summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--38422-0.txt5623
-rw-r--r--38422-0.zipbin0 -> 104291 bytes
-rw-r--r--38422-8.txt5623
-rw-r--r--38422-8.txt.bin27
-rw-r--r--38422-8.txt.bin.bak26
-rw-r--r--38422-8.txt.bk15623
-rw-r--r--38422-8.txt.bk25623
-rw-r--r--38422-8.zipbin0 -> 104019 bytes
-rw-r--r--38422-h.zipbin0 -> 218716 bytes
-rw-r--r--38422-h/38422-h.htm5888
-rw-r--r--38422-h/images/cover.jpgbin0 -> 87283 bytes
-rw-r--r--38422-h/images/rug.jpgbin0 -> 21382 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
15 files changed, 28449 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/38422-0.txt b/38422-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..3ab3a16
--- /dev/null
+++ b/38422-0.txt
@@ -0,0 +1,5623 @@
+Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oud en nieuw
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLÖF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND
+ƒ 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR
+TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE
+ƒ 3.90.
+
+=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75; IN
+PRACHTBAND ƒ 1.—.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 0.75;
+IN PRACHTBAND ƒ 1.—.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90;
+IN PRACHTBAND ƒ 3.50.
+
+=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID ƒ 4.50; IN
+PRACHTBANDEN ƒ 5.50.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 3.50; IN PRACHTBAND ƒ 3.90.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 2.90; IN PRACHTBAND ƒ 3.50.
+
+=ELSA=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.50; IN PRACHTBAND ƒ 1.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
+
+
+ GOEDKOOPE UITGAAF
+
+ VAN
+
+ GÖSTA BERLING
+
+ Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF
+
+ Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ Prijs ingenaaid ƒ =1.50=, in prachtband ƒ =1.90=
+
+ * * * * *
+
+=Het Algemeen Handelsblad:=
+
+Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen
+en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende
+phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,
+van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van
+meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,
+geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen
+Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en
+beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving
+van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.
+
+=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij
+het geheel genoten heeft.=
+
+=Het Vaderland:=
+
+Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat
+en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder
+en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van
+Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta
+Berling” is een boek om tweemaal te lezen.=
+
+=De Kerkelijke Courant:=
+
+Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten
+predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden
+en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of
+men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster
+Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster
+vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó
+aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en
+haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,
+wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met
+vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in
+de schaduw staat.
+
+
+
+
+OUD EN NIEUW
+
+
+
+
+ OUD EN NIEUW
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ AMSTERDAM
+
+ H. J. W. BECHT
+
+ 1907
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De Kerstroos 1
+
+ In de Gerechtszaal 26
+
+ Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37
+
+ De Kerstvrede 47
+
+ Het Grafschrift 65
+
+ De beide Broeders 80
+
+ Romeinsch Bloed 89
+
+ De oude Agneta 113
+
+ De Ring van den Visscher 123
+
+ Santa Catharina van Siëna 151
+
+ De zeven Doodzonden 170
+
+ De Schatkist van de Keizerin 180
+
+
+
+
+DE KERSTROOS.
+
+
+De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde,
+was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was
+een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de
+loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud
+waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch
+woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens
+gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn
+vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van
+pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,
+zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,
+durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed
+om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als
+ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren
+erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te
+rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in
+'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of
+kinderen wat overkwam.
+
+Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te
+bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een
+klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de
+portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde
+brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen.
+
+Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de
+kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten
+teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de
+rooversvrouw ging snel met hem meê.
+
+'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't
+kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de
+rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen
+zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.
+
+Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een
+plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen
+plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.
+
+In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't
+Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen,
+dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er
+in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van
+de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel
+kleine bloembedjes liep.
+
+In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.
+Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den
+mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle
+vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe
+en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze
+liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën,
+die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen
+den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den
+leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar
+bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de
+rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem
+achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar
+bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.
+
+„Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch,” zei ze, „en raak me nu
+eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even
+zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,
+dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw
+haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd
+toesprak.
+
+„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en
+dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet
+weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur
+te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin
+weg.”
+
+Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar
+'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen
+bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.
+
+Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te
+loopen om hulp te halen.
+
+Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag
+nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad
+staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij
+zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,
+zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar
+hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden
+krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze
+wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.
+
+De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet
+anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.
+
+Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten
+zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een
+geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw
+van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg
+konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.
+
+Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun
+hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon
+hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar
+den tuin.
+
+Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen
+de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist
+zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar
+ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort
+vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude
+kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer
+gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.
+
+De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke
+dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon
+niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om
+dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar
+zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.
+
+De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet
+anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren
+en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:
+
+„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien
+had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien
+ik ken.”
+
+De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de
+rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde
+een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.
+
+De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te
+berispen.
+
+„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite
+de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij
+weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van
+Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste
+bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.”
+
+„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw,
+„ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan
+denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid
+weggooien.”
+
+Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de
+abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.
+
+„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi praat om ons te
+plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,
+tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn
+ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van
+een tuin geweest ben.”
+
+De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,
+en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een
+tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,
+moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht
+in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te
+vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,
+en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet
+gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.”
+
+Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen
+op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet
+anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus
+vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij
+en je man.”
+
+„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in
+den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.”
+
+De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk
+te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,
+dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er
+vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij
+begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met
+Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van
+haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij
+daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel
+hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.
+
+Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het
+gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen
+werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,
+schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.
+
+„Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag
+ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een
+heilig man is.”
+
+Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt
+gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze
+overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden
+toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als
+zij iets van zijn plan ontdekten.
+
+Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken.
+Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn
+reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.
+
+Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek
+van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,
+hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die
+veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief
+voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen
+kon leiden.
+
+„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger
+misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele
+rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.”
+
+Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover
+niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor
+allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.
+
+De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,
+dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het
+roovershol heen.
+
+„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor
+hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn
+om bij de menschen genade te vinden.”
+
+Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel
+wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den
+dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u
+een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen
+wilt.”
+
+De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het
+verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.
+Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem
+zeker zou zenden.
+
+ * * * * *
+
+De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet
+thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de
+woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had
+hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.
+
+De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu
+heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het
+heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet
+graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te
+beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te
+zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik
+was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den
+abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.
+
+Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat
+er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder
+boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm
+zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden
+massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer
+kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid
+moesten worden.
+
+Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de
+koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die
+zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het
+klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met
+stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de
+kloosterpoort gekregen hadden.
+
+Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer
+haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan
+een van de anderen zou mogen vieren.
+
+Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de
+kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en
+smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan
+de handen van den roover over te geven.
+
+Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te
+storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in
+de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd
+steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen
+over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en
+diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.
+
+'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile
+en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige
+velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist
+toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over
+een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene
+naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin
+zagen zij een deur van dikke planken.
+
+Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren
+en steeg van zijn paard.
+
+'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele
+berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,
+dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van
+dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.
+
+„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te
+staan, „en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van
+de nachtkou.”
+
+De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't
+Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De
+rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.
+Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er
+was niets in dan een waterachtige soep.
+
+Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten
+boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als
+u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch
+klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,
+moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang
+te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur
+zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u
+gekomen is.”
+
+De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was
+zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op
+het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed
+aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat
+hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den
+abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,
+zoodat hij insliep.
+
+Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en
+nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij
+hen.—'t Was een lange magere man—hij zag er moe en zwaarmoedig uit.
+Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten
+wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.
+
+De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het
+Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't
+Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan
+had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.
+
+„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de
+anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de
+abt.
+
+De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand
+sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.
+
+Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist
+voor het gezicht.
+
+„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen
+van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch
+niet uit mag komen?”
+
+De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te
+bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij.
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid
+te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had
+van bisschop Absalom!—„Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei
+de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,—zelfs geen
+gans.”
+
+De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om
+den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.
+
+De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de
+monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.
+
+Maar opeens stond de rooversmoeder op.—„U zit hier zoo te praten, abt
+Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs
+hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.”
+
+Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.
+
+Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het
+eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd
+aangedragen door een zachten zuidenwind.
+
+„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt.
+Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,
+nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou
+opbloeien.
+
+Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een
+lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even
+duister,—maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als
+een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het
+uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.
+
+Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een
+mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;—massa's slangen
+kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De
+erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in
+'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes
+zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende
+knoppen, die al een zweempje kleur hadden.
+
+'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't
+ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen
+zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.
+
+Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke
+duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.
+
+Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een
+bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen
+aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren
+komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen
+de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken
+heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de
+splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,
+streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren
+prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als
+de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.
+
+Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,
+warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die
+arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan
+land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden
+kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond
+raakten, takken en loten.
+
+Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe
+ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun
+nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.
+
+Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te
+denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren
+en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht
+den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de
+veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den
+en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen
+glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik
+van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het
+heelemaal wit en blauw en goud werd.
+
+De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer
+oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats
+met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,
+krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar
+jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde
+naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en
+ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten
+van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.
+
+De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij
+verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot
+als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een
+ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen
+waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en
+slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.
+Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak
+een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je
+aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer
+achteruit en liep een anderen kant uit.
+
+Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten
+zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld
+stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende
+lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,
+dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan
+het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den
+bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo
+groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor
+bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op
+dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.
+
+De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol
+licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van
+den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter
+vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle
+aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik
+niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.”
+
+Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het
+iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche
+lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat
+nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in
+aantocht was.
+
+De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen
+speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.
+
+De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,
+de oogen schreiden, zonder dat men het wist,—de ziel verlangde weg te
+mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen,
+en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.
+
+De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van
+zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds
+in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen
+Kerstliederen te hooren zingen.
+
+Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was.
+Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,
+omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte
+hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God
+zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in
+eere hielden.
+
+Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder
+zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat
+kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier
+gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons
+behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.”
+
+In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,
+dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons
+verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van
+daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.”
+
+Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten
+zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag
+hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het
+toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den
+nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te
+beter de christenen te kunnen bedriegen.
+
+Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij
+had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den
+leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang
+speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat
+de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den
+leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat
+het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.
+Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't
+bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen
+bent!”
+
+Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels
+hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.
+Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang
+plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.
+En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken
+schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister
+zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten
+op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der
+watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.
+
+De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,
+zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit
+kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij zóó nabij waren en
+verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de
+vlucht werden gejaagd.”
+
+Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en
+hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog
+iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde
+bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam
+aanglijden over het veld.
+
+Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar
+bleef op het veld liggen.
+
+Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe
+duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij
+namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem
+dood in de sneeuw liggen.
+
+En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,
+dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de
+lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.
+
+ * * * * *
+
+Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen
+voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,
+dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand
+eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had
+vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't
+loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de
+bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt
+Hans.
+
+Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden
+opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen
+eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,
+wachtte hij niet langer.
+
+Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans,
+dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij
+nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond
+gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren
+opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.
+
+Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit
+plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,
+begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in
+het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,
+dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen
+aan bisschop Absalom moesten zenden.
+
+Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de
+bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die
+hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch.”
+
+Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde
+waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij
+een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak
+hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne
+houden.”
+
+En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn
+jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan
+den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het
+roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met
+opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik
+er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het
+Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.”
+
+„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil
+graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.”
+
+En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met
+hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan
+het perkament hing.
+
+„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en
+Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,”
+zeide hij.
+
+Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit
+zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man
+ook zijn woord houden.”
+
+Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de
+leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij
+bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand
+mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich
+bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet
+gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur
+van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het
+plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd
+en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de
+aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens
+gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.
+
+
+
+
+IN DE GERECHTSZAAL.
+
+
+We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel
+achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd
+man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig
+geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een
+sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit
+te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem
+kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die
+alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en
+onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
+
+Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag
+behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het
+onderhoud van een onecht kind.
+
+Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan
+worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse
+een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.
+
+Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,
+dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft
+aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse
+eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd
+geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,
+hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring
+volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde
+opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld
+wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
+
+Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene
+tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.
+Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een
+opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft
+zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze
+zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend
+heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
+
+Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man
+in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en
+vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich
+heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,
+daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het
+minst bezwaart.
+
+Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,
+en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed
+af te leggen.
+
+Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint
+te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant
+voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en
+niets hem verhindert om dien af te leggen.
+
+Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt
+onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond
+gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde
+in het aangezicht heeft kunnen zien.
+
+Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar
+stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer
+staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij
+kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.
+
+Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de
+gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te
+krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
+
+De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig.
+Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,
+en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
+
+Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich
+opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de
+rechter moet het hem immers beletten.
+
+De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen
+denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen
+waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze
+wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo
+iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de
+rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over
+zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke
+ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk
+hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken
+er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel
+begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd
+hebben, als zij daar geen recht toe had.
+
+De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat
+ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand
+anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.
+
+Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant
+een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan
+is in te grijpen.
+
+Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een
+paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van
+ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.
+Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al
+spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de
+rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
+
+Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed
+en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten
+zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en
+ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop
+moet hebben.
+
+Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat
+hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een
+valschen eed heeft overwogen.
+
+De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door
+getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
+
+De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze
+maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
+
+Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd
+met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren,
+maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
+
+Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,
+niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
+
+Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,
+maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort—dat het in
+het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan
+ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen
+versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in
+het hoofd.
+
+Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
+
+Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille
+van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan
+moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
+
+Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets
+geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en
+geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de
+naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar
+oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden
+met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.
+
+Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik,
+heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel
+moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het
+eedsformulier te vinden.
+
+Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap
+naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn
+hand wegstooten.
+
+Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij
+nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
+
+De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht
+heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan
+houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te
+spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij
+vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
+
+Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van
+plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal
+voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar
+hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft
+aangeklaagd.
+
+Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat
+haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te
+krijgen?
+
+Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.
+
+Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de
+daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit
+meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
+
+Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar
+voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den
+Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk
+moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen
+eed, dat zal hij niet.
+
+De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te
+nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken
+angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in
+haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis
+zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,
+hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,
+springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet
+zich ook tegen hem.
+
+„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”
+
+Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek
+dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te
+staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te
+voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
+
+Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven
+onbeweeglijk staan.
+
+„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de
+rechter met dezelfde harde en strenge stem.
+
+Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar
+verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
+
+„Hij zal den eed niet doen.”
+
+„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.
+
+Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij
+zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.
+
+„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met
+steeds scherper stem.
+
+„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide,
+snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”
+
+„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand
+verloren?”
+
+Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
+schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
+niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
+om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
+
+Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
+„Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
+maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
+doen.”
+
+Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
+blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
+handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
+haar af.
+
+Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
+
+Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
+zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
+
+Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
+niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
+geringsten te vinden is.
+
+Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
+slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
+heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
+van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
+dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
+En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
+heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
+ziel.
+
+En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
+menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
+hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
+
+Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
+
+De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
+
+„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,”
+zegt hij tegen den griffier.
+
+De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
+
+„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”
+
+De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
+„Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”
+
+De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
+zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
+toe.
+
+„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.
+
+Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
+tranen met den opgerolden zakdoek.
+
+„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
+zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
+
+
+
+
+HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
+
+
+Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
+volstrekt niet hebben.
+
+Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
+overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
+paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
+
+Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
+denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
+over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
+wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
+Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
+was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
+zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
+den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
+hij nooit wanten gebruikt had.
+
+Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen
+hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
+zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
+niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
+zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
+predikant.
+
+Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
+aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
+zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
+stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
+moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
+ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
+Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
+eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
+roover op den preekstoel te laten.
+
+Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
+verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
+kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
+en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
+roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
+ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
+
+Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
+Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of
+op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
+niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
+liggen om haar te schaken.
+
+Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
+om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
+gebruiken.
+
+Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
+was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
+ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
+vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
+
+Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
+iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
+schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
+zweeg en beklaagde zich niet.
+
+'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
+haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
+den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
+opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
+kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
+het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
+in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
+armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
+
+'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
+van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met
+hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
+er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
+graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
+en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
+hooge koren en had de oogen niet van haar af.
+
+Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
+proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
+dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
+hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den
+bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
+inhoud van den brief meê te deelen.
+
+Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
+
+Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
+aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
+toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
+wegsloot.
+
+De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
+was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
+eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
+was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
+
+Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
+altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
+weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
+hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
+te worden om te mogen preeken naar hartelust.
+
+De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
+de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
+was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
+had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
+aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
+spreken in Gods huis.
+
+Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
+bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
+daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
+schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
+te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
+niet slecht!
+
+En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
+voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
+
+Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
+toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
+
+Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
+Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
+Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
+
+Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
+was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
+naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
+zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
+geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
+
+Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
+hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
+alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
+genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
+
+Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
+een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
+eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
+vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
+
+Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
+smeeken of aan te dringen.
+
+En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
+
+Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
+pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
+den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
+
+Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
+hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
+schreide in de aangrenzende kamer.
+
+Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
+binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
+heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
+was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
+Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
+hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
+mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
+duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
+bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
+gevraagd had.
+
+Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
+verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
+plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
+ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
+
+'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
+haar. Maar ze zag niemand.
+
+'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
+en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
+Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet
+neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
+onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
+Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
+krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
+ontzetting.
+
+Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
+gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
+venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,”
+zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze
+zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
+was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
+
+Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest
+hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
+'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
+verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
+troosten, die zóó schreide.
+
+Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
+Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten
+schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
+
+Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
+die uit den hemel verbannen werd.
+
+En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
+de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
+kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
+tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
+blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
+zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
+
+Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
+geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
+te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
+
+Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
+vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
+gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
+
+„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest
+het hooren.”
+
+Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
+
+Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
+verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
+vreemd voor.
+
+Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
+hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
+zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
+
+„Waarover sprak hij dan?”
+
+„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
+paradijs gesloten werden.”
+
+Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
+ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
+
+Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
+hem mee in de vestibule.
+
+„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder.
+„Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?”
+
+„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.”
+
+Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo
+wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot
+was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
+het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
+aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
+Grootvader was.
+
+„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer
+dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
+houden.”
+
+
+
+
+DE KERSTVREDE.
+
+
+Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
+grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
+scherpe wind uit het noorden.
+
+Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
+hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
+Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
+massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
+door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
+
+Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
+een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
+Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
+te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den
+emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
+Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
+bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
+
+Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
+Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
+groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
+kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
+tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
+elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
+haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
+den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
+Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
+zien kon hoe leelijk ze was.
+
+Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
+die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
+gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
+berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
+twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
+lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
+uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
+berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
+meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
+ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't
+ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
+
+Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
+binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
+de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
+te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
+met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
+was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
+badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
+zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
+
+Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
+leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
+zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
+een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
+even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
+oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
+dat wilde wat zeggen:—tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
+Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
+toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
+machtigste van een geheele gemeente te wezen.
+
+Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de
+berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
+dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel
+en een ander op 't groote bed.
+
+„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes
+gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
+velletje?”
+
+Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
+wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
+binden.
+
+„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar,
+want hij was echt in Kersthumeur.
+
+Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
+en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
+om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
+Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
+schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
+plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
+te gaan.
+
+Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
+over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
+op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
+weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
+iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
+zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
+menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
+
+Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
+het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
+paar berketakken van een jaar oud te vinden.
+
+Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
+heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
+losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
+sneeuwvlokken achter zich aan.
+
+Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
+afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
+hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
+een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
+sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer
+ronddraaide als een tol.
+
+Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
+jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
+sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
+gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
+verkeerden kant uit.
+
+Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
+berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
+richting van de hoeve in te slaan.
+
+De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
+bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
+tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
+er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
+hoeve leidde.
+
+Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
+de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
+werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
+
+Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
+hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
+geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
+richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
+anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
+weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
+zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
+merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
+toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
+avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
+zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
+even verward in 't hoofd als te voren.
+
+Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te
+verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
+dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
+gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
+had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
+veld en hij had het weer zien opgroeien.
+
+Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
+maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
+liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.
+
+Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij
+begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
+te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
+die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
+vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
+diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
+hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
+
+Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
+op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
+te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
+probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
+
+Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij
+meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
+al moest het zijn leven kosten.
+
+Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
+den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
+de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
+kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
+over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
+hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
+'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
+aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
+spreken.
+
+Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
+wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
+Ingmarson zijn.
+
+En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
+geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
+woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
+verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
+stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
+zich begon te bewegen.
+
+Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
+kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
+al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
+
+Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
+verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
+burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
+majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
+den hals.
+
+Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
+vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
+tot aan de kerk.
+
+Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
+begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
+
+Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
+Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
+zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
+
+'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
+alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
+opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
+marktdag.
+
+Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
+aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de
+burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?”
+
+En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
+zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
+
+En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
+Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
+geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij
+nauwelijks staan kon.
+
+Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
+op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
+
+Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
+met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!—
+
+En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
+sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
+geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
+slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
+deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
+warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij.
+
+Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
+Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
+gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
+
+Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
+schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
+in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
+sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
+
+ * * * * *
+
+Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
+had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
+
+Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
+hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
+naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
+
+Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
+de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
+de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
+onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
+uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
+Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
+zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
+den vermiste wilden vinden.
+
+Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
+en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
+Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
+groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
+ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
+En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als
+dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
+op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
+
+Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
+barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
+kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
+en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
+allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
+roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
+konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
+strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
+alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
+de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
+waren dan anderen.
+
+Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
+vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
+gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
+ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
+geslacht behoorde, een ongeluk trof.
+
+De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
+
+„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had
+kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
+
+„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit
+voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
+bewezen had.
+
+ * * * * *
+
+Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
+in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
+en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
+Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
+bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
+plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
+vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
+toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
+
+Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
+over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
+ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
+werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een
+welbehagen.”
+
+Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
+Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
+„Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.”
+
+De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
+langzaam uitsprak.
+
+„Moeder,” zei hij heel zacht.
+
+Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je
+niet meê naar 't bosch gegaan?”
+
+„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben meê geweest.”
+
+„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.”
+
+Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
+moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
+houden.
+
+„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer.
+
+Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
+
+De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
+zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
+zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
+naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er
+gebeurd is, mijn jongen.”
+
+De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
+hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
+te schreien.
+
+„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze.
+
+„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon.
+
+„Is het erger dan dat?”
+
+De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
+macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
+breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.”
+
+„Heeft dit er iets meê te maken?” vroeg ze.
+
+„Ja,” antwoordde hij.
+
+„De Kerstvrede?”
+
+„Ja.”
+
+„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?”
+
+„Ja.”
+
+„En God heeft ons gestraft?”
+
+„God heeft ons gestraft.”
+
+En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
+den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
+takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
+maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
+hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
+Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
+alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
+iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
+
+ * * * * *
+
+Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
+proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
+huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
+een steenen beeld.
+
+De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
+boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het
+wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
+de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
+De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
+zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
+eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
+
+Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
+
+„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
+wilden laten houden over Vader.”
+
+De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
+tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
+als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
+handen.
+
+„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon.
+
+„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
+oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
+kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
+'t graf volgde.
+
+„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
+weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.”
+
+„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
+wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
+doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
+getroost had.
+
+„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê.”
+
+De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
+goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
+zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
+dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen
+zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
+het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.”
+
+Nu sprak de vrouw ook. „Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht
+doen.”
+
+De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
+
+„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
+tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
+moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
+hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
+en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
+God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
+Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
+Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
+en opzien wekken.”
+
+De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat
+ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En
+onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn
+kranige menschen, de Ingmarsons.”
+
+De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
+in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
+begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
+macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
+
+„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,”
+zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.”
+
+
+
+
+HET GRAFSCHRIFT.
+
+
+Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
+kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
+het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
+het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
+armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
+het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
+bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
+ze nog tot woorden samen te voegen.
+
+Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
+wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
+voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te
+gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
+op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
+
+Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap
+verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
+ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
+vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
+geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
+er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
+kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
+kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
+bezitten als de rijkste boer.
+
+De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
+verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
+Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
+ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
+kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
+vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
+van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
+één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
+dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
+wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
+
+Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
+hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
+onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
+liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in
+de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
+bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
+gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
+ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
+voornamer dan een ander.
+
+Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
+de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
+uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
+trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
+gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
+te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
+den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het
+graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
+te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
+oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
+begraven zijn.
+
+Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
+dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
+ze niet van elkander kan onderscheiden.
+
+Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
+ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
+kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
+werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
+aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
+
+Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
+den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
+het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
+ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
+Sander op Lerum.
+
+Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
+een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
+al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
+gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
+een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
+woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
+zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
+wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
+
+„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.”
+
+Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
+grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
+Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
+zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
+
+Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
+opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
+beven, alsof ze een felle kou voelt.
+
+„Wat zeg je?—Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
+klappertandt van kou.
+
+„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder
+liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
+daar liggen zal.”
+
+„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist
+wel, dat je je eindelijk wreken zou.”
+
+Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
+groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
+door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
+staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
+onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
+
+„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik
+kan dit alleen niet verdragen.”
+
+„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
+naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor
+hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!”
+
+„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet
+verdragen.”
+
+Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
+noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt
+onmogelijk is hem te bewegen.
+
+„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom
+liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.”
+
+Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
+dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de
+buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
+het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
+die van Vader en Moeder en ons beiden.”
+
+„En denk je, dat ze dat gelooven?”
+
+„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij.
+
+Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
+hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
+armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
+Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
+dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
+komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
+toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
+Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
+
+En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
+
+Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
+toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
+
+„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden
+als zijn vrouw.
+
+Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
+genoeg vallen het werkelijk te doen.
+
+Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
+niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
+blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
+verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
+altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden
+was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
+worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
+als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
+iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
+nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
+
+ * * * * *
+
+De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
+hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de
+begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
+te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
+schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
+het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
+de doodsangst versteent haar.
+
+Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê
+naar het kerkhof—mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
+dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
+groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
+ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
+de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
+onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
+den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
+kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
+losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
+een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
+verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
+helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
+daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
+gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
+ruimen.
+
+De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de
+gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen
+zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.
+Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de
+lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte
+doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den
+stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.
+
+Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om
+een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.
+
+Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen
+voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen
+krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen
+is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele
+kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een
+luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.
+
+De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in
+beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom
+heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den
+dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof
+moeten gaan. Een doode is immers niets waard.
+
+Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze
+mogen den doode leggen, waar ze willen,—alleen niet op het kerkhof. Er
+gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,
+zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is
+door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang
+maken als kinderen.
+
+Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd
+vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet
+ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze
+ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En
+de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen
+naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet
+eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat
+de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het
+familiegraf rusten zal.
+
+Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet
+alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.
+
+„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker
+niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders
+vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.”
+
+En nu begrijpt ze, dat ze gered is.
+
+Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.
+„'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet
+ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en
+levensgevaar is gered.
+
+Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone
+plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich
+op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te
+luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te
+spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door
+de leden. „Het is immers dood? Dood!”—
+
+Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den
+eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.
+Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk
+regeert over alle uren van den dag en van den nacht.
+
+Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare
+meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het
+leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te
+winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden
+worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.
+
+De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,
+dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de
+weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit
+alles.
+
+En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken
+en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij
+zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien
+niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.
+Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt
+ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.
+
+Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn
+verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.
+
+'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat
+nooit begrepen, terwijl hij leefde.
+
+Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich
+door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,
+geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes
+geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.
+
+En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker
+wordt—kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.—Denk eens
+aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder
+het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht
+mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die
+ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het
+wezenlijke kleine menschjes.
+
+En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat
+het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó
+dicht genaderd zou zijn als nu.
+
+Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt
+heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt
+ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang
+geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht
+heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich
+geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te
+begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.
+
+Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal
+nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit
+haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem
+nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze.
+
+En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met
+verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het
+barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn
+graf komen en met hem spreken kan.
+
+Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf
+met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,
+lang kunnen zitten.
+
+Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers
+niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze
+verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren
+zitten. Wat zal ze hun zeggen?
+
+Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote
+familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos
+zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij
+zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen
+zal.
+
+Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is
+toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij
+zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een
+brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem
+daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles
+te boven ging.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het
+sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien
+een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat
+de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij
+verlangt zoo!
+
+Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's
+winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen.
+Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij
+te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan
+nooit onder de aarde komen?
+
+Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar
+heele leven lang.
+
+En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar
+sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den
+doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan
+naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten
+en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes
+weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen
+kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft
+ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.
+
+Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte
+letters:
+
+ _Hier rust mijn kind._
+
+En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om
+of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,
+het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden
+op het graf van haar kind.
+
+
+
+
+DE BEIDE BROEDERS.
+
+
+Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven
+zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den
+lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze
+moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze
+geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en
+zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie
+rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
+
+Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de
+menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de
+lange rust in de aarde gebracht worden.
+
+Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo
+goed als in Svartsjö in Wermeland.
+
+Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen
+precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,
+als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want
+dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen
+een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook—want dat hebt
+ge immers als zoo dikwijls gezien,—dat ge naar de kerk wordt gereden
+op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge
+behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar
+niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en
+dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
+
+Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult
+krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort
+zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
+
+En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg
+zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult
+ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er
+wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk
+van Svartsjö staan.
+
+Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den
+dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te
+zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte
+schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa
+menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben
+den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken
+zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.
+Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet
+zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden
+schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,
+dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor
+hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in
+Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de
+gewoonte daar is.
+
+Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en
+machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in
+de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw
+kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin
+den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,
+dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
+
+Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt
+worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag
+begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.
+Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest
+mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden
+geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine
+jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,
+en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit
+groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar
+zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden
+werdt.
+
+Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er
+niemand, die er niet op toeziet.
+
+Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben.
+Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft
+kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is
+tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags
+heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er
+werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.
+En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den
+rouwstaf.
+
+'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.
+Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat
+verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
+
+Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant
+en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle
+kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van
+zijn.
+
+Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo
+eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.
+Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er
+maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,
+die dood zijt.
+
+De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk
+gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde
+kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt
+en verootmoedigd worden door hun armoede.
+
+Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger
+worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de
+gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen
+kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de
+kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te
+verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman
+nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet
+voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten
+op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
+
+Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar
+het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de
+witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.
+Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de
+draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de
+losse aardhoopen en laten u zakken.
+
+En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en
+begint te zingen:
+
+ „Ik ga den dood te gemoet.”
+
+Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de
+omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de
+noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij
+zingt.
+
+De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,
+dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen
+zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,
+omdat het bij zijn werk hoort.
+
+Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest
+hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede
+vervallen.
+
+Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en
+luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden
+zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men
+niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men
+nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
+
+Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet
+alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt
+zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één
+waren.
+
+De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een
+langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt
+wat hij kan, om hem te helpen.
+
+En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den
+koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te
+verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude
+man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat
+ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de
+kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom
+hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de
+wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet
+gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat
+het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
+
+En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat
+lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit
+voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
+
+Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft
+altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen
+geven.
+
+Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo
+arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
+
+Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,
+niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie!
+nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij
+daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de
+koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu
+helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
+
+Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,
+omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat
+hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken
+buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar
+het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt
+zijn broer met zijn ellendige stem.
+
+De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de
+anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet
+hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij
+een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof
+lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit
+de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht
+om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De
+koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer
+lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den
+Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
+
+Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk
+niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in
+Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
+
+Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als
+nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar
+geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven
+is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt
+het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn
+toespraak.
+
+Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij
+zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en
+klagender, hoe langer ze zingen.
+
+Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop
+in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
+
+Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw
+en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat
+armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw
+hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw
+ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.
+
+
+
+
+ROMEINSCH BLOED.
+
+
+Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren
+buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men
+kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het
+jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,
+een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;
+en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen
+en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.
+
+En dan om wat te verdienen,—want groente en kippen brengen geen
+schitterend inkomen op—koopt men een paar groote vaten romeinsche
+slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer
+dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met
+literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en
+de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.
+
+Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en
+onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met
+wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En
+eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de
+kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is
+de osteria klaar.
+
+Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria
+geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef
+om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.
+Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en
+dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten
+den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't
+huis, liefhad.
+
+Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het
+graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.
+Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een
+heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een
+woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen
+waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.
+
+Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en
+verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is
+Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon
+Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de
+soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters
+die voorgediend hadden.
+
+Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat
+was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij
+was?
+
+Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria
+kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te
+vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het
+balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan
+was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het
+zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige
+histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij
+hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar
+verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,
+dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun
+beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.
+
+De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde,
+en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
+wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
+hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
+zou nooit trouwen dan met een signor.
+
+Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop
+ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,—en
+aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
+een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
+het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
+veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
+neerhing.
+
+Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
+Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
+
+Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een
+Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
+veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
+tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
+oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
+het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
+durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
+was waarlijk geen klein geluk.
+
+De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
+'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
+maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
+voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
+huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
+drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
+haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
+was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
+ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
+gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
+snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
+elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
+soldaten, die samen ten strijde trekken.
+
+Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
+vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
+geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
+graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van
+de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
+van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
+omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
+keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
+verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
+haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
+hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
+
+Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
+dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
+meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
+
+Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
+bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
+maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
+schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
+Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
+
+Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
+Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
+zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
+al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
+zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
+van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
+
+De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië
+voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
+dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
+vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
+ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
+laten de menschen ongelukkig te maken.
+
+Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
+hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië
+moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
+des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat
+onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren
+Nino's woorden.
+
+Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
+adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
+leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
+thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
+afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
+stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
+over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
+belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
+gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
+naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
+den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
+
+Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
+de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
+glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
+liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
+afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
+een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
+te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
+
+Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
+over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
+niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
+tot na de bruiloft.
+
+Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
+haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
+de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
+zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
+monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
+hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
+Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
+hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
+en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
+niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
+
+'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
+die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
+gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
+Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
+gevoeld.
+
+Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat
+hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
+hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
+was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan
+zou het er wel anders gaan.”
+
+Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
+daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
+troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
+en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
+alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
+en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
+er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
+zwermen.
+
+Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
+dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
+Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
+overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden.
+
+Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
+Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
+Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
+geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
+een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag
+geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
+
+„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!” en
+andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
+het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
+krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
+Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
+niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
+vertrouwen.
+
+Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
+ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
+de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
+lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
+kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
+anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
+soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
+vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.”
+
+Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
+had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
+liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
+moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
+'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
+aderen.
+
+Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar
+Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het
+station.
+
+Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
+Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
+enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
+verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
+„Leve Italië!”—er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
+gestrooid.
+
+Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
+hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
+de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
+krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
+Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
+terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
+scheidden zij.
+
+Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
+niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
+groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
+was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid
+geworden.
+
+Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
+aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
+volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de
+laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
+over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En
+den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
+verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
+
+Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
+troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
+maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
+hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
+geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
+
+Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
+
+„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht
+gaan?”
+
+En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
+door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
+Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
+de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
+men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
+scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
+weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
+die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
+
+Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar
+men muilezels moest eten!
+
+Neen, dat vond Nino ook.
+
+En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
+vreeselijk de oorlog was.
+
+Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
+die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
+zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
+tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
+schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
+hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
+
+Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
+Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
+na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
+verscheuren.
+
+Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
+lezen.
+
+Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
+dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
+daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
+in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
+zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
+
+Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
+zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van
+den volgenden dag vertrekken.
+
+Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
+doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
+vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
+niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben.
+
+Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
+in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
+zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
+zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
+lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
+band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
+schoten.
+
+Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
+den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen
+koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
+snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
+bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
+laat het was.
+
+Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
+van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
+te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor
+zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag.
+Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
+ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
+en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
+verscheurden.
+
+Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
+Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
+wel weren tegen de barbaren.
+
+Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
+lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
+blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
+rood als bloed!
+
+Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
+Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
+zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
+zou, den heelen dag niet.
+
+„Neen, zeker niet, Teresa.”
+
+En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
+naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
+haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
+dan de andere.
+
+Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
+liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf
+wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
+hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
+kwaads zou overkomen.
+
+Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
+daar aten zij met hun drieën.
+
+In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
+in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
+zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
+veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
+zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
+zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
+en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
+gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
+onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
+vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
+bepaald bij zich houden.
+
+Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
+zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
+of blind te maken.
+
+Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
+moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
+vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
+Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
+hoefde?
+
+Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
+
+Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
+niet.
+
+Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
+kunnen trouwen?
+
+De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
+daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
+
+Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
+ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
+reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
+voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
+
+„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.”
+
+„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
+niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je
+niet kan laten gaan.”
+
+De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
+dan een plotselingen inval te zien.
+
+Toen begon ze over wat anders.
+
+Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
+schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
+
+Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
+de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
+het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
+uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
+was.
+
+Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
+van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
+gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
+hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
+het niet waar was.
+
+Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
+verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
+in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
+Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
+officieren.
+
+„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
+Romeinsche?”
+
+Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
+toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
+moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
+zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
+voor zich! Dood en verscheurd!
+
+Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
+haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte,
+bad.
+
+Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
+Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
+horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
+tijd om was en heengaan.
+
+„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet
+anders dan heengaan.”
+
+„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
+slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
+hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.”
+
+„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.”
+
+„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
+gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
+wij het hunne hebben?”
+
+„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals
+laatst in Rome. Nu moet ik weg.”
+
+„_Moet_ je?”
+
+„Ja.”
+
+„Ga dan maar.”
+
+„Teresa.”
+
+„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
+me.”
+
+Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
+aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
+Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
+werkelijk heen.
+
+Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
+toevertrouwde.
+
+Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
+stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
+booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
+duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
+
+Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
+afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
+boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
+en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
+hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat
+vervloekte barbarenland konden voeren.
+
+De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
+wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!—Uit de menigte
+van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
+bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
+van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
+
+Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,”
+zei ze. „Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden
+weggevoerd en door de barbaren geslacht.”
+
+Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
+menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
+om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
+zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
+dirigeeren.
+
+Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
+hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
+haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
+stappen.
+
+Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
+hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
+omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
+
+Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
+trok haar midden tusschen de menschen.
+
+„Blijf hier stil staan.”
+
+Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis
+gaan, Nino,” zei ze.
+
+Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast,
+dat het pijn deed.
+
+„De politie mag anders gerust....”
+
+Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
+
+'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
+hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
+vluchten.
+
+„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe.
+
+„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
+Napolitaner zal jelui verraden.”
+
+Op eens begon Teresa te snikken.
+
+„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.”
+
+En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino
+wilde. Hij had de macht in handen.
+
+Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
+
+De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en
+Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht?
+Heeft iemand haar gezien?”
+
+'t Was een lange signora!—neen een kleine?—had men haar gezien,—neen,
+daar;—ze was naar 't station gevlucht;—neen, naar Santa Lucia.—En de
+politieagenten verspreidden zich rechts en links.
+
+Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig
+naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou
+aangeven.
+
+Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard
+had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
+
+De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van
+hem aan Teresa.
+
+Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten
+leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
+
+„Lees dien, Nino,” vroeg ze.
+
+Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
+
+„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze.
+
+Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar
+doodvonnis in handen.
+
+„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op.
+
+En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn
+liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij.
+
+Ze trok verachtelijk de schouders op.
+
+„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze.
+
+„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het
+vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,
+je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je
+zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te
+veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude
+Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden
+geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te
+beletten zijn plicht te doen.”
+
+Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei
+ze.
+
+Nino zweeg.
+
+„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou hij nu dood zijn. Ik
+begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.
+Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu
+laten gaan!”
+
+„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik
+geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?”
+
+Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi
+en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad
+en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,
+hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven
+lang;—zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,
+dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de
+heerschappij hernemen.
+
+„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde
+dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?”
+
+Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe
+weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor
+alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf
+geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen
+Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.
+
+
+
+
+DE OUDE AGNETA.
+
+
+Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze
+was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet
+hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't
+Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.
+
+Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.
+Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn
+ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal
+voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren
+overleden.
+
+Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij
+was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.
+De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig
+konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich
+herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der
+onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop
+boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die
+zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den
+ijskouden bergwind werden voortgejaagd.
+
+Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat
+haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar
+rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij
+woonde daar zoo heel alleen!
+
+Bij dat woord „alleen” namen haar gedachten een noch somberder tint aan.
+Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.
+Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn.
+
+„Oude Agneta,” zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in
+haar eenzaamheid, „je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je
+moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te
+sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand
+in de wereld, oude Agneta?
+
+Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo
+zijn.—Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand
+plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat
+houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen
+opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta.
+Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water
+kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.”
+
+Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar
+garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd
+eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden
+doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den
+predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien
+zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. „Ik ben
+als een doode,” zei ze. „Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed
+sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn
+hart is bevroren—dat is het!
+
+Ach ja, ach ja,” zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, „als er
+maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de
+oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken
+breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,” zei ze en
+balde de vuist tegen den hemel, „je moet me iemand geven, die me noodig
+heeft! of anders wil ik sterven.”
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het
+bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd
+was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in
+haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou
+worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.
+
+„Dat kan God wel doen,” zei de monnik.
+
+„Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?” zei de oude
+Agneta. „Hier is immers niets dan de koude, kale velden.”
+
+Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,
+bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met
+kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven
+hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag
+de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.
+
+„Ach!” zei hij, „woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je
+gezelschap genoeg. Zie maar!” De monnik legde den wijsvinger tegen den
+pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar
+tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta
+beefde en sloot de oogen.
+
+„Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,” zei ze. „De
+hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.”
+
+„Nu—goedendag dan,” zei de monnik. „Het zal je niet meer aangeboden
+worden zoo iets te zien.”
+
+De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het
+sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich
+daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat
+zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs
+gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.
+
+Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't
+in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in
+eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,
+maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!
+Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen
+fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten
+over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot
+bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude
+sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat
+warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,
+verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof
+de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten
+hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen
+stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,
+want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun
+bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar
+dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze
+werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen
+eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over
+het ijs snelden,—dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat
+rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en
+zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare
+kou.
+
+Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd
+in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al
+hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,
+als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken
+schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door
+te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als
+groote ijspegels aan de rotsen hingen.
+
+Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de
+leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar
+verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op
+de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat
+lichte sneeuwvlokken op, anders niet.
+
+Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:
+
+„Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?”
+
+Hij antwoordde: „Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid
+te bewijzen of te troosten?”
+
+Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en
+zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij
+die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de
+gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.
+
+Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was
+opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.
+
+„De dooden,” zei ze tot zich zelf, „vragen niet naar roode wangen en
+lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat
+warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja—maar
+hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude
+van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?”
+
+Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en
+bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te
+betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen
+den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar
+moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer
+zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had
+voorgenomen.
+
+Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste
+stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't
+venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze
+wijd open en toen begaf zij zich te bed.
+
+Ze lag in het donker te luisteren.
+
+Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den
+gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet
+binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude
+Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer
+in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en
+bloed kon dit niet verdragen.
+
+Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van
+pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs
+op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.
+
+Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. „Je bent laf,
+oude ziel,” zei ze. „'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat
+alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?”
+
+En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met
+klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam
+toch in de kamer en de deur kreeg ze open.
+
+Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden
+komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt
+had, dat ze niet meer durfden te komen.
+
+Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als
+ze met de kudde uitging.
+
+„Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden
+uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?”
+
+Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze
+hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek
+en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk
+waarschuwde: „Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet
+verschrikt.”
+
+Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich
+tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof
+zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te
+krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: „Sst! sst! maak
+haar niet verschrikt.”
+
+Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen
+en sliep in.
+
+Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was
+nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen
+ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.
+
+ * * * * *
+
+Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de
+dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur
+kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig
+had.
+
+Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk
+zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat
+noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om
+het te begraven.
+
+Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort
+voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag
+men geen droefheid op iemands gezicht.
+
+Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een
+lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den
+met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,
+dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar
+dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als
+van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode
+kaarsen gebrand had voor de onzaligen.
+
+Toen zeiden de menschen bij het graf: „Geloofd zij God. Zij, die door
+niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden
+daar boven in de groote eenzaamheid.”
+
+
+
+
+DE RING VAN DEN VISSCHER.
+
+
+Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een
+oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was
+nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken
+opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer
+trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo
+lief.
+
+Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg
+gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en
+kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en
+verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom
+ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden
+te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun
+geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.
+
+„Denk er aan,” zei hij tot hen, „dat Venetië nooit door eigen kracht zou
+zijn staande gebleven. Zie nu eens—is het niet op de golven gebouwd?
+Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer
+wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten
+en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een
+storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?
+En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle
+christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd
+tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens
+houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën.”
+
+En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen
+was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;—als de
+gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter
+werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan
+herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor
+hun leven en hun geluk.
+
+Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een
+visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en
+goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven
+scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en
+'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,
+waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun
+te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles
+zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem
+niet meer te vereeren en te aanbidden.
+
+Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote
+visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,
+hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te
+blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.
+
+Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar
+de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen
+zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den
+morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-
+en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het
+eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige
+Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido
+heen was de groote, onbegrensde zee.
+
+Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot
+en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog
+altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de
+eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een
+goede boot en waren goed thuis op zee.
+
+Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat
+de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,
+dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,
+maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.
+
+De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de
+golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een
+groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen
+overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't
+zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna
+kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het
+scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.
+Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn
+met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de
+plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.
+
+'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de
+mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.
+Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide
+zonen en nog drie anderen waren omgekomen.
+
+Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen
+naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep
+tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als
+een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar
+oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn
+aan.
+
+Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op
+zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,
+dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn
+haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het
+groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze
+altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.
+
+Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder
+er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang
+gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de
+keel.
+
+„Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,” schreeuwde hij hem toe,
+„mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!”
+
+De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn
+verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.
+Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en
+stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.
+
+Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de
+harde steenen, en zei telkens: „Dat is San Marco, San Marco.”
+
+„Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,” zeiden ze tot hem.
+
+„Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,” zei Cecco, „buiten
+Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San
+Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor
+geweest. Ja,” ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om
+hem te kalmeeren, „zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij
+Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat
+men hem uitlacht.”
+
+Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp
+zocht. „Luister eens, Beppo van Malamocco,” zei hij en strekte de hand
+uit naar een grooten visscher, „geloof jij niet, dat het San Marco was?”
+
+„Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.”
+
+„Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens—mijn
+jongens en ik, toen ze nog kindren waren,—daar buiten op zee, en om den
+tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. „San
+Marco, de evangelist,” zei ik tegen hen, „lag eerst begraven in een
+mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van
+de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis
+in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om
+dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden
+met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de
+bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het
+bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde
+priesters: „Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar
+door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het
+eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de
+eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.” Toen gaven de
+priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in
+Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander
+heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't
+niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den
+bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat
+de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de
+deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de
+twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië.” Je weet
+immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?”
+
+„Ja zeker, Cecco.”
+
+„Ja, maar nu moet je hooren,”—en Cecco richtte zich half op en sprak
+met doffe stem in zijn angst. „Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik
+vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de
+jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen
+lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en
+Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat
+je 't ver over zee kon hooren.”
+
+„Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!”
+
+„Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op
+dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten
+sterven?”
+
+Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot
+verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers
+natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee
+gebeurt en niet in de haven.
+
+En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men
+had ze hooren roepen: „Evviva San Marco!”—even hard als ieder ander.
+En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn
+toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.
+
+„Maar jij, Cecco,” zeiden ze, „jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo
+over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten
+en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?”
+
+Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. „Jelui gelooft het dus
+niet,” zei hij.
+
+„Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.”
+
+'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.
+
+„Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,” zei hij. Hij stond op
+en ging naar de deur. „'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?” zei hij.
+„Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik
+wil het niet gelooven.” Hij ging heen en in de straat voor zijn deur
+ontmoette hij een buurvrouw.
+
+„Nu lezen ze een zielmis in den dom,” zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze
+was bang voor hem, zóó zag hij er uit.
+
+Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli
+Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren
+naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen
+storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk
+weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.
+
+Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk
+van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te
+bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger
+dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen
+wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom
+haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra
+de zee een van allen aanviel.
+
+Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich
+hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden
+tot San Marco. „Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten
+van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in
+het oosten,” had hij tot hen gezegd. „En tot dank daarvoor hebben de
+Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en
+nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het
+een geschenk voor die kerk meêbrengt.”
+
+Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd
+en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over
+gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht
+voor zijn beschermheilige bouwde.
+
+Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het
+andere te bidden.
+
+Het kwam weer terug—hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde
+geen kwaad van San Marco gelooven.
+
+Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En
+dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk
+veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar
+ze als voor de grap had laten omkomen.
+
+Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij
+wilde hem niet loslaten.
+
+En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld
+met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang
+den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,
+zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.
+
+'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.
+Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om
+op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen
+kon nemen!—een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een
+valwind!
+
+Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen
+uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.
+
+Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van
+gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.
+
+Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.
+
+Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.
+Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend
+had?
+
+Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel
+droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de
+geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en
+wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door
+ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over
+hem gekregen.
+
+Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een
+groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had
+hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.
+„Neem dit dan ook maar,” zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk
+naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de
+woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.
+Zoo had San Marco ook gedaan.
+
+Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te
+hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat
+gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco
+was een stumper, even laf als wraakzuchtig.
+
+Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,
+omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof
+hem die in alle vroomheid gegeven was.
+
+Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten
+haastig voorbij. „Het stijgt, het stijgt angstwekkend,” zei de een.
+
+„Wat?” vroeg Cecco.
+
+„Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een
+voet gestegen.”
+
+Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas
+op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de
+Piazzetta was opgespat.
+
+Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich
+naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,
+alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede
+golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.
+Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de
+kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten
+worden. De hemel was effen grijs als de zee.
+
+Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou
+kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen
+zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel
+eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand
+zitten en wachtte.
+
+Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en
+groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die
+slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.
+
+Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den
+kant van Lido.
+
+O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien
+hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,
+en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de
+witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die
+elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim
+als damp wordt voortgezweept.
+
+De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen
+niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen
+werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,
+om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te
+worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,
+klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in
+de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.
+
+Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar
+gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze
+bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de
+booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine
+kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met
+het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het
+land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing
+te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al
+het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam
+een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,
+die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te
+zijn eer de storm al te geweldig zou worden.
+
+Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen
+en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat
+dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun
+inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.
+
+Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor
+een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de
+golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend
+naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,
+zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot
+vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en
+fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,
+dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg
+weer in flarden neer.
+
+Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen
+speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad
+doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot
+onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.
+
+Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.
+Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan
+land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend
+neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land
+gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren
+en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak
+er de sierlijke bogen van.
+
+Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.
+Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij
+te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,
+dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij
+had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.
+
+„Een storm!” zei hij in zichzelf, „is dit nu een storm? En nu meent men
+misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar
+San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.”
+
+Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de
+stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den
+Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor
+de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen
+fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware
+brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.
+
+Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge
+Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de
+menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?
+
+Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was
+nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan
+de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun
+woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te
+rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.
+
+De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen
+hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken
+aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen
+bestormen.
+
+Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,
+die over zijn hoofd heengleden.
+
+„Nu is het spoedig uit met Venetië,” zei een stem in de eene wolk,
+„straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.”
+
+„Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,” klonk het uit de andere
+wolk.
+
+„San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij
+machteloos neerligt en niemand helpen kan,” zei de eerste stem weer.
+
+Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van
+dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en
+vergiffenis.
+
+Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de
+eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en
+daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden
+meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken
+uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde
+signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze
+moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar
+Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren
+weggeslagen.
+
+Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te
+luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna
+van het lijf gerukt werden.
+
+De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te
+gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen
+optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de
+kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.
+Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof
+hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,
+blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie
+gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.
+
+Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den
+gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.
+
+Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den
+geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid
+en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag
+hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van
+zijn gebeden het lot van de stad afhing.
+
+Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele
+kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke
+schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten
+op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook
+op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.
+
+De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den
+avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,
+hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te
+blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,
+die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er
+reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.
+Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de
+instortende huizen in 't water verdwenen.
+
+Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.
+
+„Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven
+voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon
+vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel
+waard als een bloeiende zoon.”
+
+Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt
+was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende
+strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven
+zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot
+volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het
+schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de
+barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En
+al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het
+schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood
+tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.
+
+Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de
+hemelpoort; „Laat mij alleen lijden,” sprak hij. „San Marco, dit is meer
+dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het
+ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.
+Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.”
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het
+scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de
+granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De
+oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië.
+
+Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De
+demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde
+dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel
+om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke
+vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar
+kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich
+wat in de lucht. Hij zag het—en zag het niet. Toen was het alsof het
+neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de
+plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar
+hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered
+werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.
+
+Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij
+ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de
+groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.
+
+De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en
+zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en
+bleef zitten.
+
+Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast
+hem.
+
+„Goeden avond, Cecco,” zei de vreemde, „neem uw boot en zet mij over
+naar San Giorgio Maggiore.”
+
+„Ja, dadelijk Heer!” antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een
+droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien
+hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet
+had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende
+en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met
+den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar
+San Giorgio betrof—hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.
+„Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,” dacht hij. Maar de
+man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om
+hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp
+den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.
+
+Cecco moest om zich zelf lachen: „Waar denk je aan? Steek ten minste
+niet in zee!” zei hij. „Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,
+dat geen mensch daar tegen op kan.”
+
+Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het
+onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een
+zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San
+Giorgio Maggiore te roeien.
+
+'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. „Ach!
+scheld dien kerel uit,” zei Cecco halfluid tegen zichzelf. „Scheld hem
+uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een
+verstandige, oude visscher! Roep hem terug.”
+
+Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.
+Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als
+hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter
+naar San Giorgio voort.
+
+„Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,” zei hij.
+„Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een
+heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.”
+
+Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet
+over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen
+alles te doen wat de man in de boot verlangde. „Roei ten minste niet
+naar San Giorgio, dwaas,” zei hij. „Daar slaat de wind nog feller op dan
+op Rialto.”
+
+Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde
+aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de
+boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou
+liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.
+
+Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.
+Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.
+
+„Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,” sprak de vreemdeling.
+
+„Ach ja,” dacht Cecco, „waarom niet naar Lido,” 't was al
+levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij
+de tocht naar Lido niet wagen?
+
+En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in
+den dood en zette werkelijk koers naar Lido.
+
+Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet
+hoe hij dat uithouden moest. „Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,”
+zei hij verwijtend tot zichzelf.
+
+Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde
+noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,
+dat hij vooruit komen kon. „Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,”
+zei hij tot zichzelf.
+
+Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze
+gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden
+bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den
+mijter op het hoofd.
+
+„Roei ons nu naar de open zee,” zei de eerste vreemdeling.
+
+De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen
+vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij
+dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van
+naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide,
+voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.
+De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede
+waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het
+donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door
+de storm opgezweepte zee lag voor hen.
+
+'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier
+in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of
+hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide
+hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.
+
+Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de
+knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam
+recht op hen aan.
+
+Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de
+wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de
+vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat
+ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van
+demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen
+geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den
+storm.
+
+Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan
+te zien komen en Cecco sloot de oogen.
+
+Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want
+de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip
+op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.
+
+Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat
+hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
+voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
+rustig.
+
+„Breng ons nu terug naar Venetië,” zei de vreemdeling tot den visscher.
+
+Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging,
+en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
+indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.
+
+Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
+den visscher: „Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
+zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
+en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië
+wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.”
+
+„Ja, Heer,” zei de visscher, „ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
+zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.”
+
+Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
+edelsteen.
+
+„Laat den doge dien zien,” zei hij. „Dan begrijpt hij, dat ik u
+gezonden heb. Hij kent mijn ring.”
+
+De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.
+
+„En verder moet ge den doge zeggen,” zei de heilige, „dat ik dezen ring
+geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de
+laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië
+bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de
+heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
+zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
+zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
+altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
+zal u op uw ouden dag niet verlaten.”
+
+Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
+zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
+rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden
+de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
+versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
+Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.
+
+Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de
+rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
+haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
+een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van
+geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
+de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
+uitstrekken.
+
+
+
+
+SANTA CATHARINA VAN SIËNA.
+
+
+Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het
+eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
+oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
+vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
+daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
+geuren wierook en viooltjes.
+
+En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
+Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
+ingaan, haar gezien en gekend hebben.
+
+Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
+meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
+dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
+getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
+
+Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
+feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes
+onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
+den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
+
+En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
+geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
+ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
+kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood
+zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
+vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
+gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
+met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
+
+En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
+kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
+die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
+waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
+elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
+toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
+zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
+stijl!—Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
+om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
+zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
+als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
+alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
+Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.”
+
+En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als
+een herinnering aan haar.
+
+Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
+scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
+herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
+aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
+trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
+afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
+niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
+om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
+dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
+slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
+dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
+bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
+een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en
+bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
+hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
+duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
+van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte
+van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
+en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
+houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
+
+Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
+is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
+
+In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
+vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want
+ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
+hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
+zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
+ze nog thuis was.
+
+Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast
+niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
+
+In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
+wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
+liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor
+ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
+
+Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
+Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
+door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
+
+Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
+die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
+dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
+hemels, bid voor ons.”
+
+ * * * * *
+
+Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
+schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
+leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
+of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
+ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
+duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
+herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
+eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
+huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
+mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
+helder voor onzen geest.
+
+Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna
+kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd
+en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
+zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een
+ander bestuur veroveren.
+
+De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
+geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun
+niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
+te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
+ter dood veroordeeld.
+
+Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
+voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
+hebben, in orde gemaakt werd.
+
+Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
+zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
+hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
+de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
+smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
+eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.
+
+Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
+de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
+er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
+missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
+geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
+moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
+
+Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
+aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
+Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
+
+Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans,
+van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
+Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
+hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
+wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
+Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
+miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
+hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
+verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
+sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
+troost geweest zijn.
+
+Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
+markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
+zouden halen en de kindren op straat loopen—en hij het niet zou
+zien—dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
+'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
+evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!
+
+Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
+om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
+liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
+zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen
+ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
+jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over
+hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze
+niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en
+de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
+genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
+weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
+Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
+hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
+gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
+binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
+weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
+hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
+
+Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
+jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
+onbuigzame zielen te bezitten.
+
+Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
+woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
+met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,”
+zei hij.
+
+Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in
+straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
+krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
+beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
+brachten.
+
+Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
+ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
+al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
+vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
+om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
+Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
+sneden.
+
+Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
+raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
+witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten
+sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
+bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
+
+Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
+verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
+gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
+alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
+anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
+moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte
+het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
+dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
+afgeschaafde vel.
+
+Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
+gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het
+was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
+dood moest voorbereiden.
+
+Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
+haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
+
+„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.”
+
+„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze.
+
+Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
+grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?”
+vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
+
+Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
+dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
+gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
+keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
+storen.
+
+„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit.
+
+„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te
+denken, wie ge toch zijt.”
+
+„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw,
+Lapa,” zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het
+dominicanerklooster.”
+
+„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
+dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
+afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.”
+
+Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
+zijn eerste liefde bekent:
+
+„Ik ben de bruid van Christus.”
+
+Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
+hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van
+een mésaillance.
+
+Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
+alsof hij meende, dat zij vermetel was.
+
+„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.”
+
+„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij.
+
+Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
+schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
+opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
+haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
+
+„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig.
+
+„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg
+zij luid. „Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en
+andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
+velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
+en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
+gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
+voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
+de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
+hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!”
+
+„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!”
+
+„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei
+ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
+meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
+te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.”
+
+Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u
+toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
+Christus kunt noemen?”
+
+Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
+moest scheuren, toen zij antwoordde:
+
+„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
+jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de
+kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
+ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
+heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
+Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
+en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
+terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
+een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
+hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
+geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.—Sedert dien
+tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.”
+
+Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
+veld geslapen en gedroomd.”
+
+„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
+gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
+de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
+klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
+hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
+trouwen wilde?”
+
+Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
+zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
+
+„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
+liefheeft,” vroeg hij.
+
+Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
+als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu
+zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
+Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
+gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
+te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
+zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
+maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
+muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
+en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
+flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
+het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
+wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
+deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
+daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
+iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
+hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó
+hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
+meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
+maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
+'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
+me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
+lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
+vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden,
+dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
+gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
+een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
+schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij
+voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was
+plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
+heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan,
+Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
+door het sterkste geloof verbind.””
+
+„O, Catharina!”
+
+De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
+gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
+kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
+oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
+
+Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
+jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar
+liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
+of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
+heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
+het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
+was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
+
+Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
+gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
+„Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”.
+
+Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.”
+
+En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
+over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
+Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
+biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
+morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
+nemen, zooals ge nu doet.”
+
+Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te
+schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vóór
+mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar.
+
+Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
+wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid
+sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
+angst zal van mij wijken.”
+
+„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een
+hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
+omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
+spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
+zeker komen zal en u zien sterven.”
+
+Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als
+een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven
+was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien
+zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het
+sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,
+omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
+
+Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was
+zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij
+riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina
+van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden
+redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil
+het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden
+zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over
+haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,
+die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
+
+De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen
+aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een
+verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar
+alsof ze alleen was.
+
+En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor
+alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik
+reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,
+helderde het zijne op en hij was bijna blij.
+
+Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.”
+
+„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik
+wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.”
+
+Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn
+hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
+
+„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.”
+
+Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze.
+
+Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij
+de beste troost.”
+
+De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze
+nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
+
+„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om
+te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik
+nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit
+oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,
+en mijn gebeden hebben geen kracht.”
+
+Toen zij dat zei, dacht hij: „Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen
+winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende
+hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in
+haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
+
+„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om
+uw ziel te ontvangen.”
+
+Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil
+den hemel waard zijn?—Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag—op
+dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager
+neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel
+voerden.
+
+ * * * * *
+
+Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar
+geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,
+liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest
+liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen
+doet.
+
+
+
+
+DE ZEVEN DOODZONDEN.
+
+
+De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich
+daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat
+niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den
+biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
+
+„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de
+zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag
+buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn
+vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de
+eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang
+ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al
+wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij
+nu absolutie geven?”
+
+„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit
+gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst
+vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw
+hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch
+zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme
+zondaars waren in vergelijking met u.”
+
+„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man.
+
+„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als
+ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.”
+
+En hij vertelde:
+
+„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant
+van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te
+huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het
+meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar
+trouw beloofd.
+
+Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem
+hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom
+zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen
+kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.”
+
+Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem
+in stilte.
+
+Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere
+tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:—de smart zette zich vast op
+haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om
+haar.
+
+De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.
+Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de
+kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik
+heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op
+de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en
+haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met
+zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te
+voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
+
+Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat
+een ellende u over ons gebracht hebt.”
+
+En toen ging ze naar het balkon.
+
+Daar kwam haar bruidegom bij haar.
+
+„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?”
+vroeg hij.
+
+Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem
+nooit te verlaten.”
+
+Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.
+Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan
+maken, als ik doen zal.”
+
+„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij.
+
+„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te
+nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.”
+
+Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,
+dat God zijn hart beweegt.”
+
+En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar
+gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op
+diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn
+geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als
+een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
+
+„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!”
+
+Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,
+hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,
+dan zie ik haar nooit weer,”—zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen
+zooals ge wilt.”
+
+Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en
+kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel
+stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer
+hongerig na den langen rit en de lange mis.
+
+„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met
+toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want
+hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik
+hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk
+gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want
+voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek
+u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,
+als ik het leven van mijn geliefde gered heb.”
+
+Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar
+dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl
+gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den
+maaltijd beginnen.”—En zij gingen van de tafel weg.
+
+Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen
+in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te
+zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was
+bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke
+gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur
+en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide
+hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met
+een grooten bezem te slaan.
+
+Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te
+laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.
+En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.
+Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde
+het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te
+zeggen.
+
+En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet
+en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de
+Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
+
+Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de
+loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een
+gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en
+paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een
+zwakke vrouw—haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik
+naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden
+en een geacht en eerlijk man worden.”
+
+Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij
+zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:
+„Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone
+maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij
+eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd
+voortgaan.
+
+In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde
+door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had
+zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,
+nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo
+wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij
+geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar
+toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid
+door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die
+vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug
+heeft stuk geslagen.”
+
+En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en
+droeg er haar op zijn schouders over.
+
+Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog
+zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen
+spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij
+waren iets voor haar te mogen opofferen.
+
+Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een
+der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen
+zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het
+zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
+
+De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel
+toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde
+haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,
+maar luisterde er naar en deed open.
+
+Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot
+dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,
+beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde
+haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat
+oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
+
+Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.”
+
+En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?”
+
+Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en
+sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht
+aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het
+huis van haar vader.”
+
+Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met
+wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie
+hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was
+een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze
+man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,
+welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de
+vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de
+hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of
+hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust
+de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de
+deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij
+zelf het moeilijkst te betrachten vond.
+
+Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van
+den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk
+te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer
+bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij
+verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals
+de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
+
+„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg
+toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van
+allen veel waard vindt.”
+
+„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat
+deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven
+het andere stellen.”
+
+Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende
+stem:
+
+„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.”
+
+Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
+
+„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit,
+„en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd
+had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij
+begon de duivelbezwering te lezen:
+
+„Vade retro Satanas....”
+
+Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel
+uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van
+de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
+
+En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door
+Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den
+monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen
+woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den
+visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo
+werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden
+aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
+
+
+
+
+DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.
+
+
+De bisschop had pater Verneau ontboden.—Dat was een heel lastig en
+onaangenaam geval.
+
+Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in
+den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking
+aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en
+teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn
+aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de
+leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij
+stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te
+noemen,—direct of indirect—er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.
+„En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de pater,
+„twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven.”
+
+Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op
+hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,
+vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet
+anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.
+
+„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de
+arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....”
+
+„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik
+meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.”
+
+„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....”
+
+„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?”
+
+De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
+
+„U kent hem natuurlijk!” zei hij.
+
+„Natuurlijk, Monseigneur.”
+
+„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,
+woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.”
+
+De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
+
+„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn
+voordrachtstoon vervallend.
+
+De bisschop sprong op.
+
+„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.”
+
+„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een
+lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden
+hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze
+voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau
+gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste
+uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
+
+„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in
+het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en
+voortreffelijkste, die ooit België regeerde.
+
+Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun
+dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote
+keizerin Maria Theresia.
+
+Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,
+misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet
+haar goed graafschap West-Vlaandren.
+
+In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men
+nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,
+dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.
+Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in
+visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria
+Theresia is.
+
+Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben
+macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben
+niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te
+vergelijken is.
+
+Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is
+niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
+
+Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,
+deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;
+ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote
+steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam
+ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
+
+Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en
+te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,
+hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger
+over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,
+maar zij waren vervallen en ingestort.
+
+Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat
+enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door
+den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,
+en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee
+omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid
+lagen.
+
+De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich
+vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de
+plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij
+liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de
+zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en
+al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot
+binnen de duinen was doorgedrongen.
+
+En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit
+arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden
+te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te
+ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten
+de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de
+visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit
+vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij
+dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
+
+De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in
+Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot
+Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak
+met het volk.
+
+De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
+
+„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin.
+
+„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis
+Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat
+hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn
+boot.”
+
+„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin.
+
+„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig,
+toen men hem aan land bracht.”
+
+„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin.
+
+„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets
+hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn
+vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte
+maakte hem zeker krankzinnig.”
+
+„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de
+keizerin, „is iets om op te vertrouwen.”
+
+„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij
+en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op
+rekenen kunnen.”
+
+De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
+
+„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem.
+
+„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein
+opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,
+met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,
+waarmee hij begonnen was.”
+
+„Hoe komt dat?” zei de keizerin.
+
+„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij
+kleiner, dan hij verwachtte.”
+
+„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin.
+
+„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen
+heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet
+toereikend zal zijn.”
+
+„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig
+heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin.
+
+„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en
+niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te
+steunen.”
+
+De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en
+vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
+
+„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der
+Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.”
+
+„Werkelijk?”
+
+„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa
+kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er
+van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die
+te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden
+hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.”
+
+„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de
+keizerin.
+
+„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.”
+
+„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou
+iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon.”
+
+„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand
+het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en
+'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.”
+
+De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar
+de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en
+smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
+medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
+het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
+ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
+
+Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
+Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
+
+Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
+genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
+echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
+roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
+vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
+gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
+West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
+
+Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
+
+Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
+
+Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen
+of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
+of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
+hen doen kon, zou ze doen.
+
+Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het
+kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
+over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
+medelijden.
+
+Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
+met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
+allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
+kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
+tranen in de oogen toen ze dat zei.
+
+Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
+spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
+verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
+laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
+ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
+zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
+
+Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
+keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
+ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en
+oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
+geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
+duinen.
+
+Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
+in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
+dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
+West-Vlaanderen regeert.
+
+Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
+van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
+menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
+hadden,—wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
+kan, dáár wanhoopt men niet.
+
+Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
+Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
+nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
+het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
+keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
+schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
+Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
+met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
+zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
+altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
+wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
+
+Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
+niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
+weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
+bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
+nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
+zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
+bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
+zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
+bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
+die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
+waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
+heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
+genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
+het eigen geld was altijd voldoende.
+
+Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
+dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór
+allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
+aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
+later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
+weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
+bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste
+bezitten ze allen in gemeenschap.””
+
+De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
+
+„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?”
+
+„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de
+goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
+dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
+voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
+drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
+noodiger hadden.”
+
+„En....?” vroeg de bisschop.
+
+„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
+preekstoel al af was. Anders niets.”
+
+„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid
+tot hen gesproken hadt.”
+
+De monnik boog.
+
+„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
+hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
+zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
+compliment.”
+
+De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
+
+De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
+
+„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.”
+
+„Of ze er aan gelooven!—Ja zeker, Monseigneur.”
+
+„En de schat? Was er ooit een schat?”
+
+„Met uw verlof, Monseigneur,—ik heb het gezworen.”
+
+„Nu ja,—maar voor mij...” zei de bisschop.
+
+„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
+Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.”
+
+„En....?”
+
+„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.”
+
+De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
+
+„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?”
+
+„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
+voorstellingen zijn ijdel.”
+
+Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: Catharina van Siena 151 |
+ | C: Catharina van Siëna 151 |
+ | B: Zelfs was hij ook niet |
+ | C: Zelf was hij ook niet |
+ | B: kon lijden. |
+ | C: kon leiden. |
+ | B: en Moeder en ons beiden. |
+ | C: en Moeder en ons beiden.” |
+ | B: geboren werd. Ze wïl hem |
+ | C: geboren werd. Ze wil hem |
+ | B: midden tusschen de menschen |
+ | C: midden tusschen de menschen. |
+ | B: Agnete kon dit niet uithouden. |
+ | C: Agneta kon dit niet uithouden. |
+ | B: talk meer in den kandelaar, |
+ | C: talk meer in den kandelaar. |
+ | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet |
+ | C: onbeschadigd naar Venetië.” Je weet |
+ | B: ging over de Piazetta en de markt |
+ | C: ging over de Piazzetta en de markt |
+ | B: hagelbuien uitstortten over de stad, |
+ | C: hagelbuien uitstortten over de stad. |
+ | B: Giorgo Maggiore te roeien. |
+ | C: Giorgio Maggiore te roeien. |
+ | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat |
+ | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat |
+ | B: de drie mannan de botsing afgeweerd |
+ | C: de drie mannen de botsing afgeweerd |
+ | B: het sterkste geloof verbind.” |
+ | C: het sterkste geloof verbind.”” |
+ | B: zei, dacht hij. „Als ik leven |
+ | C: zei, dacht hij: „Als ik leven |
+ | B: langen rit en de lange mis.” |
+ | C: langen rit en de lange mis.” |
+ | B: barstte de monik uit, |
+ | C: barstte de monnik uit, |
+ | B: En toen ik op de preekstoel |
+ | C: „En toen ik op de preekstoel |
+ | B: ze allen in gemeenschap.” |
+ | C: ze allen in gemeenschap.”” |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38422-0.zip b/38422-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..c0d73f0
--- /dev/null
+++ b/38422-0.zip
Binary files differ
diff --git a/38422-8.txt b/38422-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..40485e0
--- /dev/null
+++ b/38422-8.txt
@@ -0,0 +1,5623 @@
+Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oud en nieuw
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND
+F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR
+TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE
+F 3.90.
+
+=INGRID=, VIERDE, GELLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN
+PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75;
+IN PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90;
+IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN
+PRACHTBANDEN F 5.50.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50.
+
+
+ GOEDKOOPE UITGAAF
+
+ VAN
+
+ GSTA BERLING
+
+ Het beroemde boek van SELMA LAGERLF
+
+ Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90=
+
+ * * * * *
+
+=Het Algemeen Handelsblad:=
+
+Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen
+en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende
+phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,
+van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van
+meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,
+geluk. Het is een boek van echte pozie, verteld op de manier die velen
+Scandinavirs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en
+beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving
+van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.
+
+=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vr hij
+het geheel genoten heeft.=
+
+=Het Vaderland:=
+
+Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat
+en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder
+en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van
+Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. ="Gsta
+Berling" is een boek om tweemaal te lezen.=
+
+=De Kerkelijke Courant:=
+
+Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan "Gsta Berling". Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten
+predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden
+en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of
+men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster
+Selma Lagerlf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster
+vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, z
+aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en
+haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,
+wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met
+vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in
+de schaduw staat.
+
+
+
+
+OUD EN NIEUW
+
+
+
+
+ OUD EN NIEUW
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ AMSTERDAM
+
+ H. J. W. BECHT
+
+ 1907
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De Kerstroos 1
+
+ In de Gerechtszaal 26
+
+ Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37
+
+ De Kerstvrede 47
+
+ Het Grafschrift 65
+
+ De beide Broeders 80
+
+ Romeinsch Bloed 89
+
+ De oude Agneta 113
+
+ De Ring van den Visscher 123
+
+ Santa Catharina van Sina 151
+
+ De zeven Doodzonden 170
+
+ De Schatkist van de Keizerin 180
+
+
+
+
+DE KERSTROOS.
+
+
+De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Gingebosch woonde,
+was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was
+een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de
+loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud
+waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Gingebosch
+woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens
+gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn
+vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van
+pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,
+zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,
+durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed
+om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als
+ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren
+erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te
+rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in
+'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of
+kinderen wat overkwam.
+
+Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te
+bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een
+klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de
+portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde
+brooden toe, n voor haar en n voor elk van de kinderen.
+
+Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de
+kinderen rond. En nu kwam n van hen en trok haar aan den rok, ten
+teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de
+rooversvrouw ging snel met hem me.
+
+'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't
+kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de
+rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen
+zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.
+
+Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een
+plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen
+plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.
+
+In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't
+Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond z vol bloemen,
+dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er
+in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van
+de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel
+kleine bloembedjes liep.
+
+In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.
+Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den
+mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle
+vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe
+en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze
+liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte lelin,
+die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen
+den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den
+leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar
+bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de
+rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem
+achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar
+bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.
+
+"Ik ben de rooversvrouw uit het Gingebosch," zei ze, "en raak me nu
+eens aan als je durft." En toen ze dat gezegd had scheen ze er even
+zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,
+dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw
+haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd
+toesprak.
+
+"Je moet weten, vrouw," zei hij, "dat dit een monnikenklooster is en
+dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet
+weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur
+te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin
+weg."
+
+Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar
+'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen
+bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.
+
+Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te
+loopen om hulp te halen.
+
+Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag
+nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad
+staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij
+zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,
+zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar
+hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden
+krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze
+wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.
+
+De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet
+anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.
+
+Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten
+zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een
+geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw
+van het Gingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg
+konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.
+
+Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun
+hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon
+hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder me naar
+den tuin.
+
+Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen
+de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist
+zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar
+ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort
+vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude
+kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer
+gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.
+
+De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke
+dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon
+niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om
+dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar
+zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.
+
+De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet
+anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren
+en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:
+
+"Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien
+had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien
+ik ken."
+
+De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de
+rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde
+een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.
+
+De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te
+berispen.
+
+"Dit is de abt Hans," zeide hij, "die zelf met groote vlijt en moeite
+de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij
+weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van
+Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste
+bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen."
+
+"Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen," antwoordde de rooversvrouw,
+"ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan
+denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid
+weggooien."
+
+Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de
+abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.
+
+"Ik begrijp wel, vrouw," zei hij, "dat je zoo mooi praat om ons te
+plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,
+tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Gingebosch. Ik zou er mijn
+ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van
+een tuin geweest ben."
+
+De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,
+en ze riep uit: "Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een
+tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,
+moest toch weten, dat het groote Gingebosch zich iederen Kerstnacht
+in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te
+vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,
+en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet
+gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken."
+
+Nu lachte de leekebroeder nog harder: "Je kunt hier nu wel staan pochen
+op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet
+anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus
+vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij
+en je man."
+
+"En toch is dat even waar," zei de rooversvrouw, "als dat jij niet in
+den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien."
+
+De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk
+te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,
+dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er
+vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij
+begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met
+Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van
+haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij
+daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel
+hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.
+
+Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het
+gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen
+werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,
+schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.
+
+"Maar meer dan n metgezel mag u niet meebrengen," zei ze. "En u mag
+ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een
+heilig man is."
+
+Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt
+gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze
+overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden
+toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als
+zij iets van zijn plan ontdekten.
+
+Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken.
+Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn
+reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.
+
+Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek
+van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,
+hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die
+veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief
+voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen
+kon leiden.
+
+"Zooals het nu gaat," zei de abt, "groeien zijn kinderen tot erger
+misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele
+rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen."
+
+Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover
+niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor
+allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.
+
+De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,
+dat het Gingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het
+roovershol heen.
+
+"Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor
+hen wil vertoonen," zeide hij, "dan kunnen ze toch niet te slecht zijn
+om bij de menschen genade te vinden."
+
+Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. "Zooveel
+wil ik wel beloven, abt Hans," zei hij en glimlachte, "dat ik, op den
+dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Gingebosch, u
+een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen
+wilt."
+
+De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het
+verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.
+Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem
+zeker zou zenden.
+
+ * * * * *
+
+De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet
+thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Gingebosch. Een van de
+woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had
+hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.
+
+De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu
+heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het
+heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet
+graag aan een ander hebben overgelaten met hem me te gaan en hem te
+beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te
+zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik
+was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den
+abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.
+
+Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat
+er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder
+boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm
+zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden
+massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer
+kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid
+moesten worden.
+
+Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de
+koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die
+zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het
+klooster van Bosj leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met
+stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de
+kloosterpoort gekregen hadden.
+
+Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer
+haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan
+een van de anderen zou mogen vieren.
+
+Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de
+kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en
+smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan
+de handen van den roover over te geven.
+
+Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te
+storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in
+de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd
+steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen
+over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en
+diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.
+
+'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile
+en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige
+velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist
+toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over
+een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene
+naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin
+zagen zij een deur van dikke planken.
+
+Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren
+en steeg van zijn paard.
+
+'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele
+berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,
+dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van
+dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.
+
+"Kom binnen, jelui daarbuiten," riep de rooversvrouw, zonder op te
+staan, "en neem de paarden me in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van
+de nachtkou."
+
+De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't
+Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De
+rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.
+Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er
+was niets in dan een waterachtige soep.
+
+Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten
+boerenvrouw. "Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u," zei ze. "En als
+u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch
+klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,
+moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang
+te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur
+zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u
+gekomen is."
+
+De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was
+zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op
+het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed
+aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat
+hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den
+abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,
+zoodat hij insliep.
+
+Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en
+nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij
+hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit.
+Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten
+wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.
+
+De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het
+Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't
+Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan
+had megedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.
+
+"'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit me mogen doen, als de
+anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen," zei de
+abt.
+
+De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand
+sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.
+
+Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist
+voor het gezicht.
+
+"Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen
+van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch
+niet uit mag komen?"
+
+De abt zag hem rustig vlak in de oogen. "Mijn plan is u een vrijbrief te
+bezorgen van den aartsbisschop," zei hij.
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid
+te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had
+van bisschop Absalom!--"Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg," zei
+de roover, "dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen
+gans."
+
+De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om
+den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.
+
+De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de
+monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.
+
+Maar opeens stond de rooversmoeder op.--"U zit hier zoo te praten, abt
+Hans," zei ze, "dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs
+hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden."
+
+Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.
+
+Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het
+eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd
+aangedragen door een zachten zuidenwind.
+
+"Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?" dacht de abt.
+Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,
+nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou
+opbloeien.
+
+Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een
+lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even
+duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als
+een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het
+uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.
+
+Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een
+mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen
+kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De
+erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in
+'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes
+zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende
+knoppen, die al een zweempje kleur hadden.
+
+'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't
+ontwaken van 't bosch zag. "Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen
+zien?" dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.
+
+Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke
+duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.
+
+Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een
+bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen
+aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren
+komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen
+de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken
+heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de
+splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,
+streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren
+prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als
+de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.
+
+Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,
+warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die
+arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan
+land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden
+kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond
+raakten, takken en loten.
+
+Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe
+ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun
+nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.
+
+Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te
+denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren
+en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht
+den geur van pas-geploegde akkers me. Heel in de verte hoorde men de
+veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den
+en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen
+glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik
+van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het
+heelemaal wit en blauw en goud werd.
+
+De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer
+oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats
+met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,
+krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar
+jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde
+naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en
+ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten
+van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.
+
+De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij
+verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot
+als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een
+ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen
+waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en
+slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.
+Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak
+een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. "Houd jij je
+aan jouw kant," zei hij, "dit is mijn struikje." Toen ging de beer
+achteruit en liep een anderen kant uit.
+
+Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten
+zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld
+stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende
+lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,
+dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan
+het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den
+bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo
+groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor
+bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op
+dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.
+
+De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht z vol
+licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van
+den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter
+vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle
+aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: "Nu weet ik
+niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan."
+
+Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het
+iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche
+lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat
+nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in
+aantocht was.
+
+De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen
+speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.
+
+De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,
+de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te
+mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, hl van verre klonken harptonen,
+en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.
+
+De abt vouwde de handen en zonk op de knien. Zijn gelaat straalde van
+zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds
+in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen
+Kerstliederen te hooren zingen.
+
+Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem me gekomen was.
+Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,
+omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte
+hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God
+zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in
+eere hielden.
+
+Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. "Dat kan geen echt wonder
+zijn," dacht hij, "dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat
+kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier
+gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons
+behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat."
+
+In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,
+dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. "Ze willen ons
+verlokken en verleiden," zuchtte hij. "Nooit komen we heelhuids hier van
+daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht."
+
+Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten
+zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag
+hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het
+toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den
+nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te
+beter de christenen te kunnen bedriegen.
+
+Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij
+had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den
+leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang
+speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat
+de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den
+leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat
+het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.
+Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep z hard, dat het door 't
+bosch weerklonk: "Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen
+bent!"
+
+Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels
+hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.
+Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang
+plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.
+En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken
+schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister
+zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten
+op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der
+watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.
+
+De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,
+zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. "Nooit zal ik dit
+kunnen overleven," dacht hij, "dat de engelen mij z nabij waren en
+verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de
+vlucht werden gejaagd."
+
+Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en
+hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog
+iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde
+bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam
+aanglijden over het veld.
+
+Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar
+bleef op het veld liggen.
+
+Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe
+duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij
+namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem
+dood in de sneeuw liggen.
+
+En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,
+dat hj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de
+lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.
+
+ * * * * *
+
+Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen
+voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,
+dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand
+eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had
+vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't
+loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de
+bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt
+Hans.
+
+Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden
+opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen
+eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,
+wachtte hij niet langer.
+
+Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles z sterk aan abt Hans,
+dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij
+nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond
+gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren
+opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.
+
+Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit
+plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,
+begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in
+het Gingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,
+dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen
+aan bisschop Absalom moesten zenden.
+
+Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de
+bloemen toe en zeide: "Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die
+hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Gingebosch."
+
+Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde
+waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij
+een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak
+hij: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne
+houden."
+
+En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn
+jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan
+den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het
+roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met
+opgeheven bijl te gemoet: "Ik zal jelui monniken nerhouwen, zoo veel ik
+er maar krijgen kan," zei hij. "Zeker is het om jelui, dat het
+Gingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed."
+
+"Dat is alleen mijn schuld," antwoordde de leekebroeder, "en ik wil
+graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen."
+
+En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met
+hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan
+het perkament hing.
+
+"Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en
+Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,"
+zeide hij.
+
+Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit
+zijn naam: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man
+ook zijn woord houden."
+
+Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de
+leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij
+bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand
+mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich
+bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet
+gesproken waren; want het Gingebosch heeft nooit meer het geboorteuur
+van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het
+plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd "Kerstroos" genoemd
+en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de
+aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens
+gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.
+
+
+
+
+IN DE GERECHTSZAAL.
+
+
+We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel
+achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd
+man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig
+geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een
+sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit
+te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem
+kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die
+alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en
+onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
+
+Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag
+behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het
+onderhoud van een onecht kind.
+
+Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan
+worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse
+een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.
+
+Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,
+dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft
+aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse
+eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd
+geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,
+hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring
+volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde
+opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld
+wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
+
+Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene
+tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.
+Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een
+opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft
+zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze
+zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend
+heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
+
+Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man
+in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en
+vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich
+heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,
+daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het
+minst bezwaart.
+
+Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,
+en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed
+af te leggen.
+
+Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig "ja". Hij begint
+te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant
+voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en
+niets hem verhindert om dien af te leggen.
+
+Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt
+onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond
+gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde
+in het aangezicht heeft kunnen zien.
+
+Nu hij "ja" zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar
+stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer
+staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij
+kan niet: "ja" gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.
+
+Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de
+gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te
+krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
+
+De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig.
+Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,
+en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
+
+Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich
+opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de
+rechter moet het hem immers beletten.
+
+De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen
+denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen
+waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze
+wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo
+iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de
+rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over
+zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke
+ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk
+hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken
+er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel
+begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd
+hebben, als zij daar geen recht toe had.
+
+De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat
+ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand
+anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.
+
+Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant
+een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan
+is in te grijpen.
+
+Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een
+paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van
+ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.
+Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al
+spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de
+rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
+
+Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed
+en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten
+zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en
+ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop
+moet hebben.
+
+Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat
+hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een
+valschen eed heeft overwogen.
+
+De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door
+getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
+
+De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze
+maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
+
+Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd
+met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren,
+maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
+
+Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,
+niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
+
+Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,
+maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in
+het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan
+ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen
+versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in
+het hoofd.
+
+Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
+
+Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille
+van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan
+moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
+
+Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets
+geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en
+geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de
+naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar
+oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden
+met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.
+
+Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik,
+heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel
+moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het
+eedsformulier te vinden.
+
+Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap
+naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn
+hand wegstooten.
+
+Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij
+nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
+
+De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht
+heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan
+houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te
+spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij
+vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
+
+Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van
+plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal
+voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar
+hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft
+aangeklaagd.
+
+Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat
+haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te
+krijgen?
+
+Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.
+
+Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de
+daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit
+meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
+
+Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar
+voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den
+Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk
+moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen
+eed, dat zal hij niet.
+
+De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te
+nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken
+angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in
+haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis
+zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,
+hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,
+springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet
+zich ook tegen hem.
+
+"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet."
+
+Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek
+dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te
+staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te
+voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
+
+Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven
+onbeweeglijk staan.
+
+"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de
+rechter met dezelfde harde en strenge stem.
+
+Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar
+verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
+
+"Hij zal den eed niet doen."
+
+"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter.
+
+Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij
+zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid.
+
+"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met
+steeds scherper stem.
+
+"Ik wil de zaak niet verder voortzetten!" barst ze uit met een luide,
+snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden."
+
+"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand
+verloren?"
+
+Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
+schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
+niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
+om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
+
+Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
+"Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
+maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
+doen."
+
+Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
+blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
+handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
+haar af.
+
+Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
+
+Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
+zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
+
+Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
+niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
+geringsten te vinden is.
+
+Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
+slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
+heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
+van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
+dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
+En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
+heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
+ziel.
+
+En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
+menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
+hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
+
+Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
+
+De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
+
+"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden,"
+zegt hij tegen den griffier.
+
+De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
+
+"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?"
+
+De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
+"Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft."
+
+De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
+zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
+toe.
+
+"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand.
+
+Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
+tranen met den opgerolden zakdoek.
+
+"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
+zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
+
+
+
+
+HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
+
+
+Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
+volstrekt niet hebben.
+
+Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
+overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
+paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
+
+Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
+denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
+over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
+wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
+Malm benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
+was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
+zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
+den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
+hij nooit wanten gebruikt had.
+
+Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen
+hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
+zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
+niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
+zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
+predikant.
+
+Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
+aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
+zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
+stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
+moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
+ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
+Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
+eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
+roover op den preekstoel te laten.
+
+Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
+verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
+kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
+en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
+roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
+ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
+
+Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
+Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of
+op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
+niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
+liggen om haar te schaken.
+
+Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
+om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
+gebruiken.
+
+Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
+was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
+ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
+vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
+
+Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
+iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
+schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
+zweeg en beklaagde zich niet.
+
+'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
+haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
+den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
+opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
+kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
+het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
+in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
+armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
+
+'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
+van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk z met
+hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
+er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
+graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
+en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
+hooge koren en had de oogen niet van haar af.
+
+Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
+proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
+dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
+hij er geen oogenblik me wilde wachten. Hij stak den brief van den
+bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
+inhoud van den brief me te deelen.
+
+Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
+
+Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
+aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
+toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
+wegsloot.
+
+De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
+was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
+eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
+was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
+
+Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
+altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
+weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
+hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
+te worden om te mogen preeken naar hartelust.
+
+De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
+de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
+was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
+had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
+aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
+spreken in Gods huis.
+
+Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
+bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
+daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
+schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
+te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
+niet slecht!
+
+En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
+voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
+
+Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
+toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
+
+Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
+Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
+Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
+
+Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
+was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
+naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
+zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
+geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
+
+Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
+hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
+alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
+genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
+
+Maar vr Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
+een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
+eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
+vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
+
+Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
+smeeken of aan te dringen.
+
+En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
+
+Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
+pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
+den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
+
+Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
+hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
+schreide in de aangrenzende kamer.
+
+Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
+binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
+heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
+was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
+Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
+hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
+mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
+duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
+bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
+gevraagd had.
+
+Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
+verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
+plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
+ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
+
+'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
+haar. Maar ze zag niemand.
+
+'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
+en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
+Ten slotte werd Grootmoeder z bang, dat ze moest gaan zitten om niet
+neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
+onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
+Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
+krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
+ontzetting.
+
+Maar nmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
+gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
+venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,"
+zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze
+zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
+was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
+
+Grootmoeder dacht, dat iemand, die z schreide, een verdriet moest
+hebben z groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
+'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
+verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
+troosten, die z schreide.
+
+Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
+Want die onzichtbare schreide z, dat Grootmoeder me had moeten
+schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
+
+Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
+die uit den hemel verbannen werd.
+
+En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
+de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
+kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
+tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
+blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
+zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
+
+Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
+geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
+te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
+
+Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
+vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
+gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
+
+"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest
+het hooren."
+
+Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
+
+Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
+verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
+vreemd voor.
+
+Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
+hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
+zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
+
+"Waarover sprak hij dan?"
+
+"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
+paradijs gesloten werden."
+
+Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
+ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
+
+Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
+hem mee in de vestibule.
+
+"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder.
+"Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?"
+
+"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten."
+
+Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo
+wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde z groot
+was, dat hij z geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
+het z heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
+aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
+Grootvader was.
+
+"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog n oogenblik langer
+dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
+houden."
+
+
+
+
+DE KERSTVREDE.
+
+
+Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
+grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
+scherpe wind uit het noorden.
+
+Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
+hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
+Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
+massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
+door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
+
+Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
+een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
+Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
+te schuren, begon te neurin, hoewel het water tot ijs stolde in den
+emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
+Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
+bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
+
+Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
+Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
+groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
+kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
+tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
+elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
+haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
+den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
+Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
+zien kon hoe leelijk ze was.
+
+Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
+die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
+gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
+berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
+twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
+lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
+uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
+berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
+meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
+ze aanraakte en dat ze er me geplaagd zou worden, minstens tot er 't
+ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
+
+Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
+binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
+de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
+te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
+met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
+was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
+badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
+zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
+
+Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
+leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
+zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
+een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
+even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
+oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
+dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
+Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
+toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
+machtigste van een geheele gemeente te wezen.
+
+Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de
+berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
+dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; n kwam terecht op de Kersttafel
+en een ander op 't groote bed.
+
+"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes
+gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
+velletje?"
+
+Nu de boer het z opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
+wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
+binden.
+
+"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar,
+want hij was echt in Kersthumeur.
+
+Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
+en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
+om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
+Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
+schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
+plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
+te gaan.
+
+Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
+over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
+op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
+weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
+iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
+zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
+menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
+
+Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
+het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
+paar berketakken van een jaar oud te vinden.
+
+Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
+heelen dag me bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
+losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
+sneeuwvlokken achter zich aan.
+
+Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
+afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
+hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
+een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
+sneeuw en de wind wervelde z sterk om hem heen, dat hij een paar keer
+ronddraaide als een tol.
+
+Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
+jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
+sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
+gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
+verkeerden kant uit.
+
+Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
+berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
+richting van de hoeve in te slaan.
+
+De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
+bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
+tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
+er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
+hoeve leidde.
+
+Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
+de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
+werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
+
+Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
+hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
+geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
+richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
+anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
+weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
+zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
+merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
+toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
+avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
+zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
+even verward in 't hoofd als te voren.
+
+Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te
+verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
+dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
+gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
+had hij hier me hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
+veld en hij had het weer zien opgroeien.
+
+Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
+maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
+liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.
+
+Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij
+begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
+te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
+die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
+vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
+diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
+hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
+
+Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
+op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
+te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
+probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
+
+Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij
+meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
+al moest het zijn leven kosten.
+
+Hij genoot er z van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
+den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
+de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
+kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
+over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
+hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
+'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
+aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
+spreken.
+
+Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
+wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
+Ingmarson zijn.
+
+En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
+geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
+woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
+verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
+stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
+zich begon te bewegen.
+
+Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
+kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
+al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
+
+Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
+verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
+burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
+majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
+den hals.
+
+Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
+vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
+tot aan de kerk.
+
+Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
+begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
+
+Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
+Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
+zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
+
+'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
+alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
+opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
+marktdag.
+
+Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
+aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de
+burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?"
+
+En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
+zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
+
+En dt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
+Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
+geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was z moe, dat hij
+nauwelijks staan kon.
+
+Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
+op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
+
+Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
+met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!--
+
+En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
+sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
+geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
+slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
+deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
+warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij.
+
+Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
+Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
+gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
+
+Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
+schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
+in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
+sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
+
+ * * * * *
+
+Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
+had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
+
+Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
+hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
+naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
+
+Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
+de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
+de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
+onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
+uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
+Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
+zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
+den vermiste wilden vinden.
+
+Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
+en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
+Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
+groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
+ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
+En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als
+dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
+op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
+
+Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
+barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
+kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
+en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
+allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
+roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
+konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
+strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
+alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
+de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
+waren dan anderen.
+
+Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
+vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
+gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
+ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
+geslacht behoorde, een ongeluk trof.
+
+De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
+
+"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had
+kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
+
+"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit
+voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
+bewezen had.
+
+ * * * * *
+
+Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
+in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
+en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
+Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
+bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
+plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
+vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
+toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
+
+Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
+over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
+ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
+werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een
+welbehagen."
+
+Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
+Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
+"Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
+
+De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
+langzaam uitsprak.
+
+"Moeder," zei hij heel zacht.
+
+Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je
+niet me naar 't bosch gegaan?"
+
+"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben me geweest."
+
+"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan."
+
+Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
+moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
+houden.
+
+"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer.
+
+Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
+
+De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
+zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
+zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
+naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er
+gebeurd is, mijn jongen."
+
+De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
+hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
+te schreien.
+
+"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze.
+
+"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon.
+
+"Is het erger dan dat?"
+
+De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
+macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
+breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde."
+
+"Heeft dit er iets me te maken?" vroeg ze.
+
+"Ja," antwoordde hij.
+
+"De Kerstvrede?"
+
+"Ja."
+
+"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?"
+
+"Ja."
+
+"En God heeft ons gestraft?"
+
+"God heeft ons gestraft."
+
+En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
+den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
+takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
+maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
+hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
+Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
+alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
+iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
+
+ * * * * *
+
+Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
+proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
+huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
+een steenen beeld.
+
+De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
+boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het
+wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
+de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
+De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
+zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
+eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
+
+Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
+
+"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
+wilden laten houden over Vader."
+
+De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
+tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
+als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
+handen.
+
+"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon.
+
+"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
+oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
+kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
+'t graf volgde.
+
+"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
+weten, dat ze daar niet op moesten rekenen."
+
+"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
+wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
+doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
+getroost had.
+
+"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan me."
+
+De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
+goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
+zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
+dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen
+zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
+het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen."
+
+Nu sprak de vrouw ook. "Dt is het; we willen weten of we Vader onrecht
+doen."
+
+De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
+
+"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
+tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
+moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
+hebben, zoo als zijn vader vr hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
+en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
+God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
+Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
+Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
+en opzien wekken."
+
+De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat
+ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En
+onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn
+kranige menschen, de Ingmarsons."
+
+De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
+in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
+begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
+macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
+
+"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,"
+zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn."
+
+
+
+
+HET GRAFSCHRIFT.
+
+
+Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
+kerkhof op Svartsj staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
+het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
+het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
+armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
+het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
+bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
+ze nog tot woorden samen te voegen.
+
+Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
+wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
+voeten zetten op het kerkhof van Svartsj, zonder naar dat kruisje te
+gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
+op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
+
+Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsj, in winterslaap
+verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
+ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
+vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
+geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
+er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
+kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
+kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
+bezitten als de rijkste boer.
+
+De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
+verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
+Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
+ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
+kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
+vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
+van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
+n met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
+dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
+wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
+
+Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
+hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
+onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
+liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in
+de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
+bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
+gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
+ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
+voornamer dan een ander.
+
+Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
+de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
+uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
+trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
+gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
+te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
+den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het
+graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
+te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
+oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
+begraven zijn.
+
+Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
+dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
+ze niet van elkander kan onderscheiden.
+
+Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
+ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
+kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
+werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
+aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
+
+Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
+den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
+het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
+ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
+Sander op Lerum.
+
+Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
+een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
+al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
+gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
+een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
+woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
+zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
+wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
+
+"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen."
+
+Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
+grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
+Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
+zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
+
+Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
+opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
+beven, alsof ze een felle kou voelt.
+
+"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
+klappertandt van kou.
+
+"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder
+liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
+daar liggen zal."
+
+"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist
+wel, dat je je eindelijk wreken zou."
+
+Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
+groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
+door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
+staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
+onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
+
+"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik
+kan dit alleen niet verdragen."
+
+"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
+naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor
+hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!"
+
+"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet
+verdragen."
+
+Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
+noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt
+onmogelijk is hem te bewegen.
+
+"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom
+liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven."
+
+Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
+dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de
+buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
+het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
+die van Vader en Moeder en ons beiden."
+
+"En denk je, dat ze dat gelooven?"
+
+"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij.
+
+Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
+hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
+armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
+Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
+dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
+komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
+toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
+Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
+
+En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
+
+Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
+toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
+
+"Je waart niet bij je verstand," zei hij en had haar bij zich gehouden
+als zijn vrouw.
+
+Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
+genoeg vallen het werkelijk te doen.
+
+Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
+niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
+blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
+verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
+altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen z boos geworden
+was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
+worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
+als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
+iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
+nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
+
+ * * * * *
+
+De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
+hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vr de
+begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
+te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
+schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
+het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
+de doodsangst versteent haar.
+
+Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet me
+naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
+dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
+groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
+ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
+de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
+onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
+den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
+kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
+losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
+een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
+verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
+helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
+daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
+gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
+ruimen.
+
+De man gaat ook me naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de
+gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen
+zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.
+Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de
+lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte
+doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan me in den
+stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.
+
+Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om
+een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.
+
+Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen
+voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen
+krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wl zou kunnen
+is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele
+kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een
+luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.
+
+De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in
+beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom
+heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den
+dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof
+moeten gaan. Een doode is immers niets waard.
+
+Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze
+mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er
+gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,
+zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is
+door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang
+maken als kinderen.
+
+Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd
+vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet
+ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze
+ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En
+de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen
+naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet
+eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat
+de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het
+familiegraf rusten zal.
+
+Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet
+alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.
+
+"En het voorjaar," denkt ze, "als de kist begraven wordt, is zeker
+niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders
+vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt."
+
+En nu begrijpt ze, dat ze gered is.
+
+Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.
+"'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is," zeggen ze. Maar zelf weet
+ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en
+levensgevaar is gered.
+
+Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone
+plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich
+op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te
+luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te
+spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door
+de leden. "Het is immers dood? Dood!"--
+
+Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den
+eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.
+Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk
+regeert over alle uren van den dag en van den nacht.
+
+Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare
+meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het
+leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te
+winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden
+worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.
+
+De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,
+dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de
+weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit
+alles.
+
+En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken
+en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij
+zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien
+niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.
+Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt
+ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.
+
+Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn
+verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.
+
+'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat
+nooit begrepen, terwijl hij leefde.
+
+Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich
+door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,
+geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes
+geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.
+
+En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker
+wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens
+aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder
+het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht
+mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die
+ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het
+wezenlijke kleine menschjes.
+
+En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat
+het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit z
+dicht genaderd zou zijn als nu.
+
+Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt
+heeft, terwijl hij leefde. "Daarom is hij mij zeker afgenomen," denkt
+ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang
+geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht
+heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich
+geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te
+begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.
+
+Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal
+nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit
+haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: "zie ik hem
+nog? Kan ik hem nog wel goed zien?" zegt ze.
+
+En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met
+verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het
+barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn
+graf komen en met hem spreken kan.
+
+Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf
+met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,
+lang kunnen zitten.
+
+Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers
+niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze
+verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren
+zitten. Wat zal ze hun zeggen?
+
+Nu en dan denkt ze, dat ze z zal doen. Eerst naar het groote
+familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos
+zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij
+zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen
+zal.
+
+Ja, hij zal er wel tevreden me zijn, als zij het zijn kan. Maar het is
+toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij
+zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een
+brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem
+daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles
+te boven ging.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het
+sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien
+een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat
+de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij
+verlangt zoo!
+
+Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's
+winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen.
+Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij
+te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan
+nooit onder de aarde komen?
+
+Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar
+heele leven lang.
+
+En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar
+sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den
+doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan
+naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten
+en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes
+weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen
+kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft
+ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.
+
+Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte
+letters:
+
+ _Hier rust mijn kind._
+
+En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om
+of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,
+het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden
+op het graf van haar kind.
+
+
+
+
+DE BEIDE BROEDERS.
+
+
+Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven
+zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den
+lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze
+moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze
+geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en
+zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie
+rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
+
+Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de
+menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de
+lange rust in de aarde gebracht worden.
+
+Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo
+goed als in Svartsj in Wermeland.
+
+Als ge in Svartsj sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen
+precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,
+als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want
+dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar n model. Geen
+een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt
+ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden
+op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge
+behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar
+niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en
+dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
+
+Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult
+krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort
+zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
+
+En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg
+zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen megaan. En ook zult
+ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er
+wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk
+van Svartsj staan.
+
+Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den
+dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te
+zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte
+schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa
+menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben
+den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken
+zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.
+Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet
+zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden
+schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,
+dat als er veel rouw bij n graf was, het er leelijk uit zou zien voor
+hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in
+Svartsj. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de
+gewoonte daar is.
+
+Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en
+machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in
+de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw
+kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin
+den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,
+dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
+
+Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt
+worden op elken dag van de week. In Svartsj moet ge op een Zondag
+begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.
+Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest
+mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden
+geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine
+jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,
+en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit
+groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar
+zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden
+werdt.
+
+Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er
+niemand, die er niet op toeziet.
+
+Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsj hebben.
+Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft
+kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is
+tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags
+heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er
+werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.
+En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den
+rouwstaf.
+
+'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.
+Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat
+verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
+
+Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant
+en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle
+kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van
+zijn.
+
+Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo
+eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.
+Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsj. Het is alsof er
+maar n groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,
+die dood zijt.
+
+De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk
+gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde
+kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt
+en verootmoedigd worden door hun armoede.
+
+Als een vreemde met u me naar het graf ging, zou hij veel weemoediger
+worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de
+gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen
+kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de
+kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te
+verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman
+nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet
+voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten
+op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
+
+Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar
+het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de
+witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.
+Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de
+draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de
+losse aardhoopen en laten u zakken.
+
+En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en
+begint te zingen:
+
+ "Ik ga den dood te gemoet."
+
+Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de
+omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de
+noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij
+zingt.
+
+De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,
+dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen
+zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,
+omdat het bij zijn werk hoort.
+
+Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest
+hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede
+vervallen.
+
+Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en
+luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden
+zal. Maar niemand zingt mee, niet n, want dat gaat niet, dat doet men
+niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsj. Ook in de kerk zingt men
+nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
+
+Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet
+alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die me zingt, maar die klinkt
+z precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij n
+waren.
+
+De andere stem, die me zingt, is die van een kleinen ouden man, in een
+langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt
+wat hij kan, om hem te helpen.
+
+En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den
+koster; zij zijn z eender, dat men niet laten kan er zich over te
+verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude
+man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat
+ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de
+kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom
+hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de
+wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet
+gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat
+het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
+
+En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat
+lukte niet. Want hij was niet z, dat men hem kon helpen. Hij had nooit
+voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
+
+Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft
+altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen
+geven.
+
+Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo
+arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
+
+Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,
+niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie!
+nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij
+daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de
+koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu
+helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
+
+Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,
+omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat
+hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken
+buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij me naar
+het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt
+zijn broer met zijn ellendige stem.
+
+De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de
+anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet
+hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij
+een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof
+lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit
+de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht
+om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De
+koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer
+lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den
+Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
+
+Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk
+niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in
+Svartsj begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
+
+Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als
+nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar
+geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven
+is en dan is men er volkomen tevreden me dood te zijn. En dan eindigt
+het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn
+toespraak.
+
+Daarop zingen de twee oude stemmen: "Ik ga naar den hemel." En zij
+zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en
+klagender, hoe langer ze zingen.
+
+Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop
+in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
+
+Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw
+en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat
+armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw
+hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw
+ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.
+
+
+
+
+ROMEINSCH BLOED.
+
+
+Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren
+buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men
+kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het
+jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,
+een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;
+en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen
+en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.
+
+En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen
+schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche
+slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer
+dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met
+literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en
+de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.
+
+Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en
+onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met
+wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En
+eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de
+kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is
+de osteria klaar.
+
+Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria
+geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef
+om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.
+Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en
+dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten
+den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't
+huis, liefhad.
+
+Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het
+graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.
+Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een
+heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een
+woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen
+waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.
+
+Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en
+verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. "Waar is
+Teresa?" vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon
+Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de
+soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters
+die voorgediend hadden.
+
+Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat
+was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij
+was?
+
+Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria
+kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te
+vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het
+balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan
+was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het
+zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige
+histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij
+hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar
+verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,
+dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun
+beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.
+
+De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde,
+en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
+wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
+hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
+zou nooit trouwen dan met een signor.
+
+Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop
+ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en
+aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
+een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
+het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
+veeren om den hals, z lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
+neerhing.
+
+Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
+Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
+
+Eigenlijk was Nino er best me tevreden, dat Teresa niet met een
+Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
+veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
+tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
+oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
+het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
+durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
+was waarlijk geen klein geluk.
+
+De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
+'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
+mas voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
+voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
+huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
+drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
+haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
+was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
+ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
+gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
+snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
+elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
+soldaten, die samen ten strijde trekken.
+
+Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
+vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
+geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
+graag hooren, hoe de plebejers tot patricirs werden verheven en van
+de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
+van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
+omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
+keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
+verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
+haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
+hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
+
+Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
+dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
+meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
+
+Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
+bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
+maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
+schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
+Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
+
+Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
+Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
+zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
+al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
+zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
+van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
+
+De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Itali
+voerde oorlog met Abyssini, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
+dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
+vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
+ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
+laten de menschen ongelukkig te maken.
+
+Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
+hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Itali
+moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
+des vredes. "Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat
+onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan." Dat waren
+Nino's woorden.
+
+Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
+adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
+leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
+thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
+afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
+stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
+over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
+belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
+gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
+naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
+den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
+
+Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
+de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
+glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
+liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
+afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
+een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
+te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
+
+Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
+over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
+niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
+tot na de bruiloft.
+
+Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
+haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
+de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
+zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
+monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
+hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
+Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
+hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
+en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
+niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
+
+'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
+die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
+gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
+Nino had zich nooit z met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
+gevoeld.
+
+Hoe gelukkig was ze er me, dat haar vriend officier was. Behalve dat
+hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
+hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
+was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: "Ja werd hij dat maar, dan
+zou het er wel anders gaan."
+
+Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
+daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
+troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
+en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
+alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
+en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
+er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
+zwermen.
+
+Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
+dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
+Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
+overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Itali geholpen worden.
+
+Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
+Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
+Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
+geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
+een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Itali's vlag
+geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
+
+"Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Itali!" en
+andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
+het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
+krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
+Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
+niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
+vertrouwen.
+
+Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
+ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
+de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
+lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
+kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
+anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
+soldaten reikte, wilde zeggen: "Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
+vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien."
+
+Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
+had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
+liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
+moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
+'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
+aderen.
+
+Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar
+Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa me naar het
+station.
+
+Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
+Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
+enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
+verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
+"Leve Itali!"--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
+gestrooid.
+
+Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
+hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
+de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
+krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
+Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
+terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
+scheidden zij.
+
+Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
+niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
+groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
+was opgetrokken tegen de Abyssinirs en was verslagen en verstrooid
+geworden.
+
+Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
+aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
+volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de
+laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
+over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Itali. En
+den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
+verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
+
+Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
+troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
+maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
+hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
+geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
+
+Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
+
+"Wat is er toch gebeurd, Nino?" vroeg ze, "hoe kon dat nu zoo slecht
+gaan?"
+
+En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
+door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
+Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
+de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
+men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
+scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
+weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
+die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
+
+Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar
+men muilezels moest eten!
+
+Neen, dat vond Nino ook.
+
+En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
+vreeselijk de oorlog was.
+
+Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
+die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
+zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
+tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
+schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
+hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
+
+Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
+Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
+na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
+verscheuren.
+
+Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
+lezen.
+
+Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
+dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
+daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
+in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
+zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
+
+Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
+zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van
+den volgenden dag vertrekken.
+
+Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
+doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
+vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
+niet laten. En niemand dan Nino had ze me willen hebben.
+
+Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
+in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
+zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
+zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
+lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
+band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
+schoten.
+
+Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
+den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om n uur samen
+koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
+snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
+bank bij de "villa" en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
+laat het was.
+
+Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
+van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
+te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor
+zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag.
+Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
+ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
+en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
+verscheurden.
+
+Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
+Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
+wel weren tegen de barbaren.
+
+Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
+lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
+blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
+rood als bloed!
+
+Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
+Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
+zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
+zou, den heelen dag niet.
+
+"Neen, zeker niet, Teresa."
+
+En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
+naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
+haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
+dan de andere.
+
+Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
+liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf
+wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
+hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
+kwaads zou overkomen.
+
+Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
+daar aten zij met hun drien.
+
+In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
+in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
+zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
+veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
+zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
+zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
+en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
+gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
+onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
+vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
+bepaald bij zich houden.
+
+Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
+zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
+of blind te maken.
+
+Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
+moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
+vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
+Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
+hoefde?
+
+Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
+
+Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
+niet.
+
+Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
+kunnen trouwen?
+
+De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
+daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
+
+Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
+ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
+reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
+voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
+
+"Teresa," zei hij, "dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet."
+
+"Eerloos," zei ze vleiend, "hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
+niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je z liefheb, dat ik je
+niet kan laten gaan."
+
+De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
+dan een plotselingen inval te zien.
+
+Toen begon ze over wat anders.
+
+Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
+schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
+
+Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
+de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
+het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
+uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
+was.
+
+Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
+van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
+gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
+hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
+het niet waar was.
+
+Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
+verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
+in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
+Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
+officieren.
+
+"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
+Romeinsche?"
+
+Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
+toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
+moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
+zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
+voor zich! Dood en verscheurd!
+
+Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
+haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knien, schreide, smeekte,
+bad.
+
+Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
+Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
+horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
+tijd om was en heengaan.
+
+"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet
+anders dan heengaan."
+
+"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
+slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
+hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten."
+
+"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man."
+
+"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
+gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
+wij het hunne hebben?"
+
+"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals
+laatst in Rome. Nu moet ik weg."
+
+"_Moet_ je?"
+
+"Ja."
+
+"Ga dan maar."
+
+"Teresa."
+
+"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
+me."
+
+Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
+aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
+Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
+werkelijk heen.
+
+Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
+toevertrouwde.
+
+Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
+stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
+booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
+duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
+
+Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
+afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
+boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
+en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
+hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Itali's zonen naar dat
+vervloekte barbarenland konden voeren.
+
+De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
+wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte
+van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
+bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
+van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
+
+Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino,"
+zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden
+weggevoerd en door de barbaren geslacht."
+
+Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
+menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
+om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
+zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
+dirigeeren.
+
+Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
+hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
+haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
+stappen.
+
+Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
+hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
+omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
+
+Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
+trok haar midden tusschen de menschen.
+
+"Blijf hier stil staan."
+
+Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis
+gaan, Nino," zei ze.
+
+Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast,
+dat het pijn deed.
+
+"De politie mag anders gerust...."
+
+Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
+
+'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
+hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
+vluchten.
+
+"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe.
+
+"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
+Napolitaner zal jelui verraden."
+
+Op eens begon Teresa te snikken.
+
+"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen."
+
+En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino
+wilde. Hij had de macht in handen.
+
+Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
+
+De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en
+Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht?
+Heeft iemand haar gezien?"
+
+'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen,
+daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de
+politieagenten verspreidden zich rechts en links.
+
+Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig
+naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou
+aangeven.
+
+Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard
+had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
+
+De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van
+hem aan Teresa.
+
+Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten
+leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
+
+"Lees dien, Nino," vroeg ze.
+
+Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
+
+"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze.
+
+Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar
+doodvonnis in handen.
+
+"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op.
+
+En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn
+liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij.
+
+Ze trok verachtelijk de schouders op.
+
+"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze.
+
+"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het
+vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,
+je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je
+zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te
+veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude
+Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden
+geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te
+beletten zijn plicht te doen."
+
+Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei
+ze.
+
+Nino zweeg.
+
+"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik
+begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.
+Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu
+laten gaan!"
+
+"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik
+geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?"
+
+Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi
+en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad
+en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,
+hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven
+lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,
+dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de
+heerschappij hernemen.
+
+"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde
+dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?"
+
+Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe
+weinig het nieuwe Itali op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor
+alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf
+geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen
+Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.
+
+
+
+
+DE OUDE AGNETA.
+
+
+Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze
+was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet
+hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't
+Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.
+
+Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.
+Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn
+ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal
+voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren
+overleden.
+
+Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij
+was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.
+De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig
+konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich
+herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der
+onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop
+boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die
+zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den
+ijskouden bergwind werden voortgejaagd.
+
+Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat
+haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar
+rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij
+woonde daar zoo heel alleen!
+
+Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan.
+Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.
+Zij voelde hoe hard het was, z ver van de menschen te zijn.
+
+"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in
+haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je
+moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te
+sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand
+in de wereld, oude Agneta?
+
+Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo
+zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand
+plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat
+houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen
+opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta.
+Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water
+kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was."
+
+Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar
+garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd
+eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden
+doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den
+predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien
+zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben
+als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed
+sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn
+hart is bevroren--dat is het!
+
+Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er
+maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de
+oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken
+breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en
+balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig
+heeft! of anders wil ik sterven."
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het
+bergpad tegemoet. Hij ging met haar me, omdat hij zag, dat ze bedroefd
+was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in
+haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou
+worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.
+
+"Dat kan God wel doen," zei de monnik.
+
+"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude
+Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden."
+
+Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,
+bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met
+kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven
+hun hoofden, z steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag
+de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.
+
+"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je
+gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den
+pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar
+tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta
+beefde en sloot de oogen.
+
+"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De
+hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg."
+
+"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden
+worden zoo iets te zien."
+
+De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het
+sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich
+daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat
+zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs
+gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.
+
+Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't
+in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in
+eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,
+maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!
+Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen
+fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten
+over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot
+bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude
+sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat
+warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,
+verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof
+de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten
+hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen
+stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,
+want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun
+bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar
+dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze
+werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen
+eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over
+het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat
+rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en
+zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare
+kou.
+
+Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd
+in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al
+hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,
+als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken
+schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door
+te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als
+groote ijspegels aan de rotsen hingen.
+
+Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de
+leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar
+verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op
+de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat
+lichte sneeuwvlokken op, anders niet.
+
+Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:
+
+"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?"
+
+Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid
+te bewijzen of te troosten?"
+
+Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en
+zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij
+die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de
+gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.
+
+Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was
+opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.
+
+"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en
+lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat
+warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar
+hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude
+van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?"
+
+Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en
+bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te
+betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen
+den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar
+moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer
+zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had
+voorgenomen.
+
+Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste
+stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't
+venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze
+wijd open en toen begaf zij zich te bed.
+
+Ze lag in het donker te luisteren.
+
+Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den
+gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet
+binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude
+Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer
+in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en
+bloed kon dit niet verdragen.
+
+Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van
+pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs
+op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.
+
+Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf,
+oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat
+alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?"
+
+En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met
+klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam
+toch in de kamer en de deur kreeg ze open.
+
+Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden
+komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook z verschrikt
+had, dat ze niet meer durfden te komen.
+
+Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als
+ze met de kudde uitging.
+
+"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden
+uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?"
+
+Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze
+hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek
+en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk
+waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet
+verschrikt."
+
+Ze had een gevoel, alsof de groote kamer z propvol was, dat men zich
+tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof
+zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te
+krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak
+haar niet verschrikt."
+
+Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen
+en sliep in.
+
+Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was
+nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen
+ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.
+
+ * * * * *
+
+Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de
+dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur
+kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig
+had.
+
+Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk
+zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat
+noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om
+het te begraven.
+
+Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort
+voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag
+men geen droefheid op iemands gezicht.
+
+Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een
+lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den
+met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,
+dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar
+dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als
+van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode
+kaarsen gebrand had voor de onzaligen.
+
+Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door
+niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden
+daar boven in de groote eenzaamheid."
+
+
+
+
+DE RING VAN DEN VISSCHER.
+
+
+Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Veneti een
+oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was
+nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken
+opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer
+trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo
+lief.
+
+Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg
+gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en
+kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en
+verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom
+ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden
+te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun
+geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.
+
+"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Veneti nooit door eigen kracht zou
+zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd?
+Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer
+wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten
+en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een
+storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?
+En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle
+christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd
+tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens
+houdt, die Veneti zwevend houden boven de diepte der zeen."
+
+En 's avonds als het maanlicht, dat over Veneti scheen, blauwgroen
+was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de
+gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter
+werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan
+herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor
+hun leven en hun geluk.
+
+Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een
+visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en
+goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven
+scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en
+'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,
+waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun
+te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles
+zou vergaan, als maar een enkele Venetir ondankbaar genoeg zou zijn hem
+niet meer te vereeren en te aanbidden.
+
+Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote
+visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,
+hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te
+blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.
+
+Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar
+de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen
+zij al de eilanden, die als gespen Veneti met de zee verbinden, uit den
+morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-
+en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het
+eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige
+Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido
+heen was de groote, onbegrensde zee.
+
+Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot
+en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog
+altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de
+eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een
+goede boot en waren goed thuis op zee.
+
+Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat
+de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,
+dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,
+maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.
+
+De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de
+golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een
+groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen
+overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't
+zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna
+kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het
+scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.
+Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn
+met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de
+plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.
+
+'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de
+mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.
+Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide
+zonen en nog drie anderen waren omgekomen.
+
+Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen
+naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep
+tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als
+een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar
+oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn
+aan.
+
+Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op
+zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,
+dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn
+haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het
+groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze
+altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.
+
+Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder
+er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang
+gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de
+keel.
+
+"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe,
+"mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!"
+
+De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn
+verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.
+Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en
+stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.
+
+Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de
+harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco."
+
+"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem.
+
+"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten
+Lido en Malamocco, dr wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San
+Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor
+geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om
+hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij
+Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat
+men hem uitlacht."
+
+Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp
+zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand
+uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?"
+
+"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco."
+
+"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn
+jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den
+tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Veneti kwam. "San
+Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een
+mooie domkerk in Alexandri, in Egypte. Maar de stad viel in handen van
+de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis
+in Alexandri zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om
+dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden
+met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandri. Toen de
+bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het
+bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde
+priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar
+door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het
+eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de
+eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de
+priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in
+Alexandri de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander
+heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't
+niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den
+bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat
+de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de
+deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de
+twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Veneti." Je weet
+immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?"
+
+"Ja zeker, Cecco."
+
+"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak
+met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik
+vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de
+jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen
+lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en
+Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden z, dat
+je 't ver over zee kon hooren."
+
+"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!"
+
+"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op
+dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dr moesten
+sterven?"
+
+Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot
+verdriet bracht hem in de war. Z was San Marco niet. 't Was immers
+natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee
+gebeurt en niet in de haven.
+
+En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men
+had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander.
+En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn
+toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.
+
+"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo
+over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten
+en hem niet tegen de Venetirs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?"
+
+Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus
+niet," zei hij.
+
+"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets."
+
+'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.
+
+"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op
+en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij.
+"Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik
+wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur
+ontmoette hij een buurvrouw.
+
+"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze
+was bang voor hem, z zag hij er uit.
+
+Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli
+Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren
+naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen
+storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk
+weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.
+
+Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk
+van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knien lagen te
+bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetirs veel erger
+dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen
+wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom
+haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra
+de zee een van allen aanviel.
+
+Cecco viel niet op de knien, maar bleef staan. Hij herinnerde zich
+hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden
+tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten
+van Byzanti voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in
+het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de
+Venetirs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en
+nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het
+een geschenk voor die kerk mebrengt."
+
+Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd
+en het vergulde met mozaek bedekte dak. En hij had er met hen over
+gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht
+voor zijn beschermheilige bouwde.
+
+Cecco viel plotseling op de knien en begon het eene paternoster na het
+andere te bidden.
+
+Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde
+geen kwaad van San Marco gelooven.
+
+Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En
+dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk
+veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar
+ze als voor de grap had laten omkomen.
+
+Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij
+wilde hem niet loslaten.
+
+En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld
+met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang
+den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,
+zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.
+
+'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.
+Ach! 't was toch ellendig voor de Venetirs, niets beters te hebben om
+op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen
+kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een
+valwind!
+
+Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen
+uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.
+
+Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van
+gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.
+
+Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.
+
+Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.
+Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend
+had?
+
+Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel
+droeg en wierp die z hard in de schaal, dat men den klank in de
+geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en
+wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door
+ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over
+hem gekregen.
+
+Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een
+groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had
+hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.
+"Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk
+naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de
+woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.
+Zoo had San Marco ook gedaan.
+
+Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te
+hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat
+gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco
+was een stumper, even laf als wraakzuchtig.
+
+Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,
+omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof
+hem die in alle vroomheid gegeven was.
+
+Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten
+haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een.
+
+"Wat?" vroeg Cecco.
+
+"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een
+voet gestegen."
+
+Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas
+op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de
+Piazzetta was opgespat.
+
+Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich
+naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,
+alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede
+golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.
+Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de
+kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten
+worden. De hemel was effen grijs als de zee.
+
+Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou
+kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen
+zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel
+eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand
+zitten en wachtte.
+
+Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en
+groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die
+slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.
+
+Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den
+kant van Lido.
+
+O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien
+hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,
+en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de
+witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die
+elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim
+als damp wordt voortgezweept.
+
+De wind was nu z sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen
+niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen
+werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,
+om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te
+worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,
+klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in
+de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.
+
+Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar
+gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze
+bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de
+booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine
+kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met
+het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het
+land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing
+te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al
+het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam
+een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,
+die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te
+zijn eer de storm al te geweldig zou worden.
+
+Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen
+en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat
+dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun
+inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.
+
+Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor
+een gewoon mensch om rekening me te houden. De stapjes werden door de
+golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend
+naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,
+zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot
+vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en
+fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,
+dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg
+weer in flarden neer.
+
+Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen
+speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad
+doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot
+onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.
+
+Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.
+Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan
+land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend
+neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land
+gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren
+en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak
+er de sierlijke bogen van.
+
+Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.
+Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij
+te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,
+dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij
+had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.
+
+"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men
+misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar
+San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm."
+
+Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Veneti af, tot de
+stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den
+Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor
+de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen
+fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware
+brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.
+
+Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge
+Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de
+menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?
+
+Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was
+nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan
+de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun
+woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te
+rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.
+
+De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen
+hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken
+aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen
+bestormen.
+
+Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,
+die over zijn hoofd heengleden.
+
+"Nu is het spoedig uit met Veneti," zei een stem in de eene wolk,
+"straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad."
+
+"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere
+wolk.
+
+"San Marco is door een Venetir op het voorhoofd geslagen, zoodat hij
+machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer.
+
+Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van
+dat oogenblik af lag hij op de knien en bad San Marco om genade en
+vergiffenis.
+
+Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de
+eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetir had San Marco gehoond en
+daarom zou Veneti door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden
+meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken
+uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde
+signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze
+moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar
+Veneti kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren
+weggeslagen.
+
+Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te
+luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna
+van het lijf gerukt werden.
+
+De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te
+gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen
+optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de
+kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.
+Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof
+hij niets beters wist om me te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,
+blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie
+gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.
+
+Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den
+gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.
+
+Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den
+geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid
+en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag
+hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van
+zijn gebeden het lot van de stad afhing.
+
+Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele
+kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke
+schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten
+op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook
+op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.
+
+De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den
+avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,
+hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te
+blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,
+die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er
+reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.
+Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de
+instortende huizen in 't water verdwenen.
+
+Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.
+
+"Wat geef ik om mijn zonen, als het Veneti geldt. Ik zou een zoon geven
+voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon
+vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Veneti is zooveel
+waard als een bloeiende zoon."
+
+Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt
+was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende
+strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven
+zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot
+volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het
+schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de
+barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En
+al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het
+schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood
+tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.
+
+Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de
+hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer
+dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen me te slepen in het
+ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.
+Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het
+scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de
+granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De
+oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Veneti.
+
+Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De
+demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde
+dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel
+om hen. Het ergste was de angst voor Veneti. Daar hoorde hij sterke
+vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar
+kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich
+wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het
+neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de
+plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar
+hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Veneti maar gered
+werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.
+
+Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij
+ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de
+groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.
+
+De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en
+zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en
+bleef zitten.
+
+Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast
+hem.
+
+"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over
+naar San Giorgio Maggiore."
+
+"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een
+droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien
+hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet
+had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende
+en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met
+den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar
+San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.
+"Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de
+man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om
+hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp
+den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.
+
+Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste
+niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,
+dat geen mensch daar tegen op kan."
+
+Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het
+onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een
+zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San
+Giorgio Maggiore te roeien.
+
+'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach!
+scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem
+uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een
+verstandige, oude visscher! Roep hem terug."
+
+Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.
+Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als
+hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter
+naar San Giorgio voort.
+
+"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij.
+"Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een
+heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf."
+
+Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet
+over zijn megaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen
+alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet
+naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan
+op Rialto."
+
+Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde
+aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de
+boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou
+liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.
+
+Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.
+Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.
+
+"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling.
+
+"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al
+levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij
+de tocht naar Lido niet wagen?
+
+En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in
+den dood en zette werkelijk koers naar Lido.
+
+Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet
+hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,"
+zei hij verwijtend tot zichzelf.
+
+Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde
+noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,
+dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,"
+zei hij tot zichzelf.
+
+Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze
+gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden
+bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den
+mijter op het hoofd.
+
+"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling.
+
+De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen
+vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij
+dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van
+naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide,
+voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.
+De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede
+waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het
+donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door
+de storm opgezweepte zee lag voor hen.
+
+'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier
+in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of
+hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide
+hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.
+
+Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de
+knien, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam
+recht op hen aan.
+
+Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de
+wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de
+vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat
+ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van
+demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen
+geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den
+storm.
+
+Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan
+te zien komen en Cecco sloot de oogen.
+
+Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want
+de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip
+op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.
+
+Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat
+hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
+voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
+rustig.
+
+"Breng ons nu terug naar Veneti," zei de vreemdeling tot den visscher.
+
+Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging,
+en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
+indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.
+
+Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
+den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
+zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
+en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Veneti
+wilden verwoesten, en ze hebben verdreven."
+
+"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
+zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft."
+
+Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
+edelsteen.
+
+"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u
+gezonden heb. Hij kent mijn ring."
+
+De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.
+
+"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring
+geef als een onderpand, dat ik Veneti nooit zal verlaten. Zelfs als de
+laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Veneti
+bewaren. Zelfs al verloor Veneti de eilanden in 't oosten en de
+heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
+zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
+zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
+altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
+zal u op uw ouden dag niet verlaten."
+
+Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
+zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
+rozigen glans over Veneti en de veelkleurige zee. Rood straalden
+de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
+versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
+Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.
+
+Weer was Veneti de schoone godin, die op de golven troont in de
+rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
+haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
+een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van
+geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
+de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
+uitstrekken.
+
+
+
+
+SANTA CATHARINA VAN SINA.
+
+
+Het is in het oude huis van Santa Catharina in Sina, op een dag in het
+eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
+oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
+vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
+daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
+geuren wierook en viooltjes.
+
+En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
+Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
+ingaan, haar gezien en gekend hebben.
+
+Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
+meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
+dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
+getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
+
+Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
+feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes
+onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
+den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
+
+En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
+geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
+ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
+kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperien en rood
+zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
+vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
+gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
+met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
+
+En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
+kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
+die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
+waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
+elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
+toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
+zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
+stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
+om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
+zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
+als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
+alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
+Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien."
+
+En zij kussen haar portret en nemen een bloem me uit de bouquetten, als
+een herinnering aan haar.
+
+Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
+scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
+herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
+aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
+trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
+afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
+niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
+om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
+dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
+slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
+dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
+bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
+een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knien lag en
+bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
+hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
+duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
+van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte
+van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
+en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
+houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
+
+Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
+is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
+
+In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
+vergeten. Alle armen van Sina komen daar aan de poort kloppen, want
+ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
+hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
+zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
+ze nog thuis was.
+
+Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar z, dat men haast
+niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
+
+In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
+wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
+liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor
+ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
+
+Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
+Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
+door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
+
+Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
+die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
+dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
+hemels, bid voor ons."
+
+ * * * * *
+
+Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
+schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
+leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
+of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
+ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
+duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
+herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
+eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
+huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
+mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
+helder voor onzen geest.
+
+Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Sina
+kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Sina bestuurd werd
+en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
+zat te drinken, dat Sina moest opstaan tegen de Signoria en zich een
+ander bestuur veroveren.
+
+De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
+geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun
+niet, dat de Perugir het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
+te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
+ter dood veroordeeld.
+
+Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
+voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
+hebben, in orde gemaakt werd.
+
+Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
+zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
+hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
+de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
+smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
+eerst gisteren gekocht en nog maar ns beproefd had.
+
+Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
+de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
+er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
+missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
+geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
+moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
+
+Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
+aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
+Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
+
+Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans,
+van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
+Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
+hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
+wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
+Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
+miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
+hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
+verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
+sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
+troost geweest zijn.
+
+Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
+markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
+zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou
+zien--dt kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
+'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
+evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!
+
+Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
+om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
+liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
+zouden zeggen tegen iemand, die z verongelijkt was als hij. Maar toen
+ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
+jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over
+hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze
+niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en
+de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
+genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
+weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
+Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
+hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
+gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
+binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
+weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
+hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
+
+Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
+jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
+onbuigzame zielen te bezitten.
+
+Toen de Perugir dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
+woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
+met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw,"
+zei hij.
+
+Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in
+straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
+krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
+beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
+brachten.
+
+Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
+ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
+al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
+vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
+om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
+Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
+sneden.
+
+Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
+raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
+witte dominikanerkleeding met hoofd en hals z dicht in een witten
+sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
+bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
+
+Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
+verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
+gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
+alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
+anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
+moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte
+het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
+dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
+afgeschaafde vel.
+
+Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
+gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze me bezig was. Het
+was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
+dood moest voorbereiden.
+
+Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
+haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
+
+"Ik geloof, dat ik zou willen slapen."
+
+"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze.
+
+Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
+grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?"
+vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
+
+Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
+dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
+gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
+keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
+storen.
+
+"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit.
+
+"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te
+denken, wie ge toch zijt."
+
+"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw,
+Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het
+dominicanerklooster."
+
+"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
+dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
+afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt."
+
+Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
+zijn eerste liefde bekent:
+
+"Ik ben de bruid van Christus."
+
+Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
+hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van
+een msaillance.
+
+Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
+alsof hij meende, dat zij vermetel was.
+
+"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo."
+
+"Dat is inbeelding of een droom," zei hij.
+
+Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
+schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
+opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
+haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
+
+"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig.
+
+"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg
+zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en
+andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
+velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
+en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
+gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
+voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
+de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
+hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!"
+
+"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!"
+
+"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei
+ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
+meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
+te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet."
+
+Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u
+toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
+Christus kunt noemen?"
+
+Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
+moest scheuren, toen zij antwoordde:
+
+"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
+jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de
+kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
+ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
+heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
+Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
+en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
+terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
+een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
+hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
+geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien
+tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad."
+
+Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
+veld geslapen en gedroomd."
+
+"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
+gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
+de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
+klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
+hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
+trouwen wilde?"
+
+Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
+zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
+
+"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
+liefheeft," vroeg hij.
+
+Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
+als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu
+zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
+Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
+gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
+te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
+zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
+maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
+muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
+en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
+flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
+het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
+wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
+deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
+daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
+iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
+hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen z
+hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
+me zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
+maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
+'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
+me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
+lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
+vastgebonden. Maar nooit te voren had ik z innig tot Christus gebeden,
+dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
+gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
+een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
+schoot zat het kind Jezus met lelin te spelen. Maar ik spoedde mij
+voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knien en was
+plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
+heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan,
+Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
+door het sterkste geloof verbind.""
+
+"O, Catharina!"
+
+De jonge Perugir had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
+gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
+kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
+oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
+
+Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
+jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar
+liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
+of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
+heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
+het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
+was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
+
+Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
+gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
+"Ik vergeet met u over uw ziel te spreken".
+
+Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen."
+
+En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
+over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
+Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
+biechten. Maar n ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
+morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
+nemen, zooals ge nu doet."
+
+Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde z groot, dat ze begon te
+schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vr
+mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar.
+
+Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
+wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid
+sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
+angst zal van mij wijken."
+
+"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een
+hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
+omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
+spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
+zeker komen zal en u zien sterven."
+
+Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als
+een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven
+was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien
+zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het
+sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,
+omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
+
+Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was
+zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij
+riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina
+van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden
+redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil
+het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden
+zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over
+haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,
+die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
+
+De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen
+aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een
+verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar
+alsof ze alleen was.
+
+En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor
+alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik
+reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,
+helderde het zijne op en hij was bijna blij.
+
+Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw."
+
+"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik
+wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht."
+
+Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knien er voor, om zijn
+hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
+
+"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina."
+
+Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze.
+
+Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij
+de beste troost."
+
+De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze
+nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
+
+"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om
+te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik
+nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit
+oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,
+en mijn gebeden hebben geen kracht."
+
+Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen
+winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende
+hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in
+haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
+
+"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om
+uw ziel te ontvangen."
+
+Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil
+den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op
+dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager
+neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel
+voerden.
+
+ * * * * *
+
+Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar
+geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,
+liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest
+liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen
+doet.
+
+
+
+
+DE ZEVEN DOODZONDEN.
+
+
+De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich
+daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat
+niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den
+biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
+
+"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de
+zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag
+buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn
+vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de
+eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang
+ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al
+wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij
+nu absolutie geven?"
+
+"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit
+gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst
+vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw
+hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch
+zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme
+zondaars waren in vergelijking met u."
+
+"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man.
+
+"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als
+ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken."
+
+En hij vertelde:
+
+"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant
+van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te
+huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het
+meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar
+trouw beloofd.
+
+Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem
+hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom
+zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen
+kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart."
+
+Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem
+in stilte.
+
+Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere
+tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op
+haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om
+haar.
+
+De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.
+Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de
+kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik
+heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op
+de knien voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en
+haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met
+zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te
+voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
+
+Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat
+een ellende u over ons gebracht hebt."
+
+En toen ging ze naar het balkon.
+
+Daar kwam haar bruidegom bij haar.
+
+"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?"
+vroeg hij.
+
+Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem
+nooit te verlaten."
+
+Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.
+Ik heb je z lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan
+maken, als ik doen zal."
+
+"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij.
+
+"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te
+nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek."
+
+Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,
+dat God zijn hart beweegt."
+
+En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar
+gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op
+diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn
+geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als
+een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
+
+"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!"
+
+Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,
+hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,
+dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen
+zooals ge wilt."
+
+Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en
+kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel
+stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer
+hongerig na den langen rit en de lange mis.
+
+"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met
+toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want
+hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik
+hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk
+gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want
+voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek
+u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,
+als ik het leven van mijn geliefde gered heb."
+
+Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar
+dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl
+gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den
+maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg.
+
+Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen
+in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te
+zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was
+bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke
+gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur
+en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide
+hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met
+een grooten bezem te slaan.
+
+Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te
+laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.
+En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.
+Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde
+het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te
+zeggen.
+
+En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet
+en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de
+Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
+
+Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de
+loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een
+gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en
+paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een
+zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik
+naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden
+en een geacht en eerlijk man worden."
+
+Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij
+zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:
+"Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone
+maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij
+eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd
+voortgaan.
+
+In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde
+door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had
+zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,
+nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo
+wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij
+geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar
+toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid
+door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die
+vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug
+heeft stuk geslagen."
+
+En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en
+droeg er haar op zijn schouders over.
+
+Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog
+zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen
+spijt van, want zij was z bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij
+waren iets voor haar te mogen opofferen.
+
+Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een
+der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen
+zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het
+zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
+
+De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel
+toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde
+haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,
+maar luisterde er naar en deed open.
+
+Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot
+dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,
+beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde
+haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat
+oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
+
+Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe."
+
+En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?"
+
+Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en
+sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht
+aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het
+huis van haar vader."
+
+Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met
+wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie
+hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was
+een wijs man en wist wel, dat niemand z vrij van zonde is, als deze
+man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,
+welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de
+vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de
+hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of
+hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust
+de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de
+deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij
+zelf het moeilijkst te betrachten vond.
+
+Maar de Booze was z verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van
+den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk
+te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer
+bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij
+verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals
+de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
+
+"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg
+toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van
+allen veel waard vindt."
+
+"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat
+deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven
+het andere stellen."
+
+Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende
+stem:
+
+"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is."
+
+Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
+
+"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit,
+"en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd
+had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij
+begon de duivelbezwering te lezen:
+
+"Vade retro Satanas...."
+
+Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel
+uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van
+de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
+
+En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door
+Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den
+monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen
+woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den
+visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo
+werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarme zonden
+aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
+
+
+
+
+DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.
+
+
+De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en
+onaangenaam geval.
+
+Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in
+den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking
+aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en
+teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn
+aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de
+leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij
+stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te
+noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.
+"En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater,
+"twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven."
+
+Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op
+hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,
+vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet
+anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.
+
+"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de
+arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...."
+
+"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik
+meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest."
+
+"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...."
+
+"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?"
+
+De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
+
+"U kent hem natuurlijk!" zei hij.
+
+"Natuurlijk, Monseigneur."
+
+"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,
+woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is."
+
+De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
+
+"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn
+voordrachtstoon vervallend.
+
+De bisschop sprong op.
+
+"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur."
+
+"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een
+lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden
+hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze
+voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau
+gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste
+uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
+
+"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in
+het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en
+voortreffelijkste, die ooit Belgi regeerde.
+
+Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun
+dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote
+keizerin Maria Theresia.
+
+Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,
+misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet
+haar goed graafschap West-Vlaandren.
+
+In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men
+nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,
+dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.
+Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in
+visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria
+Theresia is.
+
+Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben
+macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben
+niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te
+vergelijken is.
+
+Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is
+niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
+
+Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,
+deed zij een reis naar Belgi. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;
+ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote
+steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam
+ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
+
+Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en
+te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,
+hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger
+over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,
+maar zij waren vervallen en ingestort.
+
+Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, z doorweekt, dat
+enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door
+den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,
+en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee
+omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid
+lagen.
+
+De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich
+vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de
+plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij
+liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de
+zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en
+al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot
+binnen de duinen was doorgedrongen.
+
+En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit
+arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden
+te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te
+ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten
+de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de
+visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit
+vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij
+dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
+
+De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in
+Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot
+Sluis om haar te zien. Maar vr de mis ging de keizerin rond en sprak
+met het volk.
+
+De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
+
+"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin.
+
+"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis
+Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat
+hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn
+boot."
+
+"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin.
+
+"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig,
+toen men hem aan land bracht."
+
+"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin.
+
+"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets
+hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn
+vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte
+maakte hem zeker krankzinnig."
+
+"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de
+keizerin, "is iets om op te vertrouwen."
+
+"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij
+en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op
+rekenen kunnen."
+
+De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
+
+"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem.
+
+"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein
+opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,
+met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,
+waarmee hij begonnen was."
+
+"Hoe komt dat?" zei de keizerin.
+
+"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij
+kleiner, dan hij verwachtte."
+
+"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin.
+
+"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen
+heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet
+toereikend zal zijn."
+
+"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig
+heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin.
+
+"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en
+niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te
+steunen."
+
+De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en
+vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
+
+"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der
+Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden."
+
+"Werkelijk?"
+
+"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa
+kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er
+van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die
+te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden
+hebben, en daarna hebben ze twist gekregen."
+
+"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de
+keizerin.
+
+"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest."
+
+"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou
+iets moeten zijn, dat z verborgen was, dat niemand het vinden kon."
+
+"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand
+het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en
+'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen."
+
+De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar
+de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knien en
+smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
+medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
+het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
+ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
+
+Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
+Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
+
+Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
+genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
+echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
+roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
+vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
+gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
+West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
+
+Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
+
+Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
+
+Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen
+of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
+of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
+hen doen kon, zou ze doen.
+
+Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze z het
+kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
+over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
+medelijden.
+
+Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
+met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
+allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
+kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
+tranen in de oogen toen ze dat zei.
+
+Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
+spreken, voor de nood z hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
+verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
+laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
+ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
+zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
+
+Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
+keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
+ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en
+oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
+geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
+duinen.
+
+Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
+in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
+dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
+West-Vlaanderen regeert.
+
+Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
+van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
+menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
+hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
+kan, dr wanhoopt men niet.
+
+Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
+Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
+nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
+het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
+keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
+schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
+Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
+met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
+zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
+altijd vr zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
+wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
+
+Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
+niemand het z nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
+weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
+bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
+nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
+zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
+bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
+zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
+bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
+die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
+waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
+heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
+genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
+het eigen geld was altijd voldoende.
+
+Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
+dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vr
+allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
+aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
+later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
+weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
+bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste
+bezitten ze allen in gemeenschap.""
+
+De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
+
+"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?"
+
+"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de
+goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
+dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
+voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
+drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
+noodiger hadden."
+
+"En....?" vroeg de bisschop.
+
+"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
+preekstoel al af was. Anders niets."
+
+"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid
+tot hen gesproken hadt."
+
+De monnik boog.
+
+"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
+hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
+zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
+compliment."
+
+De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
+
+De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
+
+"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan."
+
+"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur."
+
+"En de schat? Was er ooit een schat?"
+
+"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen."
+
+"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop.
+
+"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
+Het is een klein houten kistje met ijzer beslag."
+
+"En....?"
+
+"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia."
+
+De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
+
+"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?"
+
+"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
+voorstellingen zijn ijdel."
+
+Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: Catharina van Siena 151 |
+ | C: Catharina van Sina 151 |
+ | B: Zelfs was hij ook niet |
+ | C: Zelf was hij ook niet |
+ | B: kon lijden. |
+ | C: kon leiden. |
+ | B: en Moeder en ons beiden. |
+ | C: en Moeder en ons beiden." |
+ | B: geboren werd. Ze wl hem |
+ | C: geboren werd. Ze wil hem |
+ | B: midden tusschen de menschen |
+ | C: midden tusschen de menschen. |
+ | B: Agnete kon dit niet uithouden. |
+ | C: Agneta kon dit niet uithouden. |
+ | B: talk meer in den kandelaar, |
+ | C: talk meer in den kandelaar. |
+ | B: onbeschadigd naar Veneti. Je weet |
+ | C: onbeschadigd naar Veneti." Je weet |
+ | B: ging over de Piazetta en de markt |
+ | C: ging over de Piazzetta en de markt |
+ | B: hagelbuien uitstortten over de stad, |
+ | C: hagelbuien uitstortten over de stad. |
+ | B: Giorgo Maggiore te roeien. |
+ | C: Giorgio Maggiore te roeien. |
+ | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat |
+ | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat |
+ | B: de drie mannan de botsing afgeweerd |
+ | C: de drie mannen de botsing afgeweerd |
+ | B: het sterkste geloof verbind." |
+ | C: het sterkste geloof verbind."" |
+ | B: zei, dacht hij. "Als ik leven |
+ | C: zei, dacht hij: "Als ik leven |
+ | B: langen rit en de lange mis." |
+ | C: langen rit en de lange mis." |
+ | B: barstte de monik uit, |
+ | C: barstte de monnik uit, |
+ | B: En toen ik op de preekstoel |
+ | C: "En toen ik op de preekstoel |
+ | B: ze allen in gemeenschap." |
+ | C: ze allen in gemeenschap."" |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38422-8.txt.bin b/38422-8.txt.bin
new file mode 100644
index 0000000..f8e3664
--- /dev/null
+++ b/38422-8.txt.bin
@@ -0,0 +1,27 @@
+%pagenumbers = (
+);
+
+$bookmarks[0] = '1.0';
+
+
+@operations = (
+'Tue Dec 27 13:11:54 2011 - Open C:\ACTIVE\RESULTS 38422\38422\38422-0.txt',
+'Tue Dec 27 13:11:56 2011 - Word Frequency',
+'Tue Dec 27 13:12:18 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:12:21 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:12:38 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:12:40 2011 - Word Frequency',
+'Tue Dec 27 13:12:48 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:12:58 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:13:16 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:13:19 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:14:24 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:15:07 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:15:15 2011 - File Saved',
+);
+
+$spellindexbkmrk = '';
+
+$scannoslistpath = '';
+
+1; \ No newline at end of file
diff --git a/38422-8.txt.bin.bak b/38422-8.txt.bin.bak
new file mode 100644
index 0000000..6fb42b1
--- /dev/null
+++ b/38422-8.txt.bin.bak
@@ -0,0 +1,26 @@
+%pagenumbers = (
+);
+
+$bookmarks[0] = '13.31';
+
+
+@operations = (
+'Tue Dec 27 13:11:54 2011 - Open C:\ACTIVE\RESULTS 38422\38422\38422-0.txt',
+'Tue Dec 27 13:11:56 2011 - Word Frequency',
+'Tue Dec 27 13:12:18 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:12:21 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:12:38 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:12:40 2011 - Word Frequency',
+'Tue Dec 27 13:12:48 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:12:58 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:13:16 2011 - File Saved',
+'Tue Dec 27 13:13:19 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:14:24 2011 - Search & Replace',
+'Tue Dec 27 13:15:07 2011 - File Saved',
+);
+
+$spellindexbkmrk = '';
+
+$scannoslistpath = '';
+
+1; \ No newline at end of file
diff --git a/38422-8.txt.bk1 b/38422-8.txt.bk1
new file mode 100644
index 0000000..590af98
--- /dev/null
+++ b/38422-8.txt.bk1
@@ -0,0 +1,5623 @@
+Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oud en nieuw
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLÖF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND
+F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR
+TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE
+F 3.90.
+
+=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN
+PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75;
+IN PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90;
+IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN
+PRACHTBANDEN F 5.50.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50.
+
+
+ GOEDKOOPE UITGAAF
+
+ VAN
+
+ GÖSTA BERLING
+
+ Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF
+
+ Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90=
+
+ * * * * *
+
+=Het Algemeen Handelsblad:=
+
+Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen
+en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende
+phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,
+van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van
+meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,
+geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen
+Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en
+beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving
+van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.
+
+=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij
+het geheel genoten heeft.=
+
+=Het Vaderland:=
+
+Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat
+en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder
+en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van
+Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta
+Berling" is een boek om tweemaal te lezen.=
+
+=De Kerkelijke Courant:=
+
+Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan "Gösta Berling". Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten
+predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden
+en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of
+men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster
+Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster
+vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó
+aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en
+haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,
+wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met
+vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in
+de schaduw staat.
+
+
+
+
+OUD EN NIEUW
+
+
+
+
+ OUD EN NIEUW
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ AMSTERDAM
+
+ H. J. W. BECHT
+
+ 1907
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De Kerstroos 1
+
+ In de Gerechtszaal 26
+
+ Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37
+
+ De Kerstvrede 47
+
+ Het Grafschrift 65
+
+ De beide Broeders 80
+
+ Romeinsch Bloed 89
+
+ De oude Agneta 113
+
+ De Ring van den Visscher 123
+
+ Santa Catharina van Siëna 151
+
+ De zeven Doodzonden 170
+
+ De Schatkist van de Keizerin 180
+
+
+
+
+DE KERSTROOS.
+
+
+De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde,
+was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was
+een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de
+loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud
+waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch
+woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens
+gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn
+vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van
+pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,
+zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,
+durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed
+om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als
+ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren
+erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te
+rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in
+'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of
+kinderen wat overkwam.
+
+Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te
+bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een
+klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de
+portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde
+brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen.
+
+Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de
+kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten
+teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de
+rooversvrouw ging snel met hem meê.
+
+'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't
+kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de
+rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen
+zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.
+
+Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een
+plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen
+plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.
+
+In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't
+Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen,
+dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er
+in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van
+de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel
+kleine bloembedjes liep.
+
+In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.
+Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den
+mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle
+vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe
+en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze
+liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën,
+die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen
+den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den
+leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar
+bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de
+rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem
+achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar
+bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.
+
+"Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch," zei ze, "en raak me nu
+eens aan als je durft." En toen ze dat gezegd had scheen ze er even
+zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,
+dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw
+haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd
+toesprak.
+
+"Je moet weten, vrouw," zei hij, "dat dit een monnikenklooster is en
+dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet
+weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur
+te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin
+weg."
+
+Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar
+'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen
+bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.
+
+Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te
+loopen om hulp te halen.
+
+Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag
+nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad
+staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij
+zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,
+zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar
+hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden
+krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze
+wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.
+
+De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet
+anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.
+
+Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten
+zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een
+geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw
+van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg
+konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.
+
+Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun
+hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon
+hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar
+den tuin.
+
+Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen
+de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist
+zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar
+ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort
+vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude
+kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer
+gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.
+
+De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke
+dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon
+niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om
+dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar
+zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.
+
+De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet
+anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren
+en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:
+
+"Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien
+had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien
+ik ken."
+
+De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de
+rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde
+een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.
+
+De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te
+berispen.
+
+"Dit is de abt Hans," zeide hij, "die zelf met groote vlijt en moeite
+de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij
+weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van
+Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste
+bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen."
+
+"Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen," antwoordde de rooversvrouw,
+"ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan
+denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid
+weggooien."
+
+Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de
+abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.
+
+"Ik begrijp wel, vrouw," zei hij, "dat je zoo mooi praat om ons te
+plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,
+tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn
+ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van
+een tuin geweest ben."
+
+De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,
+en ze riep uit: "Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een
+tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,
+moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht
+in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te
+vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,
+en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet
+gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken."
+
+Nu lachte de leekebroeder nog harder: "Je kunt hier nu wel staan pochen
+op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet
+anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus
+vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij
+en je man."
+
+"En toch is dat even waar," zei de rooversvrouw, "als dat jij niet in
+den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien."
+
+De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk
+te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,
+dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er
+vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij
+begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met
+Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van
+haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij
+daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel
+hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.
+
+Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het
+gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen
+werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,
+schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.
+
+"Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen," zei ze. "En u mag
+ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een
+heilig man is."
+
+Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt
+gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze
+overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden
+toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als
+zij iets van zijn plan ontdekten.
+
+Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken.
+Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn
+reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.
+
+Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek
+van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,
+hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die
+veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief
+voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen
+kon leiden.
+
+"Zooals het nu gaat," zei de abt, "groeien zijn kinderen tot erger
+misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele
+rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen."
+
+Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover
+niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor
+allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.
+
+De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,
+dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het
+roovershol heen.
+
+"Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor
+hen wil vertoonen," zeide hij, "dan kunnen ze toch niet te slecht zijn
+om bij de menschen genade te vinden."
+
+Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. "Zooveel
+wil ik wel beloven, abt Hans," zei hij en glimlachte, "dat ik, op den
+dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u
+een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen
+wilt."
+
+De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het
+verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.
+Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem
+zeker zou zenden.
+
+ * * * * *
+
+De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet
+thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de
+woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had
+hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.
+
+De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu
+heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het
+heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet
+graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te
+beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te
+zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik
+was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den
+abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.
+
+Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat
+er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder
+boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm
+zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden
+massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer
+kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid
+moesten worden.
+
+Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de
+koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die
+zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het
+klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met
+stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de
+kloosterpoort gekregen hadden.
+
+Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer
+haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan
+een van de anderen zou mogen vieren.
+
+Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de
+kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en
+smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan
+de handen van den roover over te geven.
+
+Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te
+storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in
+de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd
+steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen
+over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en
+diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.
+
+'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile
+en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige
+velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist
+toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over
+een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene
+naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin
+zagen zij een deur van dikke planken.
+
+Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren
+en steeg van zijn paard.
+
+'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele
+berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,
+dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van
+dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.
+
+"Kom binnen, jelui daarbuiten," riep de rooversvrouw, zonder op te
+staan, "en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van
+de nachtkou."
+
+De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't
+Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De
+rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.
+Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er
+was niets in dan een waterachtige soep.
+
+Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten
+boerenvrouw. "Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u," zei ze. "En als
+u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch
+klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,
+moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang
+te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur
+zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u
+gekomen is."
+
+De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was
+zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op
+het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed
+aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat
+hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den
+abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,
+zoodat hij insliep.
+
+Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en
+nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij
+hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit.
+Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten
+wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.
+
+De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het
+Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't
+Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan
+had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.
+
+"'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de
+anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen," zei de
+abt.
+
+De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand
+sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.
+
+Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist
+voor het gezicht.
+
+"Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen
+van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch
+niet uit mag komen?"
+
+De abt zag hem rustig vlak in de oogen. "Mijn plan is u een vrijbrief te
+bezorgen van den aartsbisschop," zei hij.
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid
+te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had
+van bisschop Absalom!--"Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg," zei
+de roover, "dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen
+gans."
+
+De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om
+den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.
+
+De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de
+monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.
+
+Maar opeens stond de rooversmoeder op.--"U zit hier zoo te praten, abt
+Hans," zei ze, "dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs
+hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden."
+
+Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.
+
+Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het
+eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd
+aangedragen door een zachten zuidenwind.
+
+"Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?" dacht de abt.
+Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,
+nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou
+opbloeien.
+
+Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een
+lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even
+duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als
+een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het
+uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.
+
+Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een
+mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen
+kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De
+erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in
+'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes
+zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende
+knoppen, die al een zweempje kleur hadden.
+
+'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't
+ontwaken van 't bosch zag. "Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen
+zien?" dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.
+
+Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke
+duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.
+
+Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een
+bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen
+aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren
+komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen
+de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken
+heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de
+splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,
+streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren
+prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als
+de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.
+
+Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,
+warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die
+arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan
+land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden
+kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond
+raakten, takken en loten.
+
+Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe
+ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun
+nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.
+
+Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te
+denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren
+en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht
+den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de
+veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den
+en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen
+glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik
+van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het
+heelemaal wit en blauw en goud werd.
+
+De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer
+oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats
+met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,
+krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar
+jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde
+naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en
+ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten
+van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.
+
+De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij
+verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot
+als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een
+ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen
+waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en
+slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.
+Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak
+een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. "Houd jij je
+aan jouw kant," zei hij, "dit is mijn struikje." Toen ging de beer
+achteruit en liep een anderen kant uit.
+
+Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten
+zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld
+stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende
+lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,
+dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan
+het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den
+bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo
+groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor
+bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op
+dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.
+
+De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol
+licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van
+den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter
+vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle
+aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: "Nu weet ik
+niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan."
+
+Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het
+iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche
+lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat
+nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in
+aantocht was.
+
+De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen
+speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.
+
+De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,
+de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te
+mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen,
+en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.
+
+De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van
+zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds
+in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen
+Kerstliederen te hooren zingen.
+
+Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was.
+Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,
+omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte
+hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God
+zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in
+eere hielden.
+
+Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. "Dat kan geen echt wonder
+zijn," dacht hij, "dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat
+kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier
+gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons
+behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat."
+
+In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,
+dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. "Ze willen ons
+verlokken en verleiden," zuchtte hij. "Nooit komen we heelhuids hier van
+daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht."
+
+Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten
+zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag
+hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het
+toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den
+nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te
+beter de christenen te kunnen bedriegen.
+
+Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij
+had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den
+leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang
+speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat
+de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den
+leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat
+het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.
+Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't
+bosch weerklonk: "Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen
+bent!"
+
+Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels
+hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.
+Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang
+plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.
+En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken
+schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister
+zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten
+op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der
+watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.
+
+De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,
+zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. "Nooit zal ik dit
+kunnen overleven," dacht hij, "dat de engelen mij zóó nabij waren en
+verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de
+vlucht werden gejaagd."
+
+Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en
+hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog
+iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde
+bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam
+aanglijden over het veld.
+
+Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar
+bleef op het veld liggen.
+
+Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe
+duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij
+namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem
+dood in de sneeuw liggen.
+
+En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,
+dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de
+lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.
+
+ * * * * *
+
+Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen
+voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,
+dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand
+eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had
+vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't
+loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de
+bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt
+Hans.
+
+Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden
+opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen
+eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,
+wachtte hij niet langer.
+
+Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans,
+dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij
+nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond
+gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren
+opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.
+
+Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit
+plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,
+begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in
+het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,
+dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen
+aan bisschop Absalom moesten zenden.
+
+Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de
+bloemen toe en zeide: "Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die
+hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch."
+
+Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde
+waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij
+een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak
+hij: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne
+houden."
+
+En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn
+jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan
+den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het
+roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met
+opgeheven bijl te gemoet: "Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik
+er maar krijgen kan," zei hij. "Zeker is het om jelui, dat het
+Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed."
+
+"Dat is alleen mijn schuld," antwoordde de leekebroeder, "en ik wil
+graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen."
+
+En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met
+hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan
+het perkament hing.
+
+"Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en
+Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,"
+zeide hij.
+
+Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit
+zijn naam: "Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man
+ook zijn woord houden."
+
+Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de
+leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij
+bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand
+mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich
+bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet
+gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur
+van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het
+plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd "Kerstroos" genoemd
+en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de
+aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens
+gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.
+
+
+
+
+IN DE GERECHTSZAAL.
+
+
+We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel
+achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd
+man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig
+geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een
+sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit
+te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem
+kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die
+alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en
+onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
+
+Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag
+behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het
+onderhoud van een onecht kind.
+
+Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan
+worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse
+een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.
+
+Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,
+dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft
+aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse
+eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd
+geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,
+hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring
+volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde
+opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld
+wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
+
+Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene
+tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.
+Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een
+opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft
+zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze
+zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend
+heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
+
+Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man
+in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en
+vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich
+heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,
+daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het
+minst bezwaart.
+
+Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,
+en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed
+af te leggen.
+
+Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig "ja". Hij begint
+te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant
+voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en
+niets hem verhindert om dien af te leggen.
+
+Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt
+onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond
+gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde
+in het aangezicht heeft kunnen zien.
+
+Nu hij "ja" zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar
+stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer
+staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij
+kan niet: "ja" gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.
+
+Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de
+gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te
+krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
+
+De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig.
+Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,
+en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
+
+Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich
+opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de
+rechter moet het hem immers beletten.
+
+De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen
+denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen
+waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze
+wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo
+iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de
+rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over
+zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke
+ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk
+hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken
+er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel
+begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd
+hebben, als zij daar geen recht toe had.
+
+De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat
+ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand
+anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.
+
+Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant
+een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan
+is in te grijpen.
+
+Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een
+paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van
+ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.
+Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al
+spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de
+rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
+
+Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed
+en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten
+zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en
+ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop
+moet hebben.
+
+Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat
+hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een
+valschen eed heeft overwogen.
+
+De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door
+getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
+
+De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze
+maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
+
+Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd
+met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren,
+maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
+
+Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,
+niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
+
+Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,
+maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in
+het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan
+ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen
+versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in
+het hoofd.
+
+Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
+
+Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille
+van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan
+moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
+
+Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets
+geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en
+geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de
+naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar
+oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden
+met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.
+
+Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik,
+heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel
+moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het
+eedsformulier te vinden.
+
+Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap
+naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn
+hand wegstooten.
+
+Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij
+nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
+
+De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht
+heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan
+houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te
+spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij
+vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
+
+Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van
+plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal
+voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar
+hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft
+aangeklaagd.
+
+Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat
+haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te
+krijgen?
+
+Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.
+
+Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de
+daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit
+meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
+
+Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar
+voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den
+Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk
+moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen
+eed, dat zal hij niet.
+
+De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te
+nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken
+angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in
+haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis
+zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,
+hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,
+springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet
+zich ook tegen hem.
+
+"Je zult den eed niet doen," roept ze, "je zult het niet."
+
+Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek
+dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te
+staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te
+voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
+
+Daar roept de rechter luid en toornig: "Stilte", en allen blijven
+onbeweeglijk staan.
+
+"Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?" vraagt de
+rechter met dezelfde harde en strenge stem.
+
+Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar
+verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
+
+"Hij zal den eed niet doen."
+
+"Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats," beveelt de rechter.
+
+Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. "Hij
+zal den eed niet doen," roept ze met onbeteugelde heftigheid.
+
+"Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?" vraagt de rechter met
+steeds scherper stem.
+
+"Ik wil de zaak niet verder voortzetten!" barst ze uit met een luide,
+snijdende stem. "Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden."
+
+"Waarom schreeuw je zoo?" vraagt de rechter. "Heb je je verstand
+verloren?"
+
+Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
+schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
+niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
+om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
+
+Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
+"Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
+maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
+doen."
+
+Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
+blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
+handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
+haar af.
+
+Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
+
+Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
+zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
+
+Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
+niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
+geringsten te vinden is.
+
+Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
+slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
+heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
+van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
+dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
+En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
+heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
+ziel.
+
+En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
+menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
+hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
+
+Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
+
+De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
+
+"We zullen doen wat je wilt," zegt hij. "De zaak moet afgevoerd worden,"
+zegt hij tegen den griffier.
+
+De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
+
+"Wat is dat nu?" roept de rechter hem toe. "Heb je er iets tegen?"
+
+De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
+"Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft."
+
+De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
+zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
+toe.
+
+"Ik dank je, kind," zegt hij, en reikt haar de hand.
+
+Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
+tranen met den opgerolden zakdoek.
+
+"Ik dank je, kind," zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
+zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
+
+
+
+
+HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
+
+
+Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
+volstrekt niet hebben.
+
+Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
+overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
+paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
+
+Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
+denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
+over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
+wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
+Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
+was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
+zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
+den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
+hij nooit wanten gebruikt had.
+
+Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen
+hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
+zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
+niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
+zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
+predikant.
+
+Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
+aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
+zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
+stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
+moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
+ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
+Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
+eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
+roover op den preekstoel te laten.
+
+Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
+verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
+kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
+en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
+roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
+ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
+
+Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
+Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of
+op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
+niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
+liggen om haar te schaken.
+
+Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
+om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
+gebruiken.
+
+Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
+was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
+ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
+vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
+
+Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
+iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
+schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
+zweeg en beklaagde zich niet.
+
+'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
+haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
+den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
+opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
+kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
+het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
+in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
+armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
+
+'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
+van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met
+hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
+er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
+graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
+en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
+hooge koren en had de oogen niet van haar af.
+
+Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
+proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
+dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
+hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den
+bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
+inhoud van den brief meê te deelen.
+
+Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
+
+Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
+aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
+toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
+wegsloot.
+
+De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
+was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
+eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
+was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
+
+Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
+altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
+weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
+hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
+te worden om te mogen preeken naar hartelust.
+
+De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
+de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
+was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
+had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
+aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
+spreken in Gods huis.
+
+Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
+bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
+daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
+schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
+te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
+niet slecht!
+
+En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
+voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
+
+Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
+toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
+
+Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
+Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
+Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
+
+Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
+was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
+naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
+zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
+geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
+
+Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
+hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
+alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
+genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
+
+Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
+een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
+eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
+vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
+
+Grootmoeder zei gauw: "neen", en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
+smeeken of aan te dringen.
+
+En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
+
+Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
+pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
+den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
+
+Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
+hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
+schreide in de aangrenzende kamer.
+
+Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
+binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
+heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
+was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
+Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
+hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
+mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
+duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
+bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
+gevraagd had.
+
+Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
+verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
+plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
+ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
+
+'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
+haar. Maar ze zag niemand.
+
+'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
+en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
+Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet
+neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
+onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
+Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
+krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
+ontzetting.
+
+Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
+gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
+venster zat. "Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,"
+zei ze in zichzelf, "en ben ik hier bang voor niets." En toen dwong ze
+zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
+was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
+
+Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest
+hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
+'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
+verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
+troosten, die zóó schreide.
+
+Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
+Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten
+schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
+
+Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
+die uit den hemel verbannen werd.
+
+En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
+de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
+kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
+tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
+blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
+zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
+
+Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
+geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
+te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
+
+Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
+vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
+gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
+
+"Dat was voor jou," zei er iets in haar. "Jij en niemand anders moest
+het hooren."
+
+Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
+
+Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
+verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
+vreemd voor.
+
+Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
+hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
+zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
+
+"Waarover sprak hij dan?"
+
+"Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
+paradijs gesloten werden."
+
+Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
+ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
+
+Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
+hem mee in de vestibule.
+
+"Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?" vroeg Grootmoeder.
+"Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?"
+
+"Ja, dat deed ik," antwoordde hij. "Ik kon het niet laten."
+
+Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo
+wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot
+was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
+het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
+aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
+Grootvader was.
+
+"Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer
+dragen zult," zei ze. "Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
+houden."
+
+
+
+
+DE KERSTVREDE.
+
+
+Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
+grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
+scherpe wind uit het noorden.
+
+Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
+hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
+Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
+massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
+door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
+
+Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
+een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
+Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
+te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den
+emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
+Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
+bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
+
+Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
+Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
+groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
+kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
+tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
+elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
+haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
+den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
+Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
+zien kon hoe leelijk ze was.
+
+Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
+die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
+gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
+berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
+twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
+lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
+uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
+berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
+meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
+ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't
+ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
+
+Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
+binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
+de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
+te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
+met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
+was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
+badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
+zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
+
+Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
+leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
+zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
+een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
+even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
+oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
+dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
+Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
+toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
+machtigste van een geheele gemeente te wezen.
+
+Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de
+berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
+dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel
+en een ander op 't groote bed.
+
+"Och meid!" zei de oude Ingmar en lachte, "meen je, dat men zulke bosjes
+gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
+velletje?"
+
+Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
+wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
+binden.
+
+"Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind," zei de oude Ingmar,
+want hij was echt in Kersthumeur.
+
+Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
+en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
+om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
+Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
+schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
+plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
+te gaan.
+
+Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
+over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
+op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
+weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
+iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
+zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
+menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
+
+Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
+het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
+paar berketakken van een jaar oud te vinden.
+
+Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
+heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
+losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
+sneeuwvlokken achter zich aan.
+
+Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
+afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
+hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
+een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
+sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer
+ronddraaide als een tol.
+
+Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
+jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
+sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
+gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
+verkeerden kant uit.
+
+Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
+berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
+richting van de hoeve in te slaan.
+
+De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
+bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
+tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
+er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
+hoeve leidde.
+
+Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
+de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
+werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
+
+Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
+hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
+geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
+richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
+anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
+weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
+zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
+merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
+toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
+avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
+zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
+even verward in 't hoofd als te voren.
+
+Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te
+verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
+dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
+gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
+had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
+veld en hij had het weer zien opgroeien.
+
+Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
+maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
+liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.
+
+Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij
+begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
+te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
+die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
+vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
+diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
+hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
+
+Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
+op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
+te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
+probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
+
+Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij
+meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
+al moest het zijn leven kosten.
+
+Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
+den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
+de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
+kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
+over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
+hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
+'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
+aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
+spreken.
+
+Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
+wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
+Ingmarson zijn.
+
+En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
+geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
+woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
+verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
+stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
+zich begon te bewegen.
+
+Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
+kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
+al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
+
+Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
+verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
+burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
+majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
+den hals.
+
+Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
+vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
+tot aan de kerk.
+
+Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
+begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
+
+Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
+Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
+zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
+
+'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
+alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
+opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
+marktdag.
+
+Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
+aan het grafmaal. "Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?" vroeg de
+burgemeester. "Wat had hij toch in het groote bosch te maken?"
+
+En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
+zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
+
+En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
+Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
+geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij
+nauwelijks staan kon.
+
+Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
+op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
+
+Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
+met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!--
+
+En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
+sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
+geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
+slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
+deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
+warms en zachts lag. "Hier ligt zeker een beer te slapen," dacht hij.
+
+Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
+Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
+gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
+
+Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
+schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
+in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
+sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
+
+ * * * * *
+
+Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
+had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
+
+Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
+hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
+naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
+
+Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
+de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
+de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
+onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
+uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
+Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
+zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
+den vermiste wilden vinden.
+
+Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
+en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
+Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
+groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
+ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
+En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als
+dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
+op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
+
+Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
+barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
+kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
+en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
+allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
+roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
+konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
+strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
+alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
+de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
+waren dan anderen.
+
+Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
+vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
+gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
+ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
+geslacht behoorde, een ongeluk trof.
+
+De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
+
+"Wie was nu de naaste van dezen man?" Maar eer ze het antwoord had
+kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
+
+"Moeder, daar is vader," zei een van de dochters, en zoo werd nooit
+voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
+bewezen had.
+
+ * * * * *
+
+Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
+in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
+en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
+Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
+bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
+plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
+vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
+toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
+
+Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
+over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
+ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
+werd, maar ze kwam niet verder dan: "Vrede op aarde, in de menschen een
+welbehagen."
+
+Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
+Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
+"Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
+
+De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
+langzaam uitsprak.
+
+"Moeder," zei hij heel zacht.
+
+Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: "Ben je
+niet meê naar 't bosch gegaan?"
+
+"Ja," zei hij, nog zachter, "ik ben meê geweest."
+
+"Kom hier bij de tafel," zei ze, "zoo dat ik je zien kan."
+
+Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
+moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
+houden.
+
+"Heb jelui den beer geveld?" vroeg ze weer.
+
+Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
+
+De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
+zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
+zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
+naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. "Zeg mij nu, wat er
+gebeurd is, mijn jongen."
+
+De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
+hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
+te schreien.
+
+"Ik begrijp wel, dat het iets met vader is," zei ze.
+
+"Ja, maar het is erger dan dat!" snikte de zoon.
+
+"Is het erger dan dat?"
+
+De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
+macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
+breede vingers op wat zij pas gelezen had: "Vrede op aarde."
+
+"Heeft dit er iets meê te maken?" vroeg ze.
+
+"Ja," antwoordde hij.
+
+"De Kerstvrede?"
+
+"Ja."
+
+"Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?"
+
+"Ja."
+
+"En God heeft ons gestraft?"
+
+"God heeft ons gestraft."
+
+En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
+den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
+takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
+maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
+hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
+Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
+alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
+iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
+
+ * * * * *
+
+Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
+proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
+huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
+een steenen beeld.
+
+De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
+boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het
+wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
+de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
+De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
+zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
+eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
+
+Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
+
+"Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
+wilden laten houden over Vader."
+
+De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
+tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
+als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
+handen.
+
+"We zullen hem op een werkdag begraven," zei de zoon.
+
+"Zoo, zoo," zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
+oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
+kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
+'t graf volgde.
+
+"We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
+weten, dat ze daar niet op moesten rekenen."
+
+"Zoo, zoo," zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
+wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
+doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
+getroost had.
+
+"Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê."
+
+De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
+goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
+zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
+dan zilver en goud. "We zullen de klokken niet laten luiden en geen
+zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
+het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen."
+
+Nu sprak de vrouw ook. "Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht
+doen."
+
+De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
+
+"Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
+tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
+moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
+hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
+en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
+God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
+Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
+Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
+en opzien wekken."
+
+De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. "'t Is waar wat
+ge zegt," zei hij, "en ge moet doen zooals ge besloten zijt." En
+onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: "'t Zijn
+kranige menschen, de Ingmarsons."
+
+De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
+in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
+begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
+macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
+
+"Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,"
+zei ze. "Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn."
+
+
+
+
+HET GRAFSCHRIFT.
+
+
+Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
+kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
+het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
+het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
+armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
+het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
+bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
+ze nog tot woorden samen te voegen.
+
+Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
+wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
+voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te
+gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
+op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
+
+Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap
+verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
+ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
+vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
+geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
+er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
+kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
+kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
+bezitten als de rijkste boer.
+
+De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
+verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
+Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
+ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
+kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
+vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
+van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
+één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
+dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
+wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
+
+Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
+hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
+onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
+liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in
+de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
+bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
+gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
+ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
+voornamer dan een ander.
+
+Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
+de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
+uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
+trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
+gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
+te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
+den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar "het
+graf" ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
+te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
+oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
+begraven zijn.
+
+Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
+dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
+ze niet van elkander kan onderscheiden.
+
+Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
+ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
+kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
+werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
+aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
+
+Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
+den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
+het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
+ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
+Sander op Lerum.
+
+Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
+een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
+al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
+gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
+een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
+woord: "Sander" met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
+zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
+wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
+
+"Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen."
+
+Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
+grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
+Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
+zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
+
+Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
+opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
+beven, alsof ze een felle kou voelt.
+
+"Wat zeg je?--Wat zeg je?" vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
+klappertandt van kou.
+
+"Het stuit mij tegen de borst," zegt de grondeigenaar. "Vader en Moeder
+liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
+daar liggen zal."
+
+"Ah zoo, heb je dat nu bedacht," zegt ze nog steeds bevend. "Ik wist
+wel, dat je je eindelijk wreken zou."
+
+Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
+groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
+door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
+staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
+onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
+
+"Ik wil me niet wreken," zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. "Ik
+kan dit alleen niet verdragen."
+
+"Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
+naar het andere over te brengen," zei ze. "En hij is nu dood, dus voor
+hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!"
+
+"Ja, daar heb ik ook aan gedacht," zegt hij, "maar dit kan ik niet
+verdragen."
+
+Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
+noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt
+onmogelijk is hem te bewegen.
+
+"Waarom heb je me dan vergeven?" zegt ze en wringt de handen. "Waarom
+liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven."
+
+Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
+dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. "Zeg aan de
+buren wat je wilt," zegt hij. "Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
+het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
+die van Vader en Moeder en ons beiden."
+
+"En denk je, dat ze dat gelooven?"
+
+"Je moet je maar zoo goed mogelijk redden," zegt hij.
+
+Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
+hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
+armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
+Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
+dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
+komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
+toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
+Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
+
+En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
+
+Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
+toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
+
+"Je waart niet bij je verstand," zei hij en had haar bij zich gehouden
+als zijn vrouw.
+
+Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
+genoeg vallen het werkelijk te doen.
+
+Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
+niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
+blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
+verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
+altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden
+was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
+worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
+als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
+iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
+nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
+
+ * * * * *
+
+De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
+hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de
+begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
+te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
+schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
+het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
+de doodsangst versteent haar.
+
+Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê
+naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
+dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
+groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
+ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
+de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
+onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
+den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
+kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
+losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
+een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
+verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
+helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
+daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
+gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
+ruimen.
+
+De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de
+gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen
+zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.
+Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de
+lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte
+doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den
+stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.
+
+Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om
+een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.
+
+Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen
+voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen
+krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen
+is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele
+kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een
+luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.
+
+De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in
+beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom
+heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den
+dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof
+moeten gaan. Een doode is immers niets waard.
+
+Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze
+mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er
+gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,
+zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is
+door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang
+maken als kinderen.
+
+Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd
+vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet
+ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze
+ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En
+de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen
+naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet
+eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat
+de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het
+familiegraf rusten zal.
+
+Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet
+alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.
+
+"En het voorjaar," denkt ze, "als de kist begraven wordt, is zeker
+niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders
+vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt."
+
+En nu begrijpt ze, dat ze gered is.
+
+Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.
+"'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is," zeggen ze. Maar zelf weet
+ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en
+levensgevaar is gered.
+
+Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone
+plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich
+op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te
+luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te
+spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door
+de leden. "Het is immers dood? Dood!"--
+
+Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den
+eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.
+Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk
+regeert over alle uren van den dag en van den nacht.
+
+Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare
+meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het
+leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te
+winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden
+worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.
+
+De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,
+dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de
+weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit
+alles.
+
+En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken
+en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij
+zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien
+niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.
+Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt
+ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.
+
+Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn
+verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.
+
+'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat
+nooit begrepen, terwijl hij leefde.
+
+Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich
+door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,
+geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes
+geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.
+
+En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker
+wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens
+aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder
+het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht
+mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die
+ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het
+wezenlijke kleine menschjes.
+
+En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat
+het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó
+dicht genaderd zou zijn als nu.
+
+Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt
+heeft, terwijl hij leefde. "Daarom is hij mij zeker afgenomen," denkt
+ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang
+geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht
+heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich
+geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te
+begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.
+
+Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal
+nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit
+haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: "zie ik hem
+nog? Kan ik hem nog wel goed zien?" zegt ze.
+
+En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met
+verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het
+barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn
+graf komen en met hem spreken kan.
+
+Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf
+met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,
+lang kunnen zitten.
+
+Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers
+niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze
+verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren
+zitten. Wat zal ze hun zeggen?
+
+Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote
+familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos
+zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij
+zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen
+zal.
+
+Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is
+toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij
+zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een
+brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem
+daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles
+te boven ging.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het
+sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien
+een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat
+de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij
+verlangt zoo!
+
+Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's
+winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen.
+Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij
+te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan
+nooit onder de aarde komen?
+
+Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar
+heele leven lang.
+
+En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar
+sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den
+doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan
+naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten
+en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes
+weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen
+kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft
+ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.
+
+Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte
+letters:
+
+ _Hier rust mijn kind._
+
+En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om
+of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,
+het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden
+op het graf van haar kind.
+
+
+
+
+DE BEIDE BROEDERS.
+
+
+Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven
+zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den
+lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze
+moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze
+geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en
+zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie
+rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
+
+Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de
+menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de
+lange rust in de aarde gebracht worden.
+
+Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo
+goed als in Svartsjö in Wermeland.
+
+Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen
+precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,
+als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want
+dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen
+een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt
+ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden
+op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge
+behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar
+niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en
+dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
+
+Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult
+krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort
+zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
+
+En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg
+zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult
+ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er
+wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk
+van Svartsjö staan.
+
+Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den
+dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te
+zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte
+schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa
+menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben
+den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken
+zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.
+Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet
+zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden
+schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,
+dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor
+hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in
+Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de
+gewoonte daar is.
+
+Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en
+machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in
+de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw
+kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin
+den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,
+dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
+
+Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt
+worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag
+begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.
+Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest
+mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden
+geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine
+jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,
+en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit
+groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar
+zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden
+werdt.
+
+Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er
+niemand, die er niet op toeziet.
+
+Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben.
+Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft
+kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is
+tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags
+heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er
+werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.
+En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den
+rouwstaf.
+
+'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.
+Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat
+verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
+
+Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant
+en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle
+kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van
+zijn.
+
+Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo
+eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.
+Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er
+maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,
+die dood zijt.
+
+De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk
+gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde
+kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt
+en verootmoedigd worden door hun armoede.
+
+Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger
+worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de
+gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen
+kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de
+kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te
+verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman
+nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet
+voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten
+op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
+
+Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar
+het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de
+witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.
+Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de
+draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de
+losse aardhoopen en laten u zakken.
+
+En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en
+begint te zingen:
+
+ "Ik ga den dood te gemoet."
+
+Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de
+omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de
+noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij
+zingt.
+
+De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,
+dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen
+zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,
+omdat het bij zijn werk hoort.
+
+Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest
+hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede
+vervallen.
+
+Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en
+luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden
+zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men
+niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men
+nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
+
+Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet
+alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt
+zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één
+waren.
+
+De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een
+langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt
+wat hij kan, om hem te helpen.
+
+En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den
+koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te
+verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude
+man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat
+ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de
+kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom
+hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de
+wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet
+gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat
+het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
+
+En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat
+lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit
+voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
+
+Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft
+altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen
+geven.
+
+Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo
+arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
+
+Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,
+niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie!
+nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij
+daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de
+koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu
+helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
+
+Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,
+omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat
+hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken
+buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar
+het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt
+zijn broer met zijn ellendige stem.
+
+De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de
+anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet
+hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij
+een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof
+lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit
+de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht
+om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De
+koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer
+lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den
+Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
+
+Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk
+niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in
+Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
+
+Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als
+nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar
+geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven
+is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt
+het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn
+toespraak.
+
+Daarop zingen de twee oude stemmen: "Ik ga naar den hemel." En zij
+zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en
+klagender, hoe langer ze zingen.
+
+Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop
+in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
+
+Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw
+en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat
+armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw
+hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw
+ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.
+
+
+
+
+ROMEINSCH BLOED.
+
+
+Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren
+buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men
+kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het
+jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,
+een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;
+en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen
+en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.
+
+En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen
+schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche
+slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer
+dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met
+literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en
+de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.
+
+Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en
+onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met
+wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En
+eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de
+kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is
+de osteria klaar.
+
+Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria
+geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef
+om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.
+Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en
+dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten
+den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't
+huis, liefhad.
+
+Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het
+graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.
+Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een
+heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een
+woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen
+waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.
+
+Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en
+verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. "Waar is
+Teresa?" vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon
+Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de
+soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters
+die voorgediend hadden.
+
+Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat
+was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij
+was?
+
+Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria
+kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te
+vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het
+balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan
+was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het
+zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige
+histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij
+hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar
+verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,
+dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun
+beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.
+
+De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde,
+en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
+wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
+hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
+zou nooit trouwen dan met een signor.
+
+Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop
+ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en
+aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
+een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
+het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
+veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
+neerhing.
+
+Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
+Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
+
+Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een
+Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
+veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
+tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
+oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
+het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
+durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
+was waarlijk geen klein geluk.
+
+De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
+'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
+maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
+voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
+huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
+drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
+haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
+was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
+ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
+gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
+snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
+elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
+soldaten, die samen ten strijde trekken.
+
+Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
+vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
+geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
+graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van
+de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
+van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
+omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
+keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
+verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
+haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
+hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
+
+Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
+dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
+meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
+
+Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
+bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
+maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
+schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
+Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
+
+Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
+Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
+zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
+al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
+zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
+van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
+
+De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië
+voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
+dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
+vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
+ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
+laten de menschen ongelukkig te maken.
+
+Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
+hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië
+moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
+des vredes. "Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat
+onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan." Dat waren
+Nino's woorden.
+
+Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
+adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
+leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
+thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
+afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
+stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
+over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
+belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
+gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
+naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
+den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
+
+Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
+de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
+glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
+liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
+afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
+een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
+te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
+
+Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
+over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
+niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
+tot na de bruiloft.
+
+Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
+haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
+de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
+zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
+monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
+hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
+Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
+hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
+en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
+niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
+
+'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
+die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
+gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
+Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
+gevoeld.
+
+Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat
+hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
+hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
+was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: "Ja werd hij dat maar, dan
+zou het er wel anders gaan."
+
+Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
+daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
+troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
+en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
+alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
+en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
+er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
+zwermen.
+
+Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
+dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
+Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
+overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden.
+
+Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
+Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
+Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
+geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
+een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag
+geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
+
+"Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!" en
+andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
+het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
+krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
+Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
+niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
+vertrouwen.
+
+Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
+ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
+de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
+lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
+kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
+anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
+soldaten reikte, wilde zeggen: "Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
+vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien."
+
+Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
+had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
+liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
+moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
+'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
+aderen.
+
+Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar
+Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het
+station.
+
+Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
+Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
+enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
+verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
+"Leve Italië!"--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
+gestrooid.
+
+Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
+hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
+de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
+krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
+Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
+terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
+scheidden zij.
+
+Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
+niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
+groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
+was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid
+geworden.
+
+Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
+aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
+volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de
+laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
+over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En
+den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
+verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
+
+Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
+troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
+maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
+hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
+geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
+
+Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
+
+"Wat is er toch gebeurd, Nino?" vroeg ze, "hoe kon dat nu zoo slecht
+gaan?"
+
+En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
+door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
+Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
+de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
+men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
+scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
+weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
+die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
+
+Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar
+men muilezels moest eten!
+
+Neen, dat vond Nino ook.
+
+En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
+vreeselijk de oorlog was.
+
+Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
+die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
+zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
+tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
+schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
+hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
+
+Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
+Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
+na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
+verscheuren.
+
+Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
+lezen.
+
+Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
+dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
+daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
+in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
+zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
+
+Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
+zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van
+den volgenden dag vertrekken.
+
+Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
+doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
+vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
+niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben.
+
+Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
+in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
+zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
+zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
+lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
+band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
+schoten.
+
+Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
+den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen
+koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
+snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
+bank bij de "villa" en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
+laat het was.
+
+Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
+van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
+te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor
+zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag.
+Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
+ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
+en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
+verscheurden.
+
+Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
+Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
+wel weren tegen de barbaren.
+
+Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
+lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
+blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
+rood als bloed!
+
+Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
+Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
+zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
+zou, den heelen dag niet.
+
+"Neen, zeker niet, Teresa."
+
+En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
+naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
+haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
+dan de andere.
+
+Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
+liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf
+wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
+hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
+kwaads zou overkomen.
+
+Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
+daar aten zij met hun drieën.
+
+In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
+in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
+zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
+veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
+zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
+zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
+en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
+gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
+onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
+vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
+bepaald bij zich houden.
+
+Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
+zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
+of blind te maken.
+
+Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
+moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
+vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
+Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
+hoefde?
+
+Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
+
+Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
+niet.
+
+Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
+kunnen trouwen?
+
+De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
+daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
+
+Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
+ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
+reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
+voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
+
+"Teresa," zei hij, "dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet."
+
+"Eerloos," zei ze vleiend, "hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
+niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je
+niet kan laten gaan."
+
+De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
+dan een plotselingen inval te zien.
+
+Toen begon ze over wat anders.
+
+Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
+schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
+
+Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
+de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
+het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
+uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
+was.
+
+Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
+van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
+gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
+hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
+het niet waar was.
+
+Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
+verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
+in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
+Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
+officieren.
+
+"Ach Teresa," zei hij, "wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
+Romeinsche?"
+
+Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
+toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
+moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
+zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
+voor zich! Dood en verscheurd!
+
+Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
+haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte,
+bad.
+
+Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
+Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
+horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
+tijd om was en heengaan.
+
+"Wat zou je nu willen, dat ik deed?" zei de luitenant. "Ik kan niet
+anders dan heengaan."
+
+"Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
+slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
+hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten."
+
+"Als ik hier blijf, ben ik een verloren man."
+
+"Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
+gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
+wij het hunne hebben?"
+
+"Teresa," zei luitenant Ugo. "Neem nu moedig afscheid van me, zooals
+laatst in Rome. Nu moet ik weg."
+
+"_Moet_ je?"
+
+"Ja."
+
+"Ga dan maar."
+
+"Teresa."
+
+"Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
+me."
+
+Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
+aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
+Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
+werkelijk heen.
+
+Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
+toevertrouwde.
+
+Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
+stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
+booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
+duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
+
+Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
+afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
+boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
+en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
+hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat
+vervloekte barbarenland konden voeren.
+
+De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
+wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte
+van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
+bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
+van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
+
+Teresa scheen op zooiets te hopen. "Zij zullen het niet toelaten, Nino,"
+zei ze. "Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden
+weggevoerd en door de barbaren geslacht."
+
+Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
+menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
+om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
+zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
+dirigeeren.
+
+Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
+hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
+haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
+stappen.
+
+Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
+hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
+omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
+
+Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
+trok haar midden tusschen de menschen.
+
+"Blijf hier stil staan."
+
+Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. "Nu zal hij niet op reis
+gaan, Nino," zei ze.
+
+Nino greep haar bij den pols. "Zwijg," zei hij en hield haar zoo vast,
+dat het pijn deed.
+
+"De politie mag anders gerust...."
+
+Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
+
+'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
+hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
+vluchten.
+
+"Goed zoo," fluisterde een Napolitaner hem toe.
+
+"Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
+Napolitaner zal jelui verraden."
+
+Op eens begon Teresa te snikken.
+
+"Schei uit," zei Nino, "dat moog je niet doen."
+
+En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino
+wilde. Hij had de macht in handen.
+
+Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
+
+De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en
+Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: "Waarheen is ze gevlucht?
+Heeft iemand haar gezien?"
+
+'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen,
+daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de
+politieagenten verspreidden zich rechts en links.
+
+Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig
+naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou
+aangeven.
+
+Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard
+had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
+
+De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van
+hem aan Teresa.
+
+Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten
+leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
+
+"Lees dien, Nino," vroeg ze.
+
+Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
+
+"Heb je hem uit, Nino?" vroeg ze.
+
+Nino antwoordde: "Ja," met een angst in zijn stem als had hij haar
+doodvonnis in handen.
+
+"Laat me dan hooren," zei ze en richtte zich op.
+
+En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. "Al mijn
+liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!" schreef hij.
+
+Ze trok verachtelijk de schouders op.
+
+"Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?" vroeg ze.
+
+"Ach Teresa," schreef luitenant Ugo, "je waart voor mij de trots van het
+vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,
+je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je
+zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te
+veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude
+Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden
+geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te
+beletten zijn plicht te doen."
+
+Teresa legde haar hand op die van Nino. "Ik wil niet meer hooren," zei
+ze.
+
+Nino zweeg.
+
+"Als ik dat niet gedaan had, Nino," zei ze, "zou hij nu dood zijn. Ik
+begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.
+Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu
+laten gaan!"
+
+"Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?" vroeg ze. "Ben ik ontaard? Heb ik
+geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?"
+
+Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi
+en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad
+en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,
+hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven
+lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,
+dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de
+heerschappij hernemen.
+
+"Zeg me Nino," vroeg ze, "waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde
+dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?"
+
+Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe
+weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor
+alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf
+geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen
+Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.
+
+
+
+
+DE OUDE AGNETA.
+
+
+Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze
+was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet
+hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't
+Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.
+
+Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.
+Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn
+ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal
+voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren
+overleden.
+
+Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij
+was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.
+De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig
+konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich
+herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der
+onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop
+boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die
+zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den
+ijskouden bergwind werden voortgejaagd.
+
+Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat
+haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar
+rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij
+woonde daar zoo heel alleen!
+
+Bij dat woord "alleen" namen haar gedachten een noch somberder tint aan.
+Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.
+Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn.
+
+"Oude Agneta," zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in
+haar eenzaamheid, "je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je
+moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te
+sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand
+in de wereld, oude Agneta?
+
+Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo
+zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand
+plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat
+houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen
+opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta.
+Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water
+kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was."
+
+Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar
+garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd
+eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden
+doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den
+predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien
+zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. "Ik ben
+als een doode," zei ze. "Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed
+sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn
+hart is bevroren--dat is het!
+
+Ach ja, ach ja," zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, "als er
+maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de
+oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken
+breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je," zei ze en
+balde de vuist tegen den hemel, "je moet me iemand geven, die me noodig
+heeft! of anders wil ik sterven."
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het
+bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd
+was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in
+haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou
+worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.
+
+"Dat kan God wel doen," zei de monnik.
+
+"Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?" zei de oude
+Agneta. "Hier is immers niets dan de koude, kale velden."
+
+Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,
+bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met
+kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven
+hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag
+de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.
+
+"Ach!" zei hij, "woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je
+gezelschap genoeg. Zie maar!" De monnik legde den wijsvinger tegen den
+pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar
+tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta
+beefde en sloot de oogen.
+
+"Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien," zei ze. "De
+hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg."
+
+"Nu--goedendag dan," zei de monnik. "Het zal je niet meer aangeboden
+worden zoo iets te zien."
+
+De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het
+sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich
+daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat
+zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs
+gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.
+
+Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't
+in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in
+eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,
+maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!
+Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen
+fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten
+over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot
+bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude
+sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat
+warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,
+verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof
+de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten
+hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen
+stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,
+want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun
+bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar
+dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze
+werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen
+eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over
+het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat
+rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en
+zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare
+kou.
+
+Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd
+in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al
+hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,
+als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken
+schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door
+te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als
+groote ijspegels aan de rotsen hingen.
+
+Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de
+leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar
+verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op
+de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat
+lichte sneeuwvlokken op, anders niet.
+
+Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:
+
+"Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?"
+
+Hij antwoordde: "Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid
+te bewijzen of te troosten?"
+
+Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en
+zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij
+die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de
+gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.
+
+Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was
+opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.
+
+"De dooden," zei ze tot zich zelf, "vragen niet naar roode wangen en
+lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat
+warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar
+hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude
+van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?"
+
+Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en
+bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te
+betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen
+den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar
+moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer
+zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had
+voorgenomen.
+
+Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste
+stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't
+venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze
+wijd open en toen begaf zij zich te bed.
+
+Ze lag in het donker te luisteren.
+
+Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den
+gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet
+binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude
+Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer
+in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en
+bloed kon dit niet verdragen.
+
+Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van
+pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs
+op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.
+
+Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. "Je bent laf,
+oude ziel," zei ze. "'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat
+alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?"
+
+En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met
+klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam
+toch in de kamer en de deur kreeg ze open.
+
+Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden
+komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt
+had, dat ze niet meer durfden te komen.
+
+Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als
+ze met de kudde uitging.
+
+"Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden
+uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?"
+
+Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze
+hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek
+en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk
+waarschuwde: "Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet
+verschrikt."
+
+Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich
+tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof
+zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te
+krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: "Sst! sst! maak
+haar niet verschrikt."
+
+Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen
+en sliep in.
+
+Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was
+nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen
+ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.
+
+ * * * * *
+
+Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de
+dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur
+kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig
+had.
+
+Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk
+zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat
+noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om
+het te begraven.
+
+Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort
+voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag
+men geen droefheid op iemands gezicht.
+
+Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een
+lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den
+met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,
+dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar
+dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als
+van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode
+kaarsen gebrand had voor de onzaligen.
+
+Toen zeiden de menschen bij het graf: "Geloofd zij God. Zij, die door
+niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden
+daar boven in de groote eenzaamheid."
+
+
+
+
+DE RING VAN DEN VISSCHER.
+
+
+Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een
+oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was
+nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken
+opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer
+trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo
+lief.
+
+Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg
+gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en
+kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en
+verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom
+ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden
+te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun
+geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.
+
+"Denk er aan," zei hij tot hen, "dat Venetië nooit door eigen kracht zou
+zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd?
+Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer
+wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten
+en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een
+storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?
+En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle
+christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd
+tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens
+houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën."
+
+En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen
+was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de
+gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter
+werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan
+herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor
+hun leven en hun geluk.
+
+Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een
+visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en
+goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven
+scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en
+'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,
+waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun
+te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles
+zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem
+niet meer te vereeren en te aanbidden.
+
+Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote
+visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,
+hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te
+blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.
+
+Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar
+de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen
+zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den
+morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-
+en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het
+eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige
+Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido
+heen was de groote, onbegrensde zee.
+
+Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot
+en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog
+altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de
+eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een
+goede boot en waren goed thuis op zee.
+
+Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat
+de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,
+dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,
+maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.
+
+De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de
+golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een
+groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen
+overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't
+zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna
+kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het
+scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.
+Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn
+met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de
+plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.
+
+'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de
+mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.
+Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide
+zonen en nog drie anderen waren omgekomen.
+
+Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen
+naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep
+tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als
+een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar
+oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn
+aan.
+
+Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op
+zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,
+dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn
+haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het
+groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze
+altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.
+
+Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder
+er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang
+gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de
+keel.
+
+"Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn," schreeuwde hij hem toe,
+"mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!"
+
+De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn
+verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.
+Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en
+stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.
+
+Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de
+harde steenen, en zei telkens: "Dat is San Marco, San Marco."
+
+"Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco," zeiden ze tot hem.
+
+"Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren," zei Cecco, "buiten
+Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San
+Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor
+geweest. Ja," ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om
+hem te kalmeeren, "zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij
+Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat
+men hem uitlacht."
+
+Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp
+zocht. "Luister eens, Beppo van Malamocco," zei hij en strekte de hand
+uit naar een grooten visscher, "geloof jij niet, dat het San Marco was?"
+
+"Denk nu niet aan zoo iets, Cecco."
+
+"Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn
+jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den
+tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. "San
+Marco, de evangelist," zei ik tegen hen, "lag eerst begraven in een
+mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van
+de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis
+in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om
+dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden
+met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de
+bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het
+bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde
+priesters: "Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar
+door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het
+eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de
+eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen." Toen gaven de
+priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in
+Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander
+heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't
+niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den
+bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat
+de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de
+deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de
+twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië." Je weet
+immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?"
+
+"Ja zeker, Cecco."
+
+"Ja, maar nu moet je hooren,"--en Cecco richtte zich half op en sprak
+met doffe stem in zijn angst. "Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik
+vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de
+jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen
+lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en
+Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat
+je 't ver over zee kon hooren."
+
+"Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!"
+
+"Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op
+dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten
+sterven?"
+
+Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot
+verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers
+natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee
+gebeurt en niet in de haven.
+
+En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men
+had ze hooren roepen: "Evviva San Marco!"--even hard als ieder ander.
+En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn
+toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.
+
+"Maar jij, Cecco," zeiden ze, "jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo
+over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten
+en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?"
+
+Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. "Jelui gelooft het dus
+niet," zei hij.
+
+"Geen verstandig mensch gelooft zoo iets."
+
+'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.
+
+"Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven," zei hij. Hij stond op
+en ging naar de deur. "'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?" zei hij.
+"Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik
+wil het niet gelooven." Hij ging heen en in de straat voor zijn deur
+ontmoette hij een buurvrouw.
+
+"Nu lezen ze een zielmis in den dom," zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze
+was bang voor hem, zóó zag hij er uit.
+
+Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli
+Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren
+naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen
+storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk
+weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.
+
+Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk
+van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te
+bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger
+dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen
+wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom
+haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra
+de zee een van allen aanviel.
+
+Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich
+hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden
+tot San Marco. "Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten
+van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in
+het oosten," had hij tot hen gezegd. "En tot dank daarvoor hebben de
+Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en
+nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het
+een geschenk voor die kerk meêbrengt."
+
+Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd
+en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over
+gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht
+voor zijn beschermheilige bouwde.
+
+Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het
+andere te bidden.
+
+Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde
+geen kwaad van San Marco gelooven.
+
+Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En
+dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk
+veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar
+ze als voor de grap had laten omkomen.
+
+Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij
+wilde hem niet loslaten.
+
+En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld
+met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang
+den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,
+zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.
+
+'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.
+Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om
+op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen
+kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een
+valwind!
+
+Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen
+uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.
+
+Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van
+gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.
+
+Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.
+
+Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.
+Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend
+had?
+
+Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel
+droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de
+geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en
+wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door
+ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over
+hem gekregen.
+
+Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een
+groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had
+hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.
+"Neem dit dan ook maar," zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk
+naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de
+woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.
+Zoo had San Marco ook gedaan.
+
+Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te
+hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat
+gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco
+was een stumper, even laf als wraakzuchtig.
+
+Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,
+omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof
+hem die in alle vroomheid gegeven was.
+
+Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten
+haastig voorbij. "Het stijgt, het stijgt angstwekkend," zei de een.
+
+"Wat?" vroeg Cecco.
+
+"Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een
+voet gestegen."
+
+Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas
+op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de
+Piazzetta was opgespat.
+
+Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich
+naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,
+alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede
+golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.
+Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de
+kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten
+worden. De hemel was effen grijs als de zee.
+
+Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou
+kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen
+zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel
+eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand
+zitten en wachtte.
+
+Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en
+groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die
+slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.
+
+Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den
+kant van Lido.
+
+O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien
+hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,
+en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de
+witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die
+elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim
+als damp wordt voortgezweept.
+
+De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen
+niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen
+werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,
+om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te
+worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,
+klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in
+de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.
+
+Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar
+gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze
+bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de
+booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine
+kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met
+het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het
+land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing
+te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al
+het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam
+een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,
+die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te
+zijn eer de storm al te geweldig zou worden.
+
+Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen
+en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat
+dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun
+inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.
+
+Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor
+een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de
+golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend
+naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,
+zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot
+vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en
+fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,
+dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg
+weer in flarden neer.
+
+Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen
+speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad
+doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot
+onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.
+
+Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.
+Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan
+land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend
+neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land
+gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren
+en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak
+er de sierlijke bogen van.
+
+Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.
+Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij
+te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,
+dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij
+had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.
+
+"Een storm!" zei hij in zichzelf, "is dit nu een storm? En nu meent men
+misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar
+San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm."
+
+Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de
+stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den
+Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor
+de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen
+fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware
+brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.
+
+Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge
+Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de
+menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?
+
+Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was
+nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan
+de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun
+woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te
+rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.
+
+De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen
+hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken
+aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen
+bestormen.
+
+Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,
+die over zijn hoofd heengleden.
+
+"Nu is het spoedig uit met Venetië," zei een stem in de eene wolk,
+"straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad."
+
+"Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal," klonk het uit de andere
+wolk.
+
+"San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij
+machteloos neerligt en niemand helpen kan," zei de eerste stem weer.
+
+Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van
+dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en
+vergiffenis.
+
+Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de
+eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en
+daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden
+meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken
+uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde
+signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze
+moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar
+Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren
+weggeslagen.
+
+Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te
+luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna
+van het lijf gerukt werden.
+
+De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te
+gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen
+optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de
+kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.
+Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof
+hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,
+blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie
+gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.
+
+Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den
+gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.
+
+Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den
+geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid
+en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag
+hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van
+zijn gebeden het lot van de stad afhing.
+
+Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele
+kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke
+schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten
+op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook
+op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.
+
+De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den
+avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,
+hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te
+blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,
+die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er
+reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.
+Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de
+instortende huizen in 't water verdwenen.
+
+Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.
+
+"Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven
+voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon
+vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel
+waard als een bloeiende zoon."
+
+Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt
+was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende
+strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven
+zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot
+volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het
+schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de
+barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En
+al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het
+schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood
+tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.
+
+Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de
+hemelpoort; "Laat mij alleen lijden," sprak hij. "San Marco, dit is meer
+dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het
+ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.
+Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren."
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het
+scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de
+granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De
+oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië.
+
+Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De
+demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde
+dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel
+om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke
+vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar
+kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich
+wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het
+neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de
+plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar
+hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered
+werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.
+
+Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij
+ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de
+groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.
+
+De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en
+zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en
+bleef zitten.
+
+Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast
+hem.
+
+"Goeden avond, Cecco," zei de vreemde, "neem uw boot en zet mij over
+naar San Giorgio Maggiore."
+
+"Ja, dadelijk Heer!" antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een
+droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien
+hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet
+had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende
+en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met
+den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar
+San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.
+"Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen," dacht hij. Maar de
+man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om
+hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp
+den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.
+
+Cecco moest om zich zelf lachen: "Waar denk je aan? Steek ten minste
+niet in zee!" zei hij. "Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,
+dat geen mensch daar tegen op kan."
+
+Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het
+onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een
+zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San
+Giorgio Maggiore te roeien.
+
+'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. "Ach!
+scheld dien kerel uit," zei Cecco halfluid tegen zichzelf. "Scheld hem
+uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een
+verstandige, oude visscher! Roep hem terug."
+
+Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.
+Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als
+hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter
+naar San Giorgio voort.
+
+"Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven," zei hij.
+"Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een
+heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf."
+
+Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet
+over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen
+alles te doen wat de man in de boot verlangde. "Roei ten minste niet
+naar San Giorgio, dwaas," zei hij. "Daar slaat de wind nog feller op dan
+op Rialto."
+
+Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde
+aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de
+boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou
+liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.
+
+Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.
+Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.
+
+"Roei ons nu naar San Nicolo op Lido," sprak de vreemdeling.
+
+"Ach ja," dacht Cecco, "waarom niet naar Lido," 't was al
+levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij
+de tocht naar Lido niet wagen?
+
+En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in
+den dood en zette werkelijk koers naar Lido.
+
+Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet
+hoe hij dat uithouden moest. "Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,"
+zei hij verwijtend tot zichzelf.
+
+Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde
+noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,
+dat hij vooruit komen kon. "Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,"
+zei hij tot zichzelf.
+
+Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze
+gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden
+bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den
+mijter op het hoofd.
+
+"Roei ons nu naar de open zee," zei de eerste vreemdeling.
+
+De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen
+vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij
+dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van
+naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide,
+voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.
+De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede
+waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het
+donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door
+de storm opgezweepte zee lag voor hen.
+
+'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier
+in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of
+hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide
+hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.
+
+Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de
+knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam
+recht op hen aan.
+
+Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de
+wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de
+vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat
+ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van
+demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen
+geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den
+storm.
+
+Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan
+te zien komen en Cecco sloot de oogen.
+
+Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want
+de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip
+op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.
+
+Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat
+hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
+voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
+rustig.
+
+"Breng ons nu terug naar Venetië," zei de vreemdeling tot den visscher.
+
+Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging,
+en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
+indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.
+
+Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
+den visscher: "Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
+zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
+en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië
+wilden verwoesten, en ze hebben verdreven."
+
+"Ja, Heer," zei de visscher, "ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
+zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft."
+
+Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
+edelsteen.
+
+"Laat den doge dien zien," zei hij. "Dan begrijpt hij, dat ik u
+gezonden heb. Hij kent mijn ring."
+
+De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.
+
+"En verder moet ge den doge zeggen," zei de heilige, "dat ik dezen ring
+geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de
+laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië
+bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de
+heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
+zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
+zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
+altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
+zal u op uw ouden dag niet verlaten."
+
+Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
+zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
+rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden
+de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
+versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
+Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.
+
+Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de
+rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
+haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
+een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van
+geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
+de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
+uitstrekken.
+
+
+
+
+SANTA CATHARINA VAN SIËNA.
+
+
+Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het
+eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
+oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
+vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
+daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
+geuren wierook en viooltjes.
+
+En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
+Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
+ingaan, haar gezien en gekend hebben.
+
+Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
+meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
+dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
+getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
+
+Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
+feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes
+onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
+den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
+
+En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
+geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
+ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
+kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood
+zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
+vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
+gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
+met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
+
+En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
+kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
+die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
+waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
+elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
+toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
+zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
+stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
+om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
+zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
+als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
+alsof ze zeggen willen: "Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
+Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien."
+
+En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als
+een herinnering aan haar.
+
+Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
+scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
+herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
+aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
+trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
+afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
+niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
+om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
+dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
+slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
+dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
+bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
+een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en
+bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
+hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
+duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
+van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte
+van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
+en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
+houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
+
+Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
+is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
+
+In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
+vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want
+ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
+hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
+zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
+ze nog thuis was.
+
+Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast
+niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
+
+In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
+wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
+liederen tot haar op. "Heilige Catharina," zeggen de menschen, "bid voor
+ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
+
+Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
+Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
+door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
+
+Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
+die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
+dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
+hemels, bid voor ons."
+
+ * * * * *
+
+Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
+schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
+leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
+of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
+ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
+duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
+herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
+eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
+huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
+mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
+helder voor onzen geest.
+
+Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna
+kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd
+en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
+zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een
+ander bestuur veroveren.
+
+De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
+geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun
+niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
+te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
+ter dood veroordeeld.
+
+Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
+voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
+hebben, in orde gemaakt werd.
+
+Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
+zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
+hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
+de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
+smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
+eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.
+
+Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
+de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
+er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
+missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
+geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
+moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
+
+Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
+aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
+Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
+
+Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans,
+van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
+Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
+hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
+wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
+Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
+miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
+hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
+verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
+sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
+troost geweest zijn.
+
+Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
+markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
+zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou
+zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
+'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
+evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!
+
+Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
+om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
+liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
+zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen
+ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
+jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over
+hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze
+niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en
+de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
+genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
+weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
+Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
+hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
+gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
+binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
+weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
+hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
+
+Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
+jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
+onbuigzame zielen te bezitten.
+
+Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
+woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
+met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. "Zend mij de jonkvrouw,"
+zei hij.
+
+Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in
+straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
+krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
+beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
+brachten.
+
+Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
+ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
+al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
+vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
+om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
+Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
+sneden.
+
+Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
+raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
+witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten
+sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
+bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
+
+Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
+verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
+gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
+alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
+anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
+moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte
+het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
+dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
+afgeschaafde vel.
+
+Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
+gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het
+was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
+dood moest voorbereiden.
+
+Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
+haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
+
+"Ik geloof, dat ik zou willen slapen."
+
+"Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben," zei ze.
+
+Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
+grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. "Hebt ge het nu beter?"
+vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
+
+Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
+dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
+gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
+keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
+storen.
+
+"Ge slaapt niet, Nicola Tungo," zei ze en zag er onrustig uit.
+
+"Ik kan niet slapen." antwoordde hij, "want ik lig er aldoor over te
+denken, wie ge toch zijt."
+
+"Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw,
+Lapa," zei ze. "Ons huis ligt beneden in het dal onder het
+dominicanerklooster."
+
+"Dat weet ik," zei hij, "en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
+dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
+afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt."
+
+Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
+zijn eerste liefde bekent:
+
+"Ik ben de bruid van Christus."
+
+Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
+hart, als van jaloezie. "Ach! Christus!" zei hij, alsof hij hoorde van
+een mésaillance.
+
+Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
+alsof hij meende, dat zij vermetel was.
+
+"Ik begrijp het zelf niet," sprak ze, "maar het is zoo."
+
+"Dat is inbeelding of een droom," zei hij.
+
+Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
+schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
+opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
+haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
+
+"Hoe kan ik dat nu gelooven?" zei hij koppig.
+
+"Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?" vroeg
+zij luid. "Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en
+andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
+velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
+en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
+gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
+voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
+de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
+hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!"
+
+"Ach, stakker," zei hij, en streelde zacht haar hand. "Stakker!"
+
+"Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders," zei
+ze. "Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
+meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
+te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet."
+
+Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. "Ge kunt u
+toch wel vergissen," zei hij. "Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
+Christus kunt noemen?"
+
+Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
+moest scheuren, toen zij antwoordde:
+
+"Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
+jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de
+kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
+ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
+heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
+Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
+en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
+terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
+een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
+hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
+geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien
+tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad."
+
+Hij bracht er weer tegen in: "Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
+veld geslapen en gedroomd."
+
+"Gedroomd?" herhaalde ze, "zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
+gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
+de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
+klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
+hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
+trouwen wilde?"
+
+Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
+zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
+
+"Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
+liefheeft," vroeg hij.
+
+Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
+als een kind. "Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren," zeide zij. "Nu
+zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
+Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
+gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
+te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
+zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
+maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
+muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
+en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
+flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
+het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
+wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
+deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
+daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
+iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
+hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó
+hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
+meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
+maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
+'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
+me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
+lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
+vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden,
+dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
+gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
+een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
+schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij
+voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was
+plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
+heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: "Weet dan,
+Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
+door het sterkste geloof verbind.""
+
+"O, Catharina!"
+
+De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
+gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
+kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
+oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
+
+Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
+jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar
+liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
+of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
+heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
+het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
+was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
+
+Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
+gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
+"Ik vergeet met u over uw ziel te spreken".
+
+Toen dacht hij: "Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen."
+
+En hij sprak: "Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
+over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
+Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
+biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
+morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
+nemen, zooals ge nu doet."
+
+Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te
+schreien: "Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge," sprak ze. "Ge zult vóór
+mij in het Paradijs zijn." En ze streek hem zacht over het haar.
+
+Toen zei hij weer: "Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
+wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid
+sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
+angst zal van mij wijken."
+
+"Ik zie u niet meer als een arm menschenkind," zei ze, "maar als een
+hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
+omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
+spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
+zeker komen zal en u zien sterven."
+
+Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als
+een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven
+was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien
+zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het
+sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,
+omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
+
+Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was
+zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij
+riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina
+van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden
+redden. Onophoudelijk zei ze: "Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil
+het, ik wil het." Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden
+zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over
+haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,
+die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
+
+De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen
+aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een
+verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar
+alsof ze alleen was.
+
+En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor
+alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik
+reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,
+helderde het zijne op en hij was bijna blij.
+
+Hij riep haar luid toe: "Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw."
+
+"Neen," zei ze, "ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik
+wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht."
+
+Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn
+hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
+
+"Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina."
+
+Ze snikte steeds meer. "Ik kan u zoo slecht troosten," sprak ze.
+
+Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. "Uw tranen zijn voor mij
+de beste troost."
+
+De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze
+nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
+
+"Voor ge hier kwaamt," zei ze, "heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om
+te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik
+nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit
+oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,
+en mijn gebeden hebben geen kracht."
+
+Toen zij dat zei, dacht hij: "Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen
+winnen." En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende
+hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in
+haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
+
+"Nicola Tungo," zei ze. "Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om
+uw ziel te ontvangen."
+
+Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil
+den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op
+dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager
+neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel
+voerden.
+
+ * * * * *
+
+Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar
+geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,
+liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest
+liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen
+doet.
+
+
+
+
+DE ZEVEN DOODZONDEN.
+
+
+De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich
+daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat
+niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den
+biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
+
+"Eerwaarde Vader," zei de Booze, "ik ben een landman. Ik sta met de
+zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag
+buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn
+vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de
+eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang
+ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al
+wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij
+nu absolutie geven?"
+
+"Mijn zoon," zei de monnik. "Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit
+gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst
+vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw
+hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch
+zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme
+zondaars waren in vergelijking met u."
+
+"Vader, ge verleidt me tot hoogmoed," zei de man.
+
+"God beware mij voor zulk een groote zonde," antwoordde de monnik, "als
+ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken."
+
+En hij vertelde:
+
+"De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant
+van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te
+huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het
+meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar
+trouw beloofd.
+
+Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem
+hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. "Daarom
+zeg ik u duizend keer vaarwel," schreef zij hem, "en smeek u, uzelf geen
+kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart."
+
+Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem
+in stilte.
+
+Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere
+tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op
+haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om
+haar.
+
+De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.
+Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de
+kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: "Lieve, ik
+heb verkeerd jegens u gehandeld." En hoewel hij trotsch was, viel hij op
+de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en
+haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met
+zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te
+voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
+
+Zij zei alleen: "Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat
+een ellende u over ons gebracht hebt."
+
+En toen ging ze naar het balkon.
+
+Daar kwam haar bruidegom bij haar.
+
+"Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?"
+vroeg hij.
+
+Toen antwoordde de bruid; "Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem
+nooit te verlaten."
+
+Maar hij sprak: "Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.
+Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan
+maken, als ik doen zal."
+
+"Dat denken alle menschen, die liefhebben," antwoordde zij.
+
+"Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te
+nemen," zei hij, "en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek."
+
+Toen vatte de bruid moed en dacht: "Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,
+dat God zijn hart beweegt."
+
+En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar
+gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op
+diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. "Dus vandaag sterft mijn
+geliefde," zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als
+een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
+
+"Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!"
+
+Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,
+hoewel hij dacht: "Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,
+dan zie ik haar nooit weer,"--zichzelf overwon en sprak: "Ge moogt doen
+zooals ge wilt."
+
+Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en
+kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel
+stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer
+hongerig na den langen rit en de lange mis.
+
+"Lieve vrienden," zei de bruid tot hen, "ik moet u zeggen, dat ik met
+toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want
+hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik
+hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk
+gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want
+voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek
+u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,
+als ik het leven van mijn geliefde gered heb."
+
+Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar
+dreigde en antwoordden: "Geenszins willen we eten en drinken, terwijl
+gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den
+maaltijd beginnen."--En zij gingen van de tafel weg.
+
+Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen
+in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te
+zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was
+bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke
+gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur
+en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide
+hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met
+een grooten bezem te slaan.
+
+Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te
+laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.
+En hij riep uit: "Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.
+Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt." En hij bewaarde
+het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te
+zeggen.
+
+En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet
+en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de
+Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
+
+Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de
+loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een
+gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en
+paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. "Dat is maar een
+zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik
+naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden
+en een geacht en eerlijk man worden."
+
+Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij
+zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:
+"Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone
+maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan." En hij
+eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd
+voortgaan.
+
+In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde
+door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had
+zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,
+nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo
+wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij
+geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar
+toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid
+door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. "Hoe zal die
+vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug
+heeft stuk geslagen."
+
+En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en
+droeg er haar op zijn schouders over.
+
+Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog
+zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen
+spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij
+waren iets voor haar te mogen opofferen.
+
+Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een
+der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen
+zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het
+zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
+
+De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel
+toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde
+haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,
+maar luisterde er naar en deed open.
+
+Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot
+dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,
+beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde
+haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat
+oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
+
+Hij sprak het eerst: "Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe."
+
+En zij antwoordde: "Hoe kan ik dat?"
+
+Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en
+sprak. "Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht
+aandoen." En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het
+huis van haar vader."
+
+Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met
+wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie
+hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was
+een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze
+man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,
+welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de
+vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de
+hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of
+hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust
+de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de
+deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij
+zelf het moeilijkst te betrachten vond.
+
+Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van
+den monnik niet merkte. "In waarheid," zei hij, "dat is niet gemakkelijk
+te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer
+bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij
+verdienen allen den grootsten lof." En hij meende te antwoorden zooals
+de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
+
+"Om Godswil," riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, "zeg
+toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van
+allen veel waard vindt."
+
+"Dat kan ik niet, eerwaarde Vader," antwoordde Satan. "Niets van al wat
+deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven
+het andere stellen."
+
+Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende
+stem:
+
+"Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is."
+
+Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
+
+"Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden," barstte de monnik uit,
+"en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch." Toen hij dit gezegd
+had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij
+begon de duivelbezwering te lezen:
+
+"Vade retro Satanas...."
+
+Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel
+uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van
+de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
+
+En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door
+Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den
+monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen
+woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den
+visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo
+werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden
+aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
+
+
+
+
+DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.
+
+
+De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en
+onaangenaam geval.
+
+Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in
+den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking
+aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en
+teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn
+aankomst in het "zwarte land" een brief gekregen had van een van de
+leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij
+stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te
+noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.
+"En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag," zei de pater,
+"twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven."
+
+Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op
+hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,
+vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet
+anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.
+
+"Men heeft mij ook bericht," zei de bisschop, "dat gij den wensch van de
+arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen...."
+
+"Monseigneur," viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. "Ik
+meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest."
+
+"Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden...."
+
+"Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?"
+
+De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
+
+"U kent hem natuurlijk!" zei hij.
+
+"Natuurlijk, Monseigneur."
+
+"Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,
+woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is."
+
+De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
+
+"Medeburgers en medeburgeressen," begon hij, oogenblikkelijk in zijn
+voordrachtstoon vervallend.
+
+De bisschop sprong op.
+
+"Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur."
+
+"Dat doet er niet toe, pater Verneau," zei de bisschop, "ga voort." Een
+lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden
+hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze
+voor zich, de kinderen van "het zwarte land" tot wie pater Verneau
+gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste
+uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
+
+"Medeburgers en medeburgeressen," begon pater Verneau opnieuw. "Hier in
+het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en
+voortreffelijkste, die ooit België regeerde.
+
+Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun
+dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote
+keizerin Maria Theresia.
+
+Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,
+misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet
+haar goed graafschap West-Vlaandren.
+
+In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men
+nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,
+dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.
+Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in
+visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria
+Theresia is.
+
+Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben
+macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben
+niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te
+vergelijken is.
+
+Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is
+niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
+
+Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,
+deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;
+ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote
+steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam
+ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
+
+Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en
+te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,
+hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger
+over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,
+maar zij waren vervallen en ingestort.
+
+Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat
+enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door
+den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,
+en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee
+omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid
+lagen.
+
+De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich
+vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de
+plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij
+liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de
+zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en
+al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot
+binnen de duinen was doorgedrongen.
+
+En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit
+arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden
+te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te
+ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten
+de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de
+visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit
+vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij
+dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
+
+De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in
+Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot
+Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak
+met het volk.
+
+De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
+
+"Wat nieuws is er in uw stad?" vroeg de keizerin.
+
+"Niets," antwoordde de havenmeester, "niets anders, dan dat Cornelis
+Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat
+hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn
+boot."
+
+"Gelukkig, dat hij het leven redde," zei de keizerin.
+
+"Dat is nog niet zeker," zei de havenmeester, "want hij was krankzinnig,
+toen men hem aan land bracht."
+
+"Was dat van schrik?" vroeg de keizerin.
+
+"Ja," zei de havenmeester, "'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets
+hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn
+vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte
+maakte hem zeker krankzinnig."
+
+"Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt," zei de
+keizerin, "is iets om op te vertrouwen."
+
+"Ja, dat is het," zei de havenmeester. "De zee is onzeker, de visscherij
+en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op
+rekenen kunnen."
+
+De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
+
+"Is er iets nieuws in Heyst?" vroeg zij hem.
+
+"Niets nieuws," antwoordde hij, "alleen heeft Jacob van Ravestein
+opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,
+met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,
+waarmee hij begonnen was."
+
+"Hoe komt dat?" zei de keizerin.
+
+"Hij heeft een erfenis gekregen," zei de predikant, "en die vindt hij
+kleiner, dan hij verwachtte."
+
+"Maar nu heeft hij toch iets vast," zei de keizerin.
+
+"Ja zeker," antwoordde de predikant, "maar nu hij het geld in handen
+heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet
+toereikend zal zijn."
+
+"Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig
+heeft, om de menschen te helpen," zei de keizerin.
+
+"Ja, zoo is het," zei de predikant, "er is oneindig veel te doen en
+niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te
+steunen."
+
+De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en
+vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
+
+"Niets nieuws weet ik te vertellen," zei de loods, "dan dat Jan van der
+Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden."
+
+"Werkelijk?"
+
+"Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa
+kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er
+van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die
+te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden
+hebben, en daarna hebben ze twist gekregen."
+
+"Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden," zei de
+keizerin.
+
+"Ja," zei de loods, "dat was zeker beter geweest."
+
+"Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen," zei de keizerin, "zou
+iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon."
+
+"Juist," zei de loods, "goed verborgen moest het zijn, want als iemand
+het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en
+'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen."
+
+De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar
+de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en
+smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
+medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
+het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
+ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
+
+Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
+Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
+
+Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
+genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
+echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
+roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
+vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
+gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
+West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
+
+Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
+
+Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
+
+Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen
+of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
+of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
+hen doen kon, zou ze doen.
+
+Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het
+kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
+over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
+medelijden.
+
+Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
+met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
+allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
+kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
+tranen in de oogen toen ze dat zei.
+
+Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
+spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
+verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
+laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
+ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
+zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
+
+Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
+keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
+ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en
+oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
+geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
+duinen.
+
+Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
+in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
+dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
+West-Vlaanderen regeert.
+
+Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
+van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
+menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
+hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
+kan, dáár wanhoopt men niet.
+
+Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
+Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
+nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
+het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
+keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
+schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
+Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
+met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
+zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
+altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
+wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
+
+Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
+niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
+weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
+bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
+nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
+zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
+bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
+zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
+bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
+die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
+waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
+heeft men gedacht: "Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
+genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
+het eigen geld was altijd voldoende.
+
+Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
+dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór
+allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
+aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
+later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
+weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
+bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste
+bezitten ze allen in gemeenschap.""
+
+De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
+
+"Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?"
+
+"Ik zei hun," sprak de monnik, "dat het een groot ongeluk was, dat de
+goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
+dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
+voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
+drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
+noodiger hadden."
+
+"En....?" vroeg de bisschop.
+
+"Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
+preekstoel al af was. Anders niets."
+
+"Ze hadden begrepen," zei de Bisschop, "dat u van Gods voorzienigheid
+tot hen gesproken hadt."
+
+De monnik boog.
+
+"Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
+hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
+zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
+compliment."
+
+De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
+
+De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
+
+"Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan."
+
+"Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur."
+
+"En de schat? Was er ooit een schat?"
+
+"Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen."
+
+"Nu ja,--maar voor mij..." zei de bisschop.
+
+"De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
+Het is een klein houten kistje met ijzer beslag."
+
+"En....?"
+
+"Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia."
+
+De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
+
+"Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?"
+
+"Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
+voorstellingen zijn ijdel."
+
+Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: Catharina van Siena 151 |
+ | C: Catharina van Siëna 151 |
+ | B: Zelfs was hij ook niet |
+ | C: Zelf was hij ook niet |
+ | B: kon lijden. |
+ | C: kon leiden. |
+ | B: en Moeder en ons beiden. |
+ | C: en Moeder en ons beiden." |
+ | B: geboren werd. Ze wïl hem |
+ | C: geboren werd. Ze wil hem |
+ | B: midden tusschen de menschen |
+ | C: midden tusschen de menschen. |
+ | B: Agnete kon dit niet uithouden. |
+ | C: Agneta kon dit niet uithouden. |
+ | B: talk meer in den kandelaar, |
+ | C: talk meer in den kandelaar. |
+ | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet |
+ | C: onbeschadigd naar Venetië." Je weet |
+ | B: ging over de Piazetta en de markt |
+ | C: ging over de Piazzetta en de markt |
+ | B: hagelbuien uitstortten over de stad, |
+ | C: hagelbuien uitstortten over de stad. |
+ | B: Giorgo Maggiore te roeien. |
+ | C: Giorgio Maggiore te roeien. |
+ | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat |
+ | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat |
+ | B: de drie mannan de botsing afgeweerd |
+ | C: de drie mannen de botsing afgeweerd |
+ | B: het sterkste geloof verbind." |
+ | C: het sterkste geloof verbind."" |
+ | B: zei, dacht hij. "Als ik leven |
+ | C: zei, dacht hij: "Als ik leven |
+ | B: langen rit en de lange mis." |
+ | C: langen rit en de lange mis." |
+ | B: barstte de monik uit, |
+ | C: barstte de monnik uit, |
+ | B: En toen ik op de preekstoel |
+ | C: "En toen ik op de preekstoel |
+ | B: ze allen in gemeenschap." |
+ | C: ze allen in gemeenschap."" |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38422-8.txt.bk2 b/38422-8.txt.bk2
new file mode 100644
index 0000000..1a57d6f
--- /dev/null
+++ b/38422-8.txt.bk2
@@ -0,0 +1,5623 @@
+Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oud en nieuw
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ SELMA LAGERLÖF
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:
+
+=GÖSTA BERLING=, VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND
+F 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GEÏLLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR
+TEEKENINGEN VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE
+F 3.90.
+
+=INGRID=, VIERDE, GEÏLLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID F 0.75; IN
+PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA=, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 0.75;
+IN PRACHTBAND F 1.--.
+
+=DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST=, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 2.90;
+IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=JERUZALEM= 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID F 4.50; IN
+PRACHTBANDEN F 5.50.
+
+=ONZICHTBARE KETENEN=, PRIJS INGENAAID F 3.50; IN PRACHTBAND F 3.90.
+
+=CHRISTUSLEGENDEN=, PRIJS INGENAAID F 2.90; IN PRACHTBAND F 3.50.
+
+=ELSA=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=LEVENSGEHEIMEN=, PRIJS INGENAAID F 1.50; IN PRACHTBAND F 1.90.
+
+=OUD EN NIEUW=, PRIJS INGENAAID F 1.90; IN PRACHTBAND F 2.50.
+
+
+ GOEDKOOPE UITGAAF
+
+ VAN
+
+ GÖSTA BERLING
+
+ Het beroemde boek van SELMA LAGERLÖF
+
+ Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ Prijs ingenaaid F =1.50=, in prachtband F =1.90=
+
+ * * * * *
+
+=Het Algemeen Handelsblad:=
+
+Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen
+en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende
+phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,
+van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van
+meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,
+geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen
+Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en
+beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving
+van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.
+
+=Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij
+het geheel genoten heeft.=
+
+=Het Vaderland:=
+
+Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat
+en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder
+en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van
+Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. =„Gösta
+Berling” is een boek om tweemaal te lezen.=
+
+=De Kerkelijke Courant:=
+
+Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten
+predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden
+en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of
+men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster
+Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster
+vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó
+aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en
+haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,
+wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met
+vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in
+de schaduw staat.
+
+
+
+
+OUD EN NIEUW
+
+
+
+
+ OUD EN NIEUW
+
+ NAAR HET ZWEEDSCH
+
+ VAN
+
+ SELMA LAGERLÖF
+
+ DOOR
+
+ MARGARETHA MEIJBOOM
+
+ AMSTERDAM
+
+ H. J. W. BECHT
+
+ 1907
+
+
+
+
+BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ De Kerstroos 1
+
+ In de Gerechtszaal 26
+
+ Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg 37
+
+ De Kerstvrede 47
+
+ Het Grafschrift 65
+
+ De beide Broeders 80
+
+ Romeinsch Bloed 89
+
+ De oude Agneta 113
+
+ De Ring van den Visscher 123
+
+ Santa Catharina van Siëna 151
+
+ De zeven Doodzonden 170
+
+ De Schatkist van de Keizerin 180
+
+
+
+
+DE KERSTROOS.
+
+
+De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde,
+was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was
+een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de
+loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud
+waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch
+woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens
+gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn
+vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van
+pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,
+zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,
+durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed
+om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als
+ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren
+erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te
+rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in
+'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of
+kinderen wat overkwam.
+
+Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te
+bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een
+klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de
+portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde
+brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen.
+
+Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de
+kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten
+teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de
+rooversvrouw ging snel met hem meê.
+
+'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't
+kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de
+rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen
+zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.
+
+Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een
+plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen
+plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.
+
+In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't
+Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen,
+dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er
+in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van
+de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel
+kleine bloembedjes liep.
+
+In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.
+Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den
+mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle
+vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe
+en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze
+liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën,
+die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen
+den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den
+leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar
+bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de
+rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem
+achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar
+bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.
+
+„Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch,” zei ze, „en raak me nu
+eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even
+zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,
+dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw
+haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd
+toesprak.
+
+„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en
+dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet
+weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur
+te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin
+weg.”
+
+Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar
+'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen
+bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.
+
+Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te
+loopen om hulp te halen.
+
+Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag
+nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad
+staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij
+zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,
+zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar
+hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden
+krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze
+wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.
+
+De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet
+anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.
+
+Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten
+zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een
+geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw
+van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg
+konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.
+
+Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun
+hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon
+hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar
+den tuin.
+
+Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen
+de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist
+zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar
+ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort
+vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude
+kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer
+gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.
+
+De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke
+dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon
+niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om
+dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar
+zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.
+
+De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet
+anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren
+en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:
+
+„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien
+had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien
+ik ken.”
+
+De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de
+rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde
+een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.
+
+De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te
+berispen.
+
+„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite
+de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij
+weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van
+Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste
+bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.”
+
+„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw,
+„ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan
+denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid
+weggooien.”
+
+Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de
+abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.
+
+„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi praat om ons te
+plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,
+tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn
+ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van
+een tuin geweest ben.”
+
+De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,
+en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een
+tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,
+moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht
+in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te
+vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,
+en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet
+gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.”
+
+Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen
+op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet
+anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus
+vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij
+en je man.”
+
+„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in
+den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.”
+
+De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk
+te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,
+dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er
+vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij
+begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met
+Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van
+haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij
+daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel
+hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.
+
+Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het
+gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen
+werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,
+schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.
+
+„Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag
+ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een
+heilig man is.”
+
+Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt
+gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze
+overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden
+toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als
+zij iets van zijn plan ontdekten.
+
+Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken.
+Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn
+reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.
+
+Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek
+van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,
+hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die
+veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief
+voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen
+kon leiden.
+
+„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger
+misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele
+rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.”
+
+Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover
+niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor
+allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.
+
+De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,
+dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het
+roovershol heen.
+
+„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor
+hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn
+om bij de menschen genade te vinden.”
+
+Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel
+wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den
+dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u
+een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen
+wilt.”
+
+De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het
+verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.
+Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem
+zeker zou zenden.
+
+ * * * * *
+
+De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet
+thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de
+woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had
+hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.
+
+De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu
+heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het
+heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet
+graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te
+beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te
+zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik
+was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den
+abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.
+
+Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat
+er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder
+boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm
+zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden
+massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer
+kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid
+moesten worden.
+
+Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de
+koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die
+zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het
+klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met
+stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de
+kloosterpoort gekregen hadden.
+
+Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer
+haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan
+een van de anderen zou mogen vieren.
+
+Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de
+kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en
+smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan
+de handen van den roover over te geven.
+
+Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te
+storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in
+de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd
+steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen
+over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en
+diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.
+
+'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile
+en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige
+velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist
+toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over
+een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene
+naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin
+zagen zij een deur van dikke planken.
+
+Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren
+en steeg van zijn paard.
+
+'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele
+berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,
+dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van
+dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.
+
+„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te
+staan, „en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van
+de nachtkou.”
+
+De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't
+Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De
+rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.
+Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er
+was niets in dan een waterachtige soep.
+
+Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten
+boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als
+u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch
+klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,
+moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang
+te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur
+zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u
+gekomen is.”
+
+De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was
+zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op
+het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed
+aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat
+hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den
+abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,
+zoodat hij insliep.
+
+Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en
+nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij
+hen.--'t Was een lange magere man--hij zag er moe en zwaarmoedig uit.
+Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten
+wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.
+
+De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het
+Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't
+Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan
+had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.
+
+„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de
+anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de
+abt.
+
+De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand
+sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.
+
+Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist
+voor het gezicht.
+
+„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen
+van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch
+niet uit mag komen?”
+
+De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te
+bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij.
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid
+te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had
+van bisschop Absalom!--„Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei
+de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,--zelfs geen
+gans.”
+
+De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om
+den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.
+
+De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de
+monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.
+
+Maar opeens stond de rooversmoeder op.--„U zit hier zoo te praten, abt
+Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs
+hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.”
+
+Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.
+
+Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het
+eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd
+aangedragen door een zachten zuidenwind.
+
+„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt.
+Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,
+nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou
+opbloeien.
+
+Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een
+lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even
+duister,--maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als
+een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het
+uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.
+
+Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een
+mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;--massa's slangen
+kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De
+erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in
+'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes
+zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende
+knoppen, die al een zweempje kleur hadden.
+
+'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't
+ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen
+zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.
+
+Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke
+duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.
+
+Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een
+bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen
+aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren
+komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen
+de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken
+heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de
+splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,
+streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren
+prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als
+de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.
+
+Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,
+warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die
+arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan
+land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden
+kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond
+raakten, takken en loten.
+
+Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe
+ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun
+nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.
+
+Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te
+denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren
+en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht
+den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de
+veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den
+en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen
+glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik
+van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het
+heelemaal wit en blauw en goud werd.
+
+De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer
+oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats
+met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,
+krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar
+jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde
+naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en
+ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten
+van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.
+
+De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij
+verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot
+als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een
+ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen
+waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en
+slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.
+Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak
+een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je
+aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer
+achteruit en liep een anderen kant uit.
+
+Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten
+zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld
+stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende
+lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,
+dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan
+het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den
+bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo
+groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor
+bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op
+dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.
+
+De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol
+licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van
+den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter
+vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle
+aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik
+niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.”
+
+Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het
+iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche
+lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat
+nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in
+aantocht was.
+
+De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen
+speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.
+
+De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,
+de oogen schreiden, zonder dat men het wist,--de ziel verlangde weg te
+mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen,
+en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.
+
+De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van
+zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds
+in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen
+Kerstliederen te hooren zingen.
+
+Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was.
+Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,
+omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte
+hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God
+zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in
+eere hielden.
+
+Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder
+zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat
+kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier
+gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons
+behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.”
+
+In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,
+dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons
+verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van
+daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.”
+
+Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten
+zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag
+hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het
+toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den
+nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te
+beter de christenen te kunnen bedriegen.
+
+Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij
+had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den
+leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang
+speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat
+de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den
+leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat
+het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.
+Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't
+bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen
+bent!”
+
+Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels
+hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.
+Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang
+plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.
+En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken
+schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister
+zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten
+op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der
+watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.
+
+De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,
+zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit
+kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij zóó nabij waren en
+verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de
+vlucht werden gejaagd.”
+
+Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en
+hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog
+iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde
+bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam
+aanglijden over het veld.
+
+Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar
+bleef op het veld liggen.
+
+Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe
+duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij
+namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem
+dood in de sneeuw liggen.
+
+En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,
+dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de
+lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.
+
+ * * * * *
+
+Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen
+voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,
+dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand
+eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had
+vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't
+loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de
+bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt
+Hans.
+
+Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden
+opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen
+eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,
+wachtte hij niet langer.
+
+Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans,
+dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij
+nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond
+gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren
+opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.
+
+Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit
+plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,
+begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in
+het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,
+dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen
+aan bisschop Absalom moesten zenden.
+
+Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de
+bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die
+hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch.”
+
+Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde
+waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij
+een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak
+hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne
+houden.”
+
+En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn
+jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan
+den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het
+roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met
+opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik
+er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het
+Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.”
+
+„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil
+graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.”
+
+En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met
+hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan
+het perkament hing.
+
+„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en
+Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,”
+zeide hij.
+
+Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit
+zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man
+ook zijn woord houden.”
+
+Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de
+leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij
+bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand
+mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich
+bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet
+gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur
+van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het
+plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd
+en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de
+aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens
+gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.
+
+
+
+
+IN DE GERECHTSZAAL.
+
+
+We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel
+achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd
+man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig
+geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een
+sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit
+te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem
+kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die
+alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en
+onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.
+
+Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag
+behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het
+onderhoud van een onecht kind.
+
+Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan
+worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse
+een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.
+
+Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,
+dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft
+aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse
+eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd
+geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,
+hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring
+volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde
+opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld
+wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.
+
+Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene
+tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.
+Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een
+opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft
+zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze
+zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend
+heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.
+
+Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man
+in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en
+vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich
+heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,
+daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het
+minst bezwaart.
+
+Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,
+en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed
+af te leggen.
+
+Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint
+te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant
+voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en
+niets hem verhindert om dien af te leggen.
+
+Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt
+onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond
+gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde
+in het aangezicht heeft kunnen zien.
+
+Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar
+stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer
+staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij
+kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.
+
+Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de
+gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te
+krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.
+
+De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig.
+Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,
+en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.
+
+Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich
+opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de
+rechter moet het hem immers beletten.
+
+De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen
+denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen
+waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze
+wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo
+iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de
+rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over
+zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke
+ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk
+hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken
+er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel
+begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd
+hebben, als zij daar geen recht toe had.
+
+De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat
+ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand
+anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.
+
+Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant
+een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan
+is in te grijpen.
+
+Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een
+paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van
+ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.
+Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al
+spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de
+rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.
+
+Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed
+en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten
+zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en
+ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop
+moet hebben.
+
+Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat
+hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een
+valschen eed heeft overwogen.
+
+De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door
+getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.
+
+De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze
+maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.
+
+Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd
+met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren,
+maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.
+
+Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,
+niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.
+
+Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,
+maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort--dat het in
+het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan
+ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen
+versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in
+het hoofd.
+
+Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.
+
+Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille
+van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan
+moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.
+
+Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets
+geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en
+geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de
+naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar
+oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden
+met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.
+
+Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik,
+heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel
+moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het
+eedsformulier te vinden.
+
+Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap
+naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn
+hand wegstooten.
+
+Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij
+nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.
+
+De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht
+heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan
+houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te
+spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij
+vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.
+
+Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van
+plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal
+voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar
+hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft
+aangeklaagd.
+
+Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat
+haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te
+krijgen?
+
+Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.
+
+Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de
+daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit
+meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.
+
+Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar
+voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den
+Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk
+moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen
+eed, dat zal hij niet.
+
+De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te
+nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken
+angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in
+haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis
+zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,
+hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,
+springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet
+zich ook tegen hem.
+
+„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”
+
+Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek
+dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te
+staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te
+voorkomen, dat hij omgegooid wordt.
+
+Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven
+onbeweeglijk staan.
+
+„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de
+rechter met dezelfde harde en strenge stem.
+
+Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar
+verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.
+
+„Hij zal den eed niet doen.”
+
+„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.
+
+Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij
+zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.
+
+„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met
+steeds scherper stem.
+
+„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide,
+snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”
+
+„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand
+verloren?”
+
+Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
+schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
+niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
+om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.
+
+Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
+„Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
+maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
+doen.”
+
+Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
+blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
+handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
+haar af.
+
+Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.
+
+Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
+zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.
+
+Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
+niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
+geringsten te vinden is.
+
+Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
+slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
+heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
+van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
+dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
+En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
+heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
+ziel.
+
+En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
+menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
+hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.
+
+Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat _hij_ met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen.
+
+De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.
+
+„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,”
+zegt hij tegen den griffier.
+
+De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.
+
+„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”
+
+De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
+„Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”
+
+De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
+zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
+toe.
+
+„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.
+
+Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
+tranen met den opgerolden zakdoek.
+
+„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
+zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.
+
+
+
+
+HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.
+
+
+Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
+volstrekt niet hebben.
+
+Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
+overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
+paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.
+
+Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
+denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
+over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
+wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
+Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
+was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
+zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
+den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
+hij nooit wanten gebruikt had.
+
+Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen
+hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
+zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
+niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
+zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
+predikant.
+
+Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
+aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
+zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
+stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
+moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
+ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
+Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
+eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
+roover op den preekstoel te laten.
+
+Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
+verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
+kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
+en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
+roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
+ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.
+
+Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
+Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of
+op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
+niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
+liggen om haar te schaken.
+
+Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
+om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
+gebruiken.
+
+Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
+was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
+ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
+vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.
+
+Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
+iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
+schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
+zweeg en beklaagde zich niet.
+
+'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
+haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
+den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
+opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
+kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
+het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
+in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
+armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.
+
+'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
+van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met
+hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
+er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
+graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
+en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
+hooge koren en had de oogen niet van haar af.
+
+Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
+proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
+dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
+hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den
+bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
+inhoud van den brief meê te deelen.
+
+Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.
+
+Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
+aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
+toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
+wegsloot.
+
+De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
+was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
+eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
+was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.
+
+Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
+altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
+weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
+hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
+te worden om te mogen preeken naar hartelust.
+
+De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
+de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
+was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
+had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
+aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
+spreken in Gods huis.
+
+Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
+bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
+daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
+schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
+te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
+niet slecht!
+
+En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
+voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.
+
+Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
+toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.
+
+Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
+Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
+Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.
+
+Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
+was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
+naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
+zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
+geen knecht of meisje in de heele pastorie was.
+
+Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
+hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
+alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
+genoodzaakt zou zijn heen te gaan.
+
+Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
+een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
+eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
+vond, vroeg hij haar ten huwelijk.
+
+Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
+smeeken of aan te dringen.
+
+En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.
+
+Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
+pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
+den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.
+
+Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
+hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
+schreide in de aangrenzende kamer.
+
+Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
+binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
+heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
+was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
+Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
+hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
+mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
+duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
+bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
+gevraagd had.
+
+Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
+verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
+plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
+ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.
+
+'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
+haar. Maar ze zag niemand.
+
+'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
+en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
+Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet
+neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
+onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
+Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
+krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
+ontzetting.
+
+Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
+gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
+venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,”
+zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze
+zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
+was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.
+
+Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest
+hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
+'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
+verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
+troosten, die zóó schreide.
+
+Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
+Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten
+schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.
+
+Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
+die uit den hemel verbannen werd.
+
+En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
+de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
+kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
+tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
+blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
+zijn, als ze iemand had kunnen roepen.
+
+Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
+geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
+te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.
+
+Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
+vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
+gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.
+
+„Dat was voor jou,” zei er iets in haar. „Jij en niemand anders moest
+het hooren.”
+
+Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?
+
+Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
+verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
+vreemd voor.
+
+Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
+hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
+zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.
+
+„Waarover sprak hij dan?”
+
+„Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
+paradijs gesloten werden.”
+
+Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
+ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.
+
+Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
+hem mee in de vestibule.
+
+„Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?” vroeg Grootmoeder.
+„Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?”
+
+„Ja, dat deed ik,” antwoordde hij. „Ik kon het niet laten.”
+
+Toen wist Grootmoeder, dat ze _hem_ gehoord had en ze werd zoo
+wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde zóó groot
+was, dat hij zóó geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
+het zóó heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
+aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
+Grootvader was.
+
+„Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog één oogenblik langer
+dragen zult,” zei ze. „Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
+houden.”
+
+
+
+
+DE KERSTVREDE.
+
+
+Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
+grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
+scherpe wind uit het noorden.
+
+Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
+hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
+Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
+massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
+door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.
+
+Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
+een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
+Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
+te schuren, begon te neuriën, hoewel het water tot ijs stolde in den
+emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
+Kerstvuur, begonnen twee stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
+bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.
+
+Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
+Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
+groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
+kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
+tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
+elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
+haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
+den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
+Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
+zien kon hoe leelijk ze was.
+
+Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
+die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
+gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
+berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
+twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
+lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
+uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
+berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
+meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
+ze aanraakte en dat ze er meê geplaagd zou worden, minstens tot er 't
+ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.
+
+Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
+binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
+de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
+te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
+met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
+was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
+badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
+zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en _goed_ gebeuren.
+
+Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
+leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
+zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
+een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
+even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
+oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
+dat wilde wat zeggen:--tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
+Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
+toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
+machtigste van een geheele gemeente te wezen.
+
+Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog zich over de
+berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
+dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; één kwam terecht op de Kersttafel
+en een ander op 't groote bed.
+
+„Och meid!” zei de oude Ingmar en lachte, „meen je, dat men zulke bosjes
+gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
+velletje?”
+
+Nu de boer het zóó opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
+wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
+binden.
+
+„Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,” zei de oude Ingmar,
+want hij was echt in Kersthumeur.
+
+Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
+en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
+om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
+Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
+schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
+plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
+te gaan.
+
+Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
+over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
+op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
+weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
+iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
+zoon of zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
+menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.
+
+Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
+het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
+paar berketakken van een jaar oud te vinden.
+
+Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
+heelen dag meê bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
+losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
+sneeuwvlokken achter zich aan.
+
+Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
+afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
+hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
+een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
+sneeuw en de wind wervelde zóó sterk om hem heen, dat hij een paar keer
+ronddraaide als een tol.
+
+Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
+jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
+sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
+gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
+verkeerden kant uit.
+
+Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
+berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
+richting van de hoeve in te slaan.
+
+De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
+bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
+tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
+er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
+hoeve leidde.
+
+Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
+de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
+werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.
+
+Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
+hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
+geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
+richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
+anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
+weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
+zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
+merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
+toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
+avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
+zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
+even verward in 't hoofd als te voren.
+
+Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om zijn gedachten te
+verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
+dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
+gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
+had hij hier meê hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
+veld en hij had het weer zien opgroeien.
+
+Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
+maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
+liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.
+
+Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij
+begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
+te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
+die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
+vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
+diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
+hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.
+
+Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
+op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
+te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
+probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.
+
+Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer weerstaan. Hij
+meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
+al moest het zijn leven kosten.
+
+Hij genoot er zóó van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
+den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
+de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
+kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
+over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
+hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
+'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
+aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
+spreken.
+
+Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
+wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
+Ingmarson zijn.
+
+En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
+geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
+woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
+verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
+stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
+zich begon te bewegen.
+
+Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
+kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
+al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.
+
+Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
+verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
+burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
+majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
+den hals.
+
+Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
+vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
+tot aan de kerk.
+
+Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
+begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.
+
+Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
+Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
+zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.
+
+'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
+alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
+opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
+marktdag.
+
+Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
+aan het grafmaal. „Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?” vroeg de
+burgemeester. „Wat had hij toch in het groote bosch te maken?”
+
+En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
+zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.
+
+En dàt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
+Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
+geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was zóó moe, dat hij
+nauwelijks staan kon.
+
+Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
+op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.
+
+Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
+met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!--
+
+En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
+sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
+geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
+slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
+deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
+warms en zachts lag. „Hier ligt zeker een beer te slapen,” dacht hij.
+
+Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
+Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
+gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.
+
+Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
+schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
+in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
+sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.
+
+ * * * * *
+
+Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
+had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.
+
+Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
+hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
+naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.
+
+Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
+de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
+de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
+onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
+uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
+Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
+zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
+den vermiste wilden vinden.
+
+Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
+en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
+Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
+groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
+ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
+En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat in een uur als
+dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
+op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.
+
+Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
+barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
+kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
+en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
+allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
+roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
+konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
+strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
+alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
+de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
+waren dan anderen.
+
+Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
+vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
+gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
+ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
+geslacht behoorde, een ongeluk trof.
+
+De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:
+
+„Wie was nu de naaste van dezen man?” Maar eer ze het antwoord had
+kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.
+
+„Moeder, daar is vader,” zei een van de dochters, en zoo werd nooit
+voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
+bewezen had.
+
+ * * * * *
+
+Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
+in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
+en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
+Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
+bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
+plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
+vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
+toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.
+
+Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
+over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
+ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
+werd, maar ze kwam niet verder dan: „Vrede op aarde, in de menschen een
+welbehagen.”
+
+Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
+Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
+„Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.”
+
+De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
+langzaam uitsprak.
+
+„Moeder,” zei hij heel zacht.
+
+Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: „Ben je
+niet meê naar 't bosch gegaan?”
+
+„Ja,” zei hij, nog zachter, „ik ben meê geweest.”
+
+„Kom hier bij de tafel,” zei ze, „zoo dat ik je zien kan.”
+
+Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
+moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
+houden.
+
+„Heb jelui den beer geveld?” vroeg ze weer.
+
+Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.
+
+De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
+zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
+zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
+naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. „Zeg mij nu, wat er
+gebeurd is, mijn jongen.”
+
+De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
+hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
+te schreien.
+
+„Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,” zei ze.
+
+„Ja, maar het is erger dan dat!” snikte de zoon.
+
+„Is het erger dan dat?”
+
+De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
+macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
+breede vingers op wat zij pas gelezen had: „Vrede op aarde.”
+
+„Heeft dit er iets meê te maken?” vroeg ze.
+
+„Ja,” antwoordde hij.
+
+„De Kerstvrede?”
+
+„Ja.”
+
+„Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?”
+
+„Ja.”
+
+„En God heeft ons gestraft?”
+
+„God heeft ons gestraft.”
+
+En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
+den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
+takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
+maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
+hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
+Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
+alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
+iets, maar liep hen voorbij het bosch in.
+
+ * * * * *
+
+Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
+proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
+huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
+een steenen beeld.
+
+De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
+boeken te voorschijn gehaald en schreef het sterfgeval in. Hij deed het
+wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
+de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
+De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
+zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
+eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.
+
+Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:
+
+„Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
+wilden laten houden over Vader.”
+
+De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
+tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
+als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
+handen.
+
+„We zullen hem op een werkdag begraven,” zei de zoon.
+
+„Zoo, zoo,” zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
+oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
+kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
+'t graf volgde.
+
+„We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
+weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.”
+
+„Zoo, zoo,” zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
+wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
+doen. Hij had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
+getroost had.
+
+„Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan meê.”
+
+De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
+goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
+zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
+dan zilver en goud. „We zullen de klokken niet laten luiden en geen
+zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
+het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.”
+
+Nu sprak de vrouw ook. „Dàt is het; we willen weten of we Vader onrecht
+doen.”
+
+De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:
+
+„Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
+tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
+moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
+hebben, zoo als zijn vader vóór hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
+en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
+God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
+Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
+Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
+en opzien wekken.”
+
+De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. „'t Is waar wat
+ge zegt,” zei hij, „en ge moet doen zooals ge besloten zijt.” En
+onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: „'t Zijn
+kranige menschen, de Ingmarsons.”
+
+De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
+in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
+begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
+macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.
+
+„Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,”
+zei ze. „Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.”
+
+
+
+
+HET GRAFSCHRIFT.
+
+
+Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
+kerkhof op Svartsjö staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
+het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
+het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
+armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
+het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
+bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
+ze nog tot woorden samen te voegen.
+
+Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
+wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
+voeten zetten op het kerkhof van Svartsjö, zonder naar dat kruisje te
+gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
+op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.
+
+Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van Svartsjö, in winterslaap
+verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
+ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
+vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
+geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
+er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
+kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
+kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
+bezitten als de rijkste boer.
+
+De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
+verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
+Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
+ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
+kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
+vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
+van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
+één met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
+dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
+wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.
+
+Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
+hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
+onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
+liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De menschen, die in
+de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
+bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
+gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
+ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
+voornamer dan een ander.
+
+Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
+de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
+uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
+trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
+gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
+te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
+den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar „het
+graf” ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
+te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
+oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
+begraven zijn.
+
+Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
+dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
+ze niet van elkander kan onderscheiden.
+
+Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
+ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
+kist daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
+werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
+aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.
+
+Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
+den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
+het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
+ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
+Sander op Lerum.
+
+Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
+een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
+al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
+gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
+een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
+woord: „Sander” met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
+zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
+wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:
+
+„Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.”
+
+Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
+grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
+Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
+zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.
+
+Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
+opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
+beven, alsof ze een felle kou voelt.
+
+„Wat zeg je?--Wat zeg je?” vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
+klappertandt van kou.
+
+„Het stuit mij tegen de borst,” zegt de grondeigenaar. „Vader en Moeder
+liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
+daar liggen zal.”
+
+„Ah zoo, heb je dat nu bedacht,” zegt ze nog steeds bevend. „Ik wist
+wel, dat je je eindelijk wreken zou.”
+
+Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
+groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
+door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
+staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
+onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.
+
+„Ik wil me niet wreken,” zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. „Ik
+kan dit alleen niet verdragen.”
+
+„Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
+naar het andere over te brengen,” zei ze. „En hij is nu dood, dus voor
+hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!”
+
+„Ja, daar heb ik ook aan gedacht,” zegt hij, „maar dit kan ik niet
+verdragen.”
+
+Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
+noodig om elkaar te verstaan en ze weet al, dat het volstrekt
+onmogelijk is hem te bewegen.
+
+„Waarom heb je me dan vergeven?” zegt ze en wringt de handen. „Waarom
+liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.”
+
+Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
+dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. „Zeg aan de
+buren wat je wilt,” zegt hij. „Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
+het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
+die van Vader en Moeder en ons beiden.”
+
+„En denk je, dat ze dat gelooven?”
+
+„Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,” zegt hij.
+
+Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
+hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
+armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
+Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
+dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
+komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
+toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
+Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.
+
+En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?
+
+Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
+toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.
+
+„Je waart niet bij je verstand,” zei hij en had haar bij zich gehouden
+als zijn vrouw.
+
+Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
+genoeg vallen het werkelijk te doen.
+
+Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
+niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
+blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
+verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
+altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen zóó boos geworden
+was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
+worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
+als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
+iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
+nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!
+
+ * * * * *
+
+De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
+hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vóór de
+begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
+te zien of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
+schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
+het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
+de doodsangst versteent haar.
+
+Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet meê
+naar het kerkhof--mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
+dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
+groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
+ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
+de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
+onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
+den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
+kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
+losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
+een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
+verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
+helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
+daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
+gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
+ruimen.
+
+De man gaat ook meê naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de
+gasten genoodigd, de kist besteld en bepaald wie de dragers zullen
+zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.
+Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de
+lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte
+doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan meê in den
+stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.
+
+Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om
+een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.
+
+Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen
+voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen
+krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wèl zou kunnen
+is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele
+kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een
+luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.
+
+De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in
+beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom
+heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den
+dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof
+moeten gaan. Een doode is immers niets waard.
+
+Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze
+mogen den doode leggen, waar ze willen,--alleen niet op het kerkhof. Er
+gaan verwarde gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,
+zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is
+door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang
+maken als kinderen.
+
+Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd
+vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet
+ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze
+ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En
+de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen
+naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet
+eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat
+de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het
+familiegraf rusten zal.
+
+Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet
+alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.
+
+„En het voorjaar,” denkt ze, „als de kist begraven wordt, is zeker
+niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders
+vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.”
+
+En nu begrijpt ze, dat ze gered is.
+
+Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.
+„'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,” zeggen ze. Maar zelf weet
+ze best, dat ze schreit uit verlichting, als iemand, die uit nood en
+levensgevaar is gered.
+
+Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone
+plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich
+op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te
+luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te
+spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door
+de leden. „Het is immers dood? Dood!”--
+
+Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den
+eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.
+Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk
+regeert over alle uren van den dag en van den nacht.
+
+Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare
+meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het
+leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te
+winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden
+worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.
+
+De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,
+dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de
+weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit
+alles.
+
+En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen plachten te smeeken
+en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij
+zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien
+niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.
+Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed _niet_ in te slapen. Nu begrijpt
+ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.
+
+Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn
+verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.
+
+'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat
+nooit begrepen, terwijl hij leefde.
+
+Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich
+door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,
+geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes
+geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.
+
+En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker
+wordt--kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.--Denk eens
+aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder
+het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht
+mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die
+ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het
+wezenlijke kleine menschjes.
+
+En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat
+het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit zóó
+dicht genaderd zou zijn als nu.
+
+Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt
+heeft, terwijl hij leefde. „Daarom is hij mij zeker afgenomen,” denkt
+ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang
+geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht
+heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich
+geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te
+begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.
+
+Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal
+nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit
+haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: „zie ik hem
+nog? Kan ik hem nog wel goed zien?” zegt ze.
+
+En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met
+verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het
+barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn
+graf komen en met hem spreken kan.
+
+Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf
+met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,
+lang kunnen zitten.
+
+Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers
+niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze
+verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren
+zitten. Wat zal ze hun zeggen?
+
+Nu en dan denkt ze, dat ze zóó zal doen. Eerst naar het groote
+familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos
+zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij
+zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen
+zal.
+
+Ja, hij zal er wel tevreden meê zijn, als zij het zijn kan. Maar het is
+toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij
+zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een
+brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze wil hem
+daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles
+te boven ging.
+
+ * * * * *
+
+Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het
+sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien
+een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat
+de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij
+verlangt zoo!
+
+Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's
+winters beter; nu het lente is wil hij zich niet voor haar vertoonen.
+Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij
+te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan
+nooit onder de aarde komen?
+
+Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar
+heele leven lang.
+
+En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar
+sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den
+doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan
+naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten
+en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes
+weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen
+kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft
+ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.
+
+Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte
+letters:
+
+ _Hier rust mijn kind._
+
+En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om
+of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,
+het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden
+op het graf van haar kind.
+
+
+
+
+DE BEIDE BROEDERS.
+
+
+Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven
+zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den
+lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze
+moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze
+geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en
+zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie
+rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.
+
+Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de
+menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de
+lange rust in de aarde gebracht worden.
+
+Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo
+goed als in Svartsjö in Wermeland.
+
+Als ge in Svartsjö sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen
+precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,
+als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want
+dezelfde timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar één model. Geen
+een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook--want dat hebt
+ge immers als zoo dikwijls gezien,--dat ge naar de kerk wordt gereden
+op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge
+behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar
+niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en
+dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.
+
+Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult
+krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort
+zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.
+
+En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg
+zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen meêgaan. En ook zult
+ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er
+wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk
+van Svartsjö staan.
+
+Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den
+dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te
+zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte
+schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa
+menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben
+den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken
+zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.
+Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet
+zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden
+schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,
+dat als er veel rouw bij één graf was, het er leelijk uit zou zien voor
+hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in
+Svartsjö. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de
+gewoonte daar is.
+
+Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en
+machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in
+de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw
+kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin
+den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,
+dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.
+
+Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt
+worden op elken dag van de week. In Svartsjö moet ge op een Zondag
+begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.
+Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest
+mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden
+geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine
+jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,
+en daar komt ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit
+groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar
+zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden
+werdt.
+
+Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er
+niemand, die er niet op toeziet.
+
+Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsjö hebben.
+Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft
+kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is
+tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags
+heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er
+werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.
+En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den
+rouwstaf.
+
+'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.
+Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat
+verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?
+
+Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant
+en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle
+kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van
+zijn.
+
+Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo
+eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.
+Het zijn maar gewone, eenvoudige menschen uit Svartsjö. Het is alsof er
+maar één groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,
+die dood zijt.
+
+De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk
+gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde
+kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt
+en verootmoedigd worden door hun armoede.
+
+Als een vreemde met u meê naar het graf ging, zou hij veel weemoediger
+worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de
+gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen
+kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de
+kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te
+verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman
+nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet
+voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten
+op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.
+
+Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar
+het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de
+witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.
+Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de
+draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de
+losse aardhoopen en laten u zakken.
+
+En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en
+begint te zingen:
+
+ „Ik ga den dood te gemoet.”
+
+Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de
+omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de
+noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij
+zingt.
+
+De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,
+dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen
+zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,
+omdat het bij zijn werk hoort.
+
+Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest
+hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede
+vervallen.
+
+Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en
+luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden
+zal. Maar niemand zingt mee, niet één, want dat gaat niet, dat doet men
+niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsjö. Ook in de kerk zingt men
+nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.
+
+Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet
+alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die meê zingt, maar die klinkt
+zóó precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij één
+waren.
+
+De andere stem, die meê zingt, is die van een kleinen ouden man, in een
+langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt
+wat hij kan, om hem te helpen.
+
+En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den
+koster; zij zijn zóó eender, dat men niet laten kan er zich over te
+verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude
+man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat
+ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de
+kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom
+hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de
+wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet
+gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat
+het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.
+
+En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat
+lukte niet. Want hij was niet zóó, dat men hem kon helpen. Hij had nooit
+voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.
+
+Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft
+altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen
+geven.
+
+Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo
+arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.
+
+Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,
+niets dan een last voor zijn broer en voor andere menschen. Maar zie!
+nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij
+daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de
+koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu
+helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.
+
+Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,
+omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat
+hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken
+buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij meê naar
+het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt
+zijn broer met zijn ellendige stem.
+
+De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de
+anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet
+hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij
+een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof
+lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit
+de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht
+om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De
+koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer
+lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den
+Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.
+
+Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk
+niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in
+Svartsjö begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?
+
+Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als
+nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar
+geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven
+is en dan is men er volkomen tevreden meê dood te zijn. En dan eindigt
+het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn
+toespraak.
+
+Daarop zingen de twee oude stemmen: „Ik ga naar den hemel.” En zij
+zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en
+klagender, hoe langer ze zingen.
+
+Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop
+in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.
+
+Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw
+en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat
+armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw
+hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw
+ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.
+
+
+
+
+ROMEINSCH BLOED.
+
+
+Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren
+buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men
+kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het
+jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,
+een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;
+en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen
+en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.
+
+En dan om wat te verdienen,--want groente en kippen brengen geen
+schitterend inkomen op--koopt men een paar groote vaten romeinsche
+slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer
+dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met
+literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en
+de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.
+
+Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en
+onbelemmerd, daarom zet men daken boven de banken en omringt die met
+wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En
+eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de
+kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is
+de osteria klaar.
+
+Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria
+geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef
+om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.
+Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en
+dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten
+den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't
+huis, liefhad.
+
+Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het
+graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.
+Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een
+heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een
+woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen
+waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.
+
+Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en
+verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. „Waar is
+Teresa?” vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon
+Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de
+soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters
+die voorgediend hadden.
+
+Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat
+was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij
+was?
+
+Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria
+kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te
+vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het
+balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan
+was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het
+zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige
+histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij
+hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar
+verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,
+dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun
+beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.
+
+De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde,
+en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
+wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
+hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
+zou nooit trouwen dan met een signor.
+
+Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien aan de manier, waarop
+ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,--en
+aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
+een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
+het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
+veeren om den hals, zóó lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
+neerhing.
+
+Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
+Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.
+
+Eigenlijk was Nino er best meê tevreden, dat Teresa niet met een
+Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
+veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
+tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
+oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
+het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
+durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
+was waarlijk geen klein geluk.
+
+De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
+'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
+maïs voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
+voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
+huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
+drinken, stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
+haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
+was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
+ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
+gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
+snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
+elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
+soldaten, die samen ten strijde trekken.
+
+Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
+vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
+geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
+graag hooren, hoe de plebejers tot patriciërs werden verheven en van
+de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
+van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
+omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
+keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
+verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
+haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
+hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.
+
+Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
+dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
+meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?
+
+Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
+bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
+maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
+schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
+Nino werd bijna bang, toen hij het zag.
+
+Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
+Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
+zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
+al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
+zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
+van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?
+
+De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Italië
+voerde oorlog met Abyssinië, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
+dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
+vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
+ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
+laten de menschen ongelukkig te maken.
+
+Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
+hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Italië
+moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
+des vredes. „Laat ons dien Afrikaanschen oorlog doen ophouden. Laat
+onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.” Dat waren
+Nino's woorden.
+
+Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
+adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
+leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
+thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
+afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
+stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
+over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
+belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
+gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
+naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
+den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.
+
+Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
+de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
+glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
+liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
+afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
+een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
+te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.
+
+Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
+over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
+niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
+tot na de bruiloft.
+
+Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
+haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
+de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
+zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
+monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
+hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
+Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
+hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
+en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
+niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.
+
+'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
+die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
+gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
+Nino had zich nooit zóó met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
+gevoeld.
+
+Hoe gelukkig was ze er meê, dat haar vriend officier was. Behalve dat
+hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
+hoorde eens, dat ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
+was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: „Ja werd hij dat maar, dan
+zou het er wel anders gaan.”
+
+Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
+daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
+troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
+en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
+alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
+en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
+er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
+zwermen.
+
+Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
+dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
+Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
+overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Italië geholpen worden.
+
+Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
+Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
+Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
+geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
+een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Italië's vlag
+geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:
+
+„Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. Alles voor Italië!” en
+andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
+het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
+krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
+Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
+niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
+vertrouwen.
+
+Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
+ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
+de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
+lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
+kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
+anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
+soldaten reikte, wilde zeggen: „Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
+vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.”
+
+Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
+had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
+liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
+moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
+'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
+aderen.
+
+Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels vertrok, waar ze naar
+Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa meê naar het
+station.
+
+Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
+Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
+enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
+verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
+„Leve Italië!”--er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
+gestrooid.
+
+Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
+hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
+de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
+krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
+Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
+terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
+scheidden zij.
+
+Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
+niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
+groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
+was opgetrokken tegen de Abyssiniërs en was verslagen en verstrooid
+geworden.
+
+Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
+aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
+volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd om de
+laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
+over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Italië. En
+den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
+verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.
+
+Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
+troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
+maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
+hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
+geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.
+
+Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.
+
+„Wat is er toch gebeurd, Nino?” vroeg ze, „hoe kon dat nu zoo slecht
+gaan?”
+
+En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
+door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
+Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
+de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
+men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
+scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
+weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
+die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.
+
+Maar dat was immers geen land om menschen heen te zenden! een land waar
+men muilezels moest eten!
+
+Neen, dat vond Nino ook.
+
+En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
+vreeselijk de oorlog was.
+
+Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
+die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
+zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
+tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
+schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
+hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.
+
+Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
+Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
+na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
+verscheuren.
+
+Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
+lezen.
+
+Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
+dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
+daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
+in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
+zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.
+
+Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
+zei. De stoomboot, die hem naar Afrika zou brengen, zou den avond van
+den volgenden dag vertrekken.
+
+Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
+doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
+vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
+niet laten. En niemand dan Nino had ze meê willen hebben.
+
+Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
+in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
+zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
+zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
+lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
+band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
+schoten.
+
+Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
+den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om één uur samen
+koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
+snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
+bank bij de „villa” en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
+laat het was.
+
+Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
+van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
+te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo wonderlijk voor
+zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze _zijn_ lijk voor zich zag.
+Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
+ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
+en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
+verscheurden.
+
+Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
+Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
+wel weren tegen de barbaren.
+
+Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
+lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
+blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
+rood als bloed!
+
+Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
+Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
+zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
+zou, den heelen dag niet.
+
+„Neen, zeker niet, Teresa.”
+
+En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
+naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
+haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
+dan de andere.
+
+Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
+liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze meer van hem hield, dan ze zelf
+wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
+hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
+kwaads zou overkomen.
+
+Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
+daar aten zij met hun drieën.
+
+In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
+in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
+zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
+veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
+zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
+zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
+en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
+gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
+onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
+vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
+bepaald bij zich houden.
+
+Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
+zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
+of blind te maken.
+
+Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
+moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
+vroeg hem schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
+Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
+hoefde?
+
+Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.
+
+Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
+niet.
+
+Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
+kunnen trouwen?
+
+De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
+daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.
+
+Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
+ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
+reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
+voorwendsel vinden om te kunnen blijven?
+
+„Teresa,” zei hij, „dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.”
+
+„Eerloos,” zei ze vleiend, „hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
+niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je zóó liefheb, dat ik je
+niet kan laten gaan.”
+
+De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
+dan een plotselingen inval te zien.
+
+Toen begon ze over wat anders.
+
+Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
+schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.
+
+Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
+de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
+het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
+uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
+was.
+
+Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
+van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
+gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
+hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
+het niet waar was.
+
+Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
+verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
+in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
+Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
+officieren.
+
+„Ach Teresa,” zei hij, „wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
+Romeinsche?”
+
+Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
+toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
+moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
+zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
+voor zich! Dood en verscheurd!
+
+Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
+haar wanhoop. Ze wierp zich voor hem op de knieën, schreide, smeekte,
+bad.
+
+Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
+Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
+horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
+tijd om was en heengaan.
+
+„Wat zou je nu willen, dat ik deed?” zei de luitenant. „Ik kan niet
+anders dan heengaan.”
+
+„Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
+slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
+hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.”
+
+„Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.”
+
+„Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
+gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
+wij het hunne hebben?”
+
+„Teresa,” zei luitenant Ugo. „Neem nu moedig afscheid van me, zooals
+laatst in Rome. Nu moet ik weg.”
+
+„_Moet_ je?”
+
+„Ja.”
+
+„Ga dan maar.”
+
+„Teresa.”
+
+„Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
+me.”
+
+Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
+aan. Hij streek haar over het blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
+Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
+werkelijk heen.
+
+Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
+toevertrouwde.
+
+Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
+stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
+booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
+duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.
+
+Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
+afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
+boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
+en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
+hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Italië's zonen naar dat
+vervloekte barbarenland konden voeren.
+
+De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
+wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!--Uit de menigte
+van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
+bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
+van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.
+
+Teresa scheen op zooiets te hopen. „Zij zullen het niet toelaten, Nino,”
+zei ze. „Al die mannen zullen niet toelaten, dat hun zonen worden
+weggevoerd en door de barbaren geslacht.”
+
+Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
+menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
+om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
+zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
+dirigeeren.
+
+Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
+hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
+haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
+stappen.
+
+Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
+hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
+omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.
+
+Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
+trok haar midden tusschen de menschen.
+
+„Blijf hier stil staan.”
+
+Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. „Nu zal hij niet op reis
+gaan, Nino,” zei ze.
+
+Nino greep haar bij den pols. „Zwijg,” zei hij en hield haar zoo vast,
+dat het pijn deed.
+
+„De politie mag anders gerust....”
+
+Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.
+
+'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
+hield zich hardnekkig midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
+vluchten.
+
+„Goed zoo,” fluisterde een Napolitaner hem toe.
+
+„Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
+Napolitaner zal jelui verraden.”
+
+Op eens begon Teresa te snikken.
+
+„Schei uit,” zei Nino, „dat moog je niet doen.”
+
+En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino
+wilde. Hij had de macht in handen.
+
+Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.
+
+De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en
+Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: „Waarheen is ze gevlucht?
+Heeft iemand haar gezien?”
+
+'t Was een lange signora!--neen een kleine?--had men haar gezien,--neen,
+daar;--ze was naar 't station gevlucht;--neen, naar Santa Lucia.--En de
+politieagenten verspreidden zich rechts en links.
+
+Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig
+naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou
+aangeven.
+
+Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard
+had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.
+
+De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van
+hem aan Teresa.
+
+Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles door Nino laten
+leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.
+
+„Lees dien, Nino,” vroeg ze.
+
+Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.
+
+„Heb je hem uit, Nino?” vroeg ze.
+
+Nino antwoordde: „Ja,” met een angst in zijn stem als had hij haar
+doodvonnis in handen.
+
+„Laat me dan hooren,” zei ze en richtte zich op.
+
+En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. „Al mijn
+liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!” schreef hij.
+
+Ze trok verachtelijk de schouders op.
+
+„Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?” vroeg ze.
+
+„Ach Teresa,” schreef luitenant Ugo, „je waart voor mij de trots van het
+vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,
+je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je
+zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te
+veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude
+Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden
+geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te
+beletten zijn plicht te doen.”
+
+Teresa legde haar hand op die van Nino. „Ik wil niet meer hooren,” zei
+ze.
+
+Nino zweeg.
+
+„Als ik dat niet gedaan had, Nino,” zei ze, „zou hij nu dood zijn. Ik
+begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.
+Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu
+laten gaan!”
+
+„Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?” vroeg ze. „Ben ik ontaard? Heb ik
+geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?”
+
+Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi
+en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad
+en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,
+hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven
+lang;--zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,
+dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de
+heerschappij hernemen.
+
+„Zeg me Nino,” vroeg ze, „waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde
+dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?”
+
+Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe
+weinig het nieuwe Italië op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor
+alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf
+geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen
+Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.
+
+
+
+
+DE OUDE AGNETA.
+
+
+Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze
+was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet
+hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't
+Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.
+
+Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.
+Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn
+ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal
+voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren
+overleden.
+
+Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij
+was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.
+De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig
+konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich
+herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der
+onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop
+boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die
+zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den
+ijskouden bergwind werden voortgejaagd.
+
+Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat
+haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar
+rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij
+woonde daar zoo heel alleen!
+
+Bij dat woord „alleen” namen haar gedachten een noch somberder tint aan.
+Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.
+Zij voelde hoe hard het was, zóó ver van de menschen te zijn.
+
+„Oude Agneta,” zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in
+haar eenzaamheid, „je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je
+moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te
+sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand
+in de wereld, oude Agneta?
+
+Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo
+zijn.--Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand
+plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat
+houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen
+opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude Agneta.
+Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water
+kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.”
+
+Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar
+garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd
+eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden
+doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den
+predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien
+zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. „Ik ben
+als een doode,” zei ze. „Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed
+sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn
+hart is bevroren--dat is het!
+
+Ach ja, ach ja,” zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, „als er
+maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de
+oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken
+breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,” zei ze en
+balde de vuist tegen den hemel, „je moet me iemand geven, die me noodig
+heeft! of anders wil ik sterven.”
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het
+bergpad tegemoet. Hij ging met haar meê, omdat hij zag, dat ze bedroefd
+was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in
+haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den gletscher zou
+worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.
+
+„Dat kan God wel doen,” zei de monnik.
+
+„Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?” zei de oude
+Agneta. „Hier is immers niets dan de koude, kale velden.”
+
+Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,
+bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met
+kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven
+hun hoofden, zóó steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag
+de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.
+
+„Ach!” zei hij, „woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je
+gezelschap genoeg. Zie maar!” De monnik legde den wijsvinger tegen den
+pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar
+tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta
+beefde en sloot de oogen.
+
+„Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,” zei ze. „De
+hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.”
+
+„Nu--goedendag dan,” zei de monnik. „Het zal je niet meer aangeboden
+worden zoo iets te zien.”
+
+De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het
+sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich
+daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits bewegen. Wat
+zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs
+gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.
+
+Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't
+in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in
+eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,
+maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!
+Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen
+fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten
+over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot
+bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude
+sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat
+warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,
+verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof
+de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten
+hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen
+stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,
+want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun
+bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar
+dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze
+werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen
+eind aan de ellende, geen rustplaats voor de gewonde voeten, die over
+het ijs snelden,--dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat
+rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en
+zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare
+kou.
+
+Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd
+in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al
+hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,
+als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken
+schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door
+te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als
+groote ijspegels aan de rotsen hingen.
+
+Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de
+leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar
+verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op
+de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat
+lichte sneeuwvlokken op, anders niet.
+
+Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:
+
+„Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?”
+
+Hij antwoordde: „Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid
+te bewijzen of te troosten?”
+
+Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en
+zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij
+die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de
+gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.
+
+Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was
+opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.
+
+„De dooden,” zei ze tot zich zelf, „vragen niet naar roode wangen en
+lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat
+warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja--maar
+hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude
+van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?”
+
+Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en
+bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te
+betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen
+den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar
+moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer
+zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had
+voorgenomen.
+
+Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste
+stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't
+venster zette ze twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze
+wijd open en toen begaf zij zich te bed.
+
+Ze lag in het donker te luisteren.
+
+Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den
+gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet
+binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude
+Agneta kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de groote kamer
+in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel! Vleesch en
+bloed kon dit niet verdragen.
+
+Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van
+pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs
+op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.
+
+Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. „Je bent laf,
+oude ziel,” zei ze. „'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat
+alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?”
+
+En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met
+klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam
+toch in de kamer en de deur kreeg ze open.
+
+Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden
+komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook zóó verschrikt
+had, dat ze niet meer durfden te komen.
+
+Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge dagen gedaan had, als
+ze met de kudde uitging.
+
+„Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden
+uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?”
+
+Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze
+hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek
+en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk
+waarschuwde: „Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet
+verschrikt.”
+
+Ze had een gevoel, alsof de groote kamer zóó propvol was, dat men zich
+tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof
+zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te
+krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: „Sst! sst! maak
+haar niet verschrikt.”
+
+Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen
+en sliep in.
+
+Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was
+nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen
+ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar.
+
+ * * * * *
+
+Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de
+dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur
+kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig
+had.
+
+Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk
+zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat
+noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om
+het te begraven.
+
+Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort
+voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag
+men geen droefheid op iemands gezicht.
+
+Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een
+lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den
+met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,
+dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar
+dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als
+van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode
+kaarsen gebrand had voor de onzaligen.
+
+Toen zeiden de menschen bij het graf: „Geloofd zij God. Zij, die door
+niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden
+daar boven in de groote eenzaamheid.”
+
+
+
+
+DE RING VAN DEN VISSCHER.
+
+
+Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Venetië een
+oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was
+nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken
+opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer
+trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo
+lief.
+
+Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg
+gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en
+kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en
+verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom
+ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden
+te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun
+geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.
+
+„Denk er aan,” zei hij tot hen, „dat Venetië nooit door eigen kracht zou
+zijn staande gebleven. Zie nu eens--is het niet op de golven gebouwd?
+Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer
+wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten
+en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een
+storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?
+En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle
+christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd
+tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens
+houdt, die Venetië zwevend houden boven de diepte der zeeën.”
+
+En 's avonds als het maanlicht, dat over Venetië scheen, blauwgroen
+was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;--als de
+gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter
+werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan
+herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor
+hun leven en hun geluk.
+
+Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een
+visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en
+goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven
+scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en
+'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,
+waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun
+te vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles
+zou vergaan, als maar een enkele Venetiër ondankbaar genoeg zou zijn hem
+niet meer te vereeren en te aanbidden.
+
+Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote
+visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,
+hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te
+blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.
+
+Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar
+de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen
+zij al de eilanden, die als gespen Venetië met de zee verbinden, uit den
+morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-
+en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het
+eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige
+Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido
+heen was de groote, onbegrensde zee.
+
+Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot
+en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog
+altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de
+eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een
+goede boot en waren goed thuis op zee.
+
+Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat
+de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,
+dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,
+maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.
+
+De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de
+golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een
+groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen
+overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't
+zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna
+kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het
+scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.
+Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn
+met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de
+plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.
+
+'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de
+mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.
+Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide
+zonen en nog drie anderen waren omgekomen.
+
+Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen
+naar de Rialtobrug gegaan om naar den vischhandel te zien. Hij liep
+tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als
+een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar
+oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn
+aan.
+
+Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op
+zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,
+dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn
+haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het
+groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze
+altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.
+
+Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder
+er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang
+gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de
+keel.
+
+„Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,” schreeuwde hij hem toe,
+„mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!”
+
+De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn
+verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.
+Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en
+stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.
+
+Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de
+harde steenen, en zei telkens: „Dat is San Marco, San Marco.”
+
+„Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,” zeiden ze tot hem.
+
+„Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,” zei Cecco, „buiten
+Lido en Malamocco, dáár wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San
+Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor
+geweest. Ja,” ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om
+hem te kalmeeren, „zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij
+Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat
+men hem uitlacht.”
+
+Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp
+zocht. „Luister eens, Beppo van Malamocco,” zei hij en strekte de hand
+uit naar een grooten visscher, „geloof jij niet, dat het San Marco was?”
+
+„Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.”
+
+„Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens--mijn
+jongens en ik, toen ze nog kindren waren,--daar buiten op zee, en om den
+tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Venetië kwam. „San
+Marco, de evangelist,” zei ik tegen hen, „lag eerst begraven in een
+mooie domkerk in Alexandrië, in Egypte. Maar de stad viel in handen van
+de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis
+in Alexandrië zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om
+dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden
+met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandrië. Toen de
+bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het
+bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde
+priesters: „Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar
+door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het
+eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de
+eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.” Toen gaven de
+priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in
+Alexandrië de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander
+heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't
+niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den
+bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat
+de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de
+deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de
+twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar Venetië.” Je weet
+immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?”
+
+„Ja zeker, Cecco.”
+
+„Ja, maar nu moet je hooren,”--en Cecco richtte zich half op en sprak
+met doffe stem in zijn angst. „Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik
+vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen de
+jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen
+lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en
+Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden zóó, dat
+je 't ver over zee kon hooren.”
+
+„Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!”
+
+„Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op
+dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dáár moesten
+sterven?”
+
+Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot
+verdriet bracht hem in de war. Zóó was San Marco niet. 't Was immers
+natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee
+gebeurt en niet in de haven.
+
+En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men
+had ze hooren roepen: „Evviva San Marco!”--even hard als ieder ander.
+En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn
+toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.
+
+„Maar jij, Cecco,” zeiden ze, „jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo
+over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten
+en hem niet tegen de Venetiërs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?”
+
+Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. „Jelui gelooft het dus
+niet,” zei hij.
+
+„Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.”
+
+'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.
+
+„Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,” zei hij. Hij stond op
+en ging naar de deur. „'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?” zei hij.
+„Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik
+wil het niet gelooven.” Hij ging heen en in de straat voor zijn deur
+ontmoette hij een buurvrouw.
+
+„Nu lezen ze een zielmis in den dom,” zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze
+was bang voor hem, zóó zag hij er uit.
+
+Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli
+Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren
+naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen
+storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk
+weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.
+
+Hij maakte de boot vast en ging over de Piazzetta en de markt in de Kerk
+van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knieën lagen te
+bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetiërs veel erger
+dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben geen
+wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee. Daarom
+haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden, zoodra
+de zee een van allen aanviel.
+
+Cecco viel niet op de knieën, maar bleef staan. Hij herinnerde zich
+hoe hij hierheen gekomen was met zijn zoontjes en hen had leeren bidden
+tot San Marco. „Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten
+van Byzantië voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in
+het oosten,” had hij tot hen gezegd. „En tot dank daarvoor hebben de
+Venetiërs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en
+nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het
+een geschenk voor die kerk meêbrengt.”
+
+Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd
+en het vergulde met mozaïek bedekte dak. En hij had er met hen over
+gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht
+voor zijn beschermheilige bouwde.
+
+Cecco viel plotseling op de knieën en begon het eene paternoster na het
+andere te bidden.
+
+Het kwam weer terug--hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde
+geen kwaad van San Marco gelooven.
+
+Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En
+dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk
+veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar
+ze als voor de grap had laten omkomen.
+
+Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij
+wilde hem niet loslaten.
+
+En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld
+met schatten als uit het wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang
+den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,
+zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.
+
+'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.
+Ach! 't was toch ellendig voor de Venetiërs, niets beters te hebben om
+op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen
+kon nemen!--een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een
+valwind!
+
+Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen
+uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.
+
+Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van
+gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.
+
+Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.
+
+Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.
+Verlangde San Marco gaven van _hem!_ Meende hij, dat hij die verdiend
+had?
+
+Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel
+droeg en wierp die zóó hard in de schaal, dat men den klank in de
+geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en
+wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door
+ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over
+hem gekregen.
+
+Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst was het hem een
+groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had
+hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.
+„Neem dit dan ook maar,” zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk
+naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de
+woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.
+Zoo had San Marco ook gedaan.
+
+Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te
+hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat
+gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco
+was een stumper, even laf als wraakzuchtig.
+
+Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,
+omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof
+hem die in alle vroomheid gegeven was.
+
+Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten
+haastig voorbij. „Het stijgt, het stijgt angstwekkend,” zei de een.
+
+„Wat?” vroeg Cecco.
+
+„Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een
+voet gestegen.”
+
+Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas
+op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de
+Piazzetta was opgespat.
+
+Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg en hij haastte zich
+naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,
+alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede
+golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.
+Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de
+kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten
+worden. De hemel was effen grijs als de zee.
+
+Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou
+kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen
+zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel
+eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand
+zitten en wachtte.
+
+Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en
+groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die
+slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad.
+
+Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den
+kant van Lido.
+
+O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien
+hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,
+en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de
+witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die
+elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim
+als damp wordt voortgezweept.
+
+De wind was nu zóó sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen
+niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen
+werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,
+om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te
+worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,
+klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in
+de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.
+
+Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar
+gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze
+bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de
+booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine
+kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met
+het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het
+land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing
+te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al
+het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam
+een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,
+die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te
+zijn eer de storm al te geweldig zou worden.
+
+Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen
+en werkten, als wilden zij den dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat
+dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun
+inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.
+
+Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor
+een gewoon mensch om rekening meê te houden. De stapjes werden door de
+golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend
+naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,
+zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot
+vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en
+fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,
+dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg
+weer in flarden neer.
+
+Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen
+speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad
+doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot
+onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.
+
+Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.
+Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan
+land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend
+neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land
+gegooid. 't Regende dakpannen in het kanaal. De wind sloeg met deuren
+en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak
+er de sierlijke bogen van.
+
+Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.
+Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij
+te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,
+dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij
+had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.
+
+„Een storm!” zei hij in zichzelf, „is dit nu een storm? En nu meent men
+misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar
+San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.”
+
+Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Venetië af, tot de
+stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den
+Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor
+de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen
+fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware
+brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.
+
+Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge
+Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de
+menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?
+
+Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was
+nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan
+de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun
+woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te
+rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.
+
+De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen
+hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken
+aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen
+bestormen.
+
+Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,
+die over zijn hoofd heengleden.
+
+„Nu is het spoedig uit met Venetië,” zei een stem in de eene wolk,
+„straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.”
+
+„Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,” klonk het uit de andere
+wolk.
+
+„San Marco is door een Venetiër op het voorhoofd geslagen, zoodat hij
+machteloos neerligt en niemand helpen kan,” zei de eerste stem weer.
+
+Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van
+dat oogenblik af lag hij op de knieën en bad San Marco om genade en
+vergiffenis.
+
+Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de
+eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetiër had San Marco gehoond en
+daarom zou Venetië door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden
+meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken
+uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde
+signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze
+moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar
+Venetië kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren
+weggeslagen.
+
+Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te
+luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna
+van het lijf gerukt werden.
+
+De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te
+gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen
+optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de
+kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.
+Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof
+hij niets beters wist om meê te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,
+blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie
+gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.
+
+Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den
+gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.
+
+Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar zijn boot. Den
+geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid
+en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag
+hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van
+zijn gebeden het lot van de stad afhing.
+
+Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele
+kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke
+schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten
+op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook
+op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.
+
+De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den
+avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,
+hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te
+blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,
+die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er
+reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.
+Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de
+instortende huizen in 't water verdwenen.
+
+Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.
+
+„Wat geef ik om mijn zonen, als het Venetië geldt. Ik zou een zoon geven
+voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon
+vasthouden. O San Marco, zelfs de kleinste steen van Venetië is zooveel
+waard als een bloeiende zoon.”
+
+Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt
+was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende
+strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven
+zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot
+volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het
+schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de
+barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En
+al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het
+schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood
+tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.
+
+Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de
+hemelpoort; „Laat mij alleen lijden,” sprak hij. „San Marco, dit is meer
+dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen meê te slepen in het
+ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.
+Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.”
+
+Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het
+scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de
+granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De
+oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Venetië.
+
+Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De
+demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde
+dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel
+om hen. Het ergste was de angst voor Venetië. Daar hoorde hij sterke
+vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar
+kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich
+wat in de lucht. Hij zag het--en zag het niet. Toen was het alsof het
+neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de
+plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar
+hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Venetië maar gered
+werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.
+
+Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij
+ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de
+groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.
+
+De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en
+zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en
+bleef zitten.
+
+Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast
+hem.
+
+„Goeden avond, Cecco,” zei de vreemde, „neem uw boot en zet mij over
+naar San Giorgio Maggiore.”
+
+„Ja, dadelijk Heer!” antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een
+droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien
+hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet
+had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende
+en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met
+den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar
+San Giorgio betrof--hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.
+„Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,” dacht hij. Maar de
+man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om
+hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp
+den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.
+
+Cecco moest om zich zelf lachen: „Waar denk je aan? Steek ten minste
+niet in zee!” zei hij. „Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,
+dat geen mensch daar tegen op kan.”
+
+Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het
+onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een
+zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San
+Giorgio Maggiore te roeien.
+
+'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. „Ach!
+scheld dien kerel uit,” zei Cecco halfluid tegen zichzelf. „Scheld hem
+uit. Wat doet hij op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een
+verstandige, oude visscher! Roep hem terug.”
+
+Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.
+Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als
+hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter
+naar San Giorgio voort.
+
+„Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,” zei hij.
+„Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een
+heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.”
+
+Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet
+over zijn meêgaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen
+alles te doen wat de man in de boot verlangde. „Roei ten minste niet
+naar San Giorgio, dwaas,” zei hij. „Daar slaat de wind nog feller op dan
+op Rialto.”
+
+Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde
+aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de
+boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou
+liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.
+
+Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.
+Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.
+
+„Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,” sprak de vreemdeling.
+
+„Ach ja,” dacht Cecco, „waarom niet naar Lido,” 't was al
+levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij
+de tocht naar Lido niet wagen?
+
+En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in
+den dood en zette werkelijk koers naar Lido.
+
+Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet
+hoe hij dat uithouden moest. „Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,”
+zei hij verwijtend tot zichzelf.
+
+Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde
+noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,
+dat hij vooruit komen kon. „Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,”
+zei hij tot zichzelf.
+
+Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze
+gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden
+bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den
+mijter op het hoofd.
+
+„Roei ons nu naar de open zee,” zei de eerste vreemdeling.
+
+De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen
+vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij
+dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van
+naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij daarheen roeide,
+voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.
+De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede
+waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het
+donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door
+de storm opgezweepte zee lag voor hen.
+
+'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij dacht er aan, dat hier
+in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of
+hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide
+hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.
+
+Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de
+knieën, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam
+recht op hen aan.
+
+Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de
+wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de
+vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat
+ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van
+demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen
+geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den
+storm.
+
+Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan
+te zien komen en Cecco sloot de oogen.
+
+Op dat oogenblik moeten de drie mannen de botsing afgeweerd hebben, want
+de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het schip
+op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.
+
+Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat
+hij nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
+voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
+rustig.
+
+„Breng ons nu terug naar Venetië,” zei de vreemdeling tot den visscher.
+
+Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging,
+en toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
+indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.
+
+Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
+den visscher: „Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
+zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
+en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Venetië
+wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.”
+
+„Ja, Heer,” zei de visscher, „ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
+zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.”
+
+Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
+edelsteen.
+
+„Laat den doge dien zien,” zei hij. „Dan begrijpt hij, dat ik u
+gezonden heb. Hij kent mijn ring.”
+
+De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.
+
+„En verder moet ge den doge zeggen,” zei de heilige, „dat ik dezen ring
+geef als een onderpand, dat ik Venetië nooit zal verlaten. Zelfs als de
+laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Venetië
+bewaren. Zelfs al verloor Venetië de eilanden in 't oosten en de
+heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
+zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
+zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
+altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
+zal u op uw ouden dag niet verlaten.”
+
+Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
+zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
+rozigen glans over Venetië en de veelkleurige zee. Rood straalden
+de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
+versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
+Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.
+
+Weer was Venetië de schoone godin, die op de golven troont in de
+rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
+haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
+een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze was als in een roes van
+geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
+de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
+uitstrekken.
+
+
+
+
+SANTA CATHARINA VAN SIËNA.
+
+
+Het is in het oude huis van Santa Catharina in Siëna, op een dag in het
+eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
+oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
+vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
+daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
+geuren wierook en viooltjes.
+
+En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
+Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
+ingaan, haar gezien en gekend hebben.
+
+Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
+meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
+dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
+getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.
+
+Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
+feestelijk versierd. En aan haar eigen huis hangen bloemenguirlandes
+onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
+den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.
+
+En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
+geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
+ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
+kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperieën en rood
+zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
+vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
+gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
+met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?
+
+En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
+kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
+die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
+waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
+elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
+toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
+zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
+stijl!--Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
+om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
+zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
+als ze des nachts naar de zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
+alsof ze zeggen willen: „Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
+Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.”
+
+En zij kussen haar portret en nemen een bloem meê uit de bouquetten, als
+een herinnering aan haar.
+
+Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
+scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
+herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
+aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
+trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
+afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
+niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
+om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
+dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
+slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
+dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
+bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
+een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knieën lag en
+bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
+hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
+duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
+van de Madonna geslopen was om zich recht te verheugen over de geboorte
+van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
+en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
+houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.
+
+Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
+is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.
+
+In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
+vergeten. Alle armen van Siëna komen daar aan de poort kloppen, want
+ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
+hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
+zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
+ze nog thuis was.
+
+Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar zóó, dat men haast
+niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.
+
+In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
+wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
+liederen tot haar op. „Heilige Catharina,” zeggen de menschen, „bid voor
+ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.
+
+Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
+Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
+door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!
+
+Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
+die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
+dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
+hemels, bid voor ons.”
+
+ * * * * *
+
+Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
+schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
+leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
+of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
+ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
+duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
+herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
+eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
+huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
+mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
+helder voor onzen geest.
+
+Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Siëna
+kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Siëna bestuurd werd
+en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
+zat te drinken, dat Siëna moest opstaan tegen de Signoria en zich een
+ander bestuur veroveren.
+
+De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
+geweest. Zij waren nog niet heel zeker van hun macht en het beviel hun
+niet, dat de Perugiër het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
+te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
+ter dood veroordeeld.
+
+Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
+voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
+hebben, in orde gemaakt werd.
+
+Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
+zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
+hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
+de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
+smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
+eerst gisteren gekocht en nog maar ééns beproefd had.
+
+Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
+de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
+er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
+missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
+geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
+moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.
+
+Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
+aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
+Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.
+
+Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans,
+van karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
+Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
+hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
+wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
+Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
+miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
+hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
+verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
+sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
+troost geweest zijn.
+
+Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
+markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
+zouden halen en de kindren op straat loopen--en hij het niet zou
+zien--dát kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
+'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
+evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen _leven_!
+
+Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
+om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
+liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
+zouden zeggen tegen iemand, die zóó verongelijkt was als hij. Maar toen
+ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
+jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over
+hen losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze
+niet noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en
+de lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
+genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
+weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
+Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
+hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
+gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
+binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
+weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
+hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.
+
+Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
+jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
+onbuigzame zielen te bezitten.
+
+Toen de Perugiër dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
+woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
+met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. „Zend mij de jonkvrouw,”
+zei hij.
+
+Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer was en alleen in
+straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
+krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
+beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
+brachten.
+
+Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
+ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
+al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
+vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
+om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
+Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
+sneden.
+
+Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
+raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
+witte dominikanerkleeding met hoofd en hals zóó dicht in een witten
+sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
+bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.
+
+Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
+verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
+gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
+alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
+anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
+moest zij ze met de tanden los trekken, en toen ging het. Ze ontknoopte
+het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
+dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
+afgeschaafde vel.
+
+Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
+gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze meê bezig was. Het
+was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
+dood moest voorbereiden.
+
+Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
+haar nabijheid, dat hij alleen zeide:
+
+„Ik geloof, dat ik zou willen slapen.”
+
+„Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,” zei ze.
+
+Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
+grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. „Hebt ge het nu beter?”
+vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.
+
+Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
+dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
+gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
+keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
+storen.
+
+„Ge slaapt niet, Nicola Tungo,” zei ze en zag er onrustig uit.
+
+„Ik kan niet slapen.” antwoordde hij, „want ik lig er aldoor over te
+denken, wie ge toch zijt.”
+
+„Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw,
+Lapa,” zei ze. „Ons huis ligt beneden in het dal onder het
+dominicanerklooster.”
+
+„Dat weet ik,” zei hij, „en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
+dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
+afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.”
+
+Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
+zijn eerste liefde bekent:
+
+„Ik ben de bruid van Christus.”
+
+Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
+hart, als van jaloezie. „Ach! Christus!” zei hij, alsof hij hoorde van
+een mésaillance.
+
+Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
+alsof hij meende, dat zij vermetel was.
+
+„Ik begrijp het zelf niet,” sprak ze, „maar het is zoo.”
+
+„Dat is inbeelding of een droom,” zei hij.
+
+Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
+schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
+opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
+haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.
+
+„Hoe kan ik dat nu gelooven?” zei hij koppig.
+
+„Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?” vroeg
+zij luid. „Is het dan een genot voor een jong meisje als ik, bij u en
+andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
+velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
+en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
+gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
+voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
+de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
+hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!”
+
+„Ach, stakker,” zei hij, en streelde zacht haar hand. „Stakker!”
+
+„Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,” zei
+ze. „Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
+meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
+te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.”
+
+Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. „Ge kunt u
+toch wel vergissen,” zei hij. „Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
+Christus kunt noemen?”
+
+Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
+moest scheuren, toen zij antwoordde:
+
+„Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
+jaar. Toen liep ik een avond met mijn broer over 't veld, beneden de
+kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
+ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
+heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
+Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
+en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
+terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
+een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
+hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
+geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.--Sedert dien
+tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.”
+
+Hij bracht er weer tegen in: „Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
+veld geslapen en gedroomd.”
+
+„Gedroomd?” herhaalde ze, „zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
+gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
+de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
+klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
+hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
+trouwen wilde?”
+
+Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
+zij liefde voor een ander in haar hart droeg.
+
+„Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
+liefheeft,” vroeg hij.
+
+Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
+als een kind. „Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,” zeide zij. „Nu
+zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
+Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
+gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
+te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
+zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
+maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
+muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
+en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
+flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
+het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
+wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
+deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
+daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
+iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
+hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen zóó
+hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
+meê zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
+maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
+'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
+me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
+lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
+vastgebonden. Maar nooit te voren had ik zóó innig tot Christus gebeden,
+dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
+gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
+een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
+schoot zat het kind Jezus met leliën te spelen. Maar ik spoedde mij
+voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knieën en was
+plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
+heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: „Weet dan,
+Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
+door het sterkste geloof verbind.””
+
+„O, Catharina!”
+
+De jonge Perugiër had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
+gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
+kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
+oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.
+
+Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
+jonge maagd, schoon en rein als geen andere, kon hij nooit winnen. Haar
+liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
+of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
+heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
+het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
+was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.
+
+Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
+gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
+„Ik vergeet met u over uw ziel te spreken”.
+
+Toen dacht hij: „Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.”
+
+En hij sprak: „Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
+over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
+Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
+biechten. Maar één ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
+morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
+nemen, zooals ge nu doet.”
+
+Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde zóó groot, dat ze begon te
+schreien: „Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,” sprak ze. „Ge zult vóór
+mij in het Paradijs zijn.” En ze streek hem zacht over het haar.
+
+Toen zei hij weer: „Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
+wordt ik anders bang. Misschien kan ik anders niet met waardigheid
+sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
+angst zal van mij wijken.”
+
+„Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,” zei ze, „maar als een
+hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
+omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
+spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
+zeker komen zal en u zien sterven.”
+
+Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als
+een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven
+was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien
+zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het
+sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,
+omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.
+
+Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was
+zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij
+riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina
+van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden
+redden. Onophoudelijk zei ze: „Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil
+het, ik wil het.” Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden
+zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over
+haar gekomen was. Zij voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,
+die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.
+
+De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen
+aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een
+verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar
+alsof ze alleen was.
+
+En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor
+alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik
+reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,
+helderde het zijne op en hij was bijna blij.
+
+Hij riep haar luid toe: „Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.”
+
+„Neen,” zei ze, „ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik
+wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.”
+
+Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knieën er voor, om zijn
+hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.
+
+„Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.”
+
+Ze snikte steeds meer. „Ik kan u zoo slecht troosten,” sprak ze.
+
+Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. „Uw tranen zijn voor mij
+de beste troost.”
+
+De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze
+nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.
+
+„Voor ge hier kwaamt,” zei ze, „heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om
+te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik
+nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit
+oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,
+en mijn gebeden hebben geen kracht.”
+
+Toen zij dat zei, dacht hij: „Als ik leven bleef zou ik haar toch kunnen
+winnen.” En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de stralende
+hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het hoofd in
+haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen beiden.
+
+„Nicola Tungo,” zei ze. „Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om
+uw ziel te ontvangen.”
+
+Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil
+den hemel waard zijn?--Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag--op
+dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager
+neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel
+voerden.
+
+ * * * * *
+
+Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar
+geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,
+liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest
+liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen
+doet.
+
+
+
+
+DE ZEVEN DOODZONDEN.
+
+
+De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich
+daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat
+niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den
+biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.
+
+„Eerwaarde Vader,” zei de Booze, „ik ben een landman. Ik sta met de
+zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag
+buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn
+vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de
+eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang
+ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al
+wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij
+nu absolutie geven?”
+
+„Mijn zoon,” zei de monnik. „Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit
+gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst
+vertellen, wat kort geleden hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw
+hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch
+zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme
+zondaars waren in vergelijking met u.”
+
+„Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,” zei de man.
+
+„God beware mij voor zulk een groote zonde,” antwoordde de monnik, „als
+ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.”
+
+En hij vertelde:
+
+„De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant
+van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te
+huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het
+meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar
+trouw beloofd.
+
+Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem
+hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. „Daarom
+zeg ik u duizend keer vaarwel,” schreef zij hem, „en smeek u, uzelf geen
+kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.”
+
+Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem
+in stilte.
+
+Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere
+tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:--de smart zette zich vast op
+haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om
+haar.
+
+De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.
+Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de
+kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: „Lieve, ik
+heb verkeerd jegens u gehandeld.” En hoewel hij trotsch was, viel hij op
+de knieën voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en
+haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met
+zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te
+voeren, als hij van de bruiloft geweten had.
+
+Zij zei alleen: „Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat
+een ellende u over ons gebracht hebt.”
+
+En toen ging ze naar het balkon.
+
+Daar kwam haar bruidegom bij haar.
+
+„Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?”
+vroeg hij.
+
+Toen antwoordde de bruid; „Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem
+nooit te verlaten.”
+
+Maar hij sprak: „Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.
+Ik heb je zóó lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan
+maken, als ik doen zal.”
+
+„Dat denken alle menschen, die liefhebben,” antwoordde zij.
+
+„Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te
+nemen,” zei hij, „en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.”
+
+Toen vatte de bruid moed en dacht: „Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,
+dat God zijn hart beweegt.”
+
+En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar
+gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op
+diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. „Dus vandaag sterft mijn
+geliefde,” zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als
+een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.
+
+„Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!”
+
+Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,
+hoewel hij dacht: „Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,
+dan zie ik haar nooit weer,”--zichzelf overwon en sprak: „Ge moogt doen
+zooals ge wilt.”
+
+Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en
+kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel
+stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer
+hongerig na den langen rit en de lange mis.
+
+„Lieve vrienden,” zei de bruid tot hen, „ik moet u zeggen, dat ik met
+toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want
+hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik
+hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk
+gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want
+voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek
+u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,
+als ik het leven van mijn geliefde gered heb.”
+
+Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar
+dreigde en antwoordden: „Geenszins willen we eten en drinken, terwijl
+gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den
+maaltijd beginnen.”--En zij gingen van de tafel weg.
+
+Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen
+in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te
+zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was
+bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke
+gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur
+en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide
+hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met
+een grooten bezem te slaan.
+
+Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te
+laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.
+En hij riep uit: „Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.
+Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.” En hij bewaarde
+het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te
+zeggen.
+
+En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet
+en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de
+Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.
+
+Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de
+loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een
+gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en
+paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. „Dat is maar een
+zwakke vrouw--haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik
+naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden
+en een geacht en eerlijk man worden.”
+
+Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij
+zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:
+„Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone
+maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.” En hij
+eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd
+voortgaan.
+
+In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde
+door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had
+zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,
+nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo
+wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij
+geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar
+toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid
+door het dichte bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. „Hoe zal die
+vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug
+heeft stuk geslagen.”
+
+En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en
+droeg er haar op zijn schouders over.
+
+Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog
+zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen
+spijt van, want zij was zóó bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij
+waren iets voor haar te mogen opofferen.
+
+Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een
+der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen
+zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het
+zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.
+
+De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel
+toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde
+haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,
+maar luisterde er naar en deed open.
+
+Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot
+dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,
+beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde
+haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat
+oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.
+
+Hij sprak het eerst: „Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.”
+
+En zij antwoordde: „Hoe kan ik dat?”
+
+Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en
+sprak. „Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht
+aandoen.” En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het
+huis van haar vader.”
+
+Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met
+wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie
+hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was
+een wijs man en wist wel, dat niemand zóó vrij van zonde is, als deze
+man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,
+welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de
+vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de
+hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of
+hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust
+de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de
+deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij
+zelf het moeilijkst te betrachten vond.
+
+Maar de Booze was zóó verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van
+den monnik niet merkte. „In waarheid,” zei hij, „dat is niet gemakkelijk
+te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter offer
+bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij
+verdienen allen den grootsten lof.” En hij meende te antwoorden zooals
+de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.
+
+„Om Godswil,” riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, „zeg
+toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van
+allen veel waard vindt.”
+
+„Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,” antwoordde Satan. „Niets van al wat
+deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven
+het andere stellen.”
+
+Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende
+stem:
+
+„Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.”
+
+Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.
+
+„Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,” barstte de monnik uit,
+„en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.” Toen hij dit gezegd
+had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar het altaar. En hij
+begon de duivelbezwering te lezen:
+
+„Vade retro Satanas....”
+
+Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel
+uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van
+de kerk als een groote, zwarte vleermuis.
+
+En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet gemist had, maar door
+Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den
+monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen
+woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den
+visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo
+werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarmeê zonden
+aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.
+
+
+
+
+DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.
+
+
+De bisschop had pater Verneau ontboden.--Dat was een heel lastig en
+onaangenaam geval.
+
+Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in
+den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking
+aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en
+teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn
+aankomst in het „zwarte land” een brief gekregen had van een van de
+leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij
+stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te
+noemen,--direct of indirect--er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.
+„En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,” zei de pater,
+„twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging geven.”
+
+Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op
+hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,
+vuile monnik met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet
+anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.
+
+„Men heeft mij ook bericht,” zei de bisschop, „dat gij den wensch van de
+arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....”
+
+„Monseigneur,” viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. „Ik
+meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.”
+
+„Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....”
+
+„Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?”
+
+De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.
+
+„U kent hem natuurlijk!” zei hij.
+
+„Natuurlijk, Monseigneur.”
+
+„Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,
+woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.”
+
+De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.
+
+„Medeburgers en medeburgeressen,” begon hij, oogenblikkelijk in zijn
+voordrachtstoon vervallend.
+
+De bisschop sprong op.
+
+„Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.”
+
+„Dat doet er niet toe, pater Verneau,” zei de bisschop, „ga voort.” Een
+lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden
+hem op wonderbare wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze
+voor zich, de kinderen van „het zwarte land” tot wie pater Verneau
+gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste
+uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.
+
+„Medeburgers en medeburgeressen,” begon pater Verneau opnieuw. „Hier in
+het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en
+voortreffelijkste, die ooit België regeerde.
+
+Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun
+dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote
+keizerin Maria Theresia.
+
+Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,
+misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet
+haar goed graafschap West-Vlaandren.
+
+In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men
+nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,
+dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.
+Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in
+visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria
+Theresia is.
+
+Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben
+macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben
+niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te
+vergelijken is.
+
+Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is
+niet genoeg te waardeeren, medeburgers.
+
+Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,
+deed zij een reis naar België. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;
+ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote
+steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam
+ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.
+
+Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en
+te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,
+hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger
+over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,
+maar zij waren vervallen en ingestort.
+
+Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, zóó doorweekt, dat
+enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door
+den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,
+en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee
+omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid
+lagen.
+
+De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich
+vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de
+plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij
+liet er zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de
+zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en
+al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot
+binnen de duinen was doorgedrongen.
+
+En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit
+arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden
+te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te
+ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten
+de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de
+visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit
+vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij
+dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.
+
+De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in
+Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot
+Sluis om haar te zien. Maar vóór de mis ging de keizerin rond en sprak
+met het volk.
+
+De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.
+
+„Wat nieuws is er in uw stad?” vroeg de keizerin.
+
+„Niets,” antwoordde de havenmeester, „niets anders, dan dat Cornelis
+Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat
+hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn
+boot.”
+
+„Gelukkig, dat hij het leven redde,” zei de keizerin.
+
+„Dat is nog niet zeker,” zei de havenmeester, „want hij was krankzinnig,
+toen men hem aan land bracht.”
+
+„Was dat van schrik?” vroeg de keizerin.
+
+„Ja,” zei de havenmeester, „'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets
+hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn
+vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte
+maakte hem zeker krankzinnig.”
+
+„Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,” zei de
+keizerin, „is iets om op te vertrouwen.”
+
+„Ja, dat is het,” zei de havenmeester. „De zee is onzeker, de visscherij
+en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op
+rekenen kunnen.”
+
+De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.
+
+„Is er iets nieuws in Heyst?” vroeg zij hem.
+
+„Niets nieuws,” antwoordde hij, „alleen heeft Jacob van Ravestein
+opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,
+met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,
+waarmee hij begonnen was.”
+
+„Hoe komt dat?” zei de keizerin.
+
+„Hij heeft een erfenis gekregen,” zei de predikant, „en die vindt hij
+kleiner, dan hij verwachtte.”
+
+„Maar nu heeft hij toch iets vast,” zei de keizerin.
+
+„Ja zeker,” antwoordde de predikant, „maar nu hij het geld in handen
+heeft, durft hij geen groot werk meer aan, uit angst, dat het niet
+toereikend zal zijn.”
+
+„Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig
+heeft, om de menschen te helpen,” zei de keizerin.
+
+„Ja, zoo is het,” zei de predikant, „er is oneindig veel te doen en
+niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te
+steunen.”
+
+De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en
+vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.
+
+„Niets nieuws weet ik te vertellen,” zei de loods, „dan dat Jan van der
+Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.”
+
+„Werkelijk?”
+
+„Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa
+kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er
+van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die
+te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden
+hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.”
+
+„Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,” zei de
+keizerin.
+
+„Ja,” zei de loods, „dat was zeker beter geweest.”
+
+„Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,” zei de keizerin, „zou
+iets moeten zijn, dat zóó verborgen was, dat niemand het vinden kon.”
+
+„Juist,” zei de loods, „goed verborgen moest het zijn, want als iemand
+het vinden kon, zou er niets dan gekibbel en vijandschap van komen en
+'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.”
+
+De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar
+de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knieën en
+smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
+medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
+het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
+ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.
+
+Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
+Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.
+
+Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
+genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
+echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
+roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
+vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
+gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
+West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.
+
+Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.
+
+Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.
+
+Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot kalmte kon dwingen
+of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
+of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
+hen doen kon, zou ze doen.
+
+Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze zóó het
+kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
+over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
+medelijden.
+
+Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
+met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
+allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
+kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
+tranen in de oogen toen ze dat zei.
+
+Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
+spreken, voor de nood zóó hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
+verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
+laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
+ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
+zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.
+
+Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
+keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
+ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, en
+oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
+geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
+duinen.
+
+Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
+in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
+dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
+West-Vlaanderen regeert.
+
+Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
+van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
+menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
+hadden,--wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
+kan, dáár wanhoopt men niet.
+
+Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
+Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
+nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
+het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
+keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
+schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
+Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
+met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
+zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
+altijd vóór zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
+wanhopen voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.
+
+Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
+niemand het zóó nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
+weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
+bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
+nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
+zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
+bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
+zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
+bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
+die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
+waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
+heeft men gedacht: „Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
+genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
+het eigen geld was altijd voldoende.
+
+Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
+dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vóór
+allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
+aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
+later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
+weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
+bij die menschen kan geen twist of afgunst ontstaan, want het beste
+bezitten ze allen in gemeenschap.””
+
+De Bisschop viel pater Verneau in de rede.
+
+„Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?”
+
+„Ik zei hun,” sprak de monnik, „dat het een groot ongeluk was, dat de
+goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
+dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
+voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
+drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
+noodiger hadden.”
+
+„En....?” vroeg de bisschop.
+
+„Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
+preekstoel al af was. Anders niets.”
+
+„Ze hadden begrepen,” zei de Bisschop, „dat u van Gods voorzienigheid
+tot hen gesproken hadt.”
+
+De monnik boog.
+
+„Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
+hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
+zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
+compliment.”
+
+De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.
+
+De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.
+
+„Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.”
+
+„Of ze er aan gelooven!--Ja zeker, Monseigneur.”
+
+„En de schat? Was er ooit een schat?”
+
+„Met uw verlof, Monseigneur,--ik heb het gezworen.”
+
+„Nu ja,--maar voor mij...” zei de bisschop.
+
+„De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
+Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.”
+
+„En....?”
+
+„Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.”
+
+De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.
+
+„Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?”
+
+„Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
+voorstellingen zijn ijdel.”
+
+Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: Catharina van Siena 151 |
+ | C: Catharina van Siëna 151 |
+ | B: Zelfs was hij ook niet |
+ | C: Zelf was hij ook niet |
+ | B: kon lijden. |
+ | C: kon leiden. |
+ | B: en Moeder en ons beiden. |
+ | C: en Moeder en ons beiden.” |
+ | B: geboren werd. Ze wïl hem |
+ | C: geboren werd. Ze wil hem |
+ | B: midden tusschen de menschen |
+ | C: midden tusschen de menschen. |
+ | B: Agnete kon dit niet uithouden. |
+ | C: Agneta kon dit niet uithouden. |
+ | B: talk meer in den kandelaar, |
+ | C: talk meer in den kandelaar. |
+ | B: onbeschadigd naar Venetië. Je weet |
+ | C: onbeschadigd naar Venetië.” Je weet |
+ | B: ging over de Piazetta en de markt |
+ | C: ging over de Piazzetta en de markt |
+ | B: hagelbuien uitstortten over de stad, |
+ | C: hagelbuien uitstortten over de stad. |
+ | B: Giorgo Maggiore te roeien. |
+ | C: Giorgio Maggiore te roeien. |
+ | B: zacht snikte. Hij dach er aan, dat |
+ | C: zacht snikte. Hij dacht er aan, dat |
+ | B: de drie mannan de botsing afgeweerd |
+ | C: de drie mannen de botsing afgeweerd |
+ | B: het sterkste geloof verbind.” |
+ | C: het sterkste geloof verbind.”” |
+ | B: zei, dacht hij. „Als ik leven |
+ | C: zei, dacht hij: „Als ik leven |
+ | B: langen rit en de lange mis.” |
+ | C: langen rit en de lange mis.” |
+ | B: barstte de monik uit, |
+ | C: barstte de monnik uit, |
+ | B: En toen ik op de preekstoel |
+ | C: „En toen ik op de preekstoel |
+ | B: ze allen in gemeenschap.” |
+ | C: ze allen in gemeenschap.”” |
+ | |
+ +---------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlöf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+***** This file should be named 38422-0.txt or 38422-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38422-8.zip b/38422-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..83bb6e3
--- /dev/null
+++ b/38422-8.zip
Binary files differ
diff --git a/38422-h.zip b/38422-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..8837f01
--- /dev/null
+++ b/38422-h.zip
Binary files differ
diff --git a/38422-h/38422-h.htm b/38422-h/38422-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..6d07297
--- /dev/null
+++ b/38422-h/38422-h.htm
@@ -0,0 +1,5888 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.1//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml11/DTD/xhtml11.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl">
+
+<head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Oud en nieuw, by Selma Lagerlf.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+
+body {margin-left: 8%; margin-right: 8%;}
+
+h1 {text-align: center; clear: both; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; font-size: 280%;}
+h2 {text-align: center; clear: both; margin-top: 5em; font-size: 100%;}
+h2.h2inh {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em; font-size: 140%;}
+
+p {margin-top: .4em; margin-bottom: .4em; text-align: justify; text-indent: 1em;}
+p.tp {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+p.rust {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em; text-align: center; text-indent: 0em;}
+
+div.title {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center;}
+div.voorblad {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; text-align: center; font-size: 125%;}
+div.verso {margin-top: 10em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;
+ width: 42em; font-size: 50%; text-align: center;
+ font-weight: bold; border-top: 1px solid black;}
+
+div.inhoud {margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
+div.ad {width: 25em; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+.boek {text-indent: 0em;}
+.adsl {display: block; letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em; font-size: 220%;}
+.krant {text-indent: 3em; margin-top: 1em; margin-bottom: .7em; font-size: 75%;}
+.recensie {text-indent: 1em; font-size: 75%;}
+
+div.chbegin {width: 17%; border: 1px solid black; clear: both;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+div.chend {width: 17%; border: 1px solid black; clear: both;
+ margin-top: 2em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+/* TB */
+hr {width: 17%; clear: both; border: 1px solid black;
+ margin-top: 2em; margin-bottom: 2em; margin-left: auto; margin-right: auto;}
+hr.hrtp {width: 10%; margin-top: 4em; margin-bottom: 4em;}
+hr.tb {border: 0;}
+
+.pagenum {/* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute; left: 93%; text-indent: 0em; text-align: right;
+ font-size: small; font-weight: normal; font-variant: normal; font-style: normal;
+ letter-spacing: normal; color: #888888;}
+span[title].pagenum:after {content: "[" attr(title) "] ";}
+
+/* TABLES */
+table {margin-left: auto; margin-right: auto;
+ padding: 0; border: 0; border-collapse: collapse;}
+.toc {margin-top: 3em; margin-bottom: 1em; font-size: 90%;}
+td.tdl {text-align: left; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+td.tdr {text-align: right; padding-left: 0.5em; padding-right: 0.5em;}
+
+.mixcap {font-variant: small-caps;}
+.u {text-decoration: underline;}
+.ls1 {letter-spacing: 0.1em; margin-right: -0.1em;}
+.ls2 {letter-spacing: 0.2em; margin-right: -0.2em;}
+ins.corr {border-bottom: 1px dotted red; text-decoration: none;}
+
+/* IMAGES */
+img {border: 0;}
+.figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+.adcent {text-align: center; text-indent: 0em;}
+.size60 {font-size: 60%;}
+.size67 {font-size: 67%;}
+.size75 {font-size: 75%;}
+.size90 {font-size: 90%;}
+.size110 {font-size: 110%;}
+.size125 {font-size: 125%;}
+.size140 {font-size: 140%;}
+.size167 {font-size: 167%;}
+.size200 {font-size: 200%;}
+
+/* Transcriber Note */
+.TNbox {margin: 10% 10% 5% 10%; border: 1px solid; padding: 1em;
+ background-color: #dddddd; font-family: sans-serif; font-size: 90%;}
+.TNbox h2 {font-variant: small-caps; font-size: 130%; letter-spacing: 0;
+ margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; line-height: 2em;}
+.TNbox p {text-indent: 0em; margin-top: 0.7em; margin-bottom: 0.7em;}
+.TNbox table {width: 100%; font-size: 90%;}
+.TNbox th {text-align: left;}
+.TNbox td {text-align: left; vertical-align: top;}
+td.td2 {width: 20%;}
+td.td4 {width: 40%;}
+
+ </style>
+</head>
+
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Oud en nieuw
+
+Author: Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+Translator: Margaretha Meijboom
+
+Release Date: December 27, 2011 [EBook #38422]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="TNbox">
+
+ <h2>Opmerkingen van de bewerker</h2>
+
+ <p>De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling.
+ Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.</p>
+
+ <p>Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.</p>
+
+ <p>Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een
+ <ins class="corr" title="Bron: dnnne roed stipppellijn">dunne rode stippellijn</ins>,
+ waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.<br />
+ Variaties in spelling zijn behouden.</p>
+
+ <p>Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan
+ <a href="#correctie">het eind van dit bestand</a>.</p>
+
+ <p>Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn
+ dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+</div>
+
+<div class="figcenter" style="width: 716px;">
+ <img src="images/rug.jpg" width="128" height="800" alt="rug" title="rug" /><img src="images/cover.jpg" width="588" height="800" alt="voorkant" title="voorkant" />
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="-">&nbsp;</span><a id="ad1"></a></p>
+
+<div class="ad">
+
+ <p class="boek">VAN DE WERELDBEROEMDE ZWEEDSCHE SCHRIJFSTER
+ <span class="adsl">SELMA LAGERLF</span>
+ VERSCHEEN BIJ DEN UITGEVER VAN DIT BOEK:</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></b>,
+ VIERDE DRUK, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;1.50; IN PRACHTBAND &fnof;
+ 1.90 EN EEN PRACHTUITGAVE, GELLUSTREERD MET 37 PLATEN NAAR TEEKENINGEN
+ VAN GEORG PAULI, PRIJS IN PRACHTBAND VERGULD OP SNEE &fnof;&nbsp;3.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>INGRID</b>, VIERDE, GELLUSTREERDE UITGAVE, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;0.75; IN
+ PRACHTBAND &fnof;&nbsp;1.&mdash;.</p>
+
+ <p class="boek"><b>DE KONINGINNEN VAN KUNGAHLLA</b>, DERDE DRUK, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;0.75; IN
+ PRACHTBAND &fnof;&nbsp;1.&mdash;.</p>
+
+ <p class="boek"><b><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36194" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36194 beschikbaar.">DE WONDEREN VAN DEN ANTICHRIST</a></b>,
+ TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;2.90;
+ IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;3.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>JERUZALEM</b> 2 DEELEN, TWEEDE DRUK, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;4.50; IN
+ PRACHTBANDEN &fnof;&nbsp;5.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>ONZICHTBARE KETENEN</b>, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;3.50; IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;3.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>CHRISTUSLEGENDEN</b>, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;2.90; IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;3.50.</p>
+
+ <p class="boek"><b>ELSA</b>, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;1.50; IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;1.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>LEVENSGEHEIMEN</b>, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;1.50; IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;1.90.</p>
+
+ <p class="boek"><b>OUD EN NIEUW</b>, PRIJS INGENAAID &fnof;&nbsp;1.90; IN PRACHTBAND &fnof;&nbsp;2.50.</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="-">&nbsp;</span><a id="ad2"></a></p>
+
+<div class="ad">
+
+ <p class="adcent"><span class="u ls1 size167">GOEDKOOPE UITGAAF</span><br />
+ <span class="size60">VAN</span><br />
+ <span class="size200"><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/36225" title="Dit boek is via http://www.gutenberg.org/ als e-boek #36225 beschikbaar.">GSTA BERLING</a></span></p>
+
+ <p class="adcent size110">Het beroemde boek van SELMA LAGERLF</p>
+
+ <p class="adcent size75">Vertaald uit het Zweedsch door MARGARETHA MEIJBOOM</p>
+
+ <p class="adcent size75">Prijs ingenaaid &fnof;&nbsp;<b class="size125">1.50</b>,
+ in prachtband &fnof;&nbsp;<b class="size125">1.90</b></p>
+
+ <hr />
+
+ <p class="krant"><b>Het Algemeen Handelsblad:</b></p>
+
+ <p class="recensie">Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen
+ en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende
+ phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds,
+ van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van
+ meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht,
+ geluk. Het is een boek van echte pozie, verteld op de manier die velen
+ Scandinavirs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en
+ beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving
+ van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.</p>
+
+ <p class="recensie"><b>Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vr hij
+ het geheel genoten heeft.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>Het Vaderland:</b></p>
+
+ <p class="recensie">Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere
+ mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en
+ verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat
+ en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder
+ en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van
+ Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. <b>&bdquo;Gsta
+ Berling&rdquo; is een boek om tweemaal te lezen.</b></p>
+
+ <p class="krant"><b>De Kerkelijke Courant:</b></p>
+
+ <p class="recensie">Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand
+ dan &bdquo;Gsta Berling&rdquo;. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten
+ predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden
+ en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of
+ men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster
+ Selma Lagerlf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster
+ vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, z
+ aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en
+ haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit,
+ wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met
+ vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in
+ de schaduw staat.</p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="i">&nbsp;</span><a id="p_i"></a></p>
+
+<div class="voorblad">OUD EN NIEUW</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="ii">&nbsp;</span><a id="p_ii"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="iii"><br />&nbsp;</span><a id="p_iii"></a></p>
+
+<div class="title">
+
+ <h1>OUD EN NIEUW</h1>
+
+ <p class="tp size75">NAAR HET ZWEEDSCH</p>
+
+ <p class="tp size60">VAN</p>
+
+ <p class="tp size140 ls2">SELMA LAGERLF</p>
+
+ <p class="tp size60">DOOR</p>
+
+ <p class="tp">MARGARETHA MEIJBOOM</p>
+
+ <hr class="hrtp" />
+
+ <p class="tp"><span class="size67">AMSTERDAM</span><br />
+ <span class="size90">H. J. W. BECHT</span><br />
+ <span class="size67">1907</span></p>
+
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="iv">&nbsp;</span><a id="p_iv"></a></p>
+
+<div class="verso">BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="v">&nbsp;</span><a id="p_v"></a></p>
+
+<div class="inhoud">
+
+ <h2 class="h2inh"><a id="INHOUD"></a>INHOUD.</h2>
+
+ <div class="chbegin"></div>
+
+ <table class="toc" summary="inhoudsopgave">
+ <tbody>
+ <tr><td></td>
+ <td class="tdr mixcap size67">Bladz.</td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_KERSTROOS">De Kerstroos</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_1">1</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#IN_DE_GERECHTSZAAL">In de Gerechtszaal</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_26">26</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#HOE_GROOTVADER_GROOTMOEDER_KREEG">Hoe Grootvader Grootmoeder kreeg</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_37">37</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_KERSTVREDE">De Kerstvrede</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_47">47</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#HET_GRAFSCHRIFT">Het Grafschrift</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_65">65</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_BEIDE_BROEDERS">De beide Broeders</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_80">80</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#ROMEINSCH_BLOED">Romeinsch Bloed</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_89">89</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_OUDE_AGNETA">De oude Agneta</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_113">113</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_RING_VAN_DEN_VISSCHER">De Ring van den Visscher</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_123">123</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#SANTA_CATHARINA_VAN_SIENA">Santa Catharina van <ins class="corr" id="corr1" title="Bron: Siena">Sina</ins></a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_151">151</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_ZEVEN_DOODZONDEN">De zeven Doodzonden</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_170">170</a></td></tr>
+ <tr><td class="tdl"><a href="#DE_SCHATKIST_VAN_DE_KEIZERIN">De Schatkist van de Keizerin</a></td>
+ <td class="tdr"><a href="#p_180">180</a></td></tr>
+ </tbody>
+ </table>
+
+ <div class="chend"></div>
+</div>
+
+<p><span class="pagenum" title="vi">&nbsp;</span><a id="p_vi"></a></p>
+
+<p><span class="pagenum" title="1"><br />&nbsp;</span><a id="p_1"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_KERSTROOS"></a>DE KERSTROOS.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Gingebosch woonde,
+was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was
+een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de
+loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud
+waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Gingebosch
+woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens
+gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn
+vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van
+pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak,
+zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam,
+durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed
+om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als
+ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren
+erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn <span class="pagenum" title="2">&nbsp;</span><a id="p_2"></a>speer te
+rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in
+'t bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of
+kinderen wat overkwam.</p>
+
+<p>Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te
+bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een
+klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de
+portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde
+brooden toe, n voor haar en n voor elk van de kinderen.</p>
+
+<p>Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de
+kinderen rond. En nu kwam n van hen en trok haar aan den rok, ten
+teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de
+rooversvrouw ging snel met hem me.</p>
+
+<p>'t Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't
+kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de
+rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen
+zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.</p>
+
+<p>Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een
+plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen
+plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.</p>
+
+<p>In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't
+Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond z vol bloemen,
+dat het voor de <span class="pagenum" title="3">&nbsp;</span><a id="p_3"></a>oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er
+in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van
+de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel
+kleine bloembedjes liep.</p>
+
+<p>In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden.
+Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den
+mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle
+vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe
+en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze
+liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte lelin,
+die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen
+den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den
+leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar
+bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de
+rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem
+achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar
+bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben de rooversvrouw uit het Gingebosch,&rdquo; zei ze, &bdquo;en raak me nu
+eens aan als je durft.&rdquo; En toen ze dat gezegd had scheen ze er even
+zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had,
+dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder <span class="pagenum" title="4">&nbsp;</span><a id="p_4"></a>waagde opnieuw
+haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd
+toesprak.</p>
+
+<p>&bdquo;Je moet weten, vrouw,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat dit een monnikenklooster is en
+dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet
+weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur
+te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin
+weg.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar
+'t rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen
+bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.</p>
+
+<p>Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te
+loopen om hulp te halen.</p>
+
+<p>Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag
+nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad
+staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij
+zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht,
+zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar
+hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden
+krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze
+wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.</p>
+
+<p>De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet
+anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="5">&nbsp;</span><a id="p_5"></a></p>
+
+<p>Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten
+zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een
+geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw
+van het Gingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg
+konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.</p>
+
+<p>Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun
+hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon
+hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder me naar
+den tuin.</p>
+
+<p>Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen
+de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist
+zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar
+ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort
+vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude
+kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer
+gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.</p>
+
+<p>De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke
+dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon
+niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om
+dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar
+zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="6">&nbsp;</span><a id="p_6"></a></p>
+
+<p>De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet
+anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren
+en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:</p>
+
+<p>&bdquo;Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien
+had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien
+ik ken.&rdquo;</p>
+
+<p>De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de
+rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde
+een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.</p>
+
+<p>De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te
+berispen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dit is de abt Hans,&rdquo; zeide hij, &bdquo;die zelf met groote vlijt en moeite
+de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij
+weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van
+Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste
+bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,&rdquo; antwoordde de rooversvrouw,
+&bdquo;ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan
+denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid
+weggooien.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de
+abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik begrijp wel, vrouw,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat je zoo mooi <span class="pagenum" title="7">&nbsp;</span><a id="p_7"></a>praat om ons te
+plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd,
+tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Gingebosch. Ik zou er mijn
+ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van
+een tuin geweest ben.&rdquo;</p>
+
+<p>De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd,
+en ze riep uit: &bdquo;Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een
+tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt,
+moest toch weten, dat het groote Gingebosch zich iederen Kerstnacht
+in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te
+vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond,
+en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet
+gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu lachte de leekebroeder nog harder: &bdquo;Je kunt hier nu wel staan pochen
+op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet
+anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus
+vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij
+en je man.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En toch is dat even waar,&rdquo; zei de rooversvrouw, &bdquo;als dat jij niet in
+den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.&rdquo;</p>
+
+<p>De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk
+te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten,
+dat het <span class="pagenum" title="8">&nbsp;</span><a id="p_8"></a>bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er
+vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij
+begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met
+Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van
+haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij
+daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel
+hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.</p>
+
+<p>Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het
+gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen
+werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende,
+schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar meer dan n metgezel mag u niet meebrengen,&rdquo; zei ze. &bdquo;En u mag
+ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een
+heilig man is.&rdquo;</p>
+
+<p>Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt
+gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze
+overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden
+toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als zij
+iets van zijn plan ontdekten.</p>
+
+<p><ins class="corr" id="corr2" title="Bron: Zelfs">Zelf</ins> was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te
+bespreken. Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund
+op zijn reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.</p>
+
+<p>Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij <span class="pagenum" title="9">&nbsp;</span><a id="p_9"></a>weer aan het bezoek
+van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was,
+hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die
+veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief
+voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen kon
+<ins class="corr" id="corr3" title="Bron: lijden">leiden</ins>.</p>
+
+<p>&bdquo;Zooals het nu gaat,&rdquo; zei de abt, &bdquo;groeien zijn kinderen tot erger
+misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele
+rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover
+niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor
+allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.</p>
+
+<p>De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen,
+dat het Gingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het
+roovershol heen.</p>
+
+<p>&bdquo;Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor
+hen wil vertoonen,&rdquo; zeide hij, &bdquo;dan kunnen ze toch niet te slecht zijn
+om bij de menschen genade te vinden.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. &bdquo;Zooveel
+wil ik wel beloven, abt Hans,&rdquo; zei hij en glimlachte, &bdquo;dat ik, op den
+dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Gingebosch, u
+een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen
+wilt.&rdquo;</p>
+
+<p>De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom <span class="pagenum" title="10">&nbsp;</span><a id="p_10"></a>evenmin als hij het
+verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van.
+Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem
+zeker zou zenden.</p>
+
+<hr />
+
+<p>De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet
+thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Gingebosch. Een van de
+woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had
+hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.</p>
+
+<p>De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu
+heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het
+heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet
+graag aan een ander hebben overgelaten met hem me te gaan en hem te
+beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te
+zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik
+was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den
+abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.</p>
+
+<p>Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat
+er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder
+boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm
+zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de <span class="pagenum" title="11">&nbsp;</span><a id="p_11"></a>voorraadschuur werden
+massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer
+kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid
+moesten worden.</p>
+
+<p>Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de
+koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die
+zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het
+klooster van Bosj leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met
+stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de
+kloosterpoort gekregen hadden.</p>
+
+<p>Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer
+haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan
+een van de anderen zou mogen vieren.</p>
+
+<p>Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de
+kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en
+smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan
+de handen van den roover over te geven.</p>
+
+<p>Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te
+storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in
+de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd
+steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen
+over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en
+diep <span class="pagenum" title="12">&nbsp;</span><a id="p_12"></a>in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.</p>
+
+<p>'t Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile
+en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige
+velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist
+toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over
+een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene
+naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin
+zagen zij een deur van dikke planken.</p>
+
+<p>Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren
+en steeg van zijn paard.</p>
+
+<p>'t Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele
+berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur,
+dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van
+dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.</p>
+
+<p>&bdquo;Kom binnen, jelui daarbuiten,&rdquo; riep de rooversvrouw, zonder op te
+staan, &bdquo;en neem de paarden me in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van
+de nachtkou.&rdquo;</p>
+
+<p>De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't
+Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De
+rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd.
+Haar kinderen lagen op den grond <span class="pagenum" title="13">&nbsp;</span><a id="p_13"></a>om een ketel, waar ze uit aten, en er
+was niets in dan een waterachtige soep.</p>
+
+<p>Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten
+boerenvrouw. &bdquo;Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,&rdquo; zei ze. &bdquo;En als
+u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch
+klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis,
+moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang
+te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur
+zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u
+gekomen is.&rdquo;</p>
+
+<p>De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was
+zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op
+het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed
+aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat
+hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den
+abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid,
+zoodat hij insliep.</p>
+
+<p>Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en
+nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij
+hen.&mdash;'t Was een lange magere man&mdash;hij zag er moe en zwaarmoedig uit.
+Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten
+wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="14">&nbsp;</span><a id="p_14"></a></p>
+
+<p>De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het
+Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't
+Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan
+had megedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.</p>
+
+<p>&bdquo;'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit me mogen doen, als de
+anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,&rdquo; zei de
+abt.</p>
+
+<p>De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand
+sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.</p>
+
+<p>Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist
+voor het gezicht.</p>
+
+<p>&bdquo;Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen
+van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch
+niet uit mag komen?&rdquo;</p>
+
+<p>De abt zag hem rustig vlak in de oogen. &bdquo;Mijn plan is u een vrijbrief te
+bezorgen van den aartsbisschop,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid
+te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had
+van bisschop Absalom!&mdash;&bdquo;Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,&rdquo; zei
+de roover, &bdquo;dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal,&mdash;zelfs geen
+gans.&rdquo;</p>
+
+<p>De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers <span class="pagenum" title="15">&nbsp;</span><a id="p_15"></a>durfden te lachen om
+den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.</p>
+
+<p>De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de
+monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.</p>
+
+<p>Maar opeens stond de rooversmoeder op.&mdash;&bdquo;U zit hier zoo te praten, abt
+Hans,&rdquo; zei ze, &bdquo;dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs
+hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.&rdquo;</p>
+
+<p>Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.</p>
+
+<p>Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het
+eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd
+aangedragen door een zachten zuidenwind.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?&rdquo; dacht de abt.
+Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij,
+nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou
+opbloeien.</p>
+
+<p>Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een
+lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even
+duister,&mdash;maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als
+een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het
+uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.</p>
+
+<p>Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, <span class="pagenum" title="16">&nbsp;</span><a id="p_16"></a>alsof iemand een
+mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden;&mdash;massa's slangen
+kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De
+erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in
+'t mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes
+zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende
+knoppen, die al een zweempje kleur hadden.</p>
+
+<p>'t Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't
+ontwaken van 't bosch zag. &bdquo;Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen
+zien?&rdquo; dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.</p>
+
+<p>Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke
+duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.</p>
+
+<p>Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een
+bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen
+aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren
+komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen
+de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken
+heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de
+splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten,
+streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren
+prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als
+de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="17">&nbsp;</span><a id="p_17"></a></p>
+
+<p>Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke,
+warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die
+arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan
+land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden
+kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond
+raakten, takken en loten.</p>
+
+<p>Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe
+ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun
+nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.</p>
+
+<p>Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te
+denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren
+en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht
+den geur van pas-geploegde akkers me. Heel in de verte hoorde men de
+veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den
+en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen
+glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik
+van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het
+heelemaal wit en blauw en goud werd.</p>
+
+<p>De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer
+oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats
+met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw,
+krabde <span class="pagenum" title="18">&nbsp;</span><a id="p_18"></a>aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar
+jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde
+naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en
+ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten
+van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.</p>
+
+<p>De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij
+verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot
+als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een
+ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen
+waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en
+slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen.
+Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak
+een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. &bdquo;Houd jij je
+aan jouw kant,&rdquo; zei hij, &bdquo;dit is mijn struikje.&rdquo; Toen ging de beer
+achteruit en liep een anderen kant uit.</p>
+
+<p>Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten
+zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld
+stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende
+lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig,
+dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan
+het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den
+bergwand op naast de <span class="pagenum" title="19">&nbsp;</span><a id="p_19"></a>bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo
+groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor
+bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op
+dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.</p>
+
+<p>De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht z vol
+licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van
+den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter
+vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle
+aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: &bdquo;Nu weet ik
+niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het
+iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche
+lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat
+nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in
+aantocht was.</p>
+
+<p>De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen
+speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.</p>
+
+<p>De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan,
+de oogen schreiden, zonder dat men het wist,&mdash;de ziel verlangde weg te
+mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, hl van verre klonken harptonen,
+en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="20">&nbsp;</span><a id="p_20"></a></p>
+
+<p>De abt vouwde de handen en zonk op de knien. Zijn gelaat straalde van
+zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds
+in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen
+Kerstliederen te hooren zingen.</p>
+
+<p>Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem me gekomen was.
+Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos,
+omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte
+hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God
+zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in
+eere hielden.</p>
+
+<p>Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. &bdquo;Dat kan geen echt wonder
+zijn,&rdquo; dacht hij, &bdquo;dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat
+kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier
+gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons
+behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.&rdquo;</p>
+
+<p>In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende,
+dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. &bdquo;Ze willen ons
+verlokken en verleiden,&rdquo; zuchtte hij. &bdquo;Nooit komen we heelhuids hier van
+daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten
+zag schemeren tusschen de stammen <span class="pagenum" title="21">&nbsp;</span><a id="p_21"></a>in 't woud. En de leekebroeder zag
+hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het
+toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den
+nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te
+beter de christenen te kunnen bedriegen.</p>
+
+<p>Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij
+had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den
+leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang
+speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat
+de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den
+leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat
+het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden.
+Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep z hard, dat het door 't
+bosch weerklonk: &bdquo;Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen
+bent!&rdquo;</p>
+
+<p>Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels
+hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten.
+Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang
+plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten.
+En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken
+schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister
+zonk als een dekkleed over de aarde, de <span class="pagenum" title="22">&nbsp;</span><a id="p_22"></a>koude kwam terug, de planten
+op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der
+watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.</p>
+
+<p>De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide,
+zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. &bdquo;Nooit zal ik dit
+kunnen overleven,&rdquo; dacht hij, &bdquo;dat de engelen mij z nabij waren en
+verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de
+vlucht werden gejaagd.&rdquo;</p>
+
+<p>Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en
+hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog
+iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde
+bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam
+aanglijden over het veld.</p>
+
+<p>Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar
+bleef op het veld liggen.</p>
+
+<p>Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe
+duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij
+namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem
+dood in de sneeuw liggen.</p>
+
+<p>En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep,
+dat hj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de
+lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.</p>
+
+<hr />
+
+<p><span class="pagenum" title="23">&nbsp;</span><a id="p_23"></a></p>
+
+<p>Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen
+voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets,
+dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand
+eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had
+vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't
+loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de
+bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt
+Hans.</p>
+
+<p>Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden
+opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen
+eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren,
+wachtte hij niet langer.</p>
+
+<p>Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles z sterk aan abt Hans,
+dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij
+nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond
+gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren
+opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.</p>
+
+<p>Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit
+plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn,
+begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in
+het Gingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken,
+dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een <span class="pagenum" title="24">&nbsp;</span><a id="p_24"></a>paar van de bloemen
+aan bisschop Absalom moesten zenden.</p>
+
+<p>Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de
+bloemen toe en zeide: &bdquo;Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die
+hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Gingebosch.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde
+waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij
+een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak
+hij: &bdquo;Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne
+houden.&rdquo;</p>
+
+<p>En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn
+jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan
+den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het
+roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met
+opgeheven bijl te gemoet: &bdquo;Ik zal jelui monniken nerhouwen, zoo veel ik
+er maar krijgen kan,&rdquo; zei hij. &bdquo;Zeker is het om jelui, dat het
+Gingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is alleen mijn schuld,&rdquo; antwoordde de leekebroeder, &bdquo;en ik wil
+graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.&rdquo;</p>
+
+<p>En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met
+hem over, dat hij vrij was en <span class="pagenum" title="25">&nbsp;</span><a id="p_25"></a>toonde hem het zegel van Absalom, dat aan
+het perkament hing.</p>
+
+<p>&bdquo;Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en
+Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,&rdquo;
+zeide hij.</p>
+
+<p>Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit
+zijn naam: &bdquo;Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man
+ook zijn woord houden.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de
+leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij
+bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand
+mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich
+bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet
+gesproken waren; want het Gingebosch heeft nooit meer het geboorteuur
+van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het
+plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd &bdquo;Kerstroos&rdquo; genoemd
+en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de
+aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens
+gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="26">&nbsp;</span><a id="p_26"></a></p>
+
+<h2><a id="IN_DE_GERECHTSZAAL"></a>IN DE GERECHTSZAAL.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel
+achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd
+man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig
+geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een
+sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit
+te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem
+kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die
+alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en
+onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.</p>
+
+<p>Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag
+behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het
+onderhoud van een onecht kind.</p>
+
+<p>Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan
+worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse
+een <span class="pagenum" title="27">&nbsp;</span><a id="p_27"></a>arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.</p>
+
+<p>Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft,
+dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft
+aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse
+eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd
+geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht,
+hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring
+volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde
+opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld
+wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.</p>
+
+<p>Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene
+tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit.
+Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een
+opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft
+zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze
+zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend
+heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.</p>
+
+<p>Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man
+in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en
+vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich
+<span class="pagenum" title="28">&nbsp;</span><a id="p_28"></a>heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden,
+daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het
+minst bezwaart.</p>
+
+<p>Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde,
+en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed
+af te leggen.</p>
+
+<p>Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig &bdquo;ja&rdquo;. Hij begint
+te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant
+voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en
+niets hem verhindert om dien af te leggen.</p>
+
+<p>Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt
+onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond
+gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde
+in het aangezicht heeft kunnen zien.</p>
+
+<p>Nu hij &bdquo;ja&rdquo; zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar
+stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer
+staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij
+kan niet: &bdquo;ja&rdquo; gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.</p>
+
+<p>Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de
+gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te
+krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.</p>
+
+<p>De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat <span class="pagenum" title="29">&nbsp;</span><a id="p_29"></a>en wordt onrustig.
+Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken,
+en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.</p>
+
+<p>Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich
+opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de
+rechter moet het hem immers beletten.</p>
+
+<p>De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen
+denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen
+waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze
+wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo
+iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de
+rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over
+zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke
+ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk
+hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken
+er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel
+begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd
+hebben, als zij daar geen recht toe had.</p>
+
+<p>De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat
+ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand
+anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.</p>
+
+<p>Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring <span class="pagenum" title="30">&nbsp;</span><a id="p_30"></a>van den predikant
+een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan
+is in te grijpen.</p>
+
+<p>Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een
+paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van
+ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar.
+Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al
+spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de
+rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.</p>
+
+<p>Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed
+en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten
+zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en
+ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop
+moet hebben.</p>
+
+<p>Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat
+hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een
+valschen eed heeft overwogen.</p>
+
+<p>De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door
+getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.</p>
+
+<p>De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze
+maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.</p>
+
+<p>Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd
+met haar verlegenheid en met de <span class="pagenum" title="31">&nbsp;</span><a id="p_31"></a>snikken, die haar de keel samensnoeren,
+maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.</p>
+
+<p>Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen,
+niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.</p>
+
+<p>Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou,
+maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort&mdash;dat het in
+het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan
+ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen
+versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in
+het hoofd.</p>
+
+<p>Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.</p>
+
+<p>Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille
+van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan
+moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.</p>
+
+<p>Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets
+geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en
+geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de
+naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar
+oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden
+met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.</p>
+
+<p>Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds <span class="pagenum" title="32">&nbsp;</span><a id="p_32"></a>grooter schrik,
+heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel
+moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het
+eedsformulier te vinden.</p>
+
+<p>Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap
+naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn
+hand wegstooten.</p>
+
+<p>Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij
+nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.</p>
+
+<p>De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht
+heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan
+houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te
+spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij
+vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.</p>
+
+<p>Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van
+plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal
+voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar
+hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft
+aangeklaagd.</p>
+
+<p>Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat
+haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te
+krijgen?</p>
+
+<p>Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="33">&nbsp;</span><a id="p_33"></a></p>
+
+<p>Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de
+daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit
+meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.</p>
+
+<p>Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar
+voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den
+Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk
+moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen
+eed, dat zal hij niet.</p>
+
+<p>De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te
+nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken
+angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in
+haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis
+zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge,
+hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil,
+springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet
+zich ook tegen hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Je zult den eed niet doen,&rdquo; roept ze, &bdquo;je zult het niet.&rdquo;</p>
+
+<p>Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek
+dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te
+staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te
+voorkomen, dat hij omgegooid wordt.</p>
+
+<p>Daar roept de rechter luid en toornig: &bdquo;Stilte&rdquo;, en allen blijven
+onbeweeglijk staan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="34">&nbsp;</span><a id="p_34"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?&rdquo; vraagt de
+rechter met dezelfde harde en strenge stem.</p>
+
+<p>Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar
+verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij zal den eed niet doen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,&rdquo; beveelt de rechter.</p>
+
+<p>Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. &bdquo;Hij
+zal den eed niet doen,&rdquo; roept ze met onbeteugelde heftigheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?&rdquo; vraagt de rechter met
+steeds scherper stem.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wil de zaak niet verder voortzetten!&rdquo; barst ze uit met een luide,
+snijdende stem. &bdquo;Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Waarom schreeuw je zoo?&rdquo; vraagt de rechter. &bdquo;Heb je je verstand
+verloren?&rdquo;</p>
+
+<p>Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze
+schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze
+niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in
+om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.</p>
+
+<p>Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet:
+&bdquo;Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind,
+maar ik houd nog <span class="pagenum" title="35">&nbsp;</span><a id="p_35"></a>van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal
+doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en
+blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide
+handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van
+haar af.</p>
+
+<p>Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.</p>
+
+<p>Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en
+zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.</p>
+
+<p>Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij
+niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de
+geringsten te vinden is.</p>
+
+<p>Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan
+slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich
+heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij
+van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien,
+dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt
+En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets
+heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun
+ziel.</p>
+
+<p>En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle
+menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord
+hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="36">&nbsp;</span><a id="p_36"></a></p>
+
+<p>Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat <i>hij</i> met
+gebogen hoofd en neergeslagen oogen.</p>
+
+<p>De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.</p>
+
+<p>&bdquo;We zullen doen wat je wilt,&rdquo; zegt hij. &bdquo;De zaak moet afgevoerd worden,&rdquo;
+zegt hij tegen den griffier.</p>
+
+<p>De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat is dat nu?&rdquo; roept de rechter hem toe. &bdquo;Heb je er iets tegen?&rdquo;</p>
+
+<p>De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar:
+&bdquo;Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.&rdquo;</p>
+
+<p>De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam
+zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse
+toe.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik dank je, kind,&rdquo; zegt hij, en reikt haar de hand.</p>
+
+<p>Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar
+tranen met den opgerolden zakdoek.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik dank je, kind,&rdquo; zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo
+zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was. </p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="37">&nbsp;</span><a id="p_37"></a></p>
+
+<h2><a id="HOE_GROOTVADER_GROOTMOEDER_KREEG"></a>HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem
+volstrekt niet hebben.</p>
+
+<p>Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en
+overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte
+paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.</p>
+
+<p>Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te
+denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur
+over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer
+wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van
+Malm benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader
+was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In
+zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had
+den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat
+hij nooit wanten gebruikt had.</p>
+
+<p>Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en <span class="pagenum" title="38">&nbsp;</span><a id="p_38"></a>grijs haar kreeg. Toen
+hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken,
+zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij
+niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger
+zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een
+predikant.</p>
+
+<p>Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was
+aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam
+zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een
+stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar
+moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en
+ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls
+Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de
+eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden
+roover op den preekstoel te laten.</p>
+
+<p>Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was
+verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel
+kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht
+en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en
+roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had
+ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.</p>
+
+<p>Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat
+Grootvader van haar hield. Ze durfde <span class="pagenum" title="39">&nbsp;</span><a id="p_39"></a>haast niet alleen in den tuin of
+op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze
+niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te
+liggen om haar te schaken.</p>
+
+<p>Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie
+om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet
+gebruiken.</p>
+
+<p>Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij
+was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide
+ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove
+vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.</p>
+
+<p>Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij
+iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten
+schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader
+zweeg en beklaagde zich niet.</p>
+
+<p>'t Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al
+haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in
+den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder
+opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje
+kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op
+het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader
+in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote
+armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="40">&nbsp;</span><a id="p_40"></a></p>
+
+<p>'t Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje
+van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk z met
+hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar
+er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder
+graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund
+en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't
+hooge koren en had de oogen niet van haar af.</p>
+
+<p>Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude
+proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en
+dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat
+hij er geen oogenblik me wilde wachten. Hij stak den brief van den
+bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den
+inhoud van den brief me te deelen.</p>
+
+<p>Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.</p>
+
+<p>Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief
+aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed,
+toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel
+wegsloot.</p>
+
+<p>De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom
+was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't
+eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader
+<span class="pagenum" title="41">&nbsp;</span><a id="p_41"></a>was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.</p>
+
+<p>Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had
+altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den
+weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe
+hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant
+te worden om te mogen preeken naar hartelust.</p>
+
+<p>De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was,
+de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan
+was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden
+had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met
+aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en
+spreken in Gods huis.</p>
+
+<p>Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den
+bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats
+daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te
+schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord
+te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang
+niet slecht!</p>
+
+<p>En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te
+voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="42">&nbsp;</span><a id="p_42"></a></p>
+
+<p>Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan
+toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.</p>
+
+<p>Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met
+Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor
+Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.</p>
+
+<p>Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie
+was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't
+naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest
+zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er
+geen knecht of meisje in de heele pastorie was.</p>
+
+<p>Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat
+hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet
+alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij
+genoodzaakt zou zijn heen te gaan.</p>
+
+<p>Maar vr Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door
+een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de
+eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen
+vond, vroeg hij haar ten huwelijk.</p>
+
+<p>Grootmoeder zei gauw: &bdquo;neen&rdquo;, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te
+smeeken of aan te dringen.</p>
+
+<p>En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="43">&nbsp;</span><a id="p_43"></a></p>
+
+<p>Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een
+pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om
+den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.</p>
+
+<p>Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat
+hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die
+schreide in de aangrenzende kamer.</p>
+
+<p>Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal
+binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien
+heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal
+was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht
+Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't
+hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen
+mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze
+duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats
+bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar
+gevraagd had.</p>
+
+<p>Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter
+verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de
+plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou
+ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="44">&nbsp;</span><a id="p_44"></a></p>
+
+<p>'t Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van
+haar. Maar ze zag niemand.</p>
+
+<p>'t Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg
+en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou.
+Ten slotte werd Grootmoeder z bang, dat ze moest gaan zitten om niet
+neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de
+onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren.
+Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met
+krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van
+ontzetting.</p>
+
+<p>Maar nmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de
+gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het
+venster zat. &bdquo;Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,&rdquo;
+zei ze in zichzelf, &bdquo;en ben ik hier bang voor niets.&rdquo; En toen dwong ze
+zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er
+was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.</p>
+
+<p>Grootmoeder dacht, dat iemand, die z schreide, een verdriet moest
+hebben z groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon.
+'t Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een
+verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen
+troosten, die z schreide.</p>
+
+<p>Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende.
+Want die onzichtbare schreide z, <span class="pagenum" title="45">&nbsp;</span><a id="p_45"></a>dat Grootmoeder me had moeten
+schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.</p>
+
+<p>Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel,
+die uit den hemel verbannen werd.</p>
+
+<p>En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van
+de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den
+kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld
+tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu
+blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest
+zijn, als ze iemand had kunnen roepen.</p>
+
+<p>Maar ongeveer op 'tzelfde oogenblik, dat het luiden begon, hield het
+geheimzinnig schreien op. Maar nu was het Grootmoeder zelf, die begon
+te schreien en ze zat te schreien tot haar huisgenooten thuiskwamen.</p>
+
+<p>Toen sprong Grootmoeder op den wagen toe en wilde natuurlijk dadelijk
+vertellen wat er gebeurd was. Maar toen was het alsof haar de mond
+gesnoerd werd en ze kon niets zeggen.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat was voor jou,&rdquo; zei er iets in haar. &bdquo;Jij en niemand anders moest
+het hooren.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar hoe kon dat schreien iets met haar te maken hebben?</p>
+
+<p>Dien heelen middag liep Grootmoeder rond, alsof ze in een andere wereld
+verkeerde. Alles waar de anderen over spraken kwam haar zoo wonderlijk
+vreemd voor.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="46">&nbsp;</span><a id="p_46"></a></p>
+
+<p>Maar opeens was 't alsof ze wakker schrikte. Ze stond in de keuken en
+hoorde de dienstmeisjes spreken over de namiddagpreek. De kapelaan had
+zoo mooi gepreekt. Alle menschen in de kerk hadden geschreid.</p>
+
+<p>&bdquo;Waarover sprak hij dan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hij had gesproken over de wanhoop van de zondaars, die buiten het
+paradijs gesloten werden.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen werd Grootmoeder steeds meer verschrikt. 't Kwam haar voor, alsof
+ze een groote zonde gedaan had, die ze weer goed moest maken.</p>
+
+<p>Na het avondeten, toen Grootvader goedennacht gezegd had, ging ze met
+hem mee in de vestibule.</p>
+
+<p>&bdquo;Wilt u me niet om Godswil de waarheid zeggen?&rdquo; vroeg Grootmoeder.
+&bdquo;Schreide u vanmiddag, toen u naar de kerk ging?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat deed ik,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Ik kon het niet laten.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen wist Grootmoeder, dat ze <i>hem</i> gehoord had en ze werd zoo
+wonderlijk te moede, toen ze er aan dacht, dat zijn liefde z groot
+was, dat hij z geleden had door haar te verliezen. Grootmoeder vond
+het z heerlijk, dat iemand haar zoo innig liefhad, dat ze haar andere
+aanbidders vergat, en er niet meer aan dacht hoe leelijk en arm
+Grootvader was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wil niet, dat u zoo'n bitter verdriet nog n oogenblik langer
+dragen zult,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik wil probeeren of ik niet leeren kan van u te
+houden.&rdquo;</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="47">&nbsp;</span><a id="p_47"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_KERSTVREDE"></a>DE KERSTVREDE.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Er was eens een oude boerderij, en het was een Kerstavond met donkeren,
+grijzen hemel, alsof een zware sneeuwstorm dreigde, en er woei een
+scherpe wind uit het noorden.</p>
+
+<p>Het was juist tegen den tijd van den namiddag, dat de menschen het druk
+hadden met hun werk af te maken, omdat men nog naar de badkamer moest.
+Daar had men zoo fel gestookt, dat de vlam uit den schoorsteen sloeg, en
+massa's vonken en roetvezels vlogen met den wind mee en vielen op de
+door de sneeuw bedekte daken van de kleine gebouwtjes van de hoeve.</p>
+
+<p>Toen de vlam boven den schoorsteen van de badkamer uitsloeg en zich als
+een vuurzuil boven de hoeve verhief, begonnen allen te voelen, dat het
+Kerstfeest naderde. Het dienstmeisje, dat in het voorhuis den vloer lag
+te schuren, begon te neurin, hoewel het water tot ijs stolde in den
+emmer naast haar. De jongens, die op de deel hout hakten voor het
+Kerstvuur, begonnen twee <span class="pagenum" title="48">&nbsp;</span><a id="p_48"></a>stukken tegelijk te kloven en zwaaiden de
+bijlen zoo lustig, alsof het werk een spel was.</p>
+
+<p>Uit de schuur kwam een oude vrouw met een grooten stapel gekruide
+Kerstbrooden op den arm. Zij ging langzaam over de plaats naar het
+groote, roodgeschilderde woonhuis, en kwam voorzichtig in de groote
+kamer, waar ze het brood op de lange bank neerzette. Toen dekte ze de
+tafel en legde het brood rond op hoopjes, een groot en een klein op
+elkaar. Zij was een wonderlijk, leelijk oud menschje met roodachtig
+haar, zware neerhangende oogleden en een eigenaardigen, strakken trek om
+den mond bij de kin, alsof de halsspieren te kort waren. Maar nu, op
+Kerstavond, was er zulk een vrede en blijdschap over haar, dat men niet
+zien kon hoe leelijk ze was.</p>
+
+<p>Maar er was er een op de hoeve, die niet blij was, en dat was zij,
+die bezig was de bosjes van berketakjes te binden, die bij het baden
+gebruikt moesten worden. Zij zat bij den haard en had een heel pak fijne
+berketakjes voor zich op den grond liggen, maar ze had geen geschikte
+twijgen om de takken mee samen te binden. De groote kamer had een
+lang, laag venster met kleine ruitjes, en daardoor viel het licht
+uit de badkamer in het vertrek, speelde op den vloer en verguldde de
+berketakken. Maar hoe helderder het vuur brandde, hoe ongelukkiger het
+meisje werd. Ze wist, dat de bosjes uit elkaar zouden vallen, zoodra men
+ze aanraakte en dat ze er me geplaagd zou worden, <span class="pagenum" title="49">&nbsp;</span><a id="p_49"></a>minstens tot er 't
+ander jaar weer een Kerstvuur in den schoorsteen vlamde.</p>
+
+<p>Juist terwijl ze daar zat en zich ongelukkig voelde, kwam daar de man
+binnen, waar ze het allermeeste bang voor was. Het was Ingmar Ingmarson,
+de boer in hoogst eigen persoon. Zeker was hij in de badkamer geweest om
+te zien of het vuur wel hard genoeg brandde en nu wilde hij zien hoe het
+met de bosjes ging. Ingmar Ingmarson was oud en hij hield van wat oud
+was. En juist omdat de menschen zich gingen afwennen te baden in de
+badkamer en zich met berketakjes te laten slaan na 't baden, was hij er
+zeer op gesteld, dat het op zijn hoeve gebeuren zou, en <i>goed</i> gebeuren.</p>
+
+<p>Ingmar Ingmarson was gekleed in een ouden schapenpels en droeg een
+leeren broek en schoenen met pikdraad genaaid. Hij was vuil en slordig,
+zachtmoedig in zijn optreden en kwam zoo zacht binnen, dat men hem voor
+een bedelaar had kunnen houden. Hij leek op zijn vrouw en was ongeveer
+even leelijk, want ze waren familie van elkaar en het meisje had van
+oudsher geleerd eerbied te hebben voor ieder, die er zoo uit zag. Want
+dat wilde wat zeggen:&mdash;tot het oude geslacht der Ingmaren te behooren.
+Ze waren altijd de voornaamsten in het dorp geweest; maar 't beste was
+toch Ingmar Ingmarson zelf te zijn en de rijkste, de wijste, de
+machtigste van een geheele gemeente te wezen.</p>
+
+<p>Ingmar Ingmarson ging naar het meisje toe, boog <span class="pagenum" title="50">&nbsp;</span><a id="p_50"></a>zich over de
+berketakjes, nam een van de bosjes en zwaaide dit door de lucht. En
+dadelijk vlogen de takjes uit elkaar; n kwam terecht op de Kersttafel
+en een ander op 't groote bed.</p>
+
+<p>&bdquo;Och meid!&rdquo; zei de oude Ingmar en lachte, &bdquo;meen je, dat men zulke bosjes
+gebruikt, als men baadt bij de Ingmaren? Of ben je erg bang voor je
+velletje?&rdquo;</p>
+
+<p>Nu de boer het z opnam werd het meisje moedig en antwoordde, dat ze
+wel goede, vaste bosjes zou maken, als ze maar twijgen had om ze vast te
+binden.</p>
+
+<p>&bdquo;Dan zal ik je wel twijgen moeten bezorgen, kind,&rdquo; zei de oude Ingmar,
+want hij was echt in Kersthumeur.</p>
+
+<p>Hij ging uit de kamer, stapte met een tobbe in de hand over haar heen
+en ging naar buiten om te zien of er iemand was, die hij uit kon sturen
+om twijgen. De jongens waren nog bezig met het brandhout voor het
+Kerstvuur, zijn zoon kwam uit de dorschschuur met stroo, zijn beide
+schoonzonen waren bezig den werkwagen binnen te halen, opdat ook de
+plaats er feestelijk uit zou zien. Niemand had tijd om van de hoeve weg
+te gaan.</p>
+
+<p>Toen besloot de zachtmoedige oude het zelf te doen. Hij ging de plaats
+over, alsof hij naar den stal wilde gaan, toen zag hij om, of ook iemand
+op hem lette en sloop toen langs de schuur, waar een tamelijk gebaande
+weg was, die naar het bosch liep. De oude man vond het niet noodig
+iemand te zeggen, waar hij heen ging, want dan zouden misschien zijn
+zoon of <span class="pagenum" title="51">&nbsp;</span><a id="p_51"></a>zijn schoonzoon hem gevraagd hebben thuis te blijven, en oude
+menschen willen 't liefst hun eigen zin doen.</p>
+
+<p>Hij volgde den weg boven de hoeven door het kleine dennenboschje naar
+het berkenhout. Hij week van den weg af en waadde in de sneeuw om een
+paar berketakken van een jaar oud te vinden.</p>
+
+<p>Maar langzamerhand was de wind klaargekomen met het werk, waar hij den
+heelen dag me bezig was geweest. Hij had de sneeuw uit de wolken
+losgemaakt en nu kwam hij naar het bosch opzetten met een langen sleep
+sneeuwvlokken achter zich aan.</p>
+
+<p>Ingmar Ingmarson had zich juist naar den grond gebogen en een twijgje
+afgesneden, toen de wind met een flinke lading sneeuw aankwam. Op
+hetzelfde oogenblik, dat de oude man zich oprichtte, blies hem de wind
+een heelen hoop sneeuwvlokken in het gezicht. Hij kreeg de oogen vol
+sneeuw en de wind wervelde z sterk om hem heen, dat hij een paar keer
+ronddraaide als een tol.</p>
+
+<p>Het heele ongeluk was eigenlijk, dat Ingmar Ingmarson oud werd. In zijn
+jonge jaren zou hij zeker niet duizelig geworden zijn van een
+sneeuwstorm. Maar nu draaide alles om hem heen, alsof hij een Kerstpolka
+gedanst had. En toen hij naar huis wilde gaan, liep hij precies den
+verkeerden kant uit.</p>
+
+<p>Hij ging recht het groote dennenbosch in, dat ver achter het
+berkenboschje om liep, in plaats van den weg naar 't zuiden, in de
+richting van de hoeve in te slaan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="52">&nbsp;</span><a id="p_52"></a></p>
+
+<p>De duisternis viel snel, en onder de jonge boomen aan den boschkant
+bleef de stormwind gieren en omwervelen. De oude man zag wel, dat hij
+tusschen dennen liep, maar hij begreep niet dat dit verkeerd was, want
+er groeiden ook dennen aan den kant van 't berkenboschje, dat naar de
+hoeve leidde.</p>
+
+<p>Maar toen kwam hij zoo diep het bosch in, dat het stil om hem heen werd,
+de storm niet meer te hooren was en de boomen hoog en zwaar van stam
+werden. Toen zag hij, dat hij verdwaald was en wilde omkeeren.</p>
+
+<p>Hij was in de war gekomen en opgewonden geraakt, bij de gedachte, dat
+hij had kunnen verdwalen, en toen hij midden in 't bosch stond, waar
+geen spoor was te vinden, was hij niet in staat te bepalen, welke
+richting hij nemen moest. Eerst ging hij den eenen kant uit, toen den
+anderen. Eindelijk viel het hem in, dat hij in zijn eigen voetstappen
+weer terug moest gaan, maar toen werd het donker en hij kon ze niet meer
+zien. En om hem heen werden de boomen al zwaarder. Hoe hij ook liep, hij
+merkte wel, dat hij hoe langer hoe dieper het bosch in raakte. Het was
+toch een ellendige hekserij, dat hij nu hier in 't bosch den heelen
+avond moest rondloopen en te laat voor het baden thuiskomen. Hij draaide
+zijn muts eens om en bond zijn kousebanden wat vaster, maar hij bleef
+even verward in 't hoofd als te voren.</p>
+
+<p>Hij leunde tegen een dennestam en stond stil om <span class="pagenum" title="53">&nbsp;</span><a id="p_53"></a>zijn gedachten te
+verzamelen. Dit bosch hier kende hij wel; hij had hier zooveel geloopen,
+dat hij elken boom moest kennen. Hij had hier als jongen de schapen
+gehoed. Hij had hier strikken voor de vogels gespannen. In zijn jeugd
+had hij hier me hout gehakt. Hij had het hout gekapt zien liggen op het
+veld en hij had het weer zien opgroeien.</p>
+
+<p>Eindelijk meende hij te weten, waar hij was en hij meende, als hij nu
+maar zoo en zoo liep, dan zou hij wel terecht komen. Maar hoe hij ook
+liep, steeds kwam hij dieper het bosch in.</p>
+
+<p>Opeens voelde hij vasten en gladden grond onder de voeten en hij
+begreep, dat hij nu eindelijk op een weg gekomen was. Dien probeerde hij
+te volgen, want een weg moest ten minste ergens naar toe leiden. Maar
+die weg liep uit op een open plek in 't bosch en daar had het onweer
+vrij spel; daar was geen pad meer te zien, maar enkel sneeuwhoopen en
+diepe, mulle sneeuw. Toen zonk den ouden man de moed in de schoenen en
+hij voelde zich als een arme stumper, die in de wildernis sterven moest.</p>
+
+<p>Hij begon moe te worden van het loopen in de sneeuw en telkens ging hij
+op een steen zitten om te rusten. Maar zoodra hij zat, kreeg hij lust om
+te slapen en hij wist, dat hij doodvriezen zou, als hij insliep. Daarom
+probeerde hij voort te gaan. Dat was het eenige, wat hem redden kon.</p>
+
+<p>Maar eindelijk kon hij den lust om te zitten niet meer <span class="pagenum" title="54">&nbsp;</span><a id="p_54"></a>weerstaan. Hij
+meende, dat als hij maar mocht rusten, het hem niet zoo veel schelen kon
+al moest het zijn leven kosten.</p>
+
+<p>Hij genoot er z van stil te blijven zitten, dat het vooruitzicht van
+den dood hem in 't geheel niet drukte. Hij voelde een soort vreugde, bij
+de gedachte, dat, als hij dood was er een lange lijkrede over hem in de
+kerk zou gehouden worden. Hij herinnerde zich hoe mooi de oude proost
+over zijn vader gesproken had, en zeer zeker zou er nu ook wat moois van
+hem gezegd worden. Men zou er over spreken hoe hij de oudste hoeve in
+'t dorp bezeten had en men zou spreken van de eer te behooren tot een
+aanzienlijk geslacht. En dan zou men van de verantwoordelijkheid
+spreken.</p>
+
+<p>Ach ja, dat er verantwoordelijkheid aan verbonden was, had hij altijd
+wel geweten. Men moest volhouden tot het laatste, wilde men een echte
+Ingmarson zijn.</p>
+
+<p>En er ging een schok door zijn leden bij de gedachte, dat het nu juist
+geen eer voor hem zou zijn hier doodgevroren gevonden te worden in 't
+woeste bosch hierboven. Dat wilde hij niet aan zijn nagedachtenis
+verbinden. En hij stond weer op en begon te loopen. Hij had zoo lang
+stil gezeten, dat heele klompen sneeuw van zijn pels vielen, toen hij
+zich begon te bewegen.</p>
+
+<p>Maar een poos later zat hij weer te droomen. En de gedachte aan den dood
+kwam in nog liefelijker gestalte. Hij doorleefde de heele begrafenis en
+al de eer, die men zijn lijk zou bewijzen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="55">&nbsp;</span><a id="p_55"></a></p>
+
+<p>Hij zag de groote tafel gedekt in de mooie kamer op de tweede
+verdieping, den proost en zijn vrouw aan 't hoofd van de tafel, den
+burgemeester met zijn witte das over de smalle borst, de vrouw van den
+majoor in het zwart zij en met den gouden ketting met veel snoeren om
+den hals.</p>
+
+<p>Hij zag alle gastenkamers met wit overtrokken. Witte lakens voor de
+vensters, wit over de meubels. Dennetakken op den weg van het voorhuis
+tot aan de kerk.</p>
+
+<p>Bakken en slachten en brouwen en braden veertien dagen lang voor de
+begrafenis. Twintig vaam hout in veertien dagen verstookt.</p>
+
+<p>Het lijk op de baar in de binnenkamer, rook in de pasgestookte kamers.
+Gezang bij het lijk, als het deksel op de kist geschroefd wordt,
+zilveren platen op de kist. De heele hoeve wemelend van gasten.</p>
+
+<p>'t Heele dorp in beweging om te regelen, wie de dragers zouden zijn,
+alle hoeden voor de kerk opgeborsteld, alle brandewijn voor den oogst
+opgedronken aan het grafmaal, alle wegen vol menschen als op een
+marktdag.</p>
+
+<p>Weer vloog de oude man op. Hij had de menschen over hem hooren praten
+aan het grafmaal. &bdquo;Maar hoe kon hij toch zoo doodvriezen?&rdquo; vroeg de
+burgemeester. &bdquo;Wat had hij toch in het groote bosch te maken?&rdquo;</p>
+
+<p>En toen antwoordde de kapitein, dat het Kerstbier en de brandewijn daar
+zeker wel schuld aan gehad zouden hebben.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="56">&nbsp;</span><a id="p_56"></a></p>
+
+<p>En dt schudde hem weer wakker. De Ingmarsons waren nuchtere menschen.
+Ze zouden niet van hem zeggen, dat hij in zijn laatste uren onbekwaam
+geweest was. Hij begon weer te loopen. Maar hij was z moe, dat hij
+nauwelijks staan kon.</p>
+
+<p>Hij was hoog op in 't bosch gekomen, dat merkte hij wel, want hij was nu
+op een ellendig veld, vol groote steenen, zooals er lager niet waren.</p>
+
+<p>Hij raakte vast met den voet tusschen een paar steenen, zoodat hij maar
+met moeite los kon komen en kermde van pijn. 't Was allerakeligst!&mdash;</p>
+
+<p>En nu viel hij nog over een grooten hoop takken. Hij viel zacht op
+sneeuw en kleine takjes en hij bezeerde zich niet, maar nu had hij ook
+geen lust meer op te staan. Hij had in niets ter wereld lust dan in
+slapen. Hij lichtte het rijs wat op en kroop er onder, alsof 't een
+deken was. Maar toen hij onder de takken kwam, voelde hij, dat daar iets
+warms en zachts lag. &bdquo;Hier ligt zeker een beer te slapen,&rdquo; dacht hij.</p>
+
+<p>Hij voelde hoe het dier zich verroerde en hoorde beweging om zich heen.
+Maar hij bleef stil liggen. Hij dacht niets anders dan dat de beer hem
+gerust mocht opeten. Hij kon geen stap meer doen om hem te ontvluchten.</p>
+
+<p>Maar de beer vond zeker, dat hij iemand, die in zulk een onweer een
+schuilplaats onder zijn dak zocht, niets mocht doen. Hij ging wat op zij
+in zijn hol, als om voor den gast plaats te maken en onmiddellijk daarna
+<span class="pagenum" title="57">&nbsp;</span><a id="p_57"></a>sliep hij in en hoorde Ingmar zijn gelijkmatig snuivend ademhalen.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Ondertusschen was er niet veel Kerstvreugde op de oude Ingmarshoeve. Men
+had er den heelen avond naar Ingmar Ingmarson gezocht.</p>
+
+<p>Eerst waren zij 't heele huis en alle bijgebouwen rond geweest. Ze
+hadden van den zolder tot den kelder gezocht. Toen waren ze naar de
+naburige hoeven gegaan en hadden naar Ingmar Ingmarson gevraagd.</p>
+
+<p>Toen ze hem niet gevonden hadden, waren de zonen en schoonzonen buiten
+de hoeve gaan zoeken. De fakkels, die de kerkgangers op hun tocht naar
+de mis zouden hebben bijgelicht, werden nu aangestoken en in het woedend
+onweer op wegen en paden rondgedragen. Maar de wind had alle sporen
+uitgewischt en zijn gehuil doofde het geluid der stemmen als ze riepen.
+Ze bleven op en liepen buiten rond tot lang na middernacht, maar toen
+zagen ze duidelijk in, dat ze moesten wachten tot het licht werd, als ze
+den vermiste wilden vinden.</p>
+
+<p>Bij het eerste bleeke daglicht waren allen op de Ingmarshoeve weer op,
+en de knechts stonden op de plaats, klaar om weer het bosch in te gaan.
+Maar eer ze weg konden komen, kwam de oude huismoeder en riep ze in de
+groote kamer. Zij vroeg hun te gaan zitten op de lange banken, zelf ging
+ze aan de Kersttafel zitten met den bijbel voor zich en begon te lezen.
+En toen ze in haar eenvoud naar iets gezocht had, dat <span class="pagenum" title="58">&nbsp;</span><a id="p_58"></a>in een uur als
+dit toepasselijk was, had ze de geschiedenis van den man gevonden, die
+op weg van Jerusalem naar Jericho in de handen van roovers viel.</p>
+
+<p>Ze las langzaam en zingende over den in nood verkeerende, die door den
+barmhartigen Samaritaan geholpen werd. Zonen en schoonzonen, dochters en
+kleindochters zaten om haar heen op de banken. Zij geleken allen op haar
+en op elkander; groot en zwaar, met leelijke, oudachtige gezichten, want
+allen behoorden tot het oude geslacht van de Ingmaren. Allen hadden
+roodachtig haar, sproeten en lichtblauwe oogen met witte wenkbrauwen. Ze
+konden zich anders wel ongelijk genoeg gedragen, maar allen hadden een
+strakken trek om den mond, slaperige oogen en langzame bewegingen, alsof
+alles hun zwaar viel. Maar aan elk van hen kon men toch zien, dat ze tot
+de voornaamsten van het dorp hoorden en dat ze wisten, dat ze meer waard
+waren dan anderen.</p>
+
+<p>Alle Ingmars-zonen en dochteren zuchtten diep onder het voorlezen. Zij
+vroegen zich af of ook een of andere Samaritaan den heer des huizes
+gevonden zou hebben en verzorgd. Want voor alle Ingmaren was het, alsof
+ze iets van hun eigen ziel verloren hadden, als iemand, die tot het
+geslacht behoorde, een ongeluk trof.</p>
+
+<p>De oude vrouw las voort en kwam tot de vraag:</p>
+
+<p>&bdquo;Wie was nu de naaste van dezen man?&rdquo; Maar eer ze het antwoord had
+kunnen lezen, ging de deur open en de oude Ingmar kwam de kamer binnen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="59">&nbsp;</span><a id="p_59"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Moeder, daar is vader,&rdquo; zei een van de dochters, en zoo werd nooit
+voorgelezen, dat de naaste van den man hij was, die hem barmhartigheid
+bewezen had.</p>
+
+<hr />
+
+<p>Iets later op den dag zat de huismoeder weer op dezelfde plaats en las
+in den bijbel. Zij was alleen. De vrouwen waren naar de kerk gegaan,
+en de mannen waren op de berenjacht in 't groote bosch. Zoodra Ingmar
+Ingmarson iets gegeten en gedronken had, was hij met zijn zonen naar het
+bosch getrokken op de berenjacht. Want het is nu eenmaal zoo, dat het de
+plicht van een man is een beer te vellen, waar en wanneer hij hem ook
+vindt. Het gaat niet aan hem te sparen, want vroeger of later krijgt hij
+toch smaak in vleesch en spaart dan mensch noch dier.</p>
+
+<p>Maar zoodra ze op de jacht waren uitgetrokken, was er een groote angst
+over de oude huismoeder gekomen en ze was gaan zitten lezen. Nu begon
+ze te lezen in het hoofdstuk, waar dezer dagen in de kerk over gepreekt
+werd, maar ze kwam niet verder dan: &bdquo;Vrede op aarde, in de menschen een
+welbehagen.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij bleef op die woorden staren met haar doffe oogen en ze zuchtte diep.
+Ze las niet verder, maar herhaalde keer op keer, langzaam en slepend:
+&bdquo;Vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.&rdquo;</p>
+
+<p>De oudste zoon kwam de kamer in, juist toen ze opnieuw die woorden
+langzaam uitsprak.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="60">&nbsp;</span><a id="p_60"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Moeder,&rdquo; zei hij heel zacht.</p>
+
+<p>Ze hoorde hem, maar zag niet van het boek op, toen ze vroeg: &bdquo;Ben je
+niet me naar 't bosch gegaan?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei hij, nog zachter, &bdquo;ik ben me geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Kom hier bij de tafel,&rdquo; zei ze, &bdquo;zoo dat ik je zien kan.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij kwam dichterbij, maar toen ze hem aanzag, zag ze hoe hij beefde. Hij
+moest den rand van de tafel vastgrijpen om de handen stil te kunnen
+houden.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb jelui den beer geveld?&rdquo; vroeg ze weer.</p>
+
+<p>Nu kon hij niet meer antwoorden, maar schudde het hoofd.</p>
+
+<p>De oude vrouw stond op en deed, wat ze niet meer gedaan had, sinds haar
+zoon een kind was. Ze ging naar hem toe, legde liefkoozend haar hand op
+zijn arm, streelde zijn wang en trok hem neer op de bank. Toen ging ze
+naast hem zitten en nam zijn hand in de hare. &bdquo;Zeg mij nu, wat er
+gebeurd is, mijn jongen.&rdquo;</p>
+
+<p>De man herkende de liefkoozingen, die hem als kind getroost hadden, als
+hij ongelukkig en hopeloos was en hij werd zoo aangedaan, dat hij begon
+te schreien.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik begrijp wel, dat het iets met vader is,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, maar het is erger dan dat!&rdquo; snikte de zoon.</p>
+
+<p>&bdquo;Is het erger dan dat?&rdquo;</p>
+
+<p>De man schreide steeds heftiger, hij kon zijn stem niet meer in zijn
+macht krijgen. Eindelijk hief hij zijn grove hand op en wees met zijn
+breede vingers op wat zij pas gelezen had: &bdquo;Vrede op aarde.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="61">&nbsp;</span><a id="p_61"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Heeft dit er iets me te maken?&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde hij.</p>
+
+<p>&bdquo;De Kerstvrede?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Wilden jelui iets kwaads doen van morgen?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En God heeft ons gestraft?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;God heeft ons gestraft.&rdquo;</p>
+
+<p>En nu hoorde ze eindelijk hoe alles gegaan was. Zij hadden het hol van
+den beer gezocht, en toen zij er zoo dicht bij waren, dat ze den hoop
+takken zien konden, waren zij blijven staan om hun geweren in orde te
+maken. Maar eer ze nog klaar waren, kwam de beer uit zijn hol recht op
+hen aanrennen. Hij zag links noch rechts. Hij ging op den ouden Ingmar
+Ingmarson toe, en gaf hem een slag op den schedel, die hem neervelde,
+alsof hij door den bliksem getroffen was. Hij deed geen van de anderen
+iets, maar liep hen voorbij het bosch in.</p>
+
+<hr />
+
+<p>Dien middag reden de vrouw en de zoon van Ingmar Ingmarson naar den
+proost om het sterfgeval te berichten. De zoon voerde het woord. De oude
+huismoeder zat het aan te hooren met een gezicht, even onbeweeglijk als
+een steenen beeld.</p>
+
+<p>De proost zat in zijn leuningstoel bij de schrijftafel. Hij had zijn
+boeken te voorschijn gehaald en schreef <span class="pagenum" title="62">&nbsp;</span><a id="p_62"></a>het sterfgeval in. Hij deed het
+wat langzaam, want hij wilde tijd hebben om te bedenken, wat hij tegen
+de weduwe en den zoon zeggen zou, want dit was wel een ongewoon geval.
+De zoon had heel openhartig verteld hoe alles gegaan was, maar de proost
+zou wel willen weten, hoe zij zelf de zaak opnamen. 't Waren
+eigenaardige menschen, die menschen op Ingmarshoeve.</p>
+
+<p>Toen nu de proost het boek dichtsloeg, zei de zoon:</p>
+
+<p>&bdquo;Wij wilden ook Mijnheer den proost nog zeggen, dat we geen lijkrede
+wilden laten houden over Vader.&rdquo;</p>
+
+<p>De proost schoof den bril op het voorhoofd en zag de oude vrouw
+tegenover hem scherp onderzoekend aan. Zij zat daar even onbeweeglijk
+als te voren. Alleen wrong ze een punt van haar zakdoek tusschen de
+handen.</p>
+
+<p>&bdquo;We zullen hem op een werkdag begraven,&rdquo; zei de zoon.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo, zoo,&rdquo; zei de proost. De kamer draaide met hem in de rondte. De
+oude Ingmarson zou onder den grond gaan, zonder dat iemand het wist. De
+kerkgangers zouden niet op den weg staan en den stoet zien, die hem naar
+'t graf volgde.</p>
+
+<p>&bdquo;We houden geen begrafenismaal voor hem. We hebben den buren laten
+weten, dat ze daar niet op moesten rekenen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo, zoo,&rdquo; zei de proost weer. Hij kon niets anders bedenken. Hij wist
+wat het voor zulke menschen beteekende van een begrafenismaal afstand te
+doen. Hij <span class="pagenum" title="63">&nbsp;</span><a id="p_63"></a>had gezien hoe een deftig begrafenismaal weduwen en weezen
+getroost had.</p>
+
+<p>&bdquo;Er komt ook geen begrafenisstoet. Alleen mijn broers en ik gaan me.&rdquo;</p>
+
+<p>De proost zag als smeekend naar de oude vrouw. Kon zij dit wezenlijk
+goedkeuren? Hij twijfelde er aan of de zoon haar wil wel uitsprak. Zij
+zat daar immers en liet zich alles afnemen wat haar liever moest wezen
+dan zilver en goud. &bdquo;We zullen de klokken niet laten luiden en geen
+zilver op de kist nemen. Moeder en ik willen het zoo, maar wij bespreken
+het met u om te hooren, of u vindt, dat we Vader onrecht aandoen.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu sprak de vrouw ook. &bdquo;Dt is het; we willen weten of we Vader onrecht
+doen.&rdquo;</p>
+
+<p>De proost zweeg nog en toen ging de vrouw levendiger voort:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zal u zeggen, Mijnheer de proost, dat als mijn man iets had misdaan
+tegen den koning of tegen het gerecht, of als ik hem van de galg had
+moeten afsnijden, dan zou hij toch nog een eerlijke begrafenis gekregen
+hebben, zoo als zijn vader vr hem, want de Ingmarsons vreezen niemand
+en behoeven voor niemand uit den weg te gaan. Maar op Kersttijd heeft
+God vrede gemaakt tusschen menschen en dieren en het arme dier hield
+Gods gebod; maar wij overtraden het en daarom lijden we nu de straffe
+Gods. En daarom gaat het niet aan, dat we nu met staatsie te werk gaan
+en opzien wekken.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="64">&nbsp;</span><a id="p_64"></a></p>
+
+<p>De proost stond op en ging naar de oude vrouw toe. &bdquo;'t Is waar wat
+ge zegt,&rdquo; zei hij, &bdquo;en ge moet doen zooals ge besloten zijt.&rdquo; En
+onwillekeurig voegde hij er bij, misschien meer in zich zelf: &bdquo;'t Zijn
+kranige menschen, de Ingmarsons.&rdquo;</p>
+
+<p>De oude vrouw richtte zich onmerkbaar op bij die woorden. De proost zag
+in haar een oogenblik als het symbool van het geheele geslacht. Hij
+begreep wat het was, dat dezen stijven, stillen menschen eeuwen lang de
+macht gegeven had de geheele gemeente te leiden.</p>
+
+<p>&bdquo;Het komt den Ingmarsons toe den menschen een goed voorbeeld te geven,&rdquo;
+zei ze. &bdquo;Het past ons te toonen, dat wij ootmoedig voor God zijn.&rdquo;</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="65">&nbsp;</span><a id="p_65"></a></p>
+
+<h2><a id="HET_GRAFSCHRIFT"></a>HET GRAFSCHRIFT.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Nu let zeker niemand meer op het kleine kruisje, dat in een hoek van het
+kerkhof op Svartsj staat. Nu gaan alle kerkgangers het voorbij, zonder
+het met een blik te verwaardigen. En het is ook geen wonder, dat niemand
+het opmerkt. Het is zoo laag, dat klaver en blauwe klokjes tot aan de
+armen reiken en de tijm er over groeit. Niemand neemt ook meer de moeite
+het opschrift te lezen, wat er op staat. De witte letters zijn nu ook
+bijna geheel afgeregend en het schijnt niemand in te vallen te trachten
+ze nog tot woorden samen te voegen.</p>
+
+<p>Maar het is niet altijd zoo geweest. Dat kruisje heeft in zijn tijd heel
+wat verwondering en verbazing gewekt. Een tijd lang kon niemand de
+voeten zetten op het kerkhof van Svartsj, zonder naar dat kruisje te
+gaan. En als een van de oude menschen het nog heden ziet, dan ziet hij
+op hetzelfde oogenblik een heele geschiedenis voor zich.</p>
+
+<p>Hij ziet dan voor zich de geheele gemeente van <span class="pagenum" title="66">&nbsp;</span><a id="p_66"></a>Svartsj, in winterslaap
+verzonken en bedekt, met effen witte sneeuw, die wel anderhalf el hoog
+ligt. 't Ziet er zoo uit, dat het nauwlijks mogelijk is den weg te
+vinden. Men moet zich naar het kompas richten, zooals op zee. Men ziet
+geen verschil tusschen het land en het meer; een stoppelland ziet
+er even effen uit als een land, dat veel haver heeft gedragen. De
+kolenbranders, die tusschen groote moerassen en bergvlakten wonen,
+kunnen zich verbeelden, dat ze evenveel ontgonnen en bebouwd land
+bezitten als de rijkste boer.</p>
+
+<p>De wegen hebben hun veilige banen tusschen de grauwe schuttingen
+verlaten en wagen zich over de velden en op de bevroren waterplassen.
+Zelfs in de boerderijen kan men in de war komen. Op eens kan men
+ontdekken, dat de weg naar de put dwars over de spireahaag om den
+kleinen rozentuin loopt. Maar nergens is het zoo onmogelijk den weg te
+vinden als op het kerkhof. Ten eerste is de grauwe steenen muur, die het
+van de pastorieakkers scheidt, heelemaal onder de sneeuw, zoodat hij nu
+n met het land is. En ten tweede is het heele kerkhof nu niet anders
+dan een groot wit veld; niet de minste ongelijkheid in 't sneeuwdek
+wijst de vele heuveltjes op den doodenakker aan.</p>
+
+<p>Op de meeste graven staan kleine ijzeren kruisjes, waar dunne, kleine
+hartjes aan hangen, die de wind in beweging moet brengen. Zij zijn allen
+onder de sneeuw. Die kleine ijzeren hartjes kunnen nu hun weemoedige
+liedjes van rouw en gemis niet meer doen klinken. De <span class="pagenum" title="67">&nbsp;</span><a id="p_67"></a>menschen, die in
+de steden aan het werk zijn, hebben voor hun dooden rouwkransen met
+bloemen van kralen en bladen van blik meegebracht, en deze worden zoo
+gewaardeerd, dat ze in glazen doosjes op het graf liggen. Maar nu zijn
+ze begraven onder de sneeuw. Nu is het graf met zulk een versiersel niet
+voornamer dan een ander.</p>
+
+<p>Een paar struiken en seringenboompjes steken boven de sneeuw uit. Maar
+de meesten zijn verborgen. Die kleine, dunne takken, die boven de sneeuw
+uitsteken lijken verbazend op elkaar. Zij kunnen hen, die den weg
+trachten te vinden op het kerkhof, niet veel helpen. Oude vrouwen, die
+gewoon zijn elken Zondag even naar de graven van hen, die ze liefhebben,
+te kijken, kunnen nu door de sneeuw niet verder komen dan even binnen
+den ingang. Daar blijven ze staan en probeeren te raden, waar &bdquo;het
+graf&rdquo; ligt. Is het bij die struik of bij die daar? En ze beginnen
+te verlangen, dat de sneeuw zal smelten. Het is alsof de dooden zoo
+oneindig ver weg zijn, nu men de plaats niet meer kan zien, waar ze
+begraven zijn.</p>
+
+<p>Er zijn ook een paar groote steenen, die boven de sneeuw uitsteken. Maar
+dat zijn er maar enkelen. En de sneeuw hangt over hen heen, zoodat men
+ze niet van elkander kan onderscheiden.</p>
+
+<p>Een enkele gebaande weg loopt maar over het kerkhof. Die gaat van den
+ingang naar het barenhuisje. Als iemand begraven moet worden, wordt de
+kist <span class="pagenum" title="68">&nbsp;</span><a id="p_68"></a>daarheen gebracht en daar houdt nu de predikant de lijkrede en
+werpt de aarde op de kist. Er is geen sprake van, dat de kist in de
+aarde kan komen, zoolang deze winter aanhoudt.</p>
+
+<p>Zij moet in 't barenhuisje blijven staan, tot God den dooi zendt en
+den grond weer met schoffel en spa bewerkt kan worden. En nu gebeurt
+het, juist nu de winter op zijn strengst is en 't kerkhof volkomen
+ontoegankelijk, dat er een kind sterft aan huis van den grondeigenaar
+Sander op Lerum.</p>
+
+<p>Lerum is een groot landgoed en Sander is een machtig man. Hij heeft pas
+een familiegraf op het kerkhof laten maken. Dat herinnert men zich wel,
+al ligt het nu onder de sneeuw verborgen. Het is omgeven met een rand
+gehouwen steenen en een dikke ijzeren ketting. Midden op het graf staat
+een granietblok met den naam van de familie. Daar staat alleen dit eene
+woord: &bdquo;Sander&rdquo; met groote letters, die 't heele kerkhof over te zien
+zijn. Maar nu het kind gestorven is en er over de begrafenis gesproken
+wordt, zegt de grondeigenaar tot zijn vrouw:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wil niet, dat dit kind in mijn graf zal liggen.&rdquo;</p>
+
+<p>Opeens zien we het voor ons. Het is de eetzaal op Lerum en daar zit de
+grondeigenaar aan de ontbijttafel, alleen te eten, zooals hij gewend is.
+Zijn vrouw, Ebba Sander, zit in een schommelstoel aan 't venster, waar
+zij het uitzicht heeft over het meer en de met berken begroeide heuvels.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="69">&nbsp;</span><a id="p_69"></a></p>
+
+<p>Zij heeft zitten schreien, maar nu de man dit zegt, worden haar oogen
+opeens droog. Haar kleine gestalte krimpt ineen van schrik; ze begint te
+beven, alsof ze een felle kou voelt.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zeg je?&mdash;Wat zeg je?&rdquo; vraagt ze. En ze spreekt als iemand, die
+klappertandt van kou.</p>
+
+<p>&bdquo;Het stuit mij tegen de borst,&rdquo; zegt de grondeigenaar. &bdquo;Vader en Moeder
+liggen daar en er staat Sander op den steen. Ik wil niet, dat dit kind
+daar liggen zal.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ah zoo, heb je dat nu bedacht,&rdquo; zegt ze nog steeds bevend. &bdquo;Ik wist
+wel, dat je je eindelijk wreken zou.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij gooit zijn servet weg, staat van tafel op en blijft voor haar staan,
+groot en breed. Het is zijn bedoeling niet met veel woorden zijn wil
+door te zetten. Maar ze kan immers wel aan hem zien, nu hij daar zoo
+staat, dat hij zijn meening niet veranderen kan. Hij is de solide,
+onbeweeglijke koppigheid in eigen persoon.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wil me niet wreken,&rdquo; zegt hij, zonder zijn stem te verheffen. &bdquo;Ik
+kan dit alleen niet verdragen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je spreekt, alsof er alleen maar sprake was van hem uit het eene bed
+naar het andere over te brengen,&rdquo; zei ze. &bdquo;En hij is nu dood, dus voor
+hem is 't wel hetzelfde, waar hij ligt. Maar ik ben verloren!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, daar heb ik ook aan gedacht,&rdquo; zegt hij, &bdquo;maar dit kan ik niet
+verdragen.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij, die jaren lang getrouwd geweest zijn, hebben niet veel woorden
+noodig om elkaar te verstaan en ze <span class="pagenum" title="70">&nbsp;</span><a id="p_70"></a>weet al, dat het volstrekt
+onmogelijk is hem te bewegen.</p>
+
+<p>&bdquo;Waarom heb je me dan vergeven?&rdquo; zegt ze en wringt de handen. &bdquo;Waarom
+liet je me op Lerum blijven als je vrouw en beloofde me te vergeven.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze weet wel, dat hij haar geen kwaad wil doen. Hij kan het niet helpen,
+dat hij nu aan de grens van zijn toegevendheid gekomen is. &bdquo;Zeg aan de
+buren wat je wilt,&rdquo; zegt hij. &bdquo;Ik zal zwijgen. Zeg maar, dat er water in
+het graf gekomen is, of zeg, dat er geen plaats is voor meer kisten, dan
+die van Vader en Moeder en ons beiden.<ins class="corr" id="corr4" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;En denk je, dat ze dat gelooven?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je moet je maar zoo goed mogelijk redden,&rdquo; zegt hij.</p>
+
+<p>Hij is niet boos, dat ziet ze wel. Het is zooals hij zelf zegt. Hij kan
+hierin niet toegeven. Zij gaat wat dieper in den stoel zitten, legt de
+armen achter het hoofd en blijft zwijgend uit het venster zitten staren.
+Vreeselijk is het toch, dat er zooveel in het leven is, dat sterker is
+dan wij. Vooral is het vreeselijk, dat er machten in ons zelf op kunnen
+komen, die men in 't geheel niet beheerschen kan. Voor een paar jaar,
+toen ze al een gezeten, getrouwde vrouw was, kwam de liefde over haar.
+Zoo'n groote liefde! Er was geen denken aan, dat ze die beheerschen kon.</p>
+
+<p>En wat nu haar man beheerschte, was dat wraakzucht?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="71">&nbsp;</span><a id="p_71"></a></p>
+
+<p>Hij was nooit boos op haar geweest. Hij had haar dadelijk vergeven,
+toen ze bij hem kwam en hem alles bekende.</p>
+
+<p>&bdquo;Je waart niet bij je verstand,&rdquo; zei hij en had haar bij zich gehouden
+als zijn vrouw.</p>
+
+<p>Maar hoewel 't gemakkelijk is te zeggen, dat men vergeeft, kan het zwaar
+genoeg vallen het werkelijk te doen.</p>
+
+<p>Vooral is het zwaar voor hen, die haatdragend en zwaarmoedig zijn, die
+niet vergeten en nooit uitbarsten. Wat zij ook zeggen mogen, in hun hart
+blijft iets zitten, dat knaagt en hongert en er naar smacht zich te
+verzadigen aan anderer lijden. Een wonderlijk gevoel heeft zijn vrouw
+altijd gehad, dat het beter geweest was, dat hij toen z boos geworden
+was, dat hij haar geslagen had. Dan had alles later weer goed kunnen
+worden. Maar nu werd hij stil en knorrig en zij werd bang. Ze loopt rond
+als een paard tusschen de disselboomen. Zij weet, dat er achter haar
+iemand zit, die de zweep in de hand houdt, al gebruikt hij die niet. En
+nu heeft hij ze gebruikt. En nu is ze verloren!</p>
+
+<hr />
+
+<p>De menschen zeggen, dat ze nooit een verdriet als het hare gezien
+hebben. Ze ziet er uit als een steenen beeld. In deze dagen vr de
+begravenis weet men bijna niet of ze werkelijk leeft. 't Is onmogelijk
+te zien <span class="pagenum" title="72">&nbsp;</span><a id="p_72"></a>of ze hoort wat men zegt, of ze weet, met wie ze spreekt. Ze
+schijnt geen honger te voelen, ze kan in de felle kou uitgaan, zonder
+het koud te hebben. Maar de menschen vergissen zich. Niet het verdriet,
+de doodsangst versteent haar.</p>
+
+<p>Ze denkt er niet aan op den begrafenisdag thuis te blijven. Ze moet me
+naar het kerkhof&mdash;mee met den lijkstoet. Daar zal ze meeloopen en weten,
+dat allen, die de kist volgen, zullen denken, dat het lijk naar het
+groote graf van de familie Sanders gebracht zal worden. Ze meent, dat
+ze onder alle verwondering en verbazing zal bezwijken, als hij, die met
+de met rouwfloers omhulde staf den stoet vooraf gaat, dien naar een
+onopgemerkt graf leidt. Er zal een gemompel van verwonderd vragen door
+den geheelen optocht gaan, al is het ook een lijkstoet. Waarom mag dat
+kind niet in 't graf van de Sanders liggen? En men zal zich de onzekere,
+losse geruchten herinneren, die eens van haar liepen. Hier moet toch
+een reden voor zijn, zal men zeggen. En eer de lijkstoet het kerkhof
+verlaten heeft, zal ze geoordeeld en verloren zijn. Het eenige wat
+helpen kan, is zelf mee te gaan. Ze moet met een heel rustig gezicht
+daar staan, alsof alles in orde is. Misschien zullen ze haar dan
+gelooven, als ze beproeft de zaak door een verklaring uit den weg te
+ruimen.</p>
+
+<p>De man gaat ook me naar de kerk. Hij heeft voor alles gezorgd, de
+gasten genoodigd, de kist besteld <span class="pagenum" title="73">&nbsp;</span><a id="p_73"></a>en bepaald wie de dragers zullen
+zijn. Hij is tevreden en vriendelijk, nu hij zijn zin gekregen heeft.
+Het is Zondag, en na afloop van de godsdienstoefening stelt zich de
+lijkstoet op buiten de consistoriekamer. De dragers leggen de witte
+doeken over de schouders, alle notabelen uit de stad gaan me in den
+stoet, en een groot gedeelte van de kerkgangers volgen.</p>
+
+<p>Terwijl de stoet geordend wordt, denkt zij, dat zij zich nu opstellen om
+een misdadiger naar de gerechtsplaats te volgen.</p>
+
+<p>Hoe zullen ze haar aanzien, als ze terugkomen? Zij is gekomen om hen
+voor te bereiden; maar ze heeft geen woord over de lippen kunnen
+krijgen. Ze kan niet kalm en verstandig spreken. Wat ze wl zou kunnen
+is luid jammeren en het uitschreeuwen, zoodat het over 't heele
+kerkplein klonk. Ze durft de lippen niet te verroeren, om niet in een
+luiden schreeuw van ontzetting uit te barsten.</p>
+
+<p>De klokken in den toren beginnen te luiden en de stoet zet zich in
+beweging. En nu zullen ze het allen zien, zonder voorbereiding. Waarom
+heeft toch zij niet kunnen spreken. Ze moet zich geweld aandoen, om den
+dragers niet toe te roepen, dat ze niet met den doode naar het kerkhof
+moeten gaan. Een doode is immers niets waard.</p>
+
+<p>Waarom moet zij in 't verderf gestort worden ter wille van een doode. Ze
+mogen den doode leggen, waar ze willen,&mdash;alleen niet op het kerkhof. Er
+gaan verwarde <span class="pagenum" title="74">&nbsp;</span><a id="p_74"></a>gedachten door haar hoofd: of zij ze niet bang kan maken,
+zoodat ze niet op 't kerkhof durven komen. Daar is 't gevaarlijk. Dat is
+door de pest besmet. Men heeft er wolvensporen ontdekt. Ze wil ze bang
+maken als kinderen.</p>
+
+<p>Ze weet niet waar 't graf van het kind gegraven is. Ze zal het altijd
+vroeg genoeg zien, denkt ze. Toen nu de tocht het kerkhof opkomt, ziet
+ze uit over het sneeuwveld om een pas gegraven graf te vinden. Maar ze
+ziet geen weg en geen graf. Daar is niets dan een effen sneeuwveld. En
+de stoet gaat naar het barenhuisje. Zoovelen, als er in kunnen, dringen
+naar binnen en daar heeft de begrafenisplechtigheid plaats. Er is niet
+eens sprake van het familiegraf van de Sanders. Niemand kan merken, dat
+de kleine, die nu voor de laatste rust wordt voorbereid, nooit in het
+familiegraf rusten zal.</p>
+
+<p>Als Ebba Sander hier nu maar aan gedacht had, als ze in haar angst niet
+alles had vergeten, had ze geen oogenblik bang behoeven te zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;En het voorjaar,&rdquo; denkt ze, &bdquo;als de kist begraven wordt, is zeker
+niemand anders dan de doodgraver er bij. Niemand zal iets anders
+vermoeden, dan dat het kind in het graf van de Sanders ligt.&rdquo;</p>
+
+<p>En nu begrijpt ze, dat ze gered is.</p>
+
+<p>Ze barst in heftig schreien uit. De menschen zien haar medelijdend aan.
+&bdquo;'t Is vreeselijk, zoo bedroefd als ze is,&rdquo; zeggen ze. Maar zelf weet
+ze best, dat ze schreit <span class="pagenum" title="75">&nbsp;</span><a id="p_75"></a>uit verlichting, als iemand, die uit nood en
+levensgevaar is gered.</p>
+
+<p>Een paar dagen na de begrafenis zit ze in de schemering op haar gewone
+plaats in de eetkamer. En terwijl het duister valt, betrapt ze er zich
+op, dat ze zit te wachten en te verlangen. Ze zit naar het kind te
+luisteren. Nu is het immers de tijd, dat het binnenkomen zal om te
+spelen. Zal het vandaag niet komen? Plotseling gaat haar een schok door
+de leden. &bdquo;Het is immers dood? Dood!&rdquo;&mdash;</p>
+
+<p>Den volgenden dag zit ze weer te verlangen in de schemering. En den
+eenen avond na den anderen komt dat verlangen weer en wordt al sterker.
+Het verbreidt zich, zooals het licht in de lente, tot het eindelijk
+regeert over alle uren van den dag en van den nacht.</p>
+
+<p>Het is immers bijna wel vooruit te zeggen, dat een kind als het hare
+meer liefde na zijn dood dan bij zijn leven zal ontvangen. Zoolang het
+leefde heeft de moeder aan niet anders gedacht, dan om haar man terug te
+winnen. En hem kon het kind niet aangenaam zijn; het moest weggehouden
+worden. Het moest dikwijls voelen, dat het tot last was.</p>
+
+<p>De vrouw, die haar plichten ontrouw werd, heeft den man willen toonen,
+dat ze toch nog wat waard was. Ze had altijd werk in de keuken en in de
+weefkamer. Hoe kon ze tijd vinden voor den kleinen jongen onder dit
+alles.</p>
+
+<p>En nu, achterna, herinnert ze zich hoe zijn oogen <span class="pagenum" title="76">&nbsp;</span><a id="p_76"></a>plachten te smeeken
+en te bedelen. 's Avonds wilde hij, dat zij bij zijn bed zou zitten. Hij
+zei, dat hij bang in 't donker was, maar nu denkt ze, dat het misschien
+niet waar was. Hij heeft dat maar gezegd, opdat ze bij hem blijven zou.
+Ze denkt er aan hoe hij zijn best deed <i>niet</i> in te slapen. Nu begrijpt
+ze, dat hij zich wakker hield om lang haar hand in de zijne te voelen.</p>
+
+<p>Hij was een listig ventje, zoo klein als hij was. Hij had al zijn
+verstand gebruikt om ook iets van haar liefde te krijgen.</p>
+
+<p>'t Is wonderlijk, dat kinderen zoo kunnen liefhebben. Zij heeft dat
+nooit begrepen, terwijl hij leefde.</p>
+
+<p>Eigenlijk begon ze nu pas het kind lief te hebben. Nu pas voelt ze zich
+door zijn schoonheid bekoord. Ze kan zitten droomen van zijn groote,
+geheimzinnige oogen. Het was nooit een kindje met roode, ronde wangetjes
+geweest, hij was bleek en tenger. Maar hij was wonderlijk mooi.</p>
+
+<p>En ze denkt aan hem als aan iets heerlijks, dat bij den dag heerlijker
+wordt&mdash;kinderen zijn immers het beste, wat er op aarde is.&mdash;Denk eens
+aan, zulke kleine menschjes, die ieder de hand toesteken en van ieder
+het goede gelooven! Kleine menschjes, die niet vragen of een gezicht
+mooi en heerlijk is, maar even graag het eene als het andere kussen, die
+ouden en jongen, armen en rijken kunnen liefhebben. En toch zijn het
+wezenlijke kleine menschjes.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="77">&nbsp;</span><a id="p_77"></a></p>
+
+<p>En elken dag komt het kind haar nader en nader. Ze zou wel willen, dat
+het nog leefde, maar toch vraagt ze zich af, of ze het dan ooit z
+dicht genaderd zou zijn als nu.</p>
+
+<p>Soms is ze er wanhopend over, dat ze haar jongen niet gelukkiger gemaakt
+heeft, terwijl hij leefde. &bdquo;Daarom is hij mij zeker afgenomen,&rdquo; denkt
+ze. Maar toch treurt ze niet dikwijls op deze wijze. Ze is vroeger bang
+geweest voor rouw, maar nu vindt ze, dat het anders is dan ze gedacht
+heeft. Rouwen is immers telkens in het verleden leven. Haar rouw is zich
+geheel in het wezen van haar jongen in te leven, hem nu eindelijk te
+begrijpen. Deze rouw maakt haar leven veel rijker.</p>
+
+<p>Waar ze nu het meeste bang voor wordt, is, dat de tijd hem haar af zal
+nemen. Ze heeft geen portret van hem. Misschien zullen zijn trekken uit
+haar herinnering verdwijnen. En iederen dag probeert ze: &bdquo;zie ik hem
+nog? Kan ik hem nog wel goed zien?&rdquo; zegt ze.</p>
+
+<p>En de winter gaat voorbij, de eene week na de andere, en ze merkt met
+verbazing, dat ze naar de lente verlangt, wanneer ze hem uit het
+barenhuisje zal halen en in de aarde doen rusten, zoodat ze bij zijn
+graf komen en met hem spreken kan.</p>
+
+<p>Hij moet in 't Westen liggen. Daar is het 't mooiste. Zij zal zijn graf
+met rozen versieren. Zij wil er ook een bank op hebben. Ze wil er lang,
+lang kunnen zitten.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="78">&nbsp;</span><a id="p_78"></a></p>
+
+<p>Maar dan zullen de menschen wel verbaasd zijn. De menschen weten immers
+niet anders, dan dat haar kind in het familiegraf ligt. Wat zullen ze
+verwonderd zijn, als ze haar een vreemd graf zien versieren en daar uren
+zitten. Wat zal ze hun zeggen?</p>
+
+<p>Nu en dan denkt ze, dat ze z zal doen. Eerst naar het groote
+familiegraf gaan en daar een groote bouquet brengen en daar een poos
+zitten. Later zal ze dan wel naar dat kleine grafje kunnen sluipen. Hij
+zal wel tevreden zijn met een enkel bloempje, dat ze voor hem sparen
+zal.</p>
+
+<p>Ja, hij zal er wel tevreden me zijn, als zij het zijn kan. Maar het is
+toch, alsof ze niet recht met hem kan samenleven op die manier. En hij
+zal dan weten, dat ze zich over hem schaamde. Hij zal begrijpen welk een
+brandende schande het voor haar was, dat hij geboren werd. Ze <ins class="corr" id="corr5" title="Bron: wl">wil</ins> hem
+daarvoor bewaren. Hij moet denken, dat het geluk hem te bezitten alles
+te boven ging.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Eindelijk wijkt de winter. Men kan al zien dat het lente wordt. Het
+sneeuwdek smelt, de aarde komt voor den dag. Nog duurt het misschien
+een paar weken, eer de kou uit den grond gaat, maar toch is er hoop, dat
+de dooden uit het barenhuisje zullen komen. En zij verlangt, o! zij
+verlangt zoo!</p>
+
+<p>Kan ze hem nog zien? Zij probeert het iederen dag, maar het ging 's
+winters beter; nu het lente is wil <span class="pagenum" title="79">&nbsp;</span><a id="p_79"></a>hij zich niet voor haar vertoonen.
+Ze wordt wanhopend. Ze moet op het graf kunnen zitten om hem weer nabij
+te komen, hem te kunnen zien, hem lief te kunnen hebben. Zou hij dan
+nooit onder de aarde komen?</p>
+
+<p>Ze heeft niets meer om lief te hebben. Ze moet hem kunnen zien, haar
+heele leven lang.</p>
+
+<p>En eindelijk verdwijnt alle twijfel, en alle kleinmoedigheid voor haar
+sterk verlangen. Ze heeft hem lief, zoo innig lief. Ze kan zonder den
+doode niet leven. Ze voelt, dat ze zich naar niemand schikken kan dan
+naar hem. En nu eindelijk de lente werkelijk gekomen is, nu de hoogten
+en graven weer te voorschijn komen op het kerkhof, nu de ijzeren hartjes
+weer beginnen te klinken en de kralen bloemen schitteren in hun glazen
+kastjes, nu de aarde zich eindelijk opent voor dat kleine kistje, heeft
+ze een zwart kruis laten maken, dat ze op het graf zetten zal.</p>
+
+<p>Dwars over het kruis op de beide armen staat met duidelijk witte
+letters:</p>
+
+<p class="rust"><i>Hier rust mijn kind.</i></p>
+
+<p>En dan beneden op het kruis haar naam. Zij geeft er in 't minst niet om
+of de heele wereld zal weten wat ze gedaan heeft. Alles is ijdelheid,
+het eenige gewichtige is, dat ze zonder te huichelen zal kunnen bidden
+op het graf van haar kind.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="80">&nbsp;</span><a id="p_80"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_BEIDE_BROEDERS"></a>DE BEIDE BROEDERS.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Ach! wat is het toch jammer van de dooden, die in de steden gestorven
+zijn, dat ze op de stadskerkhoven begraven moeten worden. Als ze op den
+lijkwagen gezet en door de straten gereden worden, is het alsof ze
+moeten knorren en klagen in de kist. Sommigen jammeren er over, dat ze
+geen pluimen op den lijkwagen hebben. Anderen tellen de kransen na en
+zijn niet tevreden. En dan zijn er ook, die maar door twee of drie
+rijtuigen gevolgd worden en daardoor gekwetst zijn.</p>
+
+<p>Zooiets moesten de dooden nooit kunnen voelen en ondervinden. Maar de
+menschen in de steden weten niet hoe ze hen moeten eeren, die naar de
+lange rust in de aarde gebracht worden.</p>
+
+<p>Daar hebben ze in dorpen beter slag van, en nergens kunnen ze het zoo
+goed als in Svartsj in Wermeland.</p>
+
+<p>Als ge in Svartsj sterft, weet ge zeker, dat ge een kist zult krijgen
+precies zooals alle anderen, een echte zwarte kist, van 't zelfde soort,
+als die waarin de rechter en de leenman dit jaar begraven zijn. Want
+dezelfde <span class="pagenum" title="81">&nbsp;</span><a id="p_81"></a>timmerman maakt alle kisten en hij heeft maar n model. Geen
+een wordt beter of minder dan de andere. En ge weet ook&mdash;want dat hebt
+ge immers als zoo dikwijls gezien,&mdash;dat ge naar de kerk wordt gereden
+op een boerenwagen, die voor die gelegenheid zwart geschilderd is. Ge
+behoeft in 't geheel niet aan pluimen te denken, want die heeft men daar
+niet. En ge weet, dat de paarden witte doeken aan de teugels hebben en
+dat men even langzaam en plechtig met u rijdt als met een grondeigenaar.</p>
+
+<p>Maar ge behoeft niet bang te zijn, dat ge geen kransen genoeg zult
+krijgen, want er wordt geen enkele bloem op de kist gelegd. Die behoort
+zwart en glimmend te zijn; niets moet haar bedekken.</p>
+
+<p>En ge behoeft er niet aan te denken, dat uw lijkstoet niet groot genoeg
+zal zijn, want allen die in het dorp wonen, zullen megaan. En ook zult
+ge niet naar geween of geklaag om uw baar behoeven te luisteren. Er
+wordt nooit over de dooden geweend, als ze op den heuvel buiten de kerk
+van Svartsj staan.</p>
+
+<p>Neen, men schreit evenmin over een jongen, bloeienden man, die door den
+dood geveld werd, juist toen hij voor zijn oude arme ouders begon te
+zorgen, als er over u geschreid wordt. Ge wordt op een paar zwarte
+schragen buiten de deur van de consistoriekamer gezet, en een massa
+menschen verzamelen zich langzamerhand om u heen, en alle vrouwen hebben
+den zakdoek in de hand. Maar niemand zal schreien, alle zakdoeken
+<span class="pagenum" title="82">&nbsp;</span><a id="p_82"></a>zullen stijf opgerold blijven, geen enkele wordt aan de oogen gebracht.
+Ge behoeft er niet bang voor te zijn, dat de menschen over u niet
+zooveel tranen zullen schreien als over andere dooden. Zij zouden
+schreien als het paste, maar het past niet. Ge kunt toch wel begrijpen,
+dat als er veel rouw bij n graf was, het er leelijk uit zou zien voor
+hen, die door niemand betreurd worden. Zij weten wel wat ze doen in
+Svartsj. Zij gedragen zich zooals het nu al sinds vele honderd jaren de
+gewoonte daar is.</p>
+
+<p>Maar terwijl ge daar op den kerkheuvel staat, zijt ge een groot en
+machtig wezen, hoewel ge geen bloemen of tranen krijgt. Niemand komt in
+de kerk zonder te vragen wie ge zijt. En dan gaan ze zwijgend naar uw
+kist, blijven daar staan en bekijken die. En het komt niemand in den zin
+den doode pijn te doen door hem te beklagen. Niemand zegt iets anders,
+dan dat het voor hen, die heengingen goed is, dat het uit is.</p>
+
+<p>Het is daar in 't geheel niet zooals in een stad, dat ge begraven kunt
+worden op elken dag van de week. In Svartsj moet ge op een Zondag
+begraven worden, zoodat ge de geheele gemeente om u heen kunt hebben.
+Daar naast uw kist staat het meisje, waar ge op het laatste zomerfeest
+mee gedanst hebt en de man, met wien ge op de laatste markt paarden
+geruild hebt. Ge hebt uw schoolmeester bij u, die u opvoedde als kleine
+jongen, en die u vergeten heeft, hoewel ge u hem zoo goed herinnert,
+en daar komt <span class="pagenum" title="83">&nbsp;</span><a id="p_83"></a>ook het oude lid van den rijksdag, die u vroeger nooit
+groeten wou. Het is hier in 't geheel niet zooals in een stad. Daar
+zouden de menschen nauwelijks naar u kijken, als ge hun voorbij gereden
+werdt.</p>
+
+<p>Als men met de lange draagkleeden komt en die onder de kist legt, is er
+niemand, die er niet op toeziet.</p>
+
+<p>Ge kunt niet begrijpen wat voor een kerkknecht ze in Svartsj hebben.
+Hij is een oud soldaat en ziet er uit als een veldmaarschalk. Hij heeft
+kort geknipt wit haar, en gedraaide knevels en een spitse sik, hij is
+tenger en lang, en loopt rechtop met lichte, vaste stappen. Zondags
+heeft hij een schoongeborstelde jas van fijn laken aan. Hij ziet er
+werkelijk uit als de deftigste oude heer, dien men zich voorstellen kan.
+En hij gaat voor den stoet uit. Achter hem aan loopt de man met den
+rouwstaf.</p>
+
+<p>'t Is niet zeker, dat die man wel goed uitkomt naast den kerkknecht.
+Misschien is zijn hoed wat groot of ouderwetsch. Hij is ook zeker wat
+verlegen, maar wanneer is de man met den rouwstaf niet verlegen?</p>
+
+<p>Dan komt ge zelf in uw kist met de zes dragers, en dan komt de predikant
+en de klokkeluider en 't gemeentebestuur en de geheele gemeente. Alle
+kerkgangers gaan met u mee tot op het kerkhof, daar kunt ge zeker van
+zijn.</p>
+
+<p>Maar nu moet ge hier wel op letten. Zij, die met u meegaan, zien er zoo
+eenvoudig en armoedig uit. Het zijn immers geen deftige stadsbewoners.
+Het zijn maar <span class="pagenum" title="84">&nbsp;</span><a id="p_84"></a>gewone, eenvoudige menschen uit Svartsj. Het is alsof er
+maar n groot en eerbiedwaardig is, en dat zijt gij in uw kist, gij,
+die dood zijt.</p>
+
+<p>De anderen zullen den volgenden dag opstaan en weer aan zwaar, grof werk
+gaan, ze zullen in hun oude, armoedige hutten zitten en oude, verstelde
+kleeren dragen. Die anderen zullen weer gekweld en geplaagd en gedrukt
+en verootmoedigd worden door hun armoede.</p>
+
+<p>Als een vreemde met u me naar het graf ging, zou hij veel weemoediger
+worden bij het zien van de menschen en den lijkstoet, dan bij de
+gedachte aan u, die dood zijt. Ge behoeft nooit meer de fluweelen
+kraag op uw rok na te zien, om te kijken of hij ook kaal wordt op de
+kanten, ge behoeft geen aparte plooi in uw zijden doek te leggen, om te
+verbergen, dat hij op 't punt staat te kerven. Ge zult den landkoopman
+nooit meer behoeven te vragen u waren op crediet te geven, ge zult niet
+voelen hoe uw werkkracht vermindert, ge behoeft niet te loopen wachten
+op den dag, dat ge de gemeente tot last zult komen.</p>
+
+<p>Terwijl ze u naar het graf brengen, loopt ieder te denken, dat het maar
+het beste is dood te zijn; beter naar den hemel op te varen, door de
+witte morgenwolken gedragen, dan aldoor het moeilijke leven te dragen.
+Als men bij den kerkhofmuur komt, waar het graf gegraven is, worden de
+draagkleeden tegen sterke touwen verwisseld en de dragers klimmen op de
+losse aardhoopen en laten u zakken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="85">&nbsp;</span><a id="p_85"></a></p>
+
+<p>En als dat gebeurd is, komt de koster bij den rand van het graf en
+begint te zingen:</p>
+
+<p class="rust size67">&bdquo;Ik ga den dood te gemoet.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij zingt den psalm geheel alleen, de predikant noch iemand van de
+omstanders helpt hem. Maar de koster moet zingen, en hoe hard de
+noordenwind, en hoe scherp de zon is, die hem in 't gezicht staat, hij
+zingt.</p>
+
+<p>De koster is heel oud en hij heeft niet veel stem meer. Hij weet wel,
+dat het nu zoo mooi niet meer klinkt, als toen hij in zijn jonge dagen
+zong voor de menschen, die begraven werden, maar hij doet het toch,
+omdat het bij zijn werk hoort.</p>
+
+<p>Want begrijpt ge, op den dag, dat zijn stem hem geheel begeeft, moest
+hij zijn betrekking neerleggen en dat wil zeggen; in groote armoede
+vervallen.</p>
+
+<p>Daarom zijn alle omstanders bang, terwijl de oude koster zingt, en
+luisteren angstig of zijn stem het wel het heele vers door uithouden
+zal. Maar niemand zingt mee, niet n, want dat gaat niet, dat doet men
+niet. Men zingt nooit bij een graf in Svartsj. Ook in de kerk zingt men
+nooit meer dan den eersten psalm op Kerstmorgen.</p>
+
+<p>Maar als iemand goed luisterde, zou hij merken, dat de koster niet
+alleen zingt. Er is werkelijk een stem, die me zingt, maar die klinkt
+z precies eender, dat de twee stemmen zich vermengen, alsof zij n
+waren.</p>
+
+<p>De andere stem, die me zingt, is die van een kleinen <span class="pagenum" title="86">&nbsp;</span><a id="p_86"></a>ouden man, in een
+langen grijzen pelsrok. Hij is nog ouder dan de koster, maar hij zingt
+wat hij kan, om hem te helpen.</p>
+
+<p>En de stem is, zooals ik al zei, van hetzelfde soort als die van den
+koster; zij zijn z eender, dat men niet laten kan er zich over te
+verbazen. Maar als men goed toeziet, lijkt ook de kleine, grijze oude
+man precies op den koster, hij heeft dezelfde kin en mond, alleen wat
+ouder en nog meer door het leven geteekend. En dan begrijpt men, dat de
+kleine arme, de broer van den koster is. En dan weet men meteen, waarom
+hij hem helpt. Want ziet ge, hem is het nooit goed gegaan hier in de
+wereld, en hij heeft altijd tegenspoed gehad. En eens is hij failliet
+gegaan en heeft den koster in zijn ongeluk meegesleept. Hij weet, dat
+het zijn schuld is, dat zijn broeder het altijd moeilijk gehad heeft.</p>
+
+<p>En de koster heeft geprobeerd hem weer op de been te helpen, maar dat
+lukte niet. Want hij was niet z, dat men hem kon helpen. Hij had nooit
+voorspoed en dan was er ook de rechte kracht niet in hem.</p>
+
+<p>Maar de koster was het stralende licht in de familie, en de andere heeft
+altijd door maar moeten aannemen, en heeft nooit iets terug kunnen
+geven.</p>
+
+<p>Goede hemel! er was geen sprake van iets terug te geven. Hij, die zoo
+arm is! Ge moest de hut van plaggen eens zien, waar hij woont.</p>
+
+<p>Hij weet, dat hij altijd somber en bedroefd geweest is, en een last,
+niets dan een last voor zijn broer en <span class="pagenum" title="87">&nbsp;</span><a id="p_87"></a>voor andere menschen. Maar zie!
+nu in den laatsten tijd is hij een machtig man geworden. Nu staat hij
+daar en geeft iets terug. Ja, dat doet hij. Nu helpt hij zijn broer, de
+koster, die het licht en 't leven en de vreugd was van al zijn dagen. Nu
+helpt hij hem zingen, opdat hij zijn post behouden kan.</p>
+
+<p>Hij gaat niet naar de kerk, want hij meent, dat allen hem aankijken,
+omdat hij geen zwarte zondagsche kleeren heeft. Maar iederen Zondag gaat
+hij naar den kerkheuvel om te zien of er een kist op de zwarte bokken
+buiten de consistoriekamer staat. En als dat zoo is, gaat hij me naar
+het graf en daar vertoont hij zich in zijn ouden grijzen rok en helpt
+zijn broer met zijn ellendige stem.</p>
+
+<p>De kleine oude hoort heel goed hoe leelijk hij zingt. Hij gaat achter de
+anderen staan en dringt niet vooruit tot bij het graf. Maar zingen doet
+hij. Het zou zoo veel niet hinderen, als de stem den koster begaf bij
+een of anderen toon. Zijn broer is er om hem te steunen. Op het kerkhof
+lacht niemand om het gezang, maar als de menschen thuis zijn en wat uit
+de ernstige stemming gekomen, dan spreekt men over den kerkgang en lacht
+om 't gezang van den koster, om zijn stem en die van zijn broer. De
+koster geeft er niet om, daar is hij de man niet naar; maar zijn broer
+lijdt er onder en denkt er over. Hij beeft de heele week door voor den
+Zondag, maar hij komt toch stipt op den kerkheuvel en doet zijn plicht.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="88">&nbsp;</span><a id="p_88"></a></p><p>Maar gij, daar binnen in uw kist, gij vindt dat zingen zoo leelijk
+niet. Ge vindt, dat het goede muziek is. Is het niet waar, dat men in
+Svartsj begraven zou willen worden, alleen om dat gezang?</p>
+
+<p>Er staat in den psalm, dat het leven een reis naar den dood is; en als
+nu die twee ouden dat zingen, die twee, die levenslang voor elkaar
+geleden hebben, dan voelt men als nooit te voren, hoe moeilijk het leven
+is en dan is men er volkomen tevreden me dood te zijn. En dan eindigt
+het lied en de predikant werpt de aarde op de kist en houdt zijn
+toespraak.</p>
+
+<p>Daarop zingen de twee oude stemmen: &bdquo;Ik ga naar den hemel.&rdquo; En zij
+zingen dit vers niet beter dan het vorige. Hun stemmen worden zwakker en
+klagender, hoe langer ze zingen.</p>
+
+<p>Maar voor u uit breidt zich een groote, wijde ruimte en ge zweeft daarop
+in angstig geluk en al het aardsche verdwijnt en verbleekt.</p>
+
+<p>Maar het laatste, wat ge van het aardsche hoort, is toch iets van trouw
+en liefde, en midden onder uw bevende vlucht naar den hooge, zal dat
+armoedig gezang de herinnering wekken aan al wat ge aan liefde en trouw
+hier beneden hebt ondervonden, en dat zal u omhoog dragen. Dat zal uw
+ziel met lichtglans vullen en u schoon en heerlijk maken als een engel.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="89">&nbsp;</span><a id="p_89"></a></p>
+
+<h2><a id="ROMEINSCH_BLOED"></a>ROMEINSCH BLOED.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Als ge in Rome geweest zijt, hebt ge zeker wel de kleine landmuren
+buiten de stadsmuren gezien. Daar is een stuk land, waar men
+kroonartisjokken, erwten en bloemkool verbouwt, al naar gelang van het
+jaargetij. Een paar lage, met stroo gedekte huizen, een kleine ezelstal,
+een groote gemetselde put met een schuin dak en een paar kippenhokken;
+en natuurlijk een massa pluimgedierte en niet alleen kippen, kalkoenen
+en tamme eenden, maar ook fasanten en pauwen.</p>
+
+<p>En dan om wat te verdienen,&mdash;want groente en kippen brengen geen
+schitterend inkomen op&mdash;koopt men een paar groote vaten romeinsche
+slotswijn en bewaart die in een van de kleine schuurtjes, die niet meer
+dan een kamer elk hebben. Daar zet men ook een toonbank en een plank met
+literflesschen en glazen, maar buiten op de plaats tusschen den put en
+de kippenhokken zet men lange banken en flinke tafels.</p>
+
+<p>Hier buiten den stadsmuur gieren de winden uit de Campagna scherp en
+onbelemmerd, daarom zet men <span class="pagenum" title="90">&nbsp;</span><a id="p_90"></a>daken boven de banken en omringt die met
+wanden van riet, waar de zonneschijn goudgeel komt doorsiepelen. En
+eindelijk laat men een uithangbord schilderen en hangt het uit boven de
+kleine gemetselde poort, die naar de straat en de stad voert. En dan is
+de osteria klaar.</p>
+
+<p>Nino Beppone was nu al tien jaar lang kellner in zulk een kleine osteria
+geweest. Maar nu moet men niet denken, dat hij daar zoo lang bleef
+om het loon en de fooien, of omdat hij nergens anders voor deugde.
+Integendeel. Nino was een flinke, ja zelfs een ontwikkelde jonge man, en
+dat hij zich tevreden stelde met kellner te zijn in een osteria buiten
+den stadsmuur, was alleen omdat hij Teresa, de oudste dochter in 't
+huis, liefhad.</p>
+
+<p>Ach! hoe lief had Nino haar. Ze was zoo mooi! En mooi, zooals Nino het
+graag had, met groote krachtige trekken en sterke, heldere kleuren.
+Haar gang was fier en licht als die van een koningin. Ze sprak met een
+heldere, klankvolle stem en zoo duidelijk, dat geen lettergreep van een
+woord wegviel. Ze lachte, zooals zilvren klokjes bengelen. Haar handen
+waren mooi, wit en vast, en haar handdruk sterkte als een zegenbede.</p>
+
+<p>Allen, die in de osteria kwamen, wilden bij haar bestellen, en
+verlangden, dat zij altijd achter de toonbank zou staan. &bdquo;Waar is
+Teresa?&rdquo; vroegen ze onwillekeurig als ze haar niet zagen. En dat kon
+Nino zich zoo goed begrijpen. Hij wist immers zelf hoeveel beter de
+<span class="pagenum" title="91">&nbsp;</span><a id="p_91"></a>soep smaakte, als zij die opdeed uit de pan, dan wanneer haar zusters
+die voorgediend hadden.</p>
+
+<p>Het was waarlijk geen wonder, dat ieder graag met haar te doen had. Wat
+was 't niet vredig en veilig alleen maar in de kamer te zijn waar zij
+was?</p>
+
+<p>Hij was er overtuigd van, dat de menschen veel minder in de osteria
+kwamen om wijn te drinken, dan wel om Teresa al hun zorgen toe te
+vertrouwen. Als de ezel dood was, als men verloren had bij het
+balspelen, of als die gekke Pietro iemand met het mes gestoken had, dan
+was het een verlichting het haar te vertellen. En nu en dan gebeurde het
+zelfs, dat jonge, flinke mannen, die geen zorgen hadden, lange treurige
+histories zaten te verzinnen, alleen om te maken, dat ze stil stond bij
+hun tafeltje en hen een beetje troostte. Ach neen, ze waren niet op haar
+verliefd; maar ze wilden toch graag, dat zij hun wijn in zou schenken,
+dat zij hun een mandarijn zou toestoppen, als ze heen gingen, en hun
+beloven, dat ze in haar gebeden aan hen zou denken.</p>
+
+<p>De andere zusters trouwden, zoodra ze zestien jaar waren. Een verhuisde,
+en een bleef met man en kinderen bij de ouders inwonen. Maar Teresa
+wilde niet trouwen, en Nino wist wel waarom. Hij wist wel, dat ze noch
+hem, noch een van de andere landlieden zou nemen. Teresa was trotsch, ze
+zou nooit trouwen dan met een signor.</p>
+
+<p>Ja, ja! Teresa was heel trotsch. Men kon het zien <span class="pagenum" title="92">&nbsp;</span><a id="p_92"></a>aan de manier, waarop
+ze 't haar opmaakte, hoog op het hoofd, precies als een signorina,&mdash;en
+aan haar kleeding in de kerk. In de osteria droeg ze een groen schort en
+een rooden doek om den hals, maar als ze Rome inging, was ze altijd in
+het zwart. En ze had een grooten hoed met gebogen rand en een kraag van
+veeren om den hals, z lang, dat hij tot op de plooien van haar kleed
+neerhing.</p>
+
+<p>Natuurlijk zou Nino het heel gepast vinden als Teresa een signora werd.
+Het eenige vreemde was, dat ze niet begreep, dat ze het al was.</p>
+
+<p>Eigenlijk was Nino er best me tevreden, dat Teresa niet met een
+Campagna-bewoner wilde trouwen. Hij zelf had geen hoop haar ooit te
+veroveren. Hij was rond en dik als een meelzak en had zulk een grauwe
+tint, juist als een molenaar. En maar een paar kleine streepjes als
+oogen. Nino wist wel, dat hij veel te leelijk was voor Teresa. Maar nu
+het zoo lang duurde, eer zij haar signor kreeg, en niemand anders haar
+durfde vragen, kon Nino jaar in jaar uit haar kameraad blijven. En dat
+was waarlijk geen klein geluk.</p>
+
+<p>De dagen daar buiten op de kleine hoeve waren voor Nino vol zaligheid.
+'s Morgens als Teresa met haar vogels bezig was, droeg Nino een bak met
+mas voor haar. In den voormiddag hielp hij haar wieden en de groente
+voor de markt in orde maken. En 's avonds als de arbeiders, die naar
+huis gingen, in de osteria een glas goudgele castello romano kwamen
+drinken, <span class="pagenum" title="93">&nbsp;</span><a id="p_93"></a>stond zij bij het vat en vulde de maatjes, en hij nam ze van
+haar aan. Maar als het een bizondere dag was, als er feest- of marktdag
+was, en de menschen kwamen aanstroomen en alle zitplaatsen waren
+ingenomen, als de heele plaats wemelde van goochelaars en verkoopers van
+gepiepte appelen en kastanjes, en hij en zij ademloos door de tafeltjes
+snelden met hun flesschen en glazen, dan knikten ze elkaar toe, als ze
+elkaar tegenkwamen. Zij voelden zich zoo kameraadschappelijk als
+soldaten, die samen ten strijde trekken.</p>
+
+<p>Maar op de avonden, dat er geen klanten kwamen, zat Nino Teresa te
+vertellen van wat hij in zijn boeken gelezen had. Zij liet hem de
+geheele geschiedenis van het oude Rome vertellen, en vooral wilde ze
+graag hooren, hoe de plebejers tot patricirs werden verheven en van
+de machtige romeinsche matronen. Nino wist wel waarom. Zij voelde zich
+van 't zelfde bloed. En den volgenden dag stak ze 't hoofd nog fierder
+omhoog. En Nino zei tegen zichzelf, dat hij wel dwaas leek. Want iedere
+keer, dat hij haar vertelde van Cornelia, de moeder der Gracchen,
+verwijderde hij haar verder van zich. Waarom kon hij toch niet laten
+haar te vertellen? Waarom had hij haar toch 't meeste lief, als zij den
+hals zoo fier verhief en haar oogen vlamden.</p>
+
+<p>Toen zij vier en twintig jaar oud was, hoorde Nino de menschen zeggen,
+dat zij nu bijna te oud werd om nog een man te krijgen. Ze was niet mooi
+meer. Nino begreep niet, wat ze bedoelden. Was zij niet mooi?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="94">&nbsp;</span><a id="p_94"></a></p>
+
+<p>Op een dag merkte hij toch, dat ze gelijk hadden. Ze werd werkelijk
+bleek, ze was op weg om oud te worden. Hij had het vroeger niet gemerkt,
+maar nu zag hij het, doordat ze weer begon op te leven. Al haar jeugdige
+schoonheid straalde weer op haar gezicht. Wat was dat voor een wonder?
+Nino werd bijna bang, toen hij het zag.</p>
+
+<p>Iederen avond kwam er nu een kleine luitenant in de osteria. Ach! ach!
+Nino kon niet ontkennen, dat hij er alleraardigst uitzag. Hij had een
+zwarte uniform met zilver aan, en een zacht, kinderlijk gezicht. Hij was
+al den eersten avond, dat hij haar zag, verliefd op Teresa geworden. En
+zij had zij ter wille van hem haar schoonheid teruggekregen? Hield zij
+van dat luitenantje? Was de signor nu eindelijk gekomen?</p>
+
+<p>De arme Nino begon op eens den oorlog en de militairen te haten. Itali
+voerde oorlog met Abyssini, en hij vond, dat het al ellende genoeg was,
+dat de Italiaansche soldaten over de zee moesten trekken om het een
+vreemd volk lastig te maken, dat geen kwaad gedaan had. Het was al
+ellende genoeg, die ze daar aanrichtten. Hier thuis konden ze toch wel
+laten de menschen ongelukkig te maken.</p>
+
+<p>Nino zocht gelijkgezinden op en kwam in vredegenootschappen. Hier trad
+hij als spreker op en pleitte voor het afschaffen van het leger. Itali
+moest niet groot worden als oorlogvoerende mogendheid maar als een land
+des vredes. &bdquo;Laat ons dien Afrikaanschen <span class="pagenum" title="95">&nbsp;</span><a id="p_95"></a>oorlog doen ophouden. Laat
+onze soldaten terugkomen en naar de landbouwschool gaan.&rdquo; Dat waren
+Nino's woorden.</p>
+
+<p>Op deze vergaderingen voelde Nino zich een machtig man. Hij stelde
+adressen aan den minister en aan den koning op. Hij werd spoedig een der
+leiders. Hij werd een van de meest geliefde sprekers. De arme! Als hij
+thuis kwam van zulk een vergadering, waar hij den oorlog en het leger
+afgeschaft had, kwam hem Teresa tegemoet. Zij bleven bij den put
+stilstaan, waar ze altijd plachten te zitten praten en Teresa wilde
+over den oorlog hooren. De tegenwoordige oorlog boezemde haar geen
+belangstelling in, maar ze wilde weten, wat de Romeinen in vroeger dagen
+gedaan hadden. Nu wilde ze van Scipio hooren. Was het Scipio niet, die
+naar Afrika getrokken was en de zwarten overwonnen had! En Nino moest
+den halven nacht van niets anders dan van den oorlog vertellen.</p>
+
+<p>Terwijl Nino vertelde, werd Teresa stralend mooi. Bij het schijnsel van
+de lantaarn zag Nino haar zoo: wonderlijk mooi, met een geheimzinnigen
+glimlach op de lippen. Nino begreep, dat ze alleen een held kon
+liefhebben. Maar hij, die haar niet kon weigeren haar van zulk een
+afschuwelijk bloedblad te vertellen, wat was hij? Hij was laf. Als ze
+een Nero had liefgehad, zou Nino zich hebben laten dwingen de tyrannen
+te prijzen. Nino was laf! Een ellendeling. Hij was wezenlijk geen held.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="96">&nbsp;</span><a id="p_96"></a></p>
+
+<p>Eindelijk was zij verloofd met luitenant Ugo en Nino dacht er ernstig
+over zich vrij te maken en een anderen dienst te zoeken. Maar hij kon
+niet, zij was juist toen zoo vriendelijk voor hem. Hij zou maar wachten
+tot na de bruiloft.</p>
+
+<p>Teresa vergat Nino geen oogenblik. Zijn verjaardag viel op den dag na
+haar verloving en Nino was somber dien morgen. Hij meende, dat deze dag
+de treurigste in zijn leven zou zijn. Maar hij was nooit in zijn leven
+zoo gevierd geworden. Teresa had zakdoeken voor hem genaaid met een
+monogram, dat de helft van den doek bedekte. Zij had ook een taart voor
+hem gebakken en ze ging naar de kerk van St. Antonio in Padua om voor
+Nino tot zijn beschermheilige te bidden. Den heelen dag bediende zij
+hem en liet hem geen enkele flesch wijn dragen. Zij schertste met hem
+en dwong hem vroolijk te kijken. Hij moest wel lachen, of hij wilde of
+niet, omdat zij het wilde. Nu moesten allen gelukkig zijn.</p>
+
+<p>'s Nachts kon Nino niet laten te schreien. Hij had gemerkt, dat ze in
+die dagen de vogels dubbel rantsoen gaf, de ezel had versch stroo
+gekregen, en de kat mocht op haar schouder zitten, zoo lang ze wilde.
+Nino had zich nooit z met de kat, den ezel en de vogels gelijkgesteld
+gevoeld.</p>
+
+<p>Hoe gelukkig was ze er me, dat haar vriend officier was. Behalve dat
+hij een signor was, vond ze 't heerlijk, dat hij millitair was. Nino
+hoorde eens, dat <span class="pagenum" title="97">&nbsp;</span><a id="p_97"></a>ze antwoordde, toen iemand haar vroeg of ze niet bang
+was, dat hij naar Afrika gezonden zou worden: &bdquo;Ja werd hij dat maar, dan
+zou het er wel anders gaan.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu, dit gebeurde juist in den winter van '96 toen men meende, dat het
+daar in Afrika eindelijk in orde zou komen. Men zond het eene schip met
+troepen na het andere, maar men hoorde nooit, dat zij keizer Menelik
+en zijn Shoanen ontmoetten. De troepen legerden zich bij Adua, dat was
+alles wat men wist. Het was als wanneer de bijen uit den korf kruipen
+en buiten den ingang in een grooten klomp blijven hangen, en men gaat
+er iederen dag naar kijken en ergert er zich over, dat ze niet gaan
+zwermen.</p>
+
+<p>Teresa hield zich prachtig, toen ze tegen het eind van Februari hoorde,
+dat luitenant Ugo naar Afrika moest. Nino zag geen traan in haar oogen.
+Zij dacht er alleen aan, dat het nu wel tot een gevecht en tot
+overwinningen zou komen. Nu zou haar arm Itali geholpen worden.</p>
+
+<p>Zij hield een afscheidsfeest voor haar verloofde en zijn kameraden. 't
+Was een heerlijk feest. De Castello-romano wijn vloeide bij stroomen.
+Zij had haar vetste kalkoenen geslacht en de eerste kroon-artisjokken
+geplukt. En zij had massa's taarten en zoetigheid tot dessert. Ze had
+een vlaggestok op het dak van den put gezet en daar Itali's vlag
+geheschen. Ze had ook transparanten gemaakt, waarop te lezen stond:</p>
+
+<p>&bdquo;Leve het leger! Heil zij onze dappere soldaten. <span class="pagenum" title="98">&nbsp;</span><a id="p_98"></a>Alles voor Itali!&rdquo; en
+andere groote woorden. Ja, 't was Nino die de gekleurde lantarens aan
+het stroodak gehangen en voor de zangers gezorgd had, die de nieuwe
+krijgsliederen zouden zingen. Maar hij had in zichzelf gezworen, dat
+Teresa hem niet zou bewegen een toast te slaan. Arme Nino, het werd hem
+niet gevraagd. Zij durfde hem zoo iets gewichtigs niet toe te
+vertrouwen.</p>
+
+<p>Maar 's avonds, toen de kleine bommen voor de voeten der gasten
+ontploften, toen niet alleen het stroodak boven de banken, maar ook
+de kippenhokken, de put en het woonhuis van groene, roode en witte
+lantaarns straalden en toen Nino de bengaalsche vuren tusschen de
+kroon-artisjokken aanstak, zag hij wel wat zij bedoelde, al zagen de
+anderen dat niet. Het was, alsof ze met ieder glas wijn, dat ze den
+soldaten reikte, wilde zeggen: &bdquo;Ga en maak nu ernst met de zaak. Rome's
+vrouwen willen een nieuwe triumftocht naar de Campidoglio zien.&rdquo;</p>
+
+<p>Niemand wist beter dan Nino, hoe lief Teresa dien kleinen, aardigen man
+had, die tegen de barbaren zou uittrekken. En toen hij zag hoe ze hem
+liet heengaan zonder klagen, zonder zich een oogenblik zwak te toonen,
+moest hij haar zijns ondanks bewonderen. Zij had een van de matronen in
+'t oude Rome kunnen zijn, dacht Nino. Er is echt romeinsch bloed in haar
+aderen.</p>
+
+<p>Toen luitenant Ugo met zijn troepen naar Napels <span class="pagenum" title="99">&nbsp;</span><a id="p_99"></a>vertrok, waar ze naar
+Afrika zouden ingescheept worden, ging Nino met Teresa me naar het
+station.</p>
+
+<p>Het was laat in den avond. De soldaten kwamen in den pas aanmarcheeren.
+Om hem heen wemelde het van straatjongens, familieleden en
+enthousiasten. Bij het station werden ze opgewacht door Romes sindaco en
+verscheiden generalen. Er werden toespraken gehouden, er werd geroepen:
+&bdquo;Leve Itali!&rdquo;&mdash;er werden kussen gewisseld en er werd met bloemen
+gestrooid.</p>
+
+<p>Teresa stond daar bleek van geestdrift. Ze liet geen woord van klacht
+hooren. Er waren aristocratische dames, die bloemen uitdeelden aan
+de soldaten en zij volgde hun voorbeeld. En ze smeekte de jonge
+krijgslieden, dat ze niet terug zouden komen, eer ze de hoofdstad van
+Menelik ingenomen hadden. Luitenant Ugo omhelsde haar en beloofde haar
+terug te komen met de kroon van de abyssinische keizerin. En zoo
+scheidden zij.</p>
+
+<p>Maar luitenant Ugo was nog geen twee dagen weg geweest, hij had nog
+niet eens naar Afrika kunnen afreizen, voor het bericht kwam, dat de
+groote zwerm, die bij Adua gelegerd was, in beweging was gekomen. Die
+was opgetrokken tegen de Abyssinirs en was verslagen en verstrooid
+geworden.</p>
+
+<p>Dat was juist op een oogenblik, dat niemand aan iets anders dacht, dan
+aan de overwinningen, die daar gewonnen moesten worden, nu er zooveel
+volk heengezonden werd. De koning zelf was naar Napels gereisd <span class="pagenum" title="100">&nbsp;</span><a id="p_100"></a>om de
+laatste troepen te zien vertrekken. Den eenen dag sprak hij tot hen
+over de eer, die zij zouden verwerven voor hun geliefd Itali. En
+den volgenden dag kwam een telegram, die berichtte, dat een veldslag
+verloren, het leger verstrooid was; die sprak van vlucht en paniek.</p>
+
+<p>Eigenaardig was het hoe die telegrammen de menschen in die dagen
+troffen. Meneliks kogels hadden maar een zevenduizend man kunnen vellen,
+maar de telegrammen namen het werk van de kogels over. Ze kwamen van de
+hoogvlakte van Adua, over de Middellandsche zee en troffen doel. Ach!
+geen enkel Italiaansch hart bleef ongedeerd.</p>
+
+<p>Teresa kwam geheel verslagen bij Nino.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat is er toch gebeurd, Nino?&rdquo; vroeg ze, &bdquo;hoe kon dat nu zoo slecht
+gaan?&rdquo;</p>
+
+<p>En Nino vertelde haar, dat de Italianen verslagen waren, niet zoozeer
+door de menschelijke vijanden, als wel door de overmachtige natuur.
+Daarbuiten moest men bergen opklauteren, waarvan de laagste waren als
+de Sabiner en Albanerberg boven op elkaar. Daar waren geen wegen, maar
+men marcheerde over velden met distels begroeid, zoo stijf en met zulke
+scherpe punten, dat een ezel ze niet zou kunnen eten. Daar was zoo
+weinig eten te krijgen, dat de soldaten zich op de muilezels wierpen,
+die op den weg neervielen en de stukken vleesch naar zich toe rukten.</p>
+
+<p>Maar dat was immers geen land om menschen heen <span class="pagenum" title="101">&nbsp;</span><a id="p_101"></a>te zenden! een land waar
+men muilezels moest eten!</p>
+
+<p>Neen, dat vond Nino ook.</p>
+
+<p>En nu kon Nino zijn hart luchten. Nu kon hij Teresa vertellen hoe
+vreeselijk de oorlog was.</p>
+
+<p>Ze lazen samen de couranten. Zij lazen, dat men vreesde, dat de troepen,
+die nu uitkwamen, Menelik en de Shoanen op de havenkade van Massana al
+zouden ontmoeten. Zij, die nu uittrokken, gingen een wissen dood
+tegemoet. Teresa las ook, dat de barbaren vooral op de officieren
+schoten. Zij mikten op hun blauwe insignes en troffen ze uit
+hinderlagen, als ze met hun soldaten voortrukten.</p>
+
+<p>Ze las van alle wreedheden en gruwelen, die de zwarte menschen bedreven.
+Zij las van de verschrikkelijke oude vrouwen, die het leger volgden en
+na een slag op het slagveld rondliepen, om de dooden te plunderen en te
+verscheuren.</p>
+
+<p>Toen was Teresa ten einde raad. Ze was bang. Ze durfde niet verder
+lezen.</p>
+
+<p>Nino schoof zijn muts achteruit en vroeg haar wat ze dan gedacht had,
+dat de menschen in den oorlog deden. Had ze dan niet gedacht, dat men
+daar gedood werd? Neen, ze wist niet recht, wat ze gedacht had, maar dit
+in het geheel niet! Ze dacht er alleen aan, dat de zwarten verslagen
+zouden worden en de Italianen een groote overwinning behalen.</p>
+
+<p>Toen kwam een brief van luitenant Ugo, waarin hij haar nog eens vaarwel
+zei. De stoomboot, die hem <span class="pagenum" title="102">&nbsp;</span><a id="p_102"></a>naar Afrika zou brengen, zou den avond van
+den volgenden dag vertrekken.</p>
+
+<p>Dien nacht gingen Teresa en Nino op weg naar Napels. Wat moest ze daar
+doen? Nino meende, dat ze haar verloofde nog eens zien wilde voor zijn
+vertrek. Maar zelf wist ze in 't geheel niet waarom ze ging. Ze kon het
+niet laten. En niemand dan Nino had ze me willen hebben.</p>
+
+<p>Dien morgen, zoodra ze in Napels aankwamen, zocht zij den luitenant
+in de kazerne op. Hij kwam haar tegemoet, verward en gehaast, maar
+zichtbaar aangedaan en gevleid door dat ze hem nog eens vaarwel kwam
+zeggen. Maar Teresa werd doodsbleek toen ze hem zag. Hij droeg nu een
+lichte uniform van geelachtig grijs linnen met een breeden lichtblauwen
+band over de borst. Die blauwe band was het mikpunt, waar de zwarten op
+schoten.</p>
+
+<p>Hij moest gauw weer naar binnen, naar zijn soldaten. Kon ze hem dan
+den heelen dag niet meer spreken? Ja, zij konden om n uur samen
+koffiedrinken. Dan had hij twee uur vrij. Dat spraken ze af en hij
+snelde weg. Ja, dat was een dag! Nino en zij zetten zich neer op een
+bank bij de &bdquo;villa&rdquo; en wachtten daar. Ze deed niet anders dan vragen hoe
+laat het was.</p>
+
+<p>Zoodra ze met Nino alleen was, werd haar gezicht strak en bleek als dat
+van de beelden, die om hen heen stonden en haar oogen schenen niet meer
+te zien dan de hunnen. Nino vroeg haar, waarom ze zoo <span class="pagenum" title="103">&nbsp;</span><a id="p_103"></a>wonderlijk voor
+zich uit staarde. Zij antwoordde, dat ze <i>zijn</i> lijk voor zich zag.
+Den heelen nacht had ze hem dood zien liggen in een bergpas. Zij had
+ook de zwarte oude vrouwen gezien, die toesnelden om hem te plunderen
+en te verscheuren. Nino had immers verteld, dat ze daar de lijken
+verscheurden.</p>
+
+<p>Nino zocht naar iets, wat haar troosten kon en haar weer wat hoop geven.
+Hij herinnerde er haar aan, dat luitenant Ugo dapper was. Hij zou zich
+wel weren tegen de barbaren.</p>
+
+<p>Wat hielp het hem, dat hij dapper was, zei ze, als de vijand verborgen
+lag in 't kreupelhout en op den blauwen band mikte. Had Nino wel op dien
+blauwen band gelet? Waarom was die doodsband blauw? Waarom was die niet
+rood als bloed!</p>
+
+<p>Het grootste gedeelte van den morgen zaten ze zwijgend naast elkaar.
+Teresa kon niet meer met Nino praten, maar ze wilde, dat hij naast haar
+zou blijven zitten. Zij liet hem beloven, dat hij haar niet verlaten
+zou, den heelen dag niet.</p>
+
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet, Teresa.&rdquo;</p>
+
+<p>En Nino zat er aan te denken hoe wonderlijk het was, dat Teresa hem
+naast zich wilde hebben als een steun in haar groot verdriet; dat ze hem
+haar heele vertrouwen gaf, en dat hij, Nino, haar eigenlijk nader was
+dan de andere.</p>
+
+<p>Hij vroeg zich af of het wel zoo heel anders zijn zou als ze hem
+liefhad. Nu en dan, dacht hij, dat ze <span class="pagenum" title="104">&nbsp;</span><a id="p_104"></a>meer van hem hield, dan ze zelf
+wist. En het wonderlijkste was, dat hij er juist vandaag aan dacht, nu
+hij zag, dat ze bijna waanzinnig van angst was, dat den ander iets
+kwaads zou overkomen.</p>
+
+<p>Nino was ook bij den maaltijd. Luitenant Ugo bestelde een kamer apart en
+daar aten zij met hun drien.</p>
+
+<p>In den beginne was Teresa vroolijk; zij scheen even zorgeloos als thuis
+in de osteria en Nino meende, dat ze alle onrust en angst op zij wilde
+zetten in deze uren om enkel gelukkig te zijn. Zij was zelfs nu en dan
+veel vroolijker dan gewoonlijk; zij koketteerde met luitenant Ugo,
+zoodat hem het hoofd omliep. En ze stond toe, dat hij haar kuste. Nino
+zag wel neer op zijn bord, maar hij merkte het toch. Nino zag haar nu
+en dan aan en zijn kleine, grijze oogen smeekten haar hem heen te laten
+gaan. Maar dan kwam haar hand, ijskoud en bevend, stil naar hem toe
+onder de tafel, legde zich op de zijne en hield die vast. De luitenant
+vond hem klaarblijkelijk meer dan overcompleet, maar Teresa wilde hem
+bepaald bij zich houden.</p>
+
+<p>Er werd Asti Spumanti en Lacrymae Christi geschonken en Nino dronk,
+zooals hij nog nooit gedronken had. Maar het gelukte hem niet zich doof
+of blind te maken.</p>
+
+<p>Ten slotte, toen Nino meende, dat luitenant Ugo ongeveer buiten zichzelf
+moest zijn door haar blikken en kussen, boog zij zich naar hem toe en
+vroeg hem <span class="pagenum" title="105">&nbsp;</span><a id="p_105"></a>schijnbaar half schertsend, of hij niet thuis kon blijven.
+Zou hij 't onmogelijk zoo kunnen schikken, dat hij niet naar Afrika
+hoefde?</p>
+
+<p>Hij lachte haar uit. Neen, daar zag hij geen kans toe.</p>
+
+<p>Kon hij niet ziek worden, of zich ziek houden? Neen, neen, dat ging
+niet.</p>
+
+<p>Maar had hij er wel aan gedacht hoe lang het nu duren zou, eer ze zouden
+kunnen trouwen?</p>
+
+<p>De luitenant begreep nauwlijks, dat het haar ernst was. Ja zeker had hij
+daaraan gedacht, maar er was immers niets aan te doen.</p>
+
+<p>Teresa lachte niet meer, maar sprak met een stem, die beefde van
+ontroering. Zij bekende hem hoe zij naar hem verlangd had, sinds hij op
+reis gegaan was. Zij kon geen dag zonder hem leven. Kon hij nu geen
+voorwendsel vinden om te kunnen blijven?</p>
+
+<p>&bdquo;Teresa,&rdquo; zei hij, &bdquo;dan zou ik immers eerloos zijn. Vraag mij dat niet.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Eerloos,&rdquo; zei ze vleiend, &bdquo;hoe kan je dat nu zeggen. Je zoudt immers
+niet uit lafheid thuis blijven, maar omdat ik je z liefheb, dat ik je
+niet kan laten gaan.&rdquo;</p>
+
+<p>De luitenant kuste haar, maar hij scheen in haar smeekingen niet anders
+dan een plotselingen inval te zien.</p>
+
+<p>Toen begon ze over wat anders.</p>
+
+<p>Als het nu tot een veldslag kwam, en als de zwarten begonnen te
+schieten, wilde hij haar dan beloven dien blauwen band af te leggen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="106">&nbsp;</span><a id="p_106"></a></p>
+
+<p>Neen, dat kon niet, dat mocht hij niet doen. Maar nog altijd geloofde
+de luitenant, dat het maar scherts was. Nino zag hoe Teresa als uitgeput
+het hoofd liet zinken. Toen ze opzag, was ieder spoor van vroolijkheid
+uit haar gezicht verdwenen. Zij was weer zooals ze dien morgen geweest
+was.</p>
+
+<p>Nu begon ze hem met een heftigen woordenstroom te vertellen, al wat ze
+van het vreemde land en van de wijze van oorlogvoeren van de zwarten
+gehoord had. Ze vertelde van den berg en de scherpe distels en den
+hongersnood. Toen ze van de muilezels vertelde, lachte hij en zei, dat
+het niet waar was.</p>
+
+<p>Zij sprak van luitenant Petrini, die door de vrouwen van de Shoanen
+verbrand was. Wist hij dat, of niet? En wat was er nu voor eer te winnen
+in een oorlog tegen de barbaren. En ze schoten alle officieren dood.
+Wist hij dat? Zij mikten op den blauwen band, en schoten 't eerst op de
+officieren.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach Teresa,&rdquo; zei hij, &bdquo;wil je me bang maken? Zijn dat woorden voor een
+Romeinsche?&rdquo;</p>
+
+<p>Ja, ja! juist voor een Romeinsche. De vrouwen van Rome hadden nooit
+toegestaan, dat men haar beroofde van wat zij het liefst hadden. En nu
+moest hij weten, dat ze alleen gekomen was om hem te zeggen, dat ze
+zeker wist, dat hij vallen zou, als hij nu heenging. Zij zag hem al dood
+voor zich! Dood en verscheurd!</p>
+
+<p>Toen ze dit gezegd had, hield zij zich niet meer in, maar toonde hem al
+haar wanhoop. Ze wierp zich <span class="pagenum" title="107">&nbsp;</span><a id="p_107"></a>voor hem op de knien, schreide, smeekte,
+bad.</p>
+
+<p>Hij werd heel bedroefd, maar ook wat bezwaard. Een oogenblik zag hij
+Nino aan, alsof hij hem afvroeg wat hij doen moest. Nino keek op zijn
+horloge. Ja zeker. Dat was het eenigste wat hij doen kon. Zeggen dat de
+tijd om was en heengaan.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat zou je nu willen, dat ik deed?&rdquo; zei de luitenant. &bdquo;Ik kan niet
+anders dan heengaan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Doe alsof je ziek ben. Er gaan nu genoeg menschen naar Afrika. Het is
+slecht om daarheen te gaan. Die menschen daar vechten voor hun thuis en
+hun familie. Je kunt toch niet tegen hen willen vechten.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Als ik hier blijf, ben ik een verloren man.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je zult daar sterven, en sterven voor niets. Wat hebben de zwarten ons
+gedaan? Laat ze met rust. Zij willen ons land niet nemen, waarom moeten
+wij het hunne hebben?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Teresa,&rdquo; zei luitenant Ugo. &bdquo;Neem nu moedig afscheid van me, zooals
+laatst in Rome. Nu moet ik weg.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;<i>Moet</i> je?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga dan maar.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Teresa.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ga maar. Ik zal probeeren niet meer aan je te denken. Je ben dood voor
+me.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze stond niet op; maar bleef op den grond liggen. Ze zag hem niet eens
+aan. Hij streek haar over het <span class="pagenum" title="108">&nbsp;</span><a id="p_108"></a>blauwzwarte haar. Ze bewoog zich niet.
+Hij zuchtte diep, wist niet, wat hij zeggen of doen moest, en ging
+werkelijk heen.</p>
+
+<p>Hij drukte angstig en vast Nino's hand. Het was alsof hij hem Teresa
+toevertrouwde.</p>
+
+<p>Tegen den avond stonden Nino en Teresa bij de haven. Een paar groote
+stoomschepen lagen op de reede, gereed om te vertrekken, en een massa
+booten lagen bij de steigers om er de troepen heen te brengen. Eenige
+duizende menschen verdrongen zich op de kade om hen te zien afreizen.</p>
+
+<p>Maar er was een groot verschil in het vertrek der troepen nu en in den
+afgeloopen winter. Toen had men niet genoeg kunnen jubelen bij het aan
+boord gaan der soldaten. Nu, na de nederlaag, waren zij, die heengingen,
+en zij, die afscheid namen, somber gestemd. Nu zou men liefst de booten
+hebben doorgeboord, zoodat ze geen van Itali's zonen naar dat
+vervloekte barbarenland konden voeren.</p>
+
+<p>De soldaten kwamen aanmarcheeren naar de haven, zoo stil, alsof ze weg
+wilden sluipen. Geen muziek, geen schoten, geen hoera!&mdash;Uit de menigte
+van toeschouwers ging een dof gemompel van toorn en droefheid op, en men
+bespoedigde het inschepen zooveel mogelijk. Men was er niet heel zeker
+van, dat het volk de afreis niet zou verhinderen.</p>
+
+<p>Teresa scheen op zooiets te hopen. &bdquo;Zij zullen het niet toelaten, Nino,&rdquo;
+zei ze. &bdquo;Al die mannen zullen <span class="pagenum" title="109">&nbsp;</span><a id="p_109"></a>niet toelaten, dat hun zonen worden
+weggevoerd en door de barbaren geslacht.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de eene boot na de andere gleed weg naar de stoomschepen en de
+menigte liet het toe. Een enkele drong door in den troep, maar alleen
+om een laatsten afscheidskus, een laatsten groet te brengen. Nino
+zag luitenant Ugo op de kade staan en het inschepen in de sloepen
+dirigeeren.</p>
+
+<p>Maar waar was nu Teresa? Daareven hing ze aan Nino's arm, maar nu zag
+hij haar bij den steiger. Zij sloeg de armen om luitenant Ugo. Hij kuste
+haar en wilde zich uit haar armen losmaken. 't Was zijn beurt om in te
+stappen.</p>
+
+<p>Zij scheen zich ook terug te trekken, maar toen zag Nino iets in haar
+hand glinsteren. Het was alsof ze haar verloofde nog eenmaal wilde
+omhelzen. Op 't zelfde oogenblik wankelde hij en gaf een gil.</p>
+
+<p>Nino was in een oogenblik bij hen. Hij rukte Teresa naar zich toe en
+trok haar midden tusschen de menschen<ins class="corr" id="corr6" title="Niet in Bron.">.</ins></p>
+
+<p>&bdquo;Blijf hier stil staan.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze lachte met een bijna waanzinnigen lach. &bdquo;Nu zal hij niet op reis
+gaan, Nino,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<p>Nino greep haar bij den pols. &bdquo;Zwijg,&rdquo; zei hij en hield haar zoo vast,
+dat het pijn deed.</p>
+
+<p>&bdquo;De politie mag anders gerust....&rdquo;</p>
+
+<p>Nino drukte zijn ijzeren vuist nog dichter en ze zweeg.</p>
+
+<p>'t Was een geweldig gedrang; de menschenmassa golfde heen en weer. Nino
+hield zich hardnekkig <span class="pagenum" title="110">&nbsp;</span><a id="p_110"></a>midden in het gedrang. Hij deed geen poging tot
+vluchten.</p>
+
+<p>&bdquo;Goed zoo,&rdquo; fluisterde een Napolitaner hem toe.</p>
+
+<p>&bdquo;Blijf maar stil staan, dat de politie geen argwaan krijgt. Geen
+Napolitaner zal jelui verraden.&rdquo;</p>
+
+<p>Op eens begon Teresa te snikken.</p>
+
+<p>&bdquo;Schei uit,&rdquo; zei Nino, &bdquo;dat moog je niet doen.&rdquo;</p>
+
+<p>En haar tranen hielden op. Ze stond stil en zwijgend, zoolang Nino
+wilde. Hij had de macht in handen.</p>
+
+<p>Luitenant Ugo werd opgenomen en weggedragen.</p>
+
+<p>De politie begon te zoeken naar de vrouw, die hem gekwetst had. Nino en
+Teresa hoorden hen aan de menschen vragen: &bdquo;Waarheen is ze gevlucht?
+Heeft iemand haar gezien?&rdquo;</p>
+
+<p>'t Was een lange signora!&mdash;neen een kleine?&mdash;had men haar gezien,&mdash;neen,
+daar;&mdash;ze was naar 't station gevlucht;&mdash;neen, naar Santa Lucia.&mdash;En de
+politieagenten verspreidden zich rechts en links.</p>
+
+<p>Na een poos bracht Nino Teresa naar het station. En ze gingen rustig
+naar huis. Nino vertrouwde er op, dat luitenant Ugo Teresa niet zou
+aangeven.</p>
+
+<p>Hij las ook in de courant den volgenden dag, dat de luitenant verklaard
+had, dat hij de vrouw, die hem gewond had, nooit had gezien.</p>
+
+<p>De wonde was niet gevaarlijk. En in de week daarna kwam er een brief van
+hem aan Teresa.</p>
+
+<p>Sedert die reis naar Napels had zij zich in alles <span class="pagenum" title="111">&nbsp;</span><a id="p_111"></a>door Nino laten
+leiden. Nu kwam ze ook met den brief bij hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Lees dien, Nino,&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>Hij maakte den brief open en bleef bevend staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Heb je hem uit, Nino?&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>Nino antwoordde: &bdquo;Ja,&rdquo; met een angst in zijn stem als had hij haar
+doodvonnis in handen.</p>
+
+<p>&bdquo;Laat me dan hooren,&rdquo; zei ze en richtte zich op.</p>
+
+<p>En Nino las voor, dat luitenant Ugo haar niet meer liefhad. &bdquo;Al mijn
+liefde is in mij gestorven. Mijn arme liefde is dood!&rdquo; schreef hij.</p>
+
+<p>Ze trok verachtelijk de schouders op.</p>
+
+<p>&bdquo;Kan dan de liefde van een signor geen bloed zien?&rdquo; vroeg ze.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach Teresa,&rdquo; schreef luitenant Ugo, &bdquo;je waart voor mij de trots van het
+vaderland, je waart het herboren Rome, de sterke vrouw uit de oudheid,
+je waart een vrouw, die eenmaal de Romeinen tot helden zou maken, je
+zou zielskracht genoeg hebben om ons uit te zenden om de wereld te
+veroveren. Vergeef me, dat ik mij vergiste. Ik weet nu, dat de oude
+Romeinsche vrouwen dood zijn. De dochters van het nieuwe Rome zenden
+geen man uit om eer te behalen, zij hebben alleen moed om hem te
+beletten zijn plicht te doen.&rdquo;</p>
+
+<p>Teresa legde haar hand op die van Nino. &bdquo;Ik wil niet meer hooren,&rdquo; zei
+ze.</p>
+
+<p>Nino zweeg.</p>
+
+<p>&bdquo;Als ik dat niet gedaan had, Nino,&rdquo; zei ze, &bdquo;zou <span class="pagenum" title="112">&nbsp;</span><a id="p_112"></a>hij nu dood zijn. Ik
+begrijp niet, wat hij bedoelt. Ik zag hem dood in een bergpas liggen.
+Hij zou daar nu liggen, als ik er niet geweest was. Hoe kon ik hem nu
+laten gaan!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Vindt je ook, dat ik laf ben, Nino?&rdquo; vroeg ze. &bdquo;Ben ik ontaard? Heb ik
+geen droppel Romeinsch bloed in mijn aderen?&rdquo;</p>
+
+<p>Nino zag haar aan, zooals ze daar voor hem stond, zoo fier, zoo mooi
+en zoo koppig. Hij had haar lief, zooals hij haar altijd had liefgehad
+en hij zag zijn toekomst duidelijk voor zich. Zij zou nooit trouwen,
+hij zou haar nooit verlaten, en zij zouden samen zijn heel hun leven
+lang;&mdash;zij als meesteres, hij als knecht. De tijd, die nu voorbij was,
+dat hij bijna de meester was, zou nooit weerkomen. Zij zou spoedig de
+heerschappij hernemen.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeg me Nino,&rdquo; vroeg ze, &bdquo;waren de oude Romeinsche vrouwen dan wilde
+dieren? Stonden zij toe, dat men haar ontroofde wat ze liefhadden?&rdquo;</p>
+
+<p>Nooit te voren had Nino zoo goed als juist op dat oogenblik gevoeld hoe
+weinig het nieuwe Itali op het oude leek. Maar hij sloot de oogen voor
+alle getuigenissen der geschiedenis, want hij was opnieuw Teresa's slaaf
+geworden, en antwoordde, wat zij wenschte te hooren: dat in haar aderen
+Romeinsch bloed vlood, het onvervalschte Romeinsche bloed.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="113">&nbsp;</span><a id="p_113"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_OUDE_AGNETA"></a>DE OUDE AGNETA.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Een oude vrouw ging met korte, trippelende stapjes het bergpad op. Ze
+was klein en mager. Haar gezicht was verbleekt en verwelkt, maar niet
+hard en gerimpeld. Zij droeg een langen mantel en geplooide muts. 't
+Gebedenboek had zij in de hand en een tak lavendel in den zakdoek.</p>
+
+<p>Zij had een hutje hoog op de rotsen, daar waar geen boomen meer groeien.
+Het lag vlak aan den rand van den breeden gletscher, die langzaam zijn
+ijsstroom van den met sneeuw bedekten bergtop naar 't diepe dal
+voortstuwde. Daar woonde de oude vrouw heel alleen. Al de haren waren
+overleden.</p>
+
+<p>Het was Zondag, en zij was in de kerk geweest. Maar hoe dat nu kwam, zij
+was niet blijmoedig, maar droevig gestemd geworden door dezen kerkgang.
+De predikant had van de dooden gesproken en van hen, die niet zalig
+konden worden en dat had haar sterk ontroerd. Plotseling had zij zich
+herinnerd, dat ze in haar kindsheid had hooren vertellen, dat velen der
+<span class="pagenum" title="114">&nbsp;</span><a id="p_114"></a>onzaligen hun zonden moesten boeten in de eeuwige koude op den bergtop
+boven haar woning. Zij herinnerde zich de eene sage na de andere van die
+zwervers op den gletscher, die onvermoeide schaduwen, die door den
+ijskouden bergwind werden voortgejaagd.</p>
+
+<p>Zij voelde plotseling een diepen afschuw voor dien berg en vond, dat
+haar hut daar vreeselijk hoog lag. Als nu zij, die daar onzichtbaar
+rondzwierven op den hoogen top, eens buiten den gletscher kwamen. En zij
+woonde daar zoo heel alleen!</p>
+
+<p>Bij dat woord &bdquo;alleen&rdquo; namen haar gedachten een noch somberder tint aan.
+Zij werd weer overweldigd door het verdriet, dat haar alle dagen drukte.
+Zij voelde hoe hard het was, z ver van de menschen te zijn.</p>
+
+<p>&bdquo;Oude Agneta,&rdquo; zei ze tot zichzelf, zooals zij zich had aangewend in
+haar eenzaamheid, &bdquo;je zit daar maar boven in je kamer te spinnen. Je
+moet den heelen langen dag sloven en zwoegen om niet van honger te
+sterven. Maar is er nu iemand, die er blij om is, dat je leeft? Iemand
+in de wereld, oude Agneta?</p>
+
+<p>Als er nu nog maar iemand van je familie leefde, dan kon 't nog wel zoo
+zijn.&mdash;Als je wat dichter bij 't dorp woonde, kon je nog wel eens iemand
+plezier doen. Zoo arm, als je ben, kun je niet eens een hond of een kat
+houden, maar je zou toch nog wel eens een bedelaar voor een nacht kunnen
+opnemen. Je moest toch niet zoover van den weg af wonen, oude <span class="pagenum" title="115">&nbsp;</span><a id="p_115"></a>Agneta.
+Als je nog maar een enkele keer een dorstigen wandelaar een dronk water
+kon geven, dan wist je ten minste, dat je nog iemand tot nut was.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij zuchtte en zei in zichzelf, dat niet eens de boerinnen, die haar
+garen te spinnen gaven, haar dood zouden betreuren. Wel had ze altijd
+eerlijk werk gezocht, maar er waren zeker velen, die 't beter konden
+doen. En ze begon te schreien, toen ze er aan dacht, dat het den
+predikant, die haar al die jaren op dezelfde plaats in de kerk had zien
+zitten, misschien volkomen 't zelfde was of zij er zat of niet. &bdquo;Ik ben
+als een doode,&rdquo; zei ze. &bdquo;Niemand vraagt naar mij. Ik kon even goed
+sterven. Ik ben al half bevroren door de eenzaamheid en de kou. Mijn
+hart is bevroren&mdash;dat is het!</p>
+
+<p>Ach ja, ach ja,&rdquo; zei ze, want nu was ze echt op dreef geraakt, &bdquo;als er
+maar iemand was, die me noodig had, dan zou er nog wel warmte in de
+oude Agneta te vinden zijn. Maar kan ik soms kousen voor de steenbokken
+breien of een bed spreiden voor de marmotten? Dat zeg ik je,&rdquo; zei ze en
+balde de vuist tegen den hemel, &bdquo;je moet me iemand geven, die me noodig
+heeft! of anders wil ik sterven.&rdquo;</p>
+
+<p>Op datzelfde oogenblik kwam een lange, ernstige monnik haar op het
+bergpad tegemoet. Hij ging met haar me, omdat hij zag, dat ze bedroefd
+was en zij vertelde hem van haar verdriet. Zij zei, dat haar hart in
+haar bevroor en dat ze nog als die zwervers op den <span class="pagenum" title="116">&nbsp;</span><a id="p_116"></a>gletscher zou
+worden, als God haar niet iets gaf om voor te leven.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan God wel doen,&rdquo; zei de monnik.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar ziet ge dan niet, dat God hier boven machteloos is?&rdquo; zei de oude
+Agneta. &bdquo;Hier is immers niets dan de koude, kale velden.&rdquo;</p>
+
+<p>Zij kwamen al hooger op den berg. Het mos lag zacht op de rotsen,
+bergplantjes met ruige blaadjes omzoomden het pad; hooge rotsen met
+kloven en steile hellingen met ijsvelden en sneeuwmassa's lagen boven
+hun hoofden, z steil en zwaar, dat haar de keel toesnoerde. Toen zag
+de monnik Agneta's hutje vlak bij den gletscher.</p>
+
+<p>&bdquo;Ach!&rdquo; zei hij, &bdquo;woon je hier? Dan ben je niet alleen. Hier heb je
+gezelschap genoeg. Zie maar!&rdquo; De monnik legde den wijsvinger tegen den
+pink, hield ze voor 't linker oog van 't oude vrouwtje en verzocht haar
+tusschen de vingers door naar den berg te zien. Maar de oude Agneta
+beefde en sloot de oogen.</p>
+
+<p>&bdquo;Als er daar boven wat is, wil ik het volstrekt niet zien,&rdquo; zei ze. &bdquo;De
+hemel beware me! 't Is hier al akelig genoeg.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Nu&mdash;goedendag dan,&rdquo; zei de monnik. &bdquo;Het zal je niet meer aangeboden
+worden zoo iets te zien.&rdquo;</p>
+
+<p>De oude vrouw werd nieuwsgierig. Zij sloeg de oogen op en zag naar het
+sneeuwveld. Eerst zag ze niets bizonders, maar toen merkte ze, dat zich
+daarboven iets bewoog. Zij zag op het witte veld iets wits <span class="pagenum" title="117">&nbsp;</span><a id="p_117"></a>bewegen. Wat
+zij eerst voor nevel en damp en blauwachtig witte plekken op het ijs
+gehouden had, waren massa's onzaligen, door de eeuwige kou gepijnigd.</p>
+
+<p>Het oude vrouwtje stond te trillen als een blad. 't Was juist zooals 't
+in de oude sagen verteld werd. De dooden zwierven daar boven rond in
+eeuwige pijn en angst. De meesten waren in iets langs en wits gewikkeld,
+maar allen hadden de voeten en hoofden bloot. En zij waren ontelbaar!
+Hoe langer ze keek, hoe meer er te voorschijn kwamen. Sommigen liepen
+fier, met opgeheven hoofd, anderen kwamen aanzweven, alsof ze dansten
+over 't veld, maar ze zag hoe ze allen zich de voeten kwetsten tot
+bloedens toe aan rotspunten en ijskanten. 't Was precies als in de oude
+sagen. Zij zag hoe ze onophoudelijk zich tegen elkaar aandrongen om wat
+warmer te worden en hoe ze oogenblikkelijk daarna weer uiteenstoven,
+verschrikt door de doodskou, die van hun lichamen uitging. Het was alsof
+de koude op den berg van hen kwam, alsof ze de sneeuw ongesmolten
+hielden en de nevel vinnig koud. Niet allen bewogen zich. Enkelen
+stonden stil als versteend en schenen zoo jaren lang gestaan te hebben,
+want sneeuw en ijs had zich om hen heen opgehoopt en alleen hun
+bovenlichaam was nog maar zichtbaar. Hoe langer het oude vrouwtje naar
+dit alles keek, hoe rustiger zij werd. De ontzetting week van haar en ze
+werd van harte bedroefd over 't lot van deze gepijnigden. Er was geen
+eind aan de ellende, geen rustplaats voor <span class="pagenum" title="118">&nbsp;</span><a id="p_118"></a>de gewonde voeten, die over
+het ijs snelden,&mdash;dat ijs, dat scherper was dan geslepen staal. En wat
+rilden en beefden en trilden ze van de kou! Zij die versteend waren en
+zij die zich bewogen, leden onder die bijtende, snijdende, onduldbare
+kou.</p>
+
+<p>Er waren vele jonge menschen, meisjes en jongens, maar er was geen jeugd
+in hun blauwe, bevroren gezichten; het was alsof ze speelden, maar al
+hun vreugde was dood. Ze trilden van kou en kropen klappertandend ineen,
+als oude menschen, terwijl hun bloote voeten de scherpste ijsstukken
+schenen uit te zoeken om op te stijgen. 't Meest werd zij bewogen door
+te zien hoe sommigen in 't harde gletscherijs lagen en anderen als
+groote ijspegels aan de rotsen hingen.</p>
+
+<p>Toen nam de monnik zijn hand weg en de oude Agneta zag niets dan de
+leege, naakte sneeuwvlakte. Enkele zware ijsmassa's lagen hier en daar
+verspreid, maar ze omringden geen versteende spoken. De blauwe glans op
+de gletschers kwam niet van vastgevroren lichamen. De wind joeg wat
+lichte sneeuwvlokken op, anders niet.</p>
+
+<p>Maar ze wist toch zeker, dat ze goed gezien had, en ze vroeg den monnik:</p>
+
+<p>&bdquo;Is het geoorloofd iets voor die armzaligen te doen?&rdquo;</p>
+
+<p>Hij antwoordde: &bdquo;Wanneer heeft God verboden goed te doen, barmhartigheid
+te bewijzen of te troosten?&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="119">&nbsp;</span><a id="p_119"></a></p>
+
+<p>Toen ging hij heen, en de oude Agneta haastte zich naar haar hutje en
+zat daar lang te denken. Den heelen avond peinsde zij er over, hoe zij
+die arme zielen zou kunnen helpen, die daar rondzwierven op de
+gletschers. Zij had geen tijd om aan haar eenzaamheid te denken.</p>
+
+<p>Den volgenden morgen ging zij weer naar het dorp. Zij lachte en was
+opgewekt. De ouderdom viel haar zoo zwaar niet meer.</p>
+
+<p>&bdquo;De dooden,&rdquo; zei ze tot zich zelf, &bdquo;vragen niet naar roode wangen en
+lichte voeten. Zij begeeren enkel, dat men aan hen denkt en hun wat
+warmte geeft. Maar aan zooiets kunnen de jongen niet denken. Nu ja&mdash;maar
+hoe zouden de afgestorvenen beschut worden tegen de ontzettende koude
+van den dood, als de ouden hun hart niet voor ze openden?&rdquo;</p>
+
+<p>Toen ze bij den winkelier kwam, kocht ze daar een groot pak kaarsen en
+bij een boer bestelde ze een groote lading brandhout. Maar om dat te
+betalen moest ze dubbel zooveel spinwerk aannemen als gewoonlijk. Tegen
+den avond, toen ze weer thuis was, las ze vele gebeden en probeerde haar
+moed op te houden door veel vrome liederen te zingen. Maar meer en meer
+zonk haar de moed in de schoenen. Toch deed ze wat ze zich had
+voorgenomen.</p>
+
+<p>Ze spreidde haar bed in de binnenste kamer van de hut. In de buitenste
+stapelde ze een grooten hoop hout op den haard en stak die aan. In 't
+venster zette ze <span class="pagenum" title="120">&nbsp;</span><a id="p_120"></a>twee brandende kaarsen; de deur van de hut zette ze
+wijd open en toen begaf zij zich te bed.</p>
+
+<p>Ze lag in het donker te luisteren.</p>
+
+<p>Ja, dat waren zeker en stellig voetstappen. 't Was alsof iets den
+gletscher af kwam rijden. Er sloop iets om de hut heen, alsof het niet
+binnen durfde gaan. Er stond iets te klappertanden aan de deur. De oude
+<ins class="corr" id="corr7" title="Bron: Agnete">Agneta</ins> kon dit niet uithouden. Ze vloog het bed uit, de
+groote kamer in, rukte de deur dicht en sloot die af. Dat was te veel!
+Vleesch en bloed kon dit niet verdragen.</p>
+
+<p>Buiten de hut hoorde ze zwaar zuchten en slepende stappen, als van
+pijnlijke, gewonde voeten. Zij sleepten zich al verder het gletscherijs
+op. Nu en dan hoorde ze snikken, maar spoedig was alles weer stil.</p>
+
+<p>Toen werd de oude Agneta buiten zich zelven van angst. &bdquo;Je bent laf,
+oude ziel,&rdquo; zei ze. &bdquo;'t Vuur brandt uit en de dure kaarsen ook. Moet dat
+alles nu vergeefs weggaan om je ellendige lafheid?&rdquo;</p>
+
+<p>En toen ze dat gezegd had, stond ze weer op, schreiend van angst, met
+klapperende tanden en rillend van 't hoofd tot de voeten. Maar ze kwam
+toch in de kamer en de deur kreeg ze open.</p>
+
+<p>Weer lag ze te wachten. Nu was ze er niet meer bang voor, dat ze zouden
+komen. Ze lag maar met angst te wachten of zij ze ook z verschrikt
+had, dat ze niet meer durfden te komen.</p>
+
+<p>Toen begon ze te roepen, zooals ze in haar jonge <span class="pagenum" title="121">&nbsp;</span><a id="p_121"></a>dagen gedaan had, als
+ze met de kudde uitging.</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn lieve witte lammetjes op de bergen! kom dan toch! Kom naar beneden
+uit de kloven en van de hellingen, mijn lieve witte lammetjes?&rdquo;</p>
+
+<p>Toen was 't alsof een sterke wind van de rotsen de kamer binnenkwam. Ze
+hoorde geen voetstappen of zuchten, alleen windstooten, die om den hoek
+en de kamer binnen woeien. En 't klonk alsof iemand onophoudelijk
+waarschuwde: &bdquo;Sst! sst! maak haar niet verschrikt, maak haar niet
+verschrikt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze had een gevoel, alsof de groote kamer z propvol was, dat men zich
+tegen de muren aandrong tot dat ze bijna barstten. Soms was het alsof
+zij, die daar binnen waren, het dak oplichtten om meer ruimte te
+krijgen. Maar altijd door was er iemand, die fluisterde: &bdquo;Sst! sst! maak
+haar niet verschrikt.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen voelde de oude Agneta zich gelukkig en rustig. Zij vouwde de handen
+en sliep in.</p>
+
+<p>Den volgenden morgen was 't alsof alles een droom geweest was. Alles was
+nog hetzelfde in de groote kamer. 't Vuur was uitgebrand en de kaarsen
+ook. Er was zelfs geen droppel talk meer in den kandelaar<ins class="corr" id="corr8" title="Bron: ,">.</ins></p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Zoolang de oude Agneta leefde, ging ze voort op deze wijze voor de
+dooden te zorgen. Ze spon en werkte, zoo dat ze alle nachten haar vuur
+kon ontsteken. En ze was gelukkig, omdat ze wist, dat iemand haar noodig
+had.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="122">&nbsp;</span><a id="p_122"></a></p>
+
+<p>Toen kwam er een Zondag, dat men haar niet op haar plaats in de kerk
+zag. Een paar boeren gingen naar haar hut om te zien of ze ook wat
+noodig had. Toen was ze al dood en zij droegen het lijk naar beneden om
+het te begraven.</p>
+
+<p>Toen de oude Agneta den volgenden Zondag in het graf werd gezet, kort
+voor de mis, waren er maar weinig menschen, die haar volgden. Ook zag
+men geen droefheid op iemands gezicht.</p>
+
+<p>Maar plotseling, juist toen de kist zou worden neergelaten, kwam een
+lange, ernstige monnik op het kerkhof en hij wees naar boven, naar den
+met sneeuw bedekten bergtop. Toen zagen zij, die bij het graf stonden,
+dat de heele berg zich getooid had in 't heerlijkste rood en dat daar
+dwars over heen een optocht zich slingerde van kleine gele vlammen, als
+van brandende kaarsen. En daar waren evenveel lichten als de doode
+kaarsen gebrand had voor de onzaligen.</p>
+
+<p>Toen zeiden de menschen bij het graf: &bdquo;Geloofd zij God. Zij, die door
+niemand hier beneden betreurd wordt, heeft toch vrienden kunnen vinden
+daar boven in de groote eenzaamheid.&rdquo;</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="123">&nbsp;</span><a id="p_123"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_RING_VAN_DEN_VISSCHER"></a>DE RING VAN DEN VISSCHER.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Onder de regeering van den doge Gradenigo leefde er in Veneti een
+oude visscher, Cecco genaamd. Hij was bizonder sterk geweest en was
+nog kras voor zijn leeftijd, maar op het laatst had hij toch met werken
+opgehouden en zich door zijn beide zonen laten verzorgen. Hij was zeer
+trotsch op zijn zonen en hij had ze lief. O Signora! hij had ze zoo
+lief.</p>
+
+<p>Maar hij had ze dan ook bijna alleen opgevoed. Hun moeder was vroeg
+gestorven en Cecco had alle zorg voor hen gehad. Hij had ze eten en
+kleeren bezorgd en had met naald en draad in de boot zitten naaien en
+verstellen. Hij had er in 't geheel niet naar gevraagd of men hem daarom
+ook uitlachte. Hij had ze ook alleen alles geleerd, wat ze noodig hadden
+te weten. Hij had een paar flinke visschers van hen gemaakt en hun
+geleerd God en den heiligen Marcus te eeren.</p>
+
+<p>&bdquo;Denk er aan,&rdquo; zei hij tot hen, &bdquo;dat Veneti nooit door eigen kracht zou
+zijn staande gebleven. Zie nu <span class="pagenum" title="124">&nbsp;</span><a id="p_124"></a>eens&mdash;is het niet op de golven gebouwd?
+Zie naar de lage eilandjes aan de landzij, waar 't water op en neer
+wiegt tusschen 't zeegras. Jelui wilt er niet eens den voet op zetten
+en toch rust de heele stad op zulk een grond. En weet je niet, dat een
+storm uit het noorden macht heeft kerken en paleizen in zee te gooien?
+En weet je niet, dat we zulke machtige vijanden hebben, dat alle
+christen-vorsten hen niet kunnen overwinnen? Daarom moet jelui altijd
+tot San Marco bidden, want hij is 't, die met zijn sterke hand de ketens
+houdt, die Veneti zwevend houden boven de diepte der zeen.&rdquo;</p>
+
+<p>En 's avonds als het maanlicht, dat over Veneti scheen, blauwgroen
+was door zeedamp en zij zacht over het groote kanaal gleden;&mdash;als de
+gondels, die zij tegenkwamen, vol zangers waren, als de paleizen witter
+werden en er duizende lichtstrepen over het donkere water lagen, dan
+herinnerde hij er hen altijd aan, dat ze San Marco moesten danken voor
+hun leven en hun geluk.</p>
+
+<p>Maar hij vergat hem ook overdag niet. Als zij thuiskwamen van een
+visschersreis en over 't water der lagunen dreven, dat lichtblauw en
+goudglanzend voor hen lag; als zij de stad zagen, die op de golven
+scheen te drijven, als de groote schepen de haven in en uit gleden, en
+'t paleis van den doge schitterde als een groote, gesloten juweelkist,
+waarin alle schatten der wereld bewaard werden, dan vergat hij nooit hun
+te <span class="pagenum" title="125">&nbsp;</span><a id="p_125"></a>vertellen, dat dit alles gaven van San Marco waren en dat dit alles
+zou vergaan, als maar een enkele Venetir ondankbaar genoeg zou zijn hem
+niet meer te vereeren en te aanbidden.</p>
+
+<p>Nu gebeurde het, dat de zonen op een dag uittrokken op de groote
+visscherij op de open zee bij Lido. Zij gingen met vele anderen samen,
+hadden een prachtige sloep en waren voornemens verscheidene dagen uit te
+blijven. Het was mooi weer en zij hoopten op een goeden vangst.</p>
+
+<p>Vroeg op een morgen zeilden ze uit van Rialto, het groote eiland, waar
+de stad zelf op ligt; en naarmate zij voortgleden over de lagunen, zagen
+zij al de eilanden, die als gespen Veneti met de zee verbinden, uit den
+morgennevel opstijgen. Daar lag La Giudecca en San Giorgio ter rechter-
+en San Michele, Murano en San Lazarro ter linkerzij. En dan volgde het
+eene eiland na het andere in een breeden kring, tot aan het langwerpige
+Lido, dat in 't midden lag als het slot aan een parelsnoer. Maar om Lido
+heen was de groote, onbegrensde zee.</p>
+
+<p>Toen ze daar gekomen waren, gingen eenige van de visschers in een boot
+en roeiden van de sloep weg om de netten uit te zetten. 't Was nog
+altijd goed weer, hoewel de golven hier hooger gingen dan tusschen de
+eilanden. 't Sprak van zelf, dat niemand aan gevaar dacht. Ze hadden een
+goede boot en waren goed thuis op zee.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="126">&nbsp;</span><a id="p_126"></a></p>
+
+<p>Na een poos merkten zij toch, die op de sloep achtergebleven waren, dat
+de zee en de hemel haastig donker werden in het noorden. Zij begrepen,
+dat de noordenwind in aantocht was en begonnen de kameraden te roepen,
+maar die waren reeds te ver weg om de waarschuwing te hooren.</p>
+
+<p>De wind bereikte de boot het eerst. Toen de visschers plotseling de
+golven om hen heen zagen verrijzen, als kudden, die des nachts op een
+groote weide hebben gerust en des morgens opstaan, ging een van hen
+overeind staan in de boot en wenkte de andere kameraden, maar op 't
+zelfde oogenblik viel hij achterover in zee. Onmiddellijk daarna
+kwam een golf, die de heele boot overeind zette en men zag hoe het
+scheepsvolk als van de banken geschud en door de zee verzwolgen werd.
+Allen waren in een oogenblik weg. Toen kwam de boot weer te voorschijn
+met de kiel naar boven. De bemanning van de sloep zocht nu deze van de
+plaats te krijgen, maar zij konden niet tegen den wind op.</p>
+
+<p>'t Was een verschrikkelijke storm, die aan kwam stuiven over zee, en de
+mannen op de sloep hadden spoedig de handen vol met zich zelf te bergen.
+Zij kwamen toch behouden thuis en vertelden het ongeluk. Cecco's beide
+zonen en nog drie anderen waren omgekomen.</p>
+
+<p>Ach ja, hoe kan toch alles samenloopen. Cecco was dienzelfden morgen
+naar de Rialtobrug gegaan om <span class="pagenum" title="127">&nbsp;</span><a id="p_127"></a>naar den vischhandel te zien. Hij liep
+tusschen de kleine visscherstafeltjes door en stak het hoofd omhoog als
+een heer, omdat hij niet behoefde te werken. Hij nam nu en dan een paar
+oude visschers uit Lido mee in een osteria en bood ze een beker wijn
+aan.</p>
+
+<p>Hij zette de borst vooruit, terwijl hij daar op de bank zat en pochte op
+zichzelf en zijn zonen. Hij raakte nu en dan in zulk een goed humeur,
+dat hij de zechine, die hij van den doge gekregen had, te voorschijn
+haalde. Hij had die gekregen, omdat hij een kind gered had uit het
+groote kanaal. Hij was zeer gesteld op die groote goudmunt, droeg ze
+altijd bij zich en liet haar zien zoo vaak hij er gelegenheid toe had.</p>
+
+<p>Toen kwam een man binnen en begon van het ongeluk te vertellen, zonder
+er op te letten, dat Cecco daar zat. Maar hij had nog niet lang
+gesproken of de oude visscher wierp zich op hem en greep hem bij de
+keel.</p>
+
+<p>&bdquo;Je wilt toch niet zeggen, dat ze dood zijn,&rdquo; schreeuwde hij hem toe,
+&bdquo;mijn zonen niet, hoor je, mijn zonen niet!&rdquo;</p>
+
+<p>De man rukte zich los, maar Cecco gedroeg zich lang, alsof hij zijn
+verstand verloren had. De voorbijgangers hoorden hem roepen en jammeren.
+Zij stroomden de osteria binnen, zooveel er maar in konden komen en
+stonden in een kring om hem heen, als om een goochelaar.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="128">&nbsp;</span><a id="p_128"></a></p>
+
+<p>Cecco lag op den grond en klaagde luid. Hij sloeg met de hand op de
+harde steenen, en zei telkens: &bdquo;Dat is San Marco, San Marco.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Je bent buiten je zelf van verdriet, Cecco,&rdquo; zeiden ze tot hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik wist, dat het daar buiten in zee zou gebeuren,&rdquo; zei Cecco, &bdquo;buiten
+Lido en Malamocco, dr wist ik, dat het gebeuren zou. Daar zou San
+Marco ze grijpen. Hij voedde wrok tegen hen. Ik ben er al lang bang voor
+geweest. Ja,&rdquo; ging hij voort, zonder te luisteren naar wat men zei om
+hem te kalmeeren, &bdquo;zij hebben eens om hem gelachen, toen we daar bij
+Lido lagen. Dat heeft hij niet vergeten. Hij kan 't niet verdragen, dat
+men hem uitlacht.&rdquo;</p>
+
+<p>Cecco liet zijn verwarde blikken over de omstanders gaan, alsof hij hulp
+zocht. &bdquo;Luister eens, Beppo van Malamocco,&rdquo; zei hij en strekte de hand
+uit naar een grooten visscher, &bdquo;geloof jij niet, dat het San Marco was?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Denk nu niet aan zoo iets, Cecco.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja maar hoor eens hoe het was, Beppo. Zie je, we lagen eens&mdash;mijn
+jongens en ik, toen ze nog kindren waren,&mdash;daar buiten op zee, en om den
+tijd te korten vertelde ik hen hoe San Marco naar Veneti kwam. &bdquo;San
+Marco, de evangelist,&rdquo; zei ik tegen hen, &bdquo;lag eerst begraven in een
+mooie domkerk in Alexandri, in Egypte. Maar de stad viel in handen van
+de ongeloovigen, en eens beval hun Kalif, dat men een prachtig paleis
+<span class="pagenum" title="129">&nbsp;</span><a id="p_129"></a>in Alexandri zou bouwen en de pilaren uit de christen-kerken halen om
+dat te versieren. Maar juist toen lagen twee Venetiaansche kooplieden
+met tien welgeladen schepen in de haven van Alexandri. Toen de
+bemanning in de kerk kwam, waar San Marco begraven was, en over het
+bevel van den Kalif hoorden spreken, zeiden ze tot de bedroefde
+priesters: &bdquo;Het dierbare lijk, dat ge hier in uw kerk hebt, loopt gevaar
+door de Saracenen ontheiligd te worden. Geef het ons. Wij zullen het
+eeren, want San Marco was de eerste, die het Evangelie predikte op de
+eilandjes bij de Lagunen. De doge zal u zeker beloonen.&rdquo; Toen gaven de
+priesters hun toestemming en om te voorkomen, dat de Christenen in
+Alexandri de zaak zouden tegenwerken, legde men het lijk van een ander
+heilig man in de kist van den evangelist. Maar opdat de Saracenen 't
+niet zouden merken, dat het lijk weggevoerd werd, legde men het op den
+bodem van een groote kist en bedekte het met ham en gerookt vleesch, dat
+de Saracenen niet kunnen verdragen, zoodat, toen de tolbeambten de
+deksel van de kist opendeden, ze zoo hard mogelijk wegliepen. Maar de
+twee kooplieden brachten San Marco onbeschadigd naar
+Veneti.<ins class="corr" id="corr9" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins> Je
+weet immers wel, dat zoo het verhaal is, Beppo?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja zeker, Cecco.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, maar nu moet je hooren,&rdquo;&mdash;en Cecco richtte zich half op en sprak
+met doffe stem in zijn angst. &bdquo;Zie je, dat is verschrikkelijk! Toen ik
+vertelde, dat de heilige verborgen gelegen had onder ham, begonnen <span class="pagenum" title="130">&nbsp;</span><a id="p_130"></a>de
+jongens te schateren van het lachen. Ik wilde ze stilhouden, maar toen
+lachten ze nog harder. Giacomo lag op zijn buik in den voorsteven en
+Pietro zat met de beenen over de verschansing en ze schaterden z, dat
+je 't ver over zee kon hooren.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja maar Cecco, twee kinderen mogen toch wel lachen!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar begrijp je dan niet, dat ze juist daar vandaag zijn gestorven. Op
+dezelfde plaats. Kun je anders begrijpen, waarom ze juist dr moesten
+sterven?&rdquo;</p>
+
+<p>Maar nu begonnen ze allen te spreken en hem te troosten. Zijn groot
+verdriet bracht hem in de war. Z was San Marco niet. 't Was immers
+natuurlijk, dat als een boot omslaat door den storm, dit op de open zee
+gebeurt en niet in de haven.</p>
+
+<p>En zijn zonen hadden ook niet in vijandschap met San Marco geleefd! Men
+had ze hooren roepen: &bdquo;Evviva San Marco!&rdquo;&mdash;even hard als ieder ander.
+En hij had hen immers tot vandaag toe beschermd. Hij had ze nooit zijn
+toorn getoond in alle jaren, die voorbijgegaan waren.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar jij, Cecco,&rdquo; zeiden ze, &bdquo;jij brengt nog ongeluk over ons, door zoo
+over San Marco te spreken. Jij, die oud en wijs zijt, moest beter weten
+en hem niet tegen de Venetirs opzetten. Wat zijn wij zonder hem?&rdquo;</p>
+
+<p>Cecco zat hen verward en onrustig aan te kijken. &bdquo;Jelui gelooft het dus
+niet,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Geen verstandig mensch gelooft zoo iets.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="131">&nbsp;</span><a id="p_131"></a></p>
+
+<p>'t Scheen alsof ze hem tot rust gebracht hadden.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zal probeeren 't ook niet meer te gelooven,&rdquo; zei hij. Hij stond op
+en ging naar de deur. &bdquo;'t Zou ook al te wreed zijn, niet waar?&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Ze waren te mooi en te flink, dan dat iemand ze zou kunnen haten. Ik
+wil het niet gelooven.&rdquo; Hij ging heen en in de straat voor zijn deur
+ontmoette hij een buurvrouw.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu lezen ze een zielmis in den dom,&rdquo; zei ze tot Cecco en snelde weg. Ze
+was bang voor hem, z zag hij er uit.</p>
+
+<p>Toen nam Cecco de boot en bracht die door het kanaal naar Riva Degli
+Schiavoni. Daar waar men het verste uit kan zien bleef hij zitten staren
+naar Lido en de zee. Ach, 't was een sterke wind, maar in 't geheel geen
+storm. 't Water verhief zich nauwelijks tot groote golven. En in zulk
+weer moesten zijn zonen vergaan. 't Was niet te begrijpen.</p>
+
+<p>Hij maakte de boot vast en ging over de <ins class="corr" id="corr10" title="Bron: Piazetta">Piazzetta</ins> en de markt in de
+Kerk van San Marco. Er waren veel menschen, die allen op de knien lagen
+te bidden in grooten angst. Want het is immers voor de Venetirs veel
+erger dan voor anderen, als er een ongeluk op zee gebeurt. Zij hebben
+geen wijngaarden en akkers, maar zijn geheel afhankelijk van de zee.
+Daarom haastten ze zich naar San Marco om hem om bescherming te bidden,
+zoodra de zee een van allen aanviel.</p>
+
+<p>Cecco viel niet op de knien, maar bleef staan. Hij herinnerde zich
+hoe hij hierheen gekomen was met zijn <span class="pagenum" title="132">&nbsp;</span><a id="p_132"></a>zoontjes en hen had leeren bidden
+tot San Marco. &bdquo;Hij is het, die ons leidde over de zee, die de poorten
+van Byzanti voor ons opende en ons macht gaf over de eilanden in
+het oosten,&rdquo; had hij tot hen gezegd. &bdquo;En tot dank daarvoor hebben de
+Venetirs voor San Marco den mooisten tempel in de wereld gebouwd, en
+nooit komt een schip thuis uit een buitenlandsche haven, zonder dat het
+een geschenk voor die kerk mebrengt.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen hadden zij alle drie de roode marmeren wanden van den dom bewonderd
+en het vergulde met mozaek bedekte dak. En hij had er met hen over
+gesproken, dat geen onheil een stad kon treffen, die zulk een burcht
+voor zijn beschermheilige bouwde.</p>
+
+<p>Cecco viel plotseling op de knien en begon het eene paternoster na het
+andere te bidden.</p>
+
+<p>Het kwam weer terug&mdash;hij voelde het. Hij wilde het wegbidden, hij wilde
+geen kwaad van San Marco gelooven.</p>
+
+<p>Maar het was immers in het geheel geen storm geweest dien morgen. En
+dit was ten minste zeker, dat, al had de heilige niet zelf het ongeluk
+veroorzaakt, hij toch ook niets gedaan had om zijn zonen te helpen, maar
+ze als voor de grap had laten omkomen.</p>
+
+<p>Zoodra die gedachte bij hem opkwam, ging hij nog meer bidden, maar zij
+wilde hem niet loslaten.</p>
+
+<p>En dan te denken, dat San Marco een schatkamer in den dom had, gevuld
+met schatten als uit het <span class="pagenum" title="133">&nbsp;</span><a id="p_133"></a>wonderland; te denken, dat hij zelf levenslang
+den heilige aangebeden had en zelden voorbij de Piazzetta geroeid was,
+zonder binnen te gaan en hem aan te roepen.</p>
+
+<p>'t Was zeker niet voor niet, dat zijn zonen juist daar moesten vergaan.
+Ach! 't was toch ellendig voor de Venetirs, niets beters te hebben om
+op te vertrouwen. Denk eens aan, een heilige, die wraak op twee kinderen
+kon nemen!&mdash;een beschermheer, die iemand niet kon redden bij een
+valwind!</p>
+
+<p>Hij was opgestaan en haalde de schouders op en stak afwerend de handen
+uit, terwijl hij naar het graf van den heilige in 't koor zag.</p>
+
+<p>Een kerkelijke bediende ging rond met een groote vergulde schaal van
+gedreven zilver en zamelde giften voor San Marco in.</p>
+
+<p>Hij ging van den een na den andere en kwam ook bij Cecco.</p>
+
+<p>Cecco week achteruit, als stond de duivel in eigen persoon voor hem.
+Verlangde San Marco gaven van <i>hem!</i> Meende hij, dat hij die verdiend
+had?</p>
+
+<p>Plotseling greep hij de groote, gouden zechine, die hij in den gordel
+droeg en wierp die z hard in de schaal, dat men den klank in de
+geheele kerk hoorde. De biddenden werden in hun gebed gestoord en
+wendden het hoofd om. En zij, die Cecco's gezicht zagen, werden door
+ontzetting aangegrepen. Hij zag er uit, als hadden de demonen macht over
+hem gekregen.</p>
+
+<p>Onmiddellijk daarna ging Cecco de kerk uit en eerst <span class="pagenum" title="134">&nbsp;</span><a id="p_134"></a>was het hem een
+groote verlichting, dat hij zich op den heilige gewroken had. Hij had
+hem behandeld als een woekeraar, die meer verlangt dan hem toekomt.
+&bdquo;Neem dit dan ook maar,&rdquo; zegt men en gooit hem zijn laatste goudstuk
+naar 't hoofd, zoodat het bloed hem over de oogen vloeit. En de
+woekeraar slaat niet terug, maar bukt zich en raapt het goudstuk op.
+Zoo had San Marco ook gedaan.</p>
+
+<p>Hij had Cecco's zechine aangenomen, na hem eerst van zijn zonen te
+hebben beroofd. Hij had een gift aangenomen, die met zulk een haat
+gegeven was. Zou een man van eer dat ooit gedaan hebben? Maar San Marco
+was een stumper, even laf als wraakzuchtig.</p>
+
+<p>Maar op Cecco zou hij zich niet wreken. Hij was zeker blij en dankbaar,
+omdat hij de zechine gekregen had. Hij nam die aan en hield zich, alsof
+hem die in alle vroomheid gegeven was.</p>
+
+<p>Toen Cecco in de voorhal van San Marco stond kwamen twee kerkknechten
+haastig voorbij. &bdquo;Het stijgt, het stijgt angstwekkend,&rdquo; zei de een.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo; vroeg Cecco.</p>
+
+<p>&bdquo;Het water in de kapel onder het koor. Het is in de laatste minuten een
+voet gestegen.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen Cecco buiten op de trappen van de kerk kwam, zag hij een waterplas
+op het plein vlak bij de benedenste trede. 't Was zeewater, dat van de
+Piazzetta was opgespat.</p>
+
+<p>Het verwonderde hem, dat die zee zoo hoog steeg <span class="pagenum" title="135">&nbsp;</span><a id="p_135"></a>en hij haastte zich
+naar het strand, waar zijn boot lag. Maar daar was alles als te voren,
+alleen was het water aanmerkelijk gestegen. Het kwam in breede
+golvenrijen aanrollen door de vijf zeepoorten, maar de wind was kalm.
+Aan de oevers vulden zich hier en daar al geulen met zeewater en de
+kanalen stegen, zoodat de waterpoorten der huizen gesloten moesten
+worden. De hemel was effen grijs als de zee.</p>
+
+<p>Het kwam geen oogenblik in Cecco op, dat dit een ernstig onweer zou
+kunnen worden. Hij wilde dat niet gelooven. San Marco had zijn zonen
+zonder reden laten omkomen; dit was toch geen echte storm. Hij zou wel
+eens willen zien, wat dit nu worden zou. En hij ging aan het strand
+zitten en wachtte.</p>
+
+<p>Daar begon het effen wolkendak, dat den hemel dekte, te scheuren en
+groote onweerswolken kwamen aanvliegen, zwart als oorlogsschepen, die
+slagregens en hagelbuien uitstortten over de stad<ins class="corr" id="corr11" title="Bron: ,">.</ins></p>
+
+<p>Nu kwam er ook iets, dat op een nieuwe zee geleek, aanstormen van den
+kant van Lido.</p>
+
+<p>O Signora! dat waren geen golven als zwanen, die ge daarbuiten gezien
+hebt, die hun gebogen, doorschijnende halzen naar 't land uitstrekken,
+en als ze onbarmhartig teruggestooten worden, stil vervloeien, met de
+witte schuimharen uitgespreid over de zee. 't Waren donkere golven, die
+elkaar in razernij voortjoegen en over wier toppen 't bitterzoute schuim
+als damp wordt voortgezweept.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="136">&nbsp;</span><a id="p_136"></a></p>
+
+<p>De wind was nu z sterk, dat de meeuwen hun rustig vliegen in kringen
+niet meer konden voortzetten, maar krijschend uit hun banen geworpen
+werden. Spoedig zag Cecco hoe ze zich met moeite voortwerkten naar zee,
+om niet door den storm gegrepen en tegen de huizen aangeslingerd te
+worden. De honderde duiven op het plein van San Marco vlogen op,
+klapwiekende, zoodat het klonk als een nieuwe storm en verborgen zich in
+de hoekjes en gaatjes onder het dak van de kerk.</p>
+
+<p>Maar niet alleen de vogels werden door het onweer opgeschrikt. Een paar
+gondels waren al losgerukt en tegen 't strand geslingerd, zoodat ze
+bijna gebroken waren. En nu kwamen alle gondelroeiers aanrennen om de
+booten in het bootenhuis te bergen of ze weg te voeren in de kleine
+kanalen. De zeelieden op de schepen, die in de haven lagen, waren met
+het ankertouw bezig om de schuiten vast te leggen, zoodat ze niet op het
+land konden drijven. Ze namen het waschgoed in, dat op de verschansing
+te drogen hing, trokken de groote muts over 't voorhoofd en droegen al
+het losse goed naar beneden onder het dek. Buiten het groote kanaal kwam
+een heele visschersvloot aanzetten. Alle schepen van Lido en Malamocco,
+die hun waren op Rialto verkocht hadden, vluchtten naar huis om daar te
+zijn eer de storm al te geweldig zou worden.</p>
+
+<p>Cecco lachte toen hij zag, hoe de visschers zich bogen over de riemen
+en werkten, als wilden zij den <span class="pagenum" title="137">&nbsp;</span><a id="p_137"></a>dood ontkomen; zagen ze dan niet, dat
+dit maar een valwind was? Zij hadden gerust kunnen blijven en al hun
+inktvisschen en krabben aan de Venetiaansche vrouwen verkoopen.</p>
+
+<p>Hij zou zijn boot niet bergen, al was de storm nu geweldig genoeg voor
+een gewoon mensch om rekening me te houden. De stapjes werden door de
+golven opgelicht en op 't land geworpen, terwijl de waschvrouwen gillend
+naar huis vluchten. Heeren, die met breedgerande hoeden rondliepen,
+zagen ze in 't kanaal vliegen, en de straatjongens vonden er een groot
+vermaak in ze weer op te visschen. Zeilen werden van de masten gerukt en
+fladderden amechtig door de lucht, kinderen woeien om, en 't waschgoed,
+dat op de lijntjes in de nauwe straten hing, vloog op en viel ver weg
+weer in flarden neer.</p>
+
+<p>Cecco lachte wat om den storm, die nog maar met zulke lichte voorwerpen
+speelde. Een storm, die de vogels wegjaagt en in de steegjes kattenkwaad
+doet als een straatjongen! Nu trok hij zeker hier en daar aan een boot
+onder een brug, want niemand kon weten, wat hij nu weer zou verzinnen.</p>
+
+<p>Tegen den avond kwam het Cecco voor, dat het mooi moest wezen op zee.
+Hoe heerlijk zou hij voortvliegen met zulk een flinken bries. Maar aan
+land werd het een beetje griezelig. Hier vielen schoorsteenen krakend
+neer, daar werd het dak van een bootenhuis opgelicht en op het land
+gegooid. 't Regende dakpannen <span class="pagenum" title="138">&nbsp;</span><a id="p_138"></a>in het kanaal. De wind sloeg met deuren
+en vensterluiken, en vloog onder de open loggia's der paleizen en brak
+er de sierlijke bogen van.</p>
+
+<p>Cecco hield zich nog dapper, maar ging toch niet naar huis en naar bed.
+Hij kon de boot niet naar huis krijgen en 't was dan maar beter er bij
+te blijven en haar te bewaken. Maar toen hem iemand voorbijkwam en zei,
+dat het toch een vreeslijk weer was, wilde hij dat niet toegeven. Hij
+had wel ander weer beleefd in zijn jeugd.</p>
+
+<p>&bdquo;Een storm!&rdquo; zei hij in zichzelf, &bdquo;is dit nu een storm? En nu meent men
+misschien, dat die kwam op 't zelfde oogenblik, dat ik de zechine naar
+San Marco gooide. Alsof hij macht had over een echten storm.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen de nacht kwam, stormden de zee en de wind op Veneti af, tot de
+stad trilde op haar grondvesten. De doge Gradenigo en de Heeren van den
+Hoogen Raad begaven zich in den duisteren nacht naar San Marco, om voor
+de stad te bidden. De fakkeldragers gingen hun voor en de vlammen
+fladderden in den wind als lange wimpels. De wind rukte aan 't zware
+brokaatkleed van den doge, zoodat twee man het moesten vasthouden.</p>
+
+<p>Cecco vond dit het wonderlijkste, wat hij ooit gezien had. Ging de doge
+Gradenigo zelf naar den dom om dit onbeduidend geblaas! Wat zouden de
+menschen dan wel beginnen, als er eens een echte storm kwam?</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="139">&nbsp;</span><a id="p_139"></a></p>
+
+<p>Onophoudelijk zweepten de golven het op palen rustende strand. 't Was
+nu stikdonker en 't scheen alsof ondieren met witte koppen zich aan
+de palen vastklemden en probeerden ze los te rukken. Cecco meende hun
+woedend gehuil te hooren, als ze weer terugvielen. Maar hij begon te
+rillen, toen hij ze onophoudelijk zag terugkomen en aan de palen rukken.</p>
+
+<p>De storm scheen hem nu in den nacht veel ontzettender. Hij hoorde roepen
+hoog in de lucht. Dat was de wind niet! Nu en dan kwamen zwarte wolken
+aandrijven als lange rijen galeien. Het was alsof ze de stad kwamen
+bestormen.</p>
+
+<p>Hij hoorde duidelijk stemmen in een paar van de uiteengescheurde wolken,
+die over zijn hoofd heengleden.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu is het spoedig uit met Veneti,&rdquo; zei een stem in de eene wolk,
+&bdquo;straks komen onze broeders de demonen, en vernielen de stad.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik vrees, dat San Marco het niet toelaten zal,&rdquo; klonk het uit de andere
+wolk.</p>
+
+<p>&bdquo;San Marco is door een Venetir op het voorhoofd geslagen, zoodat hij
+machteloos neerligt en niemand helpen kan,&rdquo; zei de eerste stem weer.</p>
+
+<p>Door den storm gedragen bereikten die woorden den ouden Cecco, en van
+dat oogenblik af lag hij op de knien en bad San Marco om genade en
+vergiffenis.</p>
+
+<p>Want het was waar, wat de demonen zeiden. De schoone heerscheres over de
+eilanden was haar ondergang nabij. Een Venetir had San Marco gehoond en
+<span class="pagenum" title="140">&nbsp;</span><a id="p_140"></a>daarom zou Veneti door de zee worden weggespoeld. Geen menschen zouden
+meer varen over haar zee en kanalen, en geen barcarole zou meer klinken
+uit haar zwarte gondels. De zee zou heen rollen over de goud-blonde
+signora's, over de trotsche paleizen en den gulden dom. Als niemand deze
+moerassige eilanden beschermde, moesten zij vergaan. Voor San Marco naar
+Veneti kwam, was het ook vaak gebeurd, dat groote stukken land waren
+weggeslagen.</p>
+
+<p>Bij het krieken van den dag begonnen de klokken van de San Marco te
+luiden. De menschen kropen naar de kerk, terwijl de kleeren hun bijna
+van het lijf gerukt werden.</p>
+
+<p>De priesters hadden besloten den storm tegemoet en naar de zee te
+gaan. Zij openden de hoofdpoort van den dom en stroomden in een langen
+optocht uit de kerk. 't Kruis werd vooruit gedragen, dan kwamen de
+kaarsendragers en eindelijk San Marco's banier en de heilige hostie.
+Maar de storm werd er niet door bedwongen. Integendeel! Het scheen alsof
+hij niets beters wist om me te spelen. Hij wierp den kruisdrager om,
+blies de waskaarsen uit en gooide de baldakijn, die boven de hostie
+gehouden werd, op het dak van 't paleis van den doge.</p>
+
+<p>Ternauwernood kon men voorkomen, dat de banier van San Marco, met den
+gevleugelden leeuw in de lucht opwaaide.</p>
+
+<p>Cecco zag dit en sleepte zich luid jammerend naar <span class="pagenum" title="141">&nbsp;</span><a id="p_141"></a>zijn boot. Den
+geheelen dag lag hij aan 't strand, dikwijls door de golven besproeid
+en vaak in gevaar van in zee geslingerd te worden. Den geheelen dag lag
+hij verdiept in vurig gebed tot God en San Marco. Nu voelde hij, dat van
+zijn gebeden het lot van de stad afhing.</p>
+
+<p>Veel menschen vertoonden zich niet op de straat dien dag, maar enkele
+kwamen toch jammerend aanloopen. Allen spraken van de onmetelijke
+schade, die de storm aanrichtte. Men kon zien hoe de huizen instortten
+op Murano; 't was alsof heel dat lage eiland onder water stond; maar ook
+op Rialto waren een paar huizen omgeworpen.</p>
+
+<p>De storm hield den heelen dag met dezelfde hevigheid aan. Tegen den
+avond stroomde een groote schare naar het Marcusplein en de Piazzetta,
+hoewel die bijna onder water stonden. Zij durfden niet in hun huizen te
+blijven, die schudden op hun grondvesten. En met het gejammer van hen,
+die een ongeluk vreesden, mengde zich het geschreeuw van hen, die er
+reeds door getroffen waren. Geheele eigendommen stonden onder water.
+Kinderen waren in de golven omgekomen. Ouden en zieken waren met de
+instortende huizen in 't water verdwenen.</p>
+
+<p>Cecco lag voortdurend tot San Marco te bidden.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat geef ik om mijn zonen, als het Veneti geldt. Ik zou een zoon geven
+voor iedere dakpan, die in 't kanaal valt, als ik ze tot dien prijs kon
+vasthouden. <span class="pagenum" title="142">&nbsp;</span><a id="p_142"></a>O San Marco, zelfs de kleinste steen van Veneti is zooveel
+waard als een bloeiende zoon.&rdquo;</p>
+
+<p>Soms zag hij vreeselijke dingen. Er was een groote galei, die losgerukt
+was en naar land kwam drijven. Die ging recht op het op palen rustende
+strand af en stootte er tegen met den rammenkop, die aan den voorsteven
+zat, alsof die zich in een vijandelijk schip boorde. De eene stoot
+volgde op den anderen, en de aanvallen waren zoo vreeselijk, dat het
+schip spoedig begon te barsten. De golven spoelden er door heen, de
+barsten werden wijder en het fiere vaartuig werd in stukken geslagen. En
+al dien tijd zag men den kapitein en een paar van de bemanning, die het
+schip niet wilden verlaten, zich aan het dek vastklemmen en den dood
+tegemoet gaan, zonder eenige poging te doen om te ontsnappen.</p>
+
+<p>Zoo kwam de tweede nacht, en Cecco's gebeden bleven kloppen aan de
+hemelpoort; &bdquo;Laat mij alleen lijden,&rdquo; sprak hij. &bdquo;San Marco, dit is meer
+dan een mensch verdragen kan, zooals hier: anderen me te slepen in het
+ongeluk. Maar zend uw leeuw uit om mij te dooden. Ik zal niet vluchten.
+Wat ge wilt, dat ik voor de stad geven zal, wil ik graag offeren.&rdquo;</p>
+
+<p>Nauwelijks had hij dat gezegd, of hij zag naar de Piazzetta, en het
+scheen hem toe, dat hij den leeuw van San Marco niet meer zien kon op de
+granietzuil. Had San Marco toegelaten, dat zijn leeuw weggewaaid was? De
+oude Cecco schreide. Hij begon te wanhopen voor Veneti.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="143">&nbsp;</span><a id="p_143"></a></p>
+
+<p>Terwijl hij daar lag, zag hij aldoor visioenen en hoorde stemmen. De
+demonen spraken en stormden om hem heen. Hij hoorde ze razen als wilde
+dieren, als ze tegen de strandpalen opvlogen. Maar hij gaf niet veel
+om hen. Het ergste was de angst voor Veneti. Daar hoorde hij sterke
+vleugelslagen boven zich, en het hart zonk hem in de schoenen. Daar
+kwam zeker de leeuw van San Marco aanvliegen. Hier en daar bewoog zich
+wat in de lucht. Hij zag het&mdash;en zag het niet. Toen was het alsof het
+neerdaalde op Riva degli Schiavoni en daar rondsloop, dicht bij de
+plaats, waar hij lag. Hij had wel in zee willen springen van angst, maar
+hij bleef waar hij was. De leeuw zocht hem zeker. Als Veneti maar gered
+werd, dan wilde hij graag de wraak van San Marco ondergaan.</p>
+
+<p>Toen kwam de leeuw over 't veld aansluipen als een kat. Hij zag hoe hij
+ineenkromp om te springen. Hij zag hoe hij met de vleugels sloeg en de
+groote karbonkeloogen tot twee smalle glinsterende streepjes dichtkneep.</p>
+
+<p>De oude Cecco dacht er nog een oogenblik aan in de boot te kruipen en
+zich onder de brug in veiligheid te brengen, maar hij vermande zich en
+bleef zitten.</p>
+
+<p>Op dat oogenblik stond plotseling een groot en eerbiedwaardig man naast
+hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Goeden avond, Cecco,&rdquo; zei de vreemde, &bdquo;neem uw boot en zet mij over
+naar San Giorgio Maggiore.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="144">&nbsp;</span><a id="p_144"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dadelijk Heer!&rdquo; antwoordde de oude visscher. Hij was als uit een
+droom ontwaakt. De leeuw was weg en die man hier was immers iemand, dien
+hij kende. Maar Cecco kon zich niet herinneren, waar hij hem ontmoet
+had. De oude was dankbaar, dat hij gezelschap had. De vreeslijke ellende
+en gedruktheid, die over hem gekomen was, zoodra hij in vijandschap met
+den heilige geraakt was, verdween plotseling. Maar wat het varen naar
+San Giorgio betrof&mdash;hij geloofde geen oogenblik, dat dit zou gelukken.
+&bdquo;Wij kunnen zeker niet eens de boot in zee krijgen,&rdquo; dacht hij. Maar de
+man naast hem maakte zulk een indruk op hem, dat hij alles doen wilde om
+hem te dienen en het gelukte hem ook de boot vlot te krijgen. Hij hielp
+den vreemdeling in de boot stappen en vatte de riemen op.</p>
+
+<p>Cecco moest om zich zelf lachen: &bdquo;Waar denk je aan? Steek ten minste
+niet in zee!&rdquo; zei hij. &bdquo;Heb je ooit zulke golven gezien? Zeg hem toch,
+dat geen mensch daar tegen op kan.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar hij vond, dat hij den vreemdeling niet kon zeggen, dat het
+onmogelijk was. De man zat zoo kalm in de boot, alsof hij op een
+zomeravond naar Lido zou varen. En Cecco begon in de richting van San
+<ins class="corr" id="corr12" title="Bron: Giorgo">Giorgio</ins> Maggiore te roeien.</p>
+
+<p>'t Was ontzettend! Keer op keer sloegen de golven over hen heen. &bdquo;Ach!
+scheld dien kerel uit,&rdquo; zei Cecco halfluid tegen zichzelf. &bdquo;Scheld hem
+uit. Wat doet hij <span class="pagenum" title="145">&nbsp;</span><a id="p_145"></a>op zee in zulk een weer. Anders is hij immers een
+verstandige, oude visscher! Roep hem terug.&rdquo;</p>
+
+<p>Nu steeg de boot steile hoogten op en stortte neer in diepe dalen.
+Schuim spatte over Cecco heen, van de woeste golven, die hem als
+hollende paarden voorbijvlogen, maar hij werkte zich toch steeds dichter
+naar San Giorgio voort.</p>
+
+<p>&bdquo;Voor wie doe je dit alles toch? Je waagt je boot en je leven,&rdquo; zei hij.
+&bdquo;Je weet niet eens of hij je betalen kan. Hij ziet er niet uit als een
+heer. Hij is niet beter gekleed dan jezelf.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar zulke dingen zei hij maar om zijn moed vast te houden en zich niet
+over zijn megaandheid te hoeven schamen. Hij voelde zich gedwongen
+alles te doen wat de man in de boot verlangde. &bdquo;Roei ten minste niet
+naar San Giorgio, dwaas,&rdquo; zei hij. &bdquo;Daar slaat de wind nog feller op dan
+op Rialto.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar toch legde hij daar aan en hield de boot vast, terwijl de vreemde
+aan land ging. Het kwam hem voor, dat het 't verstandigst zou zijn de
+boot te verlaten en weg te sluipen; maar hij deed het niet. Hij zou
+liever gestorven zijn, dan den vreemdeling ontrouw te worden.</p>
+
+<p>Hij zag hoe deze naar de kerk van San Giorgio ging en daar binnentrad.
+Spoedig daarna kwam hij terug met een geharnasten ridder.</p>
+
+<p>&bdquo;Roei ons nu naar San Nicolo op Lido,&rdquo; sprak de vreemdeling.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="146">&nbsp;</span><a id="p_146"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ach ja,&rdquo; dacht Cecco, &bdquo;waarom niet naar Lido,&rdquo; 't was al
+levensgevaarlijk geweest naar San Giorgio te roeien, waarom zouden zij
+de tocht naar Lido niet wagen?</p>
+
+<p>En Cecco schrikte van zichzelf. Want hij gehoorzaamde den vreemde tot in
+den dood en zette werkelijk koers naar Lido.</p>
+
+<p>Nu er twee in de boot waren, had hij nog zwaarder werk. Hij wist niet
+hoe hij dat uithouden moest. &bdquo;Je hadt toch nog menig jaar kunnen leven,&rdquo;
+zei hij verwijtend tot zichzelf.</p>
+
+<p>Maar het wonderlijkste was, dat hij toch niet bedroefd was. Hij treurde
+noch over zijn zonen, noch over iets anders. En hij was er trotsch op,
+dat hij vooruit komen kon. &bdquo;Hij kan zijn eer ophouden, de oude Cecco,&rdquo;
+zei hij tot zichzelf.</p>
+
+<p>Zij legden aan bij Lido en de beide vreemdelingen gingen naar land. Ze
+gingen naar San Nicolo op Lido en kwamen spoedig terug met een ouden
+bisschop, in mantel en stola gekleed, met de staf in de hand en den
+mijter op het hoofd.</p>
+
+<p>&bdquo;Roei ons nu naar de open zee,&rdquo; zei de eerste vreemdeling.</p>
+
+<p>De oude Cecco rilde. Moest hij nu naar zee roeien, daar waar zijn zonen
+vergaan waren? Nu had hij geen schertsend woord meer voor zichzelf. Hij
+dacht ook niet zooveel meer aan den storm als aan de ontzetting van
+naar het graf van zijn zonen te moeten roeien. Als hij <span class="pagenum" title="147">&nbsp;</span><a id="p_147"></a>daarheen roeide,
+voelde hij dat hij meer dan zijn leven voor den vreemde gegeven had.
+De drie mannen zaten zwijgend in de boot, alsof zij goed op hun hoede
+waren. Cecco zag hoe zij zich voorover bogen en spiedend uitzagen in het
+donker. Zij waren nu bij de zeepoort bij Lido gekomen en de groote, door
+de storm opgezweepte zee lag voor hen.</p>
+
+<p>'t Was alsof er iets in Cecco zacht snikte. Hij <ins class="corr" id="corr13" title="Bron: dach">dacht</ins> er aan, dat hier
+in deze golven, de twee lijken ronddreven. Hij staarde in 't water of
+hij ook twee welbekende aangezichten zou zien. Maar ondertusschen roeide
+hij voort. Cecco liet zich niet bang maken.</p>
+
+<p>Daar stonden plotseling de drie mannen in de boot op en Cecco viel op de
+knien, maar hij bleef de riemen stijf vasthouden. Een groot schip kwam
+recht op hen aan.</p>
+
+<p>Maar Cecco kon niet goed zien of het een schip was dan wel een door de
+wind opgejaagde nevelmassa. De zeilen waren groot, en reikten tot de
+vier hoeken van den hemel en de kiel was geweldig, maar 't scheen, dat
+ze gebouwd was uit de lichtste zeedamp. Hij meende een bemanning van
+demonen aan boord te zien en hun geschreeuw te hooren, maar de demonen
+geleken donkere vlekken en 't geschreeuw klonk als 't bulderen van den
+storm.</p>
+
+<p>Maar in ieder geval was het al te vreeselijk het schip recht op zich aan
+te zien komen en Cecco sloot de oogen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="148">&nbsp;</span><a id="p_148"></a></p>
+
+<p>Op dat oogenblik moeten de drie <ins class="corr" id="corr14" title="Bron: mannan">mannen</ins> de botsing afgeweerd hebben,
+want de boot werd niet in den grond geboord. Toen Cecco opkeek was het
+schip op de vlucht op zee, en een luid gejammer klonk door den nacht.</p>
+
+<p>Hij stond bevend op om verder te roeien, hoewel hij zoo moe was, dat hij
+nauwlijks de riemen kon vasthouden. Maar plotseling was alle gevaar
+voorbij. De storm nam snel af en de golven werden in een oogenblik
+rustig.</p>
+
+<p>&bdquo;Breng ons nu terug naar Veneti,&rdquo; zei de vreemdeling tot den visscher.</p>
+
+<p>Cecco bracht nu de boot naar Lido, waar de bisschop aan land ging, en
+toen naar San Giorgio, waar de ridder hen verliet. De eerste
+indrukwekkende vreemdeling bleef bij hem tot Rialto.</p>
+
+<p>Toen ze aan land gegaan waren bij Riva Degli Schiavoni, sprak hij tot
+den visscher: &bdquo;Zoodra het dag wordt, moet ge naar den doge gaan en hem
+zeggen wat ge van nacht hebt gezien. Zeg hem, dat San Marco, San Giorgio
+en San Nicola van nacht met de demonen gestreden hebben, die Veneti
+wilden verwoesten, en ze hebben verdreven.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, Heer,&rdquo; zei de visscher, &bdquo;ik zal alles vertellen. Maar hoe zal ik
+zoo kunnen spreken, dat de doge mij gelooft.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen reikte San Marco hem een ring met een wonderbaar stralenden
+edelsteen.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="149">&nbsp;</span><a id="p_149"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Laat den doge dien zien,&rdquo; zei hij. &bdquo;Dan begrijpt hij, dat ik u
+gezonden heb. Hij kent mijn ring.&rdquo;</p>
+
+<p>De visscher nam den ring en kuste die eerbiedig.</p>
+
+<p>&bdquo;En verder moet ge den doge zeggen,&rdquo; zei de heilige, &bdquo;dat ik dezen ring
+geef als een onderpand, dat ik Veneti nooit zal verlaten. Zelfs als de
+laatste doge uit het hertogelijk paleis is getrokken, zal ik Veneti
+bewaren. Zelfs al verloor Veneti de eilanden in 't oosten en de
+heerschappij over de zee, en al trok niemand meer uit op den Bucentaur,
+zal ik de stad bewaren in al haar schitterende schoonheid. Altijd zal
+zij rijk en bemind zijn, altijd door de dichters bezongen en geprezen,
+altijd heerlijk voor menschen om te bewonen. Zeg dat, Cecco, en de doge
+zal u op uw ouden dag niet verlaten.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen verdween de apostel en kort daarna steeg de zon op boven de
+zeepoort bij Torcelli. Haar eerste, heerlijke stralen wierpen een
+rozigen glans over Veneti en de veelkleurige zee. Rood straalden
+de kerken van San Giorgio en San Marco en 't geheele, met paleizen
+versierde strand. En in het heerlijke morgenlicht kwamen de bekoorlijke
+Venetiaanschen op de loggia's en glimlachten tegen den komenden dag.</p>
+
+<p>Weer was Veneti de schoone godin, die op de golven troont in de
+rooskleurige, schitterende schelp. Schoon als nooit te voren bond ze
+haar gouden haar op en legde den purperen mantel om de schouders, om
+een van haar schoonste dagen te vieren. Want ze <span class="pagenum" title="150">&nbsp;</span><a id="p_150"></a>was als in een roes van
+geluk, toen de visscher den ring aan den doge bracht en zij vernam, dat
+de heilige nu en in alle eeuwigheid zijn beschermende hand over haar zou
+uitstrekken.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="151">&nbsp;</span><a id="p_151"></a></p>
+
+<h2><a id="SANTA_CATHARINA_VAN_SIENA"></a>SANTA CATHARINA VAN SINA.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>Het is in het oude huis van Santa Catharina in Sina, op een dag in het
+eind van April, in de week, dat haar feest gevierd wordt. Het is in het
+oude huis in de Verwersstraat, dat huis met het mooie balkon en met de
+vele kleine kamers, die nu tot kapel en bidkamers zijn ingericht; en
+daarheen stroomen nu de menschen met bouquetten witte lelies en daar
+geuren wierook en viooltjes.</p>
+
+<p>En als men daar rondloopt, denkt men: 't Is precies alsof de kleine
+Catharina pas gestorven is, en alsof allen, die nu haar huis uit en
+ingaan, haar gezien en gekend hebben.</p>
+
+<p>Maar eigenlijk zou men niet gelooven, dat ze dood is, want dan zou er
+meer rouw en geween zijn, en niet alleen dat stille gevoel van gemis,
+dat er nu is. 't Is meer, alsof een geliefde dochter kort geleden
+getrouwd is, en heengegaan uit het ouderlijk huis.</p>
+
+<p>Zie nu maar eens naar de dichtstbij zijnde huizen. De oude muren zijn
+feestelijk versierd. En aan haar <span class="pagenum" title="152">&nbsp;</span><a id="p_152"></a>eigen huis hangen bloemenguirlandes
+onder de portiek en aan het balcon; daar ligt groen op de stoep en op
+den drempel en in de kamer geuren groote bouquetten.</p>
+
+<p>En men kan in 't geheel niet gelooven, dat zij al vijfhonderd jaar dood
+geweest is. 't Is eer alsof ze haar bruiloft gevierd heeft en naar een
+ander land is getrokken, waarvan ze eerst na langen tijd of nooit terug
+kan komen. Zijn het niet enkel roode kleeden en draperien en rood
+zijden banieren, die 't huis versieren? Zijn niet de grootste, meest
+vuurroode papieren rozen in de donkere guirlande van eikenbladen
+gestoken, en zijn de versierselen boven de deuren en vensters niet rood
+met gouden franjes? Kan men zich wel iets vroolijkers voorstellen?</p>
+
+<p>En let nu eens op hoe oude vrouwen in haar huis rondloopen en alle
+kleinigheden bekijken, die zij bezeten heeft. Het is alsof ze haar juist
+die sluier en dat boetekleed hebben zien dragen. Zij bekijken de kamer,
+waar zij woonde en wijzen naar haar bed en haar brieven. En ze vertellen
+elkaar hoe ze eerst in het geheel niet kon leeren schrijven, en hoe het
+toen plotseling over haar kwam en zij het kon, zonder het te leeren. En
+zie maar hoe goed die brieven geschreven zijn, en wat een vloeienden
+stijl!&mdash;Ze wijzen op het kleine fleschje, dat zij aan den gordel droeg
+om altijd droppels bij de hand te hebben, als ze een zieke tegenkwam. En
+zij bidden zegen af over het oude nachtlampje, dat zij in de hand droeg,
+als ze des nachts naar de <span class="pagenum" title="153">&nbsp;</span><a id="p_153"></a>zieken en bedroefden kwam zien. Is het niet,
+alsof ze zeggen willen: &bdquo;Ach God, dat ze nu weg is, die lieve Catharina
+Benincasa, dat ze nooit meer naar ons oudjes zal komen zien.&rdquo;</p>
+
+<p>En zij kussen haar portret en nemen een bloem me uit de bouquetten, als
+een herinnering aan haar.</p>
+
+<p>Het is alsof de achterblijvenden in 't huis zich reeds lang op de
+scheiding hebben voorbereid en al het mogelijke beproefd hebben om de
+herinnering van haar, die heenging, recht levendig te houden. Zie, daar
+aan den wand is een schilderij van haar en haar geheele geschiedenis,
+trek voor trek. Daar ziet ge haar, terwijl ze haar lang mooi haar
+afknipt, opdat geen man haar liefhebben zal, want zij wil in 't geheel
+niet trouwen. Ach, ach! hoe werd zij daarom gesmaad. Het is vreeselijk
+om er aan te denken, hoe haar moeder haar plaagde en haar als een
+dienstbode behandelde, en haar op den steenen vloer in het voorhuis liet
+slapen, en haar geen eten wilde geven, alleen omdat zij zoo koppig met
+dat haar geweest was. Maar wat moest ze beginnen, zij, die geen anderen
+bruidegom dan Christus wilde hebben, terwijl men haar voortdurend tot
+een huwelijk wilde dwingen. En daar ziet ge, hoe ze op de knien lag en
+bad, en haar vader in de kamer kwam, zonder dat zij het merkte en hoe
+hij een mooie witte duif boven haar hoofd zag zweven, zoolang het gebed
+duurde. En hier ziet ge haar in den Kerstnacht, toen ze naar het altaar
+van de Madonna geslopen was om <span class="pagenum" title="154">&nbsp;</span><a id="p_154"></a>zich recht te verheugen over de geboorte
+van Gods Zoon. En toen de mooie Madonna zich neerboog van de schilderij
+en haar het kindje toereikte, opdat zij 't een oogenblik in de armen zou
+houden. Ach! welk een zaligheid kwam toen over haar.</p>
+
+<p>Ach ja! men behoeft van Catharina Benincasa niet te zeggen, dat zij dood
+is. Men kan gerust zeggen, dat zij met haar bruidegom is heengegaan.</p>
+
+<p>In haar vaderstad zal men nooit haar vrome levenswijs en gewoonten
+vergeten. Alle armen van Sina komen daar aan de poort kloppen, want
+ze weten, dat het de bruiloftsdag der jonkvrouw is. En daar vinden ze
+hooge stapels brood gereed, alsof ze nog thuis was. Ze krijgen manden en
+zakken vol. Zij zelf zou ze niet zwaarder beladen kunnen wegzenden, als
+ze nog thuis was.</p>
+
+<p>Zij liet zulk een leegte achter, en men miste haar z, dat men haast
+niet begrijpen kan hoe haar bruidegom het hart had haar weg te voeren.</p>
+
+<p>In de kleine kapellen, die in iederen hoek van het huis zijn ingericht,
+wordt den heelen dag de mis gelezen en men roept de bruid aan en zendt
+liederen tot haar op. &bdquo;Heilige Catharina,&rdquo; zeggen de menschen, &bdquo;bid voor
+ons op uw sterfdag, die tevens uw hemelsche bruiloftsdag is.</p>
+
+<p>Heilige Catharina, gij die geen andere liefde gekend hebt dan die voor
+Christus, gij die reeds in dit leven zijn bruid waart en in den dood
+door Hem in het Paradijs ontvangen zijt, bid voor ons!</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="155">&nbsp;</span><a id="p_155"></a></p>
+
+<p>Heilige Catharina, stralende hemelbruid, gij gelukzalige jonkvrouw, gij
+die als Moeder Gods aan de zijde van den Zoon zijt verheven, gij die op
+dezen dag door de engelen wordt ingedragen tot de heerlijkheid des
+hemels, bid voor ons.&rdquo;</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Het is wonderlijk hoe lief men haar krijgt, hoe haar huis, en de
+schilderijen, en de liefde van de ouden en armen haar voor ons doen
+leven. En men gaat over haar peinzen, hoe ze in werkelijkheid wel was,
+of ze niets dan een heilige, een hemelbruid was, of het waar was, dat
+ze niet in staat was iemand anders lief te hebben dan Christus. En daar
+duikt een oud verhaal, dat lang geleden ons hart verwarmde, uit onze
+herinnering op. Eerst is het heel vaag en vormeloos, maar als men
+eindelijk alleen overblijft op het balkon van het feestelijk versierde
+huis en de armen ziet weggaan, met hun gevulde korven en het doffe
+mompelen in de kapellen hoort, wordt het al duidelijker en staat dan
+helder voor onzen geest.</p>
+
+<p>Nicola Tungo was een jong edelman uit Perugia, die dikwijls naar Sina
+kwam om de wedrennen. Hij merkte spoedig hoe slecht Sina bestuurd werd
+en zei vaak in een gesprek met de notabelen en ook als hij in de herberg
+zat te drinken, dat Sina moest opstaan tegen de Signoria en zich een
+ander bestuur veroveren.</p>
+
+<p>De toen regeerende Signoria waren nog geen half jaar aan de regeering
+geweest. Zij waren nog niet <span class="pagenum" title="156">&nbsp;</span><a id="p_156"></a>heel zeker van hun macht en het beviel hun
+niet, dat de Perugir het volk opruide. Om aan die zaak snel een einde
+te maken, lieten ze hem gevangen zetten en na een kort verhoor werd hij
+ter dood veroordeeld.</p>
+
+<p>Hij werd naar de gevangenis in Palazzo publico gebracht, terwijl alles
+voor de onthoofding, die den volgenden dag op de markt zou plaats
+hebben, in orde gemaakt werd.</p>
+
+<p>Dat kwam den jongen man eerst zoo wonderlijk voor. Morgen zou hij dus
+zijn groen fluweelen mantel niet meer dragen, noch zijn mooie wapens;
+hij zou niet meer op straat loopen met zijn baret met struisveeren en
+de oogen der jonge meisjes tot zich trekken. En hij voelde het als een
+smartelijke leegte, dat hij zijn nieuw paard niet zou berijden, dat hij
+eerst gisteren gekocht en nog maar ns beproefd had.</p>
+
+<p>Plotseling riep hij den gevangenbewaarder en verzocht hem de heeren van
+de Signoria te zeggen, dat hij zich niet kon laten onthoofden. Hij had
+er geen tijd voor. Hij had te veel te doen. Het leven kon hem niet
+missen. Zijn vader was oud. Hij was de eenige zoon en moest dus het
+geslacht in stand houden. Hij moest zijn zusters uithuwelijken, hij
+moest een nieuw paleis bouwen en een nieuwen wijngaard planten.</p>
+
+<p>Hij was een krachtige jonge man; hij wist niet wat ziekte was en in zijn
+aderen stroomde de levenslust. Zijn haar was donker en zijn wangen rood.
+Hij kon maar niet begrijpen, dat hij sterven moest.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="157">&nbsp;</span><a id="p_157"></a></p>
+
+<p>Als hij er aan dacht, dat men hem wegnam van zijn spel en dans, van
+karnaval en van de wedrennen op den volgenden Zondag, en van de
+Serenade, die hij aan de schoone Giulietta Lombardi brengen wilde, werd
+hij woedend op de raadsheeren, zooals men het op dieven en roovers
+wordt. Die schurken, die schurken! Zij wilden hem het leven afnemen.
+Maar hoe meer de tijd voorbijging, hoe meer ontberingen hij voelde. Hij
+miste de frissche lucht, en water, en hemel en aarde. Hij dacht hoe
+hij een bedelaar langs den weg zou willen zijn, ziekte, honger en kou
+verdragen, als hij maar leven mocht. Hij wenschte, dat alles met hem
+sterven zou, dat er niets meer zou zijn na hem. Dat zou een groote
+troost geweest zijn.</p>
+
+<p>Maar dat den volgenden dag, en alle dagen daarna, de menschen naar de
+markt zouden gaan en handel drijven, dat de vrouwen water uit de bron
+zouden halen en de kindren op straat loopen&mdash;en hij het niet zou
+zien&mdash;dt kon hij niet verdragen. Hij benijdde niet alleen hen, die
+'t goed hadden en feestvieren konden en gelukkig waren. Hij benijdde
+evengoed de ellendigste gebrekkige. Wat hij wilde was alleen <i>leven</i>!</p>
+
+<p>Toen kwamen de priesters en de monniken bij hem. Hij was er bijna blij
+om, want nu had hij ten minste iemand om zijn woede aan te luchten. Hij
+liet ze eerst een poosje praten; het vermaakte hem te hooren wat ze
+zouden zeggen tegen iemand, die z verongelijkt <span class="pagenum" title="158">&nbsp;</span><a id="p_158"></a>was als hij. Maar toen
+ze hem zeiden, dat hij zich moest verheugen, omdat hij in zijn bloeiende
+jeugd dit leven verlaten mocht, stoof hij op en liet zijn woede over hen
+losbarsten. Hij hoonde God en de vreugden van den hemel. Hij had ze niet
+noodig. Hij wilde het leven hebben en de aarde en de ijdelheid en de
+lust. Hij had berouw over iederen dag, dien hij niet in aardsche
+genoegens verbrast had. Hij had spijt van iedere verzoeking, die hij
+weerstaan had. Wat had God zich om hem te bekommeren! Hij had niet naar
+Zijn hemel verlangd. Toen de priesters voortgingen met spreken, greep
+hij een van hen bij de keel en zou hem vermoord hebben, als niet de
+gevangenbewaarder zich tusschen hen geworpen had. Nu lieten zij hem
+binden en zijn mond dichtstoppen en preekten voor hem, maar zoodra hij
+weer spreken mocht, raasde hij juist als te voren. Zij waren uren met
+hem bezig, maar zij zagen wel, dat het niet hielp.</p>
+
+<p>Nu wisten ze geen raad meer, en toen stelde een van hen voor, dat men de
+jonge Catharina Benincasa zou halen, die getoond had groote macht over
+onbuigzame zielen te bezitten.</p>
+
+<p>Toen de Perugir dat hoorde hield hij plotseling op, midden in zijn
+woordenvloed. Waarlijk, dit stond hem wel aan. 't Was heel iets anders
+met een schoone, jonge maagd te doen te hebben. &bdquo;Zend mij de jonkvrouw,&rdquo;
+zei hij.</p>
+
+<p>Hij wist, dat zij de jonge dochter van een verwer <span class="pagenum" title="159">&nbsp;</span><a id="p_159"></a>was en alleen in
+straten en stegen rondliep om te preeken. Sommigen zeiden, dat ze
+krankzinnig was, anderen dat ze visioenen had. Voor hem was ze altijd
+beter gezelschap dan de vuile monniken, die hem buiten zichzelf
+brachten.</p>
+
+<p>Toen gingen de monniken heen en hij bleef alleen achter. Kort daarna
+ging de deur open, maar als de geroepene binnengekomen was, moest ze
+al een zeer lichten tred hebben, want hij hoorde niets. Hij lag op den
+vloer, zooals hij zich in zijn woede neergeworpen had, en hij was te moe
+om op te staan of om een beweging te maken, of zelfs maar op te zien.
+Hem waren de armen saamgebonden met touwen, die diep in zijn vleesch
+sneden.</p>
+
+<p>Toen voelde hij, dat iemand dat touw begon los te maken; een warme hand
+raakte zijn arm aan en hij zag op. Naast hem lag een klein wezentje in
+witte dominikanerkleeding met hoofd en hals z dicht in een witten
+sluier gewikkeld, dat er van haar gezicht niet veel meer zichtbaar
+bleef, dan van een ridder, die een helm met opgeslagen vizier draagt.</p>
+
+<p>Zij zag er in 't geheel niet zoo vroom uit; zij leek eerder
+verontwaardigd. Hij hoorde haar iets mompelen over den
+gevangenbewaarder, die het touw zoo vast aangetrokken had. Het was,
+alsof ze om niet anders dan om die knoopen gekomen was. Ze deed niet
+anders, dan trachten ze los te maken, zonder hem pijn te doen. Eindelijk
+moest zij ze met de tanden los trekken, en toen <span class="pagenum" title="160">&nbsp;</span><a id="p_160"></a>ging het. Ze ontknoopte
+het touw met vlugge, zachte bewegingen, nam toen het kleine fleschje,
+dat aan haar gordel hing en goot een paar druppels daaruit op het
+afgeschaafde vel.</p>
+
+<p>Hij lag haar aldoor aan te kijken, maar zij had hem nog niet in de oogen
+gezien en scheen alleen te denken aan datgene waar ze me bezig was. Het
+was alsof niets verder uit haar gedachten was, dan dat ze hem op den
+dood moest voorbereiden.</p>
+
+<p>Hij was nu zoo moe van opgewondenheid en voelde zich ook zoo veilig in
+haar nabijheid, dat hij alleen zeide:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat ik zou willen slapen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Het is schande, dat ze u geen stroo gebracht hebben,&rdquo; zei ze.</p>
+
+<p>Een oogenblik zag ze besluiteloos rond, toen ging ze achter hem op den
+grond zitten en legde zijn hoofd in haar schoot. &bdquo;Hebt ge het nu beter?&rdquo;
+vroeg zij. Nooit in zijn leven had hij zich zoo rustig gevoeld.</p>
+
+<p>Maar slapen kon hij toch niet, hij lag stil naar haar gezicht te kijken,
+dat geelwit en doorschijnend was. Zulke oogen had hij nooit te voren
+gezien. 't Was alsof ze ver, ver weg zagen en in een andere wereld
+keken, terwijl ze volkomen onbeweeglijk zat om zijn slaap niet te
+storen.</p>
+
+<p>&bdquo;Ge slaapt niet, Nicola Tungo,&rdquo; zei ze en zag er onrustig uit.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik kan niet slapen.&rdquo; antwoordde hij, &bdquo;want ik lig er aldoor over te
+denken, wie ge toch zijt.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="161">&nbsp;</span><a id="p_161"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben de dochter van Luca Benincasa, de verwer, en zijn vrouw, Lapa,&rdquo;
+zei ze. &bdquo;Ons huis ligt beneden in het dal onder het
+dominicanerklooster.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat weet ik,&rdquo; zei hij, &bdquo;en ik weet ook, dat ge op straat predikt. En
+dat ge het nonnenkleed hebt aangenomen en de kuischheidsgelofte
+afgelegd. Maar toch weet ik nog niet wie ge zijt.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze wendde het hoofd wat af. Toen sprak ze fluisterend, als iemand, die
+zijn eerste liefde bekent:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik ben de bruid van Christus.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij lachte niet; in plaats daarvan voelde hij een stekende pijn in het
+hart, als van jaloezie. &bdquo;Ach! Christus!&rdquo; zei hij, alsof hij hoorde van
+een msaillance.</p>
+
+<p>Zij hoorde, dat er verachting in zijn stem klonk, maar zij nam dat op,
+alsof hij meende, dat zij vermetel was.</p>
+
+<p>&bdquo;Ik begrijp het zelf niet,&rdquo; sprak ze, &bdquo;maar het is zoo.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is inbeelding of een droom,&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>Zij keerde haar aangezicht naar hem toe. Hij zag hoe er een rozigen
+schijn over lag door 't bloed, dat achter de doorschijnende huid
+opsteeg. Hij vond opeens, dat ze mooi was als een bloem en hij kreeg
+haar lief. Zij bewoog de lippen om te spreken, maar gaf geen geluid.</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe kan ik dat nu gelooven?&rdquo; zei hij koppig.</p>
+
+<p>&bdquo;Is het u dan nog niet genoeg, dat ik bij u in de gevangenis ben?&rdquo; vroeg
+zij luid. &bdquo;Is het dan een <span class="pagenum" title="162">&nbsp;</span><a id="p_162"></a>genot voor een jong meisje als ik, bij u en
+andere misdadigers te komen in hun donkre holen, zooals ik doe, en voor
+velen een bespotting te zijn? Heb ik dan geen slaap noodig als anderen,
+en toch moet ik iederen nacht opstaan en naar de zieken in het hospitaal
+gaan. Ben ik niet bang, zoo goed als anderen? En toch moet ik naar
+voorname heeren in hun kasteel gaan en hen terechtwijzen. Ik moet naar
+de pestzieken gaan en alle kwaad en zonde onder de oogen zien. Wanneer
+hebt ge dat ooit een maagd zien doen? Maar ik moet!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ach, stakker,&rdquo; zei hij, en streelde zacht haar hand. &bdquo;Stakker!&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Want ik ben niet moediger of wijzer of sterker dan iemand anders,&rdquo; zei
+ze. &bdquo;Het is even moeilijk voor mij om dat te doen als voor ieder ander
+meisje. Dat ziet ge wel. Ben ik niet hier gekomen om met u over uw ziel
+te spreken? Maar ik weet niet, wat ik tegen u zeggen moet.&rdquo;</p>
+
+<p>Het was vreemd hoe onwillig hij was zich te laten overtuigen. &bdquo;Ge kunt u
+toch wel vergissen,&rdquo; zei hij. &bdquo;Hoe weet ge, dat ge u de bruid van
+Christus kunt noemen?&rdquo;</p>
+
+<p>Haar stem begon te beven en het was alsof zij zich het hart uit de borst
+moest scheuren, toen zij antwoordde:</p>
+
+<p>&bdquo;Dat begon al vroeg met mij, weet ge, toen ik niet ouder was dan zes
+jaar. Toen liep ik een avond met <span class="pagenum" title="163">&nbsp;</span><a id="p_163"></a>mijn broer over 't veld, beneden de
+kerk van de dominicaners, en juist toen ik mijn oogen naar de kerk
+ophief, zag ik Christus op een troon zitten, met alle macht en
+heerlijkheid omgeven. Hij was gekleed in lichtende kleuren, zooals de
+Heilige Vader in Rome. Zijn hoofd was omgeven door een hemelsch licht,
+en om Hem heen stonden Petrus, Paulus en Johannes, de evangelist. En
+terwijl ik Hem aanzag, drong in mijn hart zulk een liefde door en zulk
+een heilige zaligheid, dat ik het bijna niet kon verdragen. Hij hief de
+hand op en zegende mij en ik zonk neer, en was zoo aangegrepen door mijn
+geluk, dat mijn broer mij in zijn armen nam en me schudde.&mdash;Sedert dien
+tijd, Nicola Tungo, heb ik Jezus als mijn bruidegom liefgehad.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij bracht er weer tegen in: &bdquo;Ge waart toen nog een kind. Ge hebt op het
+veld geslapen en gedroomd.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Gedroomd?&rdquo; herhaalde ze, &bdquo;zou ik gedroomd hebben ieder keer, dat ik Hem
+gezien heb? Zou dat een droom zijn, dat Hij bij mij in de kerk kwam in
+de gestalte van een bedelaar en mij een aalmoes vroeg. Toen was ik toch
+klaar wakker. En zou ik alleen ter wille van een droom zooveel lijden
+hebben uitgestaan, als mij werd opgelegd als jong meisje, omdat ik niet
+trouwen wilde?&rdquo;</p>
+
+<p>Nicola wilde nog niet toegeven, omdat hij het niet verdragen kon, dat
+zij liefde voor een ander in haar hart droeg.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="164">&nbsp;</span><a id="p_164"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Maar al hebt gij Christus lief, jonkvrouw, hoe weet ge, dat Hij u
+liefheeft,&rdquo; vroeg hij.</p>
+
+<p>Toen lachte ze met een blijden, stralenden lach en klapte in de handen
+als een kind. &bdquo;Dat zult ge hooren, dat zult ge hooren,&rdquo; zeide zij. &bdquo;Nu
+zal ik u het gewichtigste vertellen. 't Was op een nacht in de vasten.
+Het was toen ik vrede met mijn ouders gesloten en hun toestemming
+gekregen had om de kuischheidsgelofte af te leggen en de nonnenkleeren
+te dragen, hoewel ik nog in hun huis woonde. Het was nacht, zooals ik u
+zei, de laatste van het karnaval, zoodat allen een dag van den nacht
+maakten. 't Was feest op alle straten, balkons hingen als kooien aan de
+muren der groote paleizen. Ze waren bekleed met zijden doeken en vlaggen
+en vol edelvrouwen. Ik zag al hun schoonheid bij den schijn van de roode
+flakkerende fakkels, die in de bronzen houders op zij en tot boven aan
+het dak zaten. Maar op de bont versierde straten kwamen ze aanrijden met
+wagens en droegen vergulde torentjes, en alle goden en godinnen en alle
+deugden en schoonheden trokken in een langen optocht voorbij. Maar
+daartusschen speelden de maskers vroolijk heen en weer, zoodat ge nooit
+iets uitgelateners gezien hebt. Ik vluchtte in mijn kamer, maar ik
+hoorde toch het gelach op de straten en nooit heb ik de menschen z
+hooren lachen; 't was zoo heerlijk om te hooren, dat de heele wereld
+me zou lachen, en er werden liedjes gezongen, die zeker boos waren,
+<span class="pagenum" title="165">&nbsp;</span><a id="p_165"></a>maar die zoo onschuldig klonken, en zoo vol blijdschap waren, dat ze
+'t hart van vreugde deden trillen, zoodat door al mijn gebeden heen ik
+me afvroeg, waarom ik ook niet daar buiten was. En het trok me aan en
+lokte me, alsof ik achter aan een van die schitterende paarden was
+vastgebonden. Maar nooit te voren had ik z innig tot Christus gebeden,
+dat Hij me toonen zou wat Zijn wil was. En toen hield plotseling alle
+gedruisch om mij heen op. Een wonderbare stilte daalde neer en ik zag
+een groene weide, waar de Moeder Gods tusschen de bloemen zat en op haar
+schoot zat het kind Jezus met lelin te spelen. Maar ik spoedde mij
+voort met groote blijdschap en viel voor het kind op de knien en was
+plotseling vervuld met een grooten, diepen vrede. En toen schoof het
+heilige kind een ring aan mijn vinger en zeide tot mij: &bdquo;Weet dan,
+Catharina! dat ik van daag mijn verlovingsfeest met u vier en u aan mij
+door het sterkste geloof verbind.&rdquo;<ins class="corr" id="corr15" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>&bdquo;O, Catharina!&rdquo;</p>
+
+<p>De jonge Perugir had zich op den vloer omgekeerd, zoodat hij nu zijn
+gezicht in haar schoot kon verbergen. Het was alsof hij niet verdragen
+kon te zien, hoe ze straalde van geluk onder 't spreken, en hoe haar
+oogen schitterden als sterren. Zijn lichaam schokte als van smart.</p>
+
+<p>Want terwijl zij sprak, was een groot verdriet in hem ontwaakt. Die
+jonge maagd, schoon en rein als geen <span class="pagenum" title="166">&nbsp;</span><a id="p_166"></a>andere, kon hij nooit winnen. Haar
+liefde behoorde een ander toe, nooit zou ze hem liefhebben. Het gaf niet
+of hij haar zei hoe lief hij haar had. Maar hij leed er onder. Zijn
+heele ziel was vol liefdesmart. Hoe zou hij kunnen leven zonder haar. En
+het was hem bijna een troost te denken, dat hij ter dood veroordeeld
+was. Hij zou niet behoeven te leven en haar te missen.</p>
+
+<p>Toen zuchtte de jonge vrouw daar voor hem diep, en keerde met haar
+gedachten van de vreugden des hemels tot de arme menschen terug en zei:
+&bdquo;Ik vergeet met u over uw ziel te spreken&rdquo;.</p>
+
+<p>Toen dacht hij: &bdquo;Zie, die zorg kan ik haar ten minste afnemen.&rdquo;</p>
+
+<p>En hij sprak: &bdquo;Zuster Catharina, ik weet niet welke hemelsche troost
+over mij gekomen is. In Godsnaam, ik zal mij op den dood voorbereiden.
+Gij kunt de priesters en de monniken laten komen en ik zal voor hen
+biechten. Maar n ding moet ge me beloven eer ge heengaat. Ge moet
+morgen komen, als ik sterven moet en mijn hoofd tusschen uw handen
+nemen, zooals ge nu doet.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen hij dat gezegd had voelde ze een vreugde z groot, dat ze begon te
+schreien: &bdquo;Nicola Tungo, hoe gelukkig zijt ge,&rdquo; sprak ze. &bdquo;Ge zult vr
+mij in het Paradijs zijn.&rdquo; En ze streek hem zacht over het haar.</p>
+
+<p>Toen zei hij weer: &bdquo;Ge komt immers morgen bij mij op de markt? Misschien
+wordt ik anders bang. <span class="pagenum" title="167">&nbsp;</span><a id="p_167"></a>Misschien kan ik anders niet met waardigheid
+sterven. Maar als gij daar zijt, zal ik niets dan vreugde voelen en alle
+angst zal van mij wijken.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zie u niet meer als een arm menschenkind,&rdquo; zei ze, &bdquo;maar als een
+hemelbewoner. Het is me alsof ge straalt van licht en door wierook
+omringd zijt. Van u stroomt zaligheid over mij uit, van u, die zoo
+spoedig mijn geliefden bruidegom zult ontmoeten. Geloof maar, dat ik
+zeker komen zal en u zien sterven.&rdquo;</p>
+
+<p>Daarop leidde ze hem naar de biecht en het avondmaal. Hij deed het als
+een slaapwandelaar; alle vrees voor den dood en verlangen naar het leven
+was verdwenen. Hij verlangde naar den morgen, dat hij haar weer zien
+zou, hij dacht alleen aan haar en aan zijn liefde voor haar. Nu week het
+sterven bij hem geheel op den achtergrond bij de smart, die hij voelde,
+omdat zij hem nooit zou kunnen liefhebben.</p>
+
+<p>Het jonge meisje sliep niet veel dien nacht en vroeg in den morgen was
+zij al op de plaats van de terechtstelling om hem op te wachten. Zij
+riep onophoudelijk Maria, de moeder van Jezus en de heilige Catharina
+van Egypte aan, de maagd en martelares, opdat zij zijn ziel zouden
+redden. Onophoudelijk zei ze: &bdquo;Ik wil, dat hij gered zal worden, ik wil
+het, ik wil het.&rdquo; Maar ze was bang, dat haar gebeden vruchteloos zouden
+zijn, want ze voelde de geestdrift niet meer, die den vorigen avond over
+haar gekomen was. Zij <span class="pagenum" title="168">&nbsp;</span><a id="p_168"></a>voelde alleen een grenzenloos medelijden met hem,
+die sterven moest. Niets dan smart en rouw was in haar hart.</p>
+
+<p>De markt liep langzamerhand vol menschen. De gevangenisknechten kwamen
+aanmarcheeren, de beulen waren reeds gekomen. Om haar heen was een
+verward geruisch van stemmen, maar ze zag of hoorde niets. Het was haar
+alsof ze alleen was.</p>
+
+<p>En toen hij kwam, ging het hem evenzoo. Hij had geen gedachte over voor
+alle anderen. Hij zag haar alleen. Maar toen hij bij den eersten blik
+reeds zag, hoe diep bedroefd de uitdrukking van haar gezicht was,
+helderde het zijne op en hij was bijna blij.</p>
+
+<p>Hij riep haar luid toe: &bdquo;Ge hebt van nacht niet geslapen, jonkvrouw.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei ze, &bdquo;ik heb gewaakt en voor u gebeden, maar nu ben ik
+wanhopig, want mijn gebeden hebben geen kracht.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij ging liggen bij het blok en zij lag op de knien er voor, om zijn
+hoofd tusschen haar handen te kunnen houden.</p>
+
+<p>&bdquo;Nu zal ik uw bruidegom ontmoeten, Catharina.&rdquo;</p>
+
+<p>Ze snikte steeds meer. &bdquo;Ik kan u zoo slecht troosten,&rdquo; sprak ze.</p>
+
+<p>Hij zag haar aan met een wonderlijken glimlach. &bdquo;Uw tranen zijn voor mij
+de beste troost.&rdquo;</p>
+
+<p>De beul stond naast hen met getrokken zwaard, maar ze wenkte hem, dat ze
+nog een paar woorden met den veroordeelde wilde spreken.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="169">&nbsp;</span><a id="p_169"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Voor ge hier kwaamt,&rdquo; zei ze, &bdquo;heb ik mijn hoofd op dit blok gelegd om
+te beproeven, of ik het zou kunnen verdragen. En toen voelde ik, dat ik
+nog angst voor den dood had, dat ik Jezus niet genoeg liefhad om op dit
+oogenblik te willen sterven. En ik wil ook niet, dat gij zult sterven,
+en mijn gebeden hebben geen kracht.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen zij dat zei, dacht hij<ins class="corr" id="corr16" title="Bron: .">:</ins> &bdquo;Als ik leven bleef zou ik haar toch
+kunnen winnen.&rdquo; En hij was blij, dat hij sterven moest, eer hij de
+stralende hemelbruid naar de aarde neergetrokken had. Maar toen hij het
+hoofd in haar handen gelegd had, kwam er een groote troost over hen
+beiden.</p>
+
+<p>&bdquo;Nicola Tungo,&rdquo; zei ze. &bdquo;Ik zie den hemel open. De engelen dalen neer om
+uw ziel te ontvangen.&rdquo;</p>
+
+<p>Een verwonderde glimlach gleed over zijn gezicht. Zou hij om harentwil
+den hemel waard zijn?&mdash;Hij hief de oogen op om te zien wat zij zag&mdash;op
+dat oogenblik viel de bijl. Maar zij zag de engelen al lager en lager
+neerzweven, zag hoe ze zijn ziel ophieven, zag hoe zij die ten hemel
+voerden.</p>
+
+<hr class="tb" />
+
+<p>Het komt ons zoo natuurlijk voor, dat ze al deze vijfhonderd jaar
+geleefd heeft. Hoe zou men de kleine, zachte jonkvrouw, met dat groote,
+liefdevolle hart kunnen vergeten. Het kon niet anders of men moest
+liederen zingen ter harer eere, zooals men nu in de kleine kapellen
+doet.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="170">&nbsp;</span><a id="p_170"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_ZEVEN_DOODZONDEN"></a>DE ZEVEN DOODZONDEN.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>De Booze wilde den spot drijven met een wijzen monnik. Hij wikkelde zich
+daarom in een wijden mantel en zette een grooten slappen hoed op, zoodat
+niemand hem kon herkennen en begaf zich naar den grijsaard, die in den
+biechtstoel zat in den dom en op zijn biechtelingen wachtte.</p>
+
+<p>&bdquo;Eerwaarde Vader,&rdquo; zei de Booze, &bdquo;ik ben een landman. Ik sta met de
+zon op en vergeet nooit mijn morgengebed. Daarna werk ik den heelen dag
+buiten op het veld. Mijn voedsel is brood en melk en als ik mij met mijn
+vrienden vermaken wil, onthaal ik hen op honing en vruchten. Ik ben de
+eenigste steun van mijn bejaarde ouders. Ik heb geen vrouw en verlang
+ook niet naar vrouwen. Ik ga vlijtig ter kerk en geef een tiende van al
+wat ik bezit. Eerwaarde vader, ge hebt mijn biecht gehoord. Wilt ge mij
+nu absolutie geven?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Mijn zoon,&rdquo; zei de monnik. &bdquo;Gij zijt de vroomste man, dien ik ooit
+gekend heb. Ik wil u gaarne absolutie geven. Maar laat mij u eerst
+vertellen, wat kort geleden <span class="pagenum" title="171">&nbsp;</span><a id="p_171"></a>hier in deze streken gebeurde. Dat zal uw
+hart verheugen, want ge zult van vele uitstekende daden hooren en toch
+zult ge voelen, dat zij, die deze daden volbrachten, nog maar arme
+zondaars waren in vergelijking met u.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Vader, ge verleidt me tot hoogmoed,&rdquo; zei de man.</p>
+
+<p>&bdquo;God beware mij voor zulk een groote zonde,&rdquo; antwoordde de monnik, &bdquo;als
+ge mijn verhaal gehoord hebt, zult ge wel anders denken.&rdquo;</p>
+
+<p>En hij vertelde:</p>
+
+<p>&bdquo;De fiere ridder, die het groote kasteel op den berg, aan den overkant
+van de rivier, bezit, besloot op zekeren dag zijn dochter uit te
+huwelijken aan een rijk en machtig man, die haar zeer lief had. Maar het
+meisje had hier veel op tegen, want zij had reeds aan een ander haar
+trouw beloofd.</p>
+
+<p>Toen schreef de maagd een brief aan hem dien ze liefhad en vertelde hem
+hoe ze door haar vader gedwongen werd een ander toe te behooren. &bdquo;Daarom
+zeg ik u duizend keer vaarwel,&rdquo; schreef zij hem, &bdquo;en smeek u, uzelf geen
+kwaad te doen om mijnentwil, want ik ben u trouw in mijn hart.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de ridder, haar vader, nam den bode den brief af en verbrandde hem
+in stilte.</p>
+
+<p>Toen kwam de trouwdag van het meisje en zij begroette dien met bittere
+tranen. Maar in de kerk schreide zij niet:&mdash;de smart zette zich vast op
+haar gelaat en versteende dat. En alle menschen in de kerk schreiden om
+haar.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="172">&nbsp;</span><a id="p_172"></a></p>
+
+<p>De ridder, haar vader, zag ook hoe de smart haar gezicht versteende.
+Toen schrikte hij van wat hij gedaan had. En toen ze thuis kwamen uit de
+kerk, riep hij zijn dochter bij zich in zijn kamer en zei: &bdquo;Lieve, ik
+heb verkeerd jegens u gehandeld.&rdquo; En hoewel hij trotsch was, viel hij op
+de knien voor haar en bekende, dat hij een slechte daad begaan had en
+haar brief vernietigd. Want hij was bang geweest, dat haar geliefde met
+zijn mannen zou zijn komen aanrijden om de bruid met geweld weg te
+voeren, als hij van de bruiloft geweten had.</p>
+
+<p>Zij zei alleen: &bdquo;Uw verontschuldiging, vader, is, dat u niet weet, wat
+een ellende u over ons gebracht hebt.&rdquo;</p>
+
+<p>En toen ging ze naar het balkon.</p>
+
+<p>Daar kwam haar bruidegom bij haar.</p>
+
+<p>&bdquo;Lieve, hoe sta je hier zoo, met zulk een droefheid op je gezicht?&rdquo;
+vroeg hij.</p>
+
+<p>Toen antwoordde de bruid; &bdquo;Omdat ik een ander lief heb en gezworen hem
+nooit te verlaten.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar hij sprak: &bdquo;Wees niet bedroefd, omdat je mijn vrouw zijt geworden.
+Ik heb je z lief, dat ik niet geloof, dat iemand je zoo gelukkig kan
+maken, als ik doen zal.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat denken alle menschen, die liefhebben,&rdquo; antwoordde zij.</p>
+
+<p>&bdquo;Zeg me maar, wat ik doen kan, om die droefheid van je gezicht weg te
+nemen,&rdquo; zei hij, &bdquo;en ik zal je toonen, dat ik de waarheid spreek.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen vatte de bruid moed en dacht: &bdquo;Ik zal het zeggen. Het is mogelijk,
+dat God zijn hart beweegt.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="173">&nbsp;</span><a id="p_173"></a></p>
+
+<p>En zij vertelde hem, dat zij en de man, dien ze liefhad, elkaar
+gezworen hadden, dat degeen, die door den ander verlaten werd, zich op
+diens bruiloftsdag om het leven zou brengen. &bdquo;Dus vandaag sterft mijn
+geliefde,&rdquo; zei de bruid. En in haar ellende zonk zij ineen en lag als
+een bedelares aan de voeten van haar bruidegom.</p>
+
+<p>&bdquo;Laat mij naar hem toe gaan eer het te laat is!&rdquo;</p>
+
+<p>Er was zulk een macht in de droefheid van die vrouw, dat haar man,
+hoewel hij dacht: &bdquo;Als ik haar laat gaan naar hem, dien ze liefheeft,
+dan zie ik haar nooit weer,&rdquo;&mdash;zichzelf overwon en sprak: &bdquo;Ge moogt doen
+zooals ge wilt.&rdquo;</p>
+
+<p>Toen stond zij op en dankte hem met tranen. En zij ging in de zaal en
+kwam bij de bruiloftsgasten, die bij hun plaatsen aan de gedekte tafel
+stonden en met verlangen op den maaltijd wachtten, want zij waren zeer
+hongerig na den langen rit en de lange mis.<ins class="corr" id="corr17" title="Bron: &rdquo;"></ins></p>
+
+<p>&bdquo;Lieve vrienden,&rdquo; zei de bruid tot hen, &bdquo;ik moet u zeggen, dat ik met
+toestemming van mijn man van avond naar hem, dien ik lief heb, ga. Want
+hij is voornemens zich vandaag van het leven te berooven, omdat ik
+hem ontrouw ben. Nu wil ik hem gaan zeggen, dat ik tot dit huwelijk
+gedwongen ben. Wees niet verwonderd, dat ik dit zelf ga zeggen, want
+voor zulk een boodschap is geen brief of bode voldoende. Maar ik verzoek
+u: eet en drink en wees vroolijk, terwijl ik weg ben, want ik kom terug,
+als ik het leven van mijn geliefde gered heb.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="174">&nbsp;</span><a id="p_174"></a></p>
+
+<p>Maar alle gasten schreiden, toen zij sprak van het verdriet, dat haar
+dreigde en antwoordden: &bdquo;Geenszins willen we eten en drinken, terwijl
+gij zulk een verdriet hebt. Ga en als ge terug komt, zullen wij den
+maaltijd beginnen.&rdquo;&mdash;En zij gingen van de tafel weg.</p>
+
+<p>Toen de bruid over de slotplaats kwam, hoorde zij roepen en schreeuwen
+in de keuken. Want een kleine jongen was naar den kok gegaan om te
+zeggen, dat de maaltijd eenige uren was uitgesteld. En de kok was
+bedroefd geworden bij de gedachte aan zijn gebraad en de heerlijke
+gerechten, die nu bederven moesten. Een pond boter wierp hij in 't vuur
+en een mand eieren sloeg hij stuk op den steenen vloer, en daarop gooide
+hij den jongen de keuken uit en op den grond en stond klaar om hem met
+een grooten bezem te slaan.</p>
+
+<p>Maar toen de bruid op de plaats kwam, verzocht zij hem den jongen los te
+laten. En hij werd door haar smeeken bewogen en liet hem dadelijk los.
+En hij riep uit: &bdquo;Geloofd zij God, die u zoo lief en mooi gemaakt heeft.
+Ik wil u niet nog meer verdriet doen dan ge al hebt.&rdquo; En hij bewaarde
+het eten vele uren lang, zonder tegen iemand een onvriendelijk woord te
+zeggen.</p>
+
+<p>En de bruid ging alleen door het groote bosch, want zij wilde te voet
+en zonder gevolg naar den geliefde gaan, zooals men in de kerk naar de
+Moeder Godskapel gaat, als men in nood verkeert.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="175">&nbsp;</span><a id="p_175"></a></p>
+
+<p>Maar in het bosch woonde een vogelvrije, een roover. Terwijl hij op de
+loer lag, zag hij de bruid aankomen. Zij had ringen aan den vinger, een
+gouden kroon op het hoofd, een zwaren zilveren gordel om het middel en
+paarlen om den hals. Toen zei de roover in zich zelf. &bdquo;Dat is maar een
+zwakke vrouw&mdash;haar zal ik vangen. Dan ben ik rijk genoeg en later kan ik
+naar een ander land gaan, met dit ellendige leven in 't bosch ophouden
+en een geacht en eerlijk man worden.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar toen de bruid dichterbij kwam en hij haar gezicht zag, voelde hij
+zich machteloos. Want God had haar wonderbaar schoon gemaakt. Hij dacht:
+&bdquo;Ik kan haar geen kwaad doen. Zij is een bruid en ik kan die schoone
+maagd toch niet uitgeplunderd naar het bruidsfeest laten gaan.&rdquo; En hij
+eerde God, die haar zoo mooi gemaakt had en liet haar ongehinderd
+voortgaan.</p>
+
+<p>In hetzelfde bosch woonde een oude hermiet, die zijn lichaam tuchtigde
+door zes etmalen te waken en alleen het zevende te slapen. Hij had
+zichzelf tot wet gesteld, dat hij als hij het zevende etmaal niet sliep,
+nog zes andere etmalen waken moest. Want hij meende, dat God het zoo
+wilde. Nu was zijn zevende etmaal al weer bijna voorbij, zonder dat hij
+geslapen had, want vele zieken en bedroefden waren tot hem gekomen. Maar
+toen hij ze allen afgewezen had, en wilde gaan slapen, zag hij de bruid
+door het dichte <span class="pagenum" title="176">&nbsp;</span><a id="p_176"></a>bosch aankomen. En hij dacht bij zichzelf. &bdquo;Hoe zal die
+vrouw over de woeste beek komen, die van nacht gezwollen is en de brug
+heeft stuk geslagen.&rdquo;</p>
+
+<p>En hij stond van zijn leger op en ging met haar mee naar de beek en
+droeg er haar op zijn schouders over.</p>
+
+<p>Maar toen hij in zijn grot terugkwam, was zijn tijd om en hij moest nog
+zes etmalen waken, terwille van deze vreemde vrouw. Maar hij had er geen
+spijt van, want zij was z bekoorlijk, dat allen, die haar zagen, blij
+waren iets voor haar te mogen opofferen.</p>
+
+<p>Zoo kwam de bruid aan het huis van haar geliefde. Maar hij was in een
+der zalen gegaan en had de deur met zware grendels afgesloten. En toen
+zij aan de deur klopte, wilde hij niet open doen; want hij had het
+zwaard getrokken en wilde zich van het leven berooven.</p>
+
+<p>De jonkvrouw kon niet roepen of spreken, want de angst had haar de keel
+toegesnoerd. Maar haar tranen vielen op den steenen vloer en hij hoorde
+haar snikken achter de eikenhouten deur. En hij kon zich niet dooden,
+maar luisterde er naar en deed open.</p>
+
+<p>Daar stond ze voor hem met gevouwen handen en zei hem, dat zij tot
+dit huwelijk gedwongen was. En toen hij zag, dat zij hem nog liefhad,
+beloofde hij zich niet te dooden. Toen ging ze naar hem toe en legde
+haar hoofd aan zijn borst. En hij kuste haar en ze voelden op dat
+oogenblik alle vreugde en alle droefheid, die een hart maar voelen kan.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="177">&nbsp;</span><a id="p_177"></a></p>
+
+<p>Hij sprak het eerst: &bdquo;Nu moet je gaan, want je behoort een ander toe.&rdquo;</p>
+
+<p>En zij antwoordde: &bdquo;Hoe kan ik dat?&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de ridder, die haar liefhad, maakte zich uit haar armen los en
+sprak. &bdquo;Ik wil hem, die u naar mij toe heeft laten gaan, geen onrecht
+aandoen.&rdquo; En hij liet twee paarden zadelen en reed met haar naar het
+huis van haar vader.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit alles vertelde de monnik aan den Booze en hij wist nog niet, met
+wien hij sprak. En toen vroeg hij hem, wie van alle menschen, van wie
+hij verteld had, nu het grootste offer gebracht had. Want de monnik was
+een wijs man en wist wel, dat niemand z vrij van zonde is, als deze
+man beweerde te zijn. En door dit verhaal wilde hij te weten komen,
+welke zijn lievelingszonde was. Want naarmate hij antwoordde, dat de
+vader, of de bruidegom, of de bruiloftsgasten, de kok of de roover, de
+hermiet of de minnaar het meest geofferd had, kon de monnik weten of
+hoogmoed, afgunst of onmatigheid, toorn, gierigheid, luiheid of wellust
+de zonde was, die zijn ziel beheerschte. Want de vrome man wist, dat de
+deugd, die hij bij anderen het meest bewonderde, degeen was, die hij
+zelf het moeilijkst te betrachten vond.</p>
+
+<p>Maar de Booze was z verdiept in zijn eigen spel, dat hij de list van
+den monnik niet merkte. &bdquo;In waarheid,&rdquo; zei hij, &bdquo;dat is niet gemakkelijk
+te beantwoorden. Het komt mij voor, dat de bruidegom geen grooter <span class="pagenum" title="178">&nbsp;</span><a id="p_178"></a>offer
+bracht dan de minnaar, en de tafelgasten geen grooter dan de roover. Zij
+verdienen allen den grootsten lof.&rdquo; En hij meende te antwoorden zooals
+de monnik het liefste wilde, dat hij doen zou.</p>
+
+<p>&bdquo;Om Godswil,&rdquo; riep de vrome monnik uit, die zeer verschrikt werd, &bdquo;zeg
+toch, dat ge de eene daad boven de andere kiest of zeg, dat ge geen van
+allen veel waard vindt.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat kan ik niet, eerwaarde Vader,&rdquo; antwoordde Satan. &bdquo;Niets van al wat
+deze menschen deden komt mij gemakkelijk voor. Ik kan 't een niet boven
+het andere stellen.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de monnik bracht de lippen aan zijn oor en sprak met snijdende
+stem:</p>
+
+<p>&bdquo;Ik bezweer u, dat ge zegt, dat een van hen de beste is.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de Booze ontkende dat en vroeg om absolutie.</p>
+
+<p>&bdquo;Dan zijt ge schuldig aan alle zeven doodzonden,&rdquo; barstte de
+<ins class="corr" id="corr18" title="Bron: monik">monnik</ins> uit, &bdquo;en ge moet de duivel zelf zijn en geen mensch.&rdquo;
+Toen hij dit gezegd had, vloog hij uit den biechtstoel en vluchtte naar
+het altaar. En hij begon de duivelbezwering te lezen:</p>
+
+<p xml:lang="la">&bdquo;Vade retro Satanas....&rdquo;</p>
+
+<p>Maar toen de Booze zag, dat hij zich verraden had, liet hij zijn mantel
+uitwapperen als een paar vleugels en vloog op in 't donkere gewelf van
+de kerk als een groote, zwarte vleermuis.</p>
+
+<p>En het was niet genoeg, dat hij zijn boos opzet <span class="pagenum" title="179">&nbsp;</span><a id="p_179"></a>gemist had, maar door
+Gods genade werd dit in een zegen verkeerd. Want het verhaal van den
+monnik is lange jaren gebruikt om te ontdekken, wat er in de menschen
+woont. Als men dat goed gebruikt, is het als het net in de hand van den
+visscher. Zooals dat in zee geworpen wordt en visschen ophaalt, zoo
+werpt men dit verhaal in de zielen der menschen en brengt daarme zonden
+aan het licht, opdat ze bestreden en onderdrukt kunnen worden.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<p><span class="pagenum" title="180">&nbsp;</span><a id="p_180"></a></p>
+
+<h2><a id="DE_SCHATKIST_VAN_DE_KEIZERIN"></a>DE SCHATKIST VAN DE KEIZERIN.</h2>
+
+<div class="chbegin"></div>
+
+<p>De bisschop had pater Verneau ontboden.&mdash;Dat was een heel lastig en
+onaangenaam geval.</p>
+
+<p>Pater Verneau was uitgezonden om te prediken in een fabrieksdistrikt in
+den omtrek van Charleroi, maar was midden in een groote werkstaking
+aangekomen, op een oogenblik, dat de arbeiders bizonder woest en
+teugelloos waren. Hij vertelde den bisschop, dat hij dadelijk bij zijn
+aankomst in het &bdquo;zwarte land&rdquo; een brief gekregen had van een van de
+leiders der arbeiders, waarin hem werd aangekondigd, dat het hem vrij
+stond te spreken, maar dat als hij het waagde Gods naam in zijn preek te
+noemen,&mdash;direct of indirect&mdash;er spektakel in de kerk zou gemaakt worden.
+<ins class="corr" id="corr19" title="Niet in Bron.">&bdquo;</ins>En toen ik op de preekstoel kwam en de gemeente zag,&rdquo; zei de
+pater, &bdquo;twijfelde ik er niet aan of ze zouden gevolg aan hun bedreiging
+geven.&rdquo;</p>
+
+<p>Pater Verneau was een kleine, uitgedroogde monnik. De bisschop zag op
+hem neer, als op een wezen van lager orde. Zulk een ongeschoren, kleine,
+vuile monnik <span class="pagenum" title="181">&nbsp;</span><a id="p_181"></a>met het onbeduidenste gezicht van de wereld kon niet
+anders dan laf zijn. Hij was zelfs bang voor hem, den bisschop.</p>
+
+<p>&bdquo;Men heeft mij ook bericht,&rdquo; zei de bisschop, &bdquo;dat gij den wensch van de
+arbeiders hebt vervuld, maar ik behoef u toch zeker niet te zeggen....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Monseigneur,&rdquo; viel hem pater Verneau in allen ootmoed in de rede. &bdquo;Ik
+meende, dat de kerk zoo mogelijk storende tooneelen vermijden moest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar een kerk, waarin Gods naam niet genoemd mag worden....&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Heeft Monseigneur mijn preek gehoord?&rdquo;</p>
+
+<p>De bisschop liep heen en weer in de kamer om weer kalm te worden.</p>
+
+<p>&bdquo;U kent hem natuurlijk!&rdquo; zei hij.</p>
+
+<p>&bdquo;Natuurlijk, Monseigneur.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Laat mij hem dan hooren, zooals hij uitgesproken is, pater Verneau,
+woord voor woord, precies zooals hij uitgesproken is.&rdquo;</p>
+
+<p>De bisschop ging in zijn leunstoel zitten. Pater Verneau bleef staan.</p>
+
+<p>&bdquo;Medeburgers en medeburgeressen,&rdquo; begon hij, oogenblikkelijk in zijn
+voordrachtstoon vervallend.</p>
+
+<p>De bisschop sprong op.</p>
+
+<p>&bdquo;Zoo worden ze graag genoemd, Monseigneur.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dat doet er niet toe, pater Verneau,&rdquo; zei de bisschop, &bdquo;ga voort.&rdquo; Een
+lichte rilling liep den bisschop door de leden; deze twee woorden hadden
+hem op wonderbare <span class="pagenum" title="182">&nbsp;</span><a id="p_182"></a>wijze den heelen toestand doen begrijpen. Hij zag ze
+voor zich, de kinderen van &bdquo;het zwarte land&rdquo; tot wie pater Verneau
+gesproken had. Hij zag veel ruwe gezichten, veel lompen, veel woeste
+uitgelatenheid. Hij zag die menschen waar niets voor gedaan werd.</p>
+
+<p>&bdquo;Medeburgers en medeburgeressen,&rdquo; begon pater Verneau opnieuw. &bdquo;Hier in
+het land is een uitstekende vorstin, zij is de wijste en
+voortreffelijkste, die ooit Belgi regeerde.</p>
+
+<p>Andere regenten, medeburgers, andere regenten krijgen opvolgers na hun
+dood en verliezen allen invloed over hun volk. Niet aldus de groote
+keizerin Maria Theresia.</p>
+
+<p>Misschien heeft zij den troon van Oostenijk en Hongarije verloren,
+misschien zijn Brabant en Limburg in andre handen overgegaan, maar niet
+haar goed graafschap West-Vlaandren.</p>
+
+<p>In West-Vlaanderen, waar ik deze laatste jaren gewoond heb, kent men
+nog heden ten dage geen anderen regent dan Maria Theresia. Wij weten,
+dat koning Leopold in Brussel woont, maar hij gaat ons niet aan.
+Maria Theresia regeert nog altoos daar ginds bij de zee. Vooral in
+visschersdorpen. Hoe dichter men bij de zee komt, hoe machtiger Maria
+Theresia is.</p>
+
+<p>Noch de groote revolutie, noch het keizerrijk, noch de Hollanders hebben
+macht genoeg gehad om haar te onttroonen. Hoe zouden ze ook? Ze hebben
+niets voor de kinderen der zee gedaan, wat met haar werkzaamheid te
+vergelijken is.</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="183">&nbsp;</span><a id="p_183"></a></p>
+
+<p>Want wat heeft zij niet aan de menschen op de duinen gegeven! Dat is
+niet genoeg te waardeeren, medeburgers.</p>
+
+<p>Voor ongeveer honderdvijftig jaar, onder haar eerste regeeringstijd,
+deed zij een reis naar Belgi. Toen kwam zij te Brussel en te Brugge;
+ze kwam naar Luik en Leuven en toen ze eindelijk genoeg van de groote
+steden gezien had en van de met schilderijen versierde stadhuizen, kwam
+ze ook naar de kust om de zee en de duinen te zien.</p>
+
+<p>Dat was niet vroolijk voor haar om te zien. Zij zag de zee, te groot en
+te machtig, dan dat een mensch haar kan bestrijden. Zij zag de kust,
+hulpeloos en onbeschermd. Daar waren duinen, maar de zee was vroeger
+over hen heen gespoeld en kon het weer doen. Er waren ook enkele dijken,
+maar zij waren vervallen en ingestort.</p>
+
+<p>Daar zag ze verzande havens, daar zag ze moerassen, z doorweekt, dat
+enkel riet en biezen er groeien wilden; daar zag ze visschershutten door
+den storm vernield, beneden aan de duinen gebouwd, als in zee geworpen,
+en daar zag ze armoedige, oude kerkjes, die steeds meer door de zee
+omringd werden en ver weg op drijfzand en in onbereikbare eenzaamheid
+lagen.</p>
+
+<p>De groote keizerin zat een heelen dag aan de zee. Zij liet zich
+vertellen van overstroomingen en weggespoelde dorpen. Zij liet zich de
+plaats aanwijzen, waar een geheele landstreek in zee gezonken was. Zij
+liet er <span class="pagenum" title="184">&nbsp;</span><a id="p_184"></a>zich heen roeien, daar stond een oude kerk op den bodem van de
+zee. En ze liet berekenen, hoeveel menschen er al verdronken waren, en
+al het vee, dat verloren gegaan was, toen de zee de laatste keer tot
+binnen de duinen was doorgedrongen.</p>
+
+<p>En dien heelen dag dacht de keizerin in zichzelf: hoe moet ik dit
+arme volk op de duinen toch helpen? Ik kan de zee toch niet verbieden
+te stijgen en te dalen, ik kan haar niet verbieden het strand te
+ondermijnen. Evenmin kan ik den wind aan banden leggen of hem beletten
+de booten van de visschers stuk te slaan. En allerminst kan ik de
+visschen in hun netten zenden of de biezen door voedende boekweit
+vervangen. Er is geen monarch in de wereld, die zoo sterk is, dat hij
+dit arme volk uit zijn ongeluk kan helpen.</p>
+
+<p>De volgende dag was een Zondag en de keizerin ging naar de mis in
+Blankenberghe. Daar waren alle kustbewoners, zelfs van Duinkerken tot
+Sluis om haar te zien. Maar vr de mis ging de keizerin rond en sprak
+met het volk.</p>
+
+<p>De eerste, die ze ontmoette was de havenmeester van Nieuwpoort.</p>
+
+<p>&bdquo;Wat nieuws is er in uw stad?&rdquo; vroeg de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Niets,&rdquo; antwoordde de havenmeester, &bdquo;niets anders, dan dat Cornelis
+Aertsen's boot gisteren nacht als door een valwind is omslagen en dat
+hij van morgen bij de kust gevonden is, zittend op de kiel van zijn
+boot.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="185">&nbsp;</span><a id="p_185"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Gelukkig, dat hij het leven redde,&rdquo; zei de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Dat is nog niet zeker,&rdquo; zei de havenmeester, &bdquo;want hij was krankzinnig,
+toen men hem aan land bracht.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Was dat van schrik?&rdquo; vroeg de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei de havenmeester, &bdquo;'t was omdat we hier in Nieuwpoort niets
+hebben om op te vertrouwen in tijd van nood. Cornelis wist, dat zijn
+vrouw en kindertjes doodhongeren zouden, als hij omkwam, en die gedachte
+maakte hem zeker krankzinnig.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dus, dat, wat u hier in de duinen eigenlijk noodig hebt,&rdquo; zei de
+keizerin, &bdquo;is iets om op te vertrouwen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, dat is het,&rdquo; zei de havenmeester. &bdquo;De zee is onzeker, de visscherij
+en alle verdienste zijn onzeker. We moeten iets hebben, waar we op
+rekenen kunnen.&rdquo;</p>
+
+<p>De keizerin ging verder tot ze bij den predikant van Heyst kwam.</p>
+
+<p>&bdquo;Is er iets nieuws in Heyst?&rdquo; vroeg zij hem.</p>
+
+<p>&bdquo;Niets nieuws,&rdquo; antwoordde hij, &bdquo;alleen heeft Jacob van Ravestein
+opgehouden met het aanleggen van dijken, met het uitgraven van de haven,
+met het bouwen van den vuurtoren en met alle andere nuttige werken,
+waarmee hij begonnen was.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Hoe komt dat?&rdquo; zei de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Hij heeft een erfenis gekregen,&rdquo; zei de predikant, &bdquo;en die vindt hij
+kleiner, dan hij verwachtte.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Maar nu heeft hij toch iets vast,&rdquo; zei de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja zeker,&rdquo; antwoordde de predikant, &bdquo;maar nu hij het geld in handen
+heeft, durft hij geen groot werk <span class="pagenum" title="186">&nbsp;</span><a id="p_186"></a>meer aan, uit angst, dat het niet
+toereikend zal zijn.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dus het moet iets onmetelijk groots zijn, dat u hier in Heyst noodig
+heeft, om de menschen te helpen,&rdquo; zei de keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het,&rdquo; zei de predikant, &bdquo;er is oneindig veel te doen en
+niets kan gedaan worden eer we iets onmetelijk groots hebben om op te
+steunen.&rdquo;</p>
+
+<p>De keizerin ging verder, tot ze bij den loods in Middelkerke kwam en
+vroeg ook hem naar nieuws van zijn stad.</p>
+
+<p>&bdquo;Niets nieuws weet ik te vertellen,&rdquo; zei de loods, &bdquo;dan dat Jan van der
+Meer ongenoegen heeft met Lucas Neerwinden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Werkelijk?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ja, zij hebben nu die plaats in zee gevonden, waar zoo'n massa
+kabeljauw is, en waar ze levenslang naar gezocht hebben. Ze hadden er
+van oudsher van hooren vertellen en hebben op zee rondgezworven om die
+te vinden. En ze waren de beste vrienden, tot ze die plek gevonden
+hebben, en daarna hebben ze twist gekregen.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dan was het maar beter, dat ze die nooit gevonden hadden,&rdquo; zei de
+keizerin.</p>
+
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei de loods, &bdquo;dat was zeker beter geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Dus wat u hier in Middelkerke zou kunnen helpen,&rdquo; zei de keizerin, &bdquo;zou
+iets moeten zijn, dat z verborgen was, dat niemand het vinden kon.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Juist,&rdquo; zei de loods, &bdquo;goed verborgen moest het zijn, want als iemand
+het vinden kon, zou er niets <span class="pagenum" title="187">&nbsp;</span><a id="p_187"></a>dan gekibbel en vijandschap van komen en
+'t zou gauw opgebruikt zijn en dan kon 't geen nut meer doen.&rdquo;</p>
+
+<p>De keizerin zuchtte en voelde, dat ze niets doen kon. Ze ging later naar
+de mis en onder de geheele godsdienstoefening lag zij op de knien en
+smeekte, dat zij 't volk toch mocht kunnen helpen. En, met uw verlof,
+medeburgers, aan 't eind van de mis was het haar duidelijk geworden, dat
+het beter was weinig dan niets te doen. Toen het volk uit de mis kwam,
+ging ze op de stoep van de kerk staan om tot hen te spreken.</p>
+
+<p>Geen mensch uit West-Vlaanderen zal ooit vergeten, hoe zij er uitzag.
+Mooi als een keizerin was ze en gekleed als een keizerin.</p>
+
+<p>Zij had zich de kroon en den mantel laten brengen en de staf in de hand
+genomen. Zij had hoog opgestoken, wit gepoederd haar en een snoer groote
+echte paarlen door de golvende lokken gevlochten. Ze was in schitterende
+roode zijde gekleed, en heel haar gewaad was overtrokken met echte
+vlaamsche kant. Ze had roode schoenen met hooge hakken en juweelen
+gespen op de wreef. Zoo ziet ze er nog uit en regeert over
+West-Vlaanderen tot op dezen dag toe.</p>
+
+<p>Nu sprak ze tot de kustbewoners en maakte hun haar wil bekend.</p>
+
+<p>Zij zei hun hoe ze gepeinsd had, om middelen te vinden om hen te helpen.</p>
+
+<p>Zij zei, dat ze wel wisten, dat zij de zee niet tot <span class="pagenum" title="188">&nbsp;</span><a id="p_188"></a>kalmte kon dwingen
+of den wind vastbinden, dat ze de visschen niet naar de kust kon voeren
+of de biezen in boekweit veranderen. Maar wat zij, armzalig mensch, voor
+hen doen kon, zou ze doen.</p>
+
+<p>Allen lagen geknield, terwijl ze sprak. Nooit te voren hadden ze z het
+kloppen van een zacht moederlijk hart gevoeld. De keizerin sprak met hen
+over hun moeilijk leven, zoodat ze schreiden uit dankbaarheid voor haar
+medelijden.</p>
+
+<p>Maar nu, zei de keizerin, was ze besloten hun haar schatkist te laten
+met alle schatten, die er in waren. Die zou een geschenk zijn voor
+allen, die op de duinen woonden. Het was de eenige hulp, die ze geven
+kon en ze vroeg hun haar te vergeven, dat die zoo klein was. En ze had
+tranen in de oogen toen ze dat zei.</p>
+
+<p>Ze vroeg hun nu of ze beloven wilden en zweren dien schat niet aan te
+spreken, voor de nood z hoog was, dat hij niet hooger stijgen kon. En
+verder, of ze wilden zweren, dat ze dien aan hun erfgenamen na zouden
+laten, als ze dien zelf niet noodig hadden. En eindelijk smeekte ze
+ieder afzonderlijk, dat hij niet voor zichzelf den schat zou gebruiken,
+zonder eerst de geheele visschersbevolking te hooren.</p>
+
+<p>Of ze dat zweren wilden? Ja, dat wilden ze allen. En zij zegenden de
+keizerin en schreiden van dankbaarheid. En zij schreide ook en zei, dat
+ze wel wist, dat ze een steun noodig hadden, die hun nooit begaf, <span class="pagenum" title="189">&nbsp;</span><a id="p_189"></a>en
+oneindige schatten en een onbereikbaar geluk, maar dat kon ze hun niet
+geven. Ze had zich nooit zoo machteloos gevoeld, als hier buiten in de
+duinen.</p>
+
+<p>Medeburgers, zonder dat zij 't wist, door de hooge regentenwijsheid, die
+in deze groote vrouw was, is het haar toch gelukt nog meer goed te doen
+dan ze bedoelde, en daarom kan men zeggen, dat ze nog heden in
+West-Vlaanderen regeert.</p>
+
+<p>Ge zult er van genieten, als ge van al den zegen hoort, die het geschenk
+van de keizerin over West-Vlaanderen heeft gebracht. Nu hebben de
+menschen daar iets, waar ze op vertrouwen kunnen, wat ze zoo noodig
+hadden,&mdash;wat wij allen zoo noodig hebben. Hoe groot de nood ook wezen
+kan, dr wanhoopt men niet.</p>
+
+<p>Men heeft mij gezegd hoe de schatkist van de keizerin er uitziet.
+Zooals het kistje van de heilige Ursula in Brugge, zei men, en zelfs
+nog mooier. Het is een reproductie van de domkerk in Weenen en van
+het zuiverste goud; maar op de zijwanden ziet men het leven van de
+keizerin in het helderste albast afgebeeld. Op de vier kleine zijtorens
+schitteren de vier diamanten, die de keizerin uit de kroon van den
+Sultan van Turkije gerukt heeft en op den gevel is haar naam ingelegd
+met robijnen. Maar toen ik hun vroeg of ze het kistje gezien hadden,
+zeiden ze, dat de schipbreukelingen, die in levensgevaar zijn, het
+altijd vr zich zien op de golven, als een teeken, dat ze niet moeten
+wanhopen <span class="pagenum" title="190">&nbsp;</span><a id="p_190"></a>voor vrouw en kinderen, als ze die moeten verlaten.</p>
+
+<p>Maar dit zijn de eenigen, die het kistje gezien hebben; anders is
+niemand het z nabij gekomen, dat hij het kon onderscheiden. En ge
+weet, medeburgers, dat de keizerin niet gezegd heeft, hoeveel het
+bevatte. Maar als ge er soms aan twijfelen mocht of het nuttig was en
+nog is, dan zou ik u willen aanraden naar de zee te reizen en zelf te
+zien. Sinds dien tijd is er steeds gegraven en gebouwd, en de zee is nu
+bedwongen door golfbrekers en dijken en doet geen schade meer, en er
+zijn groene velden binnen de duinrijen en badplaatsen en steeds in
+bloei toenemende steden aan den zeekant. Maar bij iederen vuurtoren,
+die gebouwd is, bij iedere haven, die werd uitgediept, bij ieder schip,
+waarvan de bouw begonnen werd, en iederen dijk, die werd opgeworpen,
+heeft men gedacht: &bdquo;Als ons geld niet toereikend is, helpt ons de
+genadige keizerin Maria Theresia. Maar dat was maar een aanmoediging;
+het eigen geld was altijd voldoende.</p>
+
+<p>Ge weet ook, dat de keizerin niet zei, waar zich de schat bevond. Was
+dat niet goed bedacht, medeburgers? Iemand bewaart dien, maar niet vr
+allen hebben besloten dien te deelen, mag hij, die hem bewaart, zich
+aanmelden en zeggen waar de schat is. Daardoor weet men, dat hij nu noch
+later onrechtvaardig verdeeld worden zal. Hij komt aan allen toe. Ieder
+weet, dat de keizerin aan hem evenveel denkt als aan zijn buurman. Daar
+bij die menschen kan geen twist of afgunst <span class="pagenum" title="191">&nbsp;</span><a id="p_191"></a>ontstaan, want het beste
+bezitten ze allen in gemeenschap.&rdquo;<ins class="corr" id="corr20" title="Niet in Bron.">&rdquo;</ins></p>
+
+<p>De Bisschop viel pater Verneau in de rede.</p>
+
+<p>&bdquo;Het is genoeg. Hoe hebt u het slot gemaakt?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ik zei hun,&rdquo; sprak de monnik, &bdquo;dat het een groot ongeluk was, dat de
+goede keizerin ook niet naar Charleroi gekomen was. Ik beklaagde hen,
+dat zij haar schatkist niet bezaten. Met de groote dingen, die zij
+voornemens waren te doen, met de zee, die ze moesten beteugelen, en het
+drijfzand, dat ze moesten regeeren, zei ik, was er zeker niets, dat ze
+noodiger hadden.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En....?&rdquo; vroeg de bisschop.</p>
+
+<p>&bdquo;Een paar koolrapen, Monseigneur, en hier en daar fluiten, toen ik den
+preekstoel al af was. Anders niets.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Ze hadden begrepen,&rdquo; zei de Bisschop, &bdquo;dat u van Gods voorzienigheid
+tot hen gesproken hadt.&rdquo;</p>
+
+<p>De monnik boog.</p>
+
+<p>&bdquo;Zij hadden begrepen, dat u hun wilde toonen, dat de macht, die ze
+hoonden, omdat ze haar niet zien, zich verbergen moest. Dat ze misbruikt
+zou worden, zoodra ze zich in zichtbaren vorm openbaarde. Ik maak u mijn
+compliment.&rdquo;</p>
+
+<p>De monnik trok zich buigend tot aan de deur terug.</p>
+
+<p>De bisschop volgde hem stralend van welwillendheid.</p>
+
+<p>&bdquo;Maar de schatkist...., gelooven ze daar nog aan.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Of ze er aan gelooven!&mdash;Ja zeker, Monseigneur.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En de schat? Was er ooit een schat?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Met uw verlof, Monseigneur,&mdash;ik heb het gezworen.&rdquo;</p>
+
+<p><span class="pagenum" title="192">&nbsp;</span><a id="p_192"></a></p>
+
+<p>&bdquo;Nu ja,&mdash;maar voor mij...&rdquo; zei de bisschop.</p>
+
+<p>&bdquo;De predikant te Blankenberge bewaart hem. Hij heeft hem mij laten zien.
+Het is een klein houten kistje met ijzer beslag.&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;En....?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Op den bodem liggen twintig blanke daalders van Maria Theresia.&rdquo;</p>
+
+<p>De bisschop glimlachte, maar werd spoedig weer ernstig.</p>
+
+<p>&bdquo;Kan men nu zulk een kistje met de Voorzienigheid vergelijken?&rdquo;</p>
+
+<p>&bdquo;Alle vergelijkingen zijn gebrekkig, Monseigneur. Alle menschelijke
+voorstellingen zijn ijdel.&rdquo;</p>
+
+<p>Pater Verneau boog nog eens en gleed uit het vertrek.</p>
+
+<div class="chend"></div>
+
+<div class="TNbox">
+<a id="correctie"></a>
+
+<h2>Overzicht aangebrachte correcties</h2>
+
+<p>De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table summary="correcties in tekst">
+ <thead>
+ <tr><th>Plaats</th><th>Bron</th><th>Correctie</th></tr>
+ </thead>
+ <tbody>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr1">Blz. v</a></td><td class="td4">Siena</td><td class="td4">Sina</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr2">Blz. 8</a></td><td class="td4">Zelfs</td><td class="td4">Zelf</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr3">Blz. 9</a></td><td class="td4">lijden</td><td class="td4">leiden</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr4">Blz. 70</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr5">Blz. 78</a></td><td class="td4">wl</td><td class="td4">wil</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr6">Blz. 109</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr7">Blz. 120</a></td><td class="td4">Agnete</td><td class="td4">Agneta</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr8">Blz. 121</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr9">Blz. 129</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr10">Blz. 131</a></td><td class="td4">Piazetta</td><td class="td4">Piazzetta</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr11">Blz. 135</a></td><td class="td4">,</td><td class="td4">.</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr12">Blz. 144</a></td><td class="td4">Giorgo</td><td class="td4">Giorgio</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr13">Blz. 147</a></td><td class="td4">dach</td><td class="td4">dacht</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr14">Blz. 148</a></td><td class="td4">mannan</td><td class="td4">mannen</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr15">Blz. 165</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr16">Blz. 169</a></td><td class="td4">.</td><td class="td4">:</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr17">Blz. 173</a></td><td class="td4">&rdquo;</td><td class="td4">[<i>Verwijderd.</i>]</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr18">Blz. 178</a></td><td class="td4">monik</td><td class="td4">monnik</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr19">Blz. 180</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&bdquo;</td></tr>
+ <tr><td class="td2"><a href="#corr20">Blz. 191</a></td><td class="td4">[<i>Niet in Bron.</i>]</td><td class="td4">&rdquo;</td></tr>
+ </tbody>
+</table>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Oud en nieuw, by Selma Ottiliana Lovisa Lagerlf
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OUD EN NIEUW ***
+
+***** This file should be named 38422-h.htm or 38422-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/8/4/2/38422/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/38422-h/images/cover.jpg b/38422-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4ed1673
--- /dev/null
+++ b/38422-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/38422-h/images/rug.jpg b/38422-h/images/rug.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a53008e
--- /dev/null
+++ b/38422-h/images/rug.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..78fb5f4
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #38422 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38422)