraven. + +Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort +voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag +men geen droefheid op iemands gezicht. + +Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een +lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den +met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, +dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar +dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als +van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode +kaarsen gebrand had voor de onzaligen. + +Toen zeiden de menschen bij het graf: „Geloofd zij God. Zij, die door +niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden +daar boven in de groote eenzaamheid.” + + + + +DE RING VAN DEN VISSCHER. + + +Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een +oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was +nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken +opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer +trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo +lief. + +Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg +gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en +kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en +verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom +ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden +te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun +geleerd God en den heiligen Marcus te eeren. + +„Denk er aan,” zei hij tot hen, „dat Venetië nooit door eigen kracht zou +zijn staande gebleven. Zie nu eens—is het niet op de golven gebouwd? +Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer +wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten +en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een +storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? +En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle +christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd +tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens +houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën.” + +En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen +was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;—als de +gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter +werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan +herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor +hun leven en hun geluk. + +Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een +visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en +goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven +scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en +'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, +waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun +te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles +zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem +niet meer te vereeren en te aanbidden. + +Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote +visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, +hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te +blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst. + +Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar +de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen +zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den +morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- +en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het +eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige +Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido +heen was de groote, onbegrensde zee. + +Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot +en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog +altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de +eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een +goede boot en waren goed thuis op zee. + +Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat +de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, +dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, +maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren. + +De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de +golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een +groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen +overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't +zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna +kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het +scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. +Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn +met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de +plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op. + +'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de +mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. +Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide +zonen en nog drie anderen waren omgekomen. + +Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen +naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep +tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als +een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar +oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn +aan. + +Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op +zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, +dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn +haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het +groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze +altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had. + +Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder +er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang +gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de +keel. + +„Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,” schreeuwde hij hem toe, +„mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!” + +De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn +verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. +Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en +stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar. + +Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de +harde steenen, en zei telkens: „Dat is San Marco, San Marco.” + +„Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,” zeiden ze tot hem. + +„Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,” zei Cecco, „buiten +Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San +Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor +geweest. Ja,” ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om +hem te kalmeeren, „zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij +Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat +men hem uitlacht.” + +Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp +zocht. „Luister eens, Beppo van Malamocco,” zei hij en strekte de hand +uit naar een grooten visscher, „geloof jij niet, dat het San Marco was?” + +„Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.” + +„Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens—mijn +jongens en ik, toen ze nog kindren waren,—daar buiten op zee, en om den +tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. „San +Marco, de evangelist,” zei ik tegen hen, „lag eerst begraven in een +mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van +de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis +in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om +dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden +met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de +bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het +bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde +priesters: „Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar +door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het +eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de +eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.” Toen gaven de +priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in +Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander +heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't +niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den +bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat +de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de +deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de +twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië.” Je weet +immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?” + +„Ja zeker, Cecco.” + +„Ja, maar nu moet je hooren,”—en Cecco richtte zich half op en sprak +met doffe stem in zijn angst. „Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik +vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de +jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen +lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en +Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat +je 't ver over zee kon hooren.” + +„Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!” + +„Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op +dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten +sterven?” + +Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot +verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers +natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee +gebeurt en niet in de haven. + +En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men +had ze hooren roepen: „Evviva San Marco!”—even hard als ieder ander. +En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn +toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren. + +„Maar jij, Cecco,” zeiden ze, „jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo +over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten +en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?” + +Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. „Jelui gelooft het dus +niet,” zei hij. + +„Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.” + +'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden. + +„Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,” zei hij. Hij stond op +en ging naar de deur. „'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?” zei hij. +„Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik +wil het niet gelooven.” Hij ging heen en in de straat voor zijn deur +ontmoette hij een buurvrouw. + +„Nu lezen ze een zielmis in den dom,” zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze +was bang voor hem, zóó zag hij er uit. + +Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli +Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren +naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen +storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk +weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen. + +Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk +van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te +bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger +dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen +wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom +haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra +de zee een van allen aanviel. + +Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich +hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden +tot San Marco. „Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten +van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in +het oosten,” had hij tot hen gezegd. „En tot dank daarvoor hebben de +Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en +nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het +een geschenk voor die kerk meêbrengt.” + +Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd +en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over +gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht +voor zijn beschermheilige bouwde. + +Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het +andere te bidden. + +Het kwam weer terug—hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde +geen kwaad van San Marco gelooven. + +Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En +dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk +veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar +ze als voor de grap had laten omkomen. + +Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij +wilde hem niet loslaten. + +En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld +met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang +den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, +zonder binnen te gaan en hem aan te roepen. + +'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. +Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om +op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen +kon nemen!—een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een +valwind! + +Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen +uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag. + +Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van +gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in. + +Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco. + +Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. +Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend +had? + +Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel +droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de +geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en +wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door +ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over +hem gekregen. + +Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een +groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had +hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. +„Neem dit dan ook maar,” zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk +naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de +woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. +Zoo had San Marco ook gedaan. + +Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te +hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat +gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco +was een stumper, even laf als wraakzuchtig. + +Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, +omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof +hem die in alle vroomheid gegeven was. + +Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten +haastig voorbij. „Het stijgt, het stijgt angstwekkend,” zei de een. + +„Wat?” vroeg Cecco. + +„Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een +voet gestegen.” + +Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas +op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de +Piazzetta was opgespat. + +Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich +naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, +alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede +golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. +Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de +kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten +worden. De hemel was effen grijs als de zee. + +Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou +kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen +zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel +eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand +zitten en wachtte. + +Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en +groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die +slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad. + +Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den +kant van Lido. + +O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien +hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, +en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de +witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die +elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim +als damp wordt voortgezweept. + +De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen +niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen +werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, +om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te +worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, +klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in +de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk. + +Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar +gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze +bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de +booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine +kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met +het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het +land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing +te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al +het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam +een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, +die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te +zijn eer de storm al te geweldig zou worden. + +Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen +en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat +dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun +inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen. + +Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor +een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de +golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend +naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, +zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot +vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en +fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, +dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg +weer in flarden neer. + +Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen +speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad +doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot +onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen. + +Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. +Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan +land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend +neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land +gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren +en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak +er de sierlijke bogen van. + +Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. +Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij +te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, +dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij +had wel ander weer beleefd in zijn jeugd. + +„Een storm!” zei hij in zichzelf, „is dit nu een storm? En nu meent men +misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar +San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.” + +Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de +stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den +Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor +de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen +fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware +brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden. + +Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge +Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de +menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam? + +Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was +nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan +de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun +woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te +rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken. + +De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen +hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken +aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen +bestormen. + +Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, +die over zijn hoofd heengleden. + +„Nu is het spoedig uit met Venetië,” zei een stem in de eene wolk, +„straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.” + +„Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,” klonk het uit de andere +wolk. + +„San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij +machteloos neerligt en niemand helpen kan,” zei de eerste stem weer. + +Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van +dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en +vergiffenis. + +Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de +eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en +daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden +meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken +uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde +signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze +moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar +Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren +weggeslagen. + +Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te +luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna +van het lijf gerukt werden. + +De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te +gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen +optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de +kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. +Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof +hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, +blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie +gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge. + +Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den +gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide. + +Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den +geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid +en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag +hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van +zijn gebeden het lot van de stad afhing. + +Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele +kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke +schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten +op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook +op Rialto waren een paar huizen omgeworpen. + +De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den +avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, +hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te +blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, +die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er +reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. +Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de +instortende huizen in 't water verdwenen. + +Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden. + +„Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven +voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon +vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel +waard als een bloeiende zoon.” + +Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt +was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende +strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven +zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot +volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het +schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de +barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En +al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het +schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood +tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen. + +Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de +hemelpoort; „Laat mij alleen lijden,” sprak hij. „San Marco, dit is meer +dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het +ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. +Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.” + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het +scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de +granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De +oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië. + +Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De +demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde +dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel +om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke +vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar +kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich +wat in de lucht. Hij zag het—en zag het niet. Toen was het alsof het +neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de +plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar +hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered +werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan. + +Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij +ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de +groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep. + +De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en +zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en +bleef zitten. + +Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast +hem. + +„Goeden avond, Cecco,” zei de vreemde, „neem uw boot en zet mij over +naar San Giorgio Maggiore.” + +„Ja, dadelijk Heer!” antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een +droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien +hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet +had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende +en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met +den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar +San Giorgio betrof—hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. +„Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,” dacht hij. Maar de +man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om +hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp +den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op. + +Cecco moest om zich zelf lachen: „Waar denk je aan? Steek ten minste +niet in zee!” zei hij. „Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, +dat geen mensch daar tegen op kan.” + +Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het +onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een +zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San +Giorgio Maggiore te roeien. + +'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. „Ach! +scheld dien kerel uit,” zei Cecco halfluid tegen zichzelf. „Scheld hem +uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een +verstandige, oude visscher! Roep hem terug.” + +Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. +Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als +hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter +naar San Giorgio voort. + +„Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,” zei hij. +„Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een +heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.” + +Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet +over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen +alles te doen wat de man in de boot verlangde. „Roei ten minste niet +naar San Giorgio, dwaas,” zei hij. „Daar slaat de wind nog feller op dan +op Rialto.” + +Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde +aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de +boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou +liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden. + +Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. +Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder. + +„Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,” sprak de vreemdeling. + +„Ach ja,” dacht Cecco, „waarom niet naar Lido,” 't was al +levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij +de tocht naar Lido niet wagen? + +En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in +den dood en zette werkelijk koers naar Lido. + +Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet +hoe hij dat uithouden moest. „Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,” +zei hij verwijtend tot zichzelf. + +Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde +noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, +dat hij vooruit komen kon. „Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,” +zei hij tot zichzelf. + +Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze +gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden +bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den +mijter op het hoofd. + +„Roei ons nu naar de open zee,” zei de eerste vreemdeling. + +De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen +vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij +dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van +naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide, +voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. +De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede +waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het +donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door +de storm opgezweepte zee lag voor hen. + +'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier +in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of +hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide +hij voort. Cecco liet zich niet bang maken. + +Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de +knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam +recht op hen aan. + +Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de +wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de +vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat +ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van +demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen +geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den +storm. + +Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan +te zien komen en Cecco sloot de oogen. + +Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want +de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip +op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht. + +Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat +hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar +voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik +rustig. + +„Breng ons nu terug naar Venetië,” zei de vreemdeling tot den visscher. + +Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, +en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste +indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto. + +Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot +den visscher: „Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem +zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio +en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië +wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.” + +„Ja, Heer,” zei de visscher, „ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik +zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.” + +Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden +edelsteen. + +„Laat den doge dien zien,” zei hij. „Dan begrijpt hij, dat ik u +gezonden heb. Hij kent mijn ring.” + +De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig. + +„En verder moet ge den doge zeggen,” zei de heilige, „dat ik dezen ring +geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de +laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië +bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de +heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, +zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal +zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, +altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge +zal u op uw ouden dag niet verlaten.” + +Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de +zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een +rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden +de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen +versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke +Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag. + +Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de +rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze +haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om +een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van +geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat +de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou +uitstrekken. + + + + +SANTA CATHARINA VAN SIËNA. + + +Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het +eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het +oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de +vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en +daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar +geuren wierook en viooltjes. + +En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine +Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en +ingaan, haar gezien en gekend hebben. + +Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er +meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, +dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden +getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis. + +Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn +feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes +onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op +den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten. + +En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood +geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een +ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug +kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood +zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest +vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen +gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood +met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen? + +En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle +kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist +die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, +waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen +elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het +toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En +zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden +stijl!—Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg +om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En +zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, +als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, +alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina +Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.” + +En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als +een herinnering aan haar. + +Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de +scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de +herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar +aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, +trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar +afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel +niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk +om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een +dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet +slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met +dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen +bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot +een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en +bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe +hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed +duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar +van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte +van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij +en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou +houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar. + +Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood +is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan. + +In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten +vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want +ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze +hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en +zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als +ze nog thuis was. + +Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast +niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren. + +In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, +wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt +liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor +ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is. + +Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor +Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood +door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons! + +Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij +die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op +dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des +hemels, bid voor ons.” + + * * * * * + +Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de +schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen +leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, +of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat +ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar +duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze +herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men +eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde +huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe +mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan +helder voor onzen geest. + +Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna +kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd +en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg +zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een +ander bestuur veroveren. + +De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering +geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun +niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde +te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij +ter dood veroordeeld. + +Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles +voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats +hebben, in orde gemaakt werd. + +Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus +zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; +hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en +de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een +smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij +eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had. + +Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van +de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had +er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet +missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het +geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij +moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten. + +Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn +aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. +Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest. + +Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, +van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de +Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd +hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers +wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. +Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij +miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe +hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou +verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem +sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote +troost geweest zijn. + +Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de +markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron +zouden halen en de kindren op straat loopen—en hij het niet zou +zien—dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die +'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde +evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_! + +Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij +om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij +liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze +zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen +ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende +jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over +hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze +niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en +de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche +genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij +weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar +Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep +hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de +gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem +binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij +weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met +hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp. + +Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de +jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over +onbuigzame zielen te bezitten. + +Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn +woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders +met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,” +zei hij. + +Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in +straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze +krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd +beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf +brachten. + +Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna +ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze +al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den +vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe +om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. +Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch +sneden. + +Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand +raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in +witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten +sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar +bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt. + +Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder +verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den +gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, +alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet +anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk +moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte +het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, +dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het +afgeschaafde vel. + +Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen +gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het +was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den +dood moest voorbereiden. + +Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in +haar nabijheid, dat hij alleen zeide: + +„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.” + +„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze. + +Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den +grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?” +vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld. + +Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, +dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren +gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld +keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te +storen. + +„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit. + +„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te +denken, wie ge toch zijt.” + +„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, +Lapa,” zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het +dominicanerklooster.” + +„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En +dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte +afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.” + +Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die +zijn eerste liefde bekent: + +„Ik ben de bruid van Christus.” + +Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het +hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van +een mésaillance. + +Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, +alsof hij meende, dat zij vermetel was. + +„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.” + +„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij. + +Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen +schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid +opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg +haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid. + +„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig. + +„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg +zij luid. „Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en +andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor +velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, +en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal +gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar +voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar +de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer +hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!” + +„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!” + +„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei +ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander +meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel +te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.” + +Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u +toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van +Christus kunt noemen?” + +Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst +moest scheuren, toen zij antwoordde: + +„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes +jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de +kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk +ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en +heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de +Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, +en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En +terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk +een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de +hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn +geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.—Sedert dien +tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.” + +Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het +veld geslapen en gedroomd.” + +„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem +gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in +de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch +klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden +hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet +trouwen wilde?” + +Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat +zij liefde voor een ander in haar hart droeg. + +„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u +liefheeft,” vroeg hij. + +Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen +als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu +zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. +Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming +gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren +te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u +zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht +maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de +muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen +en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode +flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan +het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met +wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle +deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar +daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit +iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik +hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó +hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld +meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, +maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze +'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik +me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en +lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was +vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden, +dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle +gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag +een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar +schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij +voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was +plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het +heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan, +Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij +door het sterkste geloof verbind.”” + +„O, Catharina!” + +De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn +gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen +kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar +oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart. + +Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die +jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar +liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet +of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn +heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En +het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld +was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen. + +Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar +gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: +„Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”. + +Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.” + +En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost +over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. +Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen +biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet +morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen +nemen, zooals ge nu doet.” + +Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te +schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vóór +mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar. + +Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien +wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid +sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle +angst zal van mij wijken.” + +„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een +hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook +omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo +spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik +zeker komen zal en u zien sterven.” + +Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als +een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven +was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien +zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het +sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, +omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben. + +Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was +zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij +riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina +van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden +redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil +het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden +zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over +haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, +die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart. + +De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen +aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een +verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar +alsof ze alleen was. + +En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor +alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik +reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, +helderde het zijne op en hij was bijna blij. + +Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.” + +„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik +wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.” + +Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn +hoofd tusschen haar handen te kunnen houden. + +„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.” + +Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze. + +Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij +de beste troost.” + +De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze +nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken. + +„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om +te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik +nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit +oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, +en mijn gebeden hebben geen kracht.” + +Toen zij dat zei, dacht hij: „Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen +winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende +hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in +haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden. + +„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om +uw ziel te ontvangen.” + +Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil +den hemel waard zijn?—Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag—op +dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager +neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel +voerden. + + * * * * * + +Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar +geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, +liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest +liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen +doet. + + + + +DE ZEVEN DOODZONDEN. + + +De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich +daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat +niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den +biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte. + +„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de +zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag +buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn +vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de +eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang +ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al +wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij +nu absolutie geven?” + +„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit +gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst +vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw +hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch +zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme +zondaars waren in vergelijking met u.” + +„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man. + +„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als +ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.” + +En hij vertelde: + +„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant +van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te +huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het +meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar +trouw beloofd. + +Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem +hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom +zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen +kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.” + +Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem +in stilte. + +Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere +tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:—de smart zette zich vast op +haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om +haar. + +De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. +Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de +kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik +heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op +de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en +haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met +zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te +voeren, als hij van de bruiloft geweten had. + +Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat +een ellende u over ons gebracht hebt.” + +En toen ging ze naar het balkon. + +Daar kwam haar bruidegom bij haar. + +„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?” +vroeg hij. + +Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem +nooit te verlaten.” + +Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. +Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan +maken, als ik doen zal.” + +„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij. + +„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te +nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.” + +Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, +dat God zijn hart beweegt.” + +En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar +gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op +diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn +geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als +een bedelares aan de voeten van haar bruidegom. + +„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!” + +Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, +hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, +dan zie ik haar nooit weer,”—zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen +zooals ge wilt.” + +Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en +kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel +stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer +hongerig na den langen rit en de lange mis. + +„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met +toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want +hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik +hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk +gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want +voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek +u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, +als ik het leven van mijn geliefde gered heb.” + +Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar +dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl +gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den +maaltijd beginnen.”—En zij gingen van de tafel weg. + +Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen +in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te +zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was +bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke +gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur +en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide +hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met +een grooten bezem te slaan. + +Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te +laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. +En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. +Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde +het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te +zeggen. + +En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet +en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de +Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert. + +Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de +loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een +gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en +paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een +zwakke vrouw—haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik +naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden +en een geacht en eerlijk man worden.” + +Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij +zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: +„Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone +maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij +eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd +voortgaan. + +In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde +door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had +zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, +nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo +wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij +geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar +toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid +door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die +vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug +heeft stuk geslagen.” + +En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en +droeg er haar op zijn schouders over. + +Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog +zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen +spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij +waren iets voor haar te mogen opofferen. + +Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een +der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen +zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het +zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven. + +De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel +toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde +haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, +maar luisterde er naar en deed open. + +Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot +dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, +beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde +haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat +oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan. + +Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.” + +En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?” + +Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en +sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht +aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het +huis van haar vader.” + +Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met +wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie +hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was +een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze +man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, +welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de +vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de +hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of +hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust +de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de +deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij +zelf het moeilijkst te betrachten vond. + +Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van +den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk +te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer +bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij +verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals +de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou. + +„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg +toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van +allen veel waard vindt.” + +„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat +deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven +het andere stellen.” + +Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende +stem: + +„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.” + +Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie. + +„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit, +„en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd +had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij +begon de duivelbezwering te lezen: + +„Vade retro Satanas....” + +Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel +uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van +de kerk als een groote, zwarte vleermuis. + +En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door +Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den +monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen +woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den +visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo +werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden +aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden. + + + + +DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN. + + +De bisschop had pater Verneau ontboden.—Dat was een heel lastig en +onaangenaam geval. + +Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in +den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking +aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en +teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn +aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de +leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij +stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te +noemen,—direct of indirect—er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. +„En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de pater, +„twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven.” + +Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op +hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, +vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet +anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop. + +„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de +arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....” + +„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik +meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.” + +„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....” + +„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?” + +De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden. + +„U kent hem natuurlijk!” zei hij. + +„Natuurlijk, Monseigneur.” + +„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, +woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.” + +De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan. + +„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn +voordrachtstoon vervallend. + +De bisschop sprong op. + +„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.” + +„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een +lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden +hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze +voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau +gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste +uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd. + +„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in +het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en +voortreffelijkste, die ooit België regeerde. + +Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun +dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote +keizerin Maria Theresia. + +Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, +misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet +haar goed graafschap West-Vlaandren. + +In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men +nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, +dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. +Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in +visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria +Theresia is. + +Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben +macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben +niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te +vergelijken is. + +Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is +niet genoeg te waardeeren, medeburgers. + +Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, +deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; +ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote +steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam +ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien. + +Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en +te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, +hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger +over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, +maar zij waren vervallen en ingestort. + +Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat +enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door +den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, +en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee +omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid +lagen. + +De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich +vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de +plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij +liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de +zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en +al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot +binnen de duinen was doorgedrongen. + +En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit +arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden +te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te +ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten +de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de +visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit +vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij +dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen. + +De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in +Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot +Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak +met het volk. + +De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort. + +„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin. + +„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis +Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat +hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn +boot.” + +„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin. + +„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig, +toen men hem aan land bracht.” + +„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin. + +„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets +hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn +vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte +maakte hem zeker krankzinnig.” + +„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de +keizerin, „is iets om op te vertrouwen.” + +„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij +en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op +rekenen kunnen.” + +De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam. + +„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem. + +„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein +opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, +met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, +waarmee hij begonnen was.” + +„Hoe komt dat?” zei de keizerin. + +„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij +kleiner, dan hij verwachtte.” + +„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin. + +„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen +heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet +toereikend zal zijn.” + +„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig +heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin. + +„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en +niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te +steunen.” + +De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en +vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad. + +„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der +Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.” + +„Werkelijk?” + +„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa +kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er +van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die +te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden +hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.” + +„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de +keizerin. + +„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.” + +„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou +iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon.” + +„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand +het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en +'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.” + +De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar +de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en +smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, +medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat +het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, +ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken. + +Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. +Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin. + +Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand +genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote +echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende +roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte +vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen +gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over +West-Vlaanderen tot op dezen dag toe. + +Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend. + +Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen. + +Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen +of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren +of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor +hen doen kon, zou ze doen. + +Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het +kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen +over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar +medelijden. + +Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten +met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor +allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven +kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had +tranen in de oogen toen ze dat zei. + +Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te +spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En +verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden +laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze +ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, +zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren. + +Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de +keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat +ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en +oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet +geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de +duinen. + +Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die +in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen +dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in +West-Vlaanderen regeert. + +Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk +van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de +menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig +hadden,—wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen +kan, dáár wanhoopt men niet. + +Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. +Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs +nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van +het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de +keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens +schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den +Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd +met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, +zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het +altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten +wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten. + +Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is +niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge +weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het +bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en +nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te +zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu +bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er +zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in +bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, +die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, +waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, +heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de +genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; +het eigen geld was altijd voldoende. + +Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was +dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór +allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich +aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch +later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder +weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar +bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste +bezitten ze allen in gemeenschap.”” + +De Bisschop viel pater Verneau in de rede. + +„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?” + +„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de +goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, +dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij +voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het +drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze +noodiger hadden.” + +„En....?” vroeg de bisschop. + +„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den +preekstoel al af was. Anders niets.” + +„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid +tot hen gesproken hadt.” + +De monnik boog. + +„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze +hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt +zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn +compliment.” + +De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug. + +De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid. + +„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.” + +„Of ze er aan gelooven!—Ja zeker, Monseigneur.” + +„En de schat? Was er ooit een schat?” + +„Met uw verlof, Monseigneur,—ik heb het gezworen.” + +„Nu ja,—maar voor mij...” zei de bisschop. + +„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. +Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.” + +„En....?” + +„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.” + +De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig. + +„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?” + +„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke +voorstellingen zijn ijdel.” + +Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek. + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: Catharina van Siena 151 | + | C: Catharina van Siëna 151 | + | B: Zelfs was hij ook niet | + | C: Zelf was hij ook niet | + | B: kon lijden. | + | C: kon leiden. | + | B: en Moeder en ons beiden. | + | C: en Moeder en ons beiden.” | + | B: geboren werd. Ze wïl hem | + | C: geboren werd. Ze wil hem | + | B: midden tusschen de menschen | + | C: midden tusschen de menschen. | + | B: Agnete kon dit niet uithouden. | + | C: Agneta kon dit niet uithouden. | + | B: talk meer in den kandelaar, | + | C: talk meer in den kandelaar. | + | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet | + | C: onbeschadigd naar Venetië.” Je weet | + | B: ging over de Piazetta en de markt | + | C: ging over de Piazzetta en de markt | + | B: hagelbuien uitstortten over de stad, | + | C: hagelbuien uitstortten over de stad. | + | B: Giorgo Maggiore te roeien. | + | C: Giorgio Maggiore te roeien. | + | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat | + | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat | + | B: de drie mannan de botsing afgeweerd | + | C: de drie mannen de botsing afgeweerd | + | B: het sterkste geloof verbind.” | + | C: het sterkste geloof verbind.”” | + | B: zei, dacht hij. „Als ik leven | + | C: zei, dacht hij: „Als ik leven | + | B: langen rit en de lange mis.” | + | C: langen rit en de lange mis.” | + | B: barstte de monik uit, | + | C: barstte de monnik uit, | + | B: En toen ik op de preekstoel | + | C: „En toen ik op de preekstoel | + | B: ze allen in gemeenschap.” | + | C: ze allen in gemeenschap.”” | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + +***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38422-0.zip b/38422-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c0d73f0 --- /dev/null +++ b/38422-0.zip diff --git a/38422-8.txt b/38422-8.txt new file mode 100644 index 0000000..40485e0 --- /dev/null +++ b/38422-8.txt @@ -0,0 +1,5623 @@ +Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oud en nieuw + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +---------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +---------------------------------------------------------------+ + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND +F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR +TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE +F 3.90. + +=INGRID=, VIERDE, GELLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN +PRACHTBAND F 1.--. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75; +IN PRACHTBAND F 1.--. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90; +IN PRACHTBAND F 3.50. + +=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN +PRACHTBANDEN F 5.50. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50. + +=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50. + + + GOEDKOOPE UITGAAF + + VAN + + GSTA BERLING + + Het beroemde boek van SELMA LAGERLF + + Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM + + Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90= + + * * * * * + +=Het Algemeen Handelsblad:= + +Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen +en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende +phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, +van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van +meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, +geluk. Het is een boek van echte pozie, verteld op de manier die velen +Scandinavirs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en +beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving +van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk. + +=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vr hij +het geheel genoten heeft.= + +=Het Vaderland:= + +Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere +mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en +verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat +en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder +en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van +Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. ="Gsta +Berling" is een boek om tweemaal te lezen.= + +=De Kerkelijke Courant:= + +Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand +dan "Gsta Berling". Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten +predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden +en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of +men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster +Selma Lagerlf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster +vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, z +aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en +haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, +wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met +vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in +de schaduw staat. + + + + +OUD EN NIEUW + + + + + OUD EN NIEUW + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + AMSTERDAM + + H. J. W. BECHT + + 1907 + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De Kerstroos 1 + + In de Gerechtszaal 26 + + Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37 + + De Kerstvrede 47 + + Het Grafschrift 65 + + De beide Broeders 80 + + Romeinsch Bloed 89 + + De oude Agneta 113 + + De Ring van den Visscher 123 + + Santa Catharina van Sina 151 + + De zeven Doodzonden 170 + + De Schatkist van de Keizerin 180 + + + + +DE KERSTROOS. + + +De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Gingebosch woonde, +was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was +een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de +loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud +waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Gingebosch +woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens +gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn +vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van +pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, +zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, +durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed +om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als +ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren +erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te +rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in +'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of +kinderen wat overkwam. + +Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te +bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een +klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de +portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde +brooden toe, n voor haar en n voor elk van de kinderen. + +Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de +kinderen rond. En nu kwam n van hen en trok haar aan den rok, ten +teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de +rooversvrouw ging snel met hem me. + +'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't +kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de +rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen +zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed. + +Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een +plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen +plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen. + +In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't +Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond z vol bloemen, +dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er +in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van +de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel +kleine bloembedjes liep. + +In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. +Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den +mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle +vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe +en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze +liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte lelin, +die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen +den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den +leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar +bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de +rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem +achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar +bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op. + +"Ik ben de rooversvrouw uit het Gingebosch," zei ze, "en raak me nu +eens aan als je durft." En toen ze dat gezegd had scheen ze er even +zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, +dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw +haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd +toesprak. + +"Je moet weten, vrouw," zei hij, "dat dit een monnikenklooster is en +dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet +weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur +te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin +weg." + +Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar +'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen +bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond. + +Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te +loopen om hulp te halen. + +Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag +nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad +staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij +zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, +zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar +hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden +krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze +wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook. + +De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet +anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen. + +Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten +zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een +geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw +van het Gingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg +konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen. + +Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun +hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon +hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder me naar +den tuin. + +Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen +de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist +zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar +ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort +vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude +kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer +gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd. + +De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke +dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon +niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om +dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar +zachtmoedig of zij den tuin mooi vond. + +De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet +anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren +en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig: + +"Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien +had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien +ik ken." + +De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de +rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde +een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen. + +De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te +berispen. + +"Dit is de abt Hans," zeide hij, "die zelf met groote vlijt en moeite +de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij +weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van +Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste +bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen." + +"Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen," antwoordde de rooversvrouw, +"ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan +denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid +weggooien." + +Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de +abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen. + +"Ik begrijp wel, vrouw," zei hij, "dat je zoo mooi praat om ons te +plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, +tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Gingebosch. Ik zou er mijn +ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van +een tuin geweest ben." + +De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, +en ze riep uit: "Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een +tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, +moest toch weten, dat het groote Gingebosch zich iederen Kerstnacht +in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te +vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, +en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet +gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken." + +Nu lachte de leekebroeder nog harder: "Je kunt hier nu wel staan pochen +op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet +anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus +vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij +en je man." + +"En toch is dat even waar," zei de rooversvrouw, "als dat jij niet in +den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien." + +De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk +te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, +dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er +vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij +begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met +Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van +haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij +daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel +hen beloonen zooveel maar in zijn macht was. + +Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het +gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen +werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, +schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf. + +"Maar meer dan n metgezel mag u niet meebrengen," zei ze. "En u mag +ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een +heilig man is." + +Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt +gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze +overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden +toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als +zij iets van zijn plan ontdekten. + +Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken. +Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn +reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef. + +Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek +van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, +hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die +veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief +voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen +kon leiden. + +"Zooals het nu gaat," zei de abt, "groeien zijn kinderen tot erger +misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele +rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen." + +Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover +niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor +allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef. + +De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, +dat het Gingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het +roovershol heen. + +"Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor +hen wil vertoonen," zeide hij, "dan kunnen ze toch niet te slecht zijn +om bij de menschen genade te vinden." + +Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. "Zooveel +wil ik wel beloven, abt Hans," zei hij en glimlachte, "dat ik, op den +dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Gingebosch, u +een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen +wilt." + +De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het +verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. +Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem +zeker zou zenden. + + * * * * * + +De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet +thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Gingebosch. Een van de +woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had +hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had. + +De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu +heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het +heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet +graag aan een ander hebben overgelaten met hem me te gaan en hem te +beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te +zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik +was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den +abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou. + +Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat +er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder +boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm +zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden +massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer +kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid +moesten worden. + +Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de +koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die +zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het +klooster van Bosj leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met +stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de +kloosterpoort gekregen hadden. + +Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer +haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan +een van de anderen zou mogen vieren. + +Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de +kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en +smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan +de handen van den roover over te geven. + +Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te +storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in +de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd +steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen +over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en +diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt. + +'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile +en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige +velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist +toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over +een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene +naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin +zagen zij een deur van dikke planken. + +Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren +en steeg van zijn paard. + +'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele +berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, +dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van +dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen. + +"Kom binnen, jelui daarbuiten," riep de rooversvrouw, zonder op te +staan, "en neem de paarden me in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van +de nachtkou." + +De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't +Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De +rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. +Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er +was niets in dan een waterachtige soep. + +Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten +boerenvrouw. "Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u," zei ze. "En als +u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch +klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, +moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang +te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur +zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u +gekomen is." + +De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was +zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op +het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed +aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat +hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den +abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, +zoodat hij insliep. + +Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en +nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij +hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit. +Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten +wilde, dat hij naar het gesprek luisterde. + +De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het +Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't +Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan +had megedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde. + +"'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit me mogen doen, als de +anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen," zei de +abt. + +De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand +sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht. + +Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist +voor het gezicht. + +"Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen +van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch +niet uit mag komen?" + +De abt zag hem rustig vlak in de oogen. "Mijn plan is u een vrijbrief te +bezorgen van den aartsbisschop," zei hij. + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid +te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had +van bisschop Absalom!--"Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg," zei +de roover, "dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen +gans." + +De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om +den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd. + +De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de +monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was. + +Maar opeens stond de rooversmoeder op.--"U zit hier zoo te praten, abt +Hans," zei ze, "dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs +hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden." + +Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten. + +Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het +eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd +aangedragen door een zachten zuidenwind. + +"Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?" dacht de abt. +Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, +nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou +opbloeien. + +Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een +lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even +duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als +een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het +uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd. + +Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een +mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen +kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De +erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in +'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes +zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende +knoppen, die al een zweempje kleur hadden. + +'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't +ontwaken van 't bosch zag. "Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen +zien?" dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen. + +Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke +duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen. + +Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een +bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen +aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren +komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen +de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken +heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de +splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, +streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren +prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als +de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen. + +Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, +warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die +arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan +land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden +kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond +raakten, takken en loten. + +Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe +ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun +nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen. + +Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te +denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren +en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht +den geur van pas-geploegde akkers me. Heel in de verte hoorde men de +veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den +en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen +glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik +van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het +heelemaal wit en blauw en goud werd. + +De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer +oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats +met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, +krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar +jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde +naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en +ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten +van de kleine vogels heen met haar ei in den bek. + +De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij +verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot +als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een +ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen +waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en +slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. +Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak +een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. "Houd jij je +aan jouw kant," zei hij, "dit is mijn struikje." Toen ging de beer +achteruit en liep een anderen kant uit. + +Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten +zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld +stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende +lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, +dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan +het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den +bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo +groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor +bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op +dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen. + +De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht z vol +licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van +den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter +vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle +aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: "Nu weet ik +niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan." + +Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het +iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche +lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat +nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in +aantocht was. + +De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen +speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op. + +De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, +de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te +mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, hl van verre klonken harptonen, +en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren. + +De abt vouwde de handen en zonk op de knien. Zijn gelaat straalde van +zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds +in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen +Kerstliederen te hooren zingen. + +Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem me gekomen was. +Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, +omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte +hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God +zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in +eere hielden. + +Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. "Dat kan geen echt wonder +zijn," dacht hij, "dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat +kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier +gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons +behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat." + +In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, +dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. "Ze willen ons +verlokken en verleiden," zuchtte hij. "Nooit komen we heelhuids hier van +daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht." + +Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten +zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag +hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het +toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den +nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te +beter de christenen te kunnen bedriegen. + +Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij +had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den +leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang +speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat +de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den +leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat +het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. +Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep z hard, dat het door 't +bosch weerklonk: "Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen +bent!" + +Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels +hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. +Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang +plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. +En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken +schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister +zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten +op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der +watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen. + +De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, +zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. "Nooit zal ik dit +kunnen overleven," dacht hij, "dat de engelen mij z nabij waren en +verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de +vlucht werden gejaagd." + +Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en +hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog +iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde +bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam +aanglijden over het veld. + +Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar +bleef op het veld liggen. + +Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe +duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij +namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem +dood in de sneeuw liggen. + +En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, +dat hj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de +lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst. + + * * * * * + +Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen +voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, +dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand +eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had +vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't +loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de +bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt +Hans. + +Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden +opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen +eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, +wachtte hij niet langer. + +Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles z sterk aan abt Hans, +dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij +nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond +gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren +opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen. + +Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit +plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, +begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in +het Gingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, +dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen +aan bisschop Absalom moesten zenden. + +Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de +bloemen toe en zeide: "Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die +hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Gingebosch." + +Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde +waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij +een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak +hij: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne +houden." + +En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn +jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan +den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het +roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met +opgeheven bijl te gemoet: "Ik zal jelui monniken nerhouwen, zoo veel ik +er maar krijgen kan," zei hij. "Zeker is het om jelui, dat het +Gingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed." + +"Dat is alleen mijn schuld," antwoordde de leekebroeder, "en ik wil +graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen." + +En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met +hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan +het perkament hing. + +"Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en +Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte," +zeide hij. + +Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit +zijn naam: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man +ook zijn woord houden." + +Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de +leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij +bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand +mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich +bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet +gesproken waren; want het Gingebosch heeft nooit meer het geboorteuur +van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het +plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd "Kerstroos" genoemd +en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de +aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens +gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof. + + + + +IN DE GERECHTSZAAL. + + +We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel +achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd +man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig +geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een +sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit +te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem +kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die +alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en +onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn. + +Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag +behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het +onderhoud van een onecht kind. + +Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan +worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse +een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is. + +Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, +dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft +aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse +eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd +geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, +hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring +volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde +opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld +wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven. + +Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene +tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. +Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een +opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft +zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze +zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend +heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen. + +Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man +in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en +vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich +heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, +daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het +minst bezwaart. + +Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, +en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed +af te leggen. + +Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig "ja". Hij begint +te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant +voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en +niets hem verhindert om dien af te leggen. + +Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt +onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond +gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde +in het aangezicht heeft kunnen zien. + +Nu hij "ja" zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar +stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer +staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij +kan niet: "ja" gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben. + +Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de +gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te +krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen. + +De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. +Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, +en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift. + +Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich +opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de +rechter moet het hem immers beletten. + +De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen +denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen +waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze +wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo +iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de +rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over +zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke +ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk +hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken +er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel +begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd +hebben, als zij daar geen recht toe had. + +De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat +ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand +anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. + +Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant +een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan +is in te grijpen. + +Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een +paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van +ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. +Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al +spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de +rechter kan geen belangstelling voor haar voelen. + +Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed +en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten +zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en +ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop +moet hebben. + +Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat +hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een +valschen eed heeft overwogen. + +De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door +getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid. + +De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze +maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen. + +Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd +met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, +maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen. + +Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, +niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen. + +Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, +maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in +het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan +ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen +versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in +het hoofd. + +Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen. + +Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille +van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan +moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen. + +Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets +geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en +geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de +naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar +oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden +met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt. + +Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, +heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel +moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het +eedsformulier te vinden. + +Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap +naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn +hand wegstooten. + +Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij +nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden. + +De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht +heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan +houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te +spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij +vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen. + +Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van +plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal +voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar +hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft +aangeklaagd. + +Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat +haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te +krijgen? + +Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan. + +Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de +daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit +meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen. + +Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar +voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den +Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk +moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen +eed, dat zal hij niet. + +De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te +nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken +angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in +haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis +zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, +hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, +springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet +zich ook tegen hem. + +"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet." + +Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek +dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te +staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te +voorkomen, dat hij omgegooid wordt. + +Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven +onbeweeglijk staan. + +"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de +rechter met dezelfde harde en strenge stem. + +Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar +verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan. + +"Hij zal den eed niet doen." + +"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter. + +Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij +zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid. + +"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met +steeds scherper stem. + +"Ik wil de zaak niet verder voortzetten!" barst ze uit met een luide, +snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden." + +"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand +verloren?" + +Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze +schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze +niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in +om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar. + +Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: +"Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, +maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal +doen." + +Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en +blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide +handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van +haar af. + +Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al. + +Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en +zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt. + +Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij +niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de +geringsten te vinden is. + +Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan +slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich +heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij +van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, +dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt +En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets +heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun +ziel. + +En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle +menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord +hebben, waar ze het allermeest naar verlangden. + +Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen. + +De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje. + +"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden," +zegt hij tegen den griffier. + +De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen. + +"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?" + +De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: +"Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft." + +De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam +zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse +toe. + +"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand. + +Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar +tranen met den opgerolden zakdoek. + +"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo +zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. + + + + +HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG. + + +Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem +volstrekt niet hebben. + +Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en +overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte +paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi. + +Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te +denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur +over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer +wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van +Malm benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader +was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In +zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had +den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat +hij nooit wanten gebruikt had. + +Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen +hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, +zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij +niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger +zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een +predikant. + +Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was +aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam +zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een +stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar +moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en +ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls +Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de +eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden +roover op den preekstoel te laten. + +Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was +verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel +kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht +en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en +roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had +ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht. + +Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat +Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of +op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze +niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te +liggen om haar te schaken. + +Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie +om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet +gebruiken. + +Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij +was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide +ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove +vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten. + +Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij +iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten +schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader +zweeg en beklaagde zich niet. + +'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al +haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in +den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder +opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje +kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op +het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader +in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote +armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte. + +'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje +van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk z met +hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar +er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder +graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund +en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't +hooge koren en had de oogen niet van haar af. + +Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude +proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en +dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat +hij er geen oogenblik me wilde wachten. Hij stak den brief van den +bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den +inhoud van den brief me te deelen. + +Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam. + +Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief +aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, +toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel +wegsloot. + +De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom +was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't +eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader +was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden. + +Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had +altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den +weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe +hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant +te worden om te mogen preeken naar hartelust. + +De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, +de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan +was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden +had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met +aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en +spreken in Gods huis. + +Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den +bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats +daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te +schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord +te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang +niet slecht! + +En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te +voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden. + +Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan +toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden. + +Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met +Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor +Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was. + +Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie +was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't +naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest +zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er +geen knecht of meisje in de heele pastorie was. + +Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat +hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet +alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij +genoodzaakt zou zijn heen te gaan. + +Maar vr Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door +een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de +eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen +vond, vroeg hij haar ten huwelijk. + +Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te +smeeken of aan te dringen. + +En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was. + +Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een +pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om +den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou. + +Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat +hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die +schreide in de aangrenzende kamer. + +Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal +binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien +heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal +was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht +Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't +hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen +mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze +duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats +bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar +gevraagd had. + +Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter +verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de +plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou +ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan. + +'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van +haar. Maar ze zag niemand. + +'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg +en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. +Ten slotte werd Grootmoeder z bang, dat ze moest gaan zitten om niet +neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de +onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. +Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met +krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van +ontzetting. + +Maar nmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de +gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het +venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien," +zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze +zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er +was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel. + +Grootmoeder dacht, dat iemand, die z schreide, een verdriet moest +hebben z groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. +'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een +verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen +troosten, die z schreide. + +Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. +Want die onzichtbare schreide z, dat Grootmoeder me had moeten +schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest. + +Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, +die uit den hemel verbannen werd. + +En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van +de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den +kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld +tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu +blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest +zijn, als ze iemand had kunnen roepen. + +Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het +geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon +te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen. + +Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk +vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond +gesnoerd werd en ze kon niets zeggen. + +"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest +het hooren." + +Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben? + +Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld +verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk +vreemd voor. + +Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en +hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had +zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid. + +"Waarover sprak hij dan?" + +"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het +paradijs gesloten werden." + +Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof +ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken. + +Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met +hem mee in de vestibule. + +"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder. +"Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?" + +"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten." + +Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo +wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde z groot +was, dat hij z geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond +het z heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere +aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm +Grootvader was. + +"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog n oogenblik langer +dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te +houden." + + + + +DE KERSTVREDE. + + +Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, +grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een +scherpe wind uit het noorden. + +Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk +hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. +Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en +massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de +door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve. + +Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als +een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het +Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag +te schuren, begon te neurin, hoewel het water tot ijs stolde in den +emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het +Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de +bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was. + +Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide +Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het +groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote +kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de +tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op +elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig +haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om +den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op +Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet +zien kon hoe leelijk ze was. + +Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, +die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden +gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne +berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte +twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een +lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht +uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de +berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het +meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men +ze aanraakte en dat ze er me geplaagd zou worden, minstens tot er 't +ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde. + +Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man +binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, +de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om +te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het +met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud +was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de +badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er +zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren. + +Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een +leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, +zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor +een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer +even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van +oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want +dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. +Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was +toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de +machtigste van een geheele gemeente te wezen. + +Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de +berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En +dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; n kwam terecht op de Kersttafel +en een ander op 't groote bed. + +"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes +gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je +velletje?" + +Nu de boer het z opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze +wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te +binden. + +"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar, +want hij was echt in Kersthumeur. + +Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen +en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen +om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het +Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide +schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de +plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg +te gaan. + +Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats +over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand +op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande +weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig +iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn +zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude +menschen willen 't liefst hun eigen zin doen. + +Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar +het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een +paar berketakken van een jaar oud te vinden. + +Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den +heelen dag me bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken +losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep +sneeuwvlokken achter zich aan. + +Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje +afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op +hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind +een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol +sneeuw en de wind wervelde z sterk om hem heen, dat hij een paar keer +ronddraaide als een tol. + +Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn +jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een +sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka +gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den +verkeerden kant uit. + +Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het +berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de +richting van de hoeve in te slaan. + +De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant +bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij +tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want +er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de +hoeve leidde. + +Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, +de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam +werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren. + +Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat +hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar +geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke +richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den +anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen +weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer +zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij +merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was +toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen +avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide +zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef +even verward in 't hoofd als te voren. + +Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te +verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, +dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen +gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd +had hij hier me hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het +veld en hij had het weer zien opgroeien. + +Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu +maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook +liep, steeds kwam hij dieper het bosch in. + +Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij +begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij +te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar +die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer +vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en +diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en +hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest. + +Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij +op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om +te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom +probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon. + +Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij +meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon +al moest het zijn leven kosten. + +Hij genoot er z van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van +den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij +de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de +kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost +over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van +hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in +'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een +aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid +spreken. + +Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd +wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte +Ingmarson zijn. + +En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist +geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't +woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis +verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang +stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij +zich begon te bewegen. + +Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood +kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en +al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen. + +Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede +verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den +burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den +majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om +den hals. + +Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de +vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis +tot aan de kerk. + +Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de +begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt. + +Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. +Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, +zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten. + +'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, +alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst +opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een +marktdag. + +Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten +aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de +burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?" + +En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar +zeker wel schuld aan gehad zouden hebben. + +En dt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. +Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam +geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was z moe, dat hij +nauwelijks staan kon. + +Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu +op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren. + +Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar +met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!-- + +En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op +sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook +geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in +slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een +deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets +warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij. + +Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. +Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem +gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten. + +Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een +schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij +in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna +sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen. + + * * * * * + +Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men +had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht. + +Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze +hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de +naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd. + +Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten +de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar +de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend +onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen +uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. +Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen +zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze +den vermiste wilden vinden. + +Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, +en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. +Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de +groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging +ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. +En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als +dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die +op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel. + +Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den +barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en +kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar +en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want +allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden +roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze +konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een +strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof +alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot +de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard +waren dan anderen. + +Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij +vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes +gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof +ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het +geslacht behoorde, een ongeluk trof. + +De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag: + +"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had +kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen. + +"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit +voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid +bewezen had. + + * * * * * + +Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las +in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, +en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar +Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het +bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de +plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook +vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij +toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier. + +Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst +over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon +ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt +werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een +welbehagen." + +Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. +Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: +"Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen." + +De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden +langzaam uitsprak. + +"Moeder," zei hij heel zacht. + +Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je +niet me naar 't bosch gegaan?" + +"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben me geweest." + +"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan." + +Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij +moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen +houden. + +"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer. + +Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd. + +De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar +zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op +zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze +naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er +gebeurd is, mijn jongen." + +De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als +hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon +te schreien. + +"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze. + +"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon. + +"Is het erger dan dat?" + +De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn +macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn +breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde." + +"Heeft dit er iets me te maken?" vroeg ze. + +"Ja," antwoordde hij. + +"De Kerstvrede?" + +"Ja." + +"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?" + +"Ja." + +"En God heeft ons gestraft?" + +"God heeft ons gestraft." + +En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van +den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop +takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te +maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op +hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar +Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, +alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen +iets, maar liep hen voorbij het bosch in. + + * * * * * + +Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den +proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude +huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als +een steenen beeld. + +De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn +boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het +wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen +de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. +De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost +zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren +eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve. + +Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon: + +"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede +wilden laten houden over Vader." + +De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw +tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk +als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de +handen. + +"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon. + +"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De +oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De +kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar +'t graf volgde. + +"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten +weten, dat ze daar niet op moesten rekenen." + +"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist +wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te +doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen +getroost had. + +"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan me." + +De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk +goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij +zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen +dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen +zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken +het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen." + +Nu sprak de vrouw ook. "Dt is het; we willen weten of we Vader onrecht +doen." + +De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort: + +"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan +tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had +moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen +hebben, zoo als zijn vader vr hem, want de Ingmarsons vreezen niemand +en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft +God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield +Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe +Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan +en opzien wekken." + +De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat +ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En +onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn +kranige menschen, de Ingmarsons." + +De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag +in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij +begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de +macht gegeven had de geheele gemeente te leiden. + +"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven," +zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn." + + + + +HET GRAFSCHRIFT. + + +Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het +kerkhof op Svartsj staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder +het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand +het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de +armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite +het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook +bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten +ze nog tot woorden samen te voegen. + +Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel +wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de +voeten zetten op het kerkhof van Svartsj, zonder naar dat kruisje te +gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij +op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich. + +Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsj, in winterslaap +verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog +ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te +vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet +geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet +er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De +kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, +kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land +bezitten als de rijkste boer. + +De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen +verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. +Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men +ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den +kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te +vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het +van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu +n met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders +dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek +wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan. + +Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine +hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen +onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige +liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in +de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met +bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo +gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn +ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet +voornamer dan een ander. + +Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar +de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw +uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg +trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die +gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, +te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen +den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het +graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen +te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo +oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze +begraven zijn. + +Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar +dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men +ze niet van elkander kan onderscheiden. + +Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den +ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de +kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en +werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de +aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt. + +Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en +den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt +het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen +ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar +Sander op Lerum. + +Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas +een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, +al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand +gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat +een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene +woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien +zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken +wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw: + +"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen." + +Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de +grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. +Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar +zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels. + +Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen +opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te +beven, alsof ze een felle kou voelt. + +"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die +klappertandt van kou. + +"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder +liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind +daar liggen zal." + +"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist +wel, dat je je eindelijk wreken zou." + +Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, +groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil +door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo +staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, +onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon. + +"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik +kan dit alleen niet verdragen." + +"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed +naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor +hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!" + +"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet +verdragen." + +Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden +noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt +onmogelijk is hem te bewegen. + +"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom +liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven." + +Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, +dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de +buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in +het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan +die van Vader en Moeder en ons beiden." + +"En denk je, dat ze dat gelooven?" + +"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij. + +Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan +hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de +armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. +Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is +dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen +komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, +toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. +Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon. + +En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht? + +Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, +toen ze bij hem kwam en hem alles bekende. + +"Je waart niet bij je verstand," zei hij en had haar bij zich gehouden +als zijn vrouw. + +Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar +genoeg vallen het werkelijk te doen. + +Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die +niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart +blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te +verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw +altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen z boos geworden +was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen +worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond +als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar +iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En +nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren! + + * * * * * + +De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien +hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vr de +begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk +te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze +schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder +het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, +de doodsangst versteent haar. + +Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet me +naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, +dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het +groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat +ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met +de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een +onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door +den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat +kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, +losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch +een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof +verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat +helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht +daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan +gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te +ruimen. + +De man gaat ook me naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de +gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen +zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. +Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de +lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte +doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan me in den +stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen. + +Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om +een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen. + +Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen +voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen +krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wl zou kunnen +is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele +kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een +luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten. + +De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in +beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom +heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den +dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof +moeten gaan. Een doode is immers niets waard. + +Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze +mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er +gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, +zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is +door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang +maken als kinderen. + +Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd +vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet +ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze +ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En +de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen +naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet +eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat +de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het +familiegraf rusten zal. + +Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet +alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn. + +"En het voorjaar," denkt ze, "als de kist begraven wordt, is zeker +niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders +vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt." + +En nu begrijpt ze, dat ze gered is. + +Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. +"'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is," zeggen ze. Maar zelf weet +ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en +levensgevaar is gered. + +Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone +plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich +op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te +luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te +spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door +de leden. "Het is immers dood? Dood!"-- + +Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den +eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. +Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk +regeert over alle uren van den dag en van den nacht. + +Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare +meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het +leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te +winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden +worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was. + +De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, +dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de +weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit +alles. + +En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken +en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij +zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien +niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. +Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt +ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen. + +Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn +verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen. + +'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat +nooit begrepen, terwijl hij leefde. + +Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich +door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, +geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes +geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi. + +En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker +wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens +aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder +het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht +mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die +ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het +wezenlijke kleine menschjes. + +En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat +het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit z +dicht genaderd zou zijn als nu. + +Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt +heeft, terwijl hij leefde. "Daarom is hij mij zeker afgenomen," denkt +ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang +geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht +heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich +geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te +begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker. + +Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal +nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit +haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: "zie ik hem +nog? Kan ik hem nog wel goed zien?" zegt ze. + +En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met +verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het +barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn +graf komen en met hem spreken kan. + +Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf +met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, +lang kunnen zitten. + +Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers +niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze +verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren +zitten. Wat zal ze hun zeggen? + +Nu en dan denkt ze, dat ze z zal doen. Eerst naar het groote +familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos +zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij +zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen +zal. + +Ja, hij zal er wel tevreden me zijn, als zij het zijn kan. Maar het is +toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij +zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een +brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem +daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles +te boven ging. + + * * * * * + +Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het +sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien +een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat +de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij +verlangt zoo! + +Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's +winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen. +Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij +te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan +nooit onder de aarde komen? + +Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar +heele leven lang. + +En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar +sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den +doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan +naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten +en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes +weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen +kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft +ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal. + +Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte +letters: + + _Hier rust mijn kind._ + +En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om +of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, +het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden +op het graf van haar kind. + + + + +DE BEIDE BROEDERS. + + +Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven +zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den +lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze +moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze +geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en +zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie +rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn. + +Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de +menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de +lange rust in de aarde gebracht worden. + +Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo +goed als in Svartsj in Wermeland. + +Als ge in Svartsj sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen +precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, +als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want +dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar n model. Geen +een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt +ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden +op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge +behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar +niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en +dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar. + +Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult +krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort +zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken. + +En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg +zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen megaan. En ook zult +ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er +wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk +van Svartsj staan. + +Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den +dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te +zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte +schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa +menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben +den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken +zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. +Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet +zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden +schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, +dat als er veel rouw bij n graf was, het er leelijk uit zou zien voor +hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in +Svartsj. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de +gewoonte daar is. + +Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en +machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in +de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw +kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin +den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, +dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is. + +Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt +worden op elken dag van de week. In Svartsj moet ge op een Zondag +begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. +Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest +mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden +geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine +jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, +en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit +groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar +zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden +werdt. + +Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er +niemand, die er niet op toeziet. + +Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsj hebben. +Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft +kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is +tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags +heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er +werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. +En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den +rouwstaf. + +'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. +Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat +verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen? + +Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant +en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle +kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van +zijn. + +Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo +eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. +Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsj. Het is alsof er +maar n groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, +die dood zijt. + +De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk +gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde +kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt +en verootmoedigd worden door hun armoede. + +Als een vreemde met u me naar het graf ging, zou hij veel weemoediger +worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de +gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen +kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de +kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te +verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman +nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet +voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten +op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen. + +Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar +het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de +witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. +Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de +draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de +losse aardhoopen en laten u zakken. + +En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en +begint te zingen: + + "Ik ga den dood te gemoet." + +Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de +omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de +noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij +zingt. + +De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, +dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen +zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, +omdat het bij zijn werk hoort. + +Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest +hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede +vervallen. + +Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en +luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden +zal. Maar niemand zingt mee, niet n, want dat gaat niet, dat doet men +niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsj. Ook in de kerk zingt men +nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen. + +Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet +alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die me zingt, maar die klinkt +z precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij n +waren. + +De andere stem, die me zingt, is die van een kleinen ouden man, in een +langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt +wat hij kan, om hem te helpen. + +En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den +koster; zij zijn z eender, dat men niet laten kan er zich over te +verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude +man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat +ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de +kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom +hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de +wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet +gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat +het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft. + +En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat +lukte niet. Want hij was niet z, dat men hem kon helpen. Hij had nooit +voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem. + +Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft +altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen +geven. + +Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo +arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont. + +Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, +niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! +nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij +daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de +koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu +helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan. + +Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, +omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat +hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken +buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij me naar +het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt +zijn broer met zijn ellendige stem. + +De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de +anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet +hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij +een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof +lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit +de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht +om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De +koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer +lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den +Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht. + +Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk +niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in +Svartsj begraven zou willen worden, alleen om dat gezang? + +Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als +nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar +geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven +is en dan is men er volkomen tevreden me dood te zijn. En dan eindigt +het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn +toespraak. + +Daarop zingen de twee oude stemmen: "Ik ga naar den hemel." En zij +zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en +klagender, hoe langer ze zingen. + +Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop +in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt. + +Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw +en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat +armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw +hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw +ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel. + + + + +ROMEINSCH BLOED. + + +Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren +buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men +kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het +jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, +een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; +en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen +en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen. + +En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen +schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche +slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer +dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met +literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en +de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels. + +Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en +onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met +wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En +eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de +kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is +de osteria klaar. + +Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria +geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef +om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. +Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en +dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten +den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't +huis, liefhad. + +Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het +graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. +Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een +heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een +woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen +waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede. + +Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en +verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. "Waar is +Teresa?" vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon +Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de +soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters +die voorgediend hadden. + +Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat +was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij +was? + +Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria +kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te +vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het +balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan +was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het +zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige +histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij +hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar +verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, +dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun +beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken. + +De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, +en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa +wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch +hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze +zou nooit trouwen dan met een signor. + +Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop +ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en +aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en +een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in +het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van +veeren om den hals, z lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed +neerhing. + +Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. +Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was. + +Eigenlijk was Nino er best me tevreden, dat Teresa niet met een +Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te +veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe +tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als +oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu +het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar +durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat +was waarlijk geen klein geluk. + +De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. +'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met +mas voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente +voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar +huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen +drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van +haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag +was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren +ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van +gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes +snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze +elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als +soldaten, die samen ten strijde trekken. + +Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te +vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de +geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze +graag hooren, hoe de plebejers tot patricirs werden verheven en van +de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich +van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder +omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere +keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, +verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten +haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den +hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden. + +Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, +dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi +meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi? + +Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk +bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, +maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige +schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? +Nino werd bijna bang, toen hij het zag. + +Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! +Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een +zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was +al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En +zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij +van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen? + +De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Itali +voerde oorlog met Abyssini, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, +dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een +vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al +ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel +laten de menschen ongelukkig te maken. + +Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad +hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Itali +moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land +des vredes. "Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat +onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan." Dat waren +Nino's woorden. + +Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde +adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der +leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij +thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger +afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put +stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde +over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen +belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen +gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die +naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest +den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen. + +Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van +de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen +glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon +liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een +afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze +een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen +te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held. + +Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig +over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon +niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten +tot na de bruiloft. + +Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na +haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag +de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven +zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een +monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor +hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor +Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij +hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem +en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of +niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn. + +'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in +die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo +gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. +Nino had zich nooit z met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld +gevoeld. + +Hoe gelukkig was ze er me, dat haar vriend officier was. Behalve dat +hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino +hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang +was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: "Ja werd hij dat maar, dan +zou het er wel anders gaan." + +Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het +daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met +troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik +en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was +alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen +en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat +er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan +zwermen. + +Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, +dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. +Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot +overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Itali geholpen worden. + +Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't +Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. +Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken +geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had +een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Itali's vlag +geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond: + +"Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Itali!" en +andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan +het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe +krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat +Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem +niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te +vertrouwen. + +Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten +ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook +de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte +lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de +kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de +anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den +soldaten reikte, wilde zeggen: "Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's +vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien." + +Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man +had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem +liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, +moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in +'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar +aderen. + +Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar +Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa me naar het +station. + +Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. +Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en +enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en +verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: +"Leve Itali!"--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen +gestrooid. + +Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht +hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan +de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge +krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van +Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar +terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo +scheidden zij. + +Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog +niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de +groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die +was opgetrokken tegen de Abyssinirs en was verslagen en verstrooid +geworden. + +Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan +aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel +volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de +laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen +over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Itali. En +den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag +verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek. + +Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen +troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, +maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de +hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! +geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd. + +Teresa kwam geheel verslagen bij Nino. + +"Wat is er toch gebeurd, Nino?" vroeg ze, "hoe kon dat nu zoo slecht +gaan?" + +En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer +door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. +Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als +de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar +men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke +scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo +weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, +die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten. + +Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar +men muilezels moest eten! + +Neen, dat vond Nino ook. + +En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe +vreeselijk de oorlog was. + +Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, +die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al +zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood +tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren +schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit +hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten. + +Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. +Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en +na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te +verscheuren. + +Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder +lezen. + +Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, +dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men +daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit +in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen +zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen. + +Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel +zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van +den volgenden dag vertrekken. + +Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar +doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn +vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het +niet laten. En niemand dan Nino had ze me willen hebben. + +Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant +in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar +zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam +zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een +lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen +band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op +schoten. + +Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan +den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om n uur samen +koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij +snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een +bank bij de "villa" en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe +laat het was. + +Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat +van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer +te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor +zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag. +Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had +ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen +en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken +verscheurden. + +Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. +Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich +wel weren tegen de barbaren. + +Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen +lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien +blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet +rood als bloed! + +Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. +Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar +zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten +zou, den heelen dag niet. + +"Neen, zeker niet, Teresa." + +En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem +naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem +haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was +dan de andere. + +Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem +liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf +wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu +hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets +kwaads zou overkomen. + +Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en +daar aten zij met hun drien. + +In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis +in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde +zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan +veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, +zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino +zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu +en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten +gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe +onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant +vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem +bepaald bij zich houden. + +Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, +zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof +of blind te maken. + +Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf +moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en +vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. +Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika +hoefde? + +Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe. + +Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging +niet. + +Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden +kunnen trouwen? + +De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij +daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen. + +Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van +ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op +reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen +voorwendsel vinden om te kunnen blijven? + +"Teresa," zei hij, "dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet." + +"Eerloos," zei ze vleiend, "hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers +niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je z liefheb, dat ik je +niet kan laten gaan." + +De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders +dan een plotselingen inval te zien. + +Toen begon ze over wat anders. + +Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te +schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen. + +Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde +de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput +het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid +uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest +was. + +Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze +van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten +gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den +hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat +het niet waar was. + +Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen +verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen +in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. +Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de +officieren. + +"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een +Romeinsche?" + +Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit +toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu +moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze +zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood +voor zich! Dood en verscheurd! + +Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al +haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knien, schreide, smeekte, +bad. + +Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij +Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn +horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de +tijd om was en heengaan. + +"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet +anders dan heengaan." + +"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is +slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en +hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten." + +"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man." + +"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons +gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten +wij het hunne hebben?" + +"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals +laatst in Rome. Nu moet ik weg." + +"_Moet_ je?" + +"Ja." + +"Ga dan maar." + +"Teresa." + +"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor +me." + +Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens +aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. +Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging +werkelijk heen. + +Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa +toevertrouwde. + +Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote +stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa +booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige +duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen. + +Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den +afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan +boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, +en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten +hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Itali's zonen naar dat +vervloekte barbarenland konden voeren. + +De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg +wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte +van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men +bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker +van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen. + +Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino," +zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden +weggevoerd en door de barbaren geslacht." + +Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de +menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen +om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino +zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen +dirigeeren. + +Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag +hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste +haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te +stappen. + +Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar +hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde +omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil. + +Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en +trok haar midden tusschen de menschen. + +"Blijf hier stil staan." + +Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis +gaan, Nino," zei ze. + +Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast, +dat het pijn deed. + +"De politie mag anders gerust...." + +Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg. + +'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino +hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot +vluchten. + +"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe. + +"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen +Napolitaner zal jelui verraden." + +Op eens begon Teresa te snikken. + +"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen." + +En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino +wilde. Hij had de macht in handen. + +Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen. + +De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en +Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht? +Heeft iemand haar gezien?" + +'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen, +daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de +politieagenten verspreidden zich rechts en links. + +Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig +naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou +aangeven. + +Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard +had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien. + +De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van +hem aan Teresa. + +Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten +leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem. + +"Lees dien, Nino," vroeg ze. + +Hij maakte den brief open en bleef bevend staan. + +"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze. + +Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar +doodvonnis in handen. + +"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op. + +En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn +liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij. + +Ze trok verachtelijk de schouders op. + +"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze. + +"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het +vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, +je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je +zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te +veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude +Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden +geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te +beletten zijn plicht te doen." + +Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei +ze. + +Nino zweeg. + +"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik +begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. +Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu +laten gaan!" + +"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik +geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?" + +Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi +en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad +en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, +hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven +lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, +dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de +heerschappij hernemen. + +"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde +dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?" + +Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe +weinig het nieuwe Itali op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor +alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf +geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen +Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed. + + + + +DE OUDE AGNETA. + + +Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze +was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet +hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't +Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek. + +Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. +Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn +ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal +voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren +overleden. + +Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij +was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. +De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig +konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich +herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der +onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop +boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die +zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den +ijskouden bergwind werden voortgejaagd. + +Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat +haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar +rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij +woonde daar zoo heel alleen! + +Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan. +Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. +Zij voelde hoe hard het was, z ver van de menschen te zijn. + +"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in +haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je +moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te +sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand +in de wereld, oude Agneta? + +Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo +zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand +plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat +houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen +opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta. +Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water +kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was." + +Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar +garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd +eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden +doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den +predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien +zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben +als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed +sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn +hart is bevroren--dat is het! + +Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er +maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de +oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken +breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en +balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig +heeft! of anders wil ik sterven." + +Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het +bergpad tegemoet. Hij ging met haar me, omdat hij zag, dat ze bedroefd +was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in +haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou +worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven. + +"Dat kan God wel doen," zei de monnik. + +"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude +Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden." + +Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, +bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met +kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven +hun hoofden, z steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag +de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher. + +"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je +gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den +pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar +tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta +beefde en sloot de oogen. + +"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De +hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg." + +"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden +worden zoo iets te zien." + +De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het +sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich +daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat +zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs +gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd. + +Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't +in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in +eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, +maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! +Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen +fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten +over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot +bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude +sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat +warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, +verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof +de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten +hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen +stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, +want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun +bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar +dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze +werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen +eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over +het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat +rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en +zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare +kou. + +Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd +in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al +hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, +als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken +schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door +te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als +groote ijspegels aan de rotsen hingen. + +Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de +leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar +verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op +de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat +lichte sneeuwvlokken op, anders niet. + +Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik: + +"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?" + +Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid +te bewijzen of te troosten?" + +Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en +zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij +die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de +gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken. + +Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was +opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer. + +"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en +lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat +warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar +hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude +van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?" + +Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en +bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te +betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen +den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar +moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer +zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had +voorgenomen. + +Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste +stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't +venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze +wijd open en toen begaf zij zich te bed. + +Ze lag in het donker te luisteren. + +Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den +gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet +binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude +Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer +in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en +bloed kon dit niet verdragen. + +Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van +pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs +op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil. + +Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf, +oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat +alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?" + +En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met +klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam +toch in de kamer en de deur kreeg ze open. + +Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden +komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook z verschrikt +had, dat ze niet meer durfden te komen. + +Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als +ze met de kudde uitging. + +"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden +uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?" + +Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze +hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek +en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk +waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet +verschrikt." + +Ze had een gevoel, alsof de groote kamer z propvol was, dat men zich +tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof +zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te +krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak +haar niet verschrikt." + +Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen +en sliep in. + +Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was +nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen +ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar. + + * * * * * + +Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de +dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur +kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig +had. + +Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk +zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat +noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om +het te begraven. + +Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort +voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag +men geen droefheid op iemands gezicht. + +Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een +lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den +met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, +dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar +dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als +van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode +kaarsen gebrand had voor de onzaligen. + +Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door +niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden +daar boven in de groote eenzaamheid." + + + + +DE RING VAN DEN VISSCHER. + + +Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Veneti een +oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was +nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken +opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer +trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo +lief. + +Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg +gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en +kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en +verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom +ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden +te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun +geleerd God en den heiligen Marcus te eeren. + +"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Veneti nooit door eigen kracht zou +zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd? +Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer +wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten +en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een +storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? +En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle +christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd +tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens +houdt, die Veneti zwevend houden boven de diepte der zeen." + +En 's avonds als het maanlicht, dat over Veneti scheen, blauwgroen +was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de +gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter +werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan +herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor +hun leven en hun geluk. + +Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een +visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en +goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven +scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en +'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, +waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun +te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles +zou vergaan, als maar een enkele Venetir ondankbaar genoeg zou zijn hem +niet meer te vereeren en te aanbidden. + +Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote +visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, +hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te +blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst. + +Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar +de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen +zij al de eilanden, die als gespen Veneti met de zee verbinden, uit den +morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- +en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het +eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige +Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido +heen was de groote, onbegrensde zee. + +Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot +en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog +altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de +eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een +goede boot en waren goed thuis op zee. + +Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat +de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, +dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, +maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren. + +De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de +golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een +groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen +overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't +zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna +kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het +scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. +Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn +met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de +plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op. + +'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de +mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. +Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide +zonen en nog drie anderen waren omgekomen. + +Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen +naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep +tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als +een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar +oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn +aan. + +Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op +zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, +dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn +haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het +groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze +altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had. + +Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder +er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang +gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de +keel. + +"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe, +"mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!" + +De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn +verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. +Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en +stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar. + +Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de +harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco." + +"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem. + +"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten +Lido en Malamocco, dr wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San +Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor +geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om +hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij +Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat +men hem uitlacht." + +Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp +zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand +uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?" + +"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco." + +"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn +jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den +tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Veneti kwam. "San +Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een +mooie domkerk in Alexandri, in Egypte. Maar de stad viel in handen van +de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis +in Alexandri zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om +dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden +met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandri. Toen de +bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het +bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde +priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar +door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het +eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de +eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de +priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in +Alexandri de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander +heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't +niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den +bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat +de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de +deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de +twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Veneti." Je weet +immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?" + +"Ja zeker, Cecco." + +"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak +met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik +vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de +jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen +lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en +Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden z, dat +je 't ver over zee kon hooren." + +"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!" + +"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op +dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dr moesten +sterven?" + +Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot +verdriet bracht hem in de war. Z was San Marco niet. 't Was immers +natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee +gebeurt en niet in de haven. + +En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men +had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander. +En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn +toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren. + +"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo +over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten +en hem niet tegen de Venetirs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?" + +Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus +niet," zei hij. + +"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets." + +'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden. + +"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op +en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij. +"Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik +wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur +ontmoette hij een buurvrouw. + +"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze +was bang voor hem, z zag hij er uit. + +Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli +Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren +naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen +storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk +weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen. + +Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk +van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knien lagen te +bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetirs veel erger +dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen +wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom +haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra +de zee een van allen aanviel. + +Cecco viel niet op de knien, maar bleef staan. Hij herinnerde zich +hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden +tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten +van Byzanti voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in +het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de +Venetirs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en +nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het +een geschenk voor die kerk mebrengt." + +Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd +en het vergulde met mozaek bedekte dak. En hij had er met hen over +gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht +voor zijn beschermheilige bouwde. + +Cecco viel plotseling op de knien en begon het eene paternoster na het +andere te bidden. + +Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde +geen kwaad van San Marco gelooven. + +Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En +dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk +veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar +ze als voor de grap had laten omkomen. + +Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij +wilde hem niet loslaten. + +En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld +met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang +den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, +zonder binnen te gaan en hem aan te roepen. + +'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. +Ach! 't was toch ellendig voor de Venetirs, niets beters te hebben om +op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen +kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een +valwind! + +Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen +uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag. + +Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van +gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in. + +Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco. + +Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. +Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend +had? + +Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel +droeg en wierp die z hard in de schaal, dat men den klank in de +geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en +wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door +ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over +hem gekregen. + +Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een +groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had +hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. +"Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk +naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de +woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. +Zoo had San Marco ook gedaan. + +Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te +hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat +gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco +was een stumper, even laf als wraakzuchtig. + +Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, +omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof +hem die in alle vroomheid gegeven was. + +Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten +haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een. + +"Wat?" vroeg Cecco. + +"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een +voet gestegen." + +Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas +op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de +Piazzetta was opgespat. + +Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich +naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, +alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede +golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. +Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de +kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten +worden. De hemel was effen grijs als de zee. + +Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou +kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen +zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel +eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand +zitten en wachtte. + +Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en +groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die +slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad. + +Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den +kant van Lido. + +O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien +hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, +en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de +witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die +elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim +als damp wordt voortgezweept. + +De wind was nu z sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen +niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen +werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, +om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te +worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, +klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in +de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk. + +Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar +gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze +bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de +booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine +kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met +het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het +land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing +te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al +het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam +een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, +die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te +zijn eer de storm al te geweldig zou worden. + +Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen +en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat +dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun +inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen. + +Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor +een gewoon mensch om rekening me te houden. De stapjes werden door de +golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend +naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, +zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot +vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en +fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, +dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg +weer in flarden neer. + +Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen +speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad +doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot +onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen. + +Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. +Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan +land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend +neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land +gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren +en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak +er de sierlijke bogen van. + +Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. +Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij +te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, +dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij +had wel ander weer beleefd in zijn jeugd. + +"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men +misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar +San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm." + +Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Veneti af, tot de +stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den +Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor +de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen +fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware +brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden. + +Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge +Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de +menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam? + +Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was +nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan +de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun +woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te +rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken. + +De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen +hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken +aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen +bestormen. + +Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, +die over zijn hoofd heengleden. + +"Nu is het spoedig uit met Veneti," zei een stem in de eene wolk, +"straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad." + +"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere +wolk. + +"San Marco is door een Venetir op het voorhoofd geslagen, zoodat hij +machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer. + +Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van +dat oogenblik af lag hij op de knien en bad San Marco om genade en +vergiffenis. + +Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de +eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetir had San Marco gehoond en +daarom zou Veneti door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden +meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken +uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde +signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze +moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar +Veneti kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren +weggeslagen. + +Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te +luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna +van het lijf gerukt werden. + +De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te +gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen +optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de +kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. +Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof +hij niets beters wist om me te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, +blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie +gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge. + +Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den +gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide. + +Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den +geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid +en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag +hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van +zijn gebeden het lot van de stad afhing. + +Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele +kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke +schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten +op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook +op Rialto waren een paar huizen omgeworpen. + +De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den +avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, +hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te +blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, +die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er +reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. +Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de +instortende huizen in 't water verdwenen. + +Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden. + +"Wat geef ik om mijn zonen, als het Veneti geldt. Ik zou een zoon geven +voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon +vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Veneti is zooveel +waard als een bloeiende zoon." + +Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt +was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende +strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven +zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot +volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het +schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de +barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En +al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het +schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood +tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen. + +Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de +hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer +dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen me te slepen in het +ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. +Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren." + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het +scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de +granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De +oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Veneti. + +Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De +demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde +dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel +om hen. Het ergste was de angst voor Veneti. Daar hoorde hij sterke +vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar +kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich +wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het +neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de +plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar +hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Veneti maar gered +werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan. + +Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij +ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de +groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep. + +De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en +zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en +bleef zitten. + +Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast +hem. + +"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over +naar San Giorgio Maggiore." + +"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een +droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien +hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet +had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende +en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met +den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar +San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. +"Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de +man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om +hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp +den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op. + +Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste +niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, +dat geen mensch daar tegen op kan." + +Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het +onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een +zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San +Giorgio Maggiore te roeien. + +'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach! +scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem +uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een +verstandige, oude visscher! Roep hem terug." + +Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. +Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als +hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter +naar San Giorgio voort. + +"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij. +"Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een +heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf." + +Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet +over zijn megaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen +alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet +naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan +op Rialto." + +Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde +aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de +boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou +liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden. + +Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. +Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder. + +"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling. + +"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al +levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij +de tocht naar Lido niet wagen? + +En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in +den dood en zette werkelijk koers naar Lido. + +Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet +hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven," +zei hij verwijtend tot zichzelf. + +Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde +noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, +dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco," +zei hij tot zichzelf. + +Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze +gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden +bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den +mijter op het hoofd. + +"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling. + +De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen +vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij +dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van +naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide, +voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. +De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede +waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het +donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door +de storm opgezweepte zee lag voor hen. + +'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier +in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of +hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide +hij voort. Cecco liet zich niet bang maken. + +Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de +knien, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam +recht op hen aan. + +Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de +wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de +vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat +ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van +demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen +geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den +storm. + +Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan +te zien komen en Cecco sloot de oogen. + +Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want +de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip +op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht. + +Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat +hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar +voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik +rustig. + +"Breng ons nu terug naar Veneti," zei de vreemdeling tot den visscher. + +Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, +en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste +indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto. + +Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot +den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem +zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio +en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Veneti +wilden verwoesten, en ze hebben verdreven." + +"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik +zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft." + +Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden +edelsteen. + +"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u +gezonden heb. Hij kent mijn ring." + +De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig. + +"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring +geef als een onderpand, dat ik Veneti nooit zal verlaten. Zelfs als de +laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Veneti +bewaren. Zelfs al verloor Veneti de eilanden in 't oosten en de +heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, +zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal +zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, +altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge +zal u op uw ouden dag niet verlaten." + +Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de +zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een +rozigen glans over Veneti en de veelkleurige zee. Rood straalden +de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen +versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke +Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag. + +Weer was Veneti de schoone godin, die op de golven troont in de +rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze +haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om +een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van +geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat +de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou +uitstrekken. + + + + +SANTA CATHARINA VAN SINA. + + +Het is in het oude huis van Santa Catharina in Sina, op een dag in het +eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het +oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de +vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en +daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar +geuren wierook en viooltjes. + +En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine +Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en +ingaan, haar gezien en gekend hebben. + +Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er +meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, +dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden +getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis. + +Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn +feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes +onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op +den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten. + +En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood +geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een +ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug +kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperien en rood +zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest +vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen +gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood +met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen? + +En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle +kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist +die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, +waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen +elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het +toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En +zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden +stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg +om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En +zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, +als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, +alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina +Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien." + +En zij kussen haar portret en nemen een bloem me uit de bouquetten, als +een herinnering aan haar. + +Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de +scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de +herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar +aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, +trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar +afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel +niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk +om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een +dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet +slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met +dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen +bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot +een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knien lag en +bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe +hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed +duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar +van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte +van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij +en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou +houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar. + +Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood +is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan. + +In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten +vergeten. Alle armen van Sina komen daar aan de poort kloppen, want +ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze +hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en +zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als +ze nog thuis was. + +Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar z, dat men haast +niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren. + +In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, +wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt +liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor +ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is. + +Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor +Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood +door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons! + +Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij +die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op +dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des +hemels, bid voor ons." + + * * * * * + +Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de +schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen +leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, +of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat +ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar +duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze +herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men +eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde +huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe +mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan +helder voor onzen geest. + +Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Sina +kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Sina bestuurd werd +en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg +zat te drinken, dat Sina moest opstaan tegen de Signoria en zich een +ander bestuur veroveren. + +De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering +geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun +niet, dat de Perugir het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde +te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij +ter dood veroordeeld. + +Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles +voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats +hebben, in orde gemaakt werd. + +Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus +zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; +hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en +de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een +smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij +eerst gisteren gekocht en nog maar ns beproefd had. + +Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van +de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had +er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet +missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het +geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij +moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten. + +Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn +aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. +Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest. + +Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, +van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de +Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd +hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers +wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. +Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij +miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe +hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou +verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem +sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote +troost geweest zijn. + +Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de +markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron +zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou +zien--dt kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die +'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde +evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_! + +Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij +om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij +liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze +zouden zeggen tegen iemand, die z verongelijkt was als hij. Maar toen +ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende +jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over +hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze +niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en +de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche +genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij +weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar +Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep +hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de +gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem +binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij +weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met +hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp. + +Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de +jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over +onbuigzame zielen te bezitten. + +Toen de Perugir dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn +woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders +met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw," +zei hij. + +Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in +straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze +krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd +beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf +brachten. + +Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna +ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze +al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den +vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe +om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. +Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch +sneden. + +Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand +raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in +witte dominikanerkleeding met hoofd en hals z dicht in een witten +sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar +bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt. + +Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder +verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den +gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, +alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet +anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk +moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte +het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, +dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het +afgeschaafde vel. + +Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen +gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze me bezig was. Het +was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den +dood moest voorbereiden. + +Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in +haar nabijheid, dat hij alleen zeide: + +"Ik geloof, dat ik zou willen slapen." + +"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze. + +Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den +grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?" +vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld. + +Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, +dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren +gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld +keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te +storen. + +"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit. + +"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te +denken, wie ge toch zijt." + +"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, +Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het +dominicanerklooster." + +"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En +dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte +afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt." + +Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die +zijn eerste liefde bekent: + +"Ik ben de bruid van Christus." + +Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het +hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van +een msaillance. + +Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, +alsof hij meende, dat zij vermetel was. + +"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo." + +"Dat is inbeelding of een droom," zei hij. + +Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen +schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid +opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg +haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid. + +"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig. + +"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg +zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en +andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor +velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, +en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal +gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar +voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar +de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer +hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!" + +"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!" + +"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei +ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander +meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel +te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet." + +Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u +toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van +Christus kunt noemen?" + +Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst +moest scheuren, toen zij antwoordde: + +"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes +jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de +kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk +ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en +heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de +Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, +en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En +terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk +een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de +hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn +geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien +tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad." + +Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het +veld geslapen en gedroomd." + +"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem +gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in +de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch +klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden +hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet +trouwen wilde?" + +Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat +zij liefde voor een ander in haar hart droeg. + +"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u +liefheeft," vroeg hij. + +Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen +als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu +zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. +Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming +gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren +te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u +zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht +maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de +muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen +en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode +flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan +het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met +wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle +deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar +daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit +iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik +hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen z +hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld +me zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, +maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze +'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik +me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en +lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was +vastgebonden. Maar nooit te voren had ik z innig tot Christus gebeden, +dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle +gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag +een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar +schoot zat het kind Jezus met lelin te spelen. Maar ik spoedde mij +voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knien en was +plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het +heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan, +Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij +door het sterkste geloof verbind."" + +"O, Catharina!" + +De jonge Perugir had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn +gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen +kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar +oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart. + +Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die +jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar +liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet +of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn +heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En +het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld +was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen. + +Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar +gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: +"Ik vergeet met u over uw ziel te spreken". + +Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen." + +En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost +over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. +Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen +biechten. Maar n ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet +morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen +nemen, zooals ge nu doet." + +Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde z groot, dat ze begon te +schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vr +mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar. + +Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien +wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid +sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle +angst zal van mij wijken." + +"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een +hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook +omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo +spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik +zeker komen zal en u zien sterven." + +Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als +een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven +was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien +zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het +sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, +omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben. + +Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was +zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij +riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina +van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden +redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil +het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden +zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over +haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, +die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart. + +De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen +aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een +verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar +alsof ze alleen was. + +En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor +alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik +reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, +helderde het zijne op en hij was bijna blij. + +Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw." + +"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik +wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht." + +Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knien er voor, om zijn +hoofd tusschen haar handen te kunnen houden. + +"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina." + +Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze. + +Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij +de beste troost." + +De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze +nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken. + +"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om +te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik +nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit +oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, +en mijn gebeden hebben geen kracht." + +Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen +winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende +hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in +haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden. + +"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om +uw ziel te ontvangen." + +Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil +den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op +dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager +neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel +voerden. + + * * * * * + +Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar +geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, +liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest +liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen +doet. + + + + +DE ZEVEN DOODZONDEN. + + +De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich +daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat +niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den +biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte. + +"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de +zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag +buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn +vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de +eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang +ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al +wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij +nu absolutie geven?" + +"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit +gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst +vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw +hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch +zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme +zondaars waren in vergelijking met u." + +"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man. + +"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als +ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken." + +En hij vertelde: + +"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant +van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te +huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het +meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar +trouw beloofd. + +Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem +hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom +zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen +kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart." + +Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem +in stilte. + +Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere +tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op +haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om +haar. + +De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. +Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de +kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik +heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op +de knien voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en +haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met +zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te +voeren, als hij van de bruiloft geweten had. + +Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat +een ellende u over ons gebracht hebt." + +En toen ging ze naar het balkon. + +Daar kwam haar bruidegom bij haar. + +"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?" +vroeg hij. + +Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem +nooit te verlaten." + +Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. +Ik heb je z lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan +maken, als ik doen zal." + +"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij. + +"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te +nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek." + +Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, +dat God zijn hart beweegt." + +En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar +gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op +diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn +geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als +een bedelares aan de voeten van haar bruidegom. + +"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!" + +Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, +hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, +dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen +zooals ge wilt." + +Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en +kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel +stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer +hongerig na den langen rit en de lange mis. + +"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met +toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want +hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik +hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk +gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want +voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek +u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, +als ik het leven van mijn geliefde gered heb." + +Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar +dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl +gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den +maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg. + +Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen +in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te +zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was +bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke +gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur +en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide +hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met +een grooten bezem te slaan. + +Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te +laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. +En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. +Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde +het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te +zeggen. + +En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet +en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de +Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert. + +Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de +loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een +gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en +paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een +zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik +naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden +en een geacht en eerlijk man worden." + +Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij +zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: +"Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone +maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij +eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd +voortgaan. + +In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde +door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had +zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, +nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo +wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij +geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar +toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid +door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die +vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug +heeft stuk geslagen." + +En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en +droeg er haar op zijn schouders over. + +Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog +zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen +spijt van, want zij was z bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij +waren iets voor haar te mogen opofferen. + +Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een +der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen +zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het +zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven. + +De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel +toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde +haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, +maar luisterde er naar en deed open. + +Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot +dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, +beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde +haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat +oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan. + +Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe." + +En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?" + +Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en +sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht +aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het +huis van haar vader." + +Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met +wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie +hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was +een wijs man en wist wel, dat niemand z vrij van zonde is, als deze +man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, +welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de +vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de +hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of +hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust +de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de +deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij +zelf het moeilijkst te betrachten vond. + +Maar de Booze was z verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van +den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk +te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer +bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij +verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals +de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou. + +"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg +toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van +allen veel waard vindt." + +"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat +deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven +het andere stellen." + +Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende +stem: + +"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is." + +Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie. + +"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit, +"en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd +had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij +begon de duivelbezwering te lezen: + +"Vade retro Satanas...." + +Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel +uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van +de kerk als een groote, zwarte vleermuis. + +En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door +Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den +monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen +woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den +visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo +werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarme zonden +aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden. + + + + +DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN. + + +De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en +onaangenaam geval. + +Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in +den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking +aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en +teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn +aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de +leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij +stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te +noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. +"En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater, +"twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven." + +Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op +hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, +vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet +anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop. + +"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de +arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...." + +"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik +meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest." + +"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...." + +"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?" + +De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden. + +"U kent hem natuurlijk!" zei hij. + +"Natuurlijk, Monseigneur." + +"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, +woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is." + +De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan. + +"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn +voordrachtstoon vervallend. + +De bisschop sprong op. + +"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur." + +"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een +lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden +hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze +voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau +gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste +uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd. + +"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in +het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en +voortreffelijkste, die ooit Belgi regeerde. + +Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun +dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote +keizerin Maria Theresia. + +Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, +misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet +haar goed graafschap West-Vlaandren. + +In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men +nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, +dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. +Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in +visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria +Theresia is. + +Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben +macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben +niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te +vergelijken is. + +Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is +niet genoeg te waardeeren, medeburgers. + +Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, +deed zij een reis naar Belgi. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; +ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote +steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam +ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien. + +Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en +te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, +hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger +over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, +maar zij waren vervallen en ingestort. + +Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, z doorweekt, dat +enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door +den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, +en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee +omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid +lagen. + +De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich +vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de +plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij +liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de +zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en +al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot +binnen de duinen was doorgedrongen. + +En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit +arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden +te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te +ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten +de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de +visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit +vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij +dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen. + +De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in +Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot +Sluis om haar te zien. Maar vr de mis ging de keizerin rond en sprak +met het volk. + +De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort. + +"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin. + +"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis +Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat +hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn +boot." + +"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin. + +"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig, +toen men hem aan land bracht." + +"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin. + +"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets +hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn +vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte +maakte hem zeker krankzinnig." + +"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de +keizerin, "is iets om op te vertrouwen." + +"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij +en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op +rekenen kunnen." + +De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam. + +"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem. + +"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein +opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, +met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, +waarmee hij begonnen was." + +"Hoe komt dat?" zei de keizerin. + +"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij +kleiner, dan hij verwachtte." + +"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin. + +"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen +heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet +toereikend zal zijn." + +"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig +heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin. + +"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en +niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te +steunen." + +De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en +vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad. + +"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der +Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden." + +"Werkelijk?" + +"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa +kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er +van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die +te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden +hebben, en daarna hebben ze twist gekregen." + +"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de +keizerin. + +"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest." + +"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou +iets moeten zijn, dat z verborgen was, dat niemand het vinden kon." + +"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand +het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en +'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen." + +De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar +de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knien en +smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, +medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat +het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, +ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken. + +Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. +Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin. + +Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand +genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote +echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende +roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte +vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen +gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over +West-Vlaanderen tot op dezen dag toe. + +Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend. + +Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen. + +Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen +of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren +of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor +hen doen kon, zou ze doen. + +Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze z het +kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen +over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar +medelijden. + +Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten +met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor +allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven +kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had +tranen in de oogen toen ze dat zei. + +Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te +spreken, voor de nood z hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En +verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden +laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze +ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, +zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren. + +Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de +keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat +ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en +oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet +geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de +duinen. + +Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die +in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen +dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in +West-Vlaanderen regeert. + +Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk +van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de +menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig +hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen +kan, dr wanhoopt men niet. + +Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. +Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs +nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van +het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de +keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens +schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den +Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd +met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, +zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het +altijd vr zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten +wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten. + +Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is +niemand het z nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge +weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het +bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en +nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te +zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu +bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er +zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in +bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, +die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, +waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, +heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de +genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; +het eigen geld was altijd voldoende. + +Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was +dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vr +allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich +aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch +later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder +weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar +bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste +bezitten ze allen in gemeenschap."" + +De Bisschop viel pater Verneau in de rede. + +"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?" + +"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de +goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, +dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij +voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het +drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze +noodiger hadden." + +"En....?" vroeg de bisschop. + +"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den +preekstoel al af was. Anders niets." + +"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid +tot hen gesproken hadt." + +De monnik boog. + +"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze +hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt +zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn +compliment." + +De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug. + +De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid. + +"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan." + +"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur." + +"En de schat? Was er ooit een schat?" + +"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen." + +"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop. + +"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. +Het is een klein houten kistje met ijzer beslag." + +"En....?" + +"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia." + +De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig. + +"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?" + +"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke +voorstellingen zijn ijdel." + +Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek. + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: Catharina van Siena 151 | + | C: Catharina van Sina 151 | + | B: Zelfs was hij ook niet | + | C: Zelf was hij ook niet | + | B: kon lijden. | + | C: kon leiden. | + | B: en Moeder en ons beiden. | + | C: en Moeder en ons beiden." | + | B: geboren werd. Ze wl hem | + | C: geboren werd. Ze wil hem | + | B: midden tusschen de menschen | + | C: midden tusschen de menschen. | + | B: Agnete kon dit niet uithouden. | + | C: Agneta kon dit niet uithouden. | + | B: talk meer in den kandelaar, | + | C: talk meer in den kandelaar. | + | B: onbeschadigd naar Veneti. Je weet | + | C: onbeschadigd naar Veneti." Je weet | + | B: ging over de Piazetta en de markt | + | C: ging over de Piazzetta en de markt | + | B: hagelbuien uitstortten over de stad, | + | C: hagelbuien uitstortten over de stad. | + | B: Giorgo Maggiore te roeien. | + | C: Giorgio Maggiore te roeien. | + | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat | + | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat | + | B: de drie mannan de botsing afgeweerd | + | C: de drie mannen de botsing afgeweerd | + | B: het sterkste geloof verbind." | + | C: het sterkste geloof verbind."" | + | B: zei, dacht hij. "Als ik leven | + | C: zei, dacht hij: "Als ik leven | + | B: langen rit en de lange mis." | + | C: langen rit en de lange mis." | + | B: barstte de monik uit, | + | C: barstte de monnik uit, | + | B: En toen ik op de preekstoel | + | C: "En toen ik op de preekstoel | + | B: ze allen in gemeenschap." | + | C: ze allen in gemeenschap."" | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + +***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38422-8.txt.bin b/38422-8.txt.bin new file mode 100644 index 0000000..f8e3664 --- /dev/null +++ b/38422-8.txt.bin @@ -0,0 +1,27 @@ +%pagenumbers = ( +); + +$bookmarks[0] = '1.0'; + + +@operations = ( +'Tue Dec 27 13:11:54 2011 - Open C:\ACTIVE\RESULTS 38422\38422\38422-0.txt', +'Tue Dec 27 13:11:56 2011 - Word Frequency', +'Tue Dec 27 13:12:18 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:12:21 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:12:38 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:12:40 2011 - Word Frequency', +'Tue Dec 27 13:12:48 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:12:58 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:13:16 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:13:19 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:14:24 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:15:07 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:15:15 2011 - File Saved', +); + +$spellindexbkmrk = ''; + +$scannoslistpath = ''; + +1;
\ No newline at end of file diff --git a/38422-8.txt.bin.bak b/38422-8.txt.bin.bak new file mode 100644 index 0000000..6fb42b1 --- /dev/null +++ b/38422-8.txt.bin.bak @@ -0,0 +1,26 @@ +%pagenumbers = ( +); + +$bookmarks[0] = '13.31'; + + +@operations = ( +'Tue Dec 27 13:11:54 2011 - Open C:\ACTIVE\RESULTS 38422\38422\38422-0.txt', +'Tue Dec 27 13:11:56 2011 - Word Frequency', +'Tue Dec 27 13:12:18 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:12:21 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:12:38 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:12:40 2011 - Word Frequency', +'Tue Dec 27 13:12:48 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:12:58 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:13:16 2011 - File Saved', +'Tue Dec 27 13:13:19 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:14:24 2011 - Search & Replace', +'Tue Dec 27 13:15:07 2011 - File Saved', +); + +$spellindexbkmrk = ''; + +$scannoslistpath = ''; + +1;
\ No newline at end of file diff --git a/38422-8.txt.bk1 b/38422-8.txt.bk1 new file mode 100644 index 0000000..590af98 --- /dev/null +++ b/38422-8.txt.bk1 @@ -0,0 +1,5623 @@ +Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oud en nieuw + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +---------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +---------------------------------------------------------------+ + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLÖF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND +F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR +TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE +F 3.90. + +=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN +PRACHTBAND F 1.--. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75; +IN PRACHTBAND F 1.--. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90; +IN PRACHTBAND F 3.50. + +=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN +PRACHTBANDEN F 5.50. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50. + +=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50. + + + GOEDKOOPE UITGAAF + + VAN + + GÖSTA BERLING + + Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF + + Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM + + Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90= + + * * * * * + +=Het Algemeen Handelsblad:= + +Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen +en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende +phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, +van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van +meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, +geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen +Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en +beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving +van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk. + +=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij +het geheel genoten heeft.= + +=Het Vaderland:= + +Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere +mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en +verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat +en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder +en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van +Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta +Berling" is een boek om tweemaal te lezen.= + +=De Kerkelijke Courant:= + +Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand +dan "Gösta Berling". Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten +predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden +en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of +men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster +Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster +vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó +aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en +haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, +wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met +vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in +de schaduw staat. + + + + +OUD EN NIEUW + + + + + OUD EN NIEUW + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLÖF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + AMSTERDAM + + H. J. W. BECHT + + 1907 + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De Kerstroos 1 + + In de Gerechtszaal 26 + + Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37 + + De Kerstvrede 47 + + Het Grafschrift 65 + + De beide Broeders 80 + + Romeinsch Bloed 89 + + De oude Agneta 113 + + De Ring van den Visscher 123 + + Santa Catharina van Siëna 151 + + De zeven Doodzonden 170 + + De Schatkist van de Keizerin 180 + + + + +DE KERSTROOS. + + +De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde, +was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was +een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de +loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud +waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch +woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens +gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn +vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van +pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, +zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, +durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed +om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als +ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren +erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te +rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in +'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of +kinderen wat overkwam. + +Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te +bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een +klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de +portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde +brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen. + +Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de +kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten +teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de +rooversvrouw ging snel met hem meê. + +'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't +kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de +rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen +zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed. + +Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een +plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen +plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen. + +In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't +Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen, +dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er +in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van +de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel +kleine bloembedjes liep. + +In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. +Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den +mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle +vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe +en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze +liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën, +die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen +den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den +leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar +bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de +rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem +achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar +bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op. + +"Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch," zei ze, "en raak me nu +eens aan als je durft." En toen ze dat gezegd had scheen ze er even +zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, +dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw +haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd +toesprak. + +"Je moet weten, vrouw," zei hij, "dat dit een monnikenklooster is en +dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet +weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur +te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin +weg." + +Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar +'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen +bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond. + +Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te +loopen om hulp te halen. + +Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag +nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad +staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij +zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, +zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar +hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden +krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze +wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook. + +De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet +anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen. + +Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten +zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een +geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw +van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg +konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen. + +Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun +hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon +hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar +den tuin. + +Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen +de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist +zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar +ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort +vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude +kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer +gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd. + +De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke +dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon +niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om +dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar +zachtmoedig of zij den tuin mooi vond. + +De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet +anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren +en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig: + +"Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien +had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien +ik ken." + +De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de +rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde +een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen. + +De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te +berispen. + +"Dit is de abt Hans," zeide hij, "die zelf met groote vlijt en moeite +de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij +weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van +Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste +bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen." + +"Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen," antwoordde de rooversvrouw, +"ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan +denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid +weggooien." + +Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de +abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen. + +"Ik begrijp wel, vrouw," zei hij, "dat je zoo mooi praat om ons te +plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, +tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn +ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van +een tuin geweest ben." + +De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, +en ze riep uit: "Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een +tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, +moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht +in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te +vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, +en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet +gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken." + +Nu lachte de leekebroeder nog harder: "Je kunt hier nu wel staan pochen +op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet +anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus +vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij +en je man." + +"En toch is dat even waar," zei de rooversvrouw, "als dat jij niet in +den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien." + +De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk +te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, +dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er +vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij +begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met +Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van +haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij +daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel +hen beloonen zooveel maar in zijn macht was. + +Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het +gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen +werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, +schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf. + +"Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen," zei ze. "En u mag +ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een +heilig man is." + +Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt +gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze +overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden +toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als +zij iets van zijn plan ontdekten. + +Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken. +Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn +reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef. + +Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek +van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, +hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die +veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief +voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen +kon leiden. + +"Zooals het nu gaat," zei de abt, "groeien zijn kinderen tot erger +misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele +rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen." + +Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover +niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor +allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef. + +De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, +dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het +roovershol heen. + +"Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor +hen wil vertoonen," zeide hij, "dan kunnen ze toch niet te slecht zijn +om bij de menschen genade te vinden." + +Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. "Zooveel +wil ik wel beloven, abt Hans," zei hij en glimlachte, "dat ik, op den +dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u +een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen +wilt." + +De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het +verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. +Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem +zeker zou zenden. + + * * * * * + +De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet +thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de +woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had +hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had. + +De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu +heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het +heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet +graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te +beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te +zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik +was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den +abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou. + +Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat +er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder +boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm +zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden +massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer +kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid +moesten worden. + +Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de +koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die +zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het +klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met +stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de +kloosterpoort gekregen hadden. + +Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer +haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan +een van de anderen zou mogen vieren. + +Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de +kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en +smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan +de handen van den roover over te geven. + +Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te +storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in +de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd +steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen +over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en +diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt. + +'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile +en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige +velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist +toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over +een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene +naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin +zagen zij een deur van dikke planken. + +Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren +en steeg van zijn paard. + +'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele +berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, +dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van +dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen. + +"Kom binnen, jelui daarbuiten," riep de rooversvrouw, zonder op te +staan, "en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van +de nachtkou." + +De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't +Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De +rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. +Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er +was niets in dan een waterachtige soep. + +Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten +boerenvrouw. "Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u," zei ze. "En als +u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch +klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, +moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang +te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur +zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u +gekomen is." + +De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was +zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op +het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed +aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat +hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den +abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, +zoodat hij insliep. + +Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en +nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij +hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit. +Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten +wilde, dat hij naar het gesprek luisterde. + +De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het +Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't +Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan +had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde. + +"'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de +anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen," zei de +abt. + +De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand +sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht. + +Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist +voor het gezicht. + +"Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen +van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch +niet uit mag komen?" + +De abt zag hem rustig vlak in de oogen. "Mijn plan is u een vrijbrief te +bezorgen van den aartsbisschop," zei hij. + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid +te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had +van bisschop Absalom!--"Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg," zei +de roover, "dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen +gans." + +De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om +den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd. + +De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de +monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was. + +Maar opeens stond de rooversmoeder op.--"U zit hier zoo te praten, abt +Hans," zei ze, "dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs +hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden." + +Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten. + +Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het +eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd +aangedragen door een zachten zuidenwind. + +"Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?" dacht de abt. +Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, +nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou +opbloeien. + +Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een +lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even +duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als +een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het +uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd. + +Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een +mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen +kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De +erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in +'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes +zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende +knoppen, die al een zweempje kleur hadden. + +'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't +ontwaken van 't bosch zag. "Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen +zien?" dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen. + +Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke +duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen. + +Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een +bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen +aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren +komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen +de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken +heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de +splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, +streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren +prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als +de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen. + +Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, +warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die +arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan +land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden +kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond +raakten, takken en loten. + +Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe +ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun +nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen. + +Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te +denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren +en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht +den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de +veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den +en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen +glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik +van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het +heelemaal wit en blauw en goud werd. + +De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer +oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats +met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, +krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar +jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde +naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en +ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten +van de kleine vogels heen met haar ei in den bek. + +De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij +verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot +als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een +ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen +waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en +slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. +Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak +een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. "Houd jij je +aan jouw kant," zei hij, "dit is mijn struikje." Toen ging de beer +achteruit en liep een anderen kant uit. + +Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten +zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld +stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende +lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, +dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan +het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den +bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo +groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor +bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op +dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen. + +De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol +licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van +den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter +vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle +aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: "Nu weet ik +niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan." + +Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het +iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche +lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat +nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in +aantocht was. + +De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen +speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op. + +De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, +de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te +mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen, +en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren. + +De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van +zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds +in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen +Kerstliederen te hooren zingen. + +Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was. +Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, +omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte +hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God +zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in +eere hielden. + +Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. "Dat kan geen echt wonder +zijn," dacht hij, "dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat +kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier +gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons +behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat." + +In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, +dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. "Ze willen ons +verlokken en verleiden," zuchtte hij. "Nooit komen we heelhuids hier van +daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht." + +Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten +zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag +hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het +toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den +nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te +beter de christenen te kunnen bedriegen. + +Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij +had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den +leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang +speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat +de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den +leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat +het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. +Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't +bosch weerklonk: "Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen +bent!" + +Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels +hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. +Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang +plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. +En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken +schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister +zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten +op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der +watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen. + +De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, +zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. "Nooit zal ik dit +kunnen overleven," dacht hij, "dat de engelen mij zóó nabij waren en +verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de +vlucht werden gejaagd." + +Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en +hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog +iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde +bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam +aanglijden over het veld. + +Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar +bleef op het veld liggen. + +Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe +duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij +namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem +dood in de sneeuw liggen. + +En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, +dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de +lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst. + + * * * * * + +Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen +voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, +dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand +eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had +vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't +loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de +bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt +Hans. + +Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden +opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen +eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, +wachtte hij niet langer. + +Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans, +dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij +nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond +gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren +opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen. + +Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit +plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, +begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in +het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, +dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen +aan bisschop Absalom moesten zenden. + +Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de +bloemen toe en zeide: "Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die +hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch." + +Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde +waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij +een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak +hij: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne +houden." + +En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn +jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan +den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het +roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met +opgeheven bijl te gemoet: "Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik +er maar krijgen kan," zei hij. "Zeker is het om jelui, dat het +Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed." + +"Dat is alleen mijn schuld," antwoordde de leekebroeder, "en ik wil +graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen." + +En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met +hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan +het perkament hing. + +"Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en +Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte," +zeide hij. + +Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit +zijn naam: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man +ook zijn woord houden." + +Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de +leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij +bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand +mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich +bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet +gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur +van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het +plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd "Kerstroos" genoemd +en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de +aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens +gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof. + + + + +IN DE GERECHTSZAAL. + + +We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel +achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd +man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig +geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een +sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit +te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem +kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die +alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en +onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn. + +Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag +behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het +onderhoud van een onecht kind. + +Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan +worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse +een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is. + +Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, +dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft +aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse +eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd +geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, +hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring +volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde +opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld +wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven. + +Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene +tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. +Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een +opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft +zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze +zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend +heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen. + +Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man +in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en +vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich +heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, +daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het +minst bezwaart. + +Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, +en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed +af te leggen. + +Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig "ja". Hij begint +te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant +voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en +niets hem verhindert om dien af te leggen. + +Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt +onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond +gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde +in het aangezicht heeft kunnen zien. + +Nu hij "ja" zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar +stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer +staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij +kan niet: "ja" gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben. + +Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de +gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te +krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen. + +De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. +Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, +en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift. + +Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich +opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de +rechter moet het hem immers beletten. + +De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen +denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen +waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze +wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo +iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de +rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over +zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke +ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk +hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken +er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel +begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd +hebben, als zij daar geen recht toe had. + +De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat +ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand +anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. + +Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant +een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan +is in te grijpen. + +Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een +paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van +ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. +Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al +spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de +rechter kan geen belangstelling voor haar voelen. + +Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed +en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten +zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en +ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop +moet hebben. + +Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat +hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een +valschen eed heeft overwogen. + +De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door +getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid. + +De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze +maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen. + +Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd +met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, +maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen. + +Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, +niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen. + +Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, +maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in +het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan +ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen +versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in +het hoofd. + +Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen. + +Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille +van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan +moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen. + +Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets +geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en +geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de +naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar +oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden +met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt. + +Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, +heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel +moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het +eedsformulier te vinden. + +Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap +naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn +hand wegstooten. + +Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij +nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden. + +De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht +heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan +houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te +spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij +vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen. + +Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van +plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal +voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar +hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft +aangeklaagd. + +Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat +haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te +krijgen? + +Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan. + +Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de +daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit +meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen. + +Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar +voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den +Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk +moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen +eed, dat zal hij niet. + +De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te +nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken +angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in +haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis +zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, +hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, +springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet +zich ook tegen hem. + +"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet." + +Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek +dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te +staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te +voorkomen, dat hij omgegooid wordt. + +Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven +onbeweeglijk staan. + +"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de +rechter met dezelfde harde en strenge stem. + +Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar +verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan. + +"Hij zal den eed niet doen." + +"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter. + +Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij +zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid. + +"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met +steeds scherper stem. + +"Ik wil de zaak niet verder voortzetten!" barst ze uit met een luide, +snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden." + +"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand +verloren?" + +Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze +schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze +niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in +om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar. + +Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: +"Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, +maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal +doen." + +Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en +blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide +handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van +haar af. + +Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al. + +Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en +zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt. + +Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij +niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de +geringsten te vinden is. + +Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan +slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich +heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij +van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, +dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt +En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets +heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun +ziel. + +En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle +menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord +hebben, waar ze het allermeest naar verlangden. + +Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen. + +De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje. + +"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden," +zegt hij tegen den griffier. + +De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen. + +"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?" + +De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: +"Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft." + +De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam +zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse +toe. + +"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand. + +Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar +tranen met den opgerolden zakdoek. + +"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo +zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. + + + + +HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG. + + +Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem +volstrekt niet hebben. + +Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en +overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte +paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi. + +Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te +denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur +over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer +wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van +Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader +was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In +zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had +den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat +hij nooit wanten gebruikt had. + +Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen +hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, +zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij +niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger +zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een +predikant. + +Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was +aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam +zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een +stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar +moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en +ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls +Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de +eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden +roover op den preekstoel te laten. + +Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was +verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel +kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht +en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en +roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had +ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht. + +Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat +Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of +op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze +niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te +liggen om haar te schaken. + +Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie +om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet +gebruiken. + +Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij +was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide +ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove +vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten. + +Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij +iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten +schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader +zweeg en beklaagde zich niet. + +'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al +haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in +den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder +opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje +kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op +het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader +in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote +armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte. + +'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje +van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met +hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar +er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder +graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund +en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't +hooge koren en had de oogen niet van haar af. + +Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude +proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en +dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat +hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den +bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den +inhoud van den brief meê te deelen. + +Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam. + +Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief +aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, +toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel +wegsloot. + +De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom +was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't +eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader +was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden. + +Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had +altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den +weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe +hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant +te worden om te mogen preeken naar hartelust. + +De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, +de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan +was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden +had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met +aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en +spreken in Gods huis. + +Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den +bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats +daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te +schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord +te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang +niet slecht! + +En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te +voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden. + +Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan +toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden. + +Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met +Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor +Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was. + +Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie +was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't +naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest +zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er +geen knecht of meisje in de heele pastorie was. + +Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat +hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet +alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij +genoodzaakt zou zijn heen te gaan. + +Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door +een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de +eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen +vond, vroeg hij haar ten huwelijk. + +Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te +smeeken of aan te dringen. + +En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was. + +Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een +pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om +den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou. + +Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat +hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die +schreide in de aangrenzende kamer. + +Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal +binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien +heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal +was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht +Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't +hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen +mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze +duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats +bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar +gevraagd had. + +Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter +verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de +plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou +ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan. + +'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van +haar. Maar ze zag niemand. + +'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg +en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. +Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet +neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de +onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. +Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met +krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van +ontzetting. + +Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de +gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het +venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien," +zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze +zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er +was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel. + +Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest +hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. +'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een +verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen +troosten, die zóó schreide. + +Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. +Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten +schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest. + +Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, +die uit den hemel verbannen werd. + +En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van +de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den +kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld +tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu +blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest +zijn, als ze iemand had kunnen roepen. + +Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het +geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon +te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen. + +Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk +vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond +gesnoerd werd en ze kon niets zeggen. + +"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest +het hooren." + +Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben? + +Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld +verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk +vreemd voor. + +Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en +hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had +zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid. + +"Waarover sprak hij dan?" + +"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het +paradijs gesloten werden." + +Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof +ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken. + +Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met +hem mee in de vestibule. + +"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder. +"Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?" + +"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten." + +Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo +wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot +was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond +het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere +aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm +Grootvader was. + +"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer +dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te +houden." + + + + +DE KERSTVREDE. + + +Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, +grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een +scherpe wind uit het noorden. + +Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk +hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. +Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en +massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de +door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve. + +Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als +een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het +Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag +te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den +emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het +Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de +bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was. + +Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide +Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het +groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote +kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de +tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op +elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig +haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om +den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op +Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet +zien kon hoe leelijk ze was. + +Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, +die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden +gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne +berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte +twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een +lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht +uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de +berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het +meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men +ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't +ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde. + +Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man +binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, +de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om +te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het +met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud +was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de +badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er +zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren. + +Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een +leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, +zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor +een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer +even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van +oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want +dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. +Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was +toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de +machtigste van een geheele gemeente te wezen. + +Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de +berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En +dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel +en een ander op 't groote bed. + +"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes +gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je +velletje?" + +Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze +wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te +binden. + +"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar, +want hij was echt in Kersthumeur. + +Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen +en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen +om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het +Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide +schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de +plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg +te gaan. + +Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats +over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand +op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande +weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig +iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn +zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude +menschen willen 't liefst hun eigen zin doen. + +Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar +het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een +paar berketakken van een jaar oud te vinden. + +Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den +heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken +losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep +sneeuwvlokken achter zich aan. + +Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje +afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op +hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind +een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol +sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer +ronddraaide als een tol. + +Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn +jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een +sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka +gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den +verkeerden kant uit. + +Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het +berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de +richting van de hoeve in te slaan. + +De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant +bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij +tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want +er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de +hoeve leidde. + +Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, +de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam +werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren. + +Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat +hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar +geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke +richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den +anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen +weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer +zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij +merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was +toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen +avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide +zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef +even verward in 't hoofd als te voren. + +Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te +verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, +dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen +gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd +had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het +veld en hij had het weer zien opgroeien. + +Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu +maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook +liep, steeds kwam hij dieper het bosch in. + +Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij +begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij +te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar +die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer +vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en +diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en +hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest. + +Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij +op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om +te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom +probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon. + +Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij +meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon +al moest het zijn leven kosten. + +Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van +den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij +de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de +kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost +over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van +hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in +'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een +aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid +spreken. + +Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd +wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte +Ingmarson zijn. + +En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist +geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't +woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis +verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang +stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij +zich begon te bewegen. + +Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood +kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en +al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen. + +Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede +verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den +burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den +majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om +den hals. + +Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de +vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis +tot aan de kerk. + +Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de +begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt. + +Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. +Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, +zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten. + +'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, +alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst +opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een +marktdag. + +Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten +aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de +burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?" + +En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar +zeker wel schuld aan gehad zouden hebben. + +En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. +Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam +geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij +nauwelijks staan kon. + +Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu +op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren. + +Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar +met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!-- + +En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op +sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook +geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in +slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een +deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets +warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij. + +Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. +Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem +gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten. + +Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een +schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij +in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna +sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen. + + * * * * * + +Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men +had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht. + +Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze +hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de +naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd. + +Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten +de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar +de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend +onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen +uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. +Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen +zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze +den vermiste wilden vinden. + +Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, +en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. +Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de +groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging +ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. +En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als +dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die +op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel. + +Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den +barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en +kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar +en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want +allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden +roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze +konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een +strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof +alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot +de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard +waren dan anderen. + +Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij +vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes +gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof +ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het +geslacht behoorde, een ongeluk trof. + +De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag: + +"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had +kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen. + +"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit +voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid +bewezen had. + + * * * * * + +Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las +in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, +en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar +Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het +bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de +plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook +vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij +toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier. + +Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst +over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon +ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt +werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een +welbehagen." + +Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. +Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: +"Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen." + +De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden +langzaam uitsprak. + +"Moeder," zei hij heel zacht. + +Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je +niet meê naar 't bosch gegaan?" + +"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben meê geweest." + +"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan." + +Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij +moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen +houden. + +"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer. + +Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd. + +De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar +zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op +zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze +naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er +gebeurd is, mijn jongen." + +De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als +hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon +te schreien. + +"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze. + +"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon. + +"Is het erger dan dat?" + +De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn +macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn +breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde." + +"Heeft dit er iets meê te maken?" vroeg ze. + +"Ja," antwoordde hij. + +"De Kerstvrede?" + +"Ja." + +"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?" + +"Ja." + +"En God heeft ons gestraft?" + +"God heeft ons gestraft." + +En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van +den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop +takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te +maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op +hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar +Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, +alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen +iets, maar liep hen voorbij het bosch in. + + * * * * * + +Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den +proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude +huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als +een steenen beeld. + +De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn +boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het +wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen +de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. +De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost +zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren +eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve. + +Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon: + +"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede +wilden laten houden over Vader." + +De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw +tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk +als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de +handen. + +"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon. + +"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De +oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De +kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar +'t graf volgde. + +"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten +weten, dat ze daar niet op moesten rekenen." + +"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist +wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te +doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen +getroost had. + +"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê." + +De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk +goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij +zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen +dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen +zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken +het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen." + +Nu sprak de vrouw ook. "Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht +doen." + +De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort: + +"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan +tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had +moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen +hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand +en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft +God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield +Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe +Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan +en opzien wekken." + +De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat +ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En +onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn +kranige menschen, de Ingmarsons." + +De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag +in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij +begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de +macht gegeven had de geheele gemeente te leiden. + +"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven," +zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn." + + + + +HET GRAFSCHRIFT. + + +Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het +kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder +het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand +het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de +armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite +het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook +bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten +ze nog tot woorden samen te voegen. + +Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel +wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de +voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te +gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij +op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich. + +Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap +verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog +ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te +vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet +geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet +er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De +kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, +kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land +bezitten als de rijkste boer. + +De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen +verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. +Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men +ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den +kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te +vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het +van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu +één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders +dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek +wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan. + +Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine +hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen +onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige +liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in +de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met +bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo +gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn +ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet +voornamer dan een ander. + +Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar +de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw +uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg +trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die +gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, +te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen +den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het +graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen +te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo +oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze +begraven zijn. + +Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar +dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men +ze niet van elkander kan onderscheiden. + +Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den +ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de +kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en +werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de +aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt. + +Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en +den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt +het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen +ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar +Sander op Lerum. + +Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas +een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, +al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand +gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat +een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene +woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien +zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken +wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw: + +"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen." + +Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de +grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. +Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar +zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels. + +Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen +opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te +beven, alsof ze een felle kou voelt. + +"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die +klappertandt van kou. + +"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder +liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind +daar liggen zal." + +"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist +wel, dat je je eindelijk wreken zou." + +Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, +groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil +door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo +staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, +onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon. + +"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik +kan dit alleen niet verdragen." + +"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed +naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor +hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!" + +"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet +verdragen." + +Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden +noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt +onmogelijk is hem te bewegen. + +"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom +liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven." + +Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, +dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de +buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in +het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan +die van Vader en Moeder en ons beiden." + +"En denk je, dat ze dat gelooven?" + +"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij. + +Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan +hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de +armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. +Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is +dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen +komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, +toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. +Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon. + +En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht? + +Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, +toen ze bij hem kwam en hem alles bekende. + +"Je waart niet bij je verstand," zei hij en had haar bij zich gehouden +als zijn vrouw. + +Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar +genoeg vallen het werkelijk te doen. + +Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die +niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart +blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te +verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw +altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden +was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen +worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond +als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar +iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En +nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren! + + * * * * * + +De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien +hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de +begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk +te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze +schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder +het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, +de doodsangst versteent haar. + +Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê +naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, +dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het +groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat +ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met +de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een +onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door +den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat +kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, +losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch +een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof +verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat +helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht +daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan +gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te +ruimen. + +De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de +gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen +zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. +Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de +lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte +doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den +stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen. + +Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om +een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen. + +Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen +voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen +krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen +is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele +kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een +luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten. + +De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in +beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom +heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den +dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof +moeten gaan. Een doode is immers niets waard. + +Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze +mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er +gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, +zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is +door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang +maken als kinderen. + +Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd +vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet +ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze +ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En +de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen +naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet +eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat +de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het +familiegraf rusten zal. + +Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet +alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn. + +"En het voorjaar," denkt ze, "als de kist begraven wordt, is zeker +niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders +vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt." + +En nu begrijpt ze, dat ze gered is. + +Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. +"'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is," zeggen ze. Maar zelf weet +ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en +levensgevaar is gered. + +Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone +plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich +op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te +luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te +spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door +de leden. "Het is immers dood? Dood!"-- + +Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den +eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. +Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk +regeert over alle uren van den dag en van den nacht. + +Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare +meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het +leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te +winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden +worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was. + +De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, +dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de +weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit +alles. + +En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken +en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij +zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien +niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. +Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt +ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen. + +Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn +verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen. + +'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat +nooit begrepen, terwijl hij leefde. + +Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich +door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, +geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes +geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi. + +En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker +wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens +aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder +het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht +mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die +ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het +wezenlijke kleine menschjes. + +En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat +het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó +dicht genaderd zou zijn als nu. + +Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt +heeft, terwijl hij leefde. "Daarom is hij mij zeker afgenomen," denkt +ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang +geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht +heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich +geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te +begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker. + +Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal +nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit +haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: "zie ik hem +nog? Kan ik hem nog wel goed zien?" zegt ze. + +En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met +verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het +barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn +graf komen en met hem spreken kan. + +Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf +met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, +lang kunnen zitten. + +Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers +niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze +verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren +zitten. Wat zal ze hun zeggen? + +Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote +familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos +zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij +zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen +zal. + +Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is +toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij +zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een +brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem +daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles +te boven ging. + + * * * * * + +Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het +sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien +een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat +de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij +verlangt zoo! + +Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's +winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen. +Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij +te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan +nooit onder de aarde komen? + +Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar +heele leven lang. + +En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar +sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den +doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan +naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten +en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes +weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen +kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft +ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal. + +Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte +letters: + + _Hier rust mijn kind._ + +En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om +of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, +het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden +op het graf van haar kind. + + + + +DE BEIDE BROEDERS. + + +Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven +zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den +lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze +moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze +geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en +zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie +rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn. + +Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de +menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de +lange rust in de aarde gebracht worden. + +Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo +goed als in Svartsjö in Wermeland. + +Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen +precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, +als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want +dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen +een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt +ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden +op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge +behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar +niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en +dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar. + +Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult +krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort +zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken. + +En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg +zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult +ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er +wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk +van Svartsjö staan. + +Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den +dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te +zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte +schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa +menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben +den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken +zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. +Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet +zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden +schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, +dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor +hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in +Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de +gewoonte daar is. + +Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en +machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in +de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw +kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin +den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, +dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is. + +Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt +worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag +begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. +Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest +mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden +geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine +jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, +en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit +groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar +zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden +werdt. + +Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er +niemand, die er niet op toeziet. + +Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben. +Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft +kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is +tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags +heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er +werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. +En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den +rouwstaf. + +'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. +Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat +verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen? + +Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant +en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle +kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van +zijn. + +Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo +eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. +Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er +maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, +die dood zijt. + +De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk +gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde +kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt +en verootmoedigd worden door hun armoede. + +Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger +worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de +gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen +kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de +kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te +verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman +nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet +voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten +op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen. + +Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar +het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de +witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. +Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de +draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de +losse aardhoopen en laten u zakken. + +En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en +begint te zingen: + + "Ik ga den dood te gemoet." + +Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de +omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de +noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij +zingt. + +De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, +dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen +zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, +omdat het bij zijn werk hoort. + +Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest +hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede +vervallen. + +Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en +luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden +zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men +niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men +nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen. + +Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet +alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt +zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één +waren. + +De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een +langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt +wat hij kan, om hem te helpen. + +En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den +koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te +verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude +man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat +ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de +kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom +hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de +wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet +gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat +het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft. + +En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat +lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit +voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem. + +Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft +altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen +geven. + +Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo +arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont. + +Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, +niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! +nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij +daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de +koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu +helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan. + +Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, +omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat +hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken +buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar +het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt +zijn broer met zijn ellendige stem. + +De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de +anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet +hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij +een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof +lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit +de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht +om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De +koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer +lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den +Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht. + +Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk +niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in +Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang? + +Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als +nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar +geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven +is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt +het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn +toespraak. + +Daarop zingen de twee oude stemmen: "Ik ga naar den hemel." En zij +zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en +klagender, hoe langer ze zingen. + +Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop +in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt. + +Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw +en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat +armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw +hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw +ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel. + + + + +ROMEINSCH BLOED. + + +Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren +buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men +kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het +jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, +een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; +en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen +en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen. + +En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen +schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche +slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer +dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met +literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en +de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels. + +Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en +onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met +wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En +eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de +kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is +de osteria klaar. + +Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria +geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef +om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. +Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en +dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten +den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't +huis, liefhad. + +Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het +graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. +Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een +heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een +woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen +waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede. + +Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en +verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. "Waar is +Teresa?" vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon +Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de +soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters +die voorgediend hadden. + +Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat +was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij +was? + +Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria +kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te +vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het +balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan +was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het +zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige +histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij +hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar +verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, +dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun +beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken. + +De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, +en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa +wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch +hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze +zou nooit trouwen dan met een signor. + +Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop +ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en +aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en +een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in +het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van +veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed +neerhing. + +Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. +Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was. + +Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een +Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te +veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe +tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als +oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu +het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar +durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat +was waarlijk geen klein geluk. + +De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. +'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met +maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente +voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar +huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen +drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van +haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag +was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren +ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van +gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes +snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze +elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als +soldaten, die samen ten strijde trekken. + +Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te +vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de +geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze +graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van +de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich +van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder +omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere +keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, +verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten +haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den +hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden. + +Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, +dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi +meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi? + +Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk +bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, +maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige +schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? +Nino werd bijna bang, toen hij het zag. + +Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! +Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een +zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was +al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En +zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij +van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen? + +De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië +voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, +dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een +vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al +ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel +laten de menschen ongelukkig te maken. + +Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad +hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië +moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land +des vredes. "Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat +onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan." Dat waren +Nino's woorden. + +Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde +adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der +leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij +thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger +afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put +stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde +over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen +belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen +gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die +naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest +den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen. + +Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van +de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen +glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon +liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een +afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze +een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen +te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held. + +Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig +over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon +niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten +tot na de bruiloft. + +Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na +haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag +de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven +zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een +monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor +hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor +Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij +hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem +en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of +niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn. + +'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in +die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo +gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. +Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld +gevoeld. + +Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat +hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino +hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang +was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: "Ja werd hij dat maar, dan +zou het er wel anders gaan." + +Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het +daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met +troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik +en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was +alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen +en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat +er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan +zwermen. + +Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, +dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. +Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot +overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden. + +Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't +Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. +Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken +geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had +een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag +geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond: + +"Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!" en +andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan +het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe +krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat +Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem +niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te +vertrouwen. + +Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten +ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook +de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte +lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de +kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de +anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den +soldaten reikte, wilde zeggen: "Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's +vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien." + +Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man +had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem +liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, +moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in +'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar +aderen. + +Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar +Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het +station. + +Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. +Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en +enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en +verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: +"Leve Italië!"--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen +gestrooid. + +Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht +hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan +de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge +krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van +Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar +terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo +scheidden zij. + +Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog +niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de +groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die +was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid +geworden. + +Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan +aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel +volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de +laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen +over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En +den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag +verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek. + +Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen +troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, +maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de +hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! +geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd. + +Teresa kwam geheel verslagen bij Nino. + +"Wat is er toch gebeurd, Nino?" vroeg ze, "hoe kon dat nu zoo slecht +gaan?" + +En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer +door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. +Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als +de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar +men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke +scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo +weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, +die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten. + +Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar +men muilezels moest eten! + +Neen, dat vond Nino ook. + +En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe +vreeselijk de oorlog was. + +Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, +die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al +zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood +tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren +schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit +hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten. + +Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. +Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en +na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te +verscheuren. + +Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder +lezen. + +Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, +dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men +daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit +in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen +zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen. + +Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel +zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van +den volgenden dag vertrekken. + +Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar +doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn +vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het +niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben. + +Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant +in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar +zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam +zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een +lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen +band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op +schoten. + +Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan +den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen +koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij +snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een +bank bij de "villa" en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe +laat het was. + +Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat +van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer +te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor +zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag. +Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had +ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen +en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken +verscheurden. + +Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. +Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich +wel weren tegen de barbaren. + +Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen +lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien +blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet +rood als bloed! + +Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. +Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar +zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten +zou, den heelen dag niet. + +"Neen, zeker niet, Teresa." + +En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem +naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem +haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was +dan de andere. + +Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem +liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf +wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu +hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets +kwaads zou overkomen. + +Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en +daar aten zij met hun drieën. + +In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis +in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde +zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan +veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, +zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino +zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu +en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten +gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe +onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant +vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem +bepaald bij zich houden. + +Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, +zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof +of blind te maken. + +Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf +moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en +vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. +Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika +hoefde? + +Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe. + +Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging +niet. + +Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden +kunnen trouwen? + +De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij +daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen. + +Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van +ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op +reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen +voorwendsel vinden om te kunnen blijven? + +"Teresa," zei hij, "dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet." + +"Eerloos," zei ze vleiend, "hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers +niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je +niet kan laten gaan." + +De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders +dan een plotselingen inval te zien. + +Toen begon ze over wat anders. + +Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te +schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen. + +Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde +de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput +het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid +uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest +was. + +Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze +van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten +gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den +hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat +het niet waar was. + +Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen +verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen +in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. +Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de +officieren. + +"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een +Romeinsche?" + +Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit +toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu +moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze +zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood +voor zich! Dood en verscheurd! + +Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al +haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte, +bad. + +Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij +Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn +horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de +tijd om was en heengaan. + +"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet +anders dan heengaan." + +"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is +slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en +hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten." + +"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man." + +"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons +gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten +wij het hunne hebben?" + +"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals +laatst in Rome. Nu moet ik weg." + +"_Moet_ je?" + +"Ja." + +"Ga dan maar." + +"Teresa." + +"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor +me." + +Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens +aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. +Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging +werkelijk heen. + +Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa +toevertrouwde. + +Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote +stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa +booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige +duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen. + +Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den +afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan +boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, +en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten +hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat +vervloekte barbarenland konden voeren. + +De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg +wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte +van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men +bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker +van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen. + +Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino," +zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden +weggevoerd en door de barbaren geslacht." + +Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de +menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen +om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino +zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen +dirigeeren. + +Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag +hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste +haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te +stappen. + +Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar +hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde +omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil. + +Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en +trok haar midden tusschen de menschen. + +"Blijf hier stil staan." + +Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis +gaan, Nino," zei ze. + +Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast, +dat het pijn deed. + +"De politie mag anders gerust...." + +Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg. + +'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino +hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot +vluchten. + +"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe. + +"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen +Napolitaner zal jelui verraden." + +Op eens begon Teresa te snikken. + +"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen." + +En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino +wilde. Hij had de macht in handen. + +Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen. + +De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en +Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht? +Heeft iemand haar gezien?" + +'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen, +daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de +politieagenten verspreidden zich rechts en links. + +Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig +naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou +aangeven. + +Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard +had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien. + +De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van +hem aan Teresa. + +Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten +leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem. + +"Lees dien, Nino," vroeg ze. + +Hij maakte den brief open en bleef bevend staan. + +"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze. + +Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar +doodvonnis in handen. + +"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op. + +En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn +liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij. + +Ze trok verachtelijk de schouders op. + +"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze. + +"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het +vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, +je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je +zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te +veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude +Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden +geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te +beletten zijn plicht te doen." + +Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei +ze. + +Nino zweeg. + +"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik +begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. +Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu +laten gaan!" + +"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik +geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?" + +Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi +en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad +en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, +hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven +lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, +dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de +heerschappij hernemen. + +"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde +dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?" + +Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe +weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor +alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf +geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen +Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed. + + + + +DE OUDE AGNETA. + + +Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze +was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet +hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't +Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek. + +Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. +Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn +ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal +voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren +overleden. + +Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij +was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. +De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig +konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich +herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der +onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop +boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die +zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den +ijskouden bergwind werden voortgejaagd. + +Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat +haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar +rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij +woonde daar zoo heel alleen! + +Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan. +Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. +Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn. + +"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in +haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je +moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te +sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand +in de wereld, oude Agneta? + +Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo +zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand +plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat +houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen +opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta. +Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water +kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was." + +Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar +garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd +eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden +doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den +predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien +zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben +als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed +sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn +hart is bevroren--dat is het! + +Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er +maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de +oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken +breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en +balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig +heeft! of anders wil ik sterven." + +Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het +bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd +was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in +haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou +worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven. + +"Dat kan God wel doen," zei de monnik. + +"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude +Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden." + +Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, +bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met +kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven +hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag +de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher. + +"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je +gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den +pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar +tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta +beefde en sloot de oogen. + +"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De +hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg." + +"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden +worden zoo iets te zien." + +De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het +sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich +daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat +zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs +gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd. + +Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't +in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in +eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, +maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! +Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen +fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten +over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot +bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude +sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat +warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, +verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof +de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten +hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen +stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, +want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun +bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar +dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze +werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen +eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over +het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat +rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en +zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare +kou. + +Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd +in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al +hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, +als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken +schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door +te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als +groote ijspegels aan de rotsen hingen. + +Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de +leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar +verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op +de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat +lichte sneeuwvlokken op, anders niet. + +Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik: + +"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?" + +Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid +te bewijzen of te troosten?" + +Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en +zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij +die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de +gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken. + +Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was +opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer. + +"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en +lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat +warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar +hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude +van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?" + +Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en +bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te +betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen +den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar +moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer +zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had +voorgenomen. + +Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste +stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't +venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze +wijd open en toen begaf zij zich te bed. + +Ze lag in het donker te luisteren. + +Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den +gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet +binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude +Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer +in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en +bloed kon dit niet verdragen. + +Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van +pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs +op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil. + +Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf, +oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat +alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?" + +En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met +klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam +toch in de kamer en de deur kreeg ze open. + +Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden +komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt +had, dat ze niet meer durfden te komen. + +Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als +ze met de kudde uitging. + +"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden +uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?" + +Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze +hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek +en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk +waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet +verschrikt." + +Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich +tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof +zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te +krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak +haar niet verschrikt." + +Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen +en sliep in. + +Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was +nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen +ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar. + + * * * * * + +Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de +dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur +kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig +had. + +Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk +zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat +noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om +het te begraven. + +Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort +voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag +men geen droefheid op iemands gezicht. + +Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een +lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den +met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, +dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar +dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als +van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode +kaarsen gebrand had voor de onzaligen. + +Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door +niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden +daar boven in de groote eenzaamheid." + + + + +DE RING VAN DEN VISSCHER. + + +Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een +oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was +nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken +opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer +trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo +lief. + +Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg +gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en +kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en +verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom +ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden +te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun +geleerd God en den heiligen Marcus te eeren. + +"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Venetië nooit door eigen kracht zou +zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd? +Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer +wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten +en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een +storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? +En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle +christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd +tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens +houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën." + +En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen +was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de +gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter +werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan +herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor +hun leven en hun geluk. + +Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een +visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en +goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven +scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en +'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, +waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun +te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles +zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem +niet meer te vereeren en te aanbidden. + +Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote +visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, +hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te +blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst. + +Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar +de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen +zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den +morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- +en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het +eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige +Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido +heen was de groote, onbegrensde zee. + +Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot +en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog +altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de +eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een +goede boot en waren goed thuis op zee. + +Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat +de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, +dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, +maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren. + +De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de +golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een +groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen +overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't +zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna +kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het +scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. +Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn +met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de +plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op. + +'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de +mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. +Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide +zonen en nog drie anderen waren omgekomen. + +Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen +naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep +tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als +een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar +oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn +aan. + +Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op +zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, +dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn +haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het +groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze +altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had. + +Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder +er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang +gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de +keel. + +"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe, +"mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!" + +De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn +verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. +Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en +stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar. + +Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de +harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco." + +"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem. + +"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten +Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San +Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor +geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om +hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij +Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat +men hem uitlacht." + +Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp +zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand +uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?" + +"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco." + +"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn +jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den +tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. "San +Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een +mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van +de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis +in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om +dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden +met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de +bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het +bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde +priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar +door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het +eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de +eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de +priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in +Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander +heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't +niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den +bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat +de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de +deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de +twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië." Je weet +immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?" + +"Ja zeker, Cecco." + +"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak +met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik +vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de +jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen +lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en +Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat +je 't ver over zee kon hooren." + +"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!" + +"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op +dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten +sterven?" + +Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot +verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers +natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee +gebeurt en niet in de haven. + +En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men +had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander. +En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn +toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren. + +"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo +over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten +en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?" + +Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus +niet," zei hij. + +"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets." + +'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden. + +"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op +en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij. +"Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik +wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur +ontmoette hij een buurvrouw. + +"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze +was bang voor hem, zóó zag hij er uit. + +Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli +Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren +naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen +storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk +weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen. + +Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk +van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te +bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger +dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen +wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom +haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra +de zee een van allen aanviel. + +Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich +hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden +tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten +van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in +het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de +Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en +nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het +een geschenk voor die kerk meêbrengt." + +Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd +en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over +gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht +voor zijn beschermheilige bouwde. + +Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het +andere te bidden. + +Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde +geen kwaad van San Marco gelooven. + +Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En +dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk +veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar +ze als voor de grap had laten omkomen. + +Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij +wilde hem niet loslaten. + +En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld +met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang +den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, +zonder binnen te gaan en hem aan te roepen. + +'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. +Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om +op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen +kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een +valwind! + +Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen +uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag. + +Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van +gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in. + +Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco. + +Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. +Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend +had? + +Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel +droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de +geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en +wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door +ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over +hem gekregen. + +Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een +groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had +hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. +"Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk +naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de +woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. +Zoo had San Marco ook gedaan. + +Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te +hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat +gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco +was een stumper, even laf als wraakzuchtig. + +Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, +omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof +hem die in alle vroomheid gegeven was. + +Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten +haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een. + +"Wat?" vroeg Cecco. + +"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een +voet gestegen." + +Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas +op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de +Piazzetta was opgespat. + +Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich +naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, +alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede +golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. +Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de +kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten +worden. De hemel was effen grijs als de zee. + +Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou +kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen +zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel +eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand +zitten en wachtte. + +Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en +groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die +slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad. + +Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den +kant van Lido. + +O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien +hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, +en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de +witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die +elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim +als damp wordt voortgezweept. + +De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen +niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen +werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, +om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te +worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, +klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in +de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk. + +Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar +gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze +bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de +booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine +kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met +het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het +land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing +te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al +het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam +een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, +die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te +zijn eer de storm al te geweldig zou worden. + +Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen +en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat +dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun +inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen. + +Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor +een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de +golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend +naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, +zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot +vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en +fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, +dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg +weer in flarden neer. + +Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen +speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad +doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot +onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen. + +Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. +Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan +land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend +neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land +gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren +en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak +er de sierlijke bogen van. + +Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. +Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij +te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, +dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij +had wel ander weer beleefd in zijn jeugd. + +"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men +misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar +San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm." + +Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de +stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den +Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor +de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen +fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware +brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden. + +Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge +Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de +menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam? + +Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was +nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan +de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun +woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te +rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken. + +De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen +hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken +aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen +bestormen. + +Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, +die over zijn hoofd heengleden. + +"Nu is het spoedig uit met Venetië," zei een stem in de eene wolk, +"straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad." + +"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere +wolk. + +"San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij +machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer. + +Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van +dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en +vergiffenis. + +Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de +eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en +daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden +meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken +uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde +signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze +moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar +Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren +weggeslagen. + +Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te +luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna +van het lijf gerukt werden. + +De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te +gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen +optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de +kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. +Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof +hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, +blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie +gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge. + +Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den +gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide. + +Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den +geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid +en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag +hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van +zijn gebeden het lot van de stad afhing. + +Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele +kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke +schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten +op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook +op Rialto waren een paar huizen omgeworpen. + +De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den +avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, +hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te +blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, +die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er +reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. +Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de +instortende huizen in 't water verdwenen. + +Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden. + +"Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven +voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon +vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel +waard als een bloeiende zoon." + +Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt +was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende +strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven +zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot +volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het +schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de +barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En +al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het +schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood +tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen. + +Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de +hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer +dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het +ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. +Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren." + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het +scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de +granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De +oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië. + +Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De +demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde +dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel +om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke +vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar +kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich +wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het +neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de +plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar +hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered +werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan. + +Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij +ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de +groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep. + +De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en +zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en +bleef zitten. + +Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast +hem. + +"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over +naar San Giorgio Maggiore." + +"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een +droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien +hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet +had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende +en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met +den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar +San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. +"Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de +man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om +hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp +den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op. + +Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste +niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, +dat geen mensch daar tegen op kan." + +Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het +onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een +zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San +Giorgio Maggiore te roeien. + +'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach! +scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem +uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een +verstandige, oude visscher! Roep hem terug." + +Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. +Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als +hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter +naar San Giorgio voort. + +"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij. +"Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een +heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf." + +Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet +over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen +alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet +naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan +op Rialto." + +Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde +aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de +boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou +liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden. + +Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. +Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder. + +"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling. + +"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al +levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij +de tocht naar Lido niet wagen? + +En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in +den dood en zette werkelijk koers naar Lido. + +Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet +hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven," +zei hij verwijtend tot zichzelf. + +Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde +noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, +dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco," +zei hij tot zichzelf. + +Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze +gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden +bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den +mijter op het hoofd. + +"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling. + +De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen +vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij +dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van +naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide, +voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. +De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede +waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het +donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door +de storm opgezweepte zee lag voor hen. + +'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier +in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of +hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide +hij voort. Cecco liet zich niet bang maken. + +Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de +knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam +recht op hen aan. + +Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de +wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de +vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat +ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van +demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen +geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den +storm. + +Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan +te zien komen en Cecco sloot de oogen. + +Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want +de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip +op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht. + +Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat +hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar +voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik +rustig. + +"Breng ons nu terug naar Venetië," zei de vreemdeling tot den visscher. + +Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, +en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste +indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto. + +Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot +den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem +zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio +en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië +wilden verwoesten, en ze hebben verdreven." + +"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik +zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft." + +Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden +edelsteen. + +"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u +gezonden heb. Hij kent mijn ring." + +De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig. + +"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring +geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de +laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië +bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de +heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, +zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal +zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, +altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge +zal u op uw ouden dag niet verlaten." + +Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de +zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een +rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden +de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen +versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke +Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag. + +Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de +rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze +haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om +een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van +geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat +de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou +uitstrekken. + + + + +SANTA CATHARINA VAN SIËNA. + + +Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het +eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het +oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de +vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en +daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar +geuren wierook en viooltjes. + +En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine +Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en +ingaan, haar gezien en gekend hebben. + +Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er +meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, +dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden +getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis. + +Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn +feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes +onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op +den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten. + +En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood +geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een +ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug +kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood +zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest +vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen +gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood +met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen? + +En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle +kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist +die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, +waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen +elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het +toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En +zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden +stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg +om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En +zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, +als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, +alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina +Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien." + +En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als +een herinnering aan haar. + +Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de +scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de +herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar +aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, +trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar +afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel +niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk +om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een +dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet +slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met +dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen +bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot +een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en +bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe +hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed +duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar +van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte +van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij +en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou +houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar. + +Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood +is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan. + +In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten +vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want +ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze +hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en +zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als +ze nog thuis was. + +Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast +niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren. + +In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, +wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt +liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor +ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is. + +Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor +Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood +door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons! + +Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij +die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op +dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des +hemels, bid voor ons." + + * * * * * + +Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de +schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen +leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, +of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat +ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar +duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze +herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men +eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde +huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe +mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan +helder voor onzen geest. + +Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna +kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd +en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg +zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een +ander bestuur veroveren. + +De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering +geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun +niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde +te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij +ter dood veroordeeld. + +Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles +voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats +hebben, in orde gemaakt werd. + +Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus +zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; +hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en +de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een +smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij +eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had. + +Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van +de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had +er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet +missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het +geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij +moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten. + +Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn +aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. +Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest. + +Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, +van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de +Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd +hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers +wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. +Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij +miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe +hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou +verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem +sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote +troost geweest zijn. + +Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de +markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron +zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou +zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die +'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde +evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_! + +Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij +om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij +liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze +zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen +ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende +jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over +hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze +niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en +de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche +genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij +weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar +Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep +hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de +gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem +binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij +weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met +hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp. + +Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de +jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over +onbuigzame zielen te bezitten. + +Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn +woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders +met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw," +zei hij. + +Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in +straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze +krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd +beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf +brachten. + +Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna +ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze +al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den +vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe +om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. +Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch +sneden. + +Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand +raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in +witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten +sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar +bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt. + +Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder +verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den +gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, +alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet +anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk +moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte +het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, +dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het +afgeschaafde vel. + +Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen +gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het +was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den +dood moest voorbereiden. + +Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in +haar nabijheid, dat hij alleen zeide: + +"Ik geloof, dat ik zou willen slapen." + +"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze. + +Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den +grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?" +vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld. + +Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, +dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren +gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld +keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te +storen. + +"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit. + +"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te +denken, wie ge toch zijt." + +"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, +Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het +dominicanerklooster." + +"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En +dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte +afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt." + +Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die +zijn eerste liefde bekent: + +"Ik ben de bruid van Christus." + +Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het +hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van +een mésaillance. + +Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, +alsof hij meende, dat zij vermetel was. + +"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo." + +"Dat is inbeelding of een droom," zei hij. + +Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen +schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid +opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg +haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid. + +"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig. + +"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg +zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en +andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor +velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, +en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal +gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar +voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar +de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer +hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!" + +"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!" + +"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei +ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander +meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel +te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet." + +Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u +toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van +Christus kunt noemen?" + +Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst +moest scheuren, toen zij antwoordde: + +"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes +jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de +kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk +ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en +heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de +Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, +en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En +terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk +een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de +hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn +geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien +tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad." + +Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het +veld geslapen en gedroomd." + +"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem +gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in +de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch +klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden +hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet +trouwen wilde?" + +Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat +zij liefde voor een ander in haar hart droeg. + +"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u +liefheeft," vroeg hij. + +Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen +als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu +zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. +Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming +gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren +te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u +zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht +maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de +muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen +en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode +flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan +het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met +wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle +deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar +daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit +iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik +hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó +hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld +meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, +maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze +'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik +me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en +lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was +vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden, +dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle +gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag +een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar +schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij +voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was +plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het +heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan, +Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij +door het sterkste geloof verbind."" + +"O, Catharina!" + +De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn +gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen +kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar +oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart. + +Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die +jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar +liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet +of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn +heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En +het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld +was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen. + +Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar +gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: +"Ik vergeet met u over uw ziel te spreken". + +Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen." + +En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost +over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. +Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen +biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet +morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen +nemen, zooals ge nu doet." + +Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te +schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vóór +mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar. + +Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien +wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid +sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle +angst zal van mij wijken." + +"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een +hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook +omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo +spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik +zeker komen zal en u zien sterven." + +Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als +een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven +was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien +zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het +sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, +omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben. + +Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was +zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij +riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina +van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden +redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil +het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden +zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over +haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, +die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart. + +De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen +aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een +verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar +alsof ze alleen was. + +En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor +alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik +reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, +helderde het zijne op en hij was bijna blij. + +Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw." + +"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik +wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht." + +Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn +hoofd tusschen haar handen te kunnen houden. + +"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina." + +Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze. + +Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij +de beste troost." + +De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze +nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken. + +"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om +te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik +nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit +oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, +en mijn gebeden hebben geen kracht." + +Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen +winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende +hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in +haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden. + +"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om +uw ziel te ontvangen." + +Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil +den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op +dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager +neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel +voerden. + + * * * * * + +Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar +geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, +liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest +liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen +doet. + + + + +DE ZEVEN DOODZONDEN. + + +De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich +daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat +niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den +biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte. + +"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de +zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag +buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn +vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de +eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang +ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al +wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij +nu absolutie geven?" + +"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit +gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst +vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw +hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch +zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme +zondaars waren in vergelijking met u." + +"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man. + +"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als +ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken." + +En hij vertelde: + +"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant +van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te +huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het +meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar +trouw beloofd. + +Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem +hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom +zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen +kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart." + +Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem +in stilte. + +Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere +tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op +haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om +haar. + +De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. +Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de +kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik +heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op +de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en +haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met +zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te +voeren, als hij van de bruiloft geweten had. + +Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat +een ellende u over ons gebracht hebt." + +En toen ging ze naar het balkon. + +Daar kwam haar bruidegom bij haar. + +"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?" +vroeg hij. + +Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem +nooit te verlaten." + +Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. +Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan +maken, als ik doen zal." + +"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij. + +"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te +nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek." + +Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, +dat God zijn hart beweegt." + +En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar +gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op +diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn +geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als +een bedelares aan de voeten van haar bruidegom. + +"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!" + +Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, +hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, +dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen +zooals ge wilt." + +Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en +kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel +stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer +hongerig na den langen rit en de lange mis. + +"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met +toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want +hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik +hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk +gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want +voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek +u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, +als ik het leven van mijn geliefde gered heb." + +Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar +dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl +gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den +maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg. + +Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen +in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te +zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was +bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke +gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur +en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide +hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met +een grooten bezem te slaan. + +Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te +laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. +En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. +Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde +het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te +zeggen. + +En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet +en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de +Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert. + +Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de +loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een +gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en +paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een +zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik +naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden +en een geacht en eerlijk man worden." + +Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij +zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: +"Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone +maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij +eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd +voortgaan. + +In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde +door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had +zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, +nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo +wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij +geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar +toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid +door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die +vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug +heeft stuk geslagen." + +En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en +droeg er haar op zijn schouders over. + +Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog +zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen +spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij +waren iets voor haar te mogen opofferen. + +Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een +der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen +zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het +zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven. + +De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel +toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde +haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, +maar luisterde er naar en deed open. + +Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot +dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, +beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde +haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat +oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan. + +Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe." + +En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?" + +Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en +sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht +aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het +huis van haar vader." + +Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met +wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie +hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was +een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze +man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, +welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de +vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de +hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of +hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust +de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de +deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij +zelf het moeilijkst te betrachten vond. + +Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van +den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk +te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer +bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij +verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals +de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou. + +"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg +toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van +allen veel waard vindt." + +"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat +deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven +het andere stellen." + +Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende +stem: + +"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is." + +Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie. + +"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit, +"en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd +had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij +begon de duivelbezwering te lezen: + +"Vade retro Satanas...." + +Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel +uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van +de kerk als een groote, zwarte vleermuis. + +En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door +Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den +monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen +woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den +visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo +werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden +aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden. + + + + +DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN. + + +De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en +onaangenaam geval. + +Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in +den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking +aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en +teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn +aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de +leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij +stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te +noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. +"En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater, +"twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven." + +Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op +hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, +vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet +anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop. + +"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de +arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...." + +"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik +meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest." + +"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...." + +"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?" + +De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden. + +"U kent hem natuurlijk!" zei hij. + +"Natuurlijk, Monseigneur." + +"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, +woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is." + +De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan. + +"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn +voordrachtstoon vervallend. + +De bisschop sprong op. + +"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur." + +"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een +lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden +hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze +voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau +gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste +uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd. + +"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in +het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en +voortreffelijkste, die ooit België regeerde. + +Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun +dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote +keizerin Maria Theresia. + +Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, +misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet +haar goed graafschap West-Vlaandren. + +In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men +nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, +dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. +Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in +visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria +Theresia is. + +Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben +macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben +niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te +vergelijken is. + +Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is +niet genoeg te waardeeren, medeburgers. + +Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, +deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; +ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote +steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam +ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien. + +Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en +te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, +hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger +over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, +maar zij waren vervallen en ingestort. + +Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat +enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door +den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, +en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee +omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid +lagen. + +De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich +vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de +plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij +liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de +zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en +al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot +binnen de duinen was doorgedrongen. + +En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit +arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden +te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te +ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten +de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de +visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit +vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij +dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen. + +De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in +Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot +Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak +met het volk. + +De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort. + +"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin. + +"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis +Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat +hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn +boot." + +"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin. + +"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig, +toen men hem aan land bracht." + +"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin. + +"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets +hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn +vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte +maakte hem zeker krankzinnig." + +"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de +keizerin, "is iets om op te vertrouwen." + +"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij +en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op +rekenen kunnen." + +De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam. + +"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem. + +"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein +opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, +met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, +waarmee hij begonnen was." + +"Hoe komt dat?" zei de keizerin. + +"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij +kleiner, dan hij verwachtte." + +"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin. + +"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen +heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet +toereikend zal zijn." + +"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig +heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin. + +"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en +niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te +steunen." + +De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en +vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad. + +"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der +Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden." + +"Werkelijk?" + +"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa +kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er +van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die +te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden +hebben, en daarna hebben ze twist gekregen." + +"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de +keizerin. + +"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest." + +"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou +iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon." + +"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand +het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en +'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen." + +De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar +de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en +smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, +medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat +het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, +ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken. + +Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. +Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin. + +Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand +genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote +echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende +roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte +vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen +gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over +West-Vlaanderen tot op dezen dag toe. + +Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend. + +Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen. + +Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen +of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren +of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor +hen doen kon, zou ze doen. + +Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het +kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen +over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar +medelijden. + +Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten +met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor +allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven +kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had +tranen in de oogen toen ze dat zei. + +Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te +spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En +verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden +laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze +ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, +zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren. + +Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de +keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat +ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en +oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet +geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de +duinen. + +Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die +in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen +dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in +West-Vlaanderen regeert. + +Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk +van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de +menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig +hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen +kan, dáár wanhoopt men niet. + +Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. +Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs +nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van +het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de +keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens +schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den +Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd +met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, +zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het +altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten +wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten. + +Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is +niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge +weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het +bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en +nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te +zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu +bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er +zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in +bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, +die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, +waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, +heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de +genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; +het eigen geld was altijd voldoende. + +Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was +dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór +allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich +aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch +later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder +weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar +bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste +bezitten ze allen in gemeenschap."" + +De Bisschop viel pater Verneau in de rede. + +"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?" + +"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de +goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, +dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij +voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het +drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze +noodiger hadden." + +"En....?" vroeg de bisschop. + +"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den +preekstoel al af was. Anders niets." + +"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid +tot hen gesproken hadt." + +De monnik boog. + +"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze +hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt +zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn +compliment." + +De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug. + +De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid. + +"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan." + +"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur." + +"En de schat? Was er ooit een schat?" + +"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen." + +"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop. + +"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. +Het is een klein houten kistje met ijzer beslag." + +"En....?" + +"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia." + +De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig. + +"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?" + +"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke +voorstellingen zijn ijdel." + +Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek. + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: Catharina van Siena 151 | + | C: Catharina van Siëna 151 | + | B: Zelfs was hij ook niet | + | C: Zelf was hij ook niet | + | B: kon lijden. | + | C: kon leiden. | + | B: en Moeder en ons beiden. | + | C: en Moeder en ons beiden." | + | B: geboren werd. Ze wïl hem | + | C: geboren werd. Ze wil hem | + | B: midden tusschen de menschen | + | C: midden tusschen de menschen. | + | B: Agnete kon dit niet uithouden. | + | C: Agneta kon dit niet uithouden. | + | B: talk meer in den kandelaar, | + | C: talk meer in den kandelaar. | + | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet | + | C: onbeschadigd naar Venetië." Je weet | + | B: ging over de Piazetta en de markt | + | C: ging over de Piazzetta en de markt | + | B: hagelbuien uitstortten over de stad, | + | C: hagelbuien uitstortten over de stad. | + | B: Giorgo Maggiore te roeien. | + | C: Giorgio Maggiore te roeien. | + | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat | + | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat | + | B: de drie mannan de botsing afgeweerd | + | C: de drie mannen de botsing afgeweerd | + | B: het sterkste geloof verbind." | + | C: het sterkste geloof verbind."" | + | B: zei, dacht hij. "Als ik leven | + | C: zei, dacht hij: "Als ik leven | + | B: langen rit en de lange mis." | + | C: langen rit en de lange mis." | + | B: barstte de monik uit, | + | C: barstte de monnik uit, | + | B: En toen ik op de preekstoel | + | C: "En toen ik op de preekstoel | + | B: ze allen in gemeenschap." | + | C: ze allen in gemeenschap."" | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + +***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38422-8.txt.bk2 b/38422-8.txt.bk2 new file mode 100644 index 0000000..1a57d6f --- /dev/null +++ b/38422-8.txt.bk2 @@ -0,0 +1,5623 @@ +Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oud en nieuw + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +---------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + +---------------------------------------------------------------+ + + + + + VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + SELMA LAGERLÖF + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK: + +=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND +F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR +TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE +F 3.90. + +=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN +PRACHTBAND F 1.--. + +=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75; +IN PRACHTBAND F 1.--. + +=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90; +IN PRACHTBAND F 3.50. + +=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN +PRACHTBANDEN F 5.50. + +=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90. + +=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50. + +=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90. + +=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50. + + + GOEDKOOPE UITGAAF + + VAN + + GÖSTA BERLING + + Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF + + Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM + + Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90= + + * * * * * + +=Het Algemeen Handelsblad:= + +Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen +en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende +phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, +van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van +meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, +geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen +Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en +beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving +van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk. + +=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij +het geheel genoten heeft.= + +=Het Vaderland:= + +Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere +mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en +verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat +en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder +en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van +Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta +Berling” is een boek om tweemaal te lezen.= + +=De Kerkelijke Courant:= + +Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand +dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten +predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden +en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of +men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster +Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster +vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó +aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en +haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, +wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met +vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in +de schaduw staat. + + + + +OUD EN NIEUW + + + + + OUD EN NIEUW + + NAAR HET ZWEEDSCH + + VAN + + SELMA LAGERLÖF + + DOOR + + MARGARETHA MEIJBOOM + + AMSTERDAM + + H. J. W. BECHT + + 1907 + + + + +BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN. + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + De Kerstroos 1 + + In de Gerechtszaal 26 + + Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37 + + De Kerstvrede 47 + + Het Grafschrift 65 + + De beide Broeders 80 + + Romeinsch Bloed 89 + + De oude Agneta 113 + + De Ring van den Visscher 123 + + Santa Catharina van Siëna 151 + + De zeven Doodzonden 170 + + De Schatkist van de Keizerin 180 + + + + +DE KERSTROOS. + + +De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde, +was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was +een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de +loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud +waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch +woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens +gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn +vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van +pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, +zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, +durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed +om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als +ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren +erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te +rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in +'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of +kinderen wat overkwam. + +Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te +bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een +klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de +portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde +brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen. + +Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de +kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten +teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de +rooversvrouw ging snel met hem meê. + +'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't +kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de +rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen +zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed. + +Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een +plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen +plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen. + +In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't +Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen, +dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er +in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van +de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel +kleine bloembedjes liep. + +In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. +Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den +mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle +vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe +en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze +liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën, +die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen +den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den +leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar +bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de +rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem +achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar +bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op. + +„Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch,” zei ze, „en raak me nu +eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even +zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, +dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw +haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd +toesprak. + +„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en +dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet +weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur +te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin +weg.” + +Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar +'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen +bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond. + +Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te +loopen om hulp te halen. + +Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag +nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad +staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij +zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, +zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar +hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden +krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze +wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook. + +De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet +anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen. + +Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten +zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een +geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw +van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg +konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen. + +Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun +hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon +hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar +den tuin. + +Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen +de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist +zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar +ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort +vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude +kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer +gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd. + +De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke +dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon +niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om +dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar +zachtmoedig of zij den tuin mooi vond. + +De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet +anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren +en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig: + +„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien +had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien +ik ken.” + +De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de +rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde +een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen. + +De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te +berispen. + +„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite +de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij +weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van +Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste +bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.” + +„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw, +„ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan +denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid +weggooien.” + +Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de +abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen. + +„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi praat om ons te +plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, +tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn +ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van +een tuin geweest ben.” + +De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, +en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een +tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, +moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht +in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te +vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, +en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet +gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.” + +Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen +op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet +anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus +vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij +en je man.” + +„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in +den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.” + +De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk +te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, +dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er +vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij +begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met +Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van +haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij +daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel +hen beloonen zooveel maar in zijn macht was. + +Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het +gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen +werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, +schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf. + +„Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag +ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een +heilig man is.” + +Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt +gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze +overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden +toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als +zij iets van zijn plan ontdekten. + +Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken. +Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn +reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef. + +Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek +van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, +hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die +veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief +voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen +kon leiden. + +„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger +misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele +rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.” + +Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover +niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor +allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef. + +De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, +dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het +roovershol heen. + +„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor +hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn +om bij de menschen genade te vinden.” + +Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel +wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den +dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u +een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen +wilt.” + +De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het +verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. +Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem +zeker zou zenden. + + * * * * * + +De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet +thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de +woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had +hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had. + +De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu +heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het +heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet +graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te +beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te +zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik +was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den +abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou. + +Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat +er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder +boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm +zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden +massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer +kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid +moesten worden. + +Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de +koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die +zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het +klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met +stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de +kloosterpoort gekregen hadden. + +Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer +haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan +een van de anderen zou mogen vieren. + +Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de +kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en +smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan +de handen van den roover over te geven. + +Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te +storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in +de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd +steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen +over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en +diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt. + +'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile +en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige +velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist +toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over +een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene +naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin +zagen zij een deur van dikke planken. + +Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren +en steeg van zijn paard. + +'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele +berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, +dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van +dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen. + +„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te +staan, „en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van +de nachtkou.” + +De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't +Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De +rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. +Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er +was niets in dan een waterachtige soep. + +Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten +boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als +u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch +klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, +moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang +te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur +zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u +gekomen is.” + +De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was +zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op +het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed +aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat +hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den +abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, +zoodat hij insliep. + +Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en +nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij +hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit. +Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten +wilde, dat hij naar het gesprek luisterde. + +De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het +Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't +Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan +had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde. + +„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de +anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de +abt. + +De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand +sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht. + +Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist +voor het gezicht. + +„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen +van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch +niet uit mag komen?” + +De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te +bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij. + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid +te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had +van bisschop Absalom!--„Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei +de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen +gans.” + +De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om +den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd. + +De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de +monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was. + +Maar opeens stond de rooversmoeder op.--„U zit hier zoo te praten, abt +Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs +hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.” + +Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten. + +Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het +eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd +aangedragen door een zachten zuidenwind. + +„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt. +Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, +nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou +opbloeien. + +Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een +lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even +duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als +een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het +uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd. + +Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een +mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen +kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De +erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in +'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes +zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende +knoppen, die al een zweempje kleur hadden. + +'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't +ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen +zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen. + +Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke +duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen. + +Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een +bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen +aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren +komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen +de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken +heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de +splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, +streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren +prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als +de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen. + +Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, +warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die +arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan +land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden +kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond +raakten, takken en loten. + +Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe +ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun +nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen. + +Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te +denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren +en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht +den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de +veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den +en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen +glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik +van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het +heelemaal wit en blauw en goud werd. + +De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer +oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats +met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, +krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar +jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde +naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en +ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten +van de kleine vogels heen met haar ei in den bek. + +De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij +verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot +als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een +ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen +waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en +slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. +Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak +een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je +aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer +achteruit en liep een anderen kant uit. + +Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten +zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld +stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende +lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, +dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan +het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den +bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo +groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor +bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op +dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen. + +De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol +licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van +den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter +vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle +aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik +niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.” + +Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het +iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche +lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat +nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in +aantocht was. + +De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen +speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op. + +De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, +de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te +mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen, +en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren. + +De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van +zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds +in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen +Kerstliederen te hooren zingen. + +Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was. +Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, +omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte +hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God +zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in +eere hielden. + +Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder +zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat +kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier +gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons +behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.” + +In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, +dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons +verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van +daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.” + +Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten +zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag +hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het +toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den +nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te +beter de christenen te kunnen bedriegen. + +Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij +had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den +leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang +speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat +de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den +leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat +het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. +Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't +bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen +bent!” + +Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels +hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. +Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang +plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. +En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken +schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister +zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten +op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der +watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen. + +De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, +zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit +kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij zóó nabij waren en +verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de +vlucht werden gejaagd.” + +Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en +hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog +iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde +bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam +aanglijden over het veld. + +Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar +bleef op het veld liggen. + +Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe +duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij +namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem +dood in de sneeuw liggen. + +En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, +dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de +lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst. + + * * * * * + +Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen +voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, +dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand +eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had +vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't +loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de +bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt +Hans. + +Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden +opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen +eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, +wachtte hij niet langer. + +Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans, +dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij +nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond +gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren +opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen. + +Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit +plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, +begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in +het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, +dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen +aan bisschop Absalom moesten zenden. + +Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de +bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die +hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch.” + +Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde +waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij +een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak +hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne +houden.” + +En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn +jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan +den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het +roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met +opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik +er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het +Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.” + +„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil +graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.” + +En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met +hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan +het perkament hing. + +„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en +Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,” +zeide hij. + +Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit +zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man +ook zijn woord houden.” + +Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de +leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij +bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand +mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich +bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet +gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur +van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het +plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd +en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de +aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens +gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof. + + + + +IN DE GERECHTSZAAL. + + +We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel +achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd +man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig +geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een +sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit +te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem +kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die +alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en +onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn. + +Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag +behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het +onderhoud van een onecht kind. + +Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan +worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse +een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is. + +Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, +dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft +aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse +eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd +geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, +hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring +volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde +opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld +wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven. + +Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene +tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. +Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een +opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft +zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze +zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend +heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen. + +Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man +in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en +vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich +heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, +daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het +minst bezwaart. + +Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, +en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed +af te leggen. + +Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint +te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant +voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en +niets hem verhindert om dien af te leggen. + +Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt +onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond +gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde +in het aangezicht heeft kunnen zien. + +Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar +stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer +staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij +kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben. + +Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de +gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te +krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen. + +De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. +Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, +en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift. + +Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich +opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de +rechter moet het hem immers beletten. + +De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen +denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen +waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze +wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo +iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de +rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over +zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke +ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk +hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken +er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel +begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd +hebben, als zij daar geen recht toe had. + +De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat +ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand +anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man. + +Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant +een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan +is in te grijpen. + +Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een +paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van +ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. +Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al +spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de +rechter kan geen belangstelling voor haar voelen. + +Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed +en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten +zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en +ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop +moet hebben. + +Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat +hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een +valschen eed heeft overwogen. + +De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door +getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid. + +De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze +maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen. + +Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd +met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, +maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen. + +Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, +niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen. + +Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, +maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in +het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan +ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen +versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in +het hoofd. + +Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen. + +Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille +van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan +moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen. + +Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets +geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en +geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de +naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar +oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden +met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt. + +Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, +heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel +moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het +eedsformulier te vinden. + +Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap +naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn +hand wegstooten. + +Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij +nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden. + +De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht +heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan +houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te +spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij +vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen. + +Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van +plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal +voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar +hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft +aangeklaagd. + +Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat +haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te +krijgen? + +Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan. + +Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de +daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit +meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen. + +Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar +voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den +Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk +moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen +eed, dat zal hij niet. + +De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te +nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken +angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in +haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis +zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, +hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, +springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet +zich ook tegen hem. + +„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.” + +Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek +dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te +staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te +voorkomen, dat hij omgegooid wordt. + +Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven +onbeweeglijk staan. + +„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de +rechter met dezelfde harde en strenge stem. + +Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar +verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan. + +„Hij zal den eed niet doen.” + +„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter. + +Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij +zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid. + +„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met +steeds scherper stem. + +„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, +snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.” + +„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand +verloren?” + +Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze +schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze +niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in +om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar. + +Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: +„Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, +maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal +doen.” + +Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en +blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide +handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van +haar af. + +Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al. + +Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en +zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt. + +Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij +niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de +geringsten te vinden is. + +Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan +slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich +heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij +van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, +dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt +En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets +heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun +ziel. + +En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle +menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord +hebben, waar ze het allermeest naar verlangden. + +Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen. + +De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje. + +„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” +zegt hij tegen den griffier. + +De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen. + +„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?” + +De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: +„Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.” + +De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam +zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse +toe. + +„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand. + +Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar +tranen met den opgerolden zakdoek. + +„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo +zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. + + + + +HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG. + + +Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem +volstrekt niet hebben. + +Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en +overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte +paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi. + +Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te +denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur +over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer +wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van +Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader +was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In +zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had +den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat +hij nooit wanten gebruikt had. + +Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen +hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, +zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij +niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger +zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een +predikant. + +Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was +aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam +zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een +stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar +moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en +ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls +Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de +eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden +roover op den preekstoel te laten. + +Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was +verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel +kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht +en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en +roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had +ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht. + +Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat +Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of +op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze +niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te +liggen om haar te schaken. + +Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie +om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet +gebruiken. + +Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij +was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide +ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove +vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten. + +Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij +iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten +schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader +zweeg en beklaagde zich niet. + +'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al +haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in +den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder +opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje +kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op +het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader +in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote +armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte. + +'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje +van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met +hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar +er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder +graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund +en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't +hooge koren en had de oogen niet van haar af. + +Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude +proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en +dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat +hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den +bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den +inhoud van den brief meê te deelen. + +Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam. + +Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief +aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, +toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel +wegsloot. + +De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom +was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't +eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader +was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden. + +Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had +altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den +weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe +hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant +te worden om te mogen preeken naar hartelust. + +De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, +de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan +was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden +had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met +aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en +spreken in Gods huis. + +Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den +bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats +daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te +schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord +te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang +niet slecht! + +En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te +voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden. + +Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan +toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden. + +Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met +Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor +Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was. + +Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie +was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't +naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest +zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er +geen knecht of meisje in de heele pastorie was. + +Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat +hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet +alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij +genoodzaakt zou zijn heen te gaan. + +Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door +een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de +eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen +vond, vroeg hij haar ten huwelijk. + +Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te +smeeken of aan te dringen. + +En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was. + +Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een +pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om +den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou. + +Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat +hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die +schreide in de aangrenzende kamer. + +Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal +binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien +heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal +was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht +Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't +hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen +mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze +duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats +bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar +gevraagd had. + +Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter +verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de +plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou +ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan. + +'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van +haar. Maar ze zag niemand. + +'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg +en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. +Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet +neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de +onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. +Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met +krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van +ontzetting. + +Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de +gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het +venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,” +zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze +zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er +was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel. + +Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest +hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. +'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een +verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen +troosten, die zóó schreide. + +Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. +Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten +schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest. + +Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, +die uit den hemel verbannen werd. + +En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van +de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den +kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld +tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu +blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest +zijn, als ze iemand had kunnen roepen. + +Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het +geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon +te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen. + +Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk +vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond +gesnoerd werd en ze kon niets zeggen. + +„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest +het hooren.” + +Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben? + +Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld +verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk +vreemd voor. + +Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en +hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had +zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid. + +„Waarover sprak hij dan?” + +„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het +paradijs gesloten werden.” + +Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof +ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken. + +Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met +hem mee in de vestibule. + +„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder. +„Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?” + +„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.” + +Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo +wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot +was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond +het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere +aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm +Grootvader was. + +„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer +dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te +houden.” + + + + +DE KERSTVREDE. + + +Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, +grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een +scherpe wind uit het noorden. + +Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk +hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. +Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en +massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de +door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve. + +Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als +een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het +Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag +te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den +emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het +Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de +bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was. + +Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide +Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het +groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote +kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de +tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op +elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig +haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om +den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op +Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet +zien kon hoe leelijk ze was. + +Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, +die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden +gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne +berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte +twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een +lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht +uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de +berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het +meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men +ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't +ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde. + +Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man +binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, +de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om +te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het +met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud +was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de +badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er +zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren. + +Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een +leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, +zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor +een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer +even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van +oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want +dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. +Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was +toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de +machtigste van een geheele gemeente te wezen. + +Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de +berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En +dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel +en een ander op 't groote bed. + +„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes +gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je +velletje?” + +Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze +wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te +binden. + +„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar, +want hij was echt in Kersthumeur. + +Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen +en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen +om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het +Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide +schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de +plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg +te gaan. + +Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats +over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand +op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande +weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig +iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn +zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude +menschen willen 't liefst hun eigen zin doen. + +Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar +het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een +paar berketakken van een jaar oud te vinden. + +Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den +heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken +losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep +sneeuwvlokken achter zich aan. + +Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje +afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op +hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind +een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol +sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer +ronddraaide als een tol. + +Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn +jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een +sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka +gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den +verkeerden kant uit. + +Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het +berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de +richting van de hoeve in te slaan. + +De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant +bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij +tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want +er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de +hoeve leidde. + +Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, +de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam +werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren. + +Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat +hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar +geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke +richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den +anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen +weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer +zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij +merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was +toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen +avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide +zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef +even verward in 't hoofd als te voren. + +Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te +verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, +dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen +gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd +had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het +veld en hij had het weer zien opgroeien. + +Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu +maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook +liep, steeds kwam hij dieper het bosch in. + +Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij +begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij +te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar +die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer +vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en +diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en +hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest. + +Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij +op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om +te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom +probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon. + +Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij +meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon +al moest het zijn leven kosten. + +Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van +den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij +de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de +kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost +over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van +hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in +'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een +aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid +spreken. + +Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd +wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte +Ingmarson zijn. + +En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist +geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't +woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis +verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang +stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij +zich begon te bewegen. + +Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood +kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en +al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen. + +Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede +verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den +burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den +majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om +den hals. + +Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de +vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis +tot aan de kerk. + +Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de +begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt. + +Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. +Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, +zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten. + +'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, +alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst +opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een +marktdag. + +Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten +aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de +burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?” + +En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar +zeker wel schuld aan gehad zouden hebben. + +En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. +Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam +geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij +nauwelijks staan kon. + +Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu +op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren. + +Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar +met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!-- + +En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op +sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook +geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in +slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een +deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets +warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij. + +Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. +Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem +gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten. + +Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een +schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij +in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna +sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen. + + * * * * * + +Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men +had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht. + +Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze +hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de +naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd. + +Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten +de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar +de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend +onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen +uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. +Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen +zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze +den vermiste wilden vinden. + +Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, +en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. +Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de +groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging +ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. +En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als +dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die +op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel. + +Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den +barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en +kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar +en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want +allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden +roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze +konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een +strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof +alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot +de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard +waren dan anderen. + +Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij +vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes +gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof +ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het +geslacht behoorde, een ongeluk trof. + +De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag: + +„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had +kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen. + +„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit +voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid +bewezen had. + + * * * * * + +Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las +in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, +en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar +Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het +bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de +plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook +vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij +toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier. + +Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst +over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon +ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt +werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een +welbehagen.” + +Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. +Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: +„Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.” + +De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden +langzaam uitsprak. + +„Moeder,” zei hij heel zacht. + +Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je +niet meê naar 't bosch gegaan?” + +„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben meê geweest.” + +„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.” + +Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij +moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen +houden. + +„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer. + +Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd. + +De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar +zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op +zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze +naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er +gebeurd is, mijn jongen.” + +De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als +hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon +te schreien. + +„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze. + +„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon. + +„Is het erger dan dat?” + +De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn +macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn +breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.” + +„Heeft dit er iets meê te maken?” vroeg ze. + +„Ja,” antwoordde hij. + +„De Kerstvrede?” + +„Ja.” + +„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?” + +„Ja.” + +„En God heeft ons gestraft?” + +„God heeft ons gestraft.” + +En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van +den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop +takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te +maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op +hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar +Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, +alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen +iets, maar liep hen voorbij het bosch in. + + * * * * * + +Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den +proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude +huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als +een steenen beeld. + +De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn +boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het +wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen +de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. +De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost +zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren +eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve. + +Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon: + +„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede +wilden laten houden over Vader.” + +De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw +tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk +als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de +handen. + +„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon. + +„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De +oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De +kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar +'t graf volgde. + +„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten +weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.” + +„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist +wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te +doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen +getroost had. + +„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê.” + +De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk +goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij +zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen +dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen +zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken +het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.” + +Nu sprak de vrouw ook. „Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht +doen.” + +De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort: + +„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan +tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had +moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen +hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand +en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft +God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield +Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe +Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan +en opzien wekken.” + +De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat +ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En +onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn +kranige menschen, de Ingmarsons.” + +De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag +in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij +begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de +macht gegeven had de geheele gemeente te leiden. + +„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,” +zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.” + + + + +HET GRAFSCHRIFT. + + +Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het +kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder +het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand +het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de +armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite +het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook +bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten +ze nog tot woorden samen te voegen. + +Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel +wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de +voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te +gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij +op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich. + +Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap +verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog +ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te +vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet +geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet +er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De +kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, +kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land +bezitten als de rijkste boer. + +De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen +verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. +Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men +ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den +kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te +vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het +van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu +één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders +dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek +wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan. + +Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine +hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen +onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige +liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in +de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met +bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo +gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn +ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet +voornamer dan een ander. + +Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar +de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw +uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg +trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die +gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, +te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen +den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het +graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen +te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo +oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze +begraven zijn. + +Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar +dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men +ze niet van elkander kan onderscheiden. + +Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den +ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de +kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en +werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de +aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt. + +Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en +den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt +het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen +ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar +Sander op Lerum. + +Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas +een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, +al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand +gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat +een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene +woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien +zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken +wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw: + +„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.” + +Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de +grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. +Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar +zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels. + +Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen +opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te +beven, alsof ze een felle kou voelt. + +„Wat zeg je?--Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die +klappertandt van kou. + +„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder +liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind +daar liggen zal.” + +„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist +wel, dat je je eindelijk wreken zou.” + +Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, +groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil +door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo +staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, +onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon. + +„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik +kan dit alleen niet verdragen.” + +„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed +naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor +hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!” + +„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet +verdragen.” + +Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden +noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt +onmogelijk is hem te bewegen. + +„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom +liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.” + +Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, +dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de +buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in +het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan +die van Vader en Moeder en ons beiden.” + +„En denk je, dat ze dat gelooven?” + +„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij. + +Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan +hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de +armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. +Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is +dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen +komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, +toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. +Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon. + +En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht? + +Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, +toen ze bij hem kwam en hem alles bekende. + +„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden +als zijn vrouw. + +Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar +genoeg vallen het werkelijk te doen. + +Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die +niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart +blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te +verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw +altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden +was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen +worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond +als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar +iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En +nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren! + + * * * * * + +De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien +hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de +begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk +te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze +schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder +het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, +de doodsangst versteent haar. + +Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê +naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, +dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het +groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat +ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met +de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een +onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door +den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat +kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, +losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch +een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof +verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat +helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht +daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan +gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te +ruimen. + +De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de +gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen +zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. +Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de +lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte +doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den +stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen. + +Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om +een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen. + +Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen +voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen +krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen +is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele +kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een +luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten. + +De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in +beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom +heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den +dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof +moeten gaan. Een doode is immers niets waard. + +Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze +mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er +gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, +zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is +door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang +maken als kinderen. + +Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd +vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet +ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze +ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En +de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen +naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet +eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat +de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het +familiegraf rusten zal. + +Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet +alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn. + +„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker +niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders +vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.” + +En nu begrijpt ze, dat ze gered is. + +Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. +„'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet +ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en +levensgevaar is gered. + +Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone +plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich +op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te +luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te +spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door +de leden. „Het is immers dood? Dood!”-- + +Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den +eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. +Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk +regeert over alle uren van den dag en van den nacht. + +Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare +meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het +leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te +winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden +worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was. + +De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, +dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de +weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit +alles. + +En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken +en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij +zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien +niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. +Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt +ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen. + +Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn +verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen. + +'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat +nooit begrepen, terwijl hij leefde. + +Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich +door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, +geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes +geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi. + +En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker +wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens +aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder +het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht +mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die +ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het +wezenlijke kleine menschjes. + +En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat +het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó +dicht genaderd zou zijn als nu. + +Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt +heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt +ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang +geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht +heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich +geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te +begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker. + +Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal +nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit +haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem +nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze. + +En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met +verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het +barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn +graf komen en met hem spreken kan. + +Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf +met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, +lang kunnen zitten. + +Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers +niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze +verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren +zitten. Wat zal ze hun zeggen? + +Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote +familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos +zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij +zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen +zal. + +Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is +toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij +zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een +brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem +daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles +te boven ging. + + * * * * * + +Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het +sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien +een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat +de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij +verlangt zoo! + +Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's +winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen. +Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij +te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan +nooit onder de aarde komen? + +Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar +heele leven lang. + +En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar +sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den +doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan +naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten +en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes +weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen +kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft +ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal. + +Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte +letters: + + _Hier rust mijn kind._ + +En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om +of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, +het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden +op het graf van haar kind. + + + + +DE BEIDE BROEDERS. + + +Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven +zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den +lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze +moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze +geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en +zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie +rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn. + +Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de +menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de +lange rust in de aarde gebracht worden. + +Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo +goed als in Svartsjö in Wermeland. + +Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen +precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, +als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want +dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen +een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt +ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden +op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge +behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar +niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en +dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar. + +Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult +krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort +zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken. + +En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg +zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult +ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er +wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk +van Svartsjö staan. + +Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den +dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te +zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte +schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa +menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben +den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken +zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. +Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet +zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden +schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, +dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor +hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in +Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de +gewoonte daar is. + +Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en +machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in +de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw +kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin +den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, +dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is. + +Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt +worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag +begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. +Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest +mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden +geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine +jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, +en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit +groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar +zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden +werdt. + +Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er +niemand, die er niet op toeziet. + +Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben. +Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft +kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is +tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags +heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er +werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. +En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den +rouwstaf. + +'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. +Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat +verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen? + +Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant +en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle +kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van +zijn. + +Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo +eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. +Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er +maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, +die dood zijt. + +De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk +gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde +kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt +en verootmoedigd worden door hun armoede. + +Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger +worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de +gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen +kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de +kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te +verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman +nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet +voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten +op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen. + +Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar +het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de +witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. +Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de +draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de +losse aardhoopen en laten u zakken. + +En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en +begint te zingen: + + „Ik ga den dood te gemoet.” + +Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de +omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de +noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij +zingt. + +De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, +dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen +zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, +omdat het bij zijn werk hoort. + +Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest +hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede +vervallen. + +Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en +luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden +zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men +niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men +nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen. + +Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet +alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt +zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één +waren. + +De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een +langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt +wat hij kan, om hem te helpen. + +En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den +koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te +verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude +man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat +ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de +kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom +hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de +wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet +gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat +het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft. + +En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat +lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit +voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem. + +Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft +altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen +geven. + +Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo +arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont. + +Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, +niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie! +nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij +daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de +koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu +helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan. + +Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, +omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat +hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken +buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar +het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt +zijn broer met zijn ellendige stem. + +De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de +anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet +hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij +een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof +lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit +de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht +om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De +koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer +lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den +Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht. + +Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk +niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in +Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang? + +Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als +nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar +geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven +is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt +het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn +toespraak. + +Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij +zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en +klagender, hoe langer ze zingen. + +Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop +in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt. + +Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw +en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat +armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw +hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw +ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel. + + + + +ROMEINSCH BLOED. + + +Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren +buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men +kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het +jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, +een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; +en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen +en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen. + +En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen +schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche +slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer +dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met +literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en +de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels. + +Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en +onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met +wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En +eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de +kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is +de osteria klaar. + +Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria +geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef +om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. +Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en +dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten +den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't +huis, liefhad. + +Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het +graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. +Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een +heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een +woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen +waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede. + +Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en +verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is +Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon +Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de +soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters +die voorgediend hadden. + +Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat +was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij +was? + +Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria +kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te +vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het +balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan +was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het +zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige +histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij +hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar +verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, +dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun +beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken. + +De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, +en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa +wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch +hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze +zou nooit trouwen dan met een signor. + +Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop +ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en +aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en +een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in +het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van +veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed +neerhing. + +Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. +Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was. + +Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een +Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te +veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe +tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als +oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu +het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar +durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat +was waarlijk geen klein geluk. + +De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. +'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met +maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente +voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar +huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen +drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van +haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag +was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren +ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van +gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes +snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze +elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als +soldaten, die samen ten strijde trekken. + +Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te +vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de +geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze +graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van +de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich +van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder +omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere +keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, +verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten +haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den +hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden. + +Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, +dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi +meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi? + +Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk +bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, +maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige +schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? +Nino werd bijna bang, toen hij het zag. + +Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! +Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een +zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was +al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En +zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij +van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen? + +De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië +voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, +dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een +vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al +ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel +laten de menschen ongelukkig te maken. + +Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad +hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië +moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land +des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat +onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren +Nino's woorden. + +Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde +adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der +leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij +thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger +afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put +stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde +over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen +belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen +gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die +naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest +den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen. + +Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van +de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen +glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon +liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een +afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze +een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen +te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held. + +Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig +over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon +niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten +tot na de bruiloft. + +Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na +haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag +de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven +zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een +monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor +hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor +Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij +hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem +en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of +niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn. + +'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in +die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo +gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. +Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld +gevoeld. + +Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat +hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino +hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang +was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan +zou het er wel anders gaan.” + +Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het +daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met +troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik +en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was +alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen +en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat +er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan +zwermen. + +Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, +dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. +Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot +overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden. + +Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't +Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. +Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken +geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had +een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag +geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond: + +„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!” en +andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan +het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe +krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat +Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem +niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te +vertrouwen. + +Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten +ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook +de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte +lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de +kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de +anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den +soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's +vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.” + +Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man +had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem +liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, +moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in +'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar +aderen. + +Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar +Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het +station. + +Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. +Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en +enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en +verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: +„Leve Italië!”--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen +gestrooid. + +Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht +hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan +de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge +krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van +Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar +terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo +scheidden zij. + +Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog +niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de +groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die +was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid +geworden. + +Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan +aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel +volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de +laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen +over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En +den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag +verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek. + +Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen +troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, +maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de +hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! +geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd. + +Teresa kwam geheel verslagen bij Nino. + +„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht +gaan?” + +En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer +door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. +Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als +de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar +men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke +scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo +weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, +die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten. + +Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar +men muilezels moest eten! + +Neen, dat vond Nino ook. + +En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe +vreeselijk de oorlog was. + +Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, +die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al +zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood +tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren +schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit +hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten. + +Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. +Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en +na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te +verscheuren. + +Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder +lezen. + +Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, +dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men +daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit +in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen +zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen. + +Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel +zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van +den volgenden dag vertrekken. + +Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar +doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn +vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het +niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben. + +Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant +in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar +zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam +zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een +lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen +band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op +schoten. + +Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan +den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen +koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij +snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een +bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe +laat het was. + +Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat +van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer +te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor +zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag. +Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had +ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen +en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken +verscheurden. + +Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. +Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich +wel weren tegen de barbaren. + +Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen +lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien +blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet +rood als bloed! + +Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. +Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar +zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten +zou, den heelen dag niet. + +„Neen, zeker niet, Teresa.” + +En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem +naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem +haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was +dan de andere. + +Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem +liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf +wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu +hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets +kwaads zou overkomen. + +Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en +daar aten zij met hun drieën. + +In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis +in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde +zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan +veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, +zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino +zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu +en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten +gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe +onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant +vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem +bepaald bij zich houden. + +Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, +zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof +of blind te maken. + +Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf +moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en +vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. +Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika +hoefde? + +Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe. + +Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging +niet. + +Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden +kunnen trouwen? + +De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij +daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen. + +Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van +ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op +reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen +voorwendsel vinden om te kunnen blijven? + +„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.” + +„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers +niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je +niet kan laten gaan.” + +De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders +dan een plotselingen inval te zien. + +Toen begon ze over wat anders. + +Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te +schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen. + +Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde +de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput +het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid +uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest +was. + +Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze +van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten +gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den +hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat +het niet waar was. + +Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen +verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen +in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. +Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de +officieren. + +„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een +Romeinsche?” + +Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit +toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu +moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze +zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood +voor zich! Dood en verscheurd! + +Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al +haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte, +bad. + +Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij +Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn +horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de +tijd om was en heengaan. + +„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet +anders dan heengaan.” + +„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is +slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en +hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.” + +„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.” + +„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons +gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten +wij het hunne hebben?” + +„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals +laatst in Rome. Nu moet ik weg.” + +„_Moet_ je?” + +„Ja.” + +„Ga dan maar.” + +„Teresa.” + +„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor +me.” + +Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens +aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. +Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging +werkelijk heen. + +Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa +toevertrouwde. + +Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote +stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa +booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige +duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen. + +Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den +afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan +boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, +en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten +hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat +vervloekte barbarenland konden voeren. + +De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg +wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte +van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men +bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker +van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen. + +Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,” +zei ze. „Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden +weggevoerd en door de barbaren geslacht.” + +Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de +menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen +om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino +zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen +dirigeeren. + +Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag +hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste +haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te +stappen. + +Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar +hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde +omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil. + +Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en +trok haar midden tusschen de menschen. + +„Blijf hier stil staan.” + +Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis +gaan, Nino,” zei ze. + +Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast, +dat het pijn deed. + +„De politie mag anders gerust....” + +Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg. + +'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino +hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot +vluchten. + +„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe. + +„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen +Napolitaner zal jelui verraden.” + +Op eens begon Teresa te snikken. + +„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.” + +En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino +wilde. Hij had de macht in handen. + +Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen. + +De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en +Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht? +Heeft iemand haar gezien?” + +'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen, +daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de +politieagenten verspreidden zich rechts en links. + +Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig +naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou +aangeven. + +Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard +had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien. + +De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van +hem aan Teresa. + +Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten +leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem. + +„Lees dien, Nino,” vroeg ze. + +Hij maakte den brief open en bleef bevend staan. + +„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze. + +Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar +doodvonnis in handen. + +„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op. + +En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn +liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij. + +Ze trok verachtelijk de schouders op. + +„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze. + +„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het +vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, +je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je +zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te +veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude +Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden +geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te +beletten zijn plicht te doen.” + +Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei +ze. + +Nino zweeg. + +„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou hij nu dood zijn. Ik +begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. +Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu +laten gaan!” + +„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik +geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?” + +Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi +en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad +en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, +hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven +lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, +dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de +heerschappij hernemen. + +„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde +dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?” + +Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe +weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor +alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf +geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen +Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed. + + + + +DE OUDE AGNETA. + + +Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze +was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet +hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't +Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek. + +Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. +Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn +ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal +voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren +overleden. + +Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij +was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. +De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig +konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich +herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der +onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop +boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die +zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den +ijskouden bergwind werden voortgejaagd. + +Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat +haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar +rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij +woonde daar zoo heel alleen! + +Bij dat woord „alleen” namen haar gedachten een noch somberder tint aan. +Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. +Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn. + +„Oude Agneta,” zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in +haar eenzaamheid, „je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je +moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te +sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand +in de wereld, oude Agneta? + +Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo +zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand +plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat +houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen +opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta. +Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water +kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.” + +Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar +garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd +eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden +doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den +predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien +zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. „Ik ben +als een doode,” zei ze. „Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed +sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn +hart is bevroren--dat is het! + +Ach ja, ach ja,” zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, „als er +maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de +oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken +breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,” zei ze en +balde de vuist tegen den hemel, „je moet me iemand geven, die me noodig +heeft! of anders wil ik sterven.” + +Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het +bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd +was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in +haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou +worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven. + +„Dat kan God wel doen,” zei de monnik. + +„Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?” zei de oude +Agneta. „Hier is immers niets dan de koude, kale velden.” + +Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, +bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met +kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven +hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag +de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher. + +„Ach!” zei hij, „woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je +gezelschap genoeg. Zie maar!” De monnik legde den wijsvinger tegen den +pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar +tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta +beefde en sloot de oogen. + +„Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,” zei ze. „De +hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.” + +„Nu--goedendag dan,” zei de monnik. „Het zal je niet meer aangeboden +worden zoo iets te zien.” + +De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het +sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich +daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat +zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs +gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd. + +Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't +in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in +eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, +maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! +Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen +fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten +over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot +bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude +sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat +warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, +verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof +de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten +hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen +stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, +want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun +bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar +dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze +werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen +eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over +het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat +rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en +zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare +kou. + +Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd +in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al +hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, +als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken +schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door +te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als +groote ijspegels aan de rotsen hingen. + +Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de +leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar +verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op +de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat +lichte sneeuwvlokken op, anders niet. + +Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik: + +„Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?” + +Hij antwoordde: „Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid +te bewijzen of te troosten?” + +Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en +zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij +die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de +gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken. + +Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was +opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer. + +„De dooden,” zei ze tot zich zelf, „vragen niet naar roode wangen en +lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat +warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar +hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude +van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?” + +Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en +bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te +betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen +den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar +moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer +zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had +voorgenomen. + +Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste +stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't +venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze +wijd open en toen begaf zij zich te bed. + +Ze lag in het donker te luisteren. + +Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den +gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet +binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude +Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer +in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en +bloed kon dit niet verdragen. + +Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van +pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs +op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil. + +Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. „Je bent laf, +oude ziel,” zei ze. „'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat +alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?” + +En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met +klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam +toch in de kamer en de deur kreeg ze open. + +Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden +komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt +had, dat ze niet meer durfden te komen. + +Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als +ze met de kudde uitging. + +„Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden +uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?” + +Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze +hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek +en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk +waarschuwde: „Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet +verschrikt.” + +Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich +tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof +zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te +krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: „Sst! sst! maak +haar niet verschrikt.” + +Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen +en sliep in. + +Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was +nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen +ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar. + + * * * * * + +Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de +dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur +kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig +had. + +Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk +zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat +noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om +het te begraven. + +Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort +voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag +men geen droefheid op iemands gezicht. + +Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een +lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den +met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, +dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar +dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als +van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode +kaarsen gebrand had voor de onzaligen. + +Toen zeiden de menschen bij het graf: „Geloofd zij God. Zij, die door +niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden +daar boven in de groote eenzaamheid.” + + + + +DE RING VAN DEN VISSCHER. + + +Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een +oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was +nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken +opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer +trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo +lief. + +Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg +gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en +kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en +verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom +ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden +te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun +geleerd God en den heiligen Marcus te eeren. + +„Denk er aan,” zei hij tot hen, „dat Venetië nooit door eigen kracht zou +zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd? +Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer +wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten +en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een +storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? +En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle +christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd +tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens +houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën.” + +En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen +was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de +gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter +werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan +herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor +hun leven en hun geluk. + +Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een +visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en +goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven +scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en +'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, +waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun +te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles +zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem +niet meer te vereeren en te aanbidden. + +Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote +visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, +hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te +blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst. + +Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar +de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen +zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den +morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- +en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het +eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige +Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido +heen was de groote, onbegrensde zee. + +Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot +en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog +altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de +eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een +goede boot en waren goed thuis op zee. + +Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat +de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, +dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, +maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren. + +De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de +golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een +groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen +overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't +zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna +kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het +scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. +Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn +met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de +plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op. + +'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de +mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. +Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide +zonen en nog drie anderen waren omgekomen. + +Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen +naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep +tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als +een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar +oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn +aan. + +Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op +zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, +dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn +haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het +groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze +altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had. + +Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder +er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang +gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de +keel. + +„Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,” schreeuwde hij hem toe, +„mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!” + +De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn +verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. +Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en +stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar. + +Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de +harde steenen, en zei telkens: „Dat is San Marco, San Marco.” + +„Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,” zeiden ze tot hem. + +„Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,” zei Cecco, „buiten +Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San +Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor +geweest. Ja,” ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om +hem te kalmeeren, „zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij +Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat +men hem uitlacht.” + +Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp +zocht. „Luister eens, Beppo van Malamocco,” zei hij en strekte de hand +uit naar een grooten visscher, „geloof jij niet, dat het San Marco was?” + +„Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.” + +„Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn +jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den +tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. „San +Marco, de evangelist,” zei ik tegen hen, „lag eerst begraven in een +mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van +de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis +in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om +dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden +met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de +bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het +bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde +priesters: „Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar +door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het +eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de +eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.” Toen gaven de +priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in +Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander +heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't +niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den +bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat +de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de +deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de +twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië.” Je weet +immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?” + +„Ja zeker, Cecco.” + +„Ja, maar nu moet je hooren,”--en Cecco richtte zich half op en sprak +met doffe stem in zijn angst. „Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik +vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de +jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen +lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en +Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat +je 't ver over zee kon hooren.” + +„Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!” + +„Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op +dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten +sterven?” + +Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot +verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers +natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee +gebeurt en niet in de haven. + +En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men +had ze hooren roepen: „Evviva San Marco!”--even hard als ieder ander. +En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn +toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren. + +„Maar jij, Cecco,” zeiden ze, „jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo +over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten +en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?” + +Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. „Jelui gelooft het dus +niet,” zei hij. + +„Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.” + +'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden. + +„Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,” zei hij. Hij stond op +en ging naar de deur. „'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?” zei hij. +„Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik +wil het niet gelooven.” Hij ging heen en in de straat voor zijn deur +ontmoette hij een buurvrouw. + +„Nu lezen ze een zielmis in den dom,” zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze +was bang voor hem, zóó zag hij er uit. + +Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli +Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren +naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen +storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk +weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen. + +Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk +van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te +bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger +dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen +wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom +haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra +de zee een van allen aanviel. + +Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich +hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden +tot San Marco. „Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten +van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in +het oosten,” had hij tot hen gezegd. „En tot dank daarvoor hebben de +Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en +nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het +een geschenk voor die kerk meêbrengt.” + +Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd +en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over +gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht +voor zijn beschermheilige bouwde. + +Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het +andere te bidden. + +Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde +geen kwaad van San Marco gelooven. + +Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En +dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk +veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar +ze als voor de grap had laten omkomen. + +Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij +wilde hem niet loslaten. + +En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld +met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang +den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, +zonder binnen te gaan en hem aan te roepen. + +'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. +Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om +op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen +kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een +valwind! + +Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen +uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag. + +Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van +gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in. + +Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco. + +Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. +Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend +had? + +Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel +droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de +geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en +wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door +ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over +hem gekregen. + +Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een +groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had +hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. +„Neem dit dan ook maar,” zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk +naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de +woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. +Zoo had San Marco ook gedaan. + +Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te +hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat +gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco +was een stumper, even laf als wraakzuchtig. + +Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, +omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof +hem die in alle vroomheid gegeven was. + +Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten +haastig voorbij. „Het stijgt, het stijgt angstwekkend,” zei de een. + +„Wat?” vroeg Cecco. + +„Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een +voet gestegen.” + +Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas +op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de +Piazzetta was opgespat. + +Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich +naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, +alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede +golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. +Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de +kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten +worden. De hemel was effen grijs als de zee. + +Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou +kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen +zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel +eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand +zitten en wachtte. + +Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en +groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die +slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad. + +Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den +kant van Lido. + +O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien +hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, +en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de +witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die +elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim +als damp wordt voortgezweept. + +De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen +niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen +werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, +om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te +worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, +klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in +de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk. + +Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar +gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze +bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de +booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine +kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met +het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het +land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing +te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al +het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam +een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, +die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te +zijn eer de storm al te geweldig zou worden. + +Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen +en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat +dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun +inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen. + +Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor +een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de +golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend +naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, +zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot +vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en +fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, +dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg +weer in flarden neer. + +Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen +speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad +doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot +onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen. + +Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. +Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan +land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend +neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land +gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren +en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak +er de sierlijke bogen van. + +Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. +Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij +te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, +dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij +had wel ander weer beleefd in zijn jeugd. + +„Een storm!” zei hij in zichzelf, „is dit nu een storm? En nu meent men +misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar +San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.” + +Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de +stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den +Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor +de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen +fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware +brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden. + +Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge +Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de +menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam? + +Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was +nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan +de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun +woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te +rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken. + +De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen +hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken +aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen +bestormen. + +Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, +die over zijn hoofd heengleden. + +„Nu is het spoedig uit met Venetië,” zei een stem in de eene wolk, +„straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.” + +„Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,” klonk het uit de andere +wolk. + +„San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij +machteloos neerligt en niemand helpen kan,” zei de eerste stem weer. + +Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van +dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en +vergiffenis. + +Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de +eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en +daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden +meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken +uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde +signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze +moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar +Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren +weggeslagen. + +Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te +luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna +van het lijf gerukt werden. + +De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te +gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen +optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de +kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. +Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof +hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, +blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie +gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge. + +Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den +gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide. + +Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den +geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid +en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag +hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van +zijn gebeden het lot van de stad afhing. + +Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele +kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke +schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten +op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook +op Rialto waren een paar huizen omgeworpen. + +De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den +avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, +hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te +blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, +die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er +reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. +Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de +instortende huizen in 't water verdwenen. + +Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden. + +„Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven +voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon +vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel +waard als een bloeiende zoon.” + +Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt +was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende +strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven +zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot +volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het +schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de +barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En +al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het +schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood +tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen. + +Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de +hemelpoort; „Laat mij alleen lijden,” sprak hij. „San Marco, dit is meer +dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het +ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. +Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.” + +Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het +scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de +granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De +oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië. + +Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De +demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde +dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel +om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke +vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar +kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich +wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het +neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de +plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar +hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered +werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan. + +Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij +ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de +groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep. + +De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en +zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en +bleef zitten. + +Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast +hem. + +„Goeden avond, Cecco,” zei de vreemde, „neem uw boot en zet mij over +naar San Giorgio Maggiore.” + +„Ja, dadelijk Heer!” antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een +droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien +hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet +had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende +en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met +den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar +San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. +„Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,” dacht hij. Maar de +man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om +hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp +den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op. + +Cecco moest om zich zelf lachen: „Waar denk je aan? Steek ten minste +niet in zee!” zei hij. „Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, +dat geen mensch daar tegen op kan.” + +Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het +onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een +zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San +Giorgio Maggiore te roeien. + +'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. „Ach! +scheld dien kerel uit,” zei Cecco halfluid tegen zichzelf. „Scheld hem +uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een +verstandige, oude visscher! Roep hem terug.” + +Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. +Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als +hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter +naar San Giorgio voort. + +„Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,” zei hij. +„Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een +heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.” + +Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet +over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen +alles te doen wat de man in de boot verlangde. „Roei ten minste niet +naar San Giorgio, dwaas,” zei hij. „Daar slaat de wind nog feller op dan +op Rialto.” + +Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde +aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de +boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou +liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden. + +Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. +Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder. + +„Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,” sprak de vreemdeling. + +„Ach ja,” dacht Cecco, „waarom niet naar Lido,” 't was al +levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij +de tocht naar Lido niet wagen? + +En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in +den dood en zette werkelijk koers naar Lido. + +Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet +hoe hij dat uithouden moest. „Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,” +zei hij verwijtend tot zichzelf. + +Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde +noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, +dat hij vooruit komen kon. „Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,” +zei hij tot zichzelf. + +Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze +gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden +bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den +mijter op het hoofd. + +„Roei ons nu naar de open zee,” zei de eerste vreemdeling. + +De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen +vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij +dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van +naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide, +voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. +De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede +waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het +donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door +de storm opgezweepte zee lag voor hen. + +'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier +in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of +hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide +hij voort. Cecco liet zich niet bang maken. + +Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de +knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam +recht op hen aan. + +Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de +wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de +vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat +ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van +demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen +geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den +storm. + +Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan +te zien komen en Cecco sloot de oogen. + +Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want +de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip +op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht. + +Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat +hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar +voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik +rustig. + +„Breng ons nu terug naar Venetië,” zei de vreemdeling tot den visscher. + +Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, +en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste +indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto. + +Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot +den visscher: „Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem +zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio +en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië +wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.” + +„Ja, Heer,” zei de visscher, „ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik +zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.” + +Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden +edelsteen. + +„Laat den doge dien zien,” zei hij. „Dan begrijpt hij, dat ik u +gezonden heb. Hij kent mijn ring.” + +De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig. + +„En verder moet ge den doge zeggen,” zei de heilige, „dat ik dezen ring +geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de +laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië +bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de +heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, +zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal +zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, +altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge +zal u op uw ouden dag niet verlaten.” + +Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de +zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een +rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden +de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen +versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke +Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag. + +Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de +rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze +haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om +een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van +geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat +de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou +uitstrekken. + + + + +SANTA CATHARINA VAN SIËNA. + + +Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het +eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het +oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de +vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en +daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar +geuren wierook en viooltjes. + +En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine +Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en +ingaan, haar gezien en gekend hebben. + +Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er +meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, +dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden +getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis. + +Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn +feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes +onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op +den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten. + +En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood +geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een +ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug +kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood +zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest +vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen +gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood +met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen? + +En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle +kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist +die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, +waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen +elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het +toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En +zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden +stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg +om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En +zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, +als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, +alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina +Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.” + +En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als +een herinnering aan haar. + +Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de +scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de +herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar +aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, +trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar +afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel +niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk +om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een +dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet +slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met +dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen +bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot +een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en +bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe +hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed +duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar +van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte +van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij +en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou +houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar. + +Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood +is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan. + +In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten +vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want +ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze +hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en +zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als +ze nog thuis was. + +Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast +niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren. + +In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, +wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt +liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor +ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is. + +Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor +Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood +door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons! + +Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij +die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op +dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des +hemels, bid voor ons.” + + * * * * * + +Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de +schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen +leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, +of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat +ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar +duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze +herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men +eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde +huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe +mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan +helder voor onzen geest. + +Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna +kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd +en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg +zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een +ander bestuur veroveren. + +De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering +geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun +niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde +te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij +ter dood veroordeeld. + +Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles +voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats +hebben, in orde gemaakt werd. + +Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus +zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; +hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en +de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een +smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij +eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had. + +Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van +de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had +er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet +missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het +geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij +moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten. + +Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn +aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. +Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest. + +Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, +van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de +Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd +hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers +wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. +Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij +miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe +hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou +verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem +sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote +troost geweest zijn. + +Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de +markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron +zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou +zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die +'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde +evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_! + +Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij +om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij +liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze +zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen +ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende +jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over +hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze +niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en +de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche +genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij +weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar +Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep +hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de +gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem +binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij +weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met +hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp. + +Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de +jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over +onbuigzame zielen te bezitten. + +Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn +woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders +met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,” +zei hij. + +Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in +straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze +krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd +beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf +brachten. + +Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna +ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze +al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den +vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe +om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. +Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch +sneden. + +Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand +raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in +witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten +sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar +bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt. + +Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder +verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den +gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, +alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet +anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk +moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte +het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, +dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het +afgeschaafde vel. + +Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen +gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het +was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den +dood moest voorbereiden. + +Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in +haar nabijheid, dat hij alleen zeide: + +„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.” + +„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze. + +Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den +grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?” +vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld. + +Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, +dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren +gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld +keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te +storen. + +„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit. + +„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te +denken, wie ge toch zijt.” + +„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, +Lapa,” zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het +dominicanerklooster.” + +„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En +dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte +afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.” + +Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die +zijn eerste liefde bekent: + +„Ik ben de bruid van Christus.” + +Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het +hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van +een mésaillance. + +Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, +alsof hij meende, dat zij vermetel was. + +„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.” + +„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij. + +Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen +schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid +opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg +haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid. + +„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig. + +„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg +zij luid. „Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en +andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor +velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, +en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal +gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar +voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar +de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer +hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!” + +„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!” + +„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei +ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander +meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel +te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.” + +Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u +toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van +Christus kunt noemen?” + +Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst +moest scheuren, toen zij antwoordde: + +„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes +jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de +kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk +ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en +heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de +Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, +en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En +terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk +een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de +hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn +geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien +tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.” + +Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het +veld geslapen en gedroomd.” + +„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem +gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in +de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch +klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden +hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet +trouwen wilde?” + +Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat +zij liefde voor een ander in haar hart droeg. + +„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u +liefheeft,” vroeg hij. + +Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen +als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu +zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. +Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming +gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren +te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u +zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht +maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de +muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen +en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode +flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan +het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met +wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle +deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar +daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit +iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik +hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó +hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld +meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, +maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze +'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik +me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en +lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was +vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden, +dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle +gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag +een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar +schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij +voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was +plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het +heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan, +Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij +door het sterkste geloof verbind.”” + +„O, Catharina!” + +De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn +gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen +kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar +oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart. + +Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die +jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar +liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet +of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn +heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En +het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld +was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen. + +Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar +gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: +„Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”. + +Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.” + +En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost +over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. +Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen +biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet +morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen +nemen, zooals ge nu doet.” + +Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te +schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vóór +mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar. + +Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien +wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid +sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle +angst zal van mij wijken.” + +„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een +hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook +omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo +spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik +zeker komen zal en u zien sterven.” + +Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als +een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven +was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien +zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het +sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, +omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben. + +Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was +zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij +riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina +van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden +redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil +het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden +zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over +haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, +die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart. + +De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen +aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een +verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar +alsof ze alleen was. + +En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor +alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik +reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, +helderde het zijne op en hij was bijna blij. + +Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.” + +„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik +wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.” + +Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn +hoofd tusschen haar handen te kunnen houden. + +„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.” + +Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze. + +Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij +de beste troost.” + +De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze +nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken. + +„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om +te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik +nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit +oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, +en mijn gebeden hebben geen kracht.” + +Toen zij dat zei, dacht hij: „Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen +winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende +hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in +haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden. + +„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om +uw ziel te ontvangen.” + +Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil +den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op +dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager +neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel +voerden. + + * * * * * + +Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar +geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, +liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest +liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen +doet. + + + + +DE ZEVEN DOODZONDEN. + + +De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich +daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat +niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den +biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte. + +„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de +zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag +buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn +vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de +eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang +ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al +wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij +nu absolutie geven?” + +„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit +gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst +vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw +hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch +zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme +zondaars waren in vergelijking met u.” + +„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man. + +„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als +ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.” + +En hij vertelde: + +„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant +van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te +huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het +meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar +trouw beloofd. + +Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem +hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom +zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen +kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.” + +Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem +in stilte. + +Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere +tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op +haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om +haar. + +De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. +Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de +kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik +heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op +de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en +haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met +zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te +voeren, als hij van de bruiloft geweten had. + +Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat +een ellende u over ons gebracht hebt.” + +En toen ging ze naar het balkon. + +Daar kwam haar bruidegom bij haar. + +„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?” +vroeg hij. + +Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem +nooit te verlaten.” + +Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. +Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan +maken, als ik doen zal.” + +„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij. + +„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te +nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.” + +Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, +dat God zijn hart beweegt.” + +En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar +gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op +diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn +geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als +een bedelares aan de voeten van haar bruidegom. + +„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!” + +Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, +hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, +dan zie ik haar nooit weer,”--zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen +zooals ge wilt.” + +Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en +kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel +stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer +hongerig na den langen rit en de lange mis. + +„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met +toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want +hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik +hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk +gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want +voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek +u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, +als ik het leven van mijn geliefde gered heb.” + +Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar +dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl +gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den +maaltijd beginnen.”--En zij gingen van de tafel weg. + +Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen +in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te +zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was +bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke +gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur +en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide +hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met +een grooten bezem te slaan. + +Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te +laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. +En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. +Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde +het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te +zeggen. + +En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet +en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de +Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert. + +Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de +loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een +gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en +paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een +zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik +naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden +en een geacht en eerlijk man worden.” + +Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij +zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: +„Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone +maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij +eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd +voortgaan. + +In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde +door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had +zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, +nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo +wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij +geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar +toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid +door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die +vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug +heeft stuk geslagen.” + +En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en +droeg er haar op zijn schouders over. + +Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog +zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen +spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij +waren iets voor haar te mogen opofferen. + +Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een +der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen +zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het +zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven. + +De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel +toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde +haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, +maar luisterde er naar en deed open. + +Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot +dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, +beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde +haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat +oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan. + +Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.” + +En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?” + +Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en +sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht +aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het +huis van haar vader.” + +Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met +wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie +hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was +een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze +man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, +welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de +vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de +hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of +hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust +de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de +deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij +zelf het moeilijkst te betrachten vond. + +Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van +den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk +te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer +bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij +verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals +de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou. + +„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg +toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van +allen veel waard vindt.” + +„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat +deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven +het andere stellen.” + +Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende +stem: + +„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.” + +Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie. + +„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit, +„en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd +had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij +begon de duivelbezwering te lezen: + +„Vade retro Satanas....” + +Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel +uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van +de kerk als een groote, zwarte vleermuis. + +En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door +Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den +monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen +woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den +visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo +werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden +aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden. + + + + +DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN. + + +De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en +onaangenaam geval. + +Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in +den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking +aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en +teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn +aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de +leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij +stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te +noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. +„En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de pater, +„twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven.” + +Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op +hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, +vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet +anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop. + +„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de +arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....” + +„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik +meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.” + +„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....” + +„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?” + +De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden. + +„U kent hem natuurlijk!” zei hij. + +„Natuurlijk, Monseigneur.” + +„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, +woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.” + +De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan. + +„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn +voordrachtstoon vervallend. + +De bisschop sprong op. + +„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.” + +„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een +lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden +hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze +voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau +gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste +uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd. + +„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in +het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en +voortreffelijkste, die ooit België regeerde. + +Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun +dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote +keizerin Maria Theresia. + +Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, +misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet +haar goed graafschap West-Vlaandren. + +In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men +nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, +dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. +Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in +visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria +Theresia is. + +Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben +macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben +niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te +vergelijken is. + +Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is +niet genoeg te waardeeren, medeburgers. + +Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, +deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; +ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote +steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam +ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien. + +Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en +te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, +hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger +over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, +maar zij waren vervallen en ingestort. + +Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat +enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door +den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, +en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee +omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid +lagen. + +De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich +vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de +plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij +liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de +zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en +al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot +binnen de duinen was doorgedrongen. + +En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit +arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden +te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te +ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten +de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de +visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit +vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij +dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen. + +De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in +Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot +Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak +met het volk. + +De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort. + +„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin. + +„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis +Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat +hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn +boot.” + +„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin. + +„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig, +toen men hem aan land bracht.” + +„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin. + +„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets +hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn +vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte +maakte hem zeker krankzinnig.” + +„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de +keizerin, „is iets om op te vertrouwen.” + +„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij +en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op +rekenen kunnen.” + +De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam. + +„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem. + +„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein +opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, +met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, +waarmee hij begonnen was.” + +„Hoe komt dat?” zei de keizerin. + +„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij +kleiner, dan hij verwachtte.” + +„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin. + +„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen +heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet +toereikend zal zijn.” + +„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig +heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin. + +„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en +niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te +steunen.” + +De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en +vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad. + +„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der +Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.” + +„Werkelijk?” + +„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa +kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er +van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die +te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden +hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.” + +„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de +keizerin. + +„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.” + +„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou +iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon.” + +„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand +het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en +'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.” + +De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar +de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en +smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, +medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat +het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, +ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken. + +Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. +Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin. + +Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand +genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote +echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende +roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte +vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen +gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over +West-Vlaanderen tot op dezen dag toe. + +Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend. + +Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen. + +Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen +of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren +of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor +hen doen kon, zou ze doen. + +Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het +kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen +over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar +medelijden. + +Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten +met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor +allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven +kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had +tranen in de oogen toen ze dat zei. + +Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te +spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En +verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden +laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze +ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, +zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren. + +Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de +keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat +ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en +oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet +geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de +duinen. + +Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die +in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen +dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in +West-Vlaanderen regeert. + +Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk +van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de +menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig +hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen +kan, dáár wanhoopt men niet. + +Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. +Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs +nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van +het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de +keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens +schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den +Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd +met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, +zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het +altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten +wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten. + +Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is +niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge +weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het +bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en +nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te +zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu +bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er +zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in +bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, +die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, +waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, +heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de +genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; +het eigen geld was altijd voldoende. + +Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was +dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór +allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich +aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch +later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder +weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar +bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste +bezitten ze allen in gemeenschap.”” + +De Bisschop viel pater Verneau in de rede. + +„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?” + +„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de +goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, +dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij +voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het +drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze +noodiger hadden.” + +„En....?” vroeg de bisschop. + +„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den +preekstoel al af was. Anders niets.” + +„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid +tot hen gesproken hadt.” + +De monnik boog. + +„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze +hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt +zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn +compliment.” + +De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug. + +De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid. + +„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.” + +„Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur.” + +„En de schat? Was er ooit een schat?” + +„Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen.” + +„Nu ja,--maar voor mij...” zei de bisschop. + +„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. +Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.” + +„En....?” + +„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.” + +De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig. + +„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?” + +„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke +voorstellingen zijn ijdel.” + +Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek. + + + + + +---------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: Catharina van Siena 151 | + | C: Catharina van Siëna 151 | + | B: Zelfs was hij ook niet | + | C: Zelf was hij ook niet | + | B: kon lijden. | + | C: kon leiden. | + | B: en Moeder en ons beiden. | + | C: en Moeder en ons beiden.” | + | B: geboren werd. Ze wïl hem | + | C: geboren werd. Ze wil hem | + | B: midden tusschen de menschen | + | C: midden tusschen de menschen. | + | B: Agnete kon dit niet uithouden. | + | C: Agneta kon dit niet uithouden. | + | B: talk meer in den kandelaar, | + | C: talk meer in den kandelaar. | + | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet | + | C: onbeschadigd naar Venetië.” Je weet | + | B: ging over de Piazetta en de markt | + | C: ging over de Piazzetta en de markt | + | B: hagelbuien uitstortten over de stad, | + | C: hagelbuien uitstortten over de stad. | + | B: Giorgo Maggiore te roeien. | + | C: Giorgio Maggiore te roeien. | + | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat | + | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat | + | B: de drie mannan de botsing afgeweerd | + | C: de drie mannen de botsing afgeweerd | + | B: het sterkste geloof verbind.” | + | C: het sterkste geloof verbind.”” | + | B: zei, dacht hij. „Als ik leven | + | C: zei, dacht hij: „Als ik leven | + | B: langen rit en de lange mis.” | + | C: langen rit en de lange mis.” | + | B: barstte de monik uit, | + | C: barstte de monnik uit, | + | B: En toen ik op de preekstoel | + | C: „En toen ik op de preekstoel | + | B: ze allen in gemeenschap.” | + | C: ze allen in gemeenschap.”” | + | | + +---------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + +***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/38422-8.zip b/38422-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..83bb6e3 --- /dev/null +++ b/38422-8.zip diff --git a/38422-h.zip b/38422-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8837f01 --- /dev/null +++ b/38422-h.zip diff --git a/38422-h/38422-h.htm b/38422-h/38422-h.htm new file mode 100644 index 0000000..6d07297 --- /dev/null +++ b/38422-h/38422-h.htm @@ -0,0 +1,5888 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl"> + +<head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> + + <title> + The Project Gutenberg eBook of Oud en nieuw, by Selma Lagerlf. + </title> + <style type="text/css"> + +body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;} + +h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; font-size: 280%;} +h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 5em; font-size: 100%;} +h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 140%;} + +p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;} +p.tp {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; text-align: center; text-indent: 0em;} +p.rust {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; text-indent: 0em;} + +div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center;} +div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 125%;} +div.verso {margin-top: 10em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; + width: 42em; font-size: 50%; text-align: center; + font-weight: bold; border-top: 1px solid black;} + +div.inhoud {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} +div.ad {width: 25em; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +.boek {text-indent: 0em;} +.adsl {display: block; letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em; font-size: 220%;} +.krant {text-indent: 3em; margin-top: 1em; margin-bottom: .7em; font-size: 75%;} +.recensie {text-indent: 1em; font-size: 75%;} + +div.chbegin {width: 17%; border: 1px solid black; clear: both; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +div.chend {width: 17%; border: 1px solid black; clear: both; + margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;} + +/* TB */ +hr {width: 17%; clear: both; border: 1px solid black; + margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;} +hr.hrtp {width: 10%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;} +hr.tb {border: 0;} + +.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right; + font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal; + letter-spacing: normal; color: #888888;} +span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";} + +/* TABLES */ +table {margin-left: auto; margin-right: auto; + padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;} +.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; font-size: 90%;} +td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} +td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;} + +.mixcap {font-variant: small-caps;} +.u {text-decoration: underline;} +.ls1 {letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em;} +.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;} +ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;} + +/* IMAGES */ +img {border: 0;} +.figcenter {margin: auto; text-align: center;} + +.adcent {text-align: center; text-indent: 0em;} +.size60 {font-size: 60%;} +.size67 {font-size: 67%;} +.size75 {font-size: 75%;} +.size90 {font-size: 90%;} +.size110 {font-size: 110%;} +.size125 {font-size: 125%;} +.size140 {font-size: 140%;} +.size167 {font-size: 167%;} +.size200 {font-size: 200%;} + +/* Transcriber Note */ +.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em; + background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;} +.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0; + margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;} +.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;} +.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;} +.TNbox th {text-align: left;} +.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;} +td.td2 {width: 20%;} +td.td4 {width: 40%;} + + </style> +</head> + +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Oud en nieuw + +Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +Translator: Margaretha Meijboom + +Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="TNbox"> + + <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2> + + <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. + Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p> + + <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p> + + <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een + <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>, + waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br /> + Variaties in spelling zijn behouden.</p> + + <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan + <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p> + + <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn + dat deze links voor u niet werken.</p> + +</div> + +<div class="figcenter" style="width: 716px;"> + <img src="images/rug.jpg" width="128" height="800" alt="rug" title="rug" /><img src="images/cover.jpg" width="588" height="800" alt="voorkant" title="voorkant" /> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="-"> </span><a id="ad1"></a></p> + +<div class="ad"> + + <p class="boek">VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER + <span class="adsl">SELMA LAGERLF</span> + VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></b>, + VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ + 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN + VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE ƒ 3.90.</p> + + <p class="boek"><b>INGRID</b>, VIERDE, GELLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN + PRACHTBAND ƒ 1.—.</p> + + <p class="boek"><b>DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA</b>, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN + PRACHTBAND ƒ 1.—.</p> + + <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST</a></b>, + TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; + IN PRACHTBAND ƒ 3.50.</p> + + <p class="boek"><b>JERUZALEM</b> 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 4.50; IN + PRACHTBANDEN ƒ 5.50.</p> + + <p class="boek"><b>ONZICHTBARE KETENEN</b>, PRIJS INGENAAID ƒ 3.50; IN PRACHTBAND ƒ 3.90.</p> + + <p class="boek"><b>CHRISTUSLEGENDEN</b>, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; IN PRACHTBAND ƒ 3.50.</p> + + <p class="boek"><b>ELSA</b>, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.</p> + + <p class="boek"><b>LEVENSGEHEIMEN</b>, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.</p> + + <p class="boek"><b>OUD EN NIEUW</b>, PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="-"> </span><a id="ad2"></a></p> + +<div class="ad"> + + <p class="adcent"><span class="u ls1 size167">GOEDKOOPE UITGAAF</span><br /> + <span class="size60">VAN</span><br /> + <span class="size200"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></span></p> + + <p class="adcent size110">Het beroemde boek van SELMA LAGERLF</p> + + <p class="adcent size75">Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM</p> + + <p class="adcent size75">Prijs ingenaaid ƒ <b class="size125">1.50</b>, + in prachtband ƒ <b class="size125">1.90</b></p> + + <hr /> + + <p class="krant"><b>Het Algemeen Handelsblad:</b></p> + + <p class="recensie">Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen + en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende + phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, + van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van + meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, + geluk. Het is een boek van echte pozie, verteld op de manier die velen + Scandinavirs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en + beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving + van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.</p> + + <p class="recensie"><b>Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vr hij + het geheel genoten heeft.</b></p> + + <p class="krant"><b>Het Vaderland:</b></p> + + <p class="recensie">Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere + mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en + verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat + en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder + en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van + Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. <b>„Gsta + Berling” is een boek om tweemaal te lezen.</b></p> + + <p class="krant"><b>De Kerkelijke Courant:</b></p> + + <p class="recensie">Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand + dan „Gsta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten + predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden + en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of + men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster + Selma Lagerlf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster + vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, z + aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en + haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, + wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met + vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in + de schaduw staat.</p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="i"> </span><a id="p_i"></a></p> + +<div class="voorblad">OUD EN NIEUW</div> + +<p><span class="pagenum" title="ii"> </span><a id="p_ii"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="iii"><br /> </span><a id="p_iii"></a></p> + +<div class="title"> + + <h1>OUD EN NIEUW</h1> + + <p class="tp size75">NAAR HET ZWEEDSCH</p> + + <p class="tp size60">VAN</p> + + <p class="tp size140 ls2">SELMA LAGERLF</p> + + <p class="tp size60">DOOR</p> + + <p class="tp">MARGARETHA MEIJBOOM</p> + + <hr class="hrtp" /> + + <p class="tp"><span class="size67">AMSTERDAM</span><br /> + <span class="size90">H. J. W. BECHT</span><br /> + <span class="size67">1907</span></p> + +</div> + +<p><span class="pagenum" title="iv"> </span><a id="p_iv"></a></p> + +<div class="verso">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.</div> + +<p><span class="pagenum" title="v"> </span><a id="p_v"></a></p> + +<div class="inhoud"> + + <h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2> + + <div class="chbegin"></div> + + <table class="toc" summary="inhoudsopgave"> + <tbody> + <tr><td></td> + <td class="tdr mixcap size67">Bladz.</td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_KERSTROOS">De Kerstroos</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#IN_DE_GERECHTSZAAL">In de Gerechtszaal</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_26">26</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#HOE_GROOTVADER_GROOTMOEDER_KREEG">Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_37">37</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_KERSTVREDE">De Kerstvrede</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_47">47</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#HET_GRAFSCHRIFT">Het Grafschrift</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_65">65</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_BEIDE_BROEDERS">De beide Broeders</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_80">80</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#ROMEINSCH_BLOED">Romeinsch Bloed</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_89">89</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_OUDE_AGNETA">De oude Agneta</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_113">113</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_RING_VAN_DEN_VISSCHER">De Ring van den Visscher</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_123">123</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#SANTA_CATHARINA_VAN_SIENA">Santa Catharina van <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: Siena">Sina</ins></a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_151">151</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_ZEVEN_DOODZONDEN">De zeven Doodzonden</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_170">170</a></td></tr> + <tr><td class="tdl"><a href="#DE_SCHATKIST_VAN_DE_KEIZERIN">De Schatkist van de Keizerin</a></td> + <td class="tdr"><a href="#p_180">180</a></td></tr> + </tbody> + </table> + + <div class="chend"></div> +</div> + +<p><span class="pagenum" title="vi"> </span><a id="p_vi"></a></p> + +<p><span class="pagenum" title="1"><br /> </span><a id="p_1"></a></p> + +<h2><a id="DE_KERSTROOS"></a>DE KERSTROOS.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Gingebosch woonde, +was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was +een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de +loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud +waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Gingebosch +woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens +gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn +vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van +pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, +zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, +durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed +om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als +ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren +erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn <span class="pagenum" title="2"> </span><a id="p_2"></a>speer te +rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in +'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of +kinderen wat overkwam.</p> + +<p>Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te +bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een +klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de +portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde +brooden toe, n voor haar en n voor elk van de kinderen.</p> + +<p>Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de +kinderen rond. En nu kwam n van hen en trok haar aan den rok, ten +teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de +rooversvrouw ging snel met hem me.</p> + +<p>'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't +kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de +rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen +zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.</p> + +<p>Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een +plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen +plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.</p> + +<p>In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't +Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond z vol bloemen, +dat het voor de <span class="pagenum" title="3"> </span><a id="p_3"></a>oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er +in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van +de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel +kleine bloembedjes liep.</p> + +<p>In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. +Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den +mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle +vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe +en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze +liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte lelin, +die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen +den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den +leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar +bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de +rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem +achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar +bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.</p> + +<p>„Ik ben de rooversvrouw uit het Gingebosch,” zei ze, „en raak me nu +eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even +zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, +dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder <span class="pagenum" title="4"> </span><a id="p_4"></a>waagde opnieuw +haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd +toesprak.</p> + +<p>„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en +dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet +weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur +te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin +weg.”</p> + +<p>Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar +'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen +bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.</p> + +<p>Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te +loopen om hulp te halen.</p> + +<p>Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag +nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad +staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij +zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, +zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar +hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden +krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze +wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.</p> + +<p>De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet +anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="5"> </span><a id="p_5"></a></p> + +<p>Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten +zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een +geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw +van het Gingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg +konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.</p> + +<p>Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun +hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon +hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder me naar +den tuin.</p> + +<p>Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen +de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist +zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar +ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort +vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude +kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer +gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.</p> + +<p>De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke +dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon +niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om +dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar +zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.</p> + +<p><span class="pagenum" title="6"> </span><a id="p_6"></a></p> + +<p>De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet +anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren +en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:</p> + +<p>„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien +had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien +ik ken.”</p> + +<p>De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de +rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde +een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.</p> + +<p>De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te +berispen.</p> + +<p>„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite +de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij +weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van +Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste +bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.”</p> + +<p>„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw, +„ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan +denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid +weggooien.”</p> + +<p>Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de +abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.</p> + +<p>„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi <span class="pagenum" title="7"> </span><a id="p_7"></a>praat om ons te +plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, +tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Gingebosch. Ik zou er mijn +ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van +een tuin geweest ben.”</p> + +<p>De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, +en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een +tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, +moest toch weten, dat het groote Gingebosch zich iederen Kerstnacht +in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te +vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, +en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet +gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.”</p> + +<p>Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen +op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet +anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus +vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij +en je man.”</p> + +<p>„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in +den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.”</p> + +<p>De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk +te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, +dat het <span class="pagenum" title="8"> </span><a id="p_8"></a>bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er +vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij +begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met +Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van +haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij +daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel +hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.</p> + +<p>Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het +gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen +werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, +schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.</p> + +<p>„Maar meer dan n metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag +ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een +heilig man is.”</p> + +<p>Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt +gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze +overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden +toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als zij +iets van zijn plan ontdekten.</p> + +<p><ins class="corr" id="corr2" title="Bron: Zelfs">Zelf</ins> was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te +bespreken. Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund +op zijn reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.</p> + +<p>Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij <span class="pagenum" title="9"> </span><a id="p_9"></a>weer aan het bezoek +van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, +hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die +veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief +voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen kon +<ins class="corr" id="corr3" title="Bron: lijden">leiden</ins>.</p> + +<p>„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger +misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele +rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.”</p> + +<p>Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover +niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor +allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.</p> + +<p>De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, +dat het Gingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het +roovershol heen.</p> + +<p>„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor +hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn +om bij de menschen genade te vinden.”</p> + +<p>Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel +wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den +dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Gingebosch, u +een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen +wilt.”</p> + +<p>De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom <span class="pagenum" title="10"> </span><a id="p_10"></a>evenmin als hij het +verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. +Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem +zeker zou zenden.</p> + +<hr /> + +<p>De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet +thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Gingebosch. Een van de +woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had +hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.</p> + +<p>De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu +heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het +heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet +graag aan een ander hebben overgelaten met hem me te gaan en hem te +beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te +zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik +was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den +abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.</p> + +<p>Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat +er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder +boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm +zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de <span class="pagenum" title="11"> </span><a id="p_11"></a>voorraadschuur werden +massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer +kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid +moesten worden.</p> + +<p>Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de +koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die +zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het +klooster van Bosj leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met +stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de +kloosterpoort gekregen hadden.</p> + +<p>Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer +haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan +een van de anderen zou mogen vieren.</p> + +<p>Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de +kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en +smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan +de handen van den roover over te geven.</p> + +<p>Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te +storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in +de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd +steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen +over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en +diep <span class="pagenum" title="12"> </span><a id="p_12"></a>in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.</p> + +<p>'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile +en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige +velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist +toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over +een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene +naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin +zagen zij een deur van dikke planken.</p> + +<p>Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren +en steeg van zijn paard.</p> + +<p>'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele +berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, +dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van +dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.</p> + +<p>„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te +staan, „en neem de paarden me in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van +de nachtkou.”</p> + +<p>De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't +Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De +rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. +Haar kinderen lagen op den grond <span class="pagenum" title="13"> </span><a id="p_13"></a>om een ketel, waar ze uit aten, en er +was niets in dan een waterachtige soep.</p> + +<p>Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten +boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als +u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch +klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, +moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang +te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur +zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u +gekomen is.”</p> + +<p>De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was +zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op +het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed +aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat +hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den +abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, +zoodat hij insliep.</p> + +<p>Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en +nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij +hen.—'t Was een lange magere man—hij zag er moe en zwaarmoedig uit. +Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten +wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.</p> + +<p><span class="pagenum" title="14"> </span><a id="p_14"></a></p> + +<p>De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het +Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't +Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan +had megedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.</p> + +<p>„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit me mogen doen, als de +anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de +abt.</p> + +<p>De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand +sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.</p> + +<p>Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist +voor het gezicht.</p> + +<p>„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen +van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch +niet uit mag komen?”</p> + +<p>De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te +bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij.</p> + +<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid +te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had +van bisschop Absalom!—„Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei +de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,—zelfs geen +gans.”</p> + +<p>De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers <span class="pagenum" title="15"> </span><a id="p_15"></a>durfden te lachen om +den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.</p> + +<p>De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de +monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.</p> + +<p>Maar opeens stond de rooversmoeder op.—„U zit hier zoo te praten, abt +Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs +hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.”</p> + +<p>Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.</p> + +<p>Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het +eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd +aangedragen door een zachten zuidenwind.</p> + +<p>„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt. +Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, +nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou +opbloeien.</p> + +<p>Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een +lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even +duister,—maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als +een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het +uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.</p> + +<p>Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, <span class="pagenum" title="16"> </span><a id="p_16"></a>alsof iemand een +mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;—massa's slangen +kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De +erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in +'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes +zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende +knoppen, die al een zweempje kleur hadden.</p> + +<p>'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't +ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen +zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.</p> + +<p>Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke +duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.</p> + +<p>Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een +bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen +aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren +komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen +de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken +heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de +splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, +streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren +prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als +de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="17"> </span><a id="p_17"></a></p> + +<p>Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, +warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die +arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan +land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden +kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond +raakten, takken en loten.</p> + +<p>Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe +ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun +nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.</p> + +<p>Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te +denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren +en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht +den geur van pas-geploegde akkers me. Heel in de verte hoorde men de +veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den +en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen +glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik +van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het +heelemaal wit en blauw en goud werd.</p> + +<p>De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer +oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats +met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, +krabde <span class="pagenum" title="18"> </span><a id="p_18"></a>aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar +jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde +naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en +ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten +van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.</p> + +<p>De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij +verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot +als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een +ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen +waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en +slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. +Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak +een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je +aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer +achteruit en liep een anderen kant uit.</p> + +<p>Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten +zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld +stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende +lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, +dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan +het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den +bergwand op naast de <span class="pagenum" title="19"> </span><a id="p_19"></a>bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo +groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor +bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op +dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.</p> + +<p>De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht z vol +licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van +den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter +vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle +aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik +niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.”</p> + +<p>Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het +iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche +lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat +nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in +aantocht was.</p> + +<p>De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen +speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.</p> + +<p>De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, +de oogen schreiden, zonder dat men het wist,—de ziel verlangde weg te +mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, hl van verre klonken harptonen, +en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.</p> + +<p><span class="pagenum" title="20"> </span><a id="p_20"></a></p> + +<p>De abt vouwde de handen en zonk op de knien. Zijn gelaat straalde van +zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds +in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen +Kerstliederen te hooren zingen.</p> + +<p>Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem me gekomen was. +Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, +omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte +hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God +zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in +eere hielden.</p> + +<p>Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder +zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat +kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier +gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons +behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.”</p> + +<p>In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, +dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons +verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van +daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.”</p> + +<p>Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten +zag schemeren tusschen de stammen <span class="pagenum" title="21"> </span><a id="p_21"></a>in 't woud. En de leekebroeder zag +hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het +toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den +nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te +beter de christenen te kunnen bedriegen.</p> + +<p>Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij +had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den +leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang +speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat +de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den +leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat +het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. +Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep z hard, dat het door 't +bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen +bent!”</p> + +<p>Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels +hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. +Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang +plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. +En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken +schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister +zonk als een dekkleed over de aarde, de <span class="pagenum" title="22"> </span><a id="p_22"></a>koude kwam terug, de planten +op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der +watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.</p> + +<p>De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, +zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit +kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij z nabij waren en +verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de +vlucht werden gejaagd.”</p> + +<p>Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en +hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog +iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde +bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam +aanglijden over het veld.</p> + +<p>Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar +bleef op het veld liggen.</p> + +<p>Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe +duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij +namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem +dood in de sneeuw liggen.</p> + +<p>En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, +dat hj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de +lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.</p> + +<hr /> + +<p><span class="pagenum" title="23"> </span><a id="p_23"></a></p> + +<p>Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen +voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, +dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand +eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had +vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't +loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de +bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt +Hans.</p> + +<p>Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden +opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen +eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, +wachtte hij niet langer.</p> + +<p>Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles z sterk aan abt Hans, +dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij +nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond +gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren +opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.</p> + +<p>Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit +plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, +begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in +het Gingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, +dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een <span class="pagenum" title="24"> </span><a id="p_24"></a>paar van de bloemen +aan bisschop Absalom moesten zenden.</p> + +<p>Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de +bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die +hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Gingebosch.”</p> + +<p>Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde +waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij +een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak +hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne +houden.”</p> + +<p>En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn +jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan +den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het +roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met +opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken nerhouwen, zoo veel ik +er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het +Gingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.”</p> + +<p>„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil +graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.”</p> + +<p>En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met +hem over, dat hij vrij was en <span class="pagenum" title="25"> </span><a id="p_25"></a>toonde hem het zegel van Absalom, dat aan +het perkament hing.</p> + +<p>„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en +Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,” +zeide hij.</p> + +<p>Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit +zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man +ook zijn woord houden.”</p> + +<p>Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de +leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij +bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand +mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich +bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet +gesproken waren; want het Gingebosch heeft nooit meer het geboorteuur +van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het +plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd +en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de +aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens +gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="26"> </span><a id="p_26"></a></p> + +<h2><a id="IN_DE_GERECHTSZAAL"></a>IN DE GERECHTSZAAL.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel +achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd +man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig +geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een +sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit +te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem +kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die +alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en +onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.</p> + +<p>Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag +behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het +onderhoud van een onecht kind.</p> + +<p>Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan +worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse +een <span class="pagenum" title="27"> </span><a id="p_27"></a>arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.</p> + +<p>Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, +dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft +aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse +eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd +geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, +hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring +volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde +opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld +wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.</p> + +<p>Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene +tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. +Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een +opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft +zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze +zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend +heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.</p> + +<p>Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man +in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en +vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich +<span class="pagenum" title="28"> </span><a id="p_28"></a>heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, +daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het +minst bezwaart.</p> + +<p>Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, +en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed +af te leggen.</p> + +<p>Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint +te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant +voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en +niets hem verhindert om dien af te leggen.</p> + +<p>Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt +onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond +gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde +in het aangezicht heeft kunnen zien.</p> + +<p>Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar +stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer +staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij +kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.</p> + +<p>Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de +gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te +krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.</p> + +<p>De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat <span class="pagenum" title="29"> </span><a id="p_29"></a>en wordt onrustig. +Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, +en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.</p> + +<p>Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich +opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de +rechter moet het hem immers beletten.</p> + +<p>De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen +denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen +waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze +wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo +iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de +rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over +zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke +ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk +hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken +er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel +begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd +hebben, als zij daar geen recht toe had.</p> + +<p>De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat +ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand +anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.</p> + +<p>Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring <span class="pagenum" title="30"> </span><a id="p_30"></a>van den predikant +een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan +is in te grijpen.</p> + +<p>Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een +paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van +ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. +Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al +spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de +rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.</p> + +<p>Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed +en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten +zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en +ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop +moet hebben.</p> + +<p>Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat +hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een +valschen eed heeft overwogen.</p> + +<p>De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door +getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.</p> + +<p>De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze +maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.</p> + +<p>Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd +met haar verlegenheid en met de <span class="pagenum" title="31"> </span><a id="p_31"></a>snikken, die haar de keel samensnoeren, +maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.</p> + +<p>Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, +niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.</p> + +<p>Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, +maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in +het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan +ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen +versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in +het hoofd.</p> + +<p>Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.</p> + +<p>Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille +van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan +moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.</p> + +<p>Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets +geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en +geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de +naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar +oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden +met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.</p> + +<p>Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds <span class="pagenum" title="32"> </span><a id="p_32"></a>grooter schrik, +heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel +moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het +eedsformulier te vinden.</p> + +<p>Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap +naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn +hand wegstooten.</p> + +<p>Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij +nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.</p> + +<p>De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht +heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan +houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te +spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij +vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.</p> + +<p>Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van +plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal +voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar +hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft +aangeklaagd.</p> + +<p>Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat +haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te +krijgen?</p> + +<p>Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="33"> </span><a id="p_33"></a></p> + +<p>Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de +daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit +meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.</p> + +<p>Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar +voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den +Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk +moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen +eed, dat zal hij niet.</p> + +<p>De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te +nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken +angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in +haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis +zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, +hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, +springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet +zich ook tegen hem.</p> + +<p>„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”</p> + +<p>Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek +dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te +staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te +voorkomen, dat hij omgegooid wordt.</p> + +<p>Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven +onbeweeglijk staan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="34"> </span><a id="p_34"></a></p> + +<p>„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de +rechter met dezelfde harde en strenge stem.</p> + +<p>Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar +verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.</p> + +<p>„Hij zal den eed niet doen.”</p> + +<p>„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.</p> + +<p>Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij +zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.</p> + +<p>„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met +steeds scherper stem.</p> + +<p>„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, +snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”</p> + +<p>„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand +verloren?”</p> + +<p>Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze +schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze +niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in +om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.</p> + +<p>Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: +„Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, +maar ik houd nog <span class="pagenum" title="35"> </span><a id="p_35"></a>van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal +doen.”</p> + +<p>Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en +blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide +handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van +haar af.</p> + +<p>Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.</p> + +<p>Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en +zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.</p> + +<p>Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij +niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de +geringsten te vinden is.</p> + +<p>Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan +slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich +heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij +van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, +dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt +En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets +heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun +ziel.</p> + +<p>En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle +menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord +hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="36"> </span><a id="p_36"></a></p> + +<p>Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat <i>hij</i> met +gebogen hoofd en neergeslagen oogen.</p> + +<p>De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.</p> + +<p>„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” +zegt hij tegen den griffier.</p> + +<p>De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.</p> + +<p>„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”</p> + +<p>De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: +„Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”</p> + +<p>De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam +zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse +toe.</p> + +<p>„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.</p> + +<p>Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar +tranen met den opgerolden zakdoek.</p> + +<p>„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo +zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. </p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="37"> </span><a id="p_37"></a></p> + +<h2><a id="HOE_GROOTVADER_GROOTMOEDER_KREEG"></a>HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem +volstrekt niet hebben.</p> + +<p>Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en +overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte +paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.</p> + +<p>Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te +denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur +over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer +wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van +Malm benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader +was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In +zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had +den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat +hij nooit wanten gebruikt had.</p> + +<p>Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en <span class="pagenum" title="38"> </span><a id="p_38"></a>grijs haar kreeg. Toen +hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, +zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij +niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger +zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een +predikant.</p> + +<p>Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was +aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam +zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een +stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar +moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en +ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls +Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de +eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden +roover op den preekstoel te laten.</p> + +<p>Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was +verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel +kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht +en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en +roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had +ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.</p> + +<p>Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat +Grootvader van haar hield. Ze durfde <span class="pagenum" title="39"> </span><a id="p_39"></a>haast niet alleen in den tuin of +op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze +niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te +liggen om haar te schaken.</p> + +<p>Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie +om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet +gebruiken.</p> + +<p>Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij +was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide +ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove +vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.</p> + +<p>Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij +iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten +schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader +zweeg en beklaagde zich niet.</p> + +<p>'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al +haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in +den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder +opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje +kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op +het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader +in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote +armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.</p> + +<p><span class="pagenum" title="40"> </span><a id="p_40"></a></p> + +<p>'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje +van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk z met +hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar +er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder +graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund +en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't +hooge koren en had de oogen niet van haar af.</p> + +<p>Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude +proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en +dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat +hij er geen oogenblik me wilde wachten. Hij stak den brief van den +bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den +inhoud van den brief me te deelen.</p> + +<p>Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.</p> + +<p>Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief +aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, +toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel +wegsloot.</p> + +<p>De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom +was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't +eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader +<span class="pagenum" title="41"> </span><a id="p_41"></a>was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.</p> + +<p>Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had +altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den +weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe +hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant +te worden om te mogen preeken naar hartelust.</p> + +<p>De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, +de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan +was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden +had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met +aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en +spreken in Gods huis.</p> + +<p>Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den +bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats +daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te +schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord +te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang +niet slecht!</p> + +<p>En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te +voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.</p> + +<p><span class="pagenum" title="42"> </span><a id="p_42"></a></p> + +<p>Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan +toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.</p> + +<p>Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met +Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor +Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.</p> + +<p>Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie +was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't +naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest +zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er +geen knecht of meisje in de heele pastorie was.</p> + +<p>Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat +hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet +alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij +genoodzaakt zou zijn heen te gaan.</p> + +<p>Maar vr Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door +een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de +eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen +vond, vroeg hij haar ten huwelijk.</p> + +<p>Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te +smeeken of aan te dringen.</p> + +<p>En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.</p> + +<p><span class="pagenum" title="43"> </span><a id="p_43"></a></p> + +<p>Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een +pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om +den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.</p> + +<p>Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat +hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die +schreide in de aangrenzende kamer.</p> + +<p>Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal +binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien +heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal +was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht +Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't +hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen +mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze +duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats +bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar +gevraagd had.</p> + +<p>Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter +verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de +plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou +ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="44"> </span><a id="p_44"></a></p> + +<p>'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van +haar. Maar ze zag niemand.</p> + +<p>'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg +en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. +Ten slotte werd Grootmoeder z bang, dat ze moest gaan zitten om niet +neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de +onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. +Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met +krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van +ontzetting.</p> + +<p>Maar nmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de +gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het +venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,” +zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze +zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er +was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.</p> + +<p>Grootmoeder dacht, dat iemand, die z schreide, een verdriet moest +hebben z groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. +'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een +verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen +troosten, die z schreide.</p> + +<p>Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. +Want die onzichtbare schreide z, <span class="pagenum" title="45"> </span><a id="p_45"></a>dat Grootmoeder me had moeten +schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.</p> + +<p>Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, +die uit den hemel verbannen werd.</p> + +<p>En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van +de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den +kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld +tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu +blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest +zijn, als ze iemand had kunnen roepen.</p> + +<p>Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het +geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon +te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.</p> + +<p>Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk +vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond +gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.</p> + +<p>„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest +het hooren.”</p> + +<p>Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?</p> + +<p>Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld +verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk +vreemd voor.</p> + +<p><span class="pagenum" title="46"> </span><a id="p_46"></a></p> + +<p>Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en +hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had +zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.</p> + +<p>„Waarover sprak hij dan?”</p> + +<p>„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het +paradijs gesloten werden.”</p> + +<p>Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof +ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.</p> + +<p>Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met +hem mee in de vestibule.</p> + +<p>„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder. +„Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?”</p> + +<p>„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.”</p> + +<p>Toen wist Grootmoeder, dat ze <i>hem</i> gehoord had en ze werd zoo +wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde z groot +was, dat hij z geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond +het z heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere +aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm +Grootvader was.</p> + +<p>„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog n oogenblik langer +dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te +houden.”</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="47"> </span><a id="p_47"></a></p> + +<h2><a id="DE_KERSTVREDE"></a>DE KERSTVREDE.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren, +grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een +scherpe wind uit het noorden.</p> + +<p>Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk +hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest. +Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en +massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de +door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.</p> + +<p>Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als +een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het +Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag +te schuren, begon te neurin, hoewel het water tot ijs stolde in den +emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het +Kerstvuur, begonnen twee <span class="pagenum" title="48"> </span><a id="p_48"></a>stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de +bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.</p> + +<p>Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide +Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het +groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote +kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de +tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op +elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig +haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om +den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op +Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet +zien kon hoe leelijk ze was.</p> + +<p>Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij, +die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden +gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne +berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte +twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een +lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht +uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de +berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het +meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men +ze aanraakte en dat ze er me geplaagd zou worden, <span class="pagenum" title="49"> </span><a id="p_49"></a>minstens tot er 't +ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.</p> + +<p>Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man +binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson, +de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om +te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het +met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud +was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de +badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er +zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en <i>goed</i> gebeuren.</p> + +<p>Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een +leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig, +zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor +een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer +even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van +oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want +dat wilde wat zeggen:—tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren. +Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was +toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de +machtigste van een geheele gemeente te wezen.</p> + +<p>Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog <span class="pagenum" title="50"> </span><a id="p_50"></a>zich over de +berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En +dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; n kwam terecht op de Kersttafel +en een ander op 't groote bed.</p> + +<p>„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes +gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je +velletje?”</p> + +<p>Nu de boer het z opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze +wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te +binden.</p> + +<p>„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar, +want hij was echt in Kersthumeur.</p> + +<p>Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen +en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen +om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het +Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide +schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de +plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg +te gaan.</p> + +<p>Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats +over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand +op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande +weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig +iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn +zoon of <span class="pagenum" title="51"> </span><a id="p_51"></a>zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude +menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.</p> + +<p>Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar +het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een +paar berketakken van een jaar oud te vinden.</p> + +<p>Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den +heelen dag me bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken +losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep +sneeuwvlokken achter zich aan.</p> + +<p>Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje +afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op +hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind +een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol +sneeuw en de wind wervelde z sterk om hem heen, dat hij een paar keer +ronddraaide als een tol.</p> + +<p>Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn +jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een +sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka +gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den +verkeerden kant uit.</p> + +<p>Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het +berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de +richting van de hoeve in te slaan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="52"> </span><a id="p_52"></a></p> + +<p>De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant +bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij +tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want +er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de +hoeve leidde.</p> + +<p>Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd, +de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam +werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.</p> + +<p>Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat +hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar +geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke +richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den +anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen +weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer +zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij +merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was +toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen +avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide +zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef +even verward in 't hoofd als te voren.</p> + +<p>Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om <span class="pagenum" title="53"> </span><a id="p_53"></a>zijn gedachten te +verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen, +dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen +gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd +had hij hier me hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het +veld en hij had het weer zien opgroeien.</p> + +<p>Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu +maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook +liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.</p> + +<p>Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij +begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij +te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar +die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer +vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en +diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en +hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.</p> + +<p>Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij +op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om +te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom +probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.</p> + +<p>Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer <span class="pagenum" title="54"> </span><a id="p_54"></a>weerstaan. Hij +meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon +al moest het zijn leven kosten.</p> + +<p>Hij genoot er z van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van +den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij +de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de +kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost +over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van +hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in +'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een +aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid +spreken.</p> + +<p>Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd +wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte +Ingmarson zijn.</p> + +<p>En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist +geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't +woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis +verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang +stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij +zich begon te bewegen.</p> + +<p>Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood +kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en +al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="55"> </span><a id="p_55"></a></p> + +<p>Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede +verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den +burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den +majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om +den hals.</p> + +<p>Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de +vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis +tot aan de kerk.</p> + +<p>Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de +begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.</p> + +<p>Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers. +Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt, +zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.</p> + +<p>'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn, +alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst +opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een +marktdag.</p> + +<p>Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten +aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de +burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?”</p> + +<p>En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar +zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.</p> + +<p><span class="pagenum" title="56"> </span><a id="p_56"></a></p> + +<p>En dt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen. +Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam +geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was z moe, dat hij +nauwelijks staan kon.</p> + +<p>Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu +op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.</p> + +<p>Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar +met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!—</p> + +<p>En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op +sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook +geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in +slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een +deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets +warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij.</p> + +<p>Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen. +Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem +gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.</p> + +<p>Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een +schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij +in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna +<span class="pagenum" title="57"> </span><a id="p_57"></a>sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men +had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.</p> + +<p>Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze +hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de +naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.</p> + +<p>Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten +de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar +de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend +onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen +uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen. +Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen +zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze +den vermiste wilden vinden.</p> + +<p>Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op, +en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan. +Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de +groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging +ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen. +En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat <span class="pagenum" title="58"> </span><a id="p_58"></a>in een uur als +dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die +op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.</p> + +<p>Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den +barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en +kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar +en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want +allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden +roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze +konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een +strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof +alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot +de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard +waren dan anderen.</p> + +<p>Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij +vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes +gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof +ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het +geslacht behoorde, een ongeluk trof.</p> + +<p>De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:</p> + +<p>„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had +kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="59"> </span><a id="p_59"></a></p> + +<p>„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit +voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid +bewezen had.</p> + +<hr /> + +<p>Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las +in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan, +en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar +Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het +bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de +plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook +vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij +toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.</p> + +<p>Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst +over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon +ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt +werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een +welbehagen.”</p> + +<p>Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep. +Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend: +„Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.”</p> + +<p>De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden +langzaam uitsprak.</p> + +<p><span class="pagenum" title="60"> </span><a id="p_60"></a></p> + +<p>„Moeder,” zei hij heel zacht.</p> + +<p>Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je +niet me naar 't bosch gegaan?”</p> + +<p>„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben me geweest.”</p> + +<p>„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.”</p> + +<p>Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij +moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen +houden.</p> + +<p>„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer.</p> + +<p>Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.</p> + +<p>De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar +zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op +zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze +naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er +gebeurd is, mijn jongen.”</p> + +<p>De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als +hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon +te schreien.</p> + +<p>„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze.</p> + +<p>„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon.</p> + +<p>„Is het erger dan dat?”</p> + +<p>De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn +macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn +breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="61"> </span><a id="p_61"></a></p> + +<p>„Heeft dit er iets me te maken?” vroeg ze.</p> + +<p>„Ja,” antwoordde hij.</p> + +<p>„De Kerstvrede?”</p> + +<p>„Ja.”</p> + +<p>„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?”</p> + +<p>„Ja.”</p> + +<p>„En God heeft ons gestraft?”</p> + +<p>„God heeft ons gestraft.”</p> + +<p>En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van +den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop +takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te +maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op +hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar +Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde, +alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen +iets, maar liep hen voorbij het bosch in.</p> + +<hr /> + +<p>Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den +proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude +huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als +een steenen beeld.</p> + +<p>De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn +boeken te voorschijn gehaald en schreef <span class="pagenum" title="62"> </span><a id="p_62"></a>het sterfgeval in. Hij deed het +wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen +de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval. +De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost +zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren +eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.</p> + +<p>Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:</p> + +<p>„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede +wilden laten houden over Vader.”</p> + +<p>De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw +tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk +als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de +handen.</p> + +<p>„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon.</p> + +<p>„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De +oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De +kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar +'t graf volgde.</p> + +<p>„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten +weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.”</p> + +<p>„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist +wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te +doen. Hij <span class="pagenum" title="63"> </span><a id="p_63"></a>had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen +getroost had.</p> + +<p>„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan me.”</p> + +<p>De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk +goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij +zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen +dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen +zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken +het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.”</p> + +<p>Nu sprak de vrouw ook. „Dt is het; we willen weten of we Vader onrecht +doen.”</p> + +<p>De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:</p> + +<p>„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan +tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had +moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen +hebben, zoo als zijn vader vr hem, want de Ingmarsons vreezen niemand +en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft +God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield +Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe +Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan +en opzien wekken.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="64"> </span><a id="p_64"></a></p> + +<p>De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat +ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En +onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn +kranige menschen, de Ingmarsons.”</p> + +<p>De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag +in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij +begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de +macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.</p> + +<p>„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,” +zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.”</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="65"> </span><a id="p_65"></a></p> + +<h2><a id="HET_GRAFSCHRIFT"></a>HET GRAFSCHRIFT.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het +kerkhof op Svartsj staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder +het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand +het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de +armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite +het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook +bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten +ze nog tot woorden samen te voegen.</p> + +<p>Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel +wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de +voeten zetten op het kerkhof van Svartsj, zonder naar dat kruisje te +gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij +op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.</p> + +<p>Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van <span class="pagenum" title="66"> </span><a id="p_66"></a>Svartsj, in winterslaap +verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog +ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te +vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet +geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet +er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De +kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen, +kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land +bezitten als de rijkste boer.</p> + +<p>De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen +verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen. +Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men +ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den +kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te +vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het +van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu +n met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders +dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek +wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.</p> + +<p>Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine +hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen +onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige +liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De <span class="pagenum" title="67"> </span><a id="p_67"></a>menschen, die in +de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met +bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo +gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn +ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet +voornamer dan een ander.</p> + +<p>Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar +de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw +uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg +trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die +gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben, +te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen +den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het +graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen +te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo +oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze +begraven zijn.</p> + +<p>Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar +dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men +ze niet van elkander kan onderscheiden.</p> + +<p>Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den +ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de +kist <span class="pagenum" title="68"> </span><a id="p_68"></a>daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en +werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de +aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.</p> + +<p>Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en +den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt +het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen +ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar +Sander op Lerum.</p> + +<p>Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas +een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel, +al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand +gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat +een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene +woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien +zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken +wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:</p> + +<p>„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.”</p> + +<p>Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de +grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is. +Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar +zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.</p> + +<p><span class="pagenum" title="69"> </span><a id="p_69"></a></p> + +<p>Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen +opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te +beven, alsof ze een felle kou voelt.</p> + +<p>„Wat zeg je?—Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die +klappertandt van kou.</p> + +<p>„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder +liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind +daar liggen zal.”</p> + +<p>„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist +wel, dat je je eindelijk wreken zou.”</p> + +<p>Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan, +groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil +door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo +staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide, +onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.</p> + +<p>„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik +kan dit alleen niet verdragen.”</p> + +<p>„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed +naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor +hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!”</p> + +<p>„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet +verdragen.”</p> + +<p>Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden +noodig om elkaar te verstaan en ze <span class="pagenum" title="70"> </span><a id="p_70"></a>weet al, dat het volstrekt +onmogelijk is hem te bewegen.</p> + +<p>„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom +liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.”</p> + +<p>Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen, +dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de +buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in +het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan +die van Vader en Moeder en ons beiden.<ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„En denk je, dat ze dat gelooven?”</p> + +<p>„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij.</p> + +<p>Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan +hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de +armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren. +Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is +dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen +komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar, +toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar. +Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.</p> + +<p>En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?</p> + +<p><span class="pagenum" title="71"> </span><a id="p_71"></a></p> + +<p>Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven, +toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.</p> + +<p>„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden +als zijn vrouw.</p> + +<p>Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar +genoeg vallen het werkelijk te doen.</p> + +<p>Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die +niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart +blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te +verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw +altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen z boos geworden +was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen +worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond +als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar +iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En +nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!</p> + +<hr /> + +<p>De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien +hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vr de +begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk +te zien <span class="pagenum" title="72"> </span><a id="p_72"></a>of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze +schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder +het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet, +de doodsangst versteent haar.</p> + +<p>Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet me +naar het kerkhof—mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten, +dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het +groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat +ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met +de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een +onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door +den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat +kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere, +losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch +een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof +verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat +helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht +daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan +gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te +ruimen.</p> + +<p>De man gaat ook me naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de +gasten genoodigd, de kist besteld <span class="pagenum" title="73"> </span><a id="p_73"></a>en bepaald wie de dragers zullen +zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft. +Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de +lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte +doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan me in den +stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.</p> + +<p>Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om +een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.</p> + +<p>Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen +voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen +krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wl zou kunnen +is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele +kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een +luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.</p> + +<p>De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in +beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom +heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den +dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof +moeten gaan. Een doode is immers niets waard.</p> + +<p>Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze +mogen den doode leggen, waar ze willen,—alleen niet op het kerkhof. Er +gaan verwarde <span class="pagenum" title="74"> </span><a id="p_74"></a>gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken, +zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is +door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang +maken als kinderen.</p> + +<p>Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd +vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet +ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze +ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En +de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen +naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet +eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat +de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het +familiegraf rusten zal.</p> + +<p>Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet +alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.</p> + +<p>„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker +niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders +vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.”</p> + +<p>En nu begrijpt ze, dat ze gered is.</p> + +<p>Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan. +„'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet +ze best, dat ze schreit <span class="pagenum" title="75"> </span><a id="p_75"></a>uit verlichting, als iemand, die uit nood en +levensgevaar is gered.</p> + +<p>Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone +plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich +op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te +luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te +spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door +de leden. „Het is immers dood? Dood!”—</p> + +<p>Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den +eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker. +Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk +regeert over alle uren van den dag en van den nacht.</p> + +<p>Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare +meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het +leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te +winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden +worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.</p> + +<p>De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen, +dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de +weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit +alles.</p> + +<p>En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen <span class="pagenum" title="76"> </span><a id="p_76"></a>plachten te smeeken +en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij +zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien +niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou. +Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed <i>niet</i> in te slapen. Nu begrijpt +ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.</p> + +<p>Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn +verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.</p> + +<p>'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat +nooit begrepen, terwijl hij leefde.</p> + +<p>Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich +door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote, +geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes +geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.</p> + +<p>En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker +wordt—kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.—Denk eens +aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder +het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht +mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die +ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het +wezenlijke kleine menschjes.</p> + +<p><span class="pagenum" title="77"> </span><a id="p_77"></a></p> + +<p>En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat +het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit z +dicht genaderd zou zijn als nu.</p> + +<p>Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt +heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt +ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang +geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht +heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich +geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te +begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.</p> + +<p>Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal +nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit +haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem +nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze.</p> + +<p>En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met +verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het +barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn +graf komen en met hem spreken kan.</p> + +<p>Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf +met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang, +lang kunnen zitten.</p> + +<p><span class="pagenum" title="78"> </span><a id="p_78"></a></p> + +<p>Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers +niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze +verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren +zitten. Wat zal ze hun zeggen?</p> + +<p>Nu en dan denkt ze, dat ze z zal doen. Eerst naar het groote +familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos +zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij +zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen +zal.</p> + +<p>Ja, hij zal er wel tevreden me zijn, als zij het zijn kan. Maar het is +toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij +zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een +brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze <ins class="corr" id="corr5" title="Bron: wl">wil</ins> hem +daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles +te boven ging.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het +sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien +een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat +de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij +verlangt zoo!</p> + +<p>Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's +winters beter; nu het lente is wil <span class="pagenum" title="79"> </span><a id="p_79"></a>hij zich niet voor haar vertoonen. +Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij +te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan +nooit onder de aarde komen?</p> + +<p>Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar +heele leven lang.</p> + +<p>En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar +sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den +doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan +naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten +en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes +weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen +kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft +ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.</p> + +<p>Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte +letters:</p> + +<p class="rust"><i>Hier rust mijn kind.</i></p> + +<p>En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om +of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid, +het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden +op het graf van haar kind.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="80"> </span><a id="p_80"></a></p> + +<h2><a id="DE_BEIDE_BROEDERS"></a>DE BEIDE BROEDERS.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven +zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den +lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze +moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze +geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en +zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie +rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.</p> + +<p>Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de +menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de +lange rust in de aarde gebracht worden.</p> + +<p>Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo +goed als in Svartsj in Wermeland.</p> + +<p>Als ge in Svartsj sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen +precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort, +als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want +dezelfde <span class="pagenum" title="81"> </span><a id="p_81"></a>timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar n model. Geen +een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook—want dat hebt +ge immers als zoo dikwijls gezien,—dat ge naar de kerk wordt gereden +op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge +behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar +niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en +dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.</p> + +<p>Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult +krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort +zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.</p> + +<p>En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg +zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen megaan. En ook zult +ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er +wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk +van Svartsj staan.</p> + +<p>Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den +dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te +zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte +schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa +menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben +den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken +<span class="pagenum" title="82"> </span><a id="p_82"></a>zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht. +Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet +zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden +schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen, +dat als er veel rouw bij n graf was, het er leelijk uit zou zien voor +hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in +Svartsj. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de +gewoonte daar is.</p> + +<p>Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en +machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in +de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw +kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin +den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders, +dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.</p> + +<p>Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt +worden op elken dag van de week. In Svartsj moet ge op een Zondag +begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben. +Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest +mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden +geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine +jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert, +en daar komt <span class="pagenum" title="83"> </span><a id="p_83"></a>ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit +groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar +zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden +werdt.</p> + +<p>Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er +niemand, die er niet op toeziet.</p> + +<p>Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsj hebben. +Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft +kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is +tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags +heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er +werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan. +En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den +rouwstaf.</p> + +<p>'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht. +Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat +verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?</p> + +<p>Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant +en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle +kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van +zijn.</p> + +<p>Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo +eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners. +Het zijn maar <span class="pagenum" title="84"> </span><a id="p_84"></a>gewone, eenvoudige menschen uit Svartsj. Het is alsof er +maar n groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij, +die dood zijt.</p> + +<p>De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk +gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde +kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt +en verootmoedigd worden door hun armoede.</p> + +<p>Als een vreemde met u me naar het graf ging, zou hij veel weemoediger +worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de +gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen +kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de +kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te +verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman +nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet +voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten +op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.</p> + +<p>Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar +het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de +witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen. +Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de +draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de +losse aardhoopen en laten u zakken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="85"> </span><a id="p_85"></a></p> + +<p>En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en +begint te zingen:</p> + +<p class="rust size67">„Ik ga den dood te gemoet.”</p> + +<p>Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de +omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de +noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij +zingt.</p> + +<p>De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel, +dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen +zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch, +omdat het bij zijn werk hoort.</p> + +<p>Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest +hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede +vervallen.</p> + +<p>Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en +luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden +zal. Maar niemand zingt mee, niet n, want dat gaat niet, dat doet men +niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsj. Ook in de kerk zingt men +nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.</p> + +<p>Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet +alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die me zingt, maar die klinkt +z precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij n +waren.</p> + +<p>De andere stem, die me zingt, is die van een kleinen <span class="pagenum" title="86"> </span><a id="p_86"></a>ouden man, in een +langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt +wat hij kan, om hem te helpen.</p> + +<p>En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den +koster; zij zijn z eender, dat men niet laten kan er zich over te +verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude +man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat +ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de +kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom +hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de +wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet +gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat +het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.</p> + +<p>En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat +lukte niet. Want hij was niet z, dat men hem kon helpen. Hij had nooit +voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.</p> + +<p>Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft +altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen +geven.</p> + +<p>Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo +arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.</p> + +<p>Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last, +niets dan een last voor zijn broer en <span class="pagenum" title="87"> </span><a id="p_87"></a>voor andere menschen. Maar zie! +nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij +daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de +koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu +helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.</p> + +<p>Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken, +omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat +hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken +buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij me naar +het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt +zijn broer met zijn ellendige stem.</p> + +<p>De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de +anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet +hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij +een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof +lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit +de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht +om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De +koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer +lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den +Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.</p> + +<p><span class="pagenum" title="88"> </span><a id="p_88"></a></p><p>Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk +niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in +Svartsj begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?</p> + +<p>Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als +nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar +geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven +is en dan is men er volkomen tevreden me dood te zijn. En dan eindigt +het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn +toespraak.</p> + +<p>Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij +zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en +klagender, hoe langer ze zingen.</p> + +<p>Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop +in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.</p> + +<p>Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw +en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat +armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw +hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw +ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="89"> </span><a id="p_89"></a></p> + +<h2><a id="ROMEINSCH_BLOED"></a>ROMEINSCH BLOED.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren +buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men +kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het +jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal, +een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken; +en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen +en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.</p> + +<p>En dan om wat te verdienen,—want groente en kippen brengen geen +schitterend inkomen op—koopt men een paar groote vaten romeinsche +slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer +dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met +literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en +de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.</p> + +<p>Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en +onbelemmerd, daarom zet men <span class="pagenum" title="90"> </span><a id="p_90"></a>daken boven de banken en omringt die met +wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En +eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de +kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is +de osteria klaar.</p> + +<p>Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria +geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef +om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde. +Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en +dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten +den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't +huis, liefhad.</p> + +<p>Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het +graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren. +Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een +heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een +woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen +waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.</p> + +<p>Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en +verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is +Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon +Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de +<span class="pagenum" title="91"> </span><a id="p_91"></a>soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters +die voorgediend hadden.</p> + +<p>Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat +was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij +was?</p> + +<p>Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria +kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te +vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het +balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan +was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het +zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige +histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij +hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar +verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken, +dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun +beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.</p> + +<p>De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde, +en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa +wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch +hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze +zou nooit trouwen dan met een signor.</p> + +<p>Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien <span class="pagenum" title="92"> </span><a id="p_92"></a>aan de manier, waarop +ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,—en +aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en +een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in +het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van +veeren om den hals, z lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed +neerhing.</p> + +<p>Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd. +Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.</p> + +<p>Eigenlijk was Nino er best me tevreden, dat Teresa niet met een +Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te +veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe +tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als +oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu +het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar +durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat +was waarlijk geen klein geluk.</p> + +<p>De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid. +'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met +mas voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente +voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar +huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen +drinken, <span class="pagenum" title="93"> </span><a id="p_93"></a>stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van +haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag +was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren +ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van +gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes +snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze +elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als +soldaten, die samen ten strijde trekken.</p> + +<p>Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te +vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de +geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze +graag hooren, hoe de plebejers tot patricirs werden verheven en van +de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich +van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder +omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere +keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen, +verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten +haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den +hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.</p> + +<p>Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen, +dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi +meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?</p> + +<p><span class="pagenum" title="94"> </span><a id="p_94"></a></p> + +<p>Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk +bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt, +maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige +schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder? +Nino werd bijna bang, toen hij het zag.</p> + +<p>Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach! +Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een +zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was +al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En +zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij +van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?</p> + +<p>De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Itali +voerde oorlog met Abyssini, en hij vond, dat het al ellende genoeg was, +dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een +vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al +ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel +laten de menschen ongelukkig te maken.</p> + +<p>Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad +hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Itali +moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land +des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen <span class="pagenum" title="95"> </span><a id="p_95"></a>oorlog doen ophouden. Laat +onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren +Nino's woorden.</p> + +<p>Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde +adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der +leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij +thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger +afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put +stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde +over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen +belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen +gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die +naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest +den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.</p> + +<p>Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van +de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen +glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon +liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een +afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze +een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen +te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.</p> + +<p><span class="pagenum" title="96"> </span><a id="p_96"></a></p> + +<p>Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig +over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon +niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten +tot na de bruiloft.</p> + +<p>Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na +haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag +de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven +zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een +monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor +hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor +Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij +hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem +en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of +niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.</p> + +<p>'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in +die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo +gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde. +Nino had zich nooit z met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld +gevoeld.</p> + +<p>Hoe gelukkig was ze er me, dat haar vriend officier was. Behalve dat +hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino +hoorde eens, dat <span class="pagenum" title="97"> </span><a id="p_97"></a>ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang +was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan +zou het er wel anders gaan.”</p> + +<p>Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het +daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met +troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik +en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was +alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen +en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat +er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan +zwermen.</p> + +<p>Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde, +dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen. +Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot +overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Itali geholpen worden.</p> + +<p>Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't +Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen. +Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken +geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had +een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Itali's vlag +geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:</p> + +<p>„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. <span class="pagenum" title="98"> </span><a id="p_98"></a>Alles voor Itali!” en +andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan +het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe +krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat +Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem +niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te +vertrouwen.</p> + +<p>Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten +ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook +de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte +lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de +kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de +anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den +soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's +vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.”</p> + +<p>Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man +had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem +liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen, +moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in +'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar +aderen.</p> + +<p>Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels <span class="pagenum" title="99"> </span><a id="p_99"></a>vertrok, waar ze naar +Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa me naar het +station.</p> + +<p>Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren. +Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en +enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en +verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen: +„Leve Itali!”—er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen +gestrooid.</p> + +<p>Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht +hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan +de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge +krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van +Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar +terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo +scheidden zij.</p> + +<p>Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog +niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de +groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die +was opgetrokken tegen de Abyssinirs en was verslagen en verstrooid +geworden.</p> + +<p>Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan +aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel +volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd <span class="pagenum" title="100"> </span><a id="p_100"></a>om de +laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen +over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Itali. En +den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag +verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.</p> + +<p>Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen +troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen, +maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de +hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach! +geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.</p> + +<p>Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.</p> + +<p>„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht +gaan?”</p> + +<p>En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer +door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur. +Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als +de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar +men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke +scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo +weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen, +die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.</p> + +<p>Maar dat was immers geen land om menschen heen <span class="pagenum" title="101"> </span><a id="p_101"></a>te zenden! een land waar +men muilezels moest eten!</p> + +<p>Neen, dat vond Nino ook.</p> + +<p>En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe +vreeselijk de oorlog was.</p> + +<p>Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen, +die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al +zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood +tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren +schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit +hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.</p> + +<p>Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven. +Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en +na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te +verscheuren.</p> + +<p>Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder +lezen.</p> + +<p>Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had, +dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men +daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit +in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen +zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.</p> + +<p>Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel +zei. De stoomboot, die hem <span class="pagenum" title="102"> </span><a id="p_102"></a>naar Afrika zou brengen, zou den avond van +den volgenden dag vertrekken.</p> + +<p>Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar +doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn +vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het +niet laten. En niemand dan Nino had ze me willen hebben.</p> + +<p>Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant +in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar +zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam +zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een +lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen +band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op +schoten.</p> + +<p>Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan +den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om n uur samen +koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij +snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een +bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe +laat het was.</p> + +<p>Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat +van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer +te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo <span class="pagenum" title="103"> </span><a id="p_103"></a>wonderlijk voor +zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze <i>zijn</i> lijk voor zich zag. +Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had +ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen +en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken +verscheurden.</p> + +<p>Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven. +Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich +wel weren tegen de barbaren.</p> + +<p>Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen +lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien +blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet +rood als bloed!</p> + +<p>Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar. +Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar +zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten +zou, den heelen dag niet.</p> + +<p>„Neen, zeker niet, Teresa.”</p> + +<p>En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem +naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem +haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was +dan de andere.</p> + +<p>Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem +liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze <span class="pagenum" title="104"> </span><a id="p_104"></a>meer van hem hield, dan ze zelf +wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu +hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets +kwaads zou overkomen.</p> + +<p>Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en +daar aten zij met hun drien.</p> + +<p>In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis +in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde +zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan +veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo, +zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino +zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu +en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten +gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe +onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant +vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem +bepaald bij zich houden.</p> + +<p>Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk, +zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof +of blind te maken.</p> + +<p>Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf +moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en +vroeg hem <span class="pagenum" title="105"> </span><a id="p_105"></a>schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven. +Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika +hoefde?</p> + +<p>Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.</p> + +<p>Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging +niet.</p> + +<p>Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden +kunnen trouwen?</p> + +<p>De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij +daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.</p> + +<p>Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van +ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op +reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen +voorwendsel vinden om te kunnen blijven?</p> + +<p>„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.”</p> + +<p>„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers +niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je z liefheb, dat ik je +niet kan laten gaan.”</p> + +<p>De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders +dan een plotselingen inval te zien.</p> + +<p>Toen begon ze over wat anders.</p> + +<p>Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te +schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="106"> </span><a id="p_106"></a></p> + +<p>Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde +de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput +het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid +uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest +was.</p> + +<p>Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze +van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten +gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den +hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat +het niet waar was.</p> + +<p>Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen +verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen +in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood. +Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de +officieren.</p> + +<p>„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een +Romeinsche?”</p> + +<p>Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit +toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu +moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze +zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood +voor zich! Dood en verscheurd!</p> + +<p>Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al +haar wanhoop. Ze wierp zich <span class="pagenum" title="107"> </span><a id="p_107"></a>voor hem op de knien, schreide, smeekte, +bad.</p> + +<p>Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij +Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn +horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de +tijd om was en heengaan.</p> + +<p>„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet +anders dan heengaan.”</p> + +<p>„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is +slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en +hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.”</p> + +<p>„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.”</p> + +<p>„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons +gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten +wij het hunne hebben?”</p> + +<p>„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals +laatst in Rome. Nu moet ik weg.”</p> + +<p>„<i>Moet</i> je?”</p> + +<p>„Ja.”</p> + +<p>„Ga dan maar.”</p> + +<p>„Teresa.”</p> + +<p>„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor +me.”</p> + +<p>Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens +aan. Hij streek haar over het <span class="pagenum" title="108"> </span><a id="p_108"></a>blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet. +Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging +werkelijk heen.</p> + +<p>Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa +toevertrouwde.</p> + +<p>Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote +stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa +booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige +duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.</p> + +<p>Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den +afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan +boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen, +en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten +hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Itali's zonen naar dat +vervloekte barbarenland konden voeren.</p> + +<p>De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg +wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!—Uit de menigte +van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men +bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker +van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.</p> + +<p>Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,” +zei ze. „Al die mannen zullen <span class="pagenum" title="109"> </span><a id="p_109"></a>niet toelaten, dat hun zonen worden +weggevoerd en door de barbaren geslacht.”</p> + +<p>Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de +menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen +om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino +zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen +dirigeeren.</p> + +<p>Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag +hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste +haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te +stappen.</p> + +<p>Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar +hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde +omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.</p> + +<p>Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en +trok haar midden tusschen de menschen<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">.</ins></p> + +<p>„Blijf hier stil staan.”</p> + +<p>Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis +gaan, Nino,” zei ze.</p> + +<p>Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast, +dat het pijn deed.</p> + +<p>„De politie mag anders gerust....”</p> + +<p>Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.</p> + +<p>'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino +hield zich hardnekkig <span class="pagenum" title="110"> </span><a id="p_110"></a>midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot +vluchten.</p> + +<p>„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe.</p> + +<p>„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen +Napolitaner zal jelui verraden.”</p> + +<p>Op eens begon Teresa te snikken.</p> + +<p>„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.”</p> + +<p>En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino +wilde. Hij had de macht in handen.</p> + +<p>Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.</p> + +<p>De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en +Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht? +Heeft iemand haar gezien?”</p> + +<p>'t Was een lange signora!—neen een kleine?—had men haar gezien,—neen, +daar;—ze was naar 't station gevlucht;—neen, naar Santa Lucia.—En de +politieagenten verspreidden zich rechts en links.</p> + +<p>Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig +naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou +aangeven.</p> + +<p>Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard +had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.</p> + +<p>De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van +hem aan Teresa.</p> + +<p>Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles <span class="pagenum" title="111"> </span><a id="p_111"></a>door Nino laten +leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.</p> + +<p>„Lees dien, Nino,” vroeg ze.</p> + +<p>Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.</p> + +<p>„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze.</p> + +<p>Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar +doodvonnis in handen.</p> + +<p>„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op.</p> + +<p>En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn +liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij.</p> + +<p>Ze trok verachtelijk de schouders op.</p> + +<p>„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze.</p> + +<p>„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het +vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid, +je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je +zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te +veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude +Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden +geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te +beletten zijn plicht te doen.”</p> + +<p>Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei +ze.</p> + +<p>Nino zweeg.</p> + +<p>„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou <span class="pagenum" title="112"> </span><a id="p_112"></a>hij nu dood zijn. Ik +begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen. +Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu +laten gaan!”</p> + +<p>„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik +geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?”</p> + +<p>Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi +en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad +en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen, +hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven +lang;—zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was, +dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de +heerschappij hernemen.</p> + +<p>„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde +dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?”</p> + +<p>Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe +weinig het nieuwe Itali op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor +alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf +geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen +Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="113"> </span><a id="p_113"></a></p> + +<h2><a id="DE_OUDE_AGNETA"></a>DE OUDE AGNETA.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze +was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet +hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't +Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.</p> + +<p>Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien. +Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn +ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal +voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren +overleden.</p> + +<p>Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij +was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang. +De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig +konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich +herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der +<span class="pagenum" title="114"> </span><a id="p_114"></a>onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop +boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die +zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den +ijskouden bergwind werden voortgejaagd.</p> + +<p>Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat +haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar +rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij +woonde daar zoo heel alleen!</p> + +<p>Bij dat woord „alleen” namen haar gedachten een noch somberder tint aan. +Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte. +Zij voelde hoe hard het was, z ver van de menschen te zijn.</p> + +<p>„Oude Agneta,” zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in +haar eenzaamheid, „je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je +moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te +sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand +in de wereld, oude Agneta?</p> + +<p>Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo +zijn.—Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand +plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat +houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen +opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude <span class="pagenum" title="115"> </span><a id="p_115"></a>Agneta. +Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water +kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.”</p> + +<p>Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar +garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd +eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden +doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den +predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien +zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. „Ik ben +als een doode,” zei ze. „Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed +sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn +hart is bevroren—dat is het!</p> + +<p>Ach ja, ach ja,” zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, „als er +maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de +oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken +breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,” zei ze en +balde de vuist tegen den hemel, „je moet me iemand geven, die me noodig +heeft! of anders wil ik sterven.”</p> + +<p>Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het +bergpad tegemoet. Hij ging met haar me, omdat hij zag, dat ze bedroefd +was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in +haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den <span class="pagenum" title="116"> </span><a id="p_116"></a>gletscher zou +worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.</p> + +<p>„Dat kan God wel doen,” zei de monnik.</p> + +<p>„Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?” zei de oude +Agneta. „Hier is immers niets dan de koude, kale velden.”</p> + +<p>Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen, +bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met +kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven +hun hoofden, z steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag +de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.</p> + +<p>„Ach!” zei hij, „woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je +gezelschap genoeg. Zie maar!” De monnik legde den wijsvinger tegen den +pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar +tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta +beefde en sloot de oogen.</p> + +<p>„Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,” zei ze. „De +hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.”</p> + +<p>„Nu—goedendag dan,” zei de monnik. „Het zal je niet meer aangeboden +worden zoo iets te zien.”</p> + +<p>De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het +sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich +daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits <span class="pagenum" title="117"> </span><a id="p_117"></a>bewegen. Wat +zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs +gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.</p> + +<p>Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't +in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in +eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld, +maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar! +Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen +fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten +over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot +bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude +sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat +warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven, +verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof +de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten +hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen +stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben, +want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun +bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar +dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze +werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen +eind aan de ellende, geen rustplaats voor <span class="pagenum" title="118"> </span><a id="p_118"></a>de gewonde voeten, die over +het ijs snelden,—dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat +rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en +zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare +kou.</p> + +<p>Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd +in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al +hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen, +als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken +schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door +te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als +groote ijspegels aan de rotsen hingen.</p> + +<p>Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de +leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar +verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op +de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat +lichte sneeuwvlokken op, anders niet.</p> + +<p>Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:</p> + +<p>„Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?”</p> + +<p>Hij antwoordde: „Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid +te bewijzen of te troosten?”</p> + +<p><span class="pagenum" title="119"> </span><a id="p_119"></a></p> + +<p>Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en +zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij +die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de +gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.</p> + +<p>Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was +opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.</p> + +<p>„De dooden,” zei ze tot zich zelf, „vragen niet naar roode wangen en +lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat +warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja—maar +hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude +van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?”</p> + +<p>Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en +bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te +betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen +den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar +moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer +zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had +voorgenomen.</p> + +<p>Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste +stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't +venster zette ze <span class="pagenum" title="120"> </span><a id="p_120"></a>twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze +wijd open en toen begaf zij zich te bed.</p> + +<p>Ze lag in het donker te luisteren.</p> + +<p>Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den +gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet +binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude +<ins class="corr" id="corr7" title="Bron: Agnete">Agneta</ins> kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de +groote kamer in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! +Vleesch en bloed kon dit niet verdragen.</p> + +<p>Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van +pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs +op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.</p> + +<p>Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. „Je bent laf, +oude ziel,” zei ze. „'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat +alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?”</p> + +<p>En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met +klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam +toch in de kamer en de deur kreeg ze open.</p> + +<p>Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden +komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook z verschrikt +had, dat ze niet meer durfden te komen.</p> + +<p>Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge <span class="pagenum" title="121"> </span><a id="p_121"></a>dagen gedaan had, als +ze met de kudde uitging.</p> + +<p>„Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden +uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?”</p> + +<p>Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze +hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek +en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk +waarschuwde: „Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet +verschrikt.”</p> + +<p>Ze had een gevoel, alsof de groote kamer z propvol was, dat men zich +tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof +zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te +krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: „Sst! sst! maak +haar niet verschrikt.”</p> + +<p>Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen +en sliep in.</p> + +<p>Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was +nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen +ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar<ins class="corr" id="corr8" title="Bron: ,">.</ins></p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de +dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur +kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig +had.</p> + +<p><span class="pagenum" title="122"> </span><a id="p_122"></a></p> + +<p>Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk +zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat +noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om +het te begraven.</p> + +<p>Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort +voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag +men geen droefheid op iemands gezicht.</p> + +<p>Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een +lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den +met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden, +dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar +dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als +van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode +kaarsen gebrand had voor de onzaligen.</p> + +<p>Toen zeiden de menschen bij het graf: „Geloofd zij God. Zij, die door +niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden +daar boven in de groote eenzaamheid.”</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="123"> </span><a id="p_123"></a></p> + +<h2><a id="DE_RING_VAN_DEN_VISSCHER"></a>DE RING VAN DEN VISSCHER.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Veneti een +oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was +nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken +opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer +trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo +lief.</p> + +<p>Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg +gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en +kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en +verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom +ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden +te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun +geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.</p> + +<p>„Denk er aan,” zei hij tot hen, „dat Veneti nooit door eigen kracht zou +zijn staande gebleven. Zie nu <span class="pagenum" title="124"> </span><a id="p_124"></a>eens—is het niet op de golven gebouwd? +Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer +wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten +en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een +storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien? +En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle +christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd +tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens +houdt, die Veneti zwevend houden boven de diepte der zeen.”</p> + +<p>En 's avonds als het maanlicht, dat over Veneti scheen, blauwgroen +was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;—als de +gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter +werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan +herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor +hun leven en hun geluk.</p> + +<p>Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een +visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en +goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven +scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en +'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist, +waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun +te <span class="pagenum" title="125"> </span><a id="p_125"></a>vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles +zou vergaan, als maar een enkele Venetir ondankbaar genoeg zou zijn hem +niet meer te vereeren en te aanbidden.</p> + +<p>Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote +visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen, +hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te +blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.</p> + +<p>Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar +de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen +zij al de eilanden, die als gespen Veneti met de zee verbinden, uit den +morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter- +en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het +eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige +Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido +heen was de groote, onbegrensde zee.</p> + +<p>Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot +en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog +altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de +eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een +goede boot en waren goed thuis op zee.</p> + +<p><span class="pagenum" title="126"> </span><a id="p_126"></a></p> + +<p>Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat +de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen, +dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen, +maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.</p> + +<p>De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de +golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een +groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen +overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't +zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna +kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het +scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd. +Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn +met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de +plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.</p> + +<p>'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de +mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen. +Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide +zonen en nog drie anderen waren omgekomen.</p> + +<p>Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen +naar de Rialtobrug gegaan om <span class="pagenum" title="127"> </span><a id="p_127"></a>naar den vischhandel te zien. Hij liep +tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als +een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar +oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn +aan.</p> + +<p>Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op +zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur, +dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn +haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het +groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze +altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.</p> + +<p>Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder +er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang +gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de +keel.</p> + +<p>„Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,” schreeuwde hij hem toe, +„mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!”</p> + +<p>De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn +verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren. +Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en +stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.</p> + +<p><span class="pagenum" title="128"> </span><a id="p_128"></a></p> + +<p>Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de +harde steenen, en zei telkens: „Dat is San Marco, San Marco.”</p> + +<p>„Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,” zeiden ze tot hem.</p> + +<p>„Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,” zei Cecco, „buiten +Lido en Malamocco, dr wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San +Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor +geweest. Ja,” ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om +hem te kalmeeren, „zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij +Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat +men hem uitlacht.”</p> + +<p>Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp +zocht. „Luister eens, Beppo van Malamocco,” zei hij en strekte de hand +uit naar een grooten visscher, „geloof jij niet, dat het San Marco was?”</p> + +<p>„Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.”</p> + +<p>„Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens—mijn +jongens en ik, toen ze nog kindren waren,—daar buiten op zee, en om den +tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Veneti kwam. „San +Marco, de evangelist,” zei ik tegen hen, „lag eerst begraven in een +mooie domkerk in Alexandri, in Egypte. Maar de stad viel in handen van +de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis +<span class="pagenum" title="129"> </span><a id="p_129"></a>in Alexandri zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om +dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden +met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandri. Toen de +bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het +bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde +priesters: „Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar +door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het +eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de +eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.” Toen gaven de +priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in +Alexandri de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander +heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't +niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den +bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat +de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de +deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de +twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar +Veneti.<ins class="corr" id="corr9" title="Niet in Bron.">”</ins> Je +weet immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?”</p> + +<p>„Ja zeker, Cecco.”</p> + +<p>„Ja, maar nu moet je hooren,”—en Cecco richtte zich half op en sprak +met doffe stem in zijn angst. „Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik +vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen <span class="pagenum" title="130"> </span><a id="p_130"></a>de +jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen +lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en +Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden z, dat +je 't ver over zee kon hooren.”</p> + +<p>„Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!”</p> + +<p>„Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op +dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dr moesten +sterven?”</p> + +<p>Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot +verdriet bracht hem in de war. Z was San Marco niet. 't Was immers +natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee +gebeurt en niet in de haven.</p> + +<p>En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men +had ze hooren roepen: „Evviva San Marco!”—even hard als ieder ander. +En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn +toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.</p> + +<p>„Maar jij, Cecco,” zeiden ze, „jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo +over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten +en hem niet tegen de Venetirs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?”</p> + +<p>Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. „Jelui gelooft het dus +niet,” zei hij.</p> + +<p>„Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="131"> </span><a id="p_131"></a></p> + +<p>'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.</p> + +<p>„Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,” zei hij. Hij stond op +en ging naar de deur. „'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?” zei hij. +„Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik +wil het niet gelooven.” Hij ging heen en in de straat voor zijn deur +ontmoette hij een buurvrouw.</p> + +<p>„Nu lezen ze een zielmis in den dom,” zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze +was bang voor hem, z zag hij er uit.</p> + +<p>Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli +Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren +naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen +storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk +weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.</p> + +<p>Hij maakte de boot vast en ging over de <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: Piazetta">Piazzetta</ins> en de markt in de +Kerk van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knien lagen +te bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetirs veel +erger dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben +geen wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. +Daarom haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, +zoodra de zee een van allen aanviel.</p> + +<p>Cecco viel niet op de knien, maar bleef staan. Hij herinnerde zich +hoe hij hierheen gekomen was met zijn <span class="pagenum" title="132"> </span><a id="p_132"></a>zoontjes en hen had leeren bidden +tot San Marco. „Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten +van Byzanti voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in +het oosten,” had hij tot hen gezegd. „En tot dank daarvoor hebben de +Venetirs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en +nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het +een geschenk voor die kerk mebrengt.”</p> + +<p>Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd +en het vergulde met mozaek bedekte dak. En hij had er met hen over +gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht +voor zijn beschermheilige bouwde.</p> + +<p>Cecco viel plotseling op de knien en begon het eene paternoster na het +andere te bidden.</p> + +<p>Het kwam weer terug—hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde +geen kwaad van San Marco gelooven.</p> + +<p>Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En +dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk +veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar +ze als voor de grap had laten omkomen.</p> + +<p>Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij +wilde hem niet loslaten.</p> + +<p>En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld +met schatten als uit het <span class="pagenum" title="133"> </span><a id="p_133"></a>wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang +den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was, +zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.</p> + +<p>'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan. +Ach! 't was toch ellendig voor de Venetirs, niets beters te hebben om +op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen +kon nemen!—een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een +valwind!</p> + +<p>Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen +uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.</p> + +<p>Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van +gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.</p> + +<p>Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.</p> + +<p>Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem. +Verlangde San Marco gaven van <i>hem!</i> Meende hij, dat hij die verdiend +had?</p> + +<p>Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel +droeg en wierp die z hard in de schaal, dat men den klank in de +geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en +wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door +ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over +hem gekregen.</p> + +<p>Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst <span class="pagenum" title="134"> </span><a id="p_134"></a>was het hem een +groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had +hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt. +„Neem dit dan ook maar,” zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk +naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de +woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op. +Zoo had San Marco ook gedaan.</p> + +<p>Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te +hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat +gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco +was een stumper, even laf als wraakzuchtig.</p> + +<p>Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar, +omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof +hem die in alle vroomheid gegeven was.</p> + +<p>Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten +haastig voorbij. „Het stijgt, het stijgt angstwekkend,” zei de een.</p> + +<p>„Wat?” vroeg Cecco.</p> + +<p>„Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een +voet gestegen.”</p> + +<p>Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas +op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de +Piazzetta was opgespat.</p> + +<p>Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg <span class="pagenum" title="135"> </span><a id="p_135"></a>en hij haastte zich +naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren, +alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede +golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm. +Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de +kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten +worden. De hemel was effen grijs als de zee.</p> + +<p>Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou +kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen +zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel +eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand +zitten en wachtte.</p> + +<p>Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en +groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die +slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad<ins class="corr" id="corr11" title="Bron: ,">.</ins></p> + +<p>Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den +kant van Lido.</p> + +<p>O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien +hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken, +en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de +witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die +elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim +als damp wordt voortgezweept.</p> + +<p><span class="pagenum" title="136"> </span><a id="p_136"></a></p> + +<p>De wind was nu z sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen +niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen +werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee, +om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te +worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op, +klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in +de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.</p> + +<p>Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar +gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze +bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de +booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine +kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met +het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het +land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing +te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al +het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam +een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco, +die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te +zijn eer de storm al te geweldig zou worden.</p> + +<p>Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen +en werkten, als wilden zij den <span class="pagenum" title="137"> </span><a id="p_137"></a>dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat +dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun +inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.</p> + +<p>Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor +een gewoon mensch om rekening me te houden. De stapjes werden door de +golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend +naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen, +zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot +vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en +fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed, +dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg +weer in flarden neer.</p> + +<p>Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen +speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad +doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot +onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.</p> + +<p>Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee. +Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan +land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend +neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land +gegooid. 't Regende dakpannen <span class="pagenum" title="138"> </span><a id="p_138"></a>in het kanaal. De wind sloeg met deuren +en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak +er de sierlijke bogen van.</p> + +<p>Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed. +Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij +te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei, +dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij +had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.</p> + +<p>„Een storm!” zei hij in zichzelf, „is dit nu een storm? En nu meent men +misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar +San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.”</p> + +<p>Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Veneti af, tot de +stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den +Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor +de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen +fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware +brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.</p> + +<p>Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge +Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de +menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?</p> + +<p><span class="pagenum" title="139"> </span><a id="p_139"></a></p> + +<p>Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was +nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan +de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun +woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te +rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.</p> + +<p>De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen +hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken +aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen +bestormen.</p> + +<p>Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken, +die over zijn hoofd heengleden.</p> + +<p>„Nu is het spoedig uit met Veneti,” zei een stem in de eene wolk, +„straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.”</p> + +<p>„Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,” klonk het uit de andere +wolk.</p> + +<p>„San Marco is door een Venetir op het voorhoofd geslagen, zoodat hij +machteloos neerligt en niemand helpen kan,” zei de eerste stem weer.</p> + +<p>Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van +dat oogenblik af lag hij op de knien en bad San Marco om genade en +vergiffenis.</p> + +<p>Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de +eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetir had San Marco gehoond en +<span class="pagenum" title="140"> </span><a id="p_140"></a>daarom zou Veneti door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden +meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken +uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde +signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze +moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar +Veneti kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren +weggeslagen.</p> + +<p>Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te +luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna +van het lijf gerukt werden.</p> + +<p>De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te +gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen +optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de +kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie. +Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof +hij niets beters wist om me te spelen. Hij wierp den kruisdrager om, +blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie +gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.</p> + +<p>Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den +gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.</p> + +<p>Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar <span class="pagenum" title="141"> </span><a id="p_141"></a>zijn boot. Den +geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid +en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag +hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van +zijn gebeden het lot van de stad afhing.</p> + +<p>Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele +kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke +schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten +op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook +op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.</p> + +<p>De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den +avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta, +hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te +blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen, +die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er +reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water. +Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de +instortende huizen in 't water verdwenen.</p> + +<p>Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.</p> + +<p>„Wat geef ik om mijn zonen, als het Veneti geldt. Ik zou een zoon geven +voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon +vasthouden. <span class="pagenum" title="142"> </span><a id="p_142"></a>O San Marco, zelfs de kleinste steen van Veneti is zooveel +waard als een bloeiende zoon.”</p> + +<p>Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt +was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende +strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven +zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot +volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het +schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de +barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En +al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het +schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood +tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.</p> + +<p>Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de +hemelpoort; „Laat mij alleen lijden,” sprak hij. „San Marco, dit is meer +dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen me te slepen in het +ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten. +Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.”</p> + +<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het +scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de +granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De +oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Veneti.</p> + +<p><span class="pagenum" title="143"> </span><a id="p_143"></a></p> + +<p>Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De +demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde +dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel +om hen. Het ergste was de angst voor Veneti. Daar hoorde hij sterke +vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar +kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich +wat in de lucht. Hij zag het—en zag het niet. Toen was het alsof het +neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de +plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar +hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Veneti maar gered +werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.</p> + +<p>Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij +ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de +groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.</p> + +<p>De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en +zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en +bleef zitten.</p> + +<p>Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast +hem.</p> + +<p>„Goeden avond, Cecco,” zei de vreemde, „neem uw boot en zet mij over +naar San Giorgio Maggiore.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="144"> </span><a id="p_144"></a></p> + +<p>„Ja, dadelijk Heer!” antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een +droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien +hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet +had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende +en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met +den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar +San Giorgio betrof—hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken. +„Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,” dacht hij. Maar de +man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om +hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp +den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.</p> + +<p>Cecco moest om zich zelf lachen: „Waar denk je aan? Steek ten minste +niet in zee!” zei hij. „Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch, +dat geen mensch daar tegen op kan.”</p> + +<p>Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het +onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een +zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San +<ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Giorgo">Giorgio</ins> Maggiore te roeien.</p> + +<p>'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. „Ach! +scheld dien kerel uit,” zei Cecco halfluid tegen zichzelf. „Scheld hem +uit. Wat doet hij <span class="pagenum" title="145"> </span><a id="p_145"></a>op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een +verstandige, oude visscher! Roep hem terug.”</p> + +<p>Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen. +Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als +hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter +naar San Giorgio voort.</p> + +<p>„Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,” zei hij. +„Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een +heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.”</p> + +<p>Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet +over zijn megaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen +alles te doen wat de man in de boot verlangde. „Roei ten minste niet +naar San Giorgio, dwaas,” zei hij. „Daar slaat de wind nog feller op dan +op Rialto.”</p> + +<p>Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde +aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de +boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou +liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.</p> + +<p>Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad. +Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.</p> + +<p>„Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,” sprak de vreemdeling.</p> + +<p><span class="pagenum" title="146"> </span><a id="p_146"></a></p> + +<p>„Ach ja,” dacht Cecco, „waarom niet naar Lido,” 't was al +levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij +de tocht naar Lido niet wagen?</p> + +<p>En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in +den dood en zette werkelijk koers naar Lido.</p> + +<p>Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet +hoe hij dat uithouden moest. „Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,” +zei hij verwijtend tot zichzelf.</p> + +<p>Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde +noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op, +dat hij vooruit komen kon. „Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,” +zei hij tot zichzelf.</p> + +<p>Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze +gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden +bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den +mijter op het hoofd.</p> + +<p>„Roei ons nu naar de open zee,” zei de eerste vreemdeling.</p> + +<p>De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen +vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij +dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van +naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij <span class="pagenum" title="147"> </span><a id="p_147"></a>daarheen roeide, +voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had. +De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede +waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het +donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door +de storm opgezweepte zee lag voor hen.</p> + +<p>'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij <ins class="corr" id="corr13" title="Bron: dach">dacht</ins> er aan, dat hier +in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of +hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide +hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.</p> + +<p>Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de +knien, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam +recht op hen aan.</p> + +<p>Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de +wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de +vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat +ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van +demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen +geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den +storm.</p> + +<p>Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan +te zien komen en Cecco sloot de oogen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="148"> </span><a id="p_148"></a></p> + +<p>Op dat oogenblik moeten de drie <ins class="corr" id="corr14" title="Bron: mannan">mannen</ins> de botsing afgeweerd hebben, +want de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het +schip op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.</p> + +<p>Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat hij +nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar +voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik +rustig.</p> + +<p>„Breng ons nu terug naar Veneti,” zei de vreemdeling tot den visscher.</p> + +<p>Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, en +toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste +indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.</p> + +<p>Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot +den visscher: „Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem +zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio +en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Veneti +wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.”</p> + +<p>„Ja, Heer,” zei de visscher, „ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik +zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.”</p> + +<p>Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden +edelsteen.</p> + +<p><span class="pagenum" title="149"> </span><a id="p_149"></a></p> + +<p>„Laat den doge dien zien,” zei hij. „Dan begrijpt hij, dat ik u +gezonden heb. Hij kent mijn ring.”</p> + +<p>De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.</p> + +<p>„En verder moet ge den doge zeggen,” zei de heilige, „dat ik dezen ring +geef als een onderpand, dat ik Veneti nooit zal verlaten. Zelfs als de +laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Veneti +bewaren. Zelfs al verloor Veneti de eilanden in 't oosten en de +heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur, +zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal +zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen, +altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge +zal u op uw ouden dag niet verlaten.”</p> + +<p>Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de +zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een +rozigen glans over Veneti en de veelkleurige zee. Rood straalden +de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen +versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke +Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.</p> + +<p>Weer was Veneti de schoone godin, die op de golven troont in de +rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze +haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om +een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze <span class="pagenum" title="150"> </span><a id="p_150"></a>was als in een roes van +geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat +de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou +uitstrekken.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="151"> </span><a id="p_151"></a></p> + +<h2><a id="SANTA_CATHARINA_VAN_SIENA"></a>SANTA CATHARINA VAN SINA.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>Het is in het oude huis van Santa Catharina in Sina, op een dag in het +eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het +oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de +vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en +daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar +geuren wierook en viooltjes.</p> + +<p>En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine +Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en +ingaan, haar gezien en gekend hebben.</p> + +<p>Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er +meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis, +dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden +getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.</p> + +<p>Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn +feestelijk versierd. En aan haar <span class="pagenum" title="152"> </span><a id="p_152"></a>eigen huis hangen bloemenguirlandes +onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op +den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.</p> + +<p>En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood +geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een +ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug +kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperien en rood +zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest +vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen +gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood +met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?</p> + +<p>En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle +kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist +die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer, +waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen +elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het +toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En +zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden +stijl!—Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg +om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En +zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg, +als ze des nachts naar de <span class="pagenum" title="153"> </span><a id="p_153"></a>zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet, +alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina +Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.”</p> + +<p>En zij kussen haar portret en nemen een bloem me uit de bouquetten, als +een herinnering aan haar.</p> + +<p>Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de +scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de +herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar +aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis, +trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar +afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel +niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk +om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een +dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet +slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met +dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen +bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot +een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knien lag en +bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe +hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed +duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar +van de Madonna geslopen was om <span class="pagenum" title="154"> </span><a id="p_154"></a>zich recht te verheugen over de geboorte +van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij +en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou +houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.</p> + +<p>Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood +is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.</p> + +<p>In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten +vergeten. Alle armen van Sina komen daar aan de poort kloppen, want +ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze +hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en +zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als +ze nog thuis was.</p> + +<p>Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar z, dat men haast +niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.</p> + +<p>In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht, +wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt +liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor +ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.</p> + +<p>Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor +Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood +door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!</p> + +<p><span class="pagenum" title="155"> </span><a id="p_155"></a></p> + +<p>Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij +die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op +dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des +hemels, bid voor ons.”</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de +schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen +leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was, +of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat +ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar +duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze +herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men +eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde +huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe +mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan +helder voor onzen geest.</p> + +<p>Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Sina +kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Sina bestuurd werd +en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg +zat te drinken, dat Sina moest opstaan tegen de Signoria en zich een +ander bestuur veroveren.</p> + +<p>De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering +geweest. Zij waren nog niet <span class="pagenum" title="156"> </span><a id="p_156"></a>heel zeker van hun macht en het beviel hun +niet, dat de Perugir het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde +te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij +ter dood veroordeeld.</p> + +<p>Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles +voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats +hebben, in orde gemaakt werd.</p> + +<p>Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus +zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens; +hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en +de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een +smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij +eerst gisteren gekocht en nog maar ns beproefd had.</p> + +<p>Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van +de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had +er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet +missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het +geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij +moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.</p> + +<p>Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn +aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood. +Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.</p> + +<p><span class="pagenum" title="157"> </span><a id="p_157"></a></p> + +<p>Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, van +karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de +Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd +hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers +wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen. +Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij +miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe +hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou +verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem +sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote +troost geweest zijn.</p> + +<p>Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de +markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron +zouden halen en de kindren op straat loopen—en hij het niet zou +zien—dt kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die +'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde +evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen <i>leven</i>!</p> + +<p>Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij +om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij +liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze +zouden zeggen tegen iemand, die z verongelijkt <span class="pagenum" title="158"> </span><a id="p_158"></a>was als hij. Maar toen +ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende +jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over hen +losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze niet +noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en de +lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche +genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij +weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar +Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep +hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de +gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem +binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij +weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met +hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.</p> + +<p>Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de +jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over +onbuigzame zielen te bezitten.</p> + +<p>Toen de Perugir dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn +woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders +met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,” +zei hij.</p> + +<p>Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer <span class="pagenum" title="159"> </span><a id="p_159"></a>was en alleen in +straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze +krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd +beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf +brachten.</p> + +<p>Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna +ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze +al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den +vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe +om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien. +Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch +sneden.</p> + +<p>Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand +raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in +witte dominikanerkleeding met hoofd en hals z dicht in een witten +sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar +bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.</p> + +<p>Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder +verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den +gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was, +alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet +anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk +moest zij ze met de tanden los trekken, en toen <span class="pagenum" title="160"> </span><a id="p_160"></a>ging het. Ze ontknoopte +het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje, +dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het +afgeschaafde vel.</p> + +<p>Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen +gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze me bezig was. Het +was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den +dood moest voorbereiden.</p> + +<p>Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in +haar nabijheid, dat hij alleen zeide:</p> + +<p>„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.”</p> + +<p>„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze.</p> + +<p>Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den +grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?” +vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.</p> + +<p>Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken, +dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren +gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld +keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te +storen.</p> + +<p>„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit.</p> + +<p>„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te +denken, wie ge toch zijt.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="161"> </span><a id="p_161"></a></p> + +<p>„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, Lapa,” +zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het +dominicanerklooster.”</p> + +<p>„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En +dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte +afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.”</p> + +<p>Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die +zijn eerste liefde bekent:</p> + +<p>„Ik ben de bruid van Christus.”</p> + +<p>Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het +hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van +een msaillance.</p> + +<p>Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op, +alsof hij meende, dat zij vermetel was.</p> + +<p>„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.”</p> + +<p>„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij.</p> + +<p>Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen +schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid +opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg +haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.</p> + +<p>„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig.</p> + +<p>„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg +zij luid. „Is het dan een <span class="pagenum" title="162"> </span><a id="p_162"></a>genot voor een jong meisje als ik, bij u en +andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor +velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen, +en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal +gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar +voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar +de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer +hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!”</p> + +<p>„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!”</p> + +<p>„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei +ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander +meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel +te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.”</p> + +<p>Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u +toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van +Christus kunt noemen?”</p> + +<p>Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst +moest scheuren, toen zij antwoordde:</p> + +<p>„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes +jaar. Toen liep ik een avond met <span class="pagenum" title="163"> </span><a id="p_163"></a>mijn broer over 't veld, beneden de +kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk +ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en +heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de +Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht, +en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En +terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk +een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de +hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn +geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.—Sedert dien +tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.”</p> + +<p>Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het +veld geslapen en gedroomd.”</p> + +<p>„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem +gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in +de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch +klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden +hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet +trouwen wilde?”</p> + +<p>Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat +zij liefde voor een ander in haar hart droeg.</p> + +<p><span class="pagenum" title="164"> </span><a id="p_164"></a></p> + +<p>„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u +liefheeft,” vroeg hij.</p> + +<p>Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen +als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu +zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten. +Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming +gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren +te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u +zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht +maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de +muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen +en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode +flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan +het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met +wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle +deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar +daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit +iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik +hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen z +hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld +me zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren, +<span class="pagenum" title="165"> </span><a id="p_165"></a>maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze +'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik +me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en +lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was +vastgebonden. Maar nooit te voren had ik z innig tot Christus gebeden, +dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle +gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag +een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar +schoot zat het kind Jezus met lelin te spelen. Maar ik spoedde mij +voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knien en was +plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het +heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan, +Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij +door het sterkste geloof verbind.”<ins class="corr" id="corr15" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>„O, Catharina!”</p> + +<p>De jonge Perugir had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn +gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen +kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar +oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.</p> + +<p>Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die +jonge maagd, schoon en rein als geen <span class="pagenum" title="166"> </span><a id="p_166"></a>andere, kon hij nooit winnen. Haar +liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet +of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn +heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En +het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld +was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.</p> + +<p>Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar +gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei: +„Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”.</p> + +<p>Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.”</p> + +<p>En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost +over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden. +Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen +biechten. Maar n ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet +morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen +nemen, zooals ge nu doet.”</p> + +<p>Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde z groot, dat ze begon te +schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vr +mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar.</p> + +<p>Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien +wordt ik anders bang. <span class="pagenum" title="167"> </span><a id="p_167"></a>Misschien kan ik anders niet met waardigheid +sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle +angst zal van mij wijken.”</p> + +<p>„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een +hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook +omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo +spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik +zeker komen zal en u zien sterven.”</p> + +<p>Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als +een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven +was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien +zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het +sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde, +omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.</p> + +<p>Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was +zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij +riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina +van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden +redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil +het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden +zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over +haar gekomen was. Zij <span class="pagenum" title="168"> </span><a id="p_168"></a>voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem, +die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.</p> + +<p>De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen +aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een +verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar +alsof ze alleen was.</p> + +<p>En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor +alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik +reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was, +helderde het zijne op en hij was bijna blij.</p> + +<p>Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.”</p> + +<p>„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik +wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.”</p> + +<p>Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knien er voor, om zijn +hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.</p> + +<p>„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.”</p> + +<p>Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze.</p> + +<p>Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij +de beste troost.”</p> + +<p>De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze +nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.</p> + +<p><span class="pagenum" title="169"> </span><a id="p_169"></a></p> + +<p>„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om +te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik +nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit +oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven, +en mijn gebeden hebben geen kracht.”</p> + +<p>Toen zij dat zei, dacht hij<ins class="corr" id="corr16" title="Bron: .">:</ins> „Als ik leven bleef zou ik haar toch +kunnen winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de +stralende hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het +hoofd in haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen +beiden.</p> + +<p>„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om +uw ziel te ontvangen.”</p> + +<p>Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil +den hemel waard zijn?—Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag—op +dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager +neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel +voerden.</p> + +<hr class="tb" /> + +<p>Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar +geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote, +liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest +liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen +doet.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="170"> </span><a id="p_170"></a></p> + +<h2><a id="DE_ZEVEN_DOODZONDEN"></a>DE ZEVEN DOODZONDEN.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich +daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat +niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den +biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.</p> + +<p>„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de +zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag +buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn +vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de +eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang +ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al +wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij +nu absolutie geven?”</p> + +<p>„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit +gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst +vertellen, wat kort geleden <span class="pagenum" title="171"> </span><a id="p_171"></a>hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw +hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch +zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme +zondaars waren in vergelijking met u.”</p> + +<p>„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man.</p> + +<p>„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als +ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.”</p> + +<p>En hij vertelde:</p> + +<p>„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant +van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te +huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het +meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar +trouw beloofd.</p> + +<p>Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem +hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom +zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen +kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.”</p> + +<p>Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem +in stilte.</p> + +<p>Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere +tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:—de smart zette zich vast op +haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om +haar.</p> + +<p><span class="pagenum" title="172"> </span><a id="p_172"></a></p> + +<p>De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende. +Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de +kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik +heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op +de knien voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en +haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met +zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te +voeren, als hij van de bruiloft geweten had.</p> + +<p>Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat +een ellende u over ons gebracht hebt.”</p> + +<p>En toen ging ze naar het balkon.</p> + +<p>Daar kwam haar bruidegom bij haar.</p> + +<p>„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?” +vroeg hij.</p> + +<p>Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem +nooit te verlaten.”</p> + +<p>Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden. +Ik heb je z lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan +maken, als ik doen zal.”</p> + +<p>„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij.</p> + +<p>„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te +nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.”</p> + +<p>Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk, +dat God zijn hart beweegt.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="173"> </span><a id="p_173"></a></p> + +<p>En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar +gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op +diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn +geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als +een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.</p> + +<p>„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!”</p> + +<p>Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man, +hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft, +dan zie ik haar nooit weer,”—zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen +zooals ge wilt.”</p> + +<p>Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en +kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel +stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer +hongerig na den langen rit en de lange mis.<ins class="corr" id="corr17" title="Bron: ”"></ins></p> + +<p>„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met +toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want +hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik +hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk +gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want +voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek +u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug, +als ik het leven van mijn geliefde gered heb.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="174"> </span><a id="p_174"></a></p> + +<p>Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar +dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl +gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den +maaltijd beginnen.”—En zij gingen van de tafel weg.</p> + +<p>Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen +in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te +zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was +bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke +gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur +en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide +hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met +een grooten bezem te slaan.</p> + +<p>Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te +laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los. +En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft. +Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde +het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te +zeggen.</p> + +<p>En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet +en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de +Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.</p> + +<p><span class="pagenum" title="175"> </span><a id="p_175"></a></p> + +<p>Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de +loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een +gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en +paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een +zwakke vrouw—haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik +naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden +en een geacht en eerlijk man worden.”</p> + +<p>Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij +zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht: +„Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone +maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij +eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd +voortgaan.</p> + +<p>In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde +door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had +zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep, +nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo +wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij +geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar +toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid +door het dichte <span class="pagenum" title="176"> </span><a id="p_176"></a>bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die +vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug +heeft stuk geslagen.”</p> + +<p>En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en +droeg er haar op zijn schouders over.</p> + +<p>Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog +zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen +spijt van, want zij was z bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij +waren iets voor haar te mogen opofferen.</p> + +<p>Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een +der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen +zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het +zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.</p> + +<p>De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel +toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde +haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden, +maar luisterde er naar en deed open.</p> + +<p>Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot +dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad, +beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde +haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat +oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.</p> + +<p><span class="pagenum" title="177"> </span><a id="p_177"></a></p> + +<p>Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.”</p> + +<p>En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?”</p> + +<p>Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en +sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht +aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het +huis van haar vader.”</p> + +<p>Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met +wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie +hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was +een wijs man en wist wel, dat niemand z vrij van zonde is, als deze +man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen, +welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de +vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de +hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of +hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust +de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de +deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij +zelf het moeilijkst te betrachten vond.</p> + +<p>Maar de Booze was z verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van +den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk +te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter <span class="pagenum" title="178"> </span><a id="p_178"></a>offer +bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij +verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals +de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.</p> + +<p>„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg +toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van +allen veel waard vindt.”</p> + +<p>„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat +deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven +het andere stellen.”</p> + +<p>Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende +stem:</p> + +<p>„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.”</p> + +<p>Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.</p> + +<p>„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de +<ins class="corr" id="corr18" title="Bron: monik">monnik</ins> uit, „en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” +Toen hij dit gezegd had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar +het altaar. En hij begon de duivelbezwering te lezen:</p> + +<p xml:lang="la">„Vade retro Satanas....”</p> + +<p>Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel +uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van +de kerk als een groote, zwarte vleermuis.</p> + +<p>En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet <span class="pagenum" title="179"> </span><a id="p_179"></a>gemist had, maar door +Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den +monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen +woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den +visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo +werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarme zonden +aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.</p> + +<div class="chend"></div> + +<p><span class="pagenum" title="180"> </span><a id="p_180"></a></p> + +<h2><a id="DE_SCHATKIST_VAN_DE_KEIZERIN"></a>DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.</h2> + +<div class="chbegin"></div> + +<p>De bisschop had pater Verneau ontboden.—Dat was een heel lastig en +onaangenaam geval.</p> + +<p>Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in +den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking +aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en +teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn +aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de +leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij +stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te +noemen,—direct of indirect—er spektakel in de kerk zou gemaakt worden. +<ins class="corr" id="corr19" title="Niet in Bron.">„</ins>En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de +pater, „twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging +geven.”</p> + +<p>Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op +hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine, +vuile monnik <span class="pagenum" title="181"> </span><a id="p_181"></a>met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet +anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.</p> + +<p>„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de +arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....”</p> + +<p>„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik +meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.”</p> + +<p>„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....”</p> + +<p>„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?”</p> + +<p>De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.</p> + +<p>„U kent hem natuurlijk!” zei hij.</p> + +<p>„Natuurlijk, Monseigneur.”</p> + +<p>„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau, +woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.”</p> + +<p>De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.</p> + +<p>„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn +voordrachtstoon vervallend.</p> + +<p>De bisschop sprong op.</p> + +<p>„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.”</p> + +<p>„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een +lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden +hem op wonderbare <span class="pagenum" title="182"> </span><a id="p_182"></a>wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze +voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau +gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste +uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.</p> + +<p>„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in +het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en +voortreffelijkste, die ooit Belgi regeerde.</p> + +<p>Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun +dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote +keizerin Maria Theresia.</p> + +<p>Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren, +misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet +haar goed graafschap West-Vlaandren.</p> + +<p>In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men +nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten, +dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan. +Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in +visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria +Theresia is.</p> + +<p>Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben +macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben +niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te +vergelijken is.</p> + +<p><span class="pagenum" title="183"> </span><a id="p_183"></a></p> + +<p>Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is +niet genoeg te waardeeren, medeburgers.</p> + +<p>Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd, +deed zij een reis naar Belgi. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge; +ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote +steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam +ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.</p> + +<p>Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en +te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust, +hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger +over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken, +maar zij waren vervallen en ingestort.</p> + +<p>Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, z doorweekt, dat +enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door +den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen, +en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee +omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid +lagen.</p> + +<p>De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich +vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de +plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij +liet er <span class="pagenum" title="184"> </span><a id="p_184"></a>zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de +zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en +al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot +binnen de duinen was doorgedrongen.</p> + +<p>En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit +arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden +te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te +ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten +de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de +visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit +vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij +dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.</p> + +<p>De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in +Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot +Sluis om haar te zien. Maar vr de mis ging de keizerin rond en sprak +met het volk.</p> + +<p>De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.</p> + +<p>„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin.</p> + +<p>„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis +Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat +hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn +boot.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="185"> </span><a id="p_185"></a></p> + +<p>„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin.</p> + +<p>„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig, +toen men hem aan land bracht.”</p> + +<p>„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin.</p> + +<p>„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets +hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn +vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte +maakte hem zeker krankzinnig.”</p> + +<p>„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de +keizerin, „is iets om op te vertrouwen.”</p> + +<p>„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij +en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op +rekenen kunnen.”</p> + +<p>De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.</p> + +<p>„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem.</p> + +<p>„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein +opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven, +met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken, +waarmee hij begonnen was.”</p> + +<p>„Hoe komt dat?” zei de keizerin.</p> + +<p>„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij +kleiner, dan hij verwachtte.”</p> + +<p>„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin.</p> + +<p>„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen +heeft, durft hij geen groot werk <span class="pagenum" title="186"> </span><a id="p_186"></a>meer aan, uit angst, dat het niet +toereikend zal zijn.”</p> + +<p>„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig +heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin.</p> + +<p>„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en +niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te +steunen.”</p> + +<p>De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en +vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.</p> + +<p>„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der +Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.”</p> + +<p>„Werkelijk?”</p> + +<p>„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa +kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er +van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die +te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden +hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.”</p> + +<p>„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de +keizerin.</p> + +<p>„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.”</p> + +<p>„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou +iets moeten zijn, dat z verborgen was, dat niemand het vinden kon.”</p> + +<p>„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand +het vinden kon, zou er niets <span class="pagenum" title="187"> </span><a id="p_187"></a>dan gekibbel en vijandschap van komen en +'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.”</p> + +<p>De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar +de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knien en +smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof, +medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat +het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam, +ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.</p> + +<p>Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag. +Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.</p> + +<p>Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand +genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote +echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende +roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte +vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen +gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over +West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.</p> + +<p>Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.</p> + +<p>Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.</p> + +<p>Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot <span class="pagenum" title="188"> </span><a id="p_188"></a>kalmte kon dwingen +of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren +of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor +hen doen kon, zou ze doen.</p> + +<p>Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze z het +kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen +over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar +medelijden.</p> + +<p>Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten +met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor +allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven +kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had +tranen in de oogen toen ze dat zei.</p> + +<p>Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te +spreken, voor de nood z hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En +verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden +laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze +ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken, +zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.</p> + +<p>Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de +keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat +ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, <span class="pagenum" title="189"> </span><a id="p_189"></a>en +oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet +geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de +duinen.</p> + +<p>Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die +in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen +dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in +West-Vlaanderen regeert.</p> + +<p>Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk +van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de +menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig +hadden,—wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen +kan, dr wanhoopt men niet.</p> + +<p>Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet. +Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs +nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van +het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de +keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens +schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den +Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd +met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden, +zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het +altijd vr zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten +wanhopen <span class="pagenum" title="190"> </span><a id="p_190"></a>voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.</p> + +<p>Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is +niemand het z nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge +weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het +bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en +nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te +zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu +bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er +zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in +bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren, +die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip, +waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen, +heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de +genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging; +het eigen geld was altijd voldoende.</p> + +<p>Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was +dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vr +allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich +aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch +later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder +weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar +bij die menschen kan geen twist of afgunst <span class="pagenum" title="191"> </span><a id="p_191"></a>ontstaan, want het beste +bezitten ze allen in gemeenschap.”<ins class="corr" id="corr20" title="Niet in Bron.">”</ins></p> + +<p>De Bisschop viel pater Verneau in de rede.</p> + +<p>„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?”</p> + +<p>„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de +goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen, +dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij +voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het +drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze +noodiger hadden.”</p> + +<p>„En....?” vroeg de bisschop.</p> + +<p>„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den +preekstoel al af was. Anders niets.”</p> + +<p>„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid +tot hen gesproken hadt.”</p> + +<p>De monnik boog.</p> + +<p>„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze +hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt +zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn +compliment.”</p> + +<p>De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.</p> + +<p>De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.</p> + +<p>„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.”</p> + +<p>„Of ze er aan gelooven!—Ja zeker, Monseigneur.”</p> + +<p>„En de schat? Was er ooit een schat?”</p> + +<p>„Met uw verlof, Monseigneur,—ik heb het gezworen.”</p> + +<p><span class="pagenum" title="192"> </span><a id="p_192"></a></p> + +<p>„Nu ja,—maar voor mij...” zei de bisschop.</p> + +<p>„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien. +Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.”</p> + +<p>„En....?”</p> + +<p>„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.”</p> + +<p>De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.</p> + +<p>„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?”</p> + +<p>„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke +voorstellingen zijn ijdel.”</p> + +<p>Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.</p> + +<div class="chend"></div> + +<div class="TNbox"> +<a id="correctie"></a> + +<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2> + +<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table summary="correcties in tekst"> + <thead> + <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr> + </thead> + <tbody> + <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. v</a></td><td class="td4">Siena</td><td class="td4">Sina</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 8</a></td><td class="td4">Zelfs</td><td class="td4">Zelf</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 9</a></td><td class="td4">lijden</td><td class="td4">leiden</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 70</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 78</a></td><td class="td4">wl</td><td class="td4">wil</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 109</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 120</a></td><td class="td4">Agnete</td><td class="td4">Agneta</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 121</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 129</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 131</a></td><td class="td4">Piazetta</td><td class="td4">Piazzetta</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 135</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 144</a></td><td class="td4">Giorgo</td><td class="td4">Giorgio</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 147</a></td><td class="td4">dach</td><td class="td4">dacht</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 148</a></td><td class="td4">mannan</td><td class="td4">mannen</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 165</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 169</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">:</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 173</a></td><td class="td4">”</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 178</a></td><td class="td4">monik</td><td class="td4">monnik</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 180</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">„</td></tr> + <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 191</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">”</td></tr> + </tbody> +</table> +</div> + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW *** + +***** This file should be named 38422-h.htm or 38422-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/38422-h/images/cover.jpg b/38422-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4ed1673 --- /dev/null +++ b/38422-h/images/cover.jpg diff --git a/38422-h/images/rug.jpg b/38422-h/images/rug.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a53008e --- /dev/null +++ b/38422-h/images/rug.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..78fb5f4 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #38422 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38422) |
